795276
6
Verklein
Vergroot
Pagina terug
1/275
Pagina verder
Gebruikershandleiding
Inleiding ......................................... 2
Kort en bondig ............................... 6
Sleutels, portieren en ruiten ......... 21
Stoelen, veiligheidssystemen ...... 46
Opbergen ..................................... 71
Instrumenten en
bedieningsorganen ...................... 81
Verlichting .................................. 116
Klimaatregeling .......................... 127
Rijden en bediening ................... 139
Verzorging van de auto .............. 211
Service en onderhoud ................ 244
Technische gegevens ................ 248
Klantinformatie ........................... 258
Trefwoordenlijst ......................... 268
Inhoud
2 Inleiding
Inleiding
Inleiding 3
Uw autogegevens
Voer hier de gegevens van de auto in
zodat ze gemakkelijk te vinden zijn.
Deze informatie is beschikbaar in de
hoofdstukken "Service en onder‐
houd" en "Technische gegevens",
alsmede op het typeplaatje.
Inleiding
Uw auto is de intelligente combinatie
van vernieuwende techniek, overtui‐
gende veiligheid, milieuvriendelijk‐
heid en zuinigheid.
In deze gebruikershandleiding vindt u
alle informatie die u nodig hebt om uw
auto veilig en efficiënt te kunnen
bedienen.
Zorg ervoor dat uw passagiers ervan
op de hoogte zijn dat onjuist gebruik
van de auto een ongeval tot gevolg
kan hebben en dat er risico bestaat
voor persoonlijk letsel.
Houd u altijd aan de specifieke wetge‐
ving van het land waarin u zich
bevindt. Deze wetgeving kan afwijken
van de informatie in deze gebruikers‐
handleiding.
Als u de beschrijving in deze handlei‐
ding negeert, kan dit van invloed zijn
op de garantie.
Wanneer we u in deze gebruikers‐
handleiding adviseren de hulp van
een werkplaats in te roepen, advise‐
ren we uw Opel Service Partner.
Elke Opel Service Partner biedt u
eersteklas service tegen redelijke prij‐
zen. Ervaren, door Opel geschoolde
specialisten werken volgens speciale
richtlijnen van Opel.
Houd het informatiepakket voor de
gebruiker altijd onder handbereik in
de auto.
Gebruik van deze
handleiding
Deze handleiding geeft een
omschrijving van alle voor dit
model beschikbare opties en
functies. Mogelijk zijn bepaalde
omschrijvingen, waaronder die
voor display- en menufuncties,
niet op uw auto van toepassing
wanneer er sprake is van een
modelvariant, afwijkende
landenspecificaties of speciale
uitrustingen of accessoires.
In het hoofdstuk "Kort en bondig"
krijgt u een beknopt overzicht.
De inhoudsopgave aan het begin
van de handleiding en in de
afzonderlijke paragrafen geeft
aan waar u de informatie die u
zoekt, kunt vinden.
Met behulp van het trefwoorden‐
register kunt u specifieke infor‐
matie zoeken.
In deze gebruikershandleiding
worden linksgestuurde auto's
getoond. De bediening van
rechtsgestuurde auto's is verge‐
lijkbaar.
In de gebruikershandleiding
wordt de motoraanduiding
gehanteerd. De bijbehorende
marktaanduiding en productie‐
code vindt u in de paragraaf
"Technische gegevens".
4 Inleiding
Richtingaanduidingen in de
beschrijvingen, zoals links,
rechts, voor of achter moeten
altijd met de blik in de rijrichting
worden gezien.
Displays ondersteunen mogelijk
uw specifieke taal niet.
Displayteksten en opschriften in
het interieur zijn vet gedrukt.
Gevaar, Waarschuwing en
Voorzichtig
9Gevaar
Teksten met de vermelding
9 Gevaar wijzen op een mogelijk
levensgevaar. Het niet naleven
van deze richtlijnen kan levensge‐
vaar inhouden.
9Waarschuwing
Teksten met de vermelding
9 Waarschuwing wijzen op een
mogelijk gevaar voor ongelukken
of verwondingen. Het niet naleven
van deze richtlijnen kan tot
verwondingen leiden.
Voorzichtig
Teksten met de vermelding
Voorzichtig wijzen erop dat de
auto mogelijk beschadigd kan
raken. Het niet naleven van deze
richtlijnen kan tot beschadiging
van de auto leiden.
Symbolen
Verwijzingen naar andere pagina's
worden aangeduid met 3. 3 betekent
"zie pagina".
Paginaverwijzingen en lemma's in de
index verwijzen naar de ingespron‐
gen koppen in de inhoudsopgave.
We wensen u vele uren autorijplezier.
Adam Opel GmbH
Inleiding 5
6 Kort en bondig
Kort en bondig
Basisinformatie
Auto ontgrendelen
Druk op c om de portieren en de
bagageruimte te ontgrendelen. Open
de portieren door aan de handgrepen
te trekken.
Druk op P om alleen de achterklep
te ontgrendelen.
Achterklep
Druk na ontgrendeling op de tiptoets
boven de kentekenplaat en open de
achterklep.
Handzender 3 22.
Centrale vergrendeling 3 24.
Elektronisch sleutelsysteem 3 23.
Achterklep 3 30.
Kort en bondig 7
Stoelverstelling
Verstelling in de lengterichting
Aan handgreep trekken, stoel
verschuiven, handgreep loslaten.
Probeer de stoel heen en weer te
schuiven om er zeker van te zijn dat
de stoel vergrendeld is.
Stoelpositie 3 48.
Handmatige stoelverstelling 3 49.
Hoek van rugleuningen
Aan handwiel draaien. Bij het verstel‐
len de rugleuning niet belasten.
Stoelpositie 3 48.
Handmatige stoelverstelling 3 49.
Zithoogte
Pompbeweging van de hendel
omhoog : stoel omhoog
omlaag : stoel omlaag
Stoelpositie 3 48.
Handmatige stoelverstelling 3 49.
8 Kort en bondig
Zithoek
Druk op de schakelaar
boven : voorkant omhoog
onder : voorkant omlaag
Stoelpositie 3 48.
Handmatige stoelverstelling 3 49.
Hoofdsteunverstelling
Ontgrendelingsknop indrukken,
hoogte instellen, vastklikken.
Hoofdsteunen 3 46.
Veiligheidsgordel
Veiligheidsgordel afrollen en in
gordelslot vastmaken. De veiligheids‐
gordel mag niet gedraaid zitten en
moet strak tegen het lichaam aanlig‐
gen. De rugleuningen mogen niet te
ver naar achteren hellen (maximaal
ca. 25°).
Om de gordel los te maken, de rode
knop van het gordelslot indrukken.
Stoelpositie 3 48.
Veiligheidsgordels 3 54.
Airbagsysteem 3 58.
Kort en bondig 9
Spiegelverstelling
Binnenspiegel
U verstelt de spiegel door het spie‐
gelhuis in de gewenste richting te
verplaatsen.
Spiegel met handmatige dimfunctie
3 40.
Spiegel met automatische dimfunctie
3 40.
Buitenspiegels
Kies de desbetreffende buitenspiegel
door de spiegelknop naar links of
naar rechts te duwen. Verstel de
desbetreffende spiegel met de vier‐
wegknop.
Bolle spiegels 3 38.
Elektrisch verstellen 3 38.
Inklapbare spiegels 3 39.
Buitenspiegelverwarming 3 39.
Stuurwiel instellen
Hendel omlaagbewegen, stuurwiel
instellen, hendel omhoogbewegen en
vergrendelen. Stuurwiel uitsluitend bij
stilstaande auto en ontgrendeld
stuurslot verstellen.
Stoelpositie 3 48.
Contactslotstanden 3 140.
10 Kort en bondig
Overzicht instrumentenpaneel
Kort en bondig 11
1Elektrische ruitbediening ....... 41
2Buitenspiegels ...................... 38
3Zijdelingse luchtroosters ..... 136
4Richtingaanwijzers,
lichtsignaal, dimlicht/groot
licht, grootlichtassistent ....... 122
Omgevingsverlichting ......... 126
Parkeerlichten ..................... 123
Knoppen voor Driver
Information Center .............. 103
5Cruisecontrol ...................... 164
Snelheidsbegrenzer ............ 167
Verwarmd stuurwiel .............. 82
6Instrumenten ......................... 93
Driver Information Center .... 103
7Knoppen voor Driver
Information Center .............. 103
8Wis-/wasinstallatie
voorruit, wis-/
wasinstallatie achter ............. 83
9Aan/Uit-knop ....................... 141
10 Middelste luchtroosters ...... 136
11 Alarmknipperlichten ........... 122
12 Info-Display ........................ 104
13 Status-LED alarmsysteem ...36
14 Centrale vergrendeling ......... 24
15 Handschoenenkastje ........... 71
16 Bedieningsorganen voor
Info-Display ......................... 104
17 Verwarming en ventilatie ....128
18 USB-laadpoort ..................... 87
19 Elektrische aansluiting .......... 87
20 Parkeerhulp/
Geavanceerde
parkeerhulp ........................ 182
Lane Departure Warning ...197
Eco-knop voor Stop/Start-
systeem ............................... 145
Elektronische stabiliteits‐
regeling en Traction Control 160
SPORT-modus .................... 164
21 Handgeschakelde
versnellingsbak .................. 156
Automatische
versnellingsbak .................. 153
22 Elektrische handrem ........... 157
23 Selectieve ride control ........ 161
24 Contactslot .......................... 140
25 Stuurwiel instellen ................ 82
26 Claxon .................................. 83
27 Opbergruimte ........................ 71
28 Ontgrendelingshandgreep
motorkap ............................ 213
29 Lichtschakelaar .................. 116
Koplampverstelling ............ 118
Mistlampen/
mistachterlichten ................ 123
Instrumentenverlichting ...... 124
12 Kort en bondig
Rijverlichting
AUTO : automatische verlichting
schakelt automatisch
tussen dagrijlicht en
koplamp
8: zijmarkeringslichten
9: dimlicht of groot licht
Automatische verlichting 3 116.
Mistlampen
Druk op de knop in de lichtschake‐
laar:
>: mistlampen
ø: mistachterlicht
Lichtsignaal, groot licht en
dimlicht
lichtsignaal : hendel naar u toe
trekken
groot licht : hendel van u af
duwen
dimlicht : hendel van u af
duwen of naar u
toe trekken
Groot licht 3 117.
Grootlichtassistent 3 117.
Lichtsignaal 3 118.
Led-koplampen 3 119.
Richtingaanwijzers
hendel omhoog : rechter richting‐
aanwijzer
hendel omlaag : linker richtingaan‐
wijzer
Richtingaanwijzers 3 122.
Parkeerlichten 3 123.
Kort en bondig 13
Alarmknipperlichten
Om in te schakelen ¨ indrukken.
Alarmknipperlichten 3 122.
Claxon
j indrukken.
Wis-/wasinstallatie
Voorruitwissers
HI : snel
LO : langzaam
INT : intervalwissen
of
AUTO : automatische wisfunctie
met regensensor
OFF : uit
Hendel omlaag in stand 1x duwen om
de ruitenwissers één slag te laten
maken wanneer de wisser uitgescha‐
keld is.
Voorruitwissers 3 83.
14 Kort en bondig
Voorruitsproeier
Hendel naar u toe trekken.
Wis-/wasinstallatie voor 3 83.
Sproeiervloeistof 3 216.
Wisserblad vervangen 3 218.
Achterruitwisser
Verdraai de buitenste dop om de
achterruitwisser in te schakelen:
OFF : uit
INT : onderbroken werking
ON : continue werking
Achterruitsproeier
Hendel van u af duwen.
Er wordt sproeiervloeistof op de
achterruit gespoten en de ruitenwis‐
ser maakt enkele slagen.
Wis-/wasinstallatie achterruit 3 85.
Kort en bondig 15
Klimaatregeling
Achterruitverwarming
Verwarmings- en ventilatiesysteem,
airconditioning
b indrukken om verwarming in te
schakelen.
Elektronische klimaatregeling (ECC)
b indrukken om verwarming in te
schakelen.
Achterruitverwarming 3 42.
Buitenspiegelverwarming
Met b schakelt u ook de buitenspie‐
gelverwarming in.
Buitenspiegelverwarming 3 39.
Ruiten ontwasemen en ontdooien
Verwarmings- en ventilatiesysteem,
airconditioning
Druk op à: de luchtverdeling
wordt in de richting van de voor‐
ruit geleid.
Draaiknop voor temperatuur
£ in hoogste stand zetten.
Schakel indien nodig de airco
A/C in.
Aanjagersnelheid Z op hoogste
stand zetten.
Verwarming achterruit b inscha‐
kelen.
16 Kort en bondig
Verwarming voorruit , inscha‐
kelen.
Zijdelingse luchtroosters openen
naar wens en op de zijruiten rich‐
ten.
Verwarmings- en ventilatiesysteem
3 127.
Airconditioning 3 128.
Voorruitverwarming 3 43.
Elektronische klimaatregeling (ECC)
Druk op à. Het ledje in de knop
brandt om activering aan te
geven.
Temperatuur en luchtverdeling
worden automatisch ingesteld,
de aanjager draait met een hoge
snelheid.
Indien nodig, de airco inschake‐
len met een druk op A/C.
Verwarming achterruit b inscha‐
kelen.
Verwarming voorruit , inscha‐
kelen.
Om weer naar de vorige modus
te gaan: à weer indrukken. Om
de automatische modus opnieuw
in te schakelen: AUTO indruk‐
ken.
Elektronische klimaatregeling 3 131.
Kort en bondig 17
Versnellingsbak
Handgeschakelde
versnellingsbak
Trap om de achteruitversnelling in te
schakelen bij een 6-traps versnel‐
lingsbak op het koppelingspedaal,
haal de ring onder de schakelhendel
omhoog en haal de hendel helemaal
naar links en naar voren.
Handgeschakelde versnellingsbak
3 156.
Automatische versnellingsbak
P: parkeerstand
R: achteruitversnelling
N: vrij (neutraal)
D: automatische modus
M: handgeschakelde modus
<: opschakelen
]: terugschakelen
Automatische versnellingsbak
3 153.
Voordat u wegrijdt
Voor het wegrijden controleren
Bandenspanning en -staat
3 226, 3 257.
Motoroliepeil en vloeistofniveaus
3 214.
Ruiten, spiegels, rijverlichting en
kentekenplaat: vrij van vuil,
sneeuw of ijs en gebruiksklaar.
Juiste positie van spiegels, stoe‐
len en veiligheidsgordels 3 38,
3 48, 3 56.
Werking van remsysteem (bij
lage snelheid), vooral bij vochtige
remmen.
18 Kort en bondig
Motor starten
Contactslot
Draai de sleutel naar stand 1.
Stuurwiel iets verdraaien om het
stuurslot te ontgrendelen.
Handgeschakelde versnellings‐
bak: koppelings- en rempedaal
intrappen.
Automatische versnellingsbak:
trap het rempedaal in en zet de
keuzehendel op P of N.
Trap het gaspedaal niet in.
Draai de sleutel in de stand 2 en
laat deze na het starten van de
motor los.
Een dieselmotor start nadat het
controlelampje ! voor voorver‐
warming is gedoofd.
Motor starten 3 143.
Startknop
Handgeschakelde versnellingsbak:
koppelings- en rempedaal intrappen.
Automatische versnellingsbak: trap
het rempedaal in en zet de keuzehen‐
del op P of N.
Trap het gaspedaal niet in.
Druk op de knop Start/Stop en laat
deze los. Een dieselmotor start nadat
het controlelampje ! voor voorver‐
warming is gedoofd.
Kort en bondig 19
Stop-startsysteem
Als de auto langzaam rijdt of stilstaat
en er aan bepaalde voorwaarden is
voldaan, wordt een autostop geacti‐
veerd.
Een Autostop wordt aangegeven
door controlelampje D.
Handgeschakelde versnellingsbak:
om de motor te herstarten, moet u het
koppelingspedaal opnieuw intrappen.
Controlelampje D dooft.
Automatische versnellingsbak: om de
motor te herstarten, moet u het
rempedaal loslaten. Controlelampje
D dooft.
Stop/Start-systeem 3 145.
Parkeren
9Waarschuwing
Parkeer de auto niet op een
licht ontvlambaar oppervlak.
Door de hoge temperatuur van
het uitlaatsysteem kan het
oppervlak ontbranden.
Trek altijd de handrem aan. Zet
de parkeerrem aan zonder op
de ontgrendelingsknop te druk‐
ken. Op een aflopende of oplo‐
pende helling zo stevig moge‐
lijk. Trap tegelijkertijd het
rempedaal in om minder kracht
nodig te hebben.
Zet de motor af.
Als de auto op een vlakke
ondergrond of een helling
(omhoog) staat, schakel dan de
eerste versnelling in of zet de
keuzehendel in stand P, voor‐
dat u de contactsleutel verwij‐
dert of bij auto's met een aan/
uit-knop het contact af zet. Op
een oplopende helling boven‐
dien de voorwielen van de
stoeprand wegdraaien.
Als de auto op een vlakke
ondergrond of een helling
(omlaag) staat, schakel dan de
achteruitversnelling in of zet de
keuzehendel in stand P, voor‐
dat u de contactsleutel verwij‐
dert of bij auto's met een aan/
uit-knop het contact af zet.
Bovendien de voorwielen naar
de stoeprand toedraaien.
Sluit de ruiten.
Trek de sleutel uit het contact‐
slot of schakel bij auto's met
een aan/uit-knop het contact
uit. Stuurwiel verdraaien totdat
het stuurslot merkbaar
vergrendelt.
Vergrendel de auto met e op de
handzender.
Activeer het alarmsysteem
3 36.
Koelventilatoren kunnen ook na
het afzetten van de motor in
werking treden 3 213.
20 Kort en bondig
Voorzichtig
Na een rit waarbij met hoge motor‐
toerentallen of met hoge motorbe‐
lasting werd gereden, de motor
vóór het afzetten gedurende een
korte tijd met lage belasting laten
draaien of gedurende ca.
30 seconden stationair laten
draaien om de turbolader te
beschermen.
Sleutels, sloten 3 21, auto een
langere tijd stilzetten 3 212.
Sleutels, portieren en ruiten 21
Sleutels, portieren
en ruiten
Sleutels, sloten ............................ 21
Sleutels ...................................... 21
Handzender ............................... 22
Elektronisch sleutelsysteem ...... 23
Centrale vergrendeling .............. 24
Automatisch vergrendelen ......... 29
Kindersloten .............................. 29
Portieren ...................................... 30
Bagageruimte ............................ 30
Antidiefstalbeveiliging .................. 35
Vergrendelingssysteem ............. 35
Diefstalalarmsysteem ................ 36
Startbeveiliging .......................... 38
Buitenspiegels ............................. 38
Bolle vorm ................................. 38
Elektrische verstelling ................ 38
Inklapbare spiegels ................... 39
Verwarmde spiegels .................. 39
Binnenspiegel .............................. 40
Handmatige dimfunctie .............. 40
Automatische dimfunctie ........... 40
Ruiten .......................................... 40
Voorruit ...................................... 40
Elektrisch bediende ruiten ......... 41
Achterruitverwarming ................ 42
Voorruitverwarming ................... 43
Zonnekleppen ............................ 44
Rolschermen ............................. 44
Dak .............................................. 44
Panoramadak ............................ 44
Sleutels, sloten
Sleutels
Voorzichtig
Bevestig geen zware of massieve
voorwerpen aan de contactsleutel.
Reservesleutels
Het sleutelnummer staat vermeld op
een verwijderbaar label.
Bij het bestellen van reservesleutels
moet het sleutelnummer worden
vermeld aangezien de sleutels deel
uitmaken van de startbeveiliging.
Sloten 3 240, Centrale vergrendeling
3 24, Motor starten 3 143.
Handzender 3 22.
Elektronische sleutel 3 23.
Het codenummer van de adapter
voor de wielborgmoeren vindt u op
een kaart. Vermeld het wanneer u
een nieuwe adapter bestelt.
Wiel verwisselen 3 233.
22 Sleutels, portieren en ruiten
Sleutel met uitklapbare
sleutelbaard
Om uit te klappen toets indrukken.
Om in te klappen eerst toets indruk‐
ken.
Handzender
Voor het bedienen van de volgende
functies via de toetsen op de hand‐
zender:
centrale vergrendeling 3 24
vergrendelingssysteem 3 35
diefstalalarmsysteem 3 36
achterklep ontgrendelen en
openen
elektrisch bediende ruiten
3 41
in-/uitklappen van de buitenspie‐
gels
De handzender heeft een bereik van
maximaal 100 meter, maar dat kan
veel meer zijn door invloeden van
buitenaf. Brandende alarmknipper‐
lichten dienen als bevestiging.
Handzender met zorg behandelen,
vochtvrij houden, beschermen tegen
hoge temperaturen en onnodig
gebruik vermijden.
Batterij in handzender vervangen
Zodra de reikwijdte afneemt, de
batterij meteen vervangen.
Batterijen horen niet in het huisvuil
thuis. Ze moeten via speciale inza‐
melpunten gerecycled worden.
Sleutels, portieren en ruiten 23
1. Haal de achterafdekking van de
afstandsbediening.
2. Verwijder de lege batterij.
3. Vervang de batterij door een
batterij van hetzelfde type. Let op
de stand van de batterij.
4. Klik de achterafdekking op zijn
plaats.
Storing
Als de centrale vergrendeling niet met
de handzender kan worden vergren‐
deld of ontgrendeld, kan dit het
gevolg zijn van het volgende:
Storing in de handzender.
De elektronische sleutel is buiten
ontvangstbereik.
De batterijspanning is te laag.
Overbelasting van de centrale
vergrendeling door herhaalde,
snel opeenvolgende activering
van de handzender, waardoor de
stroomvoorziening voor korte tijd
wordt onderbroken.
Storing door radiogolven afkom‐
stig van externe zenders met een
hoog vermogen.
Handmatig ontgrendelen 3 24.
Elektronisch sleutelsysteem
Voor een passieve bediening van de
volgende functies:
centrale vergrendeling 3 24
elektrische achterklep 3 30
contact inschakelen en motor
starten 3 143
U hoeft alleen de elektronische sleu‐
tel bij zich te dragen.
De elektronische sleutel bevat ook de
functionaliteit van de handzender
3 22.
24 Sleutels, portieren en ruiten
Handzender met zorg behandelen,
vochtvrij houden, beschermen tegen
hoge temperaturen en onnodig
gebruik vermijden.
Batterij elektronische sleutel
vervangen
Batterij meteen vervangen zodra het
systeem niet meer goed werkt of het
bereik ervan afneemt. Een bericht op
het Driver Information Center geeft
aan dat de batterij moet worden
vervangen 3 106.
Batterijen horen niet in het huisvuil
thuis. Ze moeten via speciale inza‐
melpunten gerecycled worden.
1. Verwijder het deksel.
2. Verwijder de lege batterij.
3. Vervang de batterij door een
batterij van hetzelfde type. Let op
de stand van de batterij.
4. Plaats het deksel.
Storing
Als de centrale vergrendeling niet kan
worden vergrendeld of ontgrendeld of
als de motor niet kan worden gestart,
kan dit de volgende oorzaken
hebben:
Storing in elektronische sleutel.
De elektronische sleutel is buiten
ontvangstbereik.
De batterijspanning is te laag.
Overbelasting van de centrale
vergrendeling door herhaalde,
snel opeenvolgende activering
van de handzender, waardoor de
stroomvoorziening voor korte tijd
wordt onderbroken.
Storing door radiogolven afkom‐
stig van externe zenders met een
hoog vermogen.
Om de storing te verhelpen, de positie
van de elektronische sleutel verande‐
ren.
Handmatig ontgrendelen 3 24.
Centrale vergrendeling
Ontgrendelen en vergrendelen van
portieren, bagageruimte en tankvul‐
klep.
Door aan de binnenste portierhand‐
greep te trekken wordt het desbetref‐
fende portier ontgrendeld. Door nog
eens aan de handgreep te trekken
gaat het portier open.
Sleutels, portieren en ruiten 25
Let op
Bij een ongeval waarbij de airbags of
gordelspanners in werking treden,
wordt het voertuig automatisch
ontgrendeld.
Let op
Wanneer na ontgrendeling met de
afstandsbediening geen van de
portieren word geopend, worden
deze na korte tijd automatisch
opnieuw vergrendeld. Een voor‐
waarde is dat de instelling is geacti‐
veerd in de persoonlijke instellingen
3 108.
Werking van handzender
Ontgrendelen
O indrukken.
De ontgrendelmodus kan in het menu
Persoonlijke instellingen op het Info-
Display worden ingesteld. U kunt
twee instellingen selecteren:
Alle portieren, de bagageruimte
en de tankvulklep worden met
één druk op O ontgrendeld.
Alleen het bestuurdersportier, de
bagageruimte en de tankklep
worden met één druk op O
ontgrendeld. Om alle portieren te
ontgrendelen, drukt u tweemaal
op O.
Kies de relevante instelling in
Persoonlijke instellingen.
Persoonlijke instellingen 3 108.
Achterklep ontgrendelen
Druk langer op P om alleen de
achterklep te ontgrendelen.
Ontgrendelen en openen van de
achterklep 3 30.
Vergrendelen
Portieren, bagageruimte en tankvul‐
klep sluiten.
N indrukken.
Bij een niet goed gesloten bestuur‐
dersportier werkt de centrale vergren‐
deling niet.
Bevestiging
De werking van de centrale vergren‐
deling wordt bevestigd door de alarm‐
knipperlichten. Een voorwaarde is dat
de instelling in de persoonlijke instel‐
lingen 3 108 is geactiveerd.
26 Sleutels, portieren en ruiten
Werking elektronisch
sleutelsysteem
De elektronische sleutel moet zich
binnen een bereik van ongeveer
één meter van het desbetreffende
portier buiten de auto bevinden.
Ontgrendelen
Steek uw hand achter de portierkruk
van een van de voorportieren om de
auto te ontgrendelen of druk op de
openingsknop op de achterklep.
Houd uw hand achter de portierkruk
of houd de openingsknop op de
achterklep ingedrukt om de ruiten te
openen.
De ontgrendelmodus kan in het menu
Persoonlijke instellingen op het Info-
Display worden ingesteld. U kunt
twee instellingen selecteren:
U ontgrendelt alleen het bestuur‐
dersportier door uw hand achter
de buitengreep van het bestuur‐
dersportier te steken.
U ontgrendelt alle portieren, de
bagageruimte en de tankvulklep
door uw hand achter de kruk van
het passagiersportier te steken of
door op de openingsknop op de
achterklep te drukken.
U ontgrendelt alleen de achter‐
klep door de tiptoets op de
achterklep aan te raken.
Persoonlijke instellingen 3 108
Vergrendelen
Sleutels, portieren en ruiten 27
Druk met een vinger of duim op een
van de portiergrepen (in de gemar‐
keerde gebieden) of raak de tiptoets
op de achterklep aan.
Alle portieren, de bagageruimte en de
tankvulklep worden vergrendeld.
Het systeem vergrendelt, als alle
portieren na opening van een portier
dichtstaan.
Als het bestuurdersportier niet goed
gesloten is, de elektronische sleutel
in de auto blijft of het contact niet
uitstaat, is vergrendeling niet toege‐
staan en klinkt een waarschuwings‐
signaal.
Als er twee of meer elektronische
sleutels in de auto's zijn geweest en
het contact één keer aan was, worden
de portieren vergrendeld, zelfs als er
maar één elektronische sleutel uit de
auto wordt genomen.
Ontgrendelen en openen van de
achterklep
De achterklep kan handenvrij worden
ontgrendeld en geopend door de
tiptoets onder de achterkleplijst in te
drukken, wanneer de elektronische
sleutel in de buurt is. De portieren blij‐
ven vergrendeld. Achterklep 3 30.
Bediening met toetsen op de
elektronische sleutel
De centrale vergrendeling kan ook
worden bediend met de toetsen op de
elektronische sleutel.
Druk op O om te ontgrendelen.
Druk op N om te vergrendelen.
Druk langer op P om alleen de
elektrisch bediende achterklep te
ontgrendelen en te openen.
Werking van handzender 3 24.
Bevestiging
De werking van de centrale vergren‐
deling wordt bevestigd door de alarm‐
knipperlichten. Een voorwaarde is dat
de instelling in de persoonlijke instel‐
lingen 3 108 is geactiveerd.
Centrale vergrendelingsknoppen
Vergrendel of ontgrendel alle portie‐
ren, de bagageruimte en de tankklep
vanuit het interieur met een schake‐
laar in het paneel van het bestuur‐
dersportier.
Druk op Q om te vergrendelen. Het
ledje in de toets brandt.
28 Sleutels, portieren en ruiten
Druk nogmaals op Q om te ontgren‐
delen. Het ledje in de toets dooft.
Bediening met de sleutel bij een
storing in de centrale
vergrendeling
In geval van een storing, bijvoorbeeld
omdat de accu of de batterij van de
handzender/elektronische sleutel
leeg is, kunt u het bestuurdersportier
met de mechanische sleutel vergren‐
delen en ontgrendelen.
Handmatig ontgrendelen
Elektronische sleutel: houd de pal
ingedrukt om de geïntegreerde sleu‐
tel te voorschijn te halen.
U ontgrendelt het bestuurdersportier
handmatig door de sleutel in de slot‐
cilinder te steken en te draaien.
De andere portieren kunnen worden
geopend door aan de binnenhand‐
greep te trekken. De bagageruimte
en de tankvulklep worden mogelijk
niet ontgrendeld.
Als u het contact inschakelt, wordt het
vergrendelingssysteem uitgescha‐
keld.
Handmatig vergrendelen
U vergrendelt het bestuurdersportier
handmatig door de sleutel in de slot‐
cilinder te steken en te draaien.
Verwijder om de andere portieren te
vergrendelen de zwarte afdekking
met behulp van een sleutel.
Steek de sleutel voorzichtig erin en
beweeg deze naar de binnenkant van
het portier zonder de sleutel te
verdraaien.
Verwijder de sleutel en breng de
zwarte afdekking aan.
De tankvulklep en de achterklep
worden mogelijk niet vergrendeld.
Sleutels, portieren en ruiten 29
Automatisch vergrendelen
Automatisch vergrendelen na
wegrijden
Dit systeem biedt de mogelijkheid om
de portieren en de bagageruimte
automatisch tegelijkertijd te vergren‐
delen zodra de snelheid van de auto
is opgelopen tot boven 10 km/u.
Als een van de portieren of de baga‐
geruimte openstaat, vindt geen auto‐
matische centrale vergrendeling
plaats. Dit wordt kenbaar gemaakt
door het geluid van opnieuw ontgren‐
delende sloten, het oplichten van h
op het instrumentenpaneel, de weer‐
gave van een akoestisch signaal en
het verschijnen van een waarschu‐
wingsbericht.
U kunt de functie permanent active‐
ren of deactiveren. Druk, bij inge‐
schakeld contact, op Q totdat een
akoestisch signaal klinkt en het bijbe‐
horende bericht verschijnt.
De stand van het systeem wordt bij
uitschakeling van het contact in het
geheugen opgeslagen.
Automatische hervergrendeling
na ontgrendeling
Deze functie vergrendelt automatisch
alle portieren, de bagageruimte en de
tankvulklep kort nadat u deze met de
handzender of elektronische sleutel
heeft ontgrendeld, vooropgesteld dat
er geen portier openstaat.
Kindersloten
9Waarschuwing
Gebruik de kindersloten wanneer
kinderen op de achterste zitplaat‐
sen worden vervoerd.
Kindersloten, mechanisch
Draai het rode kinderslot op het
achterportier met een sleutel in de
horizontale stand. Het portier kan niet
meer van binnen worden geopend.
Om de functie te deactiveren, draait u
het kinderslot in de verticale stand.
30 Sleutels, portieren en ruiten
Kindersloten, elektrisch
Op afstand bediend systeem dat
moet voorkomen dat de achterportie‐
ren kunnen worden geopend via de
bedieningsknoppen en dat de elek‐
trisch bedienbare zijruiten in de
achterportieren kunnen worden
bediend. De knop bevindt zich in de
middenconsole vóór de keuzehendel.
Inschakelen
Druk op R. Het lampje in de knop gaat
branden en er verschijnt een bevesti‐
gingsbericht. Het lampje blijft branden
totdat het kinderslot wordt uitgescha‐
keld.
Uitschakelen
Toets R nogmaals indrukken. Het
lampje in de knop dooft en verschijnt
een bevestigingsbericht. Dit lampje
blijft branden zolang het kinderslot
ingeschakeld is.
Portieren
Bagageruimte
Achterklep
Openen
Druk na ontgrendeling op de tiptoets
onder de achterkleplijst en open de
achterklep.
Sleutels, portieren en ruiten 31
Sluiten
Binnenste handgreep gebruiken.
Duw niet op de tiptoets tijdens het
sluiten, omdat de achterklep dan
weer ontgrendeld kan worden.
Centrale vergrendeling 3 24.
Elektrische achterklep
9Waarschuwing
Wees voorzichtig bij het gebruik
van de elektrische achterklep. Er
bestaat verwondingsgevaar, met
name voor kinderen.
Houd tijdens de bediening de
bewegende achterklep goed in de
gaten. Zorg ervoor dat er tijdens
de bediening niets bekneld raakt
en dat er niemand in het bewe‐
gingsgebied staat.
U kunt de elektrische achterklep als
volgt bedienen:
Door langer op P op de elek‐
tronische sleutel te drukken.
Handsfree bediening met behulp
van de bewegingssensor onder
de achterbumper.
Met de tiptoets onder de sierlijst
van de achterklep en T in de
geopende achterklep.
Bij auto's met automatische versnel‐
lingsbak kan de achterklep alleen
worden bediend wanneer de auto stil‐
staat en automatische versnellings‐
bak in P.
De richtingaanwijzers knipperen en u
hoort een geluidssignaal wanneer de
elektrische achterklep in werking is.
Let op
De bediening van de elektrische
achterklep heeft geen invloed op de
centrale vergrendeling. Het is niet
nodig om de auto te ontgrendelen
om de achterklep te openen met de
knop op de elektronische sleutel, de
tiptoets onder de sierlijst van de
achterklep of de handsfree bedie‐
ning. Hiervoor moet de elektroni‐
sche sleutel zich wel buiten de auto
bevinden, binnen ongeveer
één meter van de achterklep.
Laat de elektronische sleutel niet
achter in de bagageruimte.
Vergrendel de auto na het sluiten,
indien hij eerder werd ontgrendeld.
Centrale vergrendeling 3 24.
32 Sleutels, portieren en ruiten
Bediening met de elektronische
sleutel
Druk langer op P om de achterklep
te openen of te sluiten.
Handsfree bediening met behulp van
de bewegingssensor onder de
achterbumper
Beweeg om de achterklep te openen
of te sluiten uw voet heen en weer
onder de achterklep, onder het
gedeelte onder de kentekenplaat (zie
afbeelding). De sleutel moet zich
binnen een bereik van één meter
bevinden. Bij auto's met parkeerhulp
bevindt dit gebied zich onder de
sensor die zichtbaar is. Houd uw voet
niet langer onder de bumper en
beweeg niet te langzaam. De elektro‐
nische sleutel moet zich buiten de
auto bevinden, binnen ongeveer
één meter van de achterklep.
U kunt deze handenvrije bediening in-
of uitschakelen in het menu
Instellingen, I Voertuig op het Info-
Display.
Info-Display 3 104.
Persoonlijke instellingen 3 108.
9Gevaar
Raak tijdens de handsfree bedie‐
ning geen voertuigonderdelen
onder de auto aan. Er bestaat dan
gevaar voor verwonding vanwege
hete motoronderdelen.
Automatisch vergrendelen na
handenvrije bediening
Sleutels, portieren en ruiten 33
Druk op toets S in de geopende
achterklep, na handvrij sluiten van de
achterklep wordt de gehele auto
vergrendeld.
Bediening met de tiptoets onder de
sierlijst van de achterklep
Om de achterklep te openen, drukt u
op de tiptoets onder de achterkleplijst
totdat de achterklep begint te bewe‐
gen. Als de auto is afgesloten, moet
de elektronische sleutel zich buiten
de auto bevinden, binnen ongeveer
één meter van de achterklep.
Om de klep te sluiten, drukt u op T
in de geopende achterklep totdat de
achterklep begint te bewegen.
Stoppen of van richting veranderen
Beweging van de achterklep onmid‐
dellijk stoppen:
druk langer op P op de elek‐
tronische sleutel, of
druk op de tiptoets onder de sier‐
lijst van de achterklep, of:
druk op T op de geopende
achterklep.
De bewegingsrichting wordt omge‐
draaid als u nogmaals op een van de
schakelaars drukt.
Lagere openingshoogte aanpassen
1. Open de elektrische achterklep
met één van de schakelaars.
2. Stop de beweging op de gewen‐
ste hoogte door op T te druk‐
ken. Zet de stilstaande achterklep
zo nodig met de hand in de
gewenste stand.
3. Houd de toets T aan de binnen‐
kant van de geopende achterklep
drie seconden ingedrukt.
Let op
De openingshoogte moet met de
auto op de grond worden gepro‐
grammeerd.
34 Sleutels, portieren en ruiten
U hoort een geluidssignaal en de rich‐
tingaanwijzers knipperen wanneer de
nieuwe instelling is opgeslagen. De
verlaagde hoogte kan alleen worden
ingesteld bij een openingshoek van
meer dan 30°.
Wis de verlaagde hoogtestand door
de achterklep voor de helft te openen
en druk gedurende drie seconden op
T
De achterklep kan alleen geopend
blijven als er een minimale hoogte is
overschreden (minimale openings‐
hoek van 30°). U kunt geen openings‐
hoogte programmeren die een lagere
hoogte oplevert.
Beveiligingsfunctie
Wanneer de elektrische achterklep
tijdens het openen of sluiten een
obstakel raakt, keert de klep automa‐
tisch een stukje om. Bij meerdere
obstakels tijdens één beweging wordt
de functie gedeactiveerd. In dat geval
moet u de achterklep met de hand
openen of sluiten.
De elektrische achterklep heeft
beknellingssensoren langs de zijran‐
den. Herkennen deze sensoren een
obstakel tussen de achterklep en de
carrosserie, dan opent de achterklep
tot u deze weer activeert of handma‐
tig sluit.
De beveiligingsfunctie wordt kenbaar
gemaakt door een geluidssignaal.
Verwijder alle obstakels voordat u
verdergaat met de elektrische bedie‐
ning.
Als de auto in de fabriek is uitgerust
met een trekhaak en er een aanhan‐
ger elektrisch wordt aangesloten, kan
de elektrische achterklep uitsluitend
worden geopend met de tiptoetsscha‐
kelaar of gesloten met T in de
geopende achterklep. Zorg ervoor dat
er geen obstakels in het bewegings‐
gebied staan.
Overbelasting
Als de elektrische achterklep
herhaald met korte tussenpozen
wordt bediend, wordt de functie enige
tijd uitgeschakeld. Beweeg de achter‐
klep handbediend naar de eindstand
om het systeem te resetten.
Elektrisch bediende achterklep
initialiseren
Als u de elektrisch bediende achter‐
klep niet automatisch kunt bedienen
(bijv. na het loskoppelen van de
accu), verschijnt er een waarschu‐
wingstekst op het Driver Information
Center.
Activeer de elektronica als volgt:
1. Open de achterklep handmatig.
2. Sluit de achterklep handmatig.
3. Contact inschakelen.
Roep de hulp van een werkplaats in
als het probleem niet wordt opgelost.
Algemene tips voor de
achterklepbediening
9Gevaar
Niet met een geopende of op een
kier staande achterklep rijden,
bijv. bij het vervoer van omvang‐
rijke bagage, omdat er dan giftige,
Sleutels, portieren en ruiten 35
onzichtbare en reukloze uitlaat‐
gassen de auto kunnen binnen‐
dringen. Hierdoor kunt u bewuste‐
loos raken en zelfs sterven.
Voorzichtig
Voordat u de achterklep opent,
moet u belemmeringgen in de
hoogte controleren, zoals een
garagedeur, om schade aan de
achterklep te voorkomen. Contro‐
leer altijd het bewegingsgebied
boven en achter de achterklep.
Let op
Afhankelijk van het gewicht van
eventueel gemonteerde accessoi‐
res blijft de achterklep mogelijk niet
in geopende stand staan.
Let op
De elektrische achterklep wordt
gedeactiveerd wanneer de accu
bijna ontladen is. In dit geval is het
mogelijk dat de achterklep zelfs niet
met de hand bediend kan worden.
Let op
Wanneer de elektrische achterklep
niet werkt en alle portieren ontgren‐
deld zijn, kunt u de achterklep alleen
met de hand bedienen. In dit geval
kost het aanzienlijk meer moeite om
de achterklep met de hand te sluiten.
Let op
Bij lage buitentemperaturen gaat de
achterklep wellicht niet vanzelf
geheel open. Til de achterklep in dat
geval met de hand tot in de normale
eindstand.
Antidiefstalbeveiliging
Vergrendelingssysteem
9Waarschuwing
Niet inschakelen als er zich perso‐
nen in de auto bevinden! Ontgren‐
delen van de binnenzijde is niet
mogelijk.
Alle portieren worden tegen openen
beveiligd. Voor activering van het
systeem moeten alle portieren geslo‐
ten zijn.
Bij het ontgrendelen van de auto
wordt de mechanische diefstalbevei‐
liging uitgeschakeld. Dit is niet moge‐
lijk met de centrale vergrendelings‐
toets.
36 Sleutels, portieren en ruiten
Inschakelen
Druk binnen vijf seconden tweemaal
op N van de handzender.
Diefstalalarmsysteem
Het alarmsysteem is gecombineerd
met het vergrendelingssysteem.
Het bewaakt:
portieren, achterklep, motorkap
interieur en aangrenzende baga‐
geruimte
hellingshoek van de auto, zoals
bij het wegslepen
contact
Inschakelen
Alle portieren moeten gesloten zijn en
de elektronische sleutel of het elek‐
tronische sleutelsysteem mag niet in
de auto blijven. Anders kan het
systeem niet worden geactiveerd.
Handzender: werkt automatisch
30 seconden na het vergrende‐
len van de auto door één keer op
e te drukken.
Elektronisch sleutelsysteem:
spontane activering wanneer er
30 seconden zijn verstreken na
vergrendeling van de auto door
met een vinger of duim het
gemarkeerde gebied van een
van de voorportiergrepen aan te
raken.
Handzender of elektronische
sleutel: rechtstreeks door e twee
keer binnen vijf seconden in te
drukken.
Elektronisch sleutelsysteem met
ingeschakelde passieve vergren‐
deling: werkt kort na passieve
vergrendeling.
Let op
Bij wijzigingen in het interieur, zoals
het gebruik van stoelhoezen en bij
open ruiten, werkt de bewaking van
het interieur wellicht minder goed.
Sleutels, portieren en ruiten 37
Inschakelen zonder interieur- en
hellingshoekbewaking
Schakel de bewaking van het interi‐
eur en de hellingshoek van de auto uit
als u dieren in de auto achterlaat,
vanwege de schelle ultrasone signa‐
len of bewegingen die het alarm acti‐
veren. Schakel ze ook uit wanneer de
auto op een veerboot of een trein
staat.
1. Sluit de achterklep, motorkap,
ruiten.
2. Druk op o. Het ledje in de knop
o brandt maximaal
tien minuten.
3. Portieren sluiten.
4. Diefstalalarmsysteem inschake‐
len.
Het statusbericht verschijnt op het
Driver Information Center.
Melding
Het ledje in de knop voor centrale
vergrendeling knippert, als het dief‐
stalalarmsysteem geactiveerd is.
Bij storingen Roep de hulp in van een
werkplaats.
Uitschakelen
Handzender: Bij het ontgrendelen
van de auto door indrukken van c
wordt het diefstalalarmsysteem
gedeactiveerd.
Elektronisch sleutelsysteem: Bij
ontgrendeling van de auto door met
een vinger of duim het gemarkeerde
gebied van een van de voorportier‐
grepen aan te raken wordt het dief‐
stalalarmsysteem gedeactiveerd.
De elektronische sleutel moet zich
binnen een bereik van ongeveer één
meter van het desbetreffende portier
buiten de auto bevinden.
Het systeem wordt niet gedeactiveerd
door het bestuurdersportier te
ontgrendelen met de sleutel of met de
centrale vergrendelingsknop in het
interieur.
38 Sleutels, portieren en ruiten
Alarm
Bij het activeren klinkt de alarmclaxon
en gaan de alarmknipperlichten tege‐
lijkertijd knipperen. Het aantal en de
duur van de alarmsignalen zijn voor‐
geschreven door de wetgever.
Het diefstalalarmsysteem is te deac‐
tiveren door c in te drukken, op de
schakelaar op de portiergreep te
drukken (met elektronisch sleutelsys‐
teem) of door het contact in te scha‐
kelen.
Het diefstalalarmsysteem is te deac‐
tiveren door c in te drukken, door het
gemarkeerde gebied van een van de
voorportiergrepen aan te raken (met
elektronisch sleutelsysteem) of door
het contact in te schakelen.
Wanneer het alarm is afgegaan
zonder dat de bestuurder het heeft
uitgeschakeld, geven de alarmknip‐
perlichten dat aan. Ze lichten bij het
ontgrendelen van de auto met de
handzender driemaal kort achtereen
op. Bovendien verschijnt er na
inschakeling van het contact een
waarschuwingsbericht op het Driver
Information Center.
Boordinformatie 3 106.
Als de accu van de auto moet worden
ontkoppeld (bijv. voor onderhouds‐
werkzaamheden), moet de alarmsi‐
rene als volgt worden gedeactiveerd:
schakel het contact in en uit en
ontkoppel de accu van de auto binnen
15 seconden.
Startbeveiliging
Het systeem is onderdeel van de
contactschakelaar en het controleert
of de auto met de gebruikte sleutel
mag worden gestart.
De startbeveiliging activeert zichzelf
automatisch nadat u de sleutel uit de
contactschakelaar hebt gehaald.
Let op
RFiD-tags (Radio Frequency Identi‐
fication) kunnen de werking van de
sleutel storen. Houd de tag bij het
starten uit de buurt van de sleutel.
Let op
De startbeveiliging vergrendelt de
portieren niet. Vergrendel daarom
steeds na het verlaten van de auto
de portieren en schakel het diefstal‐
alarmsysteem in 3 24, 3 36.
Buitenspiegels
Bolle vorm
De bolle buitenspiegel aan de
bestuurderszijde bevat een asferisch
deel en heeft een kleinere dode hoek.
Door de vorm van de spiegel lijken
voorwerpen kleiner dan ze zijn, waar‐
door afstanden moeilijker zijn in te
schatten.
Dodehoeksysteem 3 190.
Elektrische verstelling
Sleutels, portieren en ruiten 39
Kies de desbetreffende buitenspiegel
door de spiegelknop naar links of
naar rechts te duwen.
Beweeg daarna de knop om de spie‐
gel te verstellen.
Inklapbare spiegels
Voor de veiligheid van voetgangers
klappen de buitenspiegels bij aansto‐
ten vanaf een bepaalde kracht weg uit
de normale stand. Spiegel dan door
licht op de spiegelbehuizing te druk‐
ken terugduwen.
Elektrisch inklappen
Trek de spiegelknop naar achteren.
Beide buitenspiegels klappen nu in.
Druk de spiegelknop nogmaals naar
achteren om de buitenspiegels weer
in hun oorspronkelijke stand te
zetten.
Als u een elektrisch ingeklapte spie‐
gel met de hand uitklapt, wordt bij het
naar achteren trekken van de spie‐
gelknop alleen de andere spiegel
elektrisch uitgeklapt.
Verwarmde spiegels
Om in te schakelen b indrukken.
De verwarming werkt bij een draai‐
ende motor en wordt na korte tijd
automatisch uitgeschakeld.
Achterruitverwarming 3 42.
40 Sleutels, portieren en ruiten
Binnenspiegel
Handmatige dimfunctie
Om verblinding te verminderen, de
hendel aan de onderkant van de spie‐
gelbehuizing verstellen.
Automatische dimfunctie
Verblinding 's nachts door achterop‐
komend verkeer wordt automatisch
verminderd.
Ruiten
Voorruit
Voorruitstickers
Plak geen stickers, zoals bijvoorbeeld
tolvignetten, rond de binnenspiegel
op de voorruit. Anders kunnen de
detectiezone van de sensor en het
zichtveld van de camera in de spie‐
gelbehuizing kleiner worden.
Vervanging van voorruit
Voorzichtig
Als de auto met een vooruitzicht‐
camera voor de bestuurderson‐
dersteuningssystemen uitgevoerd
is, is het zeer belangrijk dat een
eventuele vervanging van de voor‐
ruit precies volgens de specifica‐
ties van Opel plaatsvindt. Anders
werken deze systemen wellicht
niet goed en bestaat het risico van
onverwacht gedrag en/of berich‐
ten van deze systemen.
Sleutels, portieren en ruiten 41
Elektrisch bediende ruiten
9Waarschuwing
Wees voorzichtig bij het gebruik
van de elektrische ruitbediening.
Er bestaat verwondingsgevaar,
met name voor kinderen.
Als er achterin kinderen zitten,
moet u de kinderbeveiliging van
de elektrische ruitbediening
inschakelen.
Ruiten tijdens het sluiten goed in
de gaten houden. Ervoor zorgen
dat niets of niemand bekneld
raakt.
Schakel het contact in om de elek‐
trisch bediende ruiten te bedienen.
Druk de schakelaar van de desbetref‐
fende ruit in om de ruit te openen of
trek aan de schakelaar om de ruit te
sluiten.
Toets een beetje indrukken of uittrek‐
ken: ruit gaat omhoog of omlaag
zolang u de schakelaar bedient.
Knop zover mogelijk indrukken of
uittrekken en loslaten: ruit gaat auto‐
matisch omhoog of omlaag met geac‐
tiveerde beveiligingsfunctie. U stopt
de ruit door de schakelaar nogmaals
in dezelfde richting te bedienen.
Beveiligingsfunctie
Stuit de ruit tijdens het automatisch
sluiten boven de middelste stand op
weerstand, dan stopt het sluiten
onmiddellijk en beweegt de ruit weer
omlaag.
Beveiligingsfunctie negeren
In geval van problemen bij het sluiten
vanwege vorst o.i.d. schakelt u het
contact in, trekt u de schakelaar
vervolgens tot de eerste klik en houdt
u hem daar. De ruit gaat omhoog
zonder geactiveerde beveiligings‐
functie. Om de beweging te stoppen,
laat u de schakelaar los.
42 Sleutels, portieren en ruiten
Kinderbeveiliging voor
achterportierruiten
Druk V in om de achterste elektri‐
sche portierruiten te deactiveren; het
ledje licht op. Druk voor het activeren
nogmaals op V.
Ruiten van de buitenzijde
bedienen
U kunt de ruiten op afstand van
buitenaf bedienen.
Houd e ingedrukt om de ruiten te slui‐
ten.
Laat de toets los om de ruit te stop‐
pen.
Als de ruiten volledig gesloten zijn,
lichten de alarmknipperlichten twee‐
maal op.
Overbelasting
Worden de ruiten in korte tijd meer‐
maals bediend, dan wordt de ruitbe‐
diening enige tijd gedeactiveerd.
Elektrisch bediende ruiten
initialiseren
Als u de ruiten niet automatisch kunt
sluiten (bijv. na het loskoppelen van
de accu), verschijnt er een waarschu‐
wingstekst op het Driver Information
Center.
Boordinformatie 3 106.
Activeer de ruitelektronica als volgt:
1. Portieren sluiten.
2. Contact inschakelen.
3. Trek aan de schakelaar totdat de
ruit gesloten is en blijf nog
twee seconden eraan trekken.
4. Duw tegen de schakelaar tot de
ruit helemaal is geopend en blijf
nog twee seconden duwen.
5. Deze handeling uitvoeren voor
alle ruiten.
Achterruitverwarming
Samen met de buitenspiegelverwar‐
ming in te schakelen door het indruk‐
ken van b.
De verwarming werkt bij een draai‐
ende motor en wordt na korte tijd
automatisch uitgeschakeld.
Afhankelijk van de klimaatregeling zit
b mogelijk op een andere plek.
Sleutels, portieren en ruiten 43
Auto's met verwarmings- en
ventilatiesysteem of met
airconditioning
Auto's met elektronische
klimaatregeling
Voorruitverwarming
Werkt door op , te drukken. Het
ledje in de toets licht op.
De verwarming werkt bij een draai‐
ende motor en wordt na korte tijd
automatisch uitgeschakeld.
Afhankelijk van de klimaatregeling
zit , mogelijk op een andere plek.
Auto's met elektronische
klimaatregeling
Auto's met airconditioning
44 Sleutels, portieren en ruiten
Zonnekleppen
Om verblinding te vermijden kunnen
de zonnekleppen worden neerge‐
klapt en opzij worden gedraaid.
Afdekkingen van eventueel in de
zonnekleppen aanwezige make-
upspiegels tijdens het rijden gesloten
houden.
Aan de achterkant van de zonneklep
zit een kaartjeshouder.
Rolschermen
Om het zonlicht op de tweede zitrij te
verminderen, trekt u het scherm aan
de handgreep omhoog en haakt u het
vast aan de bovenkant van de portier‐
opening.
Dak
Panoramadak
Plak geen stickers op het dak. Dek de
auto niet met een dekzeil af.
Zonnescherm
Druk N voorzichtig tot aan de eerste
aanslag: het zonnescherm wordt
geopend zolang u de schakelaar
bedient.
Druk N stevig tot aan de tweede
aanslag en laat los: het zonnescherm
wordt geopend zolang u de schake‐
laar bedient.
Sleutels, portieren en ruiten 45
Druk N voorzichtig tot aan de eerste
aanslag aan de achterzijde: het
zonnescherm wordt gesloten zolang
u de schakelaar bedient.
Druk N stevig tot aan de tweede
aanslag aan de voorzijde en laat los:
het zonnescherm wordt gesloten
zolang u de schakelaar bedient.
Beveiligingsfunctie
Stuit het zonnescherm tijdens het
automatisch sluiten op een obstakel,
dan stopt het meteen en gaat het
weer open.
Stand-byfunctie
In contactschakelaarstand 1 werkt
het zonnescherm 3 140.
Initialiseren na uitvallen van
stroom
Na het uitvallen van de stroom kan
het zonnescherm wellicht alleen in
beperkte mate worden bediend.
Initialiseer het systeem als volgt:
1. Draai de sleutel in het contact
naar stand 1.
2. Druk N tweemaal voorzichtig tot
aan de eerste aanslag aan de
achterzijde: het zonnescherm
opent een stukje.
3. Druk N onmiddellijk tweemaal
voorzichtig tot aan de eerste
aanslag aan de voorzijde: het
zonnescherm sluit een stukje.
Na stap 3 is het zonnescherm in
de initialisatiemodus zonder
veiligheidsfunctie.
4. Druk N voorzichtig tot aan de
eerste aanslag aan de achterzijde
totdat het zonnescherm volledig
openstaat.
5. Druk N voorzichtig tot aan de
eerste aanslag aan de voorzijde
totdat het zonnescherm volledig
dichtstaat.
Na deze procedure wordt het zonne‐
scherm geïnitialiseerd met geacti‐
veerde veiligheidsfunctie.
Wanneer u tijdens het initialiseren
N stevig tot aan de tweede aanslag
drukt, wordt de procedure geannu‐
leerd.
46 Stoelen, veiligheidssystemen
Stoelen,
veiligheidssysteme
n
Hoofdsteunen .............................. 46
Actieve hoofdsteunen ................ 47
Voorstoelen .................................. 48
Stoelpositie ................................ 48
Handmatige stoelverstelling ...... 49
Elektrische stoelverstelling ........ 51
Armsteun ................................... 53
Verwarming ............................... 53
Ventilatie .................................... 53
Achterbank ................................... 54
Armsteun ................................... 54
Verwarming ............................... 54
Veiligheidsgordels ....................... 54
Driepuntsgordel ......................... 56
Airbagsysteem ............................. 58
Frontaal airbagsysteem ............. 61
Zijdelings airbagsysteem ........... 62
Gordijnairbagsysteem ............... 62
Airbag deactiveren .................... 63
Kinderveiligheidssystemen .......... 64
Inbouwposities kinderveilig‐
heidssystemen ......................... 67
Hoofdsteunen
Stand
9Waarschuwing
Alleen met correct ingestelde
hoofdsteunen rijden.
De bovenzijde van de hoofdsteun
moet op gelijke hoogte zijn als de
bovenzijde van het hoofd. Is dit bij
zeer lange personen niet mogelijk,
dan de hoofdsteun in de hoogste
Stoelen, veiligheidssystemen 47
stand zetten (bij zeer kleine personen
de hoofdsteun juist in de laagste
stand zetten).
Instellen
Hoofdsteunen van voorstoelen
Hoogteverstelling
Hoofdsteun omhoogtrekken of borg‐
veren indrukken om hoofdsteun te
ontgrendelen en omlaag te schuiven.
Hoofdsteunen van achterbank
Hoogteverstelling
Hoofdsteun omhoogtrekken of borg‐
veren indrukken om hoofdsteun te
ontgrendelen en omlaag te schuiven.
Demonteren
Druk de pal in en trek de betreffende
hoofdsteun omhoog eruit.
Actieve hoofdsteunen
Bij een aanrijding van achteren bewe‐
gen de voorste gedeelten van de
actieve hoofdsteunen iets naar voren.
Op deze wijze wordt het hoofd dusda‐
nig gesteund dat het risico van een
whiplash afneemt.
Let op
Goedgekeurde accessoires mogen
alleen bevestigd worden als de stoel
niet wordt gebruikt.
48 Stoelen, veiligheidssystemen
Voorstoelen
Stoelpositie
9Waarschuwing
Alleen met een correct ingestelde
stoel rijden.
9Waarschuwing
Stoelen nooit tijdens het rijden
verstellen, omdat ze ongecontro‐
leerd kunnen bewegen.
9Gevaar
Altijd op minstens 25 cm afstand
van het stuurwiel zitten zodat de
airbag veilig in werking kan treden.
9Waarschuwing
Nooit voorwerpen onder de stoe‐
len plaatsen.
Uw zitvlak zo dicht mogelijk naar
de rugleuning schuiven. De
afstand tot de pedalen zo instel‐
len dat de benen bij het intrappen
van de pedalen licht gebogen
zijn. De passagiersstoel voorin
zover mogelijk naar achteren
schuiven.
Zithoogte zo instellen, dat u
rondom een goed zicht hebt en
alle instrumenten goed kunt afle‐
zen. Tussen hoofd en dakframe
moet minstens een handbreedte
ruimte zitten. Uw dijen dienen
licht op de zitting rusten, zonder
druk uit te oefenen.
Uw schouders zo dicht mogelijk
naar de rugleuning schuiven. Stel
de hoek van de rugleuning zo in
dat u het stuurwiel gemakkelijk
met licht gebogen armen kunt
vastpakken. Bij het verdraaien
van het stuurwiel contact blijven
houden tussen schouders en
rugleuning. De rugleuning mag
niet te ver achteroverhellen. De
aanbevolen hellingshoek
bedraagt maximaal ca. 25°.
Stel de stoel en het stuur zodanig
op elkaar af dat wanneer uw pols
bovenop het stuur rust, uw arm
volledig is gestrekt en uw schou‐
ders de rugleuning raken.
Stuurwiel instellen 3 82.
Hoofdsteun instellen 3 46.
Hoogte veiligheidsgordel instel‐
len 3 56.
De instelbare dijbeensteun zo
instellen dat de afstand tussen de
rand van de zitting en de knie‐
holte ca. twee vingers breed is.
Lendensteun zo instellen dat
deze de natuurlijke vorm van de
wervelkolom ondersteunt.
Stoelen, veiligheidssystemen 49
Handmatige stoelverstelling
Zorg bij het rijden dat de stoelen en
rugleuningen altijd vastgeklikt zijn.
Verstelling in de lengterichting
Aan handgreep trekken, stoel
verschuiven, handgreep loslaten.
Probeer de stoel heen en weer te
schuiven om er zeker van te zijn dat
de stoel vergrendeld is.
Hoek van rugleuning
Aan handwiel draaien. Bij het verstel‐
len de rugleuning niet belasten.
Zithoogte
Pompbeweging van de hendel
omhoog : stoel omhoog
omlaag : stoel omlaag
50 Stoelen, veiligheidssystemen
Zithoek
Druk op de schakelaar
achteraan : voorkant omhoog
vooraan : voorkant omlaag
Lendensteun
Stel de lendensteun naar uw
persoonlijke wens af met de vierweg‐
schakelaar.
Lendensteun omhoog en omlaag:
duw de schakelaar omhoog of
omlaag.
Meer of minder ondersteuning: duw
de schakelaar naar voren of
achteren.
Verstelbare dijbeensteun
Trek aan de hendel en verschuif de
dijbeensteun.
Stoelen, veiligheidssystemen 51
Elektrische stoelverstelling
9Waarschuwing
Wees voorzichtig met de elektri‐
sche stoelverstelling. Er bestaat
gevaar voor letsel, vooral voor
kinderen. Er kunnen voorwerpen
bekneld raken.
Houd de stoelen tijdens het
verstellen goed in de gaten. Inzit‐
tenden dienen hierover ingelicht te
worden.
Verstelling in de lengterichting
Duw de schakelaar naar voren/
achteren.
Zithoogte
Duw de schakelaar omhoog/omlaag.
Zithoek
Voorste gedeelte van schakelaar
omhoog/omlaag zetten.
52 Stoelen, veiligheidssystemen
Hoek van rugleuning
Draai de schakelaar naar voren/
achteren.
Lendensteun, verstelbare dijbeen‐
steun, zie Handmatige stoelverstel‐
ling 3 49.
Geheugenfunctie voor elektrische
stoelverstelling
U kunt twee verschillende bestuur‐
dersstoelinstellingen opslaan.
Persoonlijke instellingen 3 108.
Geheugenpositie opslaan
Verstel de bestuurdersstoel naar
wens.
Houd M en 1 of 2 tegelijkertijd
ingedrukt tot er een signaal klinkt.
Geheugenstanden opvragen
Houd 1 of 2 ingedrukt tot de opgesla‐
gen stoelpositie is bereikt. Als de
toets tijdens het bewegen van de
stoel wordt losgelaten, wordt het
opvragen geannuleerd.
Geheugenstanden automatisch
opvragen
Geheugenstanden worden toegewe‐
zen aan de desbetreffende afstands‐
bediening of elektronische sleutel.
De opgeslagen standen worden auto‐
matisch aangenomen wanneer het
contact wordt ingeschakeld.
U beëindigt het opvragen van de
standen door een van de knoppen
voor het geheugen of de elektrisch
verstelbare stoelen in te drukken.
Beveiligingsfunctie
Als de bestuurdersstoel in de bewe‐
ging op weerstand stuit, kan het
opvragen stoppen. Nadat u de belem‐
mering hebt verwijderd, houdt u de
geheugenstandtoets twee seconden
ingedrukt. Probeer de geheugen‐
stand weer op te vragen. Raadpleeg
een werkplaats als het opvragen niet
werkt.
Overbelasting
Wordt de stoelverstelling elektrisch
