817178
506
Verklein
Vergroot
Pagina terug
1/509
Pagina verder
Disclaimer
De volgende online-versie van de handleiding
beschrijft alle modellen, standaarduitrustingen en
opties van uw auto. Landspecifieke afwijkingen in
de taalvarianten zijn mogelijk. Neem in acht dat
uw auto mogelijk niet met alle beschreven func-
ties is uitgerust. Dit betreft ook veiligheidsrele-
vante systemen en functies.
Neem alstublieft contact op met uw geautori-
seerde Mercedes-Benz-dealer om een gedrukte
handleiding voor andere modellen en modeljaren
te ontvangen. De online-handleiding is altijd de
meest actuele versie. Er kon geen rekening wor-
den gehouden met alle afwijkingen met het daad-
werkelijke voertuig, omdat Mercedes-Benz haar
voertuigen continu aanpast aan de nieuwste stand
der techniek en de vorm en uitvoering wijzigt.
Ook de gedrukte handleiding, aanvullende docu-
menten en de digitale handleiding lezen.
Auteursrecht
Alle rechten voorbehouden. Alle teksten,foto‘s en
afbeeldingen vallen onder het auteursrecht en
andere wetten ter bescherming van intellectueel
eigendom. Deze mogen niet voor handelsdoelein-
den of voor verspreiding worden gekopieerd, noch
veranderd en op andere websites worden
gebruikt.
S-Klasse
Handleiding
Bestelnummer 6515 2485 07 Onderdeelnummer 222 584 47 01 Z107 Uitgave NA2013-05d2
É2225844701Z107jËÍ
2225844701Z107
S-Klasse Handleiding
Impressum
Internet
Meer informatie over Mercedes-Benz-auto's
en over Daimler AG vindt u op internet:
http://www.mercedes-benz.com
http://www.daimler.com
Redactie
Bij vragen of suggesties ten aanzien van deze
handleiding kunt u de Technische Redactie op
het volgende adres bereiken:
Daimler AG, HPC: CAC, Customer Service,
70546 Stuttgart, Deutschland
©Daimler AG: Nadruk, vertaling en reproduc-
tie, ook gedeeltelijk, is zonder schriftelijke
toestemming van Daimler AG niet toege-
staan.
Fabrikant
Daimler AG
Mercedesstraße 137
D-70327 Stuttgart
Duitsland
Symbolen
In deze handleiding vindt u de volgende sym-
bolen:
GWAARSCHUWING
Waarschuwingsaanwijzingen wijzen op geva-
ren die uw gezondheid of uw leven resp. de
gezondheid of het leven van anderen in gevaar
kunnen brengen.
HMilieu-aanwijzing
Milieu-aanwijzingen geven informatie over
milieubewust handelen of milieubewust
afvoeren.
!De aanwijzingen m.b.t. schade maken u
opmerkzaam op risico's die de auto kunnen
beschadigen.
iNuttige informatie of aanwijzingen die
behulpzaam kunnen zijn.
XDit symbool wijst op een hande-
lingsinstructie die moet worden
opgevolgd.
XMeerdere van dergelijke, op
elkaar volgende symbolen geven
een aanwijzing met meerdere
handelingen aan.
(Ypagina) Dit symbool geeft aan waar meer
informatie over een onderwerp
te vinden is.
YY Dit symbool geeft een waarschu-
wing of handelingsinstructie aan,
die op de volgende pagina wordt
voortgezet.
DisplayDisplay Dit lettertype geeft een melding
op het multifunctioneel display
resp. het COMAND-display weer.
Delen van de software in de auto zijn van een
Copyright ©2005 The FreeType Project
http://www.freetype.org voorzien. Alle rech-
ten voorbehouden.
Redactiesluiting 03.06.2013
Welkom in de wereld van Mercedes-Benz
Voor de eerste rit dient u zich aan de hand
van deze handleiding vertrouwd te maken
met de auto. Voor uw eigen veiligheid en voor
een langere levensduur van de auto adviseren
wij u de volgende aanwijzingen en waarschu-
wingsaanwijzingen in deze handleiding op te
volgen. Onoplettendheid kan tot schade aan
de auto en tot persoonlijk letsel leiden.
De uitvoering of de productbenaming van de
auto is afhankelijk van:
Rmodel
Ropdracht
Rlandenuitvoering
Rbeschikbaarheid.
De afbeeldingen in deze handleiding tonen
een auto met links stuur. Bij auto's met rechts
stuur wijkt de indeling van onderdelen en
bedieningselementen overeenkomstig af.
Mercedes-Benz past zijn auto's steeds aan de
voortdurende ontwikkeling van de weten-
schap en de techniek aan.
Mercedes-Benz behoudt zich daarom het
recht voor de volgende punten te wijzigen:
Rvorm
Ruitvoering
Rtechniek.
Daarom kan de beschrijving in sommige
gevallen afwijken van uw auto.
Onderdeel van de auto zijn:
RHandleiding
ROnderhoudsboekje
RUitrustingsafhankelijke aanvullende hand-
leidingen.
Deze documentatie moet altijd in de auto
aanwezig zijn. Alle documentatie moet bij ver-
koop van de auto aan de nieuwe eigenaar
worden overhandigd.
iBeleef de belangrijke functies van de auto
in de interactieve handleiding op internet:
http://www.mercedes-benz.de/
betriebsanleitung
U kunt ook de smartphone-app S-Class Guide
gebruiken:
Apple®iOS
Android™
Houd er alstublieft rekening mee, dat de
Mercedes-Benz Guides app in uw land even-
tueel nog niet beschikbaar is.
De Technische Redactie van Daimler AG
wenst u een goede reis.
2225844701Z107 É2225844701Z107jËÍ
Trefwoordenregister ............................. 4
Inleiding ............................................... 25
In één oogopslag ................................. 31
Veiligheid ............................................. 43
Openen en sluiten ............................... 93
Stoelen, stuurkolom en spiegels ..... 119
Verlichting en ruitenwissers ........... 151
Temperatuurregeling ........................ 165
Rijden en parkeren ........................... 193
Boordcomputer en meldingen ......... 309
Beladen en nuttige informatie ......... 381
Onderhoud en verzorging ................ 413
Pechhulp ............................................ 431
Banden en velgen ............................. 455
Technische gegevens ....................... 489
Inhoudsopgave 3
1, 2, 3 ...
12V-contactdoos
Zie Contactdoos
230V-contactdoos ............................. 398
360°-camera
Reinigen ......................................... 425
Werking en aanwijzingen ............... 265
4ETS
Zie ETS/4ETS (elektronisch trac-
tiesysteem)
4MATIC (permanente vierwielaan-
drijving) .............................................. 251
A
Aanhaalmoment wielbouten ............ 471
Aanslepen
Belangrijke veiligheidsvoorschrif-
ten ................................................. 447
Motornoodstart ............................. 451
ABS (antiblokkeersysteem)
Belangrijke veiligheidsvoorschrif-
ten ................................................... 79
Displaymelding .............................. 331
Waarschuwingslampje ................... 370
Werking/aanwijzingen ..................... 79
Accu (auto)
Belangrijke veiligheidsvoorschrif-
ten ................................................. 439
Displaymelding .............................. 348
Opladen ......................................... 442
Starthulp ........................................ 444
Accu (hoogspanning)
Zie Hoogspanningsaccu
Achterin
Luchthoeveelheid instellen ............ 176
Luchtroosters instellen .................. 190
Luchtverdeling instellen ................. 176
Opbergvak ..................................... 385
Temperatuur instellen .................... 174
Temperatuurregeling in- en uit-
schakelen ...................................... 169
Achterklep
Obstakeldetectie ........................... 104
Openen en sluiten .......................... 103
Openingsmaat ............................... 500
Achterlicht
Displaymelding .............................. 344
Zie Verlichting
Achterruitverwarming
In- en uitschakelen ........................ 178
Probleem (storing) ......................... 179
Achterstoel
Instellen ......................................... 123
Ligstand instellen ........................... 124
Ruststoel achterin instellen ........... 123
Achteruitrijcamera
In- en uitschakelen ........................ 261
Reinigingsadviezen ........................ 425
Werking en aanwijzingen ............... 260
Achteruitrijlicht (displaymelding) .... 345
Achterzitplaatsen
Overzicht ......................................... 41
Actieve bochtverlichting .................. 155
Actieve dodehoekassistent
Displaymelding .............................. 354
In- en uitschakelen (boordcompu-
ter) .................................................324
Rijden met een aanhangwagen ...... 282
Werking en aanwijzingen ............... 279
Actieve multicontourstoel ................ 136
Actieve parkeerassistent
Belangrijke veiligheidsvoorschrif-
ten ................................................. 255
Displaymelding .............................. 354
Parkeerplaats herkennen ............... 256
Parkeren ........................................ 258
Rijden met een aanhangwagen ...... 255
Uitparkeren ....................................259
Werking en aanwijzingen ............... 255
Actieve spoorassistent
Displaymelding .............................. 353
In- en uitschakelen (boordcompu-
ter) .................................................325
Rijden met een aanhangwagen ...... 285
Werking en aanwijzingen ............... 282
Active Body Control (ABC)
Displaymelding .............................. 352
Werking en aanwijzingen ............... 247
Adaptief dempingssysteem (ADS) ... 250
Adaptief remlicht ................................ 84
Adaptieve grootlichtassistent
Displaymelding .............................. 346
4Trefwoordenregister
Adaptieve grootlichtassistent
PLUS
Displaymelding.............................. 346
In- en uitschakelen ........................ 158
Werking en aanwijzingen ............... 157
Adaptieve remassistent
Werking en aanwijzingen ................. 83
ADAPTIVE BRAKE ................................. 87
AdBlue®
Additieven ...................................... 497
Belangrijke veiligheidsvoorschrif-
ten ................................................. 496
bijvullen ......................................... 217
Displaymelding .............................. 350
inhoud ........................................... 497
Lage buitentemperaturen .............. 497
Niveau en actieradius weergeven..322
Zuiverheid ...................................... 497
Additieven (motorolie) ...................... 498
Afmetingen ........................................ 500
Afremmen op de motor ..................... 297
Afstandsbediening
Batterijen vervangen (interieur-
voorverwarming) ............................ 187
Garagedeurbedieningssysteem ...... 404
Interieurvoorverwarming-ventila-
tie .................................................. 185
Programmeren (garagedeurbe-
dieningssysteem) ........................... 405
Afstandswaarschuwing (waar-
schuwingslampje) ............................. 378
Afstandswaarschuwingsfunctie
Werking en aanwijzingen ................. 82
Airbag
Activering ......................................... 57
Belangrijke veiligheidsvoorschrif-
ten ................................................... 54
Beltbag ............................................ 51
Cushionbag ...................................... 57
Frontairbag (bestuurder, passa-
gier) ................................................. 56
Inleiding ........................................... 54
PASSENGER AIR BAG OFF-contro-
lelampje ........................................... 48
Sidebag ............................................ 56
Windowbags .................................... 57
Airconditioning
Zie Temperatuurregeling
AIRMATIC
Displaymelding .............................. 351
Werking en aanwijzingen ............... 249
Alarm
Beëindigen (EDW) ............................ 90
EDW (inbraak-diefstal-alarmsys-
teem) ............................................... 90
Functie in- en uitschakelen (EDW) ... 90
Alarmknipperlichten ......................... 155
Alarmsysteem
EDW (inbraak-diefstal-alarmsys-
teem) ............................................... 90
Interieurbeveiliging .......................... 91
Wegrijblokkering .............................. 90
Wegsleepbeveiliging ........................ 91
Antiblokkeersysteem
Zie ABS (antiblokkeersysteem)
Anti-inklemfunctie
Achterklep ..................................... 104
Panoramaschuifdak ....................... 114
Zijruiten ......................................... 109
Zonneschermen ............................. 116
Aquaplaning ....................................... 227
Armsteun
Opbergvak ..................................... 384
Asbak ..................................................394
Asbelasting, toegestane (rijden
met een aanhangwagen) .................. 503
Assistentiemenu (boordcomputer) .. 322
Assistentieweergave (boordcom-
puter) ..................................................321
ASSYST PLUS
Aanwijzingen .................................. 419
Bijzonder onderhoud ......................420
Onderhoudsmelding ...................... 419
Onderhoudsmelding uitschakelen .. 419
Onderhoudsmelding weergeven.... 419
Weergave onderhoudsinterval
terugzetten .................................... 420
ATTENTION ASSIST
Displaymelding .............................. 351
In- en uitschakelen ........................ 324
Werking en aanwijzingen ............... 271
Auteursrecht ........................................ 30
Trefwoordenregister 5
Auto
Aansprakelijkheid voor gebreken ..... 29
Autogegevens ................................ 500
Bedrijfsveiligheid ............................. 27
Buiten gebruik stellen .................... 223
Correct gebruik ................................ 29
Displaymelding .............................. 363
Elektronische installatie van de
auto ............................................... 490
Gegevensregistratie ......................... 29
Individueel instellen ....................... 322
Laten zakken ................................. 471
Ontgrendelen (sleutel) ..................... 95
Ontgrendelen in geval van nood .... 102
Opkrikken ...................................... 468
Registratie ....................................... 29
Slepen ........................................... 447
Tegen wegrollen beveiligen ............ 467
Uitrusting ......................................... 26
Vergrendelen (in geval van nood) ... 103
Vergrendelen (sleutel) ......................95
Vervoeren ...................................... 450
Wegrijden ...................................... 198
Auto's met HYBRID technologie
Temperatuurregeling ..................... 169
Autogegevens
Autogewicht ................................... 500
Belading van de bagageruimte
(maximaal) ..................................... 500
Dakbelasting (maximaal) ............... 500
AUTO-licht
Displaymelding .............................. 346
Zie Verlichting
Automatisch afzetten van de
motor (ECO start-stop-functie) ......... 200
Automatische transmissie
Achteruitversnelling inschakelen ... 205
Automatisch schakelprogramma ... 209
DIRECT SELECT-keuzehendel ........ 204
Displaymelding .............................. 363
Gaspedaalstand ............................. 207
Handmatig schakelprogramma ...... 209
Handmatig schakelprogramma
(auto's in AMG-uitvoering) ............. 211
Kickdown ....................................... 208
Motor starten ................................. 198
Neutraalstand inschakelen ............ 205
Noodprogramma ............................ 213
Overzicht ....................................... 204
Parkeerstand automatisch
inschakelen ................................... 205
Parkeerstand inschakelen .............. 205
Probleem (storing) ......................... 213
Programmakeuzetoets ................... 208
Rijden met een aanhangwagen ...... 208
Rijstand inschakelen ...................... 206
Rijtips ............................................ 207
Schakelprocedure .......................... 207
Stuurwielschakelpaddels ............... 209
Transmissiestandaanduiding .......... 206
Transmissiestanden ....................... 207
Wegrijden ...................................... 198
Automatisch rijlicht .......................... 153
Automatisch starten van de motor
(ECO start-stop-functie) .................... 201
Auto met HYBRID technologie
Belangrijke veiligheidsvoorschrif-
ten ................................................... 44
Autosleutel
Zie Sleutel
Autowasserrette (verzorging) .......... 421
B
Bagagenet .......................................... 386
Bagageruimte
Apart vergrendelen ........................ 108
Belangrijke veiligheidsvoorschrif-
ten ................................................. 103
Noodontgrendeling ........................ 108
Openen en sluiten (van binnen uit
automatisch) .................................. 107
openen en sluiten (van buitenaf,
HANDS-FREE ACCESS) .................. 106
Openen en sluiten (van buitenaf
