530219
263
Verklein
Vergroot
Pagina terug
1/274
Pagina verder
NU747_3_Gcv-FRA.qxd 9/06/05 14:32 Page 1
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_Tcv-NEL.win 22/7/2005 14:37
-page1
Het instructieboekje 82 00 561 241 NU 747-3 05/2005 Edition néerlandaise
NU747_3_Gcv-FRA.qxd 9/06/05 14:32 Page 3
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_Tcv-NEL.win 22/7/2005 14:37
-page2
adviseert ELF
Alle
motortypes
Alle types
benzinemotor
Alle
motortypes
5-versnellingsbak
6-versnellingsbak
Automatische transmissie
ELF EXCELLIUM LDX 5W-40 ACEA A3 / B4
Optimale prestaties, maximale bescherming onder extreme omstandigheden
Alle omstandigheden
ELF EVOLUTION SXR 5W-40 ACEA A3 / B4
Optimale prestaties
Alle omstandigheden
ELF EVOLUTION SXR 5W-30 ACEA A5 / B5
Lager brandstofverbruik, bescherming van de motor en milieuvriendelijk
Alle omstandigheden
ELF COMPETITION ST 10W-40 ACEA A3 / B4
ELF TURBO DIESEL 10W-40 ACEA B3 / B4
Andere door RENAULT goedgekeurde smeermiddelen voor normaal gebruik
Elf ontwikkelt specifieke smeermiddelen voor iedere Renault transmissie:
Tranself TRJ 75W80, Tranself TRT 75W80, Tranself TRP 75W80, Tranself TRX 75W80 voor handgescha-
kelde versnellingsbakken, Renaultmatic D3Syn en Renaultmatic D2 voor automatische transmissies.
Deze vloeistoffen leveren een actieve bijdragen aan de prestaties van uw auto. (*)
RENAULT raadt de goedgekeurde ELF oliën aan voor bijvullen en verversen.
(*) Raadpleeg het onderhoudsboekje voor de voor uw auto geschikte olie.
Raadpleeg uw RENAULT-dealer, of kijk op de website www.lubrifiants.elf.com
NU747_3_G1-FRA.qxd 15/06/05 16:21 Page 0.01
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T1-NEL.win 4/8/2005 11:15
-page1
0.01
RENAULT heet u van harte welkom in uw RENAULT
In dit instructieboekje worden aanwijzingen gegeven voor de bediening en het onderhoud, zodat u:
uw RENAULT goed leert kennen waardoor u al zijn kwaliteiten en zijn vele mogelijkheden ten volle kunt benutten.
door het opvolgen van eenvoudige - maar beslist noodzakelijke - onderhoudsvoorschriften, de prestaties optimaal kunt
houden.
zonder overbodig tijdverlies zelf kleine storingen kunt verhelpen waarvoor geen specialist nodig is.
Door dit instructieboekje zorgvuldig te bestuderen, wordt u geïnformeerd over zijn mogelijkheden, de wijze waarop u deze
kunt gebruiken en over de nieuwe technieken die in deze auto zijn toegepast. Indien bepaalde onderwerpen u niet geheel
duidelijk zijn, dan zijn de technici in onze dealer-organisatie graag bereid u te informeren.
Om het lezen van dit boekje voor u te vergemakkelijken gebruiken wij het volgende symbool:
Om een gevaar of een veiligheidsadvies aan te geven.
Dit instructieboekje is tot stand gekomen aan de hand van de gegevens die op het moment van samenstelling van dit
boekje bekend waren. In dit boekje staan alle mogelijke uitrustingen (standaard of optioneel) van dit model beschreven,
de aanwezigheid ervan in de auto is afhankelijk van de uitvoering, de gekozen opties en het land van aflevering.
Ook kunnen er uitrustingen zijn opgenomen die pas op een later tijdstip in de auto zullen worden toegepast.
Wij wensen u goede reis in uw RENAULT.
Gehele of gedeeltelijke nadruk of vertaling is verboden zonder schriftelijke toestemming van RENAULT, 92100 Billancourt 2005, Frankrijk.
NU747_3_G1-FRA.qxd 15/06/05 16:21 Page 0.02
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T1-NEL.win 4/8/2005 11:15
-page2
0.02
In één oogopslag
Bandenspanning ..................................................................................................... 0.04
Sleutel/RENAULT card ............................................................................. 1.02
1.10
Afstellen stoelen en zitpositie van de bestuurder ................................. 1.18
1.25
Kinderzitjes ................................................................................................ 1.34
1.49
Waarschuwingslampjes (instrumentenpaneel) ....................................... 1.54
1.82
Starten/stilzetten motor .............................................................................. 2.04 - 2.09
Rijden .......................................................................................................... 2.02
2.49
Controlesysteem bandenspanning ...................................................... 2.18
2.20
Elektronisch Stabiliteits Programma: ESP ........................................... 2.21 - 2.22
Tractiecontrole: ASR .............................................................................. 2.23 - 2.24
Noodstopbekrachtiging: BAS ............................................................................ 2.27
Snelheidsregelaar/-begrenzer ............................................................... 2.28
2.35
Parkeerhulp .................................................................................................. 2.48 - 2.49
Verwarming/airconditioning ..................................................................... 3.02
3.17
Motorkap/onderhoud ................................................................................ 4.02
4.14
Praktische tips (vervangen lampen, zekeringen,
storingen verhelpen) ................................................................................. 5.02
5.41
Reservewiel ................................................................................................ 5.02
5.04
NU747_3_G1-FRA.qxd 15/06/05 16:21 Page 0.03
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T1-NEL.win 4/8/2005 11:15
-page3
0.03
INHOUD
Hoofdstuk
1
2
3
4
5
6
7
Ken uw auto ..................................................................................................
Rijden .................................................................................................................
Comfort .............................................................................................................
Onderhoud ......................................................................................................
Praktische tips .............................................................................................
Technische gegevens ................................................................................
Alfabetische inhoudsopgave ...............................................................
NU747_3_G1-FRA.qxd 15/06/05 16:21 Page 0.04
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T1-NEL.win 4/8/2005 11:15
-page4
0.04
BANDENSPANNING (in bar of kg/cm
2
koud)
Bandenmaat
165/65R1581T
185/60 R15 84 H
195/50 R16 88 V 185/60 R15 88 H 175/65 R 15 88 H
Velgmaat 5,5 J 15
6J15
6,5J16 6J15 6j15
Niet op autosnelweg
Voor 2,2 2,4 2,3 2,3
Achter 22,222,1
Op autosnelweg (1)
Voor 2,3 2,5 2,4 2,4
Achter 22,222,2
Reservewiel 2,3 2,5 2,4 2,4
Auto uitgerust met controlesysteem voor de bandenspanning
Alle bandenspanningen moeten worden verhoogd met 0,2 bar.
Veiligheid van de banden en gebruik van sneeuwkettingen
Raadpleeg de paragraaf banden in hoofdstuk 5 voor het onderhoud en de mogelijkheid voor het gebruik van sneeuwkettingen
(afhankelijk van de uitvoering).
(1) Bijzonderheid vol belaste auto (maximum toegelaten totale massa) met een aanhangwagen.
De maximum snelheid is 100 km/u en de bandenspanning moet worden verhoogd met 0,2 bar.
De massas staan aangegeven in de paragraaf massas in hoofdstuk 6.
NU747_3_G1-FRA.qxd 15/06/05 16:21 Page 0.05
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T1-NEL.win 4/8/2005 11:15
-page5
0.05
BANDENSPANNING (in psi koud)
Bandenmaat
165/65R1581T
185/60 R15 84 H
195/50 R16 88 V 185/60 R15 88 H 175/65 R15 88H
Velgmaat 5,5 J 15
6J15
6,5J16 6J15 6J15
Niet op autosnelweg
Voor 32 35 33 33
Achter 29 32 29 30
Op autosnelweg (1)
Voor 33 36 35 25
Achter 29 32 29 32
Reservewiel 33 36 35 35
Auto uitgerust met controlesysteem voor de bandenspanning
Alle bandenspanningen moeten worden verhoogd met 3 PSI.
Veiligheid van de banden en gebruik van sneeuwkettingen
Raadpleeg de paragraaf banden in hoofdstuk 5 voor het onderhoud en de mogelijkheid voor het gebruik van sneeuwkettingen
(afhankelijk van de uitvoering).
(1) Bijzonderheid vol belaste auto (maximum toegelaten totale massa) met een aanhangwagen.
De maximum snelheid is 100 km/u en de bandenspanning moet worden verhoogd met 3psi.
De massas staan aangegeven in de paragraaf massas in hoofdstuk 6.
NU747_3_G1-FRA.qxd 15/06/05 16:21 Page 0.06
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T1-NEL.win 4/8/2005 11:15
-page6
0.06
NU747_3_G1-FRA.qxd 15/06/05 16:21 Page 1.01
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T1-NEL.win 4/8/2005 11:15
-page7
1.01
Hoofdstuk 1: Ken uw auto
Sleutel/FM-afstandsbediening: algemeen, gebruik, extra portiervergrendeling .............................. 1.02 1.04
RENAULT card afstandsbediening: algemeen, gebruik, extra portiervergrendeling ...................... 1.05
1.10
Portieren ................................................................................................................................................ 1.11
1.15
Automatische portiervergrendeling tijdens het rijden .................................................................................. 1.16
Startvergrendeling ............................................................................................................................................. 1.17
Hoofdsteunen - Stoelen ....................................................................................................................... 1.18
1.21
Autogordels .......................................................................................................................................... 1.22
1.25
Aanvullende veiligheidsvoorzieningen .............................................................................................. 1.26
1.32
voorin ............................................................................................................................. 1.26
1.29
achterin ....................................................................................................................................... 1.30
zijkant ......................................................................................................................................... 1.31
Voor de veiligheid van de kinderen ...................................................................................................1.33
1.49
Bedieningsorganen ............................................................................................................................... 1.50
1.53
Instrumentenpaneel ............................................................................................................................. 1.54
1.82
Boordcomputer ................................................................................................................................. 1.70
1.82
Informatiedisplays ............................................................................................................................................ 1.83
Klokje en buitentemperatuur ................................................................................................................ 1.84 - 1.85
Stuurwiel ........................................................................................................................................................... 1.86
Spiegels ................................................................................................................................................... 1.87 - 1.88
Claxon en lichtsignalen .................................................................................................................................... 1.89
Verlichting en richtingaanwijzers ....................................................................................................... 1.90
1.94
Afstellen van de koplampen ............................................................................................................................ 1.95
Ruitenwissers / Sproeiers .................................................................................................................... 1.96
1.98
Brandstof tanken .................................................................................................................................. 1.99 - 1.100
3
1
2
4
NU747_3_G1-FRA.qxd 15/06/05 16:21 Page 1.02
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T1-NEL.win 4/8/2005 11:15
-page8
1.02
SLEUTEL / FM-AFSTANDSBEDIENING: algemeen
FM-afstandsbediening
1 - Vergrendelen van alle portieren.
2 - Ontgrendelen van alle portieren.
3 - Contactsleutel en sleutel van het
bestuurdersportier.
4 - Vergrendelen/Ontgrendelen van
alleen achterklep (voor de af-
standsbediening met drie knop-
pen).
Bereik van de FM-afstandsbe-
diening
Het bereik wordt beïnvloed door de
omgeving. Let op bij het vasthouden
van de afstandsbediening dat u niet
per ongeluk op de knoppen drukt
waardoor de portieren worden ver-
grendeld of ontgrendeld!
Interferentie
Sommige voorwerpen (metalen
voorwerpen, mobiele telefoons) of
sterke elektromagnetische stralin-
gen in de omgeving van de sleutel
kunnen storingen veroorzaken en
het functioneren van het systeem
hinderen.
Verantwoordelijkheid
van de bestuurder
Laat nooit de sleutel in
het contactslot zitten als
ueenkindofeendierindeauto
achterlaat. Het kind zou de mo-
tor kunnen starten of bijvoor-
beeld de ruiten kunnen bedienen
en zich ernstig kunnen verwon-
den aan hals, arm, of hand als
deze uit de auto steken.
Gevaar voor ernstige verwondin-
gen.
In geval van verlies kunt u bij uw
RENAULT-dealer nieuwe sleutels
of een nieuwe afstandsbediening
bestellen.
Het vervangen van een afstands-
bediening moet altijd bij een
RENAULT-dealer gebeuren want
het systeem moet daarbij worden
geïnitialiseerd met alle sleutels.
Er kunnen niet meer dan vier af-
standsbedieningen voor een auto
worden gebruikt.
Als de afstandsbediening niet
werkt:
Zorg ervoor dat de batterijen van de
afstandsbediening in goede staat
verkeren. Zij hebben een levens-
duur van ongeveer twee jaar.
Zie in dit geval: paragraaf FM-af-
standsbediening: batterijtjes in
hoofdstuk 5.
1
2
1
2
4
NU747_3_G1-FRA.qxd 15/06/05 16:21 Page 1.03
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T1-NEL.win 4/8/2005 11:15
-page9
1.03
SLEUTEL / FM-AFSTANDSBEDIENING: gebruik
Portieren ontgrendelen
Druk het ontgrendelknopje 2 in.
Het ontgrendelen ziet u aan het één
keer oplichten van de knipperlich-
ten en de zijknipperlichten.
Bijzonderheden (voor sommige lan-
den):
- met een druk op het knopje 2 ont-
grendelen alleen het bestuurders-
portier en de tankdopklep,
- door twee keer achter elkaar op het
knopje 2 te drukken, ontgrendelt u
de andere portieren.
Portieren vergrendelen
Druk het vergrendelknopje 1 in.
Het vergrendelen ziet u aan het twee
keer oplichten van de knipperlich-
ten en de zijknipperlichten.
Als een portier (of de achterklep)
open staat of niet goed is gesloten,
worden de portieren en de achter-
klep vergrendeld en snel ontgren-
deld en knipperen de knipperlich-
ten en de zijknipperlichten niet.
Ontgrendelen/vergrendelen van
alleen de achterklep
(voor be-
paalde landen)
Druk op het knopje 4 om de achter-
klep te ontgrendelen of te vergren-
delen.
Het ontgrendelen ziet u aan het één
keer knipperen van de knipperlich-
ten en zijknipperlichten als de por-
tieren van de auto vergrendeld zijn.
Het vergrendelen van de achterklep
ziet u aan het twee keer knipperen
van de knipperlichten en zijknip-
perlichten als de portieren van de
auto vergrendeld zijn.
N.B.: als de motor draait en het con-
tact in de stand Accessoiresstaat,
werken de knoppen van de sleutel
niet.
1
NU747_3_G1-FRA.qxd 15/06/05 16:21 Page 1.04
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T1-NEL.win 4/8/2005 11:15
-page10
1.04
SLEUTEL / FM-AFSTANDSBEDIENING: extra portiervergrendeling
Extra portiervergrendeling
(voor sommige landen)
Metdezefunctiewordendeportie-
ren vergrendeld en kunnen ze niet
van binnenuit geopend worden (in
geval van het inslaan van een ruit,
waarna iemand wil proberen de
portieren van binnenuit te openen).
Om de extra portiervergrende-
ling in te schakelen
Druk keer snel achter elkaar op het
knopje 1.
Het vergrendelen ziet u aan het vijf
keer oplichten van de knipperlich-
ten en de zijknipperlichten.
Gebruik nooit de extra por-
tiervergrendeling als er nog
iemand in de auto zit!
1
2
4
3
NU747_3_G1-FRA.qxd 15/06/05 16:21 Page 1.05
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T1-NEL.win 4/8/2005 11:15
-page11
1.05
RENAULT CARD: algemeen
RENAULT card
1 - Ontgrendelen van alle portieren.
2 - Vergrendelen van alle portieren.
3 - Vergrendelen/Ontgrendelen van
de achterklep.
4 - Noodsleutel.
Met de RENAULT card kunt u:
- de portieren, de achterklep en de
tankdopklep ontgrendelen of ver-
grendelen (raadpleeg de volgende
bladzijdes);
- de motor starten (raadpleeg de pa-
ragraaf starten van de motor in
hoofdstuk 2).
Actieradius
De card wordt gevoed door een bat-
terij. Deze moet vervangen worden
als de boodschap kaartbatterij ver-
vangen verschijnt op het instru-
mentenpaneel (raadpleeg de para-
graaf RENAULT card: batterij in
hoofdstuk 5).
Bereik van de RENAULT card
Het bereik van de card wordt beïn-
vloed door de omgeving. Let op bij
het vasthouden van de card dat u
niet per ongeluk op de knoppen
drukt waardoor de portieren wor-
den vergrendeld of ontgrendeld!
Advies
Berg de RENAULT card afstandsbe-
diening nooit op een plek op waar
deze verbogen of per ongeluk be-
schadigd zou kunnen worden: dit
kan bijvoorbeeld gebeuren als u op
de card gaat zitten als deze in uw
achterzak zit.
Verantwoordelijkheid van
de bestuurder
Laat uw RENAULT card
nooit in de auto liggen als u
de auto verlaat en er een kind (of
dier) in de auto zit. Het kind zou de
motor kunnen starten of bijvoor-
beeld de ruiten kunnen bedienen
en zich ernstig kunnen verwonden
aan hals, arm, of hand als deze uit
de auto steken. Gevaar voor ernsti-
ge verwondingen.
5
4
NU747_3_G1-FRA.qxd 15/06/05 16:21 Page 1.06
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T1-NEL.win 4/8/2005 11:15
-page12
1.06
RENAULT CARDS: algemeen (vervolg)
Ingebouwde noodsleutel 4 of af-
zonderlijke noodsleutel 5
(afhankelijk van de auto)
Deze hoeft maar zelden gebruikt te
worden: hiermee kan het linker
voorportier ontgrendeld of vergren-
deld worden als de afstandsbedie-
ning niet werkt:
- de auto bevindt zich in een sterk
elektromagnetisch veld;
- gebruik van apparatuur die met
dezelfde frequentie werkt als de
card;
- batterij van de RENAULT card
leeg, accu ontladen, enz.
Voor het gebruik van de noodsleu-
tel, raadpleegt u de paragraaf ver-
grendelen/ontgrendelen van de por-
tieren.
Na het openen van de auto met de
noodsleutel, steekt u de RENAULT
card in de kaartlezer om te kunnen
starten.
Vervangen of extra RENAULT
card
Bij verlies of indien u een andere
RENAULT card wenst, kunt u deze
uitsluitend bij uw RENAULT-
dealer bestellen.
Het vervangen van een RENAULT
card moet altijd bij een RENAULT-
dealer gebeuren. Het systeem moet
met alle RENAULT cards worden
ingelezen.
Het is mogelijk maximaal vier
RENAULT cards per auto te gebrui-
ken.
Storing van de RENAULT card.
Zorg ervoor dat de batterij in goede
staat verkeert. Deze heeft een le-
vensduur van ongeveer twee jaar.
Raadpleeg de paragraaf RENAULT
card: batterijen in hoofdstuk 5.
1
2
3
NU747_3_G1-FRA.qxd 15/06/05 16:21 Page 1.07
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T1-NEL.win 4/8/2005 11:15
-page13
1.07
RENAULT CARD: gebruik als afstandsbediening
Portieren ontgrendelen
Druk op de ontgrendelknop 1.
Het ontgrendelen ziet u aan het één
keer oplichten van de knipperlich-
ten en de zijknipperlichten.
Portieren vergrendelen
Druk het vergrendelknopje 2 in.
Het vergrendelen ziet u aan het twee
keer oplichten van de alarmknip-
perlichten en de zijknipperlichten.
- als een portier (of de achterklep)
geopend of niet goed gesloten is, of
als een RENAULT card in de lezer
is achtergebleven, worden de por-
tieren snel vergrendeld en weer
ontgrendeld en knipperen de
knipperlichten en de zijknipper-
lichten niet.
Ontgrendelen/vergrendelen van
alleen de achterklep
Druk op het knopje 3 om de achter-
klep te ontgrendelen of te vergren-
delen.
Het ontgrendelen ziet u aan het één
keer knipperen van de knipperlich-
ten en zijknipperlichten als de por-
tieren van de auto vergrendeld zijn.
Het vergrendelen van de achterklep
ziet u aan het twee keer knipperen
van de knipperlichten en zijknip-
perlichten als de portieren van de
auto vergrendeld zijn.
N.B.: als de motor draait en de card
in de lezer zit, werken de knoppen
vandecardniet.
2
1
3
NU747_3_G1-FRA.qxd 15/06/05 16:21 Page 1.08
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T1-NEL.win 4/8/2005 11:15
-page14
1.08
RENAULT CARD: handsfree functie
RENAULT CARD: handsfree
functie
Deze biedt, naast dezelfde functies
als de afstandsbediening, de moge-
lijkheid (handsfree):
-deportieren,deachterklepende
tankdopklep te ontgrendelen/ver-
grendelen als de card zich in de
herkenningszone 1 bevindt;
- de motor te starten als de card zich
in het interieur bevindt (raadpleeg
paragraaf starten van de motor
in hoofdstuk 2).
Ontgrendelen van de portieren
en de achterklep
Draag de RENAULT card bij u en
loop naar de auto.
Zodra u uw hand achter de hand-
greep 2 van een portier steekt, ont-
grendelen alle portieren van de au-
to.Alsuopdeknopvande
achterklep 3 drukt, ontgrendelt al-
leen de achterklep.
Het ontgrendelen ziet u aan het één
keer oplichten van de knipperlich-
ten en de zijknipperlichten.
Laat nooit een RENAULT
card in de auto liggen als u
de auto verlaat.
2
4
5
NU747_3_G1-FRA.qxd 15/06/05 16:21 Page 1.09
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T1-NEL.win 4/8/2005 11:15
-page15
1.09
RENAULT CARD AFSTANDSBEDIENING: handsfree functie (vervolg)
Vergrendelen van de portieren
en de achterklep
Met de RENAULT card bij u, drukt
u, als de portieren en de achterklep
gesloten zijn, op de knop 4 op één
van de handgrepen 2 of op de knop
5 van de achterklep.
Het vergrendelen ziet u aan het twee
keer oplichten van de knipperlich-
ten en de zijknipperlichten.
N.B.: de RENAULT card moet zich
in de toegangszone van de auto be-
vinden om het vergrendelen met de
knoppen mogelijk te maken.
Als een portier (of de achterklep) ge-
opend of niet goed gesloten is, of als
eencardindelezerzit,wordende
portieren snel vergrendeld en weer
ontgrendeld en knipperen de knip-
perlichten en de zijknipperlichten
niet.
Als u de vergrendeling wilt contro-
leren na een vergrendeling door de
RENAULT card of met de knoppen
in de handgrepen, heeft u ongeveer
drie secondes om de portierhand-
grepen te bedienen zonder te ont-
grendelen.
Daarna is de handsfree functie op-
nieuw actief en zorgt elke bediening
van de handgreep voor het ontgren-
delen van de portieren.
Verantwoordelijkheid
van de bestuurder
Laat uw RENAULT card
nooit in de auto liggen
als u de auto verlaat en er een
kind (of dier) in de auto zit. Het
kind zou de auto kunnen starten
of de ruiten kunnen bedienen en
zich ernstig kunnen verwonden
aan hals, arm, of hand als deze
uit de auto steken. Gevaar voor
ernstige verwondingen.
2
NU747_3_G1-FRA.qxd 15/06/05 16:21 Page 1.10
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T1-NEL.win 4/8/2005 11:15
-page16
1.10
RENAULT CARD : extra portiervergrendeling
Extra portiervergrendeling
(voor sommige landen)
Metdezefunctiewordendeportie-
ren vergrendeld en kunnen ze niet
van binnenuit geopend worden (in
geval van het inslaan van een ruit,
waarna iemand wil proberen de
portieren van binnenuit te openen).
Om de extra portiervergrende-
ling in te schakelen
-tweekeersnelachterelkaar
knop 2 indrukken.
-oftweekeersnelachterelkaarde
knop van de portierhandgrepen
aan de buitenkant of van het logo
van de achterklep indrukken.
Het vergrendelen ziet u aan het vijf
keer oplichten van de knipperlich-
ten.
Gebruik nooit de extra por-
tiervergrendeling als er nog
iemand in de auto zit!
1
2
NU747_3_G1-FRA.qxd 15/06/05 16:21 Page 1.11
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T1-NEL.win 4/8/2005 11:15
-page17
1.11
PORTIEREN OPENEN EN SLUITEN
Openen van buitenaf
Na het ontgrendelen van de auto
met behulp van de afstandsbedie-
ning, de sleutel of met de RENAULT
card bij u, trekt u aan handgreep 1.
Openen van binnenuit
Trek aan de handgreep 2.
Waarschuwingssignaal verlich-
ting brandt nog
Als bij het openen van een voorpor-
tier de lichten nog branden terwijl
het contact is afgezet dan klinkt er
een signaal om u te waarschuwen.
Waarschuwing portier vergeten
te sluiten
Als een portier of de achterklep geo-
pend of niet goed gesloten is en de
auto een snelheid van ongeveer
7 km/u bereikt, verschijnt een con-
trolelampje op het instrumentenpa-
neel tezamen met een van de berich-
ten achterklep openof portieren
open afhankelijk van de auto.
Waarschuwing card vergeten
Als bij het openen van het bestuur-
dersportier de card nog in de lezer
zit, verschijnt de boodschap kaart
verwijderen op het instrumenten-
paneel en klinkt er een geluidssig-
naal.
4
3
NU747_3_G1-FRA.qxd 15/06/05 16:21 Page 1.12
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T1-NEL.win 4/8/2005 11:15
-page18
1.12
PORTIEREN OPENEN EN SLUITEN (vervolg)
Veiligheid van de kinderen
Auto's met schakelaar 3
Druk op schakelaar 3 om de functies
ruitbediening achter en van binnen-
uit openen van de achterportieren
op te heffen.
Het oplichten van het lampje in de
schakelaar geeft aan dat de portie-
ren vergrendeld zijn.
In geval van storing hoort
u een geluidssignaal en
licht het ingebouwde
controlelampje niet op.
Als de accukabels losge-
maakt zijn geweest, moet u
de vergrendeling van de
achterportieren opnieuw
activeren door te drukken op de
schakelaar 3.
Veiligheid inzittenden ach-
ter
De bestuurder kan de wer-
king van de ruitbediening
en van de achterportieren uitscha-
kelen door de schakelaar 3 aan de
kant van de afbeelding in te druk-
ken.
Verantwoordelijkheid van de
bestuurder
Laat nooit de sleutel in het contact-
slot of de RENAULT card in de auto
zitten als u een kind of een dier in
de auto achterlaat. Het kind zou de
ruitenkunnenbedienenenzich
ernstig kunnen verwonden aan
hals,arm,ofhandalsdezeuitde
auto steken. In geval van beknel-
ling, draait u direct de bewegings-
richting om met behulp van de be-
treffende schakelaar.
Anders
Een achterportier kan niet van bin-
nenuit worden geopend als u het
knopje 4 omzet. Controleer of het
portier inderdaad niet van binnen-
uit geopend kan worden. Herhaal
dit bij het andere achterportier.
2
1
2
3
NU747_3_G1-FRA.qxd 15/06/05 16:21 Page 1.13
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T1-NEL.win 4/8/2005 11:15
-page19
1.13
PORTIEREN VERGRENDELEN / ONTGRENDELEN
Vergrendelen/Ontgrendelen
van buitenaf
Dit gebeurt met de RENAULT af-
standsbediening: raadpleeg de para-
grafen sleutel/afstandsbediening:
algemeen en RENAULT card: al-
gemeen.
In sommige gevallen werken de af-
standsbediening en de RENAULT
card niet:
de auto bevindt zich in een sterk
elektromagnetisch veld;
gebruik van apparaten die op de-
zelfde frequentie als de card wer-
ken (mobiele telefoon, enz.);
batterij van de RENAULT card
leeg, accu ontladen, enz.
Er zijn drie mogelijkheden:
de sleutel van de afstandsbedie-
ning 1,denoodsleutelindecard
(of afzonderlijk 3) te gebruiken al-
leen voor het linker voorportier;
handmatig vergrendelen van elk
van de portieren (raadpleeg de
volgende bladzijdes);
gebruik van de schakelaar in het
interieur voor het vergrendelen/
ontgrendelen van de portieren
(raadpleeg de volgende bladzij-
des).
Gebruik van de sleutel 1 of 3
Steek de sleutel in het slot 2 en ont-
grendel of vergrendel daarna.
A
4
5
4
6
NU747_3_G1-FRA.qxd 15/06/05 16:21 Page 1.14
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T1-NEL.win 4/8/2005 11:15
-page20
1.14
VERGRENDELEN / ONTGRENDELEN VAN DE PORTIEREN (vervolg)
Vergrendelen/ontgrendelen van
de portieren van buitenaf
(vervolg)
Gebruik van de noodsleutel 4 in de
RENAULT card
Steek het uiteinde van de noodsleu-
tel 4 in de uitsparing 5.
Maak een beweging naar boven om
het afdekplaatje A te verwijderen.
Steek de sleutel 4 in het slot en ver-
grendel of ontgrendel het linker
voorportier.
Handmatig vergrendelen van elk
van de portieren
Bijopenportiermoetudedop6
verwijderen, de schroef draaien met
behulp van de sleutel en daarna het
portier sluiten. Nu is het portier van
buitenaf vergrendeld.
Het openen kan alleen van binnen-
uit gebeuren of met de sleutel voor
het linker voorportier.
7
NU747_3_G1-FRA.qxd 15/06/05 16:21 Page 1.15
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T1-NEL.win 4/8/2005 11:15
-page21
1.15
VERGRENDELEN / ONTGRENDELEN VAN DE PORTIEREN (vervolg)
Vergrendelen/ontgrendelen van
buitenaf
(vervolg)
Gebruik van de schakelaar in het
interieur voor het vergrendelen/
ontgrendelen van de portieren.
Bij stilstaande motor en een open
voorportier, druk langer dan vijf se-
condes op de schakelaar 7.
Bij het sluiten van het portier wor-
den alle portieren en kleppen ver-
grendeld.
Het ontgrendelen van buitenaf van
de auto is alleen mogelijk met de
sleutel, de RENAULT card of de
noodsleutel.
N.B.: zorg dat u uw sleutel en uw
RENAULT card bij u heeft als u uw
auto verlaat
Vergrendelen/ontgrendelen van
binnenuit: knop 7
Deze bedient tegelijk de portieren,
de achterklep en de tankdopklep.
Alseenportieropenofnietgoedge-
sloten is, vergrendelen/ontgrende-
len de portieren snel.
In bepaalde gevallen kan het nodig
zijn met een open portier te vergren-
delen(vervoervaneenvoorwerp
met geopende achterklep). Stop in
dat geval de motor, zet het contact
uit, een druk van langer dan vijf se-
condes op knop 7 vergrendelt alle
portieren.
Waarschuwingslampje van de
portieren
Het lampje in knop 7 informeert u
over de staat van de portiervergren-
deling:
- als de portieren vergrendeld zijn,
brandt het lampje;
- als de portieren ontgrendeld zijn,
brandt het lampje niet.
Als u de portieren vergrendelt, licht
het lampje op en blijft het ongeveer
een minuut branden waarna het
dooft.
Verantwoordelijkheid
van de bestuurder
Laat nooit uw sleutel in
het contactslot achter of
een RENAULT card in de auto
liggen als u de auto verlaat.
Bedenk dat het rijden met ver-
grendelde portieren een belem-
mering kan zijn voor hulpverle-
ners in geval van nood.
1
NU747_3_G1-FRA.qxd 15/06/05 16:21 Page 1.16
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T1-NEL.win 4/8/2005 11:15
-page22
1.16
AUTOMATISCHE PORTIERVERGRENDELING TIJDENS HET RIJDEN
Bedenk eerst of u deze functie wilt
gebruiken of niet.
Inschakelen van de functie
Afhankelijk van de auto, met con-
tact aan of draaiende motor, drukt
u gedurende ongeveer 5 secondes
op de knop 1 van de elektrische por-
tiervergrendeling, tot u een piep
hoort.
Uitschakelen van de functie
Afhankelijk van de auto, met con-
tact aan of draaiende motor, drukt
u gedurende ongeveer 5 secondes
op de knop 1 van de elektrische por-
tiervergrendeling, tot u een piep
hoort.
Bedenk dat het rijden
met vergrendelde portie-
ren een belemmering kan
zijn voor hulpverleners
in geval van nood.
De werking van het systeem
Na het wegrijden van de auto, ver-
grendelen de portieren automatisch
als de auto de snelheid van onge-
veer 7 km/u heeft bereikt.
De portieren ontgrendelen automa-
tisch
- als u op de schakelaar 1 voor het
ontgrendelen van de portieren
drukt.
- bij stilstaande auto door het ope-
nen van een voorportier.
N.B.: na het openen van een por-
tier vergrendelt dit weer automa-
tisch zodra de auto 7 km/u rijdt;
Bij een storing
Als u een storing constateert (geen
automatische vergrendeling, licht
het lampje dat in schakelaar 1 geïn-
tegreerd is, niet op bij het vergren-
delen van de portieren, enz.) contro-
leer eerst of alle portieren goed
gesloten zijn. Als de portieren goed
gesloten zijn, moet u een RENAULT-
dealer raadplegen.
1
1
NU747_3_G1-FRA.qxd 15/06/05 16:21 Page 1.17
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T1-NEL.win 4/8/2005 11:15
-page23
1.17
STARTVERGRENDELING
Dit systeem zorgt ervoor dat de mo-
tor alleen kan worden gestart door
de eigenaar/gebruiker die beschikt
over de startcode-contactsleutel of
de card van de auto.
De auto wordt automatisch na enke-
le secondes na het stilzetten van de
motor beveiligd.
De werking van het systeem
Bij het starten van de motor, gaat het
controlelampje 1 enkele secondes
continu branden en dooft daarna
(raadpleeg de paragraaf starten van
de motor in hoofdstuk 2).
Het kan gevaarlijk zijn
om werkzaamheden uit
te voeren aan het systeem
van de startvergrende-
ling (rekeneenheid, bedrading
enz.). Dit mag alleen door des-
kundig RENAULT-personeel
worden gedaan.
Indicatie van de beveiliging
Na het stilzetten van de motor, knip-
pert het controlelampje 1 en is de
auto beveiligd.
Waarschuwingslampje storing
Als het lampje na een startpoging
blijft knipperen of permanent blijft
branden, wijst dit op een storing in
het systeem.
Gebruik in dat geval de tweede sleu-
telofdetweedecard(bijdeautoge-
leverd). Raadpleeg als het probleem
aanhoudt uw RENAULT-dealer. Hij
is de enige die aan de startvergren-
deling mag werken.
Als de handsfree RENAULT card
niet is herkend of is verstoord, steek
deze dan in de lezer.
1
2
3
NU747_3_G1-FRA.qxd 15/06/05 16:21 Page 1.18
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T1-NEL.win 4/8/2005 11:15
-page24
1.18
HOOFDSTEUNEN VOOR
Hoofdsteun hoger zetten
Trek de hoofdsteun tot de gewenste
hoogte omhoog.
Hoofdsteun lager zetten
Druk op de knop 1en duw de hoofd-
steun tot de gewenste stand omlaag.
Verwijderen van de hoofdsteun
Zet de hoofdsteun zo ver mogelijk
omhoog. Druk op de knop 2 en trek
de hoofdsteun omhoog tot hij vrij-
komt.
N.B.: verander, als de hoofdsteun
naar buiten is getrokken, niet de
stand van de poten 3.
Hoofdsteun terugplaatsen
Als de afstelling van de poten gewij-
zigd is, trekt u de poten 3 zoveel mo-
gelijk naar buiten (let op hun uitlij-
ning en hun reinheid) en controleer,
in geval van moeilijkheden, of de
vertanding naar voren is gekeerd.
Steek de poten van de hoofdsteun in
de houders (zet de rugleuning in-
dien nodig schuin naar achteren).
Druk de hoofdsteun naar binnen tot
deze blokkeert, controleer de ver-
grendeling.
Druk op de knop 1 en duw de hoofd-
steun zo ver mogelijk omlaag.
De hoofdsteun is een veiligheidsorgaan dat altijd op zijn plaats
moet zitten. Hij geeft een maximale beveiliging als de bovenkant
van de hoofdsteun op gelijke hoogte is met de kruin.
A
1
NU747_3_G1-FRA.qxd 15/06/05 16:21 Page 1.19
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T1-NEL.win 4/8/2005 11:15
-page25
1.19
HOOFDSTEUN ACHTER
Gebruiksstanden
Door op knop A van grendel 1 te
drukken, zet u de hoofdsteun zo
hoog mogelijk om hem in de hoge
stand te gebruiken. Schuif hem naar
beneden tot hij blokkeert om hem in
de lage stand te gebruiken.
Verwijderen
Druk op knop A van grendel 1 en
verwijder de hoofdsteun.
Terugplaatsen:
Plaats de poten van de hoofdsteun
in de geleiders, druk op het lipje van
elke poot en schuif de hoofdsteun
naar beneden.
Opbergstand
Druk op knop A en zet de hoofd-
steun helemaal naar beneden.
De hoofdsteun in de onderste stand
(opbergstand), is alleen toegestaan
als de hoofdsteun niet gebruikt
wordt. Indien er een passagier op de
stoel zit, mag de hoofdsteun niet in
de onderste stand gebruikt worden.
N.B.: voor een auto met geïntegreer-
de kinderhoofdsteun, raadpleeg pa-
ragraaf kinderhoofdsteun in
hoofdstuk 1
De hoofdsteun is een veilig-
heidsorgaan, dat altijd op
zijn plaats moet zitten.
1
3
2
NU747_3_G1-FRA.qxd 15/06/05 16:21 Page 1.20
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T1-NEL.win 4/8/2005 11:15
-page26
1.20
VOORSTOELEN
Naar voren of naar achteren
schuiven
Til de hendel 1 onder de stoel op om
te ontgrendelen. In de gewenste
stand laat u de hendel los en contro-
leert u de vergrendeling van de
stoel.
Om veiligheidsredenen
mogen deze afstellingen
alleen uitgevoerd wor-
den als de auto stilstaat.
Hoogte van de zitting van de be-
stuurdersstoel verstellen:
Beweeg de hendel 2 zo vaak als dit
nodig is:
- naar boven voor omhoog;
- naar beneden voor omlaag.
Stoelverwarming
Druk, met contact aan, op de scha-
kelaar 3 vandegewenstestoel.Het
controlelampje in de schakelaar
licht op.
Dit thermostatische systeem bepaalt
of de verwarming nodig is of niet.
5
4
6
NU747_3_G1-FRA.qxd 15/06/05 16:21 Page 1.21
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T1-NEL.win 4/8/2005 11:15
-page27
1.21
VOORSTOELEN (vervolg)
Rugleuning verstellen
Draai de kartelknop 5 tot de rugleu-
ning in de gewenste stand staat.
Lendensteun van de bestuur-
dersstoel verstellen
Beweeg hendel 4.
Toegang tot de achterbank
(driedeurs uitvoeringen)
Trek hendel 6 omhoog, kantel de
rugleuning en beweeg de stoel naar
voren.
Omdestoelinzijnbeginstandte
zetten (stand in geheugen afhanke-
lijk van de auto):
- beweeg de stoel naar achteren tot
hij vergrendelt;
- zet de rugleuning omhoog tot hij
vergrendelt.
Controleer of de stoel goed vergren-
deld is.
1
2
NU747_3_G1-FRA.qxd 15/06/05 16:21 Page 1.22
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T1-NEL.win 4/8/2005 11:15
-page28
1.22
AUTOGORDELS
Gebruik tijdens het rijden altijd de
autogordel. Het niet dragen van de
gordel is gevaarlijk en strafbaar.
Voordat u wegrijdt:
- stel eerst de stoel af in de voor u
ideale stand,
-enstelvervolgensdegordelopde
hierna aangegeven wijze af.
Een verkeerd afgestelde
autogordel kan bij een
ongeval letsel veroorza-
ken.
Zwangere vrouwen moeten ook
hun gordel dragen. Let in dat ge-
val op dat de heupgordel niet te
veel op de onderbuik drukt, zon-
der dat de gordel te los gedragen
wordt.
De juiste zithouding
Ga goed diep in uw stoel zitten
(na uw mantel, jas enz. uitgetrok-
ken te hebben). Dit is belangrijk
voor een goede ondersteuning
van de rug.
Verschuif de stoel zodat u mak-
kelijk bij de pedalen kunt komen.
Plaats de stoel zo ver naar achte-
ren dat u het koppelingspedaal
nog net geheel kunt indrukken.
Stel de rugleuning zo af dat u de
armen moet strekken om bij de
bovenkant van het stuurwiel te
kunnen komen.
Stel de hoofdsteun af. Voor een
maximale veiligheid moet de bo-
venkant van de hoofdsteun op de-
zelfde hoogte als de bovenkant
van het hoofd staan.
Stel de hoogte van het zitkussen
af. Verstel het kussen om een zo
goed mogelijk zicht op het ver-
keer te hebben.
Stel de stand van het stuurwiel
af.
Afstellen van de autogordel
Ga goed tegen de rugleuning aan zit-
ten.
De band van de schoudergordel 1
moet zo dicht mogelijk langs de hals
over de schouder lopen.
De band van de heupgordel 2 moet
vlak over de heupen langs het bek-
ken lopen.
De autogordel moet zo direct moge-
lijk tegen het lichaam gedragen wor-
den en niet over bijv. te dikke kle-
ding of over ertussen gestoken
voorwerpen.
6
4
3
5
1
2
NU747_3_G1-FRA.qxd 15/06/05 16:21 Page 1.23
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T1-NEL.win 4/8/2005 11:15
-page29
1.23
AUTOGORDELS (vervolg)
Hoogteverstelling van de auto-
gordels
Kantel knop 3 om de hoogte van de
schoudergordel 1 zo goed mogelijk
aan uw postuur aan te passen.
Controleer na het afstellen of de
knop weer goed is vergrendeld.
Vergrendelen
Trek de band van de gordel rustig
over u heen en druk de gesp 4 in de
sluiting 6 (trek aan de gesp 4 om te
controleren of hij goed vastzit). Als
de gordel blokkeert, moet u de band
eenstukteruglatengaanenop-
nieuw rustig over u heen trekken.
Vastmaken (vervolg)
Indien de gordel niet vrijkomt:
- trekt u de gordel langzaam maar
krachtig ongeveer 3 cm naar bui-
ten;
- laat u de gordel zichzelf oprollen;
- rolt u de gordel opnieuw af;
- als de gordel nog niet te gebruiken
is, moet u een RENAULT-dealer
raadplegen.
Ontgrendelen
Druk op de rode knop 5 van de slui-
ting 6, de gordel wordt nu door het
oprolmechanisme teruggetrokken.
Het oprollen gaat soepeler als u de
gesp met de hand begeleidt.
1
4
2
4
2
3
3
NU747_3_G1-FRA.qxd 15/06/05 16:22 Page 1.24
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T1-NEL.win 4/8/2005 11:15
-page30
1.24
AUTOGORDELS (vervolg)
Gordels bij de zitplaatsen aan
de zijkant achter 1
Het vergrendelen, ontgrendelen en
afstellen gebeuren op dezelfde ma-
nier als bij de voorste gordels.
Middelste gordel
Rol de riem 3 langzaam uit zijn hou-
der, klik vervolgens de gesp 2 in de
bijbehorende zwarte sluiting.
Klik de verschuifbare gesp 4 in de
bijbehorende rode sluiting.
Controleer de plaats en
werking van de autogor-
del achterin na het kante-
len van de achterbank.
NU747_3_G1-FRA.qxd 15/06/05 16:22 Page 1.25
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T1-NEL.win 4/8/2005 11:15
-page31
1.25
AUTOGORDELS (vervolg)
De volgende raadgevingen gelden voor de autogordels voor en achter.
Verander niets aan de oorspronkelijke onderdelen van het veiligheidsmechanisme, aan de bevestiging ervan
of aan die van de stoelen.
Raadpleeg uw RENAULT-dealer voor het monteren van bijv. een kinderzitje.
Zorg dat er geen voorwerpen tussen de riemen worden gestoken die speling kunnen veroorzaken (wasknijpers, klem-
metjes, enz.): een autogordel die te los zit, kan verwondingen veroorzaken in geval van een ongeluk.
Draag nooit de schoudergordel achter de rug of onder de arm langs aan de kant van het portier.
Een autogordel mag nooit door meer personen tegelijk gebruikt worden; sla uw gordel nooit om een baby of een kind
heen dat op uw schoot zit.
De gordel mag niet gedraaid zijn.
Autogordels die in gebruik waren tijdens een ernstige aanrijding moeten altijd vervangen worden, Gordels die bescha-
digingen vertonen moeten ook worden vervangen.
Let er bij het terug kantelen van de achterbank op dat de autogordels weer op de juiste wijze gebruikt kunnen worden.
Stel indien nodig de stand en de spanning van de gordel af op uw postuur.
Let op dat de gesp van de gordel in de juiste sluiting vastzit.
3
2
1
NU747_3_G1-FRA.qxd 15/06/05 16:22 Page 1.26
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T1-NEL.win 4/8/2005 11:15
-page32
1.26
AANVULLENDE VEILIGHEIDSVOORZIENINGEN VOORIN
Dit zijn:
gordelspanners,
gordelspanners van de heupgor-
del (voor de vijfdeurs uitvoe-
ring),
krachtbegrenzers voor de be-
scherming van de thorax,
de frontale airbags voor de be-
stuurder en passagier,
zittingairbags (voor de driedeurs
uitvoering).
Deze systemen worden gelijktijdig
of afzonderlijk, afhankelijk van de
ernst van de aanrijding, geactiveerd
bij een botsing aan de zij- of achter-
kant.
Afhankelijk van de ernst van de
aanrijding, kan het systeem de vol-
gende middelen activeren:
- de blokkering van de autogordel;
- de gordelspanner van de heupgor-
del of de zittingairbag om de inzit-
tende tegen zijn stoel te drukken,
de kleine frontale airbag en de
krachtbegrenzers;
- de grote airbag.
Gordelspanners
Bij contact aan, kan tijdens een ern-
stige frontale aanrijding, afhankelijk
van de ernst van de schok, het sys-
teem de volgende onderdelen acti-
veren:
- de plunjer 1 die onmiddellijk de
gordel strak trekt;
-de zuiger 2 op de voorstoelen
(voor de vijfdeurs uitvoering), of
de zittingairbag 3 (voor de drie-
deurs uitvoering).
De gordelspanners dienen ervoor
om de autogordel strak tegen het
lichaamtetrekkenendaardoorde
inzittende in zijn stoel te drukken
wat de effectiviteit van de gordel
verhoogt.
Laat al deze veiligheids-
voorzieningen controle-
ren na een aanrijding.
Het is streng verboden zelf werk-
zaamheden uit te voeren aan het
gehele systeem (gordelspanners,
airbags, rekeneenheden, bedra-
ding) of deze in een andere auto
over te zetten.
Om te voorkomen dat het sys-
teem ten onrechte in werking
komt, mag uitsluitend deskundig
RENAULT-personeel aan de gor-
delspanners en airbags werken.
Het elektrische ontstekingsme-
chanisme van de gordelspanners
mag uitsluitend door speciaal
opgeleid personeel met speciaal
gereedschap worden gecontro-
leerd.
Laat de gaspatronen van de gor-
delspanners en de airbags door
een RENAULT-dealer verwijde-
ren voordat de auto wordt ge-
sloopt.
A
NU747_3_G1-FRA.qxd 15/06/05 16:22 Page 1.27
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T1-NEL.win 4/8/2005 11:15
-page33
1.27
AANVULLENDE VEILIGHEIDSVOORZIENINGEN VOORIN (vervolg)
Krachtbegrenzer van borstkas
en bekken
Vanaf een bepaalde hevigheid van
de schok van de aanrijding komt dit
mechanisme in werking om de
kracht die de gordel op het lichaam
uitoefent te begrenzen tot een draag-
lijk niveau.
Airbag links en rechts
Deze bevindt zich bij de linker en
rechter voorstoel.
Het opschrift Airbagop het stuur-
wiel en afhankelijk van de auto, het
dashboard (zone van de airbag A)en
een pictogram aan de onderkant van
de voorruit herinneren aan de aan-
wezigheid van deze uitrusting.