overbelast, dan wordt de stroomvoor‐
ziening automatisch enige tijd onder‐
broken.
Stoelen, veiligheidssystemen 53
Let op
Na een ongeluk waarin de airbags
zijn geactiveerd, worden de geheu‐
genfunctie van elke positieknop
uitgeschakeld.
Armsteun
Basisarmsteun
De armsteun kan 10 cm naar voren
worden geschoven. Trek aan de
hendel om de armsteun te verschui‐
ven. Onder de armsteun zit een
opbergruimte.
Verwarming
Afhankelijk van de gewenste verwar‐
ming, ß van de desbetreffende stoel
een of meerdere malen indrukken.
Het controlelampje in de toets geeft
de status aan.
Langdurig gebruik van de hoogste
instelling wordt afgeraden voor perso‐
nen met een gevoelige huid.
De stoelverwarming werkt bij een
draaiende motor en tijdens een Auto‐
stop.
Stop/Start-systeem 3 145.
Ventilatie
Activeer de ventilatie door op A voor
de betreffende voorstoel te drukken.
Geventileerde stoelen werken bij een
draaiende motor en tijdens een Auto‐
stop.
Stop/Start-systeem 3 145.
54 Stoelen, veiligheidssystemen
Achterbank
Armsteun
Klap de armsteun omlaag. De
armsteun bevat bekerhouders.
Verwarming
Verstel de stoel door het kartelwiel
ß voor de betreffende zitplaats
achter in de gewenste stand te
draaien.
Langdurig gebruik van de hoogste
instelling wordt afgeraden voor perso‐
nen met een gevoelige huid.
De stoelverwarming werkt bij een
draaiende motor en tijdens een Auto‐
stop.
Veiligheidsgordels
De veiligheidsgordels worden bij
stevig optrekken of krachtig remmen
geblokkeerd om de inzittenden op
hun stoel te houden. Daarom neemt
het gevaar voor letsel aanzienlijk af.
Stoelen, veiligheidssystemen 55
9Waarschuwing
Veiligheidsgordel vóór elke rit
omdoen.
Inzittenden die geen gebruik
maken van de veiligheidsgordel
brengen bij eventuele aanrijdin‐
gen medepassagiers en zichzelf in
gevaar.
Veiligheidsgordels zijn bedoeld voor
gebruik door slechts één persoon
tegelijk. Kinderveiligheidssysteem
3 64.
Alle onderdelen van het gordelsys‐
teem regelmatig op schade, veront‐
reiniging en juiste werking controle‐
ren.
Beschadigde onderdelen laten
vervangen. Na een aanrijding de
veiligheidsgordels en de gordelspan‐
ners door een werkplaats laten
vervangen.
Let op
Zorg dat de veiligheidsgordels niet
door schoenen of voorwerpen met
scherpe randen beschadigd raken
klem komen te zitten. Oprolautoma‐
ten vrijhouden van vuil.
Gordelverklikker
Elke stoel is voorzien van een gordel‐
verklikker, aangeduid met een contro‐
lelampje X op de plafondconsole,
voor elke stoel één. 3 96.
Gordelkrachtbegrenzers
De kracht die inwerkt op de carrosse‐
rie wordt beperkt doordat de gordels
tijdens een botsing geleidelijk worden
ontspannen.
Gordelspanners
De veiligheidsgordels van de voor- en
achterstoelen worden bij een
voldoende zware frontale botsing, of
een aanrijding van achteren of tegen
de zijkant strakgetrokken. De gordels
van de voorstoelen worden bij iedere
stoel met twee voorspanners strak
getrokken. De gordels van de buiten‐
ste zitplaatsen worden met één
gordel per stoel strak getrokken.
9Waarschuwing
Onjuist handelen (bijv. het verwij‐
deren of aanbrengen van gordels)
kan de gordelspanners in werking
stellen.
Geactiveerde gordelspanners zijn te
herkennen aan het continu bran‐
dende controlelampje v 3 96.
Geactiveerde gordelspanners door
een werkplaats laten vervangen.
Gordelspanners worden slechts
eenmaal geactiveerd.
Let op
Bevestig of monteer geen accessoi‐
res of andere voorwerpen die de
werking van de gordelspanners
kunnen verstoren. Geen aanpassin‐
gen aan onderdelen van de gordel‐
spanners aanbrengen, anders
vervalt de typegoedkeuring van de
auto.
56 Stoelen, veiligheidssystemen
Driepuntsgordel
Omdoen
Gordel uit de oprolautomaat trekken,
zonder te verdraaien voor u langs
halen en de slottong in de sluiting
steken. Heupgordel tijdens het rijden
van tijd tot tijd strak trekken door aan
de schoudergordel te trekken.
Loszittende kleding belemmert het
strak trekken van de gordel. Geen
voorwerpen zoals handtassen of
mobiele telefoons tussen de gordel
en uw lichaam leggen.
9Waarschuwing
De gordel niet over harde of breek‐
bare voorwerpen in de zakken van
uw kleding laten lopen.
Gordelverklikker X, 3 96, 3 103
Hoogteverstelling
1. Gordel iets uittrekken.
2. Druk op de toets om de hoogte‐
verstelling los te koppelen en duw
deze omhoog of omlaag.
Stoelen, veiligheidssystemen 57
Hoogte zo instellen dat de gordel over
de schouder loopt. Gordel mag niet
langs de hals of bovenarm lopen.
Niet instellen tijdens het rijden.
Losmaken
Om de gordel los te maken, de rode
knop van het gordelslot indrukken.
Gebruik van veiligheidsgordels
tijdens de zwangerschap
9Waarschuwing
De heupgordel moet zo laag
mogelijk over het bekken lopen
om druk op de buik te voorkomen.
58 Stoelen, veiligheidssystemen
Airbagsysteem
Het airbagsysteem bestaat uit meer‐
dere afzonderlijke systemen afhanke‐
lijk van de omvang van de uitrusting.
Bij het afgaan worden de airbags
binnen enkele milliseconden gevuld.
Ook het leeglopen van de airbags
verloopt zo snel, dat dit tijdens een
aanrijding vaak niet eens wordt opge‐
merkt.
9Waarschuwing
Het airbagsysteem ontplooit
explosief, laat reparaties alleen
door deskundig personeel verrich‐
ten.
9Waarschuwing
Bij het aanbouwen van accessoi‐
res die het frame van de auto, het
bumpersysteem, de hoogte, de
voorkant of de zijbeplating veran‐
deren werkt het airbagsysteem
mogelijk niet goed. De werking
van het airbagsysteem kan ook
nadelig worden beïnvloed door het
wijzigen van onderdelen van de
voorstoelen, de veiligheidsgor‐
dels, de airbagsensor- en diagno‐
semodule, het stuurwiel, het
instrumentenpaneel, de portier‐
rubbers aan de binnenkant, waar‐
onder de luidsprekers, een van de
airbagmodules, de hemel- of stijl‐
bekleding, de frontsensoren, de
zij-impactsensoren of de airbag‐
bedrading.
Let op
Ter hoogte van de middenconsole
zitten de regelelektronica van het
airbagsysteem en de gordelspan‐
ners. In dit gebied geen magneti‐
sche voorwerpen plaatsen.
Bevestig geen voorwerpen op de
afdekkingen van de airbags en
bedek ze niet met andere materia‐
len. Laat beschadigde afdekkingen
vervangen door een werkplaats.
Elke airbag treedt slechts eenmaal
in werking. Geactiveerde airbags
onmiddellijk laten vervangen door
een werkplaats. Ook moeten even‐
tueel het stuurwiel, het instrumen‐
tenbord, plaatwerk, de portierafdich‐
tingen, handgrepen en de stoelen
worden vervangen.
Geen aanpassingen in het airbag‐
systeem aanbrengen, anders
vervalt de typegoedkeuring van de
auto.
Controlelampje v voor airbagsyste‐
men 3 96.
Kinderveiligheidssystemen op de
passagiersstoel met
airbagsystemen
Waarschuwing conform ECE R94.02:
Stoelen, veiligheidssystemen 59
EN: NEVER use a rearward-facing
child restraint on a seat protected by
an ACTIVE AIRBAG in front of it;
DEATH or SERIOUS INJURY to the
CHILD can occur.
DE: Nach hinten gerichtete Kinder‐
sitze NIEMALS auf einem Sitz
verwenden, der durch einen davor
befindlichen AKTIVEN AIRBAG
geschützt ist, da dies den TOD oder
SCHWERE VERLETZUNGEN DES
KINDES zur Folge haben kann.
FR: NE JAMAIS utiliser un siège d'en‐
fant orienté vers l'arrière sur un siège
protégé par un COUSSIN GONFLA‐
BLE ACTIF placé devant lui, sous
peine d'infliger des BLESSURES
GRAVES, voire MORTELLES à l'EN‐
FANT.
ES: NUNCA utilice un sistema de
retención infantil orientado hacia
atrás en un asiento protegido por un
AIRBAG FRONTAL ACTIVO. Peligro
de MUERTE o LESIONES GRAVES
para el NIÑO.
RU: ЗАПРЕЩАЕТСЯ
устанавливать детское
удерживающее устройство лицом
назад на сиденье автомобиля,
оборудованном фронтальной
подушкой безопасности, если
ПОДУШКА НЕ ОТКЛЮЧЕНА! Это
может привести к СМЕРТИ или
СЕРЬЕЗНЫМ ТРАВМАМ
РЕБЕНКА.
NL: Gebruik NOOIT een achterwaarts
gericht kinderzitje op een stoel met
een ACTIEVE AIRBAG ervoor, om
DODELIJK of ERNSTIG LETSEL van
het KIND te voorkomen.
DA: Brug ALDRIG en bagudvendt
autostol på et forsæde med AKTIV
AIRBAG, BARNET kan komme i
LIVSFARE eller komme ALVORLIGT
TIL SKADE.
SV: Använd ALDRIG en bakåtvänd
barnstol ett säte som skyddas med
en framförvarande AKTIV AIRBAG.
DÖDSFALL eller ALLVARLIGA
SKADOR kan drabba BARNET.
FI: ÄLÄ KOSKAAN sijoita taaksepäin
suunnattua lasten turvaistuinta istui‐
melle, jonka edessä on AKTIIVINEN
TURVATYYNY, LAPSI VOI KUOLLA
tai VAMMAUTUA VAKAVASTI.
NO: Bakovervendt barnesikringsut‐
styr må ALDRI brukes et sete med
AKTIV KOLLISJONSPUTE foran, da
det kan føre til at BARNET utsettes for
LIVSFARE og fare for ALVORLIGE
SKADER.
PT: NUNCA use um sistema de
retenção para crianças voltado para
trás num banco protegido com um
AIRBAG ACTIVO na frente do
mesmo, poderá ocorrer a PERDA DE
VIDA ou FERIMENTOS GRAVES na
CRIANÇA.
IT: Non usare mai un sistema di sicu‐
rezza per bambini rivolto all'indietro
su un sedile protetto da AIRBAG
ATTIVO di fronte ad esso: pericolo di
MORTE o LESIONI GRAVI per il
BAMBINO!
EL: ΠΟΤΕ μη χρησιμοποιείτε παιδικό
κάθισμα ασφαλείας με φορά προς τα
πίσω σε κάθισμα που προστατεύεται
από μετωπικό ΕΝΕΡΓΟ ΑΕΡΟΣΑΚΟ,
διότι το παιδί μπορεί να υποστεί
ΘΑΝΑΣΙΜΟ ή ΣΟΒΑΡΟ
ΤΡΑΥΜΑΤΙΣΜΟ.
PL: NIE WOLNO montować fotelika
dziecięcego zwróconego tyłem do
kierunku jazdy na fotelu, przed
którym znajduje się WŁĄCZONA
PODUSZKA POWIETRZNA. Niezas‐
tosowanie się do tego zalecenia
60 Stoelen, veiligheidssystemen
może być przyczyną ŚMIERCI lub
POWAŻNYCH OBRAŻEŃ u
DZIECKA.
TR: Arkaya bakan bir çocuk emniyet
sistemini KESİNLİKLE önünde bir
AKTİF HAVA YASTIĞI ile korun‐
makta olan bir koltukta kullanmayınız.
ÇOCUK ÖLEBİLİR veya AĞIR
ŞEKİLDE YARALANABİLİR.
UK: НІКОЛИ не використовуйте
систему безпеки для дітей, що
встановлюється обличчям назад,
на сидінні з УВІМКНЕНОЮ
ПОДУШКОЮ БЕЗПЕКИ, інакше це
може призвести до СМЕРТІ чи
СЕРЙОЗНОГО ТРАВМУВАННЯ
ДИТИНИ.
HU: SOHA ne használjon hátrafelé
néző biztonsági gyerekülést előlről
AKTÍV LÉGZSÁKKAL védett ülésen,
mert a GYERMEK HALÁLÁT vagy
KOMOLY SÉRÜLÉSÉT okozhatja.
HR: NIKADA nemojte koristiti sustav
zadržavanja za djecu okrenut prema
natrag na sjedalu s AKTIVNIM ZRAČ‐
NIM JASTUKOM ispred njega, to bi
moglo dovesti do SMRTI ili OZBILJN‐
JIH OZLJEDA za DIJETE.
SL: NIKOLI ne nameščajte otroškega
varnostnega sedeža, obrnjenega v
nasprotni smeri vožnje, na sedež z
AKTIVNO ČELNO ZRAČNO
BLAZINO, saj pri tem obstaja nevar‐
nost RESNIH ali SMRTNIH
POŠKODB za OTROKA.
SR: NIKADA ne koristiti bezbednosni
sistem za decu u kome su deca okre‐
nuta unazad na sedištu sa AKTIVNIM
VAZDUŠNIM JASTUKOM ispred
sedišta zato što DETE može da
NASTRADA ili da se TEŠKO
POVREDI.
MK: НИКОГАШ не користете детско
седиште свртено наназад на
седиште заштитено со АКТИВНО
ВОЗДУШНО ПЕРНИЧЕ пред него,
затоа што детето може ДА ЗАГИНЕ
или да биде ТЕШКО ПОВРЕДЕНО.
BG: НИКОГА не използвайте
детска седалка, гледаща назад,
върху седалка, която е защитена
чрез АКТИВНА ВЪЗДУШНА
ВЪЗГЛАВНИЦА пред нея - може да
се стигне до СМЪРТ или
СЕРИОЗНО НАРАНЯВАНЕ на
ДЕТЕТО.
RO: Nu utilizaţi NICIODATĂ un scaun
pentru copil îndreptat spre partea din
spate a maşinii pe un scaun protejat
de un AIRBAG ACTIV în faţa sa;
acest lucru poate duce la DECESUL
sau VĂTĂMAREA GRAVĂ a COPI‐
LULUI.
CS: NIKDY nepoužívejte dětský
zádržný systém instalovaný proti
směru jízdy na sedadle, které je chrá‐
něno před sedadlem AKTIVNÍM
AIRBAGEM. Mohlo by dojít k
VÁŽNÉMU PORANĚNÍ nebo ÚMRTÍ
DÍTĚTE.
SK: NIKDY nepoužívajte detskú
sedačku otočenú vzad na sedadle
chránenom AKTÍVNYM AIRBAGOM,
pretože môže dôjsť k SMRTI alebo
VÁŽNYM ZRANENIAM DIEŤAŤA.
LT: JOKIU BŪDU nemontuokite atgal
atgręžtos vaiko tvirtinimo sistemos
sėdynėje, prieš kurią įrengta AKTYVI
ORO PAGALVĖ, nes VAIKAS GALI
ŽŪTI arba RIMTAI SUSIŽALOTI.
LV: NEKĀDĀ GADĪJUMĀ neizmanto‐
jiet uz aizmuguri vērstu bērnu sēde‐
klīti sēdvietā, kas tiek aizsargāta ar
tās priekšā uzstādītu AKTĪVU
Stoelen, veiligheidssystemen 61
DROŠĪBAS SPILVENU, jo pretējā
gadījumā BĒRNS var gūt SMAGAS
TRAUMAS vai IET BOJĀ.
ET: ÄRGE kasutage tahapoole
suunatud lapseturvaistet istmel, mille
ees on AKTIIVSE TURVAPADJAGA
kaitstud iste, sest see võib põhjus‐
tada LAPSE SURMA või TÕSISE
VIGASTUSE.
MT: QATT tuża trażżin għat-tfal li
jħares lejn in-naħa ta’ wara fuq sit
protett b’AIRBAG ATTIV quddiemu;
dan jista’ jikkawża l-MEWT jew
ĠRIEĦI SERJI lit-TFAL.
GA: Ná húsáid srian sábháilteachta
linbh cúil RIAMH ar shuíochán a
bhfuil mála aeir ag feidhmiú os a
chomhair. Tá baol BÁIS nó GORTÚ
DONA don PHÁISTE ag baint leis.
Behalve de waarschuwing conform
ECE R94.02 moet een voorwaarts
gericht kinderveiligheidssysteem
omwille van de veiligheid uitsluitend
worden gebruikt volgens de instruc‐
ties en beperkingen in de tabel
3 67.
9Gevaar
Gebruik geen kinderveiligheids‐
systeem op de passagiersstoel
met actieve frontairbag.
U vindt het airbaglabel aan beide
zijden van de zonneklep aan passa‐
gierszijde.
Airbag deactiveren 3 63.
Frontaal airbagsysteem
Het frontairbagsysteem bestaan uit
een airbag in het stuurwiel en een
airbag in het instrumentenpaneel aan
de passagierszijde voorin. Deze zijn
te herkennen aan het opschrift
AIRBAG.
Het frontairbagsysteem treedt in
werking bij een voldoende krachtige
aanrijding aan de voorzijde. Het
contact moet ingeschakeld zijn.
De opgeblazen airbags vangen de
schok op waardoor het gevaar voor
letsel aan het bovenlichaam en hoofd
van de inzittenden voorin de auto
aanzienlijk afneemt.
9Waarschuwing
Alleen bij een correcte zitpositie is
optimale bescherming mogelijk.
Stoelpositie 3 48.
Lichaamsdelen of voorwerpen uit
het werkingsgebied van de airbag
houden.
62 Stoelen, veiligheidssystemen
Veiligheidsgordel correct omleg‐
gen en goed vastzetten. Alleen
dan kan de airbag bescherming
bieden.
Zijdelings airbagsysteem
Het leidingsysteem bestaat uit een
airbag in de rugleuning van beide
voorstoelen en buitenste zitplaatsen
achterin. Ze zijn te herkennen aan het
opschrift AIRBAG.
Het zijairbagsysteem treedt in
werking bij een voldoende krachtige
zijdelingse aanrijding. Het contact
moet ingeschakeld zijn.
De opgeblazen airbags vangen de
schok op waardoor het gevaar voor
letsel aan het bovenlichaam en de
heupen bij een zijdelingse aanrijding
aanzienlijk afneemt.
9Waarschuwing
Lichaamsdelen of voorwerpen uit
het werkingsgebied van de airbag
houden.
Let op
Op de voorstoelen alleen stoelhoe‐
zen gebruiken die voor de auto zijn
goedgekeurd. De airbags niet afdek‐
ken.
Gordijnairbagsysteem
De hoofdairbags bestaan uit een
airbag aan weerszijden in het
dakframe. Ze zijn te herkennen aan
het opschrift AIRBAG op de dakstij‐
len.
Het gordijnairbagsysteem treedt in
werking bij een voldoende krachtige
zijdelingse aanrijding. Het contact
moet ingeschakeld zijn.
De opgeblazen airbags vangen de
schok op waardoor het gevaar voor
letsel aan het hoofd bij een zijdelingse
aanrijding aanzienlijk afneemt.
Stoelen, veiligheidssystemen 63
9Waarschuwing
Lichaamsdelen of voorwerpen uit
het werkingsgebied van de airbag
houden.
De haken aan de handgrepen van
het dakframe zijn alleen geschikt
om lichte kledingstukken, zonder
kleerhangers, aan op te hangen.
Geen voorwerpen in de kleding‐
stukken bewaren.
Airbag deactiveren
Het passagiersairbagsysteem vóór
moet voor een kinderveiligheidssys‐
teem op de passagiersstoel worden
gedeactiveerd volgens de instructies
in de tabel 3 67. Het zijairbag- en
het gordijnairbagsysteem, de gordel‐
voorspanners en alle airbagsystemen
van de bestuurder blijven actief.
Het airbagsysteem van de passagier
voorin kan worden gedeactiveerd met
een sleutel in de schakelaar in het
handschoenenkastje.
Gebruik de contactsleutel om de posi‐
tie te kiezen:
OFF* (UIT) : airbag van voorpas‐
sagier is gedeacti‐
veerd en gaat niet af
bij een aanrijding.
Controlelamp OFF*
(UIT) brandt voortdu‐
rend in de midden‐
console. U kunt een
kinderzitje aanbren‐
gen in overeenstem‐
ming met de tabel
Inbouwposities
kinderveiligheidssys‐
temen 3 67. Er mag
geen volwassen
persoon op de stoel
van de voorpassagier
vervoerd worden
ONV (AAN) : airbag van voorpas‐
sagier is actief. U
mag geen kindervei‐
ligheidssystemen
aanbrengen
64 Stoelen, veiligheidssystemen
9Gevaar
Deactiveer de passagiersairbag
uitsluitend bij gebruik van een
kinderveiligheidssystemen,
volgens de instructies en beper‐
kingen in de tabel 3 67.
Anders is er kans op dodelijk letsel
voor een persoon op de passa‐
giersstoel met een gedeacti‐
veerde airbag.
Als de controlelamp Ó ongeveer
60 seconden brandt nadat het contact
ingeschakeld is, gaat het airbagsys‐
teem voor de voorpassagier af bij een
aanrijding.
Als de controlelamp * oplicht na het
inschakelen van het contact, wordt
het airbagsysteem voor de voorpas‐
sagier gedeactiveerd. Het blijft aan
terwijl de airbag gedeactiveerd is.
Als beide controlelampjes tegelijker‐
tijd branden zit er een storing in het
systeem. De systeemstatus wordt
niet aangeduid; er mag niemand op
de stoel van de voorpassagier
vervoerd worden. Roep onmiddellijk
de hulp van een werkplaats in.
Raadpleeg onmiddellijk een werk‐
plaats indien geen van beide contro‐
lelampjes brandt.
Verander de status alleen tijdens stil‐
stand terwijl het contact is uitgescha‐
keld.
Status blijft actief tot de volgende
verandering.
Controlelampje airbag-deactivering
3 97.
Kinderveiligheidssyste‐
men
9Gevaar
Bij gebruik van een achterwaarts
gericht kinderveiligheidssysteem
op de passagiersstoel voor moet
het airbagsysteem voor de passa‐
giersstoel voor gedeactiveerd zijn.
Dit geldt ook voor bepaalde voor‐
waarts gerichte kinderveiligheids‐
systemen zoals aangegeven in de
tabellen 3 67.
Airbag deactiveren 3 63, airbagstic‐
ker 3 58.
Wij raden een kinderveiligheidssys‐
teem aan dat specifiek voor de auto
is bedoeld. Neem contact op met uw
werkplaats voor meer informatie.
Zet voor het bevestigen van een
kinderzitje de hoofdsteun in de stand
3 46.
Stoelen, veiligheidssystemen 65
Wanneer u een kinderveiligheidssys‐
teem gebruikt, moet u de gebruikers-
en montagehandleiding én de
instructies bij het kinderveiligheids‐
systeem opvolgen.
Houd u altijd aan de plaatselijke of
landelijke voorschriften. In sommige
landen is het gebruik van kindervei‐
ligheidssystemen op bepaalde
zitplaatsen verboden.
Kinderveiligheidssystemen kunnen
worden vastgezet met:
Driepuntsgordel
ISOFIX-steunen
Bevestigingsriem aan de boven‐
kant
Driepuntsgordel
Kinderveiligheidssystemen kunnen
met een driepuntsgordel worden
vastgezet. Afhankelijk van de maat
van het kinderveiligheidssysteem
kunnen er maximaal twee exempla‐
ren op de buitenste zitplaatsen
3 67 worden vastgezet.
ISOFIX-steunen
Bevestig de voor de auto goedge‐
keurde ISOFIX-kinderveiligheidssys‐
temen aan de ISOFIX bevestigings‐
beugels. ISOFIX kinderveiligheids‐
systemen voor specifieke auto's
worden in de ISOFIX tabel 3 67
aangeduid.
ISOFIX-bevestigingsbeugels zijn
aangeduid met een label op de
rugleuning.
Een i-size kinderveiligheidssysteem
is een universeel ISOFIX kindervei‐
ligheidssysteem volgens UN-bepa‐
ling nr. 129.
Alle i-size kinderveiligheidssystemen
kunnen worden op alle stoelen
worden geplaatst die geschikt zijn
voor i-size, i-size tabel 3 67.
Er moet een bevestigingsriem aan de
bovenkant of een steunpoot ter
aanvulling op de ISOFIX bevesti‐
gingsbeugels worden gebruikt.
i-size kinderzitjes en autostoelen met
i-size keurmerk zijn voor zien van het
i-size symbool, zie afbeelding.
Bevestigingsriemogen
Bevestigingsriemogen worden
aangeduid met het symbool : van
een kinderzitje.
66 Stoelen, veiligheidssystemen
Aanvullend op de ISOFIX bevesti‐
gingsbeugels zet u de
bevestigingsriem aan de bovenkant
vast aan de desbetreffende bevesti‐
gingsriemogen.
ISOFIX kinderveiligheidssystemen
uit de universele categorie worden in
de tabel aangeduid met IUF 3 67.
Juiste systeem selecteren
Het kinderveiligheidssysteem kan het
best op de zitplaatsen achter worden
bevestigd.
Vervoer kinderen zo lang mogelijk
tegen de rijrichting in. Hierdoor wordt
de nog erg zwakke ruggengraat van
het kind bij een ongeval minder
belast.
Geschikt zijn kinderveiligheidssyste‐
men die voldoen aan de geldende
UN ECE-regelgeving. Raadpleeg de
plaatselijke wetgeving en richtlijnen
voor het verplichte gebruik van
kinderveiligheidssystemen.
De volgende kinderveiligheidssyste‐
men worden aanbevolen voor de
volgende gewichtsklassen:
Groep 0, Groep 0+:
Maxi Cosi Cabriofix met of
zonder ISOFIX ondergedeelte
voor kinderen tot 13 kg
Groep I: Duo Plus met ISOFIX en
bevestigingsriem aan de boven‐
kant voor kinderen van 9 kg tot
18 kg
Groep II, Groep III: Kidfix XP met
of zonder ISOFIX voor kinderen
van 15 kg tot 36 kg
Groep III: Graco Booster voor
kinderen van 22 kg tot 36 kg
Het kinderveiligheidssysteem dat u
gaat monteren, moet geschikt zijn
voor het autotype.
Het kinderveiligheidssysteem moet
op de correcte positie in de auto
worden gemonteerd, zie de onder‐
staande tabellen.
Laat kinderen alleen aan de trottoir‐
kant van de auto uit- en instappen.
Wanneer het kinderveiligheidssys‐
teem niet wordt gebruikt, moet u vast‐
zetten met een veiligheidsgordel of
verwijderen.
Let op
Kinderveiligheidssystemen niet
beplakken of met andere materialen
afdekken.
Een kinderveiligheidssysteem dat
tijdens een aanrijding werd belast
moet worden vervangen.
Stoelen, veiligheidssystemen 67
Inbouwposities kinderveiligheidssystemen
Toegestane opties voor het bevestigen van een kinderveiligheidssysteem met een driepuntsgordel
Gewichtsklasse
Op passagiersstoel
Op buitenste zitplaatsen
achterin Op middelste
zitplaats achteringeactiveerde airbag gedeactiveerde
airbag
Groep 0: tot 10 kg XU1,2 U/L3U
Groep 0+: tot 13 kg XU1,2 U/L3U
Groep I: 9 tot 18 kg XU1,2 U/L3,4 U4
Groep II: 15 tot 25 kg U1,2 XU/L3,4 U4
Groep III: 22 tot 36 kg U1,2 XU/L3,4 U4
U : universeel bruikbaar in combinatie met een driepuntsgordel
L : geschikt voor bepaalde ISOFIX-kinderveiligheidssystemen uit de categorieën 'specifieke auto', 'beperkt' of 'semi-
universeel'. Het kinderveiligheidssysteem moet voor het specifieke voertuigtype zijn goedgekeurd (raadpleeg de
voertuigtypelijst van het kinderveiligheidssysteem)
X : kinderveiligheidssystemen zijn in deze gewichtsgroep niet toegestaan
1: zo ver als nodig de stoel naar voren brengen en de hoek van de rugleuning naar een verticale stand brengen om te
verzekeren dat de gordel naar voren loopt vanaf het bovenste verankeringspunt
2: zo ver als nodig de stoelhoogte omhoog brengen en de hoek van de rugleuning naar een verticale stand brengen om
te verzekeren dat de gordel strak zit aan de slotzijde
3: de betreffende voorstoel vóór het kinderveiligheidssysteem zo ver als nodig naar voren brengen
4: de desbetreffende hoofdsteun verstellen of verwijderen, indien nodig
68 Stoelen, veiligheidssystemen
Toegestane mogelijkheden voor de bevestiging van een ISOFIX-kinderveiligheidssysteem met ISOFIX-
beugels
Gewichtsklasse Maatklasse Bevestiging
Op passagiersstoel Op buitenste
zitplaatsen
achterin
Op middelste
zitplaats
achterin
geactiveerde
airbag gedeacti‐
veerde airbag
Groep 0: tot 10 kg G ISO/L2 X X X X
F ISO/L1 X X X X
E ISO/R1 X IL IL3X
Groep 0+: tot 13 kg E ISO/R1 X IL IL3X
D ISO/R2 X IL IL3X
C ISO/R3 X IL IL3X
Groep I: 9 tot 18 kg D ISO/R2 X IL IL3,4 X
C ISO/R3 X IL IL3,4 X
B ISO/F2 X IL, IUF IL, IUF3,4 X
B1 ISO/F2X X IL, IUF IL, IUF3,4 X
A ISO/F3 X IL, IUF IL, IUF3,4 X
Groep II: 15 tot 25 kg X X IL3,4 X
Groep III: 22 tot 36 kg X X IL3,4 X
Stoelen, veiligheidssystemen 69
IL : geschikt voor bepaalde ISOFIX-veiligheidssystemen uit de categorieën 'specifieke auto', 'beperkt' of 'semi-univer‐
seel'. Het ISOFIX-veiligheidssysteem moet voor het specifieke voertuigtype zijn goedgekeurd (raadpleeg de voer‐
tuigtypelijst van het kinderveiligheidssysteem)
IUF : geschikt voor voorwaarts gerichte ISOFIX-kinderveiligheidssystemen uit de universele categorie, goedgekeurd voor
deze gewichtsklasse
X : geen ISOFIX kinderveiligheidssysteem goedgekeurd voor deze gewichtsklasse
1: zo ver als nodig de stoel naar voren brengen en de hoek van de rugleuning naar een verticale stand brengen om
te verzekeren dat de gordel naar voren loopt vanaf het bovenste verankeringspunt
2: zo ver als nodig de stoelhoogte omhoog brengen en de hoek van de rugleuning naar een verticale stand brengen
om te verzekeren dat de gordel strak zit aan de slotzijde
3: de betreffende voorstoel vóór het kinderveiligheidssysteem zo ver als nodig naar voren brengen
4: de desbetreffende hoofdsteun verstellen of verwijderen, indien nodig
ISOFIX maatklasse en zitgelegenheid
A - ISO/F3 : voorwaarts gericht kinderveiligheidssysteem voor kinderen met max. lengte in de gewichtsklasse
9 tot 18 kg
B - ISO/F2 : voorwaarts gericht kinderveiligheidssysteem voor kleinere kinderen in de gewichtsklasse 9 tot 18 kg
B1 - ISO/F2X : voorwaarts gericht kinderveiligheidssysteem voor kleinere kinderen in de gewichtsklasse 9 tot 18 kg
C - ISO/R3 : achterwaarts gericht kinderveiligheidssysteem voor kinderen met max. lengte in de gewichtsklasse tot
18 kg
D - ISO/R2 : achterwaarts gericht kinderveiligheidssysteem voor kleinere kinderen in de gewichtsklasse tot 18 kg
E - ISO/R1 : achterwaarts gericht kinderveiligheidssysteem voor jonge kinderen in de gewichtsklasse tot 13 kg
F- ISO/L1 : achterwaarts gericht kinderveiligheidssysteem, links (babyzitje)
G - ISO/L2 : achterwaarts gericht kinderveiligheidssysteem, rechts (babyzitje)
70 Stoelen, veiligheidssystemen
Toegestane mogelijkheden voor de bevestiging van een i-Size-kinderveiligheidssysteem met ISOFIX-beugels
Op passagiersstoel
Op buitenste
zitplaatsen achterin Op middelste
zitplaats achteringeactiveerde airbag gedeactiveerde
airbag
i-Size-
kinderveiligheidssystemen X i - U i - U X
i - U : geschikt voor 'universele' i-Size voorwaarts of achterwaarts gerichte kinderveiligheidssystemen
X : stoelpositie niet geschikt voor 'universele' i-Size kinderveiligheidssystemen
Opbergen 71
Opbergen
Opbergruimten ............................. 71
Opbergvakken ........................... 71
Handschoenenkastje ................. 71
Bekerhouders ............................ 71
Opbergvak middenconsole ........ 72
Bagageruimte .............................. 72
Bagageruimte-afdekking ........... 74
Vloerafdekking bagageruimte .... 75
Sjorogen .................................... 76
Veiligheidsnet ............................ 76
Gevarendriehoek ....................... 78
Verbanddoos ............................. 78
Dakdragersysteem ....................... 79
Dakdrager .................................. 79
Beladingsinformatie ..................... 79
Opbergruimten
Opbergvakken
9Waarschuwing
Berg geen zware of scherpe
objecten in de opbergruimten op.
Anders kan de klep van de
opbergruimte open gaan en
kunnen de inzittenden bij krachtig
remmen, plotseling afslaan of een
ongeval letsel door rondslinge‐
rende voorwerpen oplopen.
Handschoenenkastje
Bij bepaalde uitvoeringen is het hand‐
schoenenkastje voorzien van ventila‐
tie. Het ventilatie- en temperatuurni‐
veau zijn afhankelijk van de instellin‐
gen van de klimaatregeling. Het lucht‐
rooster in het handschoenenkastje is
af te sluiten 3 136.
Bij andere uitvoeringen zit er een cd-
speler in het handschoenenkastje.
Houd het handschoenenkastje
tijdens het rijden gesloten.
Bekerhouders
De bekerhouders zitten in de midden‐
console.
72 Opbergen
Er zitten extra bekerhouders in de
armsteun achterin. Klap de armsteun
neer.
Opbergvak middenconsole
In het opbergvak kunt u kleine voor‐
werpen opbergen.
Afhankelijk van de versie bevindt er
zich een opbergvak onder een afdek‐
king.
Bagageruimte
De rugleuning van de achterbank
bestaat uit een 2/3 en een 1/3 deel.
Beide delen kunnen apart worden
neergeklapt om de bagageruimte te
vergroten.
Doe indien nodig het volgende alvo‐
rens de achterbank neer te klappen:
Verplaats zo nodig de voorstoe‐
len naar voren.
Bagagerolhoes bagageruimte
verwijderen 3 74.
Duw de hoofdsteunen omlaag
door de pal in te drukken en inge‐
drukt te houden 3 46.
Bagageruimte vergroten
Controleer of de buitenste veilig‐
heidsgordels goed op de rugleu‐
ningen liggen.
Opbergen 73
Trek aan één kant of beide
buitenste kanten aan de ontgren‐
delingshandgreep en klap de
rugleuningen neer op de zitting.
Of klap de rugleuning neer vanuit
de bagageruimte: trek aan de
hendel in de linker of rechter
zijwand van de bagageruimte om
het desbetreffende deel van de
rugleuning van de achterbank
neer te klappen.
9Waarschuwing
Wees voorzichtig wanneer u de
rugleuning van de achterbank
bedient vanuit de bagageruimte.
De rugleuning wordt met aanzien‐
lijke kracht neergeklapt. Er bestaat
verwondingsgevaar, met name
voor kinderen.
Zorg ervoor dat er niets aan de
zitplaatsen achterin is vastge‐
maakt of dat er niets op het stoel‐
kussen ligt.
U klapt de rugleuningen weer
omhoog door deze zover rechtop
te zetten dat ze hoorbaar vast‐
klikken.
9Waarschuwing
Bij opklappen moet u zich ervan
verzekeren dat de rugleuningen
stevig op hun plaats vergrendeld
zijn alvorens te gaan rijden. Het
nalaten hiervan kan lichamelijk
letsel of schade aan de bagage of
de auto tot gevolg hebben bij
krachtig remmen of een botsing.
74 Opbergen
Luik in middelste rugleuning
openen
Klap de achterste armsteun neer.
Trek aan de handgreep en open het
luik.
Geschikt om lange en smalle voor‐
werpen te vervoeren.
Bagageruimte-afdekking
Leg niets op de hoedenplank.
Hoedenplank verwijderen
Maak de ophangkoorden los van de
achterklep.
De hoedenplank achteraan optillen
en naar voren duwen.
Verwijder het deksel.
Hoedenplank plaatsen
Plaats de hoedenplank in de zijgelei‐
ders en en klap de hoedenplank
omlaag. Bevestig de spanbanden
aan de achterklep.
Opbergen 75
Vloerafdekking
bagageruimte
De afdekking laadruimte kan worden
opgetild en verwijderd. Til de plaat
aan de lus omhoog en verwijder deze.
Til de bagageruimte-afdekking om
deze rechtop te houden op langs de
uittrekbare aanslagen.
Dubbele bagagevloer
De dubbele bagagevloer kan in twee
standen in de bagageruimte worden
geschoven:
onderste stand boven op de
afdekking op de reservewielbak
bovenste stand bevestigd aan de
handgreep op de achterste pane‐
len
76 Opbergen
Druk op de handgreep om de baga‐
gevloer aan de handgreep op te tillen
en te verwijderen.
In de bovenste stand kan de ruimte
tussen de bagagevloer en de afdek‐
king voor de reservewielbak als
opbergruimte dienen.
In deze stand, als de leuningen van
de achterbank naar voren zijn
geklapt, ontstaat er een bijna geheel
vlak bagagevak.
In de bovenste stand kan de dubbele
bagagevloer een maximale lading
van 100 kg dragen. In de onderste
stand kan de dubbele bagagevloer
een maximale lading van 150 kg
dragen.
Sjorogen
De sjorogen dienen om voorwerpen
vast te zetten, bijv. met spanbanden
of een bagagenet.
Veiligheidsnet
Het veiligheidsnet kan achter de
achterbank of, als de rugleuning van
de achterbank is neergeklapt, achter
de voorstoelen worden geplaatst.
Het is niet toegestaan om personen
achter het veiligheidsnet te vervoe‐
ren.
Monteren
Achter de achterbank
Boven de achterbank bevinden
zich aan weerszijden in het
dakframe montageopeningen:
klik de stang aan een zijde vast in
de opening, druk de stang samen
en klik hem vast aan de andere
zijde.
Opbergen 77
Haak de haken van de veilig‐
heidsnestbanden in de sjorogen
achter de zitplaatsen achterin.
Beide banden spannen door aan
het losse eind te trekken.
De rugleuning van de achterbank
moet omhoog worden gebracht.
Achter de voorstoelen
Boven de voorstoelen bevinden
zich aan weerszijden in het
dakframe montageopeningen:
klik de stang aan een zijde vast in
de opening, druk de stangen
samen en klik vast aan de andere
zijde.
Bevestig de banden met de
haken van het veiligheidsnet in
de ogen in de vloer vóór de
achterbank. Druk de geperfo‐
reerde delen aan beide zijden
van de vloerplaat in om bij de
ogen te komen. Bevestig de
haken in de ogen.
Beide banden spannen door aan
het losse eind te trekken.
Duw de hoofdsteunen omlaag en
klap de rugleuningen van de
achterbank neer 3 72.
78 Opbergen
Demonteren
Trek aan beide zijden aan de flap bij
de spanner om de spanning van de
banden te halen. Haal de haken uit de
ogen.
Haak de stangen van het veiligheids‐
net los van de beugels in het
dakframe.
Rol het net op en maak het vast met
een band.
Gevarendriehoek
Berg de gevarendriehoek op aan de
binnenkant van de achterklep en
bevestig deze met het klittenband.
Verbanddoos
Berg de verbanddoos op in het
opbergvak rechts in de bagage‐
ruimte.
Opbergen 79
Dakdragersysteem
Dakdrager
Om veiligheidsredenen en ter vermij‐
ding van dakschade adviseren we het
voor uw auto goedgekeurde dakdra‐
gersysteem te gebruiken.
Gebruiksaanwijzing van het dakdra‐
gersysteem in acht nemen en dakdra‐
gersysteem verwijderen wanneer het
niet wordt gebruikt.
Auto's met dakreling
Bevestig de dakdrager in de dakrails
boven de bevestigingspunten in elk
portierframe van de carrosserie.
Model zonder dakreling
Open alle portieren.
De bevestigingspunten zitten aan
weerszijden in de portieropeningen.
Maak de kap van elk bevestigings‐
punt los en zet de dakdrager vast met
de bijgeleverde bouten.
Beladingsinformatie
Zware voorwerpen in de bagage‐
ruimte tegen de rugleuningen
leggen. Zorg dat de rugleuningen
goed vastklikken. D.w.z. dat de
rode merktekens dichtbij de
ontgrendelingshendel aan de
zijkant mogen niet meer zicht‐
baar mogen zijn. Leg bij stapel‐
bare bagage de zwaarste voor‐
werpen onderaan.
Zet spullen met spanbanden vast
aan de sjorogen 3 76.
80 Opbergen
Zet losse voorwerpen in de baga‐
geruimte vast om glijden tegen te
gaan.
Bij het vervoeren van voorwer‐
pen in de bagageruimte mogen
de rugleuningen van de achter‐
bank niet schuin naar voren
geklapt zijn.
Laag de bagage niet boven de
rugleuningen uitsteken.
Leg niets op de hoedenplank of
op het instrumentenpaneel en
dek de sensor boven op het
instrumentenpaneel niet af.
De bagage mag de bediening
van pedalen, handrem, schakel‐
hendel en de bewegingsvrijheid
van de bestuurder niet belemme‐
ren. Leg geen losse voorwerpen
in het interieur.
Rijd niet met een geopende
achterklep.
9Waarschuwing
Controleer altijd of de lading in het
voertuig goed vastgezet is. Als dat
niet het geval is, kunnen er voor‐
werpen in het voertuig rondslinge‐
ren en letsel of schade aan de
lading of de auto veroorzaken.
Het nuttig draagvermogen is het
verschil tussen het maximaal
toelaatbare totaalgewicht van de
auto (zie typeplaatje 3 248) en
het EU-leeggewicht van de auto.
U berekent het nuttige draagver‐
mogen door de gegevens van uw
auto in de tabel Gewichten voorin
deze handleiding in te voeren.
Het EU-leeggewicht omvat ook
het gewicht van de bestuurder
(68 kg), de bagage (7 kg) en alle
vloeistoffen (brandstoftank voor
90% gevuld).
Extra uitrusting en accessoires
verhogen het leeggewicht.
Rijden met daklading verhoogt
de zijwindgevoeligheid van de
auto en verslechtert het rijgedrag
door het hogere zwaartepunt.
Lading gelijkmatig verdelen en
goed met spanbanden vastzet‐
ten. Bandenspanning en rijsnel‐
heid aan de beladingstoestand
aanpassen. Spanbanden regel‐
matig controleren en bijspannen.
Niet sneller rijden dan 120 km/u.
De toegestane daklast is 85 kg.
De dakbelasting is de som van
het gewicht van het dakdrager‐
systeem en de lading.
Instrumenten en bedieningsorganen 81
Instrumenten en
bedieningsorganen
Bedieningsorganen ...................... 82
Stuurwielverstelling ................... 82
Stuurbedieningsknoppen ........... 82
Verwarmd stuurwiel ................... 82
Claxon ....................................... 83
Wis-/wasinstallatie voorruit ........ 83
Wis-/wasinstallatie achterruit ..... 85
Buitentemperatuur ..................... 85
Klok ........................................... 86
Elektrische aansluitingen ........... 87
Inductief opladen ....................... 89
Aansteker .................................. 90
Asbakken ................................... 90
Waarschuwingslampen, meters
en controlelampen ....................... 90
Instrumentengroep .................... 90
Snelheidsmeter ......................... 93
Kilometerteller ........................... 93
Dagteller .................................... 93
Toerenteller ............................... 93
Brandstofmeter .......................... 94
Koelvloeistoftemperatuurme‐
ter ............................................. 94
Service-display .......................... 94
Controlelampen ......................... 95
Richtingaanwijzer ...................... 96
Gordelverklikker ........................ 96
Airbag en gordelspanners ......... 96
Airbag-deactivering ................... 97
Laadsysteem ............................. 97
Storingsindicatielamp ................ 97
Schakel motor uit ....................... 98
Systeemcontrole ........................ 98
Rem- en koppelingssysteem ..... 98
Elektrische handrem .................. 98
Elektrische handrem defect ....... 98
Antiblokkeersysteem (ABS) ....... 99
Schakelen .................................. 99
Lane Departure Warning ........... 99
Lane keep assist ....................... 99
Elektronische stabiliteitsregeling
en Traction Control-systeem .... 99
Koelvloeistoftemperatuur ......... 100
Voorverwarming ...................... 100
Roetfilter .................................. 100
AdBlue ..................................... 100
Drukverliesdetectiesysteem ....100
Motoroliedruk ........................... 100
Te laag brandstofpeil ............... 101
Autostop .................................. 101
Rijverlichting ............................ 101
Grootlicht ................................. 101
Grootlichtassistentie ................ 101
LED-koplampen ....................... 102
Mistlamp .................................. 102
Mistachterlicht ......................... 102
Regensensor ........................... 102
Cruise control .......................... 102
Adaptieve cruise control .......... 102
Voorligger gedetecteerd .......... 102
Snelheidsbegrenzer ................ 102
Portier open ............................. 102
Informatiedisplays ...................... 103
Driver Information Center ........ 103
Info-Display ............................. 104
Boordinformatie ......................... 106
Geluidssignalen ....................... 107
Batterijspanning ....................... 107
Persoonlijke instellingen ............ 108
Telematicaservice ...................... 112
OnStar ..................................... 112
82 Instrumenten en bedieningsorganen
Bedieningsorganen
Stuurwielverstelling
Hendel omlaagbewegen, stuurwiel
instellen, hendel omhoogbewegen en
vergrendelen.
Stuurwiel uitsluitend bij stilstaande
auto en ontgrendeld stuurslot verstel‐
len.
Stuurbedieningsknoppen
U kunt bepaalde bestuurdersonder‐
steuningssystemen, het Infotain‐
mentsysteem en een aangesloten
mobiele telefoon bedienen met de
knoppen op het stuurwiel.
Meer informatie staat in de handlei‐
ding van het infotainment-systeem.
Bestuurdersondersteuningssyste‐
men 3 164.
Verwarmd stuurwiel
Druk op * om verwarming te active‐
ren. De activering wordt aangeduid
door het ledje in de toets.
Instrumenten en bedieningsorganen 83
De gedeelten van het stuurwiel die
specifiek aanbevolen zijn voor plaat‐
sing van de handen zijn sneller warm
en worden warmer dan de overige
gedeelten.
De verwarming werkt bij een draai‐
ende motor en tijdens een Autostop.
Stop/Start-systeem 3 145.
Claxon
j indrukken.
Wis-/wasinstallatie voorruit
Voorruitwissers met verstelbaar
wisinterval
HI : snel
LO : langzaam
INT : intervalwissen
OFF : uit
Hendel omlaag in de stand 1x duwen
om wissers één slag te laten maken
wanneer de voorruitwisser uitgescha‐
keld is.
Niet inschakelen wanneer de voorruit
bevroren is.
Uitschakelen in wasstraten.
Instelbaar wisinterval
Wisserhendel in stand INT.
Draai aan het stelwiel om het gewen‐
ste wisinterval in te stellen:
kort interval : stelwiel omhoog‐
draaien
lang interval : stelwiel omlaag‐
draaien
84 Instrumenten en bedieningsorganen
Voorruitwisser met regensensor
HI : snel
LO : langzaam
AUTO : automatische wisfunctie
met regensensor
OFF : uit
In de stand AUTO registreert de
regensensor de hoeveelheid neer‐
slag op de voorruit en stuurt automa‐
tisch de wissnelheid van de voorrui‐
twisser aan.
Hendel omlaag in de stand 1x duwen
om wissers één slag te laten maken
wanneer de voorruitwisser uitgescha‐
keld is.
Niet inschakelen wanneer de voorruit
bevroren is.
Uitschakelen in wasstraten.
Instelbare gevoeligheid van de
regensensor
Aan stelwiel draaien om de gevoelig‐
heid in te stellen:
geringe gevoe‐
ligheid : stelwiel omlaag‐
draaien
hoge gevoelig‐
heid : stelwiel omhoog‐
draaien
Sensor vrijhouden van stof, vuil en ijs.
Controlelampje < 3 83.
Voorruitsproeier
Instrumenten en bedieningsorganen 85
Hendel naar u toe trekken. Er wordt
sproeiervloeistof op de voorruit
gespoten en de ruitenwisser maakt
enkele slagen.
Sproeiervloeistof 3 216.
Wis-/wasinstallatie
achterruit
Achterruitwisser
Verdraai de buitenste dop om de
achterruitwisser in te schakelen:
OFF : uit
INT : onderbroken werking
ON : continue werking
Niet inschakelen wanneer de achter‐
ruit bevroren is.
Uitschakelen in wasstraten.
Als de voorruitwisser aanstaat, wordt
de achterruitwisser bij het inschake‐
len van de achteruitversnelling auto‐
matisch ingeschakeld.
In- of uitschakeling van deze functie
kunt u wijzigen in met menu Persoon‐
lijke instellingen 3 108.
Achterruitsproeier
Hendel van u af duwen.
Er wordt sproeiervloeistof op de
achterruit gespoten en de ruitenwis‐
ser maakt enkele slagen.
De achteruitsproeier wordt gedeacti‐
veerd wanneer het vloeistofpeil te
laag is.
Sproeiervloeistof 3 216.
Buitentemperatuur
Een dalende temperatuur wordt
onmiddellijk aangeduid, een stij‐
gende temperatuur met enige vertra‐
ging.
De afbeelding laat een voorbeeld
zien.
Als de buitentemperatuur tot 3 °C
daalt, verschijnt er een waarschu‐
wingsbericht op het Driver Informa‐
tion Center.
86 Instrumenten en bedieningsorganen
9Waarschuwing
Ook bij een aanduiding van enkele
graden boven 0 °C kan het
wegdek al beijzeld zijn.
Klok
Datum en tijd worden op het Info-
display weergegeven.
Info-Display 3 104.
Graphic-Info-Display
Druk op MENU om de menupagina te
openen.
Selecteer ˆ.
Kies Configuratie beeldscherm.
Kies Datum en tijd instellen.
Stel achtereenvolgens de juiste
datum en tijd in met de vierwegscha‐
kelaar. Bevestig met OK.
7'' Colour-Info-Display
Druk op ; en selecteer vervolgens
Instellingen.
Selecteer Tijd en datum om het
desbetreffende submenu weer te
geven.
Tijdformaat instellen
Selecteer de gewenste tijdnotatie
door op het scherm de toetsen 12 h
of 24 h aan te raken.
Datumformaat instellen
U selecteert de gewenste datumno‐
tatie door op Datumformaat instellen
te drukken en een van de beschik‐
bare opties te kiezen.
Automatisch
Selecteer Automatisch om aan te
geven of de datum en tijd automatisch
of handmatig worden ingesteld.
Selecteer Aan - RDS om de datum en
tijd automatisch in te stellen.
Selecteer Uit - Handbediend om de
datum en tijd handmatig in te stellen.
Als Automatisch op Uit -
Handbediend wordt ingesteld, zijn de
submenu-opties Tijd instellen en
Datum instellen beschikbaar.
Tijd en datum instellen
Selecteer Tijd instellen of Datum
instellen om de tijd en datum in te
stellen.
Instrumenten en bedieningsorganen 87
Tik op + en - om de instellingen te
veranderen.
8'' Colour-Info-Display
Druk op SET en selecteer vervolgens
de OPTIES.
Selecteer Tijd-datum instellen.
Kies om de tijd- en datumnotatie te
wijzigen de desbetreffende tabbladen
en selecteer vervolgens de gewenste
notaties.
De weergegeven tijd en datum
worden standaard automatisch
aangepast door het systeem.
Doe het volgende om de weergege‐
ven tijd en datum handmatig aan te
passen:
Selecteer het tabblad Tijd.
Zet Synchronisatie met GPS (UTC):
op Micro UIT en selecteer vervolgens
het veld Tijd om de gewenste tijd in te
stellen.
Selecteer het tabblad Datum en
selecteer vervolgens het veld
Datum: om de gewenste datum in te
stellen.
Elektrische aansluitingen
Achter de klep van de opbergruimte
onder de klimaatregeling bevindt zich
een 12 V-aansluiting. Druk op de klep
om het te openen.
Extra 12 volt-aansluitingen bevinden
zich in de achterconsole
88 Instrumenten en bedieningsorganen
en aan de linkerzijde van de bagage‐
ruimte.
Het maximaal opgenomen vermogen
mag niet meer bedragen dan
120 watt.
Er zit wellicht ook een 230 V-aanslui‐
ting in de console achter.
Het maximaal opgenomen vermogen
mag niet meer bedragen dan
150 watt.
Wanneer de ontsteking is uitgescha‐
keld, zijn de stekkerdozen gedeacti‐
veerd. De stekkerdozen worden ook
gedeactiveerd wanneer de accu‐
spanning te laag is.
Aangesloten elektrische accessoires
moeten wat betreft de elektromagne‐
tische compatibiliteit voldoen aan de
DIN-norm VDE 40 839.
Geen accessoires aansluiten die
stroom leveren, zoals bijv. laadtoe‐
stellen of accu's.
Aansluiting niet beschadigen door het
gebruik van ongeschikte stekkers.
Stop/Start-systeem 3 145.
USB-laadpoorten
Achter de klep van de opbergruimte
onder de klimaatregeling bevindt zich
een USB-poort. Druk op de klep om
het te openen.
De USB-poort heeft ook een gege‐
vensverbinding met het Infotainment‐
systeem. Raadpleeg de handleiding
Infotainment voor meer informatie.
Instrumenten en bedieningsorganen 89
Er zit nog een USB-poort in de achter‐
console.
De USB-poorten zijn voorbereid voor
het opladen van apparaten.
Let op
Houd de aansluitingen altijd schoon
en droog.
Inductief opladen
9Waarschuwing
Inductief opladen kan de werking
van geïmplanteerde pacemakers
of andere medische apparaten
nadelig kunnen beïnvloeden.
Raadpleeg vóór gebruik van een
inductieve oplader zo nodig een
arts.
9Waarschuwing
Haal vóór het opladen van een
mobiele telefoon alle metalen
objecten van de oplader, aange‐
zien deze voorwerpen zeer heet
zouden kunnen worden.
Voor het opladen van een apparaat
moet het contact ingeschakeld zijn.
Het oplaadgedeelte bevindt zich
onder de armsteun in de middencon‐
sole.
Een mobiele telefoon opladen:
1. Haal alle voorwerpen van de opla‐
der.
2. Leg de mobiele telefoon met het
display omhoog op de oplader in
het opbergvak. Zet de mobiele
telefoon vast met de elastische
band.
Het led-lampje geeft de oplaadstatus
aan: het licht groen op, wanneer de
mobiele telefoon wordt opgeladen.
Met PMA of Qi compatibele mobiele
telefoons kunnen inductief worden
opgeladen.
Voor het opladen van een mobiele
telefoon is eventueel een slede met
een geïntegreerde spoel (zoals voor
een Samsung 4 en 5) of een aanslui‐
ting (zoals voor sommige iPhone-
modellen) nodig.
Een beschermkap voor de mobiele
telefoon kan het inductief opladen in
de weg staan.
90 Instrumenten en bedieningsorganen
Draai de mobiele telefoon als deze
niet goed oplaadt 180° en leg deze
weer op de oplader.
Aansteker
De aansteker bevindt zich achter de
klep van de opbergruimte onder de
klimaatregeling. Druk op de klep om
het te openen.
Aansteker induwen. Zodra de spiraal
gloeit, wordt de aansteker automa‐
tisch uitgeschakeld. Aansteker
uittrekken.
Asbakken
Voorzichtig
Alleen voor as en niet voor brand‐
baar afval.
Een verplaatsbare asbak kan in de
bekerhouders worden geplaatst.
Waarschuwingslam‐
pen, meters en
controlelampen
Instrumentengroep
De volgende instrumentengroep is
leverbaar:
Instrumenten en bedieningsorganen 91
92 Instrumenten en bedieningsorganen
Overzicht
ORichtingaanwijzer
3 96
XGordelverklikker 3 96
vAirbags en gordelspan‐
ners 3 96
VAirbag deactiveren
3 97
pLaadsysteem 3 97
ZStoringsindicatielamp
3 97
HLaat auto spoedig
nakijken 3 94
STOPPEN Schakel motor uit
3 98
JSysteemcontrole 3 98
RRem- en koppelingssys‐
teem 3 98
oElektrische handrem
3 98
uAntiblokkeersysteem
(ABS) 3 99
RSchakelen 3 99
)Lane Departure
Warning 3 99
LLane Keep Assist
3 99
bElektronische stabili‐
teitsregeling en Traction
Control-systeem 3 99
!Voorverwarmen 3 100
%Roetfilter 3 100
YAdBlue 3 100
wSpanningsverliesde‐
tectie 3 100
IMotoroliedruk 3 100
Y oTe laag brandstofpeil
3 101
W oKoelvloeistoftempera‐
tuur te hoog 3 100
DAutostop 3 101
8Buitenverlichting 3 101
9Dimlicht 3 116
CGroot licht 3 101
fGrootlichtassistent
3 101
>Mistlamp 3 102
øMistachterlicht 3 102
<Regensensor 3 102
BBlindehoeksysteem
3 190
mCruisecontrol 3 102
ßSnelheidsbegrenzer
3 102
ØFrontaanrijdingswaar‐
schuwing 3 177,
Actieve noodrem 3 178,
Voetgangersbescher‐
ming vóór 3 181
hPortier open 3 102
Instrumenten en bedieningsorganen 93
Snelheidsmeter
Aanduiding van de rijsnelheid.
Kilometerteller
De totale geregistreerde afstand
wordt weergegeven in km.
Driver Information Center
Dagteller
De geregistreerde afstand sinds de
laatste nulstelling verschijnt op het
Driver Information Center.
De dagteller telt tot 9.999 km en
begint dan weer bij 0.
Druk 2 seconden lang op L om de
dagteller op nul te stellen.
Er zijn twee dagtellerpagina's te
kiezen in het menu dagteller-/
verbruiksinformation voor verschil‐
lende ritten 3 103.
Toerenteller
Geeft het motortoerental aan.
94 Instrumenten en bedieningsorganen
In elke versnelling zo veel mogelijk
met een laag toerental rijden.
Voorzichtig
Als de naald in het rode gebied
komt, betekent dit dat het maxi‐
maal toegestane toerental wordt
overschreden. Gevaar voor de
motor.
Brandstofmeter
Geeft het peil in de brandstoftank
aan.
Bij een te laag brandstofpeil brandt
controlelampje o.
Brandstoftank nooit leegrijden.
Door brandstofresten in de tank kan
de hoeveelheid brandstof die kan
worden bijgetankt kleiner zijn dan de
aangegeven tankinhoud.
Koelvloeistoftemperatuur‐
meter
Geeft de koelvloeistoftemperatuur
aan.
50 : motor nog niet op bedrijfstem‐
peratuur
90 : normale bedrijfstemperatuur
130 : koelvloeistoftemperatuur te
hoog
Controlelamp o gaat branden als de
koelvloeistoftemperatuur te hoog is.
Zet de motor onmiddellijk uit.
Voorzichtig
Stop en zet de motor af wanneer
de koelvloeistoftemperatuur te
hoog is. Kans op motorschade.
Controleer het koelvloeistofpeil
meteen.
Service-display
Het servicesysteem geeft aan
wanneer verversing/vervanging van
de motorolie en het oliefilter vereist is
of als de auto toe is aan een service‐
beurt. Afhankelijk van de rijomstan‐
digheden, kan het vereiste verver‐
sings-/vervangingsinterval van de
motorolie en het oliefilter aanzienlijk
variëren. Service-informatie3 244
Instrumenten en bedieningsorganen 95
Het bericht voor geplande service
blijft bij inschakeling van het contact
zeven seconden op het Driver Infor‐
mation Center staan.
Als de komende 3000 km of meer
geen service vereist is verschijn er
geen service-informatie op het
display.
Als er binnen 3000 km geplande
service moet worden verricht, blijft de
resterende afstand of tijd meerdere
seconden lang staan. Als geheugen‐
steuntje blijft het symbool F constant
branden.
Als de geplande service binnen
minder dan 1000 km moet worden
verricht, gaat F eerst knipperen en
vervolgens continu branden. De
resterende afstand of tijd blijven
meerdere seconden lang staan.
Achterstallige service wordt aange‐
duid met een bericht op het Driver
Information Center dat de overschre‐
den afstand aangeeft. F knippert
eerst en blijft vervolgens continu
branden totdat de service is verricht.
Service-interval resetten
Na iedere servicebeurt moet de
service-indicator voor de beste
werking worden gereset. Het wordt
geadviseerd daarvoor de hulp van
een werkplaats in te roepen.
Doe het volgende, als u de service
zelf verricht:
schakel het contact uit
houd toets F of CHECK inge‐
drukt.
schakel het contact in: de
afstandsaanduiding telt af
laat de toets los wanneer er "=0"
op het display staat. Het symbool
F verdwijnt
Service-informatie oproepen
U kunt op ieder gewenst moment
actuele service-informatie oproepen
door te drukken op F of CHECK. De
service-informatie blijft enkele secon‐
den op het display staan.
Service-informatie 3 244.
Controlelampen
De beschreven controlelampjes zijn
niet in alle auto's aanwezig. Deze
beschrijving geldt voor alle instru‐
mentuitvoeringen. Afhankelijk van de
uitrusting kan de plaats van de
controlelampjes variëren. Bij het
96 Instrumenten en bedieningsorganen
inschakelen van het contact lichten
de meeste controlelampjes korte tijd
op bij wijze van functietest.
Betekenis kleuren controlelampjes:
rood : gevaar, belangrijke herinne‐
ring
geel : waarschuwing, aanwijzing,
storing
groen : inschakelbevestiging
blauw : inschakelbevestiging
wit : inschakelbevestiging
Kijk naar alle controlelampjes op de
verschillende instrumentengroepen
3 90.
Richtingaanwijzer
O brandt of knippert groen.
Brandt korte tijd
De parkeerlichten zijn ingeschakeld.
Knippert
Een richtingaanwijzer of de alarm‐
knipperlichten zijn geactiveerd.
Snel knipperen: richtingaanwijzer of
bijbehorende zekering defect, rich‐
tingaanwijzer aanhanger defect.
Vervangen van lampen 3 219.
Richtingaanwijzers 3 122.
Gordelverklikker
Gordelverklikker voor alle stoelen
X brandt of knippert rood op de instru‐
mentengroep samen met de aandui‐
ding op de dakconsole voor elke
veiligheidsgordel.
Bij het inschakelen van het
contact, verschijnen X op de
instrumentengroep en het
symbool voor de betreffende
stoel op de dakconsole, als de
veiligheidsgordel van een
bezette stoel niet is omgedaan.
Na het opstarten knipperen X op
de instrumentengroep en het
symbool voor de betreffende
stoel gedurende een bepaalde
tijd en klinkt er een geluidssig‐
naal. Na een stukje rijden brandt
X continu totdat de veiligheids‐
gordel van de betreffende stoel is
omgedaan of een passagier de
veiligheidsgordel heeft losge‐
maakt.
Airbag en gordelspanners
v brandt rood.
Bij het inschakelen van het contact
brandt de controlelamp ca. vier
seconden. Brandt deze niet, dooft
deze niet na vier seconden of licht
deze tijdens het rijden op, dan is er
een storing in het airbagsysteem.
Roep de hulp in van een werkplaats.
De airbags en gordelspanners gaan
mogelijkerwijs niet af tijdens een
ongeval.
Instrumenten en bedieningsorganen 97
Geactiveerde gordelspanners of
airbags worden aangeduid door
aanhoudend branden van v.
9Waarschuwing
Oorzaak van de storing onmiddel‐
lijk door een werkplaats laten
verhelpen.
Gordelspanners, airbagsysteem
3 54, 3 58.
Airbag-deactivering
ÓON brandt geel.
Airbag voorpassagier is geactiveerd.
*OFF brandt geel.
Airbag voorpassagier is gedeacti‐
veerd.
Airbag deactiveren 3 63.
9Gevaar
Levensgevaar voor kinderen in
een kinderveiligheidssysteem
tezamen met een geactiveerde
airbag op de passagiersstoel
voorin.
Levensgevaar voor volwassenen
bij een buiten werking gestelde
airbag van de passagiersstoel
voorin.
Laadsysteem
p brandt rood.
Brandt na het inschakelen van het
contact en dooft vlak na het starten
van de motor.
Brandt bij een draaiende motor
Stoppen, motor afzetten. Accu wordt
niet opgeladen. Motorkoeling wordt
mogelijk onderbroken. De rembekr‐
achtiger werkt eventueel niet meer.
Roep de hulp in van een werkplaats.
Storingsindicatielamp
Z brandt of knippert geel.
Brandt na het inschakelen van het
contact en dooft vlak na het starten
van de motor.
Brandt bij een draaiende motor
Storing in het uitlaatgasreinigingssys‐
teem. De toegestane emissiewaar‐
den worden mogelijk overschreden.
Onmiddellijk hulp van een werkplaats
inroepen.
Knippert bij een draaiende motor
Storing die schade aan de katalysator
kan veroorzaken. Gas terugnemen
totdat de lamp niet meer knippert.
Onmiddellijk hulp van een werkplaats
inroepen.
98 Instrumenten en bedieningsorganen
Schakel motor uit
Y brandt rood.
Brandt korte tijd als het contact wordt
ingeschakeld.
Brandt samen met andere controle‐
lampjes, in combinatie met een
akoestisch waarschuwingssignaal en
een bericht op het Driver Information
Center.
Schakel de motor onmiddellijk uit en
raadpleeg een werkplaats.
Systeemcontrole
J brandt geel of rood.
Brandt geel
Er is een geringe motorstoring gede‐
tecteerd.
Brandt rood
Er is een ernstige motorstoring gede‐
tecteerd.