automatisch) .................................. 105
Openen en sluiten (van buitenaf
handmatig) .................................... 104
Servosluiten ................................... 102
Bagageruimtehaken .......................... 388
Banden
Bandenmaat (gegevens) ................ 472
Controle .........................................457
Displaymelding .............................. 360
Levensduur .................................... 458
MOExtended-banden..................... 458
6Trefwoordenregister
Opslaan ......................................... 466
Verwisselen ................................... 466
Verwisselen van een wiel ............... 465
Zomerbanden in de winter ............. 458
Zie Bandenpech
Bandenpech
Auto voorbereiden ......................... 434
MOExtended-banden..................... 435
TIREFIT-set .....................................436
Verwisselen van een wiel/mon-
tage van een reservewiel ............... 465
Bandenspanning
Belangrijke veiligheidsvoorschrif-
ten ................................................. 461
Bereikt (TIREFIT) ............................ 438
Displaymelding .............................. 360
Geadviseerde................................. 460
Niet bereikt (TIREFIT) ..................... 438
Oproepen (boordcomputer) ........... 461
Bandenspanningscontrole
Algemene aanwijzingen ................. 461
Bandenspanning elektronisch
controleren.................................... 462
Belangrijke veiligheidsvoorschrif-
ten ................................................. 461
Opnieuw starten ............................ 463
Waarschuwingslampje ................... 379
Waarschuwingsmelding ................. 463
Werking en aanwijzingen ............... 461
Zendvergunning voor banden-
spanningscontrole ......................... 464
Bandenspanningswaarschuwing
Algemene aanwijzingen ................. 464
Belangrijke veiligheidsvoorschrif-
ten ................................................. 464
Opnieuw starten ............................ 465
BAS (Brems-Assistent-System,
remassistentsysteem) ........................ 80
BAS PLUS (remassistentsysteem
PLUS) met kruisingsassistent
Belangrijke veiligheidsvoorschrif-
ten ................................................... 81
Werking en aanwijzingen ................. 80
Batterij (sleutel)
Belangrijke veiligheidsvoorschrif-
ten ................................................... 97
Controleren ...................................... 97
Vervangen ........................................ 98
Batterij vervangen (afstandsbedie-
ning interieurvoorverwarming) ........ 187
Bedieningssysteem
Zie Boordcomputer
Bedrijfsmodus
Decelereren ................................... 295
Stilstand van de auto ..................... 295
Bedrijfsstoffen
AdBlue®additieven ........................ 496
Belangrijke veiligheidsvoorschrif-
ten ................................................. 492
Brandstof ....................................... 493
Koelvloeistof (motor) ..................... 499
Motorolie ....................................... 497
Remvloeistof .................................. 498
Ruitensproeiervloeistof .................. 499
Bedrijfsveiligheid
Belangrijke veiligheidsvoorschrif-
ten ................................................... 27
Conformiteitsverklaringen ............... 28
Bekerhouder
Achterin ......................................... 391
Belangrijke veiligheidsvoorschrif-
ten ................................................. 390
Middenconsole .............................. 390
Temperatuurgeregeld .................... 392
Bekerhouders
Zie Bekerhouder
Belading bagageruimte (maxi-
maal) ................................................... 500
Beltbag ................................................. 51
Benzine ...............................................494
Besturing
Waarschuwingslampje ................... 380
Besturing (Displaymelding) .............. 365
Bestuurders-/passagiersstoel
Opbergvak ..................................... 384
Bestuurdersportier
Zie Portier
Binnenspiegel
Dimmen (automatisch) .................. 145
Dimmen (handmatig) ..................... 143
Binnenverlichting
Zie Interieurverlichting
BlueTec
AdBlue®bijvullen ........................... 217
BlueTEC (AdBlue®)............................. 496
Trefwoordenregister 7
Bochtverlichting
Displaymelding .............................. 343
Werking en aanwijzingen ............... 156
Bochtverlichting (actief)
Displaymelding .............................. 345
Boordcomputer
Bedienen ........................................ 311
Belangrijke veiligheidsvoorschrif-
ten ................................................. 310
Displaymeldingen .......................... 330
DISTRONIC PLUS ........................... 240
Fabrieksinstelling ........................... 328
Meldingengeheugen...................... 330
Menu AMG ..................................... 328
Menu assistentie ........................... 322
Menu Assistentieweergave ............ 321
Menu Auto ..................................... 327
Menu Instellingen .......................... 322
Menu Instrumentenpaneel ............. 326
Menu Media................................... 318
Menu Navigatie.............................. 315
Menu-overzicht .............................. 313
Menu Radio ................................... 317
Menu reis ....................................... 313
Menu Service ................................. 322
Menu Telefoon ............................... 320
Menu Verlichting ............................ 325
Onderhoudsmelding weergeven.... 419
Overzicht ....................................... 289
Standaardweergave ....................... 313
Tv bedienen ................................... 319
Video-dvd bedienen ....................... 319
Boordgereedschap ............................ 433
Brandblusser ..................................... 433
Brandstof
Aanwijzingen voor auto's in AMG-
uitvoering ....................................... 494
Actieradius weergeven .................. 313
Actueel verbruik weergeven .......... 313
Additieven ...................................... 495
Belangrijke veiligheidsvoorschrif-
ten ................................................. 493
E10 ................................................ 494
Informatie over het verbruik .......... 496
Kwaliteit (benzine) ......................... 494
Kwaliteit (dieselbrandstof) ............. 495
Lage buitentemperaturen .............. 496
Meter tankinhoud ............................ 33
Probleem (storing) ......................... 216
Tanken ........................................... 213
Tankinhoud/reserve ...................... 493
Verbruiksstatistiek ......................... 314
Brandstoffilter (displaymelding) ...... 350
Brandstofinhoud
Meter ............................................... 33
Brandstofreserve
Displaymelding .............................. 349
Waarschuwingslampje ................... 375
Brandstoftank
Inhoud ........................................... 493
Probleem (storing) ......................... 216
Brillenvak ........................................... 383
Buitenlandse reis
Service24h .................................... 420
Symmetrisch dimlicht .................... 152
Buitenspiegels
Dimmen (automatisch) .................. 145
Initialiseren .................................... 144
Instellen ......................................... 144
Instellingen opslaan (geheugen-
functie) .......................................... 147
Parkeerstand opslaan .................... 145
Uit- en inklappen (automatisch) ..... 144
Uit- en inklappen (elektrisch) ......... 144
Uit vergrendeling (Probleem
oplossen) ....................................... 145
Buitentemperatuurmeter ................. 311
Buitenverlichting
Reinigen ......................................... 424
Zie Verlichting
C
Camera
Zie 360°-camera
Cd-speler/cd-wisselaar (boord-
computer) .......................................... 318
Centraal vergrendelen
Zie Centrale vergrendeling
Centrale vergrendeling
Ver- en ontgrendelen (sleutel) .......... 95
Cockpit
Overzicht ......................................... 32
8Trefwoordenregister
COLLISION PREVENTION ASSIST
Afstandswaarschuwingsfunctie
in- en uitschakelen .........................324
Displaymelding .............................. 338
Werking en aanwijzingen ................. 82
COMAND
Brandstofverbruik .......................... 293
Laadtoestand hoogspannings-
accu ............................................... 290
Opgewekte elektrische energie ..... 293
Overzicht ....................................... 289
Combischakelaar .............................. 154
Comforthoofdsteun ........................... 134
Comfortopenen ................................. 110
Comfortopenen en -sluiten (lucht-
recirculatie) ....................................... 179
Comfortsluiten .................................. 111
Conformiteitsverklaring ..................... 28
Contactdoos
Achterin ......................................... 397
Algemene aanwijzingen ................. 396
Bagageruimte ................................ 398
Middenconsole .............................. 397
Controlelampjes
Zie Waarschuwings- en controle-
lampjes
Crash-actieve noodverlichting ......... 160
Cushionbag .......................................... 57
D
Dagrijlicht
Displaymelding .............................. 345
In- en uitschakelen (boordcompu-
ter) .................................................326
Werking en aanwijzingen ............... 153
Dagteller
Terugzetten (boordcomputer) ........ 315
Weergeven ..................................... 313
Dakbedieningseenheid ....................... 39
Dakbelasting (maximaal) .................. 500
Dakdrager .......................................... 389
Dashboardkastje ............................... 383
Dashboardverlichting ......................... 35
De afstandswaarschuwingsfunc-
tie
in- of uitschakelen ......................... 324
Deceleratie, verlengd ........................ 297
Diagnose-interface .............................. 28
Dieselbrandstof. ................................ 495
Digitale snelheidsmeter ................... 315
Dimlicht
Displaymelding .............................. 343
In- en uitschakelen ........................ 153
Omzetten naar symmetrisch dim-
licht bij buitenlandse reizen ........... 152
Voor rechts- of linksrijdend ver-
keer instellen ................................. 326
DIRECT SELECT-keuzehendel
Zie Automatische transmissie
Display
COMAND-display ........................... 290
Multifunctioneel display................. 290
Reinigen ......................................... 426
Zie Displaymelding
Zie Waarschuwings- en controle-
lampjes
Displaymelding
Algemene aanwijzingen ................. 330
ASSYST PLUS ................................ 419
Auto ............................................... 363
Banden .......................................... 360
Bevestigen (boordcomputer) ......... 330
Hybridesysteem ............................. 351
Inleiding ......................................... 330
Motor .............................................347
Oproepen (boordcomputer) ........... 330
Rijsystemen ................................... 351
Sleutel ........................................... 366
Veiligheidssystemen ...................... 331
Verlichting ..................................... 343
DISTRONIC PLUS
Belangrijke veiligheidsvoorschrif-
ten ................................................. 234
Displaymelding .............................. 356
Inschakelen ................................... 236
Inschakelvoorwaarden ................... 236
Meldingen op het multifunctio-
neel display.................................... 240
Normafstand instellen ................... 239
Rijtips ............................................ 241
Selecteren ..................................... 236
TEMPOMAAT-hendel ...................... 235
Uitschakelen .................................. 241
Werking en aanwijzingen ............... 234
Trefwoordenregister 9
Dodehoekassistent
Zie Actieve dodehoekassistent
E
EBD (elektronische remkrachtver-
deling)
Displaymelding.............................. 334
Werking en aanwijzingen ................. 87
Echt hout (Reinigingsadviezen) ........428
ECO start-stop-functie
Algemene aanwijzingen ................. 200
automatische motorstart ............... 201
automatische motorstop ............... 200
Belangrijke veiligheidsvoorschrif-
ten ................................................. 200
Inleiding ......................................... 199
Temperatuurregeling ..................... 169
Uit- en inschakelen ........................ 201
ECO-weergave
Boordcomputer .............................. 314
Werking en aanwijzingen ............... 224
EDW (inbraak-diefstal-alarmsys-
teem)
Alarm beëindigen ............................. 90
In- en uitschakelen .......................... 90
Werking ........................................... 90
EHBO-set ............................................ 432
Elektrische bediening van de por-
tierruiten
Zie Zijruiten
Elektrische zekeringen
Zie Zekeringen
Elektromagnetische verdraag-
zaamheid
Conformiteitsverklaring ................... 28
Elektromotor
Vermogensweergave ..................... 288
Zie Hybridefunctie
Elektronisch stabiliteitspro-
gramma
Zie ESP®(elektronisch stabili-
teitsprogramma)
ESP®(elektronisch stabiliteitspro-
gramma)
Aanhangwagenstabilisatie............... 87
Algemene aanwijzingen ................... 85
Belangrijke veiligheidsvoorschrif-
ten ................................................... 85
Displaymelding .............................. 331
Eigenschappen ................................ 86
ETS/4ETS ........................................ 85
In- en uitschakelen .......................... 86
Menu AMG (boordcomputer) ......... 328
Uit- en inschakelen ........................ 322
Waarschuwingslampje ................... 372
Werking/aanwijzingen ..................... 85
ETS/4ETS (elektronisch tractie-
systeem) .............................................. 85
Extra snelheidsmeter ........................ 327
F
Frequenties
Garagedeurbedieningssysteem ...... 407
Mobiele telefoon ............................ 490
Mobilofoon .................................... 490
Functie "extra verwarmen" ............. 186
G
Garagedeurbedieningssysteem
Algemene aanwijzingen ................. 404
Belangrijke veiligheidsvoorschrif-
ten ................................................. 405
Frequenties ....................................407
Garagedeur openen en sluiten ....... 407
Geheugen wissen ........................... 407
Programmeren (toetsen in de bin-
nenspiegel) .................................... 405
Gegevens
Zie Technische gegevens
Geheugenfunctie
Achterin ......................................... 147
Instellingen opslaan (achterin) ....... 148
Stoel, stuurkolom, buitenspiegels..146
Geheugenkaart (audio) ..................... 318
Gekwalificeerde werkplaats ...............29
Gevarendriehoek ............................... 432
Gewichten .......................................... 500
Gordel
Zie Veiligheidsgordel
Gordelslotbrenger
Displaymelding .............................. 340
Werking en aanwijzingen ................. 52
10 Trefwoordenregister
Gordelspanner
Activering .........................................57
Grootlicht
Adaptieve grootlichtassistent
PLUS .............................................. 157
Displaymelding .............................. 345
In- en uitschakelen ........................ 154
H
Handleiding
Overzicht ......................................... 26
Uitvoering van het voertuig .............. 26
HANDS-FREE ACCESS ....................... 106
Headbag
Displaymelding .............................. 343
Hellingassistent ................................ 199
Hemelbekleding en vloerbedek-
king (reinigingsadviezen) ................. 429
Hogedrukreiniger .............................. 422
HOLD-functie
Displaymelding .............................. 356
inschakelen ................................... 246
Uitschakelen .................................. 246
Werking en aanwijzingen ............... 245
Hoofdsteun
EASY ADJUST comforthoofdsteun..134
Extra kussen.................................. 135
neer- resp. opklappen .................... 129
Hoofdsteunen
Comfort ......................................... 134
Instellen ......................................... 133