De airbags hebben:
- een airbag en een gaspatroon in
het stuurwiel voor de bestuurder
en in het dashboard voor de passa-
gier;
- een intelligente elektronische re-
keneenheid, gemeenschappelijk
voor beide airbags, met een inge-
bouwde botsdetector die de aanrij-
ding registreert en de elektrische
ontsteking van het gaspatroon ac-
tiveert;
- een gemeenschappelijk waar-
schuwingslampje op het in-
strumentenpaneel.
Bij het afgaan van de airbag vindt
een explosie plaats waardoor
warmte en rook vrijkomen zonder
enig brandgevaar en er klinkt een
luide knal. De airbag die onmiddel-
lijk naar buiten komt, kan onge-
vaarlijke, lichte schaafwonden
veroorzaken.
1 1
NU747_3_G1-FRA.qxd 15/06/05 16:22 Page 1.28
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T1-NEL.win 4/8/2005 11:15
-page34
1.28
AANVULLENDE VEILIGHEIDSVOORZIENINGEN VOORIN (vervolg)
Werking
Het systeem werkt alleen als het
contact aanstaat.
Bij een zware frontale aanrijding,
worden de airbags opgeblazen die
de klap opvangen van het hoofd en
de borstkas van de bestuurder tegen
het stuurwiel en van de passagier te-
gen het dashboard. Daarna lopen de
airbags direct weer leeg om het ver-
laten van de auto niet te bemoeilij-
ken.
Bijzonderheid van de frontale
airbag
Afhankelijk van de kracht van de
schok zijn er twee mogelijkheden:
- de kleine airbag die zich als eerste
ontplooit;
- de grote airbag, stroken scheuren
open, waardoor er een groter volu-
me in de airbag vrijkomt (bij een
zwaardere botsing).
Storingen
Het lampje 1 op het instru-
mentenpaneel gaat branden als het
contact wordt aangezet en dooft na
enkele secondes.
Als het niet oplicht bij het aanzetten
vanhetcontactofalshetoplichtbij
draaiende motor, wijst dit op een
storing in het systeem.
Laat het systeem direct door uw
RENAULT-dealer controleren en
indien nodig herstellen. Wacht u
hier te lang mee dan betekent dat,
dat de bescherming in de tussenlig-
gende periode misschien niet opti-
maal is.
NU747_3_G1-FRA.qxd 15/06/05 16:22 Page 1.29
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T1-NEL.win 4/8/2005 11:15
-page35
1.29
AANVULLENDE VEILIGHEIDSVOORZIENINGEN VOORIN (vervolg)
Hier volgt een aantal aanwijzingen om elke belemmering bij het opblazen van de airbag of verwonding door rondvliegen-
de voorwerpen te voorkomen.
Waarschuwingen inzake de airbag in het stuurwiel
Verander niets aan het stuurwiel of de naafdop.
Dek de naafdop niet af.
Bevestig geen voorwerpen (speldjes, logo's, klokje, telefoonhouder, enz.) op het stuurwiel.
Het stuurwiel mag niet worden gedemonteerd. Uitsluitend speciaal opgeleide RENAULT-monteurs mogen deze werk-
zaamheden uitvoeren.
Ga niet te dicht achter het stuurwiel zitten, maar rijd met licht gebogen armen (raadpleeg de paragraaf afstellen juiste
zithouding in hoofdstuk 1). Zo blijft er voldoende ruimte over voor een goede en effectieve bescherming door de air-
bag.
Waarschuwingen inzake de airbag in het dashboard
Plak of bevestig niets op het dashboard (speldjes, logo's, klokjes enz.) in de airbagzone.
Houd de ruimte tussen het dashboard en de voorpassagier vrij (geen dier of pakjes op schoot, geen paraplu of wandel-
stok tegen het dashboard zetten).
Laat de passagier nooit zijn voeten op het dashboard leggen. Dit kan zeer gevaarlijk zijn. Kom niet te dicht (met knie-
ën, hoofd of handen) bij het dashboard.
Zodra het kinderzitje van een passagiersstoel verwijderd is, moet u de airbags weer inschakelen om de passagier bij
een botsing te beschermen.
Waarschuwingen inzake de zittingairbag
Door het in werking komen van de zittingairbag kunnen voorwerpen, die eventueel op de zitting van de stoel zijn ge-
plaatst, met kracht weggeslingerd worden.
HET IS VERBODEN EEN KINDERZITJE ACHTERSTEVOREN OP DE PASSAGIERSSTOEL VOOR TE PLAATSEN
ZOLANG DE AIRBAGS VAN DE VOORPASSAGIER NIET UITGESCHAKELD ZIJN. (Raadpleeg de paragraaf uitscha-
kelen van de passagiersairbags voorin in hoofdstuk 1.)
NU747_3_G1-FRA.qxd 15/06/05 16:22 Page 1.30
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T1-NEL.win 4/8/2005 11:15
-page36
1.30
AANVULLENDE VEILIGHEIDSVOORZIENINGEN ACHTERIN
Afhankelijk van de auto bestaan de-
ze uit:
gordelspanners in het oprolme-
chanisme voor de gordels aan de
zijkant,
krachtbegrenzers.
Deze voorzieningen worden gelijk-
tijdig of afzonderlijk, afhankelijk
van de ernst van de aanrijding, geac-
tiveerd bij een frontale botsing.
Afhankelijk van de ernst van de
aanrijding zijn er twee mogelijkhe-
den:
- alleen de autogordel beschermt de
inzittenden;
- de gordelspanners worden geacti-
veerd om de gordel strak tegen het
lichaam van de inzittenden te
spannen.
Gordelspanners achter
Het systeem werkt alleen als het
contact aan staat.
Bij een ernstige frontale aanrijding
wordtdegordelopnieuwopgerold
waardoor de gordel strak tegen het
lichaam komt en de effectiviteit er-
van wordt verbeterd.
Laat al deze veiligheids-
voorzieningen controle-
ren na een aanrijding.
Het is streng verboden zelf werk-
zaamheden uit te voeren aan het
gehele systeem (gordelspanners,
airbags, rekeneenheden, bedra-
ding) of deze in een andere auto
over te zetten.
Om te voorkomen dat het sys-
teem ten onrechte in werking
komt, mag uitsluitend deskundig
RENAULT-personeel aan de gor-
delspanners en airbags werken.
Het elektrische ontstekingsme-
chanisme van de gordelspanners
mag uitsluitend door speciaal op-
geleid personeel met speciaal ge-
reedschap worden gecontro-
leerd.
Laat de gaspatronen van de gor-
delspanners en de airbags door
een RENAULT-dealer verwijde-
ren voordat de auto wordt ge-
sloopt.
Krachtbegrenzer
Vanaf een bepaalde hevigheid van
de schok van de aanrijding komt dit
mechanisme in werking om de
kracht die de gordel op het lichaam
uitoefent te begrenzen tot een draag-
lijk niveau.
NU747_3_G1-FRA.qxd 15/06/05 16:22 Page 1.31
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T1-NEL.win 4/8/2005 11:15
-page37
1.31
BEVESTIGINGSMIDDELEN AAN DE ZIJKANT
Zijairbags
De zijairbag is aan de kant van het
portier ondergebracht in de rugleu-
ning van elk van de voorstoelen en
komt in werking om de inzittende te
beschermen bij een zware aanrij-
ding tegen de zijkant.
Zijruitairbags
Dit is een airbag die zich aan de zij-
kant boven kan bevinden en die
zich ontplooit langs de zijruiten
voor en achter om de inzittende te
beschermen bij een zware aanrij-
ding tegen de zijkant.
Demontage of wijziging
van de stoel en de interi-
eurbekleding is verbo-
den, tenzij dit gebeurt
door deskundig RENAULT-per-
soneel.
Een markering op de voorruit en
op de bekleding bij de achterruit
herinnert u aan de aanwezigheid
van aanvullende veiligheids-
voorzieningen (airbags, gordel-
spanners, enz.) in het interieur.
Waarschuwingen inzake de zijairbag
Stoelhoezen: voor de stoelen met zijairbags zijn speciale stoelhoe-
zen nodig. Raadpleeg uw RENAULT-dealer om te weten of dergelij-
ke hoezen voor uw auto bestaan in de RENAULT Boutique. Het gebruik van
andere hoezen (of hoezen die bestemd zijn voor een ander model) kan de
goede werking van de zijairbag belemmeren en daardoor de veiligheid van
de inzittenden in gevaar brengen.
Plaats geen accessoires, voorwerpen of dieren tussen de rugleuning, het
portier en de interieurbekleding. Dek de rugleuning van de stoel ook nooit
af met bijvoorbeeld kleding of accessoires. De werking van de airbag kan
hierdoor belemmerd worden en verwondingen veroorzaken als de airbag
wordt geactiveerd.
De spleten in de rugleuningen voor (aan de kant van het portier) komen
overeen met de zone waarbinnen de airbag zich kan opblazen: het is verbo-
den hier voorwerpen in te stoppen.
NU747_3_G1-FRA.qxd 15/06/05 16:22 Page 1.32
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T1-NEL.win 4/8/2005 11:15
-page38
1.32
AANVULLENDE BEVESTIGINGSMIDDELEN
Hier volgt een aantal aanwijzingen om elke belemmering bij het opblazen van de airbag(s) of verwonding door rondvlie-
gende voorwerpen te voorkomen.
De airbag is een aanvullende bescherming bij het gebruik van de autogordel. Beide organen vormen een veilig-
heidssysteem. De gordel moet altijd worden gedragen. Het niet dragen kan bij een ongeval de inzittenden bloot-
stellen aan zeer zware verwondingen en de gevolgen van de werking van de airbag verergeren.
Bij een botsing, zelfs een zware, tegen de achterkant of bij het over de kop gaan van de auto worden de gordel-
spanners of de airbags niet altijd geactiveerd. Zware stoten onder de auto veroorzaakt door stoepen, gaten in het wegdek,
stenen, kunnen de airbagsystemen activeren.
Het is streng verboden zelf werkzaamheden uit te voeren aan airbagsystemen (rekeneenheid, bedrading enz.). Deze
mogen uitsluitend door speciaal opgeleide RENAULT-monteurs worden gecontroleerd en gerepareerd.
Om te voorkomen dat de airbag(s) ten onrechte wordt opgeblazen of juist niet als dat wel nodig zou zijn, mag uitslui-
tend deskundig RENAULT-personeel aan het systeem werken.
Laat het airbagsysteem controleren na (een poging tot) diefstal van de auto.
Als u de auto uitleent of verkoopt, breng de nieuwe berijder/eigenaar dan op de hoogte van deze bijzonderheden door
hem dit instructieboekje bij de auto te leveren.
Laat de gaspatro(o)n(en) door een RENAULT-dealer verwijderen voordat de auto wordt gesloopt.
NU747_3_G1-FRA.qxd 15/06/05 16:22 Page 1.33
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T1-NEL.win 4/8/2005 11:15
-page39
1.33
VOOR DE VEILIGHEID VAN DE KINDEREN
Het gebruik van bevestigingsmidde-
len voor baby's en kinderen is aan
wettelijke bepalingen gebonden.
In Europa moeten kinderen onder
de 10 jaar
(1)
verplicht vastgemaakt
worden met een goedgekeurde
voorziening die aan het gewicht en
de lengte van het kind aangepast is.
Voor het juiste gebruik van deze
voorzieningen is de bestuurder van
de auto verantwoordelijk.
Door het verscherpen van de eisen
die aan kinderzitjes worden gesteld
zijn moderne kinderzitjes veiliger
dan oude modellen.
Kies daarom uitsluitend een kinder-
zitje dat ten minste voldoet aan de
Europese norm ECE 44.
Deze herkent u aan het oranje etiket
met de letter E gevolgd door het
nummer van het land en het jaar
waarin het is goedgekeurd.
Raadpleeg de brochure Uitrustin-
gen voor de veiligheid van de kinde-
ren, die verkrijgbaar is bij de
RENAULT-dealer, om het kinder-
zitje te kiezen dat voor uw kind ge-
schikt is en aanbevolen wordt voor
uw auto.
(1) Houd u altijd aan de wettelijke voor-
schriften van het land waar u reist.
Deze kunnen anders zijn dan de hier-
boven genoemde bepalingen.
U moet weten dat een botsing met
50 km/u overeenkomt met een val
van 10 meter hoogte. Anders ge-
zegd: het niet vastmaken van een
kind is hetzelfde als het laten spelen
opeenbalkonzonderbalustradeop
de vierde verdieping!
Baby's en kinderen mogen
niet vervoerd worden op de
schoot van de inzittenden
van de auto.
Bij een frontale botsing bij 50 km/u,
verandert een kind van 30 kg in een
projectiel van een ton: u kunt het
onmogelijk meer vasthouden, zelfs
als u in de gordel vastzit.
Het is ook gevaarlijk een kind dat
op schoot zit vast te maken. Maak
nooit twee personen vast met één
gordel.
Op bepaalde passagiersstoelen mo-
gen geen kinderzitjes bevestigd wor-
den.
Raadpleeg de tabel op de volgende
bladzijde voor het gebruik van de
kinderzitjes en de plaatsen die hier-
voor geschikt zijn.
Voordat u een kinderzitje op de
voorstoel plaatst (indien dit toege-
staan is)
Stel de passagiersstoel, indien mo-
gelijk, op de volgende manier af:
- zet de passagiersstoel zoveel mo-
gelijk naar achter;
- zet de rugleuning iets schuin naar
achteren;
- zet de zitting in de hoogste stand;
- zet de hoogteafstelling van de gor-
delindelagestand.
Voordat u een kinderzitje op de
achterzitting aan zijkant plaatst
(indien dit toegestaan is)
- zet de hoofdsteun omhoog of ver-
wijder hem indien nodig;
- zet de voorstoel in de op de vol-
gende bladzijde aanbevolen stand.
NU747_3_G1-FRA.qxd 15/06/05 16:22 Page 1.34
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T1-NEL.win 4/8/2005 11:15
-page40
1.34
VOOR DE VEILIGHEID VAN DE KINDEREN
Type kinderzitje Gewicht van
het kind
Grootte van
het zitje
(2)
Zitplaatsen passagier
Zitplaats
voorpassagier
(1) (3) (4)
Zitplaatsen
achter aan de
zijkanten
Achterplaats
midden
(6)
Reiswieg dwars
Goedgekeurd voor groep 0
<10kg F-G X U-IL
(5)
Schaal achterstevoren geplaatst
Goedgekeurd voor groep 0 of 0+
<13kg E U-IL U-IL U
Kinderzitje achterstevoren geplaatst
Goedgekeurd voor groep 0+
<13kg D U-IL U-IL U
Kinderzitje achterstevoren geplaatst
Goedgekeurd voor groep 1
9 kg tot 18 kg
C U-IL U-IL
(7)
U
Kinderzitje vooruit geplaatst
Goedgekeurd voor groep 1
9 kg tot 18 kg
B, B1 X U - IUF - IL
(8) (9)
U
Kinderzitje vooruit geplaatst
Goedgekeurd voor groep 1
9 kg tot 18 kg
A X U - IUF - IL
(8) (9)
U
Verhoging
Goedgekeurd voor groep 2
15 kg tot 25 kg
XU
(8) (9)
U
Verhoging of gordeladapter
Goedgekeurd voor groep 3 (10)
22 kg tot 36 kg
XU
(8) (9)
U
Geïntegreerd (11)
(1) LEVENSGEVAAR OF GEVAAR VAN ERNSTIGE VERWONDINGEN: Voor het installeren van een achterste-
voren geplaatst kinderzitje op deze plaats, moet u controleren of het uitschakelsysteem van de airbag in de OFF
stand staat.
NU747_3_G1-FRA.qxd 15/06/05 16:22 Page 1.35
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T1-NEL.win 4/8/2005 11:15
-page41
1.35
VOOR DE VEILIGHEID VAN DE KINDEREN (vervolg)
X:Plaats niet geschikt voor het installeren van een kinderzitje.
U:Plaats toegestaan voor bevestiging met autogordel van een kinderzitje dat goedgekeurd is als Universeel voor deze
leeftijdscategorie; controleer of het gemonteerd kan worden.
IUF: Plaats toegestaan voor bevestiging met ISOFIX bevestigingen van een vooruit kijkend kinderzitje dat goedgekeurd is
als Universeel voor deze leeftijdscategorie; controleer of het gemonteerd kan worden.
IL : Plaats toegestaan voor bevestiging met ISOFIX bevestigingen van een kinderzitje en goedgekeurd als semi-univer-
seel of specifiek voor een RENAULT auto; controleer of het gemonteerd kan worden.
Geïntegreerd: Plaats met een goedgekeurd bevestigingssysteem voor een kind R44-03 voor kinderen van 6 tot 10 jaar (raad-
pleeg het hoofdstuk Gebruik van de functie kinderpakket).
Raadpleeg de brochure Uitrustingen voor de veiligheid van de kinderen, die verkrijgbaar is bij uw dealer, om het kin-
derzitje te kiezen dat voor uw kind geschikt is en aanbevolen wordt voor uw auto.
(2) De grootte van het kinderzitje met ISOFIX bevestigingen wordt aangegeven door het logo gevolgd door een let-
ter (A,B,B1,C,D,E,F,G).
(3) Op deze plaats kan uitsluitend een achterstevoren geplaatst kinderzitje geïnstalleerd worden;
(4) Geadviseerd wordt de stoel van de auto zo ver mogelijk naar achteren en de rugleuning met een hoek van ongeveer 25°
(indien afstelbaar) te zetten.
(5) Een reiswieg wordt dwars in de auto gezet en gebruikt 2 plaatsen - Plaats het hoofd van het kind niet aan het kant van
het portier.
(6) De gordel van deze plaats is niet geschikt voor het bevestigen van sommige kinderzitjes.
(7) Zet de voorstoel van de auto zo veel mogelijk naar voren om het kinderzitje te installeren, zet daarna de voorstoel zo ver
mogelijk naar achteren zo dicht mogelijk bij het zitje, maar zonder het te raken.
(8) Plaats de rugleuning van het kinderzitje tegen de rugleuning van de auto; stel de hoogte van de hoofdsteun af of verwij-
der hem, indien nodig.
(9) Voor de veiligheid van het kind, mag u de voorstoel niet verder naar achteren zetten dan halverwege de stelrails en de
rugleuning niet schuiner zetten dan 25°.
(10) Vanaf 10 jaar of een gewicht van meer dan 36 kg of een lengte van meer dan 1,36 m, kan het kind net als een volwasse-
ne rechtstreeks met de autogordel vastgemaakt worden op de zitplaats.
(11) Afhankelijk van de auto. Raadpleeg uw RENAULT-dealer.
1 2
NU747_3_G1-FRA.qxd 15/06/05 16:22 Page 1.36
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T1-NEL.win 4/8/2005 11:15
-page42
1.36
VOOR DE VEILIGHEID VAN DE KINDEREN (vervolg)
De juiste keuze
De veiligheid van de kinderen is af-
hankelijk van u.
Uw auto is uitgerust met het Isofix
systeem, dat is goedgekeurd volgens
het nieuwe reglement ECE 14,
ECE 16.
Om uw kind een maximale veilig-
heid te geven adviseren wij u het ge-
bruik van de Isofix kinderzitjes die
uw RENAULT-dealer u kan leveren.
Raadpleeg in hoofdstuk 1 de para-
graaf bevestigingssysteem van
kinderzitjes - Isofix.
Voor iedere categorie zijn er kinder-
zitjes beschikbaar. Deze zijn ontwik-
keld in samenwerking met de fabri-
kant en getest in RENAULT
automobielen.
Vraag uw RENAULT-dealer om ad-
vies bij het kiezen van het juiste kin-
derzitje en laat hij u helpen bij het
installeren.
Categorieën 0 en 0+ (van 0 tot
13 kg)
In de eerste twee levensjaren, is de
nek van een kind bijzonder kwets-
baar. Plaats uw kind bij voorkeur in
een achterstevoren geplaatst kuip-
stoeltje.
Deze stand is veiliger.
Categorie 1 (van 9 tot 18 kg)
Tussen 2 en 4 jaar, is het bekken nog
niet voldoende ontwikkeld om al-
tijd goed door de driepunts gordel
vandeautoopzijnplaatsgehouden
te worden waardoor het kind buik-
letsel kan oplopen bij een frontale
botsing. Gebruik een zitje waarin
het kind in een harnas vastzit.
Zet de hoofdsteun in de hoogste
stand of verwijder hem, zodat de
rugleuning van het kinderzitje goed
tegen de rugleuning van de auto
steunt.
Om elk risico te vermijden dat uw veiligheid in gevaar brengt, raden
wij u aan om door RENAULT goedgekeurde accessoires te gebrui-
ken: deze zijn aan uw auto aangepast en alleen deze worden door
RENAULT gegarandeerd.
3
NU747_3_G1-FRA.qxd 15/06/05 16:22 Page 1.37
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T1-NEL.win 4/8/2005 11:15
-page43
1.37
VOOR DE VEILIGHEID VAN DE KINDEREN (vervolg)
Categorie 2 (15 tot 25 kg) en ca-
tegorie 3 (22 tot 36 kg)
Om het bekken van een kind tot 10
jaar, kleiner dan 1,36 m en lichter
dan 36 kg, goed op zijn plaats te
houden. Gebruik een zitkussenver-
hoger met gordelgeleiders die er-
voor zorgen dat de driepunts gordel
van de auto horizontaal over de
heupen van het kind loopt.
Om ervoor te zorgen dat de gordel
zo dicht mogelijk langs de hals
loopt, zonder die te raken, advise-
renwijeenzitkussenverhogermet
een in hoogte verstelbare rugleu-
ning en een gordelgeleider.
Zetdehoofdsteunindehoogste
stand of verwijder hem, zodat de
rugleuning van het kinderzitje goed
tegen de rugleuning van de auto
steunt.
Bij gebruik van een zitkussenverho-
ger zonder rugleuning, moet de
hoofdsteun van de auto worden af-
gesteld op het postuur van het kind:
de bovenrand van de hoofdsteun
moet op gelijke hoogte staan met de
kruin van het kind en mag nooit la-
ger staan dan de hoogte van de ogen.
De norm verdeelt de kinderzitjes in
5 categorieën:
Categorie 0 : van 0 tot 10 kg
Categorie 0+: van 0 tot 13 kg
Categorie 1 : van 9 tot 18 kg
Categorie 2 : van 15 tot 25 kg
Categorie 3 : van 22 tot 36 kg
NU747_3_G1-FRA.qxd 15/06/05 16:22 Page 1.38
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T1-NEL.win 4/8/2005 11:15
-page44
1.38
VOOR DE VEILIGHEID VAN DE KINDEREN (vervolg)
Isofix-bevestigingssysteem
Met het Isofix systeem, dat is goed-
gekeurd volgens de reglementen
ECE 14, ECE16 kunnen alle Isofix
kinderzitjes worden geïnstalleerd
die zijn goedgekeurd volgens het re-
glement ECE 44 als semi-univer-
seel of universeel.
De kinderzitjes hebben twee gren-
dels die aan de twee ringen vastha-
ken.
De universele Isofix zitjes hebben
bovendien een riem om de rugleu-
ning van het kinderzitje vast te ma-
ken.
Raadpleeg om te weten welke zit-
plaatsen hiermee uitgerust zijn, het
overzicht plaatsen geschikt voor
kinderzitjes in het begin van de pa-
ragraaf voor de veiligheid van de
kinderen.
Het isofix systeem van uw auto be-
staat uit:
- twee verankeringsringen om de
onderkant van het kinderzitje vast
te maken;
- een ring om de rugleuning van het
zitje vast te maken als dit vooruit
kijkt.
Uw auto heeft ook een extra speci-
fieke RENAULT ring voor het vast-
maken van de riem van sommige
achterstevoren te plaatsen zitjes
die uw RENAULT-dealer u kan leve-
ren.
Door deze riem wordt uw kind beter
vastgehouden in het geval van een
aanrijding tegen de achterkant.
Het gebruik van deze
voorziening is alleen op
de passagiersstoel toege-
staan als de passa-
giersairbags van tevoren uitge-
schakeld zijn.
Raadpleeg hiervoor de paragraaf
uitschakelen van de passa-
giersairbags voorin.
Hoofdzaken voor het installeren
Kinderzitje vooruit
Als het kinderzitje vooruit gemon-
teerd is, mag de voorstoel niet ver-
der dan halverwege de stelrails naar
achteren zijn geschoven en moet de
rugleuning rechtop staan.
Schaal of kinderzitje achterstevo-
ren
Als het kinderzitje achterstevoren
gemonteerd is, moet de voorstoel
dicht bij of tegen het kinderzitje zijn
geplaatst.
Let op dat de toegang
tot de bevestigingspun-
ten bij het plaatsen van
hetzitjenietwordtbe-
lemmerd (door bijv. speelgoed,
doekjes, vuil, enz.).
Denk er altijd aan het kind
goed vast te maken in het kin-
derzitje voordat u wegrijdt.
1
3
2
4
A
NU747_3_G1-FRA.qxd 15/06/05 16:22 Page 1.39
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T1-NEL.win 4/8/2005 11:15
-page45
1.39
VOOR DE VEILIGHEID VAN DE KINDEREN (vervolg)
Bevestiging van de onderkant
van het kinderzitje
- Lees voor het monteren van het
kinderzitje de gebruiksaanwijzing.
- Maak de montagegeleiders 2 vast
(geleverd met het kinderzitje of als
accessoire), op de ringen 1 tussen
de zitting en de rugleuning, aange-
geven op de ISOFIX etiketten bij
de zitplaats.
- Schuif de grendels 3 van het kin-
derzitje in de geleiders 2 en druk
krachtig tegen het kinderzitje om
het op de bevestigingsringen te
vergrendelen;
- controleer de vergrendeling (door
het kinderzitje krachtig naar vo-
ren/achteren en links/rechts te
drukken).
- Afhankelijk van de auto, druk
krachtig tegen de onderkant van
het kinderzitje zodat de beugel
van het zitje tegen de rugleuning
van de achterbank drukt.
Bevestiging van de rugleuning
van het kinderzitje
Isofix-zitje achterstevoren geplaatst
op de passagiersstoel voorin
Zet de stoel van de voorpassagier zo
dat de achterkant van het kinder-
zitje het dashboard raakt.
Gebruik de riem 4 die bij het zitje
geleverd wordt:
- maak de haak van de riem vast aan
de ring A onder de stoel;
- trek de riem strak.
5
6
7
4
NU747_3_G1-FRA.qxd 15/06/05 16:22 Page 1.40
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T1-NEL.win 4/8/2005 11:15
-page46
1.40
VOOR DE VEILIGHEID VAN DE KINDEREN (vervolg)
Bevestigingsring van het achterste-
voren geplaatste zitje op de achter-
ste zitplaatsen
- maak de haak van de riem vast aan
de ring 5 onder de zitting van de
achterbank;
- trek de riem strak.
Bevestigingshaak van het vooruit
geplaatste zitje (uitsluitend op de
achterste zitplaatsen)
- zet de hoofdsteun in de hoogste
stand of verwijder hem;
-steekderiem4 (bij het zitje gele-
verd) tussen de twee poten van de
hoofdsteun achter;
- maak de haak 6 vast aan de ring 7
in de bagageruimte;
- trek de riem strak.
1
2
C
NU747_3_G1-FRA.qxd 15/06/05 16:22 Page 1.41
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T1-NEL.win 4/8/2005 11:15
-page47
1.41
VOOR DE VEILIGHEID VAN DE KINDEREN (vervolg)
Pack kind
Dit is een bevestigingsfunctie voor
een kind van 6 tot 10 jaar op de ach-
terplaats in het midden.
De auto die met dit pack is uitgerust,
heeft een gordeladapter 1 en een
hoofdsteun 2 die omgebouwd kan
worden voor een volwassene of een
kind. Dit zorgt ervoor dat de plaats
aangepast kan worden voor het be-
vestigen van kind van 6 tot 10 jaar
zonder dat een apart onderdeel, zo-
als een zittingverhoger, nodig is.
De aanpassing van de achterplaats
in het midden is goedgekeurd voor
het bevestigen van kinderen met
een gewicht tussen 22 kg en 36 kg;
het systeem beantwoordt aan alle ei-
sen gesteld in het Europese regle-
ment ECE R44-03. Het is niet ge-
schikt voor kinderen kleiner dan
1,10 m. Boven de 10 jaar of met een
gewicht van meer dan 36 kg wordt
het kind met de autogordel vastge-
maakt zoals een volwassene.
Het pack voor kinderen
(adapter en hoofdsteun)
is speciaal ontworpen
voor de middelste zit-
plaats van de in twee delen deel-
bare achterbank. Het mag nooit
op een andere plaats worden ge-
bruikt. Dit systeem is specifiek
en mag nooit in een andere auto
worden gebruikt.
De hoofdsteun uit het pack kind
heeft 3 functies:
- functie kind 6-10 jaar;
- functie volwassene;
- functie ruststand.
De hoofdsteun in de stand 6-10 jaar
is ontworpen om de nek en de on-
derkant van het hoofd zijwaarts te
ondersteunen.
Als het kind in slaap valt, vermin-
dert dit systeem de belasting van de
nekspieren terwijl het kind goed in
de gordel blijft zitten.
Het beschermt ook het hoofd van
het kind in geval van een aanrijding
tegen de achterkant.
Als de kleine rugleuning
C van de deelbare achter-
bank is neergeklapt, mag
de middelste zitting niet
worden gebruikt omdat de auto-
gordel niet kan worden vastge-
maakt (autogordelsluitingen niet
bereikbaar).
C
A
3
3
4
1
5
B
NU747_3_G1-FRA.qxd 15/06/05 16:22 Page 1.42
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T1-NEL.win 4/8/2005 11:15
-page48
1.42
VOOR DE VEILIGHEID VAN DE KINDEREN (vervolg)
Deze stand van de hoofdsteun
wordt aanbevolen voor kinderen
van 6-10 jaar maar is niet verplicht.
Als het kind de hoofdsteun liever in
de volwassene functie wil gebrui-
ken, zet de hoofdsteun dan zo hoog
dat de bovenkant op éénlijnligtmet
de kruin van het kinderhoofd.
De hoofdsteun is een vei-
ligheidsorgaan, dat altijd
goed moet zijn afgesteld.
Installatie van het pack voor
kinderen van 6 tot 10 jaar
Vervang de oorspronkelijke hoofd-
steun door de hoofdsteun met de
dubbele functie voor volwassene en
kind; druk hiervoor op knop A van
de geleider 3 en trek tegelijkertijd de
hoofdsteun omhoog om hem te ver-
wijderen.
Montage van de adapter 1
De gordeladapter wordt vastge-
maakt onder de geleiders 3 van de
hoofdsteun van de middelste ach-
terplaats.
Demonteer de hoedenplank (raad-
pleeg paragraaf hoedenplank in
hoofdstuk 3).
Plaats de adapter tussen de twee ge-
leiders zoals hierboven aangegeven.
Maak een draaiende beweging van
een kwart slag naar de voorkant van
de auto B, en druk hierbij lichtjes C
naar beneden, om de twee uitspa-
ringen 4 en 5 onder de geleiders 3 te
schuiven tot zij blokkeren.
3
1
A
6
7
C
3
A
8
NU747_3_G1-FRA.qxd 15/06/05 16:22 Page 1.43
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T1-NEL.win 4/8/2005 11:15
-page49
1.43
VOOR DE VEILIGHEID VAN DE KINDEREN (vervolg)
Steek de poten van de hoofdsteun in
de houders, druk op knop A van de
bediening 3 en zet de hoofdsteun
omlaag in de gewenste hoogte.
Controleer na de werkzaamhe-
den aan de rugleuning, of de
adapter 1 goed is geplaatst.
Hoofdsteun in functie kind 6-10
jaar
Licht de grendel 6 op, verwijder de
gordel 7, breng daarna de grendel 6
naar beneden.
Kantel het kussen C helemaal.
Stel de hoogte van de hoofdsteun zo
af, dat de twee zijsteunen 8 van de
hoofdsteun ongeveer 1 cm boven de
schouders komen. Druk hiervoor op
knop A van de bediening 3 en zet de
hoofdsteun hoger of lager.
6
7
9
1
11
10
NU747_3_G1-FRA.qxd 15/06/05 16:22 Page 1.44
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T1-NEL.win 4/8/2005 11:15
-page50
1.44
VOOR DE VEILIGHEID VAN DE KINDEREN (vervolg)
Als in de hoogste stand de steunen
aan de zijkant de schouder raken,
dan is het kind te groot voor dit sys-
teem.
De open stand van de
hoofdsteun is uitsluitend
bestemd voor een kind
van 6 tot 10 jaar. Het
gebruik is verboden voor een vol-
wassene.
Hoofdsteun in volwassene func-
tie
Zet de hoofdsteun omhoog om deze
voor een volwassene te gebruiken.
Til de grendel 6 openbrengderiem
7 helemaal in het gat onder de hen-
del. Zet de hendel naar beneden om
de riem te blokkeren.
Controleer of de hendel helemaal
gekanteld is, anders voert u de han-
deling opnieuw uit.
Installeren en vastgorden van
het kind van 6 tot 10 jaar
Rol de riem 9 langzaam af, en steek
de gesp 10 door de adapter 1 en
maak hem vast in de voorste slui-
ting 11.
Het kind zit rechtstreeks op het zit-
kussen achter op de middenplaats
en met het bekken zo ver mogelijk
naar achteren tegen de rugleuning.
12
13
NU747_3_G1-FRA.qxd 15/06/05 16:22 Page 1.45
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T1-NEL.win 4/8/2005 11:15
-page51
1.45
VOOR DE VEILIGHEID VAN DE KINDEREN (vervolg)
Maak het kind vast met de autogor-
deldoordeverschuifbaregesp12 in
de voorste sluiting 13 vast te klik-
ken.
De schouderriem moet over de lin-
ker schouder van het kind lopen en
zo dicht mogelijk langs de onder-
kant van de nek.
De heupriem moet zo laag mogelijk
over de heupen lopen. Hij mag nooit
steunen op de buik van het kind.
Laat uw kind goed tegen de rugleu-
ning zitten.
De gordeladapter is uit-
sluitend bestemd voor
een kind van 6 tot 10 jaar.
Het gebruik is verboden
voor een volwassene.
A
3
NU747_3_G1-FRA.qxd 15/06/05 16:22 Page 1.46
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T1-NEL.win 4/8/2005 11:15
-page52
1.46
VOOR DE VEILIGHEID VAN DE KINDEREN (vervolg)
Afstellen van de hoogte van de
hoofdsteun
Druk op knop A van de bediening 3,
zet daarna de hoofdsteun omhoog of
omlaag.
Plaatsen van de hoofdsteun in de
ruststand:
Druk op knop A van de bediening 3
aan de onderkant van de poot van
de hoofdsteun en zet de hoofdsteun
omlaag tegen de rugleuning.
Deze stand verbetert het zicht van
de bestuurder naar achteren.
De hoofdsteun in de onderste stand
(opbergstand), is alleen toegestaan
als de hoofdsteun niet gebruikt
wordt. Indien er een passagier op de
stoel zit, mag de hoofdsteun niet in
de onderste stand gebruikt worden.
De hoofdsteun is een vei-
ligheidsorgaan, dat altijd
goed moet zijn afgesteld.
NU747_3_G1-FRA.qxd 15/06/05 16:22 Page 1.47
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T1-NEL.win 4/8/2005 11:15
-page53
1.47
VOOR DE VEILIGHEID VAN DE KINDEREN (vervolg)
KINDERVEILIGHEID
Verander niets aan de oorspronkelijke onderdelen van het veiligheidsmechanisme, de gordels, de stoelen en
aan de bevestiging ervan.
Houd u echter in alle gevallen aan de voorschriften van de betreffende fabrikant.
Laat het kind geen te dikke kleren dragen en steek niets tussen het kind en het kinderzitje of de gordel.
De gordel van de auto moet goed strak zijn gespannen, zodat het kinderzitje zo veel mogelijk één geheel vormt met de
auto. Controleer de spanning regelmatig.
Laat de schoudergordel nooit onder de arm of achter de rug langs lopen.
Het harnas of de gordel moet strak op het lichaam van het kind zijn afgesteld.
Laat het kind tijdens het rijden nooit op de stoelen of bank rechtop staan of op zijn of haar knieën zitten.
Controleer regelmatig de juiste houding van het kind, met name als het slaapt.
Zet het kinderzitje altijd vast met een autogordel, ook als het zitje leeg is: een los zitje verandert bij een botsing in een
gevaarlijk projectiel.
Na een ernstige aanrijding moeten de autogordels of de Isofix bevestiging van de stoelen gecontroleerd en het kinder-
zitje vervangen worden.
Laat nooit een kind alleen achter in de auto, zelfs niet in het kinderzitje.
Vergrendel (indien mogelijk) de achterportieren zodat zij niet van binnen uit kunnen worden geopend.
Laat kinderen nooit uitstappen aan de kant van het verkeer.
Geef als volwassene het goede voorbeeld door altijd uw autogordel vast te maken voordat de auto wegrijdt.
Controleer als de zon fel schijnt, voordat u het kind installeert, of het pack voor kinderen niet te warm is.
15
14
NU747_3_G1-FRA.qxd 15/06/05 16:22 Page 1.48
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T1-NEL.win 4/8/2005 11:15
-page54
1.48
VOOR DE VEILIGHEID VAN DE KINDEREN (vervolg)
Uitschakelen van de passa-
giersairbags voorin
Om een kinderzitje achterstevoren
op de stoel van de voorpassagier te
kunnen plaatsen, moet u beslist de
aanvullende veiligheidsvoorzienin-
gen van de autogordel van de voor-
passagier (frontale en zijairbags, en
de zittingairbag voor de driedeurs
uitvoering, heupgordelspanner) uit-
schakelen.
Uitschakelen van de airbags: zet
het contact uit, druk de grendel 14
in en draai hem in de stand OFF.
Met contact aan moet ucontroleren
of het controlelampje 15, AIRBAG
OFF, op het display van het dash-
board oplicht.
Ditlampjeblijftconstantbranden
om u eraan te herinneren dat u een
kinderzitje kunt gebruiken.
GEVAAR
Doordat een kind in een
achterstevoren geplaatst
kinderzitje op een voor-
stoel met een airbag ernstig gevaar
loopt als de airbag zich ontplooit,
mag u een kinderzitje op deze
plaats alleen gebruiken als de air-
bag is uitgeschakeld. De mogelijk-
heid hiertoe is afhankelijk van de
uitvoering van de auto.
Gevaar voor ernstige verwondin-
gen als de airbag zich ontplooit.
Deze voorschriften staan ook op het
etiket (op het dashboard) en de
markeringen (op de zonneklep-
pen).
14
NU747_3_G1-FRA.qxd 15/06/05 16:22 Page 1.49
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T1-NEL.win 4/8/2005 11:15
-page55
1.49
VOOR DE VEILIGHEID VAN DE KINDEREN (vervolg)
Inschakelen van de passa-
giersairbags voorin
Zodra het kinderzitje van de passa-
giersstoel verwijderd is, moet u de
airbags weer inschakelen om de
voorpassagier bij een botsing te be-
schermen.
Weer inschakelen van de airbags:
zet het contact uit, druk de grendel
14 in en draai hem in de stand ON.
Contact aan, controleer of het con-
trolelampje AIRBAG OFF uit is. De
aanvullende veiligheidsvoorzienin-
gen van de autogordel van de voor-
passagier zijn ingeschakeld.
Het inschakelen of het
uitschakelen van de pas-
sagiersairbag moet ge-
beuren met contact uit.
Als dit gebeurt als het contact is
ingeschakeld, lichten de contro-
lelampjes en op: de
passagiersairbag is uitgescha-
keld.
Om de staat van de airbag weer
in overeenstemming te brengen
met de stand van de grendel, zet
u het contact uit en weer aan.
Storingen
In geval van een storing aan het sys-
teem voor het in- en uitschakelen
van de passagiersairbags, is het ver-
boden een achterstevoren geplaatst
kinderzitje op de voorstoel te ge-
bruiken.
Het gebruik van de voorstoel door
een passagier wordt ook afgeraden.
Laat het systeem direct door uw
RENAULT-dealer controleren en
indien nodig herstellen.
28 27 26 25 24 23 17 16 15 14
12 34 56 789 10 11 12 13
22
21
20
19
18
NU747_3_G1-FRA.qxd 15/06/05 16:22 Page 1.50
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T1-NEL.win 4/8/2005 11:15
-page56
1.50
BEDIENINGSORGANEN LINKS STUUR
NU747_3_G1-FRA.qxd 15/06/05 16:22 Page 1.51
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T1-NEL.win 4/8/2005 11:15
-page57
1.51
BEDIENINGSORGANEN LINKS STUUR (vervolg)
De aanwezigheid van de hieronder beschreven organen is afhankelijk van het land, het uitrustingsniveau en
eventuele opties van de auto.
1 Zijrooster.
2 Stuurkolomschakelaar voor:
richtingaanwijzers;
verlichting;
mistlichten voor;
mistachterlicht.
3 Instrumentenpaneel.
4 Plaats voor bestuurdersairbag,
claxon, knoppen van de snel-
heidsregelaar en -begrenzer.
5 Afstandsbediening radio.
Geïntegreerde bediening van
handsfree telefoon.
6 Stuurkolomschakelaar voor:
ruitenwissers en -sproeiers
voor en achter;
functiekeuze van de boord-
computer.
7 Startschakelaar (auto met sleu-
tel).
8 Centrale ventilatieroosters.
9 Waarschuwingslampjes voor:
autogordel bestuurder niet
vastgemaakt,
uitschakelen van de passa-
giersairbag.
10 Aanduiding, afhankelijk van
het type auto, van tijd, tempera-
tuur, radiogegevens, navigatie-
systeem, enz.
11 Bediening van de verwarming
of de airconditioning.
12 Plaats voor airbag in het dash-
board.
13 Zijrooster.
14 Dashboardkastje.
15 Inbouwplaats voor radio, navi-
gatiesysteem.
16 Schakelaar voor de elektrische
portiervergrendeing.
17 Lezer van de RENAULT card
(auto met RENAULT card).
18 Schakelaar voor de alarmknip-
perlichten.
19 Versnellingshendel.
20 Aansteker.
21 Handrem.
22 Plaats voor bekerhouder, asbak,
enz.
23 Schakelaar voor het starten en
stilzetten van de motor (auto
met RENAULT card).
24 Bediening van de parkeerhulp.
25 Zekeringkastje.
26 Knop voor de hoogteverstelling
van de stuurkolom.
27 Schakelaars voor:
snelheidsregelaar en -be-
grenzer;
tractiecontrole en ESP;
verstellen van de koplampen;
regelweerstand van de ver-
lichting instrumentenpaneel.
28 Knop voor het ontgrendelen
van de kap.
12345678910111213
23
22
21
20
28 27 26 25 24 19 18 17 16 15 14
NU747_3_G1-FRA.qxd 15/06/05 16:22 Page 1.52
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T1-NEL.win 4/8/2005 11:15
-page58
1.52
BEDIENINGSORGANEN RECHTS STUUR
NU747_3_G1-FRA.qxd 15/06/05 16:22 Page 1.53
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T1-NEL.win 4/8/2005 11:15
-page59
1.53
BEDIENINGSORGANEN RECHTS STUUR (vervolg)
De aanwezigheid van de hieronder beschreven organen is afhankelijk van het land, het uitrustingsniveau en
eventuele opties van de auto.
1 Zijrooster.
2 Plaats voor airbag in het dash-
board.
3 Centrale ventilatieroosters.
4 Waarschuwingslampjes voor:
autogordel bestuurder niet
vastgemaakt;
uitschakelen van de passa-
giersairbag.
5 Aanduiding, afhankelijk van
het type auto, van tijd, tempera-
tuur, radiogegevens, navigatie-
systeem, enz.
6 Bediening van de verwarming
of de airconditioning.
7 Bediening van de parkeerhulp.
8 Stuurkolomschakelaar voor:
ruitenwissers en -sproeiers
voor en achter;
functiekeuze van de boord-
computer.
9 Instrumentenpaneel.
10 Plaats voor bestuurdersairbag,
claxon, knoppen van de snel-
heidsregelaar en -begrenzer.
11 Afstandsbediening radio.
Geïntegreerde bediening van
handsfree telefoon.
12 Stuurkolomschakelaar voor:
richtingaanwijzers;
verlichting;
mistlichten voor;
mistachterlicht.
13 Zijrooster.
14 Schakelaars voor:
snelheidsregelaar en -be-
grenzer;
tractiecontrole en ESP;
verstellen van de koplampen;
regelweerstand van de ver-
lichting instrumentenpaneel.
15 Startschakelaar (auto met sleu-
tel).
16 Knop voor de hoogteverstelling
van de stuurkolom.
17 Zekeringkastje.
18 Schakelaar voor de elektrische
portiervergrendeling.
19 Lezer van de RENAULT card
(auto met RENAULT card).
20 Versnellingshendel.
21 Aansteker.
22 Handrem.
23 Plaats voor bekerhouder, asbak,
enz.
24 Schakelaar voor de alarmknip-
perlichten.
25 Schakelaar voor het starten en
stilzetten van de motor (auto
met RENAULT card).
26 Inbouwplaats voor radio, navi-
gatiesysteem.
27 Dashboardkastje.
28 Knop voor het ontgrendelen
van de kap.
12 3 4 56
12 11 10 9 8 7
NU747_3_G1-FRA.qxd 15/06/05 16:22 Page 1.54
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T1-NEL.win 4/8/2005 11:15
-page60
1.54
INSTRUMENTENPANEEL
De aanwezigheid en de werking van de hieronder beschreven lampjes zijn afhankelijk van het land, het
uitrustingsniveau en eventuele opties van de auto.
Als het lampje oplicht, moet u direct stoppen zonder het overige verkeer in gevaar te brengen
en de instructies bij het betreffende lampje opvolgen.
Het lampje geeft aan dat u binnenkort een RENAULT-dealer moet bezoeken.
Als er geen enkele informatie op het instrumentenpaneel verschijnt,
moet u direct stoppen zonder het overige verkeer in gevaar te brengen.
NU747_3_G1-FRA.qxd 15/06/05 16:22 Page 1.55
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T1-NEL.win 4/8/2005 11:15
-page61
1.55
INSTRUMENTENPANEEL (vervolg)
1 Toerenteller
(schaalverdeling × 1000)
2
Controlelampje richting
-
aanwijzers links
Waarschuwingslampje
antiblokkeersysteem
Het licht op bij het star-
ten van de motor en dooft daar-
na.
Als dit lampje tijdens het rijden
oplicht, wijst dit op een storing
in het ABS-systeem.
Er kan dan met de auto worden
geremd als bij een auto zonder
ABS.
Raadpleeg zo spoedig mogelijk
een RENAULT-dealer.
2 Waarschuwingslampje
airbag
Het licht op bij het star-
ten van de motor en dooft na en-
kele secondes.
Als het niet oplicht bij het aan-
zetten van het contact of als het
oplicht bij draaiende motor,
wijst dit op een storing in het
systeem.
Laat het systeem direct door uw
RENAULT-dealer controleren en
indien nodig herstellen.
Waarschuwingslampje
elektronische storing of
water in de brandstof
Dit knippert als u het contact
aan zet (stilstaande motor),
brandt dan enkele secondes
voor het dooft.
Als dit tijdens het rijden oplicht
wijst dit op een storing in de re-
keneenheid van het inspuitsys-
teem of van de automatische
transmissie of op de aanwezig-
heid van water in de diesel-
brandstof. Laat het systeem di-
rect door uw RENAULT-dealer
controlerenenindiennodigher-
stellen.
2 Waarschuwingslampje
snelheidsafhankelijke
stuurbekrachtiging
Dit lampje dooft zodra de motor
draait.
Als het tijdens het rijden op-
licht, wijst dit op een storing in
het systeem. Raadpleeg zo spoe-
dig mogelijk een RENAULT-
dealer.
Waarschuwingslampje
Elektronisch Stabiliteits
Programma (ESP) en
tractiecontrole (ASR)
Er zijn verschillende mogelijk-
heden voor het oplichten van
het waarschuwingslampje:
raadpleeg de paragrafen elek-
tronisch stabiliteits programma
ESP en tractiecontrole ASR
in hoofdstuk 2.
12 3 4 56
12 11 10 9 8 7
NU747_3_G1-FRA.qxd 15/06/05 16:23 Page 1.56
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T1-NEL.win 4/8/2005 11:15
-page62
1.56
INSTRUMENTENPANEEL (vervolg)
De aanwezigheid en de werking van de hieronder beschreven lampjes zijn afhankelijk van het land, het
uitrustingsniveau en eventuele opties van de auto.
Als het lampje oplicht, moet u direct stoppen zonder het overige verkeer in gevaar te brengen
en de instructies bij het betreffende lampje opvolgen.
Het lampje geeft aan dat u binnenkort een RENAULT-dealer moet bezoeken.
Als er geen enkele informatie op het instrumentenpaneel verschijnt,
moet u direct stoppen zonder het overige verkeer in gevaar te brengen.
NU747_3_G1-FRA.qxd 15/06/05 16:23 Page 1.57
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T1-NEL.win 4/8/2005 11:15
-page63
1.57
INSTRUMENTENPANEEL (vervolg)
2 Waarschuwingslampje
luchtverontreiniging
Voor de auto's die hier-
mee uitgerust zijn, licht het op
bij het starten van de motor en
daarna dooft het.
Als het continu brandt, moet
uzosnelmogelijkuw
RENAULT-dealer raadplegen.
Als het lampje knippert moet
u vaart verminderen tot het
knipperen ophoudt.
Laat het systeem direct door
uw RENAULT-dealer contro-
leren en indien nodig herstel-
len.
Raadpleeg de paragraaf Tips
voor zuinig rijden en minder
luchtverontreiniging in hoofd-
stuk 2.
3 Waarschuwingslampje
koelvloeistoftemperatuur
- Als dit knippert, duidt dit op
een storing in het inspuitsys-
teem.
Stop en roep de hulp in van
een RENAULT-dealer.
3 Waarschuwingslampje
koelvloeistof-
temperatuur
- Als dit lampje vast brandt,
moetustoppenendemotor
een tot twee minuten statio-
nair laten draaien. De tempera-
tuur moet omlaag gaan en het
controlelampje moet uitgaan.
Als dit niet zo is moet u de mo-
tor stoppen. Laat deze afkoelen
voordat u de koelvloeistof con-
troleert.
Laat het systeem controleren
door een RENAULT-dealer.
4 Waarschuwingslampje
brandstofpeil
Het dooft enkele secon-
des na het starten van de motor.
Ga zo snel mogelijk tanken als
dit lampje oplicht als de motor
draait.
5 Snelheidsmeter (geeft aan in
km/u of mph)
Geluidssignaal snelheidsver-
klikker
Afhankelijk van de uitvoering
van de auto klinkt er iedere 40
secondes een geluidssignaal ge-
durende 10 secondes zolang de
auto sneller rijdt dan 120 km/u.
6
Controlelampje richting
-
aanwijzers rechts
Waarschuwingslampje
oliedruk
Het licht op bij het star-
ten van de motor en dooft na en-
kele secondes. Als het tijdens
het rijden gaat branden met het
waarschuwingslampje en
en er een geluidssignaal klinkt,
moetudirectstoppenenhet
contact afzetten. Controleer het
oliepeil van de motor. Als het
peil normaal is, is er een andere
oorzaak. Laat het systeem con-
troleren door een RENAULT-
dealer.
12 3 4 56
12 11 10 9 8 7
NU747_3_G1-FRA.qxd 15/06/05 16:23 Page 1.58
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T1-NEL.win 4/8/2005 11:15
-page64
1.58
INSTRUMENTENPANEEL (vervolg)
De aanwezigheid en de werking van de hieronder beschreven lampjes zijn afhankelijk van het land, het
uitrustingsniveau en eventuele opties van de auto.
Als het lampje oplicht, moet u direct stoppen zonder het overige verkeer in gevaar te brengen
en de instructies bij het betreffende lampje opvolgen.
Het lampje geeft aan dat u binnenkort een RENAULT-dealer moet bezoeken.
Als er geen enkele informatie op het instrumentenpaneel verschijnt,
moet u direct stoppen zonder het overige verkeer in gevaar te brengen.
NU747_3_G1-FRA.qxd 15/06/05 16:23 Page 1.59
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T1-NEL.win 4/8/2005 11:15
-page65
1.59
INSTRUMENTENPANEEL (vervolg)
6 Waarschuwingslampje
laadstroom
Het gaat branden bij het
starten van de motor en moet
uitgaan zodra de motor draait.
Als het tijdens het rijden gaat
branden met het waarschu-
wingslampje en een ge-
luidssignaal klinkt, betekent dit
dat het elektrische circuit onvol-