Stop de motor zo spoedig mogelijk en
roep de hulp van een werkplaats in.
Rem- en
koppelingssysteem
R brandt rood.
Het rem- en koppelingsvloeistofpeil is
te laag.
9Waarschuwing
Stoppen. De auto meteen stilzet‐
ten. De hulp van een werkplaats
inroepen.
Elektrische handrem
m brandt of knippert rood.
Brandt
Elektrische handrem is aangetrokken
3 157.
Knippert
De elektrische handrem wordt niet
automatisch aangetrokken. Het
aantrekken of loszetten werkt niet.
9Waarschuwing
Oorzaak van de storing onmiddel‐
lijk door een werkplaats laten
verhelpen.
o brandt geel.
Brandt
Automatische bediening is geacti‐
veerd of werkt niet. Activeer de auto‐
matische bediening opnieuw of laat
het probleem verhelpen door een
garage in geval van een storing.
Automatische bediening 3 157.
Elektrische handrem defect
E brandt geel.
Brandt
Storing aan de elektrische handrem.
3 157.
Instrumenten en bedieningsorganen 99
9Waarschuwing
Oorzaak van de storing onmiddel‐
lijk door een werkplaats laten
verhelpen.
Antiblokkeersysteem (ABS)
u brandt geel.
Brandt na het inschakelen van het
contact enkele seconden. Het
systeem is na het doven van het
controlelampje klaar voor gebruik.
Als de controlelamp na enkele secon‐
den niet dooft of als tijdens de rit gaat
branden, dan zit er een storing in het
ABS-systeem. Het remsysteem blijft
normaal werken, maar zonder ABS-
regeling.
Antiblokkeersysteem 3 157.
Schakelen
R met het getal van een hogere
versnelling verschijnt wanneer wordt
aanbevolen om vanwege de brand‐
stofbesparing op te schakelen.
Lane Departure Warning
) brandt groen of knippert geel.
Brandt groen
Systeem wordt ingeschakeld en is
gebruiksklaar.
Knippert geel
Systeem herkent een onbedoelde
verandering van rijstrook.
Lane keep assist
a brandt groen of geel, of knippert
geel.
Brandt groen
Het systeem wordt ingeschakeld en is
gebruiksklaar.
Brandt geel
Het systeem nadert een waargeno‐
men rijstrookmarkering, zonder dat
de richtingaanwijzer naar die kant is
ingeschakeld.
Knippert geel
Het systeem herkent dat de auto de
rijstrook grotendeels heeft verlaten.
Lane Keep Assist 3 198
Elektronische stabiliteitsre‐
geling en Traction Control-
systeem
b brandt of knippert geel.
Brandt
Er zit een storing in het systeem.
Verder rijden is mogelijk. De rijstabili‐
teit kan echter afhankelijk van de
staat van het wegdek verslechteren.
Oorzaak van de storing onmiddellijk
door een werkplaats laten verhelpen.
Knippert
Het systeem is actief ingeschakeld.
Het motorvermogen kan worden
begrensd en de auto kan automatisch
iets worden afgeremd.
Elektronische stabiliteitsregeling en
Traction Control-systeem 3 160.
Selectieve ride control 3 161.
100 Instrumenten en bedieningsorganen
Koelvloeistoftemperatuur
o brandt rood.
Brandt bij een draaiende motor
Stoppen, motor afzetten.
Voorzichtig
Koelvloeistoftemperatuur is te
hoog.
Koelvloeistofpeil meteen controleren
3 215.
Is het koelvloeistofpeil hoog genoeg,
dan de hulp van een werkplaats
inroepen.
Voorverwarming
! brandt geel.
Het voorverwarmen van de dieselmo‐
tor is geactiveerd. Wordt alleen bij
lage buitentemperaturen ingescha‐
keld. Start de motor wanneer het
controlelampje dooft.
Roetfilter
% of H brandt geel.
Het roetfilter moet geregenereerd
worden.
Blijf rijden totdat het controlelampje
dooft.
Brandt tijdelijk
Roetfilter begint verzadigd te raken.
Start het reinigingsproces zo spoedig
mogelijk door te gaan rijden op een
snelheid van minstens 60 km/u.
Brandt continu
Aanduiding voor een gering additie‐
fpeil. Roep de hulp in van een werk‐
plaats.
Roetfilter 3 148.
AdBlue
Y knippert of brandt geel.
Brandt geel
De resterende actieradius ligt tussen
600 en 2400 km.
Laat de AdBlue® zo spoedig mogelijk
bijvullen in een erkende werkplaats.
De AdBlue®-tank heeft een totale
inhoud van 10 liter.
Knippert geel
De resterende actieradius ligt tussen
0 en 600 km.
Laat de AdBlue® zo spoedig mogelijk
bijvullen in een erkende werkplaats
om autopech te voorkomen. De
AdBlue®-tank heeft een totale inhoud
van 10 liter.
Drukverliesdetectiesysteem
w brandt of knippert geel.
Brandt
Bandenspanningsverlies bij een of
meer wielen. Meteen stoppen en
bandenspanning controleren.
Knippert
Storing in het systeem. Roep de hulp
in van een werkplaats.
Drukverliesdetectiesysteem 3 228.
Motoroliedruk
I brandt rood.
Instrumenten en bedieningsorganen 101
Brandt na het inschakelen van het
contact en dooft vlak na het starten
van de motor.
Brandt bij een draaiende motor
Voorzichtig
Motorsmering wordt mogelijk
onderbroken. Dit kan aanleiding
geven tot motorschade en/of tot
het blokkeren van de aandrijfwie‐
len.
1. Koppelingspedaal intrappen.
2. Versnellingsbak in neutrale stand
zetten, keuzehendel in stand N
zetten.
3. Zo spoedig mogelijk de verkeers‐
stroom verlaten zonder hierbij
andere weggebruikers te hinde‐
ren.
4. Contact uitschakelen.
9Waarschuwing
Bij uitgeschakelde motor gaat
remmen en sturen aanmerkelijk
zwaarder. Tijdens een Autostop
werkt de rembekrachtigingseen‐
heid nog altijd.
Verwijder de sleutel niet voordat
de auto stilstaat, anders kan het
stuurslot onverwacht ingescha‐
keld worden.
Het oliepeil controleren alvorens de
hulp van een werkplaats in te roepen
3 214.
Te laag brandstofpeil
o brandt geel.
Peil in brandstoftank is te laag.
Tanken 3 204.
Dieselbrandstofsysteem ontluchten
3 218.
Autostop
D brandt of knippert groen.
Brandt groen
De motor is een Autostop.
Knippert groen
Autostop is tijdelijk niet beschikbaar
of de Autostop-modus wordt automa‐
tisch opgeroepen.
Stop/Start-systeem 3 145.
Rijverlichting
8 brandt groen.
De rijverlichting is ingeschakeld
3 116.
Grootlicht
C brandt blauw.
Brandt wanneer het grootlicht aan is,
tijdens een lichtsignaal 3 117 of
wanneer het grootlicht aan is met
grootlichtassistentie 3 117.
Grootlichtassistentie
f brandt groen.
De grootlichtassistentie is geacti‐
veerd 3 119.
102 Instrumenten en bedieningsorganen
LED-koplampen
H licht op en er verschijnt een
waarschuwingsbericht op het Driver
Information Center.
Roep de hulp in van een werkplaats.
Mistlamp
> brandt groen.
De voorste mistlampen zijn ingescha‐
keld 3 123.
Mistachterlicht
r brandt geel.
Het mistachterlicht is ingeschakeld
3 123.
Regensensor
< brandt groen.
Brandt bij inschakeling van de regen‐
sensorstand van de ruitenwisserhen‐
del.
Blindehoeksysteem
B brandt groen.
Het systeem is actief.
Cruise control
m brandt wit of groen.
Brandt wit
Het systeem is ingeschakeld.
Brandt groen
De cruise control is ingeschakeld. De
ingestelde snelheid wordt in het
Driver Information Center aangege‐
ven.
Cruisecontrol 3 164.
Adaptieve cruise control
m brandt wit of groen.
C brandt op het Driver Information
Centre.
m brandt wit
Het systeem is ingeschakeld.
m brandt groen
De adaptieve cruise control is inge‐
schakeld.
Wanneer adaptieve cruise control
aan of actief is, verschijnt C met de
ingestelde snelheid op het Driver
Information Center.
Adaptieve cruise control 3 169.
Voorligger gedetecteerd
A brandt groen.
Brandt groen
Er is een voertuig in dezelfde rijstrook
gedetecteerd.
Adaptieve cruise control 3 169, fron‐
taanrijdingswaarschuwing 3 177.
Snelheidsbegrenzer
ß brandt op het Driver Information
Center wanneer de snelheidsbegren‐
zer actief is. Ingestelde snelheid
wordt aangegeven naast symbool ß.
Snelheidsbegrenzer 3 167.
Portier open
h brandt rood.
Een portier of de achterklep is
geopend.
Instrumenten en bedieningsorganen 103
Informatiedisplays
Driver Information Center
Het Driver Information Center is
ondergebracht in de instrumenten‐
groep.
Op het Driver Information Center
verschijnen:
kilometerteller en dagteller
digitale snelheidsaanduiding
menu rit-/verbruiksinformatie
aanduiding versnelling
service-informatie
boord- en waarschuwingsinfor‐
matie
bestuurdersondersteuningsbe‐
richten
pop-upberichten
Menu's en functies selecteren
U selecteert de menu's en functies
met de toetsen op de richtingaanwij‐
zerhendel.
Draai aan het stelwiel om een pagina
van het menu rit-/verbruiksinformatie
te kiezen.
Druk op SET/CLR om een functie te
bevestigen of resetten.
Eventueel verschijnt er boord- en
onderhoudsinformatie op het Driver
Information Center. Blader door
berichten door aan het stelwiel te
draaien. Bevestig berichten door op
SET/CLR te drukken. Boordinforma‐
tie 3 106.
Menu rit-/verbruiksinformatie
U hebt de keuze uit verschillende
pagina's met diverse informatie.
Draai aan het stelwiel om een pagina
te selecteren.
Informatiepagina:
Actieradius brandstof
De actieradius wordt berekend op
basis van het huidige brandstofpeil en
het momentane verbruik. Op het
display verschijnen gemiddelde
waarden.
Na het tanken wordt de nieuwe actie‐
radius na korte tijd automatisch bijge‐
werkt.
104 Instrumenten en bedieningsorganen
Wanneer het peil in de brandstoftank
laag is, verschijnt er een bericht op
het display en gaat het controle‐
lampje o op de brandstofmeter bran‐
den 3 101.
Actueel brandstofverbruik
Weergave van het actuele verbruik.
Pagina dagteller 1:
Gemiddelde snelheid
Weergave van de gemiddelde snel‐
heid. De meting kan op elk moment
opnieuw worden gestart.
Gemiddeld brandstofverbruik
Weergave van het gemiddelde
verbruik. De meting kan altijd
opnieuw worden ingesteld en begint
met een standaardwaarde.
Afgelegde afstand
Geeft de actuele afstand aan voor
dagteller 1 sinds de reset.
De waarden voor pagina dagteller 1
zijn te resetten door enkele seconden
op SET/CLR te drukken.
Pagina dagteller 2:
Gemiddelde snelheid
Weergave van de gemiddelde snel‐
heid. De meting kan op elk moment
opnieuw worden gestart.
Gemiddeld brandstofverbruik
Weergave van het gemiddelde
verbruik. De meting kan altijd
opnieuw worden ingesteld en begint
met een standaardwaarde.
Afgelegde afstand
Geeft de actuele afstand aan voor
dagteller 2 sinds de reset.
De waarden voor pagina dagteller 2
zijn te resetten door enkele seconden
op SET/CLR te drukken.
Pagina digitale snelheid
Digitale weergave van de huidige
snelheid.
Teller stop- en starttijden
Een teller houdt de tijd in de STOP-
modus tijdens een rit bij. Bij inscha‐
keling van het contact wordt de teller
op nul gezet.
Kompaspagina
Geeft de geografische rijrichting aan.
Lege pagina
Er verschijnt geen rit-/verbruiksinfor‐
matie.
Info-Display
Het Info-Display zit in het instrumen‐
tenpaneel bij de instrumentengroep.
Afhankelijk van de configuratie is de
auto uitgevoerd met een
Graphic-Info-Display
of
7" Colour-Info-Display met
aanraakschermfunctionaliteit
of
8" Colour-Info-Display met
aanraakschermfunctionaliteit
Op de Info-Displays kan het volgende
worden aangegeven:
tijd 3 86
buitentemperatuur 3 85
datum 3 86
Infotainmentsysteem, zie
beschrijving in de handleiding
Infotainment
achteruitkijkcamera 3 195
Instrumenten en bedieningsorganen 105
panoramazichtsysteem 3 192
parkeerhulpinstructies 3 182
navigatie, zie beschrijving in de
handleiding Infotainment
auto- en systeemberichten
3 106
persoonlijke instellingen 3 108
Graphic-Info-Display
Druk op X om het display in te scha‐
kelen.
Druk op MENU om de hoofdmenupa‐
gina te selecteren.
Druk op èäåé om een menupagina
te kiezen.
Druk op OK om een geselecteerde
optie te bevestigen.
Druk op BACK om een menu af te
sluiten zonder een instelling te wijzi‐
gen.
7 inch Colour-Info-Display
Menu's en instellingen selecteren
Via het display krijgt u toegang tot de
menu's en instellingen.
Druk op X om het display in te scha‐
kelen.
Druk op ; om de startpagina weer te
geven.
Tik met een vinger op het gewenste
pictogram op het scherm.
Tik op een pictogram om de desbe‐
treffende functie te selecteren.
Tik op 9 om naar het bovenliggende
menu terug te keren.
Druk op ; om terug te gaan naar de
startpagina.
Raadpleeg de handleiding Infotain‐
ment voor meer informatie.
Persoonlijke instellingen 3 108.
8 inch Colour-Info-Display
Menu's en instellingen selecteren
Het display werkt op drie manieren:
via toetsen onder het display
door bediening van het aanraak‐
scherm
via spraakherkenning
106 Instrumenten en bedieningsorganen
Gebruik knoppen en aanraakscherm
Druk op X om het display in te scha‐
kelen.
Druk op SET om de systeeminstellin‐
gen (eenheden, taal, tijd en datum) te
kiezen.
Druk op Í om de auto-instellingen of
rijfuncties te kiezen.
Tik met een vinger op het gewenste
displaypictogram of de functie van het
menu.
Bevestig een gewenste functie of
selectie door deze aan te raken.
Tik op r op het display om een menu
af te sluiten zonder een instelling te
wijzigen.
Raadpleeg de handleiding Infotain‐
ment voor meer informatie.
Spraakherkenning
Raadpleeg de handleiding Infotain‐
ment voor de beschrijving.
Persoonlijke instellingen 3 108.
Boordinformatie
Berichten worden weergegeven op
het Driver Information Center; in
sommige gevallen samen met een
waarschuwing en een geluidstoon.
Druk op SET/CLR op de richtingaan‐
wijzerhendel om een bericht te
bevestigen.
Boord- en onderhoudsinformatie
De boordinformatie verschijnt in de
vorm van teksten. Volg de instructies
van deze teksten.
Instrumenten en bedieningsorganen 107
Berichten op het
Colour-Info-Display
Bepaalde belangrijke berichten
verschijnen mogelijk ook op het
Info-Display. Sommige berichten
verschijnen slechts enkele seconden
lang.
Geluidssignalen
Bij het starten van de motor of
tijdens het rijden
Er klinkt maar één akoestisch signaal
tegelijk.
Het waarschuwingssignaal voor
veiligheidsgordels die niet zijn omge‐
daan, heeft voorrang boven alle
andere akoestische signalen.
Als een veiligheidsgordel niet
wordt gedragen.
Wanneer bij het wegrijden een
van de portieren of de achterklep
niet goed gesloten is.
Wanneer u met aangetrokken
handrem een bepaalde snelheid
overschrijdt.
Als de cruisecontrol automatisch
uitschakelt.
Wanneer een geprogrammeerde
snelheid of snelheidslimiet wordt
overschreden.
Wanneer er een waarschuwings‐
bericht verschijnt op het Driver
Information Center.
Als de elektronische sleutel zich
niet in het interieur bevindt.
Wanneer de parkeerhulp een
obstakel herkent.
Bij een onbedoelde rijstrookwis‐
sel.
Als het roetfilter het maximale
vulniveau bereikt.
Bij het parkeren van de auto en/of
het openen van het
bestuurdersportier
Bij ingeschakelde rijverlichting.
Tijdens een Autostop
Als het bestuurdersportier
geopend is.
Als een voorwaarde voor een
autostart niet is vervuld.
Batterijspanning
Wanneer de accuspanning laag is,
verschijnt er een waarschuwingsbe‐
richt op het Driver Information Center.
Wanneer de auto rijdt deactiveert de
stroomverbruiksreductie bepaalde
functies zoals de airconditioning, de
achterruitverwarming, de stuurwiel‐
verwarming et cetera.
De gedeactiveerde functies worden
zodra de omstandigheden dat toela‐
ten automatisch weer ingeschakeld.
108 Instrumenten en bedieningsorganen
Persoonlijke
instellingen
U kunt het gedrag van de auto naar
wens afstemmen door de instellingen
op het Info-display te veranderen.
Afhankelijk van het uitrustingsniveau
en de specifieke regelgeving in uw
land, zijn sommige van de hieronder
beschreven functies mogelijk niet
aanwezig.
Sommige functies worden alleen
weergegeven of zijn alleen actief bij
een draaiende motor.
Graphic-Info-Display
Druk op MENU om de menupagina te
openen.
Gebruik de vierwegknop voor bedie‐
ning van het display:
Kies ˆ Configuratie Persoonlijke
instellingen, I OK.
Eenheidsinstellingen
Kies Configuratie display, I OK.
Kies Selectie eenheden, I OK.
Kies de gewenste instellingen, I OK.
Taalinstellingen
Kies Configuratie display, I OK.
Kies Taalkeuze, I OK.
Kies de gewenste taal, I OK.
Auto-instellingen
Kies Autoparameters definiëren, I
OK.
In de bijbehorende submenu's kunt u
de volgende instellingen veranderen:
Verlichting.
Follow-Me-Home-verlichting:
Activering en instelling van de
inschakelduur.
Welkomstverlichting: Activering
en instelling van de inschakel‐
duur.
Comfort
Sfeerverlichting: Activering/
deactivering.
Achterruitwisser bij
achteruitversnelling: Activering/
deactivering.
Auto
Alleen bagageruimte
ontgrendelen: Activering/deacti‐
vering.
Alleen bestuurdersportier
ontgrendelen: Bestuurderspor‐
tier/alle portieren.
Bestuurdersondersteuning
Vermoeidheidsdetectie: Active‐
ring/deactivering.
Snelheidsadvisering: Activering/
deactivering.
Instrumenten en bedieningsorganen 109
7" Colour-Info-Display
Druk op ; om de startpagina te
openen.
Gebruik de aanraakknoppen voor
bediening van het display:
Kies Instellingen.
Eenheidsinstellingen
Kies Eenheden
Verander de eenheden voor Verbruik
en afstand en Temperatuur.
Tik meerdere malen op 9 om terug
te gaan naar de startpagina.
Taalinstellingen
Kies Taal(Language).
Wijzig de taal door de optie van uw
keuze aan te raken.
Tik meerdere malen op 9 om terug
te gaan naar de startpagina.
Auto-instellingen
Kies Auto.
In de bijbehorende submenu's kunt u
de volgende instellingen veranderen:
Bots-/detectiesystemen
Blindehoeksysteem: Activeert of
deactiveert de dodehoekdetec‐
tie.
Alarm slaperige bestuurder: Acti‐
veert of deactiveert de vermoei‐
dheidsdetectie.
Maximumsnelheidinformatie:
Activeert of deactiveert de snel‐
heidslimietinformatie middels
verkeersbordherkenning.
Richtlijnen camera achterzijde:
Activeert of deactiveert de hulp‐
lijnen voor de achteruitkijkca‐
mera op het Info-Display.
Waarschuwing frontale botsing:
activeert of deactiveert de Fron‐
taanrijdingswaarschuwing, past
de waarschuwingsgevoeligheid
aan.
Comfort en gemak
Automatisch wissen bij achteruit:
activeert of deactiveert automati‐
sche inschakeling achterruitwis‐
ser bij inschakelen achteruitver‐
snelling.
Verlichting
Omgevingsverlichting: Activeert
of deactiveert de sfeerverlichting
en past de helderheid aan.
Instapverlichting: Activeert of
deactiveert en wijzigt de duur van
de welkomstverlichting.
Uitstapverlichting: Activeert of
deactiveert en verandert de duur
van de uitstapverlichting.
Op afstand vergr., ontgr., starten
Portierontgrendeling op afstand:
Wijzigt de configuratie door ofwel
alleen het bestuurdersportier te
ontgrendelen of alle portieren te
ontgrendelen bij het indrukken
van O op de afstandsbediening.
Alleen ontgrendeling achterklep:
Activeert of deactiveert de
110 Instrumenten en bedieningsorganen
ontgrendeling van alleen de
achterklep bij het indrukken van
T op de afstandsbediening.
Tik meerdere malen op 9 om terug
te gaan naar de startpagina.
8" Colour-Info-Display
Druk op SET om het menu Instellin‐
gen te openen.
Gebruik de aanraakknoppen voor
bediening van het display.
Eenheidsinstellingen
Kies Systeeminstellingen.
Wijzig de eenheden voor Verbruik en
Afstand en Temperatuur.
Bevestig met G
Tik meerdere malen op r aan het
menu te verlaten.
Taalinstellingen
Selecteer Talen.
Wijzig de taal door de optie van uw
keuze aan te raken.
Bevestig met G
Tik meerdere malen op r aan het
menu te verlaten.
Auto-instellingen
Í indrukken.
Kies Auto-instellingen.
In de bijbehorende submenu's kunt u
de volgende instellingen veranderen:
Toegang tot de auto
Ontgrendeling: alleen
bestuurder: Wijzigt de configura‐
tie door ofwel alleen het bestuur‐
dersportier te ontgrendelen of
alle portieren te ontgrendelen bij
het indrukken van O op de hand‐
zender.
Ontgrendeling: alleen
bagageruimte: Activeert of deac‐
tiveert de ontgrendeling van
alleen de achterklep bij het
indrukken van T op de hand‐
zender.
Elektrisch bediend(e) achterklep/
portier: activeert of deactiveert
het openen of sluiten van de/het
elektrisch bediende achterklep/
portier.
Achterklep handenvrij openen:
Activeert of deactiveert de func‐
tie.
Instrumenten en bedieningsorganen 111
Veiligheid
Aanbevolen snelheidsweergave:
Activeert of deactiveert de snel‐
heidslimietinformatie middels
verkeersbordherkenning.
Actieve veiligheidsrem: Activeert
of deactiveert de actieve nood‐
rem, de waarschuwingsgevoelig‐
heid kan worden aangepast.
Spiegelaanpassing:
Vermoeidheidswaarschuwing:
Activeert of deactiveert de
vermoeidheidsdetectie.
Achterruitwisser bij
achteruitversnelling: Activeert of
deactiveert automatische inscha‐
keling achterruitwisser bij inscha‐
kelen achteruitversnelling.
Bestuurdersverlichting
Meebewegende koplampen:
Activeert of deactiveert de func‐
tie.
Comfortverlichting
Follow-Me-Home-verlichting:
Activeert of deactiveert de functie
en past de duur aan.
Welkomstverlichting: Activeert of
deactiveert de functie en past de
duur aan.
Sfeerverlichting: Past de helder‐
heid van de sfeerverlichting aan.
Rijfuncties
Í indrukken.
Kies Rijfuncties.
In de bijbehorende submenu's kunt u
de volgende instellingen veranderen:
Parkeerhulp: Activeert geavan‐
ceerde parkeerhulp, waarna een
parkeermanoeuvre te selecteren
is.
Dodehoeksensoren: Activeert of
deactiveert de dodehoekdetec‐
tie.
Panoramazichtsysteem: Active‐
ring/deactivering van de functie.
112 Instrumenten en bedieningsorganen
Telematicaservice
OnStar
OnStar is een persoonlijke connecti‐
viteits- en servicehulp met een geïn‐
tegreerde Wi-Fi Hotspot. De OnStar-
service is 24 uur per dag, 7 dagen per
week beschikbaar.
Let op
OnStar is niet op alle markten
verkrijgbaar. Neem contact op met
uw werkplaats voor meer informatie.
Let op
Om OnStar beschikbaar en bedrijfs‐
gereed te kunnen laten zijn, hebt u
een geldig OnStar-abonnement,
een werkend elektrisch systeem van
de auto, een ingeschakeld contact,
mobieletelefoondekking en een gps-
satellietverbinding nodig.
U activeert de OnStar-services en
stelt een account in door op Z te druk‐
ken en met een adviseur te spreken.
Afhankelijk van de uitrusting in de
auto, zijn de volgende services
beschikbaar:
Noodhulpdiensten en ondersteu‐
ning bij pech onderweg
Wi-Fi Hotspot
Smartphone app
Bediening op afstand, d.w.z.
locatie van de auto, inschakeling
van claxon en lichten, aansturing
van centrale vergrendeling
Hulp bij gestolen voertuig
Voertuigdiagnose
Let op
Na tien dagen zonder een contact‐
cyclus wordt de OnStar-module van
de auto uitgeschakeld. Functies
waarvoor een dataverbinding vereist
is, zijn na het inschakelen van het
contact weer beschikbaar.
OnStar knoppen
Privacyknop
Houd j ingedrukt tot u een bericht
hoort om het doorgeven van de voer‐
tuiglocatie te activeren of deactive‐
ren.
Druk op j om een oproep met een
adviseur te beantwoorden of beëindi‐
gen.
Druk op j om de Wi-Fi-instellingen te
openen.
Serviceknop
Druk op Z om contact met een advi‐
seur te leggen.
Instrumenten en bedieningsorganen 113
SOS knop
Druk op [ om een noodoproep te
plaatsen naar een speciaal opgeleide
adviseur.
Status-LED
Groen: Het systeem is gereed met
geactiveerd doorgeven van de voer‐
tuiglocatie.
Groen knipperend: Het systeem is
bezig met een oproep.
Rood: Er is een probleem opgetre‐
den.
Uit: Het systeem is gereed met
gedeactiveerd doorgeven van de
voertuiglocatie of het systeem staat in
de stand-bymodus.
Rood/groen knipperend gedurende
een korte periode: Het doorgeven van
de voertuiglocatie is gedeactiveerd.
OnStar-services
Algemene services
Druk als u informatie nodig hebt, bijv.
openingstijden, nuttige plaatsen en
bestemmingen of als u hulp nodig
hebt bij bijv. pech onderweg, een
lekke band of een lege brandstoftank
op Z om contact met een adviseur te
leggen.
Noodhulpdiensten
Druk in een noodsituatie op [ om een
adviseur te spreken. De adviseur
neemt vervolgens contact op met de
(nood)hulpdiensten en stuurt ze naar
uw locatie.
Bij een ongeval waarbij de airbags of
gordelspanners zijn geactiveerd,
wordt er een automatische noodhulp‐
oproep geplaatst. De adviseur wordt
onmiddellijk met uw auto verbonden
en gaat na of er hulp nodig is.
Let op
Een noodoproep doen is wellicht
niet mogelijk in gebieden met onvol‐
doende netwerkdekking of als
gevolg van schade aan hardware
tijdens een ongeluk.
Wi-Fi Hotspot
De Wi-Fi Hotspot van de auto biedt
verbinding met het internet met een
maximale snelheid van 4G/LTE.
Let op
De functionaliteit voor Wi-Fi
hotspots is niet voor alle markten
verkrijgbaar.
Er kunnen maximaal zeven toestellen
worden aangesloten.
Een mobiel toestel met de Wi-Fi
Hotspot verbinden:
1. Druk op j en selecteer vervol‐
gens de WiFi-instellingen in het
Info-Display. De getoonde instel‐
lingen zijn onder andere de naam
van de Wi-Fi Hotspot (SSID), het
wachtwoord en het verbindings‐
type.
2. Start een Wi-Fi-netwerkzoekop‐
dracht via uw mobiele apparaat.
3. Selecteer de hotspot van uw auto
(SSID) wanneer deze wordt
aangegeven.
4. Voer uw wachtwoord in, wanneer
u daarom wordt gevraagd.
114 Instrumenten en bedieningsorganen
Let op
Druk op Z en spreek met een advi‐
seur of log in bij uw account als u de
SSID of het wachtwoord wilt wijzi‐
gen.
U kunt de functie Wi-Fi Hotspot
uitschakelen door op Z te drukken en
een adviseur te spreken.
Smartphone-app
Met de myOpel smartphone app kunt
u bepaalde autofuncties extern bedie‐
nen.
De volgende functies zijn beschik‐
baar:
Auto vergrendelen of ontgrende‐
len.
Claxonneren of lichten laten knip‐
peren.
Brandstofpeil controleren.
Auto op een map lokaliseren.
Wi-Fi-instellingen beheren.
Download voor het bedienen van
deze functie de app van App Store®
of Google Play™ Store.
Afstandsbediening
U kunt, indien gewenst, iedere wille‐
keurige telefoon gebruiken om een
adviseur te bellen. Deze kan dan
vanaf zijn locatie specifieke autofunc‐
ties aansturen. U vindt het betref‐
fende OnStar-telefoonnummer op de
landspecifieke website.
De volgende functies zijn beschik‐
baar:
Auto vergrendelen of ontgrende‐
len.
Informatie over de voertuigloca‐
tie doorgeven.
Claxonneren of lichten laten knip‐
peren.
Hulp bij gestolen voertuig
Geef als de auto gestolen is de dief‐
stal door aan de autoriteiten en vraag
hulp van de OnStar-service Hulp bij
gestolen voertuig. Neem telefonisch
contact op met een adviseur. U vindt
het betreffende OnStar-telefoonnum‐
mer op de landspecifieke website.
OnStar kan u helpen bij het zoeken
naar en bergen van de auto.
Diefstalalarm
Als het diefstalalarmsysteem is geac‐
tiveerd, wordt er een bericht naar
OnStar gestuurd. U ontvangt hierover
een sms of e-mail.
Startblokkering
OnStar kan met externe signalen het
starten van de auto blokkeren
wanneer het contact is afgezet.
Diagnose op aanvraag
U kunt te allen tijde, bijvoorbeeld als
de auto boordinformatie laat zien, op
Z te drukken om contact op te nemen
met een adviseur. U kunt hem vragen
een realtime diagnose uit te voeren
om de oorzaak van het probleem na
te gaan. Afhankelijk van de resultaten
biedt de adviseur meer ondersteu‐
ning.
Diagnoserapport
De auto stuurt automatisch diagnose‐
gegevens naar OnStar. U en uw
garage ontvangen maandelijks per e-
mail een rapport.
Instrumenten en bedieningsorganen 115
Let op
De werkplaatsmeldingsfunctie kan
in uw account worden uitgescha‐
keld.
Het rapport bevat de status van de
belangrijkste besturingssystemen
van de auto, zoals de motor, trans‐
missie, airbags, ABS, en andere
grote systemen. Ook bevat het infor‐
matie over mogelijke onderhouds‐
punten en de bandenspanning
(alleen als er een bandenspannings‐
controlesysteem is).
U kunt meer details opvragen door op
de link in de e-mail te klikken en u bij
uw account aan te melden.
OnStar-instellingen
OnStar-PIN
U hebt een viercijferige PIN nodig
voor toegang tot alle OnStar-servi‐
ces. U moet een eigen PIN invoeren
wanneer u voor de eerste keer met
een adviseur belt.
Druk op Z om een adviseur te bellen
en de PIN te veranderen.
Accountgegevens
Een OnStar-abonnee heeft een
account waar alle gegevens in zijn
opgeslagen. Druk op Z en spreek
met een adviseur of log in bij uw
account als u accountinformatie wilt
veranderen.
Als de OnStar-service voor een
andere auto moet worden gebruikt,
druk dan op Z en vraag of de account
op de nieuwe auto kan worden over‐
gedragen.
Let op
Informeer OnStar onmiddellijk over
de wijzigingen als de auto wordt
afgevoerd, verkocht of anderszins
overgedragen en beëindig de
OnStar-service voor deze auto.
Voertuiglocatie
De voertuiglocatie wordt aan OnStar
doorgegeven wanneer er een service
wordt verzocht of getriggerd. Een
bericht op het Info-Display geeft door
dat deze informatie is verzonden.
Als u het doorgeven van de voertuig‐
locatie wilt activeren of deactiveren,
drukt u op j tot u een audiobericht
hoort.
Het deactiveren wordt aangegeven
door het controlelampje dat korte tijd
rood of groen knippert en iedere keer
wanneer de auto wordt gestart.
Let op
Als het verzenden van de voertuig‐
locatie wordt gedeactiveerd, zijn
sommige diensten niet meer
beschikbaar.
Let op
OnStar wordt in een noodsituatie
altijd geïnformeerd over de voertuig‐
locatie.
Ga naar het document met het priva‐
cybeleid in uw account.
Software-updates
OnStar kan op afstand software-
updates uitvoeren, zonder dat zij u
daarover van tevoren inlichten of om
uw toestemming vragen. Deze upda‐
tes verbeteren of behouden de veilig‐
heid en beveiliging of de werking van
uw voertuig.
Deze updates kunnen betrekking
hebben op privacykwesties. Ga naar
het document met het privacybeleid
in uw account.
116 Verlichting
Verlichting Rijverlichting
Lichtschakelaar
Lichtschakelaar draaien:
AUTO : automatische verlichting
schakelt automatisch
tussen dagrijlicht en
koplamp
8: zijmarkeringslichten
9: dimlicht of groot licht
Wanneer u de ontsteking inschakelt,
is de automatische verlichting actief.
Controlelampje 8 3 101.
Achterlichten
De achterlichten branden samen met
het dimlicht/groot licht en de zijmar‐
keringslichten.
Automatische verlichting
Wanneer de automatische verlichting
is ingeschakeld en de motor loopt,
wordt er automatisch gewisseld
tussen dagrijlicht en automatische
verlichting afhankelijk van het omge‐
vingslicht en de informatie afkomstig
van het regensensorsysteem.
Dagrijlicht 3 119.
Verlichting 117
Automatische
koplampinschakeling
Wanneer het omgevingslicht zwak is,
worden de koplampen ingeschakeld.
Bovendien worden de koplampen
ingeschakeld als de ruitenwissers
enkele slagen geactiveerd zijn.
Tunneldetectie
Bij het inrijden van een tunnel worden
de koplampen onmiddellijk ingescha‐
keld.
Grootlicht
Duw tegen de hendel om van dimlicht
op groot licht over te schakelen.
Trek aan de hendel om het groot licht
uit te schakelen.
Grootlichtassistent 3 119.
Grootlichtassistentie
Beschrijving voor versie met halo‐
geenkoplampen. Grootlichtassisten‐
tie met LED-koplampen 3 119.
Deze functie maakt dat het groot licht
's avonds en wanneer u sneller rijdt
dan 25 km/u als de hoofdrijverlichting
kan worden gebruikt.
Het systeem schakelt automatisch
naar dimlicht wanneer:
De camera of een sensor in de
voorruit de lampen van tegen- of
voorliggers detecteert.
De rijsnelheid daalt tot onder
15 km/u.
Het mistig is of sneeuwt.
In stadsverkeer wordt gereden.
Zodra er geen beperkingen meer
worden herkend, schakelt het
systeem het groot licht weer in.
Inschakelen
De grootlichtassistentie werkt alleen
met de lichtschakelaar in de stand
AUTO.
118 Verlichting
U activeert de grootlichtassistentie
door op f op de richtingaanwijzer te
drukken. Het ledje in de knop gaat
branden, als de grootlichtassistent
geactiveerd is. Het grootlicht wordt
automatisch ingeschakeld bij snelhe‐
den boven 25 km/u.
Het groene controlelampje f brandt
continu wanneer de assistentie actief
is; het blauwe lampje 7 brandt bij
ingeschakeld groot licht.
Controlelampje f 3 101.
Uitschakelen
U deactiveert de grootlichtassistentie
door op f op de richtingaanwijzer te
drukken.
Als u bij een geactiveerde grootlicht‐
assistent een lichtsignaal geeft terwijl
u het dimlicht voert, wordt de groot‐
lichtassistent gedeactiveerd. Het
systeem schakelt over op groot licht.
Als u bij een geactiveerde grootlicht‐
assistent een lichtsignaal geeft terwijl
u het groot licht voert, wordt de groot‐
lichtassistent gedeactiveerd. Het
systeem schakelt over op dimlicht.
Geef nogmaals grootlichtsignalen om
de grootlichtassistent weer te active‐
ren.
Lichtsignaal
Lichtsignaal activeren door de hendel
naar u toe te trekken.
Als u aan de hendel trekt, schakelt u
het groot licht uit.
Koplampverstelling
Handmatige koplampverstelling
U kunt de lichtbundelhoogte aanpas‐
sen aan de belading om verblinding
te voorkomen: draai het kartelwieltje
in ? de gewenste stand.
0 : zitplaatsen voorin bezet
1 : alle zitplaatsen bezet
2 : alle zitplaatsen bezet en bagage
in de bagageruimte
3 : bestuurdersstoel bezet en
bagage in de bagageruimte
Verlichting 119
Dagrijlicht
Het dagrijlicht maakt de auto overdag
beter zichtbaar.
Het wordt automatisch ingeschakeld
wanneer de motor draait.
Het systeem schakelt automatisch
tussen dagrijlicht en dimlicht, afhan‐
kelijk van het lichtomstandigheden.
LED-koplampen
9Waarschuwing
Kijk niet rechtstreeks in de LED-
verlichting om oogletsel te voorko‐
men.
Het LED-koplampensysteem omvat
twee koplampen met verschillende
LED's, waarmee de functies van het
adaptieve rijlicht kunnen worden
aangestuurd.
De lichtverdeling en -intensiteit
worden getriggerd op basis van de
lichtomstandigheden, het wegdek en
de rijsituatie. De auto past de koplam‐
pen automatisch aan de situatie aan
voor een optimale lichtverdeling voor
de bestuurder.
Sommige functies van het adaptieve
rijlicht van de LED-koplampen
kunnen vanuit het menu Persoonlijke
instellingen worden gedeactiveerd en
geactiveerd. Selecteer de betref‐
fende instelling in Instellingen, I
Voertuig op het Info-Display.
Persoonlijke instellingen 3 108.
De verlichtingsfuncties zijn alleen
beschikbaar als de lichtschakelaar in
de stand AUTO staat.
Verlichting landelijke gebieden
Dit wordt automatisch geactiveerd bij
een snelheid tussen 55 km/u en
115 km/u wanneer er in een landelijk
gebied wordt gereden. De verlichting
van de weg en de berm wordt verbe‐
terd. Tegemoetkomend verkeer en
voorliggers worden niet verblind.
Snelwegverlichting
Gaat automatisch werken bij een
snelheid boven 115 km/u. De verlich‐
ting wordt aangepast aan de hogere
snelheid op snelwegen. Als er geen
tegenliggers zijn, wordt het zicht aan
de kant van de eigen auto vergroot.
Het zicht neemt toe van 70 m tot
140 m, waardoor er objecten op
afstand over de volle breedte van de
weg worden herkend.
Stadslicht
120 Verlichting
Dit wordt automatisch geactiveerd bij
een snelheid tot maximaal 55 km/u en
in situaties met omgevingsverlichting.
De lichtverspreiding is breed en
symmetrisch. Bij een snelheid van
minder dan 30 km/u worden de
koplampen iets naar de buitenkant
gezwenkt om voetgangers en objec‐
ten aan elke kant van de weg eerder
te kunnen herkennen. Er is een speci‐
aal lichtstraalpatroon ontworpen dat
verblinding van andere weggebrui‐
kers voorkomt.
Afbuigverlichting
Bij het afslaan gaan, afhankelijk van
de stuurhoek en het knipperlichtsig‐
naal, bepaalde leds branden die het
wegdek in de rijrichting verlichten.
Wordt geactiveerd tot een snelheid
van 40 km/u.
Slechtweerlicht
Bediend via de ruitenwisser of regen‐
sensor en werkt bij regen en sneeuw‐
val. Door de brede lichtverdeling - iets
naar buiten gezwenkt - hebt u een
betere oriëntatie aan de rand van de
weg. De intensiteit van het licht ver
vooruit wordt verhoogd om objecten
en markeringen aan de rechterkant
van de weg en obstakels op de
rijstrook ondanks het slechte weer te
kunnen herkennen. Door minder
weerkaatsing op natte wegen worden
tegenliggers minder verblind. Het
slechtweerlicht werkt bij een snelheid
tot 70 km/u.
Bochtverlichting
Er gaan, afhankelijk van de stuurhoek
en de snelheid, extra leds branden
die de verlichting van bochten verbe‐
teren. Deze functie wordt geactiveerd
bij snelheden tussen 40 km/u en
70 km/u en is afhankelijk van de
stuurhoek.
Grootlichtassistent
Met deze functie kan het grootlicht bij
het rijden in het donker als hoofdver‐
lichting werken.
De camera in de voorruit de lichten
van tegemoetkomende voertuigen of
voorliggers detecteert. Elke LED aan
de rechter- of linkerkant kan afhanke‐
lijk van de verkeerssituatie worden in-
of uitgeschakeld. Dit geeft de beste
lichtverdeling zonder dat andere
weggebruikers worden verblind. De
grootlichtassistentie blijft geactiveerd
Verlichting 121
en schakelt het grootlicht aan en uit
afhankelijk van de situatie. De laatste
instelling van de grootlichtassistentie
blijft gehandhaafd nadat het contact
weer is ingeschakeld.
De grootlichtassistentie omvat een
speciale snelwegmodus. Wanneer u
op de snelweg harder rijdt dan
115 km/u, wordt de lichtstraal smaller,
zodat u tegemoetkomend verkeer
niet verblindt. Wanneer u achter
andere auto's aanrijdt of ze inhaalt,
hebben deze bestuurders minder last
van verblinding via de spiegel.
Inschakelen
U activeert de grootlichtassistentie
door op f op de richtingaanwijzer te
drukken. Het ledje in de knop gaat
branden, als de grootlichtassistent
geactiveerd is. Het grootlicht wordt
automatisch ingeschakeld bij een
snelheid boven 25 km/u. Het groot‐
licht wordt uitgeschakeld bij een snel‐
heid onder 15 km/u, maar de groot‐
lichtassistentie blijft geactiveerd.
Het groene controlelampje f brandt
ononderbroken wanneer de groot‐
lichtassistentie actief is; het blauwe
lampje 7 brandt bij ingeschakeld
grootlicht.
Controlelampje f 3 101, 7 3 101.
Als u eenmaal op de richtingaanwij‐
zerhendel drukt, wordt het grootlicht
handmatig en zonder grootlichtassis‐
tentie ingeschakeld.
De grootlichtassistentie schakelt
automatisch op dimlicht over
wanneer:
In stadsverkeer wordt gereden.
Camera detecteert dichte mist.
De mistlampen voor of achter zijn
ingeschakeld.
Zodra er geen beperkingen meer
worden herkend, schakelt het
systeem het groot licht weer in.
Uitschakelen
U deactiveert de grootlichtassistentie
door op f op de richtingaanwijzer te
drukken.
Als u bij een geactiveerde grootlicht‐
assistent een lichtsignaal geeft terwijl
u het dimlicht voert, wordt de groot‐
lichtassistent gedeactiveerd. Het
systeem schakelt over op groot licht.
122 Verlichting
Als u bij een geactiveerde grootlicht‐
assistent een lichtsignaal geeft terwijl
u het groot licht voert, wordt de groot‐
lichtassistent gedeactiveerd. Het
systeem schakelt over op dimlicht.
Geef nogmaals grootlichtsignalen om
de grootlichtassistent weer te active‐
ren.
Storing in led-koplampsysteem
Wanneer het systeem een storing in
het led-koplichtsysteem opmerkt,
selecteert het een voorkeuze-instel‐
ling om te voorkomen dat tegenlig‐
gers worden verblind. U ziet een
waarschuwing op het Driver Informa‐
tion Center.
Alarmknipperlichten
Om in te schakelen ¨ indrukken.
Bij noodremmanoeuvres worden de
alarmknipperlichten automatisch
ingeschakeld afhankelijk van de
vertraging. De alarmknipperlichten
worden automatisch uitgeschakeld
zodra u weer accelereert.
Richtingaanwijzers
hendel omhoog : rechter richting‐
aanwijzer
hendel omlaag : linker richtingaan‐
wijzer
Bij het verplaatsen van de hendel
voelt u een weerstandspunt.
De richtingaanwijzer knippert onon‐
derbroken wanneer de hendel voorbij
het weerstandspunt wordt verplaatst.
Het knipperen stopt wanneer het
stuurwiel in tegengestelde richting
wordt gedraaid of wanneer de hendel
met de hand wordt teruggezet in de
neutraalstand.
Verlichting 123
U kunt kortstondig knipperen door de
hendel net voor het weerstandspunt
vast te houden. De richtingaanwijzers
zullen dan knipperen totdat de hendel
wordt losgelaten.
Druk kort op de hendel zonder het
weerstandspunt te passeren om drie
knippersignalen te geven.
Als u bij een rijsnelheid hoger dan
60 km/u de richtingaanwijzers niet
binnen twintig seconden uitschakelt,
wordt het volume van het richtingaan‐
wijzersignaal verhoogd.
Mistlampen voor
Om in te schakelen > indrukken.
Lichtschakelaar in stand AUTO: bij
het inschakelen van de mistlampen
worden de koplampen automatisch
ingeschakeld.
Mistachterlicht
Om in te schakelen r indrukken.
Lichtschakelaar in stand AUTO: bij
inschakelen van het mistachterlicht
worden de koplampen automatisch
ingeschakeld.
Lichtschakelaar in stand 8: mistach‐
terlicht kan alleen in combinatie met
voorste mistlampen worden inge‐
schakeld.
Het mistachterlicht is gedeactiveerd
wanneer er een aanhanger of een
stekker op het contact is aangesloten,
bijv. wanneer een fietsdrager is
geplaatst.
Parkeerlichten
Bij het parkeren kunnen de parkeer‐
lichten aan één kant worden inge‐
schakeld:
1. Contact uitschakelen.
2. Richtingaanwijzerhendel volledig
omhoog- (parkeerlichten rechts)
of omlaaghalen (parkeerlichten
links).
124 Verlichting
Bevestiging door een akoestisch
signaal en het bijbehorende controle‐
lampje van de richtingaanwijzer.
Achteruitrijlichten
Het achteruitrijlicht gaat branden
wanneer het contact is ingeschakeld
en de auto in de achteruitversnelling
staat.
Beslagen lampglazen
De binnenkant van de lampenglazen
kan bij koud en vochtig weer, bij
hevige regen of na een wasbeurt
korte tijd beslaan. De condens
verdwijnt na korte tijd vanzelf, om dit
te versnellen de verlichting inschake‐
len.
Binnenverlichting
Regelbare
instrumentenverlichting
Wanneer de rijverlichting aanstaat,
kunt u de lichtsterkte van de volgende
lampen regelen:
instrumentenverlichting
Info-Display
verlichte schakelaars en bedie‐
ningselementen
Draai aan het kartelwieltje A en houd
dit vast totdat de gewenste licht‐
sterkte is bereikt.
Binnenverlichting
De interieurverlichting voor- en
achterin wordt bij het in- en uitstappen
automatisch ingeschakeld en dooft
met enige vertraging.
Let op
Bij een ongeval waarbij de airbags
geactiveerd worden gaat de vloer‐
verlichting automatisch aan.
Interieurverlichting voorin
Bedien de wipschakelaar:
w: automatisch in- en
uitschakelen
druk op u: aan
druk op v: uit
Verlichting 125
Interieurverlichting achterin
Brandt in combinatie met de interieur‐
verlichting voorin, afhankelijk van de
stand van de wipschakelaar.
Leeslampen
Werken door het indrukken van s en
t in de instapverlichting.
Afgebeeld is de interieurverlichting
achterin.
Verlichting zonneklep
Brandt wanneer u het klepje opent.
Verlichtingsfuncties
Verlichting middenconsole
Een in de dakconsole geïntegreerde
spot zorgt voor verlichting van de
middenconsole, wanneer de koplam‐
pen zijn uitgeschakeld.
Instapverlichting
Welkomstverlichting
Een of meer van de volgende verlich‐
tingsfuncties worden korte tijd inge‐
schakeld door de auto te ontgrende‐
len met de handzender:
dimlicht of groot licht
verlichting achteruitkijkspiegel
interieurverlichting
Hoeveel verlichtingsfuncties er
worden ingeschakeld hangt af van de
omgevingsverlichting.
De verlichting wordt meteen uitge‐
schakeld zodra het contactslot wordt
ingeschakeld. Wegrijden 3 17.
Deze functie kan worden geactiveerd
of gedeactiveerd in de Persoonlijke
instellingen.
126 Verlichting
Persoonlijke instellingen 3 108.
De volgende verlichting gaat ook
branden wanneer u het bestuurders‐
portier opent:
verlichting van sommige schake‐
laars
Driver Information Center
portiervakverlichting
Uitstapverlichting
De volgende verlichtingsfuncties
worden ingeschakeld als het contact
wordt uitgeschakeld:
dimlicht of groot licht
interieurverlichting
instrumentenverlichting
Worden automatisch uitgeschakeld
na een vertraging. Deze functie werkt
alleen wanneer het donker is. De inte‐
rieurverlichting wordt geactiveerd
wanneer u in deze periode het
bestuurdersportier opent.
Ontlaadbeveiliging accu
Om te voorkomen dat de accu leeg‐
raakt terwijl het contact is uitgescha‐
keld, wordt de interieurverlichting na
enige tijd automatisch uitgeschakeld.
Klimaatregeling 127
Klimaatregeling
Klimaatregelsystemen ............... 127
Verwarmings- en
ventilatiesysteem .................... 127
Airconditioning ......................... 128
Elektronisch
klimaatregelsysteem ............... 131
Hulpverwarming ...................... 136
Luchtroosters ............................. 136
Verstelbare luchtroosters ........ 136
Vaste luchtroosters .................. 137
Koeling handschoenenkastje ..137
Onderhoud ................................. 137
Luchtinlaat ............................... 137
Pollenfilter ................................ 137
Airconditioning regelmatig
aanzetten ............................... 138
Service .................................... 138
Klimaatregelsystemen
Verwarmings- en
ventilatiesysteem
Bedieningsorganen voor:
temperatuur £
luchtverdeling l, M en K
luchtopbrengst Z
ontwasemen en ontdooien à
achterruit- en buitenspiegelver‐
warming b
stoelverwarming ß
Verwarmbare achterruit b 3 42.
Buitenspiegels b3 39.
Verwarmde stoelen ß 3 53.
Temperatuur
Temperatuur aanpassen door £ op
de gewenste temperatuur te draaien.
rode zone : warmer
blauwe zone : kouder
De verwarming werkt pas optimaal
als de motor de normale bedrijfstem‐
peratuur heeft bereikt.
Luchtverdeling
l: naar de voorruit en de voorste
zijruiten
M: naar hoofdhoogte via de verstel‐
bare luchtroosters
K: naar de voetenruimte en voorruit
Alle combinaties zijn mogelijk.
Luchtdebiet
Luchtopbrengst instellen door Z op
de gewenste snelheid te draaien.
naar rechts : versnellen
naar links : vertragen
128 Klimaatregeling
Ontwasemen en ontdooien
Druk op à: de luchtverdeling
wordt in de richting van de voor‐
ruit geleid.
Draaiknop voor temperatuur
£ in hoogste stand zetten.
Aanjagersnelheid Z op hoogste
stand zetten.
Verwarming achterruit b inscha‐
kelen.
Zijdelingse luchtroosters openen
naar wens en op de zijruiten rich‐
ten.
Airconditioning
Bedieningsorganen voor:
temperatuur £
luchtverdeling l, M en K
luchtopbrengst Z
ontwasemen en ontdooien à
airconditioning A/C
luchtrecirculatie 4
achterruit- en buitenspiegelver‐
warming b
voorruitverwarming ,
stoelverwarming ß
Verwarmbare achterruit b 3 42.
Verwarmbare buitenspiegels b 3 39.
Voorruitverwarming , 3 43.
Verwarmde stoelen ß 3 53.
Sommige wijzigingen van instellingen
worden kort aangegeven op het Info-
Display. Geactiveerde functies
worden aangegeven door de LED in
de desbetreffende toets.
Temperatuur
Temperatuur aanpassen door £ op
de gewenste temperatuur te draaien.
rode zone : warmer
blauwe zone : kouder
Klimaatregeling 129
De verwarming werkt pas optimaal
als de motor de normale bedrijfstem‐
peratuur heeft bereikt.
Luchtverdeling
l: naar de voorruit en de voorste
zijruiten
M: naar hoofdhoogte via de verstel‐
bare luchtroosters
K: naar de voetenruimte en voorruit
Alle combinaties zijn mogelijk.
Luchtdebiet
Luchtopbrengst instellen door Z op
de gewenste snelheid te draaien.
naar rechts : versnellen
naar links : vertragen
Airconditioning A/C
Druk op A/C om naar koeling om te
schakelen. Het ledje in de knop
brandt om activering aan te geven.
Koeling werkt alleen bij een draai‐
ende motor en ingeschakelde venti‐
lator van de klimaatregeling.
Druk opnieuw op A/C om koeling uit
te schakelen.
De airconditioning koelt en ontvoch‐
tigt (droogt) de lucht wanneer de
buitentemperatuur iets boven het
vriespunt ligt. Er kan zich dan
condens vormen en onder de auto op
de grond druppelen.
Als geen koeling of droging gewenst
is, moet u omwille van het brandstof‐
verbruik de koeling uitschakelen.
Geactiveerde koeling kan een Auto‐
stop verhinderen. Stop/Start-systeem
3 145.
Luchtrecirculatiesysteem
Luchtrecirculatiemodus met 4
inschakelen. Het ledje in de knop
brandt om activering aan te geven.
Luchtrecirculatiemodus weer met
4 uitschakelen.
130 Klimaatregeling
9Waarschuwing
Als het luchtrecirculatiesysteem is
ingeschakeld, vermindert de lucht‐
verversing. Bij het gebruik zonder
koeling neemt de luchtvochtigheid
toe waardoor de ruiten van
binnenuit kunnen aandampen. De
kwaliteit van de binnenlucht neemt
na verloop van tijd af, wat tot
vermoeidheidsverschijnselen bij
de inzittenden kan leiden.
Wanneer de omgevingslucht warm
en zeer vochtig is, kan de voorruit aan
de buitenkant beslaan wanneer er
koude lucht tegenaan stroomt. Als de
voorruit aan de buitenkant aandampt,
moet u de ruitenwisser aanzetten en
l uitzetten.
Maximale koeling
Ruiten kortstondig openen zodat de
warme lucht snel kan ontsnappen.
Koeling A/C inschakelen.
Druk op 4 voor luchtrecircula‐
tiesysteem aan.
Druk op M voor luchtverdeling.
Draaiknop voor temperatuur
£ in laagste stand zetten.
Aanjagersnelheid Z op hoogste
stand zetten.
Alle luchtroosters openen.
Ruiten ontwasemen en ontdooien
Druk op à: de luchtverdeling
wordt in de richting van de voor‐
ruit geleid.
Draaiknop voor temperatuur
£ in hoogste stand zetten.
Schakel indien nodig de airco
A/C in.
Aanjagersnelheid Z op hoogste
stand zetten.
Verwarming achterruit b inscha‐
kelen.
Klimaatregeling 131
Verwarming voorruit , inscha‐
kelen.
Zijdelingse luchtroosters openen
naar wens en op de zijruiten rich‐
ten.
Let op
Als à wordt ingedrukt terwijl de
motor loopt, wordt een Autostop
verhinderd totdat er opnieuw op à
wordt gedrukt.
Als à wordt ingedrukt terwijl de
motor in een Autostop is, zal de
motor automatisch herstarten.
Stop/Start-systeem 3 145.
Elektronisch
klimaatregelsysteem
Dankzij de twee zones van de
klimaatregeling kunt u de tempera‐
tuur aan de bestuurders- en passa‐
gierszijde voorin afzonderlijk regelen.
In de automatische modus worden
temperatuur, luchtopbrengst en lucht‐
verdeling automatisch geregeld.
Bedieningsorganen voor:
temperatuur bestuurderszijde
£
Met MENU gaat u naar het menu
Klimaatinstelling op het Info-
Display
luchtopbrengst Z
automatische modus AUTO
temperatuur passagierszijde
voorin £
koeling A/C
handmatig bediende luchtrecir‐
culatie 4
ontwasemen en ontdooien à
achterruit- en buitenspiegelver‐
warming b
voorruitverwarming ,
stoelverwarming ß
stoelventilatie A
Verwarmbare achterruit Ü 3 42.
Verwarmbare buitenspiegels Ü 3 39.
Verwarmde stoelen ß 3 53.
Geventileerde stoelen A 3 53.
Het ledje in de desbetreffende knop
geeft de geactiveerde functie aan.
De elektronische klimaatregeling
(ECC) werkt alleen optimaal bij een
draaiende motor.
132 Klimaatregeling
Menu Klimaatinstellingen
(MENU-knop)
Instellingen voor
luchtverdeling l, M, K
luchtopbrengst Z
temperatuur voor bestuurders-
en passagierszijde 19°/21°
temperatuursynchronisatie met
twee zones MONO
airconditioning ON/OFF
automatische modus AUTO
kan handmatig worden geactiveerd in
het menu Klimaatinstelling. Druk op
MENU om naar het menu te gaan en
volg de tiptoetsen.
Het menu Klimaatinstelling is ook
weer te geven
door Klimaat te selecteren op het
7" Colour-Info-Display of
door Í in te drukken en vervol‐
gens Klimaat te kiezen in het
menu op het 8" Colour-Info-
Display.
Automatische modus AUTO
Basisinstelling voor maximaal
comfort:
Druk op AUTO, de luchtverdeling
en ventilatorsnelheid worden
automatisch geregeld.
Open alle luchtroosters voor opti‐
male luchtverdeling in de auto‐
matische modus.
De airconditioning moet zijn
geactiveerd voor optimale
koeling en ontwaseming. Druk op
A/C om de airconditioning in te
schakelen. Het ledje in de toets
geeft aan dat het systeem geac‐
tiveerd is.
Stel de voorkeurtemperaturen
voor de bestuurders- en passa‐
gierskant voorin in met de linker
en rechter draaiknop. De aanbe‐
volen temperatuur is 22 °C.
Handmatige instellingen
U kunt de instellingen van de klimaat‐
regeling aanpassen door de volgende
functies te activeren:
Klimaatregeling 133
Luchtopbrengst Z
Luchtopbrengst instellen door de
draaiknop op de gewenste snelheid
te draaien. Draai de knop linksom om
de opbrengst te verlagen of rechtsom
om de opbrengst te verhogen. U kunt
het luchtopbrengst ook aanpassen
met de aanraaktoetsen op de weer‐
gave Klimaatinstellingen. Druk op
MENU om naar het menu te gaan.
Draaiknop linksom draaien: ventilator
en koeling worden uitgeschakeld.
Om de automatische modus opnieuw
in te schakelen: AUTO indrukken.
Luchtverdeling l, M, K
Druk op MENU om naar het menu te
gaan.
Colour-Info-Display aanraken:
l: naar de voorruit en de voorste
zijruiten
M: naar hoofdzone en zitplaatsen
achterin via verstelbare lucht‐
roosters
K: naar voetenruimte voor en
achter en voorruit
Druk om de automatische luchtverde‐
ling opnieuw in te schakelen op
AUTO.
Temperatuur selecteren £
Stel de voorkeurstemperaturen voor
de bestuurders- en passagierszijde
voorin afzonderlijk met de linker- en
rechterdraaiknop in op de gewenste
waarde. Met de draaiknop aan de
passagierszijde verandert u de
temperatuur aan passagierszijde.
Met de draaiknop aan de bestuur‐
derszijde wijzigt u alleen de tempera‐
tuur aan bestuurderszijde of aan
beide zijden, afhankelijk van vraag of
de synchronisatie MONO in het menu
Klimaatinstellingen is geactiveerd of
niet. Druk op MENU om naar het
menu te gaan.
134 Klimaatregeling
De aanbevolen temperatuur is 22 °C.
De temperatuur verschijnt op
schermpjes naast de draaiknoppen
en in het menu Klimaatinstellingen.
Als de minimumtemperatuur Lo is
ingesteld, levert de klimaatregeling
maximale koeling, als de koeling
A/C wordt ingeschakeld.
Wanneer u de maximumtemperatuur
Hi instelt, zorgt de klimaatregeling
voor een maximale verwarming.
Let op
Als A/C wordt ingeschakeld, kan
door het verlagen van de ingestelde
temperatuur de motor vanuit een
Autostop opnieuw worden gestart of
een Autostop worden belemmerd.
Stop/Start-systeem 3 145.
Temperatuursynchronisatie met twee
zones MONO of SYNC
Druk op MENU om naar het menu te
gaan. Raak MONO of SYNC aan om
de temperatuur aan passagierszijde
te koppelen aan die aan bestuurders‐
zijde.
Bij het verstellen van de draaiknop
aan passagierszijde wordt de
synchronisatie gedeactiveerd.
Airconditioning A/C
Druk op A/C om naar koeling om te
schakelen. Het ledje in de knop
brandt om activering aan te geven.
Koeling werkt alleen bij een draai‐
ende motor en ingeschakelde venti‐
lator van de klimaatregeling.
Druk opnieuw op A/C om koeling uit
te schakelen.
De airconditioning koelt en ontvoch‐
tigt (droogt) de lucht vanaf een
bepaalde buitentemperatuur. Er kan
zich dan condens vormen en onder
de auto op de grond druppelen.
Als geen koeling of droging gewenst
is, moet u omwille van het brandstof‐
verbruik de koeling uitschakelen.
Handmatig bediende
luchtrecirculatie 4
Luchtrecirculatiemodus met 4
inschakelen. Het ledje in de knop
brandt om activering aan te geven.
Recirculatiemodus uitschakelen door
weer op 4 te drukken.
Klimaatregeling 135
9Waarschuwing
Als het luchtrecirculatiesysteem is
ingeschakeld, vermindert de lucht‐
verversing. Bij het gebruik zonder
koeling neemt de luchtvochtigheid
toe waardoor de ruiten van
binnenuit kunnen aandampen. De
kwaliteit van de binnenlucht neemt
na verloop van tijd af, wat tot
vermoeidheidsverschijnselen bij
de inzittenden kan leiden.
Wanneer de omgevingslucht warm
en zeer vochtig is, kan de voorruit aan
de buitenkant aandampen wanneer
er koude lucht naartoe stroomt. Als de
voorruit aan de buitenkant aandampt,
moet u de ruitenwisser aanzetten en
l uitzetten.
Ruiten ontwasemen en ontdooien à
Druk op à. Het ledje in de knop
brandt om activering aan te
geven.
Temperatuur en luchtverdeling
worden automatisch ingesteld,
de aanjager draait met een hoge
snelheid.
Indien nodig, de airco inschake‐
len met een druk op A/C.
Verwarming achterruit b inscha‐
kelen.
Verwarming voorruit , inscha‐
kelen.
Om weer naar de vorige modus
te gaan: à weer indrukken. Om
de automatische modus opnieuw
in te schakelen: AUTO indruk‐
ken.
Let op
Als à wordt ingedrukt terwijl de
motor loopt, wordt een Autostop
verhinderd totdat er opnieuw op à
wordt gedrukt.
Als à wordt ingedrukt terwijl de
motor in een Autostop is, zal de
motor automatisch herstarten.
Stop/Start-systeem 3 145.
Elektronische klimaatregeling
deactiveren
De koel-, ventilatie- en automatische
modus kunnen worden uitgeschakeld
door de draaiknop AUTO linksom te
draaien.
Activering door inschakeling van de
ventilator of door het indrukken van
AUTO.
136 Klimaatregeling
Hulpverwarming
Luchtverwarming
Quickheat is een elektrische hulpver‐
warming die de lucht in de passa‐
giersruimte automatisch sneller
opwarmt.
Luchtroosters
Verstelbare luchtroosters
Middelste luchtroosters in
dashboard
Door de roosters te kantelen en te
draaien de richting van de luchttoe‐
voer instellen.
Kantel om het rooster te sluiten de
lamellen naar binnen.
Buitenste luchtroosters in