Instellen (achterin) ......................... 135
Instellen (mechanisch) ................... 133
Hoofdsteun passagiersstoel
neer- resp. opklappen .................... 129
Hoofdstuk
Airbags ............................................ 54
Hoogspanningsaccu
Algemene aanwijzingen ................... 46
Autobrand ........................................ 46
Laadtoestand (COMAND) .............. 290
Opladen ......................................... 443
Opladen (boordcomputer) .............. 290
Weergave laadtoestand
(COMAND) ..................................... 290
Huisdieren in het voertuig .................. 78
Hybridefunctie
Algemene aanwijzingen ................. 285
Automatische motorstart (ECO
start-stop-functie) .......................... 297
Automatische motorstop (ECO
start-stop-functie) .......................... 296
Belangrijke veiligheidsvoorschrif-
ten ................................................. 286
Deceleratie .................................... 297
ECO start-stop-functie ................... 296
Geruisloos starten ......................... 293
Handmatig schakelprogramma ...... 294
Opgewekte elektrische energie ..... 293
Overzicht (instrumentenpaneel) ..... 288
Problemen ..................................... 299
Programmakeuzetoets ................... 294
Regenererend remsysteem ............ 286
Rijtips ............................................ 295
Totale actieradius weergeven........ 292
Verlengde deceleratie.................... 297
Vermogensweergave (elektromo-
tor) ................................................. 288
Waarden terugzetten (COMAND) ... 293
Wegrijden ...................................... 294
Hybridesysteem
Automatisch uitschakelen ................ 44
Belangrijke veiligheidsvoorschrif-
ten ................................................... 44
Displaymelding .............................. 351
Gevaar voor stroomstoten ............... 44
Handmatig uitschakelen .................. 45
Hoogspanningsaccu ......................... 46
Motorkap openen ............................ 46
Probleem (storing) ......................... 300
Waarschuwingslampje ................... 377
HYBRID-systeem
Overzicht ....................................... 287
READY-controlelampje ................... 293
I
Inbraak-diefstal-alarmsysteem
Zie EDW (inbraak-diefstal-alarm-
systeem)
Inhouden (Technische gegevens) .... 492
Inparkeren
Zie Parkeren
Inrij-aanwijzingen .............................. 194
Trefwoordenregister 11
Insectenbescherming op radiateur .. 416
Instaphulp
Werking en aanwijzingen ............... 142
Instellingen
Af fabriek (boordcomputer) ........... 328
Boordcomputer .............................. 322
Instrumentenpaneel
Overzicht ......................................... 33
Vermogensweergave ..................... 288
Waarschuwings- en controlelamp-
jes .................................................... 34
Intelligent verlichtingssysteem
Dimlicht voor rechts- of linksrij-
dend verkeer instellen ................... 326
Displaymelding .............................. 345
In- en uitschakelen ........................ 325
Overzicht ....................................... 155
Interieurbeveiliging
Deactiveren ..................................... 92
Inschakelen ..................................... 91
Uitschakelen .................................... 92
Werking ........................................... 91
Interieurverlichting
Leeslampje .................................... 159
Noodverlichting ............................. 160
Overzicht ....................................... 159
Regeling ......................................... 159
Interieurvoorverwarming
Displaymelding .............................. 365
Interieurvoorverwarming-ventila-
tie
Afstandsbediening ......................... 185
Belangrijke veiligheidsvoorschrif-
ten ................................................. 183
Functie "Extra verwarmen" ............ 186
In- en uitschakelen ........................ 184
In- en uitschakelen (op midden-
console) ......................................... 184
Probleem (displaymelding) ............. 188
Vertrektijd instellen ....................... 186
ISOFIX-kinderzitjebevestiging ............ 63
K
Kentekenplaatverlichting (display-
melding) ............................................. 345
Keuzehendel
Reinigen ......................................... 428
Zie Automatische transmissie
KEYLESS GO
Comfortsluiten ............................... 111
Ontgrendelen ................................... 95
Vergrendelen ................................... 95
Kickdown
Rijtips ............................................ 208
Kilometerteller
Zie Dagteller
Zie Totaal afgelegde afstand
Kinderbeveiliging
Achterportieren ............................... 77
Belangrijke veiligheidsvoorschrif-
ten ................................................... 77
Zijruiten achterin ............................. 78
Kinderen
In de auto ........................................ 61
Zitjes ................................................ 62
Kinderzitje
Adviezen .......................................... 74
Automatische herkenning ................ 65
Geschikte plaatsen .......................... 71
ISOFIX .............................................. 63
Naar achteren gericht zitje .............. 68
Naar voren gericht zitje .................... 69
Op passagiersstoel .......................... 67
Probleem (storing) ........................... 70
Top Tether ....................................... 64
Klaptafel .............................................386
Koelbox .............................................. 400
Koeling
Zie Temperatuurregeling
Koeling met luchtdroging in- en uit-
schakelen ........................................... 171
Koelvloeistof (motor)
Belangrijke veiligheidsvoorschrif-
ten ................................................. 499
Displaymelding .............................. 347
Peil controleren ............................. 417
Temperatuurweergave ................... 310
Waarschuwingslampje ................... 375
12 Trefwoordenregister
Kofferdeksel
Displaymelding.............................. 363
Kogelkop
Inklappen ....................................... 304
Uitklappen ..................................... 302
Koplampen
Beslagen ........................................ 158
Krik
Gebruiken ...................................... 468
Opbergplaats ................................. 433
Kunststof bekleding (reinigingsad-
viezen) ................................................ 427
L
Laadtoestand hoogspanningsaccu
(COMAND) .......................................... 290
Lak (reinigingsadviezen) ................... 423
Lakcode .............................................. 492
Lampjes
Zie Waarschuwings- en controle-
lampjes
Lampje vervangen
Algemene aanwijzingen ................. 160
Leeslampje ......................................... 159
Lendensteun
4-weg lendensteun instellen .......... 136
Lichtsensor (Displaymelding) .......... 346
Lichtsignaal ....................................... 155
LIM-controlelampje
DISTRONIC PLUS ........................... 235
TEMPOMAAT .................................. 229
Variabele SPEEDTRONIC ................ 231
Luchtdruk
Zie Bandenspanning
Luchtfilter (displaymelding) ............. 350
Luchtrecirculatie in- en uitschake-
len ....................................................... 179
Luchtroosters
Achterin ......................................... 190
Belangrijke veiligheidsvoorschrif-
ten ................................................. 189
Dashboardkastje ............................ 190
Instellen ......................................... 189
Middelste luchtroosters instellen ... 189
Zijluchtroosters instellen ............... 190
M
M+S-banden ....................................... 458
Magic Body Control ........................... 246
Make-upspiegel (in zonneklep) ........ 393
Matte lak (reinigingsadviezen) ......... 423
MBC
Zie Magic Body Control
Media-interface
Zie Afzonderlijke handleiding
Melding
Laadtoestand hoogspannings-
accu (COMAND) ............................ 290
Zie Displaymelding
Zie Waarschuwings- en controle-
lampjes
Meldingengeheugen (boordcom-
puter) ..................................................330
Menu Service (boordcomputer) ....... 322
Mercedes-Benz Contact
Toets voor de Info-oproep .............. 402
Toets voor de pechhulp-oproep ..... 402
Mercedes-Benz Intelligent Drive
360°-camera ................................. 265
ABS (antiblokkeersysteem) .............. 79
Achteruitrijcamera ......................... 260
Actieve dodehoekassistent ............ 279
Actieve parkeerassistent ............... 255
Actieve spoorassistent .................. 282
Algemene aanwijzingen ................. 228
Attention assist .............................. 271
BAS (remassistentsysteem) ............. 80
BAS PLUS (remassistentsysteem
PLUS) met kruisingsassistent .......... 80
COLLISION PREVENTION ASSIST .... 82
DISTRONIC PLUS ........................... 234
DISTRONIC PLUS met stuurassis-
tent ................................................ 243
ESP®(elektronisch stabiliteits-
programma) ..................................... 85
Magic Body Control ....................... 246
Nachtzichthulp Plus ....................... 275
PARKTRONIC ................................. 252
PRE-SAFE®(preventieve inzitten-
denbescherming) ............................. 59
PRE-SAFE®PLUS (preventieve
inzittendenbescherming PLUS) ........ 60
PRE-SAFE®-rem ............................... 88
Trefwoordenregister 13
Rijassistentie zijwind (auto's met
Magic Body Control) ...................... 247
ROAD SURFACE SCAN .................. 248
SPEEDTRONIC ............................... 231
TEMPOMAAT .................................. 228
Verkeerstekenassistent ................. 272
Zijwindassistent (auto's zonder
MAGIC BODY CONTROL) ................. 87
Mercedes-Benz noodoproepsys-
teem
Toets in de dakbedieningseen-
heid ............................................... 401
Mercedes-Benz-servicewerkplaats
Zie Gekwalificeerde werkplaats
Middenconsole
Opbergvakken ............................... 383
Overzicht ......................................... 37
Middenconsole achterin
Opbergvak ..................................... 385
Milieubescherming
Algemene aanwijzingen ................... 25
Terugname van de oude auto ........... 25
Mistachterlicht
Displaymelding .............................. 345
In- en uitschakelen ........................ 153
Mistlicht (uitgebreid) ........................ 156
Mobiele telefoon
Aanwijzingen/aanbrengen ............. 403
Frequenties ....................................490
Inbouw ........................................... 490
Menu (boordcomputer) .................. 320
Zendvermogen (maximaal) ............. 490
Mobilofoon
Frequenties ....................................490
Inbouw ........................................... 490
Voorruit (infrarood-reflecterend) .... 411
Zendvermogen (maximaal) ............. 490
MOExtended-banden ......................... 435
Monteren van een wiel
Auto laten zakken .......................... 471
Auto opkrikken .............................. 468
Auto tegen wegrollen beveiligen .... 467
Auto voorbereiden ......................... 467
Wiel monteren ............................... 470
Wiel verwijderen ............................ 470
Motor
Aanslepen (auto) ............................ 451
Afzetten ......................................... 221
Afzetten met de sleutel .................. 221
Afzetten met start-stop-toets ......... 221
Displaymelding .............................. 347
ECO start-stop-functie ................... 199
Motornummer ................................ 492
Onregelmatig draaien .................... 203
Starten met sleutel ........................ 198
Starten met start-stop-toets .......... 198
Starthulp ........................................ 444
Startproblemen .............................. 203
Waarschuwingslampje (motordia-
gnose) ............................................ 375
Motorelektronica
Aanwijzingen .................................. 490
Probleem (storing) ......................... 203
Motorkap
Actieve motorkap (voetgangers-
bescherming) ................................. 414
Belangrijke veiligheidsvoorschrif-
ten ................................................. 414
Displaymelding .............................. 364
Openen .......................................... 415
Sluiten ........................................... 416
Motorolie
Aanwijzingen m.b.t. kwaliteit......... 497
Aanwijzingen m.b.t. oliepeil en -
verbruik ......................................... 416
Additieven ...................................... 498
Bijvullen ......................................... 416
Displaymelding .............................. 349
Inhoud ........................................... 498
Oliepeil controleren ....................... 416
Oliepeil met oliepeilstaaf contro-
leren .............................................. 416
Temperatuur (boordcomputer) ....... 328
Viscositeit ...................................... 498
Mp3
Bedienen ........................................ 318
Multicontourstoel ............................. 136
Multifunctioneel display
Permanente weergave ................... 327
Werking en aanwijzingen ............... 312
Multifunctioneel stuurwiel
Boordcomputer bedienen .............. 311
Overzicht ......................................... 35
14 Trefwoordenregister
N
Nachtzichthulp Plus
Automatisch activeren in- en uit-
schakelen ...................................... 323
Displaymelding .............................. 355
In- en uitschakelen ........................ 277
Met Spotlight-functie in- en uit-
schakelen ...................................... 277
Probleem (storing) ......................... 279
Reinigen ......................................... 427
Werking en aanwijzingen ............... 275
Navigatie
Menu (boordcomputer) .................. 315
Niveau
Active Body Control (ABC) ............. 247
Displaymelding ...................... 351, 352
Noodgeval
Automatische maatregelen na
een ongeval ..................................... 61
Noodontgrendeling
Auto ............................................... 102
Bestuurdersportier ......................... 102
Noodprogramma automatische
transmissie ........................................ 213
Noodsleutel
Aanbrengen ..................................... 97
Auto vergrendelen ......................... 103
Bestuurdersportier ontgrendelen ... 102
verwijderen ...................................... 97
Werking/aanwijzingen ..................... 96
Noodvergrendeling auto ................... 103
Noodwiel
Algemene aanwijzingen ................. 486
Belangrijke veiligheidsvoorschrif-
ten ................................................. 486
Technische gegevens ..................... 487
Nuttige informatie .............................390
O
Olie
Zie Motorolie
Onderhoud
Zie ASSYST PLUS
Onderstelafstelling
AIRMATIC ...................................... 250
Onderstelinstelling
Active Body Control ....................... 247
SETUP (boordcomputer) ................ 328
Ongeval
Automatische maatregelen na
een ongeval ..................................... 61
Ontgrendeling
Binnen (centrale-ontgrendelings-
toets) ............................................. 101
Noodontgrendeling ........................ 102
Opbergmogelijkheden ...................... 382
Opbergvak
Achterin ......................................... 385
Armsteun (onder) ........................... 384
Bagagenet ...................................... 386
Bagage vastzetten ......................... 388
Bekerhouder .................................. 390
Belangrijke veiligheidsvoorschrif-
ten ................................................. 382
Bestuurders- resp. passagiers-
stoel (onder) .................................. 384
Brillenvak ....................................... 383
Dashboardkastje ............................ 383
Klaptafel........................................ 386
Middenconsole .............................. 383
Middenconsole achterin ................ 385
Portier ............................................ 384
Rugleuning achterin ....................... 386
Opbergvakken
Bagageruimtehaken ....................... 388
Opbergvak onder bagageruimte-
bodem ................................................ 389
Opgewekte elektrische energie