doende of te veel geladen wordt.
Stop en laat het laadstroomcir-
cuit controleren.
Waarschuwingslampje
remsysteem en waar-
schuwingslampje hand-
rem aangetrokken
Het gaat branden bij het aanzet-
ten van het contact en dooft zo-
dra de handrem is vrijgezet.
Als het tijdens het remmen gaat
branden met het waarschu-
wingslampje en er een
geluidssignaal klinkt, dan wijst
het op een daling van de hoe-
veelheid remvloeistof of een sto-
ring aan het remsysteem.
Stop en roep de hulp in van een
RENAULT-dealer.
6 Waarschuwingslampje
geopend(e) portier(en)
Waarschuwingslampje
ernstige storing inspuit-
systeem
Als het tijdens het rijden gaat
branden, wijst dit op een storing
in het inspuitsysteem. Stop on-
middellijk, zet het contact af en
raadpleeg een RENAULT-dealer.
7 Controlelampje snel-
heidsbegrenzer en snel-
heidsregelaar
Zievoordewerkingdeparagra-
fen snelheidsregelaar en
snelheidsbegrenzer in hoofd-
stuk 2.
Niet in gebruik
7 Controlelampje voor-
verwarming (dieselmo-
tor)
Bij het aanzetten van het con-
tact, moet dit lampje gaan bran-
den; de motor wordt voorver-
warmd. Als de voorverwarming
is beëindigd, dooft het lampje en
kan de motor worden gestart.
8 Waarschuwingslampje
stop onmiddellijk
Dit lampje dooft zodra
de motor draait.
Het gaat tegelijk met andere
waarschuwingslampjes en/of
boodschap(pen) branden en gaat
vergezeld van een geluidssig-
naal.
Als het lampje oplicht, moet u
direct stoppen zonder het overi-
ge verkeer in gevaar te brengen
en de instructies bij het betref-
fende lampje opvolgen.
9 Controlelampje start-
vergrendeling
Raadpleeg de paragraaf
startvergrendeling in hoofd-
stuk 1.
12 3 4 56
12 11 10 9 8 7
NU747_3_G1-FRA.qxd 15/06/05 16:23 Page 1.60
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T1-NEL.win 4/8/2005 11:15
-page66
1.60
INSTRUMENTENPANEEL (vervolg)
De aanwezigheid en de werking van de hieronder beschreven lampjes zijn afhankelijk van het land, het
uitrustingsniveau en eventuele opties van de auto.
Als het lampje oplicht, moet u direct stoppen zonder het overige verkeer in gevaar te brengen
en de instructies bij het betreffende lampje opvolgen.
Het lampje geeft aan dat u binnenkort een RENAULT-dealer moet bezoeken.
Als er geen enkele informatie op het instrumentenpaneel verschijnt,
moet u direct stoppen zonder het overige verkeer in gevaar te brengen.
NU747_3_G1-FRA.qxd 15/06/05 16:23 Page 1.61
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T1-NEL.win 4/8/2005 11:15
-page67
1.61
INSTRUMENTENPANEEL (vervolg)
10 Display
Koelvloeistof temperatuurme-
ter
Er is sprake van een storing als
de waarschuwingslampjes
en oplichten en
een boodschap verschijnt op het
instrumentenpaneel en een ge-
luidssignaal klinkt.
Oliepeil.
Voor een betrouwbare aflezing
moet de auto horizontaal staan
enmagdemotorgeruimetijd
niet hebben gedraaid.
10 Display
Bij het starten van de motor en
gedurende ongeveer 30 secon-
des:
- als het peil correct is,geefthet
display aan oil ok (om
nauwkeuriger het peil te ken-
nen, raadpleegt u de paragraaf
oliepeil in hoofdstuk 4).
- als het minimumpeil is be-
reikt, verschijnt de boodschap
oil ok niet op het display,
maar verschijnen de streepjes
en de boodschap oliepeil cor-
rigeren met de waarschuwing
.
Vulzosnelmogelijkbij.
Brandstofpeilmeter
10 Boordcomputer
Na 30 secondes, schakelt het
display over naar de boordcom-
puterfunctie: zie de paragraaf
boordcomputer in hoofd-
stuk 1.
11 Waarschuwingslampje
Het licht op bij het star-
ten van de motor en dooft na en-
kele secondes. Het kan met an-
dere waarschuwingslampjes of
boodschappen op het instru-
mentenpaneel oplichten.
Als het lampje tijdens het rijden
oplicht, moet u de auto binnen-
kort bij een RENAULT-dealer la-
ten controleren.
12 Controlelampje mist-
lichten voor
Controlelampje mist-
achterlicht
Controlelampje dim-
licht
Controlelampje groot-
licht
12 3 45
13 13a 12 11 10 9 8 7 6
NU747_3_G1-FRA.qxd 15/06/05 16:23 Page 1.62
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T1-NEL.win 4/8/2005 11:15
-page68
1.62
INSTRUMENTENPANEEL (vervolg)
De aanwezigheid en de werking van de hieronder beschreven lampjes zijn afhankelijk van het land, het
uitrustingsniveau en eventuele opties van de auto.
Als het lampje oplicht, moet u direct stoppen zonder het overige verkeer in gevaar te brengen
en de instructies bij het betreffende lampje opvolgen.
Het lampje geeft aan dat u binnenkort een RENAULT-dealer moet bezoeken.
Als er geen enkele informatie op het instrumentenpaneel verschijnt,
moet u direct stoppen zonder het overige verkeer in gevaar te brengen.
NU747_3_G1-FRA.qxd 15/06/05 16:23 Page 1.63
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T1-NEL.win 4/8/2005 11:15
-page69
1.63
INSTRUMENTENPANEEL (vervolg)
1 Toerenteller
(schaalverdeling × 1000)
2
Controlelampje richting
-
aanwijzers links
Waarschuwingslampje
antiblokkeersysteem
Het licht op bij het star-
ten bij draaiende motor en dooft
daarna.
Als dit lampje tijdens het rijden
oplicht, wijst dit op een storing
in het ABS-systeem.
Er kan dan met de auto worden
geremd als bij een auto zonder
ABS.
Raadpleeg zo spoedig mogelijk
een RENAULT-dealer.
2 Waarschuwingslampje
airbag
Het licht op bij het star-
ten van de motor en dooft na en-
kele secondes.
Als het niet oplicht bij het aan-
zetten van het contact of als het
oplicht bij draaiende motor,
wijst dit op een storing in het
systeem.
Laat het systeem direct door uw
RENAULT-dealer controleren en
indien nodig herstellen.
Waarschuwingslampje
Elektronisch Stabiliteits
Programma (ESP) en
tractiecontrole (ASR)
Er zijn verschillende mogelijk-
heden voor het oplichten van
het waarschuwingslampje:
raadpleeg de paragrafen elek-
tronisch stabiliteits programma
ESP en tractiecontrole ASR
in hoofdstuk 2.
2 Waarschuwingslampje
luchtverontreiniging
Voor de auto's die hier-
mee uitgerust zijn, licht het op
bij het starten van de motor en
daarna dooft het.
Als het continu brandt, moet
uzosnelmogelijkuw
RENAULT-dealer raadplegen.
Als het lampje knippert moet
u vaart verminderen tot het
knipperen ophoudt.
Laat het systeem direct door
uw RENAULT-dealer contro-
leren en indien nodig herstel-
len.
12 3 45
13 13a 12 11 10 9 8 7 6
NU747_3_G1-FRA.qxd 15/06/05 16:23 Page 1.64
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T1-NEL.win 4/8/2005 11:15
-page70
1.64
INSTRUMENTENPANEEL (vervolg)
De aanwezigheid en de werking van de hieronder beschreven lampjes zijn afhankelijk van het land, het
uitrustingsniveau en eventuele opties van de auto.
Als het lampje oplicht, moet u direct stoppen zonder het overige verkeer in gevaar te brengen
en de instructies bij het betreffende lampje opvolgen.
Het lampje geeft aan dat u binnenkort een RENAULT-dealer moet bezoeken.
Als er geen enkele informatie op het instrumentenpaneel verschijnt,
moet u direct stoppen zonder het overige verkeer in gevaar te brengen.
NU747_3_G1-FRA.qxd 15/06/05 16:23 Page 1.65
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T1-NEL.win 4/8/2005 11:15
-page71
1.65
INSTRUMENTENPANEEL (vervolg)
3 Aflezen van het oliepeil
Voor een betrouwbare aflezing
moet de auto horizontaal staan
enmagdemotorgeruimetijd
niet hebben gedraaid.
Bij het starten van de motor en
gedurende ongeveer 30 secon-
des:
- als het peil correct is,geefthet
display aan oliepeil correct
(om nauwkeuriger het peil te
kennen, raadpleegt u de para-
graaf oliepeil in hoofd-
stuk 4).
- als het minimumpeil is be-
reikt, verschijnt de boodschap
oliepeil correct niet op het
display, maar verschijnen de
streepjes en de boodschap
oliepeil corrigeren met de
waarschuwing .
Vulzosnelmogelijkbij.
3 Boordcomputer
Na 30 secondes, schakelt het
display over naar de boordcom-
puterfunctie: zie de paragraaf
boordcomputer in hoofd-
stuk 1.
4 Snelheidsmeter (geeft aan in
km/u of mph)
Geluidssignaal snelheidsver-
klikker
Afhankelijk van de uitvoering
van de auto klinkt er iedere 40
secondes een geluidssignaal ge-
durende 10 secondes zolang de
auto sneller rijdt dan 120 km/u.
5 Controlelampje richtin-
gaanwijzers rechts
5 Waarschuwingslampje
oliedruk
Het licht op bij het star-
ten van de motor en dooft na en-
kele secondes. Als het tijdens
het rijden gaat branden met het
waarschuwingslampje
en er een geluidssignaal klinkt,
moetudirectstoppenenhet
contact afzetten. Controleer het
oliepeil van de motor. Als het
peil normaal is, is er een andere
oorzaak.
Laat het systeem controleren
door een RENAULT-dealer.
Waarschuwingslampje
laadstroom
Hetgaatbrandenbijhet
starten van de motor en moet
uitgaan zodra de motor draait.
Als het tijdens het rijden gaat
branden met het waarschu-
wingslampje en een
geluidssignaal klinkt, betekent
dit dat het elektrische circuit on-
voldoende of te veel geladen
wordt.
Stop en laat het laadstroomcir-
cuit controleren.
12 3 45
13 13a 12 11 10 9 8 7 6
NU747_3_G1-FRA.qxd 15/06/05 16:23 Page 1.66
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T1-NEL.win 4/8/2005 11:15
-page72
1.66
INSTRUMENTENPANEEL (vervolg)
De aanwezigheid en de werking van de hieronder beschreven lampjes zijn afhankelijk van het land, het
uitrustingsniveau en eventuele opties van de auto.
Als het lampje oplicht, moet u direct stoppen zonder het overige verkeer in gevaar te brengen
en de instructies bij het betreffende lampje opvolgen.
Het lampje geeft aan dat u binnenkort een RENAULT-dealer moet bezoeken.
Als er geen enkele informatie op het instrumentenpaneel verschijnt,
moet u direct stoppen zonder het overige verkeer in gevaar te brengen.
NU747_3_G1-FRA.qxd 15/06/05 16:23 Page 1.67
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T1-NEL.win 4/8/2005 11:15
-page73
1.67
INSTRUMENTENPANEEL (vervolg)
5 Waarschuwingslampje
remsysteem en waar-
schuwingslampje hand-
rem vastgezet
Het gaat branden bij het aanzet-
ten van het contact en dooft zo-
dra de handrem is vrijgezet.
Als het tijdens het remmen gaat
branden met het waarschu-
wingslampje en er een
geluidssignaal klinkt, dan wijst
het op een daling van de hoe-
veelheid remvloeistof of een sto-
ring aan het remsysteem.
Stop en roep de hulp in van een
RENAULT-dealer.
Niet in gebruik
6 Controlelampje snel-
heidsbegrenzer en snel-
heidsregelaar
Zievoordewerkingdeparagra-
fen snelheidsregelaar en
snelheidsbegrenzer in hoofd-
stuk 2.
Waarschuwingslampje
brandstofpeil
Het dooft enkele secon-
des na het starten van de motor.
Ga zo snel mogelijk tanken als
dit lampje oplicht als de motor
draait.
Niet in gebruik
7 Brandstofpeilmeter
8 Waarschuwingslampje
stop onmiddellijk
Dit lampje dooft zodra
de motor draait.
Het gaat tegelijk met andere
waarschuwingslampjes en/of
boodschappen branden en gaat
vergezeld van een geluidssig-
naal.
Als het lampje oplicht, moet u
direct stoppen zonder het overi-
ge verkeer in gevaar te brengen
en de instructies bij het betref-
fende lampje opvolgen.
9 Controlelampje start-
vergrendeling
Raadpleeg de paragraaf
startvergrendeling in hoofd-
stuk 1.
12 3 45
13 13a 12 11 10 9 8 7 6
NU747_3_G1-FRA.qxd 15/06/05 16:23 Page 1.68
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T1-NEL.win 4/8/2005 11:15
-page74
1.68
INSTRUMENTENPANEEL (vervolg)
De aanwezigheid en de werking van de hieronder beschreven lampjes zijn afhankelijk van het land, het
uitrustingsniveau en eventuele opties van de auto.
Als het lampje oplicht, moet u direct stoppen zonder het overige verkeer in gevaar te brengen
en de instructies bij het betreffende lampje opvolgen.
Het lampje geeft aan dat u binnenkort een RENAULT-dealer moet bezoeken.
Als er geen enkele informatie op het instrumentenpaneel verschijnt,
moet u direct stoppen zonder het overige verkeer in gevaar te brengen.
NU747_3_G1-FRA.qxd 15/06/05 16:23 Page 1.69
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T1-NEL.win 4/8/2005 11:15
-page75
1.69
INSTRUMENTENPANEEL (vervolg)
10 Waarschuwingslampje portier
of multifunctioneel display (af-
hankelijk van de auto)
Waarschuwingslampje portier
Het geeft aan dat een portier (of
de achterklep) open staat of niet
is gesloten.
OF
Display met verschillende func-
ties
Het geeft aan als een portier (of
achterklep) open staat of niet is
gesloten, en geeft de banden-
spanning aan (raadpleeg para-
graaf controlesysteem banden-
spanning in hoofdstuk 2) en de
ingeschakelde versnelling (voor
de auto's met een automatische
transmissie).
11 Waarschuwingslampje
Het licht op bij het star-
ten van de motor en
dooft na enkele secondes.
Het kan met andere waarschu-
wingslampjes of boodschappen
op het instrumentenpaneel op-
lichten.
Als het lampje tijdens het rijden
oplicht, moet u de auto binnen-
kort bij een RENAULT-dealer la-
ten controleren.
12 Controlelampje mist-
lichten voor
Controlelampje mist-
achterlicht
Controlelampje dim-
licht
Controlelampje groot-
licht
13 Koelvloeistof temperatuurme-
ter
Bij normaal gebruik komt de
wijzer niet in het gebied 13a.Bij
zware motorbelasting kan hij
welindebuurtkomen.Eris
sprake van een storing als het
waarschuwingslampje
oplicht en een boodschap ver-
schijnt op het instrumentenpa-
neel en een geluidssignaal
klinkt.
B
A
NU747_3_G1-FRA.qxd 15/06/05 16:23 Page 1.70
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T1-NEL.win 4/8/2005 11:15
-page76
1.70
BOORDCOMPUTER
Boordcomputer
Deze toont op het display A of B op
het instrumentenpaneel (plaats ver-
schillend afhankelijk van de auto):
- de informatieboodschappen (pa-
rameters van de reis, enz.);
- storingsmeldingen (over het alge-
meen in combinatie met het lamp-
je );
- alarmsignalen (in combinatie met
het lampje ).
2
1
NU747_3_G1-FRA.qxd 15/06/05 16:23 Page 1.71
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T1-NEL.win 4/8/2005 11:15
-page77
1.71
BOORDCOMPUTER (vervolg)
Functiekeuzetoetsen 1 en 2
Laat door achtereenvolgens en kort
indrukken de volgende informatie
in deze of omgekeerde volgorde
langs komen.
a) totaalteller, dagteller,
b) gegevens van de reis:
- verbruikte brandstof,
- gemiddeld verbruik,
- actueel verbruik (afhankelijk
van de auto),
-resterendbereik,
- afgelegde afstand.
c) overgebleven afstand tot de vol-
gende verversing,
d) snelheidsinstelling (snelheidsre-
gelaar/-begrenzer).
e) functieoverzicht, informatie-
boodschappenenstoringsmel-
dingen.
2
1
NU747_3_G1-FRA.qxd 15/06/05 16:23 Page 1.72
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T1-NEL.win 4/8/2005 11:15
-page78
1.72
BOORDCOMPUTER (vervolg)
Toetsen van de nulinstelling
van de dagteller 1 en 2
Voor de nulinstelling van de dagtel-
ler moet de gekozen aanduiding op
dagteller staan, druk daarna een
keer lang op toets 1 of 2 of druk een
keer lang tegelijk op de toetsen 1
en 2.
Toetsen van de nulinstelling
van de gegevens van de reis 1
en 2
Weergave ingesteld op een van de
gegevens van de reis, druk lang op
de toets 1 of 2 of op de twee toetsen
tegelijk.
Betekenis van de waarden ge-
durende de eerste paar kilome-
ter na een nulinstelling
De waarden van gemiddeld ver-
bruik, bereik en gemiddelde snel-
heid worden stabieler en nauwkeu-
riger naarmate de afgelegde afstand
vanaf de laatste nulinstelling groter
wordt.
Tijdens de eerste paar kilometers na
de nulinstelling zult u merken dat:
Het bereik tijdens het rijden
groter wordt.
Dit is normaal want het gemiddel-
de verbruik daalt als:
- de auto met een constante snel-
heid rijdt,
- de motor zijn bedrijfstempera-
tuur bereikt (nulinstelling bij
koude motor),
- u vanuit druk stadsverkeer op
de buitenweg komt.
Het gemiddelde verbruik toe-
neemt als de motor stationair
draait en de auto stilstaat.
Dit is normaal: de boordcomputer
telt de verbruikte brandstof zon-
der dat er een afstand wordt afge-
legd.
Automatische nulinstelling van
de gegevens van de reis
De nulinstelling gebeurt automa-
tisch als een van de gegevens zijn
maximale waarde bereikt.
2518525185
25161
2518625186
25161
2518725187
25162
2518825188
25163
NU747_3_G1-FRA.qxd 15/06/05 16:23 Page 1.73
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T1-NEL.win 4/8/2005 11:15
-page79
1.73
BOORDCOMPUTER (vervolg)
Voorbeelden
van functiekeuzes door
toets 2 in te drukken
Display A Display B
Betekenis van de gekozen aanduiding
a) Kilometertotaalteller
(op de eerste regel van het display B)
Kilometerdagteller
(op de tweede regel van het display B)
b) Gegevens van de reis
Hoeveelheid verbruikte brandstof sinds de laatste nulinstelling.
Gemiddeld brandstofverbruik sinds de laatste nulinstelling.
Deze waarde wordt aangegeven na 400 meter gereden te hebben en wordt
berekend aan de hand van de sinds de laatste nulinstelling afgelegde af-
standenverbruiktebrandstof.
2517825178
25158
2517925179
2518025180
25159
2518125181
25160
25164
NU747_3_G1-FRA.qxd 15/06/05 16:23 Page 1.74
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T1-NEL.win 4/8/2005 11:15
-page80
1.74
BOORDCOMPUTER (vervolg)
Voorbeelden
van functiekeuzes door
toets 2 in te drukken
Display A Display B
Betekenis van de gekozen aanduiding
Actueel verbruik
De waarde wordt aangegeven zodra de auto sneller rijdt dan 30 km/u.
Het bereik met de overgebleven brandstof
Uitgaande van het gemiddelde verbruik sinds de laatste nulinstelling en de
hoeveelheid brandstof in de tank.
Deze waarde wordt aangegeven na 400 meter gereden te hebben.
Enkele minuten na het oplichten van het waarschuwingslampje minimumpeil
brandstof, is er geen aanduiding meer van het overgebleven bereik.
Afgelegde afstand sinds de laatste nulinstelling
Gemiddelde snelheid sinds de laatste nulinstelling.
Deze waarde wordt aangegeven na 400 meter gereden te hebben.
2518225182
25274
NU747_3_G1-FRA.qxd 15/06/05 16:23 Page 1.75
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T1-NEL.win 4/8/2005 11:15
-page81
1.75
BOORDCOMPUTER (vervolg)
Voorbeelden
van functiekeuzes door
toets 2 in te drukken
Display A Display B
Betekenis van de gekozen aanduiding
c) Afstand tot de volgende verversing/onderhoud
Overgebleven afstand tot de volgende onderhoudsbeurt.
Er zijn verschillende mogelijkheden:
afstand minder dan 1500kmof onderhoud binnen twee maanden nood-
zakelijk. De boodschap olie verversen verschijnt.
overgebleven afstand tot de volgende verversing is 0kmof de datum van
volgende onderhoudsbeurt is bereikt. De boodschap olie verversen bin-
nenkort verschijnt, als de weergave overgebleven afstand tot de
volgende verversing is gekozen, met het symbool en het lampje
.
Initialisatie van het display na onderhoud volgens het onderhoudspro-
gramma
De afstand tot de volgende verversing/onderhoud moet opnieuw geïntiali-
seerd worden volgens de voorschriften van het onderhoudsboekje.
Als u besluit om eerder olie te laten verversen, initialiseer deze meter dan
niet bij elke olieverversing. Dit voorkomt dat het vervangingsinterval van
andere onderdelen, zoals voorzien is in het onderhoudsprogramma, over-
schreden wordt.
Om de afstand tot de volgende verversing/onderhoud opnieuw in te stellen,
drukt u ongeveer 10 secondes zonder onderbreking op een van de toetsen
van de nulinstelling van de weergave, tot de afstand tot de volgende verver-
sing vast wordt weergegeven.
2523225232
25217
25197
25218
NU747_3_G1-FRA.qxd 15/06/05 16:23 Page 1.76
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T1-NEL.win 4/8/2005 11:15
-page82
1.76
BOORDCOMPUTER (vervolg)
Voorbeelden
van functiekeuzes door
toets 2 in te drukken
Display A Display B
Betekenis van de gekozen aanduiding
d) Snelheidsinstelling van de snelheidsregelaar/-begrenzer (afhankelijk van
de auto)
Raadpleeg de paragraaf snelheidsbegrenzer en snelheidsregelaar in
hoofdstuk 2.
e) Functieoverzicht
Aanduiding achtereenvolgens:
- van informatieboodschappen (afhankelijk van de auto: automatische ont-
steking koplampen, enz.,
- van storingsmeldingen (inspuitsysteem controleren enz.).
NU747_3_G1-FRA.qxd 15/06/05 16:23 Page 1.77
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T1-NEL.win 4/8/2005 11:15
-page83
1.77
BOORDCOMPUTER (vervolg)
Informatieboodschappen
Deze bieden hulp tijdens het starten
van de auto of geven informatie over
een keuze die gemaakt kan worden
of over de manier van rijden.
Voorbeelden van informatiebood-
schappen worden op de volgende
bladzijden gegeven.
Storingsmeldingen
U moet binnenkort bij uw
RENAULT-dealer langs voor een re-
paratie aan uw auto.
Deze meldingen verschijnen met
het waarschuwingslampje .
Zijverdwijnendooreendrukopde
keuzetoets van de aanduiding of na
enkele secondes en worden opgesla-
gen in het functieoverzicht.
Het waarschuwingslampje
blijft branden. Voorbeelden van sto-
ringsmeldingen worden op de vol-
gende bladzijden gegeven.
Alarmsignalen
U moet direct stoppen zonder het
overige verkeer in gevaar te brengen
en direct uw RENAULT-dealer raad-
plegen.
Zij verschijnen over het algemeen
met het waarschuwingslampje
. Voorbeelden van alarmsig-
nalen worden op de volgende blad-
zijdes gegeven.
N.B.: de boodschappen verschijnen
op het display alleen of afwisselend
(als er meer boodschappen zijn), zij
kunnen gecombineerd zijn met een
waarschuwingslampje of een ge-
luidssignaal.
25201
25155
25197
NU747_3_G1-FRA.qxd 15/06/05 16:23 Page 1.78
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T1-NEL.win 4/8/2005 11:15
-page84
1.78
BOORDCOMPUTER (vervolg)
Voorbeelden van informatieboodschappen
Boodschappen Betekenis van de boodschappen
"Achterklep open"
Geeft aan dat de achterklep open staat.
"Oliepeil correct"
Geeft bij het aanzetten van het contact aan dat het oliepeil correct is.
"Lichtautomaat niet actief"
Geeft aan dat de automatische werking van de verlichting is uitgeschakeld.
25140
25199
25204
NU747_3_G1-FRA.qxd 15/06/05 16:23 Page 1.79
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T1-NEL.win 4/8/2005 11:15
-page85
1.79
BOORDCOMPUTER (vervolg)
Voorbeelden van storingsmeldingen
Zij lichten gelijk op met het waarschuwingslampje en geven aan dat u binnenkort een RENAULT-dealer moet bezoeken.
Boodschappen Betekenis van de boodschappen
"ESP controleren"
Geeft aan dat er een storing is van het ESP (zie paragraaf tractiecontrole in
hoofdstuk 2).
"Brandstoffilter aftappen"
Geeft aan dat er water in de dieselbrandstof zit.
Laat het systeem direct door uw RENAULT-dealer controleren en indien nodig
herstellen.
"Elektronische storing"
Geeft een storing aan van het elektronisch beheer van uw auto.
Laat het systeem direct door uw RENAULT-dealer controleren en indien nodig
herstellen.
25200
25198
25191
NU747_3_G1-FRA.qxd 15/06/05 16:23 Page 1.80
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T1-NEL.win 4/8/2005 11:15
-page86
1.80
BOORDCOMPUTER (vervolg)
Voorbeelden van storingsmeldingen
Zij lichten gelijk op met het waarschuwingslampje en geven aan dat u binnenkort een RENAULT-dealer moet bezoeken.
Boodschappen Betekenis van de boodschappen
"Transmissie controleren"
Geeft aan dat er een storing in de transmissie is, raadpleeg snel uw RENAULT-
dealer.
"Lichtautomaat controleren"
Geeft aan dat er een storing is in de automatische werking van de lichten, raad-
pleeg uw RENAULT-dealer.
"Stuurkolom controleren"
Geeft aan dat er een storing is in de werking van de stuurbekrachtiging.
25138
25189
25139
NU747_3_G1-FRA.qxd 15/06/05 16:23 Page 1.81
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T1-NEL.win 4/8/2005 11:15
-page87
1.81
BOORDCOMPUTER (vervolg)
Voorbeelden van alarmsignalen
Zij lichten gelijk op met het waarschuwingslampje en u moet direct stoppen (zonder het overige verkeer in gevaar
te brengen).
Boodschappen Betekenis van de boodschappen
"Storing inspuitsysteem"
Geeft een ernstig probleem met de motor van de auto aan.
"Motor te heet"
Geeft een oververhitting van de motor van de auto aan.
"Storing laadstroom"
Geeft een probleem aan in het laadstroomcircuit van de accu.
25135
25144
25136
25137
NU747_3_G1-FRA.qxd 15/06/05 16:23 Page 1.82
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T1-NEL.win 4/8/2005 11:15
-page88
1.82
BOORDCOMPUTER (vervolg)
Voorbeelden van alarmsignalen
Zij lichten gelijk op met het waarschuwingslampje en u moet direct stoppen (zonder het overige verkeer in gevaar
te brengen).
Boodschappen Betekenis van de boodschappen
"Storing stuurkolom"
Geeft een probleem met de stuurinrichting van de auto aan.
"Versnellingsbak oververhit"
Geeft een oververhitting van de versnellingsbak aan.
"Storing remmen"
Geeft een defect van het remsysteem aan.
"Storing oliedruk"
Geeft een te lage oliedruk aan.
1
A
B
C
C
B
A
D
2
NU747_3_G1-FRA.qxd 15/06/05 16:23 Page 1.83
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T1-NEL.win 4/8/2005 11:15
-page89
1.83
INFORMATIEDISPLAYS
Afhankelijk van de auto, tonen de
displays 1 of 2:
-deradio(zoneA);
- de tijd (zone B);
- de buitentemperatuur (zone C);
- de informatie van het navigatie-
systeem, de informatie van de
handsfree telefoon (zone D).
N.B.:
Op display 2 kan informatie in de
zones A, B, C en D verschillen, af-
hankelijk van de uitrusting van de
auto.
Bijzonderheid:
Als de buitentemperatuur tussen
3°Cen+3°C ligt, knipperen de te-
kens °C (waarschuwing voor kans
op gladheid).
Buitentemperatuur-
meter
De buitenthermometer is
beslist geen gladheidsdetector.
Gladheid is niet alleen van de
temperatuur afhankelijk, maar
van meer factoren zoals de lig-
ging van de weg en de vochtig-
heid van de lucht
Als de elektrische voeding onder-
broken is geweest (losgenomen ac-
cukabel, zekering doorgebrand,
enz.) geeft het display niet langer
de juiste informatie aan.
Het klokje moet op tijd worden ge-
zet.
Zet het alleen bij stilstaande auto
gelijk.
2531425314
25177
1
3
2
A
NU747_3_G1-FRA.qxd 15/06/05 16:23 Page 1.84
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T1-NEL.win 4/8/2005 11:15
-page90
1.84
KLOKJE
Display A
De tijd wordt aangegeven met con-
tact aan.
Om bij de weergave 1 voor de afstel-
ling van de tijd te komen, drukt u op
knop 2 of 3.
De uren en minuten knipperen, u
bent in de afstelfunctie, druk lang
op knop 3 om de uren in te stellen.
Zodradeurenknipperen,druktu
een aantal keren kort of een keer
lang op knop 2 voor het afstellen.
Druk daarna een keer lang op knop 3
om de afstelling van het uur te be-
vestigen.
De minuten knipperen, druk een
aantal keren kort of een keer lang op
knop 2 voor het afstellen.
Als de afstelling klaar is, blijven de
uren en minuten gedurende 2 se-
condes aangegeven en is uw afstel-
ling klaar.
U kunt van weergave wisselen.
Als de elektrische voeding onder-
broken is geweest (losgenomen ac-
cukabel, zekering doorgebrand,
enz.) geeft het display niet langer de
juiste informatie aan.
Het klokje moet op tijd worden ge-
zet.
Zet het alleen bij stilstaande auto ge-
lijk.
M
H
B
NU747_3_G1-FRA.qxd 15/06/05 16:23 Page 1.85
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T1-NEL.win 4/8/2005 11:15
-page91
1.85
KLOKJE EN BUITENTEMPERATUUR (vervolg)
Display B
De buitentemperatuur en/of de tijd
worden aangegeven als het contact
aan staat.
Klokje op tijd zetten
Druk op toets:
H voor de uren,
M voor de minuten.
Buitentemperatuurmeter
Bijzonderheid:
Als de buitentemperatuur tussen
3°Cen+3°C ligt, knipperen de
tekens °C (waarschuwing voor kans
op gladheid).
Buitentemperatuur-
meter
De buitenthermometer is
beslist geen gladheidsdetector.
Gladheid is niet alleen van de
temperatuur afhankelijk, maar
van meer factoren zoals de lig-
ging van de weg en de vochtig-
heid van de lucht
Auto's met navigatiesystemen, tele-
foons, enz.
Raadpleeg de betreffende instructie-
boekjes voor de bijzonderheden van
deze uitrustingen.
Als de elektrische voeding on-
derbroken is geweest (losgeno-
men accukabel, zekering door-
gebrand, enz.) geeft het display
niet langer de juiste informatie
aan.
Het klokje moet op tijd worden
gezet.
Zet het alleen bij stilstaande auto
gelijk.
1
NU747_3_G1-FRA.qxd 15/06/05 16:23 Page 1.86
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T1-NEL.win 4/8/2005 11:15
-page92
1.86
STUURWIEL
Afstellen van hoogte en diepte
van het stuurwiel
(afhankelijk
van de auto)
Trek aan de hendel 1 en zet het
stuurwiel in de gewenste stand.
Duw tegen de hendel om het stelme-
chanisme te blokkeren.
Verstel het stuurwiel uit-
sluitend als de auto stil-
staat.
Laat het stuurwiel niet in een uiter-
ste stand gedraaid staan als de auto
stil staat.
Zet nooit de motor af tijdens het rij-
den: bij uitgeschakelde motor is er
geen bekrachtiging.
1
B
A
2
B
A
C
D
E
F
NU747_3_G1-FRA.qxd 15/06/05 16:24 Page 1.87
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T1-NEL.win 4/8/2005 11:15
-page93
1.87
SPIEGELS
Met de hand verstelbare buiten-
spiegels
De spiegel kan van binnenuit wor-
denversteldmethetknopje1.
Elektrische buitenspiegels
Als het contact aan staat, kunnen
de spiegels worden versteld met
knop 2:
-instandC regeltudestandvande
linker spiegel,
-instandE regelt u de stand van de
rechter spiegel;
Zet na het verstellen de knop weer
in de middenstand D terug.
Verwarmde buitenspiegels
Draaiende motor, het ontdooien
van de spiegel is gekoppeld aan de
achterruitverwarming.
De buitenspiegel aan de
kant van de bestuurder kan
in twee delen uitgevoerd
zijn. In deel B ziet u wat u
met een normale spiegel ziet. In
deel A ziet u een grotere hoek aan
de achter- en zijkant van de auto.
Voorwerpen die u in deel A ziet,
lijken verder weg dan zij in werke-
lijkheid zijn.
3
2
C
D
E
F
NU747_3_G1-FRA.qxd 15/06/05 16:24 Page 1.88
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T1-NEL.win 4/8/2005 11:15
-page94
1.88
SPIEGELS (vervolg)
Inklapbare buitenspiegels
Zet de knop 2 in stand F: de buiten-
spiegels klappen in. Om de spiegels
weer in de rijstand te zetten, zet u de
knop in positie C, D of E.
Als u de spiegels met de hand in-
klapt voordat u ze in de rijstand te-
rugzet (C,D,E), moet u de schakelaar
2 eerst op F zetten.
Binnenspiegel
De binnenspiegel is verstelbaar. Om
te voorkomen dat u in het donker
verblind wordt door achter u rijden-
de voertuigen, kan het spiegelglas in
de nachtstand gekanteld worden
met het knopje 3 achter de spiegel.
1
A
0
2
NU747_3_G1-FRA.qxd 15/06/05 16:24 Page 1.89
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T1-NEL.win 4/8/2005 11:15
-page95
1.89
CLAXON EN LICHTSIGNALEN
Claxon
Druk op het midden van het stuur-
wiel A.
Lichtsignaal
U geeft een signaal met het groot-
licht, ook als de verlichting niet
brandt, door de schakelaar 1 naar u
toe te trekken.
Richtingaanwijzers
Beweeg de schakelaar 1 evenwijdig
aan het stuurwiel en in de richting
waarin u dit gaat draaien.
Bij het rijden op een snelweg wordt
het stuur slechts weinig gedraaid,
waardoor de schakelaar niet vanzelf
terugkomt in ruststand 0. U geeft
dan richting aan door de richting-
aanwijzerschakelaar in de gewenste
stand te drukken.
De schakelaar veert bij het loslaten
automatischinderuststand0 terug.
Alarmknipperlichten
Druk op de schakelaar 2.
Deze schakelaar schakelt gelijktijdig
de vier knipperlichten en de zij-
knipperlichten in.
U gebruikt het alarmsignaal als
waarschuwing voor de overige weg-
gebruikers:
als u moet stoppen op een plaats
waar het overige verkeer dit niet
verwacht of waar dit verboden is;
in geval van overmacht zoals bij
een defect of ongeval.
Afhankelijk van de uitvoering van
de auto, kunnen tijdens krachtig
remmen de knipperlichten automa-
tisch inschakelen.
In dat geval kunt u de knipperlich-
ten uitschakelen door een keer scha-
kelaar 2 in te drukken.
1
3
1
2
NU747_3_G1-FRA.qxd 15/06/05 16:24 Page 1.90
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T1-NEL.win 4/8/2005 11:15
-page96
1.90
VERLICHTING
Markeringslichten
Draai het einde van de scha-
kelaar 1 tot het symbool zichtbaar
wordt bij het merkteken 2.
Het instrumentenpaneel licht op, de
lichtsterkte kan ingesteld worden
door het draaien van schakelaar 3.
Regelen van de lichtsterkte van
het instrumentenpaneel
Draai schakelaar 3 naar beneden om
de lichtsterkte te verkleinen en naar
boven om deze te vergroten.
Controleer, voordat u in het
donker wegrijdt, de wer-
king van de verlichting en
stel indien nodig de stand
van de koplampen af op de belas-
ting van de auto. Zorg ervoor dat de
lichten niet bedekt zijn (vuil, mod-
der, sneeuw, vervoer van voorwer-
pen waardoor ze niet zichtbaar
zijn).
2
4
1
NU747_3_G1-FRA.qxd 15/06/05 16:24 Page 1.91
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T1-NEL.win 4/8/2005 11:15
-page97
1.91
VERLICHTING (vervolg)
Dimlichten
Handbediend
Draai het einde van de schakelaar 1
tot het symbool zichtbaar wordt bij
het merkteken 2.
In alle gevallen licht een controle-
lampje op het instrumentenpaneel
op.
Automatische werking (afhankelijk
van de auto)
Als de motor draait, schakelen de
dimlichten automatisch in als het
buiten donker wordt en uit als het
weer licht wordt, zonder dat de
schakelaar 1 (stand 0)gebruikthoeft
te worden.
Deze functie kan ingeschakeld of
uitgeschakeld worden.
- Voor het inschakelen: contact aan,
druk op de knop 4 gedurende min-
stens vier secondes. Een bood-
schap op het instrumentenpaneel
bevestigt deze handeling.
- Voor het uitschakelen,contact
aan bij stilstaande auto, drukt u
minstens vier secondes op de
knop 4. De boodschap Lichtauto-
maat OFF verschijnt op het in-
strumentenpaneel.
Als u schakelaar 1 in een andere
stand zet, schakelt u hiermee boven-
genoemd automatisme tijdelijk uit.
Functie uitschakelvertraging
Met deze functie branden de dim-
lichten gedurende enige tijd na het
verlaten van de auto (bijvoorbeeld
om te verlichten bij het openen van
een hek of een garagedeur).
Contact uit en lichten gedoofd, trek
de lichtschakelaar 1 naar u toe: de
dimlichten gaan ongeveer dertig se-
condes branden.
Dit kan vier keer gedaan worden om
een maximum duur van de verlich-
ting van twee minuten te activeren.
Om de verlichting uit te schakelen
voordat dit automatisch gebeurt,
draait u het einde van schakelaar 1
en zet u dit weer in stand 0.
1
NU747_3_G1-FRA.qxd 15/06/05 16:24 Page 1.92
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T1-NEL.win 4/8/2005 11:15
-page98
1.92
VERLICHTING (vervolg)
Extra bochtlichten
Afhankelijk van de auto, als de dim-
lichten branden en bij bepaalde
rijomstandigheden (snelheid, hoek
van het stuur, vooruit rijdend, enz.),
lichten extra lichten op bij het in-
draaien van een bocht, om deze te
verlichten.
N.B.: bij te lang gebruik schakelt dit
systeem automatisch uit.
Grootlichten
Met dimlichten aan, ver-
plaatst u de lichtschakelaar 1 naar u
toe.
Als het grootlicht brandt, wordt dit
door het bijbehorende controle-
lampje op het instrumentenpaneel
aangegeven.
Om het grootlicht uit en het dim-
licht weer in te schakelen, trekt u de
lichtschakelaar 1 opnieuw naar u
toe.
Automatische verlichting bij
grootlicht
Afhankelijk van de auto gaan, om de
verlichting te verbeteren, de lampen
van het dimlicht omhoog als u de
grootlichten inschakelt.
N.B.: in geval van een storing in de
werking van dit systeem, bij het te-
ruggaan van de grootlichten naar
dimlichten, dooft het betreffende
dimlicht en gaan de mistlichten
voor branden met het waarschu-
wingslampje op het instru-
mentenpaneel en een storingsbood-
schap.
Raadpleeg in dat geval zo snel mo-
gelijk uw RENAULT-dealer.
Let op: deze situatie is niet een nor-
male gebruikssituatie van uw auto.
1
NU747_3_G1-FRA.qxd 15/06/05 16:24 Page 1.93
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T1-NEL.win 4/8/2005 11:15
-page99
1.93
VERLICHTING (vervolg)
Uitschakelen van de lichten
Handbediend
Er zijn drie mogelijkheden (afhan-
kelijk van de auto):
- draai de schakelaar 1 terug in de
beginstand;
- De lichten doven, als de motor is
stilgezet, bij het openen van het
bestuurdersportier of bij het ver-
grendelen van de auto. In dat geval
schakelen, bij de volgende keer
starten van de motor, de lichten
opnieuw in, overeenkomstig de
stand van schakelaar 1.
- een tijdschakelaar schakelt de ver-
lichting automatisch uit.
Automatische werking (afhankelijk
van de auto)
De lichten doven, als de motor is
stilgezet, bij het openen van het be-
stuurdersportier of bij het vergren-
delen van de auto.
Waarschuwingssignaal verlich-
ting brandt nog
In het geval dat de lichten zijn inge-
schakeld na het stilzetten van de
motor, klinkt er een signaal bij het
openen van het bestuurdersportier
om u te waarschuwen dat de lichten
nog branden.
5
6
1
NU747_3_G1-FRA.qxd 15/06/05 16:24 Page 1.94
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T1-NEL.win 4/8/2005 11:15
-page100
1.94
VERLICHTING (vervolg)
Mistlichten aan de voor-
zijde
Draai de middelste ring 5 van de
schakelaar 1 zodathetsymboolbij
het merkteken 6 staat en laat dan
los.
De werking is afhankelijk van de ge-
voerde verlichting; het controle-
lampje op het instrumentenpaneel
gaat branden.
Zodra de weersomstandigheden dit
toelaten moet u het mistachterlicht
uitschakelen om de achter u rijden-
de weggebruikers niet te hinderen.
Mistachterlicht
Draai de middelste ring 5
van de schakelaar 1 zo dat het sym-
bool bij het merkteken 6 staat en laat
dan los.
Het mistlicht kan ingeschakeld wor-
den als de dimlichten of de mist-
lichten aan de voorzijde ingescha-
keld zijn.
Zodra de weersomstandigheden dit
toelaten moet u het mistachterlicht
uitschakelen om de achter u rijden-
de weggebruikers niet te hinderen.
N.B. het mistlicht bevindt zich aan
de bestuurderskant.
Het oplichten van het controle-
lampje van de mistlichten en een
boodschap op het instrumenten-
paneel geven een storing in de
werking van automatische ver-
lichting aan bij grootlicht, raad-
pleeg de paragraaf verlichting
en signalen buitenkant in
hoofdstuk 1.
Lichten uit
Draai opnieuw ring 5 om het merk-
teken 6 tegenover het symbool van
het mistlicht te brengen dat u wilt
uitschakelen.
Bij het uitschakelen van de verlich-
ting, gaan ook de mistlichten voor
en achter uit.
Bij mist werken de dimlichten
niet altijd automatisch, u moet
deze daarom zelf handmatig in-
schakelen.
Het inschakelen van de mistlich-
ten blijft onder controle van de
bestuurder: de controlelampjes
op het instrumentenpaneel in-
formeren u over het inschakelen
(controlelampje brandt) of uit-
schakelen (controlelampje uit).
A
NU747_3_G1-FRA.qxd 15/06/05 16:24 Page 1.95
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T1-NEL.win 4/8/2005 11:15
-page101
1.95
KOPLAMPEN ELEKTRISCH VERSTELLEN
Bijdeauto'sdieermeeuitgerust
zijn, kan knop A de stand van de
koplampen aanpassen aan de belas-
ting.
Als u de knop A omlaag draait dan
gaan de lichtbundels naar beneden;
draaitudeknopomhoogdangaan
de lichtbundels ook omhoog.
1
A
B
C
D
1
2
NU747_3_G1-FRA.qxd 15/06/05 16:24 Page 1.96
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T1-NEL.win 4/8/2005 11:15
-page102
1.96
RUITENWISSER / -SPROEIER VOOR
Contact aan, verplaats de schake-
laar 1
A uit
B wissen met intervallen
De wissers vegen met tussenpo-
zen van enkele secondes. De
duur van het interval is te rege-
len door de ring 2 te verdraaien:
C langzaam continu wissen.
D snel continu wissen.
Bijzonderheid
Tijdens het rijden gaat de wisser
langzamer werken als de auto stopt.
Van snel continu wissen naar lang-
zaam continu wissen.
Zodradeautoweergaatrijden,be-
ginnen de wissers weer met de oor-
spronkelijk ingestelde snelheid te
werken.
Als u schakelaar 1 in een andere
stand zet, schakelt u daarmee dit au-
tomatisme uit.
Auto's met functie automatisch
wissen
Bij draaiende motor, beweeg de
schakelaar 1.
A uit
B functie automatisch wissen
In deze stand signaleert het sys-
teem water op de voorruit en
schakelt het wissen in met een
aangepaste wissnelheid.
De duur van het interval is te
regelen door de ring 2 te ver-
draaien:
C langzaam continu wissen.
D snel continu wissen.
1
NU747_3_G1-FRA.qxd 15/06/05 16:24 Page 1.97
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T1-NEL.win 4/8/2005 11:15
-page103
1.97
RUITENWISSER / -SPROEIER VOOR (vervolg)
Ruitensproeiers,
koplampsproeiers
(afhankelijk van auto)
Contact aan: trek de schakelaar 1
naar u toe.
Als de verlichting uit is
Een keer kort indrukken zorgt
voor een wisbeweging van de rui-
tenwisser.
Een keer lang indrukken zorgt
voor drie wisbewegingen, enkele
secondes later gevolgd door een
wisbeweging.
Koplampen branden
Ook worden tegelijkertijd de kop-
lampsproeiers ingeschakeld.
Bij stilstaande auto, als het me-
chanisme is geblokkeerd (bij-
voorbeeld doordat de wisserbla-
den zijn vastgevroren aan de
voorruit) wordt de voeding van
de ruitenwissermotor automa-
tisch uitgeschakeld.
Voor het wassen van de auto, zet
u de schakelaar in stand A (uit)
om te voorkomen dat de ruiten-
wisserbladen beschadigd wor-
den door het automatisch in-
schakelen van de ruitenwisser.
Controleer regelmatig de staat
van de ruitenwisserbladen. Zo-
drahunwerkingafneemtmoetu
ze vervangen, ongeveer eens per
jaar.
Maak regelmatig uw voorruit
schoon.
Als u het contact afzet voordat u
de ruitenwisser hebt uitgescha-
keld (stand A), blijven de wisser-
armen onmiddellijk stilstaan.
1
2
NU747_3_G1-FRA.qxd 15/06/05 16:24 Page 1.98
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T1-NEL.win 4/8/2005 11:16
-page104
1.98
RUITENWISSER EN -SPROEIER ACHTER
Achterruitwisser met in-
terval afhankelijk van de
snelheid
Contact aan, draai het einde van de
schakelaar 1 tot het merkteken 2 te-
genover het symbool staat.
De frequentie van het wissen vari-
eert afhankelijk van de snelheid.
Achterruitsproeier
Contact aan, draai het einde
van de schakelaar 1 tot het merkte-
ken 2 tegenover het symbool staat.
Als u de schakelaar loslaat, blijft de
achterruitwisser werken.
Bijzonderheid
Als de ruitenwisser van de voorruit
in werking is of in de automatische
stand staat, gaat de achterruitwisser
wissen met intervallen zodra u de
achteruitversnelling inschakelt.
Controleer, voordat u wegrijdt
als het vriest, of de ruitenwisser-
bladen niet aan de ruit zijn vast-
gevroren. Anders kan de ruiten-
wissermotor te warm worden.
Controleer regelmatig de staat
van de ruitenwisserbladen. Zo-
drahunwerkingafneemtmoetu
ze vervangen, ongeveer eens per
jaar.
Maak regelmatig uw achterruit
schoon.
Voordat u de ruitenwisser achter
gebruikt moet u ervoor zorgen
dat niets de beweging van de
wisser hindert.
1
2
A
A
NU747_3_G1-FRA.qxd 15/06/05 16:24 Page 1.99
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T1-NEL.win 4/8/2005 11:16
-page105
1.99
BRANDSTOFTANK
Bruikbare inhoud van de tank:
ongeveer 55 liter
Om de klep A te openen, steekt u
een vinger in de uitsparing 1 en
trekt u aan de tankdopklep.
Raadpleeg voor het tanken de para-
graaf Tanken van brandstof.
Tijdens het tanken kunt u de dop
aan het klepje 2 hangen.
De tankdop is van een spe-
ciaal type. Vraag naar dit-
zelfde type als u een andere
dop koopt.
Raadpleeg uw RENAULT-dealer.
Rook niet tijdens het tanken en ont-
steek geen open vuur in de nabij-
heid van de brandstoftank of de
tankdop.
Maak de omgeving van het vulsys-
teem niet schoon met een hoge-
drukreiniger.
Soort brandstof
Gebruik brandstof van goede kwali-
teit die overeenkomt met de normen
die in elk land zijn vastgelegd.
Benzinemotor
Gebruik uitsluitend ongelode benzi-
ne. Het octaangehalte (RON) moet
overeen komen met de indicaties op
de sticker in de tankdopklep. Raad-
pleeg de paragraaf Gegevens van
de motor in hoofdstuk 6.
Dieselmotor
Gebruik uitsluitend dieselbrandstof
die overeenkomt met de indicaties
op de sticker aan de binnenkant van
de tankdopklep A.
Let er op dat bij het tanken geen wa-
ter bij de brandstof komt. Het af-
sluitsysteem van de tankdop en de
omgeving ervan moeten stofvrij
zijn.
Vermengdedieselbrand-
stof beslist niet met ben-
zine.
NU747_3_G1-FRA.qxd 15/06/05 16:24 Page 1.100
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T1-NEL.win 4/8/2005 11:16
-page106
1.100
BRANDSTOFTANK (vervolg)
Tanken van brandstof
Benzinemotor
Schade die ontstaan is als gevolg
van het tanken van loodhoudende
benzine wordt niet door de fabrieks-
garantie gedekt.
Om te voorkomen dat er abusieve-
lijk loodhoudende benzine wordt
getankt, heeft de vulhals een nauwe
doorlaat met een veiligheidssys-
teem waarin alleen een vulpistool
met ongelode benzine past.
- Druk met het vulpistool de klep
open en voordat u met tanken be-
gint, steekt u het vulpistool verder
in de opening tot het niet verder
kan (gevaar van spatten).
- Houd tijdens het tanken het vul-
pistool in deze stand tot u klaar
bent met tanken.
Brandstof tanken (vervolg)
Alle uitvoeringen
Als het vulpistool automatisch is af-
geslagen, mag u nog maximaal twee
liter brandstof bijvullen.
Wijzig of repareer niet
zelf het brandstofsys-
teem (rekeneenheden,
bedrading, brandstofcir-
cuit, inspuitstukken of verstui-
vers, beschermkappen) vanwege
de grote gevaren voor de veilig-
heid die hierdoor kunnen ont-
staan. Laat deze werkzaamheden
uitsluitend door uw RENAULT-
dealer uitvoeren.
Aanhoudende stank van brand-
stof
In geval van een aanhoudende stank
van brandstof, moet u:
onmiddellijk stoppen, rekening
houdend met het overige verkeer
en het contact afzetten;
de alarmknipperlichten aanzetten
en alle passagiers uit laten stap-
penenzevervanhetverkeerhou-