dashboard
Door de roosters te kantelen en te
draaien de richting van de luchttoe‐
voer instellen.
Kantel om het rooster te sluiten de
lamellen naar buiten.
Wanneer de koeling ingeschakeld is,
moeten er minstens twee luchtroos‐
ters openstaan.
Klimaatregeling 137
9Waarschuwing
Geen voorwerpen bevestigen aan
de roosters van de ventilatieope‐
ningen. Kans op schade en letsel
in geval van een ongeluk.
Vaste luchtroosters
Er bevinden zich bovendien nog
luchtroosters onder de voorruit en de
zijruiten, alsook in de voetenruimte.
Koeling
handschoenenkastje
De airconditioning kan ook objecten
in het handschoenenkastje koelen.
Verplaats de schuif heen en weer om
de koeling van het handschoenen‐
kastje in of uit te schakelen.
Onderhoud
Luchtinlaat
De luchtinlaat naar de motorruimte
onder aan de voorkant van de voorruit
moet voor voldoende luchttoevoer
vrijgehouden worden. Bladeren, vuil
of sneeuw verwijderen.
Pollenfilter
Het microfilter ontdoet de binnenko‐
mende buitenlucht van stof, roet,
stuifmeel en sporen.
138 Klimaatregeling
Airconditioning regelmatig
aanzetten
Om te zorgen dat het systeem goed
blijft werken, moet de koeling
eenmaal per maand, ongeacht de
weersgesteldheid of het seizoen,
enkele minuten worden ingescha‐
keld. Bij te lage buitentemperaturen
kan de koeling niet worden ingescha‐
keld.
Service
Om de koeling optimaal te laten
werken, is het raadzaam de klimaat‐
regeling jaarlijks te laten controleren,
te beginnen drie jaar na aflevering
van de nieuwe auto, te weten:
functie- en druktest
werking van de verwarming
lektest
controle van de aandrijfriemen
afvoer van condensor en
verdamper reinigen
prestatietest
Rijden en bediening 139
Rijden en bediening
Rijtips ......................................... 140
Controle over de auto .............. 140
Sturen ...................................... 140
Starten en bediening ................. 140
Nieuwe auto inrijden ................ 140
Contactslotstanden .................. 140
Aan/Uit-knop ............................ 141
Stroomspaarmodus ................. 142
Motor starten ........................... 143
Uitrol-brandstofafsluiter ........... 144
Stop/Start-systeem .................. 145
Parkeren .................................. 147
Uitlaatgassen ............................. 148
Roetfilter .................................. 148
Katalysator .............................. 149
AdBlue ..................................... 149
Automatische versnellingsbak ...153
Versnellingsbakdisplay ............ 153
Keuzehendel ........................... 153
Handmatige modus ................. 154
Elektronische rijprogramma's ..155
Storing ..................................... 155
Stroomonderbreking ................ 155
Handgeschakelde versnellings‐
bak ............................................. 156
Remmen .................................... 157
Antiblokkeersysteem ............... 157
Handrem .................................. 157
Remassistentie ........................ 159
Hellingrem ............................... 160
Rijregelsystemen ....................... 160
Elektronische stabiliteitsregeling
en Traction Control-systeem ..160
Selectieve ride control ............. 161
Sportmodus ............................. 164
Bestuurdersondersteuningssys‐
temen ......................................... 164
Cruise control .......................... 164
Snelheidsbegrenzer ................ 167
Adaptieve cruise control .......... 169
Frontaanrijdingswaarschu‐
wing ........................................ 177
Actieve noodrem ..................... 178
Voetgangersbescherming
voor ........................................ 181
Parkeerhulp ............................. 182
Geavanceerde parkeerhulp ..... 185
Blindehoeksysteem ................. 190
Panoramazichtsysteem ........... 192
Achteruitkijkcamera ................. 195
Lane Departure Warning ......... 197
Lane keep assist ..................... 198
Vermoeidheidsdetectie ............ 201
Brandstof ................................... 202
Brandstof voor
benzinemotoren ..................... 202
Brandstof voor dieselmotoren . 203
Tanken .................................... 204
Brandstofverbruik -
CO2-uitstoot ........................... 205
Trekhaak .................................... 206
Algemene informatie ............... 206
Rijgedrag en aanhangertips .... 206
Aanhanger trekken .................. 207
Aanhangerstabilisatie .............. 210
140 Rijden en bediening
Rijtips
Controle over de auto
Nooit met afgezette motor rijden
In deze toestand werken veel syste‐
men niet (bijv. rembekrachtiging,
stuurbekrachtiging). Wanneer u op
deze manier rijdt, vormt u een gevaar
voor uzelf en anderen.
Alle systemen werken tijdens een
Autostop.
Stop/Start-systeem 3 145.
Stationair aanjagen
Als het nodig is om de accu op te
laden wegens een probleem met de
accu, moet het vermogen van de
dynamo worden vergroot. Dit kan
door stationair aanjagen, wat moge‐
lijk hoorbaar is.
Er verschijnt een bericht op het Driver
Information Center.
Pedalen
Om de pedalen ongehinderd te
kunnen bedienen geen matten onder
de pedalen leggen.
Gebruik alleen vloermatten die goed
passen en met de houders aan
bestuurderszijde bevestigd zijn.
Sturen
Als de stuurbekrachtiging niet meer
werkt doordat de motor stopt of door
een systeemdefect, kunt u nog
steeds sturen maar is er wellicht meer
kracht nodig.
Starten en bediening
Nieuwe auto inrijden
Tijdens de eerste ritten niet onnodig
hard remmen.
Tijdens de eerste rit kan er rookont‐
wikkeling optreden door het verdam‐
pen van was en olie op het uitlaatsys‐
teem. Na de eerste rit de auto enige
tijd buiten parkeren en inademen van
de dampen vermijden.
Tijdens het inrijden kunnen het brand‐
stof- en motorolieverbruik hoger zijn.
Ook wordt het roetfilter wellicht vaker
geregenereerd.
Roetfilter 3 148.
Autostop is wellicht niet mogelijk
wanneer de accu wordt opgeladen.
Contactslotstanden
Draai de sleutel op:
Rijden en bediening 141
0: contact uit: Sommige functies blij‐
ven actief totdat de sleutel eruit
wordt getrokken of het bestuur‐
dersportier wordt geopend, mits
het contact van tevoren aan was
1: contactstand: Contact is aan,
dieselmotor gloeit voor. De
controlelampjes branden en de
meeste elektrische functies
werken
2: motor starten: Laat de sleutel na
het starten van de motor los
Stuurslot
Trek de sleutel uit het contactslot en
draai aan het stuurwiel totdat het
vastklikt.
9Gevaar
Neem de sleutel tijdens het rijden
nooit uit het contactslot omdat
hierdoor het stuurslot wordt inge‐
schakeld.
Aan/Uit-knop
Elektronische sleutel moet in de auto
aanwezig zijn.
Motor starten
Trap op het koppelingspedaal (hand‐
geschakelde versnellingsbak) of
rempedaal (automatische versnel‐
lingsbak) en druk op Start/Stop. Laat
de knop los, wanneer de motor start.
Een dieselmotor start na voorverwar‐
ming.
Contactslot in ingeschakelde stand
zonder de motor te starten
Druk op Start/Stop zonder het koppe‐
lings- of rempedaal te bedienen. De
controlelampjes branden en de
meeste elektrische functies werken.
Motor af en contact uit
Druk in elke modus kort op
Start/Stop of wanneer de motor draait
en de auto stilstaat. Sommige func‐
ties blijven actief totdat het bestuur‐
dersportier wordt geopend, mits het
contact van tevoren aan was.
Uitschakelen in noodsituatie tijdens
het rijden
Druk vijf seconden lang op Start/Stop
3 143. Het stuurslot is actief, zodra
de auto stilstaat.
Stuurslot
Het stuurslot werkt automatisch
wanneer:
De auto stilstaat.
Het contact uitgeschakeld is.
142 Rijden en bediening
Ontgrendel het stuurslot door het
bestuurdersportier te openen en de
sluiten en de accessoiremodus in te
schakelen of de motor direct te star‐
ten.
9Waarschuwing
Bij een lege accu is wegslepen, op
gang slepen of gebruik van hulp‐
startkabels niet toegestaan,
omdat het stuurslot dan niet kan
worden ontgrendeld.
Bediening op auto's met
elektronisch sleutelsysteem bij
storing
Bij een storing in de elektronische
sleutel of als de batterij van elektroni‐
sche sleutel bijna ontladen is, kan er
bij een startpoging Geen
afstandsbed. geregistreerd of
Vervang batterij in afstandsbedie‐
ning op het Driver Information Center
verschijnen.
Houd de elektronische sleutel met de
knoppen naar de buitenkant gericht
tegen de stuurkolombekleding zoals
afgebeeld.
Trap het koppelingspedaal (handge‐
schakelde versnellingsbak) of het
rempedaal (automatische of geauto‐
matiseerde versnellingsbak) in en
druk op Start/Stop om de motor te
starten.
Deze mogelijkheid is alleen bestemd
voor noodgevallen. Vervang de batte‐
rij van de elektronische sleutel zo
spoedig mogelijk 3 23.
Zie voor het ontgrendelen of vergren‐
delen van de portieren Storing in
handzendermodule of elektronisch
sleutelsysteem 3 24.
Stroomspaarmodus
De stroomspaarmodus regelt de
inschakelduur van bepaalde syste‐
men om ontlading van de accu tegen
te gaan. Na het afzetten van de motor
kunt u nog veertig minuten lang
gebruikmaken van bepaalde syste‐
men zoals het audiosysteem, de tele‐
communicatie, de voorruitwissers,
het dimlicht, de interieurverlichting et
cetera.
Overschakelen op de
stroomspaarmodus
Wanneer de ladingscapaciteit van de
accu tot een bepaald niveau is
gedaald, worden de actieve functie
stand-by gezet. Op het Driver Infor‐
mation Center verschijnt het bericht
Stroomspaarmodus.
Een eventueel telefoontje dat u via de
Bluetooth handsfreefunctie van het
Infotainmentsysteem voert wordt pas
na 10 minuten verbroken.
Rijden en bediening 143
Stroomspaarmodus deactiveren
De stand-bymodus wordt een
volgende keer dat u in de auto rijdt
automatisch opnieuw geactiveerd.
Om de functies onmiddellijk te gebrui‐
ken moet u de motor:
zo'n tien minuten lang laten
draaien om de systemen zo'n vijf
minuten lang te kunnen gebrui‐
ken
meer dan tien minuten lang laten
draaien om de systemen tot zo'n
dertig lang te kunnen gebruiken.
Laat de motor de aangegeven tijd
draaien om ervoor te zorgen dat de
accu voldoende is opgeladen. Voor‐
kom herhaaldelijk en langdurig door‐
starten om de accu op te laden.
Motor starten
Auto's met contactschakelaar
Draai de sleutel naar stand 1 om het
stuurslot te ontgrendelen.
Handgeschakelde versnellingsbak:
koppelings- en rempedaal intrappen.
Automatische versnellingsbak: trap
het rempedaal in en zet de keuzehen‐
del op P of N.
Trap het gaspedaal niet in.
Dieselmotoren: wacht tot het contro‐
lelampje ! dooft.
Draai de sleutel even in de stand 2 en
laat deze na het starten van de motor
los.
Handgeschakelde versnellingsbak:
tijdens een Autostop kunt u de motor
starten door het koppelingspedaal in
te trappen 3 145.
Automatische versnellingsbak:
tijdens een Autostop kunt u de motor
starten door het rempedaal los te
laten 3 145.
Auto's met Aan/Uit-knop
Handgeschakelde versnellingsbak:
koppelings- en rempedaal intrappen.
144 Rijden en bediening
Automatische versnellingsbak: trap
het rempedaal in en zet de keuzehen‐
del op P of N.
Trap het gaspedaal niet in.
Start/Stop indrukken en loslaten: een
automatische procedure bedient met
enige vertraging de startmotor totdat
de motor is aangeslagen.
Voordat u de motor weer start of
uitschakelt terwijl de auto stilstaat,
drukt u nog een keer kort op
Start/Stop.
Handgeschakelde versnellingsbak:
tijdens een Autostop kunt u de motor
starten door het koppelingspedaal in
te trappen 3 145.
Automatische versnellingsbak:
tijdens een Autostop kunt u de motor
starten door het rempedaal los te
laten 3 145.
Uitschakelen in noodsituatie
tijdens het rijden
Als u de motor in een noodsituatie
tijdens het rijden moet uitschakelen,
kunt u vijf seconden op Start/Stop
drukken.
9Gevaar
Het uitschakelen van de motor
tijdens het rijden kan het verlies
van vermogen voor de rem- of
stuurbekrachtiging veroorzaken.
Hulp- en airbagsystemen zijn
uitgeschakeld. De verlichting en
remlichten gaan uit. Schakel de
motor en het contact tijdens het
rijden alleen uit indien dat in een
noodgeval noodzakelijk is.
De auto starten bij lage
temperaturen
Het is mogelijk om de motor zonder
bijkomende verwarming te starten tot
-25 °C voor dieselmotoren en -30 °C
voor benzinemotoren. Motorolie met
de juiste viscositeit, de juiste brand‐
stof, uitgevoerd onderhoud en een
voldoende opgeladen accu zijn
vereist. Bij temperaturen onder
-30 °C moet de automatische versnel‐
lingsbak gedurende ca. vijf minuten
worden verwarmd. De keuzehendel
moet in stand P staan.
Verwarmingsfuncties
Let op
Bij een te hoge elektrische belasting
werken specifieke verwarmings‐
functies, zoals de stoelverwarming
of de stuurverwarming, mogelijk
even niet. Na enkele minuten
werken ze dan weer wel.
Opwarmen van de turbomotor
Bij het starten is het mogelijk dat het
beschikbare motorkoppel gedurende
een korte tijd beperkt is, vooral
wanneer de motortemperatuur koud
is. Deze beperking is er om het
smeersysteem de motor volledig te
laten beschermen.
Uitrol-brandstofafsluiter
De brandstoftoevoer wordt automa‐
tisch afgesloten bij het uitrollen,
d.w.z. wanneer u met een ingescha‐
kelde versnelling onder het rijden het
gaspedaal loslaat.
Afhankelijk van de omstandigheden
wordt de uitrol-brandstofafsluiter
mogelijk uitgeschakeld.
Rijden en bediening 145
Stop/Start-systeem
Het stop-startsysteem helpt brandstof
te besparen en uitlaatemissies te
beperken. Wanneer de omstandighe‐
den het toelaten, schakelt het de
motor uit van zodra de auto langzaam
rijdt of stilstaat, bijv. aan een
verkeerslicht of in een file.
Voorzichtig
Schakel voordat u op een onder‐
gelopen weg rijdt het stop-start-
systeem uit.
Inschakelen
Het stop-startsysteem is beschikbaar
van zodra de motor is gestart, de auto
is vertrokken en er aan de hieronder
opgegeven omstandigheden voldaan
is.
Uitschakelen
Schakel het stop-startsysteem hand‐
matig uit door op Ò te drukken. De
uitschakeling wordt aangeduid
wanneer het ledje in de knop oplicht.
Autostop
Auto's met handgeschakelde
versnellingsbak
Bij stilstand kan er een Autostop
worden geactiveerd.
U activeert een Autostop als volgt:
Het koppelingspedaal intrappen.
Zet de schakelhendel op
neutraal.
Laat het koppelingspedaal los.
De motor wordt uitgeschakeld terwijl
het contact aan blijft.
Auto’s met automatische versnel‐
lingsbak
Als de auto stilstaat met ingetrapt
rempedaal, wordt Autostop automa‐
tisch geactiveerd.
De motor wordt uitgeschakeld terwijl
het contact aan blijft.
Het stop-startsysteem is uitgescha‐
keld op hellingen van 10% of steiler.
Melding
Een Autostop wordt aangegeven
door controlelampje D.
146 Rijden en bediening
Tijdens een Autostop blijven de
verwarmings- en remfunctie behou‐
den.
Voorwaarden voor een Autostop
Het stop-startsysteem controleert of
aan elk van de volgende voorwaar‐
den is voldaan.
Het stop-startsysteem is niet
handmatig uitgeschakeld.
Het bestuurdersportier is geslo‐
ten of de veiligheidsgordel van de
bestuurder is vastgemaakt.
De accu is voldoende opgeladen
en in goede staat.
De motor is warmgelopen.
De koelvloeistoftemperatuur is
niet te hoog.
De temperatuur van de uitlaat‐
gassen is niet te hoog, bijv. na het
rijden met hoge motorbelasting.
De omgevingstemperatuur is
hoger dan -5 °C.
Het klimaatregelsystemen staat
een Autostop toe.
Het remvacuüm is voldoende.
De zelfreinigende functie van het
roetfilter is niet actief.
Sinds de laatste Autostop reed
de auto minstens stapvoets.
Anders is een Autostop niet mogelijk.
Bepaalde instellingen van het airco‐
systeem kunnen een Autostop
verhinderen. Zie het hoofdstuk
Klimaatregeling voor meer details
3 128.
Onmiddellijk na ritten op hogere snel‐
heden is mogelijk geen Autostop
mogelijk.
Nieuwe auto inrijden 3 140.
Ontlaadbeveiliging accu
Om het betrouwbaar opnieuw starten
van de motor te garanderen, zijn er
verschillende ontlaadbeveiligingen
van de accu ingevoerd als onderdeel
van het stop-startsysteem.
Stroombesparende maatregelen
Tijdens een Autostop worden meer‐
dere elektrische functies, zoals de
extra elektrische verwarmer of de
achterruitverwarming, uitgeschakeld
of in een stroomspaarmodus gezet.
De aanjagersnelheid van het airco‐
systeem wordt verlaagd om stroom te
besparen.
Herstarten van de motor door de
bestuurder
Auto's met handgeschakelde
versnellingsbak
Trap het koppelingspedaal in zonder
het rempedaal in te trappen om de
motor opnieuw te starten.
Auto’s met automatische
versnellingsbak
De motor wordt opnieuw gestart als
u het rempedaal loslaat met de
keuzehendel in de stand D of M
of het rempedaal wordt losgela‐
ten of met de keuzehendel in
stand N wanneer u de keuzehen‐
del in stand D of M zet.
of u de keuzehendel in stand R
zet.
Rijden en bediening 147
Herstarten van de motor door het
stop-startsysteem
De keuzehendel moet in neutraal
staan om automatisch herstarten
mogelijk te maken.
Als er zich een van de volgende
omstandigheden voordoet tijdens
een Autostop, dan zal de motor auto‐
matisch door het stop-startsysteem
worden herstart:
Het stop-startsysteem is hand‐
matig uitgeschakeld.
De veiligheidsgordel van de
bestuurders is losgemaakt en het
bestuurdersportier is geopend.
De motortemperatuur is te laag.
Het oplaadniveau van de accu is
onder een bepaald niveau.
Het remvacuüm is niet
voldoende.
De auto reed minstens stap‐
voets.
De klimaatregeling vereist het
starten van de motor.
De airconditioning wordt hand‐
matig ingeschakeld.
Als een elektrische accessoire, bijv.
een draagbare cd-speler, op de elek‐
trische aansluiting is aangesloten,
merkt u mogelijk een korte span‐
ningsdaling tijdens het herstarten.
Parkeren
9Waarschuwing
Parkeer de auto niet op een
licht ontvlambaar oppervlak.
Door de hoge temperatuur van
het uitlaatsysteem kan het
oppervlak ontbranden.
Trek altijd de handrem aan.
Zet de motor af.
Als de auto op een vlakke
ondergrond of een helling
(omhoog) staat, schakel dan de
eerste versnelling in of zet de
keuzehendel in stand P, voor‐
dat u de contactsleutel verwij‐
dert of bij auto's met een aan/
uit-knop het contact af zet. Op
een oplopende helling boven‐
dien de voorwielen van de
stoeprand wegdraaien.
Als de auto op een vlakke
ondergrond of een helling
(omlaag) staat, schakel dan de
achteruitversnelling in of zet de
keuzehendel in stand P, voor‐
dat u de contactsleutel verwij‐
dert of bij auto's met een aan/
uit-knop het contact af zet.
Bovendien de voorwielen naar
de stoeprand toedraaien.
Sluit de ruiten.
Trek de sleutel uit het contact‐
slot of schakel bij auto's met
een aan/uit-knop het contact
uit. Stuurwiel verdraaien totdat
het stuurslot merkbaar
vergrendelt.
Vergrendel de auto.
Diefstalalarmsysteem inschake‐
len.
Koelventilatoren kunnen ook na
het afzetten van de motor in
werking treden 3 213.
148 Rijden en bediening
Voorzichtig
Na een rit waarbij met hoge motor‐
toerentallen of met hoge motorbe‐
lasting werd gereden, de motor
vóór het afzetten gedurende een
korte tijd met lage belasting laten
draaien of gedurende ca.
30 seconden stationair laten
draaien om de turbolader te
beschermen.
Let op
Bij een ongeval waarbij airbags
worden geactiveerd, wordt de motor
automatisch uitgeschakeld als de
auto binnen een bepaalde tijd tot stil‐
stand komt.
Noodfunctie bij extreem lage
temperaturen
9Waarschuwing
Deze noodhandeling mag alleen
bij extreem lage temperaturen
worden uitgevoerd en als de auto
op een vlakke ondergrond staat.
In landen waar de temperatuur
extreem laag kan zijn, kan het nood‐
zakelijk zijn de handrem niet in te
schakelen.
Dit is een noodoplossing die voor‐
komt dat de handrem bevriest.
Uitlaatgassen
9Gevaar
Motoruitlaatgassen bevatten het
giftige en bovendien kleur- en
geurloze koolmonoxide dat bij
inademen levensgevaarlijk kan
zijn.
Wanneer uitlaatgassen in de
passagiersruimte dringen, de
ruiten openen. Oorzaak van de
storing door een werkplaats laten
verhelpen.
Niet met een geopende achterklep
rijden, aangezien er dan uitlaat‐
gassen de passagiersruimte
binnen kunnen dringen.
Roetfilter
Automatische regeneratie
Het roetfilter verwijdert schadelijke
roetdeeltjes uit de uitlaatgassen.
Rijden en bediening 149
Als % of H tijdelijk gaat branden in
combinatie met een bericht op het
Driver Information Center, begint het
roetfilter verzadigd te raken.
Regenereer zodra de verkeersom‐
standigheden dat toelaten het roetfil‐
ter door op een snelheid van
minstens 60 km/u te rijden totdat het
controlelampje dooft.
Let op
Bij een nieuwe auto gaan de eerste
regeneraties van het roetfilter moge‐
lijk gepaard met een branderige
geur, wat normaal is. Na langdurige
ritten op een zeer geringe snelheid
of bij langdurig stationair draaien,
kunt u, in uitzonderlijke gevallen bij
het optrekken waterdamp uit de
uitlaat waarnemen. Dit heeft geen
negatieve invloed op het rijgedrag
van de auto of op het milieu.
Regeneratie niet mogelijk
Als % of H blijft branden in combi‐
natie met een akoestisch signaal of
een visueel bericht, betekent dit dat
het AdBlue-peil voor het roetfilter te
laag is.
Vul het reservoir dan onmiddellijk bij.
Roep de hulp in van een werkplaats.
Katalysator
De katalysator vermindert de
hoeveelheid schadelijke stoffen in de
uitlaatgassen.
Voorzichtig
Het gebruik van andere brandstof‐
kwaliteiten dan die genoemd op
pagina 3 202, 3 253 kan aanlei‐
ding geven tot schade aan de
katalysator en elektronische
onderdelen.
Onverbrande benzine kan leiden
tot oververhitting van en schade
aan de katalysator. Daarom de
startmotor niet onnodig lang laten
draaien, de tank niet leegrijden en
de motor niet door duwen of
slepen proberen te starten.
Bij overslag, een onregelmatige
motorloop, beperkingen van het
motorvermogen of andere ongewone
storingen, de oorzaak van de storing
meteen door een werkplaats laten
verhelpen. In noodgevallen kan er
korte tijd met matige snelheid en laag
motortoerental verder worden gere‐
den.
AdBlue
Algemene informatie
Selectieve katalysatorreductie
(BlueInjection) is een methode voor
het aanzienlijk terugbrengen van het
aandeel stikstofoxide in de uitstoot
van uitlaatgassen. Dit wordt bewerk‐
stelligd door het inspuiten van een
dieseluitlaatvloeistof (DEF) in het
uitlaatsysteem. De uit de vloeistoffen
vrijkomende ammoniak reageert met
nitreuze gassen (NOx) uit de uitlaat en
zet deze om in stikstof en water.
De naam van deze vloeistof is
AdBlue®. Het is een niet-giftige, niet-
ontvlambare, kleur- en geurloze vloei‐
stof die uit 32% ureum en 68% water
bestaat.
150 Rijden en bediening
9Waarschuwing
Voorkom dat er AdBlue in uw ogen
of op uw huid komt.
Bij contact met de ogen of de huid
met water uitspoelen.
Voorzichtig
Voorkom dat er AdBlue op het
lakwerk komt.
Bij contact met water afspoelen.
AdBlue bevriest bij een temperatuur
van ongeveer -11 °C. Aangezien de
auto is uitgevoerd met een AdBlue-
voorverwarmer, is er ook bij lage
temperaturen minder uitstoot. De
AdBlue-voorverwarmer werkt auto‐
matisch.
Het karakteristieke AdBlue-verbruik
is zo'n 0,85 liter per 1000 km, maar
kan afhankelijk van het rijgedrag (bijv.
zware belasting of rijden met een
aanhangwagen) hoger zijn.
AdBlue-tank
Bij een restvolume van ongeveer vijf
liter, is er een vloeistofpeilschakelaar.
Waarschuwingsberichten verschij‐
nen alleen onder die drempel. Tank‐
inhoud 3 255.
Peilwaarschuwingen
Afhankelijk van de berekende actie‐
radius van de AdBlue verschijnen er
verschillende berichten op het Driver
Information Center. De berichten en
de beperkingen zijn wettelijk vereist.
1. De eerste mogelijke waarschu‐
wing is Vul additief bij: starten
geblokkeerd over 2400 km.
Bij inschakelen van het contact,
verschijnt deze waarschuwing
even met de berekende actiera‐
dius. Daarbij licht controlelamp
UREA op en klinkt er een geluids‐
signaal. Doorrijden is zonder
enige beperkingen mogelijk.
Onderweg verschijnt het bericht
elke 300 km totdat het additiefre‐
servoir is bijgevuld.
2. Het volgende waarschuwingsni‐
veau wordt bereikt bij een actiera‐
dius van minder dan 600 km. Het
bericht met de huidige actieradius
verschijnt altijd bij het inschakelen
van het contact. Daarbij knippert
controlelamp UREA en klinkt er
een geluidssignaal. Tank AdBlue
bij voordat u naar het volgende
waarschuwingsniveau gaat.
Onderweg verschijnt het bericht
elke 30 seconden totdat het addi‐
tiefreservoir is bijgevuld.
3. Het laatste waarschuwingsniveau
wordt bereikt wanneer de AdBlue-
tank leeg is. Opnieuw starten van
de motor is niet mogelijk. Het
volgende waarschuwingsbericht
verschijnt:
Vul additief bij: Starten
geblokkeerd
Daarbij knippert controlelamp
UREA en klinkt er een geluidssig‐
naal.
U moet minstens 3,8 liter AdBlue
bijtanken, omdat anders de motor
niet meer kan worden gestart.
Rijden en bediening 151
Waarschuwingen m.b.t. hoge
uitstoot
Bij een storing in de emissieregeling
verschijnen er verschillende berich‐
ten op het Driver Information Center.
De berichten en de beperkingen zijn
wettelijk vereist.
1. Als een storing voor het eerst
wordt gedetecteerd, verschijnt de
waarschuwing Emissiestoring.
Daarbij lichten controlelampen
UREA, SERVICE en Z op en
klinkt er een geluidssignaal. Door‐
rijden is zonder enige beperkin‐
gen mogelijk.
Als het een tijdelijke storing is,
verdwijnt de waarschuwing
tijdens de volgende rit, na zelfdi‐
agnose van de emissieregeling.
2. Als de storing wordt bevestigd
door de emissieregeling,
verschijnt het volgende bericht:
Emissiestoring: starten
geblokkeerd over 1100 km.
Daarbij lichten controlelampen
UREA, SERVICE en Z op en
klinkt er een geluidssignaal.
Onderweg verschijnt het bericht
elke 30 seconden zolang als de
storing aanhoudt.
3. Bij het bereiken van het laatste
waarschuwingsniveau verschijnt
het volgende waarschuwingsbe‐
richt:
Emissiestoring: Starten
geblokkeerd
Daarbij lichten controlelampen
UREA, SERVICE en Z op en
klinkt er een geluidssignaal.
Roep de hulp in van een werk‐
plaats.
AdBlue bijvullen
Voorzichtig
Gebruik alleen AdBlue die aan de
Europese normen DIN 70 070 en
ISO 22241-1 voldoet.
Gebruik geen additieven.
Verdun AdBlue niet.
Anders kan het systeem voor
selectieve katalysatorreductie
beschadigd raken.
Let op
Gebruik wanneer er op een pomp‐
station geen pomp met een vulpis‐
tool voor personenauto's beschik‐
baar is alleen AdBlue-flessen of -
jerrycans met een afgedichte tank‐
adapter om bij te tanken, om terug‐
spatten en morsen te voorkomen en
om ervoor te zorgen dat de dampen
uit de tank worden opgenomen en
niet eruit stromen. AdBlue in flessen
of jerrycans is verkrijgbaar bij veel
pompstations en is te koop bij bijv.
Opel dealers en andere detailhan‐
delaars.
Controleer vóór het bijtanken van
AdBlue de houdbaarheidsdatum
ervan, omdat het maar beperkt
meegaat.
Let op
Het systeem detecteert alleen dat er
AdBlue is bijgetankt als de boven‐
genoemde vloeistofpeilschakelaar
in de tank geactiveerd is.
Als het systeem het bijtanken van
AdBlue niet detecteert:
152 Rijden en bediening
1. Rijd gelijkmatig gedurende
10 minuten en zorg daarbij dat
de rijsnelheid altijd meer dan
20 km/u is.
2. Als het systeem detecteert dat er
AdBlue bijgetankt is, verdwijnen
de actieradiusbeperkingen i.v.m.
AdBlue.
Roep de hulp van een werkplaats in
als het systeem nog steeds niet
detecteert dat er AdBlue bijgetankt
is.
Bij het bijtanken van AdBlue bij
temperaturen van minder dan
-11 °C wordt dit wellicht niet door het
systeem gedetecteerd. Parkeer de
auto in dat geval op een locatie met
een hogere buitentemperatuur
totdat de AdBlue weer vloeibaar
wordt.
Let op
Bij het losschroeven van de tankdop
van de vulpijp kunnen er ammoniak‐
dampen vrijkomen. Adem deze
dampen niet in, omdat ze scherp
geuren. Eventueel ingeademde
dampen zijn onschadelijk.
Tank de AdBlue-tank helemaal vol.
Doe dit als het waarschuwingsbericht
over het voorkomen van opnieuw
starten van de motor al is versche‐
nen.
Zet de auto op een vlakke onder‐
grond.
De vulopening voor AdBlue zit achter
de tankklep, rechtsachter op de auto.
De tankvulklep kan alleen bij een
ontgrendelde auto worden geopend.
1. Sleutel uit contactslot verwijde‐
ren.
2. Sluit alle portieren om ammonia‐
dampen in het interieur te voorko‐
men.
3. Ontgrendel de tankvulklep door
tegen de klep te duwen 3 204.
4. Schroef de beschermdop los van
de vulpijphals.
5. Open de AdBlue-jerrycan.
6. Sluit een uiteinde van de slang
aan op de jerrycan en schroef het
andere uiteinde op de vulpijp.
7. Til de jerrycan op totdat deze leeg
is of totdat er niets meer uit de
jerrycan stroomt. Dit kan zo'n vijf
minuten duren.
8. Zet de jerrycan op de grond om de
slang te laten leeglopen, wacht 15
seconden.
9. Schroef de slang van de vulpijp.
10. Breng de tankdop aan en schroef
deze rechtsom vast.
Rijden en bediening 153
Let op
Voer de AdBlue-jerrycan volgens de
lokale milieuregels af. De slang kan
worden hergebruikt na doorspoelen
met water voordat de AdBlue
opdroogt.
Automatische
versnellingsbak
Met de automatische versnellingsbak
kunt u zowel automatisch (automati‐
sche modus) als handmatig schake‐
len (handmatige modus).
Met de hand schakelen is mogelijk in
de handmatige modus door de
keuzehendel naar + of - 3 154 te
tikken.
Versnellingsbakdisplay
De modus of ingeschakelde versnel‐
ling verschijnt op het Driver Informa‐
tion Center.
In de automatische modus wordt het
rijprogramma aangegeven door D.
In de handgeschakelde modus
worden M en het nummer van de
geselecteerde versnelling aange‐
duid.
R geeft de achteruitversnelling aan.
N duidt de neutrale stand aan.
P duidt de parkeerstand aan.
Keuzehendel
154 Rijden en bediening
Zet de keuzehendel in de stand zoals
hierboven afgebeeld.
P: parkeerstand, de wielen zijn
geblokkeerd, alleen inschakelen
wanneer de auto stilstaat en de
handrem is aangetrokken
R: achteruitversnelling, alleen
inschakelen wanneer de auto
stilstaat
N: neutrale stand
D: automatische modus
M: handgeschakelde modus
<: opschakelen in handgescha‐
kelde modus
]: terugschakelen in handgescha‐
kelde modus
De keuzehendel is vergrendeld in P
en kan alleen worden verzet wanneer
u het contact inschakelt en het
rempedaal intrapt.
De motor start alleen wanneer de
hendel in stand P of N staat. Wanneer
de stand N is geselecteerd, trapt u de
rem in of trekt u de handrem aan alvo‐
rens te starten.
Tijdens het schakelen geen gas
geven. Gas- en rempedaal nooit
gelijktijdig bedienen.
Wanneer een versnelling is ingescha‐
keld en de rem wordt losgelaten, rijdt
de auto langzaam weg.
Afremmen op de motor
Om bij het afdalen van een helling op
de motor af te remmen, tijdig een
lagere versnelling selecteren; zie
handmatige modus.
Auto heen en weer schommelen
Het is alleen toegestaan de auto heen
en weer te schommelen als de auto is
vastgereden in zand, modder of
sneeuw. Beweeg de keuzehendel
meermaals tussen stand D en R heen
en weer. Motor niet te hoge toeren
laten maken en snel optrekken voor‐
komen.
Parkeren
Zet de parkeerrem aan en schakel P
in.
Handmatige modus
Haal de keuzehendel uit de stand D
naar links, naar de stand M.
Tik de keuzehendel naar boven + om
op te schakelen.
Tik de keuzehendel naar beneden -
om terug te schakelen.
Wordt bij een te lage snelheid een
hogere versnelling geselecteerd of
een lagere versnelling bij een te hoge
snelheid, dan schakelt de auto niet.
Hierdoor kan er een bericht verschij‐
nen op het Driver Information Center.
Rijden en bediening 155
In de handmatige modus wordt er bij
hoge toerentallen niet automatisch
naar een hogere versnelling opge‐
schakeld.
Aanduiding versnelling
Het symbool R of S met een cijfer
ernaast verschijnt wanneer schake‐
len omwille van het brandstofverbruik
wordt geadviseerd.
Aanduiding om te schakelen
verschijnt alleen in de handgescha‐
kelde modus.
Elektronische
rijprogramma's
Het bedrijfstemperatuurpro‐
gramma brengt de katalysator na
een koude start snel op tempera‐
tuur door het motortoerental te
verhogen.
Speciale programma's passen bij
klimmen en dalen de schakelmo‐
menten automatisch aan.
Bij sneeuw of ijs of een ander
glad oppervlak, kan de bestuur‐
der handmatig de eerste, tweede
of derde versnelling van de elek‐
tronische transmissieregeling
kiezen alvorens weg te trekken.
Kickdown
Bij intrappen van het gaspedaal voor‐
bij het kick-downpunt accelereert de
auto ongeacht de geselecteerde
rijmodus maximaal. De versnellings‐
bak schakelt afhankelijk van het
motortoerental naar een lagere
versnelling.
Storing
Bij een storing verschijnt er een
bericht op het Driver Information
Center. Boordinformatie 3 106.
De elektronische versnellingsbakre‐
geling staat alleen de derde versnel‐
ling toe. De versnellingsbak schakelt
niet langer automatisch.
Niet sneller rijden dan 100 km/u.
Oorzaak van de storing onmiddellijk
door een werkplaats laten verhelpen.
Stroomonderbreking
Bij een stroomonderbreking kan de
keuzehendel niet uit stand P worden
gehaald. U kunt de contactsleutel niet
uit de contactschakelaar verwijderen.
Bij een lege accu hulpstartkabels
gebruiken 3 237.
Is de accu niet de oorzaak van de
storing, ontgrendel dan de keuzehen‐
del.
1. Zet de parkeerrem aan.
2. Maak de bekleding van de keuze‐
hendel los van de middenconsole.
Steek een vinger in de leren mof
onder de keuzehendel en duw de
bekleding naar boven.
156 Rijden en bediening
3. Duw de knop omlaag en haal de
keuzehendel uit P. Oorzaak van
de stroomonderbreking door een
werkplaats laten verhelpen.
4. Breng de kap van de keuzehendel
weer op de middenconsole aan.
Handgeschakelde
versnellingsbak
Trap om de achteruitversnelling in te
schakelen bij een 6-traps versnel‐
lingsbak op het koppelingspedaal,
haal de ring onder de schakelhendel
omhoog en haal de hendel helemaal
naar links en naar voren.
Kan de versnelling niet worden inge‐
schakeld, dan koppeling in de
neutrale stand laten opkomen,
koppeling weer intrappen en
nogmaals schakelen.
Laat de koppeling niet onnodig slip‐
pen.
Bij bediening het koppelingspedaal
helemaal intrappen. Uw voet niet op
het pedaal laten rusten.
Wanneer het systeem gedurende een
bepaalde tijd koppelingsslip waar‐
neemt, wordt het motorvermogen
verlaagd. U ziet een waarschuwing
op het Driver Information Center. Laat
de koppeling los.
Voorzichtig
Rijd bij voorkeur niet met de hand
voortdurend op de selectorhendel.
Aanduiding versnelling 3 99.
Stop/Start-systeem 3 145.
Rijden en bediening 157
Remmen
Het remsysteem omvat twee onaf‐
hankelijke remcircuits.
Wanneer een remcircuit uitvalt, kan
de auto nog met het andere circuit
worden afgeremd. De remvertraging
wordt echter alleen bereikt wanneer u
het rempedaal stevig intrapt. Hiervoor
is aanzienlijk meer kracht nodig. De
remweg wordt langer. Alvorens de rit
te vervolgen, moet u de hulp van een
werkplaats.
Bij uitgeschakelde motor verdwijnt de
rembekrachtiging na het een- tot
tweemaal intrappen van het rempe‐
daal. De remwerking wordt hierdoor
niet verminderd, maar er is aanzienlijk
meer kracht nodig om het rempedaal
te bedienen. Vooral bij het slepen
hiermee rekening houden.
Controlelamp m 3 98.
Antiblokkeersysteem
Het antiblokkeersysteem (ABS) voor‐
komt dat de wielen blokkeren.
Zodra een wiel dreigt te blokkeren,
regelt het ABS de remdruk af op het
desbetreffende wiel. De auto blijft ook
bij een noodstop bestuurbaar.
De ABS-regeling is merkbaar door
het tikken van het rempedaal en door
regelgeluiden.
Voor optimale remwerking het rempe‐
daal tijdens het hele remproces volle‐
dig intrappen, ongeacht het tikken
van het pedaal. De druk op het
rempedaal niet verminderen.
Voordat u wegrijdt, voert het systeem
een zelftest uit die u misschien kunt
horen.
Controlelampje u 3 99.
Adaptief remlicht
Bij het met volle kracht remmen knip‐
peren alle drie de remlichten zolang
de ABS-regeling actief is.
Storing
9Waarschuwing
Bij een defect aan het ABS kunnen
de wielen bij krachtig remmen de
neiging hebben te blokkeren. De
voordelen van het ABS vallen dan
weg. De auto is bij een noodstop
mogelijk niet meer bestuurbaar en
kan uitbreken.
Oorzaak van de storing onmiddellijk
door een werkplaats laten verhelpen.
Handrem
9Waarschuwing
Controleer de handremstatus,
voordat u uit de auto stapt. Waar‐
schuwingslampje m moet continu
branden.
158 Rijden en bediening
Elektrische handrem
Aantrekken tijdens stilstand
9Waarschuwing
Trek minimaal een seconde aan
schakelaar m tot het waarschu‐
wingslampje m constant brandt
en de elektrische handrem is inge‐
schakeld 3 98. De elektrische
handrem wordt bij voldoende
kracht automatisch ingeschakeld.
Controleer de status van de elek‐
trische handrem, voordat u uit de
auto stapt. Waarschuwingslampje
m 3 98.
U kunt de elektrische handrem altijd
activeren, zelfs wanneer de ontste‐
king is uitgeschakeld.
Gebruik de elektrische handrem niet
te vaak met een stilstaande motor,
om te voorkomen dat de accu leeg‐
raakt.
Loszetten
Contact inschakelen. Houd het
rempedaal ingetrapt en druk daarna
op de schakelaar m.
Wegrijfunctie
Auto's met handgeschakelde
versnellingsbak: Door het koppe‐
lingspedaal in te trappen en iets te
laten opkomen en het gaspedaal iets
in te trappen zet u de elektrische
handrem automatisch los. Dit is niet
mogelijk als u tegelijkertijd aan scha‐
kelaar m trekt.
Auto’s met automatische versnel‐
lingsbak: Door D in te schakelen en
het gaspedaal in te trappen zet u de
elektrische handrem automatisch los.
Dit is niet mogelijk als u tegelijkertijd
aan schakelaar m trekt.
Dynamisch remmen onder het rijden
Wanneer u onder het rijden aan de
schakelaar m blijft trekken, zal de
elektrische handrem de auto vertra‐
gen, maar niet tot stilstand brengen.
Zodra u de schakelaar m loslaat,
stopt het dynamisch remmen.
Automatische bediening
Automatische bediening houdt ook in
automatisch aantrekken en loszetten
van de elektrische handrem.
De elektrische handrem kan ook
handmatig worden aangetrokken of
losgezet met de schakelaar m.
Automatisch aantrekken:
De elektrische handrem wordt
automatisch aangetrokken
wanneer het voertuig stilstaat en
het contact wordt uitgeschakeld.
j brandt op de instrumenten‐
groep en er verschijnt een
melding op het display om het
aantrekken te bevestigen.
Rijden en bediening 159
Automatisch loszetten:
Na vertrek wordt de handrem
automatisch uitgeschakeld.
j dooft op de instrumenten‐
groep en er verschijnt een
melding op het display om het
loszetten te bevestigen.
Als het voertuig uitgerust is met een
automatische versnellingsbak en de
rem niet automatisch wordt losgezet,
controleer dan of de voorportieren
goed dicht zijn.
Automatische bediening deactiveren
1. Start de motor.
2. Als de handrem losgezet is, trek
de handrem dan aan door aan de
schakelaar m te trekken.
3. Haal uw voet van het rempedaal.
4. Druk minimaal 10 en maximaal 15
seconden op de schakelaar m.
5. Laat de schakelaar m los.
6. Houd het rempedaal ingetrapt.
7. Trek gedurende 2 seconden aan
de schakelaar m.
Het uitschakelen van de automati‐
sche bediening van de elektrische
handrem wordt bevestigd door o dat
brandt op de instrumentengroep
3 98. De elektrische handrem kan
alleen handmatig worden aangetrok‐
ken en losgezet.
Om de automatische bediening weer
in te schakelen moet u bovenstaande
stappen herhalen.
Werkingstest
Wanneer de auto niet beweegt, kan
de elektrische handrem automatisch
worden ingeschakeld. Dit wordt
gedaan om het systeem te testen.
Storing
De storingsmodus van de elektrische
handrem wordt aangeduid door
controlelamp j en een bericht op het
Driver Information Center. Boordin‐
formatie 3 106.
Trek de elektrische handrem aan:
houd de schakelaar m meer dan
vijf seconden uitgetrokken. Als
controlelamp m brandt, is de elektri‐
sche handrem aangetrokken.
Zet de elektrische handrem los: houd
de schakelaar m langer dan
twee seconden ingedrukt. Als contro‐
lelamp m dooft, is de elektrische
handrem losgezet.
Controlelamp m knippert: elektrische
handrem is niet helemaal aangetrok‐
ken of losgezet. Knippert de lamp
continu, zet de elektrische handrem
dan los en probeer deze weer aan te
trekken.
Remassistentie
Bij het snel en krachtig intrappen van
het rempedaal remt het systeem
automatisch met maximale kracht.
Het werken van de remassistentie
blijkt mogelijk uit het pulseren van het
rempedaal en een grotere weerstand
bij het intrappen van het rempedaal.
Blijf het rempedaal voor het maken
van een noodstop gelijkmatig intrap‐
pen. Bij het loslaten van het rempe‐
daal neemt de maximale remkracht
automatisch af.
160 Rijden en bediening
Hellingrem
Het systeem voorkomt onbedoeld
bewegen bij het wegrijden op hellin‐
gen.
Wanneer u het rempedaal loslaat
nadat u op een helling bent gestopt,
blijft de rem nog gedurende
twee seconden ingeschakeld. Bij het
optrekken van de auto werken de
remmen automatisch niet meer.
Rijregelsystemen
Elektronische stabiliteitsre‐
geling en Traction Control-
systeem
De elektronische stabiliteitsregeling
verbetert indien nodig de rijstabiliteit
ongeacht de staat van het wegdek of
de grip van de banden.
Zodra de auto dreigt uit te breken
(onderstuur/overstuur) wordt het
motorvermogen verminderd en
worden de wielen afzonderlijk afge‐
remd.
De elektronische stabiliteitsregeling
werkt in combinatie met het Traction
Control-systeem. Het voorkomt dat
de aangedreven wielen doorslaan.
Het Traction Control-systeem is een
onderdeel van de elektronische stabi‐
liteitsregeling.
De Traction Control verhoogt indien
nodig de stabiliteit, ongeacht het type
wegdek of de grip van de banden,
door te voorkomen dat de aangedre‐
ven wielen doorslaan.
Zodra de aangedreven wielen begin‐
nen door te slaan, wordt het motor‐
vermogen verminderd en wordt het
wiel met de meeste slip afzonderlijk
afgeremd. Daardoor wordt de rijstabi‐
liteit van de auto op een glad wegdek
aanmerkelijk verbeterd.
De elektronische stabiliteitsregeling
en Traction Control werken na elke
motorstart zodra controlelampje b
dooft.
Wanneer de elektronische stabiliteits‐
regeling en Traction Control werken,
knippert b.
Rijden en bediening 161
9Waarschuwing
Laat u door dit speciale veilig‐
heidssysteem niet verleiden tot
een roekeloze rijstijl.
Snelheid aan de staat van het
wegdek aanpassen.
Controlelampje b 3 99.
Uitschakelen
De elektronische stabiliteitsregeling
en Traction Control kunnen op elk
gewenst moment worden uitgescha‐
keld: druk op a.
De LED in de toets a brandt.
Bij het deactiveren van de elektroni‐
sche stabiliteitsregeling en Traction
Control verschijnt er een statusbe‐
richt op het Driver Information Center.
De elektronische stabiliteitsregeling
en Traction Control worden opnieuw
geactiveerd door nogmaals op de
knop a te drukken, door de rem in te
trappen of door sneller te rijden dan
50 km/u.
De LED in de toets a dooft wanneer
de elektronische stabiliteitsregeling
en Traction Control weer gaan
werken.
De elektronische stabiliteitsregeling
en Traction Control worden de
volgende keer dat u het contact
inschakelt opnieuw geactiveerd.
Storing
Bij een storing in het systeem licht het
controlelampje b ononderbroken op
en verschijnt er een bericht op het
Driver Information Center. Het
systeem buiten werking is.
Oorzaak van de storing onmiddellijk
door een werkplaats laten verhelpen.
Selectieve ride control
Voorzichtig
De auto is met name geschikt voor
het rijden op asfaltwegen, met af
en toe een terreinrit tussendoor.
Maar rijd niet op terrein waar uw
auto beschadigd kan raken door
obstakels, zoals onder andere
stenen, en op terrein met steile
hellingen en een slechte grip.
Steek niet over door stromen.
Voorzichtig
Bij terreinritten kunt u bij plotse‐
linge bewegingen en manoeuvres
de macht over het stuur verliezen.
Dit kan een botsing veroorzaken.
Daarom moeten u en uw passa‐
giers op de weg en op terrein de
veiligheidsgordels om hebben.
Selectieve ride control biedt meer
tractie in situaties met weinig grip
(sneeuw, modder en zand).
162 Rijden en bediening
Het systeem past zich aan het terrein
aan door aansturen van de voorwie‐
len en bespaart daarbij het gewicht
dat normaal bij een conventionele
vierwielaandrijving hoort.
Met selectieve ride control kunt u
kiezen tussen vijf rijmodi:
Modus ESC uit
Standaardmodus
Sneeuwmodus
Moddermodus
Zandmodus
U schakelt de diverse modi in door
aan de knop te draaien.
Er licht een LED op en er verschijnt
een statusbericht op het Driver Infor‐
mation Center om de gekozen modus
te bevestigen.
Modus ESC uit
In deze modus werken de elektroni‐
sche stabiliteitsregeling en Traction
Control niet.
In de toets a brandt een LED.
De elektronische stabiliteitsregeling
en Traction Control worden vanaf 50
km/u automatisch of elke keer dat u
het contact inschakelt opnieuw geac‐
tiveerd.
Standaardmodus
Deze modus is gekalibreerd voor
weinig wielspin, op basis van de
verschillende soorten grip die bij
dagelijkse ritten aan de orde zijn.
Elke keer bij uitschakelen van het
contact, wordt het systeem automa‐
tisch teruggezet naar deze modus.
Rijden en bediening 163
Sneeuwmodus
Deze modus past zich aan op de grip
van elk wiel tijdens het starten.
Bij het vooruitrijden optimaliseert het
systeem de wielspin om de beste
acceleratie op basis van de beschik‐
bare tractie te waarborgen. Aanbevo‐
len bij een dikke laag sneeuw en
steile hellingen.
Deze modus is actief tot een snelheid
van 50 km/u.
Moddermodus
Deze modus staat veel wielspin toe
voor het wiel met de minste grip bij het
starten. Dit verwijdert de modder en
herstelt de tractie.
Tegelijkertijd wordt aan het wiel met
de meeste grip het meest mogelijke
koppel geleverd.
Deze modus is actief tot een snelheid
van 80 km/u.
Zandmodus
In deze modus wordt er iets gelijktij‐
dige wielspin op de twee aandrijfwie‐
len toegestaan, waardoor de auto
vooruitkomt en minder snel zal
wegzakken.
Deze modus is actief tot een snelheid
van 120 km/u.
Voorzichtig
Gebruik de andere modi niet op
zand, omdat de auto vast zou
kunnen komen te zitten.
164 Rijden en bediening
Sportmodus
De Sport-modus past de instellingen
van sommige autosystemen aan voor
een sportievere rijstijl.
Inschakelen
Druk bij een draaiende motor op
SPORT.
De LED in de toets licht op wanneer
de Sport-modus actief is en er
verschijnt een statusbericht op het
Driver Information Center.
Uitschakelen
Druk kort op SPORT. De volgende
keer dat u het contact inschakelt,
wordt de Sport-modus gedeacti‐
veerd.
Bestuurdersondersteu‐
ningssystemen
9Waarschuwing
Bestuurdersondersteuningssyste‐
men zijn ontwikkeld om de
bestuurder te ondersteunen en
niet om zijn aandacht te vervan‐
gen.
De bestuurder aanvaardt de volle‐
dige verantwoordelijkheid
wanneer hij de auto bestuurt.
Wanneer bestuurdersondersteu‐
ningssystemen worden gebruikt,
altijd op de huidige verkeerssitua‐
tie letten.
Cruise control
De cruisecontrol kan snelheden
hoger dan 40 km/u opslaan en
aanhouden. Bovendien moet bij een
handgeschakelde versnelling mini‐
maal de derde versnelling zijn inge‐
schakeld en bij een automatische
Rijden en bediening 165
versnellingsbak minimaal stand D of,
in stand M, de tweede of een hogere
versnelling.
Tijdens het bergop- en bergafwaarts
rijden kan van de opgeslagen snelhe‐
den worden afgeweken.
Het systeem hanteert de ingestelde
snelheid als rijsnelheid, zonder acht
te geven op de stand van het gaspe‐
daal.
U kunt de ingestelde snelheid tijdelijk
overschrijden door op het gaspedaal
te trappen.
De status en de ingestelde snelheid
staan op het Driver Information
Center.
De cruisecontrol niet inschakelen
wanneer het aanhouden van een
constante snelheid onverstandig is.
Activeren in de eerste versnelling is
niet mogelijk.
Controlelamp m 3 102.
Inschakelen
Druk op m op het stuurwiel: de
symbolen m en Pause verschijnen op
het Driver Information Center. Het
systeem is nog steeds niet actief.
Inschakelen
Zelf een snelheid instellen
166 Rijden en bediening
Accelereer tot de gewenste snelheid
en druk de wipschakelaar eenmaal
kort in RES/+ of SET/-. De huidige
snelheid wordt opgeslagen en
gehandhaafd. U kunt het gaspedaal
loslaten.
De ingestelde snelheid is vervolgens
aan te passen door op RES/+ te druk‐
ken om de snelheid te verhogen of op
SET/- om de snelheid te verlagen. Bij
kort indrukken wijzigt u de snelheid in
kleine stapjes en bij lang indrukken in
grote stappen.
De ingestelde snelheid verschijnt op
het Driver Information Center.
Snelheid van
verkeersbordherkenning overnemen
De intelligente snelheidsadaptatie
informeert u wanneer de verkeers‐
bordherkenning een snelheidslimiet
heeft gedetecteerd. De gedetec‐
teerde maximumsnelheid kan worden
gebruikt als een nieuwe waarde voor
de cruise control.
Met behulp van een camera boven‐
aan de voorruit detecteert en leest dit
systeem de maximumsnelheid en de
borden einde maximumsnelheid. Het
systeem houdt ook rekening met
informatie over maximumsnelheden
in de kaartgegevens van het naviga‐
tiesysteem.
De functie kan worden gedeactiveerd
of geactiveerd in het menu Persoon‐
lijke instellingen, 3 108.
Bij een actieve cruise control
verschijnt de gedetecteerde maxi‐
mumsnelheid op het Driver Informa‐
tion Center en MEM licht op.
De op het Driver Information Center
weergegeven informatie hangt af van
het gebruikte display.
Op het Driver Information Center
verschijnt het maximumsnelheids‐
bord op het display en licht MEM
gedurende enkele seconden op.
Druk op MEM op het stuurwiel om de
voorgestelde snelheid op te slaan.
Druk op MEM op het stuurwiel om de
nieuwe snelheidsinstelling te bevesti‐
gen en op te slaan.
Deze snelheid geldt als de nieuwe
waarde voor de cruisecontrol.
Ingestelde snelheid overschrijden
Het is mogelijk te versnellen door gas
te geven. Na het loslaten van het
gaspedaal wordt opnieuw de opge‐
slagen snelheid aangehouden.
Uitschakelen
Druk op Ñ: de cruisecontrol staat in
de pauzemodus, Pause verschijnt. U
rijdt in de auto zonder cruisecontrol.
De cruisecontrol wordt gedeacti‐
veerd, maar niet uitgeschakeld. De
laatst opgeslagen snelheid blijft in het
geheugen voor het later hervatten
van de snelheid.
Rijden en bediening 167
De cruisecontrol wordt automatisch
gedeactiveerd in de volgende geval‐
len:
U trapt op het rempedaal.
U trapt op het koppelingspedaal.
De rijsnelheid is lager dan
40 km/u.
Het Traction Control of elektroni‐
sche stabiliteitsregeling is actief.
De keuzehendel is in N.
Opgeslagen snelheid hervatten
Druk de wipschakelaar op RES/+ bij
een snelheid van meer dan 40 km/u.
De opgeslagen snelheid wordt nu
overgenomen.
Uitschakelen
Druk op m: de cruisecontrolmodus
wordt gedeactiveerd en de cruisecon‐
trolaanduiding op het Driver Informa‐
tion Center dooft.
Bij het indrukken van ß om de snel‐
heidsbegrenzer uit te schakelen
wordt u de cruisecontrol gedeacti‐
veerd.
Bij het uitschakelen van het contact
gaat een geprogrammeerde snelheid
verloren.
Storing
Bij een storing in de cruisecontrol
wordt de ingestelde snelheid gewist,
waarbij de streepjes gaan knipperen.
De cruise control werkt mogelijk niet
goed, als de verkeersborden niet
voldoen aan de Weense Conventie
over verkeersborden (Wiener
Übereinkommen über Straßenver‐
kehrszeichen).
Snelheidsbegrenzer
De snelheidsbegrenzer voorkomt dat
de auto een vooraf ingestelde snel‐
heidslimiet overschrijdt.
De snelheidslimiet kan worden inge‐
steld op een snelheid hoger dan
30 km/u.
U kunt accelereren tot de ingestelde
snelheid. Bij het afrijden van hellingen
zijn afwijkingen van de snelheidsli‐
miet mogelijk.
U kunt de ingestelde snelheid tijdelijk
overschrijden door stevig op het
gaspedaal te trappen.
De actuele snelheid en de ingestelde
snelheidslimiet staan op het Driver
Information Center.
Inschakelen
Druk op ß, waarna de symbolen ß
en Pause verschijnen op het Driver
Information Center. Het systeem is
nog steeds niet actief.
168 Rijden en bediening
Inschakelen
Zelf een snelheid instellen
Druk de schakelaar eenmaal kort in
RES/+ of SET/-.
Na het instellen van de snelheid kunt
u de gewenste maximumsnelheid
instellen door op RES/+ te drukken
om de snelheid te verhogen of op
SET/- om de snelheid te verlagen. Bij
kort indrukken wijzigt u de ingestelde
snelheid in kleine stapjes en bij lang
indrukken in grote stappen. De inge‐
stelde snelheid verschijnt op het
Driver Information Center.
Druk op Ñ om de snelheidsbegren‐
zer te activeren.
Snelheid van
verkeersbordherkenning overnemen
De intelligente snelheidsadaptatie
informeert u wanneer de verkeers‐
bordherkenning een snelheidslimiet
heeft gedetecteerd. De gedetec‐
teerde maximumsnelheid kan worden
gebruikt als een nieuwe waarde voor
de snelheidsbegrenzer.
Met behulp van een camera boven‐
aan de voorruit detecteert en leest dit
systeem de maximumsnelheid en de
borden einde maximumsnelheid. Het
systeem houdt ook rekening met
informatie over maximumsnelheden
in de kaartgegevens van het naviga‐
tiesysteem.
De functie kan worden gedeactiveerd
of geactiveerd in het menu Persoon‐
lijke instellingen, 3 108.
Bij een actieve snelheidsbegrenzer
verschijnt de gedetecteerde maxi‐
mumsnelheid op het Driver Informa‐
tion Center en MEM licht op.
De op het Driver Information Center
weergegeven informatie hangt af van
het gebruikte display.
Rijden en bediening 169
Op het Driver Information Center
verschijnt het maximumsnelheids‐
bord op het display en licht MEM
gedurende enkele seconden op.
Druk op MEM op het stuurwiel om de
voorgestelde snelheid op te slaan.
Druk op MEM op het stuurwiel om de
nieuwe snelheidsinstelling te bevesti‐
gen en op te slaan.
Deze snelheid geldt als de nieuwe
waarde voor de snelheidsbegrenzer.
Snelheidslimiet overschrijden
In noodgevallen kunt u de snelheids‐
limiet overschrijden middels een
zogeheten kickdown. In het gegeven
geval knippert de ingestelde snel‐
heidslimiet.
Gaspedaal loslaten en de functie
snelheidsbegrenzing wordt na het
bereiken van een lagere snelheid dan
de snelheidslimiet opnieuw geacti‐
veerd.
Uitschakelen
Druk op Ñ: de snelheidsbegrenzer
staat in de pauzemodus, Pause
verschijnt. Er is geen actieve snel‐
heidslimiet voor de auto.
De snelheidsbegrenzer wordt
gedeactiveerd, maar niet uitgescha‐
keld. De laatst opgeslagen snelheid
blijft in het geheugen voor het later
hervatten van de snelheid.
Snelheidslimiet hervatten
Druk op Ñ. De opgeslagen snel‐
heidslimiet wordt hervat.
Uitschakelen
Druk op ß, de snelheidsbegrenzer‐
modus wordt gedeactiveerd en de
snelheidslimietaanduiding op het
Driver Information Center dooft.
Bij het indrukken van m ter activering
van de cruisecontrol wordt de snel‐
heidsbegrenzer uitgeschakeld.
De ingestelde snelheid blijft bij
uitschakeling van het contact in het
geheugen liggen.
Storing
Bij een storing in de snelheidsbegren‐
zer wordt de ingestelde snelheid
gewist, waarbij de streepjes gaan
knipperen.
De snelheidsbegrenzer werkt moge‐
lijk niet goed, als de verkeersborden
niet voldoen aan de Weense Conven‐
tie over verkeersborden (Wiener
Übereinkommen über Straßenver‐
kehrszeichen).
Adaptieve cruise control
Adaptieve cruise control is een verbe‐
tering van de conventionele cruise
control, en biedt als aanvullende
functie het aanhouden van een
bepaalde afstand tot de voorligger.
Deze gebruikt radar en camerasen‐
soren voor de detectie van voorlig‐
gers. Als er zich geen voertuig voor u
bevindt, zal de adaptieve cruise
control zich als een conventionele
cruise control gedragen.
Adaptieve cruise control verlaagt
automatisch de snelheid van de auto
als deze een langzamer rijdende auto
170 Rijden en bediening
nadert. Vervolgens wordt de rijsnel‐
heid op de geselecteerde volgafstand
aangepast aan die van de voorligger.
De rijsnelheid neemt toe of af met die
van de voorligger, maar zal de inge‐
stelde snelheid niet overschrijden. De
cruise control kan beperkt remmen,
met geactiveerde remlichten.
Als de voorligger accelereert of van
rijstrook wisselt, laat de adaptieve
cruise control weer snel naar de
geprogrammeerde snelheid accele‐
reren. Als de bestuurder een richting‐
aanwijzer bedient om een langzamer
voertuig in te halen, laat de adaptieve
cruise control uw auto tijdelijk dicht bij