(COMAND) .......................................... 293
Origineel onderdeel ............................. 25
P
Paniekalarm ......................................... 47
Panoramaschuifdak
Belangrijke veiligheidsvoorschrif-
ten ................................................. 113
Initialiseren .................................... 117
Openen of sluiten .......................... 114
Probleem (storing) ......................... 118
Sluiten bij regen .............................115
Trefwoordenregister 15
Parfumeringssysteem
Bedienen ........................................181
Parfumflacon ................................. 181
Probleem (storing) ......................... 183
Parkeerhulp
Actieve parkeerassistent ............... 255
Zie Buitenspiegels
Zie PARKTRONIC
Parkeerlicht
Displaymelding .............................. 345
In- en uitschakelen ........................ 154
Parkeerrem
Displaymelding .............................. 334
Elektrische parkeerrem .................. 222
Waarschuwingslampje ................... 374
Parkeren
Achteruitrijcamera ......................... 260
Auto met HYBRID technologie ....... 298
Belangrijke veiligheidsvoorschrif-
ten ................................................. 220
Parkeerrem .................................... 222
Parkeerstand buitenspiegel aan
passagierszijde .............................. 145
Zie PARKTRONIC
PARKTRONIC
Belangrijke veiligheidsvoorschrif-
ten ................................................. 252
Bereik sensoren ............................. 252
Probleem (storing) ......................... 255
Rijden met een aanhangwagen ...... 252
Rijsysteem ..................................... 252
Uit- en inschakelen ........................ 254
Waarschuwingsdisplay................... 253
Werking en aanwijzingen ............... 252
Passagiersstoel
Vanaf achterin instellen ................. 125
Vanaf bestuurdersstoel instellen ... 124
PASSENGER AIR BAG OFF
Controlelampje ................................ 48
Probleem (storing) ........................... 70
Pech
Zie Bandenpech
Zie Slepen
Portier
Automatische vergrendeling
(schakelaar) ................................... 102
Bedieningseenheid ........................... 40
Belangrijke veiligheidsvoorschrif-
ten ................................................. 100
Centraal ver- en ontgrendelen
(sleutel) ............................................ 95
Displaymelding .............................. 364
Noodontgrendeling ........................ 102
Noodvergrendeling ........................ 103
Openen (van binnenuit) .................. 101
Servosluiten ................................... 102
PRE-SAFE®(preventieve inzitten-
denbescherming)
Displaymelding .............................. 338
Werking ........................................... 59
PRE-SAFE®PLUS (preventieve
inzittendenbescherming PLUS)
Werking ........................................... 60
PRE-SAFE®-rem
Belangrijke veiligheidsvoorschrif-
ten ................................................... 88
Displaymelding .............................. 338
In- en uitschakelen ........................ 324
Waarschuwingslampje ................... 378
Werking en aanwijzingen ................. 88
Programmakeuzetoets ..................... 208
Programmering wijzigen (sleutel) ...... 96
R
Radiateurafdekking ........................... 416
Radio
Zender selecteren .......................... 317
Radiografische onderdelen van het
voertuig
Conformiteitsverklaring ................... 28
RBS (regenererend remsysteem)
Belangrijke veiligheidsvoorschrif-
ten ................................................... 46
Rijveiligheidssystemen ..................... 46
READY-controlelampje ...................... 293
Rem
Adaptieve remassistent ................... 83
BAS .................................................. 80
BAS PLUS met kruisingsassistent .... 80
Belangrijke veiligheidsvoorschrif-
ten ................................................. 225
Displaymelding .............................. 331
EBD .................................................. 87
Hellingassistent ............................. 199
16 Trefwoordenregister
HOLD-functie................................. 245
Parkeerrem .................................... 222
RBS (regenererend remsysteem) ..... 46
Remvloeistof (aanwijzingen) .......... 498
Rijtips ............................................ 225
Versterkt remsysteem ................... 226
Remassistentsysteem
Zie BAS (Brems-Assistent-Sys-
tem, remassistentsysteem)
Remkrachtverdeling, elektroni-
sche
Zie EBD (elektronische rem-
krachtverdeling)
Remlicht
Adaptief ........................................... 84
Displaymelding .............................. 344
Remmen
ABS .................................................. 79
Waarschuwingslampje ................... 369
Waarschuwingslampje RBS ............ 377
Rempedaal
Weerstand van het rempedaal/
slag van het rempedaal.................... 46
Remvloeistof
Aanwijzingen .................................. 498
Displaymelding .............................. 337
Reserve (brandstoftank)
Zie Brandstof
Restwarmte (temperatuurrege-
ling) ..................................................... 180
Richtingaanwijzer
In- en uitschakelen ........................ 154
Richtingaanwijzers
Displaymelding .............................. 344
Richtlijnen met betrekking tot
belading ............................................. 382
Rijassistentiepakket ......................... 279
Rijassistentie zijwind (auto's met
Magic Body Control) .......................... 247
Rijden in de winter
Belangrijke veiligheidsvoorschrif-
ten ................................................. 458
Glad wegdek .................................. 227
Radiateurafdekking ........................ 416
Sneeuwkettingen ........................... 459
Zomerbanden ................................ 458
Rijden met chauffeur
Algemene aanwijzingen ................. 128
Displaymelding .............................. 364
Hoofdsteun aanbrengen ................ 131
Hoofdsteun neer- resp. opklap-
pen ................................................ 129
Hoofdsteun verwijderen ................. 131
Passagiersstoel in chauffeurstand
zetten ............................................ 128
Passagiersstoel in de normale
stand zetten ...................................132
Uitgebreide ligstand ....................... 133
Rijden met een aanhangwagen
7-polige stekker ............................. 305
Aanhangwagen aankoppelen ......... 303
Aanhangwagen afkoppelen ............ 303
Aanhangwagengewichten .............. 503
Actieve dodehoekassistent ............ 282
Actieve parkeerassistent ............... 255
Actieve spoorassistent .................. 285
Asbelasting, toegestane ................ 503
Belangrijke veiligheidsvoorschrif-
ten ................................................. 300
Displaymelding trekhaak............... 364
Displaymelding verlichting ............. 343
ESP®(elektronisch stabiliteits-
programma) ..................................... 87
Inbouwmaten ................................. 502
Kogelkop inklappen ....................... 304
Kogelkop uitklappen ...................... 302
Lampuitvalcontrole LED-lampjes ... 305
PARKTRONIC ................................. 252
Probleem (storing) ......................... 307
Rijtips ............................................ 301
Spanningsvoorziening .................... 305
Trekhaak reinigen .......................... 426
Wegrijden met een aanhangwa-
gen ................................................ 199
Rijlicht
Zie Automatisch rijlicht
Rijprogramma
handmatig (auto's in AMG-uitvoe-
ring) ............................................... 211
Rijsysteem
360°-camera ................................. 265
Achteruitrijcamera ......................... 260
Actieve dodehoekassistent ............ 279
Actieve parkeerassistent ............... 255
Trefwoordenregister 17
Actieve spoorassistent .................. 282
Active Body Control ....................... 247
AIRMATIC ...................................... 249
ATTENTION ASSIST ........................ 271
Displaymelding .............................. 351
DISTRONIC PLUS ........................... 234
DISTRONIC PLUS met stuurassis-
tent ................................................ 243
HOLD-functie ................................. 245
Nachtzichthulp Plus ....................... 275
PARKTRONIC ................................. 252
Rijassistentiepakket ...................... 279
SPEEDTRONIC ............................... 231
TEMPOMAAT .................................. 228
Verkeerstekenassistent ................. 272
Rijtips
Afdalingen ...................................... 225
Algemeen ....................................... 224
Aquaplaning ................................... 227
Automatische transmissie ............. 207
Beperkte remwerking op wegen
waarop gestrooid is ....................... 226
Buitenlandse reis ........................... 152
De eerste 1.500 km ....................... 194
DISTRONIC PLUS ........................... 241
Glad wegdek in de winter .............. 227
Inrij-aanwijzingen........................... 194
Keramisch AMG-remsysteem ......... 226
Nat wegdek ................................... 226
Nieuwe remblokken ....................... 226
Nieuwe remschijven ...................... 226
Remmen ........................................ 225
Rijden door water op de weg ......... 227
Rijden in de winter ......................... 227
Rijden met een aanhangwagen ...... 301
Rijden op nat wegdek .................... 227
Sneeuwkettingen ........................... 459
Symmetrisch dimlicht .................... 152
Rijveiligheidssysteem
ABS (antiblokkeersysteem) .............. 79
Adaptief remlicht ............................. 84
Adaptieve remassistent ................... 83
ADAPTIVE BRAKE ............................. 87
Afstandswaarschuwingsfunctie ........82
BAS (remassistentsysteem) ............. 80
BAS PLUS met kruisingsassistent .... 80
Belangrijke veiligheidsvoorschrif-
ten ................................................... 79
COLLISION PREVENTION ASSIST .... 82
EBD (Electronic Brake-force Dis-
tribution) .......................................... 87
ESP®(elektronisch stabiliteits-
programma) ..................................... 85
ETS/4ETS (elektronisch tractie-
systeem) .......................................... 85
Overzicht ......................................... 79
PRE-SAFE®-rem ............................... 88
RBS (regenererend remsysteem) ..... 46
Stuurassistent STEER CONTROL ...... 90
Ritregistratie ..................................... 313
ROAD SURFACE SCAN ....................... 248
Ruiten
Reinigen ......................................... 424
Zie Zijruiten
Ruitensproeierinstallatie
Aanwijzingen .................................. 499
Bijvullen ......................................... 418
Ruitensproeiervloeistof
Displaymelding .............................. 366
Zie Ruitensproeierinstallatie
Ruitenwisserbladen
Belangrijke veiligheidsvoorschrif-
ten ................................................. 161
Reinigen ......................................... 424
Ruitenwissers
In- en uitschakelen ........................ 160
Probleem (storing) ......................... 164
Wisserbladen vervangen ................ 161
S
Schakelprogramma
Automatisch .................................. 209
Handmatig ..................................... 209
SETUP (boordcomputer)) ............... 328
Schuifdak
Zie Panoramaschuifdak
Sensoren (reinigingsadviezen) ......... 425
Servosluiten ....................................... 102
SETUP (boordcomputer) ................... 328
Sidebag ................................................ 56
Sierelementen (reinigingsadvie-
zen) ..................................................... 428
Sigarettenaansteker ......................... 395
Skifoedraal .........................................386
Sleepoog ............................................ 433
18 Trefwoordenregister
Slepen
Aanwijzingen voor auto's met
4MATIC .......................................... 450
Belangrijke veiligheidsvoorschrif-
ten ................................................. 447
Met beide assen op de grond ........ 449
Met opgetilde achteras .................. 449
Sleepoog aanbrengen .................... 449
Sleepoog verwijderen .................... 449
Sleutel
Batterij controleren.......................... 97
Batterij vervangen ............................ 98
Belangrijke veiligheidsvoorschrif-
ten ................................................... 94
Comfortopenen .............................. 110
Comfortsluiten ............................... 111
Displaymelding .............................. 366
Motor starten ................................. 198
Noodsleutel ..................................... 96
Overzicht ......................................... 94
Portieren centraal ver- en ont-
grendelen ......................................... 95
Probleem (storing) ........................... 99
Programmering veranderen ............. 96
Stand (contactslot) ........................ 195
Verlies .............................................. 99
Sleutelstanden
Sleutel ........................................... 195
Start-stop-toets ............................. 195
Sluiten bij regen
Panoramaschuifdak ....................... 115
Sneeuwkettingen .............................. 459
Snelheid begrenzen
Zie SPEEDTRONIC
Snelheid regelen
Zie TEMPOMAAT
Snelheidsmeter
Digitale .......................................... 315
Extra snelheidsmeter in- en uit-
schakelen ...................................... 327
In het instrumentenpaneel............... 33
Weergave-eenheid selecteren ........ 326
Zie Instrumentenpaneel
Snelweglicht ...................................... 156
Specialist
Zie Gekwalificeerde werkplaats
SPEEDTRONIC
Actuele snelheid opslaan............... 232
Belangrijke veiligheidsvoorschrif-
ten ................................................. 231
Displaymelding .............................. 358
LIM-controlelampje ........................ 231
Permanente ................................... 234
Selecteren ..................................... 232
Variabele ....................................... 231
Variabele uitschakelen ................... 233
Werking en aanwijzingen ............... 231
Spiegel
Zie Binnenspiegel
Zie Buitenspiegels
Spiegelrichtingaanwijzers
Reinigen ......................................... 425
Spiegels
Zie Make-upspiegel (in zonneklep)
Spoorassistent
Zie Actieve spoorassistent
SRS (aanvullend veiligheidssys-
teem)
Waarschuwingslampje ................... 300
Stadslicht
In- en uitschakelen ........................ 154
Starten (motor) .................................. 197
Starthulp (motor) .............................. 444
Start-stop-functie
Zie ECO start-stop-functie
Start-stop-toets
Motor starten ................................. 198
Verwijderen ................................... 197
Statusindicatie veiligheidsgordels
achterin ................................................ 54
Stilstand van de auto ........................ 295
Stoel
Actieve multicontourstoel .............. 136
Bekleding reinigen ......................... 428
Belangrijke veiligheidsvoorschrif-
ten ................................................. 121
Correcte zithouding bestuurder ..... 120
Displaymelding .............................. 364
Hoofdsteun instellen ......................133
In- en uitstaphulp ........................... 142
Instellen (elektrisch) ...................... 122
Instellingen opslaan (geheugen-
functie) .......................................... 147
Multicontourstoel .......................... 136
Trefwoordenregister 19
Multicontourstoel achterin ............ 136
Rijden met chauffeur ..................... 127
Stoelventilatie ................................ 138
Stoelventilatie in- en uitschakelen .. 138
Stoelventilatie probleem ................ 140
Stoelverwarming ............................ 137
Stoelverwarming in- en uitschake-
len ................................................. 137
Stoelverwarming probleem ............ 138
Stoelen
4-weg lendensteun instellen .......... 136
Storing oproepen
Zie Displaymelding
Storingsmelding
Zie Displaymelding
Stuurassistent (DISTRONIC PLUS)
Displaymelding .............................. 358
Stuurassistent STEER CONTROL. ....... 90
Stuurkolom