den;
niet aan het brandstofsysteem ko-
menendeautonietstartenvoor-
dat deze door een RENAULT-
dealer is nagekeken.
NU747_3_G2-FRA.qxd 14/06/05 10:26 Page 2.01
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T2-NEL.win 4/8/2005 11:19
-page1
2.01
Hoofdstuk 2: Het rijden
(met tips voor zuinig en milieubewust autorijden)
Inrijden .............................................................................................................................................................. 2.02
Contactslot ......................................................................................................................................................... 2.03
Starten - Stoppen van de motor met sleutel/afstandsbediening .................................................................. 2.04
Starten - Stoppen van de motor met RENAULT card ...................................................................... 2.05
2.08
Bijzonderheden benzinemotor ......................................................................................................................... 2.09
Bijzonderheden dieselmotor ............................................................................................................................ 2.10
Versnellingshendel - Stuurbekrachtiging ........................................................................................................ 2.11
Handrem ............................................................................................................................................................ 2.12
Tips voor zuinig rijden en minder luchtverontreiniging .................................................................. 2.13
2.15
Milieu ...................................................................................................................................................... 2.16 - 2.17
Controlesysteem bandenspanning ...................................................................................................... 2.18
2.20
Elektronisch Stabiliteits Programma: ESP ...........................................................................................2.21-2.22
Tractiecontrole: ASR .............................................................................................................................. 2.23 - 2.24
Antiblokkeersysteem: ABS .................................................................................................................... 2.25 - 2.26
Noodstopbekrachtiging: BAS ........................................................................................................................... 2.27
Snelheidsbegrenzer .............................................................................................................................. 2.28
2.31
Snelheidsregelaar ................................................................................................................................. 2.32
2.35
Automatische transmissie ................................................................................................................... 2.36
2.40
Versnellingsbak Quickshift .................................................................................................................. 2.41
2.47
Parkeerhulp ............................................................................................................................................ 2.48 - 2.49
NU747_3_G2-FRA.qxd 14/06/05 10:26 Page 2.02
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T2-NEL.win 4/8/2005 11:19
-page2
2.02
INRIJDEN
Benzinemotor
Rijd de eerste 1000kmniet sneller
dan 130 km/uur in de hoogste ver-
snelling en laat de motor met niet
meer dan 3 000 tot 3 500 tr/min
draaien.
Na1000kmkunt u uw auto zonder
beperkingen gebruiken; pas na
3 000 km zal hij echter zijn volle
vermogen kunnen geven.
Onderhoudsbeurten: raadpleeg het
onderhoudsboekje van uw auto
voor het uit te voeren onderhoud.
Dieselmotor
Laat de motor de eerste 1500km
niet sneller draaien dan 2 500 tr/min.
Daarna kunt u sneller rijden maar
pas na 6 000 km zult u over het volle
vermogen van de motor kunnen be-
schikken.
Trek tijdens het inrijden nooit snel
op. Als de motor nog koud is mag u
hem in de lagere versnellingen
nooit met een hoog toerental laten
draaien.
Onderhoudsbeurten: raadpleeg het
onderhoudsboekje van uw auto
voor het uit te voeren onderhoud.
NU747_3_G2-FRA.qxd 14/06/05 10:26 Page 2.03
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T2-NEL.win 4/8/2005 11:19
-page3
2.03
STARTSCHAKELAAR: auto met sleutel / afstandsbediening
Stand “Stop en stuurslot S
Als u de sleutel uit het slot trekt en
het stuur draait, hoort u een klik: de
stuurinrichting is nu vergrendeld.
Bij het vrijzetten van het stuurslot
draait u het stuur iets heen en weer
bij het verdraaien van de sleutel.
Stand “Accessoires” A
Het contact staat af maar de acces-
soires, bijvoorbeeld de radio, kun-
nenwordengebruikt.
Stand “Contact aan” M
Het contact staat aan.
Stand “Starten” D
Indien de motor niet aanslaat, moet
u de contactsleutel terug draaien tot
de controlelampjes uit gaan voor u
opnieuw kunt starten. Laat de sleu-
tel los zodra de motor aanslaat.
N.B.: bij een dieselmotor kunnen
enkele secondes verstrijken tussen
het draaien van de sleutel en het
starten van de motor om de motor
voor te verwarmen.
Bijzonderheid van auto's met een
automatische transmissie
Zet voor het starten de hendel in
stand N of P.
Bijzonderheid van auto's met een
quickshift versnellingsbak
Druk het rempedaal in, selecteur-
hendel in stand N.
N.B.:
Als een andere versnelling dan neu-
traal aangegeven is, knippert deze;
het starten is alleen mogelijk als u
het rempedaal indrukt en daarbij de
sleutel in de startstand houdt.
NU747_3_G2-FRA.qxd 14/06/05 10:26 Page 2.04
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T2-NEL.win 4/8/2005 11:19
-page4
2.04
STARTEN / STOPPEN VAN DE MOTOR: auto met sleutel / afstandsbediening
Starten van de motor
Benzine-inspuitsysteem
Warme of koude motor
-Geefbijhetstartengeen gas.
- Laat de contactsleutel los zodra
de motor is aangeslagen.
Dieselinspuiting
Koude of halfwarme
motor
-Draai de sleutel door tot de
startstand D zonder gas te ge-
ven.
- Laat de contactsleutel los zodra
de motor is aangeslagen.
N.B.: er kunnen enkele secon-
des verstrijken tussen het
draaien van de sleutel en het
starten van de motor om de mo-
tor voor te verwarmen.
Stilzetten van de motor
Laat de motor stationair draaien en
draai de contactsleutel terug in de
stand stop”.
Laat nooit de sleutel in
het contactslot zitten als
ueenkindofeendierin
de auto achterlaat. Het
kind zou de ruiten kunnen be-
dienen en zich ernstig kunnen
verwonden aan hals, arm, of
hand als deze uit de auto steken.
Gevaar voor ernstige verwondin-
gen.
Trekdesleutelnietuithetcon-
tactslot voordat de auto geheel
tot stilstand is gekomen.Alsde
motor niet meer draait, is er geen
stuurbekrachtiging en rembe-
krachtiging meer. Ook werken
veiligheidsvoorzieningen zoals
airbag en gordelspanners niet
meer.
Als de sleutel uit het contactslot
is gehaald, wordt de stuurinrich-
ting geblokkeerd door het stuur-
slot.
1
4
3
2
NU747_3_G2-FRA.qxd 14/06/05 10:26 Page 2.05
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T2-NEL.win 4/8/2005 11:19
-page5
2.05
STARTEN VAN DE MOTOR : auto met RENAULT card
RENAULT card
De card moet in het detectiegebied 1
zijn (interieur en bagageruimte be-
halve sommige zones in de hoogte
zoals de zonneklep, brilhouder, bo-
venste deel van het dashboard, etc.)
of in de lezer 4.
Startvoorwaarden
Volg de startinstructies op het in-
strumentenpaneel 2 met de volgen-
de voorwaarden:
Druk om te starten het rem- of kop-
pelingspedaal in (houd het pedaal
gedurende de gehele starttijd inge-
drukt) en druk op knop 3.
Als een versnelling ingeschakeld is,
is het indrukken van het koppe-
lingspedaal voldoende om te kun-
nen starten.
4
3
2
NU747_3_G2-FRA.qxd 14/06/05 10:26 Page 2.06
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T2-NEL.win 4/8/2005 11:19
-page6
2.06
STARTEN VAN DE MOTOR : auto met RENAULT card (vervolg)
Bijzonderheid auto's met automati-
sche transmissie
Druk het rempedaal in, selecteur-
hendel in stand N of P.
N.B.:
- als aan een van de startvoorwaar-
den niet is voldaan, verschijnen de
boodschappen: druk op rem +
start, zet in P of zet in neutraal
op het instrumentenpaneel 2.
- In bepaalde gevallen is het nodig
het stuurwiel te draaien, terwijl u
de startknop 3 ingedrukt houdt om
de stuurkolom te ontgrendelen;
een boodschap op het instrumen-
tenpaneel 2 waarschuwt u.
4
3
2
NU747_3_G2-FRA.qxd 14/06/05 10:26 Page 2.07
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T2-NEL.win 4/8/2005 11:19
-page7
2.07
STARTEN VAN DE MOTOR : auto met RENAULT card (vervolg)
Bijzonderheid auto's met
quickshift versnellingsbak
Druk het rempedaal in, selecteur-
hendel in stand N.
N.B.:
Als een andere versnelling dan neu-
traal aangegeven is, knippert deze;
het starten is alleen mogelijk als u
het rempedaal indrukt en daarbij de
RENAULT card bij u heeft.
Functie accessoires
Om bepaalde functies bij stilstaande
motor te kunnen gebruiken (radio, na-
vigatie, enz.) drukt u alleen op knop 3,
zonder de pedalen in te drukken, met
de RENAULT card bij u.
Starten met geopende achter-
klep
Steek de card in de lezer 4 als u de
motor wilt starten met geopende
achterklep.
Bij een storing
In sommige gevallen werkt de
RENAULT card niet:
- de auto bevindt zich in een sterk
elektromagnetisch veld;
- gebruik van apparaten die op de-
zelfde frequentie als de card wer-
ken (mobiele telefoon, spelcompu-
ter, enz.);
- batterij van de RENAULT card
leeg, accu ontladen, enz.
Op display 2 van de boordcomputer
verschijnt de boodschap kaart niet
gedetecteerddaarna de boodschap
kaart invoeren.
Steek de RENAULT card zo diep
mogelijk in de lezer 4.
4
3
2
NU747_3_G2-FRA.qxd 14/06/05 10:26 Page 2.08
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T2-NEL.win 4/8/2005 11:19
-page8
2.08
STOPPEN VAN DE MOTOR : auto met RENAULT card
Voorwaarden voor het stilzetten
van de motor
Voordat u de motor stopt, contro-
leert u of u nog steeds uw card in
uw bezit heeft.
- stilstaande auto;
-drukopdeknop3.
Alsdecardzichnietmeerinde
detectiezone bevindt na een eerste
impuls verschijnen de boodschap-
pen stoppen motor bevestigen,
daarna druk twee keer op STOP
op het instrumentenpaneel 2.
Om het stopzetten van de motor te
bevestigen, drukt u twee keer op
knop 3.
De stuurkolom vergrendelt (contro-
leer de vergrendeling voor de zeker-
heid).
Als de motor is gestopt, blijven de
op dat moment ingeschakelde ac-
cessoires (radio, airconditioning,
enz.) gedurende enkele minuten
werken.
Als het bestuurdersportier geopend
wordt, schakelen de accessoires uit.
Laat uw RENAULT card
nooit in de auto liggen als u
de auto verlaat en er een
kind (of dier) in de auto zit.
Het kind zou de auto kunnen star-
ten of de ruiten kunnen bedienen
en zich ernstig kunnen verwonden
aan hals, arm, of hand als deze uit
de auto steken. Gevaar voor ernsti-
ge verwondingen.
Trek de sleutel niet uit het contact-
slot voordat de auto geheel tot stil-
stand is gekomen. Als de motor
niet meer draait, is er geen stuurbe-
krachtiging en rembekrachtiging
meer. Ook werken veiligheidsvoor-
zieningen zoals airbag en gordel-
spanners niet meer.
NU747_3_G2-FRA.qxd 14/06/05 10:26 Page 2.09
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T2-NEL.win 4/8/2005 11:19
-page9
2.09
BIJZONDERHEDEN VAN DE UITVOERINGEN MET EEN BENZINEMOTOR
Onder bepaalde omstandigheden,
zoals:
te lang doorrijden als het waar-
schuwingslampje brandstofreser-
ve brandt;
Het gebruik van loodhoudende
benzine,
Het gebruik van niet door
RENAULT goedgekeurde toevoe-
gingen aan de motorolie of de
benzine.
Of bij het optreden van storingen
zoals:
een defecte ontsteking, brandstof-
gebrek of losse bougiekabel waar-
door de ontsteking overslaat en de
auto met horten en stoten rijdt,
Vermogensverlies van de motor,
kan de katalysator oververhit raken
waardoor hij minder effectief
wordt en ook andere delen van de
auto te heet kunnen worden.
Indien u een van de hiervoor ge-
noemde storingen constateert, dient
uuwautozospoedigmogelijkdoor
uw RENAULT-dealer te laten her-
stellen.
Door de in het garantie- en onder-
houdsboekje voorgeschreven on-
derhoudsbeurten uit te laten voeren
kunt u dergelijke storingen voorko-
men.
Bij startmoeilijkheden
Als de auto niet direct aanslaat mag
u de startmotor niet lang achtereen
laten draaien om beschadiging van
de katalysator te voorkomen, (ook
magdeautonietwordenaange-
duwd of aangesleept) maar moet de
oorzaak van het euvel worden vast-
gesteld en verholpen.
Ga niet door met starten maar raad-
pleeg een RENAULT-dealer en laat
de storing verhelpen.
Parkeer de auto niet of blijf
niet met draaiende motor
staan op een plaats waar de
uitlaat zich boven brand-
baar materiaal bevindt. Onder on-
gunstige omstandigheden (droogte,
harde wind) kan brand ontstaan als
de hete uitlaat in contact komt met
hetgrasofdebladeren.
NU747_3_G2-FRA.qxd 14/06/05 10:26 Page 2.10
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T2-NEL.win 4/8/2005 11:19
-page10
2.10
BIJZONDERHEDEN VAN DE UITVOERINGEN MET EEN DIESELMOTOR
Toerental van de dieselmotor
De dieselmotor heeft een begrenzing
dieervoorzorgtdathetafgestelde
motortoerental in geen van de ver-
snellingen kan worden overschre-
den.
Als de tank is leeg gereden
Wanneer de motor door brandstof-
gebrek stilgevallen is, en u hebt
weer getankt, dan kunt u de motor
normaal starten, mits natuurlijk de
accu in goede conditie is.
Als de motor echter na een paar
startpogingen van enkele secondes
niet wil starten, moet u een
RENAULT-dealer raadplegen.
Voorzorgen in de winter
Om problemen bij vorst te voorko-
men:
zorg dat de accu steeds goed gela-
den is.
laat het brandstofpeil in de tank
niet onnodig laag komen om con-
densatie van waterdamp tegen te
gaan.
Parkeer de auto niet of blijf
niet met draaiende motor
staan op een plaats waar de
uitlaat zich boven brand-
baar materiaal bevindt. Onder on-
gunstige omstandigheden (droogte,
harde wind) kan brand ontstaan als
de hete uitlaat in contact komt met
hetgrasofdebladeren.
1
NU747_3_G2-FRA.qxd 14/06/05 10:26 Page 2.11
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T2-NEL.win 4/8/2005 11:19
-page11
2.11
VERSNELLINGSHENDEL STUURBEKRACHTIGING
Inschakelen achteruitversnel-
ling
Auto's met handgeschakelde ver-
snellingsbak: volg de tekening op
knop 1.
Auto's met een automatische
transmissie: raadpleeg de paragraaf
automatische transmissie in
hoofdstuk 2.
De achteruitrijlichten gaan branden,
zodra de achteruitversnelling is in-
geschakeld en het contact aanstaat.
Rijd nooit met een accu die niet ge-
noeg geladen is.
Snelheidsafhankelijke stuurbe-
krachtiging
De snelheidsafhankelijke stuurbe-
krachtigingpastdematevanbe-
krachtiging automatisch aan de
snelheid van de auto aan.
Bij het parkeren is er veel bekrachti-
ging (voor meer comfort) en met het
toenemen van de snelheid vermin-
dert de bekrachtiging (voor een gro-
tere veiligheid bij snel rijden).
Zet nooit de motor af tij-
dens het rijden: bij uitge-
schakelde motor is er
geen bekrachtiging.
2
1
NU747_3_G2-FRA.qxd 14/06/05 10:26 Page 2.12
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T2-NEL.win 4/8/2005 11:19
-page12
2.12
HANDREM
Vrijzetten
Trek de hendel 1 iets omhoog, druk
de knop 2 in en beweeg de hendel
naar beneden.
Indien u de handgreep niet vol-
doende terug duwt, blijft op het in-
strumentenpaneel een lampje bran-
den.
Tijdens het rijden moet
de handrem altijd volle-
dig zijn vrij gezet, anders
loopt u het risico van
oververhitting van de remmen.
Vastzetten
Trek naar boven en controleer of de
auto goed blijft stilstaan.
Afhankelijk van de hel-
ling en de belasting van
de auto, kan het nodig
zijn de handrem min-
stens twee extra tanden vaster te
zetten en een versnelling in te
schakelen (1e of achteruitver-
snelling) voor de auto's met
handgeschakelde versnellings-
bak of stand P voor de auto's met
automatische transmissie.
NU747_3_G2-FRA.qxd 14/06/05 10:26 Page 2.13
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T2-NEL.win 4/8/2005 11:19
-page13
2.13
TIPS VOOR ZUINIG RIJDEN EN MINDER LUCHTVERONTREINIGING
RENAULT heeft uw auto gebouwd
opdat deze zo weinig mogelijk scha-
delijke uitlaatgassen produceert en
zo zuinig mogelijk rijdt.
Door zijn ontwerp, door de fabrieks-
afstellingen en door zijn matig ver-
bruik is uw RENAULT in overeen-
stemming met de wettelijke
bepalingen over luchtverontreini-
ging in ons land. Maar de techniek
bepaaltnietalles.Deluchtveront-
reiniging en het verbruik van uw au-
to hangen ook van u af. Schenk aan-
dacht aan het onderhoud en aan de
manier waarop u uw auto gebruikt.
Onderhoud
Overtreding van de bepalingen in-
zake luchtverontreiniging is straf-
baar. Voor een goede werking van
het uitlaatsysteem en het handha-
ven van de emissiewaarden mogen
er alleen originele RENAULT onder-
delen gebruikt worden voor het
brandstof- en uitlaatsysteem van uw
auto.
Laat uw RENAULT-dealer regelma-
tig de controles en de afstellingen
uitvoeren die in het onder-
houdsboekje zijn aangegeven.
Hij beschikt over de uitrusting
waarmee uw auto volgens de fa-
brieksgegevens kan worden afge-
steld.
Afstelling van de motor
ontsteking: de ontsteking hoeft
niet te worden afgesteld.
bougies: voor het verkrijgen van
de optimale omstandigheden
waarbij een laag verbruik, een
hoog rendement en goede presta-
ties samengaan, is het beslist
noodzakelijk dat de door ons
voorgeschreven bougies worden
gebruikt.
Laat steeds bougies van het juiste
merk en type met de juiste elek-
trodenafstand monteren. Raad-
pleeg hiervoor uw RENAULT-
dealer.
stationair toerental: dit hoeft niet
te worden afgesteld.
luchtfilter, brandstoffilter (die-
selmotor): een vervuild filterele-
ment verhoogt het verbruik. Laat
het vervangen.
NU747_3_G2-FRA.qxd 14/06/05 10:26 Page 2.14
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T2-NEL.win 4/8/2005 11:19
-page14
2.14
TIPS VOOR ZUINIG RIJDEN EN MINDER LUCHTVERONTREINIGING (vervolg)
Controle van de uitlaatgassen
Het controlesysteem van de uitlaat-
gassen waarschuwt bij een storing
in de werking van de katalysator.
Een dergelijke storing kan leiden tot
een verhoogde uitstoot van schade-
lijke uitlaatgassen en schade aan
mechanische organen.
Dit lampje op het instru-
mentenpaneel geeft even-
tuele storingen van het sys-
teem aan:
Dit gaat branden als u het contact
aan zet en dooft na drie secondes.
- Als het continu brandt, moet u zo
snel mogelijk uw RENAULT-
dealer raadplegen;
- als het lampje knippert, moet u
vaart verminderen tot het knippe-
ren ophoudt. Laat het systeem di-
rect door uw RENAULT-dealer
controlerenenindiennodigher-
stellen.
Het rijden
Rijd kalm tot de motor zijn
bedrijfstemperatuur heeft bereikt;
dit is beter dan warmdraaien bij
stilstaande auto.
Snelheid kost geld.
•“Sportief rijden kost brandstof:
rijd daarom soepel en kijk ver
vooruit.
Regel de snelheid van de auto met
het gaspedaal door voor een bocht
tijdig gas terug te nemen.
Rijd bij een stoplicht kalm weg.
Laat het toerental van de motor in
de lagere versnellingen niet te ver
oplopen.
Kies de hoogst mogelijke versnel-
ling zonder echter de motor te
zwaar te belasten.
Heeft uw auto een automatische
transmissie, rijd dan zoveel moge-
lijk met de selecteurhendel in
stand D.
Geef op een helling geen gas bij
maar houd het gaspedaal bij voor-
keur in dezelfde stand.
Bij een moderne auto is het niet
nodig bij het schakelen tweemaal
te ontkoppelen of voor het stilzet-
ten van de motor nog even gas te
geven.
Diepe plassen, overstromingen.
Rijd niet door als het wa-
ter op de weg hoger staat
dan de onderrand van de
velgen.
NU747_3_G2-FRA.qxd 14/06/05 10:26 Page 2.15
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T2-NEL.win 4/8/2005 11:19
-page15
2.15
TIPS VOOR ZUINIG RIJDEN EN MINDER LUCHTVERONTREINIGING (vervolg)
Tips voor het gebruik
Ook het opwekken van elektrici-
teit kost brandstof. Schakel alleen
die verbruikers in die u nodig
hebt. Maar veiligheid voor alles:
rijd met dimlicht zodra het zicht
minder wordt (zien en gezien
worden).
Gebruik de ventilatie-openingen.
Bij 100 km/u verhogen open-
staande ruiten het verbruik met
4%.
Gebruik een goedgekeurde dak-
spoiler als u met een caravan op
reis gaat en stel de spoiler in de
juiste stand af.
Voor auto's met een airconditio-
ning, is een hoger brandstofver-
bruik normaal (vooral in stadsver-
keer) als de airconditioning
aanstaat. Voor auto's met een air-
conditioning zonder automati-
sche werking, zet u het systeem
uit als u het niet meer nodig hebt.
Tips voor zuinig rijden en minder
luchtverontreiniging:
Rijd met open ventilatierooster en
gesloten ruiten.
Open bij zeer warm weer of als de
auto in de zon heeft gestaan enke-
le minuten de portieren voordat u
start, zodat de hete lucht uit de
auto kan ontsnappen.
Vuldetankniettotaanderand,
dit voorkomt overstromen.
Rijd niet met een leeg imperiaal
op uw auto.
Gebruik een aanhangwagen voor
het vervoer van grote voorwer-
pen.
Gebruikuwautozoweinigmoge-
lijk op korte afstanden. De motor
komt dan niet op temperatuur.
Banden
Door te lage bandenspanning
neemt de rolweerstand en dus
ook het verbruik toe.
Indien banden worden gemon-
teerd die niet door RENAULT
worden aanbevolen, kan de slijta-
ge toenemen.
NU747_3_G2-FRA.qxd 14/06/05 10:26 Page 2.16
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T2-NEL.win 4/8/2005 11:19
-page16
2.16
HET MILIEU
Uw auto is ontwikkeld met een zo
groot mogelijke aandacht voor het
milieu.
Fabricage:
Tijdens het fabricageproces van de-
ze auto heeft RENAULT de strengste
normen op het gebied van milieu
gehanteerd.
Bovendien heeft RENAULT een
controlesysteem ontworpen voor al-
le onderdelen waar de auto uit be-
staat.
Uitlaatgassen:
De auto's zijn uitgerust met een ka-
talysator en een lambda sonde om
de uitlaatgassen te reinigen en een
dampabsorptievat met actieve
koolstof (dit laatste voorkomt dat de
uit de tank afkomstige benzine-
damp in de atmosfeer terechtkomt).
Recycling:
RENAULT stelt alles in het werk om
de gevolgen van uw auto voor het
milieu zo veel mogelijk te beperken.
Deze auto is voor meer dan 95% re-
cycleerbaar. Om het hergebruik te
vergemakkelijken is rekening ge-
houden met het opvangen van
vloeistoffen, het demonteren van
onderdelen en de keuze van de ma-
terialen.
Deze auto bestaat uit veel gerecy-
cleerde plastic onderdelen of recy-
cleerbare delen (hout, katoen, rub-
ber, enz.).
Denk zelf ook aan het milieu!
Gebruikte en vervangen onderde-
lenmoetennaeendooruzelfuit-
gevoerde onderhoudsbeurt aan
uw auto (accu, oliefilter, luchtfil-
ter, batterijen, enz.) en olieblikken
(leeg of gevuld met oude olie) bij
daarvoor bestemde depots voor
klein chemisch afval ingeleverd
worden.
De auto moet aan het eind van
zijn leven door een gespeciali-
seerd bedrijf worden gesloopt om
te worden gerecycleerd.
Houdualtijdaandelokalevoor-
schriften.
NU747_3_G2-FRA.qxd 14/06/05 10:26 Page 2.17
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T2-NEL.win 4/8/2005 11:19
-page17
2.17
BANDEN HET MILIEU (vervolg)
Gerecycleerde plastic onderdelen
Recycleerbare delen
1
NU747_3_G2-FRA.qxd 14/06/05 10:26 Page 2.18
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T2-NEL.win 4/8/2005 11:19
-page18
2.18
CONTROLESYSTEEM BANDENSPANNING
Dit systeem bewaakt permanent de
bandenspanning.
De bandenspanning moet worden
gecontroleerd en indien nodig ge-
corrigeerd als de banden koud zijn
(raadpleeg de paragraaf banden-
spanning voor de waarden).
Bij een auto met het bandenspan-
ning-controlesysteem, moeten alle
bandenspanningen worden ver-
hoogd met 0,2 bar (3 PSI).
Indien u de bandenspanning niet bij
koude banden kunt controleren,
moet u de opgegeven waarden met
0,2 tot 0,3 bar (3PSI)verhogen.
Verlaag nooit de spanning van een
warme band.
De werking van het systeem
Elke wiel (behalve het reservewiel)
beschikt over een druksensor in het
ventiel 1, die de bandenspanning
periodiek meet.
De bestuurder wordt via het display
op het instrumentenpaneel perma-
nent geïnformeerd of de banden-
spanning goed is of dat er afwijkin-
gen zijn.
Deze functie is een extra
hulp tijdens het rijden.
Deze functie neemt niet
de taak van de bestuurder over.
De bestuurder moet altijd oplet-
ten en blijft verantwoordelijk.
Controleer de bandenspanning,
inclusief het reservewiel, een
keer per maand.
Vervangen van wiel/banden
(vervangen van banden of montage
van winterbanden)
Bij het vervangen van de banden
moeten bijzondere voorzorgen in
acht genomen worden. Wij raden
dan ook aan uw RENAULT-dealer
hierover te raadplegen.
Voor dit systeem zijn specifieke uit-
rustingen nodig (wielen, ventielen,
enz.).
Raadpleeg uw RENAULT-dealer
voor de accessoires die bij dit sys-
teem gebruikt kunnen worden en
verkrijgbaar zijn in RENAULT Bou-
tique: bij gebruik van andere acces-
soires kan het goed functioneren
van het systeem niet gegarandeerd
worden.
25252
2
NU747_3_G2-FRA.qxd 14/06/05 10:26 Page 2.19
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T2-NEL.win 4/8/2005 11:19
-page19
2.19
CONTROLESYSTEEM BANDENSPANNING (vervolg)
Reservewiel
Het reservewiel heeft geen drukzen-
der en wordt dus niet herkend door
het systeem.
Als het reservewiel op de plaats van
een ander wiel gemonteerd is, geeft
het systeem een storing aan.
Spuitbussen voor bandenrepa-
ratie
Vanwegedespecifiekeeigenschap-
pen van de ventielen, mag u alleen
spuitbussen gebruiken die door
RENAULT goedgekeurd zijn.
Raadpleeg de gebruiksaanwijzing
van de spuitbussen voor de banden-
reparatie.
Aanduiding
Het display 2 op het instrumenten-
paneel informeert u over eventuele
afwijkingen (lage bandenspanning,
lekke band, systeem buiten ge-
bruik).
Op de volgende bladzijdes staan de
details van de controlelampjes,
symbolen en boodschappen.
Storingen
In sommige gevallen kan, na het
corrigeren van de spanning, de sto-
ringsboodschap nog een bepaalde
tijd (ongeveer 1 uur 45 min. na het
stoppen van de auto) zichtbaar blij-
ven.
A
B
NU747_3_G2-FRA.qxd 14/06/05 10:26 Page 2.20
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T2-NEL.win 4/8/2005 11:19
-page20
2.20
CONTROLESYSTEEM BANDENSPANNING (vervolg)
Voorbeelden van boodschappen die op het display kunnen verschijnen
"Bandenspanning corrigeren"
Een vol aangegeven wiel B,geeft
eentelageofhogespanningaan.
Corrigeer de spanning van het of de
betreffende wiel(en) (raadpleeg de
tabel met bandenspanningen).
"Bandenspanning snelweg"
De bandenspanning is niet aan de
rijsnelheid aangepast. Verminder
uw snelheid of verhoog de spanning
van de vier banden zodat deze over-
eenkomt met de spanning die hoort
bij gebruik op de snelweg (raad-
pleeg de tabel bandenspanning).
"Geen wielsensor"
Een wiel (A) dat verdwijnt, geeft aan
dat er geen drukzender in dit wiel
zit (bijvoorbeeld als het reservewiel
op de auto gemonteerd is) of dat de
drukzender defect is.
"Lekke band verwisselen"
Deze boodschap is gecombineerd
met het waarschuwingslampje
.
Vervang de betreffende band (B) of
roep de hulp in van een RENAULT-
dealer.
NU747_3_G2-FRA.qxd 14/06/05 10:26 Page 2.21
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T2-NEL.win 4/8/2005 11:19
-page21
2.21
ELEKTRONISCH STABILITEITS PROGRAMMA: ESP MET ONDERSTUURCONTROLE
Ditsysteemhelptudecontroleover
de auto te behouden in kritieke rijsi-
tuaties (uitwijken voor een obstakel,
verlies van grip op de weg in een
bocht, enz.) en voert daarbij een on-
derstuurcontrole uit.
Deze functie is een extra
hulpmiddel in kritieke
situaties waarbij het rij-
gedrag van de auto aan-
gepast wordt.
Deze functie neemt niet de taak
van de bestuurder over. De limie-
ten van de auto kunnen niet
overschreden worden en deze
functie kan ook geen reden zijn
om harder te gaan rijden.
Dezefunctiekaningeengevalde
oplettendheid of de verantwoor-
delijkheid van de bestuurder
overnemen (de bestuurder moet
altijd alert zijn op plotselinge ge-
beurtenissen die zich tijdens het
rijden kunnen voordoen).
De werking van het systeem
Een opname element in het stuur-
wiel registreert de richting waarin
de bestuurder de auto wil laten rij-
den.
Andere opname elementen in de au-
to registreren de werkelijke ver-
plaatsingsrichting.
Het systeem vergelijkt de door de
bestuurder gekozen richting met de
werkelijke verplaatsingsrichting
van de auto en corrigeert deze laat-
ste door, indien nodig, op bepaalde
wielen te remmen en/of het motor-
vermogen aan te passen.
Onderstuurcontrole
Dit verbetert de werking van het
ESP bij sterk onderstuur van de auto
(als de voorwielen hun grip verlie-
zen).
A
A
NU747_3_G2-FRA.qxd 14/06/05 10:26 Page 2.22
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T2-NEL.win 4/8/2005 11:19
-page22
2.22
ELEKTRONISCH STABILITEITS PROGRAMMA: ESP MET ONDERSTUURCONTROLE
(vervolg)
Als deze functie in werking is, knip-
pert controlelampje A om u te waar-
schuwen.
Als bij het starten van de motor dit
controlelampje oplicht met de
boodschap tractiecontrole uitge-
schakeld, draai dan het stuurwiel
langzaam van de ene uiterste stand
naar de andere, om het systeem
weer te initialiseren.
Bij een storing
Als het systeem een storing signa-
leert, verschijnt de boodschap ESP
controleren op het instrumenten-
paneel, in combinatie met het op-
lichten van het lampje en het
lampje A.
Raadpleeg uw RENAULT-dealer.
Met het buiten gebruik stel-
len van de ASR wordt ook
het ESP buiten werking ge-
steld: zie paragraaf trac-
tiecontrole: ASR op de volgende
bladzijdes.
A
A
NU747_3_G2-FRA.qxd 14/06/05 10:26 Page 2.23
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T2-NEL.win 4/8/2005 11:19
-page23
2.23
TRACTIECONTROLE: ASR
Dit systeem helpt het slippen van de
aangedreven wielen te beperken en
de auto bij het wegrijden of accele-
reren te controleren.
Deze functie is een extra
hulpmiddel in kritieke
situaties waarbij het rij-
gedrag van de auto aan-
gepast wordt.
Deze functie neemt niet de taak
van de bestuurder over. De limie-
ten van de auto kunnen niet
overschreden worden en deze
functie kan ook geen reden zijn
om harder te gaan rijden.
Dezefunctiekaningeengevalde
oplettendheid of de verantwoor-
delijkheid van de bestuurder
overnemen (de bestuurder moet
altijd alert zijn op plotselinge ge-
beurtenissen die zich tijdens het
rijden kunnen voordoen).
De werking van het systeem
Met behulp van opname elementen
bij de wielen, meet en vergelijkt het
systeem constant de snelheid van
de aangedreven wielen en remt het
deze af als ze doorslippen.
Als een wiel neigt naar doorslippen,
zorgt het systeem voor het afrem-
men van het betreffende wiel, totdat
de snelheid van het wiel overeen-
komt met de grip op de weg.
Het systeem reageert ook door het
toerental van de motor aan te passen
aan de hoeveelheid grip onder de
wielen, onafhankelijk van de mate
waarin het gaspedaal wordt inge-
drukt.
Als het systeem in werking is, knip-
pert het lampje A om u te waarschu-
wen.
1
A
A
NU747_3_G2-FRA.qxd 14/06/05 10:26 Page 2.24
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T2-NEL.win 4/8/2005 11:19
-page24
2.24
TRACTIECONTROLE: ASR (vervolg)
Buitengebruik stellen functie
In sommige situaties (het rijden op
heel zachte ondergrond: bijv.
sneeuw, modder of het rijden met
sneeuwkettingen), kan het systeem
de kracht van de motor verminde-
renomhetslippentebeperken.Als
u dit niet wil, kan de functie buiten
gebruik worden gesteld door scha-
kelaar 1 in te drukken.
De boodschap ASR uitgeschakeld
verschijnt op het instrumentenpa-
neel met het controlelampje A om u
te waarschuwen.
Het uitschakelen van deze functie
heeft tot gevolg dat de functie ESP
ook uitgeschakeld is.
Herstel de werking van deze functie
zo snel mogelijk door weer op scha-
kelaar 1 te drukken.
De functie wordt automatisch weer
geactiveerd bij het aanzetten van het
contact van de auto, of zodra de auto
sneller rijdt dan 50 km/u.
Het is niet mogelijk om deze functie
uit te schakelen als de auto sneller
rijdt dan ongeveer 50 km/u.
Storingen
Als het systeem een storing op-
spoort verschijnt op het display op
het instrumentenpaneel een bood-
schap ASR defect in combinatie
met het oplichten van het lampje
en het lampje A.
Raadpleeg uw RENAULT-dealer.
Als bij het starten van de motor dit
controlelampje oplicht met de
boodschap ASR uitgeschakeld,
draai dan het stuurwiel langzaam
vandeeneuiterstestandnaardean-
dere, om het systeem weer te initia-
liseren.
NU747_3_G2-FRA.qxd 14/06/05 10:26 Page 2.25
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T2-NEL.win 4/8/2005 11:19
-page25
2.25
ANTIBLOKKEERSYSTEEM: ABS
Bij zeer krachtig remmen denkt de
bestuurder slechts aan twee belang-
rijke zaken: het bereiken van een zo
kort mogelijke remweg en daarbij
zijn auto onder controle houden.
Door de steeds wisselende gesteld-
heid van het wegdek, de wisselende
weersomstandigheden en afhanke-
lijk van de reacties van de bestuur-
der bestaat altijd de mogelijkheid
dattekrachtigwordtgeremd,waar-
door de wielen blokkeren, de rem-
weg langer wordt en de auto onbe-
stuurbaar wordt. Met een
antiblokkeersysteem van de wielen
(ABS) kan dit worden voorkomen.
Dit systeem biedt extra veiligheid
doordat het voorkomt dat de wielen
blokkeren ook bij onverwacht hard
remmen, waardoor de auto bestuur-
baar blijft. Ook kunnen obstakels
nog worden ontweken terwijl er
wordt geremd en kunt u de auto blij-
ven beheersen.
Bovendien wordt een zo kort moge-
lijke remweg bereikt, ook als bij een
of meer wielen de grip op het weg-
dek sterk wisselt (nat wegdek, mod-
der, natte bladeren, kiezel of split,
enz.).
Ofschoon het antiblokkeersysteem
een extra veiligheidsvoorziening is,
kanhetnooitdegriptussendeban-
den en de weg verbeteren boven de
grenzen van de natuurkunde. Blijf
altijd de gebruikelijke voorzichtig-
heid in acht houden (afstand bewa-
ren, enz.). Laat deze grotere veilig-
heid u echter niet verleiden tot het
nemen van grotere risicos.
Als het systeem de remdruk voor u
regelt, voelt u een lichte trilling in
het rempedaal. Hieraan merkt u dat
de grenswaarde voor de grip tussen
banden en wegdek bereikt is; pas
uw rijsnelheid aan de staat van het
wegdek aan.
NU747_3_G2-FRA.qxd 14/06/05 10:26 Page 2.26
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T2-NEL.win 4/8/2005 11:19
-page26
2.26
ANTIBLOKKEERSYSTEEM: ABS (vervolg)
Bij een storing in een van de onder-
delen van dit systeem zijn er twee
mogelijkheden:
1 - De oranje lampjes en
op het instrumentenpa-
neel lichten op.
Er kan met de auto nog worden
geremd als bij een auto zonder
ABS. Raadpleeg op korte termijn
een RENAULT-dealer.
2 - Het oranje waarschu-
wingslampje en het
rode waarschuwingslampje
van het remsysteem in
combinatie met en
en met de boodschap op het instru-
mentenpaneel lichten op.
In dit geval is er een ernstige sto-
ring in het remsysteem en het ABS-
systeem. Het remsysteem werkt
nog gedeeltelijk. Maar het is ge-
vaarlijk om krachtig te remmen. U
moet direct stoppen zonder het
overige verkeer in gevaar te bren-
gen. Laat het systeem controleren
door een RENAULT-dealer.
Het antiblokkeersysteem regelt de
remdruk onafhankelijk van de
kracht waarmee op het rempedaal
wordt gedrukt. Bij krachtig rem-
men kunt u dus het rempedaal diep
ingedrukt houden Het is niet nodig
pompend te remmen.
NU747_3_G2-FRA.qxd 14/06/05 10:26 Page 2.27
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T2-NEL.win 4/8/2005 11:19
-page27
2.27
NOODSTOPBEKRACHTIGING
Dit systeem is een aanvulling op het
ABS dat zorgt voor het verminderen
van de remweg van de auto.
De werking van het systeem
Het systeem herkent wanneer een
noodstop wordt uitgevoerd. In zo'n
noodsituatie ontwikkelt de rembe-
krachtiging zijn maximale kracht en
kanderegelingdoorhetABSin
werking komen.
Het ABS-remsysteem blijft werken
zolang het rempedaal ingedrukt is.
Oplichten van de alarmknip-
perlichten
Afhankelijk van de auto, kunnen
deze bij krachtig afremmen gaan
branden.
Deze functie is een extra
hulpmiddel in kritieke
situaties waarbij het rijge-
drag van de auto aangepast
wordt.
Deze functie neemt niet de taak van
de bestuurder over. De limieten
van de auto kunnen niet over-
schreden worden en deze functie
kan ook geen reden zijn om harder
te gaan rijden.
Deze functie kan in geen geval de
oplettendheid of de verantwoorde-
lijkheid van de bestuurder over-
nemen (de bestuurder moet altijd
alert zijn op plotselinge gebeurte-
nissen die zich tijdens het rijden
kunnen voordoen).
1
2
5
3
4
NU747_3_G2-FRA.qxd 14/06/05 10:26 Page 2.28
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T2-NEL.win 4/8/2005 11:19
-page28
2.28
SNELHEIDSREGELAAR/-BEGRENZER: begrenzerfunctie
De snelheidsbegrenzer is een func-
tie die u helpt om een door u geko-
zen rijsnelheid niet te overschrij-
den.
Dit kan nuttig zijn, bijvoorbeeld in
stadsverkeer of gebieden waar een
snelheidsbeperking geldt (weg-
werkzaamheden), enz.
Het systeem werkt vanaf een snel-
heid van ongeveer 30 km/u.
Bedieningsknoppen
1 Hoofdschakelaar Aan/Uit.
2 Instellen van de maximum snel-
heid en verhogen van de ingestel-
de maximum snelheid.
3 Oproepen van de ingestelde ge-
wenste snelheid.
4 Uitschakelen van de functie (de
ingestelde snelheid blijft in het
geheugen).
5 Instellen van de gewenste snel-
heid en verlagen van de gewenste
snelheid.
6
6
NU747_3_G2-FRA.qxd 14/06/05 10:27 Page 2.29
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T2-NEL.win 4/8/2005 11:19
-page29
2.29
SNELHEIDSREGELAAR/-BEGRENZER: begrenzerfunctie (vervolg)
Controlelampje 6
Dit controlelampje licht op het in-
strumentenpaneel op om aan te ge-
ven dat de snelheidsbegrenzer in
werking is.
Als de functie ingeschakeld is, ver-
schijnt de boodschap Begrenzer
op het instrumentenpaneel in com-
binatie met streepjes.
2
5
1
NU747_3_G2-FRA.qxd 14/06/05 10:27 Page 2.30
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T2-NEL.win 4/8/2005 11:19
-page30
2.30
SNELHEIDSREGELAAR/-BEGRENZER: begrenzerfunctie (vervolg)
Inschakelen
Druk op schakelaar 1,aankant
.
Het controlelampje op het instru-
mentenpaneel licht op.
Instellen van de maximum snel-
heid
Rijdend met een constante snelheid
(hoger dan 30 km/u) drukt u op
schakelaar 2: de snelheid wordt in
het geheugen vastgelegd.
Het rijden
Als een snelheidsbegrenzing in het
geheugen is opgeslagen, rijdt de au-
to als een auto zonder snelheidsbe-
grenzer tot de ingestelde maximum
snelheid is bereikt.
Vanaf dat moment gaat de auto niet
sneller rijden, ook niet als u het gas-
pedaal verder indrukt, behalve in
noodgevallen (raadpleeg de para-
graaf overschrijding van de maxi-
mum snelheid).
Het is inherent aan het systeem
dat er een verschil kan zijn tus-
sen de snelheid die in het geheu-
gen is opgeslagen en de snelheid
die het instrumentenpaneel aan-
geeft.
Verandering van de ingestelde
maximum snelheid
U kunt de ingestelde maximum
snelheid veranderen door (het ach-
ter elkaar indrukken of het lang in-
gedrukt houden) van:
-toets2 om de snelheid te verho-
gen,
-toets5 om de snelheid te verlagen.
1
3
4
NU747_3_G2-FRA.qxd 14/06/05 10:27 Page 2.31
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T2-NEL.win 4/8/2005 11:19
-page31
2.31
SNELHEIDSREGELAAR/-BEGRENZER: begrenzerfunctie (vervolg)
Sneller rijden dan de ingestelde
snelheid
Noodsituaties
Het blijft altijd mogelijk de ingestel-
de maximum snelheid te overschrij-
den door zo snel en diep mogelijk
het gaspedaal in te drukken (voorbij
het zware punt).
Gedurende het overschrijden knip-
pert de ingestelde snelheid op het
instrumentenpaneel.
Als de bijzondere situatie voorbij is,
laat u het gaspedaal los: de functie
snelheidsbegrenzer komt weer terug
zodra u een snelheid bereikt die on-
der de maximum ingestelde snel-
heid ligt.
Onmogelijkheid om de ingestelde
maximum snelheid vast te houden
Als onder bepaalde rijomstandig-
heden (bijvoorbeeld in het geval van
een steile afdaling) de gekozen snel-
heid niet gehandhaafd kan worden
door het systeem, knippert de inge-
stelde snelheid op het instrumen-
tenpaneel om u te waarschuwen.
Uitschakelen van de functie
De functie snelheidsbegrenzer
wordt onderbroken als u drukt op:
-toets4,inditgevalblijftdeinge-
stelde maximum snelheid in het
geheugen en de boodschap in ge-
heugen verschijnt op het instru-
mentenpaneel,
-toets1, de maximum snelheid ver-
dwijnt uit het geheugen en het do-
ven van het controlelampje op het
instrumentenpaneel bevestigt het
uitschakelen van de functie.
Opnieuw inschakelen van de
maximum snelheid
Als een snelheid in het geheugen is
vastgelegd, is het mogelijk deze op
te roepen door toets 3 in te drukken
tot de boodschap Begrenzer ver-
schijnt.
1
2
5
3
4
NU747_3_G2-FRA.qxd 14/06/05 10:27 Page 2.32
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T2-NEL.win 4/8/2005 11:19
-page32
2.32
SNELHEIDSREGELAAR/-BEGRENZER: regelaarfunctie
De snelheidsregelaar is een functie
die u helpt de door uw gekozen rij-
snelheid op een constante waarde
vast te houden, dit wordt de inge-
stelde snelheid genoemd.
Vanaf 30 km/u kunt u de snelheid
traploos instellen.
De snelheidsregelaar
heeft in geen enkel geval
invloed op het remsys-
teem.
Bedieningsknoppen
1 Hoofdschakelaar Aan/Uit.
2 In geheugen zetten en inschake-
len van ingestelde snelheid. Ver-
hogen van de ingestelde snelheid.
3 Oproepen van de ingestelde ge-
wenste snelheid.
4 Uitschakelen van de functie (de
ingestelde snelheid blijft in het
geheugen).
5 In geheugen zetten en inschake-
len van ingestelde snelheid. Ver-
lagen van de ingestelde snelheid.
Deze functie is een extra
hulp tijdens het rijden. Deze
functie neemt niet de taak
van de bestuurder over.
U moet u ten allen tijde houden aan
de voorgeschreven snelheid en blij-
venopletten(umoetaltijdklaar
zijn om te remmen in alle omstan-
digheden), de snelheidsregelaar
ontslaat de bestuurder niet van zijn
verantwoordelijkheid.
De snelheidsregelaar moet niet ge-
bruikt worden in druk verkeer, op
een bochtige of gladde weg (ijzel,
aquaplaning, kiezelsteentjes) en als
de weersomstandigheden ongun-
stig zijn (mist, regen, zijwind, enz.).
Kans op ongevallen.
6
6
NU747_3_G2-FRA.qxd 14/06/05 10:27 Page 2.33
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T2-NEL.win 4/8/2005 11:19
-page33
2.33
SNELHEIDSREGELAAR/-BEGRENZER: regelaarfunctie (vervolg)
Controlelampje 6
Dit controlelampje licht op het in-
strumentenpaneel op om aan te ge-
ven dat de snelheidsregelaar in wer-
king is.
Als de functie ingeschakeld is, ver-
schijnt de boodschap Regelaarop
het instrumentenpaneel in combi-
natie met streepjes.
2
5
1
NU747_3_G2-FRA.qxd 14/06/05 10:27 Page 2.34
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T2-NEL.win 4/8/2005 11:19
-page34
2.34
SNELHEIDSREGELAAR/-BEGRENZER: regelaarfunctie (vervolg)
Inschakelen
Druk op schakelaar 1,aankant
.
Het controlelampje op het instru-
mentenpaneel licht op.
Instellen van de snelheid
Rijdend met constante snelheid (ho-
ger dan 30 km/u) en in de juiste ver-
snelling (voor de auto's met handge-
schakelde versnellingsbak), drukt u
op schakelaar 2 of 5 :defunctieis
ingeschakeld en de snelheid wordt
in het geheugen vastgelegd.
Het rijden
Als een snelheid in het geheugen is
vastgelegd en de regeling ingescha-
keld is, kunt u uw voet van het gas-
pedaal nemen.
Let op, het is toch raad-
zaam de voeten dichtbij
de pedalen te houden om
te kunnen ingrijpen bij
noodsituaties.
Het is inherent aan het systeem dat er een verschil kan zijn tussen de snel-
heid die in het geheugen is opgeslagen en de snelheid die het instrumen-
tenpaneel aangeeft.
Wijziging van de gekozen snel-
heid
U kunt de gekozen snelheid veran-
deren door het achter elkaar indruk-
ken of het lang ingedrukt houden
van:
-toets2 om de snelheid te verho-
gen,
-toets5 om de snelheid te verlagen.
Sneller rijden dan de gekozen
snelheid
Noodsituaties
U kunt de snelheid van de auto al-
tijd verhogen door het gaspedaal in
te drukken. Gedurende het over-
schrijden knippert de ingestelde
snelheid op het instrumentenpa-
neel.
Onmogelijkheid om de ingestelde
snelheid vast te houden
Als onder bepaalde rijomstandig-
heden (bijvoorbeeld in het geval van
een steile afdaling) de gekozen snel-
heid niet gehandhaafd kan worden
door het systeem, knippert de inge-
stelde snelheid op het instrumen-
tenpaneel om u te waarschuwen.
4
2
5
3
1
NU747_3_G2-FRA.qxd 14/06/05 10:27 Page 2.35
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T2-NEL.win 4/8/2005 11:19
-page35
2.35
SNELHEIDSREGELAAR/-BEGRENZER: regelaarfunctie (vervolg)
Onderbreken van de functie
De functie wordt onderbroken als u
drukt op:
- het rempedaal of,
- het koppelingspedaal of in neu-
traal schakelt voor de auto's met
automatische transmissie,
-detoets4.
In de drie gevallen blijft de ingestel-
de snelheid in het geheugen be-
waard.