de voorligger komen om beter te
kunnen inhalen, echter zonder ooit de
geprogrammeerde snelheid te over‐
schrijden.
9Waarschuwing
Bij het rijden met de adaptieve
cruise control dient de bestuurder
altijd zijn of haar volledige
aandacht bij het verkeer te
houden. De bestuurder behoudt
de volledige controle over de auto
omdat rempedaal, gaspedaal en
de onderbrekingsschakelaar voor‐
rang hebben op de adaptieve
cruise control.
Inschakelen
Druk op C om het stuurwiel in te
schakelen: symboolC verschijnt op
het Driver Information Center. Het
systeem is nog steeds niet actief.
Inschakelen
Adaptieve cruise control wordt hand‐
matig ingeschakeld bij een snelheid
40 en 180 km/u. Bij auto's met auto‐
matische versnellingsbak moet de
automatische keuzehendel op D of
M. staan
Zelf de snelheid instellen
Accelereer tot de gewenste snelheid
en druk de wipschakelaar eenmaal
kort in RES/+ of SET/-. De huidige
snelheid wordt opgeslagen en
gehandhaafd. U kunt het gaspedaal
loslaten.
Rijden en bediening 171
De ingestelde snelheid is vervolgens
aan te passen door op RES/+ te druk‐
ken om de snelheid te verhogen of op
SET/- om de snelheid te verlagen. Bij
kort indrukken wijzigt u de snelheid in
kleine stapjes en bij lang indrukken in
grote stappen.
De ingestelde snelheid verschijnt op
het Driver Information Center.
Wanneer de cruise control werkt,
wordt Stop & Start automatisch uitge‐
schakeld.
Snelheid van
verkeersbordherkenning overnemen
De intelligente snelheidsadaptatie
informeert u wanneer de verkeers‐
bordherkenning een snelheidslimiet
heeft gedetecteerd. De gedetec‐
teerde maximumsnelheid kan worden
gebruikt als een nieuwe waarde voor
de cruise control.
Met behulp van een camera boven‐
aan de voorruit detecteert en leest dit
systeem de maximumsnelheid en de
borden einde maximumsnelheid. Het
systeem houdt ook rekening met
informatie over maximumsnelheden
in de kaartgegevens van het naviga‐
tiesysteem.
De functie kan worden gedeactiveerd
of geactiveerd in het menu Persoon‐
lijke instellingen, 3 108.
Bij een actieve cruise control
verschijnt de gedetecteerde maxi‐
mumsnelheid op het Driver Informa‐
tion Center en MEM licht op.
De op het Driver Information Center
weergegeven informatie hangt af van
het gebruikte display.
Op het Driver Information Center
verschijnt het maximumsnelheids‐
bord op het display en licht MEM
gedurende enkele seconden op.
Druk op MEM op het stuurwiel om de
voorgestelde snelheid op te slaan.
Druk op MEM op het stuurwiel om de
nieuwe snelheidsinstelling te bevesti‐
gen en op te slaan.
Deze snelheid geldt als de nieuwe
waarde voor de cruisecontrol.
Ingestelde snelheid overschrijden
Het blijft altijd mogelijk om harder dan
de ingestelde snelheid te rijden door
het gaspedaal in te trappen. Als het
gaspedaal wordt losgelaten, keert de
auto terug naar de gewenste afstand
als er een voorligger is die langzamer
rijdt. Is dit niet het geval, dan keert het
systeem terug naar de opgeslagen
snelheid.
Na activering van het systeem
vertraagt of remt de adaptieve cruise
control als een voorligger met een
lagere snelheid wordt gedetecteerd,
of als de afstand tot de voorligger klei‐
ner is dan gewenst.
172 Rijden en bediening
Als de geprogrammeerde snelheids‐
instelling wordt overschreden,
verschijnt het display van de snel‐
heidsinstelling en verschijnt er een
bericht "Cruise control opgeschort"
totdat het gaspedaal wordt losgela‐
ten.
9Waarschuwing
Als de bestuurder de snelheid
opvoert, deactiveert het systeem
het automatisch remmen. Dit
wordt aangegeven als een pop-
upwaarschuwing op het Driver
Information Center.
Adaptieve cruise control met
volledig snelheidsbereik bij auto's
met automatische
versnellingsbak
Bij de adaptieve cruise control met
volledig snelheidsbereik wordt een
volgafstand achter een gedetec‐
teerde voorligger aangehouden en
zal uw auto afremmen totdat het stil‐
staat achter dit voertuig.
Bij een korte stop van de voorligger
zal de adaptieve cruise control auto‐
matisch zonder tussenkomst van de
bestuurder weer werken. Druk indien
nodig op RES/+ of trap het gaspedaal
in om de adaptieve cruise control
weer te laten werken.
Als de stilstaande voorligger langere
tijd heeft gestopt en weer begint te
rijden, zal de groene controlelamp
Voorligger gedetecteerd A knipperen
en klinkt er een geluidssignaal als
herinnering om het verkeer te contro‐
leren voordat u weer wegrijdt.
Druk wanneer de voorligger wegrijdt
op RES/+ of trap het gaspedaal in om
de adaptieve cruise control weer te
laten werken. Bij een stop van meer
dan vijf minuten of als het bestuur‐
dersportier wordt geopend en de
veiligheidsgordel van de bestuurder
wordt losgemaakt, wordt de elektri‐
sche handrem automatisch aange‐
trokken om de auto op zijn plaats te
houden. Controlelamp m lichten op.
Trap om de elektrische handrem los
te zetten het gaspedaal in. Elektri‐
sche handrem 3 157.
9Waarschuwing
Wanneer de adaptieve cruise
control met volledig snelheidsbe‐
reik wordt gedeactiveerd of gean‐
nuleerd, zorgt het systeem er niet
langer voor dat de auto stil blijft
staan, waardoor de auto kan gaan
rijden. Wees er altijd op voorbereid
dat u zelf de rem moet intrappen
om ervoor te zorgen dat de auto
stil blijft staan.
Verlaat de auto niet als deze tot
stilstand is gebracht door de adap‐
tieve cruise control met volledig
snelheidsbereik. Zet de keuze‐
hendel altijd in de parkeerstand P
en schakel het contact uit voordat
u de auto verlaat.
Afstand tot voorligger instellen
Als de adaptieve cruise control een
voorligger met een lagere snelheid
constateert, zal deze de rijsnelheid
aanpassen om de geselecteerde
afstand tot de voorligger te behou‐
den.
Rijden en bediening 173
De volgafstand kan worden ingesteld
op dichtbij (1 streepje), normaal (2
streepjes) of ver weg (3 streepjes).
Als de motor loopt en de adaptieve
cruise control wordt geselecteerd
(grijs), kunt u de instelling van de
volgafstand aanpassen:
Druk op Ö, de huidige instelling
verschijnt op het Driver Information
Center.
Druk opnieuw op Ö om de afstand tot
voorligger te wijzigen. De instelling
verschijnt ook op het Driver Informa‐
tion Center.
De geselecteerde afstand tot voorlig‐
ger wordt aangegeven via de
afstandsbalken in de adaptieve cruise
control-pagina.
9Waarschuwing
De bestuurder aanvaardt de volle
verantwoordelijkheid voor het
bewaren van een veilige onder‐
linge afstand bij de betreffende
verkeers-, weers- en zichtomstan‐
digheden. Indien de situatie zulks
vereist, moet de afstand tot voor‐
ligger worden aangepast of het
systeem worden uitgeschakeld.
Uitschakelen
Druk op Ñ: de cruisecontrol staat in
de pauzemodus, Pauze verschijnt. U
rijdt in de auto zonder cruisecontrol.
De cruisecontrol wordt gedeacti‐
veerd, maar niet uitgeschakeld. De
laatst opgeslagen snelheid blijft in het
geheugen voor het later hervatten
van de snelheid.
De cruisecontrol wordt automatisch
gedeactiveerd in de volgende geval‐
len:
U trapt op het rempedaal.
U trapt op het koppelingspedaal.
De rijsnelheid is lager dan
40 km/u.
Het Traction Control of elektroni‐
sche stabiliteitsregeling is actief.
Bij auto's met automatische
versnellingsbak staat de keuze‐
hendel op N.
Opgeslagen snelheid hervatten
Druk de wipschakelaar op RES/+ bij
een snelheid van meer dan 40 km/u.
De opgeslagen snelheid wordt nu
overgenomen.
Uitschakelen
Druk op C: de modus adaptieve
cruise control wordt gedeactiveerd en
de cruise control-aanduiding op het
Driver Information Center dooft.
174 Rijden en bediening
Bij het indrukken van ß om de snel‐
heidsbegrenzer uit te schakelen
wordt u de cruisecontrol gedeacti‐
veerd.
Bij het uitschakelen van het contact
gaat een geprogrammeerde snelheid
verloren.
Aandacht van de bestuurder
Let op met de adaptieve cruise
control in bochten of op heuvel‐
achtige wegen, het systeem kan
contact met de voorligger verlie‐
zen en heeft de tijd nodig om
deze opnieuw te detecteren.
Gebruik het systeem niet op
gladde wegen omdat het snelle
veranderingen in de tractie (door‐
slaan) van de banden kan
veroorzaken, waardoor u de
macht over het stuur zou kunnen
verliezen.
Gebruik de adaptieve cruise
control niet bij regen, sneeuw of
modder, omdat de radarsensor
door waterfilm, stof, ijs of sneeuw
bedekt kan worden. Het zicht
wordt dan geheel of gedeeltelijk
onderdrukt. Bij een vervuilde
sensor, de sensorafdekking reini‐
gen.
Gebruik het systeem niet
wanneer u met het reservewiel
rijdt.
Systeembeperkingen
9Waarschuwing
De automatische remkracht van
het systeem volstaat niet voor
krachtig remmen en de remwer‐
king is mogelijk onvoldoende om
een botsing te vermijden.
Na aan plotselinge rijstrookwis‐
sel, heeft het systeem enige tijd
nodig om de volgende voorligger
te detecteren. Als dus een
nieuwe voorligger wordt gedetec‐
teerd, kan het systeem de snel‐
heid verhogen in plaats van te
remmen.
De adaptieve cruise control
negeert tegemoetkomend
verkeer.
Adaptieve cruise control houdt
voor het remmen en wegrijden
geen rekening met voetgangers
en dieren.
Adaptieve cruise control houdt
alleen bij een lage snelheid reke‐
ning met gestopte voertuigen.
Gebruik de adaptieve cruise
control niet bij het trekken van
een aanhanger.
Gebruik adaptieve cruise control
niet op wegen met een stijgings‐
percentage van meer dan 10%.
Aangezien het detectiegebied van de
radar nogal smal is, detecteert het
systeem het volgende mogelijk niet:
Minder brede voertuigen (motor‐
fietsen, scooters...).
Voertuigen die niet midden op de
rijstrook rijden.
Voertuigen die afslaan.
Voertuigen die ineens langs de
kant van de weg gaan staan.
Rijden en bediening 175
Bochten
De adaptieve cruise control berekent
aan de hand van de centrifugale
kracht een voorspelde koers. Deze
voorspelde koers neemt de kenmer‐
ken van de huidige bocht in aanmer‐
king, maar kan geen veranderingen
incalculeren. Het systeem kan de
huidige voorligger verliezen of zich op
een voertuig in een andere rijstrook
richten. Dit kan gebeuren tijdens het
inzetten of uitrijden van een bocht of
als de bocht scherper of minder
scherp wordt. Als het systeem geen
voorligger meer detecteert, dooft de
controlelamp A.
Als de centrifugale kracht in een
bocht te groot is, zal het systeem de
rijsnelheid enigszins verlagen. Deze
remactie is niet ontworpen om te
voorkomen dat de auto uit de bocht
vliegt. De bestuurder is verantwoor‐
delijk voor het verlagen van de snel‐
heid bij het ingaan van een bocht en
in het algemeen voor het aanpassen
van de snelheid aan het wegtype en
de geldende maximumsnelheid.
Snelwegen
Op snelwegen moet u de ingestelde
snelheid aanpassen aan de omstan‐
digheden en het weer. Bedenk altijd
dat de adaptieve cruise control een
beperkt zichtbereik, een beperkte
remkracht en een bepaalde reactietijd
heeft waarin wordt geverifieerd of een
voertuig zich al dan niet voor u
bevindt. De adaptieve cruise control
is mogelijk niet in staat om de auto
tijdig af te remmen, om aanrijdingen
te vermijden met veel langzamer
rijdende voorliggers of na een rijst‐
rookwissel. Dit geldt met name bij
hoge snelheden of als het zicht door
de weersomstandigheden beperkt is.
Bij het oprijden of verlaten van een
snelweg kan de adaptieve cruise
control de voorligger uit het zicht
verliezen en naar de instelde snelheid
accelereren. Verlaag daarom de snel‐
heid voor het oprijden of verlaten van
de snelweg.
Koersveranderingen
Als een ander voertuig voor u invoegt,
zal de adaptieve cruise control dit
voertuig pas incalculeren op het
moment dat deze zich volledig op uw
pad bevindt. Wees alert en gereed
om te remmen als sneller remmen
noodzakelijk is.
176 Rijden en bediening
Bij heuvels en aanhangers
9Waarschuwing
Gebruik adaptieve cruise control
niet op steile heuvelachtige
wegen.
De systeemprestaties onder heuvel‐
achtige omstandigheden hangen af
van de rijsnelheid, de belading, de
verkeersomstandigheden en het
hellingspercentage. In heuvelachtige
omstandigheden worden voorliggers
mogelijk niet gedetecteerd. Op steile
hellingen moet u mogelijk gas bijge‐
ven om de rijsnelheid te behouden.
Bij het naar beneden rijden kan het
nodig zijn om te remmen om uw snel‐
heid te behouden of te verlagen.
Let op: door te remmen deactiveert u
het systeem.
Radareenheid
De radarmodule zit in het midden van
de voorbumper.
9Waarschuwing
De radareenheid is tijdens de
fabricage zorgvuldig uitgelijnd. Na
een frontale aanrijding het
systeem daarom niet gebruiken.
De voorbumper kan nog intact
lijken, maar de sensor die erachter
ligt, kan verschoven zijn en onjuist
reageren. Na een aanrijding een
werkplaats raadplegen om de
positie van de adaptieve cruise
control sensor te controleren en
corrigeren.
Storing
Bij een storing in de cruise control
wordt u gewaarschuwd door het
oplichten van een waarschuwings‐
lamp en een bericht op het instrumen‐
tenpaneel en klinkt er een geluidssig‐
naal.
De adaptieve cruise control werkt
mogelijk niet goed, als de verkeers‐
borden niet voldoen aan de Weense
Conventie over verkeersborden
(Wiener Übereinkommen über
Straßenverkehrszeichen).
Laat het systeem nakijken door een
dealer of een erkende werkplaats.
Gebruik het systeem omwille van de
veiligheid niet als de remlichten
defect zijn. Gebruik het systeem niet
als de voorbumper beschadigd is.
Rijden en bediening 177
Frontaanrijdingswaarschu‐
wing
De frontaanrijdingswaarschuwing
kan helpen schade bij frontale aanrij‐
dingen te vermijden of beperken.
De frontaanrijdingswaarschuwing
gebruikt de frontcamera in de voorruit
en een radarmodule achter de voor‐
bumper van de auto om een voorlig‐
ger direct vóór u te kunnen detecte‐
ren.
Als een voorligger te snel nadert,
klinkt er een geluidssignaal en
verschijnt er een waarschuwing in het
Driver Information Centre.
Inschakelen
Frontaanrijdingswaarschuwing
detecteert voertuigen en werkt auto‐
matisch bij alle snelheden tussen
5 km/u en 140 km/u.
De bestuurder verwittigen
Het systeem activeert verschillende
waarschuwingsniveaus afhankelijk
van het gedetecteerde botsingsrisico.
De waarschuwingen verschijnen op
de instrumentengroep.
Niveau 1: Er verschijnt een visuele
waarschuwing.
Niveau 2: Er verschijnt een visuele
waarschuwing en er klinkt een
geluidssignaal.
Voorzichtig
De kleur van dit waarschuwings‐
lampje komt niet overeen met
plaatselijke verkeerswetten met
betrekking tot uw afstand tot de
voorligger. De bestuurder is te
allen tijde volledig verantwoorde‐
lijk voor het op een veilige afstand
volgen van de voorligger, volgens
de betreffende verkeersregels, het
weer en de toestand van de weg.
Wanneer de tijd tot een mogelijke
botsing met een voorligger te krap
wordt en er een botsing dreigt,
verschijnt er een waarschuwing op
het Driver Information Center.
Er klinkt tegelijkertijd een waarschu‐
wingsgeluid. Trap het rempedaal in
en voer de benodigde stuurhandelin‐
gen uit.
De gevoeligheid van het systeem
instellen
7'' Colour-Info-Display: stel de waar‐
schuwingsgevoeligheid af in de
persoonlijke instellingen, 3 108.
8'' Colour-Info-Display: stel de waar‐
schuwingsgevoeligheid af in de
instellingen van de actieve noodrem
in de persoonlijke instellingen, 3 108.
De gekozen instelling wordt gehand‐
haafd totdat deze wordt aangepast.
De timing van de waarschuwingen
verandert met de rijsnelheid. Hoe
sneller de auto rijdt, hoe verder de
waarschuwing wordt gegeven. Houd
bij het selecteren van de timing van
de waarschuwingen rekening met de
verkeerssituatie en de weersomstan‐
digheden.
Uitschakelen
Het systeem kan alleen worden
gedeactiveerd door deactiveren van
de actieve noodrem in de persoon‐
lijke instellingen, 3 108.
178 Rijden en bediening
Algemene informatie
9Waarschuwing
De frontaanrijdingswaarschuwing
is een waarschuwingssysteem dat
de remmen niet activeert. Bij het
met een te hoge snelheid naderen
van een voorligger, kan er onvol‐
doende tijd zijn om een aanrijding
te voorkomen.
De bestuurder aanvaardt de volle
verantwoordelijkheid voor het
bewaren van een veilige onder‐
linge afstand bij de betreffende
verkeers-, weers- en zichtomstan‐
digheden.
De bestuurder moet onder het
rijden altijd zijn of haar onver‐
deelde aandacht aan het verkeer
geven. De bestuurder moet altijd
gereed zijn om actie te onderne‐
men en te remmen.
Systeembeperkingen
De frontaanrijdingswaarschuwing is
bedoeld om alleen te waarschuwen
voor voertuigen, maar kan ook op
andere obstakels reageren.
In de volgende gevallen detecteert de
frontaanrijdingswaarschuwing
wellicht geen voorliggers of kunnen
de prestaties van de sensor beperkt
zijn:
Rijden op bochtige of heuvelach‐
tige wegen.
U 's nachts rijdt.
Door weersomstandigheden
beperkt zicht, zoals bij mist,
regen of sneeuw
De sensor in de voorruit of de
radarmodule achter de voorbum‐
per is bedekt met sneeuw, ijs,
slijk, modder, vuil enz.
De voorruit is beschadigd of is
bedekt met vreemde voorwer‐
pen, bijv. stickers.
Actieve noodrem
De actieve noodrem kan helpen om
de schade en letsel door aanrijdingen
met voertuigen, voetgangers of
obstakels direct vóór de auto te
beperken, indien een aanrijding door
remmen of sturen niet langer kan
worden vermeden. Voordat de
actieve noodrem gaat werken, wordt
de bestuurder gewaarschuwd door
de frontaanrijdingswaarschuwing
3 177 of de voetgangersbescher‐
mingswaarschuwing vóór 3 181.
Deze functie maakt gebruik van input
uit vele bronnen (bijv. camerasensor,
radarsensor, remdruk, rijsnelheid) om
de waarschijnlijkheid van een frontale
aanrijding te berekenen.
9Waarschuwing
Dit systeem is niet bedoeld om de
verantwoordelijkheid van de
bestuurder, voor het besturen van
de auto en anticiperen op de
verkeerssituatie, over te nemen.
Het is alleen bedoeld als aanvul‐
ling om de rijsnelheid vóór een
botsing te verlagen.
Het systeem reageert mogelijk
niet op dieren. Na een plotselinge
verandering van rijstrook, heeft
het systeem enige tijd nodig om de
nieuwe voorligger te detecteren.
De bestuurder moet altijd gereed
zijn om actie te ondernemen en te
remmen en sturen om aanrijdin‐
gen te voorkomen.
Rijden en bediening 179
Werking
Indien alleen uitgerust met frontca‐
mera werkt de actieve noodrem in
vooruitversnellingen boven wandel‐
tempo tot 85 km/u. Met radarsensor
en frontcamera werkt de actieve
noodrem in vooruitversnellingen
boven wandeltempo tot 140 km/u.
Een voorwaarde is dat de Frontaan‐
rijdingswaarschuwing met frontcame‐
rasysteem niet in het menu Persoon‐
lijke instellingen is gedeactiveerd
3 108.
Het systeem omvat:
anticiperend remsysteem
automatisch noodstopsysteem
anticiperend remassistentiesys‐
teem
intelligente remassistentie
(alleen bij radarsensor)
frontaanrijdingswaarschuwing
voetgangersbescherming vóór
Anticiperend remsysteem
Bij het naderen van een voorligger of
een voetganger met een zodanige
snelheid dat een aanrijding waar‐
schijnlijk is, zet het anticiperend
remsysteem een lichte remactie in.
Dit verkort de responstijd, mocht
handmatig of automatisch remmen
noodzakelijk zijn.
Het remsysteem is voorbereid op
sneller remmen.
Automatisch noodstopsysteem
Na het activeren van het remvoorbe‐
reidingssysteem en net voor het
moment van aanrijding past deze
functie automatisch beperkte remac‐
tie toe om de snelheid te verlagen of
een botsing te voorkomen. Afhanke‐
lijk van de situatie kan de auto auto‐
matisch iets of krachtig afremmen. Dit
automatisch remmen voor is alleen
mogelijk als er een voorligger wordt
gedetecteerd 3 177. Bij auto's met
voetgangersbescherming vóór kan
het automatisch remmen vóór ook
gaan werken na het detecteren van
een voetganger vóór de auto.
Het automatische noodstopsysteem
remt de auto mogelijk tot stilstand af
om een mogelijke botsing te helpen
voorkomen. Als dit gebeurt, schakelt
het automatische noodstopsysteem
mogelijk de elektrische handrem in
om de auto op zijn plaats te houden.
Druk om de elektrische handrem los
te zetten op de knop of trap het
gaspedaal krachtig in.
9Waarschuwing
Het automatisch noodstopsys‐
teem is een noodfunctie ter voor‐
bereiding op een botsing en is niet
ontworpen om botsingen te voor‐
komen. Vertrouw voor het afrem‐
men van de auto niet op het
systeem. Het automatische nood‐
stopsysteem remt niet buiten het
actieve snelheidsbereik en
reageert alleen op gedetecteerde
voertuigen en voetgangers.
Anticiperend
remassistentiesysteem
Naast het anticiperend remsysteem
en het automatisch noodstopsysteem
verhoogt het anticiperende remassis‐
tentiesysteem de gevoeligheid van de
remassistentie. Daarom remt de auto
bij minder stevig intrappen van het
rempedaal onmiddellijk krachtig af.
180 Rijden en bediening
Deze functie helpt de bestuurder om
sneller en krachtiger te remmen vóór
de mogelijke aanrijding.
9Waarschuwing
De actieve noodrem is niet ontwor‐
pen voor krachtig autonoom
remmen of het automatisch
vermijden van botsingen. Het is
ontworpen om de rijsnelheid voor‐
afgaand aan een aanrijding te
verlagen. Het reageert mogelijk
niet op dieren. Na een plotselinge
verandering van rijstrook, heeft
het systeem enige tijd nodig om de
nieuwe voorligger te detecteren.
De bestuurder moet onder het
rijden altijd zijn of haar onver‐
deelde aandacht aan het verkeer
geven. De bestuurder moet altijd
gereed zijn om actie te onderne‐
men en te remmen en sturen om
aanrijdingen te voorkomen.
Het systeem is ontworpen voor een
situatie waarin alle inzittenden hun
veiligheidsgordels dragen.
Intelligente remassistentie
Als de auto is uitgerust met een radar‐
sensor, gaat de intelligente remassis‐
tentie mogelijk werken wanneer het
rempedaal snel wordt ingetrapt om
extra goed te remmen op basis van
de naderingssnelheid en afstand tot
een voorligger.
Iets trillen van het rempedaal of
bewegen van het pedaal is hierbij
normaal en het rempedaal moet zo
nodig ingetrapt blijven. Intelligente
remassistentie wordt pas automa‐
tisch uitgeschakeld wanneer het
rempedaal wordt losgelaten.
9Waarschuwing
Door de intelligente remassisten‐
tie kan de auto in bepaalde situ‐
aties krachtiger remmen dan op
dat moment strikt noodzakelijk is.
Hierbij kunt u de verkeersstroom
belemmeren. Haal in dat geval uw
voet van het rempedaal en rem
vervolgens in gepaste mate af.
Frontaanrijdingswaarschuwing
3 177
Voetgangersbescherming vóór
3 181.
Uitschakelen
U kunt de actieve noodrem deactive‐
ren in het menu Persoonlijke instellin‐
gen 3 108. Als dat het geval is,
verschijnt er een bericht op het Driver
Information Center.
Systeembeperkingen
In sommige gevallen kan de actieve
noodrem automatisch remmen in
situaties waarin dat onnodig lijkt te
zijn, bijvoorbeeld in parkeergarages,
als er verkeersborden in een bocht
staan of door auto's die zich in een
andere rijstrook bevinden. Dit behoort
bij de normale werking van het
systeem, de auto behoeft geen
onderhoud. Trap om automatisch
remmen te negeren het gaspedaal
stevig in als de situatie en de omge‐
ving dat toelaten.
Rijden en bediening 181
In de volgende situaties zijn de pres‐
taties van de actieve noodrem
beperkt:
Rijden op bochtige of heuvelach‐
tige wegen.
Alle voertuigen detecteren, met
name voertuigen met een
aanhanger, trekkers, modderige
voertuigen, enz.
Een voertuig detecteren wanneer
het zicht door weersomstandig‐
heden beperkt is, zoals bij mist,
regen of sneeuw.
U 's nachts rijdt.
Weeromstandigheden het zicht
beperken, zoals bij mist, regen of
sneeuw.
De sensor in de voorruit of de
radarmodule achter de voorbum‐
per is bedekt met sneeuw, ijs,
slijk, modder, vuil enz.
De voorruit is beschadigd of is
bedekt met vreemde voorwer‐
pen, bijv. stickers.
Houd onderweg altijd uw aandacht bij
het verkeer en wees altijd paraat om
handelend op te treden door bij drei‐
gende botsingen op de rem te trap‐
pen en/of de auto weg te sturen.
Storing
Als het systeem moet worden nage‐
keken, verschijnt er een bericht op het
Driver Information Center.
Als het systeem niet naar behoren
functioneert, verschijnen er berichten
in het Driver Information Centre.
Boordinformatie 3 106.
Voetgangersbescherming
voor
Voetgangersbescherming vóór voor‐
komt of vermindert mogelijk letsel aan
voetgangers in de buurt als gevolg
van frontale botsingen bij het rijden in
een vooruitversnelling.
Het systeem gebruikt de frontcamera
in de voorruit en een radarmodule
achter de voorbumper van de auto
om een voetganger direct vóór u te
kunnen detecteren.
Voetgangersbescherming vóór kan in
een vooruitversnelling bij snelheden
tussen 5 km/u en 60 km/u voetgan‐
gers detecteren en ervoor waarschu‐
wen. Ook kan voetgangersbescher‐
ming vóór zorgen voor krachtiger
remmen of de auto automatisch doen
afremmen.
Bij 's nachts rijden werkt het systeem
beperkt.
U kunt voetgangersbescherming vóór
in Persoonlijke instellingen instellen
op Uit, Waarschuwen of Waarschu‐
wen en remmen 3 108.
9Gevaar
Het remsysteem voor voetgan‐
gers vóór geeft geen waarschu‐
wing en remt de auto niet automa‐
tisch af, tenzij het een voetganger
detecteert.
Het systeem beschermt mogelijk
niet voetgangers, waaronder
kinderen, wanneer de voetganger
zich niet direct vóór de auto
bevindt, niet geheel zichtbaar is,
niet rechtop staat of onderdeel van
een groep is.
182 Rijden en bediening
Voetgangersbescherming vóór
omvat onder meer:
voetganger vóór de auto detec‐
teren
waarschuwing voetganger vóór
Voetganger vóór de auto
detecteren
Een voetganger vóór de auto tot een
afstand van ongeveer 40 m wordt
aangegeven door een symbool op de
instrumentengroep.
Waarschuwing voetganger vóór
Bij te snel naderen van een gedetec‐
teerde voetganger verschijnt er een
waarschuwingsbericht op het Driver
Information Center. Er klinkt een
geluidssignaal.
Bij de waarschuwing voetganger vóór
werkt de cruise control of de adap‐
tieve cruise control mogelijk niet.
Systeembeperkingen
In de volgende gevallen detecteert de
voetgangersbescherming vóór
mogelijk geen voetganger vóór de
auto of werkt de sensor mogelijk maar
beperkt:
De rijsnelheid is buiten het bereik
van 5 km/u tot 60 km/u in een
vooruitversnelling.
De afstand tot een voetganger
vóór de auto is meer dan 40
meter.
Rijden op bochtige of heuvelach‐
tige wegen.
U 's nachts rijdt.
Weeromstandigheden het zicht
beperken, zoals bij mist, regen of
sneeuw.
De sensor in de voorruit is bedekt
met sneeuw, ijs, slijk, modder,
vuil, schade aan de voorruit of
werkt slechter door vreemde
voorwerpen, bijv. stickers.
Parkeerhulp
Algemene informatie
Bij een aanhangwagen of fietsendra‐
ger op de trekhaak is de parkeerhulp
gedeactiveerd.
9Waarschuwing
De bestuurder is zelf geheel
verantwoordelijk voor het inparke‐
ren.
Controleer bij het achteruit- en
vooruitrijden en het gebruik van de
parkeerhulp de zone rondom de
auto.
Parkeerhulp achter
De parkeerhulp achter vereenvoudigt
het inparkeren door de afstand
tussen de auto en eventuele obsta‐
kels achter te meten. Deze informeert
en waarschuwt u met akoestische
signalen en een aanduiding op het
display.
Rijden en bediening 183
Het systeem gebruikt ultrasone
parkeersensoren in de achterbum‐
per.
Inschakelen
De parkeerhulp achter wordt geacti‐
veerd wanneer u bij ingeschakeld
contact de achteruitversnelling
inschakelt.
Het systeem is klaar voor gebruik,
wanneer het ledje in de parkeerhulp‐
knop ¼ niet brandt.
Melding
Het systeem waarschuwt de bestuur‐
der tegen mogelijk gevaarlijke obsta‐
kels achter de auto terwijl de achter‐
uitversnelling ingeschakeld is.
Afhankelijk van de kant waar de auto
dichter bij een obstakel is, hoort u aan
de desbetreffende zijde akoestische
waarschuwingssignalen in de auto.
De akoestische signalen volgen
elkaar sneller op naarmate de afstand
tot dat obstakel afneemt. Is de
afstand kleiner dan ongeveer 30 cm,
dan klinkt er een continu geluid.
Ook wordt de afstand tot obstakels
achter de auto weergegeven door
veranderlijke afstandslijnen op het
Info-Display 3 104. Wanneer u het
obstakel erg dicht bent genaderd,
verschijnt het gevarensymbool 9 op
het scherm.
Uitschakelen
Het systeem wordt automatisch uitge‐
schakeld bij inschakeling van de
achteruitversnelling. Druk op ¼ om
het systeem handmatig uit te schake‐
len. Het ledje in de knop gaat bran‐
den, wanneer het systeem gedeacti‐
veerd is. Als het systeem handmatig
uitgeschakeld is, wordt het bij de
volgende keer inschakelen van het
contact niet automatisch opnieuw
ingeschakeld.
184 Rijden en bediening
Parkeerhulp voor-achter
De parkeerhulp voor-achter meet de
afstand tussen de auto en voorgele‐
gen obstakels en achter de auto.
Deze informeert en waarschuwt u met
akoestische signalen en een aandui‐
ding op het display.
Het gebruikt twee verschillende
akoestische waarschuwingssignalen
voor de controlezones voor en achter,
elk met een andere geluidsfrequentie.
Het systeem gebruikt ultrasone
parkeersensoren in de voor- en
achterbumper.
Inschakelen
Wanneer bij een rijsnelheid lager dan
10 km/u een obstakel voor de auto
wordt gedetecteerd, wordt naast de
parkeerhulp ook de parkeerhulp voor
geactiveerd.
Het systeem is klaar voor gebruik,
wanneer het ledje in de parkeerhulp‐
knop ¼ niet brandt.
Na deactivering van het systeem
brandt het ledje in de knop.
Melding
Het systeem waarschuwt u met
akoestische signalen voor obstakels
vóór of achter de auto.
Afhankelijk van de kant waar de auto
dichter bij een obstakel is, hoort u aan
de desbetreffende zijde akoestische
waarschuwingssignalen in de auto.
De akoestische signalen volgen
elkaar sneller op naarmate de afstand
tot dat obstakel afneemt. Is de
afstand kleiner dan ongeveer 30 cm,
dan klinkt er een continu geluid.
Ook wordt de afstand tot obstakels
voor en achter de auto weergegeven
door veranderlijke afstandslijnen op
het Info-Display 3 104.
Als de auto langer dan drie seconden
in een vooruitversnelling stopt, als de
automatische versnellingsbak op P
Rijden en bediening 185
staat of als er geen andere obstakels
worden gedetecteerd, klinken er geen
geluidssignalen.
Uitschakelen
Het systeem wordt automatisch uitge‐
schakeld wanneer de rijsnelheid
hoger dan 10 km/u is, door het
aantrekken van de elektrische hand‐
rem of door het indrukken van de
parkeerhulptoets ¼.
Na handmatig uitschakelen van het
systeem brandt de LED in de toets.
Als het systeem handmatig uitge‐
schakeld is, wordt het bij de volgende
keer inschakelen van het contact niet
automatisch opnieuw ingeschakeld.
Systeembeperkingen
Bij een storing of als het systeem
tijdelijk niet goed werkt, bijvoorbeeld
vanwege veel geluid buiten of andere
storende factoren, gaat Service op de
instrumentengroep branden. Er
verschijnt een bericht in het Driver
Information Center.
9Waarschuwing
Onder bepaalde omstandigheden
kunnen reflecterende oppervlak‐
ken van uiteenlopende aard op
voorwerpen of kleding evenals
externe geluidsbronnen ertoe
leiden dat het systeem obstakels
niet waarneemt.
In het bijzonder moet gelet worden
op lage obstakels die het onderste
gedeelte van de bumper kunnen
beschadigen.
Voorzichtig
Het systeem werkt eventueel
minder goed wanneer de senso‐
ren zijn bedekt, bijv. met ijs of
sneeuw.
Het parkeerhulpsysteem werkt bij
een zware belading eventueel
minder goed.
Voor grotere auto's in de buurt
(bijv. off-roads, minivans, vans)
gelden speciale voorwaarden. De
objectherkenning en de juiste
afstandsindicatie in het bovenste
deel van deze voertuigen kan niet
worden gegarandeerd.
Objecten met een erg klein reflec‐
tievlak, bijv. smalle voorwerpen of
zachte materialen, herkent het
systeem mogelijkerwijs niet.
Parkeerhulpsystemen detecteren
geen voorwerpen buiten het
detectiebereik.
Geavanceerde parkeerhulp
9Waarschuwing
De bestuurder is geheel verant‐
woordelijk voor het accepteren
van de door het systeem voorge‐
stelde parkeerplek en het inparke‐
ren.
Controleer bij het gebruik van de
geavanceerde parkeerhulp de
zone rondom de auto in alle rich‐
tingen.
186 Rijden en bediening
De geavanceerde parkeerhulp meet
tijdens het passeren of het parkeer‐
vak groot genoeg is, de functie bere‐
kent het traject en stuurt de auto auto‐
matisch tijdens het inparkeren.
Geavanceerde parkeerhulp biedt
hulp bij de volgende handelingen:
Inparkeren bij fileparkeren.
Inparkeren bij haaks parkeren.
Uitparkeren bij fileparkeren.
U hoeft alleen op te trekken, te
remmen en te schakelen, het sturen
gebeurt automatisch. U kunt het
sturen altijd overnemen door het
stuurwiel beet te pakken.
U moet mogelijk meerdere keren
voor- en achteruitrijden.
Instructies verschijnen op het Info-
Display 3 104.
De geavanceerde parkeerhulp is
alleen te activeren, wanneer u voor‐
uitrijdt.
De geavanceerde parkeerhulp werkt
altijd samen met de parkeerhulp voor/
achter.
Het systeem heeft zes ultrasone
parkeersensoren in voor- en achter‐
bumper.
Inparkeren bij fileparkeren
Inschakelen
Verlaag de rijsnelheid tot onder
20 km/u.
7" Colour-Info-Display: om een
parkeervak te zoeken activeert u het
systeem door Parkeerhulp te selecte‐
ren op de startpagina van het
aanraakscherm. Selecteer vervol‐
gens Hier fileparkeren.
8" Colour-Info-Display: om een
parkeervak te zoeken activeert u het
systeem door op Í te drukken. Kies
Rijfuncties op het aanraakscherm en
vervolgens Parkeerhulp. Kies Haaks
inparkeren.
Kies met de richtingaanwijzerhendel
de kant van de weg waar u wenst te
parkeren.
De afstand tussen uw auto en de rij
geparkeerde auto's bedraagt zo'n 0,5
tot 1,5 meter.
Het systeem detecteert geen vakken
die te klein of veel te groot zijn voor
uw auto.
Rijden en bediening 187
Wanneer er een vrij vak is gevonden,
wordt dit op het Colour-Info-Display
aangegeven in combinatie met een
akoestisch signaal. Rijd langzaam
vooruit. Stop de auto wanneer het
tweede akoestische signaal klinkt,
schakel de achteruitversnelling in,
laat het stuurwiel los en begin lang‐
zaam te rijden. Er verschijnt een visu‐
ele terugkoppeling op het Colour-
Info-Display.
Rijd voor- en achteruit en let daarbij
op de waarschuwingen van de
parkeerhulp totdat de handeling is
afgerond.
Inparkeren bij haaks parkeren
Inschakelen
7" Colour-Info-Display: om een
parkeervak te zoeken activeert u het
systeem door Parkeerhulp te selecte‐
ren op de startpagina van het
aanraakscherm. Selecteer vervol‐
gens Hier dwarsparkeren.
8" Colour-Info-Display: om een
parkeervak te activeren activeert u
het systeem door op Í te drukken.
Kies Rijfuncties op het aanraak‐
scherm en vervolgens Parkeerhulp.
Kies Haaks inparkeren.
Verlaag de rijsnelheid tot onder
20 km/u.
Kies met de richtingaanwijzerhendel
de kant van de weg waar u wenst te
parkeren.
De afstand tussen uw auto en de rij
geparkeerde auto's bedraagt zo'n 0,5
tot 1,5 meter.
Wanneer er meerdere parkeervakken
naast elkaar worden gevonden, wordt
de auto naar het laatste vak gestuurd.
188 Rijden en bediening
Wanneer er een vrij vak is gevonden,
wordt dit op het Colour-Info-Display
aangegeven in combinatie met een
akoestisch signaal. Stop de auto,
schakel de achteruitversnelling in en
rijd op een snelheid tot 7 km/u.
Rijd voor- en achteruit volgens de
instructies en let daarbij op de waar‐
schuwingen van de parkeerhulp en
de geluidssignalen totdat de hande‐
ling is afgerond. Na afloop dooft $ op
de instrumentengroep.
Het systeem wordt tijdens een
parkeermanoeuvre automatisch
gedeactiveerd, wanneer de achter‐
kant van de auto een obstakel tot op
minder dan 50 cm is genaderd.
Uitparkeren bij fileparkeren
Inschakelen
7" Colour-Info-Display: bij het verla‐
ten van een naastgelegen parkeervak
activeert u het systeem door
Parkeerhulp te selecteren op de start‐
pagina van het aanraakscherm. Kies
vervolgens Uitparkeren bij
fileparkeren.
8" Colour-Info-Display: om uit te
parkeren bij fileparkeren activeert u
het systeem door op Í te drukken.
Kies Rijfuncties op het aanraak‐
scherm en vervolgens Parkeerhulp.
Kies Uitparkeren bij fileparkeren.
Kies met de richtingaanwijzerhendel
de kant waaraan u wilt uitparkeren.
Schakel de achteruitversnelling of
een versnelling voorruit in, laat het
stuurwiel los en rijd op een snelheid
tot 5 km/u.
Rijd voor- en achteruit en let daarbij
op de waarschuwingen van de
parkeerhulp totdat de handeling is
afgerond. De manoeuvre is voltooid
wanneer de voorwielen van de auto
de parkeerplek hebben verlaten.
Controleer na deactivering of u de
auto weer onder controle hebt.
Displayweergave
De instructies op het display tonen:
Algemene tips en waarschu‐
wingsberichten.
Het verzoek om te stoppen
wanneer een parkeervak is
gevonden.
Rijden en bediening 189
De richting waarin u rijdt om in te
parkeren.
Het verzoek tot inschakelen van
de achteruit- of eerste versnel‐
ling.
Het verzoek tot stoppen of tot
langzaam rijden.
Het goed inparkeren, aangege‐
ven door een pop-upsymbool en
een akoestisch signaal.
Het annuleren van een inpar‐
keermanoeuvre.
Uitschakelen
De actuele parkeermanoeuvre is te
annuleren met een druk op de knop
waarmee u teruggaat naar het voor‐
gaande scherm van het Colour-Info-
Display. Druk om het systeem hele‐
maal te deactiveren op ¼ op de
middenconsole.
Het systeem wordt automatisch
gedeactiveerd:
bij uitschakeling van het contact
bij het uitvallen van de motor
als u niet binnen 5 minuten na
selectie van een bepaalde
parkeermanoeuvre aan de
manoeuvre begint
bij langdurige stilstand van de
auto tijdens een manoeuvre
als de elektronische stabiliteits‐
regeling (ESC) wordt getriggerd
als de rijsnelheid de aangegeven
limiet overschrijdt
wanneer de bestuurder de stuur‐
wielbeweging afbreekt
na 4 manoeuvreercycli (een
manoeuvreercyclus bestaat uit
een beweging achteruit en een
beweging vooruit)
bij het openen van het bestuur‐
dersportier
als een van de voorwielen in
contact komt met een obstakel
wanneer het inparkeren is gelukt
Wanneer u het systeem deactiveert
of wanneer het systeem zichzelf
deactiveert tijdens het inparkeren,
geeft het display dit aan. Ook klinkt er
een akoestisch signaal.
Het systeem wordt automatisch uitge‐
schakeld bij aansluiting van een
aanhanger op het elektrische
systeem van de auto.
Neem contact op met de dealer om
het systeem voor langere tijd uit te
schakelen.
Storing
Bij een storing verschijnt er een
bericht op het Colour-Info-Display en
klinkt er een geluidssignaal.
Bij een storing in de stuurbekrachti‐
ging licht H op en verschijnt er een
bericht op het Driver Information
Center.
9Waarschuwing
Onder bepaalde omstandigheden
kunnen reflecterende oppervlak‐
ken van uiteenlopende aard op
voorwerpen of kleding evenals
190 Rijden en bediening
externe geluidsbronnen ertoe
leiden dat het systeem obstakels
niet waarneemt.
In het bijzonder moet gelet worden
op lage obstakels die het onderste
gedeelte van de bumper kunnen
beschadigen.
Voorzichtig
Het systeem werkt eventueel
minder goed wanneer de senso‐
ren zijn bedekt, bijv. met ijs of
sneeuw.
Het parkeerhulpsysteem werkt bij
een zware belading eventueel
minder goed.
Voor grotere auto's in de buurt
(bijv. off-roads, minivans, vans)
gelden speciale voorwaarden. De
objectherkenning en de juiste
afstandsindicatie in het bovenste
deel van deze voertuigen kan niet
worden gegarandeerd.
Objecten met een erg klein reflec‐
tievlak, bijv. smalle voorwerpen of
zachte materialen, herkent het
systeem mogelijkerwijs niet.
Parkeerhulpsystemen detecteren
geen voorwerpen buiten het
detectiebereik.
Let op
Mogelijk detecteert de sensor een
niet-bestaand object als gevolg van
echostoring van buitengeluiden of
mechanische verstoringen (sporadi‐
sche valse waarschuwingen kunnen
voorkomen).
Zorg ervoor dat de kentekenplaat
voor goed gemonteerd is (niet
verbogen en geen speling ten
opzichte van de bumper links of
rechts) en dat de sensoren goed op
hun plek zitten.
De geavanceerde parkeerhulp
reageert eventueel niet op verande‐
ringen in de beschikbare parkeer‐
plek nadat u met het inparkeren bent
begonnen. Het systeem kan een
ingang, een oprit, een binnenplaats
of zelfs een kruising als een parkeer‐
plek herkennen. Na het inschakelen
van de achteruitversnelling begint
het systeem met inparkeren. Kijk
goed of de voorgestelde parkeerplek
inderdaad beschikbaar is.
Het systeem detecteert geen onre‐
gelmatigheden in het wegdek, bijv.
op bouwterreinen. De bestuurder
neemt de verantwoordelijkheid op
zich.
Blindehoeksysteem
Het dodehoeksysteem detecteert en
meldt objecten die zich, binnen een
specifieke dodehoekzone, aan
weerszijden van de auto bevinden.
Het systeem geeft een visueel alarm
visueel in elke buitenspiegel bij het
detecteren die in de binnen- en
buitenspiegels wellicht niet zichtbaar
zijn.
Het dodehoeksysteem maakt gebruik
van sommige sensoren van de
geavanceerde parkeerhulp in de
voor- en achterbumper aan beide
zijden van de auto.
Rijden en bediening 191
9Waarschuwing
Het blinde-hoeksysteem vervangt
het zicht van de bestuurder niet.
Het systeem detecteert geen:
auto's die zich buiten de blinde
hoeken bevinden, en die moge‐
lijk snel naderen
voetgangers, fietsers of dieren
Controleer voordat u van rijstrook
verandert altijd alle spiegels, kijk
over uw schouder en gebruik de
richtingaanwijzer.
Inschakelen
7'' Colour-Info-Display: selecteer
Dodehoekbewaking op de beginpa‐
gina van het aanraakscherm en acti‐
veer de functie.
8'' Colour-Info-Display: druk op Í.
Kies Rijfuncties op het aanraak‐
scherm en kies vervolgens
Dodehoekdetectie. Activeer de func‐
tie.
B brandt continu groen op de instru‐
mentengroep om aan te geven dat
het systeem geactiveerd is.
Werking
Wanneer het systeem tijdens het
vooruitrijden een voertuig in een dode
hoek detecteert, gaat een rond ledje
op de desbetreffende buitenspiegel
branden.
Het ledje gaat bij detectie van het
voertuig onmiddellijk branden.
Wanneer u zelf langzaam inhaalt,
gaat het ledje met vertraging bran‐
den.
Gebruiksvoorwaarden
Voor een juiste werking moet aan de
volgende voorwaarden zijn voldaan:
Alle voertuigen rijden in dezelfde
richting en in aangrenzende rijst‐
roken.
Uw auto heeft een rijsnelheid
tussen 12 en 140 km/u.
U haalt in met een relatief snel‐
heidsverschil kleiner dan 10 km/
u.
U wordt ingehaald door een
ander voertuig met een relatief
snelheidsverschil kleinder dan 25
km/u.
De verkeersstroom is normaal.
U rijdt op een weggedeelte met
geen of weinig bochten.
Er hangt geen aanhangwagen
achter de auto.
Er wordt niet gewaarschuwd in de
volgende situaties:
Als obstakels niet bewegen
(zoals bij geparkeerde voertui‐
gen, verkeersdrempels, straat‐
verlichting, verkeersborden...).
192 Rijden en bediening
Bij voertuigen die in tegenge‐
stelde richting rijden.
Op slingerende wegen of in
scherpe bochten.
U haalt een zeer lang voertuig
(vrachtwagen, bus...) in of wordt
erdoor ingehaald en dit voertuig
wordt niet alleen opgemerkt door
de dodehoekdetectie, maar is
tevens zichtbaar in het gebied
voor de auto.
In zeer druk verkeerd: gedetec‐
teerde voertuigen voor en achter
uw auto worden ten onrechte
geïnterpreteerd als een vracht‐
wagen of een stilstaand obstakel.
Wanneer u op te hoge snelheid
inhaalt.
Uitschakelen
Het systeem is te deactiveren in het
menu Persoonlijke instellingen
3 108. Op de instrumentengroep
dooft B. Ook klinkt er een akoestisch
signaal.
De stand van het systeem wordt bij
uitschakeling van het contact opge‐
slagen.
Het systeem wordt automatisch
gedeactiveerd bij aansluiting van een
aanhanger op het elektrische
systeem van de auto.
Bij slecht weer zoals bijvoorbeeld
hevige regenval, neemt het systeem
mogelijk onjuist waar.
Storing
Bij een storing knippert B even op het
instrumentenpaneel in combinatie
met F en een displaybericht.
Neem contact op met een dealer of
een erkende werkplaats voor een
controle van het systeem.
Panoramazichtsysteem
Met dit systeem ziet u de omgeving
van de auto als een afbeelding van
bijna 360° op het Info-Display, als het
ware van boven af.
Het systeem gebruikt:
camera achter, in de achterklep
ultrasone parkeersensoren in de
achterbumper
camera voor, in de voorgrille
onder het embleem
ultrasone parkeersensoren in de
voorbumper
Het scherm op het Info-Display is
verdeeld in twee delen: rechts ziet u
het bovenaanzicht van de auto en
links het achter- of vooraanzicht. De
parkeersensoren vormen een aanvul‐
ling op het panoramische bovenaan‐
zicht van de auto.
Inschakelen
Het panoramazichtsysteem wordt
geactiveerd door:
inschakelen van een versnelling
of versnellingsbak in een
neutraalstand (vooraanzicht)
inschakelen van de achteruitver‐
snelling (achteraanzicht)
handmatig in het weergaveselec‐
tiemenu
te dicht naderen van een object
vóór de auto
snelheden tot 20 km/u
Persoonlijke instellingen 3 108
Rijden en bediening 193
Werking
Links op het display kunt u de
verschillende weergaven kiezen.
Wijzig het soort weergave te allen
tijde tijdens een manoeuvre door het
aanraakveld onderin het display aan
te raken en een weergave uit het
weergaveselectiemenu te selecteren:
Standaardweergave
Auto-modus
Ingezoomde weergave
180°-weergave
Bij het kiezen van een bepaalde
weergave wordt het display onmid‐
dellijk bijgewerkt.
Auto-modus is standaard geacti‐
veerd. In deze modus selecteert het
systeem op basis van de informatie
van de parkeersensoren de beste
weergave, de standaardweergave of
ingezoomde weergave.
De stand van het systeem blijft bij
uitschakeling van het contact niet in
het geheugen staan.
Standaardweergave
De standaardweergave bestaat uit
een achteraanzicht en een vooraan‐
zicht.
Zicht naar achteren
Het gebied achter de auto wordt
weergegeven op het scherm. De
verticale lijnen geven de breedte van
de auto aan met de spiegels uitge‐
klapt. De lijnen buigen met het stuur‐
wiel mee.
De eerste horizontale lijn ligt op een
afstand van zo'n 30 cm van de rand
van de achterbumper. De bovenste
twee horizontale lijnen liggen op ca.
één en respectievelijk twee meter van
de rand van de achterbumper.
Deze weergave is beschikbaar in de
AUTO-modus of in het menu voor
Weergavekeuze.
Zicht voor
Het gebied vóór de auto wordt weer‐
gegeven op het scherm. De verticale
lijnen geven de breedte van de auto
aan met de spiegels uitgeklapt. De
lijnen buigen met het stuurwiel mee.
De eerste horizontale lijn ligt op een
afstand van zo'n 30 cm van de rand
van de voorbumper. De bovenste
twee horizontale lijnen liggen op ca.
één en respectievelijk twee meter van
de rand van de voorbumper.
194 Rijden en bediening
Deze weergave is beschikbaar in de
AUTO-modus of in het menu voor
Weergavekeuze.
Auto-modus
Deze modus is standaard geacti‐
veerd. Als de auto tijdens een
parkeermanoeuvre een obstakel
nadert, wordt op basis van informatie
van de parkeersensoren in de achter-
of de voorbumper automatisch over‐
geschakeld van een achterzicht of
een vooraanzicht naar een boven‐
aanzicht.
Ingezoomde weergave
De camera registreert de omgeving
van de auto tijdens het parkeren om
een bovenaanzicht van de achter- of
voorzijde van de auto en het omrin‐
gende gebied te creëren, zodat u de
auto langs obstakels kunt manoeu‐
vreren. Deze weergave is beschik‐
baar in de AUTO-modus of in het
menu voor Weergavekeuze.
180°-weergave
De 180°-weergave maakt het uitpar‐
keren gemakkelijker, omdat u nade‐
rende voertuigen, voetgangers en
fietsers kunt zien. Het wordt afgera‐
den deze weergave te hanteren voor
een complete parkeermanoeuvre. De
weergave bestaat uit drie gebieden:
link 1, midden 2 en rechts 3. De weer‐
gave is alleen te kiezen in het menu
voor weergavekeuze.
Uitschakelen
Het panoramazichtsysteem wordt
gedeactiveerd wanneer:
wanneer u sneller rijdt dan
30 km/u
zeven seconden na uitschakelen
van de achteruitversnelling
u het pictogram q in de linker
bovenhoek van het aanraak‐
scherm aanraakt
u de achterklep opent
Algemene informatie
9Waarschuwing
Het panoramazichtsysteem kan
nooit het zicht van de bestuurder
vervangen. Het brengt geen
kinderen, voetgangers, fietsers,
kruisend verkeer, dieren of even‐
tuele andere obstakels buiten het
Rijden en bediening 195
zicht van de camera, zoals onder
de bumper of onder de auto, in
beeld.
Gebruik niet alleen het panorama‐
zichtsysteem om te rijden of te
parkeren.
Controleer vóór het wegrijden
altijd de omgeving van de auto.
Weergegeven beelden zijn moge‐
lijk verder weg of dichterbij dan ze
lijken. De weergegeven zone is
beperkt en obstakels dicht bij een
van de randen van de bumper of
onder de bumper worden niet op
het scherm weergegeven.
Systeembeperkingen
Voorzichtig
Voor een optimale werking van het
systeem is het van belang om de
lens van de camera in de achter‐
klep tussen de kentekenverlich‐
ting en de lens in de voorgrille
onder het embleem altijd schoon
te houden. Spoel de lenzen met
water en veeg deze met een
zachte doek af.
Reinig de lenzen niet met een
stoomcleaner of hogedrukreini‐
ger.
Het panoramazichtsysteem werkt
mogelijk niet goed wanneer:
De omgeving donker is.
De zon of de lichtbundel van
koplampen rechtstreeks in de
cameralenzen valt.
U 's nachts rijdt.
Weeromstandigheden het zicht
beperken, zoals bij mist, regen of
sneeuw.
De cameralenzen bedekt zijn met
sneeuw, ijs, slijk, modder, vuil.
De auto een aanhangwagen
trekt.
De auto een aanrijding heeft
gehad.
Sprake is van extreme tempera‐
tuurswisselingen.
Achteruitkijkcamera
De achteruitkijkcamera helpt de
bestuurder bij het achteruitrijden door
middel van een weergave van het
gebied achter de auto.
Het camerabeeld verschijnt op het
Info-Display.
9Waarschuwing
De achteruitrijcamera kan nooit
het zicht van de bestuurder
vervangen. Let op: voorwerpen
die zich buiten het bereik van de
camera en de sensoren van de
parkeerhulp bevinden, bijv. onder
de bumper of onder de auto,
worden niet getoond.
Gebruik niet alleen de achteruit‐
kijkcamera om achteruit te rijden
of te parkeren.
Controleer vóór het wegrijden
altijd de omgeving van de auto.
196 Rijden en bediening
Inschakelen
De achteruitkijkcamera wordt auto‐
matisch ingeschakeld als de auto in
de achteruitversnelling wordt gescha‐
keld.
Werking
De camera is gemonteerd in de
achterklep.
De door de camera weergegeven
zone is beperkt. De afstand op het
beeld op de display, verschilt van de
werkelijke afstand.
Hulplijnen
De verticale lijnen geven de koers van
de auto aan en de afstand tussen de
verticale lijnen komt overeen met de
breedte van de auto zonder buiten‐
spiegels. Rode markeringen geven
50 cm vanaf de achterbumperrand
aan. De eerste complete horizontale
lijn ligt op een afstand van ongeveer
1 m. De afstand tussen elke complete
horizontale lijn is 1 m. De laatste
complete horizontale lijn ligt op 5 m.
Hulplijnen deactiveren
Hulplijnen zijn te deactiveren op het
Info-Display. Kies Instellingen, I
Auto, I Botsdetectie, I Hulplijnen
achteruitkijkcamera, I §.
Info-Display 3 104.
Persoonlijke instellingen 3 108.
Uitschakelen
De camera wordt uitgeschakeld
wanneer er een vooruitversnelling
wordt ingeschakeld.
Systeembeperkingen
De achteruitkijkcamera werkt moge‐
lijk niet goed wanneer:
De omgeving donker is.
De lichtbundel van koplampen
rechtstreeks in de cameralenzen
valt.
U 's nachts rijdt.
Weeromstandigheden het zicht
beperken, zoals bij mist, regen of
sneeuw.
Rijden en bediening 197
De cameralenzen bedekt zijn met
sneeuw, ijs, slijk, modder, vuil.
Reinig de lens, spoel deze met
water en veeg deze met een
zachte doek af.
De achterklep wordt geopend.
De auto een aanhanger trekt die
op het elektrische systeem is
aangesloten.
Een ander voertuig op de achter‐
zijde van uw auto is gebotst.
Sprake is van extreme tempera‐
tuurswisselingen.
Lane Departure Warning
Het Lane Departure Warning-
systeem observeert de rijstrookmar‐
keringen waartussen de auto rijdt via
een frontcamera bovenaan de voor‐
ruit. Het systeem detecteert verande‐
ringen van rijstrook en waarschuwt u
met visuele en akoestische signalen
wanneer u onbedoeld van rijstrook
verandert.
De criteria voor een onbedoelde
verandering van rijstrook zijn:
Geen bediening van de richting‐
aanwijzers.
Geen bediening van het rempe‐
daal.
Geen bediening van het gaspe‐
daal of snelheidsverhoging.
9Waarschuwing
Dit systeem is een rijhulp die niet,
in geen geval, de noodzaak van
waakzaamheid van de bestuurder
kan vervangen.
Inschakelen
Na het inschakelen van het contact
wordt het Lane Departure Warning-
systeem geactiveerd. Als het
systeem is geactiveerd, brandt de
LED in de toets ½ niet. Druk om een
gedeactiveerd systeem te activeren
op ½.
Het systeem werkt alleen bij snelhe‐
den boven 60 km/u en wanneer een
wegbelijning aanwezig is.
Wanneer het systeem een onbe‐
doelde verandering van rijstrook
detecteert, dan knippert het controle‐
lampje ) geel. Tegelijkertijd hoort u
een akoestisch signaal.
198 Rijden en bediening
Uitschakelen
U deactiveert het systeem door op ½
te drukken. Als het systeem is
gedeactiveerd, brandt de LED in de
toets ½.
Bij snelheden lager dan 60 km/u
werkt het systeem niet.
Storing
Bij een storing verschijnt H op het
instrumentenpaneel in combinatie
met een displaybericht. Neem contact
op met een dealer of een erkende
werkplaats voor een controle van het
systeem.
Systeembeperkingen
Het systeem werkt mogelijk niet goed
wanneer:
De rijsnelheid is lager dan
60 km/u.
Voorruit is niet schoon of is
bedekt met vreemde voorwer‐
pen, bijv. stickers.
Rijden op bochtige of heuvelach‐
tige wegen.
U 's nachts rijdt.
Omgevingsomstandigheden zijn
ongunstig, zoals harde regen,
sneeuw, direct zonlicht of scha‐
duwen.
De sensor in de voorruit is bedekt
met sneeuw, ijs, slijk, modder,
vuil, schade aan de voorruit of
werkt slechter door vreemde
voorwerpen, bijv. stickers.
De zon valt rechtstreeks in de
cameralens.
Voorliggers vlakbij.
Rijden op verhoogde wegen.
Rijden aan de rand van de weg.
Rijden op wegen met vage rijst‐
rookmarkeringen.
Plotselinge veranderingen in de
lichtsterkte.
Het systeem kan niet werken als geen
rijbaanmarkering wordt gedetec‐
teerd.
Lane keep assist
Lane Keep Assist helpt bij het voor‐
komen van botsingen wanneer de
rijstrook per ongeluk werd verlaten.
De frontcamera observeert de
wegmarkeringen waar de auto tussen
rijdt. Wanneer de auto de markerin‐
gen nadert, wordt het stuurwiel licht
verdraaid om de auto binnen de
rijstrook te houden. Draai het stuur‐
wiel in dezelfde richting mee als het
systeem onvoldoende stuurt. Draai
het stuurwiel rustig in de tegenover‐
gestelde richting als u van rijstrook
wilt wisselen.
Als een wegmarkering wordt over‐
schreden, geeft Lane Keep Assist
een zicht- en hoorbare waarschu‐
wing.
Rijden en bediening 199
In de volgende gevallen wordt aange‐
nomen dat u de rijstrook per ongeluk
verlaat
u gebruikt de richtingaanwijzer
niet
u remt niet
u accelereert niet
u stuurt niet actief.
Let op
Het systeem wordt uitgeschakeld als
er onduidelijke markeringen zijn,
bijvoorbeeld bij wegwerkzaamhe‐
den.
Let op
Het systeem kan worden uitgescha‐
keld als het wegen waarneemt die te
smal, te breed of te kronkelig zijn.
Inschakelen
Na het inschakelen wordt de lane
keep assist geactiveerd. Als het
systeem is geactiveerd, brandt de
LED in de toets Ó niet. Druk om een
gedeactiveerd systeem te activeren
op Ó.
Wanneer het controlelampje a in de
instrumentengroep groen brandt, is
het systeem klaar voor ondersteu‐
ning.
Het systeem werkt bij snelheden
tussen 65 km/h en 180 km/h, en als
er wegmarkeringen aanwezig zijn. De
bestuurder moet het stuur met beide
handen vasthouden. De verandering
van traject wordt niet begeleid door
werkende richtingaanwijzers. Het
ESC-systeem moet geactiveerd zijn.
Het systeem corrigeert het traject in
de mate die nodig om de auto weer
op het oorspronkelijke pad te brengen
als het bij het onvrijwillig overschrij‐
den van de gedetecteerde rijstrook‐
markeringen een risico waarneemt.
De bestuurder voelt dan dat het stuur‐
wiel draait.
Bij het corrigeren van het traject knip‐
pert de controlelamp a. Op het
Driver Information Center verschijnt
de lijn van de gecorrigeerde zijde in
oranje.
Als de bestuurder het traject van de
auto wenst aan te houden, kan hij/zij
de correctie te voorkomen door het
stuur stevig vast te houden (bijvoor‐