Belangrijke veiligheidsvoorschrif-
ten ................................................. 140
In- en uitstaphulp ........................... 142
Instellen (elektrisch) ...................... 140
Instellingen opslaan (geheugen-
functie) .......................................... 147
Reinigen ......................................... 428
Stuurslot
Zie Sleutelstanden
Stuurwiel
Schakelpaddels............................. 209
Stuurwielverwarming ..................... 141
Toetsen (boordcomputer) .............. 311
Toetsenoverzicht ............................. 35
Stuurwielschakelpaddels ................. 209
Stuurwielverwarming
In- en uitschakelen ........................ 141
Probleem (storing) ......................... 142
T
Tankdop
Zie Tankdopklep
Tankdopklep
Openen .......................................... 214
Tanken
Aanwijzingen voor auto's in AMG-
uitvoering ....................................... 494
Belangrijke veiligheidsvoorschrif-
ten ................................................. 213
Brandstofmeter ................................ 33
Tanken ........................................... 214
Zie Brandstof
Tankinhoud
Actieradius weergeven (boord-
computer) ...................................... 313
Technische gegevens
Aanhangwagengewichten .............. 503
Autogegevens ................................ 500
Banden en velgen .......................... 472
Informatie ...................................... 490
Inhouden ....................................... 492
Noodwiel ........................................ 487
Telefoon
Displaymelding .............................. 366
Gesprek aannemen ........................ 320
Gesprek weigeren/beëindigen...... 320
Inleiding ......................................... 320
Menu (boordcomputer) .................. 320
Nummer herhalen .......................... 321
Nummer uit telefoonboek .............. 321
Telefoonvak ................................... 384
Temperatuur
Buitentemperatuur ......................... 311
Instellen (temperatuurregeling) ..... 174
Koelvloeistof .................................. 310
Motorolie (boordcomputer) ............ 328
Temperatuurregeling
Aanwijzingen m.b.t. het gebruik
van de automatische tempera-
tuurregeling ................................... 169
Achterruitverwarming in- en uit-
schakelen ...................................... 178
Aircostijl instellen .......................... 174
Auto's met HYBRID technologie .... 169
Automatische temperatuurrege-
ling ................................................. 167
Automatisch regelen ...................... 172
Bedieningseenheid achterin ........... 167
Belangrijke veiligheidsvoorschrif-
ten ................................................. 166
Comfortopening resp. sluiting
(luchtrecirculatie) ........................... 179
Condens van ruiten verwijderen .... 178
Controlelampje .............................. 172
ECO start-stop-functie ................... 169
20 Trefwoordenregister
In- en uitschakelen ........................ 169
Interieurvoorverwarming-ventila-
tie .................................................. 183
Ionisering ....................................... 183
Koeling met luchtdroging ............... 171
Luchthoeveelheid instellen ............ 176
Luchtrecirculatie in- en uitschake-
len ................................................. 179
Luchtroosters instellen .................. 189
Luchtverdeling instellen ................. 176
Overzicht van de systemen ............ 166
Parfumeringssysteem .................... 181
Probleem met de achterruitver-
warming ......................................... 179
Problemen met de functie "Koe-
ling met luchtdroging" ................... 172
Restwarmte in- en uitschakelen ..... 180
Synchroniseringsfunctie in- en uit-
schakelen ...................................... 177
Temperatuur instellen .................... 174
Voorruit ontwasemen .................... 177
TEMPOMAAT
Actuele snelheid opslaan en vast-
houden .......................................... 229
Belangrijke veiligheidsvoorschrif-
ten ................................................. 228
Displaymelding .............................. 358
LIM-controlelampje ........................ 229
Rijsysteem ..................................... 228
Selecteren ..................................... 229
Snelheid instellen .......................... 230
TEMPOMAAT-hendel ...................... 229
Uitschakelen .................................. 231
Werking en aanwijzingen ............... 228
Terreinsysteem 4MATIC ................... 251
TIREFIT-set ......................................... 436
Toerenteller ....................................... 310
Toetsen in het stuurwiel ................... 311
TopTether ............................................. 64
Totaal afgelegde afstand .................. 313
Transmissie
Zie Automatische transmissie
Transport (auto) ................................ 450
Trekhaak
Zie Rijden met een aanhangwagen
Tripcomputer (boordcomputer) ....... 314
Tv
Bedienen (boordcomputer) ............ 319
Typeplaatje
Zie Voertuigtypeplaatje
U
Uitlaat
Zie Uitlaatsierstuk
Uitlaatsierstuk
Reinigen ......................................... 426
Uitstaphulp
Werking en aanwijzingen ............... 142
V
Veiligheid
Kinderen in de auto .......................... 61
Kinderzitjes ...................................... 62
Zie Bedrijfsveiligheid
Veiligheidsgordel
Afdoen ............................................. 53
Belangrijke veiligheidsvoorschrif-
ten ................................................... 49
Correct gebruik ................................ 51
Displaymelding .............................. 339
Gordelslotbrenger ............................ 52
Hoogte instellen ............................... 52
Inleiding ........................................... 49
Omgespen ....................................... 52
Reinigen ......................................... 429
Statusindicatie veiligheidsgordels
achterin ........................................... 54
Waarschuwingslampje (werking) ...... 54
Veiligheidsgordels
Gordelaanpassing voor bestuur-
der en passagier .............................. 53
Veiligheidssysteem
Displaymelding .............................. 342
Inleiding ........................................... 47
Waarschuwingslampje ................... 374
Waarschuwingslampje (functie) ....... 48
Veiligheidssystemen inzittenden
Automatische maatregelen na
een ongeval ..................................... 61
Belangrijke veiligheidsvoorschrif-
ten ................................................... 48
Huisdieren in het voertuig ................ 78
Trefwoordenregister 21
Kinderen in de auto .......................... 61
PRE-SAFE®(preventieve inzitten-
denbescherming) ............................. 59
Veiligheidsvoorschriften
Auto met HYBRID technologie ......... 44
Verbrandingsmotor
Starten ...........................................293
Storing ........................................... 299
Verbruiksstatistiek (boordcompu-
ter) ...................................................... 314
Vergrendeling
Zie Centrale vergrendeling
Vergrendeling (portieren)
Automatisch .................................. 102
Binnen (centrale-vergrendelings-
toets) ............................................. 101
Noodvergrendeling ........................ 103
Verkeerstekenassistent
Aanwijzingsfunctie in- of uitscha-
kelen .............................................. 323
belangrijke veiligheidsvoorschrif-
ten ................................................. 273
Displaymelding .............................. 356
Inschakelen ................................... 273
Weergave in het instrumentenpa-
neel ................................................ 274
Werking en aanwijzingen ............... 272
Verlengde deceleratie ....................... 297
Verlichting
Actieve bochtverlichting ................ 155
Adaptieve grootlichtassistent
PLUS .............................................. 157
Alarmknipperlichten ...................... 155
Automatisch rijlicht ........................ 153
Bochtverlichting ............................. 156
Buitenlandse reizen ....................... 152
Dagrijlicht in- en uitschakelen
(boordcomputer) ............................ 326
Dimlicht ......................................... 153
Grootlicht ....................................... 154
Instelling buitenverlichting ............. 152
Intelligent verlichtingssysteem
(werking) ........................................ 155
Intelligent verlichtingssysteem in-
en uitschakelen ............................. 325
Koplampen beslagen..................... 158
Lichtsignaal ................................... 155
Mistachterlicht ............................... 153
Mistlicht (uitgebreid) ......................156
Parkeerlicht ................................... 154
Richtingaanwijzers ......................... 154
Snelweglicht .................................. 156
Spotlight in- en uitschakelen ......... 325
Stadslicht ....................................... 154
Verlichtingsschakelaar ................... 152
Zie Interieurverlichting
Zie Lampje vervangen
Vermogensweergave elektromo-
tor ....................................................... 288
Versnellingsindicatie (boordcom-
puter) ..................................................328
Verwarming
Zie Temperatuurregeling
Verzorging
360°-camera ................................. 425
Aanwijzingen .................................. 420
Achteruitrijcamera ......................... 425
Autowasstraat ............................... 421
Buitenverlichting ............................ 424
Dakbekleding ................................. 429
Display ........................................... 426
Echt hout....................................... 428
Hogedrukreiniger ........................... 422
Interieur ......................................... 426
Kunststof bekleding ....................... 427
Lak ................................................. 423
Matte lak ....................................... 423
Met de hand wassen ...................... 422
Nachtzichthulp Plus ....................... 427
Ruiten ............................................ 424
Ruitenwisserbladen ....................... 424
Sensoren ....................................... 425
Sierelementen ............................... 428
Spiegelrichtingaanwijzers .............. 425
Stoelbekleding ............................... 428
Stuurwiel ....................................... 428
Trekhaak ........................................ 426
Uitlaatsierstuk ............................... 426
Veiligheidsgordel........................... 429
Versnellings- of keuzehendel ......... 428
Vloerbedekking .............................. 429
Wielen ............................................ 424
Vestiging
Zie Gekwalificeerde werkplaats
Video
Dvd bedienen ................................. 319
22 Trefwoordenregister
Video-dvd
Bedienen (boordcomputer) ............ 319
VIN ...................................................... 492
Vloermat ............................................ 411
Voertuigidentificatienummer
Zie VIN
Voertuigonderhoud
Zie ASSYST PLUS
Voertuigtypeplaatje .......................... 492
Voetgangersbescherming
Actieve motorkap (voetgangers-
bescherming) ................................. 414
Volledig ontladen (hoogspannings-
accu) ................................................... 441
Voorruit
Infrarood-reflecterend .................... 411
Ontwasemen .................................. 177
W
Waarschuwingsaanwijzingen
Stickers ........................................... 44
Waarschuwings- en controle-
lampje
SRS ................................................ 300
Waarschuwings- en controlelamp-
jes
ABS ................................................ 370
Afstandswaarschuwing .................. 378
Bandenspanningscontrole ............. 379
Besturing ....................................... 380
Brandstofreserve ........................... 375
COLLISION PREVENTION ASSIST .. 378
ESP®.............................................. 372
ESP®OFF ....................................... 373
Hybridesysteem ............................. 377
Koelvloeistof .................................. 375
LIM (DISTRONIC PLUS) .................. 235
LIM (TEMPOMAAT) ........................ 229
LIM (variabele SPEEDTRONIC)....... 231
Motordiagnose ............................... 375
Overzicht ......................................... 34
Parkeerrem .................................... 374
PASSENGER AIR BAG OFF ............... 48
RBS (regenererend remsysteem) ... 377
Remmen ........................................ 369
Veiligheidsgordel........................... 367
Veiligheidssysteem ........................ 374
Waarschuwingslampje
Veiligheidsgordels .......................... 367
Waarschuwingslampje RBS (Reku-
peratives Bremssystem, regenere-
rend remsysteem)
Storing ........................................... 299
Waarschuwingslampje ................... 377
Wegrijblokkering ................................. 90
Wegrijden
Aanhangwagen .............................. 199
Automatische transmissie ............. 198
Hellingassistent ............................. 199
Hybridefunctie ............................... 294
Wegsleepbeveiliging
Deactiveren ..................................... 91
Inschakelen ..................................... 91
Uitschakelen .................................... 91
Werking ........................................... 91
Wielen
Aanhaalmoment .............................471
Belangrijke veiligheidsvoorschrif-
ten ................................................. 456
Controle .........................................457
Monteren van een wiel .................. 467
Noodwiel ........................................ 486
Opslaan ......................................... 466
Reinigen ......................................... 424
Reinigen (waarschuwingsaanwij-
zing) ............................................... 466
Velgen- resp. bandenmaat ............. 472
Verwisselen ................................... 466
Verwisselen van een wiel ............... 465
Wiel monteren ............................... 470
Wiel verwijderen ............................ 470
Wielkeg .............................................. 467
Windowbags
Werking ........................................... 57
Winterbanden
M+S-banden .................................. 458
Snelheid begrenzen (boordcom-
puter) ............................................. 327
Wisserbladen
Vervangen ...................................... 161
Trefwoordenregister 23
Z
Zekeringen
Aansluitschema ............................. 453
Belangrijke veiligheidsvoorschrif-
ten ................................................. 451
Voor verwisseling ........................... 451
Zekeringenhouder in de bagage-
ruimte ............................................ 453
Zekeringenhouder in de been-
ruimte voor de passagier ............... 452
Zekeringenhouder in de motor-
ruimte ............................................ 452
Zekeringenhouder in het dash-
board ............................................. 451
Zijruiten
Belangrijke veiligheidsvoorschrif-
ten ................................................. 109
Comfortopenen .............................. 110
Comfortsluiten ............................... 111
Initialiseren .................................... 111
Openen en sluiten .......................... 110
Probleem (storing) ......................... 113
Zijwind, rijassistentie (auto's met
Magic Body Control) .......................... 247
Zijwindassistent (auto's zonder
MAGIC BODY CONTROL) ..................... 87
Zitplaats
Instellen (achterin) ......................... 123
Zomerbanden
In de winter ....................................458
Zonbeschermingsfolie ...................... 411
Zonneklep .......................................... 393
Zonnescherm
Achterruit...................................... 393
Achterste zijruiten ......................... 393
Panoramaschuifdak ....................... 115
Zonnescherm achterruit ................... 393
Zonnescherm van het panorama-
schuifdak
Bedienen (achterste zonne-
scherm) ......................................... 116
Bedienen (voorste zonnescherm) ... 116
24 Trefwoordenregister
Milieubescherming
Algemene aanwijzingen
HMilieu-aanwijzing
Daimler AG is voorstander van een geïnte-
greerde milieubescherming.