Oproepen van de gewenste snel-
heid
Als een snelheid in het geheugen
staat, is het mogelijk hem op te roe-
pen door een druk op toets 3 op
voorwaarde dat sneller gereden
wordt dan ongeveer 30 km/u en dat
de verkeersomstandigheden aange-
past zijn (verkeer, staat van het weg-
dek, weersomstandigheden, enz.).
Eendrukopdetoetsen2 of 5 scha-
kelt de regelaarfunctie weer in zon-
der rekening te houden met de snel-
heid die in het geheugen is
vastgelegd: het is de snelheid van
de auto op dat moment, waarmee
rekening wordt gehouden.
Uitschakelen van de functie
Druk op toets 1. In dat geval staat de
snelheid niet in het geheugen.
Het doven van het controlelampje
op het instrumentenpaneel beves-
tigt dat deze functie uitgeschakeld
is.
Hetonderbrekenofuit-
schakelen van de snel-
heidsregelaar brengt geen
snelle snelheidsverminde-
ring met zich mee: u moet rem-
men door het rempedaal in te
drukken.
1
25252
2
4
4
A
3
NU747_3_G2-FRA.qxd 14/06/05 10:27 Page 2.36
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T2-NEL.win 4/8/2005 11:19
-page36
2.36
AUTOMATISCHE TRANSMISSIE
Selecteurhendel 1
P :parkeren
R: achteruit
N: neutraal
D: automatische werking
2 : weergave van de ingeschakelde
versnelling bij handbediening.
Starten
Met de selecteurhendel in stand P of
N start u de motor.
Houd uw voet op het rempedaal
(het lampje 3 dooft), verlaat de
stand P.
De hendel mag alleen in stand D of
R worden geplaatst als de auto stil-
staat. Houd uw voet op de rem en
druk het gaspedaal niet in.
Om de selecteurhendel uit stand P
te verplaatsen, moet u het rempe-
daal indrukken voordat u de ont-
grendelknop indrukt.
Met de hendels 4 kan worden ge-
schakeld als de selecteurhendel in
de stand handbediendstaat of, als
de auto rijdt, in de stand automa-
tisch.
De stand parkeren, de neutraalstand
en de achteruitversnelling kunnen
niet met de hendels worden inge-
schakeld.
De informatie 2 op het display A op
het instrumentenpaneel geeft in-
formatie over de werkstand en de
ingeschakelde versnelling.
1
4
4
NU747_3_G2-FRA.qxd 14/06/05 10:27 Page 2.37
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T2-NEL.win 4/8/2005 11:19
-page37
2.37
AUTOMATISCHE TRANSMISSIE (vervolg)
Stand automatisch
Zet de selecteurhendel 1 in stand D.
U hoeft de selecteurhendel niet
meer te verplaatsen. Er wordt auto-
matisch geschakeld in overeenstem-
ming met de belasting van de auto,
de hoeveelheid gas die u geeft en de
helling van de weg.
U kunt de door de automaat geko-
zen versnelling veranderen met be-
hulp van de hendels 4.Hetdisplay
op het instrumentenpaneel toont ge-
durende enkele secondes de nieuwe
ingeschakelde versnelling, daarna
verschijnt weer D.
Als deze versnelling wordt gewei-
gerd, knippert hij.
Zuinig rijden
Laat de selecteurhendel voor nor-
maal gebruik in stand D staan. Als
het gaspedaal iets wordt ingedrukt,
schakelt de transmissie bij lage snel-
heid naar de volgende versnelling.
1
4
4
NU747_3_G2-FRA.qxd 14/06/05 10:27 Page 2.38
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T2-NEL.win 4/8/2005 11:19
-page38
2.38
AUTOMATISCHE TRANSMISSIE (vervolg)
Accelereren en inhalen
Druk het gaspedaal snel en diep in
(voorbij het zware punt van het pe-
daal).
Hierdoor wordt, binnen de moge-
lijkheden van de motor, terugge-
schakeld naar de optimale versnel-
ling.
Stand handgeschakeld
Met de selecteurhendel 1 in stand
D, beweegt u deze naar links (scha-
kelen met de selecteurhendel).
Schakelen met de selecteurhen-
del
Door de hendel even te verplaatsen,
kunt u handmatig de versnellingen
bedienen.
- om naar een lagere versnelling te
schakelen, trekt u de hendel even
naar achteren.
- om naar een hogere versnelling te
schakelen, duwt u de hendel even
naar voren.
De ingeschakelde versnelling ver-
schijntophetdisplayophetinstru-
mentenpaneel.
Schakelen met de kleine hen-
dels 4
Met de rechter hendel wordt opge-
schakeld, met de linker terugge-
schakeld.
De stand parkeren, de neutraalstand
en de achteruitversnelling kunnen
niet met de hendels worden inge-
schakeld.
Bijzondere gevallen
In sommige gevallen kiest (bijv.: ter
bescherming van de motor, bij wer-
king van het elektronisch stabiliteits
programma ESP) de automaat tij-
dens het rijden toch de juiste ver-
snelling.
Ook kan, om verkeerde manoeu-
vres te voorkomen, het schakelen
door het systeem geweigerd wor-
den. In dit geval knippert de aan-
duiding van de versnelling enkele
secondes om u te waarschuwen.
5
25252
6
NU747_3_G2-FRA.qxd 14/06/05 10:27 Page 2.39
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T2-NEL.win 4/8/2005 11:19
-page39
2.39
AUTOMATISCHE TRANSMISSIE (vervolg)
Bijzondere omstandigheden
- Sneeuwstand: op een gladde weg
(sneeuw, modder, enz.) drukt u op
de schakelaar 5, het controlelamp-
je 6 licht op.
Zodra de auto rijdt, schakelt u deze
sneeuwstand weer uit door op-
nieuw op schakelaar 5 te drukken,
het controlelampje 6 dooft.
- Als door de helling van de weg of
in bochten de automatische wer-
king niet gehandhaafd kan worden
(bijv.: in de bergen), is het raad-
zaam om op handmatig schakelen
over te gaan.
Hiermee voorkomt u het automa-
tisch achter elkaar schakelen door
de versnellingsbak bij stijgen en is
het mogelijk op de motor te rem-
men bij lange afdalingen.
- Om bij koud weer te voorkomen
dat de motor afslaat, raden wij u
aan na het starten van de motor
even te wachten voordat u de se-
lecteurhendel verplaatst uit P of N
naar D of R.
- Bij een auto zonder tractiecontro-
le is het beter om, op een glad weg
of bij weinig grip, over te gaan op
handmatig schakelen en de twee-
de versnelling in te schakelen
voordat u wegrijdt, om te voorko-
men dat de wielen doorslippen.
Stilzetten van de auto
Als de auto stilstaat, houdt u het
rempedaal ingedrukt en zet u de se-
lecteurhendel in stand P (parkeren):
de transmissie staat in neutraal en
de voorwielen zijn mechanisch ge-
blokkeerd.
Zet de handrem vast.
7
NU747_3_G2-FRA.qxd 14/06/05 10:27 Page 2.40
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T2-NEL.win 4/8/2005 11:19
-page40
2.40
AUTOMATISCHE TRANSMISSIE (vervolg)
Bij een storing
-alstijdens het rijden het bericht
versnellingsbak controleren
verschijnt op het instrumentenpa-
neel: er is een storing in het sys-
teem.
Laat het systeem direct door uw
RENAULT-dealer controleren en
indien nodig herstellen.
-als tijdens het rijden, de bood-
schap transmissie te heet ver-
schijnt op het instrumentenpa-
neel, laat dan, als de
verkeersomstandigheden het toe-
laten, de hendel niet in stand D (of
R) staan: ga altijd naar stand N als
u stil staat.
Laat het systeem direct door uw
RENAULT-dealer controleren en
indien nodig herstellen.
- Slepen van een auto met een auto-
matische transmissie: raadpleeg
de paragraaf slepen in hoofd-
stuk 5.
Indien voor het wegrijden de selec-
teurhendel niet uit de stand P kan
worden verplaatst als u het rempe-
daal indrukt, dan kunt u de hendel
als volgt met de hand vrijzetten.
Maak hiervoor de voet van de hen-
del los, druk tegelijkertijd op teke-
ning 7 op de stofhoes en op de ont-
grendelknop op de hendel.
1
25252
6
6
2
3
5 4
NU747_3_G2-FRA.qxd 14/06/05 10:27 Page 2.41
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T2-NEL.win 4/8/2005 11:19
-page41
2.41
VERSNELLINGSBAK QUICKSHIFT
Selecteurhendel 1
- Hiermee kunt u de eerste versnel-
ling inschakelen voor het vooruit
rijden, de achteruitversnelling en
de neutrale stand selecteren, en
met de hand schakelen.
-Hiermeekuntuopiedermoment
van handbediening naar de auto-
matische werking gaan en omge-
keerd, als de motor draait en een
versnelling voor vooruit rijden is
ingeschakeld, door de hendel even
naar links te bewegen.
N.B.: na het bedienen van de selec-
teurhendel, komt deze automatisch
in de middenstand terug.
Display
2 automatische werking
3 weergave van de versnellingen
4 controlelampje rempedaal in-
drukken
5 sneeuwstand
De ingeschakelde versnelling (1,
2..., 5, N, R) wordt op het instrumen-
tenpaneel aangegeven. In de auto-
matische werkstand, wordt A aan-
gegeven.
Hendels 6
Net als met de selecteurhendel, kan
hiermee worden geschakeld:
- tijdens het rijden,
- stilstaand, motor uit, contact aan.
Met de linker hendel wordt terugge-
schakeld.
Met de rechter hendel wordt opge-
schakeld.
De neutraalstand en de achteruit-
versnelling kunnen niet met de hen-
dels worden ingeschakeld, behalve
in geval van een storing (raadpleeg
het einde van de paragraaf versnel-
lingsbak quickshift: storing).
25252
4
NU747_3_G2-FRA.qxd 14/06/05 10:27 Page 2.42
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T2-NEL.win 4/8/2005 11:19
-page42
2.42
VERSNELLINGSBAK QUICKSHIFT (vervolg)
Starten
Zet het contact aan.
Het display op het instrumentenpa-
neel licht op.
Als de neutraalstand N wordt aan-
gegeven, start u de motor zonder gas
te geven.
Als een andere versnelling dan de
neutraalstand N wordt aangegeven,
knippert deze; het starten is dan
mogelijk als u het rempedaal in-
drukt (het controlelampje 4 licht op
als u dit vergeet) en de contactsleu-
tel in de startstand houdt of met de
RENAULT card bij u.
Er wordt dan automatisch naar N
geschakeld en de motor start.
U kunt ook naar neutraal schakelen
na het aanzetten van het contact
door het bewegen van de hendel
naar rechts, voet op de rem.
Als de motor draait wordt standaard
de automatische werking geselec-
teerd.
N.B.: probeer niet de motor te star-
ten door de auto aan te duwen als de
accu is ontladen (het display licht
niet op bij het aanzetten van het
contact).
Wegrijden
Wegrijden vooruit (vanuit neutraal)
Het display van de versnellingen
geeft N en A aan.
Met uw voet op het rempedaal,
duwt u de selecteurhendel naar
voren, waarna u hem loslaat.
Laat het rempedaal los en geef een
beetje gas om weg te rijden.
Het oliepeil van het reservoir van de gerobotiseerde automatische versnel-
lingsbak varieert, afhankelijk van het gebruik. Het bijvullen van olie is
streng verboden (behalve door gekwalificeerd RENAULT-personeel).
Achteruitversnelling (stilstaande
auto)
Met uw voet op het rempedaal.
Duw de selecteurhendel naar
rechts en trek deze vervolgens
naar achteren, zoals op de onder-
kant ervan staat aangegeven en
laat de selecteurhendel weer los.
De achteruitversnelling is inge-
schakeld en de letter R verschijnt
op het display.
Haal uw voet van het rempedaal:
- het stationair toerental is vol-
doende voor parkeer-
manœuvres.
- geef rustig gas om achteruit te
rijden.
Vanuit de achteruitversnelling kunt
u het vooruit rijden inschakelen
door de hendel naar voren te duwen
als de auto stilstaat.
N.B.: Alsdeautostilstaatmoetu
het rempedaal indrukken om in een
versnelling te kunnen in- of uitscha-
kelen. In het tegenovergestelde ge-
val licht het controlelampje 4 op.
NU747_3_G2-FRA.qxd 14/06/05 10:27 Page 2.43
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T2-NEL.win 4/8/2005 11:19
-page43
2.43
VERSNELLINGSBAK QUICKSHIFT (vervolg)
Schakelpatroon
(raadpleeg de tekening op de voet
van de selecteurhendel)
Om naar een hogere versnelling
te gaan
Om naar een lagere versnelling
te gaan
N Neutraal
R Achteruitversnelling
Enige stabiele stand van de hen-
del
A/M Om van de automatische wer-
king naar handbediening te
gaan en omgekeerd.
Automatische werking
Bij het aanzetten van het contact
wordt altijd de automatische wer-
king gekozen.
Deze werking kan op ieder moment,
als de motor draait, worden in- of
uitgeschakeld door de hendel even
naar links te bewegen. De letter A
verschijnt op het display. U regelt
de snelheid van uw auto met behulp
van het gaspedaal en de rem. De ver-
snellingen worden op het juiste mo-
ment en bij het juiste toerental van-
zelf ingeschakeld, want de
automaat houdt rekening met de
helling van de weg en de rijstijl.
In deze werking is het mogelijk om
handmatig te schakelen. Door een
duw naar voren of naar achteren
kan een hogere versnelling (behalve
als de motor hierdoor te langzaam
gaat draaien) of een lagere versnel-
ling (behalve als de motor hierdoor
te snel gaat draaien) worden inge-
schakeld terwijl het systeem auto-
matisch blijft werken.
Op dezelfde manier kan met de
rechter hendel een hogere en met de
linker hendel een lagere versnelling
worden ingeschakeld.
N.B.
De automatische werking houdt re-
kening met:
- de stand en snelheid waarmee het
gaspedaal ingedrukt wordt om de
rijstijl in te schatten en zo de opti-
male versnelling te kiezen,
- het indrukken van het rempedaal
om de motorrem te gebruiken en
vooruit te lopen op het terugscha-
kelen.
Bij het stoppen voor een verkeers-
licht, kunt u bij ingeschakelde ver-
snelling de auto met de rem laten
stilstaan zonder naar de neutraal-
stand te gaan.
De auto kan weer wegrijden:
- ofwel langzaam (bijvoorbeeld in
een file), door alleen het rempe-
daal los te laten zonder gas te ge-
ven,
- ofwel gewoon, door het rempedaal
los te laten en gas te geven.
Bij het aanzetten van het contact
wordt altijd de automatische wer-
king gekozen.
25252
4
NU747_3_G2-FRA.qxd 14/06/05 10:27 Page 2.44
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T2-NEL.win 4/8/2005 11:19
-page44
2.44
VERSNELLINGSBAK QUICKSHIFT (vervolg)
Veranderen van de werking
De werking kan worden veranderd
(automatisch/halfautomatisch) door
de hendel even naar links te duwen.
Bij het veranderen van de werking
verandert de ingeschakelde versnel-
ling niet.
Halfautomatische werking
(handbediening) met de selec-
teurhendel
U schakelt zelf een andere versnel-
ling in door middel van de selec-
teurhendel.
Om naar een hogere versnelling te
schakelen, hoeft u slechts kort de
selecteurhendel naar voren te du-
wen, zonder uw voet van het gaspe-
daal te halen.
Om naar een lagere versnelling te
schakelen, hoeft u slechts kort de
selecteurhendel naar achteren te
trekken, zonder uw voet van het
gaspedaal te halen.
Het systeem heeft een ingebouwde
beveiliging tegen te hoge of te lage
toerentallen van de motor.
Om in één keer twee versnellingen
hoger te schakelen, geeft u twee kor-
te duwtjes naar voren (behalve als
de motor hierdoor te langzaam zou
gaan draaien). Om in éénkeertwee
versnellingen lager te schakelen,
trekt u twee keer kort naar achteren
(behalve als de motor hierdoor te
snel zou gaan draaien).
Als u afremt op de motor, schakelt
de versnellingsbak automatisch
naar de lagere versnellingen om het
afslaan van de motor te voorkomen.
De eerste versnelling wordt automa-
tisch ingeschakeld als u onder een
bepaalde snelheid komt. Bij het stil-
houden van de auto (stopbord, ver-
keerslicht, enz.) met uw voet op het
rempedaal hoeft u niet in neutraal N
te schakelen.
De auto kan weer wegrijden:
- ofwel langzaam, (bijvoorbeeld in
een file) door het rempedaal los te
laten zonder gas te geven,
- ofwel gewoon, door het rempedaal
los te laten en gas te geven.
N.B.: de neutraalstand is tijdens het
rijden, of als de auto stilstaat, alleen
in te schakelen als u het rempedaal
indrukt (als u dit vergeet, gaat het
controlelampje 4 branden).
Om deze in te schakelen, duwt u de
selecteurhendel naar rechts.
In geval van een te laag of een te
hoog toerental kiest het systeem de
meest geschikte versnelling.
6
6
NU747_3_G2-FRA.qxd 14/06/05 10:27 Page 2.45
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T2-NEL.win 4/8/2005 11:19
-page45
2.45
VERSNELLINGSBAK QUICKSHIFT (vervolg)
Halfautomatische werking met
de kleine hendels 6
U schakelt zelf een andere versnel-
ling in door middel van de hendels.
Om een hogere versnelling in te
schakelen trekt u de rechter hendel
naar u toe zonder uw voet van het
gaspedaal te halen.
Om een lagere versnelling in te
schakelen trekt u de linker hendel
naar u toe zonder uw voet van het
gaspedaal te halen.
Het systeem heeft een ingebouwde
beveiliging tegen te hoge of te lage
toerentallen van de motor.
Om in één keer twee versnellingen
hoger te schakelen, trekt u de rech-
ter hendel twee keer naar u toe (be-
halve als de motor hierdoor te lang-
zaam zou gaan draaien). Om in één
keer twee versnellingen lager te
schakelen, trekt u de linker hendel
twee keer naar u toe (behalve als de
motor hierdoor te snel zou gaan
draaien).
Als u afremt op de motor, schakelt
de versnellingsbak automatisch
naar de lagere versnellingen om het
afslaan van de motor te voorkomen.
De eerste versnelling wordt automa-
tisch ingeschakeld als u onder een
bepaalde snelheid komt. Bij het stil-
houden van de auto (stopbord, ver-
keerslicht, enz.) met uw voet op het
rempedaal hoeft u niet in neutraal N
te schakelen.
De auto kan weer wegrijden:
- ofwel langzaam, (bijvoorbeeld in
een file) door het rempedaal los te
laten zonder gas te geven,
- ofwel gewoon, door het rempedaal
los te laten en gas te geven.
N.B.: de neutraalstand en de achter-
uitversnelling kunnen niet met de
hendels worden ingeschakeld. Om
de neutraalstand of de achteruitver-
snelling in te schakelen moet u de
selecteurhendel gebruiken.
In geval van een te laag of een te
hoog toerental kiest het systeem de
meest geschikte versnelling.
A
NU747_3_G2-FRA.qxd 14/06/05 10:27 Page 2.46
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T2-NEL.win 4/8/2005 11:19
-page46
2.46
VERSNELLINGSBAK QUICKSHIFT (vervolg)
Bijzondere omstandigheden
Sneeuwstand
Op een gladde weg (sneeuw, mod-
der, enz.) drukt u op de schakelaar
A, het controlelampje op het instru-
mentenpaneel licht op.
Zodra de auto rijdt schakelt u deze
stand weer uit door opnieuw op de
schakelaar te drukken, het contro-
lelampje dooft.
Voor de sneeuwstand moet de auto-
matische werking van de versnel-
lingsbak zijn ingeschakeld (het in-
schakelen van de handbediende
werking heft de sneeuwstand op
tot de automatische werking op-
nieuw geselecteerd is).
Na ieder stilzetten van de motor is
de sneeuwstand niet langer actief,
en moet deze opnieuw gekozen
worden.
Accelereren en inhalen
Er zijn twee mogelijkheden:
- druk het gaspedaal langzaam in,
voor een geleidelijke acceleratie
van de auto,
- voor een maximaal vermogen van
de auto, ongeacht de werking (au-
tomatisch of handbediend), drukt
u het gaspedaal snel en diep in tot
voorbij het zware punt.
Er wordt indien mogelijk terugge-
schakeld en de auto zal zo snel mo-
gelijk accelereren.
Parkeren
Hetismogelijkdeautoteparkeren
met een ingeschakelde versnelling
(op een helling bijvoorbeeld). Hier-
voor moet u:
- de versnelling kiezen met contact
aan en ingedrukt rempedaal,
- controleren of een andere versnel-
ling dan N,ophetinstrumenten-
paneel aangegeven wordt, en daar-
na de contactsleutel uit het slot
halen.
Om uit de versnelling te schakelen,
zet u het contact aan zonder de mo-
tor te starten en zet u de selecteur-
hendel in neutraal, met ingedrukt
rempedaal.
Controleer of N op het instrumen-
tenpaneel aangegeven wordt.
Claxon
Verlaatnooitdeautoalsdemotor
nog draait en een versnelling inge-
schakeld is. Om veiligheidsrede-
nen, hoort u een aantal piepjes als u
het portier opent, zolang de neu-
traalstand niet is ingeschakeld of
zolang het contact niet is afgezet of
het rempedaal niet is ingedrukt.
NU747_3_G2-FRA.qxd 14/06/05 10:27 Page 2.47
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T2-NEL.win 4/8/2005 11:19
-page47
2.47
VERSNELLINGSBAK QUICKSHIFT (vervolg)
Bij een storing
Als tijdens het rijden het bericht
versnellingsbak controleren ver-
schijnt met het lampje : er is
een storing in het systeem. In de
meeste gevallen kan de auto blijven
rijden, al zijn de prestaties minder.
Raadpleeg toch snel een RENAULT-
dealer.
Als u de auto te lang op een helling
stil houdt zonder op het rempedaal
te drukken of zonder de handrem te
gebruiken, wordt het systeem ab-
normaal belast en bestaat het gevaar
datdekoppelingteheetwordt.
In dit geval verschijnt het bericht
versnellingsbak te heet met het
lampje , dit bericht herinnert
u eraan dat u het rempedaal moet
indrukken of de handrem moet ge-
bruiken.
Uw auto start niet:
u kunt uw auto laten aanduwen als
de accu niet ontladen is (display
licht op).
Ga op de volgende manier te werk:
- zet het contact aan;
- kies de neutraalstand;
-laatuduwenoftrekkenoflaatde
auto van een helling rollen. Een
duwtje naar voren op de selecteur-
hendel zorgt voor de optimale ver-
snelling om de motor te kunnen
starten.
N.B.: doe dit nooit achteruit rijdend.
Als de hendel defect is:
Alleen in dit geval kunnen de kleine
hendels alle functies van de selec-
teurhendel overnemen.
De neutraalstand kan worden in-
geschakeld, vanuit de eerste ver-
snelling of de achteruitversnel-
ling als de motor draait, en
stilstaand, met het rempedaal in-
gedrukt, door de linker en rechter
hendel tegelijk te bedienen.
De achteruitversnelling kan wor-
den ingeschakeld vanuit de neu-
traalstand of stilstaand met het
rempedaal ingedrukt, bij draaien-
de motor, door de linker hendel te
bedienen.
De eerste versnelling kan worden
ingeschakeld vanuit de neutraal-
stand of stilstaand met het rempe-
daal ingedrukt, bij draaiende mo-
tor, door de rechter hendel te
bedienen.
Het slepen van een auto met ge-
robotiseerde automatische ver-
snellingsbak
Als de versnellingsbak in een ver-
snelling vastzit:
- zet het contact aan;
- kies de neutraalstand met inge-
drukt rempedaal;
- controleer of de versnellingsbak in
neutraal staat (door de auto bij-
voorbeeld een beetje vooruit of
achteruit te duwen).
Als het niet lukt de versnellingsbak
in neutraal te zetten, moet de auto
weggesleept worden met beide
voorwielen van de grond.
Het slepen dient altijd met het con-
tact uit te gebeuren.
NU747_3_G2-FRA.qxd 14/06/05 10:27 Page 2.48
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T2-NEL.win 4/8/2005 11:19
-page48
2.48
PARKEERHULP
De werking van het systeem
Ultrasoondetectors zijn aangebracht
in de achterbumper van de auto en
meten de afstand tussen de auto en
een obstakel tijdens het achteruitrij-
den.
Deze meting vertaalt zich in ge-
luidssignalen waarvan de frequen-
tie toeneemt naarmate het obstakel
dichterbij komt, totdat het een con-
tinu geluid wordt als het obstakel
ongeveer 30 cm van de auto verwij-
derd is.
Tijdens het inschakelen van de ach-
teruitversnelling, klinkt een ge-
luidssignaal.
N.B.: zorg ervoor dat de ultrasoon-
detectors niet bedekt zijn (vuil,
modder, sneeuw, enz.).
Bij een storing
Als het systeem een storing ontdekt,
klinkt bij het inschakelen van de
achteruitversnelling gedurende on-
geveer 5 secondes een geluidssig-
naal om u te waarschuwen. Raad-
pleeg uw RENAULT-dealer.
Deze functie is een extra
hulp die door middel van
geluidssignalen de afstand
tussen de auto en een ob-
stakel aangeeft tijdens het achter-
uitrijden.
Deze functie kan in geen enkel ge-
val de oplettendheid en verant-
woordelijkheid van de bestuurder
vervangen bij het achteruit ma-
noeuvreren.
De bestuurder moet altijd op zijn
hoede blijven voor plotselinge ge-
beurtenissen die tijdens het rijden
zich kunnen voordoen: let dus al-
tijdopofergeenbewegelijkeob-
stakels zijn (zoals een kind, dier,
kinderwagen, fiets) of een te klein
of smal obstakel is (grote steen,
paaltje) tijdens de manoeuvre.
1
NU747_3_G2-FRA.qxd 14/06/05 10:27 Page 2.49
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T2-NEL.win 4/8/2005 11:19
-page49
2.49
PARKEERHULP (vervolg)
Tijdelijke uitschakeling van het
systeem
Druk op de schakelaar 1 om het sys-
teem uit te schakelen.
Het controlelampje in de schakelaar
licht op om u eraan te herinneren
dat het systeem is uitgeschakeld.
Bij opnieuw indrukken schakelt het
systeem weer in en dooft het lamp-
je.
Het systeem schakelt automatisch
weer in na afzetten van het contact
en het weer starten van de motor.
Permanente uitschakeling van
het systeem
Het systeem kan permanent worden
uitgeschakeld door de schakelaar
langer dan ongeveer drie secondes
in te drukken.
Het lampje in de schakelaar brandt
permanent.
Het op deze manier uitgeschakelde
systeem kan weer worden ingescha-
keld door de schakelaar langer dan
ongeveer drie secondes in te druk-
ken.
NU747_3_G2-FRA.qxd 14/06/05 10:27 Page 2.50
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T2-NEL.win 4/8/2005 11:19
-page50
2.50
NU747_3_G3-FRA.qxd 21/06/05 13:24 Page 3.01
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T3-NEL.win 4/8/2005 11:23
-page1
3.01
Hoofdstuk 3: uw comfort
Ventilatieroosters .................................................................................................................................... 3.02 - 3.03
Verwarming en airconditioning .......................................................................................................... 3.04
3.17
Ruiten .................................................................................................................................................... 3.18
3.20
Elektrisch bediend open dak ................................................................................................................ 3.21 - 3.22
Zonneklep .......................................................................................................................................................... 3.23
Binnenverlichting ............................................................................................................................................. 3.24
Opbergruimtes / indeling interieur .................................................................................................... 3.25
3.28
Asbakken - Aansteker ....................................................................................................................................... 3.29
Achterbank: werking ............................................................................................................................. 3.30 - 3.31
Hoedenplank / bergruimtes / indeling bagageruimte ....................................................................................3.32
Bagage vervoeren .............................................................................................................................................. 3.33
Dakdragers .............................................................................................................................................. 3.34 - 3.35
Geïntegreerde bediening van handsfree telefoon ........................................................................................... 3.36
8
12 3 4 5 67
NU747_3_G3-FRA.qxd 21/06/05 13:24 Page 3.02
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T3-NEL.win 4/8/2005 11:23
-page2
3.02
VENTILATIEROOSTERS
1 - ontwasemingsrooster linker zijruit
2 - ventilatierooster links
3 - ventilatieroosters voor het ontwa-
semen van de voorruit
4 - centrale ventilatieroosters
5 - bedieningspaneel
6 - ventilatierooster rechts
7 - ontwasemingsrooster rechter zij-
ruit
8 - ventilatierooster voetenruimte
1
3
4
A
2
1
2
B
NU747_3_G3-FRA.qxd 21/06/05 13:24 Page 3.03
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T3-NEL.win 4/8/2005 11:23
-page3
3.03
VENTILATIEROOSTERS (vervolg)
Hoeveelheid lucht
Verdraa i k nop 1 of 3 (voorbij het
zware punt).
A:dicht.
B: open.
Richting
Rechts/links: verplaats de schuif-
knoppen 2 of 4.
Omhoog/omlaag: richt de schuif-
knoppen 2 of 4 omhoog of omlaag.
ABC D
E
F
NU747_3_G3-FRA.qxd 21/06/05 13:24 Page 3.04
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T3-NEL.win 4/8/2005 11:23
-page4
3.04
VERWARMING / AIRCONDITIONING
Bedieningsknoppen
A - Knop voor het regelen van de
luchtverdeling in het interieur.
B - Knop voor het regelen van de
temperatuur.
C - Knop voor het regelen van de
ventilateursnelheid.
D - Bedieningsknop van de lucht-
kringloop.
E - Schakelaar en controlelampje
van de achterruitverwarming en
van de verwarmde buitenspie-
gels (afhankelijk van de auto).
F - Schakelaar en controlelampje
van de airconditioning (afhan-
kelijk van de auto).
Informatie en tips voor het gebruik:
raadpleeg het einde van de para-
graaf verwarming/airconditio-
ning.
A
NU747_3_G3-FRA.qxd 21/06/05 13:24 Page 3.05
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T3-NEL.win 4/8/2005 11:23
-page5
3.05
VERWARMING / AIRCONDITIONING (vervolg)
Verdeling van de lucht in het in-
terieur
Draai knop A om de aanwijzer te-
genover de symbolen te plaatsen.
Stand
Alle lucht wordt naar de voorruit en
de roosters aan de zijkanten van het
dashboard geleid.
Stand
De lucht wordt naar de ontwase-
mingsroosters onder de voorruit en
zijruiten en naar de voetenruimtes
voor en achter geleid.
Deze stand wordt aangeraden voor
het bereiken van het hoogste com-
fort bij koud weer.
Stand
De lucht wordt voornamelijk naar
de voetenruimtes geleid.
Stand
De lucht wordt voornamelijk naar
alle ventilatieroosters en de voeten-
ruimtes voor en achter geleid.
Deze stand wordt aangeraden voor
het bereiken van het hoogste com-
fort bij warm weer.
Stand
De lucht wordt voornamelijk naar
de ventilatieroosters geleid.
N.B.: om snel te ontwasemen, zet u
deknoppenopdestanden :
- buitenlucht,
- maximum temperatuur,
- ontwasemen.
Het gebruik van de airconditioning
versnelt het ontwasemen.
BC
F
NU747_3_G3-FRA.qxd 21/06/05 13:24 Page 3.06
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T3-NEL.win 4/8/2005 11:23
-page6
3.06
VERWARMING / AIRCONDITIONING (vervolg)
Regeling van de temperatuur
Draai knop B afhankelijk van de ge-
wenste temperatuur. Hoe verder de
aanwijzer in het rode gedeelte staat,
hoe hoger de temperatuur.
Bij langdurig gebruik van de aircon-
ditioning, kan het te koud worden.
Dit wordt gecorrigeerd door het toe-
voegen van warme lucht (draai
knop B naar rechts).
In-enuitschakelenvandeair-
conditioning
Toets F zorgt voor het inschakelen
(controlelampje brandt) of het uit-
schakelen (controlelampje is uit)
van de airconditioning.
Door het inschakelen van de air-
conditioning:
- gaat de temperatuur in het interi-
eur omlaag;
- ontwasemen de ruiten snel.
De airconditioning werkt niet bij la-
ge buitentemperaturen.
Regeling van de ventilateursnel-
heid
Normaal gebruik
Draai knop C op een van de vier
standen om de ventilatie met het ge-
wenste vermogen in te schakelen.
Kies stand 1 voor een minimum
ventilatie en stand 4 voor een maxi-
mum ventilatie.
Stand 0
In deze stand:
- stopt de airconditioning automa-
tisch, zelfs als toets F ingescha-
keld is (het lampje blijft branden);
- draait de ventilateur niet;
- is er nog wel een beetje ventilatie
als de auto rijdt (rijwind).
Deze stand wordt afgeraden onder
normale omstandigheden.
D
E
NU747_3_G3-FRA.qxd 21/06/05 13:24 Page 3.07
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T3-NEL.win 4/8/2005 11:23
-page7
3.07
VERWARMING / AIRCONDITIONING (vervolg)
Inschakelen van de luchtkring-
loop (met isolatie van het interi-
eur)
Draai de knop D naar het symbool
.
In deze stand wordt de lucht vanuit
het interieur aangezogen en zonder
toevoeging van buitenlucht terugge-
voerdindeauto.
De kringloopstand kan gebruikt
worden:
- het interieur worden afgesloten
van de buitenlucht als het buiten
stinkt;
- om sneller de gewenste tempera-
tuur te bereiken.
Door langdurig gebruik van deze
stand kunnen de zijruiten en de
voorruit beslaan en kan de atmo-
sfeer in het interieur minder aange-
naam worden doordat er geen
luchtverversing is.
Draai daarom knop D terug om de
toevoer van buitenlucht te herstel-
len zodra de omstandigheden dat
toelaten.
Achterruitverwarming
Draaiende motor, druk op de toets
E, het controlelampje licht op.
De achterruit wordt nu snel ontwa-
semd en de buitenspiegels worden
verwarmd (afhankelijk van de uit-
voering).
Om deze functie uit te schakelen,
drukt u opnieuw op de toets E.
De verwarming schakelt na enige
tijd automatisch uit.
12345678
14
9
13 12 11 10
NU747_3_G3-FRA.qxd 21/06/05 13:24 Page 3.08
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T3-NEL.win 4/8/2005 11:23
-page8
3.08
THERMOSTATISCH GEREGELDE AIRCONDITIONING
Bedieningsknoppen
1 -Toets helder zicht voor het
ontwasemen en het ontdooien
van de ruiten.
2 - Controlelampje van de functie
helder zicht.
3 - Bediening van de airconditio-
ning
4 en 7 - Regelen van de tempera-
tuur.
5 -Display.
6 - In- en uitschakeling van de auto-
matische werking.
8 en 10 - Regeling van de lucht-
verdeling in het interieur.
9 en 11 - Regelen van de ventilatie-
snelheid.
12 - Achterruitverwarming en ver-
warmde buitenspiegels (afhan-
kelijk van de auto).
13 - Controlelampje van de achter-
ruitverwarming.
14 - Bedieningsknop van de lucht-
kringloop.
Informatie en tips voor het gebruik:
raadpleeg het einde van de para-
graaf verwarming/airconditio-
ning.
De toetsen 1 en 12 worden aange-
vuld door controlelampjes van
de werking (2 en 13):
- als het lampje brandt, is de
functie ingeschakeld,
- als het lampje uit is, is de func-
tie uitgeschakeld.
7
4
NU747_3_G3-FRA.qxd 21/06/05 13:24 Page 3.09
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T3-NEL.win 4/8/2005 11:23
-page9
3.09
THERMOSTATISCH GEREGELDE AIRCONDITIONING (vervolg)
De thermostatische regeling van de
verwarming en de airconditioning
zorgt ervoor dat de temperatuur in
het interieur en de ventilatie van de
ruiten (extreme gebruiksomstandig-
heden daargelaten) optimaal ge-
handhaafd worden bij een zo opti-
maal mogelijk brandstofverbruik.
Deze werking wordt aangeraden.
Alleen de temperatuur en het sym-
bool AUTO worden weergegeven
De functies die worden bediend
door de automatische regeling wor-
den niet weergegeven.
-drukopdetoets7 om de tempera-
tuur te verhogen;
-drukopdetoets4 om de tempera-
tuur te verlagen.
N.B.: Als de uiterste waardes
15 °C of 27 °C zijn ingesteld, le-
vert het systeem, ongeacht de om-
standigheden, maximale koude of
warmte.
In de automatische stand (con-
trolelampje AUTO op het dis-
play licht op), worden alle func-
ties van de airconditioning
gecontroleerd door het systeem.
Als u bepaalde functies wijzigt,
dooft het controlelampje AUTO.
Alleen de gewijzigde functie
wordt niet langer door het sys-
teem gecontroleerd.
NU747_3_G3-FRA.qxd 21/06/05 13:24 Page 3.10
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T3-NEL.win 4/8/2005 11:23
-page10
3.10
THERMOSTATISCH GEREGELDE AIRCONDITIONING (vervolg)
Temperatuur: automatische
werking
(vervolg)
Werking
Om de ingestelde temperatuur te be-
reiken en een goed zicht te handha-
ven, gebruikt het systeem de volgen-
de elementen:
- de ventilateursnelheid;
- de verdeling van de lucht;
- de kringloopfunctie;
- aan- / uitzetten van de aircondi-
tioning;
- de temperatuur.
Het display geeft aan welke tempe-
ratuur is ingesteld.
Als het bij het starten van de auto
erg warm of erg koud is in de auto,
maakt het niet uit of u de aangege-
ven waarde verhoogt of verlaagt om
sneller de gewenste temperatuur te
bereiken. Het systeem zorgt voor
een optimale daling of stijging van
de temperatuur (de ventilatie be-
gint niet onmiddellijk op de maxi-
mum snelheid: deze wordt geleide-
lijk verhoogd tot de motor
voldoende op temperatuur is geko-
men, dit kan enkele secondes tot
enkele minuten duren).
Onder normale omstandigheden,
tenzij dit als hinderlijk wordt on-
dervonden, moeten de roosters in
het dashboard open blijven.
6
NU747_3_G3-FRA.qxd 21/06/05 13:24 Page 3.11
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T3-NEL.win 4/8/2005 11:23
-page11
3.11
THERMOSTATISCH GEREGELDE AIRCONDITIONING (vervolg)
Veranderen van de automati-
sche werking
De normale werking van het sys-
teem is de automatische werking
(lampje 6 licht op), maar de keuze
van het systeem (verdeling van de
lucht, enz.) kan worden veranderd,
de mogelijkheden staan op de vol-
gende bladzijdes.
U wordt aangeraden de automati-
sche werking te gebruiken: het sys-
teem van de automatische aircon-
ditioning garandeert (met
uitzondering van extreme gevallen)
een temperatuurcomfort in het in-
terieur en het helder houden van
de ruiten, bij een zo optimaal mo-
gelijk brandstofverbruik.
Ga terug naar automatische wer-
king zodra dit mogelijk is.
5
6
8
13 12 10
NU747_3_G3-FRA.qxd 21/06/05 13:24 Page 3.12
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T3-NEL.win 4/8/2005 11:23
-page12
3.12
THERMOSTATISCH GEREGELDE AIRCONDITIONING (vervolg)
Verdeling van de lucht in het in-
terieur
Er zijn vijf combinaties mogelijk
voor de luchtverdeling, door opeen-
volgend te drukken op de toetsen 8
en 10.Depijlenophetdisplay5 ge-
ven de ingestelde keuze aan:
Stand
Alle lucht wordt naar de voorruit en
de roosters aan de zijkanten van het
dashboard geleid.
Stand
De lucht wordt naar de ontwase-
mingsroosters onder de voorruit en
zijruiten geleid en naar de voeten-
ruimtes.
Stand
De lucht wordt voornamelijk naar
de ventilatieroosters geleid.
Stand
De lucht wordt naar alle ventilatie-
roosters en de voetenruimtes geleid.
Stand
De lucht wordt uitsluitend naar de
voetenruimtes geleid.
Als u de automatische werking
van de luchtverdeling uitscha-
kelt, dooft het controlelampje op
het display 5 (automatische wer-
king), maar alleen de luchtverde-
ling wordt niet meer automatisch
gecontroleerd door het systeem.
Om de automatische werkstand
weer in te schakelen, drukt u op
toets 6.
5
6
9
3
11
NU747_3_G3-FRA.qxd 21/06/05 13:24 Page 3.13
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T3-NEL.win 4/8/2005 11:23
-page13
3.13
THERMOSTATISCH GEREGELDE AIRCONDITIONING (vervolg)
Wijzigen van de ventilateur-
snelheid
Normaal zorgt het systeem automa-
tisch voor de juiste ventilateursnel-
heid om de ingestelde temperatuur
te bereiken en te handhaven.
Door op de toetsen 9 en 11 te druk-
ken, schakelt u de automatische
werkstand uit.
U kunt met deze toetsen de ventila-
teur sneller en langzamer laten
draaien.
Aan- / uitzetten van de aircondi-
tioning
Normaal schakelt het systeem au-
tomatisch de airconditioning in of
uit, afhankelijk van de weersom-
standigheden.
Door op toets 3 te drukken, schakelt
u de automatische werkstand uit:
het controlelampje AUTO van het
display 5 dooft.
De toets 3 maakt het mogelijk om de
airconditioning in te schakelen
(controlelampje op display brandt)
of uit te schakelen (controlelampje
uit).
N.B.: met het inschakelen van de
voorruitverwarming komt de air-
conditioning automatisch in wer-
king (controlelampje brandt). Om
de automatische werkstand weer in
te schakelen, drukt u op toets 6.
Maak nooit de slangen
van de airconditioning
los. Het gas en de vloei-
stof zijn gevaarlijk voor
de ogen en tasten de huid aan.
In de automatische werkstand be-
gint de ventilatie niet onmiddellijk
op de maximum snelheid: deze
wordt geleidelijk verhoogd tot de
motor voldoende op temperatuur is
gekomen om het interieur te ver-
warmen. Deze opwarmfase kan va-
riëren van enkele secondes tot een
paar minuten.
13 12
NU747_3_G3-FRA.qxd 21/06/05 13:24 Page 3.14
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T3-NEL.win 4/8/2005 11:23
-page14
3.14
THERMOSTATISCH GEREGELDE AIRCONDITIONING (vervolg)
Achterruitverwarming
Draaiende motor, druk op de toets
12,hetcontrolelampje13 licht op.
De achterruit wordt nu snel ontwa-
semd en de buitenspiegels worden
verwarmd (afhankelijk van de uit-
voering).
Om deze functie te verlaten,druktu
opnieuw op toets 12.Standaard
stopt de ontwaseming automatisch.
12 6
13 12 11
NU747_3_G3-FRA.qxd 21/06/05 13:24 Page 3.15
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T3-NEL.win 4/8/2005 11:23
-page15
3.15
THERMOSTATISCH GEREGELDE AIRCONDITIONING (vervolg)
Functie helder zicht”
Draaiende motor, druk op de toets
1, het controlelampje 2 licht op.
Het controlelampje van de toets AU-
TO (op het display) dooft.
Met deze functie worden de voor-
ruit, de zijruiten voor en de buiten-
spiegels snel ontwasemd (afhanke-
lijk van de auto).
Hiermee worden automatisch de
airconditioning ingeschakeld, de
kringloopstand uitgeschakeld en de
achterruitverwarming ingeschakeld
(controlelampje 13).
Druk op knop 12 als u niet wilt dat
de achterruitverwarming wordt in-
geschakeld, het controlelampje 13
dooft.
N.B.: als u het geluid van de ventila-
tie als hinderlijk ervaart, kunt u de
ventilateursnelheid verminderen
met toets 11.
Om deze functie te verlaten,druktu
ofwel:
- opnieuw op toets 1,
-op toets 6 (het controlelampje
AUTO op het display licht op).
14
NU747_3_G3-FRA.qxd 21/06/05 13:24 Page 3.16
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T3-NEL.win 4/8/2005 11:23
-page16
3.16
THERMOSTATISCH GEREGELDE AIRCONDITIONING (vervolg)
Afsluiten van de buitenlucht
Eendrukoptoets14 schakelt de
kringloopstand in (het symbool op
het display licht op).
In de kringloopstand wordt de lucht
aangevoerd vanuit de auto en zon-
der bijmenging van buitenlucht te-
ruggevoerd in het interieur van de
auto.
De lucht circuleert in de auto zon-
der bijmenging van buitenlucht (als
het buiten stinkt).
Bij langdurig gebruik van deze
stand kunnen de ruiten aan de bin-
nenkant beslaan of weer
aanvriezen. Ook zal het in de auto,
door gebrek aan frisse lucht, kunnen
gaan stinken.
Druk daarom opnieuw op toets 14
om de aanvoer van buitenlucht te
herstellen.
NU747_3_G3-FRA.qxd 21/06/05 13:24 Page 3.17
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T3-NEL.win 4/8/2005 11:23
-page17
3.17
AIRCONDITIONING: informatie en tips voor het gebruik
Verbruik
Het is normaal dat het brandstof-
verbruik hoger is (vooral in stads-
verkeer) als u de airconditioning
gebruikt. Voor auto's met een air-
conditioning zonder automatische
werking, zet u het systeem uit als u
hetnietmeernodighebt.
Enkele tips voor zuinig rijden en
minder luchtverontreiniging:
Rijd zoveel mogelijk met de venti-
latieroosters geopend en de ruiten
gesloten.
Open bij zeer warm weer of als de
auto in de zon heeft gestaan enkele
minuten de portieren voordat u
start, zodat de hete lucht uit de au-
to kan ontsnappen.
Onderhoud
Raadpleeg voor de controle-inter-
vallen het onderhoudsboekje van
uw auto.
Bij een storing
Raadpleeg in dit geval een
RENAULT-dealer.
- Minder goede werking van ont-
dooien, ontwasemen of aircondi-
tioning.
Dit kan het gevolg zijn van een
vervuild patroon van het interi-
eurfilter.
- Geen gekoelde lucht
Wanneer de airconditioning niet
goed werkt, moet u eerst controle-
ren of alle bedieningsorganen in
de juiste stand staan. Als dit niet
zo is moet u de werking stoppen.
- Water onder de auto.
Maak u niet ongerust als er con-
denswater onder de auto drup-
pelt, dit is normaal na langdurig
gebruik van de airconditioning.
Maak nooit de slangen van de air-
conditioning los. Het gas en de
vloeistof zijn gevaarlijk voor de
ogen en tasten de huid aan.
1
5
2
3
4
6
6
NU747_3_G3-FRA.qxd 21/06/05 13:24 Page 3.18
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T3-NEL.win 4/8/2005 11:23
-page18
3.18
ELEKTRISCHE RUITBEDIENING
Contact aan of bij draaiende motor
voor auto's met RENAULT card
Druk op de schakelaar van de betref-
fende ruit om deze te laten zakken
of omhoog komen tot de gewenste
hoogte (N.B.: de achterruiten kun-
nen niet helemaal omlaag);
Vanaf de bestuurdersplaats
Gebruik schakelaar:
- 1 voor de bestuurderskant;
- 2 voor de passagierskant voor;
- 3 en 5 voor de passagiers achter.
Vanaf de passagiersplaats voor
Gebruik schakelaar 6.
Veiligheid inzittenden achter
De bestuurder kan de werking van de ruitbediening en van de ach-
terportieren uitschakelen door de schakelaar 4 aan de kant van de
afbeelding in te drukken.
Verantwoordelijkheid van de bestuurder
Laat nooit de sleutel in het contactslot of de RENAULT card in de auto
zitten als u een kind of een dier in de auto achterlaat. Het kind zou de
ruiten kunnen bedienen en zich ernstig kunnen verwonden aan hals, arm,
of hand als deze uit de auto steken. In geval van beknelling, draait u direct
de bewegingsrichting om met behulp van de betreffende schakelaar.
1
4
7
NU747_3_G3-FRA.qxd 21/06/05 13:24 Page 3.19
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T3-NEL.win 4/8/2005 11:23
-page19
3.19
ELEKTRISCHE RUITBEDIENING
(vervolg) /
ELEKTRISCHE RUITBEDIENING MET SNELTOETS
Voor de plaatsen achter
Gebruik schakelaar 7.
Werking van de sneltoets
Dit is een aanvulling op de elektri-
sche ruitbediening die hiervoor is
beschreven. Als deze in de auto aan-
wezig is, bedient hij de bestuurders-
ruit of, afhankelijk van de auto, de
twee voorruiten.
Gebruik schakelaar 1.
Het systeem kan gebruikt worden:
- contact aan of, afhankelijk van de
auto, bij draaiende motor;
- contact uit tot het openen/sluiten
van een voorportier (begrensd tot
ongeveer 20 minuten), voor auto's
met een sleutel.
- contact uit tot het openen van het
bestuurdersportier voor auto's met
RENAULT card.
Veiligheid inzittenden
achter
De bestuurder kan de
werking van de ruitbe-
diening en van de achterportie-
ren uitschakelen door de schake-
laar 4 aan de kant van de afbeel-
ding in te drukken.
Verantwoordelijkheid van de
bestuurder
Laat nooit de sleutel in het con-
tactslot of de RENAULT card in
de auto zitten als u een kind of
een dier in de auto achterlaat.
Het kind zou de ruiten kunnen
bedienen en zich ernstig kunnen
verwonden aan hals, arm, of
hand als deze uit de auto steken.
In geval van beknelling, draait u