beeld tijdens een uitwijkmanoeuvre).
De correctie wordt onderbroken als
de richtingaanwijzers worden
bediend.
Wanneer de richtingaanwijzers aan
zijn en enkele seconden na het
uitschakelen ervan neemt het
200 Rijden en bediening
systeem aan dat de trajectwijziging
vrijwillig is en wordt er tijdens deze
periode geen correctie geactiveerd.
Als het systeem waarneemt dat de
bestuurder het stuur tijdens een auto‐
matische trajectcorrectie niet
voldoende stevig vasthoudt, onder‐
breekt het de correctie. Er volgt een
waarschuwing dat de bestuurder de
controle over de auto weer moet over‐
nemen.
Uitschakelen
U deactiveert het systeem door Ó
gedurende enkele seconden in te
drukken; de LED in de knop gaat
branden. Op het Driver Information
Center verschijnen ononderbroken
grijze lijnen.
Storing
De werking van het systeem kan
worden beïnvloed door:
Voorruit niet schoon of bedekt
met vreemde voorwerpen, bijv.
stickers
Voorliggers vlakbij
Overhellende wegen
Bochtige of heuvelachtige wegen
Bermen
Wegen met slechte wegmarke‐
ringen
Plotselinge veranderingen in de
lichtsterkte
Ongunstige weersomstandighe‐
den, zoals zware regen- of
sneeuwval
Wijzigingen aan de auto, bijv.
banden.
Schakel het systeem uit als het wordt
verstoord door teersporen, schadu‐
wen, scheuren in het wegdek, tijde‐
lijke wegmarkeringen, wegwerk‐
zaamheden of andere onregelmatig‐
heden in het wegdek.
9Waarschuwing
Let altijd op de weg en houd de
auto op de juiste plaats op de
rijstrook. Doet u dit niet, dan kan
dit leiden tot schade aan de auto,
of letsel of de dood.
Lane Keep Assist stuurt de auto
niet continu.
Het systeem houdt de auto niet
noodzakelijkerwijs op de rijstrook.
Het hoeft ook geen waarschuwing
te geven, zelf als worden er rijst‐
rookmarkeringen waargenomen.
De stuurbekrachtiging van de
Lane Keep Assist is mogelijk
ontoereikend om te voorkomen
dat de rijstrook wordt verlaten.
Het systeem neemt door invloe‐
den van buitenaf (staat van de
weg, type wegdek, het weer enz.)
wellicht niet waar dat u de handen
van het stuurwiel hebt. De
bestuurder is volledig verantwoor‐
delijk voor het besturen van de
auto en moet onderweg de
handen altijd op het stuurwiel
houden.
Als u het systeem gebruikt terwijl
u een aanhanger trekt of op een
gladde weg rijdt, dan kunt u de
controle over de auto verliezen en
een ongeluk krijgen. Schakel het
systeem uit.
Rijden en bediening 201
Vermoeidheidsdetectie
Het vermoeidheidsdetectiesysteem
bewaakt de reistijd en de waakzaam‐
heid van de bestuurder. Het systeem
bewaakt de waakzaamheid van de
bestuurder door de trajectvariaties
van de auto te vergelijken met de rijst‐
rookmarkeringen.
Het systeem omvat een reistijdwaar‐
schuwing in combinatie met een
bestuurdersvermoeidheidsdetectie.
9Waarschuwing
Het systeem kan niet de noodzaak
van waakzaamheid van de
bestuurder vervangen. We advi‐
seren u bij eventuele vermoeid‐
heid of ten minste om de twee uur
even te pauzeren. Ga niet rijden
als u vermoeid bent.
Activeren of deactiveren
Het systeem kan worden geactiveerd
of gedeactiveerd in de Persoonlijke
instellingen 3 108
De stand van het systeem blijft bij
uitschakeling van het contact in het
geheugen staan.
Rijtijdwaarschuwing
U krijgt het waarschuwingssymbool
op het Driver Information Center te
zien in combinatie met een akoes‐
tisch signaal, als u twee uur lang non-
stop op een snelheid hoger dan
65 km/u hebt gereden. De waarschu‐
wing wordt ieder uur herhaald totdat
de auto stilstaat, ongeacht hoe de
rijsnelheid zich verder ontwikkelt.
De tellerfunctie voor de rijtijdwaar‐
schuwing wordt gereset, wanneer het
contact enkele minuten uitgestaan
heeft.
Bestuurdersvermoeidheidsdetec‐
tie
Het systeem bewaakt het waakzaam‐
heidsniveau van de bestuurder. Een
camera bovenaan de voorruit detec‐
teert trajectvariaties ten opzichte van
de rijstrookmarkeringen. Dit systeem
is met name geschikt voor wegen
waar snel mag worden gereden (snel‐
heid meer dan 65 km/u).
Als het traject een bepaalde mate van
vermoeidheid of onoplettendheid van
de bestuurder doet vermoeden, acti‐
veert het systeem het eerste waar‐
schuwingsniveau. De bestuurder
ontvangt een bericht en er klinkt een
geluidssignaal.
Na drie waarschuwingen op het
eerste niveau activeert het systeem
een nieuwe waarschuwing met een
bericht en een doordringender
geluidssignaal.
In bepaalde omstandigheden (slecht
wegdek of harde wind) geeft het
systeem ongeacht het waakzaam‐
heidsniveau van de bestuurder
mogelijk waarschuwingen af.
De bestuurdersvermoeidheidsdetec‐
tie wordt opnieuw geïnitialiseerd als
het contact enkele minuten uitge‐
schakeld is geweest of als de snel‐
heid enkele minuten lager dan 65 km/
u is.
202 Rijden en bediening
Systeembeperkingen
In de volgende situaties werkt het
systeem mogelijk niet goed of hele‐
maal niet:
Slecht zicht als gevolg van onvol‐
doende verlichting van het
wegdek, vallende sneeuw,
hevige regenval, dichte mist enz.
Verblinding door koplampen van
tegenliggers, laagstaande zon,
weerkaatsingen op een vochtig
wegdek, uitrijden van een tunnel,
afwisselend schaduw en licht
enz.
Voorruitgedeelte vóór de camera
bedekt met vuil, sneeuw, stickers
enz.
Geen rijstrookmarkeringen gede‐
tecteerd of meerdere rijstrook‐
markeringen wegens wegwerk‐
zaamheden
Voorliggers vlakbij
Slingerende wegen of smalle
wegen
Brandstof
Brandstof voor
benzinemotoren
Gebruik uitsluitend ongelode brand‐
stof die voldoet aan de Europese
norm EN 228 of E DIN 51626-1 of
gelijkwaardig.
De motor kan draaien op brandstof
met een ethanolgehalte van maxi‐
maal 10% (bijv. E10).
Brandstof met het aanbevolen
octaangetal gebruiken. Bij een lager
octaangetal kunnen het motorvermo‐
gen en -koppel lager zijn en neemt het
brandstofverbruik iets toe.
Voorzichtig
Gebruik geen brandstof of brand‐
stofadditieven die metalen
bestanddelen bevatten, zoals
additieven op mangaanbasis. Dat
kan motorschade veroorzaken.
Voorzichtig
Gebruik van brandstof die niet
voldoet aan EN 228 of E DIN
51626-1 of soortgelijk, kan leiden
tot afzettingen of motorschade.
Voorzichtig
Gebruik van brandstof met een
lager octaangetal dan het laagst
mogelijke octaangetal kan onge‐
controleerde verbranding en
motorschade veroorzaken.
Voor de motorspecifieke vereisten
met betrekking tot het octaangetal
verwijzen we u naar het overzicht
motorgegevens 3 253. Eventuele
andere informatie op een label op de
tankvulklep heeft altijd prioriteit.
Brandstofadditieven buiten
Europa
Brandstof moet reinigende additieven
bevatten die voorkomen dat de motor
en het brandstofsysteem aankoeken.
Rijden en bediening 203
Met schone verstuivers en inlaatklep‐
pen werkt de emissieregeling goed.
Sommige brandstoffen bevatten niet
voldoende additieven om de verstui‐
vers en de inlaatkleppen schoon te
houden.
Vul ter compensatie van dit zelfreini‐
gende vermogen bij elke keer olie
verversen of om de 10.000 km, wat
het eerst van toepassing is Fuel
System Treatment PLUS in de brand‐
stoftank bij. Dit is verkrijgbaar bij uw
werkplaats.
In sommige steden zijn brandstoffen
met oxygenaten zoals ethers en etha‐
nol en brandstof van vernieuwde
samenstelling verkrijgbaar. Als deze
brandstoffen voldoen aan de boven‐
genoemde specificatie, kunnen ze
worden gebruikt. Echter, E85 (85%
ethanol) en andere brandstoffen met
meer dan 15% ethanol mogen alleen
worden gebruikt in FlexFuel-voertui‐
gen.
Voorzichtig
Gebruik geen brandstof die
methanol bevat. Deze kan corro‐
sie op metalen onderdelen in het
brandstofsysteem en ook schade
aan kunststof en rubberen onder‐
delen veroorzaken. Deze schade
wordt niet gedekt door de garantie
op de auto.
Sommige brandstoffen, met name
brandstoffen met een hoog octaan‐
getal, kunnen een octaanverhogend
additief met de naam methylcyclo‐
pentadienylmangaantricarbonyl
(MMT) bevatten. Gebruik geen
brandstof of brandstofadditieven met
MMT omdat daardoor mogelijk de
bougies minder lang meegaan en de
emissieregeling minder goed werkt.
De storingsindicatielamp Z licht
mogelijk op 3 97. Roep als dit gebeurt
de hulp van een werkplaats in.
Brandstof voor
dieselmotoren
Alleen loodvrije dieselbrandstof
gebruiken die voldoet aan EN 590.
In landen buiten de Europese Unie
Euro dieselbrandstof met een zwavel‐
gehalte van minder 50 ppm gebrui‐
ken.
Voorzichtig
Gebruik van brandstof die niet
voldoet aan EN 590 of soortgelijk,
kan leiden tot een verminderd
motorvermogen, meer slijtage of
motorschade.
Gebruik geen scheepsdieseloliën,
lichte stookoliën, Aquazole en soort‐
gelijke diesel-water emulsies. Het is
niet toegestaan om dieseloliën aan te
lengen met brandstoffen voor benzi‐
nemotoren.
204 Rijden en bediening
Rijden bij lage temperaturen
Bij temperaturen onder 0 °C kunnen
sommige dieselproducten met bijge‐
mengde biodiesel aankoeken, bevrie‐
zen of gelvormig worden, waardoor
het brandstoftoevoersysteem moge‐
lijk minder goed werkt. Starten en
draaien van de motor werken moge‐
lijk niet goed. Tank bij temperaturen
onder 0 °C altijd winterdiesel.
Bij temperaturen onder -20 °C kan
dieselbrandstof met een kwaliteit voor
zeer lage temperaturen worden
gebruikt. Gebruik deze brandstofkwa‐
liteit bij voorkeur niet in warme of
tropische klimaten, omdat hierdoor de
motor kan afslaan of slecht start en
het brandstofinspuitsysteem schade
kan oplopen.
Tanken
9Gevaar
Schakel het contact en externe
verwarmingen met verbrandings‐
kamers uit alvorens te beginnen
met tanken.
Volg de bedienings- en veilig‐
heidsinstructies van het tanksta‐
tion tijdens het tanken.
9Gevaar
Brandstof is brandbaar en explo‐
sief. Niet roken. Geen open vuur
of vonken.
Wanneer u brandstof in de auto
kunt ruiken, dient u de oorzaak
daarvan onmiddellijk door een
werkplaats te laten verhelpen.
Voorzichtig
Wanneer u foute brandstof hebt
getankt, mag u het contact niet
aanzetten.
De tankklep zit achteraan aan de
rechterzijde van de auto.
Rijden en bediening 205
De tankvulklep kan alleen bij een
ontgrendelde auto worden geopend.
Ontgrendel de tankvulklep door tegen
de klep te duwen.
Benzine en diesel tanken
Open de tank door de dop langzaam
linksom te draaien.
Hang tijdens het tanken de tankdop
aan de haak aan de binnenzijde van
de tankvulklep.
Om te tanken, het vulpistool volledig
in de vulopening brengen en inscha‐
kelen.
Na het automatisch afslaan kunt de
tank nog maximaal twee keer door
drukken op het pistool helemaal vol
maken.
Voorzichtig
Gemorste brandstof onmiddellijk
afwassen.
Om hem te sluiten, draait u de tank‐
dop rechtsom tot hij vastklikt.
Klepje sluiten en vastklikken.
Tankdop
Gebruik uitsluitend originele tankdop‐
pen.
Auto's met een dieselmotor hebben
een speciale tankdop.
Brandstofverbruik -
CO2-uitstoot
De waarde van het brandstofverbruik
(gecombineerd) van het model Opel
Grandland X ligt binnen een bereik
van 5,5 tot 4,3 l/100 km.
Afhankelijk van het land verschijnt het
brandstofverbruik in km/l.
De waarde van de CO2 emissie
(gecombineerd) ligt binnen een
bereik van 127 tot 111 g/km.
Raadpleeg voor de waarden die
specifiek voor uw voertuig gelden het
'EEC Certificate of Conformity' dat bij
uw voertuig werd geleverd of de
andere nationale autopapieren.
206 Rijden en bediening
Algemene informatie
De opgegeven getallen voor het offi‐
ciële brandstofverbruik en specifieke
CO2-emissie hebben betrekking op
het EU-basismodel met standaard
uitrusting.
Brandstofverbruiksgegevens en
CO2-emissiegegevens worden
bepaald volgens verordening R (EG)
nr. 715/2007 (in de respectieve, van
toepassing zijnde versie), waarbij
rekening wordt gehouden met het
gewicht van de auto in bedrijfstoe‐
stand, zoals voorgeschreven door de
verordening.
De getallen worden alleen gegeven
ter vergelijking tussen verschillende
varianten van de auto's en mogen niet
als garantie worden opgevat voor het
werkelijke brandstofverbruik van een
bepaalde auto. Accessoires leiden
mogelijk tot een verhoging ten
opzichte van het opgegeven brand‐
stofverbruik en de CO2- emissie. Het
brandstofverbruik hangt bovendien af
van de persoonlijke rijstijl, de staat
van het wegdek en de verkeersom‐
standigheden.
Trekhaak
Algemene informatie
Alleen trekhaken gebruiken die voor
uw auto zijn goedgekeurd. Voor
auto's die op aardgas rijden is speci‐
ale sleepapparatuur nodig.
Het achteraf monteren van een trek‐
haak door een werkplaats laten
uitvoeren. Indien nodig wijzigingen in
de auto aanbrengen, zoals in het
koelsysteem, de hitteschilden of
andere uitrusting.
De lamp-uitvaldetectie van het
aanhangerremlicht constateert geen
individueel uitgevallen lampen. Bij
bijv. 4 x 5 W wordt er pas uitval gecon‐
stateerd als alleen een lamp van
5 W of geen lampen aan blijven.
Door montage van een trekhaak
wordt de opening voor het sleepoog
mogelijk afgedekt. Maak in dat geval
gebruik van een kogelstang. De
kogelstang altijd in de auto bewaren.
Rijgedrag en aanhangertips
Alvorens een aanhangwagen aan te
koppelen, de kogel van de trekhaak
smeren. Bij gebruik van een trillings‐
demper die slingerbewegingen
dempt en op de koppelingskogel
inwerkt, mag de kogel niet worden
gesmeerd.
Rijd niet sneller dan 80 km/u bij het
trekken van een aanhanger. Een
maximumsnelheid van 100 km/u is
alleen mogelijk als een trillingsdem‐
per wordt gebruikt en het toegestane
maximale aanhangergewicht niet
boven het leeggewicht van het voer‐
tuig komt.
Gebruik van een trillingsdemper
wordt sterk aanbevolen bij aanhan‐
gers met een geringe rijstabiliteit en
caravans.
Als de aanhanger begint te slingeren,
langzamer gaan rijden, niet tegenstu‐
ren en indien nodig krachtig remmen.
Bergafwaarts dezelfde versnelling
inschakelen als bergopwaarts en
ongeveer dezelfde snelheid aanhou‐
den.
Rijden en bediening 207
Bandenspanning instellen op de
waarde voor maximale belading
3 257.
Aanhanger trekken
Trekgewicht
Het maximaal toelaatbare trekge‐
wicht hangt af van de auto en de
motor en mag niet worden overschre‐
den. Het werkelijke trekgewicht is het
verschilt tussen het werkelijke totaal‐
gewicht van de aanhanger en het
werkelijke kogelgewicht in aangekop‐
pelde toestand.
Het maximaal toelaatbare trekge‐
wicht staat in de autopapieren
vermeld. Dit geldt over het algemeen
voor hellingspercentages tot max.
12%.
De toelaatbare aanhangerbelasting
geldt voor de vermelde hellingshoek
en op zeeniveau. Omdat het motor‐
vermogen bij toenemende hoogte
door de lagere luchtdichtheid daalt en
het klimvermogen daardoor afneemt,
moet het maximaal toelaatbare trein‐
gewicht voor elke 1000 meter hoog‐
tetoename met 10% worden vermin‐
derd. Bij het rijden op wegen met een
gering hellingspercentage (minder
dan 8%, bijv. snelwegen) hoeft het
maximaal toelaatbare treingewicht
niet te worden verminderd.
Het maximaal toelaatbare treinge‐
wicht mag niet worden overschreden.
Het maximaal toelaatbare treinge‐
wicht staat op het typeplaatje 3 248
vermeld.
Kogeldruk
De kogeldruk is de kracht waarmee
de aanhanger op de koppelingskogel
drukt. De gewichtsverdeling bij het
laden van de aanhanger is van
invloed op de kogeldruk.
De maximaal toelaatbare kogeldruk
(70 kg) staat op het typeplaatje van de
trekhaak en in de autopapieren
vermeld.
Altijd de maximale kogeldruk nastre‐
ven, vooral bij zware aanhangers.
Nooit rijden met een kogeldruk lager
dan 25 kg.
Achterasbelasting
Bij een aangekoppelde aanhanger en
een maximale belading van de auto,
mag de toelaatbare achterasbelas‐
ting (zie typeplaatje of autopapieren)
met 60 kg overschreden worden en
ook het toelaatbare totaalgewicht
mag met 60 kg worden overschreden.
Wordt de toelaatbare achterasbelas‐
ting overschreden, dan geldt een
maximumsnelheid van 100 km/u.
Trekhaak
Voorzichtig
Bij het rijden zonder aanhanger,
de kogelstang demonteren.
208 Rijden en bediening
Bevestiging van de kogelstang
Klik de aansluiting los en klap deze
omlaag. Afsluitplug uit kogelstango‐
pening trekken en opbergen.
Spanstand kogelstang controleren
Het rode merkteken op de draai‐
knop moet naar het groene merk‐
teken op de kogelstang gericht
zijn.
De opening tussen de draaiknop
en de kogelstang moet ca.
6 mm bedragen.
Haal de kap van de vergrende‐
ling van de draaiknop en ga na of
de draaiknop vergrendeld is. Als
de draaiknop niet kan worden
verdraaid, is deze vergrendeld.
Anders moet de kogelstang vóór het
monteren worden aangespannen:
Ontgrendel de kogelstang door
de sleutel naar stand c te
draaien.
Rijden en bediening 209
Trek de draaiknop naar buiten en
draai deze zo ver mogelijk
rechtsom.
Kogelstang monteren
Aangespannen kogelstang in de
kogelstangopening steken en stevig
omhoogduwen totdat deze hoorbaar
vastklikt.
De draaiknop springt automatisch
terug in de uitgangspositie en rust
zonder speling tegen de kogelstang.
9Waarschuwing
Draaiknop bij het monteren niet
aanraken.
Vergrendel de kogelstang door de
sleutel naar stand e te draaien. Sleu‐
tel verwijderen en beschermkapje
dichtdrukken.
Oog voor veiligheidskabel
Veiligheidskabel aan oog vasthaken.
Correcte montage van de kogelstang
controleren
Het groene merkteken op de
draaiknop moet naar het groene
merkteken op de kogelstang
gericht zijn.
Tussen de draaiknop en de
kogelstang mag geen speling
zitten.
210 Rijden en bediening
De kogelstang moet stevig in de
kogelstangopening vergrendeld
zijn.
De kogelstang moet zijn en de
sleutel moet verwijderd zijn.
9Waarschuwing
Rijden met een aanhanger is
alleen toegestaan bij een correct
gemonteerde kogelstang. Als u de
kogelstang niet correct gemon‐
teerd krijgt, de hulp van een werk‐
plaats inroepen.
Demontage van de kogelstang
Open de beschermende klep en draai
de sleutel naar stand c om de kogel‐
stang te ontgrendelen.
Trek de draaiknop naar buiten en
draai deze zo ver mogelijk rechtsom.
Trek de kogelstang naar onderen toe
los.
Plaats de dekplug in de trekhaakope‐
ning. Klap de aansluiting weg.
Aanhangerstabilisatie
Als het systeem een sterke slinger‐
beweging registreert, dan wordt het
motorvermogen verlaagd en de auto/
aanhangercombinatie afgeremd
totdat de slingerbeweging stopt.
Wanneer het systeem actief is, moet
u het stuurwiel zo stil mogelijk
houden.
Aanhangerstabilisatie (TSA) maakt
deel uit van de elektronische stabili‐
teitsregeling 3 160.
Verzorging van de auto 211
Verzorging van de
auto
Algemene informatie .................. 211
Accessoires en modificaties van
auto ........................................ 211
Auto stallen .............................. 212
Verwerking van sloopauto ....... 213
Controle van de auto ................. 213
Werkzaamheden uitvoeren ..... 213
Motorkap ................................. 213
Motorolie .................................. 214
Koelvloeistof ............................ 215
Sproeiervloeistof ...................... 216
Remmen .................................. 216
Remvloeistof ............................ 216
Accu ........................................ 217
Dieselbrandstofsysteem
ontluchten ............................... 218
Wisserblad vervangen ............. 218
Gloeilamp vervangen ................. 219
Halogeenkoplampen ............... 219
LED-koplampen ....................... 220
Mistlampen .............................. 221
Achterlichten ............................ 221
Zijrichtingaanwijzers ................ 224
Kentekenverlichting ................. 224
Binnenverlichting ..................... 224
Instrumentenverlichting ........... 224
Boordgereedschap .................... 225
Gereedschap ........................... 225
Velgen en banden ..................... 226
Winterbanden .......................... 226
Aanduidingen op banden ........ 226
Bandenspanning ..................... 226
Drukverliesdetectiesysteem ....228
Profieldiepte ............................ 229
Van banden- en velgmaat
veranderen ............................. 229
Wieldoppen ............................. 230
Sneeuwkettingen ..................... 230
Bandenreparatieset ................. 230
Wiel verwisselen ...................... 233
Reservewiel ............................. 236
Starthulp gebruiken ................... 237
Trekken ...................................... 239
Auto slepen ............................. 239
Andere auto slepen ................. 240
Verzorging van uiterlijk .............. 240
Verzorging exterieur ................ 240
Verzorging interieur ................. 243
Algemene informatie
Accessoires en modificaties
van auto
We adviseren u alleen gebruik te
maken van originele onderdelen,
accessoires en andere uitdrukkelijk
door de fabriek voor uw autotype
goedgekeurde onderdelen. Voor
andere onderdelen kunnen we – ook
als deze door autoriteiten of anders‐
zins zijn goedgekeurd niet beoorde‐
len of deze betrouwbaar zijn en er
evenmin garant voor staan.
Bij eventuele aanpassingen, omzet‐
tingen of andere wijzigingen in de
standaard voertuigspecificaties
(waaronder, zonder beperkingen,
softwarematige aanpassingen,
aanpassingen in de elektronische
regeleenheden) wordt de door Opel
geboden garantie mogelijk ongeldig.
Bovendien kunnen dergelijke wijzi‐
gingen bestuurdersondersteunings‐
systemen, het brandstofverbruik, de
CO2-uitstoot en andere uitstoot van
de auto nadelig beïnvloeden waar‐
door deze mogelijk niet meer voldoet
212 Verzorging van de auto
aan de typegoedkeuring en de
geldigheid van uw kentekenbewijs in
het geding kan komen.
Voorzichtig
Wanneer het voertuig getranspor‐
teerd wordt op een trein of een
takelwagen kunnen de spatlappen
beschadigd worden.
Koubeschermkappen
Om ophopen van sneeuw bij de koel‐
ventilator radiateur te voorkomen,
adviseren we om beschermkappen
aan te brengen.
Neem contact op met uw dealer voor
het aanbrengen van de bescherm‐
kappen.
Voorzichtig
Verwijder de beschermkappen als
er sprake is van een van de
volgende situaties:
De omgevingstemperatuur is
hoger dan 10 °C.
Wanneer de auto wordt
gesleept.
De auto rijdt sneller dan 120
km/u.
Auto stallen
Langdurig stallen
Wanneer u de auto meerdere maan‐
den moet stallen:
Auto wassen en conserveren.
Conservering van motorruimte
en bodemplaat laten controleren.
Afdichtrubbers reinigen en
conserveren.
Brandstoftank helemaal vullen.
Motorolie verversen.
Sproeiervloeistofreservoir leeg‐
maken.
Vorst- en corrosiebestendigheid
koelvloeistof controleren.
Bandenspanning instellen op de
waarde voor maximale belading.
Auto in een droge en goed
geventileerde ruimte parkeren.
Eerste versnelling of achteruit‐
versnelling inschakelen of keuze‐
hendel in stand P zetten. Voor‐
komen dat auto kan wegrollen.
Handrem niet aantrekken.
Motorkap openen, alle portieren
sluiten en auto vergrendelen.
Poolklem van de minpool van de
accu loskoppelen. Erop letten dat
geen van de systemen werkt,
waaronder het diefstalalarmsys‐
teem.
Weer in gebruik nemen
Wanneer u de auto weer in gebruik
neemt:
Poolklem op de minpool van de
accu aansluiten. Elektronica voor
de elektrische ruitbediening
inschakelen.
Bandenspanning controleren.
Sproeiervloeistofreservoir vullen.
Motoroliepeil controleren.
Verzorging van de auto 213
Koelvloeistofpeil controleren.
Indien nodig kentekenplaat
monteren.
Verwerking van sloopauto
Eventueel wettelijk verplichte infor‐
matie over autodemontagebedrijven
en de recycling van sloopauto's vindt
u op onze website. Laat dit werk
uitsluitend over aan een erkend auto‐
demontagebedrijf.
Controle van de auto
Werkzaamheden uitvoeren
9Waarschuwing
Controles in de motorruimte alleen
met uitgeschakelde ontsteking
uitvoeren.
De koelventilator kan ook bij uitge‐
schakelde ontsteking gaan
draaien.
9Gevaar
Het ontstekingssysteem werkt met
een extreem hoge spanning. Niet
aanraken.
Motorkap
Openen
Open het bestuurdersportier.
Aan de ontgrendelingshandgreep
trekken en in de uitgangspositie
terugduwen.
214 Verzorging van de auto
Druk de veiligheidspal omhoog en
open de motorkap.
Motorkapsteun vastzetten.
Als de motorkap wordt geopend
tijdens een Autostop, wordt de motor
automatisch herstart omwille van
veiligheidsredenen.
Stop/Start-systeem 3 145.
Sluiten
Steun vóór het sluiten van de motor‐
kap stevig in de houder duwen.
Laat de motorkap zakken en laat het
vanaf een lage hoogte (20-25 cm) in
het slot vallen. Controleer of de
motorkap vergrendeld is.
Voorzichtig
Druk de motorkap niet in het slot
om deuken te voorkomen.
Motorolie
Controleer het oliepeil ook regelmatig
handmatig om schade aan de motor
te voorkomen. Vergewis u ervan dat
de gebruikte olie de juiste specificatie
heeft. Aanbevolen olie en smeermid‐
delen 3 245.
Het maximale motorolieverbruik is
0,6 liter per 1000 km.
Alleen op een vlakke ondergrond
controleren. De motor moet op
bedrijfstemperatuur zijn en minstens
vijf minuten uitgeschakeld zijn
geweest.
Oliepeilstok uittrekken, afvegen, tot
aan de aanslag van de handgreep
weer insteken, opnieuw uittrekken en
het motoroliepeil aflezen.
De peilstok tot aan de aanslag op de
handgreep insteken.
Wanneer het motoroliepeil tot het
merkteken MIN is gedaald, dan de
motorolie bijvullen.
Verzorging van de auto 215
Afhankelijk van de motor worden er
verschillende oliepeilstokken
gebruikt.
We adviseren u dezelfde soort olie te
nemen als voor de laatste olieverver‐
sing is gebruikt.
Het motoroliepeil mag niet hoger
staan dan het bovenste merkteken
MAX op de peilstok.
Voorzichtig
Een teveel aan motorolie moet
worden afgetapt of afgezogen.
Inhouden 3 255.
Dop recht terugplaatsen en vast‐
draaien.
Koelvloeistof
De koelvloeistof biedt vorstbescher‐
ming tot ca. –37 °C.
Voorzichtig
Alleen goedgekeurde antivries
gebruiken.
Koelvloeistof en antivries 3 245.
Koelvloeistofpeil
Voorzichtig
Een te laag koelvloeistofpeil kan
motorschade veroorzaken.
Bij een koud koelsysteem moet de
koelvloeistof boven het merkteken
MIN staan. Bijvullen als het peil te
laag is.
9Waarschuwing
Vóór het openen van de dop de
motor laten afkoelen. Dop voor‐
zichtig openen zodat de druk lang‐
zaam kan ontsnappen.
Gebruik voor bijvullen een mengsel
van een courante geconcentreerde
koelvloeistof met schoon kraanwater;
verhouding 1 : 1. Gebruik schoon
216 Verzorging van de auto
kraanwater als er geen geconcen‐
treerde koelvloeistof voorhanden is.
Dop goed vastdraaien. Koelvloeistof‐
gehalte door een werkplaats laten
controleren en oorzaak van het koel‐
vloeistofverlies laten verhelpen.
Sproeiervloeistof
Schoon water bijvullen, vermengd
met een passende hoeveelheid goed‐
gekeurde sproeiervloeistof die anti‐
vries bevat.
Voorzichtig
Alleen sproeiervloeistof met
voldoende antivries biedt
voldoende bescherming bij lage
temperaturen of een plotselinge
daling van de temperatuur.
Sproeiervloeistof 3 245.
Remmen
Wanneer de remvoering een mini‐
male dikte heeft, hoort u een piepend
geluid wanneer u remt.
Verder rijden is mogelijk maar laat de
remblokken zo spoedig mogelijk
vervangen.
Na de montage van nieuwe remblok‐
ken de eerste paar ritten niet onnodig
hard remmen.
Remvloeistof
9Waarschuwing
Remvloeistof is giftig en bijtend.
Contact met ogen, huid, textiel en
lakwerk vermijden.
De remvloeistof moet tussen de
merktekens DANGER en MAX staan.
Raadpleeg een werkplaats als het
vloeistofpeil lager dan DANGER is.
Rem- en koppelingsvloeistof 3 245.
Verzorging van de auto 217
Accu
De accu van de auto is onderhouds‐
vrij als het rijgedrag zodanig is dat
deze voldoende wordt opgeladen.
Door korte ritten en vaak starten kan
de accu ontladen raken. Vermijd het
gebruik van onnodige elektrische
verbruikers.
Batterijen horen niet in het huisvuil
thuis. Ze moeten via speciale inza‐
melpunten gerecycled worden.
Wanneer de auto meer dan vier
weken achtereen stilstaat, kan de
accu ontladen raken. Poolklem van
de minpool van de accu loskoppelen.
Accu van de auto alleen bij uitgescha‐
keld contact aansluiten en loskoppe‐
len.
Ontlaadbeveiliging van accu 3 126.
Accu vervangen
Let op
Elke afwijking van de in dit hoofdstuk
gegeven instructies kan leiden tot
een tijdelijke uitschakeling of versto‐
ring van het stop-start-systeem.
Let er bij het vervangen van de accu
op dat er bij de pluspool geen lucht‐
roosters open zijn. Als er in dit gebied
een ventilatieopening open is, moet
deze met een afdekkap worden afge‐
sloten en moet de ventilatie bij de
minpool worden geopend.
Zorg dat de accu altijd wordt vervan‐
gen door hetzelfde type accu.
Laat de accu van de auto vervangen
door een werkplaats.
Stop/Start-systeem 3 145.
Accu opladen
9Waarschuwing
Bij auto's met een stop-startsys‐
teem moet u ervoor zorgen dat het
oplaadvermogen geen 14,6 volt
overschrijdt wanneer u een accu-
oplader gebruikt. Anders kan de
accu beschadigd raken.
Starthulp gebruiken 3 237.
Waarschuwingslabel
Betekenis van symbolen:
Geen vonken of open vlammen
en niet roken.
Bescherm de ogen altijd. Explo‐
sieve gassen kunnen blindheid of
letsel veroorzaken.
De accu bevat zwavelzuur dat
aanleiding kan geven tot blind‐
heid of ernstige brandwonden.
218 Verzorging van de auto
Houd de accu buiten het bereik
van kinderen.
Zie de gebruikershandleiding
voor meer informatie.
Explosief gas kan in de buurt van
de accu aanwezig zijn.
Dieselbrandstofsysteem
ontluchten
Na het leegrijden van de tank moet
het dieselbrandstofsysteem worden
ontlucht. Schakel het contact drie‐
maal 15 seconden in. Start de motor
vervolgens maximaal 40 seconden.
Herhaal deze procedure na minstens
vijf seconden. Slaat de motor niet
aan, dan Roep de hulp in van een
werkplaats.
Wisserblad vervangen
Til de ruitenwisserarm op tot hij
omhoog blijft staan, druk op de knop
om het wisserblad los te maken en
verwijder het.
Maak het ruitenwisserblad in een
lichte hoek aan de ruitenwisserarm
vast en druk tot het vastklikt.
Laat de ruitenwisserarm voorzichtig
zakken.
Wisserblad achterruit
Til de ruitenwisser op. Maak het
wisserblad los zoals getoond in de
illustratie en verwijder het.
Maak het ruitenwisserblad in een
lichte hoek aan de ruitenwisserarm
vast en druk tot het vastklikt.
Laat de ruitenwisserarm voorzichtig
zakken.
Verzorging van de auto 219
Gloeilamp vervangen
Contact uitschakelen en desbetref‐
fende schakelaar uitschakelen of
portieren sluiten.
Nieuwe gloeilamp alleen aan fitting
vastpakken. Het glas van de gloei‐
lamp niet met blote handen aanraken.
Bij vervangen altijd hetzelfde type
gloeilamp gebruiken.
Vervang de gloeilampen van de
koplampen vanuit de motorruimte.
Lampcontrole
Schakel het contact in na het vervan‐
gen van een lamp en bedien en
controleer de lichten.
Halogeenkoplampen
Halogeenkoplampen met aparte
gloeilampen voor dimlicht en groot‐
licht.
Binnenste lamp grootlicht (1).
Buitenste lamp dimlicht (2).
Grootlicht (1)
1. Verwijder de beschermkap door
aan de nok te trekken.
2. Druk de borgklem omlaag en trek
de lampfitting naar achteren.
220 Verzorging van de auto
3. Maak de gloeilamp los van de
lampfitting en vervang de lamp.
4. Plaats de lampfitting in het reflec‐
torhuis.
5. Breng de kap aan.
Dimlicht (2)
1. Verwijder de beschermkap door
eraan te trekken.
2. Druk de borgklem omhoog en trek
de lampfitting naar achteren.
3. Maak de gloeilamp los van de
lampfitting en vervang de lamp.
4. Plaats de lampfitting in het reflec‐
torhuis.
5. Breng de kap aan.
Richtingaanwijzer vooraan
Laat defecte leds door een werk‐
plaats vervangen.
Zijmarkeringslichten
Laat defecte leds door een werk‐
plaats vervangen.
Dagrijlicht
Laat defecte leds door een werk‐
plaats vervangen.
LED-koplampen
Koplampen voor groot- en dimlicht,
zijmarkeringslicht, dagrijlicht en rich‐
tingaanwijzers zijn uitgevoerd met
led-lampen en kunnen niet worden
vervangen.
Laat lichten bij eventuele storingen
door een werkplaats vervangen.
Verzorging van de auto 221
Mistlampen
Gloeilampen door een werkplaats
laten vervangen.
Achterlichten
De achterlichten, de dagrijverlichting
en het derde remlicht zijn uitgevoerd
als LED's. Laat LED's bij een storing
vervangen door een werkplaats.
Lamphuis in de carrosserie
1. Open de achterklep en klik de
toegangsklep aan de betreffende
zijde los.
2. Draai de lampbevestigingsmoer
los met behulp van een pijpsleutel
of dop.
Leg om te voorkomen dat de moer
in de spatbordbekleding valt eerst
een doek eronder.
3. Schroef de lampbevestigings‐
moer met de hand los en verwijder
deze.
4. Maak de borgklem los en druk de
lamp daarbij iets eruit.
5. Trek de lichtmodule vanaf de
buitenkant voorzichtig los uit de
uitsparing. De kabelgeleider moet
op zijn plaats blijven zitten.
6. Draai de lampfitting linksom en
haal deze uit de lampmodule.
222 Verzorging van de auto
7. Maak de gloeilamp los van de
lampfitting en vervang de lamp:
Remlicht (1)
Richtingaanwijzer (2)
8. Plaats de lampfitting in de lamp‐
module. Breng de lampmodule in
de uitsparing aan en haal de
lampbevestigingsmoer vanuit de
binnenkant aan. Bevestig de kap.
Lamphuis in de achterklep
1. Open de achterklep en verwijder
de afdekking.
Verzorging van de auto 223
2. Draai de lampbevestigingsmoer
los met behulp van een pijpsleutel
of dop.
3. Schroef de lampbevestigings‐
moer met de hand los en verwijder
deze.
4. Maak de borgklem los en druk de
lampmodule daarbij iets eruit.
5. Trek de lichtmodule vanaf de
buitenkant voorzichtig los uit de
uitsparing. De kabelgeleider moet
op zijn plaats blijven zitten.
6. Draai de lampfitting linksom en
haal deze uit de lampmodule.
7. Maak de gloeilamp los van de
lampfitting en vervang de lamp:
Achteruitrijlicht (1)
Mistachterlicht (2)
8. Plaats de lampfitting in de lamp‐
module. Breng de lampmodule in
de uitsparing aan en haal de
lampbevestigingsmoer vanuit de
binnenkant aan. Bevestig de kap.
Derde remlicht
Het derde remlicht is uitgevoerd als
een LED en kan niet worden vervan‐
gen.
Laat lichten bij eventuele storingen
door een werkplaats vervangen.
Lampcontrole
Schakel de ontsteking in en kijk of alle
lampen werken.
224 Verzorging van de auto
Zijrichtingaanwijzers
Demonteer voor het vervangen van
de gloeilamp de lampbehuizing:
1. Schuif de lamp naar de linkerkant
ervan en haal deze aan de rech‐
terkant ervan los.
2. Draai de lampfitting rechtsom uit
de behuizing.
3. Maak de gloeilamp los van de
lampfitting en vervang de lamp.
4. Steek de lampfitting erin en draai
deze rechtsom.
5. Steek de linkerkant van de lamp
erin, schuif deze naar links en
steek de rechterkant erin.
Kentekenverlichting
Kentekenverlichting is uitgevoerd met
LED-lampen en kan niet worden
vervangen.
Laat lichten bij eventuele storingen
door een werkplaats vervangen.
Binnenverlichting
Interieurverlichting, leeslampjes
Gloeilampen door een werkplaats
laten vervangen.
Bagageruimteverlichting
Gloeilampen door een werkplaats
laten vervangen.
Instrumentenverlichting
Gloeilampen door een werkplaats
laten vervangen.
Verzorging van de auto 225
Boordgereedschap
Gereedschap
Auto's met reservewiel
Open de vloerplaat van de bagage‐
ruimte 3 75.
Haal de afdekking van de gereed‐
schapskist.
De krik, het sleepoog, de stopblokken
en de gereedschappen liggen in de
gereedschapskist.
Auto's onder reservewiel
Het sleepoog en de stopblokken
liggen in een bak onder de vloerplaat
in de bagageruimte.
Bandenreparatieset 3 230.
Auto's met audioluidsprekersysteem
Het sleepoog en de stopblokken
liggen in een bak onder de vloerplaat
in de bagageruimte.
Bandenreparatieset 3 230.
226 Verzorging van de auto
Velgen en banden
Conditie van banden en velgen
Zo langzaam mogelijk en onder een
rechte hoek over obstakels. Het rijden
over scherpe randen kan schade aan
banden en velgen tot gevolg hebben.
Banden niet tegen de stoeprand
klemmen.
De wielen regelmatig op beschadi‐
ging controleren. Bij beschadigingen
of abnormale slijtage Roep de hulp in
van een werkplaats.
Winterbanden
Winterbanden verhogen bij tempera‐
turen onder 7 °C de rijveiligheid en
dienen daarom om alle wielen gelegd
te worden.
De sticker met de maximumsnelheid
in overeenstemming met de geldende
wetgeving in uw land in het gezichts‐
veld van de bestuurder aanbrengen.
Alle bandenmaten zijn toegestaan als
winterbanden 3 257.
Aanduidingen op banden
Bijv. 225/55 R 18 98 V
225 : bandbreedte in mm
55 : hoogte-breedteverhouding
(bandhoogte t.o.v. band‐
breedte) in %
R: type koordlagen: Radiaal
RF : type: RunFlat
18 : velgdiameter in inch
98 : kengetal voor draagvermogen,
98 komt bijv. overeen met
750 kg
V: kenletter voor snelheid
Kenletter voor snelheid:
Q: maximaal 160 km/u
S: maximaal 180 km/u
T: maximaal 190 km/u
H: maximaal 210 km/u
V: maximaal 240 km/u
W: maximaal 270 km/u
Kies een band die geschikt is voor de
topsnelheid van uw auto.
De topsnelheid is bereikbaar op
rijklaar gewicht met bestuurder
(75 kg) plus 125 kg nuttige last. Door
optionele uitrusting kan de topsnel‐
heid van de auto afnemen.
Prestaties 3 254.
Draairichtingsgebonden banden
Draairichtingsgebonden banden
moeten zo worden gemonteerd dat
ze in de juiste richting draaien. De
juiste draairichting is herkenbaar aan
een symbool (bijv. een pijl) op de
zijwand van de band.
Bandenspanning
De bandenspanning minstens om de
14 dagen en vóór elke lange rit bij
koude banden controleren. Het reser‐
vewiel niet vergeten. Dit geldt ook
voor auto's met een bandenspan‐
ningscontrolesysteem.
Verzorging van de auto 227
Bandenspanning 3 257.
Het informatie-etiket bandenspan‐
ning op het portierframe links
vermeldt de originele bandenmaat en
de bijbehorende bandenspannings‐
waarden.
De voorgeschreven bandenspanning
geldt bij koude banden. De waarde
geldt voor zowel zomer- als winter‐
banden.
Reservewiel altijd oppompen tot de
bandenspanning bij maximale bela‐
ding.
De ECO-bandenspanning dient om
een zo laag mogelijk brandstofver‐
bruik te bereiken.
Een onjuiste bandenspanning beïn‐
vloedt de veiligheid, het weggedrag,
het rijcomfort en het brandstofver‐
bruik negatief en verhoogt de
bandenslijtage.
De bandenspanningswaarden
verschillen afhankelijk van de diverse
opties. Ga voor de juiste banden‐
spanningswaarde als volgt te werk:
1. Bepaal de code van de motor-ID.
Motorgegevens 3 253.
2. Bepaal de desbetreffende band.
De bandenspanningswaardetabellen
vermelden alle mogelijke banden‐
combinaties 3 257.
Voor de voor uw auto goedgekeurde
banden kunt u de EEG-conformiteits‐
verklaring die bij uw auto is geleverd,
of andere landelijke registratiedocu‐
menten raadplegen.
De bestuurder is verantwoordelijk
voor het juist instellen van de banden‐
spanning.
9Waarschuwing
Een te lage bandenspanning kan
aanleiding geven tot oververhitting
van de banden en interne bescha‐
digingen, wat bij hoge snelheden
loslatende loopvlakken en zelfs
klapbanden kan veroorzaken.
9Waarschuwing
Bij specifieke banden mag de
aanbevolen bandenspanning
zoals vermeld in de bandenspan‐
ningstabel de op de band aange‐
geven maximale bandenspanning
overschrijden. Overschrijd nooit
de op de band aangegeven maxi‐
male bandenspanning.
Afhankelijkheid van temperatuur
De bandenspanning hangt af van de
temperatuur van de band. Onderweg
lopen de temperatuur en de spanning
van de band op. De bandenspannin‐
gen op de bandinformatiesticker en in
228 Verzorging van de auto
de bandenspanningentabel verwijzen
naar koude banden, dus bij een
temperatuur van 20 °C.
De druk wordt voor iedere tempera‐
tuurstijging van 10 °C met bijna
10 kPa verhoogd. Houd hiermee
rekening wanneer u warme banden
controleert.
De bandenspanningswaarde die u op
het Driver Information Center ziet, is
de werkelijke bandenspanning. Bij
een afgekoelde band is deze waarde
iets lager, maar is de band niet lek.
Drukverliesdetectiesysteem
De spanningsverliesdetectie contro‐
leert voortdurend de rotatiesnelheid
van alle vier de wielen en waarschuwt
voor een lage bandenspanning
tijdens het rijden. Dit wordt bereikt
door de afrolomtrek van de band te
vergelijken met referentiewaarden.
Als een band aan spanning verliest,
gaat het controlelampje w branden in
combinatie met een waarschuwings‐
bericht op het Driver Information
Center.
Verlaag in dat geval de rijsnelheid en
vermijd scherpe bochten en krachtige
remmanoeuvres. Stop zo spoedig
mogelijk om de bandenspanning te
controleren.
Controlelampje w 3 100.
Initialiseer het systeem na aanpas‐
sing van de bandenspanning om het
controlelampje te laten doven en het
systeem opnieuw in te schakelen.
Voorzichtig
De spanningsverliesdetectie
waarschuwt alleen bij een te lage
bandenspanning en is geen
vervanging voor regulier onder‐
houd van de banden door de
bestuurder.
Bij een systeemstoring verschijnt er
een bericht op het Driver Information
Center. Stel de juiste bandenspan‐
ning in en initialiseer het systeem
opnieuw. Neem contact op met een
werkplaats, als het storingsbericht
niet van het display verdwijnt. Het
systeem werkt niet, wanneer ABS of
ESC een storing vertoont of wanneer
u een reservewiel gebruikt. Contro‐
leer na terugplaatsing van een stan‐
daardwiel de koude bandenspanning
en initialiseer het systeem.
Systeem initialiseren
Na aanpassing van de bandenspan‐
ning of het verwisselen van een
wielen moet u het systeem opnieuw
initialiseren zodat het de nieuwe afro‐
lomtrek kan inleren:
1. Zorg er altijd voor dat alle vier de
banden de juiste bandenspanning
hebben 3 257.
2. Zet de parkeerrem handmatig
aan.
Verzorging van de auto 229
3. Druk op w om de spanningsver‐
liesdetectie te resetten.
4. Na het resetten verschijnt een
pop-upmelding.
Na initialisatie vindt tijdens het rijden
automatisch kalibratie plaats van de
nieuwe bandenspanningswaarden.
Na enige tijd rijden slaat het systeem
de nieuwe waarden op.
Controleer altijd de koude banden‐
spanning.
Het systeem moet opnieuw worden
geïnitialiseerd, wanneer:
De bandenspanning is gewijzigd
De belading is gewijzigd
De wielen zijn verwisseld of
vervangen
Het systeem waarschuwt niet meteen
bij een klapband of een snelle vorm
van spanningsverlies. Dit komt door‐
dat de vereiste berekeningen enige
tijd vergen.
Profieldiepte
Regelmatig de profieldiepte controle‐
ren.
Om veiligheidsredenen de banden te
vervangen wanneer een profieldiepte
van 2–3 mm (4 mm voor winterban‐
den) is bereikt.
Om veiligheidsredenen is het aan te
bevelen dat de profieldiepte van de
banden op één as niet meer dan
2 mm verschilt.
De wettelijk toegestane minimumpro‐
fieldiepte (1,6 mm) is bereikt wanneer
het profiel tot aan een van de slijtage-
indicatoren (TWI = Tread Wear Indi‐
cator) is afgesleten. De locatie hier‐
van is met markeringen op de zijkant
van de band weergegeven.
Is de slijtage voor groter dan achter,
dan de voorbanden regelmatig
omwisselen met de achterbanden.
De draairichting van de wielen moet
dezelfde blijven.
Banden verouderen ook wanneer er
niet mee gereden wordt. We advise‐
ren u de banden om de 6 jaar te
vervangen.
Van banden- en velgmaat
veranderen
Bij het gebruik van banden met een
andere bandenmaat dan af fabriek
gemonteerd, moeten mogelijk de
snelheidsmeter en de voorgeschre‐
ven bandenspanning geherprogram‐
meerd worden en moeten er eventu‐
eel andere aanpassingen aan de auto
worden verricht.
Laat na montage van een andere
bandenmaat de sticker met de
bandenspanningswaarden vervan‐
gen en de spanningsverliesdetectie
opnieuw initialiseren. 3 228
230 Verzorging van de auto
9Waarschuwing
Rijden met ongeschikte banden of
wielen kan ongevallen veroorza‐
ken en de typegoedkeuring van de
auto vervalt hierdoor.
Wieldoppen
Gebruik wieldoppen en banden die
door de fabriek voor de desbetref‐
fende auto zijn goedgekeurd en daar‐
mee aan alle eisen voor de desbe‐
treffende combinatie van wielen en
banden voldoen.
Indien geen wieldoppen en banden
worden gebruikt die door de fabriek
zijn goedgekeurd, mogen de banden
niet voorzien zijn van een velgbe‐
schermingsrand.
Wieldoppen mogen de koeling van de
remmen niet belemmeren.
9Waarschuwing
Het gebruik van ongeschikte
banden of wieldoppen kan tot plot‐
seling drukverlies leiden met
ongelukken als mogelijk gevolg.
Auto's met stalen velgen: Bij gebruik
van wielborgmoeren mogen de wiel‐
doppen niet worden bevestigd.
Sneeuwkettingen
Sneeuwkettingen zijn alleen toege‐
staan op de vooras.
Fijne sneeuwkettingen gebruiken, die
(inclusief kettingslot) maximaal
9 mm buiten het loopvlak en de
binnenkant van de band uit steken.
9Waarschuwing
Beschadigingen kunnen een klap‐
band veroorzaken.
Sneeuwkettingen zijn niet toegestaan
op de bandenmaten 215/70R16,
215/65 R17, 225/55 R18 en
205/55 R19.
Compact reservewiel
Sneeuwkettingen mogen niet op het
tijdelijke reservewiel worden gebruikt.
Bandenreparatieset
Lichte beschadigingen van de loop‐
vlakken van de banden kunnen met
de bandenreparatieset worden
verholpen.
Vreemde voorwerpen niet uit de
banden verwijderen.
Beschadigingen die groter zijn dan
4 mm of die in de bandwang zitten,
kunnen niet met de bandenreparatie‐
set worden verholpen.
Verzorging van de auto 231
9Waarschuwing
Niet sneller rijden dan 80 km/u.
Niet langdurig gebruiken.
Bestuurbaarheid en rijeigen‐
schappen worden mogelijk nade‐
lig beïnvloed.
Bij bandenpech:
Zet de parkeerrem aan, schakel de
eerste versnelling, achteruitversnel‐
ling of P in.
De bandenreparatieset zit de baga‐
geruimte onder de vloerplaat.
1. Verwijder de fles met afdichtmid‐
del en de compressor.
2. Neem de sticker met de snel‐
heidslimiet van de fles met
afdichtmiddel en plak deze in het
zicht van de bestuurder.
3. Verwijder de aansluitkabel en de
luchtslang uit de opbergvakken
aan de onderkant van de
compressor.
4. Schroef de compressorluchtslang
op de koppeling van de fles met
afdichtmiddel.
5. Plaats de fles met afdichtmiddel in
de steun op de compressor.
Plaats de compressor dicht bij de
band, zodanig dat de fles met
afdichtmiddel rechtop staat.
6. Ventieldop van defecte band
losschroeven.
232 Verzorging van de auto
7. Schroef de vulslang op het
ventiel.
8. De schakelaar van de compres‐
sor moet op J staan.
9. Steek de compressorstekker in de
12V-aansluiting of de aansteke‐
raansluiting.
Om te voorkomen dat de accu
leegraakt, is het raadzaam de
motor te laten draaien.
10. Zet de wipschakelaar van de
compressor op I. De band wordt
nu met afdichtmiddel gevuld.
11. De manometer van de compres‐
sor geeft even max. 6 bar aan
wanneer de fles met afdichtmid‐
del wordt geleegd (ca.
30 seconden). Daarna begint de
druk te dalen.
12. Al het afdichtmiddel wordt in de
band gepompt. De band wordt
vervolgens opgepompt.
13. De voorgeschreven bandenspan‐
ning moet binnen tien minuten
worden bereikt.
Bandenspanning 3 257.
Schakel de compressor uit
wanneer de juiste bandenspan‐
ning is bereikt.
Wordt de voorgeschreven
bandenspanning niet binnen tien
minuten bereikt, verwijder dan de
bandenreparatieset. De auto één
wielomwenteling verplaatsen.
Sluit de bandenreparatieset weer
aan en zet de vulprocedure tien
minuten lang door. Wordt de voor‐
geschreven bandenspanning dan
nog niet bereikt, dan is de band te
ernstig beschadigd. Roep de hulp
in van een werkplaats.
Laat een teveel aan lucht
ontsnappen via de knop op de
luchtslang.
Verzorging van de auto 233
Laat de compressor niet langer
dan tien minuten werken.
14. Maak de bandenreparatieset los.
Neem de fles met afdichtmiddel
uit de steun. Schroef de vulslang
vast op de vrije aansluiting van de
fles met afdichtmiddel. Zo voor‐
komt u dat er afdichtmiddel uit de
fles stroomt. Berg de bandenre‐
paratieset op in de bagageruimte.
15. Verwijder eventueel vrijgekomen
afdichtmiddel met een doek.
16. Vervolg de rit onmiddellijk, zodat
het afdichtmiddel zich gelijkmatig
in de band kan verspreiden. Stop
na ca. 5 km (uiterlijk na tien minu‐
ten) en controleer de banden‐
spanning. Schroef de luchtslang
van de compressor rechtstreeks
op bandventiel. Vul de band zoals
eerder beschreven. Laat een
teveel aan lucht ontsnappen via
de knop op de luchtslang.
Als de bandenspanning niet tot
onder 1,5 bar is gedaald, moet u
de bandespanning instellen op de
juiste waarde. Maak anders geen
gebruik van de auto. Roep de hulp
in van een werkplaats.3 257
Herhaal de controleprocedure na
nog eens 10 km rijden (maximaal
tien minuten) om na te gaan dat er
geen bandenspanningsverlies
meer optreedt
Bij een bandenspanning lager
dan 1,5 bar dient u de auto niet
meer te gebruiken. Roep de hulp
in van een werkplaats.
17. Berg de bandenreparatieset op in
de bagageruimte.
Let op
De rijeigenschappen van de
herstelde band zijn veel minder
goed, daarom deze band laten
vervangen.
Bij abnormale geluiden of sterke
verhitting van de compressor, deze
minimaal 30 minuten lang uitscha‐
kelen.
Het ingebouwde veiligheidsventiel
opent bij een druk van zeven bar.
Let op de vervaldatum van de set.
Na deze datum is niet meer gega‐
randeerd dat het middel nog goed
afdicht. Let op de bewaarinstructies
op de fles met afdichtmiddel.
Gebruikte fles met afdichtmiddel
vervangen. Afvoeren volgens de
desbetreffende wettelijke voorschrif‐
ten.
De compressor en het afdichtmiddel
zijn vanaf ca. -30 °C te gebruiken.
Wiel verwisselen
Sommige auto's hebben in plaats van
een reservewiel een bandenrepara‐
tieset 3 230.
De onderstaande voorbereidingen
treffen en de instructies opvolgen:
Parkeer de auto op een vlakke,
stevige en slipvrije ondergrond.
Draai de voorwielen in de recht‐
uitstand.
234 Verzorging van de auto
Zet zo nodig een stopblok onder
het wiel schuin tegenover het te
vervangen wiel.
Zet de parkeerrem aan, schakel
de eerste versnelling, achteruit‐
versnelling of P in.
Verwijder het reservewiel 3 236.
Vervang nooit meerdere wielen
tegelijk door een reservewiel.
Gebruik de krik alleen om een
wiel te wisselen in geval van
bandenpech en niet voor de jaar‐
lijkse montage van winter- of
zomerbanden.
De krik is onderhoudsvrij.
Leg bij een zachte ondergrond,
een stevige plank (max. 1 cm dik)
onder de krik.
Haal vóór het opkrikken van de
auto altijd eventuele zware objec‐
ten eruit.
In de op te krikken auto mogen
zich geen personen of dieren
bevinden.
Kruip nooit onder een opgekrikte
auto.
Start een opgekrikte auto niet.
Reinig de wielbouten voordat u
ze erin schroeft.
9Waarschuwing
Breng geen smeervet aan op de
schroefdraad van de wielbout.
1. Maak de wielboutkappen los met
de wieldopverwijderaar.3 225
Stalen velgen met dop: Verwijder
de wieldop.
Lichtmetalen velgen: Maak de
wielboutkappen los met de wiel‐
dopverwijderaar.
2. Klap de wielsleutel uit, zet deze
stevig op de wielmoer en draai
elke moer een halve slag los.
De wielen kunnen met wielborg‐
moeren beschermd zijn. Zet voor
het losdraaien van deze speci‐
fieke moeren eerst de adapter op
de moerkop voordat u de wiel‐
sleutel erop zet. De adapter ligt in
de gereedschapskist.3 225
3. Zorg ervoor dat de krik goed
onder het voorziene kriksteunpunt
staat.
Verzorging van de auto 235
4. Zet de krik op de vereiste hoogte.
Zet deze zodanig onder het
hefpunt dat deze niet kan
losschieten.
Let erop dat de rand van de
carrosserie in de inkeping in de
krik valt.
Bevestig de wielsleutel en draai
met de krik recht onder het krik‐
steunpunt aan de wielsleutel
totdat het wiel van de grond komt.
5. Draai de wielmoeren los.
6. Wiel verwisselen. Reservewiel
3 236
7. Draai de wielmoeren erop.
8. Laat de auto zakken en verwijder
de krik.
9. Plaats de wielsleutel, let er hierbij
op dat deze stevig vastzit en haal
de wielbouten kruislings aan. Het
aanhaalmoment bedraagt
115 Nm.
10. Verdraai de wieldop alvorens
deze aan te brengen zo dat de
ventielopening over het bandven‐
tiel valt.
Wielmoerdoppen aanbrengen.
11. Berg het vervangen wiel 3 236,
het autogereedschap 3 225 en de
adapter voor het vergrendelen
van de wielmoeren op.
12. Bandenspanning en het aanhaal‐
koppel van de wielmoeren van het
gemonteerde wiel zo spoedig
mogelijk controleren.
Laat de defecte band zo spoedig
mogelijk vervangen of repareren.
236 Verzorging van de auto
Opnamepunt voor hefbrug
Stand van de achterste arm van het
hefplatform midden onder het betref‐
fende krikpunt op de auto.
Stand van de voorste arm van het
hefplatform midden onder het betref‐
fende krikpunt op de auto.
Reservewiel
Sommige auto's hebben in plaats van
een compact reservewiel een
bandenreparatieset.3 230
Compact reservewiel
Voorzichtig
Bij gebruik van het compacte
reservewiel kunnen de rijeigen‐
schappen negatief worden beïn‐
vloed. Defecte band zo spoedig
mogelijk laten vervangen of repa‐
reren.
Het reservewiel ligt in de bagage‐
ruimte onder de vloerafdekplaat.
Verwijderen:
1. Open de vloerplaat 3 75.
2. Verwijder de gereedschapskist.
3. Het compacte reservewiel zit vast
met een vleugelmoer. Draai de
moer los en verwijder het reser‐
vewiel.
4. Als er na het verwisselen van een
wiel geen wiel in de reservewiel‐
kuip wordt gelegd, zet dan de
gereedschapskoffer vast door de
Verzorging van de auto 237
vleugelmoer zo ver mogelijk vast
te draaien en de vloerplaat te
laten zakken.
5. Leg, nadat het normale wiel weer
is teruggeplaatst, het compacte
reservewiel met de buitenkant
omhoog in de kuip en zet het vast
met de vleugelmoer.
Slechts één compact reservewiel
monteren. De toegestane maximum‐
snelheid op het label op het tijdelijke
reservewiel geldt alleen voor de
bandenmaat af fabriek.
Als uw auto achteraan een lekke
band krijgt wanneer u een ander voer‐
tuig trekt, moet u het compacte reser‐
vewiel vooraan plaatsen en een
volwaardig wiel achteraan.
Sneeuwkettingen 3 230.
Een beschadigd volwaardig wiel
in de bagageruimte opbergen
In de reservewielkuip kunnen alle
toegestane velgmaten worden opge‐
borgen. Zet het wiel als volgt vast:
1. Verwijder de wieldop met het
merkembleem door vanaf de
binnenkant te drukken.
2. Plaats het wiel met de buitenkant
naar onderen in de wielkuip.
3. Zet het beschadigde wiel vast met
de vleugelmoer.
4. De vloerplaat kan, afhankelijk van
de bandenmaat, op het uitste‐
kende wiel worden geplaatst.
Starthulp gebruiken
Niet starten met behulp van een snel‐
lader.
Bij een ontladen accu kan de motor
worden gestart met hulpstartkabels
en de accu van een ander voertuig.
9Waarschuwing
Hulpstartkabels alleen met de
uiterste voorzichtigheid gebrui‐
ken. Elke afwijking van de onder‐
staande instructies kan letsel of
schade als gevolg van het explo‐
deren van de accu's en schade
aan de elektrische systemen van
beide auto's tot gevolg hebben.
9Waarschuwing
Laat de accu niet in contact komen
met de ogen, huid, weefsels en
lakwerk. De vloeistof bevat
zwavelzuur, dat bij direct contact
letsel en schade kan veroorzaken.
De accu van de auto nooit aan
vonken of open vuur blootstellen.
238 Verzorging van de auto
Een ontladen accu kan al bij een
temperatuur van 0 °C bevriezen.
Ontdooi de bevroren accu alvo‐
rens hulpstartkabels aan te slui‐
ten.
Bij werkzaamheden aan de accu
oogbescherming en bescher‐
mende kleding dragen.
Gebruik een hulpaccu met
dezelfde spanning (12 volt). De
capaciteit van de hulpstartaccu
(Ah) mag niet veel minder zijn
dan die van de lege accu.
Hulpstartkabels met geïsoleerde
aansluitklemmen en een diame‐
ter van minstens 16 mm2 (bij
dieselmotoren 25 mm2) gebrui‐
ken.
De ontladen accu niet van de
auto loskoppelen.
Alle onnodige stroomverbruikers
uitschakelen.
Tijdens de hulpstart niet over de
accu van de auto leunen.
De aansluitklemmen van de ene
kabel mogen die van de andere
niet raken.
Ook de auto's mogen elkaar
tijdens de hulpstart niet raken.
Zet de parkeerrem aan, met de
versnellingsbak in neutrale
stand, automatische versnel‐
lingsbak in stand P.
Open de pluspoolbeschermkappen
van beide accu's.
Aansluitvolgorde van de kabels:
1. Rode kabel op de pluspool van de
hulpstartaccu aansluiten.
2. Het andere uiteinde van de rode
kabel op de pluspool van de ontla‐
den accu aansluiten.
3. Zwarte kabel op de minpool van
de hulpstartaccu aansluiten.
4. Sluit het andere uiteinde van de
zwarte kabel aan op een massa‐
punt in de motorruimte.
De kabels zo leggen dat ze niet door
de draaiende delen in de motorruimte
geraakt kunnen worden.
Om de motor te starten:
1. De motor van het stroom leve‐
rende voertuig starten.
2. Na vijf minuten de andere motor
starten. Startpogingen niet langer
dan 15 seconden laten duren met
tussenpozen van één minuut.
3. Beide motoren met aangesloten
kabels ca. drie minuten stationair
