795685
265
Verklein
Vergroot
Pagina terug
1/268
Pagina verder
Handleiding multimediasysteem
Corolla
©2022 TOYOTA MOTOR CORPORATION
Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze handleiding mag
worden vermenigvuldigd of overgenomen, noch geheel, noch
gedeeltelijk, zonder de schriftelijke toestemming van Toyota
Motor Corporation.
Basishandelingen Basishandelingen voor het multimediasysteem
Instellingen en
registratie Registreren en instellen van diverse elementen
Een smartphone of
communicatieapparaat
aansluiten
Gebruik van Bluetooth® of Wi-Fi®
Navigatie
Bedienen van het kaartscherm
Zoeken op de kaart
Activeren van de routebegeleiding
Audiosysteem Luisteren naar de radio
Muziek luisteren
Handsfree bellen Voor handsfree gebruik van een mobiele telefoon
Extra diensten Gebruik van extra diensten
Parking Assist-
systeem Controleren van de situatie rondom de auto
Bijlage Referentie-informatie
Verklaring
Index Alfabetisch zoeken
1
2
3
4
5
6
7
8
9
Inleiding
Ter informatie .................................6
Veiligheidsinstructies ..................... 8
Over deze handleiding................... 9
Overzicht......................................11
1Basishandelingen
1-1. Basishandelingen voor het
multimediasysteem
Display en
bedieningselementen ................14
Overzicht multimediascherm .......16
Hoofdmenu ..................................17
Statusiconen ................................19
Bedienen van het touchscreen ....21
Basisfuncties scherm...................24
Invoeren van letters en cijfers......26
1-2. Basishandelingen voor het
navigatiesysteem
Kaartscherm ................................27
Weergave van de actuele
locatie van de auto ....................29
Wijzigen van de schaal van de
kaart ..........................................30
Wijzigen van de kaartrichting.......31
Verschuiven van de kaart ............32
1-3. Basishandelingen voor het
audiosysteem
In-/uitschakelen audiosysteem
en volumeregeling .....................33
Selecteren van de audiobron.......34
Wijzigen van de lay-out van de
toetsen op het keuzescherm
voor de audiobron .....................36
Aansluiten op een USB-
aansluiting .................................37
1-4. Spraakcommandosysteem
Bedienen van het systeem met
behulp van spraakbediening .....38
Spraakcommandosysteem ..........40
Uitspreken van een
spraakcommando......................42
Informatie zoeken met behulp
van het toetsenbord...................45
2Instellingen en registratie
2-1. Basisinstelling
multimediasysteem
Registreren van een
gebruikersprofiel........................48
2-2. Diverse instellingen
Wijzigen van de diverse
instellingen ................................53
2-3. Instellingen bestuurder
Wijzigen en registreren van een
gebruikersprofiel........................55
Identificatiemethode voor een
bestuurder instellen ...................58
2-4. Algemene instellingen
Wijzigen van de algemene
instellingen van het
multimediasysteem....................60
2-5. Scherminstellingen
Wijzigen van de instellingen
voor de weergave van het
scherm.......................................63
2-6. Instellingen spraakbediening
Wijzigen van de instellingen
van de spraakbediening ............65
2-7. Voertuiginstellingen
Dealerinformatie instellen ............66
Wijzigen van de
beveiligingsinstellingen..............67
Bijwerken en controleren van
de software-informatie...............69
2-8. Navigatie-instellingen
Instellingen navigatiesysteem......72
Wijzigen van de
kaartinstellingen ........................73
Route-instellingen ........................75
Instellingen begeleiding ...............78
Instellingen verkeersinformatie ....80
Overige instellingen .....................81
IJking positie/richting....................83
2-9. Geluids- en media-instellingen
Wijzigen van de geluids- en
media-instellingen .....................84
INHOUDSOPGAVE
2
Aanpassen van de
geluidsinstellingen per bron.......86
Instellen van de beeldkwaliteit .....87
Overschakelen naar een
andere schermmodus................88
2-10. Wi-Fi-instellingen®
Wijzigen van de Wi-Fi®-
instellingen ................................89
2-11. Bluetooth®-instellingen
Bluetooth®-apparaten instellen ....91
3
Een smartphone of
communicatieapparaat
aansluiten
3-1. Gebruik van de Bluetooth®-
functie
Voorzorgsmaatregelen bij
gebruik van Bluetooth®-
apparaten ..................................96
Bluetooth®-specificaties en
compatibele profielen ................98
Registreren van een
Bluetooth®-apparaat vanaf het
multimediasysteem....................99
Wissen van een geregistreerd
Bluetooth®-apparaat............... 102
Verbinding maken met een
Bluetooth®-apparaat............... 103
Instellen van een Bluetooth®-
apparaat als primair apparaat 106
Instellen van een Bluetooth®-
apparaat als secundair
apparaat ................................. 107
3-2. Verbinding maken met een
Wi-Fi®-netwerk
Voorzorgsmaatregelen bij
gebruik van Wi-Fi®-apparaten 108
Verbinding maken met een
netwerk via Wi-Fi®.................. 110
3-3. Gebruik van Apple CarPlay en
Android Auto
Voorzorgsmaatregelen bij
gebruik van Apple CarPlay en
Android Auto........................... 113
Gebruik van Apple CarPlay met
een ongeregistreerde
smartphone ............................ 116
Gebruik van Apple CarPlay met
een geregistreerde
smartphone ............................ 119
Gebruik van Android Auto......... 122
Als er mogelijk een storing
aanwezig is in Apple CarPlay
of Android Auto....................... 123
4Navigatie
4-1. Navigatiesysteem
Over het gebruik van
aanvullende kaartdiensten die
gebruikmaken van Wi-Fi®....... 128
Connected Navigation .............. 129
4-2. Kaartinformatie
Informatie weergeven voor een
punt ........................................ 131
Scherm met kaartopties............ 132
Weergeven van POI-iconen...... 133
Kaartinstellingen ....................... 134
Snelwegmodus ......................... 137
4-3. Zoeken van bestemming
Zoeken van een bestemming ... 138
Scherm voor zoeken van
bestemming............................ 139
Scherm met een overzicht van
de zoekresultaten ................... 142
Toevoegen van een tussenpunt 143
Bestemmingen instellen vanaf
uw smartphone....................... 144
4-4. Instellen bestemming
Kaartscherm met volledige
route ....................................... 146
Een demo van de
routebegeleiding bekijken....... 147
Wijzigen van route-opties ......... 148
Wijzigen van de route ............... 149
Punten om langs te rijden
instellen op een route ............. 150
Tussenpunten bewerken........... 151
4-5. Routebegeleiding
INHOUDSOPGAVE
3
Routebegeleidingsscherm ........ 152
Rijstrookweergaveschermen .... 153
Opnieuw zoeken van een route 155
Specifieke
stembegeleidingstermen ........ 156
4-6. Kaartupdate
Databaseversie kaart en
dekkingsgebied ...................... 157
5Audiosysteem
5-1. Bediening van de radio
Luisteren naar de radio............. 160
Naar DAB luisteren ................... 162
5-2. Internetradio
Gebruik van internetradio ......... 164
5-3. Bediening USB-stick
Voorzorgsmaatregelen bij het
afspelen van muziek via een
USB-stick................................ 165
Muziekbestanden afspelen
vanaf een USB-stick............... 167
Videobestanden afspelen vanaf
een USB-stick......................... 169
5-4. Bediening iPod/iPhone
Voorzorgsmaatregelen bij het
afspelen van muziek via iPod/
iPhone .................................... 172
Afspelen vanaf een iPod/
iPhone .................................... 173
5-5. Bediening Apple CarPlay
Voorzorgsmaatregelen bij het
afspelen van muziek via
Apple CarPlay ........................ 175
Afspelen via Apple CarPlay ...... 176
5-6. Bediening Android Auto
Voorzorgsmaatregelen bij het
afspelen van muziek via
Android Auto........................... 178
Android Auto afspelen .............. 179
5-7. Bediening Bluetooth®-audio
Voorzorgsmaatregelen voor
afspelen van Bluetooth®-
audio....................................... 181
Bluetooth®-audio afspelen ........ 182
5-8. Bediening Miracast®
Voorzorgsmaatregelen bij het
afspelen van muziek via
Miracast®................................ 185
Aansluiten van Miracast®-
compatibele apparaten........... 186
Afspelen via Miracast®.............. 187
6Handsfree bellen
6-1. Voorzorgsmaatregelen bij
handsfree bellen
Voorzorgsmaatregelen voor
handsfree bellen..................... 190
Voorzorgsmaatregelen
wanneer u de auto verkoopt
of wegdoet.............................. 193
Wanneer handsfree bellen
mogelijk niet functioneert........ 194
6-2. Handsfree bellen met behulp van
de stuurwieltoetsen
Bedienen met de
stuurwieltoetsen ..................... 197
6-3. Bellen
Bellen vanuit
oproepgeschiedenis ............... 199
Bellen via de lijst met favorieten200
Bellen vanuit contactenlijst ....... 201
Bellen via het toetsenblok......... 202
Pechhulp van Toyota bellen...... 203
Bellen met behulp van een
wacht- of pauzesignaal........... 204
6-4. Oproepen beantwoorden
Oproepen beantwoorden .......... 205
Oproepen weigeren .................. 207
6-5. Bediening tijdens
telefoongesprekken
Bediening vanaf het belscherm 208
Een onderbroken oproep
beantwoorden......................... 210
Iemand anders bellen tijdens
een lopend gesprek................ 211
Een conferencecall starten ....... 212
Beëindigen van gesprekken ..... 213
INHOUDSOPGAVE
4
6-6. Wisselen van telefoon voor
handsfree bellen
Wisselen van telefoon voor
handsfree bellen..................... 214
6-7. Bewerken van contactgegevens
Overbrengen van
contactgegevens .................... 215
Nieuwe contactgegevens aan
contacten toevoegen .............. 219
Favorieten registreren............... 221
6-8. Gebruik van de berichtfunctie
Voorzorgsmaatregelen bij
gebruik van de berichtfunctie . 222
Bellen via de berichtfunctie....... 226
7Extra diensten
7-1. Webbrowser (internet)
Over de webbrowserfunctie
(internet) ................................. 228
Weergeven van het
webbrowserscherm ................ 229
Bedienen van het
webbrowserscherm ................ 230
8Parking Assist-systeem
8-1. Rear View Monitor-systeem
Werking Rear View Monitor-
systeem .................................. 234
Voorzorgsmaatregelen Rear
View Monitor-systeem ............ 236
Zaken die u dient te weten........ 241
9Bijlage
9-1. Bijlage
Informatie over media en
gegevens die in het
audiosysteem kunnen worden
gebruikt................................... 244
Verklaring.................................. 252
Index................................................ 261
INHOUDSOPGAVE
5
Inleiding
Ter informatie
Multimediahandleiding
This manual describes the operation of the multimedia system. Please read this
manual and the "Owners manual" carefully to ensure proper use.
De inhoud van deze handleiding verschilt in sommige gevallen mogelijk van
het systeem, bijvoorbeeld als gevolg van software-updates en wijzigingen in de
specificaties.
This manual contains information related to system software Ver.1001 and
earlier. For the latest information, refer to the following URL. Before using this
system, be sure to read the information relating to the latest software version.
Depending on the country or area, the software update service may not be
available.
Gasoline vehicles
URL:
https://www.toyota-europe.com/manual?parameter=om12r34e.corolla.2201.cv.mm
QR code:
Hybrid vehicles
URL:
https://www.toyota-europe.com/manual?parameter=om12r34e.corolla.2201.hev.mm
QR code:
De in deze handleiding getoonde schermen wijken mogelijk af van het
daadwerkelijke scherm van het systeem, afhankelijk van de beschikbaarheid van
functies, status van de aanmelding en kaartgegevens die beschikbaar waren op
het moment dat deze handleiding werd gemaakt.
Inleiding
6
De bedrijfsnamen en producten die in deze handleiding worden vermeld, zijn
handelsmerken en/of geregistreerde handelsmerken van hun respectievelijke
bedrijven.
Disclaimer over compensatie bij gegevensverlies
Dit systeem slaat gegevens op in het interne geheugen. Data die zijn opgeslagen
in het geheugen kunnen corrupt raken of verloren gaan door storingen, reparaties,
softwarefouten en andere oorzaken.
Toyota accepteert geen enkele aansprakelijkheid en biedt geen compensatie aan
met betrekking tot schade die direct en/of indirect voortvloeit uit problemen met de
opslag van data in het interne geheugen.
Verwijderen van de 12V-accu
Als het contact UIT wordt gezet, worden alle gegevens in het systeem opgeslagen.
Als de 12V-accu wordt losgenomen voordat de gegevens zijn opgeslagen, worden
de gegevens mogelijk niet goed opgeslagen.
Inleiding
7
Veiligheidsinstructies
Houd u aan de volgende instructies om dit systeem zo veilig mogelijk te gebruiken.
Het systeem is bedoeld om u te assisteren bij het bereiken van uw bestemming
en zal dit, mits goed gebruikt, ook doen. U bent als bestuurder verantwoordelijk
voor het veilig functioneren van de auto en voor de veiligheid van uw passagiers.
Gebruik de functies van dit systeem zodanig dat ze geen afleiding vormen en
een veilige rit niet beletten. De veiligheid tijdens het rijden moet altijd als eerste
prioriteit gezien worden. Neem tijdens het rijden altijd de verkeersregels in acht.
Als een verkeerssituatie recentelijk gewijzigd is, kan het routebegeleidingssysteem
u van verkeerde informatie voorzien, zoals het advies om een eenrichtingsweg in te
rijden.
Luister tijdens het rijden zo veel mogelijk naar de stembegeleiding en werp alleen
een blik op het scherm als de wegsituatie dit toelaat. Vertrouw echter nooit volledig
op de informatie van de stembegeleiding. Gebruik deze alleen als referentie. U
hoort mogelijk onjuiste, verlate of helemaal geen stembegeleiding als het systeem
de actuele positie niet correct kan vaststellen.
De gegevens in het systeem zijn soms niet volledig. De wegsituatie, inclusief
beperkingen (niet links afslaan, straten afgesloten, enz.) wijzigt regelmatig. Kijk
daarom, voordat u een instructie van het systeem gaat opvolgen, of deze handeling
veilig en legitiem kan worden uitgevoerd.
Het systeem kan u niet waarschuwen voor zaken als de veiligheid van een gebied,
de toestand van het wegdek en de beschikbaarheid van hulpdiensten. Als u niet
overtuigd bent van de veiligheid van een bepaald gebied, rijd dit gebied dan niet
in. Het systeem ondersteunt de bestuurder, maar vervangt nooit diens persoonlijke
beoordeling.
WAARSCHUWING
Uit veiligheidsoverwegingen mag de bestuurder het systeem tijdens het rijden niet
bedienen. Onvoldoende aandacht voor de weg en het verkeer kan resulteren in een
ongeval.
Houd u tijdens het rijden aan de verkeersregels en let op de toestand van de weg.
Inleiding
8
Over deze handleiding
Geeft uitleg over de symbolen die in deze handleiding worden gebruikt.
Symbolen in deze handleiding
Symbolen Betekenis
WAARSCHUWING : Geeft uitleg over iets dat kan resulteren in
dodelijk of ernstig letsel wanneer de voorzorgsmaatregelen niet in acht
worden genomen.
OPMERKING : Geeft uitleg over iets dat kan resulteren in
schade of storingen aan de auto of de uitrusting wanneer de
voorzorgsmaatregelen niet in acht worden genomen.
Geeft bedienings- of werkingsprocedures aan.
Geeft uitleg in plaats van beschrijvingen over bedieningsmethoden en functies
die u dient te kennen en die handig zijn om te weten.
Symbolen in afbeeldingen
Symbolen Betekenis
Geeft de handeling aan voor het bedienen van knoppen en dergelijke (drukken,
draaien, enz.)
Inleiding
9
Symbolen Betekenis
Geeft het onderdeel of de positie aan waarover uitleg wordt gegeven.
Inleiding
10
Overzicht
Instrumentenpaneel
Onderstaande afbeelding heeft betrekking op een auto met linkse besturing.
AMicrofoon ....................................................................................................... Blz. 39
BStuurwieltoetsen
Audiobediening.................................................................................................Blz. 34
Bedienen van het systeem met behulp van spraakbediening ..........................Blz. 40
Bellen..............................................................................................................Blz. 197
CWeergave........................................................................................................ Blz. 14
DKnop [VOL ] ............................................................................................. Blz. 33
EUSB-aansluiting............................................................................................. Blz. 37
Inleiding
11
Inleiding
12
1Basishandelingen
1-1. Basishandelingen voor het
multimediasysteem
Display en
bedieningselementen ................14
Overzicht multimediascherm .......16
Hoofdmenu ..................................17
Statusiconen ................................19
Bedienen van het touchscreen ....21
Basisfuncties scherm...................24
Invoeren van letters en cijfers......26
1-2. Basishandelingen voor het
navigatiesysteem
Kaartscherm ................................27
Weergave van de actuele
locatie van de auto ....................29
Wijzigen van de schaal van de
kaart ..........................................30
Wijzigen van de kaartrichting.......31
Verschuiven van de kaart ............32
1-3. Basishandelingen voor het
audiosysteem
In-/uitschakelen audiosysteem
en volumeregeling .....................33
Selecteren van de audiobron.......34
Wijzigen van de lay-out van de
toetsen op het keuzescherm
voor de audiobron .....................36
Aansluiten op een USB-
aansluiting .................................37
1-4. Spraakcommandosysteem
Bedienen van het systeem met
behulp van spraakbediening .....38
Spraakcommandosysteem ..........40
Uitspreken van een
spraakcommando......................42
Informatie zoeken met behulp
van het toetsenbord...................45
13
1
Basishandelingen
Basishandelingen voor het multimediasysteem
Display en bedieningselementen
AWeergave
Bedien het touchscreen door het rechtstreeks aan te raken.
BKnop [VOL ]
Hiermee kunt u het audiosysteem in- of uitschakelen en het volume regelen.
INFORMATIE
Het LCD-scherm lijkt mogelijk vaag of donker, afhankelijk van de omgeving of de
kijkhoek.
Het scherm kan mogelijk niet goed worden afgelezen als er zonlicht of licht van een
andere externe lichtbron op schijnt.
Het scherm lijkt mogelijk donker of kan niet goed worden afgelezen wanneer u een
gepolariseerde zonnebril draagt.
WAARSCHUWING
Om veiligheidsredenen dient de bestuurder het display tijdens het rijden zo min mogelijk
te bedienen en dient hij/zij de auto stil te zetten om het display te bedienen. Het bedienen
van het display tijdens het rijden is gevaarlijk; u kunt bijvoorbeeld per ongeluk aan het stuur
draaien of er kunnen zich andere onvoorziene ongelukken voordoen. Kijk bovendien tijdens
het rijden alleen indien nodig en zo kort mogelijk naar het display.
OPMERKING
Gebruik het display niet gedurende lange tijd wanneer de motor <het hybridesysteem> is
uitgeschakeld. Anders kan de 12V-accu ontladen raken.
Systeem herstarten
Wanneer het systeem erg traag reageert, kunt u het systeem herstarten.
1-1. Basishandelingen voor het multimediasysteem
14
Houd de knop [VOL ] gedurende
ten minste 3 seconden ingedrukt.
1-1. Basishandelingen voor het multimediasysteem
15
1
Basishandelingen
Overzicht multimediascherm
AHoofdmenu
Wijzigt de op het scherm weer te geven functie wanneer een icoon wordt gekozen.
BMicrofoontoets
Geeft het spraakherkenningsscherm weer voor verbale bediening van het
navigatiesysteem, het audiosysteem en diverse andere functies.
CStatusiconen
De klok en iconen met informatie over communicatiestatussen, enz. worden bovenaan op
het scherm weergegeven.
Verwante onderwerpen
Hoofdmenu(Blz. 17)
Statusiconen(Blz. 19)
Spraakcommandosysteem(Blz. 40)
1-1. Basishandelingen voor het multimediasysteem
16
Hoofdmenu
De op het scherm weer te geven functie kan worden gewijzigd door een icoon te
kiezen.
: Apple CarPlay
Geeft het Apple CarPlay-scherm weer.
: Android Auto
Geeft het Android Auto-scherm weer.
: Navigatiesysteem
Geeft het kaartscherm weer. Het navigatiesysteem kan worden bediend om een
bestemming te zoeken of andere aan het navigatiesysteem gerelateerde taken uit
te voeren.
: Audio
Geeft het audiobedieningsscherm weer. De gewenste bron kan worden
geselecteerd om audio af te spelen.
: Telefoon
Geeft het telefoonscherm weer. Er kan een via Bluetooth® aangesloten mobiele
telefoon worden gebruikt om handsfree te bellen.
: Voertuiginformatie*1
Geeft het voertuiginformatiescherm weer.
: Extra diensten
Geeft het scherm met apps weer.
Deze functie is in sommige landen niet beschikbaar. Neem voor meer informatie
(overzicht met landen waar een service beschikbaar is, bediening, instellingen,
enz.) contact op met een erkende Toyota-dealer of hersteller/reparateur of een
andere naar behoren gekwalificeerde en uitgeruste deskundige.
: Instellingen
Geef het instellingenscherm weer. De instellingen van het multimediasysteem en de
voertuiginstellingen kunnen worden gewijzigd.
*1 : Raadpleeg de "handleiding van de auto".
1-1. Basishandelingen voor het multimediasysteem
17
1
Basishandelingen
INFORMATIE
De Apple CarPlay-/Android Auto-iconen worden weergegeven wanneer een ondersteund
apparaat verbinding maakt met het systeem en de desbetreffende functie wordt
ingeschakeld.
1-1. Basishandelingen voor het multimediasysteem
18
Statusiconen
De tijd en iconen met informatie over communicatiestatussen, enz. worden
bovenaan op het scherm weergegeven.
Geeft de huidige tijd weer. Wanneer u de klok kiest, wordt het scherm met de datum
en tijd weergegeven.
Geeft de status van de verbinding weer van de via Bluetooth® aangesloten mobiele
telefoon. Als u het icoon kiest, wordt het scherm voor Bluetooth®-instellingen
weergegeven.
Geeft het ontvangstbereik van de aangesloten mobiele telefoon weer.
Geeft de actuele ladingstoestand van de batterij van de aangesloten mobiele
telefoon weer.
Geeft de status van het delen van gegevens met de Toyota Center Server weer.
Geeft de ontvangststatus van de datacommunicatiemodule (DCM) weer.*1
Geeft het Wi-Fi®-ontvangstniveau weer.
Wordt weergegeven wanneer er handsfree wordt gebeld terwijl een ander scherm
dan het telefoonscherm wordt weergegeven.
Wordt weergegeven wanneer internetradio is ingeschakeld.*2
Wordt weergegeven wanneer de voeding van een draadloze lader is
ingeschakeld.*1
1-1. Basishandelingen voor het multimediasysteem
19
1
Basishandelingen
INFORMATIE
De weergegeven actuele ladingstoestand van de mobiele telefoon wijkt mogelijk af
van wat op de mobiele telefoon wordt weergegeven. Bovendien kan de actuele
ladingstoestand mogelijk niet worden weergegeven, afhankelijk van het type telefoon.
U kunt mogelijk Wi-Fi® niet gebruiken wanneer de ontvangst slecht is.
Als u uw mobiele telefoon gebruikt op plaatsen of in een toestand zoals onderstaande,
kunt u mogelijk geen verbinding maken via Bluetooth®:
De mobiele telefoon bevindt zich achter of onder een stoel, in het dashboardkastje of
in het consolevak.
De mobiele telefoon maakt contact met of is afgeschermd door metalen voorwerpen.
Als de mobiele telefoon is ingesteld op de spaarstand, wordt de Bluetooth®-verbinding
mogelijk automatisch verbroken. Als dat gebeurt, schakel dan de spaarstand op de
mobiele telefoon uit.
Verwante onderwerpen
Wijzigen van de algemene instellingen van het multimediasysteem(Blz.
60)
Bluetooth®-apparaten instellen(Blz. 91)
*1 : Indien aanwezig
*2 : Deze functie is in sommige landen of gebieden niet beschikbaar.
1-1. Basishandelingen voor het multimediasysteem
20
Bedienen van het touchscreen
Bedien het touchscreen door het rechtstreeks met een vinger aan te raken.
Aanraken
Raak het scherm voorzichtig aan. U kunt items op
het scherm selecteren.
Slepen
Beweeg uw vinger terwijl deze het scherm
aanraakt. U kunt door de lijst- en kaartschermen
scrollen.
Swipen
Swipe snel met uw vingertop over het scherm. U
kunt door de lijst- en kaartschermen scrollen.
Twee vingers naar elkaar toe bewegen/twee vingers van elkaar af bewegen
Beweeg twee vingers naar elkaar toe/van elkaar
af terwijl u het scherm aanraakt. U kunt in- en
uitzoomen op de kaarten.
INFORMATIE
Om sommige functies te bedienen, moet u mogelijk uw vinger op het scherm houden of
dubbeltikken (het scherm 2 keer achter elkaar snel aanraken).
1-1. Basishandelingen voor het multimediasysteem
21
1
Basishandelingen
Het gevoeligheidsniveau bij het aanraken van het scherm kan worden gewijzigd.
U kunt het responsgeluid wanneer een schermtoets wordt aangeraakt in- of uitschakelen.
Op grotere hoogten werkt het swipen mogelijk niet goed.
Bediening van het scherm is beperkt tijdens het rijden.
Verwante onderwerpen
Wijzigen van de algemene instellingen van het multimediasysteem(Blz.
60)
Opmerkingen voor het bedienen van het touchscreen
INFORMATIE
Als de toetsen op het scherm niet reageren, neem dan uw vinger van het scherm en
probeer het nogmaals.
In de volgende situaties reageren de schermtoetsen mogelijk niet of werken ze niet goed:
Als handschoenen worden gedragen
Als het scherm met een vingernagel wordt bediend
Als het scherm tegelijkertijd met een andere vinger of de handpalm wordt aangeraakt
Er zit vuil of water op het scherm
Als er een plastic folie of coating op het scherm zit
Als de auto zich in de buurt bevindt van een televisiezendmast, elektriciteitscentrale,
tankstation, radiozender, videowall, luchthaven of andere locatie waar sterke
radiogolven of elektromagnetische velden aanwezig zijn
Wanneer u een draagbaar draadloos communicatieapparaat, zoals een radio of
mobiele telefoon, in de auto vervoert of oplaadt
Als het scherm wordt aangeraakt of bedekt met een metalen voorwerp zoals een van de
onderstaande, reageren de schermtoetsen mogelijk niet of werken ze niet goed:
Een kaart met metaal erop, zoals aluminiumfolie
Een pakje sigaretten met aluminiumfolie
Een portemonnee, handtas of tas met metalen onderdelen
Muntgeld
Media zoals CD's en DVD's en een USB-kabel.
Als het systeem wordt gestart terwijl u een vinger op het scherm houdt, reageren de
schermtoetsen mogelijk niet. Neem uw vinger van het scherm en probeer het nogmaals.
Als de toetsen nog steeds niet reageren, zet dan het contact UIT en start het systeem
opnieuw.
Twee vingers naar elkaar toe of van elkaar af bewegen wordt niet ondersteund voor de
kaart-app van Apple CarPlay.
1-1. Basishandelingen voor het multimediasysteem
22
OPMERKING
Raak om het scherm te beschermen, het scherm voorzichtig met uw vinger aan wanneer
u het bedient.
Bedien het touchscreen uitsluitend met uw vinger.
Reinig het scherm voorzichtig met een brillendoekje of een vergelijkbare zachte doek. Als
u het scherm hard aanraakt met uw vinger of een ruwe doek, kunnen er krassen op het
oppervlak van het scherm komen.
Gebruik geen wasbenzine of alkalische vloeistoffen om het scherm te reinigen. Anders
kan het scherm beschadigd raken.
Onder bepaalde omstandigheden kan het scherm enigszins warm aanvoelen. Wees
voorzichtig, want bij langdurig aanraken kunnen lichte brandwonden ontstaan.
1-1. Basishandelingen voor het multimediasysteem
23
1
Basishandelingen
Basisfuncties scherm
Als er meerdere kandidaten zijn, zoals instellingen en audio, wordt er een
lijstscherm weergegeven. Scrol door de lijst om het gewenste item te selecteren.
AHoofdmenu
Wijzigt de op het scherm weer te geven functie wanneer u een icoon kiest.
BSubmenu
Geeft items weer in een lijst. U kunt door de lijst scrollen door middel van slepen of
swipen.
CBeschrijvingsgebied
Geeft gedetailleerde informatie weer over het item dat u in het submenu hebt
geselecteerd.
DBroodkruimellijst
Geeft schermtitels weer in een hiërarchie. Wanneer u [] kiest, gaat u één niveau hoger
in de hiërarchie.
Zoeken in een lijst
Wanneer u tekst kiest in een index,
wordt het gewenste item uit de lijst
weergegeven.
Instellingen in- of uitschakelen
Wanneer u een item kiest, wordt de
instelling in- of uitgeschakeld
: Aan
: Uit
1-1. Basishandelingen voor het multimediasysteem
24
Meerdere instellingsopties
Wanneer u een item kiest waar [ ]
achter staat, kunt u een item selecteren
uit meerdere opties.
Aanpassen van het niveau
Door de cursor te verschuiven, kunt u het
instellingsniveau aanpassen.
Verwante onderwerpen
Hoofdmenu(Blz. 17)
1-1. Basishandelingen voor het multimediasysteem
25
1
Basishandelingen
Invoeren van letters en cijfers
U kunt letters en cijfers invoeren met behulp van het toetsenbord. Als u letters
invoert, wordt voorspellende tekst weergegeven.
Schermvoorbeeld
: Hiermee kunt u het scherm met het toetsenbord sluiten en terugkeren naar
het vorige scherm.
: Geeft voorgestelde tekst weer op basis van de huidige tekstinvoer.
: Eén karakter wissen.
: Wijzigt het toetsenbord.
: Schakelt tussen hoofdletters en kleine letters.
[Go] (ga) : Voer een zoekopdracht uit op basis van invoertekst.
: Hiermee kunt u het scherm met het toetsenbord sluiten.
: Schakelt over naar de invoermodus voor cijfers en symbolen.
: Schakelt over naar de invoermodus voor letters.
: Schakelt over naar het invoerscherm voor handgeschreven tekst.
INFORMATIE
Het weergegeven toetsenbordtype verschilt per functie.
Houd uw vinger op [ ] om rechtstreeks het toetsenbordtype te selecteren.
Dubbeltik op [ ] om de letters voor invoer vast te zetten op hoofdletters.
1-1. Basishandelingen voor het multimediasysteem
26
Basishandelingen voor het navigatiesysteem
Kaartscherm
De informatie die op het kaartscherm wordt weergegeven en het doel ervan zijn als
volgt. Kies [ ] in het hoofdmenu.
AActuele locatie
Geeft de actuele locatie en richting van de auto weer.
BWeergave rijstrookinformatie
Geeft de doorgaande rijstroken en afslagen weer op een kruispunt/knooppunt. (Alleen
beschikbaar voor kruispunten/knooppunten met informatie in de kaartgegevens.)
Tijdens de routebegeleiding wordt de voorgestelde rijstrook gemarkeerd.
CWeergave naam
Namen van wegen waarop wordt gereden worden weergegeven. (Alleen beschikbaar
voor punten met informatie in de kaartgegevens.)
DWeergave schaal
Geeft de schaal van de weergegeven kaart weer.
EMerkteken richting
Geeft de kaartrichting weer. Hiermee kunt u de kaartrichting wijzigen.
Raadpleeg het wijzigen van de kaartrichting voor meer informatie over het wijzigen van de
kaartrichting.
FToets inzoomen/uitzoomen
In- en uitzoomen op de kaart.
GToets display-instellingen
Geeft het scherm voor display-instellingen weer. Hiermee kunnen ook de display-
instellingen voor POI's in de buurt, enz. worden gewijzigd.
HToets Bestemming
Geeft het scherm voor het zoeken van de bestemming weer.
IMicrofoontoets
Geeft het spraakherkenningsscherm weer.
Verwante onderwerpen
Weergave van de actuele locatie van de auto(Blz. 29)
Wijzigen van de kaartrichting(Blz. 31)
Kaartinstellingen(Blz. 134)
1-2. Basishandelingen voor het navigatiesysteem
27
1
Basishandelingen
Zoeken van een bestemming(Blz. 138)
Bedienen van het systeem met behulp van spraakbediening(Blz. 38)
1-2. Basishandelingen voor het navigatiesysteem
28
Weergave van de actuele locatie van de auto
De actuele locatie van de auto wordt weergegeven met het merkteken voor de
actuele locatie [ ].
Kies, als u door het kaartscherm hebt gescrold, [ ] or [ ] in het hoofdmenu om
op de kaart terug te keren naar de actuele locatie van de auto.
INFORMATIE
Als de auto nieuw is of een accupool is losgenomen en weer is aangesloten, wijkt de
actuele locatie van de auto mogelijk af van de locatie [ ] die wordt aangegeven met
het merkteken voor de actuele locatie [ ]. Na een tijdje rijden wordt de weergegeven
actuele locatie [ ] echter automatisch gecorrigeerd via Map Matching en de
ontvangen GPS-informatie. (Afhankelijk van de situatie kan dit enkele minuten duren.)
Als er geen GPS-informatie wordt ontvangen en de actuele locatie niet automatisch wordt
gecorrigeerd, breng dan de auto op een veilige plaats tot stilstand en corrigeer de actuele
locatie handmatig.
De vorm van het merkteken voor de actuele locatie [ ] is afhankelijk van de kleur van
de kaart.
Verwante onderwerpen
Persoonlijke voorkeursinstellingen kaartweergave(Blz. 74)
IJking positie/richting(Blz. 83)
1-2. Basishandelingen voor het navigatiesysteem
29
1
Basishandelingen
Wijzigen van de schaal van de kaart
Er kan op het kaartscherm worden ingezoomd/uitgezoomd.
Kies [ ] of [ ] op het kaartscherm.
De schaal kan ook worden gewijzigd door te dubbeltikken of door twee vingers
naar elkaar toe/van elkaar af te bewegen op het scherm.
Inzoomen door dubbeltikken: raak het scherm 2 keer snel aan.
Houd uw vinger op [ ]/[ ] om de schaal van de kaart traploos te wijzigen.
Stadskaart
Wanneer de kaart volledig is ingezoomd, kan een stadsplattegrond worden
weergegeven.
Kies [ ] wanneer de schaal van de kaart 50 m is.
Kies [ ] of beweeg uw vingers naar elkaar toe op het scherm om de weergave
van de stadsplattegrond te annuleren.
INFORMATIE
Als het actuele gebied niet in de kaartgegevens is opgenomen, wordt de
stadsplattegrond niet weergegeven.
Als de auto naar een gebied rijdt/de kaart naar een gebied wordt gescrold waarvoor geen
stadsplattegrond beschikbaar is, wordt de stadsplattegrond automatisch geannuleerd.
1-2. Basishandelingen voor het navigatiesysteem
30
Wijzigen van de kaartrichting
De kaartrichting kan worden vastgezet of worden gekoppeld aan de rijrichting van
de auto. Wijzig de richting naar wens.
Telkens als op [ ] op de kaart wordt gedrukt, wijzigt de kaartrichting tussen
“noorden boven”, “rijrichting boven” en “3D-weergave”.
Noorden boven [ ]
De kaart wordt altijd weergegeven met het noorden naar boven, ongeacht de
rijrichting van de auto.
Rijrichting boven [ ]
De kaart wordt altijd weergegeven met de rijrichting van de auto naar boven.
3D-kaart [ ]
Toont een 3D-weergave van de kaart. In de 3D-weergave wordt de kaart altijd
weergegeven met de rijrichting van de auto naar boven.
INFORMATIE
De weergavehoek van de 3D-kaart kan worden ingesteld.
De kaartrichting “rijrichting boven” of “3D-weergave” geldt alleen voor het scherm
dat de actuele locatie toont. Voor andere schermen (bestemming instellen, weergave
volledige route, enz.) wordt de kaart altijd met het noorden boven weergegeven. Zodra u
terugkeert naar het scherm met de actuele locatie zal de kaartrichting weer op “rijrichting
boven” of “3D-weergave” worden ingesteld.
Verwante onderwerpen
Instellen van weergavehoek(Blz. 74)
1-2. Basishandelingen voor het navigatiesysteem
31
1
Basishandelingen
Verschuiven van de kaart
De kaart kan worden verschoven door een nieuw middelpunt te kiezen.
Raak een punt op de kaart aan.
Het gekozen punt wordt het nieuwe middelpunt van de kaart.
De locatie of POI waarnaar de kaart is verschoven kan worden ingesteld
als bestemming of als favoriet. Als het een POI betreft waarvoor informatie
beschikbaar is, kan deze ook worden weergegeven.
Door op [ ] te drukken na het verschuiven van de kaart, kan het
desbetreffende punt worden ingesteld als een nieuwe bestemming of als
tussenpunt.
Kies [ ] of [ ] om terug te keren naar de huidige positie van de auto.
INFORMATIE
U kunt het kaartscherm verschuiven door het aan te raken, te slepen of te swipen.
Verwante onderwerpen
Bedienen van het touchscreen(Blz. 21)
Wijzigen van de kaartrichting(Blz. 31)
Informatie weergeven voor een punt(Blz. 131)
1-2. Basishandelingen voor het navigatiesysteem
32
Basishandelingen voor het audiosysteem
In-/uitschakelen audiosysteem en volumeregeling
Het audiosysteem kan worden uitgeschakeld wanneer dit niet in gebruik is of het
volume kan op een geschikt niveau worden ingesteld.
Het systeem kan worden gebruikt wanneer het contact in stand ACC of AAN staat.
OPMERKING
Gebruik het audiosysteem niet gedurende langere tijd wanneer de motor <het
hybridesysteem> uitgeschakeld is. Anders raakt de 12V-accu mogelijk leeg.
Stel bij het luisteren naar audio het volume op een passend niveau in, dat u in staat stelt
om veilig te rijden.
Bedienen met de knop
Knop [VOL ]
Druk hierop om het systeem aan en
uit te zetten. Draai deze knop om het
volume te regelen.
Bedienen met de stuurwieltoetsen
Toets [+]
Hiermee zet u het geluid harder.
Geselecteerd houden om ononderbroken in te stellen.
Toets [-]
Hiermee zet u het geluid zachter.
Geselecteerd houden om ononderbroken in te stellen.
1-3. Basishandelingen voor het audiosysteem
33
1
Basishandelingen
Selecteren van de audiobron
De bron kan worden gewijzigd in radio, USB, enz.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Sources] (bronnen).
3Kies de gewenste bron.
INFORMATIE
Mobiele telefoons in of dicht bij de auto kunnen storingen veroorzaken die hoorbaar
zijn via de luidsprekers als het audiosysteem ingeschakeld is.
De volgende functies kunnen niet worden gebruikt in combinatie met Apple CarPlay.
iPod
USB-audio of USB-video
Bluetooth®-audio
Miracast®
Android Auto
De volgende functies zijn niet beschikbaar in combinatie met Android Auto.
iPod
USB-audio of USB-video
Apple CarPlay
Wijzigen van de bron met behulp van de stuurwieltoetsen
U kunt de bron wijzigen met behulp van de stuurwieltoetsen.
1-3. Basishandelingen voor het audiosysteem
34
Toets [MODE]
De bronnen worden op volgorde gewijzigd.
Ingedrukt houden om te onderbreken of te dempen. Houd nogmaals ingedrukt om
het ongedaan te maken.
Als u de lay-out van de toetsen op het keuzescherm voor de audiobron wijzigt, wijzigt ook de
schakelvolgorde.
Verwante onderwerpen
Audiosysteem(Blz. 159)
1-3. Basishandelingen voor het audiosysteem
35
1
Basishandelingen
Wijzigen van de lay-out van de toetsen op het keuzescherm voor de
audiobron
De positie van de toetsen kan naar wens worden gewijzigd voor een hoger
bedieningsgemak.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Sources] (bronnen).
3Kies [ ] rechts van de bron,
verplaats de toets en laat deze op
de gewenste positie los.
1-3. Basishandelingen voor het audiosysteem
36
Aansluiten op een USB-aansluiting
Sluit een apparaat zoals een smartphone of draagbare speler aan.
Sluit de USB-kabel aan op de aansluiting.
Wanneer u een USB-stick aansluit, sluit deze dan rechtstreeks aan op de USB-aansluiting.
INFORMATIE
Bekijken van videobestanden is wellicht niet mogelijk, afhankelijk van uw apparaat.
Raadpleeg de handleiding van de USB-kabel en het aan te sluiten apparaat.
Gebruik een voeding zoals de batterij die bij het aangesloten apparaat is geleverd. Het
gebruik van de accessoireaansluiting in de auto kan een storend geluid veroorzaken.
Zie de "handleiding van de auto" voor meer informatie over de accessoireaansluiting.
OPMERKING
Druk niet op het aangesloten apparaat en oefen er geen onnodige druk op uit. Het
apparaat of de aansluiting ervan kan beschadigd raken.
Houd de aansluiting vrij van verontreinigingen. Het apparaat of de aansluiting ervan
kan beschadigd raken.
1-3. Basishandelingen voor het audiosysteem
37
1
Basishandelingen
Spraakcommandosysteem
Bedienen van het systeem met behulp van spraakbediening*1
Dankzij het spraakcommandosysteem kunt u het navigatiesysteem en
het audiosysteem bedienen, handsfree bellen, enz. met behulp van
spraakcommando's. Wanneer u gebruikmaakt van Toyota Link*1, kunt u informatie
zoeken waarbij gebruik wordt gemaakt van content op de cloudserver.
AGeeft de spraakherkenningsstatus weer.
[ ]/[ ] : Wacht tot er iets wordt gezegd
[ ] : Luistert
[ ] : Verwerkt spraakherkenning
BGeeft de reactie van het systeem en de herkende resultaten als tekst weer.
CGeeft het toetsenbord weer.
Dit zorgt ervoor dat u allerlei informatie kunt opzoeken met behulp van het toetsenbord.
DGeeft voorbeelden van spraakcommando's weer in een lijst.
U kunt voorbeelden van vaak gebruikte spraakcommando's per functie bekijken.
ESluit het spraakherkenningsscherm.
INFORMATIE
De verbindingsstatus van Toyota Link*1 kan op het scherm worden weergegeven.
[No online service] (geen online diensten) : Er is geen geldig online
servicecontract of er is een taal geselecteerd waarin online diensten niet
beschikbaar zijn.
[No internet connection] (geen internetverbinding) : Er is geen verbinding
met internet.
Het scherm van de spraakherkenning wordt tijdens het rijden weergegeven als een
banner.
Verwante onderwerpen
Informatie zoeken met behulp van het toetsenbord(Blz. 45)
*1 : Deze functie is in sommige landen of gebieden niet beschikbaar.
1-4. Spraakcommandosysteem
38
Microfoon
De microfoon wordt gebruikt voor het
geven van spraakcommando's.
Ondersteunde talen
Deze functie is compatibel met de volgende talen:
Europa
Plaatselijke ondersteuning voor spraakherkenning : Engels, Duits, Frans,
Spaans, Italiaans, Russisch, Nederlands, Portugees, Pools, Vlaams, Zweeds,
Turks, Tsjechisch, Noors, Deens, Fins, Grieks, Slowaaks, Hongaars
Ondersteuning voor spraakherkenning in de cloud : Engels, Duits, Frans,
Spaans, Italiaans, Russisch, Nederlands, Portugees, Pools, Vlaams, Zweeds,
Turks, Tsjechisch, Noors, Deens
Rusland
Plaatselijke ondersteuning voor spraakherkenning : Engels, Duits, Frans, Spaans,
Italiaans, Russisch, Nederlands, Portugees, Pools, Vlaams, Zweeds, Turks,
Tsjechisch, Noors, Deens, Fins, Grieks, Slowaaks, Hongaars
1-4. Spraakcommandosysteem
39
1
Basishandelingen
Spraakcommandosysteem*1
De spraakbediening kan worden gestart door een van de volgende handelingen uit
te voeren:
Druk op de spraaktoets
Druk op de toets [ ] (spraaktoets) op het stuurwiel.
Kies de microfoontoets
Kies [ ] op het scherm.
INFORMATIE
Het spraakcommandosysteem herkent commando's mogelijk niet wanneer deze niet
duidelijk worden uitgesproken. Let bij gebruik van het spraakcommandosysteem op de
volgende punten:
Spreek met een duidelijke stem.
Sluit de ruit omdat commando's mogelijk niet goed worden herkend als gevolg van
ruis (windgeruis of geluid van buitenaf).
Als de airconditioner luid blaast, worden commando's mogelijk niet goed herkend. Zet
deze daarom lager.
Als muziek luid wordt afgespeeld terwijl een commando wordt gegeven, wordt dat
commando mogelijk niet herkend. Zet daarom de muziek zachter.
Commando's worden mogelijk niet herkend wanneer meerdere mensen tegelijk
spreken.
U kunt een gesproken aanwijzing onderbreken door een spraakcommando uit te
spreken.
U kunt de gesproken aanwijzingen in- en uitschakelen op het instellingenscherm.
U kunt het volume van de gesproken aanwijzingen instellen op het instellingenscherm.
1-4. Spraakcommandosysteem
40
Verwante onderwerpen
Wijzigen van de instellingen van de spraakbediening(Blz. 65)
Wijzigen van de geluids- en media-instellingen(Blz. 84)
Spraakbediening stoppen
Voer een van de volgende handelingen uit om de spraakbediening te beëindigen:
Zeg "Cancel" (annuleren).
Kies [ ] op het spraakherkenningsscherm.
Houd de spraaktoets op het stuurwiel ingedrukt.
*1 : Deze functie is in sommige landen of gebieden niet beschikbaar.
1-4. Spraakcommandosysteem
41
1
Basishandelingen
Uitspreken van een spraakcommando*1
Spreek een spraakcommando uit wanneer het spraakherkenningsscherm
verschijnt. Het systeem kan natuurlijke spraak herkennen.
INFORMATIE
Spraakcommando's worden mogelijk niet herkend als ze worden uitgesproken met een
accent of wanneer ongebruikelijke bewoordingen worden gebruikt.
Als het spraakcommandosysteem geen aliassen of afkortingen herkent bij het zoeken
naar plaatsnamen en faciliteiten, spreek dan de officiële naam uit.
Door ook te zeggen wat u wilt doen, maakt dat het gemakkelijker voor het
spraakcommandosysteem om uw commando te herkennen. Als u bijvoorbeeld een
bestemming zoekt via een naam, zeg dan niet alleen de naam. Zeg in plaats daarvan
een zin met daarin een naam en een werkwoord, bijvoorbeeld "Go to nearby coffee shop"
(ga naar het dichtstbijzijnde café).
Overzicht van functies
Dit is een overzicht van de belangrijkste functies die met spraak kunnen worden
bediend en voorbeelden van spraakcommando's.
De beschikbare functies verschillen afhankelijk van de auto en de uitrusting.
Vaak voorkomende commando's
Actie Voorbeeld van spraakcommando
Vanaf het begin beginnen "Start over" (begin vanaf het begin)
Spraakbediening stoppen "Cancel" (annuleren)
Aanwijzingen voor spraakcommando's
openen "Help"
Terugkeren naar het vorige scherm "Go back" (ga terug)
Een lijstnummer selecteren "Number one" (nummer één)
De lijstpagina wijzigen "Next page" (volgende pagina) "Previous page"
(vorige pagina)
Zoeken van bestemming*2
De bestemming kan worden ingesteld via de naam, het genre of het adres van de
faciliteit.
*1 : Deze functie is in sommige landen of gebieden niet beschikbaar.
1-4. Spraakcommandosysteem
42
Actie Voorbeeld van spraakcommando
Een faciliteit zoeken "Find a <POI category/POI name>" (vind een <categorie POI/naam
POI>) "Go to nearby coffee shop" (ga naar het dichtstbijzijnde café)
Een adres zoeken "Get directions to <address>" (geef routebeschrijving naar)
Naar uw huisadres
terugkeren "Take me home" (breng me naar huis)
Bediening navigatie*2
De kaart kan worden bediend en de bestemming kan worden verwijderd.
Actie Voorbeeld van spraakcommando
Het kaarttype wijzigen "Change map to 3D" (wijzig kaart naar 3D)
De schaal van de kaart wijzigen "Zooming in" (inzoomen) "Zooming out"
(uitzoomen)
Het kaartscherm weergeven "Show map" (toon kaart)
De route-informatie controleren "What's my ETA?" (Wat is mijn geschatte
aankomsttijd?)
De bestemming wissen "Delete destination" (wis bestemming)
De bestemmingengeschiedenis
weergeven
"Show recent destinations" (toon recente
bestemmingen)
Bediening audio
Het audiosysteem kan worden bediend voor functies zoals de radio, het USB-
geheugen en Bluetooth®-audio.
Namen van artiesten, albums en nummers die in de media geregistreerd staan,
kunnen worden gespecificeerd.
Deze kunnen ook worden gespecificeerd via de naam van de radiozender.
Actie Voorbeeld van spraakcommando
Het volume aanpassen "Volume up" (geluid harder) "Volume down" (geluid zachter)
Het geluid dempen "Mute audio" (geluid dempen)
Volgende/vorige nummer
afspelen
"Next song" (volgende nummer) "Previous song" (vorige
nummer)
Een nummer om af te
spelen specificeren*3
"Play <artist>" (<artiest> afspelen) "Play <album>" (<album>
afspelen) "Play <song>" (<nummer> afspelen)
Een radiozender selecteren
"Tune to <FM frequency>" (stem af op <FM-frequentie>)
"Tune to <FM station name>" (stem af op <naam FM-
zender>)
De audiobron wijzigen "Change to <audio source>" (wijzig naar)
1-4. Spraakcommandosysteem
43
1
Basishandelingen
Bediening handsfree telefoon
Er kan worden gebeld met een mobiele telefoon waarmee u via Bluetooth®
verbinding hebt gemaakt met de auto.
De naam en het type telefoon, die zijn geregistreerd in de contacten, kunnen
worden gespecificeerd en van daaruit kan het telefoonnummer worden gebeld.
Actie Voorbeeld van spraakcommando
Een contact in uw telefoonboek bellen "Call <contacts>" (bel <contacten>)
Een telefoonnummer bellen "Call <phone number>" (bel <telefoonnummer>)
Het scherm met de
oproepgeschiedenis weergeven "Show recent calls" (toon recente oproepen)
Een bericht sturen "Send message to <contact name>" (stuur bericht
aan <naam contact>)
Een bericht voorlezen "Read message" (lees bericht voor)
Het scherm voor Bluetooth®-verbinding