direct de bewegingsrichting om
met behulp van de betreffende
schakelaar.
1
NU747_3_G3-FRA.qxd 21/06/05 13:24 Page 3.20
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T3-NEL.win 4/8/2005 11:23
-page20
3.20
ELEKTRISCHE RUITBEDIENING MET SNELTOETS (vervolg) HANDBEDIENDE RUITEN
Werking van de sneltoets
- Druk de betreffende schakelaar
kort en helemaal in: de ruit gaat in
één keer geheel omlaag.
- Trek de betreffende schakelaar
kort en helemaal omhoog: de ruit
gaat in één keer geheel omhoog.
Om de beweging van de ruit voortij-
digtestoppendruktudeschakelaar
opnieuw in.
Bijzonderheid
Voor uw veiligheid is uw auto uitge-
rust met een krachtbegrenzer, als
een ruit een weerstand (bijv.: vin-
gers, de poot van een dier of een
boomtak) ontmoet tijdens het slui-
ten, stopt hij en zakt daarna enkele
centimeters.
Werking zonder sneltoets func-
tie
- Druk de betreffende schakelaar
naar beneden om de ruit omlaag te
laten gaan, laat de schakelaar los
alsderuitopdegewenstehoogte
staat.
- Trek de betreffende schakelaar
naar boven om de ruit omhoog te
laten gaan, laat de schakelaar los
alsderuitopdegewenstehoogte
staat.
Storingen
In geval dat een ruit niet sluit gaat
het systeem automatisch over op
handbediening: trek zo vaak als no-
dig is de betreffende schakelaar om-
hoog tot de ruit gesloten is en laat
hem los. Trek opnieuw de schake-
laar omhoog (aan de kant van het
sluiten) gedurende een seconde om
het systeem weer in werking te stel-
len.
Indien nodig, raadpleeg uw
RENAULT-dealer.
Handbediende ruiten
Draai aan slinger 1 om de ruit te
openen of te sluiten.
1
1
B
C
A
2
D
0
3
NU747_3_G3-FRA.qxd 21/06/05 13:24 Page 3.21
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T3-NEL.win 4/8/2005 11:23
-page21
3.21
ELEKTRISCH BEDIEND OPEN DAK
Het systeem kan gebruikt worden:
-contactaan,
- contact uit tot het openen/sluiten
van het bestuurdersportier (be-
grensd tot ongeveer 20 minuten).
Gordijn
- openen: druk de handgreep 1 naar
boven en begeleid het gordijn tot
het oprolmechanisme;
- sluiten: trek aan de handgreep 1
tot de grendels aan beide kanten
vastklikken.
Kantelen van het open dak
- openen: draai knop 2 in stand A.
- sluiten: zet knop 2 in stand 0.
Schuiven van het open dak
- openen: zet knop 2 in stand B, C
of D, naargelang de gewenste ope-
ning;
- sluiten: draai knop 2 in stand 0.
Als u de auto in de felle zon par-
keert, adviseren wij u de gordijnen
te sluiten.
Verantwoordelijkheid van
de bestuurder
Laat nooit de sleutel in het
contactslot zitten als u een
kind of een dier in de auto achter-
laat. Hetkindzouhetdakkunnen
bedienen en zich ernstig kunnen
verwonden aan hals, arm, of hand
als deze uit de auto steken.
In geval van beknelling, draait u di-
rect de bewegingsrichting om door
knop 2 helemaal naar rechts te
draaien (stand D).
NU747_3_G3-FRA.qxd 21/06/05 13:24 Page 3.22
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T3-NEL.win 4/8/2005 11:23
-page22
3.22
ELEKTRISCH BEDIEND OPEN DAK (vervolg)
Bijzonderheid
Voor uw veiligheid is uw auto uitge-
rust met een krachtbegrenzer; als
een ruit een weerstand ontmoet tij-
dens het sluiten (bijv.: vingers, de
poot van een dier of een boomtak)
stopt de ruit en gaat daarna enkele
centimeters terug.
Storing bij het sluiten van het
open dak
Controleer in dat geval of er geen ob-
stakel is, draai daarna knop 2 in
stand 0 en druk vervolgens op knop
3 tot het open dak geheel gesloten is.
Let op, tijdens deze handeling is
de krachtbegrenzer van het open
dak uitgeschakeld.
Laat het systeem direct door uw
RENAULT-dealer controleren en
indien nodig herstellen.
Voorzorgsmaatregelen voor het
gebruik
- auto met dakdragers
Het gebruik van het open dak
wordt ontraden.
Controleer voor het gebruik van
het open dak, de accessoires (fiets-
drager, dakkoffer, enz.) op de dak-
drager: deze moeten op de juiste
wijzezijnbevestigdengoedvast-
zitten en mogen de beweging van
het open dak niet hinderen.
Laat u door uw RENAULT-dealer
informeren over de verschillende
toepassingsmogelijkheden.
- let op dat het dak goed gesloten is
als u de auto verlaat;
- reinig het afdichtrubber van het
dak eens per drie maanden met
een speciaal product dat verkrijg-
baar is in de RENAULT Boutique;
- open het dak niet direct na een
wasbeurt of een regenbui.
9
10
11
8
NU747_3_G3-FRA.qxd 21/06/05 13:24 Page 3.23
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T3-NEL.win 4/8/2005 11:23
-page23
3.23
ZONNEKLEPPEN
Zonnegordijn achter
Trek het zonnegordijn omhoog aan
het lipje en maak de twee haakjes 8
vast in de daarvoor bestemde uit-
sparingen.
Zonneklep voor
Zet de zonneklep 9 omlaag.
Make-up spiegeltje zonder ver-
lichting
Verschuif het klepje 10.
Verlichte make-up spiegels
Voor de auto's die hiermee uitgerust
zijn is de verlichting 11 automa-
tisch.
1
2
3
4
NU747_3_G3-FRA.qxd 21/06/05 13:24 Page 3.24
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T3-NEL.win 4/8/2005 11:23
-page24
3.24
BINNENVERLICHTING
Binnenlicht
Met schakelaar 2, kunt u kiezen
voor:
- een constant brandende verlich-
ting;
- een verlichting die gaat branden
als een van de portieren wordt ge-
opend, Deze dooft als de betreffen-
de portieren goed gesloten zijn en
na enige tijd;
- het onmiddellijk uitgaan.
Kaartleeslampjes (afhankelijk van
de auto)
Druk op schakelaar 1 voor de be-
stuurder, 3 voor de voorpassagier.
Verlichting van de luiken in de
vloer bij bestuurder en passa-
gier 4
(Afhankelijk van de auto)
Bagageverlichting (afhankelijk
van de auto)
Deze gaat branden bij het openen
van de achterklep of van éénvande
portieren.
Het ontgrendelen en het openen
vandeportierenendeachter-
klep zorgen voor het tijdelijk
branden van de binnenlichten en
de vloerlichten.
3
1
2
NU747_3_G3-FRA.qxd 21/06/05 13:24 Page 3.25
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T3-NEL.win 4/8/2005 11:23
-page25
3.25
OPBERGRUIMTES ACHTER/ INDELING VAN HET INTERIEUR
Kaartenbakken in de portieren
voor 1
Hierin past een fles van 1.5 liter.
Opbergruimtes bij voeten be-
stuurder en passagier 2
Hierin kunnen cd's, documenten
van de auto (instructieboekje, on-
derhoudsboekje, enz.), zaklampen,
enz. opgeborgen worden.
Laat geen spullen op de
vloer (bij de bestuurders-
stoel) liggen. In geval van
plotseling remmen zou-
den deze onder de pedalen te-
recht kunnen komen, waardoor
de bestuurder deze niet meer
goed kan bedienen.
Brilhouder 3
4
5
6
NU747_3_G3-FRA.qxd 21/06/05 13:25 Page 3.26
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T3-NEL.win 4/8/2005 11:23
-page26
3.26
OPBERGKLEM, VERANDERINGEN / INDELING VAN HET INTERIEUR (vervolg)
Klem 4
Hierin kunt u kaartjes (bijvoorbeeld
van een tolweg) bevestigen.
Bergruimte in de middenconso-
le 5 of 6
Hierin passen de asbak, blikjes, enz.
7
10
98
NU747_3_G3-FRA.qxd 21/06/05 13:25 Page 3.27
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T3-NEL.win 4/8/2005 11:23
-page27
3.27
OPBERGRUIMTES / INDELING INTERIEUR (vervolg)
Bergruimte in het achterportier 7 Bergruimte in het achterportier 8 Opbergvakinhetdashboard9
Om dit te openen, trekt u aan de
handgreep 10.
12
11
13
NU747_3_G3-FRA.qxd 21/06/05 13:25 Page 3.28
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T3-NEL.win 4/8/2005 11:23
-page28
3.28
OPBERGRUIMTES / INDELING INTERIEUR (vervolg)
Bij auto's met airconditioning wordt
deze opbergruimte, gelijk het interi-
eur van de auto, geventileerd en ge-
koeld door de airconditioning.
Draai de afsluiting 11 om de lucht-
aanvoer te openen of te sluiten.
Opbergvakken in voorstoelen 12 Handgreep 13
Hieraankanmenzichvasthouden
tijdens het rijden. Gebruik deze niet
bij het in- of uitstappen.
1
3
2
4
NU747_3_G3-FRA.qxd 21/06/05 13:25 Page 3.29
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T3-NEL.win 4/8/2005 11:23
-page29
3.29
ASBAKKEN - AANSTEKER
Asbak 1
Deze past in de ruimtes 2 of 4.
Aansteker 3
Als het contact aan staat, drukt u de
aansteker 3 in.
Zodra hij heet is komt hij met een
klikje terug. Trek hem los. Plaats
hem na gebruik in de houder zonder
hem er helemaal in te drukken.
De aansteker is bestemd voor de
aansluiting van accessoires die
door RENAULT goedgekeurd
zijn met een maximum vermo-
gen van 120 Watt (spanning:
12V).
1
A
B
2
C
NU747_3_G3-FRA.qxd 21/06/05 13:25 Page 3.30
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T3-NEL.win 4/8/2005 11:23
-page30
3.30
ACHTERBANK: werking
De achterbank kan in zijn geheel of
in twee delen worden neergeklapt
voor het vervoer van grote voorwer-
pen.
Klap het zitkussen naar voren voor-
dat u de rugleuning neerklapt.
Zitkussen naar voren klappen
Trek de voorkant van het kussen A
van de bank tot aan de aanslag.
Als de achterbank niet deelbaar is,
controleer dan of het zitkussen aan
beide kanten goed ontgrendeld is.
Trek daarna de achterkant 1 van het
kussen omhoog en kantel het zitkus-
sen tegen de achterkant van de voor-
stoelen.
Voer deze verstellingen
uitsluitend uit als de au-
to stilstaat.
Als de kleine rugleuning
C van de deelbare achterbank is
neergeklapt, mag de middelste
zitting niet worden gebruikt om-
datdeautogordelnietkanwor-
den vastgemaakt (autogordel-
sluitingen niet bereikbaar).
Rugleuning neerklappen
Verwijder de hoofdsteunen achter,
indien aanwezig.
Schuif de voorstoelen voldoende
naar voren.
Plaats de autogordels in hun houder B.
Druk op de knop 2 en kantel de rug-
leuning C naar beneden.
Voordat u iets aan de rugleuning
doet, plaats u de autogordel in de
gordelgeleider A zodat de gordel
niet kan beschadigen.
1
A
3
NU747_3_G3-FRA.qxd 21/06/05 13:25 Page 3.31
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T3-NEL.win 4/8/2005 11:23
-page31
3.31
ACHTERBANK : werking (vervolg)
Bij het weer terugplaatsen van de
rugleuning, moet u erop letten
dat hij aan de bovenkant goed
vergrendeld is. Let op bij het ge-
bruik van stoelhoezen, dat deze
de vergrendeling van de rugleu-
ning niet belemmeren.
Let bij het bewegen van de bank
op de juiste stand van de gren-
dels van de autogordels voordat
u het zitkussen neerklapt. Als de
bank weer is teruggeplaatst, moet
u controleren of de autogordels
weer correct te gebruiken zijn.
Voor het terugplaatsen van de rug-
leuning, gaat u in omgekeerde volg-
orde te werk.
Zet de rugleuning weer omhoog en
klik deze vast tegen zijn steun.
Voor het terugplaatsen van het zit-
kussen, gaat u in omgekeerde volg-
orde te werk.
Trek het kussen van de bank om-
hoog, zodat de achterkant van het
zitkussen 1 onder de rugleuning
schuift.
Vergrendel tenslotte het zitkussen
door op de voorkant 3 van het kus-
sen A te drukken.
1
2
3
3
1
NU747_3_G3-FRA.qxd 21/06/05 13:25 Page 3.32
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T3-NEL.win 4/8/2005 11:23
-page32
3.32
HOEDENPLANK / BAGAGE VERVOEREN
Hoedenplank
Om deze te verwijderen:
-maakdetweekoordjes1 los.
- maak het zonnegordijn 2 los (af-
hankelijk van de auto);
- maak het soepele deel A,datbe-
vestigd is aan de rugleuning van
de achterbank, los (afhankelijk
van de auto);
- til de hoedenplank op en wip hem
naar boven toe los.
Bij het terugplaatsen, gaat u in om-
gekeerde volgorde te werk.
Zet geen bagage en vooral
geen zware of harde voor-
werpen op de hoeden-
plank.
Bij plotseling remmen of in geval
van een ongeluk kunnen rondslin-
gerende spullen de inzittenden in
gevaar brengen.
Plaats voor bevestigingshaken 3
Aan de bevestigingsringen kan ba-
gage worden vastgezet (zie de para-
graaf bagage vervoeren).
Afhankelijk van de auto, kan een ba-
gagenet, opgeborgen in de bergruim-
te onder de passagiersstoel, aan de-
ze haken vastgemaakt worden.
A
B
NU747_3_G3-FRA.qxd 21/06/05 13:25 Page 3.33
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T3-NEL.win 4/8/2005 11:23
-page33
3.33
BAGAGE VERVOEREN (vervolg)
Leterbijhetvervoeropdatdevoor-
werpen met hun langste zijde steu-
nen tegen ofwel:
- De rugleuning van de achterbank
in de normale gevallen (A).
- De neergeklapte achterbank als u gro-
te voorwerpen moet vervoeren (B).
Als u voorwerpen op de neergeklap-
te rugleuning wilt plaatsen, met de
bank in stand 3 zitplaatsen, zet u
eerst de hoofdsteunen omhoog
voordat u de rugleuning neerklapt.
Op deze manier kan de rugleuning
zo dicht mogelijk tegen het zitkus-
sen kantelen.
De zwaarste voorwerpen
plaatst u zo laag mogelijk
op de laadvloer. Zet de
lading indien mogelijk
vast aan de bevestigingspunten
(indien aanwezig) op de vloer
van de laadruimte. De lading
moet zo geplaatst zijn dat niets
naar voren op de passagiers ge-
slingerd kan worden in geval dat
de bestuurder plotseling moet
remmen. Maak de autogordels
van de zitplaatsen achter vast,
ook als deze niet bezet zijn.
1
2
NU747_3_G3-FRA.qxd 21/06/05 13:25 Page 3.34
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T3-NEL.win 4/8/2005 11:23
-page34
3.34
DAKDRAGERS
Bevestigingspunten vrijmaken
Open de portieren. Achter het rub-
ber 2, bevinden zich de afsluitbou-
ten 1 die de ruimtes beschermen
voor de bouten van de steun.
Demonteer nooit de af-
sluitbouten 1, waardoor
de gaten open blijven.
Bij het monteren van de dakdragers,
vervangt u de afsluitbouten door de
bouten van de steun die geleverd
worden met de dakdragers.
Als de bouten van de
steun eenmaal gemon-
teerd zijn, mogen ze niet
verwijderd worden (risi-
co op beschadiging van de auto).
Alleen de bouten die bij de origi-
nele RENAULT dakdragers wor-
den geleverd, mogen worden ge-
bruikt voor de bevestiging van de
dakdrager op de auto.
Raadpleeg uw RENAULT-dealer
voor het kiezen van de uitrusting
die aangepast is aan uw auto.
Montage moet gebeuren volgens de
montagevoorschriften van de fa-
brikant.
Het is raadzaam deze voorschriften
bij uw instructieboekje te bewaren.
Toegelaten belasting op de dagdra-
gers: raadpleeg de paragraaf mas-
sa's in hoofdstuk 6.
1
NU747_3_G3-FRA.qxd 21/06/05 13:25 Page 3.35
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T3-NEL.win 4/8/2005 11:23
-page35
3.35
DAKDRAGERS (vervolg)
Toegang tot de achterste bevesti-
gingspunten op driedeurs uit-
voering
Kantel elk klepje 1 omhoog en ver-
wijder de dop.
Vergeet niet, na het verwijderen van
de dakdragers, de dop weer terug te
plaatsen.
Raadpleeg uw RENAULT-dealer
voor het kiezen van de uitrusting
die aangepast is aan uw auto.
Montage moet gebeuren volgens de
montagevoorschriften van de fa-
brikant.
Het is raadzaam deze voorschriften
bij uw instructieboekje te bewaren.
Toegelaten belasting op de dagdra-
gers: raadpleeg de paragraaf mas-
sa's in hoofdstuk 6.
1
2
3
2
NU747_3_G3-FRA.qxd 21/06/05 13:25 Page 3.36
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T3-NEL.win 4/8/2005 11:23
-page36
3.36
GEÏNTEGREERDE BEDIENING VAN HANDSFREE TELEFOON
Telefoonsteun 1
Omdatelketelefoonzijneigen
technische gegevens heeft, is het
belangrijk de juiste steun te kie-
zen voor het monteren in de au-
to, raadpleeg uw RENAULT-
dealer.
Bediening bij het stuurwiel 2
Gebruik van de telefoon
Houdualtijdaandewet-
telijke voorschriften met
betrekking tot het ge-
bruik van dit apparaat.
Plaats van de microfoon 3
Raadpleeg voor de werking van
dit systeem de gebruiksaanwij-
zing van de betreffende fabri-
kant.
Het is raadzaam deze voorschrif-
ten bij uw instructieboekje te be-
waren.
NU747_3_G4-FRA.qxd 22/06/05 9:18 Page 4.01
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T4-NEL.win 22/7/2005 13:34
-page1
4.01
Hoofdstuk 4: Onderhoud
Motorkap ................................................................................................................................................ 4.02 - 4.03
Oliepeil van de motor / Olie verversen ............................................................................................. 4.04
4.07
Het peil van de: koelvloeistof ......................................................................................................................... 4.08
remvloeistof .......................................................................................................................... 4.09
ruitensproeiervloeistof / koplampsproeiervloeistof .......................................................... 4.10
Filters ................................................................................................................................................................. 4.10
Accu ................................................................................................................................................................... 4.11
Onderhoud van de carrosserie ............................................................................................................. 4.12 - 4.13
Onderhoud van de bekleding .......................................................................................................................... 4.14
1
2
NU747_3_G4-FRA.qxd 22/06/05 9:19 Page 4.02
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T4-NEL.win 22/7/2005 13:34
-page2
4.02
MOTORKAP
Om deze te openen trekt u aan de
handgreep 1,linksvanhetdash-
board.
Veiligheidshaak van de motor-
kap
Om deze te openen duwt u het lipje
2, naar links en tegelijkertijd tilt u
de motorkap op.
Bij werkzaamheden onder
de motorkap: de koelventi-
lateur kan onverwacht gaan
draaien.
3
4
5
NU747_3_G4-FRA.qxd 22/06/05 9:19 Page 4.03
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T4-NEL.win 22/7/2005 13:34
-page3
4.03
MOTORKAP (vervolg)
Til de motorkap omhoog, maak de
steun 4 los van de klem 5 en zet de
steun vast in de uitsparing 3 van de
motorkap en niet op een andere
plaats.
Bijeenbotsing,zelfseen
lichte, tegen de grille of
de motorkap, moet u zo
snel mogelijk het slot van
de motorkap laten controleren
door een RENAULT-dealer.
Sluiten van de motorkap
Controleer voordat u de motorkap
sluit of er geen gereedschap of ande-
re voorwerpen in de motorruimte
zijn achtergebleven.
Om de motorkap te sluiten houdt u
deze omhoog, maakt u de steun 4
weer vast in de klem 5 en pakt u de
voorkant van de kap in het midden
vast en laat u de kap naar beneden
zakken. Laat de kap de laatste 30 cm
in de vergrendeling vallen. Hij ver-
grendelt door zijn gewicht.
Controleer de vergrende-
ling.
25302
25167
25169
25301
25166
25231
NU747_3_G4-FRA.qxd 22/06/05 9:19 Page 4.04
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T4-NEL.win 22/7/2005 13:34
-page4
4.04
OLIEPEIL VAN DE MOTOR
Iedere motor verbruikt wat olie voor
hetsmerenenkoelenvandebewe-
gende delen in de motor. Het is
daarom normaal dat u tussen twee
onderhoudsbeurten olie moet bij-
vullen.
Indien u na de inrijperiode echter
meer dan 0,5 liter olie per 1 000 km
moet bijvullen, dient u dit aan uw
RENAULT-dealer te melden.
Controleer het oliepeil regelmatig
en in ieder geval voor elke grote
reis: vul indien nodig tijdig olie bij
om ernstige schade aan de motor te
voorkomen.
Aflezen van het oliepeil
Voor een betrouwbare aflezing moet
de auto horizontaal staan en mag de
motor geruime tijd niet hebben ge-
draaid.
U kunt het oliepeil op twee manie-
ren aflezen:
- op het instrumentenpaneel;
- met de peilstaaf.
Variant 1 Variant 2 Betekenis van de boodschappen
Boodschap 1
Voldoende olie
Boodschap 2
Voorbeeld van het oliepeil
Bericht 3
Minimumpeil
Aflezen van het oliepeil op het in-
strumentenpaneel
Bij het aanzetten van het contact en
gedurende ongeveer 15 secondes:
- als het peil goed is,verschijntop
het display “oil OK”: boodschap 1.
Bijzonderheid: als u het peil nog
nauwkeuriger wilt weten, druk dan
op de functiekeuzeknop van de
boordcomputer.
De blokjes op het display geven het
oliepeil aan. Zij verdwijnen naar-
mate het oliepeil daalt en worden
vervangen door streepjes: bijvoor-
beeld boodschap 2.
Om andere informatie te kunnen le-
zen op uw boordcomputer, drukt u
opnieuw op de functiekeuzetoets.
A
B
C
A
B
NU747_3_G4-FRA.qxd 22/06/05 9:19 Page 4.05
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T4-NEL.win 22/7/2005 13:34
-page5
4.05
OLIEPEIL VAN DE MOTOR (vervolg)
Aflezen van het peil op het in-
strumentenpaneel
(vervolg)
Om andere informatie te kunnen le-
zen op uw boordcomputer, drukt u
opnieuw op de functiekeuzetoets.
- als het minimumpeil is bereikt,
verschijnt de boodschap oil of
olie bijvullen op het display,
zijn de blokjes vervangen door
streepjes en licht het waarschu-
wingslampje op het instru-
mentenpaneel op.
U mag de motor niet starten zo-
lang u geen olie heeft bijgevuld.
Aflezen van het oliepeil op de peil-
staaf
- haal de peilstaaf uit de motor;
- veeg de peilstaaf af met een droge
en niet pluizende doek;
- steek de peilstaaf weer zo diep mo-
gelijk in zijn houder, (als de motor
een peildop C heeft, draait u de-
ze geheel vast);
- haal de peilstaaf weer uit de mo-
tor;
- lees het peil af: het mag nooit on-
der het minimumpeil A of boven
het maximumpeil B komen.
Bij werkzaamheden onder
de motorkap: de koelventi-
lateur kan onverwacht gaan
draaien.
Als het peil abnormaal of herhaal-
delijk daalt, moet u een RENAULT-
dealer raadplegen.
1
1
2
1
1.2 16V 1.4 16V - 1.6 16V
2
1
2
1.5 dCi
1
2
NU747_3_G4-FRA.qxd 22/06/05 9:19 Page 4.06
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T4-NEL.win 22/7/2005 13:34
-page6
4.06
OLIEPEIL VAN DE MOTOR (vervolg)
(Bij)vullen
De auto moet horizontaal staan en
de motor moet koud zijn (bijvoor-
beeld voordat u 's morgens weg-
rijdt).
-Draaidop1 los;
- vul olie bij. Het verschil tussen het
hoogste en het laagste peil op de
peilstaaf 2 is (afhankelijk van de
motor) ongeveer 1,5 tot 2 liter;
-wacht10minutenomdeolienaar
beneden te laten zakken in de mo-
tor;
- controleer het oliepeil met de peil-
staaf 2 zoals hiervoor is beschre-
ven.
Vul nooit bij tot boven het maxi-
mumpeil en vergeet niet de dop 1
weer vast te zetten.
NU747_3_G4-FRA.qxd 22/06/05 9:19 Page 4.07
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T4-NEL.win 22/7/2005 13:34
-page7
4.07
OLIEPEIL VAN DE MOTOR (vervolg) / OLIE VERVERSEN
Motorolie verversen
Interval: raadpleeg het onder-
houdsboekje van uw auto.
Inhoud (gemiddeld en ter informa-
tie)
Motor 1.2 16V : 4,0 liter
Motor 1.4 16V : 5,1 liter
Motor 1.6 16V : 5,1 liter
Motor 2.0 : 4,6 liter
Motor 1.5 dCi : 4,5 liter
Met inbegrip van het oliefilter.
Zie het onderhoudsboekje voor het
juiste interval waarbij het oliefilter
moet worden vervangen.
Soort motorolie
Raadpleeg het onderhoudsboekje
van uw auto om te weten welke mo-
torolie u mag gebruiken.
Bijvullen: let op dat er geen
olie wordt gemorst op on-
derdelen van de motor of
de uitlaat. Hierdoor kan
brand ontstaan. Ook moet de
vuldop goed zijn vastgezet om te
voorkomen dat hij lostrilt waar-
door er olie uit de motor kan spat-
ten met hetzelfde brandgevaar als
deze olie op hete delen van de mo-
tor of de uitlaat terechtkomt.
Olie aftappen: Let op bij
het aftappen van hete olie
dat u zich er niet aan
brandt.
Bij werkzaamheden onder
de motorkap: de koelventi-
lateur kan onverwacht gaan
draaien.
Laat de motor nooit in een
afgesloten ruimte draaien:
uitlaatgassen zijn giftig.
Als het peil abnormaal of herhaal-
delijk daalt, moet u een RENAULT-
dealer raadplegen.
1
NU747_3_G4-FRA.qxd 22/06/05 9:19 Page 4.08
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T4-NEL.win 22/7/2005 13:34
-page8
4.08
PEILEN
Koelvloeistof
Hetpeilmoetbij koude motor lig-
gen tussen de merktekens MINI en
MAXI die op het expansievat 1 zijn
aangegeven.
Vul bij koude motor bij via de
vuldop, voordat het peil beneden
het MINI-merkteken is gedaald.
Regelmatige controle van het peil
Controleer regelmatig het peil van
de koelvloeistof. De motor kan ern-
stig beschadigd worden door een ge-
brek aan koelvloeistof.
Vul uitsluitend bij met door
RENAULT goedgekeurde producten
die zorgen voor een bescherming:
- tegen bevriezen;
- tegen corrosie.
Zolang de motor warm is,
mogen er geen werk-
zaamheden aan de motor
en het koelsysteem wor-
den uitgevoerd.
Gevaar van brandwonden.
Interval voor het vervangen
Dit onderhoud is inbegrepen in het
RENAULT onderhoudsprogramma.
Als het peil abnormaal of her-
haaldelijk daalt, moet u een
RENAULT-dealer raadplegen.
1
NU747_3_G4-FRA.qxd 22/06/05 9:19 Page 4.09
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T4-NEL.win 22/7/2005 13:34
-page9
4.09
PEILEN (vervolg)
Remvloeistof
Controleer regelmatig het peil van
de remvloeistof en zeker als u bij het
remmen een verschil, hoe gering
ook, opmerkt.
Peil 1
Hetisnormaaldathetremvloeistof-
peil daalt met het slijten van de rem-
blokken, maar het mag nooit bene-
den het merkteken “MINI” komen.
Bijvullen
Na werkzaamheden aan het hydrau-
lische circuit moet de remvloeistof
worden vervangen door een des-
kundige.
Gebruik hiervoor uitsluitend door
RENAULT goedgekeurde remvloei-
stof uit een verzegelde verpakking.
Interval voor het vervangen
Dit onderhoud is inbegrepen in het
RENAULT onderhoudsprogramma.
Bij werkzaamheden on-
der de motorkap: de koel-
ventilateur kan onver-
wacht gaan draaien.
1
1
2
NU747_3_G4-FRA.qxd 22/06/05 9:19 Page 4.10
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T4-NEL.win 22/7/2005 13:34
-page10
4.10
PEILEN (vervolg) FILTERS
Reservoir ruitensproeiers / kop-
lampsproeiers
Bijvullen
Open de dop 1,vulbijtotudevloei-
stof ziet en plaats de dop weer terug.
Vloeistof
Product voor ruitensproeiers ('s
winters met speciale antivries).
Sproeiers
U kunt de sproeiers van de voorruit
richten, gebruik hiervoor bijvoor-
beeld een dunne naald.
N.B.
Gebruik, afhankelijk van de auto,
voor het meten van het vloeistof-
peil de pipet-dop. Sluit hier-
voor het gat 2 (in de dop) af en
verwijder de dop.
Het vervangen van de filters (lucht-
filter, interieurfilter, brandstoffilter)
maakt deel uit van het onder-
houdsprogramma van uw auto.
Interval voor het vervangen van de
filters: raadpleeg het onder-
houdsboekje van uw auto.
Bij werkzaamheden on-
der de motorkap: de koel-
ventilateur kan onver-
wacht gaan draaien.
1
2
NU747_3_G4-FRA.qxd 22/06/05 9:19 Page 4.11
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T4-NEL.win 22/7/2005 13:34
-page11
4.11
ACCU
Deze bevindt zich onder het deksel 1
Deze heeft geen onderhoud nodig.
De accu bevat zwavel-
zuur. Vermijd daarom
contact met de ogen, de
huid of kleding. Bij on-
verhoopt contact spoelen met
veel water.
Houd open vuur verwijderd van
de accu: explosiegevaar.
Vervangen van de accu
Omdat dit een ingewikkelde in-
greep is, adviseren wij dit over te la-
ten aan uw RENAULT-dealer.
Raadpleeg de paragraaf Accu: sto-
ring in hoofdstuk 5.
De accu is van een speciaal
type (met een slang 2 voor
het naar buiten afvoeren
van het explosieve gas), let
op dat deze slang aangesloten kan
worden op de vervangende accu.
Raadpleeg uw RENAULT-dealer.
NU747_3_G4-FRA.qxd 22/06/05 9:19 Page 4.12
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T4-NEL.win 22/7/2005 13:34
-page12
4.12
ONDERHOUD VAN DE CARROSSERIE
Bescherming tegen corrosieve
invloeden
Uw auto is op doelmatige wijze te-
gen roestvorming beschermd. Toch
staat hij bloot aan de invloed van:
agressieve stoffen in de lucht
- luchtverontreiniging in steden
en in industriegebieden,
- zilte lucht langs de kust, vooral
bij warm weer,
- wisselende klimaatinvloeden en
veranderingen in de vochtig-
heidsgraad (wegenzout in de
winter),
schurende stoffen
Stof in de lucht en zand dat door
de wind wordt opgewaaid, mod-
der, opspattende steentjes, enz.,
de kleine beschadigingen in het
dagelijks gebruik
Om de bescherming van de car-
rosserie zo doelmatig mogelijk te
houden, zijn een aantal maatrege-
len nodig om de hierboven ge-
noemde gevaren te bestrijden.
Wat u niet moet doen
De auto wassen in de felle zon of
als het vriest.
Vuil of insectenresten wegkrab-
ben, zonder ze eerst met water los
te weken.
De auto verwaarlozen zodat vuil
zich kan ophopen.
Kleine beschadigingen niet (la-
ten) bijwerken.
Vlekken of aanslag verwijderen
met oplosmiddelen die niet door
RENAULT worden aanbevolen.
De lak kan hierdoor worden aan-
getast.
In de winterperiode het vuil en
pekelindewielkuipenenopde
bodemplaat laten ophopen en de
zoute aanslag op de carrosserie la-
ten zitten.
Een niet door RENAULT goedge-
keurde hogedrukspuit gebruiken
om mechanische delen (bijv. de
motorruimte), scharnierende de-
len (bijv. tankklep), gespoten
kunststof delen (bijv. bumpers) of
de onderzijde van de carrosserie
te reinigen of deze delen in te
spuiten met niet door RENAULT
goedgekeurde producten. Hier-
door kunnen defecten of kan oxi-
datie ontstaan.
NU747_3_G4-FRA.qxd 22/06/05 9:19 Page 4.13
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T4-NEL.win 22/7/2005 13:34
-page13
4.13
ONDERHOUD VAN DE CARROSSERIE (vervolg)
Wat u moet doen
Was uw auto regelmatig, met de
motor uit, met door RENAULT ge-
selecteerde shampoos (nooit met
schuurmiddelen) en spuit met de
waterstraal vooral de wielkuipen
en de onderkant van de carrosse-
rie schoon voor het verwijderen
van:
- de aanslag door luchtverontrei-
niging, bloeiende bomen (lin-
den bijvoorbeeld);
- uitwerpselen van vogels die de
lak snel doen verkleuren of zelfs
kunnen doen loslaten;
Deze vlekken moet u direct weg-
wassen, want zij kunnen later
niet meer door poetsen worden
verwijderd;
- zout dat op de gehele auto, maar
vooral in de wielkuipen en on-
der de bodem achterblijft,
- modder uit de wielkuipen en
onder de drempelkokers die an-
ders lange tijd het vocht kunnen
vasthouden.
Houd bij het rijden op pas geasfal-
teerde wegen afstand van de an-
dere autos om beschadiging van
lak en ruiten door opspattend
split te voorkomen.
Kleine beschadigingen van de lak
moet u snel herstellen of laten
herstellen zodat roest ook daar
geen kans krijgt.
Laat uw RENAULT-dealer regel-
matig de carrosserie inspecteren
in verband met de RENAULT
plaatwerkgarantie. Raadpleeg het
onderhoudsboekje.
Houd rekening met lokale voor-
schriften inzake het wassen van
een auto, (bijv.: niet op de openba-
re weg).
Als u de auto in een wasstraat of
wasportaal met borstels laat
schoonmaken, moet u vooraf de
bevestiging van de uitrusting aan
de buitenkant, bijvoorbeeld extra
lampen en spiegels, controleren.
Zet de ruitenwisserbladen met
plakband vast.
Zet de schakelar terug in de stand
uit om beschadiging van de
bladen te voorkomen (raadpleeg
hoofdstuk ruitenwisser/-sproeier
voorruit in hoofdstuk 1).
Verwijder de antennespriet.
Bewegende delen of mechanische
organen moeten na reiniging al-
tijd met een door RENAULT goed-
gekeurd product opnieuw wor-
den beschermd.
In de RENAULT Boutique vindt
u een uitgebreid gamma speciale
onderhouds- en reinigingsmid-
delen voor de carrosserie en het
interieur van uw auto.
NU747_3_G4-FRA.qxd 22/06/05 9:19 Page 4.14
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T4-NEL.win 22/7/2005 13:34
-page14
4.14
ONDERHOUD VAN DE BEKLEDING
Reinig de bekleding (ongeacht het
materiaal ervan) met koud of lauw-
warm zeepsop op basis van:
groene zeep,
afwasmiddel (1:200 verdund).
Veeg de bekleding na met een voch-
tige, zachte doek.
Bijzonderheden
Ruiten van instrumenten (bijv.
van het instrumentenpaneel,
klokje, buitenthermometer, ra-
diopaneel).
Veeg deze schoon met een zachte
doek of poetskatoen.
Als dat onvoldoende is, gebruik
dan een in zeepsop gedrenkte
doek of poetskatoen en veeg de
ruit voorzichtig na met een voch-
tige doek.
Veeg de ruit tenslotte voorzichtig
af met een droge zachte doek.
Gebruik geen producten op alco-
holbasis.
Autogordelsenpackvoorkinde-
ren
Deze moeten schoon zijn.
Gebruik producten die door
RENAULT Boutique worden gele-
verd of lauw zeepsop en een
spons; veeg de gordels met een
doek droog.
Verwijder gordeladapter voor het
reinigen.
Gebruik geen wasmiddelen of
kleurstoffen omdat deze de gor-
dels kunnen aantasten.
Wat u niet moet doen
Het gebruik van een hogedrukreini-
ger of het sproeien in het interieur
van de auto wordt ten strengste af-
geraden: als geen bijzondere voor-
zorgsmaatregelen worden genomen
bestaat het gevaar dat elektrische en
elektronische componenten in de
auto defect raken.
Hetwordtmetkrachtontradenom
voorwerpen met deodorant, parfum
enz., bij de ventilatieroosters te
plaatsen omdat deze de bekleding
van het dashboard kunnen aantas-
ten.
NU747_3_G5-FRA.qxd 16/06/05 10:57 Page 5.01
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T5-NEL.win 4/8/2005 11:28
-page1
5.01
Hoofdstuk 5: Praktische tips
Reservewiel ........................................................................................................................................... 5.02 5.04
Gereedschap (krik - wielsleutel) ...................................................................................................................... 5.05
Sierdoppen - Wielen ......................................................................................................................................... 5.06
Verwisselen van een wiel ................................................................................................................................ 5.07
Banden (veiligheid, wielen, wintergebruik) ...................................................................................... 5.08
5.10
Lampen voor (vervangen van een lamp) ........................................................................................... 5.11
5.14
Lampen achter (vervangen van een lamp) .......................................................................................... 5.15 -5.16
Zijverlichting (vervangen van een lamp) ........................................................................................................ 5.16
Binnenverlichting (vervangen een lamp) .............................................................................................5.17-5.18
Zekeringen .............................................................................................................................................. 5.19 - 5.20
Accu ...................................................................................................................................................... 5.21
5.24
FM-afstandsbediening: batterij ........................................................................................................................ 5.25
RENAULT card: batterij .................................................................................................................................... 5.26
Inbouwen van een autoradio / accessoires ......................................................................................... 5.27-5.28
Ruitenwisserbladen (vervangen) ........................................................................................................... 5.29 - 5.30
Slepen (pech) ....................................................................................................................................... 5.31
5.33
Storingen ............................................................................................................................................... 5.34
5.41
2
4
1
5
A
6
7
3
NU747_3_G5-FRA.qxd 16/06/05 10:57 Page 5.02
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T5-NEL.win 4/8/2005 11:28
-page2
5.02
RESERVEWIEL
Het reservewiel bevindt zich onder
de auto.
- Open de achterklep;
- til de mat 1 op;
- til het deksel 2 op en verwijder
het;
- verwijder de gereedschapset door
deze aan de handgrepen op te til-
len.
De sticker 3 herinnert u aan de
werking van de lier van het reser-
vewiel.
- zet de moer 4 linksom los tot hij
helemaal omhoog is gekomen,
plaats daarna de handpalm op zo-
ne B van de handgreep 5 en duw
naar de voorkant van de auto, het
wiel valt naar beneden.
Er mag zich niemand on-
der de auto bevinden als
u tegen handgreep 5
duwt.
Als u tegen handgreep 5 duwt,
zorg dan dat uw voeten niet
dichtbij de auto staan.
- trek het wiel naar u toe;
- laat het wiel plat liggen, maak de
kabel 6 los uit zijn houder 7.
U kunt het wiel losmaken van zijn
houder.
Raak de uitlaat niet aan,
gevaar van brandwon-
den.
6
7
5
8
9
NU747_3_G5-FRA.qxd 16/06/05 10:57 Page 5.03
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T5-NEL.win 4/8/2005 11:28
-page3
5.03
RESERVEWIEL (vervolg)
Om een wiel opnieuw te installeren
Hiervoor moet de kabel zijn afge-
rold.
Als de kabel vanzelf opgerold is,
moet u deze opnieuw uitrollen:
- Trek aan de handgreep om de ka-
bel uit te rollen;
- druk op de knop onder de hand-
greep 5 om de kabel uitgerold te
houdenenhelpdezedanbijhet
naar beneden gaan;
- Haal de kabel onder de auto van-
daan.
U kunt het wiel weer omhoog bren-
gen.
Na het verwisselen van een wiel,
legt u het gedemonteerde wiel op de
houder 8, met het ventiel naar bene-
den. Klem de kabel 6 in zijn houder
7 en duw het wiel onder de bagage-
ruimte.
Zorg dat het lipje 9 naar de achter-
kant van de auto wijst.
Let op dat er geen vingers
in de buurt van de kabel
komen bij het bewegen
van de handgreep: gevaar
van verwondingen
Ga achter de auto staan en trek aan
handgreep 5 om het wiel omhoog te
brengen tot het onder de auto vast-
gehaakt is.
5
4
NU747_3_G5-FRA.qxd 16/06/05 10:57 Page 5.04
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T5-NEL.win 4/8/2005 11:28
-page4
5.04
RESERVEWIEL (vervolg)
Om het systeem te vergrende-
len:
-drukopdemoer4 door deze een
aantal omwentelingen vast te
draaien tot hij vastzit. Dit is nodig
om het reservewiel veilig op zijn
plaats te houden;
- zet de handgreep 5 terug op zijn
plaats;
- klem de gereedschapset vast;
- plaats het deksel terug en leg de
mat van de bagageruimte terug op
zijn plaats.
N.B.: als de gereedschapset niet ver-
grendeld wordt, controleer dan of
de moer 4 vastzit en of de handgreep
5 goed op zijn plaats zit.
Bijzonderheden
De houder van het reservewiel moet
altijd aanwezig zijn, ook als er geen
wiel is: gevaar van waterlekkage.
Alsuhemvrijwiltmaken,terwijler
geen wiel is, drukt u het midden van
de houder van het wiel naar bene-
denendruktutegelijkertijdopde
handgreep 4.
Zet de moer altijd op de
aangegeven manier vast
om het wiel veilig op zijn
plaats te houden.
Laat het reservewiel regel-
matig controleren. Na ver-
loop van tijd kan het door
veroudering onbruikbaar
worden.
Het systeem mag alleen ge-
bruikt worden met de origi-
nele wielen van de auto.
Auto's met een reservewiel
dat kleiner is dan de ande-
re vier wielen.
Het reservewiel mag alleen
tijdelijk gebruikt worden en u mag
niet sneller rijden dan 80 km/u.
2
1
4
A
7
3
5
6
NU747_3_G5-FRA.qxd 16/06/05 10:57 Page 5.05
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T5-NEL.win 4/8/2005 11:28
-page5
5.05
GEREEDSCHAP
Het gereedschap A bevindt zich in
de bak van de lier van het reserve-
wiel.
Om bij het gereedschap te komen,
tilt u de mat van de bagageruimte
omhoog,tiltuhetdekselopenver-
wijdert u deze.
Verwijder de gereedschapsset door
deze aan de twee zijkanten op te til-
len.
Bij het monteren gaat u in omge-
keerde volgorde te werk.
Bergruimte 1
Hierin kan een doos met lampen op-
geborgen worden.
Bergruimte 2
Hierin kan een antidiefstalmoer op-
geborgen worden.
Wielmoersleutel 3
Hiermee draait u de wielbouten los
en zet u deze weer vast.
Sleepoog 4
Raadpleeg de paragraaf “slepen” in
hoofdstuk 5.
Wieldopsleutel 5 of 6
Hiermee kunt u de wieldoppen ver-
wijderen.
Krik 7
Maak de krik 7 vrij.
Voordat u de krik weer terug plaatst,
brengt u hem weer in de oorspron-
kelijke stand.
Gebruik de krik alleen
voor het verwisselen van
een wiel. De krik mag
nooit als steun bij werk-
zaamheden onder de auto wor-
den gebruikt.
2
3
A
1
4
5
99326
6
C
D
B
NU747_3_G5-FRA.qxd 16/06/05 10:57 Page 5.06
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T5-NEL.win 4/8/2005 11:28
-page6
5.06
WIELDOP - WIEL
Wieldop model 1
Steek het haakje van de wieldop-
sleutel 2 (opgeborgen bij het gereed-
schap) in de opening dichtbij het
ventiel 3.
Let bij het terug plaatsen op de stand
ten opzichte van ventiel 3.Duwde
haakjes te beginnen bij de kant van
ventiel A daarna B en C en eindig bij
de kant tegenover ventiel D.
Wieldop model 4
Maak deze los met behulp van de
wieldopsleutel 6 (opgeborgen bij
het gereedschap) door de sleutel 6
in de uitsparing 5 te steken.
Bij het terugplaatsen richt u de dop
ten opzichte van de uitsparing 5 en
draait u hem vast met de sleutel 6.
Noteer het nummer van de sleu-
tel zodat u deze bij verlies kunt
nabestellen.
1
4
3
2
A
NU747_3_G5-FRA.qxd 16/06/05 10:57 Page 5.07
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T5-NEL.win 4/8/2005 11:28
-page7
5.07
VERWISSELEN VAN EEN WIEL
Zetdeautostilopeenhori-
zontale, stroeve (bijv. geen
gladde tegels, enz.) en ste-
vige ondergrond (leg indien
nodig een stevige plank onder de
krik), schakel de alarmknipperlich-
teninenplaatsdegevarendrie-
hoek.
Zet de handrem vast en schakel een
versnelling in (eerste of achteruit,
of P bij een automatische transmis-
sie).
Laat alle inzittenden uitstappen en
houd hen op veilige afstand van het
verkeer.
Verwijder de wieldop indien nodig.
Maak wielbouten los met behulp
van wielmoersleutel 4. Plaats hem
zo dat u deze naar beneden moet
duwen.
Begin de krik 1 metdehandvastte
zetten om de kop goed onder de
steun 3 te plaatsen zo dicht mogelijk
bij het betreffende wiel en, afhanke-
lijk van de auto, gemerkt met een
pijl 2.
Ga door met vastzetten om de on-
derkant van de krik goed neer te zet-
ten (hij moet verticaal onder de auto
staan en in één lijn staan met de kop
van de krik A).
Draai de zwengel een paar slagen
zodat het wiel vrijkomt van de
grond.
Draai de wielbouten geheel los en
neem het wiel van de naaf.
Plaats het reservewiel op de naaf en
draai het wiel rond tot de gaten voor
de wielbouten samenvallen.
Als het reservewiel eigen bouten
heeft, mag u deze bouten uitslui-
tend gebruiken voor het reserve-
wiel. Monteer de bouten, draai ze
vast en laat de krik zakken.
Met het wiel op de grond zet u de
bouten goed vast, en laat het vast-
zetten zo snel mogelijk controleren
(aantrekkoppel 110 Nm).
Als u merkt dat een band
lek is moet u direct stop-
penenhetreservewiel
monteren.
Een lekke band moet zo snel mo-
gelijk worden gerepareerd en
vóór terugplaatsing door een des-
kundige worden onderzocht.
1
2
NU747_3_G5-FRA.qxd 16/06/05 10:57 Page 5.08
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T5-NEL.win 4/8/2005 11:28
-page8
5.08
BANDEN
Veiligheid van de banden - wie-
len
De banden vormen de enige verbin-
ding tussen de auto en het wegdek,
het is daarom van het grootste be-
lang dat zij in goede staat verkeren.
Houd u strikt aan de wettelijke
voorschriften op dit gebied.
Als de banden vervangen
moeten worden, mag dit
alleen gebeuren door
even grote banden van
hetzelfde merk, met dezelfde ei-
genschappen en met hetzelfde
profiel.
Zij moeten voldoen aan de door
RENAULT gestelde eisen.
Raadpleeg bij twijfel uw
RENAULT-dealer.
Onderhoud van de banden
De banden van uw auto moeten al-
tijd aan de wettelijke voorschriften
voldoen. Bovendien moeten de ban-
den, in het belang van een goede
wegligging van uw auto, van het-
zelfde merk zijn en hetzelfde profiel
hebben. De banden moeten in goede
staat verkeren en voldoende profiel
hebben; de merken die door de fa-
briek zijn goedgekeurd, zijn voor-
zien van slijtagecontrolestiften 1.
Deze slijtagecontrolestiften zijn op
regelmatige afstanden over de om-
trek van het loopvlak verdeeld. Als
het loopvlak van een band tot aan
deze stiften is weggesleten, zoals bij
2, moet u deze band laten vervan-
gen omdat er dan nog slechts
1,6 mm profiel overblijft.
Ook door overbelasting, door het
langdurig snel rijden bij hoge bui-
tentemperaturenendoorhetregel-
matig rijden op slechte wegen, kun-
nen de banden worden beschadigd,
waardoor de veiligheid in gevaar
komt.
Bestuurdersfouten, zoals
rijden tegen een stoep-
rand, kunnen de ban-
den en de velgen bescha-
digen, en de voorwielen of ach-
terwielen ontregelen. Laat in dat
geval hun staat door een
RENAULT-dealer controleren.
NU747_3_G5-FRA.qxd 16/06/05 10:57 Page 5.09
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T5-NEL.win 4/8/2005 11:28
-page9
5.09
BANDEN (vervolg)
Bandenspanning
Houd u aan de bandenspanning die
in de tabel met bandenspanningen
wordt genoemd. Controleer de ban-
denspanning tenminste eenmaal
permaandenzekervooreenlange
rit. Controleer dan ook de spanning
van de reserveband.
Door een te lage banden-
spanning ontstaat vroeg-
tijdige slijtage en worden
de banden abnormaal
heet, met alle gevolgen van dien
voor de veiligheid:
- slechte wegligging,
- kans op een klapband of het
loslaten van het loopvlak.
De bandenspanning is afhanke-
lijk van de belasting en de snel-
heid.Zorgvoordejuistebanden-
spanning afhankelijk van de
gebruiksomstandigheden (raad-
pleeg de paragraaf banden-
spanning).
Controleer de spanning bij koude
banden, houd geen rekening met
een hogere waarde bij warm weer of
na een snel gereden rit.
Indien u de bandenspanning niet bij
koude banden kunt controleren,
moet u de opgegeven waarden met
0,2 tot 0,3 bar (3PSI) verhogen.
Verlaag nooit de spanning van een
warme band.
Let op: op een kleine sticker aan de
binnenkant van de linker voorpor-
tierstijl staat ook de bandenspan-