Hierbij wordt gestreefd naar spaarzaam
gebruik van hulpbronnen en het ontzien van
de natuurlijke leefomstandigheden, waarvan
het behoud voor mens en natuur van belang
is.
Door op milieubewuste wijze gebruik te
maken van het voertuig ontziet u het milieu.
Het brandstofverbruik, alsmede slijtage van
motor, remmen en banden, zijn sterk afhan-
kelijk van de volgende factoren:
Rde bedrijfsomstandigheden van het voer-
tuig
Ruw persoonlijke rijstijl.
Beide factoren kunt u beïnvloeden. Daarom
de volgende aanwijzingen in acht nemen:
Bedrijfsomstandigheden
RHet rijden van korte afstanden vermijden;
deze verhogen het brandstofverbruik.
RDe juiste bandenspanning aanhouden.
RGeen onnodige ballast meenemen.
RNiet meer benodigde dakdragers verwijde-
ren.
REen regelmatig onderhouden voertuig ont-
ziet het milieu. Daarom de voorgeschreven
onderhoudsintervallen aanhouden.
RDe onderhoudswerkzaamheden altijd bij
een gekwalificeerde werkplaats laten uit-
voeren.
Uw persoonlijke rijstijl
RTijdens het starten geen gas geven.
RDe motor niet stationair laten warm-
draaien.
RAnticiperend rijden en voldoende afstand
houden ten opzichte van uw voorligger.
RVeelvuldig en sterk accelereren en remmen
vermijden.
RTijdig schakelen en in de versnellingen
slechts tot Ôvan het maximumtoerental
doortrekken.
RDe motor afzetten als het verkeer gedu-
rende langere tijd stilstaat.
RHet brandstofverbruik controleren.
HMilieu-aanwijzing
Een defecte hoogspanningsaccu op milieu-
vriendelijke wijze laten afvoeren. Contact
opnemen met een gekwalificeerde werk-
plaats die over de benodigde vakkennis en
uitrusting beschikt om de vereiste werkzaam-
heden uit te voeren. Mercedes-Benz adviseert
hiervoor een Mercedes-Benz-servicewerk-
plaats.
Terugname van de oude auto
Alleen voor EU-landen:
Mercedes-Benz neemt uw oude auto weer
terug om deze overeenkomstig de richtlijn
autowrakken van de Europese Unie (EU) mili-
euvriendelijk af te voeren.
Voor het inleveren van oude auto's is er een
netwerk van inzamelpunten en demontage-
bedrijven beschikbaar. Bij deze bedrijven
kunt u uw auto gratis afgeven. Hierdoor levert
u een waardevolle bijdrage aan het sluiten
van de recyclingkringloop en het ontzien van
de hulpbronnen.
Meer informatie over de recycling van oude
auto's, het afvoeren en de voorwaarden voor
de terugname is verkrijgbaar op de nationale
Mercedes-Benz homepage.
Originele Mercedes-Benz-onderdelen
HMilieu-aanwijzing
Daimler AG biedt gerecyclede ruilaggregaten
en -onderdelen aan van dezelfde kwaliteit als
nieuwe onderdelen. Hiervoor geldt dezelfde
aansprakelijkheid voor gebreken als voor
nieuwe onderdelen.
Inleiding 25
Z
!In de volgende delen van de auto kunnen
van de auto kunnen airbags, gordelspan-
ners, regeleenheden en sensoren van deze
veiligheidssystemen ingebouwd zijn:
RPortieren
RPortierstijlen
RDorpels
RStoelen
RCockpit
RInstrumentenpaneel
RMiddenconsole.
In deze gebieden geen accessoires, bij-
voorbeeld een audiosysteem, monteren.
Geen reparaties of laswerkzaamheden uit-
voeren. De functionaliteit van de veilig-
heidssystemen kan nadelig worden beïn-
vloed.
Als naderhand accessoires moeten worden
gemonteerd, dit laten uitvoeren bij een
gekwalificeerde werkplaats.
Wanneer niet door Mercedes vrijgegeven
onderdelen, banden en velgen evenals veilig-
heidsrelevante accessoires worden gebruikt,
kan de bedrijfsveiligheid van de auto in het
geding komen. De werking van veiligheidsre-
levante systemen, bijvoorbeeld het remsys-
teem kunnen gestoord worden. Uitsluitend
originele Mercedes-Benz-onderdelen of
onderdelen van dezelfde kwaliteit gebruiken.
Alleen voor uw type auto goedgekeurde ban-
den en velgen en accessoires gebruiken.
Mercedes-Benz controleert originele onder-
delen en voor de auto goedgekeurde
ombouwdelen en accessoires op hun
betrouwbaarheid, veiligheid en geschiktheid.
Van andere onderdelen kan Mercedes-Benz
dit, ondanks voortdurende marktverkennin-
gen, niet beoordelen. Ook als in een enkel
geval een goedkeuring door een keuringsin-
stantie of officiële instantie aanwezig is,
neemt Mercedes-Benz geen verantwoorde-
lijkheid voor het gebruik in Mercedes-Benz-
auto's.
In Duitsland worden bepaalde onderdelen
alleen goedgekeurd voor in- of ombouw als
deze voldoen aan de geldende wettelijke
voorschriften. Dit geldt ook voor enkele
andere landen. Alle originele Mercedes-Benz-
onderdelen voldoen aan de voorwaarden van
de goedkeuring. Niet goedgekeurde onder-
delen kunnen leiden tot het vervallen van de
typegoedkeuring.
Dit is het geval bij:
Reen wijziging van het in de typegoedkeuring
aangegeven type auto
Reen verhoogd risico voor verkeersdeelne-
mers
Reen negatieve invloed op de uitstoot van
uitlaatgassen of de geluidsproductie.
Bij het bestellen van originele Mercedes-
Benz-onderdelen altijd het voertuigidentifica-
tienummer (VIN) vermelden (Ypagina 492).
Handleiding
Uitrustingen van de auto
Deze handleiding beschrijft alle modellen en
standaard- en speciale uitrustingen van uw
auto die op het tijdstip van de redactiesluiting
van deze handleiding verkrijgbaar waren.
Landspecifieke afwijkingen zijn ook mogelijk.
In acht nemen dat uw auto niet met alle
beschreven functies kan zijn uitgerust. Dit
betreft ook veiligheidsrelevante systemen en
functies. Daarom kan de uitrusting van uw
auto bij sommige beschrijvingen en afbeel-
dingen afwijken.
In het originele koopcontract van uw auto zijn
alle systemen in uw auto vermeld.
Bij vragen over de uitrusting en bediening
kunt u contact opnemen met iedere
Mercedes-Benz-servicewerkplaats.
De handleiding en het onderhoudsboekje zijn
belangrijke documenten en moeten in de
auto bewaard worden.
26 Inleiding
Bedrijfsveiligheid
Belangrijke veiligheidsvoorschriften
GWAARSCHUWING
Als de voorgeschreven service- resp. onder-
houdswerkzaamheden of noodzakelijke repa-
raties niet worden uitgevoerd, kan dit tot sto-
ringen in de werking of het uitvallen van sys-
temen leiden. Er bestaat gevaar voor onge-
vallen!
De voorgeschreven service- resp. onder-
houdswerkzaamheden en noodzakelijke
reparaties altijd bij een gekwalificeerde werk-
plaats laten uitvoeren.
GWAARSCHUWING
Als het contact tijdens het rijden wordt uitge-
schakeld, zijn de veiligheidsrelevante functies
nog maar beperkt of helemaal niet meer
beschikbaar. Dit betreft bijvoorbeeld de
stuurbekrachtiging en de rembekrachtiging.
Er is dan aanzienlijk meer kracht voor het stu-
ren en remmen vereist. Er bestaat gevaar voor
ongevallen!
Tijdens het rijden niet het contact uitschake-
len.
GWAARSCHUWING
Als brandbaar materiaal, bijvoorbeeld blade-
ren, gras of takken, met hete delen van het
uitlaatsysteem in aanraking komen, kunnen
deze materialen vlam vatten. Er bestaat
brandgevaar!
Bij het rijden op onverharde wegen of in het
terrein regelmatig de onderzijde van de auto
controleren. In het bijzonder ingeklemde
delen van planten of ander brandbaar mate-
riaal verwijderen. Bij beschadiging contact
opnemen met een gekwalificeerde werk-
plaats.
GWaarschuwing
Door wijzigingen aan elektronische onderde-
len, hun software en bedrading kan hun wer-
king en/of de werking van andere, onderling
verbonden onderdelen nadelig beïnvloed wor-
den. In het bijzonder kunnen ook veiligheids-
relevante systemen betroffen zijn. Daardoor
kunnen deze niet meer zoals bedoeld functi-
oneren en/of kan de bedrijfsveiligheid van
het voertuig in gevaar worden gebracht. Er
bestaat verhoogd gevaar voor letsel en onge-
vallen!
Geen ingrepen aan bedrading en elektroni-
sche onderdelen en de software hiervan uit-
voeren. Werkzaamheden aan elektrische en
elektronische apparatuur altijd laten uitvoe-
ren door een gekwalificeerde werkplaats.
Bij wijzigingen aan de elektronische installa-
tie van het voertuig vervalt de typegoedkeu-
ring.
!De auto kan worden beschadigd als:
Rde auto vastzit, bijvoorbeeld op een hoge
stoeprand of onverharde wegen
Rte snel over een obstakel wordt gereden,
bijvoorbeeld een stoeprand of een kuil
Reen zwaar voorwerp tegen de bodem-
plaat of onderdelen van het onderstel
slaat.
De carrosserie, de bodemplaat, onderdelen
van het onderstel, wielen of banden kunnen
in dergelijke of gelijksoortige situaties ook
beschadigingen oplopen die niet van bui-
tenaf zichtbaar zijn. Op deze manier
beschadigde onderdelen kunnen onver-
wacht uitvallen of de bij een ongeval optre-
dende belastingen niet meer zoals bedoeld
opnemen.
De auto in dergelijke gevallen direct bij een
gekwalificeerde werkplaats laten controle-
ren en repareren. Als u bij het doorrijden
een nadelige invloed op de rijveiligheid con-
stateert, de auto direct op een veilige
plaats parkeren. In dit geval contact opne-
men met een gekwalificeerde werkplaats.
Auto's met HYBRID technologie hebben een
verbrandingsmotor en een elektromotor. De
spanningsvoorziening bij elektrisch rijden
vindt plaats via het hoogspanningsboordnet.
Inleiding 27
Z
GGEVAAR
Het hoogspanningsboordnet staat onder
hoge spanning. Als onderdelen van het hoog-
spanningsboordnet worden gewijzigd, of als
of onderdelen worden aangeraakt, kunt u een
stroomstoot krijgen. Onderdelen van het
hoogspanningsboordnet kunnen bij een onge-
val ook niet zichtbaar worden beschadigd. Er
dreigt levensgevaar!
Hoogspanningsonderdelen niet aanraken en
het hoogspanningsboordnet nooit wijzigen.