weergeven
"Show Bluetooth Settings" (toon Bluetooth-
instellingen)
Zoekservice informatie*2*4
U kunt online diensten gebruiken en naar informatie zoeken.
Actie Voorbeeld van spraakcommando
Controleren van de
weersinformatie
"Tell me the weather in Tokyo tomorrow" (vertel me wat voor
weer het morgen in Tokio wordt)
Voertuiginformatie
Informatie, zoals het brandstofverbruik en de actieradius, kan worden
gecontroleerd.
Actie Voorbeeld van spraakcommando
Het brandstofverbruik
controleren
"What's my fuel consumption?" (Wat is mijn
brandstofverbruik?)
De actieradius controleren "What's my cruising range?" (Wat is mijn actieradius?)
De gemiddelde rijsnelheid
controleren
"What's my average speed?" (Wat is mijn gemiddelde
rijsnelheid?)
*2 : Indien aanwezig
*3 : U kunt muziek afspelen die is opgeslagen op een via USB aangesloten apparaat.
*4 : Een Toyota Link-contract is vereist.
1-4. Spraakcommandosysteem
44
Informatie zoeken met behulp van het toetsenbord
Met behulp van het toetsenbord kan allerlei informatie worden opgezocht.
1Kies [ ].
Als er een zoekgeschiedenis is, wordt het scherm met de geschiedenis getoond en kunt u
daaruit een keuze maken.
2Selecteer de categorie waarin u wilt
zoeken.
[Navigation] (navigatie) : Voer een
adres, naam van een voorziening,
telefoonnummer, gebied, wegnummer,
knooppunt, POI-categorie, enz. in.
[Media] : Voer een album,
artiest, nummer, afspeellijst, genre,
radiozender, enz. in.
[Phone] (telefoon) : Voer een naam,
telefoonnummer of iets anders dat in het telefoonboek staat in.
[Vehicle] (voertuig) : Voer het brandstofverbruik in.
[Instellingen] : Voer de instelling in die u wilt wijzigen, zoals audio en telefoon.
3Druk na het invoeren van het
zoekwoord op [Go] (start).
4Kies het gewenste item uit de lijst met zoekresultaten.
INFORMATIE
Bediening van het scherm is beperkt tijdens het rijden.
De zoekfunctie is niet beschikbaar in combinatie met Apple CarPlay of Android Auto.
1-4. Spraakcommandosysteem
45
1
Basishandelingen
1-4. Spraakcommandosysteem
46
2Instellingen en registratie
2-1. Basisinstelling
multimediasysteem
Registreren van een
gebruikersprofiel........................48
2-2. Diverse instellingen
Wijzigen van de diverse
instellingen ................................53
2-3. Instellingen bestuurder
Wijzigen en registreren van een
gebruikersprofiel........................55
Identificatiemethode voor een
bestuurder instellen ...................58
2-4. Algemene instellingen
Wijzigen van de algemene
instellingen van het
multimediasysteem....................60
2-5. Scherminstellingen
Wijzigen van de instellingen
voor de weergave van het
scherm.......................................63
2-6. Instellingen spraakbediening
Wijzigen van de instellingen van
de spraakbediening ...................65
2-7. Voertuiginstellingen
Dealerinformatie instellen ............66
Wijzigen van de
beveiligingsinstellingen..............67
Bijwerken en controleren van
de software-informatie...............69
2-8. Navigatie-instellingen
Instellingen navigatiesysteem......72
Wijzigen van de
kaartinstellingen ........................73
Route-instellingen ........................75
Instellingen begeleiding ...............78
Instellingen verkeersinformatie ....80
Overige instellingen .....................81
IJking positie/richting....................83
2-9. Geluids- en media-instellingen
Wijzigen van de geluids- en
media-instellingen .....................84
Aanpassen van de
geluidsinstellingen per bron.......86
Instellen van de beeldkwaliteit .....87
Overschakelen naar een
andere schermmodus................88
2-10. Wi-Fi-instellingen®
Wijzigen van de Wi-Fi®-
instellingen ................................89
2-11. Bluetooth®-instellingen
Bluetooth®-apparaten instellen ....91
47
2
Instellingen en registratie
Basisinstelling multimediasysteem
Registreren van een gebruikersprofiel
Registreer een gebruikersprofiel voor de hoofdgebruiker als de basisinstelling voor
het multimediasysteem.
Door een gebruikersprofiel te registreren, kunnen de multimedia-instellingen
worden opgeslagen als een profiel voor elke bestuurder. Wanneer meerdere
bestuurders, zoals uw vrienden en familie, met uw auto rijden, kunt u met de auto
rijden zonder de instellingen van andere bestuurders te hoeven wijzigen.
U kunt met de auto in de gastmodus rijden indien u geen gebruikersprofiel wilt
gebruiken.
Gebruikersprofielen
Multimedia-instellingen kunnen voor elke bestuurder worden opgeslagen en de
desbetreffende bestuurder kan ze tijdens het rijden laden.
Er kunnen maximaal drie gebruikersprofielen worden geregistreerd.
De instellingsgegevens met betrekking tot het volume en de toonregeling,
het navigatiesysteem, het audiosysteem, enz. kunnen in een profiel worden
opgeslagen.
Wanneer instellingen worden gewijzigd, worden ze automatisch opgeslagen in
het huidige profiel.
Zoekgeschiedenis, individuele instellingen en andere persoonlijke informatie
kunnen worden beschermd door een profiel aan te maken.
Door een apparaat te registreren om de bestuurder te identificeren, wordt
uw profiel automatisch geladen. U kunt een smartphone of een Smart Key
selecteren als het te registreren apparaat.
Koppelen aan een Toyota-account*1
U hebt een Toyota-account nodig om een profiel te kunnen gebruiken.
Als uw Toyota-account wordt gekoppeld aan de Toyota-app, kan uw profiel vanuit
de cloud worden gedownload wanneer u in een auto rijdt met een geldig Toyota
Link Service-contract die is uitgerust met hetzelfde type multimediasysteem.
Geregistreerde profielen kunnen worden bekeken en gewijzigd in de Toyota-app.
De bestuurder die als eigenaar is geregistreerd, kan alle in de auto
geregistreerde bestuurders verwijderen. Bestuurders die geen eigenaar van de
auto zijn, kunnen het profiel van de eigenaar niet verwijderen.
Hetzelfde profiel kan niet tegelijkertijd in een andere auto worden gebruikt.
Als u de instellingen wijzigt, wordt het profiel dat in de cloud is opgeslagen
automatisch bijgewerkt en verschijnt er een scherm waarmee de bestuurder
wordt geïnformeerd dat het profiel is bijgewerkt.
Geregistreerde profielen worden opgeslagen in de cloud, dus zelfs als een profiel
in de auto wordt verwijderd, wordt het niet uit de cloud verwijderd.
Verwante onderwerpen
Identificatiemethode voor een bestuurder instellen(Blz. 58)
*1 : Deze functie is in sommige landen of gebieden niet beschikbaar.
2-1. Basisinstelling multimediasysteem
48
Voor de eerste keer registreren van een gebruikersprofiel (type A)
U hebt een Toyota-account nodig om een profiel te kunnen gebruiken.
1Nadat het contact AAN is gezet,
wordt het keuzescherm voor de taal
weergegeven. Kies de gewenste
taal.
Selecteer de weergegeven taal bij het
registreren van de bestuurder. Nadat het
registreren van de bestuurder is voltooid,
keert de systeemtaal terug naar de
standaardtaal.
2Kies [Link] (koppel) om de
Toyota-app op uw smartphone te
gebruiken voor het registreren van
een profiel.
Als u de Toyota-app niet hebt
geïnstalleerd, kies dan [Get the App]
(download de app) en download de app
met behulp van de QR-code op het
scherm.
Als u geen profiel wilt registreren, kies
dan [Don't link now] (koppel nu niet).
Als u [Do not show setup again] (configuratie niet meer weergeven) kiest, wordt het
scherm voor het registreren van het profiel niet meer weergegeven.
3Open de Toyota-app op een smartphone, volg de instructies op het
scherm en scan de QR-code of voer de verificatiecode in om een
bestuurder te registreren.
Zodra de registratie is voltooid, wordt er een melding weergegeven en wordt uw profiel
opgeslagen.
4Nadat u uw profiel hebt geregistreerd, registreert u een apparaat om de
bestuurder te identificeren. Kies [Continue] (doorgaan) om door te gaan
met het instellen.
U kunt ook op een later moment een apparaat registreren.
5Registreer een apparaat op
het instellingenscherm voor de
bestuurder. Door een apparaat
te registreren om de bestuurder
te identificeren, wordt uw profiel
automatisch geladen.
U kunt ieder gewenst apparaat
registreren in uw profiel, bijvoorbeeld
een smartphone of een Smart Key.
U kunt meerdere apparaten in uw profiel
registreren.
2-1. Basisinstelling multimediasysteem
49
2
Instellingen en registratie
INFORMATIE
Als er nog geen gebruikersprofiel is geregistreerd, kan dit worden gedaan via het
instellingenscherm voor de bestuurder.
Verwante onderwerpen
Wijzigen en registreren van een gebruikersprofiel(Blz. 55)
Identificatiemethode voor een bestuurder instellen(Blz. 58)
Voor de eerste keer registreren van een gebruikersprofiel (type B)
1Nadat het contact AAN is gezet, wordt het keuzescherm voor de taal
weergegeven. Kies de gewenste taal.
Selecteer de weergegeven taal bij het registreren van de bestuurder. Nadat het registreren
van de bestuurder is voltooid, keert de systeemtaal terug naar de standaardtaal.
Dit scherm wordt in sommige landen of gebieden mogelijk niet weergegeven.
2Kies [Create] (aanmaken) om een gebruikersprofiel te registreren.
Als u geen profiel wilt registreren, kies dan [Don't create now] (nu niet aanmaken). Als
u [Do not show setup again] (configuratie niet meer weergeven) kiest, wordt het scherm
voor het registreren van het profiel niet meer weergegeven.
3Voer de naam van het gebruikersprofiel in.
4Voer de gewenste pincode in.
Stel een pincode in om de privacy van
het gebruikersprofiel te beschermen.
Kies [Skip] (sla over) om een profiel
te registreren zonder een pincode in te
stellen.
5Voer uw pincode opnieuw in om uw profiel te registreren.
Zodra de registratie is voltooid, wordt er een melding weergegeven en wordt uw profiel
opgeslagen.
6Nadat u uw profiel hebt geregistreerd, registreert u een apparaat om de
bestuurder te identificeren. Kies [Continue] (doorgaan) om door te gaan
met het instellen.
U kunt ook op een later moment een apparaat registreren.
7Registreer een apparaat op het instellingenscherm voor de bestuurder.
Door een apparaat te registreren om de bestuurder te identificeren, wordt
uw profiel automatisch geladen.
U kunt ieder gewenst apparaat registreren in uw profiel, bijvoorbeeld een Bluetooth®-
apparaat of een Smart Key.
U kunt meerdere apparaten in uw profiel registreren.
2-1. Basisinstelling multimediasysteem
50
Verwante onderwerpen
Identificatiemethode voor een bestuurder instellen(Blz. 58)
Automatisch laden van een gebruikersprofiel
Door ter identificatie van de bestuurder een smartphone, Smart Key of ander
apparaat bij u te hebben in de auto, kan het gebruikersprofiel automatisch worden
geladen.
De auto signaleert het in het profiel geregistreerde apparaat wanneer het contact
in stand ACC of AAN wordt gezet. Wanneer een geregistreerd apparaat wordt
gesignaleerd, wordt het profiel waaraan het apparaat is toegewezen automatisch
geladen.
Als het in het profiel geregistreerde apparaat niet wordt gesignaleerd, wordt de
auto gebruikt in de gastmodus.
Wanneer u [Settings] (instellingen) kiest, wordt het instellingenscherm voor de
bestuurder weergegeven. Hiermee kunt u de profielen wijzigen.
U kunt een smartphone, Smart Key of een ander apparaat selecteren als het
apparaat waarmee de bestuurder wordt geïdentificeerd.
INFORMATIE
Als er meerdere in een profiel geregistreerde apparaten worden gesignaleerd, wordt
de bestuurder geïdentificeerd op basis van de informatie van het eerst gesignaleerde
apparaat. Als vervolgens een zeer vertrouwd apparaat wordt gesignaleerd, wordt het
detectieresultaat bijgewerkt en wordt het profiel gewijzigd.
Van de in een gebruikersprofiel geregistreerde Bluetooth®-apparaten wordt alleen het
Bluetooth®-apparaat van de meest recente bestuurder gesignaleerd.
Verwante onderwerpen
Wijzigen en registreren van een gebruikersprofiel(Blz. 55)
Identificatiemethode voor een bestuurder instellen(Blz. 58)
Wijzigen van het gebruikersprofiel
U kunt het profiel dat u wilt gebruiken selecteren in de lijst met gebruikersprofielen
die in de auto is geregistreerd.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Selecteer in "Saved profiles"
(opgeslagen profielen) de gewenste
gebruikersprofielnaam.
2-1. Basisinstelling multimediasysteem
51
2
Instellingen en registratie
3Voer de pincode of het wachtwoord in.
Op het moment dat van profiel wordt gewisseld en er geen verbinding is met de
telefoon die aan het geselecteerde profiel is gekoppeld, wordt een gebruiker om een
verificatiecode gevraagd.
Voer het wachtwoord in dat in de Toyota-app is ingesteld toen het Toyota-account werd
aangemaakt.
Voer de pincode in die u hebt ingesteld toen u uw gebruikersprofiel hebt aangemaakt.
Zodra het gebruikersprofiel is gewijzigd, wordt er een melding weergegeven op het
scherm.
INFORMATIE
Als het systeem een apparaat signaleert dat is ingesteld op een ander gebruikersprofiel,
verschijnt er een pop-upbericht. Wanneer u [ ] kiest, kunt u het gebruikersprofiel
wijzigen.
2-1. Basisinstelling multimediasysteem
52
Diverse instellingen
Wijzigen van de diverse instellingen
De diverse instellingen met betrekking tot het multimediasysteem kunnen worden
gewijzigd.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Selecteer het gewenste item.
Instelling Beschrijving
"Current driver" (huidige bestuurder)
[ ] (naam gebruikersprofiel of naam
auto)
[ Guest] (gast)
Geeft de naam van het huidige
gebruikersprofiel weer. Door het profiel
te kiezen, kunt u een gebruikersprofiel
wijzigen of registreren.(→ Blz. 55)
"My Settings" (mijn instellingen)
[Personal info] (persoonlijke gegevens) Registreer een apparaat om de bestuurder
te identificeren.(→ Blz. 58)
[Bluetooth & Devices] (Bluetooth en
apparaten)
Registreer of bewerk een Bluetooth®-
apparaat(→ Blz. 91)
[General] (algemeen)
Wijzig de tijdsinstellingen, de weergegeven
taal en andere algemene instellingen van
het multimediasysteem.(→ Blz. 60)
[Wi-Fi]
Configureer de Wi-Fi®-instellingen en
andere geavanceerde instellingen.(→ Blz.
89)
[Display]Pas het contrast en de helderheid, enz.
van het scherm aan.(→ Blz. 63)
[Sound & Media] (geluid en media)
Wijzig het volume van de gesproken
aanwijzingen van het systeem en de
instellingen van de audiobron.(→ Blz. 84)
[Navigation] (navigatie)
Wijzig instellingen met betrekking tot
de kaartweergave en de routebegeleiding.
(→ Blz. 72)
[Voice & Search] (spraak en zoeken) Wijzig instellingen met betrekking tot de
spraakherkenning.(→ Blz. 65)
2-2. Diverse instellingen
53
2
Instellingen en registratie
Instelling Beschrijving
"Vehicle" (voertuig)
[Vehicle customise]*1 (voertuig
aanpassen)
Wijzig instellingen met betrekking tot de
uitrusting van de auto.
[Dealer info]*2 (dealerinformatie) Registreer en wis dealerinformatie.(→ Blz.
66)
[Info & Security] (info en veiligheid) Wijzig instellingen met betrekking tot
beveiliging en privacy.(→ Blz. 67)
[Software update] (software-update) Controleer de software-informatie en werk
deze indien nodig bij.(→ Blz. 69)
INFORMATIE
Voor de veiligheid kunnen sommige instellingen tijdens het rijden niet worden bediend.
*1 : Raadpleeg de "handleiding van de auto".
*2 : Deze functie is in sommige landen of gebieden niet beschikbaar.
2-2. Diverse instellingen
54
Instellingen bestuurder
Wijzigen en registreren van een gebruikersprofiel
Het gebruikersprofiel kan worden geregistreerd of gewijzigd. Door een
gebruikersprofiel te registreren, kunnen multimedia-instellingen worden opgeslagen
als een profiel voor elke bestuurder.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [ ] (naam gebruikersprofiel of naam auto) of [ ][Guest] (gast) in
het submenu.
3Selecteer het gewenste item.
Instelling Beschrijving
"Saved profiles"
(opgeslagen profielen)
De in de auto geregistreerde gebruikersprofielen worden in
een lijst weergegeven. Er kan tussen de gebruikersprofielen
worden geschakeld door de gewenste profielnaam aan te
raken.
Kies [Edit] (bewerken) om een geregistreerd gebruikersprofiel
te wissen.*1
[ ][Connect your
account] (koppel
uw account)/[Create
profile] (profiel creëren)
Hiermee kunt u een nieuw gebruikersprofiel registreren.
[Sign out to guest
mode] (afmelden van
gastmodus)
Hiermee kunt u overschakelen op het gastaccount.
Met behulp van het gastaccount kunnen persoonlijke
instellingen worden aangepast en worden ze niet opgeslagen
naar een ander gebruikersprofiel. Wanneer u uw auto aan
iemand anders overdraagt, kunt u door [Sign out to guest
mode] (afmelden van gastmodus) te kiezen de persoonlijke
informatie van de verbonden auto verbergen. Hiermee kunt
u privégegevens, zoals zoekgeschiedenis of persoonlijke
instellingen, beschermen.
INFORMATIE
Voor de veiligheid kunnen deze instellingen tijdens het rijden niet worden bediend.
*1 : Indien aanwezig
2-3. Instellingen bestuurder
55
2
Instellingen en registratie
Een nieuw gebruikersprofiel aanmaken (type A)
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [ ](naam gebruikersprofiel of naam auto) of [ ][Guest] (gast) in
het submenu.
3Kies [Connect your account] (koppel uw account) om de Toyota-app op uw
smartphone te gebruiken voor het registreren van een profiel.
Als u de Toyota-app niet hebt geïnstalleerd, kies dan [Get the App] (download de app)
en download de app met behulp van de QR-code op het scherm.
Als u geen profiel wilt registreren, kies dan [Don't link now] (koppel nu niet). Als u
[Do not show setup again] (configuratie niet meer weergeven) kiest, wordt het scherm
voor het registreren van het profiel niet meer weergegeven.
4Open de Toyota-app op een smartphone, volg de instructies op het
scherm en scan de QR-code of voer de verificatiecode in om een
bestuurder te registreren.
Zodra de registratie is voltooid, wordt er een melding weergegeven en wordt uw profiel
opgeslagen.
5Nadat u uw profiel hebt geregistreerd, registreert u een apparaat om de
bestuurder te identificeren. Kies [Continue] (doorgaan) om door te gaan
met het instellen.
U kunt ook op een later moment een apparaat registreren.
6Registreer een apparaat op het instellingenscherm voor de bestuurder.
Door een apparaat te registreren om de bestuurder te identificeren, wordt
uw profiel automatisch geladen.
U kunt ieder gewenst apparaat registreren in uw profiel, bijvoorbeeld een smartphone
of een Smart Key.
U kunt meerdere apparaten in uw profiel registreren.
Een nieuw gebruikersprofiel aanmaken (type B)
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [ ](naam gebruikersprofiel of naam auto) of [ ][Guest] (gast) in
het submenu.
3Kies [ ][Create Profile] (profiel creëren).
4Voer de naam van het gebruikersprofiel in.
5Voer de gewenste pincode in.
Stel een pincode in om de privacy van het gebruikersprofiel te beschermen.
Kies [Skip] (sla over) om een profiel te registreren zonder een pincode in te stellen.
6Voer uw pincode opnieuw in om uw profiel te registreren.
Zodra de registratie is voltooid, wordt er een melding weergegeven en wordt uw profiel
opgeslagen.
7Nadat u uw profiel hebt geregistreerd, registreert u een apparaat om de
bestuurder te identificeren. Kies [Continue] (doorgaan) om door te gaan
met het instellen.
U kunt ook op een later moment een apparaat registreren.
2-3. Instellingen bestuurder
56
8Registreer een apparaat op het instellingenscherm voor de bestuurder.
Door een apparaat te registreren om de bestuurder te identificeren, wordt
uw profiel automatisch geladen.
U kunt ieder gewenst apparaat registreren, bijvoorbeeld een smartphone of een Smart
Key.
U kunt meerdere apparaten in uw profiel registreren.
Verwante onderwerpen
Identificatiemethode voor een bestuurder instellen(Blz. 58)
2-3. Instellingen bestuurder
57
2
Instellingen en registratie
Identificatiemethode voor een bestuurder instellen
Stel een apparaat in om een bestuurder te identificeren. Wanneer het contact in
stand ACC of AAN wordt gezet en een geregistreerd apparaat wordt gesignaleerd,
wordt het profiel waaraan het apparaat is toegewezen automatisch geladen. U kunt
een smartphone of een Smart Key selecteren als het te registreren apparaat.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Personal info] (persoonlijke gegevens) in het submenu.
3Selecteer het gewenste item.
Type A
Instelling Beschrijving
"Profile Name" (profielnaam)
De naam van het gebruikersprofiel wordt
weergegeven.
Kies [Edit] (bewerken) om de profielnaam
te wijzigen.*1
"Devices linked to your profile" (aan uw profiel gekoppelde apparaten)
[Link key]*2*3 (koppel sleutel)
Driver identification is performed using the
vehicle’s smart key and the applicable
profile is loaded.
"Bluetooth devices" (Bluetooth-apparaten)
De bestuurder wordt geïdentificeerd aan
de hand van een smartphone of een ander
Bluetooth®-apparaat en het bijbehorende
profiel wordt geladen. Kies [Link devices]
(apparaten koppelen) om te registreren.
(→ Blz. 106)
[Reset settings] (instellingen resetten) De instellingen voor het geselecteerde
gebruikersprofiel worden gereset.
[Delete driver] (bestuurder verwijderen)
De registratie voor het geselecteerde
gebruikersprofiel wordt verwijderd.
Door het gebruikersprofiel van degene die
is geregistreerd als eigenaar te wissen
worden alle in de auto geregistreerde
gebruikersprofielen gewist.
2-3. Instellingen bestuurder
58
Type B
Instelling Beschrijving
"Profile Name" (profielnaam)
De naam van het gebruikersprofiel wordt
weergegeven.
Kies [Edit] (bewerken) om de profielnaam
te wijzigen.*1
"Devices linked to your profile" (aan uw profiel gekoppelde apparaten)
[Link key]*2*3 (koppel sleutel)
Driver identification is performed using the
vehicle’s smart key and the applicable
profile is loaded.
"PIN"
De bestuurder wordt geïdentificeerd aan
de hand van een pincode en het
bijbehorende profiel wordt geladen. Kies
[Set new PIN] (nieuwe pincode instellen)
om te registreren.
"Bluetooth devices" (Bluetooth-apparaten)
De bestuurder wordt geïdentificeerd aan
de hand van een smartphone of een ander
Bluetooth®-apparaat en het bijbehorende
profiel wordt geladen. Kies [Link devices]
(apparaten koppelen) om te registreren.
(→ Blz. 106)
[Reset settings] (instellingen resetten) De instellingen voor het geselecteerde
gebruikersprofiel worden gereset.
[Delete driver] (bestuurder verwijderen) Het geselecteerde gebruikersprofiel wordt
uit het systeem verwijderd.
*1 : Indien aanwezig
*2 : Refer to the "Owner’s manual".
*3 : Cannot be used with fleet vehicles such as rental cars.
2-3. Instellingen bestuurder
59
2
Instellingen en registratie
Algemene instellingen
Wijzigen van de algemene instellingen van het multimediasysteem
De tijdsinstellingen, de weergegeven taal en andere algemene instellingen van het
multimediasysteem kunnen worden gewijzigd.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [General ] (algemeen) in het submenu.
3Selecteer het gewenste item.
[Accessibility] (toegankelijkheid)
Instelling Beschrijving
[Reduce animation] (animatie
verminderen)
Verklein de animaties die worden
weergegeven bij het wisselen van
scherm.
[Screen beep] (schermpieptoon) Schakel het geluid dat wordt gemaakt
wanneer u het scherm aanraakt in of uit.
[Screen sensitivity]
(schermgevoeligheid)
Pas de aanraakgevoeligheid van het
scherm aan.
[Date & time] (datum en tijd)
Instelling Beschrijving
[Set automatically]*1 (automatisch
instellen)
Gebruik GPS-informatie en
kaartgegevens om automatisch de tijd
in te stellen. Wanneer u deze instelling
uitschakelt, kunt u de tijd en tijdzone
handmatig instellen.
"Time" (tijd)
[24-hour time] (24-uursnotatie) Wijzig tussen 24-uurs- en 12-
uursweergave.
[Time zone] (tijdzone)
Wanneer [Set automatically]
(automatisch instellen) is uitgeschakeld,
kunt u de tijdzone instellen.
[Daylight savings] (zomertijd)
Wanneer [Set automatically]
(automatisch instellen) is uitgeschakeld,
kunt u de zomertijd instellen op [Auto]*1
(automatisch), [On] (aan) of [Off] (uit).
2-4. Algemene instellingen
60
Instelling Beschrijving
[Set time automatically] (tijd
automatisch instellen)
Wanneer [Set automatically]
(automatisch instellen) is uitgeschakeld,
kunt u bepalen of u de tijd automatisch
wilt instellen met behulp van GPS.
Wanneer u deze instelling uitschakelt,
kunt u de tijd handmatig instellen.
[Set time manually] (tijd handmatig
instellen)
Wanneer [Set time automatically] (tijd
automatisch instellen) is uitgeschakeld,
kunt u de tijd handmatig instellen.
"Date" (datum)
[Format] (formaat)
Hiermee kunt u het weergaveformaat
van de datum wijzigen. (MM/DD/JJJJ,
DD/MM/JJJJ, JJJJ/MM/DD, enz.)
[Keyboard] (toetsenbord)
Instelling Beschrijving
"History" (geschiedenis)
[Memorise keyboard] (sla toetsenbord
op)
Hiermee stelt u het systeem in staat om
het toetsenbord invoerresultaten te leren.
[Delete keyboard history] (wis
toetsenbordhistorie)
Hiermee kunt u de tekstleergeschiedenis
van het toetsenbord wissen.
[Delete search history] (wis
zoekgeschiedenis)
Hiermee kunt u de zoekgeschiedenis van
het toetsenbord wissen.
[Language & Units] (taal en eenheden)
Instelling Beschrijving
[Language]*2 (taal)
Hiermee kunt u de taal wijzigen. Zowel
de taal die op het scherm wordt
weergegeven als die van de gesproken
aanwijzingen van het systeem wordt
gewijzigd.
[System language]*2 (systeemtaal) Wijzig de taal die op het scherm wordt
weergegeven.
[Voice language]*2 (taal gesproken
aanwijzingen)
Wijzig de taal van de gesproken
aanwijzingen van het systeem.
"Measurements" (maten)
[Set automatically] (automatisch
instellen)
Stelt automatisch de weergave-eenheden
in voor afstand, brandstofverbruik,
bandenspanning, enz., op basis van de
landinformatie.
2-4. Algemene instellingen
61
2
Instellingen en registratie
Instelling Beschrijving
[Trip info. unit] (eenheid ritinformatie)
Wanneer [Set automatically]
(automatisch instellen) is uitgeschakeld,
kunt u de weergave-eenheid voor
brandstofverbruik handmatig instellen.
INFORMATIE
Zelfs als u de taalinstellingen wijzigt, worden niet alle weergegeven inhoud en
stembegeleiding in de geselecteerde taal gewijzigd. Bovendien werken sommige
gesproken aanwijzingen niet meer nadat u de taal hebt gewijzigd.
Stel de taal van Apple CarPlay/Android Auto in met behulp van het aangesloten
apparaat.
*1 : Met navigatiefunctie
*2 : Deze functie is in sommige landen of gebieden niet beschikbaar.
2-4. Algemene instellingen
62
Scherminstellingen
Wijzigen van de instellingen voor de weergave van het scherm
U kunt het contrast en de helderheid van het scherm afstellen.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Display] in het submenu.
3Selecteer het gewenste item.
[Scherm]
Instelling Beschrijving
[Display]
Stel in of het scherm wel of niet moet
worden weergegeven. Als het scherm
wordt uitgeschakeld, wordt er niets op
het scherm weergegeven en is er alleen
geluid te horen.
Om het scherm opnieuw weer te geven
raakt u het scherm aan en kiest u de
toets in het midden van het scherm.
"Modus"
[Automatic] (automatisch)
Het scherm kan automatisch worden
gewisseld tussen de dag- en de
nachtmodus wanneer de koplampen
branden of doven.
[Daytime (light)] (overdag (licht))
Wanneer [Automatic] (automatisch) is
uitgeschakeld, kan het scherm handmatig
worden gewijzigd naar de dagmodus.
[Nighttime (dark)] ('s nachts (donker))
Wanneer [Automatic] (automatisch) is
uitgeschakeld, kan het scherm handmatig
worden gewijzigd naar de nachtmodus.
[Brightness] (helderheid) Stel de helderheid van het scherm in.
[Contrast]Stel de sterkte van het contrast van het
scherm in.
[Camera]
Instelling Beschrijving
"Camera screen" (camerascherm)
[Brightness] (helderheid) Stel de helderheid van het scherm in.
2-5. Scherminstellingen
63
2
Instellingen en registratie
Instelling Beschrijving
[Contrast]Stel de sterkte van het contrast van het
scherm in.
INFORMATIE
Zie "Instellen van de beeldkwaliteit"(→ Blz. 87) voor meer informatie over het
instellen van de beeldkwaliteit.
Zelfs als het scherm is uitgeschakeld, blijft de GPS de actuele locatie van de auto
volgen.
Scherm
Wanneer de middelste toets op het scherm wordt weergegeven en deze
gedurende een bepaalde tijd niet wordt bediend, wordt het scherm weer
uitgeschakeld.
Als een pop-upscherm wordt weergegeven, bijvoorbeeld wanneer de spraaktoets
wordt ingedrukt, of de selectiehendel in stand R is gezet en het beeld van
de camera achter wordt weergegeven, wordt het scherm weer uitgeschakeld
wanneer het wordt gesloten.
Als het scherm ergens anders dan op de middelste toets wordt aangeraakt, wordt
het scherm weer uitgeschakeld.
Als het scherm is uitgeschakeld en het scherm wordt aangeraakt, wordt de
ontgrendeltoets weergegeven. Als de toets gedurende 3 seconden niet wordt
bediend, wordt het scherm weer uitgeschakeld.
2-5. Scherminstellingen
64
Instellingen spraakbediening
Wijzigen van de instellingen van de spraakbediening*1
De instellingen met betrekking tot de spraakherkenning kunnen worden gewijzigd.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Voice Search] in het submenu.
3Selecteer het gewenste item.
Instelling Beschrijving
"Voice recognition" (spraakherkenning)
[Mic button] (microfoontoets) Tonen of verbergen van [ ].
[Voice interrupt] (onderbreken gesproken
aanwijzingen)
Stel de mogelijkheid in om gesproken
aanwijzingen te onderbreken tijdens een
gesprek.
"Voice feedback" (spraakfeedback)
[Voice prompt] (spraakcommando) In-/uitschakelen van de
spraakcommando's.
*1 : Deze functie is in sommige landen of gebieden niet beschikbaar.
2-6. Instellingen spraakbediening
65
2
Instellingen en registratie
Voertuiginstellingen
Dealerinformatie instellen*1
U kunt dealerinformatie registreren en wissen. Door de gegevens te registreren van
de dealer waar u uw auto laat onderhouden, kunt u vanuit het instellingenscherm
contact opnemen met de dealer wanneer u een onderhoudsbeurt wilt inplannen.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Dealer info] (dealerinformatie) in het submenu.
3Selecteer het gewenste item.
Instelling Beschrijving
[Add dealer] (dealer toevoegen) Registreer de gewenste dealer.
[Dealer name] (dealernaam) Wijzig de dealernaam.
[Contact name] (naam contact) Registreer of wijzig de naam van de
contactpersoon bij de dealer.
[Phone number] (telefoonnummer) Registreer of wijzig het telefoonnummer van de
dealer.
[Delete dealer] (dealer wissen) Wis de dealerinformatie.
*1 : Deze functie is in sommige landen of gebieden niet beschikbaar.
2-7. Voertuiginstellingen
66
Wijzigen van de beveiligingsinstellingen
Instellingen met betrekking tot beveiliging en privacy kunnen worden gewijzigd.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Info & Security] (info en veiligheid) in het submenu.
3Selecteer het gewenste item.
Instelling Beschrijving
[Vehicle name] (voertuignaam)
Toont de naam van het systeem
(voertuignaam).
Dit is de naam die wordt weergegeven
bij het zoeken naar Bluetooth®-apparaten
vanaf een ander apparaat. U kunt de naam
wijzigen door erop te drukken.
"Privacy"
[Share geolocation with Toyota] (deel
geolocatie met Toyota)
Bepaalt of locatiegegevens mogen
worden verstuurd bij het gebruik van
de communicatiediensten. Als deze
instelling uit staat, zijn sommige diensten
die gebruikmaken van locatiegegevens
uitgeschakeld.
[Security lock] (veiligheidsvergrendeling)
Schakelt beveiliging met een wachtwoord
in om persoonlijke informatie te
beschermen. Als deze instelling aan staat,
moet er een wachtwoord worden ingevoerd
wanneer de 12V-accu wordt vervangen of
het multimediasysteem uit de auto wordt
verwijderd.
[Reset security lock password] (reset
wachtwoord veiligheidsvergrendeling)
Reset het wachtwoord van de
veiligheidsvergrendeling.
[Remote security]*1 (beveiliging op
afstand)
Toont de status van de beveiliging op
afstand.
[System reset] (systeem resetten) Reset alle systeemgegevens en zet de
instellingen terug op de fabrieksstandaard.
2-7. Voertuiginstellingen
67
2
Instellingen en registratie
INFORMATIE
Mogelijk wordt de verbinding verbroken na het resetten van het systeem. Start in dat
geval het systeem opnieuw op.
Nadat alle informatie is geïnitialiseerd, worden alle gegevens in het
multimediasysteem geïnitialiseerd en weer ingesteld op de fabrieksstandaard. Het
is niet mogelijk om terug te keren naar de situatie voor de initialisatie.
Verwante onderwerpen
Systeem herstarten(Blz. 14)
Instellen van de veiligheidsvergrendeling
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Info & Security] (info en veiligheid) in het submenu.
3Kies [Security lock] (veiligheidsvergrendeling).
4Kies [OK].
5Stel een wachtwoord in dat tussen de 4 en 15 alfanumerieke karakters
bevat.
6Voer uw wachtwoord nogmaals in.
Er verschijnt een melding en de veiligheidsvergrendeling wordt ingeschakeld.
INFORMATIE
Nadat een wachtwoord is ingesteld en het systeem wordt gereset nadat de 12V-
accu is vervangen of het multimediasysteem uit de auto is verwijderd, moet er een
wachtwoord worden ingevoerd om het multimediasysteem te bedienen. Voer het door
u ingestelde wachtwoord in.
Als het wachtwoord een bepaald aantal keren onjuist is ingevoerd, wordt er geen
toegang meer verleend om een wachtwoord in te voeren. Als dat gebeurt, vraag dan
uw dealer om het systeem te ontgrendelen.
Gebruik bij het instellen van een wachtwoord voor de veiligheid niet herhaaldelijk
hetzelfde wachtwoord of een woord dat in het woordenboek staat.
*1 : Indien aanwezig
2-7. Voertuiginstellingen
68
Bijwerken en controleren van de software-informatie
Controleer de software-informatie en werk deze indien nodig bij. De software wordt
bijgewerkt met als doel het verbeteren van de functies en bediening van het
multimediasysteem, voor een soepeler gebruik.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Software update] (software-update) in het submenu.
3Selecteer het gewenste item.
Instelling Beschrijving
"Software update" (software-update)
[Updates
available] (updates
beschikbaar)
Kies [View ] (bekijken) om informatie over software-updates
te bekijken. Nadat u hebt gecontroleerd of er een update
beschikbaar is en u de inhoud van de update hebt bekeken, kan
de software-update worden gedownload en geïnstalleerd.
Als er geen update beschikbaar is, wordt [No updates available]
(geen updates beschikb.) weergegeven.
[Model info]
(modelinformatie) Controleer de huidige software-versie, enz.
[Update software]
(software bijwerken)
De software wordt bijgewerkt.
Dit wordt niet weergegeven als er geen updates beschikbaar zijn.
[Output info to
USB memory]
(gegevens
exporteren naar
USB-geheugen)
De functie voor dit item is niet beschikbaar voor deze auto.
[History]
(geschiedenis)
Controleer de update-geschiedenis van de software.
Deze instelling wordt niet weergegeven als er geen update-
geschiedenis is.
[License
information]
(licentie-informatie)
Controleer de softwarelicentie-informatie.
Bijwerken van de software*1
Gebruik een van de volgende methoden om de software bij te werken:
*1 : Deze functie is in sommige landen of gebieden niet beschikbaar.
2-7. Voertuiginstellingen
69
2
Instellingen en registratie
Werk de software bij met behulp van de datacommunicatiemodule (DCM)*1
Werk de software bij met behulp van Wi-Fi®
INFORMATIE
Kaartgegevens kunnen niet worden bijgewerkt met behulp van deze service.
Sommige handelingen kunnen niet worden uitgevoerd tijdens het bijwerken van de
software.
Neem bij eventuele vragen contact op met een erkende Toyota-dealer of hersteller/
reparateur of een andere naar behoren gekwalificeerde en uitgeruste deskundige.
OPMERKING
Het bijwerken van de software geschiedt op eigen risico.
Als de software eenmaal is bijgewerkt, kan dit niet worden hersteld naar de vorige versie.
De software-update kan alleen op dit systeem worden gebruikt. Hij kan niet op een ander
apparaat worden gebruikt.
Afhankelijk van de inhoud van de software-update, worden sommige instellingen mogelijk
gereset. Als dat gebeurt, configureer de desbetreffende instellingen dan opnieuw nadat
de software is bijgewerkt.
Hoewel tijdens de software-update de basisfuncties gebruikt kunnen worden, is de
bediening mogelijk traag. Bedien het systeem indien mogelijk niet.
Nadat de software is bijgewerkt, ontvangt de distributieserver van Toyota Motor
Corporation automatisch een melding dat de update is voltooid. Toyota Motor Corporation
gebruikt de ontvangen informatie uitsluitend voor software-updates. Afhankelijk van uw
abonnement kunnen er ook kosten voor communicatie in rekening worden gebracht.
Bijwerken van de software met behulp van de DCM*2 of Wi-Fi®
Dit systeem controleert regelmatig de distributieserver op software-updates.
1. Kies [ ] bij de software-updatemelding.
2. Volg de aanwijzingen op het scherm om de inhoud en voorwaarden van de
update te bekijken en ermee akkoord te gaan.
Het downloaden van de update begint. Zodra de update is gedownload,
begint de installatie. (Dit duurt ongeveer 10 tot 15 minuten.)
De benodigde tijd voor downloaden en installeren neemt mogelijk toe,
afhankelijk van de communicatieomgeving. Als u het contact UIT zet tijdens
het installeren van de software, wordt de volgende keer dat de auto wordt
gestart, het installeren hervat.
Zodra de update is voltooid, wordt er een melding weergegeven op het
scherm.
Als het systeem opnieuw moet worden gestart, verschijnt er een melding.
Wanneer u [Yes] (ja) kiest, wordt het systeem opnieuw gestart.
Kies [History] (geschiedenis) op het scherm met de software-
updategeschiedenis om de software-updategeschiedenis te bekijken.
*2 : Deze functie is in sommige landen of gebieden niet beschikbaar.
2-7. Voertuiginstellingen
70
Handmatig bijwerken van de software
1. Kies [ ] in het hoofdmenu.
2. Kies [Software update] (software-update) in het submenu.
3. Kies [View] (bekijken) bij "Updates available" (updates beschikbaar).
4. Volg de aanwijzingen op het scherm om de inhoud en voorwaarden van de
update te bekijken en ermee akkoord te gaan.
Het downloaden van de update begint. Zodra de update is gedownload,
begint de installatie. (Dit duurt ongeveer 10 tot 15 minuten.)
De benodigde tijd voor downloaden en installeren neemt mogelijk toe,
afhankelijk van de communicatieomgeving. Als u het contact UIT zet tijdens
het installeren van de software, wordt de volgende keer dat de auto wordt
gestart, het installeren hervat.
Zodra de update is voltooid, wordt er een melding weergegeven op het
scherm.
Als het systeem opnieuw moet worden gestart, verschijnt er een melding.
Wanneer u [Yes] (ja) kiest, wordt het systeem opnieuw gestart.
Kies [History] (geschiedenis) op het scherm met de software-
updategeschiedenis om de software-updategeschiedenis te bekijken.
INFORMATIE
Als er essentiële updates beschikbaar zijn op de distributieserver, wordt er een melding
weergegeven. Kies [OK] om de updates te downloaden.
Aan de volgende voorwaarden moet worden voldaan om Wi-Fi® te gebruiken om de
software te updaten:
Het systeem moet verbonden zijn met een Wi-Fi®-toegangspunt (bijv. thuis of op het
werk)
De auto moet zich op een locatie bevinden waar hij toegang heeft tot Wi-Fi®
De communicatie-instellingen moeten zijn ingesteld op [Wi-Fi]
2-7. Voertuiginstellingen
71
2
Instellingen en registratie
Navigatie-instellingen
Instellingen navigatiesysteem
Via de instellingen van het navigatiesysteem kunnen verschillende eigenschappen
worden aangepast, zoals de kleur van de kaart en de tekstgrootte.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Navigation] (navigatie).
3Kies de gewenste optie.
Kaartinstellingen
Route-instellingen
Instellingen begeleiding
Instellingen kaartupdates
Instellingen verkeersinformatie
Overige instellingen
Verwante onderwerpen
Wijzigen van de kaartinstellingen(Blz. 73)
Route-instellingen(Blz. 75)
Instellingen begeleiding(Blz. 78)
Instellingen verkeersinformatie(Blz. 80)
Overige instellingen(Blz. 81)
Databaseversie kaart en dekkingsgebied(Blz. 157)
2-8. Navigatie-instellingen
72
Wijzigen van de kaartinstellingen
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Navigation] (navigatie).
3Kies de gewenste optie.
Instelling Inhoud
[Country border guidance]
(landgrensbegeleiding)
Hiermee kunt u de landgrensbegeleiding
in- of uitschakelen.
Als deze is ingeschakeld, worden er bij het
passeren van een landgrens gesproken
aanwijzingen gegeven.
Daarnaast wordt er informatie
weergegeven over de maximumsnelheden
en andere verkeersregels in het
desbetreffende land.*1
[Map style customisation] (aanpassing
kaartstijl).
Hiermee kunt u de instellingen van de
kaartstijl wijzigen.
"Traffic information" (verkeersinformatie)
[Show road class] (toon wegklasse)
Hiermee kunt u het weergavebereik van de
verkeersinformatie instellen.
Kies het gewenste type weg en vervolgens
[OK].
[Show traffic jam flows] (toon
filedoorstroming)
Hiermee kunt u de weergave van actuele
informatie over files en vertragingen in- of
uitschakelen.
[Show free traffic flows] (toon filevrije
gebieden)
Hiermee kunt u de weergave van actuele
informatie over wegen met doorstromend
verkeer in- of uitschakelen.
[Traffic incident warning] (waarschuwing
verkeersincidenten)
Hiermee kunt u waarschuwingen over
verkeersincidenten in- of uitschakelen.
[Show POI icons settings] (toon POI-
iconen)
Hiermee kunt u de weergave van POI-
iconen (nuttige adressen) wijzigen.
[3D view settings] (instellingen 3D-
weergave)
Hiermee kunt u de weergavehoek van de
3D-kaart wijzigen.
2-8. Navigatie-instellingen
73
2
Instellingen en registratie
Instelling Inhoud
[On street parking suggestion]
(informatie parkeren op straat)
Hiermee kunt u informatie over parkeren
op straat in- of uitschakelen.
[Map language] (taal van de kaart)
Hiermee kunt u de taal van de kaart
wijzigen.
Kies [Region] (land) of [System
Language] (systeemtaal) en vervolgens
[OK].
*1: Met geïntegreerd navigatiesysteem
Persoonlijke voorkeursinstellingen kaartweergave
De kleur van de kaart en de grootte van de tekst kunnen worden gewijzigd.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Navigation] (navigatie).
3Kies [Map style customisation] (aanpassing kaartstijl).
4Kies de gewenste optie.
AHiermee kunt u de grootte van de tekst
wijzigen.
BHiermee kunt u de kleur van de kaart
wijzigen.
5Kies [OK].
Instellen van weergavehoek
De weergavehoek van de 3D-kaart kan worden ingesteld.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Navigation] (navigatie).
3Kies [3D view setting] (instelling 3D-weergave).
4Kies [ ] (hoek vergroten) of [ ] (hoek verkleinen).
5Kies [OK].
2-8. Navigatie-instellingen
74
Route-instellingen
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Navigation] (navigatie).
3Kies [Route].
4Kies de gewenste optie.
Instelling Inhoud
[Area to avoid] (te vermijden gebied) Hiermee kunt u een te vermijden gebied
registreren of bewerken.
[Avoid traffic]*1 (vermijd druk verkeer)
Hiermee kunt u de instelling voor het
vermijden van files wijzigen.
Kies [Auto], [manual] (handmatig) of [off]
(uit), en bevestig uw keuze met [OK].
[Petrol stations suggestion] (suggestie
benzinestation)
Hiermee schakelt u de automatische
weergave van de lijst met benzinestations
in of uit.
Verwante onderwerpen
Scherm met een overzicht van de zoekresultaten(Blz. 142)
Kaartscherm met volledige route(Blz. 146)
Instellingen te vermijden gebieden
Als van een gebied bekend is dat er wegwerkzaamheden of wegafsluitingen zijn of
dat er vaak files staan, kan het geregistreerd worden als een te vermijden gebied
en wordt er gezocht naar routes waarbij dit gebied vermeden wordt.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Navigation] (navigatie).
3Kies [Route].
4Kies [Area to avoid] (te vermijden gebied).
*1 : Deze functie is in sommige landen of gebieden niet beschikbaar.
2-8. Navigatie-instellingen
75
2
Instellingen en registratie
5Kies de gewenste optie.
AHiermee kunt u een lijst met
geregistreerde te vermijden gebieden
weergeven. Hiermee kunt u het
gekozen te vermijden gebied
bewerken.
BHiermee kunt u het geregistreerde te
vermijden gebied verwijderen.
CHiermee kunt u een te vermijden
gebied registreren.
Vastleggen van te vermijden gebieden
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Navigation] (navigatie).
3Kies [Route].
4Kies [Area to avoid] (te vermijden gebied).
5Kies [Add] (toevoegen).
6Scrol over de kaart om een te vermijden gebied te zoeken.
7Kies [OK].
Het te vermijden gebied wordt weergegeven als een geel vierkant.
8Kies [ ] (vergroten) of [ ] (verkleinen) om de grootte van het te
vermijden gebied in te stellen en kies vervolgens [OK].
9Kies [OK] nadat u de gewenste items hebt gewijzigd op het scherm voor
het bewerken.
Wijzigen van te vermijden gebieden
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Navigation] (navigatie).
3Kies [Route].
4Kies [Area to avoid] (te vermijden gebied).
5Kies het te vermijden gebied dat u wilt wijzigen.
6Kies de instelling die u wilt
wijzigen.
AHiermee kunt u de naam van het te
vermijden gebied wijzigen.
BHiermee kunt u het te vermijden
gebied en de grootte daarvan wijzigen.
7Kies [OK].
Wissen van te vermijden gebieden
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2-8. Navigatie-instellingen
76
2Kies [Navigation] (navigatie).
3Kies [Route].
4Kies [Area to avoid] (te vermijden gebied).
5Kies [Edit] (bewerken).
6Kies [ ] van het te vermijden gebied dat u wilt verwijderen.
[Delete all] (alles verwijderen): Verwijdert alle te vermijden gebieden.
[Cancel] (annuleren): Annuleert het verwijderen van te vermijden gebieden.
7Kies [OK].
2-8. Navigatie-instellingen
77
2
Instellingen en registratie
Instellingen begeleiding
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Navigation] (navigatie).
3Kies [Guidance] (begeleiding).
4Kies de gewenste optie.
Instelling Inhoud
[Intersection map] (kruispuntkaart) Hiermee kunt u de vergrote weergave van
het kruispunt in-/uitschakelen.
[Automatic zoom] (automatisch zoomen) Hiermee kunt u automatisch zoomen in-/
uitschakelen.
[Speed limit]*1*2 (snelheidslimiet) Hiermee kunt u informatie over de
maximumsnelheid aan-/uitzetten.
[Flitscamera]*1*2
Hiermee kunt u de weergave van iconen
voor flitscamera's wijzigen.
Kies, na het kiezen van [On] (aan), [On &
Audible] (aan en hoorbaar) of [Off] (uit),
[OK].
[Guidance with street names] (hulp met
straatnamen)
Hiermee kunt u de straatnaambegeleiding
aan-/uitzetten.
[Weather warning]*2 (weerwaarschuwing) Hiermee kunt u de weerwaarschuwing
aan-/uitzetten.
[Traffic jam warning] (filewaarschuwing) Hiermee kan de stembegeleiding voor files
worden in-/uitgeschakeld.
[Landmark voice guidance]*1
(herkenningspuntbegeleiding)
Hiermee kunt u de stembegeleiding voor
herkenningspunten in-/uitschakelen.
[Guide language] (taal begeleiding)
Hiermee kunt u de taal voor de
stembegeleiding wijzigen.
Kies [OK] nadat u de gewenste taal
hebt gekozen.
Hoewel de taal voor de algemene
stembegeleiding kan worden gewijzigd,
kan de stem voor locatiespecifieke
namen niet worden gewijzigd.
2-8. Navigatie-instellingen
78
Verwante onderwerpen
Rijstrookweergaveschermen(Blz. 153)
Flitscamera's(Blz. 135)
*1 : Met geïntegreerd navigatiesysteem
*2 : Deze functie is in sommige landen of gebieden niet beschikbaar.
2-8. Navigatie-instellingen
79
2
Instellingen en registratie
Instellingen verkeersinformatie
Verkeersinformatie, zoals waarschuwingen voor files of verkeersongevallen, kunnen