ning aangegeven.
Het kruisen van de wielen
Wij raden u af de wielen onderling
van plaats te verwisselen.
Vervangen van de banden
Laat, om veiligheidsre-
denen het vervangen van
de banden over aan een
deskundige.
Door het monteren van afwijken-
de banden kan:
- de auto gaan afwijken van de
betreffende wettelijke voor-
schriften;
- de wegligging verslechteren;
- het sturen zwaarder gaan;
- de geluidsproductie toenemen;
- het gebruik van sneeuwkettin-
gen belemmerd worden.
Reservewiel
Raadpleeg de paragrafen reserve-
wiel en verwisselen van een wiel
in hoofdstuk 5.
NU747_3_G5-FRA.qxd 16/06/05 10:57 Page 5.10
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T5-NEL.win 4/8/2005 11:28
-page10
5.10
BANDEN (vervolg)
Debandenindewinter
Sneeuwkettingen
Sneeuwkettingen mogen uitslui-
tend rond de voorwielen worden
gelegd.
Als een te grote bandenmaat is ge-
monteerd, kunnen er geen
sneeuwkettingen worden gemon-
teerd.
Het gebruik van sneeuw-
kettingen is alleen moge-
lijk in combinatie met
banden die even groot
zijn als de oorspronkelijk op uw
auto gemonteerde banden.
Op de wielen kunnen alleen spe-
cifieke sneeuwkettingen gemon-
teerd worden. Raadpleeg uw
RENAULT-dealer.
Winterbanden
Indien u speciale winterbanden
laat monteren, raden wij u aan de-
ze banden op alle vier wielen te
monteren.
Let op: op deze banden staan
soms:
- Een pijl met de draairichting,
- een indicatie van de maximum
snelheid die niet overschreden
mag worden, ook al is die lager
dandetopsnelheidvandeauto.
Spijkerbanden
Het gebruik van spijkerbanden is
slechts onder bepaalde omstan-
digheden toegestaan.
Houd u aan de ter plaatse gelden-
de voorschriften, en rijd met spij-
kerbanden niet sneller dan de
daarmee toegelaten maximum
snelheid.
Indien u voor spijkerbanden
kiest, moeten zij in ieder geval
links en rechts voor worden ge-
monteerd.
Wij raden u in ieder geval aan uw
RENAULT-dealer te raadplegen. Hij
weet als geen ander welke voorzie-
ningen het beste bij uw auto pas-
sen.
A
B
5
2
1
C
6
3
4
NU747_3_G5-FRA.qxd 16/06/05 10:57 Page 5.11
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T5-NEL.win 4/8/2005 11:28
-page11
5.11
KOPLAMPEN MET HALOGEENLAMPEN: vervangen van de lampen
Door hun beperkte toegankelijkheid
(soms is het nodig om organen van
de carrosserie of mechanische orga-
nen te demonteren), raden wij u aan
de lampen door uw RENAULT-
dealer te laten vervangen.
Richtingaanwijzer
Draai de lamphouder C een kwart
slag en maak de lamp los.
Lamptype: oranje lamp P21 W.
Controleer na het terugplaatsen van
de lamp of deze goed is vergren-
deld.
Dimlicht / Grootlicht
Verwij der de ka p A of B.
Maak de stekker 2 of 6 los van de be-
treffende lamp.
Maak de veer vrij.
Verwij der de l amp 3 of lamp 5.
Bij werkzaamheden on-
der de motorkap: de koel-
ventilateur kan onver-
wacht gaan draaien.
De koplampen hebben een
kunststof ruit, gebruik
daarom alleen anti U.V.
55 W lampen (gebruik van
andere lampen kan de koplamp
beschadigen).
De lampen staan onder druk en
kunnen openbarsten bij het ver-
vangen. Risico van verwonding.
Wij adviseren u een set reserve
lampen in de auto mee te nemen.
A
B
5
2
1
C
6
3
4
NU747_3_G5-FRA.qxd 16/06/05 10:57 Page 5.12
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T5-NEL.win 4/8/2005 11:28
-page12
5.12
KOPLAMPEN MET HALOGEENLAMPEN: vervangen van de lampen (vervolg)
Lamptype: anti u.v.
(zie kader).
3
H7
5
H1 of H7
Raak het lampglas niet aan. Houd
de lamp vast aan de metalen voet.
Vergeet niet, na het vervangen van
delamp,dekapterugteplaatsen.
Noteer de positie van de lamp voor
u deze demonteert om deze later
weer correct te kunnen monteren.
Markeringslicht voor
Verwij der het kapje B en trek aan de
lamphouder 4 om bij de lamp te ko-
men.
Lamptype: W5W.
Bij werkzaamheden on-
der de motorkap: de koel-
ventilateur kan onver-
wacht gaan draaien.
De koplampen hebben een
kunststof ruit, gebruik
daarom alleen anti U.V.
55 W lampen (gebruik van
andere lampen kan de koplamp
beschadigen).
De lampen staan onder druk en
kunnen openbarsten bij het ver-
vangen. Risico van verwonding.
Wij adviseren u een set reserve
lampen in de auto mee te nemen.
A
B
A
1
C
2
3
NU747_3_G5-FRA.qxd 16/06/05 10:57 Page 5.13
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T5-NEL.win 4/8/2005 11:28
-page13
5.13
KOPLAMPEN MET XENONLAMPEN: vervangen van de lampen
Door hun beperkte toegankelijkheid
(soms is het nodig om organen van
de carrosserie of mechanische orga-
nen te demonteren), raden wij u aan
de lampen door uw RENAULT-
dealer te laten vervangen.
Auto met xenonlam-
pen A
Om veiligheidsredenen,
moet het vervangen van
de lampen worden overgelaten
aan een RENAULT-dealer.
Grootlicht
Verwijder de plastic kap B.
Maak de stekker van de lamp 1 los.
Maak de veer vrij.
Verwij der de l amp 2.
Lamptype anti U.V.
(zie kader):
2
H7
Raak het lampglas niet aan. Houd
de lamp vast aan de metalen voet.
Vergeet niet, na het vervangen van
delamp,dekapterugteplaatsen.
Markeringslicht voor
Verwijder het kapje B en trek aan de
lamphouder 3 om bij de lamp te ko-
men.
Lamptype: W5W.
Richtingaanwijzer
Draai de lamphouder C een kwart
slag en maak de lamp los.
Lamptype: lamp PY21 W.
De koplampen hebben
een «kunststof» ruit, ge-
bruik daarom alleen anti
U.V. 55 W lampen (ge-
bruik van andere lampen kan de
koplamp beschadigen).
De lampen staan onder druk en
kunnen openbarsten bij het ver-
vangen. Risico van verwonding.
Wij adviseren u een set reserve
lampen in de auto mee te nemen.
1
2
NU747_3_G5-FRA.qxd 16/06/05 10:57 Page 5.14
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T5-NEL.win 4/8/2005 11:28
-page14
5.14
KOPLAMPEN: mistlichten voor / extra lampen
Mistlichten voor 1
Vervangen van een lamp
Raadpleeg uw RENAULT-dealer.
Lamptype: H11.
Extra lampen
Vraag uw RENAULT-dealer advies
indien u extra lampen (mistlichten
of verstralers) op uw auto wilt mon-
teren.
Wijzig niet zelf de bedra-
ding van de auto want
door een verkeerde aan-
sluiting kan de elektri-
sche installatie worden bescha-
digd (bedrading, organen en in
het bijzonder de dynamo). Laat
eventuele veranderingen door
uw RENAULT-dealer uitvoeren
die beschikt over de noodzakelij-
ke onderdelen.
Auto met bochtlichten
Door hun beperkte toegankelijkheid
(somsishetnodigomorganenvan
de carrosserie of mechanische orga-
nen te demonteren), raden wij u aan
de lampen 2 door uw RENAULT-
dealer te laten vervangen.
Lamptype: H7.
6
4
7
5
1
2
NU747_3_G5-FRA.qxd 16/06/05 10:57 Page 5.15
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T5-NEL.win 4/8/2005 11:28
-page15
5.15
ACHTERLICHTEN: vervangen van een lamp
Open de achterklep en draai de
schroeven 1 los.
De lampen staan onder
druk en kunnen openbar-
sten bij het vervangen.
Gevaar voor verwondin-
gen.
Maak van buitenaf de achterlichten
vrij door ze naar achteren te trek-
ken.
Maak de lamphouder 2 los om bij de
lampen te kunnen komen.
4 Markeringslicht en remlicht
Lamp P21/5 W.
5 Richtingaanwijzer
Lamp PY21.
6 Achteruitrijlicht
Lamp P21 W.
7 Mistachterlicht
Lamp P21 W.
N.B.: In beide lamphuizen is een
lamp aanwezig, maar alleen de
lamp aan bestuurderskant werkt.
8
10
9
NU747_3_G5-FRA.qxd 16/06/05 10:57 Page 5.16
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T5-NEL.win 4/8/2005 11:28
-page16
5.16
LAMPEN ACHTER (vervolg) EN ZIJKANT: vervangen van een lamp
Derde remlicht 8
Raadpleeg uw RENAULT-dealer.
Kentekenverlichting 9
Druk tegen het lipje en maak het
lamphuis 9 los.
Maak het kapje los van het lamp-
huis zodat u bij de lamp kunt ko-
men.
Lamptype: buislampje C5W.
Zijknipperlichten 10
Maak het zijknipperlicht met een
kleine schroevendraaier los.
Draai de lamphouder een kwart slag
en maak de lamp los.
Lamptype: WY5W.
2
1
1
1
NU747_3_G5-FRA.qxd 16/06/05 10:57 Page 5.17
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T5-NEL.win 4/8/2005 11:28
-page17
5.17
BINNENVERLICHTING: vervangen van een lamp
Binnenlicht
Maak met een kleine schroeven-
draaier het doorzichtige afdekplaat-
je los.
Maak de betreffende lamp vrij.
Lamptype 1:W5W.
Portierverlichting 2
Maak het lamphuis los en verwijder
de lamp met behulp van een pen of
een platte schroevendraaier.
Lamptype: C5W.
3
4
5
NU747_3_G5-FRA.qxd 16/06/05 10:57 Page 5.18
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T5-NEL.win 4/8/2005 11:28
-page18
5.18
BINNENVERLICHTING: vervangen van een lamp (vervolg)
Bagageverlichting
Maak met een kleine schroeven-
draaier het lamphuis 3 los door de
twee lipjes aan weerskanten van het
lamphuis in te drukken.
Maak de stekker los.
Druk tegen lipje 4 zodat de lamp-
houder vrijkomt en u het lampje 5
kunt vervangen.
Lamptype: buislampje C5W.
2
1
NU747_3_G5-FRA.qxd 16/06/05 10:57 Page 5.19
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T5-NEL.win 4/8/2005 11:28
-page19
5.19
ZEKERINGEN
Zekeringkastje 1
Controleer de staat van de zekerin-
genalseenelektrischapparaatniet
werkt.
Afhankelijk van de auto, opent u het
deksel rechts van het stuurwiel of
het dashboardkastje.
Raadpleegdestickerendeverkla-
ring op de volgende bladzijde voor
het bepalen van de te controleren
zekering.
GOED DEFECT
Maak de zekering los met behulp
van het tangetje 2 datzichophet
deksel bevindt.
U kunt de zekering uit het tangetje
schuiven.
Gebruik niet de ongebruikte plaat-
sen op de zekeringplaat om reserve-
zekeringen in te steken.
Afhankelijk van de lokale wetge-
ving of uit voorzorg:
Zorg dat u altijd reservelampen
en zekeringen in uw auto heeft,
uw RENAULT-dealer kan u deze
leveren.
Controleer de betreffende
zekering en vervang hem,
indien nodig, door een ze-
kering met hetzelfde ampe-
rage als de oorspronkelijke zeke-
ring.
Door een te sterke zekering kan de
bedrading te heet worden en kan
brand ontstaan als een elektrisch
orgaan door een storing te veel
stroom verbruikt.
NU747_3_G5-FRA.qxd 16/06/05 10:57 Page 5.20
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T5-NEL.win 4/8/2005 11:28
-page20
5.20
ZEKERINGEN (vervolg)
Bestemming van de zekeringen
(afhankelijk van het uitrustingsniveau van de auto)
Symbool Bestemming
Portiervergrendeling achter /
Kinderveiligheid
Elektrische ruitbediening
Ventilatie interieur
Algemene voeding of
verlichting binnenlicht
Portiervergrendeling
Startvergrendeling of
knipperlichten
Ruitenwisser achterruit of
niet in gebruik
Binnenverlichting /
Automatische ruitenwisser /
Automatische verlichting
of niet in gebruik
Remlichten
Radio
Symbool Bestemming
Automatische airconditio-
ning
Handbediende aircondi-
tioning
Aansteker voor
ABS / ESP
Schakelaar ruitbediening
bestuurder
of niet gebruikt
Ruitbediening bestuurder
Remlichten/bagageverlich-
ting of niet in gebruik
Claxon
Elektrische spiegels
Automatische airconditio-
ning instrumentenpaneel
Richtingaanwijzers of rui-
tenwisser achter
Sommige accessoires zijn be-
schermddoorzekeringenindemo-
torruimte.
Vanwege de moeilijke bereikbaar-
heid, adviseren wij het vervangen
van deze zekeringen over te laten
aan een RENAULT-dealer.
A
B
C
1
NU747_3_G5-FRA.qxd 16/06/05 10:57 Page 5.21
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T5-NEL.win 4/8/2005 11:28
-page21
5.21
ACCU: storing
Om vonkvorming te voorko-
men:
- Controleert u of alle stroomver-
bruikers zijn uitgeschakeld voor-
dat u de accuklemmen losmaakt of
aansluit.
- Schakelt u de acculader uit voor-
dat u deze op de accu aansluit of
ervan losmaakt.
- Mag u geen metalen of andere ge-
leidende voorwerpen, die kort-
sluiting tussen de accupolen kun-
nen veroorzaken, op de accu
leggen.
- Mag u de accukabels nooit losma-
kenbinnentwintigsecondesna
het afzetten van de motor.
- Moet u de accukabels na het weer
monteren goed vastzetten.
Toegang tot de accu
Afhankelijk van de auto, in de mo-
torruimte, druk op het lipje 1.
Kantel het blok A naar achteren om
het los te maken.
Maak de kap B los en verwijder de-
ze.
Maak de kap C los en verwijder de-
ze.
Monteren van de kappen van de
accu
- plaats de kap C in de scharnieren
en klem deze vast;
-plaatsdaarnadekapB in de schar-
nieren en klem deze vast;
Controleer of de twee kappen B en C
goed vergrendeld zijn.
Afhankelijk van de auto, plaats het
blok A terug, klem eerst de achter-
kant en daarna de voorkant vast.
Controleer de vergrendeling
De accu bevat zwavelzuur. Vermijd daarom contact met de ogen, de
huid of kleding. Bij onverhoopt contact spoelen met veel water.
Houd open vuur verwijderd van de accu: explosiegevaar.
Bij werkzaamheden onder de motorkap: de koelventilateur kan onver-
wacht gaan draaien.
B
C
A
1
D
D
NU747_3_G5-FRA.qxd 16/06/05 10:57 Page 5.22
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T5-NEL.win 4/8/2005 11:28
-page22
5.22
ACCU: storing (vervolg)
Toegang tot de accu
Afhankelijk van de auto, in de mo-
torruimte:
- trek het blok A omhoog om het los
te maken, houd het aan de slang D
vast, en schuif het blok A naar u
toe.
- maak de kap B los en verwijder de-
ze.
- maak daarna de kap C los en ver-
wijder deze.
Monteren van de kappen van de
accu
-plaatsdekapC in de scharnieren
en klem deze vast;
- plaats daarna de kap B in de schar-
nieren en klem deze vast;
Controleer of de twee kappen B en C
goed vergrendeld zijn.
Afhankelijk van de auto, plats het
blok A teruginderails,schuifhet
tot het zich tussen de merktekens 1
bevindt.
Trek h et blok A lichtjes naar rechts
tot de pen D vastklemt, druk erop en
controleer de vergrendeling.
De accu bevat zwavelzuur.
Vermijd daarom contact
met de ogen, de huid of kle-
ding. Bij onverhoopt con-
tact spoelen met veel water.
Houd open vuur verwijderd van de
accu: explosiegevaar.
Bij werkzaamheden onder de mo-
torkap: de koelventilateur kan on-
verwacht gaan draaien.
NU747_3_G5-FRA.qxd 16/06/05 10:57 Page 5.23
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T5-NEL.win 4/8/2005 11:28
-page23
5.23
ACCU: storing (vervolg)
Aansluiting van een acculader
Maak bij stilstaande motor beide ac-
cukabels los, te beginnen met de ne-
gatieve kabel.
Maak de accukabels nooit los als de
motor draait. Houd u aan de voor-
schriften van de fabrikant van de
acculader.
Alleen een goed opgeladen en on-
derhouden accu heeft een lange le-
vensduur en voorkomt startproble-
men.
Houd de accu schoon en droog.
Laat de capaciteit van de accu regel-
matig controleren:
Vooral als de auto veel korte
(stads-)ritten maakt;
Het is normaal dat de capaciteit
bij lage temperatuur afneemt.Ge-
bruik in de winter niet meer
stroomverbruikers dan u nodig
heeft.
De accu ontlaadt natuurlijk ook
door permanente stroomver-
bruikers (klokje, radiogeheugen
en accessoires met permanente
voeding).
Sluit accessoires zoveel mogelijk
+nacontactin plaats van
+ voor contact aan. Laat anders een
accu met een grotere capaciteit
monteren. Raadpleeg hiervoor uw
RENAULT-dealer.
Als u de auto langere tijd, vooral in
de winter, niet gebruikt, maak dan
de accukabels los, of laat de accu re-
gelmatig bijladen. Verdraai het
stuurwiel, terwijl de motor draait,
langzaam van de ene naar de andere
uiterste stand, programmeer op-
nieuw de systemen met een geheu-
gen, de radio enz. De accu moet
worden bewaard in een droge, koele
en vorstvrije ruimte.
N.B.: als de accu losgemaakt is ge-
weest, bijvoorbeeld om deze op te
laden, draait u het stuurwiel lang-
zaam van de ene naar de andere ui-
terste stand om het systeem op-
nieuw in te stellen.
Voor bepaalde accu's
gelden speciale voor-
waarden bij het laden,
raadpleeg uw RENAULT-
dealer.
De geringste vonk kan een zware
explosie veroorzaken. Daarom
mag u de accu alleen in een goed
geventileerde ruimte opladen.
Gevaar voor ernstige verwondin-
gen.
4
1
A
2
3
B
NU747_3_G5-FRA.qxd 16/06/05 10:58 Page 5.24
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T5-NEL.win 4/8/2005 11:28
-page24
5.24
ACCU: storing (vervolg)
Starten met starthulpkabels
Sluit de starthulpkabels als volgt
aantussendetweeauto's:
Controleer of de starthulpkabels dik
genoeg zijn en in goede staat verke-
ren.
Beide accu's moeten dezelfde span-
ning hebben: 12 Volt. De hulpaccu
moet minstens de capaciteit (Ampè-
re-uur, Ah) hebben van de ontladen
accu.
Let erop dat de autos elkaar niet ra-
ken (kortsluitingsgevaar als u de
pluspolen met elkaar verbindt) en
dat de ontladen accu goed aangeslo-
ten is. Zet het contact af van uw au-
to.
Laat de motor van de hulpauto met
een middelmatig toerental draaien.
Sluit de positieve kabel (+) A aan op
de pluspool (+) 1 van de ontladen
accu en daarna op de pluspool (+) 2
van de hulpaccu.
Sluit de negatieve kabel ()kabelB
aan op de minpool () 3 van de
hulpaccu en daarna op de minpool
() 4 van de ontladen accu.
Controleer of de kabels A en B el-
kaar nergens raken en of kabel A (+)
geen metalen delen van de hulpauto
raakt.
Start de motor op de normale wijze.
Zodrademotordraait,maaktude
kabels A en B in omgekeerde volgor-
de (4-3-2-1)los.
2
1
3
NU747_3_G5-FRA.qxd 16/06/05 10:58 Page 5.25
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T5-NEL.win 4/8/2005 11:28
-page25
5.25
FM-AFSTANDSBEDIENING: BATTERIJEN
Vervangen van de batterijtjes
Draai schroef 1 los, open de af-
standsbediening met een muntje via
de gleuf 2 , en vervang de batterij 3.
Let op de juiste stand (+ en -) die op
de onderkant van het deksel is aan-
gegeven.
Gooi lege batterijen niet
weg, maar lever ze in bij
een inzamelpunt voor le-
ge batterijen.
N.B.: raak bij het vervangen van het
batterijtje niet de elektronische
printplaat in de sleutel aan.
Batterijtjes zijn verkrijgbaar bij
uw RENAULT-dealer.
De levensduur is ongeveer twee
jaar.
1
2
NU747_3_G5-FRA.qxd 16/06/05 10:58 Page 5.26
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T5-NEL.win 4/8/2005 11:28
-page26
5.26
RENAULT CARD: BATTERIJ
Vervangen van het batterijtje
De boodschap kaartbatterij vervan-
gen verschijnt op het instrumen-
tenpaneel.
Trek met kracht aan de noodsleu-
tel 2.
Vervang het batterijtje 1 en houd u
daarbij aan de polariteit die aange-
geven is op de noodsleutel.
Na het vervangen verschijnt de
boodschap kaartbatterij vervan-
gen niet meer op het instrumenten-
paneel.
Batterijtjes zijn verkrijgbaar bij uw
RENAULT-dealer.
De levensduur is ongeveer twee
jaar.
Gooi lege batterijen niet
weg, maar lever ze in bij
een inzamelpunt voor lege
batterijen.
3
2
1
NU747_3_G5-FRA.qxd 16/06/05 10:58 Page 5.27
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T5-NEL.win 4/8/2005 11:28
-page27
5.27
RADIO INBOUWEN
Inbouwplaats voor autoradio 1
Wip het afdekplaatje los. Hierachter
bevinden zich de aansluitingen
voor: de antenne, de voedingen + en
, en de luidsprekerbedrading.
Hoge tonen luidspreker (twee-
ters)
Wip het rooster 2 met een kleine
schroevendraaier los, hierachter
vindt u de luidsprekerbedrading.
Luidsprekers in de portieren
Wip het rooster 3 met een kleine
schroevendraaier los, hierachter
vindt u de luidsprekerbedrading.
Bijzonderheden achterportieren
vijfdeurs société uitvoering: raad-
pleeg uw RENAULT-dealer.
Volg altijd nauwgezet de inbouwvoorschriften van de fabrikant van de uitrusting op.
De benodigde steunen en verbindingskabels die de RENAULT Boutique u kan leveren, verschillen per type auto en
per type autoradio.
Raadpleeg uw RENAULT-dealer voor meer bijzonderheden
Wijzig niet zelf de bedrading van de auto want door een verkeerde aansluiting kan de elektrische installatie wor-
den beschadigd (bedrading, organen en in het bijzonder de dynamo). Laat eventuele veranderingen door uw
RENAULT-dealer uitvoeren.
NU747_3_G5-FRA.qxd 16/06/05 10:58 Page 5.28
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T5-NEL.win 4/8/2005 11:28
-page28
5.28
ACCESSOIRES
Gebruik van telefoons en
27 Mc zendapparatuur.
Telefoons en 27 Mc appara-
tuur met een ingebouwde
antenne, kunnen de werking beïn-
vloeden van elektronische syste-
menindeauto.Gebruikdergelijke
apparaten daarom met een buiten-
antenne.
Houd u altijd aan de wettelijke
voorschriften met betrekking tot
het gebruik van deze apparaten.
Achteraf inbouwen van ac-
cessoires
Om zeker te zijn dat uw au-
to goed werkt en om elk
risico te vermijden dat uw veilig-
heid kan aantasten, raden wij u aan
om door RENAULT goedgekeurde
accessoires te gebruiken: deze zijn
aan uw auto aangepast en alleen
deze worden door RENAULT gega-
randeerd.
Elektrische en elektronische ac-
cessoires
wijzig niet zelf de bedrading van
de auto want door een verkeerde
aansluiting kan de elektrische in-
stallatie worden beschadigd (be-
drading, organen en in het bij-
zonder de dynamo). Laat
eventuele veranderingen door
uw RENAULT-dealer uitvoeren;
in geval van achteraf inbouwen
van een elektrische uitrusting,
moetugoedindegatenhouden
dat de installatie wel is
beschermd door een zekering.
Noteer de sterkte van deze zeke-
ring en de plaats waar hij zich
bevindt.
1
3
4
2
A
B
A
NU747_3_G5-FRA.qxd 16/06/05 10:58 Page 5.29
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T5-NEL.win 4/8/2005 11:28
-page29
5.29
RUITENWISSERBLADEN
Vervangen van de ruitenwis-
serbladen voor 1
- trek de ruitenwisserarm 2 om-
hoog;
- kantel het blad 1.
Bijzonderheid bestuurderskant: stop
de beweging voordat u de motorkap
raakt.
Druk het lipje 3 omlaag aan beide
kanten A.
Druk daarna het blad naar voren B,
tot het vrijkomt van de haak 4.
Maak regelmatig uw voor en ach-
terruit schoon.
Bij het monteren
Monteer het ruitenwisserblad in
omgekeerde volgorde van losma-
ken. Controleer of het blad goed is
vergrendeld.
Controleer als het
vriest, voordat u weg-
rijdt, of de ruitenwis-
serbladen niet aan de
ruit zijn vastgevroren. De wis-
sermotor kan hierdoor te warm
worden.
Controleer regelmatig de wis-
serbladen. Zodra hun werking
afneemt moet u ze vervangen,
ongeveer eens per jaar.
5
6
NU747_3_G5-FRA.qxd 16/06/05 10:58 Page 5.30
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T5-NEL.win 4/8/2005 11:28
-page30
5.30
RUITENWISSERBLADEN (vervolg)
Ruitenwisserblad achter 5
- Trek de ruitenwisserarm 6 om-
hoog;
- kantel het blad 5 tot u een weer-
stand voelt;
- verwijder het blad door er aan te
trekken.
Bij het monteren
Monteer het ruitenwisserblad in
omgekeerde volgorde van losma-
ken. Controleer of het blad goed is
vergrendeld.
Controleer, voordat u
wegrijdt als het vriest,
of de ruitenwisserbla-
den niet aan de ruit
zijn vastgevroren. Anders kan
de ruitenwissermotor te warm
worden.
Controleer regelmatig de wis-
serbladen.
Zodra hun werking afneemt
moet u ze vervangen, ongeveer
eens per jaar.
Maak regelmatig uw voor en ach-
terruit schoon.
1
2
1
4
3
5
NU747_3_G5-FRA.qxd 16/06/05 10:58 Page 5.31
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T5-NEL.win 4/8/2005 11:28
-page31
5.31
SLEPEN: pech
Steek de sleutel in het contactslot,
of de card in de lezer, zodat het
stuurwiel ontgrendelt en u de lich-
ten kunt gebruiken (remlichten,
richtingaanwijzers enz.). 's Nachts
moet de auto verlicht zijn.
Bovendien moeten de voorschriften
voor het slepen die in ieder land gel-
deninachtwordengenomenen
mag de maximum toegelaten aan-
hangwagenmassa van uw auto, als
deze de trekkende auto is, niet wor-
den overschreden. Raadpleeg uw
RENAULT-dealer.
Gebruik uitsluitend de sleepogen 2
aan de voorkant en 4 aan de achter-
kant. Bevestig de sleepkabel nooit
aan de aandrijfassen. Het sleepoog
mag alleen gebruikt worden om de
auto mee te slepen: het mag in geen
geval gebruikt worden om de auto
direct of indirect aan op te hijsen.
Bij stilstaande motor
werken de stuur- en rem-
bekrachtiging niet meer.
Toegang tot de sleeppunten
Verwijder het kapje 3 of 5
Schroef het sleepoog 1 zo ver moge-
lijk vast: eerst met de hand en daar-
na met de wielsleutel.
Het sleepoog 1 en de wielmoersleu-
tel bevinden zich onder de mat van
de bagageruimte bij het gereedschap
(raadpleeg paragraaf gereedschap
in hoofdstuk 5).
NU747_3_G5-FRA.qxd 16/06/05 10:58 Page 5.32
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T5-NEL.win 4/8/2005 11:28
-page32
5.32
SLEPEN: pech (vervolg)
- RENAULT adviseert het
gebruik van een
sleepstang. Indien u een
touw of kabel gebruikt bij
het slepen (als dit wettelijk toege-
staan is), moet de auto die ge-
sleept wordt nog kunnen rem-
men.
- De auto die gesleept wordt, moet
te allen tijde bestuurbaar zijn.
- Tijdens het slepen, moet zo veel
mogelijk het plotseling gas geven
of remmen vermeden worden om
beschadiging aan de auto te voor-
komen.
- U mag in geen geval sneller rij-
den dan 25 km/u.
- Duw de auto niet aan als de
stuurkolom is vergrendeld.
Procedure voor het slepen
Controleer voor het slepen of de
stuurkolom ontgrendeld is.
Breng, indien dit niet het geval is,
de RENAULT card in de kaartlezer
in en druk vijf secondes op de start-
knop start/stop zonder de pedalen
in te drukken. De stuurkolom wordt
ontgrendeld en de accessoires van
de auto worden gevoed.
Laat tijdens het slepen de card in de
lezer.
Druk twee keer achter elkaar op de
startknop start/stop als het slepen
klaar is (risico van ontladen van de
accu).
Slepen van een auto met een au-
tomatische transmissie
Wanneer de motor niet draait,
wordtdeautomatischetransmissie
niet meer gesmeerd; u kunt dan ook
de auto het beste laten slepen met
beide voorwielen van de grond (en
niet de achterwielen) of op een pla-
teau vervoeren.
Bij uitzondering, kunt u de auto la-
ten slepen met de vier wielen op de
grond, uitsluitend vooruit rijdend
met de hendel in stand N en over
een afstand van maximaal 50 km.
Indien de selecteurhen-
delnietuitdestandP
kan worden verzet als u
het rempedaal indrukt,
dan kunt u de hendel als volgt
met de hand vrijzetten.
Wip hiervoor het bovenste deel
van het plaatje aan de voet van
de hendel los.
Druk tegelijkertijd op het merkte-
ken dat op de stofhoes en op de
ontgrendelknop op de hendel
staat.
A
NU747_3_G5-FRA.qxd 16/06/05 10:58 Page 5.33
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T5-NEL.win 4/8/2005 11:28
-page33
5.33
TREKKEN (trekhaak)
Kogeldruk, maximaal toegelaten
massa's van geremde en ongerem-
de aanhangwagens: raadpleeg
hoofdstuk 6, paragraaf massa's.
Montage moet gebeuren volgens de
montagevoorschriften van de fa-
brikant.
Het is raadzaam deze voorschriften
bij uw instructieboekje te bewaren.
A: 681 mm.
NU747_3_G5-FRA.qxd 16/06/05 10:58 Page 5.34
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T5-NEL.win 4/8/2005 11:28
-page34
5.34
STORINGEN
Onderstaande aanwijzingen helpen u eventuele storingen snel, maar voorlopig, te verhelpen. Laat de auto echter wel zo
spoedig mogelijk door een RENAULT-dealer nakijken.
Gebruik van de RENAULT card OORZAKEN WAT TE DOEN
De RENAULT card werkt niet voor
het ontgrendelen of ontgrendelen
van de portieren.
De auto bevindt zich in een sterk elek-
tromagnetisch veld.
Ontladen accu.
Gebruik de noodsleutel (raadpleeg de
paragraaf vergrendelen/ontgrende-
len van de portierenin hoofdstuk 1).
Gebruik van apparaten die op dezelf-
de frequentie als de card werken (mo-
biele telefoon, enz.).
Schakel de apparatuur uit of gebruik
de noodsleutel (raadpleeg de para-
graaf vergrendelen/ontgrendelen van
de portieren in hoofdstuk 1).
Batterij van de card leeg. Vervang de batterij
De afstandsbediening werkt niet
voor het vergrendelen of ontgrende-
len van de portieren.
De auto bevindt zich in een sterk elek-
tromagnetisch veld.
Ontladen accu.
Gebruik de sleutel.
Gebruik van apparaten die op dezelf-
de frequentie als de sleutel werken
(mobiele telefoon, enz.).
Gebruik deze apparaten niet of ge-
bruik de sleutel.
Batterij van de afstandsbediening
leeg.
Vervangdebatterij
NU747_3_G5-FRA.qxd 16/06/05 10:58 Page 5.35
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T5-NEL.win 4/8/2005 11:28
-page35
5.35
STORINGEN (vervolg)
U schakelt de startmotor in OORZAKEN WAT TE DOEN
Er gebeurt niets; de controlelampjes
gaan niet branden, de startmotor
draait niet.
Ontladen accu. Sluit een andere accu aan op de ontla-
den accu.
Accu buiten gebruik. Vervang de accu.
De controlelampjes gaan steeds
zwakker branden, de startmotor
draait zeer langzaam.
Accupoolklemmen niet goed vastge-
zet,
Accupolen geoxideerd.
Controleer de accupoolklemmen.
Schuur ze blank als ze geoxideerd zijn
en zet ze goed vast.
Ontladen accu. Sluit een andere accu aan op de ontla-
den accu.
NU747_3_G5-FRA.qxd 16/06/05 10:58 Page 5.36
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T5-NEL.win 4/8/2005 11:28
-page36
5.36
STORINGEN (vervolg)
U schakelt de startmotor in OORZAKEN WAT TE DOEN
De motor wil niet starten (auto met
RENAULT card).
De voorwaarden voor het starten zijn
niet vervuld.
Raadpleeg de paragraaf starten/stil-
zetten van de motor in hoofdstuk 2.
De handsfree RENAULT card werkt
niet.
Steek de card in de lezer voor het star-
ten.
Raadpleeg de paragraaf starten/stil-
zetten van de motor in hoofdstuk 2.
De motor start moeilijk bij vochtig
weer of na een wasbeurt.
Slechte ontsteking: vochtigheid in het
ontstekingssysteem.
Maak de bougiekabel en de bobineka-
bel droog.
De warme motor start moeilijk. Dampbellen in het brandstofcircuit. Laat de motor afkoelen.
Onvoldoende compressie. Raadpleeg een RENAULT-dealer.
De motor wil niet stoppen (auto met
RENAULT card).
Elektronische storing. Druk vijf keer snel op de startknop.
De stuurkolom blijft vergrendeld. Stuurwiel geblokkeerd. Beweeg het stuurwiel terwijl u de
startknop van de motor ingedrukt
houdt (raadpleeg de paragraaf starten
van de motor in hoofdstuk 2).
NU747_3_G5-FRA.qxd 16/06/05 10:58 Page 5.37
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T5-NEL.win 4/8/2005 11:28
-page37
5.37
STORINGEN (vervolg)
Tijdens het rijden OORZAKEN WAT TE DOEN
Abnormale witte rook uit de uitlaat. Mechanische storing: koppakking op-
geblazen.
Zet de motor stil.
Raadpleeg een RENAULT-dealer.
Trillingen. Banden te zacht, beschadigd of uit ba-
lans.
Controleer de bandenspanning, als
deze goed is laat dan de banden door
een RENAULT-dealer nakijken.
De vloeistof in het expansievat bor-
relt.
Mechanische storing: koppakking op-
geblazen of waterpomp of koelventila-
teur defect.
Zet de motor stil.
Raadpleeg een RENAULT-dealer.
Koelventilateur defect Controleer de betreffende zekering,
raadpleeg anders een RENAULT-
dealer.
NU747_3_G5-FRA.qxd 16/06/05 10:58 Page 5.38
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T5-NEL.win 4/8/2005 11:28
-page38
5.38
STORINGEN (vervolg)
Tijdens het rijden OORZAKEN WAT TE DOEN
Rook onder de motorkap. Kortsluiting. Zet de motor af en maak een van de ac-
cukabels los.
Koelslang defect. Raadpleeg een RENAULT-dealer.
Het waarschuwingslampje voor de
oliedruk gaat branden:
- in een bocht of tijdens het rem-
men,
Het peil is te laag. Voeg motorolie toe (raadpleeg de para-
graaf motoroliepeil (bij)vullen in
hoofdstuk 4).
- bij stationair draaien, Lage oliedruk. Ga direct naar de dichtstbijzijnde
RENAULT-dealer.
- dooft langzaam of blijft branden
bij gas geven.
Te lage oliedruk. Stop en roep de hulp in van een
RENAULT-dealer.
De motor lijkt onvoldoende vermo-
gen te hebben.
Luchtfilter verstopt. Vervang het filterelement.
Brandstoftoevoer niet goed. Controleer het brandstofpeil.
Bougies versleten, slecht afgesteld. Raadpleeg een RENAULT-dealer.
De motor draait onregelmatig statio-
nair of slaat af.
Onvoldoende compressie (bougies,
ontsteking, valse lucht).
Raadpleeg een RENAULT-dealer.
NU747_3_G5-FRA.qxd 16/06/05 10:58 Page 5.39
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T5-NEL.win 4/8/2005 11:28
-page39
5.39
STORINGEN (vervolg)
Tijdens het rijden OORZAKEN WAT TE DOEN
Het sturen gaat zwaar: - oververhitting van de bekrachtiging, Laat afkoelen.
- zwakke of oude accu. Laad de accu op of laat hem vervan-
gen.
De motor wordt te warm. Het waar-
schuwingslampje voor de tempera-
tuur van de koelvloeistof brandt (of
wijzer van temperatuurmeter staat
in het rode gebied).
Waterpomp: aandrijfriem te slap of ge-
broken.
Koelventilateur defect.
Zet de motor af en raadpleeg een
RENAULT-dealer.
Koelvloeistoflekkage. Controleer de koelslangen en de
slangklemmen.
Controleer het peil van de vloeistof in
het expansievat. Als er te weinig
vloeistof in zit, laat u de motor afkoe-
len en vult u de radiateur geheel en
het expansievat voor de helft met wa-
ter of koelvloeistof. Pas op dat u zich
niet brandt. Dit is slechts een nood-
maatregel: raadpleeg zo snel mogelijk
een RENAULT-dealer
Radiateur: Zolang de motor heet is, mag u het koelsysteem nooit met koud water bijvullen. Na elke reparatie
waarbij het koelsysteem geheel of gedeeltelijk is afgetapt, moet dit met nieuwe koelvloeistof worden bijgevuld.
Gebruik hiervoor alleen door RENAULT goedgekeurde koelvloeistof.
NU747_3_G5-FRA.qxd 16/06/05 10:58 Page 5.40
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T5-NEL.win 4/8/2005 11:28
-page40
5.40
STORINGEN (vervolg)
Elektrische apparaten OORZAKEN WAT TE DOEN
De ruitenwissers werken niet. Ruitenwisserbladen kleven. Maak de wisserbladen los van de ruit.
Zekering ruitenwisser voor doorge-
brand.
Raadpleeg een RENAULT-dealer.
Zekering ruitenwisser achter doorge-
brand (interval, rustcontact).
Vervang deze.
Ruitenwissermotor defect. Raadpleeg een RENAULT-dealer.
De ruitenwisser stopt niet Elektrische verstelling defect. Raadpleeg een RENAULT-dealer.
Knipperfrequentie te hoog. Lamp doorgebrand. Vervang de lamp.
De knipperlichten
werken niet.
Aan één kant: - lamp doorgebrand, Vervang de lamp.
- slecht massacontact, Zoek de massadraad en zet hem goed
vast aan een metalen deel.
Aan twee kanten: - zekering doorgebrand, Vervang deze.
- knipperautomaat defect. Vervangen: raadpleeg een RENAULT-
dealer.
NU747_3_G5-FRA.qxd 16/06/05 10:58 Page 5.41
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T5-NEL.win 4/8/2005 11:28
-page41
5.41
STORINGEN (vervolg)
Elektrische apparaten OORZAKEN WAT TE DOEN
De koplampen
werken niet.
Aan één kant: - lamp doorgebrand, Vervang de lamp
- draad los of stekker niet goed aange-
sloten.
Controleer en sluit de draad of stekker
aan.
- slecht massacontact. Zie hiervoor.
Aan twee kanten: - circuit met zekering. Controleer en vervang deze indien no-
dig.
De koplampen blijven branden. Elektrische verstelling defect. Ga naar uw RENAULT-dealer.
Condenswater in de verlichting. Dit is geen defect. Dit is een normaal
verschijnsel dat door temperatuurver-
andering wordt veroorzaakt.
Als de lichten branden verdwijnt het
water snel.
NU747_3_G5-FRA.qxd 16/06/05 10:58 Page 5.42
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T5-NEL.win 4/8/2005 11:28
-page42
5.42
NU747_3_G6-FRA.qxd 9/06/05 11:20 Page 6.01
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T6-NEL.win 4/8/2005 11:35
-page1
6.01
Hoofdstuk 6: Technische gegevens
Identificatieplaatjes ................................................................................................................................ 6.02 - 6.03
Maten ................................................................................................................................................................. 6.04
Gegevens van de motor .................................................................................................................................... 6.05
Aanhangergewichten ........................................................................................................................... 6.06
6.17
Massa's .................................................................................................................................................. 6.06
6.17
Onderdelen ........................................................................................................................................................ 6.18
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
A
A
B
NU747_3_G6-FRA.qxd 9/06/05 11:20 Page 6.02
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T6-NEL.win 4/8/2005 11:35
-page2
6.02
IDENTIFICATIEPLAATJES
De gegevens op het constructeurs-
plaatje en het motorplaatje moeten
bij eventuele klachten en bij het be-
stellen van onderdelen altijd wor-
den vermeld.
Constructeursplaatje A
1 Typenummer van de auto en
chassisnummer.
Deze informatie vindt u terug
bij B.
2 Maximaal toelaatbare totaalmas-
sa van de auto.
3 Maximaal toegelaten treinmassa
(auto + aanhangwagen).
4 Maximaal toegelaten massa ge-
meten onder de vooras.
5 Maximaal toegelaten massa ge-
meten onder de achteras.
6 Technische bijzonderheden van
de auto.
7 Laknummer.
8 Uitrustingsniveau.
9 Type auto.
10 Stoelbekledingscode.
11 Aanvullende uitrusting.
12 Fabricagenummer.
13 Interieurbekledingscode.
1.4 16V - 1.6 16V
3
C
C
1.2 16V
1
2
C
C
1.5 dCi
C
NU747_3_G6-FRA.qxd 9/06/05 11:20 Page 6.03
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T6-NEL.win 4/8/2005 11:35
-page3
6.03
IDENTIFICATIEPLAATJES (vervolg)
De gegevens op het constructeurs-
plaatje C moeten bij eventuele
klachten en bij het bestellen van on-
derdelen altijd worden vermeld.
C - Motorplaatje of -sticker
(de plaats is afhankelijk van het mo-
tortype)
1 Type van de motor.
2 Indicenummer van de motor.
3 Nummer van de motor.
0,805 2,575 0,606 1,472 (1)/1,458 (2)/1,472 (3)
3,986
1,470 (1)/1,456 (2)/1,450 (3)
1,495*
2,025
NU747_3_G6-FRA.qxd 9/06/05 11:20 Page 6.04
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T6-NEL.win 4/8/2005 11:35
-page4
6.04
MATEN (in meters)
Naargelang de gemonteerde bandenmaat:
(1) 165/65 R15 81 T
(2) 185/60 R15 84 H
(3) 195/50 R16 88V
* Onbelast.
NU747_3_G6-FRA.qxd 9/06/05 11:20 Page 6.05
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T6-NEL.win 4/8/2005 11:35
-page5
6.05
GEGEVENS VAN DE MOTOR
Uitvoeringen 1.2 16V 1.4 16V 1.6 16V 2.0 1.5 dCi
Type van de motor
(zie motorplaatje)
D4F K4J K4M M4R K9K Turbo
Cilinderinhoud (cm
3
) 1 149 1 390 1 598 1 998 1 461
Soort brandstof
Octaangetal
Ongelode benzine met het voorgeschreven octaangetal zoals
aangegeven op de sticker in de tankdopklep.
In noodgevallen mag ook ongelode benzine worden getankt:
- met octaangetal 91 voor een sticker waarop staat 95, 98,
- met octaangetal 87 voor een sticker waarop staat 91, 95,
98.
Dieselolie
De sticker in
de tankdopklep
geeft aan welke
brandstoffen
toegestaan zijn.
Bougies Gebruik uitsluitend de voor uw motor voorgeschreven bou-
gietypes:
Het type staat aangegeven op een sticker in de motorruimte,
raadpleeg anders uw RENAULT-dealer.
Montage van een niet voorgeschreven bougietype kan tot
ernstige motorschade leiden.
NU747_3_G6-FRA.qxd 9/06/05 11:20 Page 6.06
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T6-NEL.win 4/8/2005 11:35
-page6
6.06
MASSA'S (in kg) - Basisuitvoering en zonder opties, afhankelijk van het land van aflevering kunnen ande-
re waarden gelden: raadpleeg uw RENAULT-dealer.
5-deurs uitvoeringen benzine
(constructeursplaatje)
1.2 16V 1.4 16V
Type van de auto
(zie constructeursplaatje)
BR0J - BR0Q
BR0S - BR01
BR02 - BR03
BR0E
BR0S
Quickshift
BR0A
BR00
Massa leeg
rijklaar
Zonder bestuurder
Totaal
Voor
Achter
1 090 1 100 1 145
655 665 710
435 435 435
Max. toegelaten massa
per as
Voor
Achter
840 940
870 870
Max. toegelaten totale massa 1 580 1 590 1 635
Max. toegelaten aanhangwagenmassa ongeremd
535
Max. toegelaten aanhangwagenmassa geremd (1)
bestuurder alleen 1 200
anders 900
Max. toegelaten treinmassa
(= Maximum toegelaten totale massa
+ aanhangwagen)
2 500 2 550
Max. kogeldruk op trekhaak 75
Max. dakbelasting 80
NU747_3_G6-FRA.qxd 9/06/05 11:20 Page 6.07
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T6-NEL.win 4/8/2005 11:35
-page7
6.07
(1) Aanhangwagengewicht.
(Aanhangwagen, boot enz.)
- Respecteer de in het land toegelaten maximale massa's. Laat uw RENAULT-dealer een trekhaak monteren en de bedrading
van de auto aanpassen. In geen geval mag de maximaal toegelaten treinmassa (auto + aanhangwagen) worden
overschreden.
- Bij maximale belasting moet de bandenspanning worden verhoogd met 0,2 bar (3 PSI) en geldt een maximale snelheid
van 100 km/u.
- Het motorvermogen neemt af naarmate u hoger in de bergen rijdt. Wij adviseren u de maximale belasting met 10% per
1000 meter stijging te verminderen.
NU747_3_G6-FRA.qxd 9/06/05 11:20 Page 6.08
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T6-NEL.win 4/8/2005 11:35
-page8
6.08
MASSA'S (in kg) - Basisuitvoering en zonder opties, afhankelijk van het land van aflevering kunnen ande-
re waarden gelden: raadpleeg uw RENAULT-dealer.
5-deurs uitvoeringen benzine
(constructeursplaatje)
1.6 16V 2.0
Type van de auto
(zie constructeursplaatje)
BR09
BR0B
BR0U
BR0T
BR0Y
BR0B
Automatisch
BR0C
BR07
BR0C
Automatisch
Massa leeg rijklaar
Zonder bestuurder
Totaal
Voor
Achter
1 150 1 190 1 185 1 215
715 755 745 775
435 435 440 440
Max. toegelaten
massa per as
Voor
Achter
940 950
870 880
Max. toegelaten totale massa 1 640 1 680 1 675 1 705
Max. toegelaten aanhangwagenmassa ongeremd
535
Max. toegelaten aanhangwagenmassa geremd (1)
bestuurder alleen 1 200
anders 900 850
Max. toegelaten treinmassa
(= Maximum toegelaten totale massa
+ aanhangwagen)
2 550 2 600
Max. kogeldruk op trekhaak 75
Max. dakbelasting 80
NU747_3_G6-FRA.qxd 9/06/05 11:20 Page 6.09
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T6-NEL.win 4/8/2005 11:35
-page9
6.09
(1) Aanhangwagengewicht.
(Aanhangwagen, boot enz.)
- Respecteer de in het land toegelaten maximale massa's. Laat uw RENAULT-dealer een trekhaak monteren en de bedrading
van de auto aanpassen. In geen geval mag de maximaal toegelaten treinmassa (auto + aanhangwagen) worden
overschreden.
- Bij maximale belasting moet de bandenspanning worden verhoogd met 0,2 bar (3 PSI) en geldt een maximale snelheid
van 100 km/u.
- Het motorvermogen neemt af naarmate u hoger in de bergen rijdt. Wij adviseren u de maximale belasting met 10% per
1000 meter stijging te verminderen.
NU747_3_G6-FRA.qxd 9/06/05 11:20 Page 6.10
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T6-NEL.win 4/8/2005 11:35
-page10
6.10
MASSA'S (in kg) - Basisuitvoering en zonder opties, afhankelijk van het land van aflevering kunnen ande-
re waarden gelden: raadpleeg uw RENAULT-dealer.
3-deurs uitvoeringen benzine
(constructeursplaatje)
1.2 16V 1.4 16V
Type van de auto
(zie constructeursplaatje)
CR0J - CR0Q
CR0S - CR01
CR02 - CR03
CR0E
CR0S
Quickshift
CR0A
CR00
Massa leeg rijklaar
Zonder bestuurder
Totaal
Voor
Achter
1 080 1 090 1 135
651 661 706
429 429 429
Max. toegelaten
massa per as
Voor
Achter
840 940
870 870
Max. toegelaten totale massa 1 570 1 580 1 625
Max. toegelaten aanhangwagenmassa ongeremd
535
Max. toegelaten aanhangwagenmassa geremd (1)
bestuurder alleen 1 200
anders 900
Max. toegelaten treinmassa
(= Maximum toegelaten totale massa
+ aanhangwagen)
2 500 2 550
Max. kogeldruk op trekhaak 75
Max. dakbelasting 80
NU747_3_G6-FRA.qxd 9/06/05 11:20 Page 6.11
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T6-NEL.win 4/8/2005 11:35
-page11
6.11
(1) Aanhangwagengewicht.
(Aanhangwagen, boot enz.)
- Respecteer de in het land toegelaten maximale massa's. Laat uw RENAULT-dealer een trekhaak monteren en de bedrading
van de auto aanpassen. In geen geval mag de maximaal toegelaten treinmassa (auto + aanhangwagen) worden over-
schreden.
- Bij maximale belasting moet de bandenspanning worden verhoogd met 0,2 bar (3 PSI) en geldt een maximale snelheid
van 100 km/u.
- Het motorvermogen neemt af naarmate u hoger in de bergen rijdt. Wij adviseren u de maximale belasting met 10% per
1000 meter stijging te verminderen.
NU747_3_G6-FRA.qxd 9/06/05 11:20 Page 6.12
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T6-NEL.win 4/8/2005 11:35
-page12
6.12
MASSA'S (in kg) - Basisuitvoering en zonder opties, afhankelijk van het land van aflevering kunnen ande-
re waarden gelden: raadpleeg uw RENAULT-dealer.
3-deurs uitvoeringen benzine
(constructeursplaatje)
1.6 16V 2.0
Type van de auto
(zie constructeursplaatje)
CR09 - CR0B
CR0U - CR0T
CR0Y
CR0B
Automatisch
CR0C
CR07
CR0C
Automatisch
Massa leeg rijklaar
Zonder bestuurder
Totaal
Voor
Achter
1 140 1 180 1 175 1 205
711 751 741 771
429 429 434 434
Max. toegelaten
massa per as
Voor
Achter
940 950
870 880
Max. toegelaten totale massa 1 630 1 670 1 665 1 695
Max. toegelaten aanhangwagenmassa ongeremd
535
Max. toegelaten aanhangwagenmassa geremd (1)
bestuurder alleen 1 200
anders 900 850 900
Max. toegelaten treinmassa
(= Maximum toegelaten totale massa
+ aanhangwagen)
2 550 2 600 2 550 2 600
Max. kogeldruk op trekhaak 75
Max. dakbelasting 80
NU747_3_G6-FRA.qxd 9/06/05 11:20 Page 6.13
BC85 - NU747-3
C:\Documentum\Checkout\NU747_3_T6-NEL.win 4/8/2005 11:35
-page13
6.13
(1) Aanhangwagengewicht.
(Aanhangwagen, boot enz.)
- Respecteer de in het land toegelaten maximale massa's. Laat uw RENAULT-dealer een trekhaak monteren en de bedrading
van de auto aanpassen. In geen geval mag de maximaal toegelaten treinmassa (auto + aanhangwagen) worden over-
schreden.
- Bij maximale belasting moet de bandenspanning worden verhoogd met 0,2 bar (3 PSI) en geldt een maximale snelheid
van 100 km/u.
- Het motorvermogen neemt af naarmate u hoger in de bergen rijdt. Wij adviseren u de maximale belasting met 10% per
1000 meter stijging te verminderen.
263