laten draaien.
4. Elektrische verbruikers (zoals
koplampen, achterruitverwar‐
ming) van de stroom ontvan‐
gende auto inschakelen.
5. Bovenstaande procedure bij het
verwijderen van de kabels in de
omgekeerde volgorde volgen.
Verzorging van de auto 239
Trekken
Auto slepen
Verwijder de dop.
Het sleepoog is opgeborgen bij het
boordgereedschap 3 225.
Sleepoog inschroeven en tot aan de
aanslag in horizontale stand vast‐
draaien.
Sleepkabel – beter is een sleepstang
– aan sleepoog bevestigen.
Sleepoog alleen gebruiken om de
auto weg te slepen en niet om deze
te bergen.
Contact inschakelen om het stuurslot
te ontgrendelen en remlichten, claxon
en voorruitwisser te kunnen bedie‐
nen.
Zet de keuzehendel in neutraal.
De handrem loszetten.
Voorzichtig
Langzaam wegrijden. Schok‐
kende bewegingen vermijden.
Buitensporige trekkrachten
kunnen de auto beschadigen.
Bij uitgeschakelde motor gaat
remmen en sturen aanmerkelijk
zwaarder.
Recirculatiesysteem inschakelen en
ruiten sluiten, zodat geen uitlaatgas‐
sen van de slepende auto kunnen
binnendringen.
Auto’s met automatische versnel‐
lingsbak: De auto moet voorwaarts
worden gesleept, niet sneller dan
80 km/u en niet verder dan 100 km. In
alle andere gevallen en wanneer de
versnellingsbak defect is, moet de
vooras omhoog worden gezet.
Roep de hulp in van een werkplaats.
Na het slepen verwijdert u het sleep‐
oog.
Steek de kap met de flens in de
uitsparing en druk de kap vast.
240 Verzorging van de auto
Andere auto slepen
Verwijder de dop.
Het sleepoog is opgeborgen bij het
boordgereedschap 3 225.
Sleepoog inschroeven en tot aan de
aanslag in horizontale stand vast‐
draaien.
Sjoroog onder aan de achterkant van
de auto nooit als sleepoog gebruiken.
Sleepkabel – beter is een sleepstang
– aan sleepoog bevestigen.
Sleepoog alleen gebruiken om de
auto weg te slepen en niet om deze
te bergen.
Voorzichtig
Langzaam wegrijden. Schok‐
kende bewegingen vermijden.
Buitensporige trekkrachten
kunnen de auto beschadigen.
Na het slepen verwijdert u het sleep‐
oog.
Steek de kap met de bovenste flens
in de uitsparing en druk de kap vast.
Verzorging van uiterlijk
Verzorging exterieur
Sloten
De sloten zijn af fabriek gesmeerd
met een hoogwaardig slotcilindervet.
Gebruik genotsmiddelen alleen in
dringende gevallen, omdat ze ontvet‐
tend werken en de werking van de
sloten belemmeren. Na gebruik van
ontdooimiddelen, de sloten door een
werkplaats opnieuw laten smeren.
Wassen
Het lakwerk van de auto staat bloot
aan invloeden van buitenaf. De auto
daarom regelmatig wassen en met
was conserveren. Bij het bezoek aan
wasstraten, een programma met een
wasbehandeling selecteren.
Vogeluitwerpselen, dode insecten,
boomhars en stuifmeel e.d. onmid‐
dellijk verwijderen. Hierin zitten
agressieve bestanddelen bevatten
die lakschade kunnen veroorzaken.
Verzorging van de auto 241
Bij een bezoek aan een wasstraat, de
aanwijzingen van de exploitant opvol‐
gen. De voorruitwisser en achterruit‐
wisser moeten worden uitgescha‐
keld. Antenne en accessoires op de
buitenkant van de auto zoals een
dakdragersysteem verwijderen.
Bij handmatig wassen erop letten dat
ook de binnenkant van de wielkasten
grondig schoongespoten wordt.
Breng regelmatig was op het lakwerk
van de auto aan.
Randen en naden van geopende
portieren, achterklep en motorkap en
de gebieden die erdoor bedekt
worden reinigen.
Reinig de glanzende metalen sierlijs‐
ten met een voor aluminium
geschikte reinigingsoplossing om
schade te voorkomen.
Voorzichtig
Gebruik altijd een reinigingsmid‐
del met een pH-waarde van
vier tot negen.
Gebruik reinigingsmiddelen niet
op warme oppervlakken.
Reinig de motorruimte niet met een
stoom- of hogedrukreiniger.
Daarna de auto grondig afspoelen en
afzemen. Zeemlap vaak uitspoelen.
Voor de carrosserie en de ruiten
verschillende zeemlappen gebruiken:
wasresten op de ruiten belemmeren
het zicht.
Laat de scharnieren van alle portieren
smeren door een werkplaats.
Teervlekken niet met harde voorwer‐
pen verwijderen. Op gelakte opper‐
vlakken een spray voor het verwijde‐
ren van teervlekken gebruiken.
Rijverlichting
De glazen van de koplampen en de
andere lampen zijn gemaakt van
kunststof. Geen schurende, bijtende
of agressieve middelen of ijskrabbers
gebruiken en ze niet droog reinigen.
Polijsten en in de was zetten
Zet de auto regelmatig in de was
(uiterlijk wanneer het water geen
druppeltjes meer vormt). Anders zal
het lakwerk uitdrogen.
Polijsten is alleen nodig als de laklaag
mat geworden is of aanslag vertoont.
Autopolish met siliconen vormt een
vuilwerende laag, waardoor in de was
zetten overbodig is.
Kunststof carrosseriedelen mogen
niet met autowas of polijstmiddelen
worden behandeld.
Ruiten en ruitenwisserbladen
Een zachte, pluisvrije doek of een
zeemleer en een ruitenreiniger en
insectenverwijderaar gebruiken.
Wrijf bij het reinigen van de achterruit
van de binnenkant altijd parallel aan
het verwarmingselement om schade
te voorkomen.
Om handmatig ijs te verwijderen, een
ijskrabber met een scherpe rand
gebruiken. IJskrabber stevig tegen de
ruit drukken, zodat er geen vuil onder
de krabber kan komen en er geen
krassen op de ruit worden gemaakt.
Wisserbladen die strepen trekken,
met een zachte doek en een ruiten‐
reiniger reinigen.
242 Verzorging van de auto
Verwijder achtergebleven vuil van
wisserbladen die strepen op de ruit
veroorzaken, met een zachte doek en
ruitenreiniger. Zorg dat u ook achter‐
gebleven was, insecten en dergelijke
van de ruit verwijdert.
IJs, verontreiniging en continu vegen
op droge ruiten beschadigen of
vernietigen zelfs de wisserbladen.
Panoramadak
Voor het reinigen nooit oplos- of
schuurmiddelen, brandstoffen,
agressieve middelen (bijv. lakreini‐
gers, acetonhoudende oplossingen
et cetera), zuurhoudende of sterk
alkalische middelen dan wel schuur‐
sponzen gebruiken.
Velgen en banden
Niet schoonmaken met hogedrukrei‐
nigers.
Velgen met een pH-neutrale velgen‐
reiniger reinigen.
Velgen zijn gelakt en kunnen met
dezelfde middelen worden behandeld
als de carrosserie.
Lakschade
Geringe lakschade voordat er roest‐
vorming optreedt met een lakstift
herstellen. Grotere lakschade of
roestvorming door een werkplaats
laten herstellen.
Onderstel
Sommige delen van de bodemplaat
zijn voorzien van een beschermende
pvc-laag, terwijl er op andere delen
een duurzame beschermende
waslaag is aangebracht.
De bodemplaat na het schoonspuiten
controleren en indien nodig een
nieuwe waslaag laten aanbrengen.
Bitumineuze/rubber materialen
kunnen de pvc-laag aantasten. Werk‐
zaamheden aan de bodemplaat door
een werkplaats laten uitvoeren.
De bodemplaat vóór en ná de winter
schoonspuiten en daarna de
beschermende waslaag laten contro‐
leren.
Autogasinstallatie
9Gevaar
Vloeibaar gas is zwaarder dan
lucht en kan zich op lage punten
verzamelen.
Wees voorzichtig wanneer u in
een werkkuil aan het chassis
werkt.
Voor spuitwerk en bij gebruik van een
moffelcabine bij een temperatuur
boven 60 °C moet de lpg-tank worden
verwijderd.
Breng geen wijzigingen aan de auto‐
gasinstallatie aan.
Trekhaak
Reinig de kogelstang niet met een
stoom- of hogedrukreiniger.
Verzorging van de auto 243
Verzorging interieur
Interieur en bekleding
Interieur van de auto inclusief instru‐
mentenpaneel en bekleding alleen
met een droge doek of interieurreini‐
ger schoonmaken.
Reinig de lederen bekleding met
zuiver water en een zachte doek.
Gebruik een reinigingsmiddel voor
leder als de bekleding erg vuil is.
De instrumentengroep en de displays
alleen met een vochtige doek reini‐
gen. Gebruik indien nodig water en
milde zeep.
Stoffen bekleding met een stofzuiger
en een borstel reinigen. Vlekken met
een bekledingreiniger verwijderen.
Het weefsel van de stof is wellicht niet
kleurvast. Dit kan zichtbare verkleu‐
ringen veroorzaken, met name op
lichtgekleurde bekleding. Reinig
verwijderbare vlekken en verkleurin‐
gen zo spoedig mogelijk.
Veiligheidsgordels met lauw water of
een interieurreiniger schoonmaken.
Voorzichtig
Klittenbandsluitingen sluiten
omdat geopende klittenbandslui‐
tingen schade aan de stoelbekle‐
ding kunnen toebrengen.
Hetzelfde geldt voor kledingstuk‐
ken met scherpe voorwerpen
zoals ritssluitingen, riemen of spij‐
kerbroeken met metalen accen‐
ten.
Kunststof en rubber onderdelen
Kunststof en rubberen onderdelen
mogen met dezelfde middelen
worden gereinigd als de carrosserie.
Indien nodig een interieurreiniger
gebruiken. Geen andere middelen
gebruiken. Vooral geen oplosmidde‐
len of brandstof. Niet schoonmaken
met hogedrukreinigers.
244 Service en onderhoud
Service en
onderhoud
Algemene informatie .................. 244
Service-informatie ................... 244
Aanbevolen vloeistoffen, smeer‐
middelen en onderdelen ............ 245
Aanbevolen vloeistoffen en
smeermiddelen ....................... 245
Algemene informatie
Service-informatie
Het is voor de bedrijfs- en verkeers‐
veiligheid en voor het behoud van de
waarde van uw auto belangrijk dat
alle servicewerkzaamheden met de
voorgeschreven intervallen worden
uitgevoerd.
Het uitgebreide bijgewerkte service‐
schema voor uw auto is beschikbaar
in de werkplaats.
Er is sprake van zware bedrijfsom‐
standigheden als een of meer van de
volgende situaties vaak voorkomen:
Koude starts, frequent stoppen en
optrekken zoals bij taxi's en politie‐
voertuigen, ritten met een aanhanger,
ritten in de bergen, ritten op slechte
en rulle wegdekken, ernstige lucht‐
vervuiling, zand en veel stof in de
lucht, ritten op grote hoogte en grote
temperatuurschommelingen.
In deze zware omstandigheden
moeten bepaalde onderhoudswerk‐
zaamheden wellicht vaker dan met
het reguliere service-interval dat op
het service-display verschijnt worden
verricht. Raadpleeg een werkplaats
voor aangepaste onderhoudssche‐
ma's.
Servicedisplay 3 94.
Service-intervallen - landengroep
1
Aan de auto moet om de 25.000 km
onderhoud gepleegd worden, of na
één jaar, wat het eerst voorkomt,
tenzij anders vermeld op het service-
display.
De service-intervallen gelden voor de
volgende landen:
Andorra, Oostenrijk, België, Cyprus,
Denemarken, Finland, Frankrijk,
Duitsland, Griekenland, IJsland,
Ierland, Italië, Liechtenstein, Luxem‐
burg, Malta, Monaco, Nederland,
Noorwegen, Portugal, San Marino,
Spanje, Zweden, Zwitserland, Vere‐
nigd Koninkrijk.
Service en onderhoud 245
Service-intervallen - landengroep
2
Aan de auto moet om de 15.000 km
onderhoud gepleegd worden, of na
één jaar, wat het eerst voorkomt,
tenzij anders vermeld op het service-
display.
De service-intervallen gelden voor de
volgende landen:
Albanië, Estland, Letland, Litouwen,
Macedonië, Montenegro, Polen,
Servië, Slovenië.
Service-intervallen - landengroep
3
Aan een auto met motortype EB2DTS
moet om de 10.000 km onderhoud
gepleegd worden, of na één jaar, wat
het eerst voorkomt, tenzij anders
vermeld op het service-display. Aan
een auto met een ander motortype
dan genoemd moet om de
15.000 km onderhoud gepleegd
worden, of na één jaar, wat het eerst
voorkomt, tenzij anders vermeld op
het service-display.
De service-intervallen gelden voor de
volgende landen:
Bosnië-Herzegovina, Bulgarije, Kroa‐
tië, Republiek Tsjechië, Hongarije,
Roemenië, Slowakije.
Service-intervallen - landengroep
4
Aan de auto moet om de 10.000 km
onderhoud gepleegd worden, of na
één jaar, wat het eerst voorkomt,
tenzij anders vermeld op het service-
display.
Deze service-intervallen gelden voor
de landen die niet behoren tot land‐
engroep 1, 2 of 3.
Registraties
Uitgevoerde service wordt geregi‐
streerd op de daarvoor bestemde
plaatsen in het service- en garantie‐
boekje. De datum en afgelezen kilo‐
meterstand worden bevestigd met
stempel en handtekening van de
uitvoerende werkplaats.
Zorg ervoor dat het service- en garan‐
tieboekje correct wordt ingevuld,
omdat een sluitend bewijs van
service essentieel is bij aanspraken
op garantie of goodwill en tevens een
pluspunt is bij verkoop van de auto.
Aanbevolen
vloeistoffen,
smeermiddelen en
onderdelen
Aanbevolen vloeistoffen en
smeermiddelen
Gebruik uitsluitend producten die aan
de aanbevolen specificaties voldoen.
9Waarschuwing
Bedrijfsvloeistoffen zijn gevaarlijk
en mogelijk giftig. Voorzichtig
hanteren. Informatie op de verpak‐
king in acht nemen.
Motorolie
Motorolie wordt ingedeeld op basis
van kwaliteit en viscositeit. Bij de
keuze van motorolie is kwaliteit
belangrijker dan viscositeit. Door de
oliekwaliteit blijft o.a. de motor
schoon, is de slijtage minimaal en
veroudert de olie minder snel. De
246 Service en onderhoud
viscositeit geeft informatie over de
dikte van de olie bij diverse
temperaturen.
Dexos is de nieuwste kwaliteit motor‐
olie, en biedt optimale bescherming
voor benzine- en dieselmotoren.
Indien deze niet voorhanden i,s moet
motorolie van een andere gerenom‐
meerde kwaliteit worden gebruikt.
Aanbevelingen voor benzinemotoren
zijn ook geldig voor motoren met de
brandstoffen Compressed Natural
Gas (CNG), Liquified Petroleum Gas
(LPG) en Ethanol (E85).
Kies de juiste motorolie op basis van
zijn kwaliteit en de minimale omge‐
vingstemperatuur 3 250.
Motorolie bijvullen
Voorzichtig
Verwijder gemorste olie met een
doek en doe deze op de juiste
wijze weg.
Motoroliesoorten van verschillende
fabrikanten en merken kunnen
worden gemengd zolang ze voldoen
aan de vereiste motoroliecriteria
kwaliteit en viscositeit.
Gebruik van motoroliën voor alle
benzinemotoren met alleen ACEA-
kwaliteit is verboden, aangezien dit
onder bepaalde omstandigheden
motorschade kan veroorzaken.
Kies de juiste motorolie op basis van
zijn kwaliteit en de minimale omge‐
vingstemperatuur 3 250.
Extra motorolieadditieven
Het gebruik van extra motorolieaddi‐
tieven kan schade tot gevolg hebben
en de garantie ongeldig maken.
Motorolieviscositeitswaarden
De SAE-viscositeitswaarde geeft
informatie over de dikte van de olie.
Multigrade-olie wordt geklasseerd
door twee cijfers, bijv. SAE 5W-30.
Het eerste cijfer, gevolgd door een W,
geeft de viscositeit bij lage tempera‐
turen, het tweede cijfer de viscositeit
bij hoge temperaturen aan.
Selecteer de desbetreffende viscosi‐
teitsindex afhankelijk van de minimu‐
momgevingstemperatuur 3 250.
Alle aanbevolen viscositeitswaarden
zijn geschikt voor hoge omgevings‐
temperaturen.
Koelvloeistof en antivries
Gebruik uitsluitend Long Life koel‐
vloeistof/antivries (LLC) op basis van
organisch zuur, die voor de auto is
goedgekeurd. Roep de hulp in van
een werkplaats.
Het systeem is af fabriek afgevuld
met koelvloeistof voor optimale corro‐
siewering en vorstbescherming tot
een temperatuur van ca. -28 °C. In
koude regio's met extreem lage
temperaturen biedt de af fabriek
bijgevulde koelvloeistof vorstbe‐
scherming tot ca. -37 °C. Deze
concentratie dient het gehele jaar in
stand te worden gehouden. Extra
koelvloeistofadditieven die bedoeld
zijn om extra corrosiebestendigheid
Service en onderhoud 247
te bieden of om kleine lekken te dich‐
ten kunnen functiestoringen veroor‐
zaken. Aansprakelijkheid voor even‐
tuele gevolgen van het gebruik van
extra koelvloeistofadditieven wordt
niet aanvaard.
Sproeiervloeistof
Gebruik uitsluitend voor de auto
goedgekeurde sproeiervloeistof om
schade aan wisserbladen, lakwerk,
kunststof en rubberen onderdelen te
voorkomen. Roep de hulp in van een
werkplaats.
Rem- en koppelingsvloeistof
Remvloeistof absorbeert na verloop
van tijd vocht waardoor de remmen
minder efficiënt werken. De remvloei‐
stof moet daarom na het aangegeven
interval worden ververst.
AdBlue
Gebruik AdBlue alleen voor het terug‐
brengen van het aandeel stikstof‐
oxide in de uitstoot van uitlaatgassen
3 149.
248 Technische gegevens
Technische
gegevens
Voertuigidentificatie ................... 248
Voertuigidentificatienummer .... 248
Typeplaatje .............................. 248
Motor-ID .................................. 249
Autogegevens ............................ 250
Aanbevolen vloeistoffen en
smeermiddelen ....................... 250
Motorgegevens ........................ 253
Prestaties ................................ 254
Voertuiggewicht ....................... 254
Afmetingen auto ...................... 255
Inhouden ................................. 255
Bandenspanningswaarden ...... 257
Voertuigidentificatie
Voertuigidentificatienum‐
mer
Het voertuigidentificatienummer kan
op het instrumentenpaneel zijn
geperst, zichtbaar door de voorruit, of
in de motorruimte op het rechter
carrosseriepaneel.
Typeplaatje
Het typeplaatje is aangebracht in de
linker of rechter portieropening.
Technische gegevens 249
Gegevens op het typeplaatje:
1: fabrikant
2: typegoedkeuringsnummer
3: voertuigidentificatienummer
4: toegelaten totaal voertuiggewicht
in kg
5: toegelaten totaal treingewicht
in kg
6: maximale toegelaten belading
van de vooras in kg
7: maximale toegelaten belading
van de achteras in kg
8: gegevens die specifiek zijn voor
de auto of voor het land waarin de
auto wordt gebruikt
De som van de voor- en achterasbe‐
lasting mag niet groter zijn dan het
maximale totaalgewicht van de auto.
Als bijvoorbeeld de vooras maximaal
wordt belast, mag de achteras slechts
met een gewicht worden belast dat
gelijk is aan het maximaal toelaatbare
totaalgewicht verminderd met de
voorasbelasting.
Deze technische gegevens zijn
samengesteld volgens EU-normen.
Wijzigingen voorbehouden. Specifi‐
caties in de voertuigdocumenten
prevaleren altijd boven die in deze
handleiding.
Motor-ID
De tabellen met technische gegevens
bevatten de code van de motor-ID.
Motorgegevens 3 253.
Voor het bepalen van de desbetref‐
fende motor kunt u de EEG-conformi‐
teitsverklaring die bij uw auto is gele‐
verd, of andere landelijke registratie‐
documenten raadplegen.
250 Technische gegevens
Autogegevens
Aanbevolen vloeistoffen en smeermiddelen
Europees serviceschema
Vereiste motoroliekwaliteit
Alle Europese landen met Europees service-interval (landgroepen 1,2,3) 3 244
Motoroliekwaliteit Benzinemotoren
(met inbegrip van CNG, LPG, E85)
Dieselmotoren
dexos1 Gen2
dexos2
Alleen dieselmotoren: Wanneer er geen dexos-kwaliteit beschikbaar is, kunt u één keer tussen de verversingsbeurten
door maximaal één liter motorolie van de kwaliteit ACEA C3 gebruiken.
Motorolieviscositeitswaarden
Alle Europese landen met Europees service-interval (landgroepen 1,2,3) 3 244
Omgevingstemperatuur Benzine- en dieselmotoren
tot –25 °C SAE 0W-30 of SAE 0W-40
SAE 5W-30 of SAE 5W-40
onder –25 °C SAE 0W-30 of SAE 0W-40
Technische gegevens 251
Internationaal serviceschema
Vereiste motoroliekwaliteit
Alle landen met internationaal service-interval (landgroepen 4) 3 244
Motoroliekwaliteit Benzinemotoren
(met inbegrip van CNG, LPG, E85)
Dieselmotoren
dexos1 Gen2
dexos2
Wanneer er geen dexos-kwaliteit beschikbaar is, kunt u de onderstaande oliekwaliteiten gebruiken:
Alle landen met internationaal service-interval (landgroepen 4) 3 244
Motoroliekwaliteit Benzinemotoren
(met inbegrip van CNG, LPG, E85)
Dieselmotoren
ACEA A3/B4
ACEA C3
Motorolieviscositeitswaarden
Alle landen met internationaal service-interval (landgroepen 4) 3 244
Omgevingstemperatuur Benzine- en dieselmotoren
tot –25 °C SAE 0W-30 of SAE 0W-40
SAE 5W-30 of SAE 5W-40
252 Technische gegevens
Alle landen met internationaal service-interval (landgroepen 4) 3 244
onder –25 °C SAE 0W-30 of SAE 0W-40
tot –20 °C SAE 10W-301) of SAE 10W-401)
1) Toegestaan, maar het gebruik van oliën van dexos-kwaliteit wordt aanbevolen.
Technische gegevens 253
Motorgegevens
Motoraanduiding B12XHT B16DTH
Verkoopaanduiding 1.2 Turbo 1.6
Productiecode EB2DTS DV6FC
Cilinderinhoud [cm3]1200 1560
Motorvermogen [kW] 96 88
bij 1/min 5500 3500
Koppel [Nm] 230 300
bij 1/min 1750 1750
Brandstofsoort Benzine Diesel
Octaangetal RON2)
aanbevolen 95
mogelijk 98
mogelijk 91
Bijkomende brandstofsoort
2) Eventuele andere informatie op een label op de tankklep heeft altijd prioriteit boven de motorspecifieke vereisten.
254 Technische gegevens
Prestaties
Motor B12xHT B16DTH
Topsnelheid [km/u]
Handgeschakelde versnellingsbak 188 189
Automatische versnellingsbak 188 185
Voertuiggewicht
Rijklaargewicht, basisuitvoering zonder enige opties
Motor Handgeschakelde versnellingsbak Automatische versnellingsbak
[kg] B12xHT 1350 1370
B16DTH 1392 1430
Extra uitrusting en accessoires verhogen het leeggewicht.
Beladingsinformatie 3 79.
Technische gegevens 255
Afmetingen auto
Lengte [mm] 4478
Breedte zonder buitenspiegels [mm] 1841
Breedte met twee buitenspiegels ingeklapt [mm] 1970
Breedte met twee buitenspiegels [mm] 2098
Hoogte (zonder antenne) [mm] 1623
Lengte vloer bagageruimte [mm] 876
Lengte van bagageruimte met tweede rij in voorste stand en neergeklapte derde rij [mm] 1868,8
Breedte bagageruimte [mm] 1053
Hoogte bagageruimte bij achterklep [mm] 996,6
Wielbasis [mm] 2675
Diameter draaicirkel [m] 10,5
Inhouden
Motorolie
Motor B12xHT B16DTH
inclusief filter [l] 3,5 3,75
tussen MIN en MAX [l] 1,0 1,5
256 Technische gegevens
Brandstoftank
Benzine/diesel, tankinhoud [I] 53
AdBlue-tank
AdBlue, tankinhoud [I] 17
Technische gegevens 257
Bandenspanningswaarden
Leeg voertuig met bestuurder Bij maximale belading
Motor Banden voor achter voor achter
[kPa/bar] ([psi]) [kPa/bar] ([psi]) [kPa/bar] ([psi]) [kPa/bar] ([psi])
B12XHT 215/70 R16,
215/65 R17
210/2,1 (30) 210/2,1 (30) 230/2,3 (33) 240/2,4 (35)
225/55 R18 210/2,1 (30) 210/2,1 (30) 240/2,4 (35) 250/2,5 (36)
205/55 R19 250/2,5 (36) 250/2,5 (36) 270/2,7 (39) 280/2,8 (41)
235/50 R19 230/2,3 (33) 230/2,3 (33) 250/2,5 (36) 260/2,6 (38)
B16DTH 215/70 R16,
215/65 R17
210/2,1 (30) 210/2,1 (30) 230/2,3 (33) 240/2,4 (35)
225/55 R18 220/2,2 (32) 220/2,2 (32) 240/2,4 (35) 250/2,5 (36)
205/55 R19 240/2,4 (35) 240/2,4 (35) 270/2,7 (39) 280/2,8 (41)
235/50 R19 230/2,3 (33) 230/2,3 (33) 250/2,5 (36) 260/2,6 (38)
Alle Compact reservewiel
135/80 R18
420/4,2 (60) 420/4,2 (60) 420/4,2 (60) 420/4,2 (60)
258 Klantinformatie
Klantinformatie
Klantinformatie ........................... 258
Conformiteitsverklaring ............ 258
REACH .................................... 261
Reparatie ongevalsschade ...... 261
Erkenning van software ........... 261
Software-update ...................... 265
Gedeponeerde
handelsmerken ....................... 265
Registratie van voertuigdata en
privacy ....................................... 266
Event Data Recorders (EDR) ..266
Radiofrequentie-identificatie
(RFID) ..................................... 267
Klantinformatie
Conformiteitsverklaring
Radiozendsystemen
Deze auto heeft systemen die radio‐
golven versturen en/of ontvangen
volgens de Richtlijn 1999/5/EG of
2014/53/EU. De fabrikanten van de
onderstaande systemen verklaren
conformiteit volgens Richtlijn 1999/5/
EG of 2014/53/EU. De volledige tekst
van de EU-conformiteitsverklaring
voor elk systeem is beschikbaar
gesteld op het volgende interneta‐
dres: www.opel.com/conformity.
Importeur is
Opel / Vauxhall, Bahnhofsplatz,
65423 Ruesselsheim am Main,
Germany.
Navi 5.0 IntelliLink
Continental
LCIE Bureau Veritas-Site de Fonte‐
nay aux Roses, 33 avenue du général
Leclerc, 92260 Fontenay aux Roses,
France
Bedrijfsfre‐
quentie (MHz) Maximum
uitgangsver‐
mogen (dBm)
2400.0 - 2483.5 2,2
2400.0 - 2483.5 15
Infotainmentsysteem R 4.0 IntelliLink
LGE
LG Electronics European Shared
Service Center B.V.
Krijgsman 1, 1186 DM Amstelveen,
The Netherlands
Bedrijfsfre‐
quentie (MHz) Maximum
uitgangsver‐
mogen (dBm)
2400.0 - 2483.5 4
2400.0 - 2483.5 13
5725.0 - 5850.0 13
Infotainmentsysteem R 4.0
Clarion
244 rue du Pré à Varois, 54670 Custi‐
nes, France
Bedrijfsfrequentie: 2400 - 2480 MHz
Maximaal vermogen: 4 dBm
Klantinformatie 259
OnStar-module
LGE
LG Electronics European Shared
Service Center B.V.
Krijgsman 1, 1186 DM Amstelveen,
The Netherlands
Bedrijfsfre‐
quentie (MHz) Maximum
uitgangsver‐
mogen (dBm)
2402 - 2480 4
2412 - 2462 18
880 - 915 33
1710 - 1785 24
1850 - 1910 24
1920 - 1980 24
2500 - 2570 23
Antennemodule
Laird
Daimlerring 31, 31135 Hildesheim,
Germany
Bedrijfsfrequentie: n.v.t.
Maximum uitgangsvermogen: n.v.t.
ASK Automotive Pvt. Ltd.
Unit 2 Plot No. 30-31, Fathepur-
Nawada, Manesar, Gurugram,
Haryana 122050, India
Bedrijfsfrequentie: n.v.t.
Maximum uitgangsvermogen: n.v.t.
Handzender
Hülsbeck & Fürst GmbH & Co. KG
Steeger Str. 17, 42551 Velbert,
Germany
Frequentie: 433,92 MHz
Maximum uitgangsvermogen:
10 dBm
Ontvanger handzender
Delphi European, Middle Eastern &
African Regional Offices Customer
Technology
Center Avenue de Luxembourg,
L-4940 Bascharage, G.D. of Luxem‐
bourg
Bedrijfsfrequentie: 119 - 128,6
Maximaal vermogen:
16dBµA/m @ 10m
Elektronische sleutelzender
Valeo
43 Rue Bayen, 75017 Paris, France
Frequentie: 433,92 MHz
Maximum uitgangsvermogen:
10 dBm
Startbeveiliging
KOSTAL of America, Inc.
350 Stephenson Hwy, Troy MI 48083,
USA
Bedrijfsfrequentie: 125 kHz
Maximaal vermogen:
5 dBμA/m bij 10m
Radareenheid
ZF TRW Autocruise SAS
Secteur de la Pointe du Diable,
Avenue du technopôle, 29280 Plou‐
zane, France
Bedrijfsfrequentie:
24,15 - 24,25 GHz
Maximum uitgangsvermogen:
20 dBm
260 Klantinformatie
Krik
Klantinformatie 261
Vertaling van de oorspronkelijke
conformiteitsverklaring
Conformiteitsverklaring conform EG-
richtlijn 2006/42/EC
Bij dezen verklaren wij dat het
product:
Productaanduiding: Krik
Type/GM onderdeelnummer:
3637376
Type/onderdeelnummer PSA:
9649243380
voldoet aan de bepalingen van richt‐
lijn 2006/42/EC.
Gehanteerde technische normen:
GMN9737 : krikken
GM 14337 : standaarduitrusting
krik - hardwaretests
GMW15005 : standaarduitrusting
krik en reserve‐
band, boordtest
ISO TS 16949 : kwaliteitsborgings‐
systemen
Ondergetekende is bevoegd tot het
samenstellen van de technische
documentatie.
Rüsselsheim, 13 december 2016
was getekend
André-Alexander Konter
Engineering Group Manager Tyre
and Wheel Systems
Adam Opel GmbH
D-65423 Rüsselsheim
REACH
Registration, Evaluation, Authorisa‐
tion and Restriction of Chemicals
(REACH) is een EU-verordening ter
verbetering van de bescherming van
de volksgezondheid en het milieu
tegen de risico's die mogelijk uitgaan
van chemische stoffen. Ga naar
www.opel.com voor nadere informa‐
tie en voor inzage in de Artikel 33-
communicatie.
Reparatie ongevalsschade
Lakdikte
Afhankelijk van productietechnieken
kan de dikte van de laklaag variëren
tussen 50 en 400 µm.
Een verschil in de lakdikte is daarom
geen aanwijzing voor een reparatie
na een ongeval.
Erkenning van software
Bepaalde OnStar-componenten
bevatten software van libcurl en unzip
en andere software van derden. Hier‐
onder vindt u de kennisgevingen en
licenties m.b.t. libcurl en unzip. Ga
voor andere software van derden
naar http://www.lg.com/global/
support/opensource/index.
U vindt de vertaalde tekst onder de
originele tekst.
libcurl
Copyright and permission notice
Copyright (c) 1996 - 2010, Daniel
Stenberg, <daniel@haxx.se>.
All rights reserved.
262 Klantinformatie
Permission to use, copy, modify, and
distribute this software for any
purpose with or without fee is hereby
granted, provided that the above
copyright notice and this permission
notice appear in all copies.
The software is provided "as is",
without warranty of any kind, express
or implied, including but not limited to
the warranties of merchantability,
fitness for a particular purpose and
noninfringement of third party rights.
In no event shall the authors or copy‐
right holders be liable for any claim,
damages or other liability, whether in
an action of contract, tort or other‐
wise, arising from, out of or in connec‐
tion with the software or the use or
other dealings in the software.
Except as contained in this notice, the
name of a copyright holder shall not
be used in advertising or otherwise to
promote the sale, use or other
dealings in this Software without prior
written authorization of the copyright
holder.
unzip
This is version 2005-Feb-10 of the
Info-ZIP copyright and license. The
definitive version of this document
should be available at ftp://ftp.info-
zip.org/pub/infozip/license.html inde‐
finitely.
Copyright (c) 1990-2005 Info-ZIP. All
rights reserved.
For the purposes of this copyright and
license, “Info-ZIP” is defined as the
following set of individuals:
Mark Adler, John Bush, Karl Davis,
Harald Denker, Jean-Michel Dubois,
Jean-loup Gailly, Hunter Goatley, Ed
Gordon, Ian Gorman, Chris Herborth,
Dirk Haase, Greg Hartwig, Robert
Heath, Jonathan Hudson, Paul
Kienitz, David Kirschbaum, Johnny
Lee, Onno van der Linden, Igor
Mandrichenko, Steve P. Miller, Sergio
Monesi, Keith Owens, George
Petrov, Greg Roelofs, Kai Uwe
Rommel, Steve Salisbury, Dave
Smith, Steven M. Schweda, Christian
Spieler, Cosmin Truta, Antoine
Verheijen, Paul von Behren, Rich
Wales, Mike White.
This software is provided “as is,”
without warranty of any kind, express
or implied. In no event shall Info-ZIP
or its contributors be held liable for
any direct, indirect, incidental, special
or consequential damages arising out
of the use of or inability to use this
software.
Permission is granted to anyone to
use this software for any purpose,
including commercial applications,
and to alter it and redistribute it freely,
subject to the following restrictions:
1. Redistributions of source code
must retain the above copyright
notice, definition, disclaimer, and
this list of conditions.
2. Redistributions in binary form
(compiled executables) must
reproduce the above copyright
notice, definition, disclaimer, and
this list of conditions in documen‐
tation and/or other materials
provided with the distribution. The
sole exception to this condition is
redistribution of a standard
UnZipSFX binary (including
SFXWiz) as part of a self-extrac‐
ting archive; that is permitted
Klantinformatie 263
without inclusion of this license,
as long as the normal SFX banner
has not been removed from the
binary or disabled.
3. Altered versions--including, but
not limited to, ports to new opera‐
ting systems, existing ports with
new graphical interfaces, and
dynamic, shared, or static library
versions--must be plainly marked
as such and must not be misre‐
presented as being the original
source. Such altered versions
also must not be misrepresented
as being Info-ZIP releases--inclu‐
ding, but not limited to, labeling of
the altered versions with the
names “Info-ZIP” (or any variation
thereof, including, but not limited
to, different capitalizations),
“Pocket UnZip,” “WiZ” or “MacZip”
without the explicit permission of
Info-ZIP. Such altered versions
are further prohibited from misre‐
presentative use of the Zip-Bugs
or Info-ZIP e-mail addresses or of
the Info-ZIP URL(s).
4. Info-ZIP retains the right to use
the names “Info-ZIP,” “Zip,”
“UnZip,” “UnZipSFX,” “WiZ,”
“Pocket UnZip,” “Pocket Zip,” and
“MacZip” for its own source and
binary releases.
libcurl
Auteursrecht en toestemming
Copyright (c) 1996 - 2010, Daniel
Stenberg, <daniel@haxx.se>.
Alle rechten voorbehouden.
Hierbij wordt toestemming verleend
om deze software voor enig doel, al
dan niet tegen een vergoeding, te
gebruiken, te wijzigen en te distribu‐
eren, op voorwaarde dat boven‐
staande vermelding van het auteurs‐
recht in alle exemplaren is opgeno‐
men.
Deze software wordt "as is" verstrekt,
zonder enige vorm van garantie,
uitdrukkelijk of impliciet, inclusief
maar niet beperkt tot de garanties
m.b.t. verhandelbaarheid, geschikt‐
heid voor een bepaald doel en geen
inbreuk op rechten van derden. De
auteurs of de houders van het
auteursrecht zijn in geen geval
aansprakelijk voor een claim, scha‐
declaim of andere aanspraken inzake
een verbintenis, onrechtmatige daad
of anderszins als gevolg van of in
verband met de software of het
gebruik of andere aspecten in de soft‐
ware.
Behalve zoals vastgesteld in deze
voorwaarden zal de naam van een
auteursrechthebbende niet in adver‐
tenties of op andere manieren
worden gebruikt om de verkoop, het
gebruik of andere handelingen in
deze Software te bevorderen, zonder
voorafgaande schriftelijke toestem‐
ming van de copyrighthouder.
unzip
Dit is versie 2005-Feb-10 van de Info-
ZIP copyright- en licentievoorwaar‐
den. De definitieve versie van dit
document treft u voor onbepaalde tijd
aan op ftp://ftp.info-zip.org/pub/info‐
zip/license.html.
Copyright (c) 1990-2005 Info-ZIP.
Alle rechten voorbehouden.
Voor de toepassing van deze
auteursrecht- en licentievoorwaarden
wordt "Info-ZIP" gedefinieerd als de
volgende groep individuen:
264 Klantinformatie
Mark Adler, John Bush, Karl Davis,
Harald Denker, Jean-Michel Dubois,
Jean-loup Gailly, Hunter Goatley, Ed
Gordon, Ian Gorman, Chris Herborth,
Dirk Haase, Greg Hartwig, Robert
Heath, Jonathan Hudson, Paul
Kienitz, David Kirschbaum, Johnny
Lee, Onno van der Linden, Igor
Mandrichenko, Steve P. Miller, Sergio
Monesi, Keith Owens, George
Petrov, Greg Roelofs, Kai Uwe
Rommel, Steve Salisbury, Dave
Smith, Steven M. Schweda, Christian
Spieler, Cosmin Truta, Antoine
Verheijen, Paul von Behren, Rich
Wales, Mike White.
Deze software wordt "as is" verstrekt,
zonder enige vorm van garantie,
uitdrukkelijk of impliciet. Info-ZIP en
zijn medewerkers zullen in geen
geval aansprakelijk worden gesteld
voor enige directe, indirecte, inciden‐
tele of speciale schade of gevolg‐
schade, voortkomend uit het gebruik
van deze software of het niet in staat
zijn om deze software te gebruiken.
Aan iedereen wordt toestemming
verleend om deze software voor enig
doel te gebruiken, inclusief commer‐
ciële toepassingen, en om het te wijzi‐
gen en gratis te distribueren, behou‐
dens de volgende beperkingen:
1. Bij verspreiding van de broncode
moeten bovenstaande copyright‐
verklaring, definitie, disclaimer en
deze lijst met voorwaarden steeds
worden opgenomen.
2. Bij herdistributie in binaire vorm
(gecompileerde uitvoerbare
bestanden) moet de boven‐
staande copyrightverklaring, defi‐
nitie, disclaimer en deze lijst met
voorwaarden worden opgenomen
in de documentatie en/of in
andere materialen die worden
meegeleverd. De enige uitzonde‐
ring op deze voorwaarde is
herdistributie van een standaard
binair bestand UnZipSFX (inclu‐
sief SFXWiz), als onderdeel van
een zelfuitpakkend archiefbe‐
stand; dit is toegestaan zonder
opname van deze licentie, op
voorwaarde dat de normale SFX-
banner niet uit het binaire bestand
is verwijderd of dat deze uitge‐
schakeld.
3. Gewijzigde versies, met inbegrip
van maar niet beperkt tot poorten
naar nieuwe besturingssystemen,
bestaande poorten met nieuwe
grafische interfaces en dynami‐
sche, gedeelde of statische
versies van bibliotheken, moeten
duidelijk als zodanig herkenbaar
zijn en mogen niet verkeerd
worden geïnterpreteerd als zijnde
de originele bron. Dergelijke
gewijzigde versies mogen niet
verkeerd worden geïnterpreteerd
als informatie-ZIP-versies, met
inbegrip van maar niet beperkt tot
het labelen van de gewijzigde
versie met de naam "info-ZIP" (of
een variant daarvan, inclusief
maar niet beperkt tot verschil‐
lende uitvoeringen van de hoofd‐
letters en kleine letters), "Pocket
UnZip", "WiZ" of "MacZip", zonder
de uitdrukkelijke toestemming van
Info-ZIP. In dergelijke gewijzigde
versies is het daarnaast verboden
om een onjuiste voorstelling van
zaken te geven als gevolg van het
Klantinformatie 265
gebruik van de e-mailadressen
van Zip-Bugs of Info-ZIP of de
URL('s) van Info-ZIP.
4. Info-ZIP behoudt het recht om de
namen “Info-ZIP,” “Zip,” “UnZip,”
“UnZipSFX,” “WiZ,” “Pocket
UnZip,” “Pocket Zip” en “MacZip”
te gebruiken voor zijn eigen bron‐
versies en binaire versies.
Software-update
Het Infotainmentsysteem kan gese‐
lecteerde software-updates via een
draadloze verbinding downloaden en
installeren.
Let op
De beschikbaarheid van deze
draadloze boordsoftware-updates
varieert per auto en land. Ga voor
meer informatie naar onze website.
Internetverbinding
Voor het draadloos downloaden van
boordsoftware hebt u internetconnec‐
tiviteit nodig, via de ingebouwde
OnStar-verbinding van de auto of een
andere met wachtwoord beveiligde
Wi-Fi Hotspot, bijv. via een mobiele
telefoon.
Selecteer om het Infotainmentsys‐
teem te verbinden met een hotspot
Instellingen op het beginscherm, Wi-
Fi en dan Wi-Fi-netwerken beheren.
Selecteer het gewenste Wi-Fi-
netwerk en volg de aanwijzingen op
het scherm.
Updates
Het systeem vraagt u bepaalde upda‐
tes te downloaden en te installeren.
Er is ook een optie om handmatig op
updates te controleren.
Selecteer om handmatig te controle‐
ren op updates Instellingen op het
beginscherm, Software-informatie en
dan Systeemupdate. Volg de aanwij‐
zingen op het scherm.
Let op
De stappen voor het downloaden en
installeren van updates kunnen per
auto variëren.
Let op
Tijdens het installeren werkt de auto
mogelijk niet.
Gedeponeerde
handelsmerken
Apple Inc.
Apple CarPlay™ is een handelsmerk
van Apple Inc.
App Store® en iTunes Store® zijn
gedeponeerde handelsmerken van
Apple Inc.
iPhone®, iPod®, iPod touch®, iPod
nano®, iPad® en Siri® zijn gedepo‐
neerde handelsmerken van Apple
Inc.
Bluetooth SIG, Inc.
Bluetooth® is een gedeponeerd
handelsmerk van Bluetooth SIG, Inc.
DivX, LLC
DivX® en DivX Certified® zijn gedepo‐
neerde handelsmerken van DivX,
LLC.
EnGIS Technologies, Inc.
BringGo® is een gedeponeerd
handelsmerk van EnGIS Technolo‐
gies, Inc.
Google Inc.
Android™ en Google Play™ Store
zijn handelsmerken van Google Inc.
266 Klantinformatie
Stitcher Inc.
Stitcher™ is een handelsmerk van
Stitcher, Inc.
Verband der Automobilindustrie e.V.
AdBlue® is een gedeponeerd
handelsmerk van de VDA.
Registratie van
voertuigdata en privacy
Event Data Recorders
(EDR)
Gegevensopslagmodules in de
auto
Een groot aantal elektronische
componenten van uw auto bevat
gegevensopslagmodules die tijdelijk
of permanent technische gegevens
over de staat van de auto, voorvallen
en fouten opslaan. In het algemeen
documenteert deze technische infor‐
matie de staat van onderdelen,
modules, systemen of de omgeving:
bedrijfsomstandigheden van
systeemcomponenten (bijv.
vulniveaus)
statusberichten van de auto en
de componenten ervan (bijv.
aantal wielomwentelingen / rota‐
tiesnelheid, afremming, dwars‐
acceleratie)
storingen en defecten in belang‐
rijke systeemcomponenten
reacties van de auto in bepaalde
rijsituaties (bijv. afgaan van
airbag, activering van stabiliteits‐
regeling)
omgevingsomstandigheden
(bijv. temperatuur)
Deze gegevens zijn uitsluitend tech‐
nisch en helpen bij het identificeren
en corrigeren van fouten en het opti‐
maliseren van boordfuncties.
Bewegingsprofielen die op afgelegde
routes duiden, kunnen niet met deze
gegevens worden aangemaakt.
Als diensten worden gebruikt (bijv.
reparaties, serviceprocessen, garan‐
tiegevallen, kwaliteitsborging)
kunnen medewerkers van het servi‐
cenetwerk (met inbegrip van de fabri‐
kant) deze technische informatie
lezen in de gebeurtenis- en foutgege‐
vensopslagmodules waarbij speciale
diagnostische apparaten worden
gebruikt. Raadpleeg desgewenst
deze werkplaatsen voor meer infor‐
matie. Na het corrigeren van een fout
worden de gegevens gewist uit de
foutopslagmodule of worden ze cons‐
tant overschreven.
Klantinformatie 267
Bij het gebruik van deze auto kunnen
er zich situaties voordoen waarin
deze technische gegevens in
verband met andere informatie
(onder andere ongevalsmelding,
schade aan de auto, getuigenverkla‐
ringen) met een persoon kunnen
worden geassocieerd - mogelijk met
behulp van een expert.
Extra functies die contractueel zijn
overeengekomen met de klant (bijv.
locatie van auto in noodgevallen)
maken de overdracht van bepaalde
autogegevens uit de auto mogelijk.
Radiofrequentie-
identificatie (RFID)
RFID-technologie wordt in sommige
voertuigen gebruikt voor functies
zoals de bandenspanningscontrole
en ontstekingsbeveiliging. Het wordt
ook samen gebruikt met apparaten
zoals radiogestuurde handzenders
voor het vergrendelen/ontgrendelen
van de deuren en starten en zenders
in de auto voor het openen van gara‐
gedeuren. RFID-technologie in Opel-
voertuigen gebruikt geen persoonlijke
informatie, houdt ze niet bij of koppelt
deze niet aan andere Opel-systemen
die persoonlijke informatie bevatten.
268
Trefwoordenlijst A
Aan/Uit-knop............................... 141
Aanbevolen vloeistoffen en
smeermiddelen .............. 245, 250
Aanduidingen op banden .......... 226
Aanhangerkoppeling.................. 206
Aanhangerstabilisatie ................ 210
Aanhanger trekken .................... 207
Aansteker .................................... 90
Accessoires en modificaties van
auto ........................................ 211
Accu ........................................... 217
Achterklep..................................... 30
Achterlichten .............................. 221
Achterruitverwarming ................... 42
Achteruitkijkcamera ................... 195
Achteruitrijlichten ....................... 124
Actieve hoofdsteunen................... 47
Actieve noodrem......................... 178
Adaptieve cruise control..... 102, 169
AdBlue................................ 100, 149
Afmetingen auto ........................ 255
Airbag deactiveren ....................... 63
Airbag-deactivering ...................... 97
Airbag en gordelspanners ........... 96
Airbaglabel.................................... 58
Airbagsysteem ............................. 58
Airconditioning ........................... 128
Airconditioning regelmatig
aanzetten ............................... 138
Alarmknipperlichten ................... 122
Algemene informatie .................. 206
Algemene richtlijnen voor het
rijden....................................... 140
Andere auto slepen ................... 240
Antiblokkeersysteem ................. 157
Antiblokkeersysteem (ABS) ......... 99
Armsteun................................ 53, 54
Asbakken ..................................... 90
Autogegevens............................ 250
Autokrik....................................... 225
Automatische dimfunctie ............. 40
Automatische verlichting ............ 116
Automatische versnellingsbak ... 153
Automatisch vergrendelen ........... 29
Auto ontgrendelen ......................... 6
Auto slepen ................................ 239
Auto stallen................................. 212
Autostop............................. 101, 145
B
Bagageruimte ........................ 30, 72
Bagageruimte-afdekking ............. 74
Bandenreparatieset ................... 230
Bandenspanning ....................... 226
Bandenspanningswaarden ........ 257
Batterijspanning ......................... 107
Bedieningsorganen...................... 82
Bekerhouders .............................. 71
Bekleding.................................... 243
269
Beladingsinformatie ..................... 79
Beslagen lampglazen ................ 124
Bestuurdersondersteuningssys‐
temen...................................... 164
Beveiliging van de auto................ 35
Binnenspiegels............................. 40
Binnenverlichting ............... 124, 224
Blindehoeksysteem.................... 190
BlueInjection............................... 149
Bochtverlichting.......................... 119
Bolle vorm .................................... 38
Boordgereedschap..................... 225
Boordinformatie ......................... 106
Brandstof.................................... 202
Brandstofmeter ............................ 94
Brandstofverbruik - CO2-uitstoot. 205
Brandstof voor benzinemotoren 202
Brandstof voor dieselmotoren ...203
Buitenspiegels.............................. 38
Buitentemperatuur ....................... 85
Buitenverlichting......................... 116
C
Centrale vergrendeling ................ 24
Claxon ................................... 13, 83
Conformiteitsverklaring............... 258
Contactslotstanden .................... 140
Controlelampen............................ 95
Controlelampjes............................ 93
Controle over de auto ................ 140
Controles.................................... 213
Cruise control .................... 102, 164
D
Dagrijlicht ................................... 119
Dagteller ...................................... 93
Dak............................................... 44
Dakbelasting................................. 79
Dakdrager .................................... 79
DEF............................................ 149
Detectiesystemen....................... 182
Diefstalalarmsysteem .................. 36
Dieselbrandstofsysteem
ontluchten .............................. 218
Dieseluitlaatvloeistof................... 149
Dimlicht of groot licht.................. 116
Driepuntsgordel ........................... 56
Driver Information Center........... 103
Drukverliesdetectiesysteem 100, 228
E
Eerste hulp................................... 78
Elektrisch bediende ruiten ........... 41
Elektrische aansluitingen ............. 87
Elektrische handrem............. 98, 157
Elektrische handrem defect.......... 98
Elektrische stoelverstelling .......... 51
Elektrische verstelling .................. 38
Elektronische hulpsystemen bij
het rijden................................. 160
Elektronische rijprogramma's .... 155
Elektronische stabiliteitsregeling
en Traction Control-systeem..
.......................................... 99, 160
Elektronisch
klimaatregelsysteem .............. 131
Elektronisch sleutelsysteem......... 23
Erkenning van software.............. 261
Event Data Recorders (EDR)..... 266
F
Frontaal airbagsysteem ............... 61
Frontaanrijdingswaarschuwing... 177
G
Geavanceerde parkeerhulp........ 185
Gebruik van deze handleiding ....... 3
Gedeponeerde handelsmerken..265
Geluidssignalen ......................... 107
Gereedschap ............................. 225
Gevaar, Waarschuwing en
Voorzichtig ................................. 4
Gevarendriehoek ......................... 78
Gloeilamp vervangen ................ 219
Gordelverklikker ........................... 96
Gordijnairbagsysteem .................. 62
Grootlicht ........................... 101, 117
Grootlichtassistentie........... 101, 117
270
H
Halogeenkoplampen ................. 219
Handgeschakelde
versnellingsbak ...................... 156
Handmatige dimfunctie ................ 40
Handmatige modus ................... 154
Handmatige stoelverstelling......... 49
Handrem .................................... 157
Handschoenenkastje ................... 71
Handzender ................................. 22
Hellingrem ................................. 160
Hoofdsteunen .............................. 46
Hoofdsteunverstelling .................... 8
Hulpverwarming.......................... 136
I
Inbouwposities kinderveilig‐
heidssystemen ......................... 67
Inductief opladen.......................... 89
Info-Display................................. 104
Inhouden ................................... 255
Inklapbare spiegels ..................... 39
Inleiding ......................................... 3
Instapverlichting ......................... 125
Instrumentengroep ...................... 90
Instrumentenverlichting ............. 224
Interieurverlichting...................... 124
K
Katalysator ................................. 149
Kentekenverlichting ................... 224
Keuzehendel ............................. 153
Kilometerteller .............................. 93
Kindersloten ................................. 29
Kinderveiligheids-systemen.......... 64
Klimaatregeling ............................ 15
Klimaatregelsystemen................ 127
Klok............................................... 86
Koeling handschoenenkastje ....137
Koelvloeistof .............................. 215
Koelvloeistof en antivries............ 245
Koelvloeistoftemperatuur ........... 100
Koelvloeistoftemperatuurmeter ...94
Koplampverstelling .................... 118
L
Laadsysteem ............................... 97
Lane Departure Warning...... 99, 197
Lane keep assist.................. 99, 198
LED-koplampen.......... 102, 119, 220
Leeslampen ............................... 125
Lekke band................................. 233
Lichtschakelaar .......................... 116
Lichtsignaal ................................ 118
Luchtinlaat ................................. 137
Luchtroosters.............................. 136
M
Meters........................................... 93
Mistachterlicht .................... 102, 123
Mistlamp .................................... 102
Mistlampen ................................ 221
Mistlampen voor ........................ 123
Motorgegevens .......................... 253
Motor-ID...................................... 249
Motorkap .................................... 213
Motorolie .................... 214, 245, 250
Motoroliedruk ............................. 100
Motor starten ............................. 143
N
Nieuwe auto inrijden .................. 140
O
Olie, motor.......................... 245, 250
OnStar........................................ 112
Ontlaadbeveiliging accu ............ 126
Opbergruimte................................ 71
Opbergvakken.............................. 71
Opbergvak middenconsole .......... 72
Overzicht instrumentenpaneel ..... 10
P
Panne......................................... 239
Panoramadak .............................. 44
Panoramazichtsysteem.............. 192
Parkeerhulp ............................... 182
Parkeerlichten ............................ 123
Parkeren .............................. 19, 147
Partikelfilter................................. 148
Persoonlijke instellingen ............ 108
Pollenfilter .................................. 137
Portieren....................................... 30
271
Portier open ............................... 102
Prestaties ................................... 254
Profieldiepte ............................... 229
Q
Quickheat................................... 136
R
Radiofrequentie-identificatie
(RFID)..................................... 267
REACH....................................... 261
Regelbare
instrumentenverlichting........... 124
Regensensor.............................. 102
Registreren van autogegevens
en privacy................................ 266
Remassistentie .......................... 159
Rem- en koppelingssysteem ....... 98
Rem- en koppelingsvloeistof...... 245
Remmen ............................ 157, 216
Remvloeistof .............................. 216
Reparatie ongevalsschade......... 261
Reservewiel ............................... 236
Richtingaanwijzer ........................ 96
Richtingaanwijzers ..................... 122
Roetfilter............................. 100, 148
Rolschermen ............................... 44
Ruiten........................................... 40
Rijgedrag en aanhangertips ...... 206
Rijverlichting ........................ 12, 101
S
Schakelen..................................... 99
Schakel motor uit.......................... 98
Selectieve katalysatorreductie.... 149
Selectieve ride control................ 161
Service ............................... 138, 244
Service-display ............................ 94
Service-informatie ...................... 244
Sjorogen ...................................... 76
Sleutels ........................................ 21
Sleutels, sloten............................. 21
Sneeuwkettingen ....................... 230
Snelheidsbegrenzer........... 102, 167
Snelheidsmeter ............................ 93
Software-update......................... 265
Spiegelverstelling .......................... 9
Sportmodus ............................... 164
Sproeiervloeistof ........................ 216
Startbeveiliging ............................ 38
Starten en bedienen................... 140
Starthulp gebruiken ................... 237
Stoelpositie .................................. 48
Stoelverstelling .............................. 7
Stoelverwarming........................... 53
Stoelverwarming, achter........... 54
Stop/Start-systeem..................... 145
Storing ....................................... 155
Storingsindicatielamp .................. 97
Stroomonderbreking .................. 155
Stroomspaarmodus.................... 142
Sturen......................................... 140
Stuurbedieningsknoppen ............. 82
Stuurwiel instellen .......................... 9
Stuurwielverstelling ...................... 82
Symbolen ....................................... 4
Systeemcontrole........................... 98
T
Tanken ....................................... 204
Te laag brandstofpeil ................. 101
Toerenteller ................................. 93
Trekhaak .................................... 207
Trekken............................... 206, 239
Trekstang.................................... 206
Typeplaatje ................................ 248
U
Uitlaatgassen ............................. 148
Uitrol-brandstofafsluiter ............. 144
Uitstapverlichting ....................... 126
Ultrasoonparkeerhulp................. 182
Uw autogegevens .......................... 3
V
Valetmodus................................. 104
Van banden- en velgmaat
veranderen ............................. 229
Vaste luchtroosters .................... 137
Veiligheidsgordel ........................... 8
Veiligheidsgordels ....................... 54
Veiligheidsnet .............................. 76
272
Velgen en banden ..................... 226
Ventilatie............................... 53, 127
Verbanddoos ............................... 78
Vergrendelingssysteem ............... 35
Verlichting middenconsole ........ 125
Verlichtingsfuncties..................... 125
Verlichting zonneklep ................ 125
Vermoeidheidsdetectie............... 201
Versnellingsbak ........................... 17
Versnellingsbakdisplay .............. 153
Verstelbare luchtroosters ........... 136
Verwarmde spiegels .................... 39
Verwarmd stuurwiel ..................... 82
Verwarming ........................... 53, 54
Verwarmings- en
ventilatiesysteem .................... 127
Verwerking van sloopauto ......... 213
Verzorging.................................. 240
Verzorging exterieur .................. 240
Verzorging interieur ................... 243
Vloerafdekking bagageruimte ...... 75
Voertuiggewicht ......................... 254
Voertuigidentificatienummer ...... 248
Voetgangersbescherming voor..181
Voordat u wegrijdt ........................ 17
Voorligger gedetecteerd............. 102
Voorruit......................................... 40
Voorruitverwarming...................... 43
Voorstoelen.................................. 48
Voorverwarming ........................ 100
W
Waarschuwingslichten.................. 93
Werkzaamheden uitvoeren ....... 213
Wieldoppen ................................ 230
Wiel verwisselen ........................ 233
Winterbanden ............................ 226
Wis-/wasinstallatie ....................... 13
Wis-/wasinstallatie achterruit ....... 85
Wis-/wasinstallatie voorruit .......... 83
Wisserblad vervangen ............... 218
Z
Zitplaatsen achterin...................... 54
Zonnekleppen .............................. 44
Zijdelings airbagsysteem ............. 62
Zijmarkeringslichten.................... 116
Zijrichtingaanwijzers .................. 224
www.opel.com
Copyright by ADAM OPEL GmbH, Rüsselsheim, Germany.
De gegevens in deze publicatie waren correct op de onderstaande uitgiftedatum. Wijzigingen in de techniek, uitrusting of vorm van de auto's ten opzichte van de gegevens in deze
publicatie, alsmede wijzigingen van deze publicatie zelf blijven Adam Opel GmbH voorbehouden.
Uitgave: augustus 2017, ADAM OPEL GmbH, Rüsselsheim.
Gedrukt op chloorvrij gebleekt papier.
*ID-OGDAOLSE1708-NL*
ID-OGDAOLSE1708-nl
6