worden weergegeven.
1Kies[ ]in het hoofdmenu.
2Kies [Navigation] (navigatie).
3Kies [Traffic] (verkeer).
4Kies de gewenste optie.
Instelling Inhoud
[TMC settings] (TMC-instellingen)
[Auto] (automatisch) Hiermee kunt u de instellingen van de
ontvangst van verkeersinformatie wijzigen.
[Receiving status] (ontvangststatus)
[Frequency] (frequentie)
Hiermee kunt u de frequentie wijzigen. (Als
de instelling voor automatische ontvangst
van TMC is uitgeschakeld)
[Station name] (zendernaam) Geeft de zendernaam weer.
[Emergency events] (noodsituaties)
Hiermee kunt u de lijst met noodsituaties
weergeven. Hiermee kunt u extra
informatie weergeven.
2-8. Navigatie-instellingen
80
Overige instellingen
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Navigation] (navigatie).
3Kies [Other] (overige).
4Kies de gewenste optie.
Instelling Inhoud
[Delete recent destinations] (verwijder
recente bestemmingen)
Hiermee kunt u de
bestemmingengeschiedenis wissen.
Nadat u de bestemmingen die u wilt
wissen hebt gekozen, kiest u [OK]. Kies
[Delete all] (alles verwijderen) om alles te
wissen en kies vervolgens [OK].
[Favorieten] Hiermee kunt u favorieten bewerken.
[Position/Direction] (positie/richting) Hiermee kunt u de locatie van uw auto
corrigeren.
[Copyright] Hiermee kunt u het copyright weergeven.
Instellingen favorieten
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Navigation] (navigatie).
3Kies [Other] (overige).
4Kies [Favourites] (favorieten).
5Kies de gewenste optie.
AHiermee kunt u een lijst met
geregistreerde favorieten weergeven.
Hiermee kunt u de favoriet bewerken.
BHiermee kunt u de favoriet
verwijderen.
2-8. Navigatie-instellingen
81
2
Instellingen en registratie
Favorieten registreren
Kies, om een punt als favoriet te registreren als de kaart is verschoven of als
het informatiescherm voor dat punt wordt weergegeven, [ ] om het punt te
registreren.
Verwante onderwerpen
Informatie weergeven voor een punt(Blz. 131)
Kaartscherm met volledige route(Blz. 146)
Wijzigen van lijst met favorieten
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Navigation] (navigatie).
3Kies [Other] (overige).
4Kies [Favourites] (favorieten).
5Kies de favoriet die u wilt wijzigen.
6Kies de gewenste optie.
AWijzig de naam van de favoriet.
BWijzig het telefoonnummer.
CHiermee kunt u de actuele positie
opslaan als “thuis”.
DHiermee kunt u de actuele positie
opslaan als “snelle toegang”.
EWijzig het icoon dat u op de kaart wilt
weergeven.
7Kies [OK].
INFORMATIE
Plaatsen die zijn opgeslagen voor “snelle toegang”, worden bovenaan de lijst
weergegeven tijdens het instellen van een bestemming.
Favorieten verwijderen
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Navigation] (navigatie).
3Kies [Other] (overige).
4Kies [Favourites] (favorieten).
5Kies [Edit] (bewerken).
6Kies [ ] van de favoriet die u wilt verwijderen.
[Delete all] (alles verwijderen): Verwijdert alle favorieten.
[Cancel] (annuleren): Annuleert het verwijderen van favorieten.
7Kies [OK].
2-8. Navigatie-instellingen
82
IJking positie/richting
Tijdens het rijden wordt de actuele locatie automatisch gecorrigeerd als uw auto
signalen ontvangt van het GPS (Global Positioning System). Als het systeem door
slechte ontvangst geen signalen van het GPS ontvangt, kan de actuele locatie ook
handmatig worden gecorrigeerd.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Navigation] (navigatie).
3Kies [Other] (overige).
4Kies [Position / Direction] (positie/richting).
5Schuif de kaart naar het gewenste punt en kies [OK].
6Kies een pijl om de richting van de cursor voor de actuele locatie te
wijzigen en kies [OK].
2-8. Navigatie-instellingen
83
2
Instellingen en registratie
Geluids- en media-instellingen
Wijzigen van de geluids- en media-instellingen
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Sound & Media] (geluid en media) in het submenu.
3Selecteer het gewenste item.
[Sound (geluid)] > [Levels (niveaus)]
Instelling Content
[Automatic sound leveliser]
(automatische volumeregeling)
Past het audiovolume automatisch aan de
rijsnelheid aan.
[Sound (geluid)] > [Voice (spraak)]
Instelling Inhoud
[System volume]
(systeemvolume) Aanpassen van het volume van het systeem.
[Navigation volume]
(navigatievolume)
Aanpassen van het volume van de
stembegeleiding van het navigatiesysteem.
[Navigation during calls]
(navigatie tijdens oproepen)
In- of uitschakelen om de stembegeleiding van
het navigatiesysteem tijdens een telefoongesprek
te onderbreken.
[Adaptive volume control]
(adaptieve volumeregeling)
Verhoogt automatisch het volume van de
stembegeleiding wanneer u op een autoweg rijdt.
[Auto reading (automatisch
voorlezen)]*1 Schakel automatisch voorlezen in of uit.
[Media] > [General (algemeen)]
Instelling Inhoud
[Display cover art] (albumhoes
weergeven)
Geeft de albumhoes weer, bijvoorbeeld voor
muziekalbums.
[FM] > [FM]
Instelling Inhoud
[Station list] (zenderlijst) Herschikt de zenderlijst.
[Enable FM radio]*1 (FM-radio
inschakelen)
Verbergt de toets [FM] op het keuzescherm
voor de audiobron.
2-9. Geluids- en media-instellingen
84
Instelling Inhoud
[FM traffic announcement] (FM-
verkeersinformatie)
Wisselt automatisch van zender wanneer
verkeersinformatie begint op een FM-zender.
[FM alternative frequency] (FM
alternatieve frequentie)
Schakelt over naar een alternatieve frequentie
met betere ontvangst wanneer het signaal van
een FM-zender zwakker wordt.
[Regional code change] (wijzigen
van regiocode)
Schakelt over naar een plaatselijke zender op
hetzelfde programmanetwerk.
[FM radio text] (FM-radiotekst) Geeft radiotekst weer van de FM-radiozender.
[Internet radio]*1 (internetradio)
Instelling Inhoud
[Enable internet
radio] (internetradio
inschakelen)
Wanneer de ontvangst van de radiogolven verslechtert,
schakelt het systeem over op internetradio.
[Changing to IP
stream] (wijzigen naar
internetstream)
Instellingen kunnen worden gewijzigd voor wanneer er
wordt overgeschakeld naar internetradio.
Wanneer [Auto] (automatisch) wordt ingesteld, wordt er
automatisch overgeschakeld.
Wanneer [By request] (op verzoek) wordt ingesteld,
wordt er een melding van een overschakelverzoek
gegeven.
[Enhanced
metadata/art work]
(verbeterde metadata/
albumhoes)
Maakt gebruik van de Gracenote-technologie voor
radioherkenning.
Geeft de logo's van de favorieten en de zenderlijst
weer.
Wijzigt de categorienamen van de zenderlijst.
Werkt automatisch de zenderlijst bij.
[DAB]*1
Instelling Inhoud
[Traffic announcement]
(verkeersinformatie)
Wisselt automatisch van zender wanneer
verkeersinformatie begint op een DAB-zender.
[Alternative frequency]
(alternatieve frequentie)
Schakelt over naar een alternatieve frequentie met
betere ontvangst wanneer het signaal van een
DAB-zender zwakker wordt.
[Radio text] (RDS-tekst) Geeft radiotekst weer van de DAB-zender.
INFORMATIE
Door de knop [VOL ] te draaien tijdens de stembegeleiding, wordt het volume van de
stembegeleiding afgesteld.
*1 : Indien aanwezig
2-9. Geluids- en media-instellingen
85
2
Instellingen en registratie
Aanpassen van de geluidsinstellingen per bron
Wijzigt de instelling voor de geluidskwaliteit en balans van elke bron.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Sources] (bronnen).
3Kies de geluidsbron waarvoor u de instellingen wilt wijzigen.
4Kies [ ].
5Kies [Sound] (geluid).
Kan mogelijk niet worden weergegeven afhankelijk van de bron.
6Stel alles in.
"Treble" (hoge tonen) : Wijzigt het
geluidsniveau van de hoge tonen.
"Mid" (gemiddeld) : Wijzigt het
geluidsniveau van de middentonen.
"Bass" (lage tonen) : Wijzigt het
geluidsniveau van de lage tonen.
Geluidsverdeling : Stel de
geluidsverdeling tussen voor en achter
en tussen links en rechts in door [ ]
te verplaatsen.
Kies [Recentre] (opnieuw centreren) om de verdeling terug te zetten in het
midden.
INFORMATIE
De hoge tonen, de middentonen en de lage tonen kunnen voor elke bron afzonderlijk
worden ingesteld.
2-9. Geluids- en media-instellingen
86
Instellen van de beeldkwaliteit
Aanpassen van het contrast en de helderheid van het beeld.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Sources] (bronnen).
3Kies de bron waarvan u de beeldkwaliteit wilt instellen.
4Kies [ ].
5Kies [Screen] (scherm).
De toets wordt weergegeven in de videomodus.
6Kies [Display].
7Stel alles in.
"Brightness" (helderheid) : Hiermee
stelt u de helderheid in.
"Contrast" : Hiermee stelt u het
contrast in.
2-9. Geluids- en media-instellingen
87
2
Instellingen en registratie
Overschakelen naar een andere schermmodus
Schakelen tussen normaal beeld en breedbeeld.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Sources] (bronnen).
3Kies de bron waarvoor u de schermmodus wilt wijzigen.
4Kies [ ].
5Kies [Screen] (scherm).
De toets wordt weergegeven in de videomodus.
6Kies [Screen format] (schermformaat).
7Selecteer de gewenste modus.
[Normal] (normaal) : Geeft
de video weer in een hoogte-
breedteverhouding van 4:3.
[Stretched] (uitgetrokken) : Vergroot
de weergave van de video zodat deze
op het scherm past.
[Zoomed] (ingezoomd) : Vergroot de
weergave van de video gelijkmatig in
verticale en horizontale richting.
INFORMATIE
De instelbare modus varieert afhankelijk van de videomodus.
Er is geen probleem wanneer video wordt bekeken voor persoonlijk gebruik van
klanten. Het comprimeren of uitrekken van het scherm voor commerciële doeleinden
of openbare weergave kan echter inbreuk maken op de rechten van de houder van
het auteursrecht die worden beschermd door de auteursrechtwetgeving.
Er worden mogelijk zwart balken toegevoegd om het videoweergavegebied te
begrenzen om te voorkomen dat de video er vreemd uitziet.
2-9. Geluids- en media-instellingen
88
Wi-Fi-instellingen®
Wijzigen van de Wi-Fi®-instellingen
Wijzig de Wi-Fi®-instellingen.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Wi-Fi] in het submenu.
3Stel alles in.
"Wi-Fi-instellingen"
Instelling Inhoud
[Wi-Fi]Schakelt Wi-Fi® in of uit.
Afhankelijk van de instellingen van het multimediasysteem kan er een melding
worden weergegeven. Volg de aanwijzingen op het scherm op.
Door [Wi-Fi] in te schakelen, worden beschikbare netwerken in de buurt
weergegeven.
Na het uitschakelen van [Wi-Fi] wordt de Wi-Fi®-verbinding verbroken.
"Available networks" ("Available networks" (beschikbare netwerken) worden alleen
weergegeven als [Wi-Fi] is ingeschakeld.)
Instelling Inhoud
Naam van het netwerk (netwerk-SSID) Selecteer om met het netwerk te
verbinden.
Netwerkinformatie (netwerk-SSID) [ ]Geeft de netwerkinformatie weer.
Netwerknamen komen mogelijk meerdere keren voor als er meerdere MAC-
adressen zijn binnen hetzelfde netwerk.
Er kunnen maximaal 30 netwerken worden weergegeven. De lijst wordt elke zes
seconden automatisch bijgewerkt.
Als er meerdere apparaten zijn met dezelfde netwerknaam (SSID) is het niet
mogelijk te bepalen welk apparaat moet worden gebruikt. Gebruik bij voorkeur voor
elk apparaat een andere netwerknaam (SSID).
Netwerkinformatie (Wordt weergegeven na het kiezen van [ ] achter de naam van
het netwerk.)
Instelling Inhoud
[Auto connect]*1
(automatisch verbinden)
Bepaalt of er automatisch verbinding moet worden
gemaakt met dit netwerk.
2-10. Wi-Fi-instellingen®
89
2
Instellingen en registratie
Instelling Inhoud
"Network SSID" (netwerk-
SSID) Geeft de naam (SSID) van het netwerk weer.
"MAC address" (MAC-adres) Geeft het MAC-adres van het netwerk weer.
"Security" (beveiliging) Geeft het beveiligingsprotocol van het netwerk weer.
"Frequency band"
(frequentieband) Geeft de frequentie van het netwerk weer.
[Forget this network]*1 (dit
netwerk vergeten)
Wist de verbindingsgeschiedenis van het
geselecteerde netwerk uit het multimediasysteem.
Het verwijderde netwerk zal worden herkend als een
netwerk waar het systeem niet eerder verbinding mee
heeft gemaakt.
[Forget this Network] (dit netwerk vergeten) verbreekt niet de verbinding met het
actieve Wi-Fi®-netwerk. De netwerkinformatie wordt niet opgeslagen en er zal niet
automatisch verbinding worden gemaakt met dit Wi-Fi®-netwerk na het herstarten
van Wi-Fi®.
INFORMATIE
De verbindingsgeschiedenis slaat maximaal 20 items op. Daarna wordt het oudste
verwijderd als er een nieuw wordt opgeslagen.
Onbeveiligde netwerken worden niet opgeslagen in de verbindingsgeschiedenis.
Verwante onderwerpen
Voorzorgsmaatregelen bij gebruik van Wi-Fi®-apparaten(Blz. 108)
Verbinding maken met een netwerk via Wi-Fi®(Blz. 110)
*1 : Alleen beschikbaar bij netwerken waarmee het multimediasysteem eerder verbonden is
geweest.
2-10. Wi-Fi-instellingen®
90
Bluetooth®-instellingen
Bluetooth®-apparaten instellen
Het gebruik van het multimediasysteem en het aangesloten Bluetooth®-apparaat
kan worden ingesteld.
INFORMATIE
De details van de instellingen worden voor elk Bluetooth®-apparaat afzonderlijk
ingesteld.
Het audiosysteem slaat mogelijk over als tijdens het afspelen van Bluetooth®-audio
handsfree bellen wordt geselecteerd.
Afhankelijk van het type Bluetooth®-apparaat moet mogelijk het Bluetooth®-apparaat
worden bediend.
Een Bluetooth®-apparaat kan niet worden geselecteerd tijdens een noodoproep.
Instellingen kunnen niet worden geselecteerd tijdens het rijden.
Afhankelijk van de status van het Bluetooth®-apparaat, kunnen instellingen mogelijk niet
worden geselecteerd.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Bluetooth & Devices] (Bluetooth en apparaten).
3Kies in het submenu het Bluetooth®-apparaat dat u wilt configureren.
Er wordt niets weergegeven tenzij er ten minste één Bluetooth®-apparaat is geregistreerd.
4Stel alles in.
Instelling Inhoud
[Use for phone] (gebruik voor
telefoon)
Hiermee kunt u de functie voor handsfree bellen
in- en uitschakelen.*1
[Use for media] (gebruik voor
media)
Hiermee kunt u de audiofunctie in- en
uitschakelen.*1
[Use for Apple CarPlay] (gebruik
voor Apple CarPlay)
Hiermee kunt u de Apple CarPlay-functie in- en
uitschakelen.*1
[Use for Android Auto] (gebruik
voor Android Auto)
Hiermee kunt u de Android Auto-functie in- en
uitschakelen.*1
"Volume"
2-11. Bluetooth®-instellingen
91
2
Instellingen en registratie
Instelling Inhoud
[Ringtone] (beltoon) Past het beltoonvolume aan.
[Received volume] (ontvangstvolume) Stelt het ontvangstvolume in.
[New message] (nieuw bericht) Past het volume voor binnenkomende
berichten aan.
"General" (algemeen)
Instelling Inhoud
[Ringtone] (beltoon)
De beltoon voor handsfree bellen kan als volgt worden
ingesteld.
Stelt het beltoonvolume dat voor de mobiele
telefoon is ingesteld in als het beltoonvolume voor
het multimediasysteem.
Stelt het bestaande beltoonvolume in.
Stelt het systeem in om de naam van de beller voor
te lezen.
[Message tone]
(berichttoon)
De beltoon voor binnenkomende berichten kan als
volgt worden ingesteld.
Instellen op de bestaande beltoon voor
binnenkomende berichten.
Instellen op dempen.
Instellen om de naam van de verzender voor te
lezen.
[Sort contacts by]
(contacten sorteren op)
De weergave van namen die in uw contacten zijn
geregistreerd, kan als volgt worden gewijzigd.
Contacten sorteren op voornaam.
Contacten sorteren op achternaam.
[Auto read messages]
(automatisch berichten
voorlezen)
Hiermee kunt u de functie voor het automatisch
voorlezen van berichten in- en uitschakelen.
[Clear call history] (wis
oproepgeschiedenis) Wist gegevens oproepgeschiedenis handsfree bellen.*2
"Syncing" (synchroniseren)
Instelling Inhoud
[Sync contacts] (contacten
synchroniseren)
Hiermee kunt u het automatisch overbrengen van
contacten, favorieten en geschiedenis naar het
multimediasysteem in- en uitschakelen.
Bij sommige typen mobiele telefoons kunnen
favorieten niet worden overgebracht.
[Display contact images]
(afbeeldingen contact
weergeven)
Hiermee kunt u de weergave van de afbeelding van
het contact in- en uitschakelen.
2-11. Bluetooth®-instellingen
92
Instelling Inhoud
[Display contact images]
(afbeeldingen contact
weergeven)
De afbeelding van het contact kan niet naar
het multimediasysteem worden gedownload, tenzij
[Sync contacts] (contacten synchroniseren) is
ingeschakeld.
[Set as secondary device]
(instellen als secundair
apparaat)
Stelt het apparaat in als secundair apparaat.*3
[Remove secondary device
setting] (instelling secundair
apparaat verwijderen)
Annuleert het apparaat als secundair apparaat.
[Connect] (koppelen) Koppelt het multimediasysteem met een Bluetooth®-
apparaat.
[Disconnect] (ontkoppelen) Koppelt een Bluetooth®-apparaat los van het
multimediasysteem.
[Forget] (vergeet) Hiermee kunnen geregistreerde Bluetooth®-
apparaten worden gewist.
Verwante onderwerpen
Voorzorgsmaatregelen bij gebruik van Bluetooth®-apparaten(Blz. 96)
Bluetooth®-specificaties en compatibele profielen(Blz. 98)
Voorzorgsmaatregelen voor handsfree bellen(Blz. 190)
Voorzorgsmaatregelen voor afspelen van Bluetooth®-audio(Blz. 181)
Voorzorgsmaatregelen bij gebruik van Apple CarPlay en Android
Auto(Blz. 113)
Instellen van een Bluetooth®-apparaat als primair apparaat(Blz. 106)
Instellen van een Bluetooth®-apparaat als secundair apparaat(Blz. 107)
Registreren van een gebruikersprofiel(Blz. 48)
Wijzigen en registreren van een gebruikersprofiel(Blz. 55)
*1 : Wordt alleen weergegeven wanneer het Bluetooth®-apparaat deze functie kan uitvoeren.
Door de functie in of uit te schakelen, worden gerelateerde functies weergegeven
of verborgen of worden ze in- of uitgeschakeld. Dit kan niet worden gebruikt voor
telefoongesprekken of audio wanneer Apple CarPlay of Android Auto is ingeschakeld.
Dit geldt andersom ook. Het koppelen begint niet meteen door alleen maar over te
schakelen. Kies de toets [Connect] (koppelen) om het koppelen te starten.
*2 : Wordt weergegeven wanneer een mobiele telefoon waarbij [Sync contacts] (contacten
synchroniseren) is uitgeschakeld, wordt gekoppeld.
*3 : Deze instelling kan worden gebruikt als er een bestuurder is geregistreerd en de
gesignaleerde mobiele telefoon niet is ingesteld als zijn hoofdapparaat.
2-11. Bluetooth®-instellingen
93
2
Instellingen en registratie
2-11. Bluetooth®-instellingen
94
3Een smartphone of communicatieapparaat
aansluiten
3-1. Gebruik van de Bluetooth®-
functie
Voorzorgsmaatregelen bij
gebruik van Bluetooth®-
apparaten ..................................96
Bluetooth®-specificaties en
compatibele profielen ................98
Registreren van een
Bluetooth®-apparaat vanaf het
multimediasysteem....................99
Wissen van een geregistreerd
Bluetooth®-apparaat............... 102
Verbinding maken met een
Bluetooth®-apparaat............... 103
Instellen van een Bluetooth®-
apparaat als primair apparaat 106
Instellen van een Bluetooth®-
apparaat als secundair
apparaat ................................. 107
3-2. Verbinding maken met een
Wi-Fi®-netwerk
Voorzorgsmaatregelen bij
gebruik van Wi-Fi®-apparaten 108
Verbinding maken met een
netwerk via Wi-Fi®.................. 110
3-3. Gebruik van Apple CarPlay en
Android Auto
Voorzorgsmaatregelen bij
gebruik van Apple CarPlay en
Android Auto........................... 113
Gebruik van Apple CarPlay met
een ongeregistreerde
smartphone ............................ 116
Gebruik van Apple CarPlay met
een geregistreerde
smartphone ............................ 119
Gebruik van Android Auto......... 122
Als er mogelijk een storing
aanwezig is in Apple CarPlay
of Android Auto....................... 123
95
3
Een smartphone of communicatieapparaat aansluiten
Gebruik van de Bluetooth®-functie
Voorzorgsmaatregelen bij gebruik van Bluetooth®-apparaten
Houd rekening met de volgende informatie bij het gebruik van een Bluetooth®-
apparaat op het multimediasysteem.
INFORMATIE
Bluetooth® verzorgt draadloze communicatie over de 2,4 GHz-frequentieband volgens
het best-effort-principe.
Gelijktijdig gebruik van zowel Wi-Fi®, dat ook gebruikmaakt van de 2,4 GHz-
frequentieband, als Bluetooth® kan onderlinge interferentie tot gevolg hebben.
Onderlinge interferentie tussen Bluetooth® en Wi-Fi® kan problemen veroorzaken met
het videobeeld, overslaan van audio en de verbindingssnelheid.
Het effect van de interferentie kan minder worden als er een ander Bluetooth®-apparaat
wordt aangesloten. Als een Bluetooth®-apparaat is geregistreerd, kan het probleem
minder worden door verbinding te maken met het geregistreerde apparaat. (De
verbinding van een Bluetooth®-apparaat kan worden gecontroleerd via het statusicoon
op het scherm van het multimediasysteem.)
Het gebruik van een mobiele telefoon met Bluetooth® in combinatie met een ander
draadloos apparaat kan een negatieve invloed hebben op de verbinding van beide
apparaten.
Wi-Fi®-functies (Wi-Fi® en Miracast®) maken gebruik van dezelfde 2,4 GHz-
frequentieband voor draadloze communicatie. Het gelijktijdig gebruik van een Bluetooth®-
apparaat kan een negatieve invloed hebben op de verbinding van beide apparaten.
Eventuele problemen kunnen worden verholpen door de Wi-Fi®-functie uit te schakelen.
De batterij van een Bluetooth®-apparaat zal sneller leegraken als de Bluetooth®-
verbinding actief is.
Tijdens noodoproepen zullen Bluetooth®-verbindingen worden verbroken. Alle
Bluetooth®-apparaten worden weer verbonden als de noodoproep is beëindigd.
WAARSCHUWING
Uit veiligheidsoverwegingen wordt het afgeraden om de mobiele telefoon zelf te bedienen
tijdens het rijden, ook bij handsfree bellen.
Breng voor het bellen de auto op een veilige plaats tot stilstand. Neem bij bellen tijdens
het rijden altijd de veiligheid in acht en houd het gesprek kort.
OPMERKING
Gebruik geen Bluetooth®-apparaat in de buurt van het multimediasysteem. Als het te
dicht in de buurt komt, kan de geluidskwaliteit of de verbinding verslechteren.
Laat geen mobiele telefoon in de auto achter. De temperatuur in de auto kan hoog
oplopen, waardoor de mobiele telefoon defect kan raken.
Gebruikers van pacemakers en andere elektrische medische apparaten
Neem tijdens Bluetooth®-communicatie de volgende voorzorgsmaatregelen in acht
met betrekking tot radiogolven.
3-1. Gebruik van de Bluetooth®-functie
96
WAARSCHUWING
De Bluetooth®-antenne van de auto is ingebouwd in het multimediasysteem.
Mensen met geïmplanteerde pacemakers, CRT-pacemakers of geïmplanteerde
hartdefibrillatoren moeten voldoende afstand bewaren tot de Bluetooth®-antennes.
Radiogolven kunnen de werking van dergelijke apparatuur beïnvloeden.
Alvorens Bluetooth®-apparaten te gebruiken, moeten gebruikers van medische
apparatuur anders dan geïmplanteerde pacemakers, CRT-pacemakers en
geïmplanteerde hartdefibrillatoren contact opnemen met de fabrikant of leverancier
van deze producten om te informeren of radiosignalen invloed uitoefenen op deze
apparatuur. Radiogolven kunnen onverwachte effecten hebben op de werking van
dergelijke medische apparatuur.
Indien gelijktijdig gebruikt met Bluetooth®-audio
Het volgende kan gebeuren als een Bluetooth®-compatibel apparaat (mobiele
telefoon) handsfree en gelijktijdig met Bluetooth®-audio wordt gebruikt.
De Bluetooth®-verbinding van de mobiele telefoon wordt mogelijk verbroken.
Bij handsfree bellen is er mogelijk ruis hoorbaar in het audiosysteem.
Bij handsfree bellen is er mogelijk een vertraging merkbaar.
Het audiosysteem slaat mogelijk over als er tijdens het afspelen van Bluetooth®-
audio een ander communicatieapparaat wordt geselecteerd voor handsfree
bellen.
Tijdens het overbrengen van contactgegevens wordt de verbinding van het
draagbare apparaat mogelijk verbroken. Zodra het overbrengen is voltooid, wordt
er opnieuw verbinding gemaakt. (Opnieuw verbinding maken is bij sommige
uitvoeringen wellicht niet mogelijk.)
Het is, zelfs bij mobiele telefoons die zowel een handsfree verbinding als een
audioverbinding ondersteunen, wellicht niet mogelijk om zowel een handsfree
verbinding als een audioverbinding tot stand te brengen.
Neem voor een overzicht van specifieke apparaten die geschikt zijn voor dit
systeem contact op met een erkende Toyota-dealer of hersteller/reparateur of
een andere naar behoren gekwalificeerde en uitgeruste deskundige.
Verwante onderwerpen
Voorzorgsmaatregelen bij gebruik van Wi-Fi®-apparaten(Blz. 108)
Voorzorgsmaatregelen voor afspelen van Bluetooth®-audio(Blz. 181)
Voorzorgsmaatregelen voor handsfree bellen(Blz. 190)
Voorzorgsmaatregelen bij het afspelen van muziek via Miracast®(Blz. 185)
Statusiconen(Blz. 19)
3-1. Gebruik van de Bluetooth®-functie
97
3
Een smartphone of communicatieapparaat aansluiten
Bluetooth®-specificaties en compatibele profielen
Het multimediasysteem ondersteunt de volgende specificaties en compatibele
profielen. De werking kan niet voor alle Bluetooth®-apparaten worden
gegarandeerd.
Ondersteunde Bluetooth®-specificaties
Bluetooth® Core-specificatie versie 2.1 of hoger
Compatibele profielen
HFP (Handsfree-profiel) Ondersteunde versies: versie 1.5 of hoger
Dit is een profiel dat handsfree-telefoongesprekken mogelijk maakt via de
mobiele telefoon. Het heeft een functie voor uitgaande en inkomende
gesprekken.
PBAP (Phone Book Access-profiel) Ondersteunde versies: versie 1.0 of hoger
Profiel voor het synchroniseren van gegevens, zoals contactgegevens en
oproepgeschiedenis.
OPP (Object Push-profiel) Ondersteunde versies: versie 1.1 of hoger
Profiel voor het overbrengen van contactgegevens.
MAP (Message Access-profiel) Ondersteunde versies: versie 1.2 of hoger
Dit is een profiel voor het gebruiken van telefoonberichtfuncties.
SPP (Serial Port-profiel) Ondersteunde versies: versie 1.1 of hoger
Profiel voor het omzetten van apparaten met Bluetooth® naar virtuele seriële poorten.
Profiel voor het koppelen van smartphones.
A2DP (Advanced Audio Distribution-profiel) Ondersteunde versies: versie 1.0 of
hoger
Dit is een profiel voor het versturen van stereo-audiogeluid of geluid met een
hoge kwaliteit naar het audiosysteem.
AVRCP (Audio/Video Remote Control-profiel) Ondersteunde versies: versie 1.0
of hoger
Profiel voor het op afstand bedienen van de audio.
3-1. Gebruik van de Bluetooth®-functie
98
Registreren van een Bluetooth®-apparaat vanaf het
multimediasysteem
Er moet een mobiele telefoon of draagbaar apparaat zijn geregistreerd om
handsfree te kunnen bellen of Bluetooth®-audio te kunnen gebruiken. Zodra de
registratie is voltooid, wordt er telkens wanneer het multimediasysteem wordt
gestart, automatisch verbinding gemaakt met Bluetooth®.
Wanneer een Apple CarPlay-/Android Auto-apparaat is aangesloten via USB, wordt
het apparaat automatisch als Bluetooth®-apparaat geregistreerd.
De Bluetooth®-functie kan niet door het multimediasysteem worden gebruikt
wanneer er draadloos verbinding is gemaakt met Apple CarPlay.
Wanneer er geen verbinding is met Bluetooth®-apparaten, kan het
registratiescherm worden weergegeven door de stuurwieltoets [ ] ingedrukt te
houden.
INFORMATIE
Een mobiele telefoon kan als een handsfree telefoon en als een Bluetooth®-
audioapparaat worden geregistreerd.
Hoewel er maximaal vijf Bluetooth®-apparaten kunnen worden geregistreerd, kunnen er
maximaal twee apparaten als handsfree telefoon worden gebruikt. (Om twee handsfree
telefoons aan te kunnen sluiten, is identificatie van de bestuurder vereist.)
Raadpleeg de handleiding van het Bluetooth®-apparaat voor meer informatie over de
bediening van het Bluetooth®-apparaat.
De registratie moet voor elk Bluetooth®-apparaat eenmalig worden herhaald als er
meerdere Bluetooth®-apparaten worden gebruikt.
Een pincode is een verificatiecode die wordt gebruikt bij het registreren van een
Bluetooth®-apparaat in het multimediasysteem.
Afhankelijk van de instellingen van de mobiele telefoon is de mogelijkheid om iemand
te bellen mogelijk geblokkeerd nadat er verbinding is gemaakt. Maak voor gebruik de
automatische blokkering ongedaan op de mobiele telefoon.
Als een ander apparaat is geregistreerd terwijl het is verbonden met een mobiele telefoon
of een draagbaar apparaat, wordt de verbinding met het draagbare apparaat dat of de
mobiele telefoon die audio afspeelt verbroken.
Het geluid van Miracast® slaat mogelijk over als er een Bluetooth®-apparaat wordt
geregistreerd terwijl Miracast® in gebruik is.
Om veiligheidsredenen kunnen apparaten niet worden geregistreerd tijdens het rijden.
Als de registratie van het Bluetooth®-apparaat niet kan worden voltooid, start dan het
Bluetooth®-apparaat opnieuw.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Bluetooth & Devices] (Bluetooth en apparaten).
3Kies [Manage devices] (apparaten beheren).
3-1. Gebruik van de Bluetooth®-functie
99
3
Een smartphone of communicatieapparaat aansluiten
4Kies [If not found] (indien niet
gevonden).
Als het apparaat al is geregistreerd,
kies dan achtereenvolgens [Add
another device (een ander apparaat
toevoegen)] > [If not found (indien niet
gevonden)] .
5Kies het te registreren apparaat in het hoofdgebied.
Mogelijk wordt het Bluetooth®-adres weergegeven in plaats van de apparaatnaam.
Als het te registreren apparaat niet in het hoofdgebied wordt weergegeven, probeer het
dan vanaf het Bluetooth®-apparaat te registreren.
Bepaalde modellen van Bluetooth®-apparaten worden mogelijk niet in de apparatenlijst
weergegeven, tenzij een bepaald scherm wordt weergegeven op het Bluetooth®-
apparaat. Raadpleeg de handleiding van het Bluetooth®-apparaat voor meer
informatie.
6Controleer of de weergegeven pincode overeenkomt met de pincode die
op het Bluetooth®-apparaat wordt weergegeven en kies vervolgens [OK].
Sommige Bluetooth®-apparaten moeten mogelijk worden bediend om de registratie te
voltooien.
Mogelijk worden er aanwijzingen voor de registratie van het gebruikersprofiel
weergegeven. Volg de aanwijzingen op het scherm op.
Mogelijk worden instellingen van het primaire apparaat weergegeven. Volg de
aanwijzingen op het scherm op.
Mogelijk worden instellingen van Apple CarPlay weergegeven. Het Apple CarPlay-
scherm wordt weergegeven als gebruik is toegestaan.
Er wordt een melding weergegeven dat er verbinding is gemaakt en de naam van het
geregistreerde Bluetooth®-apparaat wordt weergegeven in het submenu.
Als er een scherm wordt weergegeven met de melding dat de handeling is mislukt, volg
dan de aanwijzingen op het scherm.
Verwante onderwerpen
Registreren van een gebruikersprofiel(Blz. 48)
Wijzigen en registreren van een gebruikersprofiel(Blz. 55)
Voorzorgsmaatregelen bij gebruik van Apple CarPlay en Android
Auto(Blz. 113)
Registreren van een Bluetooth®-apparaat
Als het Bluetooth®-apparaat niet kan worden gevonden door te zoeken met behulp
van het multimediasysteem, registreer dan door het multimediasysteem te zoeken
vanaf het Bluetooth®-apparaat.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Bluetooth & Devices] (Bluetooth en apparaten).
3-1. Gebruik van de Bluetooth®-functie
100
3Kies [Manage devices] (apparaten beheren).
Als er al een ander apparaat is geregistreerd, kies dan [Add another device] (een ander
apparaat toevoegen).
4Registreer het multimediasysteem
vanaf het Bluetooth®-apparaat dat u
wilt gebruiken.
Voer de handeling uit volgens
de bedieningsprocedure van het
Bluetooth®-apparaat.
Geef dit Bluetooth®-verbindingsscherm
weer alvorens de registratie uit te
voeren op het Bluetooth®-apparaat.
5Controleer of de weergegeven
pincode overeenkomt met de pincode die op het Bluetooth®-apparaat
wordt weergegeven en kies vervolgens [OK].
Sommige Bluetooth®-apparaten moeten mogelijk worden bediend om de registratie te
voltooien.
Mogelijk worden er aanwijzingen voor de registratie van het gebruikersprofiel
weergegeven. Volg de aanwijzingen op het scherm op.
Mogelijk worden instellingen van het primaire apparaat weergegeven. Volg de
aanwijzingen op het scherm op.
Mogelijk worden instellingen van Apple CarPlay weergegeven. Het Apple CarPlay-
scherm wordt weergegeven als gebruik is toegestaan.
Er wordt een melding weergegeven dat er verbinding is gemaakt en de naam van het
geregistreerde Bluetooth®-apparaat wordt weergegeven in het submenu.
Als er een scherm wordt weergegeven met de melding dat de handeling is mislukt, volg
dan de aanwijzingen op het scherm.
Verwante onderwerpen
Registreren van een gebruikersprofiel(Blz. 48)
Wijzigen en registreren van een gebruikersprofiel(Blz. 55)
Voorzorgsmaatregelen bij gebruik van Apple CarPlay en Android
Auto(Blz. 113)
3-1. Gebruik van de Bluetooth®-functie
101
3
Een smartphone of communicatieapparaat aansluiten
Wissen van een geregistreerd Bluetooth®-apparaat
Geregistreerde Bluetooth®-apparaten kunnen worden gewist.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Bluetooth & Devices] (Bluetooth en apparaten).
3Kies in het submenu het
Bluetooth®-apparaat dat moet
worden gewist.
4Kies [Forget] (vergeet).
Een apparaat dat als primair apparaat van
een andere gebruiker is ingesteld, kan niet
worden gewist.
5Kies [Forget] (vergeet).
INFORMATIE
Een geregistreerde mobiele telefoon kan niet worden gewist tijdens een noodoproep.
Afhankelijk van de status van het Bluetooth®-apparaat, lukt het de eerste keer
mogelijk niet om het apparaat te wissen.
Verwante onderwerpen
Instellen van een Bluetooth®-apparaat als primair apparaat(Blz. 106)
Registreren van een gebruikersprofiel(Blz. 48)
Wijzigen en registreren van een gebruikersprofiel(Blz. 55)
3-1. Gebruik van de Bluetooth®-functie
102
Verbinding maken met een Bluetooth®-apparaat
Er moet verbinding worden gemaakt met een Bluetooth®-apparaat om de
verschillende functies van het multimediasysteem te kunnen gebruiken. Er zijn twee
manieren om verbinding te maken: automatisch en handmatig.
INFORMATIE
Raadpleeg de handleiding van het Bluetooth®-apparaat voor meer informatie over de
bediening van het Bluetooth®-apparaat.
Als de telefoon bij het verbinding maken onstabiel reageert, verbreek dan de verbinding
en probeer opnieuw verbinding te maken.
Er kan geen verbinding worden gemaakt als Bluetooth® op het Bluetooth®-apparaat niet
is ingeschakeld.
Wanneer er succesvol verbinding is gemaakt met het Bluetooth®-apparaat, wordt hiervan
bovenaan op het scherm een melding weergegeven.
Wanneer er verbinding is met het Bluetooth®-apparaat, wordt het statusicoon voor de
Bluetooth®-verbinding weergegeven.
De displayzone gaat mogelijk branden wanneer het contact AAN wordt gezet, afhankelijk
van het type mobiele telefoon. Als dit gebeurt, schakel dan de verlichting uit op
de mobiele telefoon. (Raadpleeg de handleiding van de mobiele telefoon voor meer
informatie over de instellingen.)
De Bluetooth®-functie kan niet worden gebruikt op het apparaat dat als Apple CarPlay is
aangesloten.
De Bluetooth®-functie, behalve de handsfree-functie, kan niet worden gebruikt op het
apparaat dat als Android Auto is aangesloten.
Het geluid van Miracast® slaat mogelijk over als er een Bluetooth®-apparaat is
aangesloten terwijl Miracast® in gebruik is.
Bluetooth®-verbinding herstellen
Als een Bluetooth®-verbinding is verbroken terwijl het contact AAN is gezet, wordt
er automatisch geprobeerd om opnieuw verbinding te maken.
Aantal aangesloten Bluetooth®-apparaten
Als de bestuurder wordt herkend
Er kan automatisch verbinding worden gemaakt met maximaal twee handsfree
telefoons en één audioapparaat. (Een telefoon kan tegelijkertijd als audio-
apparaat worden ingesteld.)
Als de bestuurder niet wordt herkend
Er kan automatisch verbinding worden gemaakt met maximaal één handsfree
telefoon en één audioapparaat. (Een telefoon kan tegelijkertijd als audio-
apparaat worden ingesteld.)
INFORMATIE
Als het automatisch opnieuw verbinding maken niet lukt, probeer dan handmatig
verbinding te maken.
3-1. Gebruik van de Bluetooth®-functie
103
3
Een smartphone of communicatieapparaat aansluiten
Als er een apparaat is aangesloten als Apple CarPlay-apparaat, kan er mogelijk niet
opnieuw verbinding mee worden gemaakt als Bluetooth®-apparaat.
Verwante onderwerpen
Statusiconen(Blz. 19)
Registreren van een gebruikersprofiel(Blz. 48)
Wijzigen en registreren van een gebruikersprofiel(Blz. 55)
Automatisch verbinding maken met Bluetooth®-apparaten
Telkens als het contact AAN wordt gezet zal het multimediasysteem automatisch
verbinding maken met Bluetooth®-apparaten overeenkomstig de ingestelde
volgorde van prioriteit.
Als de bestuurder wordt herkend
Maakt automatisch verbinding, eerst met het primaire apparaat, dan met het
secundaire apparaat en dan met de overige apparaten overeenkomstig de
volgorde tijdens de vorige verbinding.
Er kan automatisch verbinding worden gemaakt met maximaal twee handsfree
telefoons en één audioapparaat. (Een telefoon kan tegelijkertijd als audio-
apparaat worden ingesteld.)
Als de bestuurder niet wordt herkend
Maakt automatisch verbinding overeenkomstig de volgorde tijdens de vorige
verbinding.
Er kan automatisch verbinding worden gemaakt met maximaal één handsfree
telefoon en één audioapparaat. (Een telefoon kan tegelijkertijd als audio-
apparaat worden ingesteld.)
Als het automatisch opnieuw verbinding maken niet lukt, probeer dan handmatig
verbinding te maken.
INFORMATIE
Afhankelijk van het model Bluetooth®-apparaat moet het Bluetooth®-apparaat mogelijk
worden bediend.
Verwante onderwerpen
Registreren van een gebruikersprofiel(Blz. 48)
Wijzigen en registreren van een gebruikersprofiel(Blz. 55)
Instellen van een Bluetooth®-apparaat als primair apparaat(Blz. 106)
Handmatig verbinding maken met Bluetooth®-apparaten
Om verbinding te maken met een ander Bluetooth®-apparaat of wanneer er niet
automatisch verbinding kan worden gemaakt, kunt u hiermee verbinding maken met
geregistreerde Bluetooth®-apparaten.
3-1. Gebruik van de Bluetooth®-functie
104
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Bluetooth & Devices] (Bluetooth en apparaten) in het submenu.
Als er geen Bluetooth®-apparaten zijn geregistreerd, wordt er op het multimediasysteem
een zoekscherm voor apparaten weergegeven. Registreer het Bluetooth®-apparaat.
3Kies in het submenu het Bluetooth®-apparaat waarmee u verbinding wilt
maken.
Als het Bluetooth®-apparaat waarmee u verbinding wilt maken niet in het submenu staat,
registreer het Bluetooth®-apparaat dan.
4Kies [Connect] (verbinden) in het
hoofdgebied.
Als er al een ander apparaat is
aangesloten, wordt er mogelijk een
bevestigingsscherm weergegeven.
INFORMATIE
Afhankelijk van de status van het Bluetooth®-apparaat, lukt het de eerste keer mogelijk
niet om verbinding te maken. Probeer in dit geval na een poosje opnieuw verbinding te
maken.
De verbinding met Bluetooth®-apparaten verbreken
De verbinding met aangesloten Bluetooth®-apparaten kan worden verbroken via het
multimediasysteem.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Bluetooth & Devices] (Bluetooth en apparaten) in het submenu.
3Kies in het submenu het Bluetooth®-apparaat waarmee de verbinding
moet worden verbroken.
4Kies [Disconnect] (ontkoppelen) in
het hoofdgebied.
3-1. Gebruik van de Bluetooth®-functie
105
3
Een smartphone of communicatieapparaat aansluiten
Instellen van een Bluetooth®-apparaat als primair apparaat
Door een Bluetooth®-apparaat als primair apparaat in te stellen, krijgt dit voorrang
tijdens het automatisch verbinden.
De mobiele telefoon die u wilt instellen dient verbonden te zijn met het
multimediasysteem.
De bestuurder moet worden gespecificeerd om het primaire apparaat in te
stellen.
INFORMATIE
Een mobiele telefoon die als primair apparaat van een andere gebruiker is ingesteld, kan
niet nogmaals worden ingesteld als primair apparaat.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Personal info] (persoonlijke gegevens).
3Kies [Link devices] (gekoppelde
apparaten) of [Change link devices]
(wijzig gekoppelde apparaten) in
het hoofdgebied.
Het scherm voor het zoeken van een
apparaat wordt weergegeven als er geen
mobiele telefoon beschikbaar is die als
primair apparaat kan worden ingesteld.
Zoek de mobiele telefoon die moet
worden ingesteld en registreer deze in
het multimediasysteem. Zodra het nieuwe
apparaat is geregistreerd, kan het als primair apparaat worden ingesteld.
4Selecteer de mobiele telefoon die als primair apparaat moet worden
ingesteld.
Verbreek de verbinding met het huidige gekoppelde Bluetooth®-apparaat en koppel
vervolgens het primaire en het secundaire apparaat.
Verwante onderwerpen
Registreren van een gebruikersprofiel(Blz. 48)
Wijzigen en registreren van een gebruikersprofiel(Blz. 55)
Bluetooth®-apparaten instellen(Blz. 91)
Registreren van een Bluetooth®-apparaat vanaf het
multimediasysteem(Blz. 99)
3-1. Gebruik van de Bluetooth®-functie
106
Instellen van een Bluetooth®-apparaat als secundair apparaat
Door een Bluetooth®-apparaat in te stellen als secundair apparaat, wordt het
apparaat als secundair apparaat ingesteld als er verbinding mee is gemaakt.
Deze instelling kan worden gebruikt als er een bestuurder is geregistreerd en de
gesignaleerde mobiele telefoon niet is ingesteld als zijn hoofdapparaat.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Bluetooth & Devices] (Bluetooth en apparaten) in het submenu.
Als er geen Bluetooth®-apparaten zijn geregistreerd, wordt er een zoekscherm voor
apparaten weergegeven. Registreer een mobiele telefoon.
3Selecteer de mobiele telefoon die als secundair apparaat moet worden
ingesteld.
Als de in te stellen mobiele telefoon niet wordt weergegeven, registreer hem dan.
4Kies [Set as secondary device]
(instellen als secundair apparaat) in
het hoofdgebied.
Dit verandert in een toets om te annuleren
als het apparaat al is ingesteld als
secundair apparaat.
Verwante onderwerpen
Registreren van een gebruikersprofiel(Blz. 48)
Wijzigen en registreren van een gebruikersprofiel(Blz. 55)
Bluetooth®-apparaten instellen(Blz. 91)
3-1. Gebruik van de Bluetooth®-functie
107
3
Een smartphone of communicatieapparaat aansluiten
Verbinding maken met een Wi-Fi®-netwerk
Voorzorgsmaatregelen bij gebruik van Wi-Fi®-apparaten
Houd rekening met de volgende informatie met betrekking tot het verbinden met
een WiFi®-netwerk of het gebruik van Wi-Fi®-hotspot via een mobiele telefoon
(tethering).
Gebruikers van pacemakers en andere elektrische medische apparaten
Neem de volgende voorzorgsmaatregelen in acht met betrekking tot radiogolven
tijdens Wi-Fi®-communicatie.
WAARSCHUWING
Gebruik Wi-Fi®-apparaten alleen wanneer dit veilig is en wettelijk toegestaan is.
De Wi-Fi®-antenne van de auto is ingebouwd in het multimediasysteem.
Mensen met geïmplanteerde pacemakers, CRT-pacemakers of geïmplanteerde
hartdefibrillatoren moeten voldoende afstand bewaren tot de Wi-Fi®-antennes.
Radiogolven kunnen de werking van dergelijke apparatuur beïnvloeden.
Alvorens Wi-Fi®-apparaten te gebruiken, moeten gebruikers van medische apparatuur
anders dan geïmplanteerde pacemakers, CRT-pacemakers en geïmplanteerde
hartdefibrillatoren contact opnemen met de fabrikant of leverancier van deze producten
om te informeren of radiosignalen invloed uitoefenen op de werking van deze apparatuur.
Radiogolven kunnen onverwachte effecten hebben op de werking van dergelijke
medische apparatuur.
Gelijktijdig gebruik van Wi-Fi® en Bluetooth®
Wi-Fi® verzorgt draadloze communicatie over de 2,4 GHz-frequentieband
volgens het best-effort-principe. Gelijktijdig gebruik van zowel Bluetooth®, dat
ook gebruikmaakt van de 2,4 GHz-frequentieband, als Wi-Fi® kan onderlinge
interferentie tot gevolg hebben.
Wat u moet weten over Wi-Fi®
INFORMATIE
Wi-Fi®, Miracast®, Wi-Fi Direct® en WMM® zijn geregistreerde handelsmerken van Wi-Fi
Alliance®.
Wi-Fi Protected Setup, Wi-Fi CERTIFIED, WPA, WPA2 en WPA3 zijn
handelsmerken van Wi-Fi Alliance®.
Deze functie werkt volgens het best-effort-principe.
Gebruik deze functie om verbinding te maken met een draagbaar apparaat. Afhankelijk
van de omgeving kan de verbinding met andere apparaten worden verbroken.
De verbinding wordt verbroken als u buiten bereik van de Wi-Fi® komt.
Wanneer de auto zich in de buurt bevindt van een radioantenne, radiozender of andere
bron van sterke radiogolven en elektromagnetische velden, kan de communicatie traag
verlopen of niet mogelijk zijn.
De communicatiesnelheid kan afnemen of het kan zelfs onmogelijk worden om deze
service te gebruiken in bepaalde gebruiksomgevingen (vanwege factoren zoals de locatie
van de draadloze antenne en eventuele draadloze apparaten die in de buurt worden
gebruikt).
3-2. Verbinding maken met een Wi-Fi®-netwerk
108
Compatibele Wi-Fi®-communicatieprotocollen
IEEE 802.11b/g/n (2,4 GHz)
Compatibele beveiligingsprotocollen
WEP
WPA
WPA2
WPA3
Verwante onderwerpen
Statusiconen(Blz. 19)
Wijzigen van de Wi-Fi®-instellingen(Blz. 89)
Voorzorgsmaatregelen bij gebruik van Bluetooth®-apparaten(Blz. 96)
Voorzorgsmaatregelen bij het afspelen van muziek via Miracast®(Blz. 185)
Over de webbrowserfunctie (internet)(Blz. 228)
3-2. Verbinding maken met een Wi-Fi®-netwerk
109
3
Een smartphone of communicatieapparaat aansluiten
Verbinding maken met een netwerk via Wi-Fi®
Het multimediasysteem kan met het internet worden verbonden via een Wi-Fi®-
netwerk.
Deze functie is in sommige landen of gebieden niet beschikbaar.
INFORMATIE
Het ontvangstniveau wordt weergegeven aan de bovenzijde van het scherm.
Deze functie kan niet worden gebruikt als Apple CarPlay via een draadloze verbinding
actief is.
Bij sommige typen smartphones moet mogelijk elke keer opnieuw een verbinding tot
stand worden gebracht.
Als de Wi-Fi®-functie is ingeschakeld en er netwerken worden gesignaleerd, zal er
automatisch verbinding worden gemaakt. Hierbij krijgt het laatst verbonden netwerk
voorrang.
Verwante onderwerpen
Wijzigen van de Wi-Fi®-instellingen(Blz. 89)
Verbinding maken met Wi-Fi® via een smartphone
Gebruik het volgende voorbeeld met handelingen voor het tot stand brengen
van een Wi-Fi®-verbinding met een smartphone die Wi-Fi®-tethering ondersteunt.
Raadpleeg bijvoorbeeld de handleiding van de smartphone voor meer informatie
over het instellen van tethering. Bij sommige typen smartphones moet mogelijk elke
keer opnieuw een verbinding tot stand worden gebracht.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Wi-Fi] in het submenu.
3Schakel [Wi-Fi] in het hoofdgebied
in.
Afhankelijk van de instellingen van
het multimediasysteem kan er een
melding worden weergegeven. Volg de
aanwijzingen op het scherm op.
Door [Wi-Fi] in te schakelen, worden
beschikbare netwerken in de buurt
weergegeven.
4Selecteer de naam van het netwerk die overeenkomt met de naam die door
de smartphone wordt uitgezonden.
Netwerknamen komen mogelijk meerdere keren voor als er meerdere MAC-adressen
zijn binnen hetzelfde netwerk.
Er kunnen maximaal 30 netwerken worden weergegeven. De lijst wordt elke zes
seconden automatisch bijgewerkt.
3-2. Verbinding maken met een Wi-Fi®-netwerk
110
Als er meerdere apparaten zijn met dezelfde netwerknaam (SSID) is het niet mogelijk
te bepalen welk apparaat moet worden gebruikt. Gebruik voor elk apparaat een andere
netwerknaam (SSID).
Tijdens het rijden is selecteren niet mogelijk.
5Voer het bijbehorende wachtwoord voor dit netwerk in.
Als er geen wachtwoord is ingesteld, wordt na het selecteren van het netwerk de
verbinding tot stand gebracht.
Als er netwerken worden geselecteerd waarbij automatisch verbinding maken is