De auto na een ongeval laten wegslepen en
het hoogspanningsboordnet laten controle-
ren bij een gekwalificeerde werkplaats.
De onderdelen van het hoogspanningsboord-
net zijn met gele waarschuwingsstickers
gekenmerkt. De bedrading van het hoogspan-
ningsboordnet heeft een oranje kleur.
Auto's met elektromotor produceren bedui-
dend minder rijgeluid dan auto's met verbran-
dingsmotor. Daarom kan uw auto in het ver-
keer in bepaalde gevallen niet hoorbaar zijn
voor andere verkeersdeelnemers. Dit kan bij-
voorbeeld het geval zijn bij het inparkeren
terwijl geen zichtcontact bestaat. Dit vraagt
van u een bijzonder vooruitziende rijstijl,
omdat rekening moet worden gehouden met
mogelijke fouten van andere verkeersdeelne-
mers.
Conformiteitsverklaring
Radiografische onderdelen van de auto
De volgende aanwijzing is geldig voor alle
radiografische onderdelen van de auto, en de
in de auto geïntegreerde informatiesystemen
en communicatieapparatuur:
De radiografische onderdelen van de auto zijn
in overeenstemming met de eisen en bepa-
lingen van de richtlijn 1999/5/EG. Meer
informatie is verkrijgbaar bij elke Mercedes-
Benz-servicewerkplaats.
Elektromagnetische verdraagzaamheid
De elektromagnetische verdraagzaamheid
van de onderdelen van de auto werd over-
eenkomstig de regeling ECE-R 10, in de actu-
eel geldende versie, gecontroleerd en bewe-
zen.
Diagnose-interface
De diagnose-interface dient voor het aanslui-
ten van diagnose-apparatuur bij een gekwali-
ficeerde werkplaats.
GWaarschuwing
Als er apparaten op een diagnose-interface
van het voertuig worden aangesloten, kan dat
leiden tot storingen in de voertuigsystemen.
Daardoor kan de bedrijfsveiligheid van het
voertuig nadelig worden beïnvloed. Er bestaat
gevaar voor ongevallen!
Geen apparaten op een diagnose-interface
van het voertuig aansluiten.
GWAARSCHUWING
Voorwerpen in de beenruimte van de bestuur-
der kunnen de slag van de pedalen beperken
of ingedrukte pedalen blokkeren. Daardoor
worden de bedrijfs- en verkeersveiligheid van
de auto in gevaar gebracht. Er bestaat gevaar
voor ongevallen!
Alle voorwerpen in de auto veilig opbergen,
zodat deze niet in de beenruimte van de
bestuurder kunnen belanden. Vloermatten
altijd stevig en volgens de handleiding mon-
teren om te allen tijde voldoende vrije ruimte
voor de pedalen te waarborgen. Geen losse
vloermatten gebruiken en niet meerdere
vloermatten op elkaar leggen.
!Wanneer de motor afgezet is en appara-
ten op de diagnose-interface worden
gebruikt, kan de startaccu worden ontla-
den.
Het aansluiten van apparaten op de diagnose-
interface kan ertoe leiden, dat informatie van
de uitlaatgasbewaking wordt teruggezet.
28 Inleiding
Daardoor bestaat de mogelijkheid, dat de
auto niet meer voldoet aan de eisen van de
volgende uitlaatgastest van de algemene
inspectie.
Gekwalificeerde werkplaats
Een gekwalificeerde werkplaats beschikt
over de benodigde vakkennis, uitrusting en
kwalificatie om de vereiste werkzaamheden
uit te voeren. Dit geldt in het bijzonder voor
veiligheidsrelevante werkzaamheden.
De aanwijzingen in het onderhoudsboekje in
acht nemen.
De volgende werkzaamheden aan de auto
altijd laten uitvoeren bij een gekwalificeerde
werkplaats:
RVeiligheidsrelevante werkzaamheden
RService- en onderhoudswerkzaamheden
RReparatiewerkzaamheden
RWijzigingen evenals in- en ombouwen
RWerkzaamheden aan elektronische onder-
delen
RWerkzaamheden aan het hybride-systeem
Mercedes-Benz adviseert een Mercedes-
Benz-servicewerkplaats.
Registratie van de auto
Het kan voorkomen, dat Mercedes-Benz zijn
servicewerkplaatsen de instructie geeft, aan
bepaalde auto's technische inspecties uit te
voeren. Door de inspectie worden de kwaliteit
en de veiligheid van de auto verbeterd.
Alleen wanneer Mercedes-Benz uw registra-
tiegegevens heeft, kan Mercedes-Benz u over
de technische controles informeren.
In de volgende gevallen kan het zijn, dat de
auto nog niet onder uw naam is geregistreerd:
RAls de auto bij een niet-geautoriseerde dea-
ler is aangeschaft.
RAls de auto nog niet bij een Mercedes-Benz-
servicewerkplaats is onderzocht.
De auto bij voorkeur bij een Mercedes-Benz-
servicewerkplaats laten registreren.
Gaarne Mercedes-Benz zo snel mogelijk infor-
meren over een adreswijziging of wisseling
van eigenaar. Dit kunt u bijvoorbeeld doen bij
een Mercedes-Benz-servicewerkplaats.
Correct gebruik
Als waarschuwingsstickers worden verwij-
derd, kunt u of kunnen anderen gevaren niet
herkennen. Waarschuwingsstickers op hun
plaats laten.
Als de auto wordt gebruikt, de volgende infor-
matie in acht nemen:
Rde veiligheidsvoorschriften in deze hand-
leiding
Rde technische gegevens in deze handlei-
ding
Rverkeersregels en -voorschriften
Rwegenverkeerswetten en veiligheidsstan-
daards.
Aansprakelijkheid voor gebreken
!De aanwijzingen in deze handleiding over
het voorgeschreven gebruik van uw auto en
mogelijke voertuigschade in acht nemen.
Schade aan uw auto, die door opzettelijke
overtreding van deze aanwijzingen ont-
staan, wordt noch door de Mercedes-Benz
aansprakelijkheid voor gebreken, noch
door de garantie op nieuwe auto's resp.
garantie op gebruikte auto's gedekt.
Opgeslagen data in het voertuig
Veel elektronische onderdelen van de auto
zijn voorzien van datageheugens.
Deze datageheugens slaan tijdelijk of perma-
nent technische informatie op over:
Rstaat van de auto
Rgebeurtenissen
Rstoringen.
Inleiding 29
Z
Deze technische informatie geeft in het alge-
meen de toestand weer van een onderdeel,
een module, een systeem of de omgeving.
Dit zijn bijvoorbeeld:
Rbedrijfstoestanden van systeemcompo-
nenten. Daartoe behoren bijvoorbeeld vul-
niveaus.
Rstatusmeldingen van de auto en de afzon-
derlijke onderdelen daarvan. Daartoe
behoren bijvoorbeeld wieltoerental/snel-
heid, bewegingsvertraging, dwarsversnel-
ling, gaspedaalstand.
Rstoringen en defecten in belangrijke sys-
teemcomponenten. Daartoe behoren bij-
voorbeeld verlichting en remmen.
Rreacties en gebruiksomstandigheden van
de auto in specifieke rijsituaties. Daartoe
behoort bijvoorbeeld het in werking treden
van een airbag en ingrijpen van de stabili-
teitsregelsystemen.
Romgevingstoestanden. Daartoe behoort
bijvoorbeeld de buitentemperatuur.
De gegevens zijn zuiver technisch van aard en
kunnen worden gebruikt om:
Rondersteuning te bieden bij het herkennen
en verhelpen van storingen en gebreken
Rvoertuigfuncties te analyseren, bij na een
ongeval
Rvoertuigfuncties te optimaliseren.
Bewegingsprofielen van gereden trajecten
kunnen niet uit deze gegevens worden afge-
leid.
As u een beroep doet op serviceverlening, kan
deze technische informatie uit de meldingen-
en storingsgeheugens worden uitgelezen.
Serviceverlening betreft bijvoorbeeld:
Rreparaties
Rserviceprocedures
Rgarantiekwesties
Rkwaliteitsbewaking.
Het uitlezen gebeurt door medewerkers van
het servicenetwerk (inclusief de fabrikant)
met behulp van speciale diagnose-appara-
tuur. Daar kunt u indien gewenst meer infor-
matie krijgen.
Na het verhelpen van een storing wordt de
informatie uit het storingsgeheugen gewist of
permanent overschreven.
Bij het gebruik van de auto zijn situaties denk-
baar, waarin deze technische gegevens in
combinatie met andere informatie - eventueel
met behulp van een specialist - terug te voe-
ren zijn op bepaalde personen.
Voorbeelden hiervan zijn:
Rprocessen-verbaal van ongevallen
Rschade aan de auto
Rgetuigenverklaringen.
Diverse extra functies, die contractueel met
de klant zijn afgesproken, maken eveneens
het versturen van bepaalde gegevens vanuit
de auto mogelijk. Tot de extra functies
behoort bijvoorbeeld het bepalen van de
voertuiglocatie in geval van nood.
Informatie inzake auteursrecht
Algemene informatie
Meer informatie over de licenties van de
gebruikte free- en OpenSource-software in
uw auto en de elektronische componenten
hiervan vindt u op de volgende website:
http://www.mercedes-benz.com/
opensource
30 Inleiding
Cockpit ................................................. 32
Instrumentenpaneel ........................... 33
Multifunctioneel stuurwiel ................. 35
Middenconsole .................................... 37
Dakbedieningseenheid ....................... 39
Portierbedieningseenheid .................. 40
Achterzitplaatsen ................................ 41
31
In één oogopslag
Cockpit
Functie Pag.
:Stuurwielschakelpaddels 209
;Combischakelaar 154
=Claxon
?Instrumentenpaneel 33
ADIRECT SELECT-keuzehen-
del 204
BDakbedieningseenheid 39
CBedieningspaneel voor
ÜHoofdsteunen ach-
terin neerklappen 135
uZonnescherm achter
uit- en inrollen 393
4Controlelampje PAS-
SENGER AIRBAG OFF 48
Helderheid van de dash-
boardverlichting en van het
COMAND-display instellen
DContactslot 195
Start-stop-toets 195
Functie Pag.
ETemperatuurregelsyste-
men 166
FStuurkolom instellen 140
Stuurwielverwarming 141
GTEMPOMAAT-hendel 229
HElektrische parkeerrem 222
IDiagnose-interface 28
JMotorkap openen 415
KVerlichtingsschakelaar 152
LBedieningspaneel voor
Stuurassistent inschakelen 243
Actieve spoorassistent
inschakelen 282
PARKTRONIC uitschakelen 252
360°-camera inschakelen 265
Nachtzichthulp inschake-
len 275
32 Cockpit
In één oogopslag
Instrumentenpaneel
Weergaven
Functie Pag.
:Snelheidsmeter
;Multifunctioneel display 312
=Toerenteller 310
Functie Pag.
?Koelvloeistoftemperatuur 310
ABrandstofpeil
iInformatie over het energiestroomdisplay
en de vermogensweergave van de elektro-
motor bij auto's met HYBRID technologie
vindt u in het hoofdstuk "Hybridefunctie"
(Ypagina 288).
Instrumentenpaneel 33
In één oogopslag
Waarschuwings- en controlelampjes
Functie Pag.
:!ABS 370
;åESP®OFF 372
÷ESP®372
=#Richtingaanwijzers
links 154
?LDimlicht 153
AKGrootlicht 154
BRMistachterlicht 153
C%Dieselmotor: Voor-
gloeien 198
DTStadslicht, kenteken-
plaat- en dashboardverlich-
ting 154
E!Richtingaanwijzers
rechts 154
Functie Pag.
F·Afstandswaarschu-
wing 378
G!Elektrische parkeer-
rem (geel) 374
H!Elektrische parkeer-
rem (rood) 374
I;Motordiagnose 375
JÐStuurbekrachtiging 380
KJRemmen (rood) 369
LJRemmen (geel) 369
MüVeiligheidsgordel 367
N6Veiligheidssysteem 374
OhBandenspannings-
controle 379
iInformatie over waarschuwings- en con-
trolelampjes bij auto's met HYBRID tech-
nologie vindt u in het hoofdstuk "Hybride-
functie" (Ypagina 288).
34 Instrumentenpaneel
In één oogopslag
Multifunctioneel stuurwiel
Functie Pag.
:Multifunctioneel display 312
;Helderheid van de dash-
boardverlichting en van het
COMAND-display instellen
=COMAND-display, zie de
afzonderlijke COMAND
Online handleiding
?Cd- en dvd-player/-wisse-
laar, zie de afzonderlijke
COMAND Online handlei-
ding
ACOMAND-controller en
toetsen, zie de afzonder-
lijke COMAND Online hand-
leiding
Functie Pag.
B~
Gesprek weigeren of beëin-
digen 320
Telefoonboek/nummer-
herhalingsgeheugen verla-
ten
6
Gesprek voeren of aanne-
men
Naar het nummerherha-
lingsgeheugen omschake-
len
WX
Volume wijzigen
8
Geluid uitschakelen
ó
LINGUATRONIC inschake-
len, zie de afzonderlijke
handleiding
Multifunctioneel stuurwiel 35
In één oogopslag
Functie Pag.
Cò
Hoofdmenu oproepen
9:
Menu/submenu selecteren
of in lijsten bladeren 311
a
Selectie bevestigen 311
Displaymeldingen bevesti-
gen 330
%
Terug 311
ñ
LINGUATRONIC uitschake-
len, zie de afzonderlijke
handleiding
36 Multifunctioneel stuurwiel
In één oogopslag
Middenconsole
Functie Pag.