Hulp nodig? Stel uw vraag in het forum

Spelregels

Misbruik melden

Gebruikershandleiding.com neemt misbruik van zijn services uitermate serieus. U kunt hieronder aangeven waarom deze vraag ongepast is. Wij controleren de vraag en zonodig wordt deze verwijderd.

Product:

Bijvoorbeeld antisemitische inhoud, racistische inhoud, of materiaal dat gewelddadige fysieke handelingen tot gevolg kan hebben.

Bijvoorbeeld een creditcardnummer, een persoonlijk identificatienummer, of een geheim adres. E-mailadressen en volledige namen worden niet als privégegevens beschouwd.

Spelregels forum

Om tot zinvolle vragen te komen hanteren wij de volgende spelregels:

Belangrijk! Als er een antwoord wordt gegeven op uw vraag, dan is het voor de gever van het antwoord nuttig om te weten als u er wel (of niet) mee geholpen bent! Wij vragen u dus ook te reageren op een antwoord.

Belangrijk! Antwoorden worden ook per e-mail naar abonnees gestuurd. Laat uw emailadres achter op deze site, zodat u op de hoogte blijft. U krijgt dan ook andere vragen en antwoorden te zien.

Abonneren

Abonneer u voor het ontvangen van emails voor uw Opel Grandland X 2018 bij:


U ontvangt een email met instructies om u voor één of beide opties in te schrijven.


Ontvang uw handleiding per email

Vul uw emailadres in en ontvang de handleiding van Opel Grandland X 2018 in de taal/talen: Nederlands als bijlage per email.

De handleiding is 7.7 mb groot.

 

U ontvangt de handleiding per email binnen enkele minuten. Als u geen email heeft ontvangen, dan heeft u waarschijnlijk een verkeerd emailadres ingevuld of is uw mailbox te vol. Daarnaast kan het zijn dat uw internetprovider een maximum heeft aan de grootte per email. Omdat hier een handleiding wordt meegestuurd, kan het voorkomen dat de email groter is dan toegestaan bij uw provider.

Stel vragen via chat aan uw handleiding

Stel uw vraag over deze PDF

Andere handleiding(en) van Opel Grandland X 2018

Opel Grandland X 2018 Gebruiksaanwijzing - Deutsch - 137 pagina's


Uw handleiding is per email verstuurd. Controleer uw email

Als u niet binnen een kwartier uw email met handleiding ontvangen heeft, kan het zijn dat u een verkeerd emailadres heeft ingevuld of dat uw emailprovider een maximum grootte per email heeft ingesteld die kleiner is dan de grootte van de handleiding.

Er is een email naar u verstuurd om uw inschrijving definitief te maken.

Controleer uw email en volg de aanwijzingen op om uw inschrijving definitief te maken

U heeft geen emailadres opgegeven

Als u de handleiding per email wilt ontvangen, vul dan een geldig emailadres in.

Uw vraag is op deze pagina toegevoegd

Wilt u een email ontvangen bij een antwoord en/of nieuwe vragen? Vul dan hier uw emailadres in.



Info