ingeschakeld, wordt er automatisch verbinding mee gemaakt.
INFORMATIE
De verbindingsgeschiedenis slaat maximaal 20 items op. Daarna wordt het oudste
verwijderd als er een nieuw wordt opgeslagen.
Een Wi-Fi®-verbinding tot stand brengen met een beschikbaar
netwerk
Maak via Wi-Fi® verbinding met internet vanaf een netwerk in de buurt.
Bevestig vooraf het wachtwoord van het te gebruiken netwerk.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Wi-Fi] in het submenu.
3Schakel [Wi-Fi] in het hoofdgebied
in.
Afhankelijk van de instellingen van
het multimediasysteem kan er een
melding worden weergegeven. Volg de
aanwijzingen op het scherm op.
Door [Wi-Fi] in te schakelen, worden
beschikbare netwerken in de buurt
weergegeven.
4Kies het netwerk waar u verbinding
mee wilt maken vanuit [Available
networks] (beschikbare netwerken) in het hoofdgebied.
Netwerknamen komen mogelijk meerdere keren voor als er meerdere MAC-adressen
zijn binnen hetzelfde netwerk.
Er kunnen maximaal 30 netwerken worden weergegeven. De lijst wordt elke zes
seconden automatisch bijgewerkt.
Als er meerdere apparaten zijn met dezelfde netwerknaam (SSID) is het niet mogelijk
te bepalen welk apparaat moet worden gebruikt. Gebruik voor elk apparaat een andere
netwerknaam (SSID).
Tijdens het rijden is selecteren niet mogelijk.
Kies [ ] voor het desbetreffende netwerk om de netwerkgegevens te controleren.
5Voer het bijbehorende wachtwoord voor dit netwerk in.
Als er geen wachtwoord is ingesteld, wordt na het selecteren van het netwerk de
verbinding tot stand gebracht.
3-2. Verbinding maken met een Wi-Fi®-netwerk
111
3
Een smartphone of communicatieapparaat aansluiten
Als er netwerken worden geselecteerd waarbij automatisch verbinding maken is
ingeschakeld, wordt er automatisch verbinding mee gemaakt.
INFORMATIE
De verbindingsgeschiedenis slaat maximaal 20 items op. Daarna wordt het oudste
verwijderd als er een nieuw wordt opgeslagen.
Wi-Fi®-verbinding verbreken
De Wi-Fi®-verbinding kan worden verbroken door de Wi-Fi®-functie uit te
schakelen.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Wi-Fi] in het submenu.
3Schakel [Wi-Fi] in het hoofdgebied
uit.
3-2. Verbinding maken met een Wi-Fi®-netwerk
112
Gebruik van Apple CarPlay en Android Auto
Voorzorgsmaatregelen bij gebruik van Apple CarPlay en Android
Auto
Apple CarPlay en Android Auto zorgen ervoor dat sommige apps (zoals kaart-,
telefoon- en muziek-apps) door het multimediasysteem kunnen worden gebruikt.
Wanneer er verbinding is met Android Auto of Apple CarPlay, worden ondersteunde
apps weergegeven. Houd rekening met de volgende informatie bij het gebruik van
Apple CarPlay of Android Auto.
Installeer de Android Auto-app uit de Google Play Store om Android Auto in uw
auto te gebruiken.
Compatibele apparaten
Apple iPhone-apparaten die Apple CarPlay ondersteunen. (iOS versie 13.3 of
hoger)
Ga naar https://www.apple.com/ios/carplay/ voor een overzicht van de
ondersteunde apparaten.*1
Android-apparaten die Android Auto ondersteunen.
Ga naar https://www.android.com/auto/ voor een overzicht van de ondersteunde
apparaten. *1
WAARSCHUWING
Uit veiligheidsoverwegingen wordt het afgeraden om de smartphone te bedienen tijdens het
rijden.
OPMERKING
Laat uw smartphone niet achter in de auto. De temperatuur in de auto kan hoog oplopen,
waardoor de smartphone defect kan raken.
Druk niet op de smartphone en oefen er geen onnodige druk op uit terwijl deze is
aangesloten. De smartphone of de aansluiting kan beschadigd raken.
Houd de USB-aansluiting vrij van verontreinigingen. De smartphone of de aansluiting kan
beschadigd raken.
INFORMATIE
Gebruik voor USB-verbindingen een door de telefoonfabrikant geleverde USB-kabel.
Wanneer er verbinding is met Apple CarPlay of Android Auto, wijzigen de functies van
sommige systeemtoetsen.
De volgende functies worden vervangen door vergelijkbare Apple CarPlay- of Android
Auto-functies of worden uitgeschakeld voor apparaten die zijn verbonden met Apple
CarPlay of Android Auto.
Bluetooth®-telefoon (alleen Apple CarPlay)
Bluetooth®-audio
Miracast® (alleen draadloos verbonden met Apple CarPlay)
*1 : De werking is niet gegarandeerd.
3-3. Gebruik van Apple CarPlay en Android Auto
113
3
Een smartphone of communicatieapparaat aansluiten
De Bluetooth®-functie kan niet door het multimediasysteem worden gebruikt wanneer er
draadloos verbinding is gemaakt met Apple CarPlay.
Wanneer Apple CarPlay of Android Auto wordt gestart terwijl Miracast® in gebruik is,
wordt Miracast® mogelijk gestopt.
Het volume van de stembegeleiding kan worden gewijzigd via het scherm voor
spraakinstellingen. Het kan ook worden gewijzigd met behulp van de knop [VOL ].
Wanneer er verbinding is met Apple CarPlay of Android Auto van een apparaat, kan
Apple CarPlay of Android Auto van een ander apparaat niet worden gebruikt.
Apple CarPlay en Android Auto zijn apps ontwikkeld door respectievelijk Apple en
Google. De functies en diensten die door aangesloten apparaten worden geleverd,
kunnen zonder voorafgaande kennisgeving worden verwijderd of gewijzigd, omdat er
wijzigingen worden aangebracht in het besturingssysteem, de hardware en de software
of de specificaties van Apple CarPlay of Android Auto.
Raadpleeg de respectievelijke websites voor de apps die worden ondersteund door
Apple CarPlay of Android Auto.
Tijdens het gebruik van Apple CarPlay of Android Auto worden auto- en
gebruikersinformatie, zoals locatie en rijsnelheid, gedeeld met de uitgever van de app
en de mobiele-serviceprovider.
Wanneer u een app downloadt en gebruikt, betekent dit dat u instemt met de
gebruiksvoorwaarden.
Gegevens worden via internet verzonden; er kunnen kosten in rekening worden
gebracht. Neem voor informatie over datasnelheden contact op met de mobiele-
serviceprovider.
Afhankelijk van de app worden bepaalde functies, zoals het afspelen van muziek,
mogelijk beperkt.
Elke functie is een applicatie die wordt geleverd door het betreffende bedrijf en kan
zonder voorafgaande kennisgeving worden gewijzigd of opgeschort. Raadpleeg de
website voor de betreffende functie voor meer informatie.
Als het navigatiesysteem van de auto wordt gebruikt tijdens routebegeleiding en een
nieuwe route wordt ingesteld met behulp van de kaart-app van Apple CarPlay of Android
Auto, wordt de routebegeleiding via het navigatiesysteem van de auto gestopt. Als de
kaart-app van Apple CarPlay of Android Auto wordt gebruikt tijdens routebegeleiding en
een nieuwe route wordt ingesteld met behulp van het navigatiesysteem van de auto,
wordt de routebegeleiding via de kaart-app van Apple CarPlay of Android Auto gestopt.
Apparaten die zijn verbonden via Apple CarPlay, kunnen geen gebruik maken van de
Bluetooth®-functies.
Apparaten die zijn verbonden via Android Auto, kunnen geen gebruik maken van de
Bluetooth®-functies, behalve de functie voor handsfree bellen.
Als de USB-kabel wordt losgenomen terwijl deze is aangesloten via USB, werkt Apple
CarPlay of Android Auto niet meer. De geluidsweergave stopt en het scherm schakelt
over naar het scherm van het multimediasysteem.
Verwante onderwerpen
In-/uitschakelen audiosysteem en volumeregeling(Blz. 33)
Wijzigen van de geluids- en media-instellingen(Blz. 84)
Voorzorgsmaatregelen bij gebruik van Bluetooth®-apparaten(Blz. 96)
3-3. Gebruik van Apple CarPlay en Android Auto
114
Voorzorgsmaatregelen bij gebruik van Wi-Fi®-apparaten(Blz. 108)
Voorzorgsmaatregelen bij het afspelen van muziek via iPod/iPhone(Blz.
172)
Voorzorgsmaatregelen bij het afspelen van muziek via Apple CarPlay(Blz.
175)
Voorzorgsmaatregelen bij het afspelen van muziek via Android Auto(Blz.
178)
Voorzorgsmaatregelen voor afspelen van Bluetooth®-audio(Blz. 181)
Voorzorgsmaatregelen bij het afspelen van muziek via Miracast®(Blz. 185)
3-3. Gebruik van Apple CarPlay en Android Auto
115
3
Een smartphone of communicatieapparaat aansluiten
Gebruik van Apple CarPlay met een ongeregistreerde smartphone
Apple CarPlay kan worden gebruikt door een ongeregistreerde smartphone aan
te sluiten op het multimediasysteem. Voor geregistreerde smartphones moet een
andere procedure worden gevolgd.
Deze functie is in sommige landen of gebieden niet beschikbaar.
Verwante onderwerpen
Gebruik van Apple CarPlay met een geregistreerde smartphone(Blz. 119)
Gebruik van Apple CarPlay met een USB-verbinding
Apple CarPlay kan worden gebruikt door een smartphone met behulp van een
USB-kabel aan te sluiten op het multimediasysteem.
1Schakel Siri in via het instellingenmenu van uw smartphone.
2Sluit de smartphone aan op de USB-aansluiting.
Het beginscherm van Apple CarPlay wordt weergegeven.
Het duurt mogelijk zo'n drie tot zes seconden om terug te keren naar het
oorspronkelijke scherm, afhankelijk van de aangesloten smartphone.
Als er aanwijzingen worden weergegeven op het scherm van de smartphone, volg dan
deze bedieningsinstructies.
3Bedien Apple CarPlay.
iPhone-apps die Apple CarPlay
ondersteunen, kunnen worden gebruikt
door de app te kiezen.
[ ]
Geeft het scherm van het
multimediasysteem weer.
Kies [ ] in het hoofdmenu om het
beginscherm van Apple CarPlay opnieuw
weer te geven.
[ ]/[ ]
Schakel over naar een ander scherm.
Wanneer u uw vinger hierop houdt, wordt Siri gestart.
INFORMATIE
Houd, terwijl er verbinding is met Apple CarPlay, de spraaktoets ingedrukt om Siri te
starten. Druk kort op de spraaktoets om Siri te annuleren.
Wanneer [Wake word] (wekwoord) is ingeschakeld en er verbinding is met Apple
CarPlay, wordt Siri gestart wanneer het wekwoord voor Siri wordt uitgesproken.
De wekwoordfunctie van Siri kan alleen worden gebruikt wanneer de taal is ingesteld
op Engels. Ook moet het aangesloten apparaat iOS-versie 14.3 of hoger hebben.
Als de draadloze verbinding is ingesteld om te worden gebruikt op de smartphone bij
registratie via een USB-verbinding, wordt de draadloze verbinding vanaf de volgende
keer ingeschakeld.
3-3. Gebruik van Apple CarPlay en Android Auto
116
Verwante onderwerpen
Aansluiten op een USB-aansluiting(Blz. 37)
Spraakcommandosysteem(Blz. 40)
Wijzigen van de instellingen van de spraakbediening(Blz. 65)
Gebruik van Apple CarPlay met een draadloze verbinding
Apple CarPlay kan draadloos met het multimediasysteem worden verbonden via de
draadloze verbindingsmogelijkheid van de auto.
1Schakel Siri in via het instellingenmenu van uw smartphone.
2Kies [ ] in het hoofdmenu.
3Kies [Bluetooth & Devices] (Bluetooth en apparaten).
Het scherm voor het zoeken van een apparaat wordt weergegeven als er geen
smartphone is geregistreerd in het multimediasysteem. Ga naar stap .6
4Kies [Manage devices] (apparaten beheren).
5Kies [Add another device] (een ander apparaat toevoegen).
6Kies [If not found] (indien niet gevonden).
7Selecteer de te registreren smartphone.
8Controleer of de weergegeven pincode overeenkomt met de pincode die
op de smartphone wordt weergegeven en kies vervolgens [OK].
Volg de aanwijzingen op het scherm op.
9Als de Apple CarPlay-instellingen worden weergegeven, kies dan [Yes]
(ja).
Het beginscherm van Apple CarPlay wordt weergegeven.
Het duurt mogelijk zo'n drie tot zes seconden om terug te keren naar het
oorspronkelijke scherm, afhankelijk van de aangesloten smartphone.
Als er een scherm wordt weergegeven met de melding dat de handeling is mislukt, volg
dan de aanwijzingen op het scherm.
Als er aanwijzingen worden weergegeven op het scherm van de smartphone, volg dan
deze bedieningsinstructies.
10 Bedien Apple CarPlay.
iPhone-apps die Apple CarPlay
ondersteunen, kunnen worden gebruikt
door de app te kiezen.
[ ]
Geeft het scherm van het
multimediasysteem weer.
Kies [ ] in het hoofdmenu om het
beginscherm van Apple CarPlay opnieuw
weer te geven.
[ ]/[ ]
Schakel over naar een ander scherm.
Wanneer u uw vinger hierop houdt, wordt Siri gestart.
3-3. Gebruik van Apple CarPlay en Android Auto
117
3
Een smartphone of communicatieapparaat aansluiten
INFORMATIE
Houd, terwijl er verbinding is met Apple CarPlay, de spraaktoets ingedrukt om Siri te
starten. Druk kort op de spraaktoets om Siri te annuleren.
Wanneer [Wake word] (wekwoord) is ingeschakeld en er verbinding is met Apple
CarPlay, wordt Siri gestart wanneer het wekwoord voor Siri wordt uitgesproken.
De wekwoordfunctie van Siri kan alleen worden gebruikt wanneer de taal is ingesteld
op Engels. Ook moet het aangesloten apparaat iOS-versie 14.3 of hoger hebben.
Verwante onderwerpen
Spraakcommandosysteem(Blz. 40)
Wijzigen van de instellingen van de spraakbediening(Blz. 65)
3-3. Gebruik van Apple CarPlay en Android Auto
118
Gebruik van Apple CarPlay met een geregistreerde smartphone
Apple CarPlay kan worden gebruikt door een geregistreerde smartphone aan te
sluiten op het multimediasysteem. Voor ongeregistreerde smartphones moet een
andere procedure worden gevolgd.
Deze functie is in sommige landen of gebieden niet beschikbaar.
Verwante onderwerpen
Gebruik van Apple CarPlay met een ongeregistreerde smartphone(Blz.
116)
Gebruik van Apple CarPlay met een USB-verbinding
Apple CarPlay kan worden gebruikt door een smartphone met behulp van een
USB-kabel aan te sluiten op het multimediasysteem.
1Schakel Siri in via het instellingenmenu van uw smartphone.
2Sluit de smartphone aan op de USB-aansluiting.
Het beginscherm van Apple CarPlay wordt weergegeven.
Het duurt mogelijk zo'n drie tot zes seconden om terug te keren naar het
oorspronkelijke scherm, afhankelijk van de aangesloten smartphone.
Als er een scherm wordt weergegeven met de melding dat de handeling is mislukt, volg
dan de aanwijzingen op het scherm.
Als er aanwijzingen worden weergegeven op het scherm van de smartphone, volg dan
deze bedieningsinstructies.
Als het beginscherm van Apple CarPlay niet wordt weergegeven, kies dan
achtereenvolgens
Kies achtereenvolgens in het hoofdmenu [ ] > [Bluetooth & Devices (Bluetooth
en apparaten)] > [Manage devices (apparaten beheren)] en [Switch] (wijzigen)
van Apple CarPlay en selecteer de smartphone die u wilt gebruiken.
Kies [ ] in het hoofdmenu.
3Bedien Apple CarPlay.
iPhone-apps die Apple CarPlay
ondersteunen, kunnen worden gebruikt
door de app te kiezen.
[ ]
Geeft het scherm van het
multimediasysteem weer.
Kies [ ] in het hoofdmenu om het
beginscherm van Apple CarPlay opnieuw
weer te geven.
[ ]/[ ]
Schakel over naar een ander scherm.
Wanneer u uw vinger hierop houdt, wordt Siri gestart.
3-3. Gebruik van Apple CarPlay en Android Auto
119
3
Een smartphone of communicatieapparaat aansluiten
INFORMATIE
Houd, terwijl er verbinding is met Apple CarPlay, de spraaktoets ingedrukt om Siri te
starten. Druk kort op de spraaktoets om Siri te annuleren.
Wanneer [Wake word] (wekwoord) is ingeschakeld en er verbinding is met Apple
CarPlay, wordt Siri gestart wanneer het wekwoord voor Siri wordt uitgesproken.
De wekwoordfunctie van Siri kan alleen worden gebruikt wanneer de taal is ingesteld
op Engels. Ook moet het aangesloten apparaat iOS-versie 14.3 of hoger hebben.
Verwante onderwerpen
Aansluiten op een USB-aansluiting(Blz. 37)
Spraakcommandosysteem(Blz. 40)
Wijzigen van de instellingen van de spraakbediening(Blz. 65)
Gebruik van Apple CarPlay met een draadloze verbinding
Apple CarPlay kan draadloos met het multimediasysteem worden verbonden via de
draadloze verbindingsmogelijkheid van de auto.
1Schakel Siri in via het instellingenmenu van de smartphone.
2Kies [ ] in het hoofdmenu.
3Kies [Bluetooth & Devices] (Bluetooth en apparaten).
4Kies [Manage devices] (apparaten beheren).
5Kies [Switch] (wijzigen) voor Apple CarPlay.
6Selecteer de smartphone die u wilt gebruiken met Apple CarPlay.
Het beginscherm van Apple CarPlay wordt weergegeven.
Het duurt mogelijk zo'n drie tot zes seconden om terug te keren naar het
oorspronkelijke scherm, afhankelijk van de aangesloten smartphone.
Als er een scherm wordt weergegeven met de melding dat de handeling is mislukt, volg
dan de aanwijzingen op het scherm.
Als er aanwijzingen worden weergegeven op het scherm van de smartphone, volg dan
deze bedieningsinstructies.
7Bedien Apple CarPlay.
iPhone-apps die Apple CarPlay
ondersteunen, kunnen worden gebruikt
door de app te kiezen.
[ ]
Geeft het scherm van het
multimediasysteem weer.
Kies [ ] in het hoofdmenu om het
beginscherm van Apple CarPlay opnieuw
weer te geven.
[ ]/[ ]
Schakel over naar een ander scherm.
Wanneer u uw vinger hierop houdt, wordt Siri gestart.
3-3. Gebruik van Apple CarPlay en Android Auto
120
INFORMATIE
Houd, terwijl er verbinding is met Apple CarPlay, de spraaktoets ingedrukt om Siri te
starten. Druk kort op de spraaktoets om Siri te annuleren.
Wanneer [Wake word] (wekwoord) is ingeschakeld en er verbinding is met Apple
CarPlay, wordt Siri gestart wanneer het wekwoord voor Siri wordt uitgesproken.
De wekwoordfunctie van Siri kan alleen worden gebruikt wanneer de taal is ingesteld
op Engels. Ook moet het aangesloten apparaat iOS-versie 14.3 of hoger hebben.
Verwante onderwerpen
Spraakcommandosysteem(Blz. 40)
Wijzigen van de instellingen van de spraakbediening(Blz. 65)
3-3. Gebruik van Apple CarPlay en Android Auto
121
3
Een smartphone of communicatieapparaat aansluiten
Gebruik van Android Auto
Android Auto kan worden gebruikt door een smartphone met behulp van een USB-
kabel aan te sluiten op het multimediasysteem.
Deze functie is in sommige landen of gebieden niet beschikbaar.
1Controleer of de Android Auto-app is geïnstalleerd op de aan te sluiten
smartphone.
2Sluit de smartphone aan op de USB-aansluiting.
Het beginscherm van Android Auto wordt weergegeven.
Het duurt mogelijk zo'n drie tot zes seconden om terug te keren naar het
oorspronkelijke scherm, afhankelijk van de aangesloten smartphone.
Als er een scherm wordt weergegeven met de melding dat de handeling is mislukt, volg
dan de aanwijzingen op het scherm.
Als er aanwijzingen worden weergegeven op het scherm van de smartphone, volg dan
deze bedieningsinstructies.
Als het beginscherm van Android Auto niet wordt weergegeven, voer dan de volgende
handelingen uit:
Kies achtereenvolgens in het hoofdmenu [ ] > [Bluetooth & Devices (Bluetooth
en apparaten)] > [Manage devices (apparaten beheren)] en [Switch] (wijzigen)
van Android Auto en selecteer de smartphone die u wilt gebruiken.
Kies [ ] in het hoofdmenu.
3Bedien Android Auto.
Apps die Android Auto ondersteunen,
kunnen worden gebruikt door de app te
kiezen.
[ ]
Geeft het scherm van het
multimediasysteem weer.
Kies [ ] in het hoofdmenu om het
beginscherm van Android Auto opnieuw
weer te geven.
[ ]
Start Google Assistant.
INFORMATIE
Houd, terwijl er verbinding is met Android Auto, de spraaktoets ingedrukt om Google
Assistant te starten. Druk kort op de spraaktoets om Google Assistant te annuleren.
Verwante onderwerpen
Aansluiten op een USB-aansluiting(Blz. 37)
Spraakcommandosysteem(Blz. 40)
3-3. Gebruik van Apple CarPlay en Android Auto
122
Als er mogelijk een storing aanwezig is in Apple CarPlay of Android
Auto
Raadpleeg bij problemen met Apple CarPlay of Android Auto eerste de volgende
tabel.
Symptoom Oplossing
Apple CarPlay of Android Auto start
niet op.
Controleer of de aan te sluiten smartphone Apple
CarPlay of Android Auto ondersteunt.
Controleer of Apple CarPlay of Android Auto is
ingeschakeld op de smartphone.
Controleer of de Android Auto-app is geïnstalleerd
op de aan te sluiten smartphone.
Zie de volgende URL voor meer informatie.
Apple CarPlay: https://www.apple.com/ios/
carplay/
Android Auto: https://www.android.com/auto/
Controleer of de Apple CarPlay- of Android
Auto-functie op de geregistreerde smartphone is
ingeschakeld in het multimediasysteem.
Als een USB-kabel wordt gebruikt voor het
aansluiten, controleer dan of de kabel goed
is aangesloten op de smartphone en de USB-
aansluiting. Sluit de smartphone rechtstreeks aan op
de USB-aansluiting. Gebruik geen USB-hub.
Zorg ervoor dat de juiste USB-aansluiting wordt
gebruikt om verbinding te maken met Apple CarPlay
en Android Auto. Een USB-aansluiting die uitsluitend
is bedoeld voor opladen kan niet worden gebruikt
voor smartphone-apps. Met de oplaadpad voor
draadloos opladen kan geen draadloze verbinding
met Apple CarPlay tot stand worden gebracht.
Controleer het volgende voor een draadloze
verbinding met Apple CarPlay.
Controleer of de smartphone via
Bluetooth® verbonden kan worden met het
multimediasysteem.
Controleer of de smartphone zo is ingesteld dat
hij Wi-Fi® kan gebruiken.
Apple CarPlay: Controleer of de Lightning-kabel die
wordt gebruikt door Apple is gecertificeerd.
Controleer of Siri is ingeschakeld.
Met een USB-kabel die uitsluitend is bedoeld
voor opladen kan de verbindingsfunctie voor een
smartphone niet worden gebruikt.
Gebruik een kabel die gegevens kan versturen.
Sommige kabels worden mogelijk niet ondersteund.
Hieronder worden de aanbevolen eisen voor de
USB-kabel weergegeven.
3-3. Gebruik van Apple CarPlay en Android Auto
123
3
Een smartphone of communicatieapparaat aansluiten
Symptoom Oplossing
Apple CarPlay of Android Auto start
niet op.
iPhone: Gebruik een officiële USB-kabel van
Apple of een USB-kabel die Apple MFi
gecertificeerd is.
Android: Gebruik een kabel van maximaal 1,8 m
en gebruik geen verlengkabel.
Gebruik een kabel met het USB-logo .
Als de verbindingsfunctie voor een smartphone eerst
wel werkte maar nu niet meer, dan kan het probleem
mogelijk verholpen worden door de USB-kabel te
vervangen.
Maak, als al het bovenstaande is gecontroleerd,
verbinding met Apple CarPlay of Android Auto.
Wanneer een Apple CarPlay-/Android
Auto-verbinding tot stand is gebracht
en een video wordt afgespeeld, wordt
de video niet weergegeven, maar
is er wel geluid te horen via het
systeem.
Aangezien het systeem niet is ontworpen voor het
afspelen van video via Apple CarPlay/Android Auto,
duidt dit niet op een storing.
Er is geen geluid te horen.
Mogelijk is het geluid van het systeem uitgeschakeld
of is het volume te laag. Verhoog het volume op het
multimediasysteem.
Zorg ervoor dat door Apple ondersteunde apps
worden gebruikt voor Apple CarPlay en door Google
ondersteunde apps voor Android Auto. Bij het
afspelen van muziek via een webbrowser is het
geluid niet of niet goed te horen.
Het scherm knippert en er is ruis
hoorbaar.
Controleer of de op het multimediasysteem
aangesloten USB-kabel beschadigd is. Sluit, om te
controleren of de USB-kabel inwendig beschadigd
is, de smartphone aan op een ander systeem, zoals
een pc, en controleer of het opladen begint en of de
smartphone wordt herkend door het systeem.
Vervang de USB-kabel door een andere kabel.
De kaartweergave van de kaart-app
van Apple CarPlay kan niet worden
vergroot of verkleind.
Twee vingers naar elkaar toe of van elkaar af
bewegen wordt niet ondersteund voor de kaart-app
van Apple CarPlay.
Het Apple CarPlay-scherm wordt in
het midden weergegeven en neemt
niet het hele scherm in beslag.
De volledige-schermmodus wordt ondersteund op
iOS versie 10 of hoger. Update naar de nieuwste
iOS-versie.
3-3. Gebruik van Apple CarPlay en Android Auto
124
Symptoom Oplossing
Als tijdens het gebruik van een
muziekapp van Apple CarPlay (zoals
Apple Music of Spotify) een app
die niet compatibel is met Apple
CarPlay(1) op de iPhone wordt
gestart en er geluid hoorbaar is,
en vervolgens het volume wordt
gewijzigd op het multimediasysteem,
stopt het geluid van de niet-
compatibele app en hervat het
systeem het afspelen van de
originele muziekapp.
Deze werking is overeenkomstig de specificaties van
het multimediasysteem en duidt niet op een storing.
Als tijdens het afspelen van audio
op het multimediasysteem (bijv. FM)
audio wordt weergegeven vanaf een
app die niet compatibel is met Apple
CarPlay, keert het systeem niet terug
naar de originele audiobron.
Deze werking is overeenkomstig de specificaties
van het multimediasysteem en duidt niet op een
storing. Wijzig de audiobron handmatig. U kunt ook
het gebruik van apps die niet compatibel zijn met
Apple CarPlay(1) vermijden. Sommige navigatieapps
zijn compatibel vanaf versie iOS 12. Update iOS en
apps naar de nieuwste versies.
Bij gebruik van Apple CarPlay worden
de routebegeleidingspijl en de Turn-
by-Turn navigatie niet weergegeven
op het multi-informatiedisplay. Afhankelijk van de specificaties van het multi-
informatiedisplay wordt deze handeling mogelijk niet
weergegeven.
Bij gebruik van Android Auto
wordt de Turn-by-Turn navigatie
niet weergegeven op het multi-
informatiedisplay of het scherm van
het multimediasysteem.
Bij gebruik van Android Auto is
het geluid bij handsfree bellen niet
hoorbaar via de luidsprekers van de
auto.
Beëindig het huidige gesprek.
Verwijder de USB-kabel van de smartphone en
probeer handsfree te bellen. Controleer of er nu
geluid hoorbaar is.
Verhoog het volume op het multimediasysteem en
controleer of het geluid van het handsfree gesprek
hoorbaar is. Probeer een andere smartphone.
Controleer of er nu geluid hoorbaar is.
(1) Apps die niet compatibel zijn met Apple CarPlay zijn op de iPhone geïnstalleerde apps
die niet worden weergegeven in het overzicht met apps op het Apple CarPlay-scherm.
Verwante onderwerpen
Opmerkingen voor het bedienen van het touchscreen(Blz. 22)
In-/uitschakelen audiosysteem en volumeregeling(Blz. 33)
Aansluiten op een USB-aansluiting(Blz. 37)
Wijzigen van de geluids- en media-instellingen(Blz. 84)
3-3. Gebruik van Apple CarPlay en Android Auto
125
3
Een smartphone of communicatieapparaat aansluiten
Bluetooth®-apparaten instellen(Blz. 91)
Verbinding maken met een Bluetooth®-apparaat(Blz. 103)
3-3. Gebruik van Apple CarPlay en Android Auto
126
4Navigatie
4-1. Navigatiesysteem
Over het gebruik van
aanvullende kaartdiensten die
gebruikmaken van Wi-Fi®....... 128
Connected Navigation .............. 129
4-2. Kaartinformatie
Informatie weergeven voor een
punt ........................................ 131
Scherm met kaartopties............ 132
Weergeven van POI-iconen...... 133
Kaartinstellingen ....................... 134
Snelwegmodus ......................... 137
4-3. Zoeken van bestemming
Zoeken van een bestemming ... 138
Scherm voor zoeken van
bestemming............................ 139
Scherm met een overzicht van
de zoekresultaten ................... 142
Toevoegen van een tussenpunt 143
Bestemmingen instellen vanaf
uw smartphone....................... 144
4-4. Instellen bestemming
Kaartscherm met volledige
route ....................................... 146
Een demo van de
routebegeleiding bekijken....... 147
Wijzigen van route-opties ......... 148
Wijzigen van de route ............... 149
Punten om langs te rijden
instellen op een route ............. 150
Tussenpunten bewerken........... 151
4-5. Routebegeleiding
Routebegeleidingsscherm ........ 152
Rijstrookweergaveschermen .... 153
Opnieuw zoeken van een route 155
Specifieke
stembegeleidingstermen ........ 156
4-6. Kaartupdate
Databaseversie kaart en
dekkingsgebied ...................... 157
127
4
Navigatie
Navigatiesysteem
Over het gebruik van aanvullende kaartdiensten die gebruikmaken
van Wi-Fi®
Diensten die gebruikmaken van Wi-Fi® (hierna “diensten” genoemd) kunnen
gratis worden gebruikt gedurende een bepaalde periode*1 die begint zodra de
auto waarin dit multimediasysteem is geïnstalleerd nieuw wordt afgeleverd.
*1: The expiration date can be checked on the navigation system settings screen.
For details, refer to the navigation system settings screen. If you wish to continue
using the services after the expiration date, contact your Toyota dealer.
Deze diensten omvatten ook de volgende diensten van derden.
File-informatie: Het tijdstip waarop de auto is verbonden, en positie-informatie wordt
verzonden naar TomTom Global Content B.V. (hierna “TomTom” genoemd). Op basis
van de ontvangen informatie verstrekt TomTom online diensten, waaronder de file-
informatie die wordt weergegeven op dit multimediasysteem.
Informatie over voorzieningen en POI's in de omgeving: Zoekopdrachten naar namen
van voorzieningen en positie-informatie worden verstuurd naar HERE Global B.V.
(hierna “HERE” genoemd). Op basis van de ontvangen informatie verstrekt HERE online
diensten, waaronder de informatie over voorzieningen en POI's in de omgeving die
wordt weergegeven op dit multimediasysteem.
Om gebruik te maken van deze diensten dient u na het verbinden van het
multimediasysteem met Wi-Fi® en het bevestigen van de voorzorgsmaatregelen,
het privacybeleid en/of de gebruiksvoorwaarden van elke aanbieder van
diensten*2 die op het scherm worden weergegeven, op [Agree] (akkoord) te
drukken op het pop-upscherm.
*2: Raadpleeg de volgende websites voor de gebruiksvoorwaarden van de
desbetreffende aanbieder.
TomTom https://www.tomtom.com/en_gb/legal/eula-automotive/
https://www.tomtom.com/en_us/privacy/
HERE https://legal.here.com/terms/
https://legal.here.com/privacy/policy
Toyota Motor Corporation en haar gelieerde ondernemingen geven geen garantie
voor de werking, kwaliteit of nauwkeurigheid van de verstrekte informatie, en
geven geen andere garanties met betrekking tot deze diensten, en zijn niet
aansprakelijk voor enige schade aan de gebruiker veroorzaakt door de inhoud
van, vertragingen in of onderbreking van deze diensten. Diensten die via dit
multimediasysteem worden aangeboden kunnen zonder aankondiging worden
gewijzigd, gestopt of onderbroken.
4-1. Navigatiesysteem
128
Connected Navigation*1
Connected Navigation is een op draadloze communicatie gebaseerde
navigatieservice die gebruikmaakt van bijgewerkte kaartgegevens en informatie
over de bestemming die van het Toyota Smart Center is ontvangen. Om deze
service te kunnen gebruiken, moet u een Toyota Smart Center-abonnement
afsluiten.
Geeft een bijgewerkte kaart, ontvangen van het Toyota Smart Center, weer
van het gebied in de buurt van uw actuele locatie. Ontvangt tijdens de
routebegeleiding een bijgewerkte kaart van het gebied langs de route.
Het Toyota Smart Center zoekt regelmatig naar de optimale route, ook tijdens
de routebegeleiding, en stelt een nieuwe route voor als er een route naar de
bestemming wordt gevonden waarmee meer tijd wordt bespaard.
Connected Navigation (met geïntegreerd navigatiesysteem)*2
Aangezien het apparaat in de auto navigatiekaartgegevens heeft, gebruikt deze
service deze in gebieden waar het niet mogelijk is om met het Toyota Service
Center te communiceren en geeft het de navigatiekaart van de auto weer en
zoekt naar routes. Wanneer de auto in een gebied met goed bereik komt, wordt
automatisch de communicatie met het Toyota Smart Center gestart en geeft de
Connected Navigation de kaart weer en zoekt naar routes.
INFORMATIE
Wanneer een bestemming is ingesteld, wordt er door het Toyota Smart Center
automatisch een route gezocht. Routes die vanuit het Toyota Smart Center zijn verstuurd,
worden aangegeven met [ ].
Als er geen Toyota Smart Center-abonnement is afgesloten, is het navigatiesysteem van
de auto beschikbaar voor het weergeven van de kaart en routebegeleiding.
Connected Navigation*3
Aangezien het apparaat in de auto geen navigatiekaartgegevens heeft, geeft deze
service tijdelijk opgeslagen kaarten weer in gebieden waar het niet mogelijk is om
met het Toyota Smart Center te communiceren. Navigatiefuncties, zoals het zoeken
naar routes, kunnen mogelijk niet worden gebruikt in een omgeving met slecht
bereik.
INFORMATIE
Als er geen Toyota Smart Center-abonnement is afgesloten, zijn de navigatiefuncties niet
beschikbaar en wordt het kompasscherm weergegeven.
Er is een tijdelijk opgeslagen kaart beschikbaar voor een gebied van ongeveer 80
vierkante kilometer rondom uw auto en het gebied langs de route (wanneer er een
bestemming is ingesteld). Als het bereik gedurende een bepaalde periode slecht blijft in
*1 : Deze functie is in sommige landen of gebieden niet beschikbaar.
*2 : Met geïntegreerd navigatiesysteem
4-1. Navigatiesysteem
129
4
Navigatie
het gebied buiten de opgeslagen kaart, worden de navigatiefuncties verder beperkt. De
kaart kan dan bijvoorbeeld niet worden weergegeven.
*3 : Zonder geïntegreerd navigatiesysteem
4-1. Navigatiesysteem
130
Kaartinformatie
Informatie weergeven voor een punt
U kunt informatie met betrekking tot een geselecteerd punt of POI op het
kaartscherm bekijken.
1Kies de POI of houd uw vinger op het gewenste punt.
Als het gewenste punt wordt geselecteerd, wordt het adres van dat punt weergegeven.
Kies [ ] om het geselecteerde punt als favoriet te registreren.
2Kies de gewenste optie.
AHiermee kunt u het geselecteerde punt
als favoriet registreren.
BGeeft het adres van het geselecteerde
punt weer.
CHiermee kunt u het bij de POI
geregistreerde telefoonnummer bellen.
DAls er op hetzelfde punt meerdere
POI's zijn, wordt er een lijst met POI's
weergegeven.
Kies een POI om de bijbehorende
informatie weer te geven. U kunt de weergegeven informatie wijzigen door [ ]
of [ ] te kiezen.
EHiermee kunt u het punt als een bestemming instellen en de routebegeleiding starten.
FHiermee kunt u het punt als een bestemming instellen en het kaartscherm met de
volledige route weergeven. Als er al een andere bestemming is ingesteld, kunnen
bestemmingen als tussenpunten worden toegevoegd.
4-2. Kaartinformatie
131
4
Navigatie
Scherm met kaartopties
U kunt de informatie die op de kaart wordt weergegeven, zoals POI-iconen en
verkeersinformatie, instellen.
1Kies [ ] op het kaartscherm.
2Kies [Points of interest]
(interessante plaatsen) of [Display
map] (kaart tonen).
ADe op de kaart weergegeven POI-
iconen kunnen worden ingesteld.
BDe op de kaart weergegeven
informatie kan worden ingesteld.
Verwante onderwerpen
Weergeven van POI-iconen(Blz. 133)
Kaartinstellingen(Blz. 134)
4-2. Kaartinformatie
132
Weergeven van POI-iconen
POI-iconen, bijvoorbeeld voor een restaurant, kunnen op de kaart worden
weergegeven.
1Kies [ ] op het kaartscherm.
2Kies [Points of interest] (interessante plaatsen).
3Kies de POI die u op het
kaartscherm wilt weergeven.
Kies [Edit POI] (bewerken POI) om een
ander dan het weergegeven genre POI in
te stellen.
INFORMATIE
POI's die niet in de kaartgegevens zijn opgenomen, kunnen niet worden
weergegeven.
Als de schaal van de kaart is ingesteld op meer dan 800 m, worden er geen POI's
weergegeven.
Alleen POI's die zich binnen een straal van ongeveer 10 km van het merkteken voor
de actuele locatie [ ] of [ ] bevinden, kunnen worden weergegeven (maximaal
200 POI's).
Als de schaal van de kaart is ingesteld op 800 m of lager en het aantal weer te geven
POI's een bepaald aantal overschrijdt, verandert de weergave in een eenvoudige
weergave. (Zodat de wegen duidelijker te zien zijn.)
De weergave van nabijgelegen POI's kan ook worden ingesteld op het scherm voor
gedetailleerde navigatie-instellingen.
Verwante onderwerpen
Wijzigen van de kaartinstellingen(Blz. 73)
Instellen van weergegeven POI-iconen
Het wijzigen van opties is tijdens het rijden beperkt.
1Kies [ ] op het kaartscherm.
2Kies [Points of interest] (interessante plaatsen).
3Kies [Edit POI] (bewerken POI).
4Kies de geregistreerde POI die u wilt vervangen.
5Kies een nieuwe POI die u wilt registreren.
4-2. Kaartinformatie
133
4
Navigatie
Kaartinstellingen
De verkeersinformatie, enz. kan op het kaartscherm worden weergegeven.
1Kies [ ] op het kaartscherm.
2Kies [Display map] (kaart tonen).
AHiermee kunt u de weergave van
de verkeersinformatie wijzigen tussen
weergegeven/verborgen.
BHiermee kunt u de weergave van
dichtbij op de straat parkeren wijzigen
tussen weergegeven/verborgen.
CHiermee kunt u de weergave van
afslagen op de snelweg wijzigen
tussen weergegeven/verborgen.
DHiermee kunt u de weergave van de
gereden route (traceer route) wijzigen tussen weergegeven/verborgen.
Wanneer dit wordt gewijzigd naar verborgen, wordt er een pop-up weergegeven
waarin wordt gevraagd om het verwijderen van opgeslagen informatie te bevestigen.
EHiermee kunt u de weergave van de flitscamera wijzigen tussen weergegeven/
verborgen.*1*2
FHiermee kunt u de kaartweergave wijzigen tussen de normale kaart, de kompaskaart
en de weerkaart.
Op straat parkeren
Als [On street parking] (op straat parkeren) is ingeschakeld in de kaartinstellingen,
worden de parkeermogelijkheden op straat in de buurt van de auto getoond. Als
deze instelling uit staat, worden de parkeermogelijkheden op straat in de buurt van
de bestemming getoond.
Deze functie is in sommige landen of gebieden niet beschikbaar.
Kies [ ] op het kaartscherm.
Informatie over parkeren op straat wordt
getoond op de kaart. De weergegeven
kleur is afhankelijk van de beschikbare
hoeveelheid parkeerplaatsen.
*1 : Met geïntegreerd navigatiesysteem
*2 : Deze functie is in sommige landen of gebieden niet beschikbaar.
4-2. Kaartinformatie
134
Informatie over parkeren op straat wordt niet getoond als de schaal van de kaart
1:5000 of meer is (1 cm = 50 m).
Weergeven van de gereden route (routetracé)
Ongeveer 1000 km van een gereden route kan worden opgeslagen en
weergegeven.
1Kies [ ] op het kaartscherm.
2Kies [Display map] (kaart tonen).
3Kies [Route trace] (gereden route).
INFORMATIE
Als de opgeslagen gereden afstand de limiet overschrijdt, wordt het oudste
routetracé gewist en het nieuwe routetracé opgeslagen.
De gereden route kan worden weergegeven op een kaartschaal tussen 1:2.500 en
1:5.120.000.
Flitscamera's*3
Flitscamera's kunnen als iconen worden weergegeven op de kaart.
ALocatie van een flitscamera op de
kaart.
BGeeft informatie weer over het icoon
van en de afstand tot de flitscamera.
INFORMATIE
Of de bovenstaande onderdelen worden weergegeven, is afhankelijk van de schaal van
de kaart.
Of de bovenstaande onderdelen worden weergegeven, is afhankelijk van de beschikbare
kaartgegevens.
*3 : Alleen met geïntegreerd navigatiesysteem. Deze functie is in sommige landen of
gebieden niet beschikbaar.
4-2. Kaartinformatie
135
4
Navigatie
De weergave van bovenstaande items kan worden uitgeschakeld.
Depending on content management conditions, the actual location of cameras may not
be displayed.
Verwante onderwerpen
Instellingen begeleiding(Blz. 78)
Verkeersinformatie
Verkeersinformatie kan worden ontvangen via IP-Traffic en worden weergegeven
op het kaartscherm.
Om deze functie te kunnen gebruiken, moet u een actieve gebruiksovereenkomst
voor Toyota Smart Center hebben.
1Kies [ ] op het kaartscherm.
2Kies [Display map] (kaart tonen).
3Kies [Traffic] (verkeer).
De verkeersinformatie wordt op het
kaartscherm weergegeven.
Door middel van iconen worden
verkeerssituaties als
wegwerkzaamheden en ongevallen
getoond.
Pijlen geven de richting van de file aan.
De kleur is afhankelijk van de snelheid.
Selecteer het icoon om meer informatie
over de verkeerssituatie weer te geven.
4-2. Kaartinformatie
136
Snelwegmodus
Als u een autosnelweg oprijdt, wordt automatisch de snelwegmodus weergegeven.
AHiermee kunt u de afstand vanaf
de actuele locatie van de auto
weergeven.
BHiermee kunt u maximaal 8 POI's
voor een faciliteit weergegeven.
Als er meer dan 8 POI's zijn, wordt
een merkteken weergegeven dat
aangeeft dat er niet-weergegeven
POI's zijn.
CHiermee kunt u, als de weergegeven
sectie van de route gewijzigd is, op de kaart terugkeren naar de sectie waarop
op dat moment gereden wordt.
4-2. Kaartinformatie
137
4
Navigatie
Zoeken van bestemming
Zoeken van een bestemming
U kunt een bestemming zoeken en instellen op het scherm voor het zoeken van
een bestemming.
1Kies [ ] op het kaartscherm.
2Het scherm voor het zoeken
van een bestemming wordt
weergegeven. Kies de gewenste
zoekmethode.
3Het scherm met een overzicht van de zoekresultaten wordt weergegeven.
Kies in het overzicht het item dat u als bestemming wilt instellen.
Als er al een bestemming is ingesteld, kies dan [New destination] (nieuwe
bestemming) of [Add to route] (aan route toevoegen).
Wanneer u gebruikmaakt van Connected Navigation, kunt u ook bestemmingen zoeken
met behulp van content in de cloud.
Verwante onderwerpen
Informatie zoeken met behulp van het toetsenbord(Blz. 45)
Toevoegen van een tussenpunt(Blz. 143)
4-3. Zoeken van bestemming
138
Scherm voor zoeken van bestemming
AHiermee kunt u zoeken met behulp
van een locatienaam, adres of
telefoonnummer.
BHiermee kunt u de tekstcursor
verplaatsen.
CHiermee kunt u een kaart van
het gebied rondom alle als favoriet
geregistreerde punten weergeven.
Dit kan alleen worden gebruikt als een
punt als favoriet is geregistreerd.
DHiermee kunt u een kaart met punten uit de bestemmingengeschiedenis (eerder
ingestelde bestemmingen) weergeven.
Dit kan alleen worden gebruikt als er een bestemmingengeschiedenis is.
EHiermee kunt u een kaart weergeven van de bestemmingen van het routeplan
die u vooraf vanaf een smartphone hebt verzonden.
FHiermee kunt u het zoeken van een route starten met uw huis als bestemming.
Als er geen thuis is geregistreerd, kunt u dit alsnog doen door [ ] te kiezen.
GAls de naam van een bestemming wordt gekozen, wordt het kaartscherm met
de volledige route weergegeven. Kies [Go] (ga) om direct de routebegeleiding
te starten.
Zoeken via het invoeren van karakters
Er kan een bestemming worden gezocht door een locatienaam, adres of
telefoonnummer in te voeren.
1Kies [ ] op het kaartscherm.
2Kies [Where to? (POI, Street, Town etc.)] (Waarheen? POI, straat, plaats,
enz.).
3Voer de locatienaam, het adres, het telefoonnummer, enz. in en kies [Go]
(ga).
Bij elk ingevoerd karakter worden mogelijke bestemmingen gezocht en weergegeven.
Overeenkomstig de ingevoerde karakters en op basis van eerder gezochte termen,
de bestemmingengeschiedenis en de favorieten, worden voorspellende zoektermen
weergegeven.
Als een zoekopdracht geen resultaten oplevert vanwege een eventuele typefout, wordt
een mogelijk correcte zoekterm weergegeven.
Als het aantal ingevoerde karakters de karakterlimiet overschrijdt, worden de
overtollige karakters verwijderd.
Verwante onderwerpen
Invoeren van letters en cijfers(Blz. 26)
4-3. Zoeken van bestemming
139
4
Navigatie
Instellen van thuis als bestemming
1Kies [ ] op het kaartscherm.
2Kies [ ].
Kies [Start] om onmiddellijk de routebegeleiding te starten.
Verwante onderwerpen
Instellingen favorieten(Blz. 81)
Instellen van thuis
1Kies [ ] op het kaartscherm.
2Kies [ ].
3Beweeg de kaart naar de locatie die u wilt registreren en kies [OK].
Instellen van een favoriet als bestemming
1Kies [ ] op het kaartscherm.
2Kies de gewenste favoriet.
Als de naam van een bestemming wordt gekozen, wordt het kaartscherm met de volledige
route weergegeven.
Kies [Go] (ga) om direct de routebegeleiding te starten.
INFORMATIE
Geregistreerde favoriete punten kunnen ook worden gezocht door hun naam in te
voeren.
Verwante onderwerpen
Instellingen favorieten(Blz. 81)
Zoeken in de bestemmingengeschiedenis
1Kies [ ] op het kaartscherm.
2Kies [Recents] (recent).
3Kies de gewenste bestemming uit de bestemmingengeschiedenis.
Als de naam van een bestemming wordt gekozen, wordt het kaartscherm met de volledige
route weergegeven.
Kies [Go] (ga) om direct de routebegeleiding te starten.
Zoeken via routeplan
Wanneer een routeplan (bestemming, vertrektijd, enz.) is ingesteld met een
navigatie-app op de smartphone, wordt het navigatiesysteem van de auto op de
hoogte gebracht van het routeplan nadat de bestuurder is ingestapt.
Er moet een bestuurder zijn geregistreerd om deze functie te gebruiken.
4-3. Zoeken van bestemming
140
1Kies [ ] op het kaartscherm.
2Kies [Trips] (ritten).
3Kies het gewenste routeplan.
Als de naam van een bestemming wordt gekozen, wordt het kaartscherm met de volledige
route weergegeven.
Kies [Go] (ga) om direct de routebegeleiding te starten.
INFORMATIE
Het is ook mogelijk om de door het navigatiesysteem van de auto ingestelde
bestemmingsinformatie over te brengen naar een navigatie-app op de smartphone.
Verwante onderwerpen
Registreren van een gebruikersprofiel(Blz. 48)
4-3. Zoeken van bestemming
141
4
Navigatie
Scherm met een overzicht van de zoekresultaten
Als er bij het zoeken naar een bestemming meerdere zoekresultaten zijn, wordt er
een bestemminglijst weergegeven.
AHiermee kunt u terugkeren naar het
vorige scherm.
BGeeft de invoerkarakters voor de
zoekopdracht weer.
CHiermee kunt u de zoekopties
weergeven.
DGeeft een lijst met zoekresultaten
weer.
Potentiële bestemmingen binnen een
locatie worden ook weergegeven.
EGeeft de locatie van de items in de op dat moment weergegeven lijst op de
kaart weer.
Als na het scrollen van de kaart [Search this area] (zoek in dit gebied) wordt
gekozen, kan er een bestemming worden gezocht binnen het gebied waar u
naartoe bent gescrold.
Zoekopties
Het weergegeven bereik en de volgorde van de lijst met zoekresultaten kunnen
worden gewijzigd.
1Kies [ ] op het scherm met een overzicht van de zoekresultaten.
2Stel de zoekopties in.
3Kies [OK] om het wijzigen van de instellingen te voltooien.
4-3. Zoeken van bestemming
142
Toevoegen van een tussenpunt
Als er al een bestemming is ingesteld, kunnen nieuwe bestemmingen worden
toegevoegd als tussenpunten.
Een bestemming zoeken terwijl er al een bestemming is ingesteld.
Er wordt een melding weergegeven wanneer u een bestemming probeert in te stellen.
[New destination] (nieuwe bestemming): Wis de huidige ingestelde bestemming en ga
zoeken naar een route naar de nieuwe bestemming.
[Add to route] (aan route toevoegen): Voeg het geselecteerde punt toe als tussenpunt
en ga zoeken naar een route naar de bestemming.
INFORMATIE
Een tussenpunt kan worden toegevoegd door een willekeurig punt op het kaartscherm
aan te raken.
Er kunnen maximaal 10 bestemmingen, inclusief tussenpunten, worden ingesteld.
Het laatst toegevoegde tussenpunt wordt ingesteld als de eerste bestemming. De
volgorde van de bestemmingen kan worden gewijzigd door de tussenpunten te
bewerken.
Verwante onderwerpen
Zoeken van een bestemming(Blz. 138)
Tussenpunten bewerken(Blz. 151)
4-3. Zoeken van bestemming
143
4
Navigatie
Bestemmingen instellen vanaf uw smartphone
NaviBridge
NaviBridge* is een “Send To Car”-app die gemakkelijk bestemmingen waarnaar
is gezocht met behulp van trefwoorden en een groot aantal compatibele apps
op uw smartphone naar het navigatiesysteem van uw auto kan sturen en deze
automatisch kan instellen als bestemming voor de navigatie.
NaviBridge (voor iOS/Android) kan gratis worden gedownload.
Raadpleeg de volgende website voor meer informatie, zoals downloadmethoden.
Ondersteuningssite NaviBridge: https://www.navicon.com/navibridge/support
Verbindingsmethoden:
Verbindingsmethode iOS-apparaat Android-apparaat
Bluetooth® (draadloos)
USB (bedraad) ×
Beschikbare functies:
Instellen bestemming Meerdere
bestemmingen
Bediening
kaartscherm
Locaties delen met
vrienden
× ×
4-3. Zoeken van bestemming
144
*: NaviBridge is een geregistreerd handelsmerk van DENSO Corporation.
4-3. Zoeken van bestemming
145
4
Navigatie
Instellen bestemming
Kaartscherm met volledige route
Nadat een bestemming is ingesteld, wordt het kaartscherm met de volledige route
weergegeven. Op het kaartscherm met de volledige route kan de gewenste route
worden geselecteerd of kan de route-informatie worden bekeken.