Hulp nodig? Stel uw vraag in het forum

Spelregels
1

Forum

Renault-Clio-III-Ph-I
  • auto radio van clio serie 3 aansluiting instructie
    Gesteld op 1-12-2020 om 09:24

    Reageer op deze vraag Misbruik melden
  • Ik zoekt een handleidng

    Van een renault clio2010 Gesteld op 9-3-2017 om 08:10

    Reageer op deze vraag Misbruik melden
    • kijk op internet bij

      Ongeveer 163.000 resultaten (0,40 seconden)







      Ongeveer 163.000 resultaten (0,40 seconden)


























      Zoekresultaten








      Handleiding Renault Clio III Ph II (pagina 1 van 264) (Nederlands)



















      Handleiding Renault Clio III Ph II (pagina 1 van 264) (Nederlands) Geantwoord op 14-5-2018 om 15:59

      Waardeer dit antwoord Misbruik melden

Misbruik melden

Gebruikershandleiding.com neemt misbruik van zijn services uitermate serieus. U kunt hieronder aangeven waarom deze vraag ongepast is. Wij controleren de vraag en zonodig wordt deze verwijderd.

Product:

Bijvoorbeeld antisemitische inhoud, racistische inhoud, of materiaal dat gewelddadige fysieke handelingen tot gevolg kan hebben.

Bijvoorbeeld een creditcardnummer, een persoonlijk identificatienummer, of een geheim adres. E-mailadressen en volledige namen worden niet als privégegevens beschouwd.

Spelregels forum

Om tot zinvolle vragen te komen hanteren wij de volgende spelregels:

Belangrijk! Als er een antwoord wordt gegeven op uw vraag, dan is het voor de gever van het antwoord nuttig om te weten als u er wel (of niet) mee geholpen bent! Wij vragen u dus ook te reageren op een antwoord.

Belangrijk! Antwoorden worden ook per e-mail naar abonnees gestuurd. Laat uw emailadres achter op deze site, zodat u op de hoogte blijft. U krijgt dan ook andere vragen en antwoorden te zien.

Abonneren

Abonneer u voor het ontvangen van emails voor uw Renault Clio III Ph I bij:


U ontvangt een email met instructies om u voor één of beide opties in te schrijven.


Ontvang uw handleiding per email

Vul uw emailadres in en ontvang de handleiding van Renault Clio III Ph I in de taal/talen: Nederlands als bijlage per email.

De handleiding is 7,22 mb groot.

 

U ontvangt de handleiding per email binnen enkele minuten. Als u geen email heeft ontvangen, dan heeft u waarschijnlijk een verkeerd emailadres ingevuld of is uw mailbox te vol. Daarnaast kan het zijn dat uw internetprovider een maximum heeft aan de grootte per email. Omdat hier een handleiding wordt meegestuurd, kan het voorkomen dat de email groter is dan toegestaan bij uw provider.

Stel vragen via chat aan uw handleiding

Stel uw vraag over deze PDF

Uw handleiding is per email verstuurd. Controleer uw email

Als u niet binnen een kwartier uw email met handleiding ontvangen heeft, kan het zijn dat u een verkeerd emailadres heeft ingevuld of dat uw emailprovider een maximum grootte per email heeft ingesteld die kleiner is dan de grootte van de handleiding.

Er is een email naar u verstuurd om uw inschrijving definitief te maken.

Controleer uw email en volg de aanwijzingen op om uw inschrijving definitief te maken

U heeft geen emailadres opgegeven

Als u de handleiding per email wilt ontvangen, vul dan een geldig emailadres in.

Uw vraag is op deze pagina toegevoegd

Wilt u een email ontvangen bij een antwoord en/of nieuwe vragen? Vul dan hier uw emailadres in.



Info