AGeeft de naam of het adres van de
bestemming weer.
BHiermee kunt u de bestemming als
favoriet registreren.
CDisplays the current weather at the
destination.*1
DGeeft de afstand, de reistijd en
de geschatte aankomsttijd vanaf het
beginpunt tot de bestemming weer.
Wanneer er meerdere bestemmingen
zijn ingesteld, kunt u hiermee een overzicht met de geschatte aankomsttijd voor
elke bestemming weergeven.
EHiermee kunt u de route-opties weergeven.
FHiermee kunt u de stembegeleiding dempen.
GHiermee kunt u extra informatie over de bestemming weergeven.
HHiermee kunt u informatie met betrekking tot rijbeperkingen weergeven.*2
Als er op een route rijbeperkingen (uitlaatbeperkingen of trajecten waar een
milieusticker vereist is) gelden, kan meer informatie hierover worden bekeken.
Informatie over beperkingen kan worden gewijzigd door [ ] of [ ] te
kiezen.
IHiermee kunt u een andere route selecteren.
JHiermee kunt u de routebegeleiding starten. Houd uw vinger op deze toets om
een demo van de routebegeleiding naar de bestemming te starten.
Verwante onderwerpen
Route-instellingen(Blz. 75)
Een demo van de routebegeleiding bekijken(Blz. 147)
Wijzigen van route-opties(Blz. 148)
Wijzigen van de route(Blz. 149)
*1 : Deze functie wordt weergegeven bij gebruik van Connected Navigation.
*2 : Met geïntegreerd navigatiesysteem
4-4. Instellen bestemming
146
Een demo van de routebegeleiding bekijken
Alvorens de routebegeleiding te starten kan een demo van de routebegeleiding
worden bekeken.
Houd [Go] (ga) op het scherm met de volledige route ingedrukt.
Kies [ ] of begin te rijden om de demo te beëindigen.
4-4. Instellen bestemming
147
4
Navigatie
Wijzigen van route-opties
De zoekcriteria voor routes kunnen worden gewijzigd, bijvoorbeeld om routes met
tolwegen en autosnelwegen te vermijden.
1Kies [Route options] (route-opties) op het kaartscherm met de volledige
route.
2Wijzig de instelling voor het item
om de gewenste conditie in te
stellen.
AHiermee kunt u wisselen tussen
vermijden/niet vermijden van
specifieke typen wegen. Bij
de routebegeleiding worden de
typen wegen vermeden die zijn
ingeschakeld.
BHiermee kunt u de volgorde van
ingestelde tussenpunten wijzigen.
CHiermee kunt u tussenpunten op de route toevoegen, verwijderen of wijzigen.
Verwante onderwerpen
Punten om langs te rijden instellen op een route(Blz. 150)
Tussenpunten bewerken(Blz. 151)
4-4. Instellen bestemming
148
Wijzigen van de route
Er kan een gewenste route worden gekozen uit verschillende soorten routes.
1Kies [Alt route] op het kaartscherm met de volledige route.
2Selecteer de gewenste route en kies [OK].
INFORMATIE
Nieuwe alternatieve routes worden achtereenvolgens weergegeven.*1
De gewenste route kan worden gewijzigd door deze op het kaartscherm met de
volledige route aan te raken.
*1 : Deze functie wordt weergegeven bij gebruik van Connected Navigation.
4-4. Instellen bestemming
149
4
Navigatie
Punten om langs te rijden instellen op een route
Nadat een bestemming is ingesteld, kunt u punten om langs te rijden op een route
instellen.
1Kies [ ] op het instelscherm voor
tussenpunten.
2Kies het punt dat u als tussenpunt wilt toevoegen op de kaart en kies [OK].
[ ]: Wis het desbetreffende tussenpunt.
4-4. Instellen bestemming
150
Tussenpunten bewerken
Tussenpunten kunnen worden verwijderd of de volgorde kan worden gewijzigd.
1Kies [Move up] (omhoog) of [Move
down] (omlaag) om de volgorde van
de tussenpunten te wijzigen.
[ ]: Wis het desbetreffende tussenpunt.
2Kies [OK].
4-4. Instellen bestemming
151
4
Navigatie
Routebegeleiding
Routebegeleidingsscherm
Tijdens de routebegeleiding wordt op relevante punten, zoals kruispunten en
knooppunten, gesproken en visuele begeleiding geboden.
AGeeft de afstand en de geschatte aankomsttijd vanaf de actuele locatie van de
auto naar de bestemming weer.
Als er van de route is afgeweken, wordt de geschatte aankomsttijd niet
weergegeven. In plaatst daarvan wordt de rechtstreekse afstand tot de
bestemming weergegeven.
Hiermee kunt u het kaartscherm met de volledige route weergeven.
BGeeft de afstand tot de volgende afslag en de richting van de afslag weer.
Hiermee kunt u een wegenoverzicht tot aan de bestemming weergeven.
CGeeft de route naar de bestemming weer.
Raadpleeg het instellen van de kaartweergave voor meer informatie over het
instellen van de weergavekleur van de route.
DGeeft het dichtstbijzijnde kruispunt/knooppunt weer dat tijdens de
routebegeleiding moet worden gepasseerd of waar moet worden afgeslagen.
EHiermee kunt u de routebegeleiding beëindigen. Wanneer er meerdere
bestemmingen zijn ingesteld, kies dan [Delete destination] (bestemming
wissen) om alle bestemmingen te wissen en de routebegeleiding te beëindigen
of kies [Delete next destination] (volgende bestemming wissen) om alleen de
volgende bestemming te wissen en door te gaan met de routebegeleiding.
Als de route niet kan worden gezocht, wordt er een melding weergegeven op
het scherm.
Verwante onderwerpen
Wijzigen van de kaartinstellingen(Blz. 73)
Rijstrookweergaveschermen(Blz. 153)
4-5. Routebegeleiding
152
Rijstrookweergaveschermen
Wanneer tijdens de routebegeleiding een kruising/knooppunt wordt genaderd
waar moet worden afgeslagen, wordt er een vergrote weergave van de kruising
weergegeven.
Vergrote weergave van kruispunt
Er wordt kruispuntenbegeleiding gegeven wanneer u een kruispunt nadert waarop u
moet afslaan. Net voor het kruispunt verschijnt tevens een vergrote weergave van
het kruispunt.
AHiermee kunt u de namen van wegen
die u passeert of waarop u afslaat
weergeven.
BHiermee kunt u de afstand vanaf de
actuele locatie weergeven.
CHiermee kunt u de vergrote weergave
van het kruispunt sluiten.
DGeeft een balk met de nog
af te leggen afstand tot het
begeleidingspunt weer.
INFORMATIE
De weergave van de rijstrookinformatie en de naam van het kruispunt verschijnen niet bij
kruispunten waarover geen informatie beschikbaar is in de kaartgegevens.
De vergrote weergave van het kruispunt wijkt mogelijk af van het werkelijke kruispunt.
Direct na het starten van de routebegeleiding wordt er mogelijk geen
kruispuntenbegeleiding gegeven.
De vergrote weergave van het kruispunt verschijnt mogelijk vroeger of later.
Als zich kruispunten waarop u moet afslaan dicht bij elkaar bevinden, wordt de vergrote
weergave van het kruispunt continu weergegeven.
De vergrote weergave van het kruispunt verschijnt voor kruispunten waarop u moet
afslaan. Er wordt geen kruispuntenbegeleiding gegeven voor kruispunten vóór het
kruispunt waarop u moet afslaan.
De resterende afstand die wordt weergegeven op de vergrote weergave van het
kruispunt wijkt mogelijk af van de weergave op het multi-informatiedisplay.
De vergrote weergave van het kruispunt op het display van het navigatiesysteem wijkt
mogelijk af van de weergave op het multi-informatiedisplay.
Verwante onderwerpen
Instellingen begeleiding(Blz. 78)
3D-overzichtsweergave
Om een naderende afslag te verduidelijken kan er tijdens de routebegeleiding een
vergrote weergave in 3D worden getoond van het kruispunt.
4-5. Routebegeleiding
153
4
Navigatie
Kies [ ] om de vergrote weergave te
annuleren.
INFORMATIE
Weergegeven voor punten waarvoor informatie beschikbaar is in de kaartgegevens.
4-5. Routebegeleiding
154
Opnieuw zoeken van een route
Tijdens de routebegeleiding kan de route opnieuw worden gezocht (zelfs wanneer
er van de route is afgeweken).
1Kies [] op het kaartscherm.
2Kies [Route options] (route-opties) of [Alt route] (Alt. route).
3Kies de zoekcriteria.
4Kies [OK].
Verwante onderwerpen
Kaartscherm met volledige route(Blz. 146)
Wijzigen van route-opties(Blz. 148)
Wijzigen van de route(Blz. 149)
4-5. Routebegeleiding
155
4
Navigatie
Specifieke stembegeleidingstermen
De stembegeleiding van het navigatiesysteem geeft verscheidene meldingen
wanneer u een kruispunt of andere plekken waar het nodig is om de auto van
richting te veranderen, nadert.
INFORMATIE
Stembegeleiding wordt mogelijk eerder of later gegeven.
Het is mogelijk dat u geen stembegeleiding hoort of dat er geen vergroot kruispunt wordt
weergegeven als het navigatiesysteem de actuele locatie niet kan vaststellen.
WAARSCHUWING
Houd u tijdens het rijden aan de verkeersregels en let op de verkeerssituatie, vooral
op IPD-wegen (wegen die niet volledig gedigitaliseerd zijn). De routebegeleiding beschikt
niet altijd over de meest recente informatie over verkeerssituaties, zoals de rijrichting van
eenrichtingswegen.
Verwante onderwerpen
Instellingen begeleiding(Blz. 78)
Wijzigen van de geluids- en media-instellingen(Blz. 84)
4-5. Routebegeleiding
156
Kaartupdate
Databaseversie kaart en dekkingsgebied
Dekkingsgebieden en juridische informatie kunnen worden weergegeven en
kaartgegevens kunnen worden bijgewerkt.
Kaartinformatie weergeven
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Navigation] (navigatie).
3Kies [Map update] (kaartupdate).
4Controleer of het
kaartinformatiescherm wordt
weergegeven.
AHiermee kunt u het dekkingsgebied
van de kaart en de kaartversie
weergeven.
BHiermee kunt u de kaart updaten.
CHiermee kunt u juridische informatie
weergeven.
Neem voor updates van de kaartgegevens
contact op met uw Toyota-dealer.
4-6. Kaartupdate
157
4
Navigatie
4-6. Kaartupdate
158
5Audiosysteem
5-1. Bediening van de radio
Luisteren naar de radio............. 160
Naar DAB luisteren ................... 162
5-2. Internetradio
Gebruik van internetradio ......... 164
5-3. Bediening USB-stick
Voorzorgsmaatregelen bij het
afspelen van muziek via een
USB-stick................................ 165
Muziekbestanden afspelen
vanaf een USB-stick............... 167
Videobestanden afspelen vanaf
een USB-stick......................... 169
5-4. Bediening iPod/iPhone
Voorzorgsmaatregelen bij het
afspelen van muziek via iPod/
iPhone .................................... 172
Afspelen vanaf een iPod/iPhone173
5-5. Bediening Apple CarPlay
Voorzorgsmaatregelen bij het
afspelen van muziek via Apple
CarPlay................................... 175
Afspelen via Apple CarPlay ...... 176
5-6. Bediening Android Auto
Voorzorgsmaatregelen bij het
afspelen van muziek via
Android Auto........................... 178
Android Auto afspelen .............. 179
5-7. Bediening Bluetooth®-audio
Voorzorgsmaatregelen voor
afspelen van Bluetooth®-audio181
Bluetooth®-audio afspelen ........ 182
5-8. Bediening Miracast®
Voorzorgsmaatregelen bij het
afspelen van muziek via
Miracast®................................ 185
Aansluiten van Miracast®-
compatibele apparaten........... 186
Afspelen via Miracast®.............. 187
159
5
Audiosysteem
Bediening van de radio
Luisteren naar de radio
Luister naar de radio op uw favoriete station.
INFORMATIE
Wanneer het station in stereo uitzendt, zal de radio automatisch overschakelen naar
stereo-ontvangst.
Als een stereo-uitzending zwak wordt en gaat storen, zal de mate waarin de kanalen
gescheiden worden automatisch worden verminderd tot het laagste ruisniveau bereikt is.
Wanneer de ontvangst erg zwak wordt, zal de radio op mono-ontvangst overgaan.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Sources] (bronnen).
3Kies [FM].
4Wijzig naar wens de selectiemethode voor radiozenders.
[Presets] (voorkeurzenders) : Maak een keuze uit de lijst met vooraf
vastgelegde radiozenders.
[Station list] (zenderlijst) : Maak een keuze uit de lijst met beschikbare
radiozenders.
[Direct tune] (direct afstemmen) : Selecteer een radiozender door een
frequentie in te voeren met de numerieke toetsen.
5Bedien de radio naar wens.
Bediening vanaf het scherm
[Seek] (zoek) : Kies [ ] of [ ]
om de dichtstbijzijnde radiozender
met een goede ontvangst te
selecteren. Houd de toets ingedrukt
om naar een bepaalde frequentie
te gaan. Zodra de toets wordt
losgelaten, wordt automatisch de
dichtstbijzijnde radiozender met een
goede ontvangst geselecteerd.
[Scan] : Zoek automatisch alle
radiozenders af in de richting van de hoogste frequentie.
Elke radiozender wordt gedurende ongeveer 5 seconden afgespeeld. Druk
nogmaals op de toets om bij de huidige radiozender te blijven.
[ ] : Legt de huidige radiozender vast als voorkeurzender. Kies deze toets
nogmaals om de registratie ongedaan te maken.
[ ] : Geeft de in te stellen items weer.
[Radio text] (RDS-tekst) : Geeft teksten weer die met de radiozender mee
worden gestuurd.
Submenu voorkeuzezenders of zenderlijst : Stelt de ontvangst in op de
geselecteerde radiozender.
Bedienen met de stuurwieltoetsen
5-1. Bediening van de radio
160
Toetsen [ ]/[ ]
Indien gekozen via het scherm "Presets" (voorkeurzenders): bladert door de lijst met
vooraf vastgelegde radiozenders.
Indien gekozen via het scherm "Station list" (zenderoverzicht): bladert door de lijst met
beschikbare radiozenders.
Indien gekozen via het scherm "Direct tune" (direct afstemmen): selecteert de
dichtstbijzijnde radiozender met een goede ontvangst.
Houd de toets ingedrukt om naar een bepaalde frequentie te gaan. Zodra de toets wordt
losgelaten, wordt automatisch de dichtstbijzijnde radiozender met een goede ontvangst
geselecteerd.
Verwante onderwerpen
Selecteren van de audiobron(Blz. 34)
Wijzigen van de geluids- en media-instellingen(Blz. 84)
Aanpassen van de geluidsinstellingen per bron(Blz. 86)
5-1. Bediening van de radio
161
5
Audiosysteem
Naar DAB luisteren*1
Ga naar uw favoriete zender en luister naar DAB.
INFORMATIE
De afspeelbare tijd met Time Shift varieert afhankelijk van de opgenomen bitrate van DAB,
de grootte van het geheugen van de DAB-eenheid en het tijdstip waarop de ontvangst van
de uitzending start.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Sources] (bronnen).
3Kies [DAB].
4Wijzig naar wens de selectiemethode voor radiozenders.
[Presets] (voorkeurzenders) : Selecteer de service uit de services die als
voorkeuzezender zijn vastgelegd.
[Station list] (zenderlijst) : Selecteer de service uit het overzicht met services.
[Manual tune] (handmatig afstemmen) : Stem handmatig op een radiozender
af. Selecteer de radiozender door [Ensemble] of [Service] te selecteren.
5Bedien de radio naar wens.
Bediening vanaf het scherm
[ ]/[ ] : Gebruik de time
shift-functie om nogmaals naar de
service te luisteren waar u op dat
moment naar luistert. Hiermee kunt
u het afspelen van de service 10
seconden vooruit- of terugspoelen.
Houd uw vinger op deze toets om
terug of vooruit te spoelen.
[Live] : Laat de toets voor time shift
los om naar de service te luisteren
die op dat moment wordt uitgezonden.
[ ] : Legt de huidige service vast als voorkeuzezender. Kies deze toets
nogmaals om de registratie ongedaan te maken.
[ ] : Geeft de in te stellen items weer.
[Radio text] (RDS-tekst) : Geeft teksten weer die met DAB mee worden
gestuurd.
Submenu voorkeuzezenders of zenderlijst : Stelt de ontvangst in op de
geselecteerde service.
Bedienen met de stuurwieltoetsen
*1 : Indien aanwezig
5-1. Bediening van de radio
162
Toetsen [ ]/[ ]
Indien gekozen via het scherm "Presets (voorkeurzenders)" bladert door de lijst met
vooraf vastgelegde services.
Indien gekozen via het scherm "Station list (zenderlijst)" bladert door de lijst met
beschikbare services.
Indien gekozen via het scherm "Manual tune (handmatig afstemmen)" selecteert
automatisch de dichtstbijzijnde service met een goede ontvangst.
Houd de toets ingedrukt om naar een bepaalde service te gaan. Zodra de toets wordt
losgelaten, wordt automatisch de dichtstbijzijnde service met een goede ontvangst
geselecteerd.
Verwante onderwerpen
Selecteren van de audiobron(Blz. 34)
Wijzigen van de geluids- en media-instellingen(Blz. 84)
Aanpassen van de geluidsinstellingen per bron(Blz. 86)
5-1. Bediening van de radio
163
5
Audiosysteem
Internetradio
Gebruik van internetradio
Tijdens het luisteren naar de radio via FM/DAB is er extra informatie beschikbaar
zoals de titel van het nummer, de hoes en het logo van de radiozender. Deze
informatie kan worden opgehaald en weergegeven vanaf de server van Gracenote
via DCM of Wi-Fi®.
Als het systeem een internetverbinding heeft via DCM of Wi-Fi® kan er bij een
slechte ontvangst van het radiosignaal worden overgeschakeld naar ontvangst via
internet. Hierdoor kunt u de uitzending toch blijven volgen.
Deze functie is in sommige landen of gebieden niet beschikbaar.
INFORMATIE
Mogelijk worden niet alle zenders ondersteund.
Bij een slechte ontvangst van het radiosignaal kan er worden overgeschakeld op
internetradio.
Bij gebruik van internetradio zal het systeem automatisch overschakelen naar de analoge
uitzending zodra het radiosignaal gedurende langere tijd voldoende sterk is.
Schakelt internetradio in en uit of wijzigt de instelling voor overschakelen naar
internetradio tussen automatisch en handmatig.
Verwante onderwerpen
Wijzigen van de geluids- en media-instellingen(Blz. 84)
5-2. Internetradio
164
Bediening USB-stick
Voorzorgsmaatregelen bij het afspelen van muziek via een USB-stick
Houd rekening met de volgende informatie met betrekking tot het afspelen van
muziek via een USB-stick.
INFORMATIE
Het verwijderen van een USB-stick of het losnemen van een aangesloten apparaat
tijdens het afspelen, kan een storend geluid veroorzaken.
Wanneer een USB-stick is aangesloten en er van een andere bron naar de USB-stick
wordt overgeschakeld, wordt het eerste bestand op de USB-stick afgespeeld. Als
dezelfde USB-stick (zonder gewijzigde content) nogmaals wordt aangesloten, zal het
laatst afgespeelde nummer worden gestart.
Het lezen van een bestand in een niet-ondersteund formaat kan de werking negatief
beïnvloeden.
Als een USB-hub wordt gebruikt om meerdere apparaten aan te sluiten, kan alleen het
apparaat dat als eerste wordt herkend, worden gebruikt.
WAARSCHUWING
Uit veiligheidsoverwegingen wordt het afgeraden om de USB-stick te bedienen tijdens het
rijden.
OPMERKING
Laat geen USB-stick in de auto achter. De temperatuur in de auto kan hoog oplopen,
waardoor de USB-stick defect kan raken.
Druk niet op de USB-stick en oefen er geen onnodige druk op uit terwijl deze is
aangesloten. De USB-stick of de aansluiting kan beschadigd raken.
Houd de aansluiting vrij van verontreinigingen. De USB-stick of de aansluiting kan
beschadigd raken.
Afspelen van MP3/WMA/AAC/WAV/FLAC/ALAC/Ogg Vorbis
Wanneer een USB-stick met MP3-/WMA-/AAC-/WAV-/FLAC-/ALAC-/Ogg Vorbis-
bestanden wordt aangesloten, worden eerst alle bestanden op de USB-stick
gecontroleerd.
Het wordt aanbevolen om uitsluitend MP3-/WMA-/AAC-/WAV-/FLAC-/ALAC-/Ogg
Vorbis-bestanden en geen onnodige mappen op de USB-stick te zetten. Dit zorgt
ervoor dat de controle van de USB-stick snel wordt voltooid.
INFORMATIE
Voor MP3/WMA/AAC/WAV/FLAC/ALAC/Ogg Vorbis zijn vele soorten coderingssoftware,
zoals freeware, op de markt verkrijgbaar. Afhankelijk van de coderingsvoorwaarde of het
bestandsformaat, kan de geluidskwaliteit verslechteren, kan er ruis optreden bij het starten
van het afspelen of is afspelen wellicht niet mogelijk.
5-3. Bediening USB-stick
165
5
Audiosysteem
OPMERKING
Voeg geen onjuiste extensie toe aan een bestand. Het toevoegen van een extensie aan
een bestand die niet overeenkomt met de bestandsinhoud kan ertoe leiden dat bestanden
onjuist worden herkend en afgespeeld. Dit zal een hard geluid produceren, waardoor de
luidsprekers beschadigd kunnen raken.
Voorbeelden van een onjuiste extensie:
Het toevoegen van de extensie ".mp3" aan een bestand dat geen MP3-bestand is
Het toevoegen van de extensie ".wma" aan een bestand dat geen WMA-bestand is
Verwante onderwerpen
Wijzigen van de geluids- en media-instellingen(Blz. 84)
Informatie over media die kunnen worden gebruikt(Blz. 244)
Informatie over formaat(Blz. 244)
Informatie van videogegevens die kan worden afgespeeld vanaf USB-
sticks(Blz. 247)
Informatie over USB-geheugens(Blz. 249)
5-3. Bediening USB-stick
166
Muziekbestanden afspelen vanaf een USB-stick.
Het is mogelijk om muziekbestanden af te spelen vanaf een USB-stick die op de
USB-aansluiting is aangesloten. Wanneer een USB-stick is aangesloten, wordt er
een toets met de naam van het apparaat weergegeven op het selectiescherm voor
de bron. Dit wordt voor sommige apparaten mogelijk niet weergegeven.
Sluit de USB-stick aan.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Sources] (bronnen).
3Kies de naam van het apparaat of [USB].
4Kies [Music] (muziek).
Wordt weergegeven wanneer de USB-stick een videobestand bevat.
5Bedien indien nodig de USB-stick die wordt afgespeeld.
Bediening vanaf het scherm
[ ] : Hiermee kunt u in
willekeurige volgorde afspelen.
Telkens wanneer deze toets
wordt gekozen, wijzigt de modus
tussen het in willekeurige volgorde
afspelen van alle bestanden of
nummers, het annuleren van het
in willekeurige volgorde afspelen
en het in willekeurige volgorde
afspelen van de map of het album
waar u op dat moment naar luistert.
[ ] : Speelt het bestand of het nummer dat op dit moment wordt
afgespeeld vanaf het begin af. Indien u aan het begin van het bestand
of het nummer bent, wordt het vorige bestand of nummer vanaf het begin
afgespeeld.
Houd uw vinger op deze toets om terug te spoelen. Laat de toets los om het
afspelen vanaf dat punt te hervatten.
[ ] : Afspelen wordt onderbroken.
[ ] : Afspelen.
[ ] : Wijzigt het bestand of het nummer.
Houd uw vinger op deze toets om vooruit te spoelen. Laat de toets los om
het afspelen vanaf dat punt te hervatten.
[ ] : Hiermee kunt u het afspelen herhalen.
Telkens wanneer deze toets wordt gekozen, wijzigt de modus tussen het
herhalen van het bestand of nummer dat op dat moment wordt afgespeeld,
het herhalen van de map of het album waar u op dat moment naar luistert of
het herhalen van alle bestanden of nummers.
[ ] : Geeft de in te stellen items weer.
5-3. Bediening USB-stick
167
5
Audiosysteem
Overzicht van submenu's : Selecteren van een nummer uit de volgende
categorieën:
[Artists] (artiesten) : Selecteer een nummer via de naam van de artiest.
[Albums] : Selecteer een nummer via de albumnaam.
[Folders] (mappen) : Selecteer een nummer via de naam van de map.
[Songs] (nummers) : Selecteer een nummer via de naam van het
nummer.
[Genres] : Selecteer een nummer via het genre.
[Composers] (componisten) : Selecteer een nummer via de naam van de
componist.
Bedienen met de stuurwieltoetsen
Toetsen [ ]/[ ]
Wijzigt het bestand of het nummer.
Houd uw vinger op deze toets om terug of vooruit te spoelen. Laat de toets los om het
afspelen vanaf dat punt te hervatten.
Verwante onderwerpen
Selecteren van de audiobron(Blz. 34)
Aansluiten op een USB-aansluiting(Blz. 37)
Wijzigen van de geluids- en media-instellingen(Blz. 84)
Aanpassen van de geluidsinstellingen per bron(Blz. 86)
5-3. Bediening USB-stick
168
Videobestanden afspelen vanaf een USB-stick
Het is mogelijk om audio- en videobestanden af te spelen vanaf een USB-
stick die op de USB-aansluiting is aangesloten. Wanneer een USB-stick is
aangesloten, wordt er een toets met de naam van het apparaat weergegeven op
het selectiescherm voor de bron. Dit wordt voor sommige apparaten mogelijk niet
weergegeven.
Sluit de USB-stick aan.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Sources] (bronnen).
3Kies de naam van het apparaat of [USB].
4Kies [Video].
5Bedien indien nodig de USB-stick die wordt afgespeeld.
Weergave op volledig scherm
Raak het scherm aan om de bedieningstoetsen weer te geven.
[ ] : Speelt het bestand dat
op dit moment wordt afgespeeld
vanaf het begin af. Indien u aan het
begin van het bestand bent, wordt
het vorige bestand vanaf het begin
afgespeeld.
Houd de toets ingedrukt om terug
te spoelen. Laat de toets los om
het afspelen vanaf dat punt te
hervatten.
[ ] : Onderbreekt het afspelen van de video.
[ ] : Speelt de video af.
[ ] : Wijzigt het bestand.
Houd de toets ingedrukt om vooruit te spoelen. Laat de toets los om het
afspelen vanaf dat punt te hervatten.
Houd de toets ingedrukt terwijl de video op pauze staat om deze vertraagd
af te spelen.
[Move] (verplaats) : Verplaatst de bedieningstoetsen.
Verplaats de bedieningstoetsen als ze de video hinderlijk overlappen.
[ ] : Geeft het bedieningsscherm weer.
Gebruik van het bedieningsscherm
Kies [ ] op het volledige scherm om het bedieningsscherm weer te geven.
5-3. Bediening USB-stick
169
5
Audiosysteem
[ ] : Speelt het bestand dat
op dit moment wordt afgespeeld
vanaf het begin af. Indien u aan het
begin van het bestand bent, wordt
het vorige bestand vanaf het begin
afgespeeld.
Houd de toets ingedrukt om terug
te spoelen. Laat de toets los om
het afspelen vanaf dat punt te
hervatten.
[ ] : Onderbreekt het afspelen van de video.
[ ] : Speelt de video af.
[ ] : Wijzigt het bestand.
Houd de toets ingedrukt om vooruit te spoelen. Laat de toets los om het
afspelen vanaf dat punt te hervatten.
Houd de toets ingedrukt terwijl de video op pauze staat om deze vertraagd
af te spelen.
[ ] : Wijzigt de weergave naar het volledige scherm.
[ ] : Geeft de in te stellen items weer.
Map- of bestandsnamen in het submenu : Kies de naam van een map of van
het af te spelen bestand.
Bedienen met de stuurwieltoetsen
Toetsen [ ]/[ ]
Wijzigt het bestand.
Houd de toets ingedrukt om terug of vooruit te spoelen. Laat de toets los om het
afspelen vanaf dat punt te hervatten.
Verwante onderwerpen
Selecteren van de audiobron(Blz. 34)
Aansluiten op een USB-aansluiting(Blz. 37)
Wijzigen van de geluids- en media-instellingen(Blz. 84)
5-3. Bediening USB-stick
170
Aanpassen van de geluidsinstellingen per bron(Blz. 86)
Instellen van de beeldkwaliteit(Blz. 87)
Overschakelen naar een andere schermmodus(Blz. 88)
5-3. Bediening USB-stick
171
5
Audiosysteem
Bediening iPod/iPhone
Voorzorgsmaatregelen bij het afspelen van muziek via iPod/iPhone
Houd rekening met de volgende informatie met betrekking tot het afspelen van
muziek via iPod/iPhone.
INFORMATIE
Deze functie kan niet worden gebruikt wanneer er via een USB-kabel verbinding is
gemaakt met Apple CarPlay.
Het losnemen van een aansluiting of het losnemen van een aangesloten apparaat terwijl
de iPod/iPhone-modus is ingeschakeld, kan een storend geluid veroorzaken.
Als een USB-hub wordt gebruikt om meerdere apparaten aan te sluiten, kan alleen het
apparaat dat als eerste wordt herkend, worden gebruikt.
Als er een iPod/iPhone is aangesloten en er wordt vanaf een andere bron
overgeschakeld naar iPod/iPhone zal het laatst afgespeelde nummer worden gestart.*1
WAARSCHUWING
Uit veiligheidsoverwegingen wordt het afgeraden om de iPod/iPhone te bedienen tijdens het
rijden.
OPMERKING
Laat de iPod/iPhone niet achter in de auto. De temperatuur in de auto kan hoog oplopen,
waardoor de iPod/iPhone defect kan raken.
Druk niet op de iPod/iPhone en oefen er geen onnodige druk op uit terwijl deze is
aangesloten. De iPod/iPhone of de aansluiting kan beschadigd raken.
Houd de aansluiting vrij van verontreinigingen. De iPod/iPhone of de aansluiting kan
beschadigd raken.
Verwante onderwerpen
Informatie iPod(Blz. 248)
*1 : Afhankelijk van het aangesloten apparaat wijkt de bediening mogelijk af van de
beschrijving.
5-4. Bediening iPod/iPhone
172
Afspelen vanaf een iPod/iPhone
Speel muziekbestanden af op een iPod/iPhone die is aangesloten op de USB-
aansluiting. Wanneer een iPod/iPhone is aangesloten, wordt er een toets met de
naam van het apparaat weergegeven op het selectiescherm voor de bron. Dit wordt
voor sommige apparaten mogelijk niet weergegeven.
INFORMATIE
Afhankelijk van de generatie en het model van de aangesloten iPod/iPhone, ziet de
afbeelding van de albumhoes er mogelijk korrelig uit of gaat het scrollen door de lijst
mogelijk traag.
Afhankelijk van de generatie en het model van de aangesloten iPod/iPhone, kunnen
sommige handelingen mogelijk niet of niet goed worden uitgevoerd.
Sluit een iPod of iPhone aan.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Sources] (bronnen).
3Kies de naam van het apparaat of [USB].
4Bedien indien nodig de iPod/iPhone die wordt afgespeeld.
Bediening vanaf het scherm
[ ] : Hiermee kunt u in
willekeurige volgorde afspelen.
Telkens wanneer u deze toets
kiest, wijzigt de instelling voor het
in willekeurige volgorde afspelen.*1
[ ] : Speelt het nummer dat op
dit moment wordt afgespeeld vanaf
het begin af. Indien u aan het begin
van het nummer bent, wordt het
vorige nummer vanaf het begin afgespeeld.
Houd uw vinger op deze toets om terug te spoelen. Laat de toets los om het
afspelen vanaf dat punt te hervatten.
[ ] : Afspelen wordt onderbroken.
[ ] : Afspelen.
[ ] : Nummer wijzigen.
Houd uw vinger op deze toets om vooruit te spoelen. Laat de toets los om
het afspelen vanaf dat punt te hervatten.
[ ] : Hiermee kunt u het afspelen herhalen.
Telkens wanneer u deze toets kiest, wijzigt de instelling voor het herhalen.*1
[ ] : Geeft de in te stellen items weer.
Overzicht van submenu's : Selecteren van een nummer uit de volgende
categorieën:
5-4. Bediening iPod/iPhone
173
5
Audiosysteem
[Playlists] (afspeellijsten) : Selecteer een nummer uit de afspeellijst.
[Artists] (artiesten) : Selecteer een nummer via de naam van de artiest.
[Albums] : Selecteer een nummer via de albumnaam.
[Songs] (nummers) : Selecteer een nummer via de naam van het
nummer.
[Genres] : Selecteer een nummer via het genre.
[Composers] (componisten) : Selecteer een nummer via de naam van de
componist.
[Radio] : Selecteer een nummer via de radiozender.
[Audiobooks] (audioboeken) : Selecteer een nummer via de naam van
het audioboek.
[Podcasts] : Selecteer een nummer via de naam van de podcast.
Bedienen met de stuurwieltoetsen
Toetsen [ ]/[ ]
Nummer wijzigen.
Houd uw vinger op deze toets om terug of vooruit te spoelen. Laat de toets los om het
afspelen vanaf dat punt te hervatten.
Verwante onderwerpen
Selecteren van de audiobron(Blz. 34)
Aansluiten op een USB-aansluiting(Blz. 37)
Wijzigen van de geluids- en media-instellingen(Blz. 84)
Aanpassen van de geluidsinstellingen per bron(Blz. 86)
*1 : De volgorde van de instellingen voor in willekeurige volgorde afspelen of herhalen
verschilt per aangesloten apparaat.
5-4. Bediening iPod/iPhone
174
Bediening Apple CarPlay
Voorzorgsmaatregelen bij het afspelen van muziek via Apple CarPlay
Houd rekening met de volgende informatie met betrekking tot het afspelen van
muziek via Apple CarPlay.
Deze functie is in sommige landen of gebieden niet beschikbaar.
INFORMATIE
Deze functie kan niet worden gebruikt wanneer Android Auto is verbonden.
Als een apparaat met Apple CarPlay via USB is aangesloten, kan het loskoppelen een
storend geluid veroorzaken.
Als er een iPhone is gekoppeld en er wordt vanaf een andere bron overgeschakeld naar
Apple CarPlay zal het laatst afgespeelde nummer worden gestart.
WAARSCHUWING
Uit veiligheidsoverwegingen wordt het afgeraden om de iPhone te bedienen tijdens het
rijden.
OPMERKING
Laat de iPhone niet achter in de auto. De temperatuur in de auto kan hoog oplopen,
waardoor de iPhone defect kan raken.
Druk niet op de iPhone en oefen er geen onnodige druk op uit terwijl deze is
aangesloten. De iPhone of de aansluiting kan beschadigd raken.
Houd de aansluiting vrij van verontreinigingen. De iPhone of de aansluiting kan
beschadigd raken.
Verwante onderwerpen
Voorzorgsmaatregelen bij gebruik van Apple CarPlay en Android
Auto(Blz. 113)
5-5. Bediening Apple CarPlay
175
5
Audiosysteem
Afspelen via Apple CarPlay
Speel muziekbestanden af op een iPhone die is aangesloten op de USB-aansluiting
of op een draadloos aangesloten iPhone. Wanneer verbinding is gemaakt met
Apple CarPlay, wordt er een toets met de naam van het apparaat weergegeven op
het selectiescherm voor de bron. Dit wordt voor sommige apparaten mogelijk niet
weergegeven.
INFORMATIE
Afhankelijk van de generatie en het model van de aangesloten iPhone, kunnen sommige
handelingen mogelijk niet of niet goed worden uitgevoerd.
Wanneer bijvoorbeeld het nummer niet normaal wordt afgespeeld of het geluid overslaat,
werk dan de iOS bij naar de nieuwste versie. Bijwerken lost mogelijk de problemen op.
Maak verbinding met Apple CarPlay.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Sources] (bronnen).
3Kies [Apple CarPlay] (apparaatnaam).
4Bedien indien nodig de Apple CarPlay die wordt afgespeeld.
Bediening vanaf het scherm
[ ] : Hiermee kunt u in
willekeurige volgorde afspelen.
Telkens wanneer u deze toets
kiest, wijzigt de instelling voor het
in willekeurige volgorde afspelen.*1
[ ] : Speelt het nummer dat op
dit moment wordt afgespeeld vanaf
het begin af.
Indien u aan het begin van het
nummer bent, wordt het vorige nummer vanaf het begin afgespeeld.
Houd uw vinger op deze toets om terug te spoelen. Laat de toets los om het
afspelen vanaf dat punt te hervatten.
[ ] : Afspelen wordt onderbroken.
[ ] : Afspelen.
[ ] : Nummer wijzigen.
Houd uw vinger op deze toets om vooruit te spoelen. Laat de toets los om
het afspelen vanaf dat punt te hervatten.
[ ] : Hiermee kunt u het afspelen herhalen.
Telkens wanneer u tijdens het herhalen deze toets kiest, wijzigt de instelling
voor het herhalen.*1
[ ] : Geeft de in te stellen items weer.
5-5. Bediening Apple CarPlay
176
[Open CarPlay] : Geeft het Apple CarPlay-scherm weer.
Bedienen met de stuurwieltoetsen
Toetsen [ ]/[ ]
Nummer wijzigen.
Houd uw vinger op deze toets om terug of vooruit te spoelen. Laat de toets los om het
afspelen vanaf dat punt te hervatten.
Verwante onderwerpen
Selecteren van de audiobron(Blz. 34)
Wijzigen van de geluids- en media-instellingen(Blz. 84)
Aanpassen van de geluidsinstellingen per bron(Blz. 86)
Gebruik van Apple CarPlay met een ongeregistreerde smartphone(Blz.
116)
Gebruik van Apple CarPlay met een geregistreerde smartphone(Blz. 119)
Bluetooth®-apparaten instellen(Blz. 91)
*1 : De volgorde van de instellingen voor in willekeurige volgorde afspelen of herhalen
verschilt per aangesloten apparaat.
5-5. Bediening Apple CarPlay
177
5
Audiosysteem
Bediening Android Auto
Voorzorgsmaatregelen bij het afspelen van muziek via Android Auto
Houd rekening met de volgende informatie met betrekking tot het afspelen van
muziek via Android Auto.
Deze functie is in sommige landen of gebieden niet beschikbaar.
INFORMATIE
Deze functie kan niet worden gebruikt in combinatie met Apple CarPlay.
Als een apparaat met Android Auto via USB is aangesloten, kan het loskoppelen een
storend geluid veroorzaken.
Als er een Android-apparaat is gekoppeld en er wordt vanaf een andere bron
overgeschakeld naar Android Auto zal het laatst afgespeelde nummer worden gestart.
WAARSCHUWING
Uit veiligheidsoverwegingen wordt het afgeraden om het Android-apparaat te bedienen
tijdens het rijden.
OPMERKING
Laat het Android-apparaat niet achter in de auto. De temperatuur in de auto kan hoog
oplopen, waardoor het Android-apparaat defect kan raken.
Druk niet op het Android-apparaat en oefen geen onnodige druk hierop uit terwijl het
apparaat is aangesloten. Het Android-apparaat of de aansluiting kan beschadigd raken.
Houd de aansluiting vrij van verontreinigingen. Het Android-apparaat of de aansluiting
kan beschadigd raken.
Verwante onderwerpen
Voorzorgsmaatregelen bij gebruik van Apple CarPlay en Android
Auto(Blz. 113)
5-6. Bediening Android Auto
178
Android Auto afspelen
Speel muziekbestanden af op een Android-apparaat dat is aangesloten op de USB-
aansluiting. Wanneer een Android-apparaat is aangesloten, wordt er een toets met
de naam van het apparaat weergegeven op het selectiescherm voor de bron. Dit
wordt voor sommige apparaten mogelijk niet weergegeven.
Verbinding maken met Android Auto
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Sources] (bronnen).
3Kies [Android Auto] (apparaatnaam).
4Bedien indien nodig de Android Auto die wordt afgespeeld.
Bediening vanaf het scherm
[ ] : Speelt het nummer dat
op dit moment wordt afgespeeld
vanaf het begin af. Indien u aan het
begin van het nummer bent, wordt
het vorige nummer vanaf het begin
afgespeeld.
[ ] : Afspelen wordt
onderbroken.
[ ] : Afspelen.
[ ] : Nummer wijzigen.
[ ] : Geeft de in te stellen items weer.
[Open Android Auto] (Android Auto openen) : Geeft het Android Auto-
scherm weer.
Bedienen met de stuurwieltoetsen
Toetsen [ ]/[ ]
Nummer wijzigen.
Verwante onderwerpen
Selecteren van de audiobron(Blz. 34)
Wijzigen van de geluids- en media-instellingen(Blz. 84)
5-6. Bediening Android Auto
179
5
Audiosysteem
Aanpassen van de geluidsinstellingen per bron(Blz. 86)
Gebruik van Android Auto(Blz. 122)
5-6. Bediening Android Auto
180
Bediening Bluetooth®-audio
Voorzorgsmaatregelen voor afspelen van Bluetooth®-audio
Let bij het afspelen van Bluetooth®-audio goed op onderstaande informatie.
INFORMATIE
Voor gebruik is registratie van de mobiele telefoon of andere draagbare Bluetooth®-
audiospeler (hierna draagbaar apparaat genoemd) in het multimediasysteem vereist.
Vergeet niet dat sommige functies mogelijk beperkt beschikbaar zijn, afhankelijk van het
type draagbare speler.
Deze functie kan niet worden gebruikt wanneer er via Wi-Fi® verbinding is gemaakt met
Apple CarPlay.
Gelijktijdig gebruik met een draadloos apparaat kan de communicatie met beide
apparaten negatief beïnvloeden.
Wanneer de Wi-Fi®-functie wordt ingeschakeld in de instellingen van het
multimediasysteem, wordt het geluid van Bluetooth®-audio mogelijk onderbroken.
WAARSCHUWING
De bestuurder dient uit veiligheidsoverwegingen het draagbare apparaat niet te bedienen
tijdens het rijden.
De antenne voor Bluetooth®-communicatie is in het multimediasysteem ingebouwd.
Gebruikers van elektrische medische apparatuur anders dan geïmplanteerde
pacemakers, CRT-pacemakers en geïmplanteerde hartdefibrillatoren moeten voor
gebruik contact opnemen met hun arts en de fabrikant van deze producten om te
informeren of elektrische signalen de werking van deze apparatuur negatief kunnen
beïnvloeden.
OPMERKING
Laat het draagbare apparaat niet achter in de auto. De temperatuur in de auto kan hoog
oplopen, waardoor het draagbare apparaat defect kan raken.
Druk niet op het aangesloten draagbare apparaat en oefen er geen onnodige druk op uit.
Het draagbare apparaat of de aansluiting kan beschadigd raken.
Houd de aansluiting vrij van verontreinigingen. Het draagbare apparaat of de aansluiting
kan beschadigd raken.
Gebruik een draagbaar apparaat niet in de buurt van het multimediasysteem. Als u dit te
dichtbij brengt, kan de kwaliteit van het geluid of de verbinding verslechteren.
Verwante onderwerpen
Bluetooth®-informatie(Blz. 250)
Voorzorgsmaatregelen bij gebruik van Bluetooth®-apparaten(Blz. 96)
Registreren van een Bluetooth®-apparaat vanaf het
multimediasysteem(Blz. 99)
Wijzigen van de Wi-Fi®-instellingen(Blz. 89)
5-7. Bediening Bluetooth®-audio
181
5
Audiosysteem
Bluetooth®-audio afspelen
Door een draagbaar apparaat aan te sluiten, kan het draagbare apparaat worden
gebruikt zonder het rechtstreeks te bedienen.
INFORMATIE
Onderstaande informatie wordt mogelijk niet weergegeven, afhankelijk van het draagbare
apparaat dat is aangesloten:
Mapnaam
Naam van het nummer
Naam van het album
Naam van de artiest
Afspeeltijd
Totale tijd
Afspelen in willekeurige volgorde
Herhalen
Afspelen/pauze
Volgend/vorig nummer
Afhankelijk van het aangesloten apparaat kunnen de volgende problemen optreden:
De bediening kan niet worden uitgevoerd vanaf het multimediasysteem.
De bediening of het volume wijkt af.
De weergave van gegevens zoals informatie over een nummer of de tijd verschilt
mogelijk tussen het multimediasysteem en het draagbare apparaat.
Mogelijk wordt de verbinding verbroken wanneer het afspelen stopt.
Bij langdurig spelen kan het geluid overslaan.
Wanneer een draagbaar apparaat is aangesloten, kan het volume afwijken, afhankelijk
van het draagbare apparaat.
Er kan een draagbaar apparaat worden aangesloten op het multimediasysteem.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Sources] (bronnen).
3Kies de naam van het apparaat of [Bluetooth].
4Bedien indien nodig het Bluetooth®-audioapparaat dat wordt afgespeeld.
Bediening vanaf het scherm
5-7. Bediening Bluetooth®-audio
182
[ ] : Hiermee kunt u in
willekeurige volgorde afspelen.
Telkens wanneer u deze toets
kiest, wijzigt de instelling voor het
in willekeurige volgorde afspelen.*1
[ ] : Speelt het nummer dat op
dit moment wordt afgespeeld vanaf
het begin af. Indien u aan het begin
van het nummer bent, wordt het
vorige nummer vanaf het begin afgespeeld.
Houd uw vinger op deze toets om terug te spoelen. Laat de toets los om het
afspelen vanaf dat punt te hervatten.
[ ] : Kies deze toets om het afspelen te onderbreken.
[ ] : Afspelen.
[ ] : Nummer wijzigen.
Houd uw vinger op deze toets om vooruit te spoelen. Laat de toets los om
het afspelen vanaf dat punt te hervatten.
[ ] : Hiermee kunt u het afspelen herhalen.
Telkens wanneer u deze toets kiest, wijzigt de instelling voor het herhalen.*1
[ ] : Geeft de in te stellen items weer.
Mapnamen of namen van nummers in het submenu : Kies de mapnaam of
de naam van het af te spelen bestand.
Bedienen met de stuurwieltoetsen
Toetsen [ ]/[ ]
Nummer wijzigen.
Houd uw vinger op deze toets om terug of vooruit te spoelen. Laat de toets los om het
afspelen vanaf dat punt te hervatten.
*1 : De volgorde van de instellingen voor in willekeurige volgorde afspelen of herhalen
verschilt per uitvoering.
5-7. Bediening Bluetooth®-audio
183
5
Audiosysteem
Verwante onderwerpen
Selecteren van de audiobron(Blz. 34)
Wijzigen van de geluids- en media-instellingen(Blz. 84)
Aanpassen van de geluidsinstellingen per bron(Blz. 86)
Bluetooth®-apparaten instellen(Blz. 91)
5-7. Bediening Bluetooth®-audio
184
Bediening Miracast®
Voorzorgsmaatregelen bij het afspelen van muziek via Miracast®
Houd rekening met de volgende informatie bij het afspelen via Miracast®.
INFORMATIE
Het apparaat is aangesloten via Wi-Fi® (P2P-modus).
Deze functie kan niet worden gebruikt wanneer er via Wi-Fi® verbinding is gemaakt met
Apple CarPlay.
Deze functie werkt volgens het best-effort-principe.
De weergegeven Miracast®-namen verschillen per apparaat.
Wanneer de Wi-Fi®-netwerkverbinding is ingeschakeld, kunnen de communicatie van de
Wi-Fi®-netwerkverbinding en de Miracast®-communicatie elkaar beïnvloeden. Hierdoor
kan het beeld vervormen of de audio haperen.
WAARSCHUWING
Sluit de smartphone of tablet niet aan en bedien deze niet tijdens het rijden.
OPMERKING
Laat uw smartphone of tablet niet achter in de auto. De temperatuur in de auto kan hoog
oplopen, waardoor de smartphone of tablet defect kan raken.
Verwante onderwerpen
Voorzorgsmaatregelen bij gebruik van Wi-Fi®-apparaten(Blz. 108)
Wijzigen van de Wi-Fi®-instellingen(Blz. 89)
5-8. Bediening Miracast®
185
5
Audiosysteem
Aansluiten van Miracast®-compatibele apparaten
Android-smartphones en -tablets die Miracast® ondersteunen, kunnen worden
aangesloten.
Raadpleeg de handleiding en overige documentatie van het apparaat om vast te
stellen of het gebruikte apparaat Miracast® ondersteunt.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Sources] (bronnen).
3Kies [Miracast®].
4Dit zorgt ervoor dat Miracast®-
compatibele apparaten verbinding
kunnen maken.
Raadpleeg de handleiding van het
apparaat voor meer informatie over de
bediening van het apparaat.
Begin de verbindingsprocedure opnieuw
vanaf het begin als een scherm wordt
weergegeven waarop wordt gemeld dat
het niet is gelukt om verbinding te
maken.
5Controleer de apparaatnaam en kies vervolgens [OK].
Verwante onderwerpen
Wijzigen van de Wi-Fi®-instellingen(Blz. 89)
5-8. Bediening Miracast®
186
Afspelen via Miracast®
Muziek en video's op een smartphone of tablet kunnen via het multimediasysteem
worden afgespeeld.
INFORMATIE
Het Miracast®-volume verschilt mogelijk per aangesloten apparaat.
Het geluid wordt uitgeschakeld wanneer de Wi-Fi®-verbinding wordt verbroken.
Sluit een Miracast®-compatibel apparaat aan.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Sources] (bronnen).
3Kies [Miracast®].
4Bedien indien nodig de Miracast®-content die wordt afgespeeld.
Weergave op volledig scherm
Raak het scherm aan om de bedieningstoetsen weer te geven.
[ ] : Geeft het
bedieningsscherm weer.
Gebruik van het bedieningsscherm
Kies [ ] op het volledige scherm om het bedieningsscherm weer te geven.
[ ] : Wijzigt de weergave naar
het volledige scherm.
[ ] : Geeft de in te stellen items
weer.
[Disconnect]
(ontkoppelen) : Verbreek de
verbinding met Miracast®.
Het geluid wordt uitgeschakeld.
Verwante onderwerpen
Selecteren van de audiobron(Blz. 34)
Wijzigen van de geluids- en media-instellingen(Blz. 84)
Aanpassen van de geluidsinstellingen per bron(Blz. 86)
5-8. Bediening Miracast®
187
5
Audiosysteem
Instellen van de beeldkwaliteit(Blz. 87)
Overschakelen naar een andere schermmodus(Blz. 88)
5-8. Bediening Miracast®
188
6Handsfree bellen
6-1. Voorzorgsmaatregelen bij
handsfree bellen
Voorzorgsmaatregelen voor
handsfree bellen..................... 190
Voorzorgsmaatregelen wanneer
u de auto verkoopt of wegdoet 193
Wanneer handsfree bellen
mogelijk niet functioneert........ 194
6-2. Handsfree bellen met behulp van
de stuurwieltoetsen
Bedienen met de
stuurwieltoetsen ..................... 197
6-3. Bellen
Bellen vanuit
oproepgeschiedenis ............... 199
Bellen via de lijst met favorieten 200
Bellen vanuit contactenlijst ....... 201
Bellen via het toetsenblok......... 202
Pechhulp van Toyota bellen ...... 203
Bellen met behulp van een
wacht- of pauzesignaal........... 204
6-4. Oproepen beantwoorden
Oproepen beantwoorden .......... 205
Oproepen weigeren .................. 207
6-5. Bediening tijdens
telefoongesprekken
Bediening vanaf het belscherm 208
Een onderbroken oproep
beantwoorden......................... 210
Iemand anders bellen tijdens
een lopend gesprek................ 211
Een conferencecall starten ....... 212
Beëindigen van gesprekken ..... 213
6-6. Wisselen van telefoon voor
handsfree bellen
Wisselen van telefoon voor
handsfree bellen..................... 214
6-7. Bewerken van contactgegevens
Overbrengen van
contactgegevens .................... 215
Nieuwe contactgegevens aan
contacten toevoegen .............. 219
Favorieten registreren............... 221
6-8. Gebruik van de berichtfunctie
Voorzorgsmaatregelen bij
gebruik van de berichtfunctie . 222
Bellen via de berichtfunctie....... 226
189
6
Handsfree bellen
Voorzorgsmaatregelen handsfree bellen
Voorzorgsmaatregelen voor handsfree bellen
Door het aansluiten van een Bluetooth® mobiele telefoon (hierna “mobiele telefoon”
genoemd) die door het systeem is geverifieerd, kan de telefoonfunctie worden
gebruikt om telefoongesprekken te starten en te ontvangen zonder de mobiele
telefoon rechtstreeks te bedienen. Dit staat bekend als handsfree bellen.
De mobiele telefoon moet de specificaties van het multimediasysteem
ondersteunen om er verbinding mee te kunnen maken. Maar houd er rekening mee
dat sommige functies beperkt beschikbaar zijn, afhankelijk van het type mobiele
telefoon.
Zelfs wanneer er verbinding is met Apple CarPlay of Android Auto kan het scherm
voor handsfree bellen mogelijk niet worden weergegeven, afhankelijk van de
omstandigheden.
INFORMATIE
Neem de volgende voorzorgsmaatregelen in acht bij het gebruik van de mobiele telefoon
met de handsfree-functie.
De handsfree-functie kan pas worden gebruikt als de mobiele telefoon geregistreerd
is in het multimediasysteem en verbonden is via Bluetooth®. Registreer eerst een
mobiele telefoon om handsfree te kunnen bellen.
Verzeker u ervan dat de mobiele telefoon gebruik kan maken van de Bluetooth®-
connectiviteit.
Tijdens het afspelen van audio via Bluetooth® kunnen bij het starten of ontvangen van
een telefoongesprek de weergave op het scherm en de toets- of beltoon vertraagd
zijn.
Er kan niet worden gegarandeerd dat het multimediasysteem werkt met alle Bluetooth®-
apparaten.
De volgende problemen kunnen zich voordoen, afhankelijk van het type mobiele telefoon.
Als het contact wordt bediend tijdens een handsfree gesprek, kan de verbinding
worden verbroken.
Mogelijk wordt het oproepscherm niet weergegeven of wordt het belscherm
weergegeven zolang de andere partij de telefoon nog niet heeft opgenomen.
Zelfs wanneer het nummer wordt ingevoerd via het numerieke toetsenbord op het
oproepscherm, worden de toetstonen mogelijk niet doorgestuurd, afhankelijk van de
mobiele-serviceprovider.
Na het kiezen van het nummer kan het nodig zijn om extra handelingen uit te voeren
op de mobiele telefoon.
Handsfree bellen is mogelijk niet beschikbaar in de volgende situaties.
Buiten het dekkingsgebied van de provider
Wanneer uitgaande oproepen geblokkeerd worden, bijvoorbeeld als het netwerk
overbelast is
Tijdens noodoproepen
Tijdens het synchroniseren van contactgegevens vanuit de mobiele telefoon
Als de kiesvergrendeling is ingeschakeld voor de mobiele telefoon
6-1. Voorzorgsmaatregelen bij handsfree bellen
190
Als de mobiele telefoon in gebruik is, zoals tijdens het versturen van data
Als de mobiele telefoon defect is
Als de mobiele telefoon niet verbonden is
Als de batterij van de mobiele telefoon bijna leeg is
Als de mobiele telefoon uitgeschakeld is
Als de instellingen voorkomen dat de mobiele telefoon kan worden gebruikt voor
handsfree bellen
Tijdens het overschakelen van datacommunicatie of overbrengen van contacten naar
handsfree bellen met het multimediasysteem. (Tijdens het overschakelen wordt de
Bluetooth®-verbindingsstatus niet weergegeven.)
Als de mobiele telefoon zelf niet kan worden gebruikt vanwege een bepaalde reden
Als de handsfree-functie gelijktijdig met Wi-Fi® (Wi-Fi® of Miracast®) wordt gebruikt; de
Bluetooth®-verbinding van de mobiele telefoon wordt dan mogelijk verbroken.
WAARSCHUWING
Uit veiligheidsoverwegingen wordt het afgeraden om de mobiele telefoon te bedienen
tijdens het rijden.
Mensen met geïmplanteerde pacemakers, CRT-pacemakers of geïmplanteerde
hartdefibrillatoren moeten voldoende afstand bewaren tot de Bluetooth®-antennes.
Radiogolven kunnen de werking van dergelijke apparatuur beïnvloeden.
Alvorens Bluetooth®-apparaten te gebruiken, moeten gebruikers van medische
apparatuur anders dan geïmplanteerde pacemakers, CRT-pacemakers en
geïmplanteerde hartdefibrillatoren contact opnemen met de fabrikant of leverancier
van deze producten om te informeren of radiosignalen invloed uitoefenen op deze
apparatuur. Radiogolven kunnen onverwachte effecten hebben op de werking van
dergelijke medische apparatuur.
OPMERKING
Laat geen mobiele telefoon in de auto achter. De temperatuur in de auto kan hoog oplopen,
waardoor de mobiele telefoon defect kan raken.
Verwante onderwerpen
Voorzorgsmaatregelen bij gebruik van Bluetooth®-apparaten(Blz. 96)
Bluetooth®-specificaties en compatibele profielen(Blz. 98)
Registreren van een Bluetooth®-apparaat vanaf het
multimediasysteem(Blz. 99)
Voorzorgsmaatregelen voor audio bij bellen
Bij een handsfree gesprek kan de in de auto ingebouwde microfoon worden
gebruikt om te praten. Houd rekening met de volgende informatie bij handsfree
bellen.
6-1. Voorzorgsmaatregelen bij handsfree bellen
191
6
Handsfree bellen
Bij het ontvangen van oproepen en het
voeren van een telefoongesprek komt
het geluid uit de luidsprekers aan beide
zijden van de voorstoelen.
Het stemgeluid wordt gedept als een
geluid of beltoon klinkt vanaf het
handsfree-systeem.
INFORMATIE
Wacht tijdens een telefoongesprek met praten totdat de gesprekspartner is uitgepraat.
Indien beide partijen tegelijkertijd spreken, is mogelijk moeilijk te verstaan wat de ander
zegt.
Als het ontvangstvolume te hoog is, is de stem van de gesprekspartner mogelijk buiten
de auto hoorbaar of klinkt er mogelijk een echo.
Praat duidelijk en met luide stem.
In de volgende omstandigheden bent u voor uw gesprekspartner mogelijk moeilijk te
verstaan.
Er wordt op een slecht wegdek gereden.
Er wordt met hoge snelheid gereden.
Het dak of de ruiten zijn geopend.
De uitstroomopeningen van de airconditioning zijn op de microfoon gericht.
Als de ventilator van de airconditioning te veel geluid maakt.
Plaats de mobiele telefoon dichter in de buurt van de microfoon
De geluidskwaliteit wordt negatief beïnvloed (bijv. ruis of echo) als gevolg van de telefoon
en/of het netwerk dat wordt gebruikt.
Als er gelijktijdig andere Bluetooth®-apparaten zijn aangesloten, wordt er mogelijk ruis
gegenereerd in de audio van het handsfree-systeem.
Als het multimediasysteem is geconfigureerd voor het gebruik van de Wi-Fi®-functie
(Wi-Fi® of Miracast®), wordt er mogelijk ruis gegenereerd in de audio van het handsfree-
systeem.
OPMERKING
Raak de microfoon niet aan met scherpe voorwerpen en steek deze er ook niet in. Hierdoor
kunnen storingen optreden.
6-1. Voorzorgsmaatregelen bij handsfree bellen
192
Voorzorgsmaatregelen wanneer u de auto verkoopt of wegdoet
Wanneer u het handsfree-systeem gebruikt, wordt een groot aantal persoonlijke
gegevens geregistreerd. Zorg ervoor dat u deze gegevens wist voordat u de auto
verkoopt of wegdoet.
Nadat alle informatie is geïnitialiseerd, worden alle gegevens in het
multimediasysteem geïnitialiseerd en weer ingesteld op de fabrieksstandaard. Het
is niet mogelijk om terug te keren naar de situatie voor de initialisatie.
Verwante onderwerpen
Wijzigen van de beveiligingsinstellingen(Blz. 67)
6-1. Voorzorgsmaatregelen bij handsfree bellen
193
6
Handsfree bellen
Wanneer handsfree bellen mogelijk niet functioneert
Als u een van de volgende verschijnselen opmerkt, raadpleeg dan de onderstaande
tabel voor de mogelijke oorzaak en de oplossing.
Gebruikmaken van handsfree bellen
Symptoom Mogelijke oorzaak Oplossing
Handsfree bellen werkt
niet
Uw mobiele telefoon
ondersteunt geen
Bluetooth®.
Neem voor een overzicht van
specifieke apparaten die geschikt zijn
voor het multimediasysteem contact
op met een erkende Toyota-dealer
of hersteller/reparateur of een andere
naar behoren gekwalificeerde en
uitgeruste deskundige.
Uw mobiele telefoon
ondersteunt niet de
juiste Bluetooth®-versie.
Gebruik een mobiele telefoon die
de Bluetooth® Core-specificatie versie
2.1 of hoger ondersteunt.
Mobiele telefoon registreren en verbinden
Symptoom Mogelijke oorzaak Oplossing
Uw mobiele telefoon
kan niet worden
geregistreerd
De registratieprocedure
van de mobiele telefoon
is niet voltooid.
Als er een authenticatieverzoek wordt
weergegeven op uw mobiele telefoon,
accepteer dit dan en ga verder met de
registratieprocedure.
Er is verouderde
registratie-informatie
aanwezig op hetzij de
mobiele telefoon hetzij
het multimediasysteem.
Verwijder de registratie-informatie van
zowel het multimediasysteem als
de mobiele telefoon en voer de
registratieprocedure opnieuw uit.
Kan geen verbinding
maken via Bluetooth®
Er is al een
andere mobiele
telefoon verbonden via
Bluetooth®.
Maak handmatig een Bluetooth®-
verbinding met de mobiele telefoon
vanaf het multimediasysteem.
Bluetooth® is niet
ingeschakeld op de
mobiele telefoon.
Zorg ervoor dat het contact in
stand ACC of AAN staat en schakel
Bluetooth® in op de mobiele telefoon.
De registratie-informatie
van de mobiele telefoon
is verwijderd.
Verwijder de registratie-informatie van
zowel het multimediasysteem als
de mobiele telefoon en voer de
registratieprocedure opnieuw uit.
Bellen
Symptoom Mogelijke oorzaak Oplossing
Kan niet bellen of gebeld
worden
Buiten het bereik van
een mobiel netwerk
Rijd de auto naar een gebied met
mobiele dekking.
6-1. Voorzorgsmaatregelen bij handsfree bellen
194
Symptoom Mogelijke oorzaak Oplossing
Kan niet bellen of gebeld
worden
Oproepen blokkeren
(kiesvergrendeling) is
ingeschakeld op de
mobiele telefoon.
Schakel oproepen blokkeren
(kiesvergrendeling) uit op de mobiele
telefoon.
Contacten
Symptoom Mogelijke oorzaak Oplossing
Kan contactgegevens
niet automatisch of
handmatig overbrengen
De mobiele telefoon
ondersteunt het
overbrengen van
contactgegevens niet.
Neem voor een overzicht van
specifieke apparaten die geschikt zijn
voor het multimediasysteem contact
op met een erkende Toyota-dealer
of hersteller/reparateur of een andere
naar behoren gekwalificeerde en
uitgeruste deskundige.
[Sync contacts]
(contacten
synchroniseren) bij de
Bluetooth®-instellingen
van het
multimediasysteem staat
uit.
Schakel [Sync contacts] (contacten
synchroniseren) in bij de
Bluetooth®-instellingen van het
multimediasysteem.
De mobiele telefoon
wacht op bevestiging
om de contactgegevens
over te brengen.
Bevestig het overbrengen van
contactgegevens op de mobiele
telefoon.
Op de mobiele
telefoon wordt een
bevestigingsverzoek
weergegeven.
Tijdens de bevestiging is
niet de optie om alles te
bevestigen geselecteerd.
Selecteer de optie om alles te
bevestigen op de mobiele telefoon en
ga dan verder.
De contactgegevens
zijn ergens anders
opgeslagen
De contacten zijn
niet opgeslagen in de
mobiele telefoon zelf.
Sla de contacten op in de mobiele
telefoon.
Contactgegevens
kunnen niet worden
gewijzigd
[Sync contacts]
(contacten
synchroniseren) bij de
Bluetooth®-instellingen
van het
multimediasysteem staat
aan.
Schakel [Sync contacts] (contacten
synchroniseren) uit bij de
Bluetooth®-instellingen van het
multimediasysteem.
Bij gebruik van de Bluetooth®-berichtfunctie
Symptoom Mogelijke oorzaak Oplossing
Berichten kunnen niet
worden bekeken.
Het overbrengen van
berichten is niet
ingeschakeld op de
mobiele telefoon.
Schakel het overbrengen van
berichten op de mobiele telefoon
in (bevestig het overbrengen van
berichten op de telefoon).
6-1. Voorzorgsmaatregelen bij handsfree bellen
195
6
Handsfree bellen
Symptoom Mogelijke oorzaak Oplossing
Er worden geen
meldingen voor nieuwe
berichten weergegeven.
Het automatisch
overbrengen van
berichten is niet
ingeschakeld op de
mobiele telefoon.
Schakel het automatisch overbrengen
op de mobiele telefoon in.
Overige omstandigheden
Symptoom Mogelijke oorzaak Oplossing
Het probleem verdwijnt
niet na het toepassen
van de mogelijke
oplossing.
De mobiele telefoon
bevindt zich te ver van
het multimediasysteem
vandaan.
Houd de mobiele telefoon dichter bij
het multimediasysteem.
Elektromagnetische
storing.
Zet apparaten uit die
mogelijk elektromagnetische golven
produceren, zoals Wi-Fi®-apparaten.
Schakel Wi-Fi® uit op het
multimediasysteem.
Een probleem met de
mobiele telefoon.
Schakel de mobiele telefoon uit en
verwijder indien mogelijk de batterij.
Zet Bluetooth® aan op de mobiele
telefoon.
Zet Wi-Fi® uit op de mobiele telefoon.
Schakel alle beveiligingssoftware en
andere apps die op de achtergrond
actief zijn uit op de mobiele telefoon.
Controleer of de mobiele telefoon
verbonden is met de juiste provider en
of de apps normaal functioneren.
INFORMATIE
Raadpleeg de handleiding van de mobiele telefoon voor meer informatie.
Verwante onderwerpen
Bluetooth®-apparaten instellen(Blz. 91)
Registreren van een Bluetooth®-apparaat vanaf het
multimediasysteem(Blz. 99)
Wissen van een geregistreerd Bluetooth®-apparaat(Blz. 102)
Wi-Fi®-verbinding verbreken(Blz. 112)
6-1. Voorzorgsmaatregelen bij handsfree bellen
196
Handsfree bellen met behulp van de stuurwieltoetsen
Bedienen met de stuurwieltoetsen
Sommige handsfree belfuncties kunnen worden bediend vanaf de stuurwieltoetsen,
zoals bellen of gebeld worden. De functies van de stuurwieltoetsen kunnen
verschillen, afhankelijk van de status van het multimediasysteem.
Bedien de toetsen indien nodig.
Toets []
Verhoogt het beltoonvolume of het
ontvangstvolume.
Geselecteerd houden om ononderbroken in
te stellen.
Toets [-]
Verlaagt het beltoonvolume of het
ontvangstvolume.
Geselecteerd houden om ononderbroken in
te stellen.
Toets [ ]
U kunt bellen met behulp van een spraakcommando.
Houd de spraaktoets ingedrukt om het spraakcommando te beëindigen.
Toets [ ]
Wanneer op het multimediasysteem een ander scherm dan het telefoonscherm wordt
weergegeven, kan het geschiedenisscherm worden weergegeven.
Wanneer op het multimediasysteem het telefoonscherm en [ ] wordt weergegeven,
kan er worden gebeld.
Wanneer op het multimediasysteem het telefoonscherm en [ ] niet wordt
weergegeven, kan het geschiedenisscherm worden weergegeven.
Wanneer u iemand belt of tijdens een telefoongesprek kunt u hiermee het gesprek
beëindigen.
Wanneer u een oproep ontvangt of wanneer een gesprek in de wacht staat, kunt u
hiermee de oproep beantwoorden.
INFORMATIE
Wanneer er verbinding is met Apple CarPlay of Android Auto, drukt u op [ ] om het
telefoonscherm van Apple CarPlay of Android Auto op het multimediasysteem weer te
geven.
Wanneer er verbinding is met Apple CarPlay en een handsfree telefoon, drukt u op
[ ] om het telefoonscherm van Apple CarPlay of het multimediasysteem weer te
geven. De laatst gebruikte functie krijgt prioriteit. Als geen van beide is gebruikt, krijgt
het primaire apparaat prioriteit.
Wanneer er verbinding is met Android Auto en een handsfree telefoon, drukt u op
[ ] om het telefoonscherm van het multimediasysteem weer te geven.
6-2. Handsfree bellen met behulp van de stuurwieltoetsen
197
6
Handsfree bellen
Wanneer u een oproep ontvangt, kunt u deze beantwoorden door [ ] in te drukken.
Hiermee wordt het telefoonscherm voor de binnenkomende oproep op de mobiele
telefoon weergegeven (handsfree telefoon, Apple CarPlay of Android Auto).
Verwante onderwerpen
Spraakcommandosysteem(Blz. 40)
Voorzorgsmaatregelen bij gebruik van Apple CarPlay en Android
Auto(Blz. 113)
6-2. Handsfree bellen met behulp van de stuurwieltoetsen
198
Bellen
Bellen vanuit oproepgeschiedenis
Er kan worden gebeld naar telefoonnummers die in de oproepgeschiedenis zijn
opgeslagen als uitgaande of binnenkomende oproepen.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Recents] (recent).
3Selecteer het contact.
Voor telefoonnummers die niet bij het
contact zijn geregistreerd, wordt het
telefoonnummer weergegeven zoals het is.
4Kies het gewenste telefoonnummer.
INFORMATIE
De laatste 100 vermeldingen in de oproepgeschiedenis worden weergegeven. Als
de oproepgeschiedenis de 100 vermeldingen overschrijdt, worden geschiedenisitems
automatisch verwijderd, te beginnen bij het oudste.
De oproepgeschiedenis van uitgaande oproepen wordt als volgt geregistreerd,
afhankelijk van de omstandigheden.
Als er is gebeld naar een telefoonnummer dat is geregistreerd in contacten of in
het navigatiesysteem, worden de eventuele naams- en afbeeldingsgegevens ook
geregistreerd.
Wanneer er meerdere keren naar hetzelfde telefoonnummer is gebeld, wordt
achter de naam van het contact het aantal oproepen weergegeven.
De oproepgeschiedenis van binnenkomende oproepen wordt als volgt geregistreerd,
afhankelijk van de omstandigheden.
Als er is gebeld door een telefoonnummer dat is geregistreerd in contacten,
worden de eventuele naams- en afbeeldingsgegevens ook geregistreerd.
Als er meerdere keren door hetzelfde telefoonnummer is gebeld, worden alle
oproepen geregistreerd.
Ook gemiste en geweigerde oproepen worden geregistreerd.
Als het telefoonnummer van de beller is afgeschermd, wordt de oproep
geregistreerd als "Unknown (onbekend)".
Ook oproepen die in de wacht zijn gezet, worden in de oproepgeschiedenis
geregistreerd.
Afhankelijk van het type mobiele telefoon kan er mogelijk niet internationaal worden
gebeld.
6-3. Bellen
199
6
Handsfree bellen
Bellen via de lijst met favorieten
Bel via uw lijst met favorieten door uw contacten aan uw favorieten toe te voegen.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Favourites] (favorieten).
3Selecteer de persoon die u wilt
bellen in uw lijst met favorieten.
4Kies het gewenste telefoonnummer.
INFORMATIE
Wanneer [Sync contacts] (contacten synchroniseren) is ingeschakeld, worden
de favorieten op de mobiele telefoon automatisch overgebracht naar het
multimediasysteem.
Afhankelijk van het type mobiele telefoon kunnen favorieten niet worden
overgebracht.
De gegevens van de favorieten kunnen ook worden geregistreerd vanuit de
gegevens die zijn geregistreerd in de contacten op het multimediasysteem.
Verwante onderwerpen
Overbrengen van contactgegevens(Blz. 215)
6-3. Bellen
200
Bellen vanuit contactenlijst
U kunt bellen naar contacten die zijn opgeslagen in het multimediasysteem.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Contacts] (contacten).
3Selecteer een contact.
4Kies het gewenste telefoonnummer.
INFORMATIE
Als de toets [Sync contacts] (contacten synchroniseren) op het scherm wordt
weergegeven, kunt u hiermee contactgegevens van uw mobiele telefoon kopiëren
naar het multimediasysteem.
Als er nog geen contactgegevens zijn opgeslagen moeten deze eerst worden
gekopieerd naar of aangemaakt in het multimediasysteem.
De contacten van de actieve mobiele telefoon worden weergegeven in het
multimediasysteem.
Als er twee mobiele telefoons verbonden zijn, worden de contacten getoond van de
telefoon die is geselecteerd voor oproepen.
Verwante onderwerpen
Overbrengen van contactgegevens(Blz. 215)
Nieuwe contactgegevens aan contacten toevoegen(Blz. 219)
6-3. Bellen
201
6
Handsfree bellen
Bellen via het toetsenblok
Voer het telefoonnummer in op het toetsenblok om te bellen.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Keypad] (toetsenblok).
3Voer het telefoonnummer in.
4Kies [ ] of druk op de
stuurwieltoets [ ].
U kunt ook bellen door een contact
te kiezen dat in het submenu wordt
weergegeven.
INFORMATIE
Afhankelijk van het type mobiele telefoon moet mogelijk de mobiele telefoon worden
bediend.
Verwante onderwerpen
Bedienen met de stuurwieltoetsen(Blz. 197)
6-3. Bellen
202
Pechhulp van Toyota bellen
U kunt de pechhulp van Toyota bellen via de lijst met favorieten. De oproep moet
worden gedaan vanuit een land dat het gebruik van de pechhulp van Toyota
ondersteunt. Het land moet zijn geregistreerd om deze functie te kunnen gebruiken.
Deze functie is in sommige landen of gebieden niet beschikbaar.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Favourites] (favorieten).
3Kies [Toyota assistance] (Toyota-assistentie) in de lijst met favorieten.
4Kies het telefoonnummer.
Het land registreren in Toyota-assistentie*1
Het land moet worden geregistreerd in Toyota-assistentie om gebruik te kunnen
maken van Toyota-pechhulp.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Favourites] (favorieten).
3Kies [Toyota assistance] (Toyota-
assistentie) in de lijst met
favorieten.
4Kies [Select a country] (selecteer
land).
5Selecteer het land.
6Kies [OK].
*1 : Met navigatiefunctie
6-3. Bellen
203
6
Handsfree bellen
Bellen met behulp van een wacht- of pauzesignaal
Nummers met wacht- (w) of pauzesignalen (p) kunnen worden gebeld. Het
doorverbinden met de nummers die volgen op het wacht- (w) of pauzesignaal (p)
wordt gedurende ongeveer 2 seconden onderbroken of gestopt.
Een wachtsignaal (w) onderbreekt het doorverbinden met het nummer. Het
doorverbinden wordt hervat na een handeling door de gebruiker tot het volgende
wacht- (w) of pauzesignaal (p).
Een pauzesignaal (p) zorgt ervoor dat het doorverbinden met het nummer
gedurende ongeveer 2 seconden wordt gestopt.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Contacts] (contacten).
3Selecteer het contact.
4Selecteer het telefoonnummer dat een wacht- (w) of pauzesignaal (p)
omvat.
5Als het telefoonnummer een
wachtsignaal (w) omvat, selecteer
dan [ ].
Wanneer [ ] wordt gekozen, wordt het
nummer dat werd onderbroken door het
wachtsignaal (w) alsnog doorverbonden tot
het volgende wacht- (w) of pauzesignaal
(p).
INFORMATIE
Afhankelijk van het type mobiele telefoon wordt het wachtsignaal mogelijk
weergegeven als een komma (,) en het pauzesignaal als een puntkomma (;) op het
scherm van de mobiele telefoon.
Deze functie wordt gebruikt voor internationale telefoongesprekken.
Vrijgavetonen kunnen worden gebruikt wanneer automatische bediening van een
telefoonservice, zoals een antwoordapparaat of een telefoonservice van een bank,
gewenst is. Een telefoonnummer met een wacht- (w) of pauzesignaal (p) kan worden
geregistreerd in de lijst met contacten.
6-3. Bellen
204
Oproepen beantwoorden
Oproepen beantwoorden
Wanneer een oproep wordt ontvangen, klinkt er een beltoon en wordt het scherm
voor binnenkomende oproepen of de melding voor binnenkomende oproepen
weergegeven.
Beantwoord de oproep door een
van de volgende handelingen uit te
voeren.
Kies [ ].
Druk op de toets [ ] op het stuurwiel.
Spreek een spraakcommando uit om de
telefoon op te nemen met behulp van het
spraakcommandosysteem.
INFORMATIE
Het scherm voor binnenkomende oproepen wordt niet weergegeven zolang het
scherm van het Peripheral Monitoring-systeem wordt weergegeven. Er wordt alleen
via een beltoon melding gemaakt van een binnenkomende oproep.
Tijdens een binnenkomende oproep worden afgezien van het geluid van de handsfree
oproep alle andere geluiden gedempt. Gesproken aanwijzingen met een hogere
prioriteit dan de handsfree oproep worden echter niet gedempt.
Zelfs als de beltoon van de mobiele telefoon is ingesteld op het multimediasysteem,
laat het multimediasysteem mogelijk een andere beltoon horen, afhankelijk van de
instellingen van de mobiele telefoon.
Afhankelijk van de instellingen van de mobiele telefoon, zoals rijmodus, kunt u
mogelijk geen oproepen ontvangen.
Afhankelijk van het type mobiele telefoon kan het onderstaande zich voordoen.
Mogelijk is de beltoon zowel via de luidsprekers van de auto als via de mobiele
telefoon te horen.
Wanneer u een oproep ontvangt, wordt het nummer van degene die belt mogelijk
niet weergegeven.
Als u een oproep rechtstreeks op de mobiele telefoon hebt beantwoord of als de
mobiele telefoon is ingesteld op het automatisch beantwoorden van oproepen, blijft
de oproep mogelijk op de mobiele telefoon.
Als er een oproep binnenkomt terwijl de mobiele telefoon gegevens verzendt,
wordt het scherm voor binnenkomende oproepen mogelijk niet weergegeven op
het multimediasysteem en is er mogelijk geen beltoon te horen.
Als de mobiele telefoon automatische overdracht van contactgegevens ondersteunt
(PBAP), de afbeeldingsgegevens in contacten zijn overgebracht en [Display contact
images] (afb. contacten weergeven) is ingeschakeld, wordt de afbeelding van
het contact naast het telefoonnummer weergegeven wanneer een oproep wordt
ontvangen.
Als de beltooninstelling op het multimediasysteem op iets anders is ingesteld dan de
beltoon van de mobiele telefoon, klinkt de beltoon die op het multimediasysteem is
geregistreerd, zelfs als de mobiele telefoon in de stille modus (trillen) is gezet of de
beltoon is verwijderd.
6-4. Oproepen beantwoorden
205
6
Handsfree bellen
De oproep wordt geweigerd als een oproep wordt ontvangen vanaf een
telefoonnummer waarbij in de instellingen voor de mobiele telefoon is ingesteld dat
hij moet worden geweigerd.
Verwante onderwerpen
Bedienen van het systeem met behulp van spraakbediening(Blz. 38)
Bluetooth®-apparaten instellen(Blz. 91)
Bedienen met de stuurwieltoetsen(Blz. 197)
6-4. Oproepen beantwoorden
206
Oproepen weigeren
Op het multimediasysteem kunnen oproepen op verschillende manieren worden
geweigerd.
Wanneer u een oproep ontvangt, voer dan een van de volgende
handelingen uit om de oproep te weigeren:
Kies [ ].
Bedien de mobiele telefoon rechtstreeks.
Spreek een spraakcommando uit om de oproep te weigeren met behulp van het
spraakcommandosysteem.
INFORMATIE
De oproep wordt geweigerd als een oproep wordt ontvangen vanaf een telefoonnummer
waarbij in de instellingen voor de mobiele telefoon is ingesteld dat hij moet worden
geweigerd.
Verwante onderwerpen
Bedienen van het systeem met behulp van spraakbediening(Blz. 38)
Bedienen met de stuurwieltoetsen(Blz. 197)
6-4. Oproepen beantwoorden
207
6
Handsfree bellen
Bediening tijdens telefoongesprekken
Bediening vanaf het belscherm
Tijdens een gesprek kunnen verschillende handelingen worden uitgevoerd via het
belscherm.
[ ] : Schakel de microfoon uit zodat
de persoon aan de andere kant van de lijn
niet kan horen wat er wordt gezegd. De
toets kleurt blauw als deze actief is.
Kies nogmaals de toets om deze functie
uit te schakelen.
U kunt zelf nog steeds horen wat de
andere persoon zegt.
[ ] : Geeft het toetsenblok weer. Het
belscherm wordt klein weergegeven zolang het toetsenblok wordt weergegeven.
[ ] : Beëindigt een gesprek.
[ ] : Toont de lijst met contacten in het submenu om iemand anders te kunnen
bellen.
U kunt tijdens een gesprek iemand anders bellen door het telefoonnummer van
deze persoon te kiezen.
[ ] : Wisselt het gesprek tussen mobiele telefoon en multimediasysteem. De
toets kleurt blauw als het gesprek via de mobiele telefoon loopt.
[ ] : Annuleert de oproep. Alleen zichtbaar als er een gesprek in de wacht staat.
[ ] : Verkleint het belscherm.
[ ] : Toont het belscherm in het hoofdgebied.
[ ] : Geeft het optiescherm weer.
De volgende handelingen kunnen worden uitgevoerd via het optiescherm.
[Transmit] (verzenden) : Regelt het
volume van het gesprek.
Wijzigen van het volume kan nadelig
zijn voor de geluidskwaliteit.
[Navigation]*1 (navigatie) : Dempt
de stembegeleiding van het
navigatiesysteem.
Schakel [Navigation] (navigatie) uit
om dit ongedaan te maken.
[On hold] (in de wacht) : Zet het
gesprek tijdelijk in de wacht.
Schakel [On hold] (in de wacht) uit om dit ongedaan te maken.
Afhankelijk van het type mobiele telefoon kan deze functie mogelijk niet
worden gebruikt.
*1 : Met navigatiefunctie
6-5. Bediening tijdens telefoongesprekken
208
[ ] : Keert terug naar het belscherm. Als u terugkeert naar het belscherm
terwijl er een gesprek in de wacht staat, kunt u terugkeren naar het gesprek in de
wacht door het optiescherm opnieuw te openen.
INFORMATIE
Afhankelijk van de gebruikstoestand van het multimediasysteem wordt het belscherm
verkleind of niet weergegeven.
Het wisselen tussen gesprekken is afhankelijk van het type mobiele telefoon.
Tijdens het rijden kan een gesprek via het handsfree-systeem niet worden overgezet
naar de mobiele telefoon. Het wisselen tussen gesprekken is afhankelijk van het type
mobiele telefoon.
Als de mobiele telefoon waarmee u belt als handsfree-telefoon is verbonden met
het multimediasysteem, wordt het bezetscherm weergegeven. Afhankelijk van het type
mobiele telefoon kan de oproep een mobiele telefoon of een multimediasysteem zijn.
Als u het contact UIT zet tijdens een gesprek via de handsfree-functie wordt, afhankelijk
van het type mobiele telefoon, de verbinding verbroken dan wel overgezet naar de
mobiele telefoon. Als u het gesprek wilt voortzetten op de mobiele telefoon vereist dit
mogelijk actie op de mobiele telefoon.
Verwante onderwerpen
Bedienen met de stuurwieltoetsen(Blz. 197)
6-5. Bediening tijdens telefoongesprekken
209
6
Handsfree bellen
Een onderbroken oproep beantwoorden
Als u tijdens een lopend gesprek een tweede oproep ontvangt van een andere
partij, kan een wisselgesprek worden toegepast om beide oproepen af te handelen.
Wanneer een tweede oproep wordt ontvangen, wordt bovenaan het scherm een
melding van een binnenkomende oproep weergegeven.
INFORMATIE
U moet hiervoor de instelling voor wisselgesprek hebben ingeschakeld.
Als de mobiele telefoon HFP versie 1.5 of hoger niet ondersteunt, is de mogelijkheid tot
een wisselgesprek niet beschikbaar.
Afhankelijk van het type mobiele telefoon kan deze functie mogelijk niet worden gebruikt.
Wanneer u een tweede oproep
ontvangt, kiest u [ ] op het
scherm of drukt u op de toets [ ]
op het stuurwiel.
Wanneer u de tweede oproep beantwoordt,
wordt de eerste oproep in de wacht gezet.
Telkens wanneer [Swap calls] (wissel
gesprek) wordt gekozen, wordt er
overgeschakeld naar de gesprekspartner
die in de wacht staat.
Verwante onderwerpen
Bedienen met de stuurwieltoetsen(Blz. 197)
Tweede oproepen weigeren
Als een tweede oproep wordt ontvangen tijdens een ander gesprek, kan deze
oproep worden geweigerd.
Kies [ ] wanneer u een tweede oproep ontvangt.
INFORMATIE
Afhankelijk van het type mobiele telefoon worden mogelijke beide oproepen afgebroken.
Raadpleeg de handleiding van de mobiele telefoon.
Verwante onderwerpen
Bedienen met de stuurwieltoetsen(Blz. 197)
6-5. Bediening tijdens telefoongesprekken
210
Iemand anders bellen tijdens een lopend gesprek
U kunt tijdens een lopend gesprek iemand anders bellen.
1Kies [ ] op het belscherm.
2Selecteer het contact.
3Selecteer het telefoonnummer.
Met deze functie wordt de andere partij
tijdens een telefoongesprek in de wacht
gezet.
INFORMATIE
U moet hiervoor de instelling voor wisselgesprek hebben ingeschakeld.
Als de mobiele telefoon HFP versie 1.5 of hoger niet ondersteunt, is de mogelijkheid
tot een wisselgesprek niet beschikbaar.
Afhankelijk van het type mobiele telefoon kan deze functie mogelijk niet worden
gebruikt.
6-5. Bediening tijdens telefoongesprekken
211
6
Handsfree bellen
Een conferencecall starten
Voeg de persoon in de wacht toe aan het actieve gesprek.
Druk tijdens een gesprek op [Merge calls] (gesprekken samenvoegen).
Gesprekken die in de wacht staan, worden toegevoegd aan de conferencecall.
INFORMATIE
Mogelijk dient u een extra abonnement voor conferencecalls af te sluiten bij uw
mobiele provider.
Afhankelijk van het type mobiele telefoon kan deze functie mogelijk niet worden
gebruikt.
Zodra de conferencecall eindigt, wordt de verbinding met alle deelnemers verbroken.
6-5. Bediening tijdens telefoongesprekken
212
Beëindigen van gesprekken
Een handsfree-gesprek kan op verschillende manier worden beëindigd.
Voer een van de volgende handelingen uit tijdens het gesprek.
Druk op de toets [ ] op het stuurwiel.
Houd de toets ingedrukt om alle gesprekken te beëindigen, ook gesprekken in de wacht.
Kies [ ] wanneer u iemand belt of op het belscherm.
Bedien de mobiele telefoon om het gesprek te beëindigen.
Verwante onderwerpen
Bedienen met de stuurwieltoetsen(Blz. 197)
6-5. Bediening tijdens telefoongesprekken
213
6
Handsfree bellen
Wisselen van telefoon voor handsfree bellen
Wisselen van telefoon voor handsfree bellen
Als er met twee mobiele telefoons verbinding is gemaakt als handsfree telefoon,
kunnen beide mobiele telefoons worden gebruikt. Handsfree telefoons bieden
de mogelijkheid om te wisselen tussen de mobiele telefoons. Het scherm voor
handsfree bellen geeft de gegevens van de geselecteerde mobiele telefoon weer,
zoals contacten en geschiedenis. Functies zoals binnenkomende oproepen kunnen
ook worden gebruikt met de mobiele telefoon die niet is geselecteerd.
Om met twee mobiele telefoons als handsfree telefoon verbinding te maken, moet
er een bestuurder zijn geregistreerd en ingesteld.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Devices] (apparaten).
3Selecteer de mobiele telefoon die u
wilt gebruiken.
Een mobiele telefoon waar op dat moment
mee wordt gebeld, een oproep op wordt
ontvangen of een oproep mee wordt
geplaatst, kan niet worden geselecteerd.
INFORMATIE
Als er een oproep wordt geplaatst vanaf een ander scherm dan het scherm voor
handsfree bellen, wordt de oproep geplaatst op het primaire apparaat.
Als u handsfree belt met een van beide apparaten, kunt u niet vanaf het andere
apparaat een oproep plaatsen.
Wanneer er met een van de handsfree telefoons wordt gebeld en er met de
andere handsfree telefoon een binnenkomende oproep wordt beantwoord, wordt de
verbinding met de eerste telefoon verbroken.
De volgende functies zijn ook beschikbaar op de telefoon die niet is geselecteerd:
Functie voor binnenkomende oproepen
Functie voor ontvangen en versturen van berichten (wanneer een bericht wordt
ontvangen)
Het primaire apparaat wordt niet noodzakelijkerwijs gewijzigd, ook al wordt er van
mobiele telefoon gewisseld.
Verwante onderwerpen
Registreren van een gebruikersprofiel(Blz. 48)
Wijzigen en registreren van een gebruikersprofiel(Blz. 55)
Instellen van een Bluetooth®-apparaat als primair apparaat(Blz. 106)
6-6. Wisselen van telefoon voor handsfree bellen
214
Bewerken van contactgegevens
Overbrengen van contactgegevens
Er kunnen maximaal 5000 contacten worden geregistreerd voor elke aangesloten
mobiele telefoon. Alleen de contacten die bij de aangesloten mobiele telefoon
horen, kunnen worden weergegeven. In de contacten kunnen maximaal 4
telefoonnummers per contact worden geregistreerd. Contacten worden beheerd
voor elke aangesloten telefoon.
Deze functie kan alleen worden gebruikt bij mobiele telefoons die handmatig
overbrengen van contactgegevens (OPP) of automatisch overbrengen van
contactgegevens (PBAP) ondersteunen. Raadpleeg de bijgeleverde handleiding of
compatibele profielen voor de aangesloten mobiele telefoon om te bepalen of een
van beide wordt ondersteund.
Om contacten automatisch over te brengen (PBAP) moet [Sync contacts]
(contacten synchroniseren) in de Bluetooth®-instellingen worden ingeschakeld.
INFORMATIE
Bij het overbrengen van contactgegevens zijn alle gegevens onderhevig aan de volgende
beperkingen.
Als er vijf of meer telefoonnummers zijn geregistreerd voor één contact, worden alle
telefoonnummers in het multimediasysteem geregistreerd als meerdere contacten met
dezelfde naam.
De naam wordt tegelijkertijd met het telefoonnummer overgebracht. Afhankelijk van de
uitvoering worden kanji en symbolen mogelijk niet overgebracht of wordt geen enkel
karakter overgebracht. En als ze wel worden overgebracht, worden ze mogelijk niet
correct weergegeven.
In principe wordt het geheime geheugen niet gelezen. (In sommige gevallen gebeurt
dat mogelijk wel, afhankelijk van de specificaties van de mobiele telefoon.)
De groepsnamen die in de mobiele telefoon zijn geregistreerd, worden niet
overgebracht.
Het type telefoonnummer dat wordt getoond in contacten op het multimediasysteem
wordt automatisch toegewezen op basis van informatie van het bronapparaat.
Afhankelijk van het type mobiele telefoon en de gebruiksomgeving zijn de iconen
mogelijk allemaal hetzelfde.
Telefoons die handmatig overbrengen van contactgegevens (OPP) niet ondersteunen,
kunnen geen contacten toevoegen door contacten over te brengen.
Typen mobiele telefoons die batchoverdracht ondersteunen, hebben de volgende
kenmerken bij het overbrengen van contactgegevens.
Het overbrengen kan langer dan 10 minuten duren.
Zelfs als het scherm voor het overbrengen van contactgegevens wordt weergegeven,
kan worden overgeschakeld op een ander scherm. In dat geval gaat het overbrengen
van contactgegevens verder.
Er wordt op de volgende wijze omgegaan met gebeurtenissen tijdens het overbrengen
van contactgegevens.
Als er een oproep wordt ontvangen tijdens handmatig overbrengen van
contactgegevens (OPP) wordt de oproep op de mobiele telefoon zelf ontvangen.
Tijdens het handmatig overbrengen kan er niet gebeld worden vanaf het apparaat in
de auto.
6-7. Bewerken van contactgegevens
215
6
Handsfree bellen
Als de mobiele telefoon geen automatisch overbrengen van contactgegevens (PBAP)
en geen handmatig overbrengen van contactgegevens (OPP) ondersteunt, kunnen
gegevens niet via Bluetooth® worden overgebracht. De contactgegevens kunnen wel
worden overgebracht met behulp van een USB-stick.
Als het contact UIT wordt gezet tijdens het overbrengen van contactgegevens, wordt
het overbrengen geannuleerd. Start in dat geval de motor <het hybridesysteem> en
voer de handelingen voor het overbrengen nogmaals uit.
In de volgende gevallen worden de contactgegevens die worden overgebracht, niet
opgeslagen. (Sommige al overgebrachte gegevens worden ook niet opgeslagen.)
Als automatisch overbrengen (PBAP) halverwege wordt beëindigd ten gevolge van de
geheugencapaciteit van het multimediasysteem.
Als automatisch overbrengen (PBAP) om een bepaalde reden wordt onderbroken.
De contactgegevens van het multimediasysteem kunnen niet worden overgebracht naar
de mobiele telefoon.
Tijdens het overbrengen van contactgegevens wordt de Bluetooth®-audioverbinding
mogelijk verbroken. Zodra het overbrengen is voltooid, wordt er opnieuw verbinding
gemaakt. (Opnieuw verbinding maken is bij sommige uitvoeringen wellicht niet mogelijk.)
Zorg ervoor dat het multimediasysteem bij het overbrengen is opgestart.
Met automatisch overbrengen van contactgegevens (PBAP) kunnen contacten,
favorieten en geschiedenis worden overgebracht naar het multimediasysteem. Bij
sommige typen mobiele telefoons kunnen favorieten niet worden overgebracht.
Als [Sync contacts] (contacten synchroniseren) is ingeschakeld, worden de favorieten
van de mobiele telefoon automatisch overgebracht naar het multimediasysteem.
Afhankelijk van het type kan het nodig zijn om handelingen uit te voeren op de mobiele
telefoon tijdens het overbrengen van contactgegevens met automatisch overbrengen van
contactgegevens (PBAP).
Als u contacten wilt overbrengen via automatisch overbrengen van contactgegevens
(PBAP) moet u de instelling voor het delen van contacten op uw mobiele telefoon
inschakelen.
Als automatisch overbrengen van contactgegevens (PBAP) niet wordt gestart, wordt het
mogelijk gestart als alle andere functies zijn voltooid.
Schakel [Display contact images] (afbeeldingen contact weergeven) in de Bluetooth®-
instellingen in om de afbeeldingen van contacten weer te geven. Om de afbeeldingen
van contacten over te brengen, moeten [Sync contacts] (contacten synchroniseren) en
[Display contact images] (afbeeldingen contact weergeven) worden ingeschakeld in de
Bluetooth®-instellingen.
Verwante onderwerpen
Bluetooth®-apparaten instellen(Blz. 91)
Bluetooth®-specificaties en compatibele profielen(Blz. 98)
Contactgegevens van mobiele telefoons overbrengen met behulp
van handmatig overbrengen (OPP)
De telefoonnummers (contactgegevens) die op de mobiele telefoon zijn
geregistreerd, kunnen worden overgebracht naar het multimediasysteem met
behulp van het handmatig overbrengen van contactgegevens (OPP).
6-7. Bewerken van contactgegevens
216
Als [Sync contacts] (contacten synchroniseren) is ingeschakeld, kunnen de
contacten op de mobiele telefoon niet worden overgebracht. Schakel [Sync
contacts] (contacten synchroniseren) uit voordat u dit doet.
INFORMATIE
Contactgegevens kunnen niet worden overgebracht met behulp van handmatig overbrengen
van contactenlijst (OPP) wanneer Android Auto voor het overbrengen is verbonden met de
mobiele telefoon.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Update contacts] (update contacten).
3Selecteer uit de onderstaande
overbrengingsmethode.
[Overwrite with Bluetooth]
(overschrijven met
Bluetooth) : Hiermee overschrijft u de
huidige contactgegevens.
[Add with Bluetooth] (toevoegen met
Bluetooth) : Hiermee voegt u items
toe aan de huidige contactgegevens.
4Bedien de mobiele telefoon om
contactgegevens over te brengen.
Begin opnieuw vanaf het begin als een scherm wordt weergegeven waarop wordt gemeld
dat het overbrengen is mislukt.
Verwante onderwerpen
Bluetooth®-apparaten instellen(Blz. 91)
Bluetooth®-specificaties en compatibele profielen(Blz. 98)
Overbrengen van contactgegevens van de telefoon vanaf een USB-
stick
De telefoonnummers (contactgegevens) die op de USB-stick zijn geregistreerd,
kunnen worden overgebracht naar het multimediasysteem.
Als [Sync contacts] (contacten synchroniseren) is ingeschakeld, kunnen
contactgegevens van een USB-stick niet worden overgebracht. Schakel [Sync
contacts] (contacten synchroniseren) uit voordat u dit doet.
Deze functie kan niet worden gebruikt als er verbinding is met Apple CarPlay of
Android Auto.
Alleen contactgegevens die in vCard-formaat (.vcf) zijn opgeslagen op een USB-
stick kunnen worden overgebracht.
Andere gegevens op een USB-stick kunnen niet worden overgebracht.
Controleer of de mobiele telefoon kan worden gebruikt in combinatie met het
multimediasysteem alvorens handelingen uit te voeren.
1Sluit de USB-stick aan op de USB-aansluiting.
6-7. Bewerken van contactgegevens
217
6
Handsfree bellen
2Kies [ ] in het hoofdmenu.
3Kies [Update contacts] (update contacten).
4Selecteer uit de onderstaande
overbrengingsmethode.
[Overwrite with USB] (overschrijven
met USB) : Hiermee overschrijft u
de huidige contactgegevens met de
contactgegevens op de USB-stick.
[Add with USB] (toevoegen met
USB) : Hiermee voegt u
contactgegevens op de USB-stick toe
aan huidige contactgegevens.
5Selecteer de bestanden die u wilt overbrengen vanuit de lijst met
bestanden.
6Kies [OK].
Begin opnieuw vanaf het begin als een scherm wordt weergegeven waarop wordt gemeld
dat het overbrengen is mislukt.
INFORMATIE
Gegevens in vCard-formaat kunnen worden overgebracht als contacten, zelfs bij
gebruik van een mobiele telefoon die is aangesloten via USB. In sommige gevallen
kunnen ook gegevens die zijn opgeslagen op een SD-kaart in een mobiele telefoon
worden overgebracht.
Verwante onderwerpen
Aansluiten op een USB-aansluiting(Blz. 37)
Bluetooth®-apparaten instellen(Blz. 91)
6-7. Bewerken van contactgegevens
218
Nieuwe contactgegevens aan contacten toevoegen
Contacten kunnen worden aangemaakt door gegevens rechtstreeks in contacten op
het multimediasysteem in te voeren. Voor iedere persoon in contacten, kunnen de
naam, telefoonnummers (maximaal 4) en telefoontypes (1 voor elk telefoonnummer,
zoals thuis en mobiel nummer) worden geregistreerd.
Nieuwe gegevens kunnen ook worden toegevoegd via [Modify contact list] (lijst
met contacten aanpassen) op het scherm met de oproepgeschiedenis om het
scherm voor het bewerken van contacten weer te geven.
Als [Sync contacts] (contacten synchroniseren) is ingeschakeld, kunnen er
geen nieuwe contacten aan het multimediasysteem worden toegevoegd. Schakel
[Sync contacts] (contacten synchroniseren) uit voordat u dit doet.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Update contacts] (update contacten).
3Kies [Add manually] (handmatig toevoegen).
4Selecteer alle items en voer ze in.
Kies [Add number] (nummer
toevoegen) om extra telefoonnummers
in te stellen.
Als er geen telefoonnummer is
ingevoerd, kan er geen telefoonnummer
worden toegevoegd.
Selecteer het telefoontype (zoals thuis
of mobiel) voor het telefoonnummer.
5Kies [Save] (opslaan).
Verwante onderwerpen
Bluetooth®-apparaten instellen(Blz. 91)
Bellen vanuit oproepgeschiedenis(Blz. 199)
Wijzigen van gegevens in contacten
Contactgegevens die zijn geregistreerd, kunnen worden gewijzigd.
Als [Sync contacts] (contacten synchroniseren) is ingeschakeld, kunnen de
contacten in het multimediasysteem niet worden bewerkt. Schakel [Sync contacts]
(contacten synchroniseren) uit voordat u dit doet.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Update contacts] (update contacten).
3Kies [Edit manually] (handmatig bewerken).
4Selecteer het contact dat u wilt wijzigen.
6-7. Bewerken van contactgegevens
219
6
Handsfree bellen
5Selecteer alle items en voer ze in.
Kies [Add number] (nummer
toevoegen) om extra telefoonnummers
in te stellen.
Kies het type (zoals thuis of mobiel)
onder het telefoonnummer om het type
telefoon (zoals thuis of mobiel) van het
telefoonnummer te kiezen.
6Kies [Save] (opslaan).
Een item kan alleen worden geregistreerd als een naam en telefoonnummer zijn
ingevoerd.
Verwante onderwerpen
Bluetooth®-apparaten instellen(Blz. 91)
Wissen van gegevens in contacten
Contactgegevens die al zijn geregistreerd, kunnen worden gewist.
Als [Sync contacts] (contacten synchroniseren) is ingeschakeld, kunnen de
contacten in het multimediasysteem niet worden gewist. Schakel [Sync contacts]
(contacten synchroniseren) uit voordat u dit doet.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Update contacts] (update contacten).
3Kies [Delete manually] (handmatig verwijderen).
4Selecteer de gegevens die u wilt
verwijderen.
5Kies [Delete] (verwijderen)
onderaan het submenu.
Verwante onderwerpen
Bluetooth®-apparaten instellen(Blz. 91)
6-7. Bewerken van contactgegevens
220
Favorieten registreren
Vaak gebruikte contactgegevens kunnen worden geregistreerd in favorieten.
Schakel [Sync contacts] (contacten synchroniseren) uit om deze functie te
gebruiken.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Contacts] (contacten) of [Recents] (recent).
3Selecteer de gegevens die u wilt registreren.
4Selecteer [ ] voor het
gegevensitem dat moet worden
geregistreerd.
Verwante onderwerpen
Bluetooth®-apparaten instellen(Blz. 91)
Favorieten verwijderen
Eerder opgeslagen favorieten kunnen worden verwijderd.
Schakel [Sync contacts] (contacten synchroniseren) uit om deze functie te
gebruiken.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Favourites] (favorieten), [Contacts] (contacten), of [Recents] (recent).
3Selecteer de gegevens die u wilt verwijderen.
4Selecteer [ ] voor het
gegevensitem dat moet worden
verwijderd.
Verwante onderwerpen
Bluetooth®-apparaten instellen(Blz. 91)
6-7. Bewerken van contactgegevens
221
6
Handsfree bellen
Gebruik van de berichtfunctie
Voorzorgsmaatregelen bij gebruik van de berichtfunctie
Berichten van de mobiele telefoon die verbonden is voor handsfree bellen
worden doorgestuurd. Het multimediasysteem kan worden gebruikt om berichten
te lezen en beantwoorden en om nieuwe berichten te versturen. Afhankelijk
van het type mobiele telefoon is het soms niet mogelijk om berichten naar
het multimediasysteem door te sturen. Als de telefoon de berichtfunctie niet
ondersteunt, kan deze functie niet worden gebruikt.
Deze functie kan alleen worden gebruikt bij mobiele telefoons die HFP en
MAP ondersteunen. Raadpleeg de handleiding van de mobiele telefoon om te
controleren of deze HFP en MAP of compatibele profielen ondersteunt.
INFORMATIE
U dient de instelling om berichten te delen te activeren op uw mobiele telefoon.
Deze functie kan niet worden gebruikt tijdens noodoproepen.
Afhankelijk van het type mobiele telefoon kan de e-mailfunctionaliteit mogelijk niet
worden gebruikt.
Afhankelijk van het type mobiele telefoon kan de antwoordfunctie mogelijk niet worden
gebruikt.
Berichten van de mobiele telefoon van elke berichtendienst worden automatisch
doorgestuurd.
Afhankelijk van het type mobiele telefoon kan het nodig zijn om extra handelingen uit te
voeren op de mobiele telefoon.
Bij sms-berichten wordt geen onderwerp weergegeven.
Afhankelijk van het type mobiele telefoon wordt het onderwerp van een ontvangen mms
mogelijk niet weergegeven.
Als [Auto read messages] (automatisch berichten lezen) is ingeschakeld, worden
berichten hardop voorgelezen.
Berichten afkomstig van het spraakcommandosysteem worden automatisch hardop
voorgelezen.
Afhankelijk van het type mobiele telefoon of de registratiestatus van het
multimediasysteem, wordt bepaalde informatie mogelijk niet weergegeven.
Verwante onderwerpen
Bluetooth®-apparaten instellen(Blz. 91)
Bluetooth®-specificaties en compatibele profielen(Blz. 98)
Berichten bekijken
Verzonden en ontvangen berichten kunnen worden bekeken.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Messages] (berichten).
3Selecteer een account.
4Selecteer de afzender van het bericht.
6-8. Gebruik van de berichtfunctie
222
5Selecteer de items indien nodig.
[ ] : Vergroten of minimaliseren
van het berichtenscherm.
[ ] : Geeft het scherm voor het
beantwoorden van berichten weer.
[ ] : Leest het bericht voor.
Kies [ ] om het voorlezen van het
bericht te stoppen.
[ ] : Hiermee kunt u de afzender van het bericht bellen.
Afhankelijk van de status van de contactregistratie moet het telefoonnummer
worden geselecteerd.
[ ] : Geeft de contactinformatie over de gesprekspartner weer.
INFORMATIE
Kies, terwijl het berichtenscherm vergroot wordt weergegeven met een e-mail, [Mark
Unread] (markeren als ongelezen) of [Mark Read] (markeren als gelezen) om het
bericht als ongelezen of gelezen te markeren.
Verwante onderwerpen
Bellen vanuit contactenlijst(Blz. 201)
Beantwoorden van berichten(Blz. 224)
Bellen via de berichtfunctie(Blz. 226)
Nieuwe berichten bekijken
Wanneer u een e-mail, sms of mms ontvangt, wordt er aan de bovenzijde van het
scherm een melding weergegeven.
De volgende handelingen kunnen
worden uitgevoerd als er een bericht
wordt ontvangen.
[ ] : Geeft de inhoud van het bericht
weer.
[ ] : Leest het bericht voor.
Verwante onderwerpen
Beantwoorden van berichten(Blz. 224)
6-8. Gebruik van de berichtfunctie
223
6
Handsfree bellen
Beantwoorden van berichten
Ontvangen berichten kunnen beantwoord worden.
Er kunnen met behulp van het spraakcommandosysteem antwoorden worden
verzonden met sjablonen. *1(Snelbericht)
Kies [ ] om het spraakcommandosysteem te gebruiken.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Messages] (berichten).
3Selecteer een account.
4Selecteer de afzender van het bericht.
5Kies [ ].
6Voer alle items in.
[Template] (sjabloon) : Vul het
geselecteerde sjabloonbericht in.
[ ] : Voer in met het toetsenbord.
7Kies [Send] (verzenden) om te
antwoorden.
Verwante onderwerpen
Invoeren van letters en cijfers(Blz. 26)
Bedienen van het systeem met behulp van spraakbediening(Blz. 38)
Sjablonen bewerken(Blz. 225)
Versturen van nieuwe berichten
Er kunnen nieuwe e-mail- of sms-berichten worden verstuurd. Mms wordt niet
ondersteund.
Antwoordsjablonen kunnen worden verstuurd met behulp van het
spraakcommandosysteem.*2
Kies [ ] om het spraakcommandosysteem te gebruiken.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Contacts] (contacten).
3Selecteer ontvangers uit uw lijst met contacten.
*1 : Met deze functie kan alleen een sms worden verstuurd.
6-8. Gebruik van de berichtfunctie
224
4Selecteer het gewenste [ ] of e-
mailadres.
Selecteer het account van de afzender
voor e-mailadressen.
5Voer alle items in.
[Template] (sjabloon) : Vul het
geselecteerde sjabloonbericht in.
[ ] : Voer in met het toetsenbord.
6Kies [Send] (verzenden).
Verwante onderwerpen
Invoeren van letters en cijfers(Blz. 26)
Bedienen van het systeem met behulp van spraakbediening(Blz. 38)
Sjablonen bewerken(Blz. 225)
Sjablonen bewerken
Sjablonen kunnen worden bewerkt.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Template] (sjabloon).
3Selecteer [ ] bij het te bewerken
sjabloon.
Navigatiesjablonen kunnen niet worden
gewijzigd.
4Voer het sjabloon in en sla het op.
Kies [Default] (standaard) om de
sjabloonsets te initialiseren.
INFORMATIE
De sjablonen worden voor elke mobiele telefoon afzonderlijk ingesteld.
Verwante onderwerpen
Beantwoorden van berichten(Blz. 224)
Versturen van nieuwe berichten(Blz. 224)
*2 : Met deze functie kan alleen een sms worden verstuurd.
6-8. Gebruik van de berichtfunctie
225
6
Handsfree bellen
Bellen via de berichtfunctie
U kunt handsfree bellen met behulp van de berichtfunctie.
Kies het blauwe nummer om te bellen.
Mogelijk wordt een getallenreeks herkend als een telefoonnummer. Daarnaast worden
sommige telefoonnummers, bijvoorbeeld telefoonnummers voor andere landen, mogelijk
niet herkend.
Bellen via het berichtenscherm voor e-mail, sms of mms
Afzenders van een e-mail, sms en mms kunnen worden gebeld. In het geval
van een e-mail moet een telefoonnummer zijn geregistreerd bij de desbetreffende
contactgegevens.
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Messages] (berichten).
3Selecteer een account.
4Selecteer de afzender van het
bericht.
5Kies [ ] of druk op de
stuurwieltoets [ ].
Afhankelijk van de status van de
contactregistratie moet het telefoonnummer
worden geselecteerd.
Verwante onderwerpen
Bedienen met de stuurwieltoetsen(Blz. 197)
6-8. Gebruik van de berichtfunctie
226
7Extra diensten
7-1. Webbrowser (internet)
Over de webbrowserfunctie
(internet) ................................. 228
Weergeven van het
webbrowserscherm ................ 229
Bedienen van het
webbrowserscherm ................ 230
227
7
Extra diensten
Webbrowser (internet)
Over de webbrowserfunctie (internet)*1
Door verbinding te maken met internet kunnen websites (nieuwssites, blogs,
muziekstreamingsites, videosites, enz.) worden bekeken.
INFORMATIE
Om de webbrowserfunctie te kunnen gebruiken, moet de Wi-Fi® van de auto verbonden zijn
met een toegangspunt.
WAARSCHUWING
Bekijk om veiligheidsredenen een website alleen nadat de auto volledig tot stilstand is
gebracht en de parkeerrem is geactiveerd of de selectiehendel in stand P is gezet. (Tijdens
het rijden wordt alleen audio weergegeven.)
*1 : Met geïntegreerd navigatiesysteem
7-1. Webbrowser (internet)
228
Weergeven van het webbrowserscherm
1Kies [ ] in het hoofdmenu.
2Kies [Web browser] (webbrowser).
Het webbrowserscherm wordt weergegeven.
INFORMATIE
U hebt alleen toegang tot websites die gebruikmaken van "HTTPS" (beveiligde
verbinding).
Afhankelijk van de website wordt deze mogelijk niet goed weergegeven.
Sommige websites kunnen niet worden weergegeven of doorgeklikt.
Op sommige websites worden bepaalde karakters mogelijk niet weergegeven.
Afhankelijk van de inhoud kunt u mogelijk geen video's of audio afspelen.
Mogelijk duurt het enige tijd voordat er iets wordt weergegeven, afhankelijk van de
resolutie van de video of de afbeelding en de communicatieomgeving.
Auteursrechtelijk beschermde inhoud van video's kan niet worden weergegeven.
Voer geen informatie, zoals creditcardgegevens of bankrekeninggegevens, in.
Sommige functies kunnen niet worden gebruikt, zoals het downloaden van
bestanden en inloggen op websites.
7-1. Webbrowser (internet)
229
7
Extra diensten
Bedienen van het webbrowserscherm
Het webbrowserscherm kan worden bediend door weergegeven items op een
pagina of de werkbalk bovenaan het webbrowserscherm aan te raken.
ATerugkeren naar de vorige pagina.
BNaar de volgende pagina gaan.
CGeeft de URL van de pagina weer.
Hiermee kunt u een URL invoeren en
de desbetreffende pagina weergeven.
DDe weergegeven pagina opnieuw
laden.
Tijdens het opnieuw laden van de
pagina, wijzigt de toets naar[ ].
Kies[ ]om het opnieuw laden van de pagina te annuleren.
EDe startpagina weergeven.
FHet scherm voor het beheren van bladwijzers weergeven.
Door de naam van een bladwijzer te kiezen op het beheerscherm, wordt de
desbetreffende pagina weergegeven.
GHet scherm voor het beheren van de browsegeschiedenis weergeven.
Door de naam van een pagina te kiezen op het beheerscherm, wordt de
desbetreffende pagina weergegeven.
HHet scherm voor het beheren van tabbladen weergeven.
Door de naam van een tabblad te kiezen op het beheerscherm, wordt het
desbetreffende tabblad weergegeven.
IGeef het instellingenscherm weer.
INFORMATIE
Terwijl een pagina opnieuw wordt geladen, kan de status worden gecontroleerd aan de
hand van het wijzigen van de achtergrondkleur van de werkbalk.
Door tekst op het scherm te selecteren en uw vinger erop te houden, kan tekst worden
gekopieerd. Kies de kopieertoets om de tekst te kopiëren. Gekopieerde tekst kan
vervolgens in de URL-displayzone worden geplakt door deze aan te raken.
Beheren van bladwijzers
Bladwijzers kunnen worden opgeslagen, gewijzigd of verwijderd via het scherm
voor het beheren van bladwijzers.
1Kies [ ] op de werkbalk.
7-1. Webbrowser (internet)
230
2Kies de gewenste opties.
ASluit het scherm voor het beheren van
bladwijzers.
BGeeft de URL van de laatst getoonde
pagina weer.
Hiermee kunt u de URL bewerken.
CToont de naam van de bladwijzer die
als laatste is weergegeven.
De naam van de bladwijzer kan
worden gewijzigd door erop te
drukken.
DVoeg een bladwijzer toe met de informatie in en .
EBewerk bladwijzers.
FVerwijder bladwijzers.
Bewerken van bladwijzers
De naam en URL van de bladwijzer kunnen worden gewijzigd en de bladwijzer kan
worden ingesteld als startpagina.
ABewerk de naam van de bladwijzer.
BBewerk de URL van de bladwijzer.
CKies [Set] (instellen) om deze pagina
in te stellen als startpagina van de
browser.
Het icoon [ ] wordt weergegeven bij de
bladwijzer die als startpagina is ingesteld.
Kies na het doorvoeren van de
wijzigingen [OK] om terug te keren naar
het scherm voor het beheren van bladwijzers.
Beheren van de browsegeschiedenis
Via het scherm voor het beheren van de browsegeschiedenis kan de
browsegeschiedenis worden gewist.
1Kies[ ]op de werkbalk.
2Kies de gewenste optie.
ASluit het scherm voor het beheren van
de browsegeschiedenis.
BVerwijder de browsegeschiedenis.
7-1. Webbrowser (internet)
231
7
Extra diensten
INFORMATIE
Er kunnen maximaal 100 items worden opgeslagen in de browsegeschiedenis. Als er
meer dan 100 items zijn, wordt het oudste item verwijderd.
Beheren van tabbladen
Op het scherm voor het beheren van tabbladen kunnen tabbladen worden
gewijzigd/toegevoegd/gesloten.
1Kies [ ] op de werkbalk.
Het getal in [ ] betreft het aantal tabbladen dat momenteel geopend is.
2Kies de gewenste optie.
ASluit het scherm voor het beheren van
tabbladen.
BVoeg een nieuw tabblad toe. Op het
nieuwe tabblad wordt de startpagina
weergegeven.
CWis het tabblad.
INFORMATIE
Er kunnen maximaal 10 tabbladen worden geopend.
Instellen van de browser
Sommige browserinstellingen kunnen worden gewijzigd.
1Kies [ ] op de werkbalk.
2Kies de gewenste optie.
AHiermee kunt u de browser al dan niet
in de achtergrond laten werken tijdens
het gebruik van andere functies.
BHiermee kunt u het opslaan en laden
van cookies al dan niet toestaan
en cookies van derden al dan niet
blokkeren.
CHiermee kunt u het gebruik van
JavaScript al dan niet toestaan.
DHiermee kunt u de
browsegeschiedenis, cookies en andere websitegegevens en afbeeldingen en
bestanden in de cache wissen.
INFORMATIE
Als [Background] (achtergrond) is ingesteld op [Allow] (toestaan) is er ook dataverkeer
mogelijk als er andere functies worden gebruikt.
7-1. Webbrowser (internet)
232
8Parking Assist-systeem
8-1. Rear View Monitor-systeem
Werking Rear View Monitor-
systeem .................................. 234
Voorzorgsmaatregelen Rear
View Monitor-systeem ............ 236
Zaken die u dient te weten........ 241
233
8
Parking Assist-systeem
Rear View Monitor-systeem
Werking Rear View Monitor-systeem*1
Het Rear View Monitor-systeem helpt de bestuurder bij het achteruitrijden door het
gebied achter de auto met vaste rijlijnen op een scherm weer te geven, bijvoorbeeld
bij het parkeren.
INFORMATIE
De afbeeldingen die hier worden gebruikt, dienen slechts als voorbeeld en verschillen
mogelijk van het werkelijke beeld op het scherm.
Voorzorgsmaatregelen voor het rijden
Het Rear View Monitor-systeem is een aanvullend systeem om u te assisteren bij
het achteruitrijden. Controleer bij het achteruitrijden eerst de omgeving van de auto,
zowel direct als via de spiegels. Doet u dit niet, dan raakt u misschien een ander
voertuig en kunt u een ongeval veroorzaken.
Neem de volgende voorzorgsmaatregelen in acht bij het gebruik van het Rear View
Monitor-systeem.
WAARSCHUWING
Vertrouw tijdens het achteruitrijden nooit uitsluitend op het Rear View Monitor-systeem.
De weergave en positie van de rijlijnen op het scherm wijken mogelijk af van de
werkelijke situatie.
Wees voorzichtig, net als bij het achteruitrijden met elke andere auto.
Rijd langzaam achteruit, waarbij u de rijsnelheid regelt via het rempedaal.
De gegeven instructies zijn slechts richtlijnen. Wanneer en in welke mate er bij het
parkeren aan het stuurwiel moet worden gedraaid, is afhankelijk van de verkeerssituatie,
het wegdek, de staat van de auto, enz. Houd hier rekening mee wanneer u gebruikmaakt
van het Rear View Monitor-systeem.
Controleer voordat u de auto parkeert of er voldoende ruimte is voor uw auto.
Gebruik het Rear View Monitor-systeem in de volgende gevallen niet:
Op een glad of modderig wegdek of in sneeuw
Bij het gebruik van sneeuwkettingen of het reservewiel
Wanneer de achterklep niet volledig is gesloten
Op wegen die niet recht en niet vlak zijn, zoals bochten en hellingen
Bij lage temperaturen wordt het scherm mogelijk donkerder of wordt het beeld mogelijk
onduidelijk. Het beeld kan worden vervormd wanneer de auto rijdt of mogelijk kunt u het
beeld niet op het scherm zien. Controleer van tevoren altijd eerst de omgeving van de
auto en kijk ook in de spiegels.
Als de banden worden vervangen door banden met een andere maat, wijzigt mogelijk de
positie van de vaste rijlijnen op het scherm.
De camera is voorzien van een speciale lens. De afstanden tot objecten en voetgangers
die op het scherm worden weergegeven, verschillen van de werkelijke afstanden.
*1 : Indien aanwezig
8-1. Rear View Monitor-systeem
234
Schermbeschrijving
Het scherm van het Rear View Monitor-systeem wordt weergegeven als de
selectiehendel in stand "R" wordt gezet terwijl het contact AAN staat.
AVoertuigbreedtereferentielijn
Geeft de lijnen aan wanneer de auto recht achteruit wordt gereden.
De weergegeven breedte is groter dan de werkelijke breedte van de auto.
BVoertuighartlijn
Deze lijn geeft naar schatting het midden van de auto boven de grond aan.
CAfstandslijn
Geeft een bepaalde afstand achter de auto aan.
Geeft punten aan op ongeveer 0,5 m (rood) vanaf de rand van de bumper.
DAfstandslijn
Geeft een bepaalde afstand achter de auto aan.
Geeft een punt aan op ongeveer 1 m (blauw) vanaf de rand van de bumper.
Rear View Monitor-systeem uitschakelen
Het Rear View Monitor-systeem wordt uitgeschakeld wanneer de selectiehendel in
een andere stand dan stand "R" wordt gezet.
8-1. Rear View Monitor-systeem
235
8
Parking Assist-systeem
Voorzorgsmaatregelen Rear View Monitor-systeem
Gebied dat op het scherm wordt weergegeven
Het Rear View Monitor-systeem geeft beelden weer van het gebied achter de auto
vanaf de bumper.
AHoeken van de bumper
Het gebied rondom beide hoeken van
de bumper wordt niet weergegeven.
INFORMATIE
De procedure voor het afstellen van het beeld van het Rear View Monitor-systeem is
gelijk aan de procedure voor het afstellen van het scherm.
Het gebied dat op het scherm wordt weergegeven, is afhankelijk van de stand van de
auto.
Objecten die zich te dicht bij de hoeken van de bumper of onder de bumper bevinden,
kunnen niet worden weergegeven.
De camera is voorzien van een speciale lens. De afstand op het beeld op het scherm
wijkt af van de werkelijke afstand.
Objecten die zich op een hogere plaats bevinden dan de camera, worden mogelijk niet
weergegeven op het scherm.
De camera
De camera van het Rear View Monitor-systeem is bevestigd zoals aangegeven in
de afbeelding.
8-1. Rear View Monitor-systeem
236
Gebruik van de camera
Als er vuil of verontreinigingen (zoals waterdruppels, sneeuw, modder, enz.) op de
camera zit, kan deze geen duidelijk beeld overbrengen. Spoel hem in dit geval af
met een grote hoeveelheid water en veeg de cameralens af met een zachte, natte
doek.
OPMERKING
Mogelijk werkt het Rear View Monitor-systeem in de volgende gevallen niet goed.
Als de achterzijde van de auto aan schokken wordt blootgesteld, kan de stand van de
camera veranderen.
De camera is waterdicht afgesloten. Verwijder, demonteer of wijzig hem daarom niet.
Anders kan hij onjuist gaan werken.
Spoel de camera af met een grote hoeveelheid water en veeg de lens af met een
zachte, natte doek. Wrijf niet te hard over de cameralens. Als er krassen op de
cameralens zitten, kan deze geen duidelijk beeld overbrengen.
Zorg ervoor dat er geen organische oplosmiddelen, autowas, ruitenreiniger of
ruitencoating op de lens terechtkomt. Verwijder dergelijke stoffen zo snel mogelijk als
dit gebeurt.
Bij een snelle temperatuurverandering, bijvoorbeeld wanneer bij koud weer heet water
op de auto wordt gegoten, kan het zijn dat het systeem niet goed werkt.
Stel de camera of de omgeving van de camera tijdens het wassen van de auto niet
bloot aan sterke waterstralen. Hierdoor kunnen storingen optreden in de camera.
Do not expose the camera to strong impact as this could cause a malfunction. If this
happens, have the vehicle inspected by any Toyota retailer or Toyota authorized repairer,
or any reliable repairer as soon as possible.
Verschillen tussen de schermweergave en de werkelijke weg
De afstandslijnen en voertuigbreedtereferentielijnen staan mogelijk niet geheel
parallel aan de zijlijnen van het parkeervak, ook al lijkt dit wel zo. Controleer dit
visueel.
De ruimtes tussen de voertuigbreedtereferentielijnen en de linker en rechter zijlijn
van het parkeervak zijn mogelijk niet gelijk aan elkaar, ook al lijkt dit wel zo.
Controleer dit visueel.
8-1. Rear View Monitor-systeem
237
8
Parking Assist-systeem
De afstandslijnen geven een indicatie van de afstanden op een vlakke
ondergrond. In elk van de volgende gevallen is er sprake van een foutmarge
tussen de vaste rijlijnen op het scherm en de werkelijke afstand/koers op de weg.
Wanneer zich achter de auto een steile helling omhoog bevindt
De afstandslijnen geven een afstand
dichter bij de auto aan dan in
werkelijkheid het geval is. Objecten lijken
zich daarom verder van de auto te
bevinden dan in werkelijkheid het geval
is. Op dezelfde manier is er sprake van
een foutmarge tussen de rijlijnen en de
werkelijke afstand/koers op de weg.
Wanneer zich achter de auto een steile helling omlaag bevindt
De afstandslijnen geven een afstand
verder van de auto vandaan aan dan
in werkelijkheid het geval is. Objecten
lijken zich daarom dichter bij de auto te
bevinden dan in werkelijkheid het geval
is. Op dezelfde manier is er sprake van
een foutmarge tussen de rijlijnen en de
werkelijke afstand/koers op de weg.
8-1. Rear View Monitor-systeem
238
Als een deel van de auto enigszins in de veren zakt
Als een deel van de auto enigszins in de
veren zakt door het aantal passagiers of
de verdeling van de bagage, is er sprake
van een foutmarge tussen de vaste
rijlijnen op het scherm en de werkelijke
afstand/koers op de weg.
AEen foutmarge
Bij het naderen van driedimensionale objecten
De afstandslijnen worden op basis van platte oppervlakken (zoals het wegdek)
weergegeven. Met de voertuigbreedtereferentielijnen en afstandslijnen kan de
positie van driedimensionale objecten (zoals voertuigen) niet worden bepaald. Let
bij het naderen van een uitstekend driedimensionaal object (zoals de laadbak van
een vrachtwagen) op het volgende.
Voertuigbreedtereferentielijnen
Controleer visueel de omgeving en
het gebied achter de auto. In
de hieronder afgebeelde situatie
lijkt de vrachtwagen zich buiten
de voertuigbreedtereferentielijnen te
bevinden en lijkt het alsof de
auto de vrachtwagen niet zal
raken. Toch kan de achterzijde
van de vrachtwagen zich boven de
voertuigbreedtereferentielijnen bevinden.
Als u in werkelijkheid achteruitrijdt volgens
de voertuigbreedtereferentielijnen, zal de
auto de vrachtwagen mogelijk raken.
AVoertuigbreedtereferentielijnen
8-1. Rear View Monitor-systeem
239
8
Parking Assist-systeem
Afstandslijnen
Controleer visueel de omgeving en het
gebied achter de auto. Op het scherm
lijkt het alsof een vrachtwagen op punt
geparkeerd staat. Maar wanneer u
in werkelijkheid tot aan achteruitrijdt,
raakt u de vrachtwagen. Op het scherm
lijkt het alsof het dichtstbij is en het
verst weg is. In werkelijkheid is de afstand
tot en echter hetzelfde en is
verder dan en .
8-1. Rear View Monitor-systeem
240
Zaken die u dient te weten
Als u een van de volgende verschijnselen opmerkt, raadpleeg dan de mogelijke
oorzaak en de oplossing en controleer opnieuw.
If the symptom is not resolved by the solution, have the vehicle inspected by any
authorized Toyota retailer or Toyota authorized repairer, or any reliable repairer.
Symptoom Waarschijnlijke oorzaak Oplossing
Het beeld is
niet goed te
zien
De auto bevindt zich in een donkere
omgeving
De temperatuur rondom de lens is
hoog of laag
De buitentemperatuur is laag
Er zitten waterdruppels op de
camera
Het regent of is vochtig
Er zitten verontreinigingen (modder,
enz.) op de camera
Zonlicht of koplampen van andere
auto's schijnt/schijnen rechtstreeks
in de camera
De auto bevindt zich
onder fluorescerende lampen,
natriumlampen, kwiklampen, enz.
Rijd achteruit terwijl u de
omgeving van de auto visueel
controleert.
(Gebruik de monitor weer als de
omstandigheden verbeterd zijn.)
De procedure voor het afstellen
van de beeldkwaliteit van het Rear
View Monitor-systeem is gelijk aan
de procedure voor het afstellen
van het scherm.
Het beeld is
wazig
Er zit(ten) vuil of verontreinigingen
(zoals waterdruppels, sneeuw en
modder) op de camera.
Spoel de camera af met een grote
hoeveelheid water en veeg de
lens af met een zachte, natte
doek.
Het beeld is
niet recht
De camera of de omgeving ervan is
aan een krachtige schok blootgesteld.
Have the vehicle inspected by
any authorized Toyota retailer or
Toyota authorized repairer, or any
reliable repairer.
De vaste
rijlijnen lopen
helemaal
verkeerd
De camerapositie is niet uitgelijnd.
Have the vehicle inspected by
any authorized Toyota retailer or
Toyota authorized repairer, or any
reliable repairer.
De auto staat schuin (de auto is
zwaar beladen, de bandenspanning
is te laag als gevolg van een lekke
band, enz.).
De auto wordt gebruikt op een
helling.
Als dit gebeurt als gevolg van
deze oorzaken, duidt dat niet op
een storing.
Rijd achteruit terwijl u de
omgeving van de auto visueel
controleert.
Verwante onderwerpen
Wijzigen van de instellingen voor de weergave van het scherm(Blz. 63)
8-1. Rear View Monitor-systeem
241
8
Parking Assist-systeem
8-1. Rear View Monitor-systeem
242
9Bijlage
9-1. Bijlage
Informatie over media en
gegevens die in het
audiosysteem kunnen worden
gebruikt................................... 244
Verklaring.................................. 252
243
9
Bijlage
Bijlage
Informatie over media en gegevens die in het audiosysteem kunnen
worden gebruikt.
Informatie over media die kunnen worden gebruikt
De volgende specificaties zijn van toepassing voor de media en overige apparaten.
Formaten en specificaties van USB-sticks
De formaten en standaarden van de USB-sticks die kunnen worden gebruikt, en de
gebruiksbeperkingen, zijn als volgt.
USB-communicatieformaat USB2.0 HS (480 Mbps)
Bestandsformaat FAT 16/32
Communicatieklasse Voor massaopslag
Maximaal aantal mappen 3.000 (inclusief root)
Maximaal aantal mapniveaus 8
Maximaal aantal bestanden 9.999 (maximaal 255 bestanden per
map)
Geheugencapaciteit Maximaal 32 GB
Maximale grootte van een bestand 2 GB
Andere bestanden dan de bovenstaande formaten worden mogelijk niet correct
afgespeeld, of informatie zoals de bestands- of mapnaam wordt mogelijk niet
correct weergegeven.
Weet dus op voorhand dat dit apparaat uw USB-stick mogelijk niet kan afspelen.
Afhankelijk van de computer die wordt gebruikt om bestanden op een USB-
stick op te slaan, kunnen naast de afspeelbestanden ook verborgen bestanden
worden opgeslagen. Het wordt aanbevolen om dergelijke verborgen bestanden
te verwijderen. Ze kunnen het afspelen negatief beïnvloeden en voorkomen
mogelijk dat er correct tussen bestanden kan worden gewisseld.
Informatie over formaat
De volgende specificaties zijn van toepassing voor audiogegevens.
MP3
Ondersteunde standaard MP3 (MPEG1 LAYER 3, MPEG2 LSF
LAYER 3)
Ondersteunde samplingfrequentie (kHz) MPEG1 LAYER 3: 32, 44,1, 48
MPEG2 LSF LAYER 3: 16, 22,05, 24
Ondersteunde bitrate (kbps)(1) MPEG1 LAYER 3: 32 - 320
MPEG2 LSF LAYER 3: 8 - 160
9-1. Bijlage
244
Ondersteunde weergavemogelijkheid Stereo, meerkanaals stereo,
tweekanaalsweergave, monoweergave
ID3-tag
ID3-versie 1.0, 1.1, 2.2, 2.3 (het aantal
karakters zoals gespecificeerd voor elke
versie)
(1) VBR (Variable Bit Rate) wordt ondersteund.
WMA
Ondersteunde standaard WMA versie 7, 8, 9 (9.1, 9.2)
Ondersteunde samplingfrequentie (kHz) 32, 44,1, 48
Ondersteunde bitrate (kbps)(1)(2) versie 7, 8: CBR (Constant Bit Rate) 48 - 192
versie 9 (9.1/9.2): CBR 48 - 320
(1) VBR (Variable Bit Rate) wordt ondersteund.
(2) Meerkanaals audiobronnen worden geconverteerd naar 2ch.
AAC
Ondersteunde standaard(1) MPEG4 AAC-LC
Ondersteunde samplingfrequentie (kHz) 11,025, 12, 16, 22,05, 24, 32, 44,1, 48
Ondersteunde bitrate (kbps)(2) 8 - 320
Ondersteunde weergavemogelijkheid(3) 1ch (1/0), 2ch (2/0)
(1) ADIF wordt niet ondersteund.
(2) VBR (Variable Bit Rate) wordt ondersteund.
(3) Meerkanaals wordt niet ondersteund.
WAV (LPCM)
Ondersteunde samplingfrequentie (kHz)(1) 8, 11,025, 12, 16, 22,05, 24, 32, 44,1, 48,
88,2, 96, 176,4, 192
Ondersteund aantal kwantisatiebits (bit)(2) 16/24
Ondersteunde weergavemogelijkheid 1ch (1/0), 2ch (2/0)
(1) Audiobronnen hoger dan 96 kHz/24 bit worden omlaag geconverteerd naar 96 kHz/24
bit.
(2) Meerkanaals audiobronnen worden geconverteerd naar 2ch.
FLAC
Ondersteunde samplingfrequentie (kHz)(1) 8, 11,025, 12, 16, 22,05, 24, 32, 44,1, 48,
88,2, 96, 176,4, 192
Ondersteund aantal kwantisatiebits (bit)(2) 16/24
9-1. Bijlage
245
9
Bijlage
(1) Audiobronnen hoger dan 96 kHz/24 bit worden omlaag geconverteerd naar 96 kHz/24
bit.
(2) Meerkanaals audiobronnen worden geconverteerd naar 2ch.
ALAC
Ondersteunde samplingfrequentie (kHz)(1) 8, 11,025, 12, 16, 22,05, 24, 32, 44,1, 48, 64,
88,2, 96
Ondersteund aantal kwantisatiebits (bit)(2) 16/24
(1) Audiobronnen hoger dan 96 kHz/24 bit worden omlaag geconverteerd naar 96 kHz/24
bit.
(2) Meerkanaals audiobronnen worden geconverteerd naar 2ch.
OGG Vorbis
Ondersteunde samplingfrequentie (kHz)(1) 8, 11,025, 16, 22,05, 32, 44,1, 48
Ondersteunde bitrate (kbps)(2) 32 - 500
(1) Audiobronnen hoger dan 96 kHz/24 bit worden omlaag geconverteerd naar 96 kHz/24
bit.
(2) VBR (Variable Bit Rate) wordt ondersteund.
Bestandsnamen
De enige soort bestanden die kunnen worden herkend
als MP3/WMA/AAC/WAV (LPCM)/FLAC/ALAC/OGG Vorbis en die
kunnen worden afgespeeld, zijn bestanden met de extensie
".mp3"/".wma"/".m4a"/".3gp"/".aac"/".wav"/".flac"/".fla"/".ogg"/".ogx"/".oga". Sla
MP3-/WMA-/AAC-/WAV (LPCM)-/FLAC-/ALAC-/OGG Vorbis-bestanden op met de
extensie ".mp3"/".wma"/".m4a"/".3gp"/".aac"/".wav"/".flac"/".fla"/".ogg"/".ogx"/".oga".
Over ID3-tags, WMA-tags, AAC-tags, tags en Vorbis-opmerkingen
MP3-bestanden hebben aanvullende karakterinformatie, ID3-tags genaamd,
waarmee namen van artiesten, titels, albumnamen, enz. kunnen worden
opgeslagen.
WMA-bestanden hebben aanvullende karakterinformatie, WMA-tags genaamd,
waarmee namen van artiesten, titels, albumnamen, enz. kunnen worden
opgeslagen.
AAC-bestanden hebben aanvullende karakterinformatie, AAC-tags genaamd,
waarmee namen van artiesten, titels, albumnamen, enz. kunnen worden
opgeslagen.
WAV (LPCM)-bestanden hebben aanvullende karakterinformatie, tags genaamd,
waarmee namen van artiesten, titels, albumnamen, enz. kunnen worden
opgeslagen.
FLAC-bestanden hebben aanvullende karakterinformatie, tags genaamd,
waarmee namen van artiesten, titels, albumnamen, enz. kunnen worden
opgeslagen.
9-1. Bijlage
246
ALAC-bestanden hebben aanvullende karakterinformatie, tags genaamd,
waarmee namen van artiesten, titels, albumnamen, enz. kunnen worden
opgeslagen.
Ogg Vorbis-bestanden hebben aanvullende tekstinformatie, Vorbis-opmerkingen
genaamd, waarmee namen van artiesten, titels, albumnamen, enz. kunnen
worden opgeslagen.
Geluidsbronnen met hoge resolutie
Dit apparaat ondersteunt geluidsbronnen met hoge resolutie. “Hoge resolutie” is
gebaseerd op de definitie van de Japan Electronics and Information Technology
Industries Association (JEITA). De volgende formaten worden ondersteund en de
volgende media kunnen worden afgespeeld.
Ondersteunde formaten
WAV, FLAC, ALAC, Ogg Vorbis
Afspeelbare media
USB-stick
Informatie van videogegevens die kan worden afgespeeld vanaf
USB-sticks
De volgende formaten worden ondersteund voor videobestanden die zijn
opgenomen vanaf een computer naar een USB-stick.
Formaat Codec
MPEG4-extensie: ".mp4"
".m4v"
Video-codec: H.264, MPEG-4 AVC, MPEG-4
Audio-codec: MP3, AAC
Extensie AVI-container:
".avi"
Video-codec: H.264, MPEG-4, MPEG-4 AVC, WMV9, WMV9
Advanced Profile
Audio-codec: MP3, AAC, WMA 9.2 (7, 8, 9.1, 9.2)
Extensie Windows Media
Video: ".wmv"
Video-codec: WMV9, WMV9 Advanced Profile
Audio-codec: WMA 9.2 (7, 8, 9.1, 9.2)
De maximale afbeeldingsgrootte die wordt ondersteund is 1920 x 1080 pixels.
De ondersteunde framerate is maximaal 60i/30p.
Het kan zijn dat video's niet kunnen worden afgespeeld, afhankelijk van het type
opnameapparatuur, de opname-omstandigheden en de gebruikte USB-stick.
9-1. Bijlage
247
9
Bijlage
Informatie iPod
INFORMATIE
Informatie over handelsmerk en ontwerpcertificering
Gebruik van het embleem “Made for Apple”
(gemaakt voor Apple) betekent dat een accessoire
speciaal ontworpen is voor het aansluiten van
(een) Apple-product(en) en dat het accessoire
door de ontwikkelaar gecertificeerd is omdat het
voldoet aan de eisen van Apple.
Apple kan niet verantwoordelijk worden gehouden
voor de werking van deze auto of de mate waarin
de auto voldoet aan de eisen voor veiligheid en
regelgeving.
Let erop dat het gebruik van dit accessoire in combinatie met een Apple-product de
werking van de afstandsbediening negatief kan beïnvloeden.
iPhone, iPod, iPod touch en Lightning zijn handelsmerken van Apple Inc., geregistreerd
in de VS en andere landen.
Gemaakt voor
iPhone 12 Pro Max
iPhone 12 Pro
iPhone 12
iPhone 12 mini
iPhone SE (2e generatie)
iPhone 11 Pro Max
iPhone 11 Pro
iPhone 11
iPhone XS Max
iPhone XS
iPhone XR
iPhone X
iPhone 8 Plus
iPhone 8
iPhone 7 Plus
iPhone 7
iPhone SE
iPhone 6s Plus
iPhone 6s
iPod touch (7e generatie)
9-1. Bijlage
248
Informatie Apple CarPlay
INFORMATIE
Informatie over handelsmerk en ontwerpcertificering
Gebruik van het Apple CarPlay-logo betekent
dat een gebruikersinterface van een auto voldoet
aan de prestatienormen van Apple. Apple kan
niet verantwoordelijk worden gehouden voor de
werking van deze auto of de mate waarin de
auto voldoet aan de eisen voor veiligheid en
regelgeving. Let erop dat het gebruik van dit
product in combinatie met een iPhone, iPod
of iPad de draadloze prestaties negatief kan
beïnvloeden.
Apple CarPlay is een handelsmerk van Apple Inc.
Informatie Android Auto
INFORMATIE
Informatie over handelsmerk en ontwerpcertificering
Android en Android Auto zijn handelsmerken van
Google LLC.
Informatie over USB-geheugens
Muziekbestanden die zijn opgenomen met behulp van een computer
De volgende muziekbestanden kunnen worden afgespeeld.
MP3
WMA
AAC
FLAC
WAV
ALAC
OGG Vorbis
MP3/WMA/AAC-specificaties
Er gelden bepaalde restricties voor de MP3-, WMA- en AAC-bestanden die
kunnen worden gebruikt en voor de media en de bestandssystemen waarop
9-1. Bijlage
249
9
Bijlage
deze bestanden zijn opgeslagen. Microsoft, Windows en Windows Media zijn
geregistreerde handelsmerken van Microsoft Corporation in de VS en andere
landen.
De volgende specificaties zijn van toepassing voor audiogegevens.
MP3
MP3 (MPEG Audio LAYER 3) is een standaard audiocompressieformaat. Met
MP3 kunnen bestanden worden gecomprimeerd tot ongeveer 1/10 van hun
oorspronkelijke grootte.
WMA
WMA (Windows Media Audio) is een audiocompressieformaat van Microsoft
Corporation. Hiermee kunnen bestanden nog meer worden gecomprimeerd dan
met MP3.
Dit product wordt beschermd door bepaalde intellectuele eigendomsrechten van
Microsoft. Het gebruik of de distributie van dergelijke technologie in andere
producten is verboden zonder een licentie van Microsoft.
AAC
AAC (Advanced Audio Coding) is een standaard audiocompressieformaat dat
wordt toegepast bij MPEG2 en MPEG4.
Bluetooth®-informatie
De volgende Bluetooth®-specificaties en profielen zijn van toepassing.
Onderwerp Bluetooth®-audio
Ondersteunde
Bluetooth®-
specificaties
Bluetooth® Core-specificatie versie 2.1 of hoger
Ondersteunde
profielen
A2DP (Advanced Audio Distribution-profiel) voor overdracht van
muziek: versie 1.0 of hoger
AVRCP (Audio/Video Remote Control-profiel) voor bediening
(afspelen, stoppen enz.) van een draagbaar audioapparaat vanaf
een multimediasysteem: versie 1.0 of hoger
Ondersteunde
codecs LDAC/AAC/SBC
INFORMATIE
Er kan niet worden gegarandeerd dat dit systeem werkt met alle Bluetooth®-apparaten.
9-1. Bijlage
250
Verklaring
Bluetooth is een geregistreerd
handelsmerk van Bluetooth SIG. Inc.
LDAC
LDAC en het LDAC-logo zijn handelsmerken van
Sony Corporation.
Informatie Gracenote®
Als er muziek wordt afgespeeld wordt in de database van het multimediasysteem
gezocht naar de naam van het album, de naam van de artiest, het genre en
de titel van het nummer. Als de informatie beschikbaar is in de database, wordt
deze automatisch weergegeven. Dit multimediasysteem maakt gebruik van de
mediadatabase van Gracenote®.
INFORMATIE
Gracenote® media database
De getoonde informatie kan afwijken van de werkelijke informatie.
Voor de gegevens aangeleverd door de "Gracenote media database" wordt geen 100%
nauwkeurigheid gegarandeerd.
Gracenote, het Gracenote-logo en het "Powered
by Gracenote"-logo zijn hetzij geregistreerde
handelsmerken of handelsmerken van Gracenote,
Inc. in de Verenigde Staten en/of andere landen.
9-1. Bijlage
251
9
Bijlage
Verklaring
Toyota Motor Europe NV/SA, Avenue du Bourget 60 - 1140 Brussel, België
www.toyota-europe.com
Toyota (GB) PLC, Great Burgh, Burgh Heath, Epsom, Surrey, KT18 5UX, UK
9-1. Bijlage
252
9-1. Bijlage
253
9
Bijlage
9-1. Bijlage
254
9-1. Bijlage
255
9
Bijlage
9-1. Bijlage
256
9-1. Bijlage
257
9
Bijlage
9-1. Bijlage
258
QR-code
Het woord "QR-code" is een geregistreerd handelsmerk van DENSO WAVE
INCORPORATED in Japan en andere landen.
9-1. Bijlage
259
9
Bijlage
Kaartgegevens
©2021 HERE
Ga naar onderstaande link voor de datalicentie.
https://legal.here.com/terms/general-content-supplier/terms-and-notices/
EINDGEBRUIKERSOVEREENKOMST
https://legal.here.com/en-gb/terms/end-user-license-agreement
9-1. Bijlage
260
Index
A
Aansluiten
Bluetooth®-apparaten............................ 103
iPod..........................................................37
Miracast®............................................... 186
USB-aansluiting....................................... 37
Wi-Fi®.....................................................110
Aansluiten van Miracast®-compatibele
apparaten..............................................186
Actuele locatie
Weergave ................................................29
Afspelen
Android Auto.......................................... 179
Apple CarPlay........................................ 176
Bluetooth®-audio....................................182
iPod/iPhone............................................173
Miracast®............................................... 187
USB-stick........................................ 167,169
Afstellen
Beeldkwaliteit........................................... 87
Geluidskwaliteit........................................ 86
Android Auto....................................122,179
Apple CarPlay......................................... 176
Geregistreerde smartphone................... 119
Ongeregistreerde smartphone............... 116
ASL............................................................ 84
Audio....................................................... 160
Audiosysteem aan/uit ............................. 33
B
Beantwoorden van berichten................ 224
Bedienen van het systeem met behulp
van spraakbediening............................. 38
Bediening scherm.................................... 24
Bellen
Bericht....................................................226
Continu toonsignaal............................... 204
Iemand bellen.........................................211
Invoeren via numeriek toetsenbord........202
Lijst met favorieten.................................200
Opgeslagen contacten........................... 201
Pechhulp van Toyota..............................203
Uitgaande of binnenkomende oproepen199
Bericht..................................................... 222
Bestemming
Recente bestemming wissen................... 81
Toevoegen............................................. 143
Wissen................................................... 152
Zoeken .................................................. 138
Beveiligingsinstellingen.......................... 67
Bluetooth®-apparaten
Instellen als primair apparaat.................106
Instellen als secundair apparaat............ 107
Registreren.............................................. 99
Verbinden...............................................103
Verwijderen............................................ 102
Bluetooth®-audio....................................182
Browser .................................................. 228
Bediening .............................................. 230
Scherm ..................................................229
C
Compatibele profielen..............................98
Connected Navigation............................129
Contactgegevens (telefoonnummer)
Overbrengen.......................................... 215
Toevoegen............................................. 219
Verwijderen............................................ 220
Wijzigen................................................. 219
D
DAB-radio................................................162
Dealerinformatie....................................... 66
Demo routebegeleiding .........................147
E
Een conferencecall starten....................212
F
FM-radio.................................................. 160
G
Gebruik van de camera.......................... 236
Gebruikersprofiel
Registreren.............................................. 48
Wijzigen en registreren van een profiel....55
Geluidsbronnen met hoge resolutie..... 244
Index
261
Geluidskwaliteit instellen.........................86
Gracenote®.......................................164,244
H
Handsfree (telefoon)...............................190
Hoofdmenu................................................17
I
Informatie over formaat......................... 244
Informatie parkeren op straat..................73
Informatie weergeven voor een punt....131
Instellen van de beeldkwaliteit................ 87
Instellen van weergavehoek
Kaarthoek ................................................74
Instellen volume....................................... 33
Audio .......................................................33
Geluidsvolume van het systeem.............. 84
Navigatievolume...................................... 84
Telefoon (beltoon/ontvanger)................... 91
Instellingen
Algemene instellingen..............................60
Beveiligingsinstellingen............................67
Diverse instellingen..................................53
Geluids- en media-instellingen.................84
Instellingen begeleiding .......................... 78
Instellingen Bluetooth®-apparaat............. 91
Instellingen dealerinformatie.................... 66
Instellingen gebruikersprofiel................... 58
Instellingen navigatiesysteem ................. 72
Instellingen routevoorkeuren....................75
Instellingen spraakbediening................... 65
Instellingen te vermijden gebieden.......... 75
Instellingen verkeersinformatie................ 80
Instellingen weergave scherm................. 63
Kaartinstellingen............................... 73,134
Privacy-instellingen.................................. 67
Radio-instellingen.................................... 84
Wi-Fi®-instellingen................................... 89
Internet ................................................... 228
Bediening .............................................. 230
Scherm ..................................................229
Internetradio............................................164
iPod/iPhone.............................................173
K
Kaart
Instellingen 3D-weergave........................ 73
Inzoomen/uitzoomen................................30
Stadskaart................................................30
Verkeersinformatie................................... 73
Verplaatsen.............................................. 32
Wijzigen van de kaartstijl......................... 73
Wijzigen van de richting........................... 31
Kaarticoon
Flitscamera ........................................... 135
Kaartinformatie
Instellen van weergegeven POI-iconen 133
Kaartinstellingen.................................... 134
Op straat parkeren ................................ 134
Weergeven van de gereden route
(routetracé) .........................................135
Kaartopties
Scherm met kaartopties ........................ 132
Kaartscherm .............................................27
Kaartscherm met volledige route
Geschatte aankomsttijd ........................ 146
Kaartweergave instellen
Instellen van de kaart ..............................74
L
Luisteren naar de radio..........................160
M
Miracast®.................................................187
Mobiele telefoon
Registreren.............................................. 99
Verbinden...............................................103
Verkopen of wegdoen van de auto........ 193
Verwijderen............................................ 102
N
Naar DAB luisteren.................................162
NaviBridge...............................................144
Navigatie..................................................129
Navigatie-instellingen.............................. 81
Wijzigen van lijst met favorieten ..............82
IJking positie/richting ...............................83
Index
262
O
Opnieuw zoeken van een route ............155
Oproepen beantwoorden/ontvangen....205
Overbrengen
Contactgegevens (telefoonnummer)......215
Overschakelen naar een andere
schermmodus........................................ 88
P
Positie
Corrigeer de locatie..................................81
Problemen oplossen
Apple CarPlay/Android Auto.................. 123
Handsfree (telefoon).............................. 194
Rear View Monitor-systeem...................241
R
Rear View Monitor-systeem...................234
Schermbeschrijving ...............................235
Registreren
Bluetooth®-apparaten.............................. 99
Dealerinformatie.......................................66
Gebruikersprofiel......................................48
Instellingen gebruikersprofiel................... 55
Lijst met favorieten.................................221
Opgeslagen profielen...............................55
Te vermijden gebieden.............................76
Routebegeleiding................................... 152
Rijrichting boven...................................... 31
Rijstrookweergaveschermen.................153
S
Schaal........................................................30
Scherm met een overzicht van de
zoekresultaten .....................................142
Smartphone
Bestemmingen instellen (NaviBridge) ...144
Registreren.............................................. 99
Verbinden...............................................103
Verwijderen............................................ 102
Snelwegmodus ...................................... 137
Spraakcommando's................................. 42
Spraakcommandosysteem ..................... 38
Stadskaart................................................. 30
Statusiconen............................................. 19
Stuurwieltoetsen
Handsfree (telefoon).............................. 197
Spraakbediening...................................... 40
T
Taal van de kaart.......................................73
Te vermijden gebieden.............................76
Thuis
Instellen van thuis als bestemming ....... 140
Registreren ........................................... 140
Toetsenbord
Invoeren van letters en cijfers ................. 26
Toevoegen van een tussenpunt............ 143
Touchscreen............................................. 21
Toyota account......................................... 48
Tussenpunten ........................................ 150
U
USB-aansluiting........................................37
USB-stick..........................................167,169
V
Verkopen of wegdoen van de auto....... 193
Vermijden.................................................. 75
Versturen van nieuwe berichten........... 224
Voorzorgsmaatregelen Rear View
Monitor-systeem
Camera.................................................. 236
W
Webbrowser ........................................... 228
Bediening .............................................. 230
Scherm ..................................................229
Weergeven van POI-iconen................... 133
Wi-Fi®
Aansluiten.............................................. 110
Wi-Fi®-instellingen................................... 89
Wisselen van telefoon............................214
Wissen
Bestemming .......................................... 152
Bluetooth®-apparaten............................ 102
Contactgegevens (telefoonnummer)......220
Gebruikersprofiel......................................58
Lijst met favorieten.................................221
Index
263
Recente bestemmingen........................... 81
Te vermijden gebieden.............................76
Wijzig route-opties ................................ 148
Wijzigen van de richting.......................... 31
Wijzigen van de route ............................149
Wijzigen van de schaal............................ 30
Z
Zoeken met behulp van zoekwoorden....45
Zoeken van bestemming
Scherm voor zoeken van bestemming ..139
Zoeken van een bestemming................ 138
Bestemmingengeschiedenis ................. 140
Door smartphone ondersteunde apps... 144
Een favoriet als bestemming .................140
Invoeren van karakters ......................... 139
Routeplan ..............................................140
Thuis ..................................................... 140
Index
264
nE-1
Publication No.OM12R34E
Part No.01999-12R34
Printed in Japan 01-2201-00 C
TMMT カローラ / TMMT カローラ ハイブリッド マルチメディア(欧州 E
265

Hulp nodig? Stel uw vraag in het forum

Spelregels
1

Forum

Toyota-Corolla-2022-Multimedia

Misbruik melden

Gebruikershandleiding.com neemt misbruik van zijn services uitermate serieus. U kunt hieronder aangeven waarom deze vraag ongepast is. Wij controleren de vraag en zonodig wordt deze verwijderd.

Product:

Bijvoorbeeld antisemitische inhoud, racistische inhoud, of materiaal dat gewelddadige fysieke handelingen tot gevolg kan hebben.

Bijvoorbeeld een creditcardnummer, een persoonlijk identificatienummer, of een geheim adres. E-mailadressen en volledige namen worden niet als privégegevens beschouwd.

Spelregels forum

Om tot zinvolle vragen te komen hanteren wij de volgende spelregels:

Belangrijk! Als er een antwoord wordt gegeven op uw vraag, dan is het voor de gever van het antwoord nuttig om te weten als u er wel (of niet) mee geholpen bent! Wij vragen u dus ook te reageren op een antwoord.

Belangrijk! Antwoorden worden ook per e-mail naar abonnees gestuurd. Laat uw emailadres achter op deze site, zodat u op de hoogte blijft. U krijgt dan ook andere vragen en antwoorden te zien.

Abonneren

Abonneer u voor het ontvangen van emails voor uw Toyota Corolla 2022 Multimedia bij:


U ontvangt een email met instructies om u voor één of beide opties in te schrijven.


Ontvang uw handleiding per email

Vul uw emailadres in en ontvang de handleiding van Toyota Corolla 2022 Multimedia in de taal/talen: Nederlands als bijlage per email.

De handleiding is 11.83 mb groot.

 

U ontvangt de handleiding per email binnen enkele minuten. Als u geen email heeft ontvangen, dan heeft u waarschijnlijk een verkeerd emailadres ingevuld of is uw mailbox te vol. Daarnaast kan het zijn dat uw internetprovider een maximum heeft aan de grootte per email. Omdat hier een handleiding wordt meegestuurd, kan het voorkomen dat de email groter is dan toegestaan bij uw provider.

Stel vragen via chat aan uw handleiding

Stel uw vraag over deze PDF

Andere handleiding(en) van Toyota Corolla 2022 Multimedia

Toyota Corolla 2022 Multimedia Gebruiksaanwijzing - Deutsch - 276 pagina's

Toyota Corolla 2022 Multimedia Gebruiksaanwijzing - English - 278 pagina's

Toyota Corolla 2022 Multimedia Gebruiksaanwijzing - Français - 272 pagina's


Uw handleiding is per email verstuurd. Controleer uw email

Als u niet binnen een kwartier uw email met handleiding ontvangen heeft, kan het zijn dat u een verkeerd emailadres heeft ingevuld of dat uw emailprovider een maximum grootte per email heeft ingesteld die kleiner is dan de grootte van de handleiding.

Er is een email naar u verstuurd om uw inschrijving definitief te maken.

Controleer uw email en volg de aanwijzingen op om uw inschrijving definitief te maken

U heeft geen emailadres opgegeven

Als u de handleiding per email wilt ontvangen, vul dan een geldig emailadres in.

Uw vraag is op deze pagina toegevoegd

Wilt u een email ontvangen bij een antwoord en/of nieuwe vragen? Vul dan hier uw emailadres in.



Info