:COMAND Online in- en uit-
schakelen (zie de afzonder-
lijke handleiding)
;Volume instellen/stom-
schakelen (zie de afzonder-
lijke handleiding)
=¤ECO start-stop-func-
tie 201
?Telefoontoetsenbord (zie
de afzonderlijke handlei-
ding)
AÉNiveau instellen 247,
249
BOnderstelinstelling instel-
len
247,
249
CÛSchakelprogramma
selecteren resp. program-
makeuzetoets 208
ÑSchakelprogramma
selecteren resp. program-
makeuzetoets (auto's in
AMG-uitvoering) 208
Functie Pag.
DTerugtoets (zie de afzonder-
lijke handleiding)
EToets stoelinstelling (zie de
afzonderlijke handleiding)
FToets navigatie (zie de
afzonderlijke handleiding)
GToets radio (zie de afzon-
derlijke handleiding)
H£Alarmknipperlichten 155
IToets media (zie de afzon-
derlijke handleiding)
JToets telefoon, adresboek
en internet (zie de afzonder-
lijke handleiding)
KToets voertuig- en systeem-
instellingen (zie de afzon-
derlijke handleiding)
Middenconsole 37
In één oogopslag
Functie Pag.
LCOMAND-controller (zie de
afzonderlijke handleiding)
Functie Pag.
MgNaar de favorieten-
toets omschakelen (zie de
afzonderlijke handleiding)
iInformatie over de ECO start-stop-functie
bij auto's met HYBRID technologie vindt u
in het hoofdstuk "Hybridefunctie"
(Ypagina 296).
38 Middenconsole
In één oogopslag
Dakbedieningseenheid
Functie Pag.
:pLinker leeslampje in-
en uitschakelen 159
;|Automatische interi-
eurverlichtingsregeling in-
en uitschakelen 159
=GSOS-toets
(Mercedes-Benz noodop-
roepsysteem) 401
?cInterieurverlichting
voorin in- en uitschakelen 159
AuInterieurverlichting
achterin in- en uitschakelen 159
BpRechter leeslampje
in- en uitschakelen 159
CïToets voor de MB-
Info-oproep (Mercedes-
Benz Contact) 402
Functie Pag.
DBrillenvak 383
EZonnescherm achter ope-
nen en sluiten 116
FToetsen voor garagedeur-
bedieningssysteem 405
G3Panoramaschuifdak
openen of sluiten 114
Voorste zonneschermen
openen of sluiten 116
HFToets voor de pech-
hulp-oproep (Mercedes-
Benz Contact) 402
Dakbedieningseenheid 39
In één oogopslag
Portierbedieningseenheid
Functie Pag.
:sStoelventilatie 138
;cStoelverwarming 137
=wPassagiersstoel vanaf
bestuurdersstoel instellen 124
?r45=
Stoel-, buitenspiegel- en
stuurkolominstellingen
opslaan 146
AStoel elektrisch instellen 122
B7Zª\ Bui-
tenspiegels elektrisch
instellen, uit- en inklappen 144
CWRechter zijruit openen
en sluiten 109
Functie Pag.
DWRuit rechts achterin
openen en sluiten 109
EpAchterklep openen en
sluiten 107
FnKinderbeveiliging
voor bediening achterin 78
GPortier openen 101
H%& Auto ver- en ont-
grendelen 101
IWRuit links achterin
openen en sluiten 109
JWLinker zijruit openen
en sluiten 109
40 Portierbedieningseenheid
In één oogopslag
Achterzitplaatsen
iVoorbeeld auto's met entertainmentsys-
teem achterin
Functie Pag.
:Dvd-speler (zie de afzonder-
lijke handleiding)
;Sigarettenaansteker 395
Contactdoos 396
=Bekerhouder 391
Functie Pag.
?Opbergvak in de armsteun
achterin 385
AOpbergbox in rugleuning 386
Afdekking voor skifoedraal 386
Koelbox 400
Achterzitplaatsen 41
In één oogopslag
42
Wetenswaardigheden ......................... 44
Auto's met HYBRID technologie ........ 44
Paniekalarm ......................................... 47
Veiligheidssystemen inzittenden ...... 47
Veiligheidsgordels .............................. 49
Airbags ................................................. 54
Activeren van gordelspanners en
airbags ................................................. 57
PRE-SAFE®(preventieve inzitten-
denbescherming) ................................ 59
PRE-SAFE®PLUS (preventieve
inzittendenbescherming PLUS) ......... 60
Automatische maatregelen na een
ongeval ................................................. 61
Kinderen in de auto ............................ 61
Rijveiligheidssystemen ...................... 79
Alarmsystemen ................................... 90
43
Veiligheid
Wetenswaardigheden
iDeze handleiding beschrijft alle modellen
en standaard- en speciale uitrustingen van
de auto die op het tijdstip van de redactie-
sluiting van deze handleiding verkrijgbaar
waren. Landspecifieke afwijkingen zijn ook
mogelijk. In acht nemen dat de auto niet
met alle beschreven functies kan zijn uit-
gerust. Dit betreft ook veiligheidsrelevante
systemen en functies.
iDe informatie over gekwalificeerde werk-
plaatsen lezen (Ypagina 29).
Auto's met HYBRID technologie
Algemene aanwijzingen
De HYBRID technologie combineert een zui-
nige verbrandingsmotor met een krachtige
elektromotor.
Belangrijke veiligheidsvoorschriften
Gevaar voor stroomstoten
GGEVAAR
Het hoogspanningsboordnet staat onder
hoge spanning. Als onderdelen van het hoog-
spanningsboordnet worden gewijzigd, of als
of onderdelen worden aangeraakt, kunt u een
stroomstoot krijgen. Onderdelen van het
hoogspanningsboordnet kunnen bij een onge-
val ook niet zichtbaar worden beschadigd. Er
dreigt levensgevaar!
Hoogspanningsonderdelen niet aanraken en
het hoogspanningsboordnet nooit wijzigen.
De auto na een ongeval laten wegslepen en
het hoogspanningsboordnet laten controle-
ren bij een gekwalificeerde werkplaats.
Als een auto na een ongeval wordt gesleept,
de volgende hoofdstukken beslist in acht
nemen:
RAuto vervoeren (Ypagina 450)
RAuto slepen met opgetilde achteras
(Ypagina 449)
RAuto slepen met beide assen op de grond
(Ypagina 449)
Ook de belangrijke veiligheidsvoorschriften
m.b.t. het slepen en aanslepen lezen
(Ypagina 447).
Alle componenten van het hybridesysteem
zijn met gele waarschuwingsstickers gemar-
keerd, die u voor gevaren door hoge spannin-
gen waarschuwen. De bedrading van het
hoogspanningsboordnet heeft een oranje
kleur.
Bij algemene werkzaamheden, zoals het ver-
vangen van een lampje of het controleren van
het koelvloeistofniveau, moet het contact uit-
geschakeld zijn.
Automatisch uitschakelen van het
hybridesysteem
GGEVAAR
Als het veiligheidssysteem een storing ver-
toont, kunnen onderdelen van het veiligheids-
systeem onbedoeld worden geactiveerd of bij
een ongeval met grote vertraging niet in wer-
king treden. Dat kan bijvoorbeeld een gordel-
spanner of airbag betreffen. Bovendien
bestaat de kans dat bij een ongeval het hoog-
spanningsboordnet niet meer naar behoren
wordt uitgeschakeld. Door het aanraken van
44 Auto's met HYBRID technologie
Veiligheid
beschadigde onderdelen van het hoogspan-
ningsboordnet kunt u een stroomstoot krij-
gen. Er bestaat een verhoogd gevaar voor let-
sel of zelfs levensgevaar!
Het veiligheidssysteem direct bij een gekwa-
lificeerde werkplaats laten controleren en
repareren. Na een ongeval direct het contact
uitschakelen en de sleutel uit het contactslot
verwijderen.
Het hybridesysteem wordt automatisch uit-
geschakeld wanneer:
Ronderdelen van het veiligheidssysteem bij
een ongeval worden geactiveerd
Reen elektrische kortsluiting in het hybride-
systeem wordt herkend
Reen stekker van het hybridesysteem wordt
losgemaakt.
Zo is gewaarborgd dat u niet met hoogspan-
ning in aanraking kunt komen.
Handmatig uitschakelen van het hybri-
desysteem
Met het hoogspanningsuitschakelsysteem
kan het hybridesysteem handmatig worden
uitgeschakeld.
!Om schade aan het hybridesysteem te
vermijden, de volgende aanwijzingen in
acht nemen:
RHet hybridesysteem alleen in de vol-
gende situaties handmatig uitschakelen.
RAlle werkzaamheden aan het hybridesys-
teem ook na het handmatig uitschake-
len mogen alleen door een gekwalifi-
ceerde werkplaats worden uitgevoerd.
RAls het waarschuwingslampje veiligheids-
systeem 6in het instrumentenpaneel
na een ongeval brandt.
RAls de auto zwaar beschadigd is, bijvoor-
beeld na een ongeval, en onderdelen van
het veiligheidssysteem niet zijn geacti-
veerd.
RAls de auto zwaar beschadigd is en moet
worden weggesleept of vervoerd.
XIndien mogelijk de auto uit de gevaren-
zone bewegen: De automatische trans-
missie in ingeschakelde versnelling Nzet-
ten.
XDe elektrische parkeerrem vrijzetten.
XDe auto naar een veilige plaats rollen en
daar veilig parkeren.
Eventueel passagiers of omstanders om
hulp vragen.
iDe auto wordt automatisch vergrendeld
als het contact is ingeschakeld en de wie-
len draaien. Daardoor kunt u zichzelf tij-
dens het aanduwen van de auto en op een
testbank buitensluiten.
XHet contact uitschakelen.
XDe automatische transmissie in parkeer-
stand Pzetten (Ypagina 205).
De elektrische parkeerrem inschakelen
(Ypagina 222).
De auto tegen wegrollen beveiligen
(Ypagina 467).
XHoogspanningsuitschakelsysteem
gebruiken: De achterklep openen.
XDe bagageruimtebodem omhoogzwenken
(Ypagina 389).
XDe bagageruimteafdekking rechts verwij-
deren.
XDe ontgrendelingslip :in de richting van
de pijl indrukken en eruit trekken.
XHet hoogspanningsuitschakelsysteem ;
uit elkaar trekken, tot dit in de eindaanslag
vergrendelt.
Auto's met HYBRID technologie 45
Veiligheid
Z
Wanneer het hybridesysteem om de
genoemde redenen is uitgeschakeld, het sys-
teem bij een gekwalificeerde werkplaats
laten controleren alvorens het opnieuw te
activeren.
Hoogspanningsaccu
GWAARSCHUWING
Bij een autobrand kan de inwendige druk van
de hoogspanningsaccu een kritische waarde
overschrijden. In dit geval ontsnapt brand-
baar gas via een ontluchtingsventiel in de
bodemplaat. Het gas kan ontsteken. Er
bestaat gevaar voor letsel!
Direct de gevarenzone verlaten. De gevaren-
zone op voldoende afstand afzetten, rekening
houdend met de wettelijke voorschriften.
GWAARSCHUWING
Als het huis van de hoogspanningsaccu wordt
beschadigd, kan elektrolyt en kunnen gassen
ontsnappen. Deze zijn giftig en agressief. Er
bestaat gevaar voor letsel!
Het mag niet met de huid, ogen of kleding in
aanraking komen. Elektrolytspatten direct
met water afspoelen en zo snel mogelijk con-
tact opnemen met een arts.
!Zwaar ontladen, veroorzaakt door lang
stilstaan van de auto, kan de hoogspan-
ningsaccu beschadigen.
De auto bij lange standtijden elke
zes weken enkele minuten gebruiken, om
de hoogspanningsaccu op te laden.
Tijdens dit opladen niet-benodigde elektri-
sche verbruikers, bijvoorbeeld de automa-
tische temperatuurregeling of stoelverwar-
ming, uitschakelen.
Informatie over het opladen van de hoog-
spanningsaccu (Ypagina 443).
Motorruimte
Voordat u de motorkap opent:
XDe elektrische parkeerrem inschakelen.
XDe automatische transmissie in parkeer-
stand Pzetten.
XHet contact uitschakelen.
XDe start-stop-toets uit het contactslot ver-
wijderen (Ypagina 195).
Of, bij gebruik van de sleutel in het contact-
slot:
XDe sleutel uit het contactslot verwijderen.
XDe waarschuwingsaanwijzingen met
betrekking tot het gevaar van een stroom-
stoot in acht nemen (Ypagina 44).
XDe waarschuwingsaanwijzingen over de
motorkap in acht nemen (Ypagina 415).
Rijveiligheidssysteem RBS (regenere-
rend remsysteem)
Het RBS ondersteunt u bij het remmen door
een elektronisch geregelde rembekrachtiging
en maakt de terugwinning van bewegings-
energie mogelijk (recuperatie).
GWAARSCHUWING
Bij storingen aan het RBS kan de weerstand
van het rempedaal lager en de slag van het
rempedaal langer dan gebruikelijk zijn. Het
remsysteem blijft verder normaal beschik-
baar. Indien noodzakelijk moet het rempedaal
verder worden ingedrukt. Uw rijstijl en snel-
heid overeenkomstig aanpassen.
GWAARSCHUWING
Werkzaamheden aan het regenererend rem-
systeem altijd bij een gekwalificeerde werk-
plaats laten uitvoeren.
Bij werkzaamheden aan het regenererend
remsysteem moeten bepaalde punten in acht
worden genomen, bijvoorbeeld bij het weer in
gebruik nemen.
Mercedes-Benz adviseert hiervoor een
Mercedes-Benz-servicewerkplaats. Vooral
46 Auto's met HYBRID technologie
Veiligheid
veiligheidsrelevante werkzaamheden en
werkzaamheden aan veiligheidsrelevante sys-
temen dienen absoluut bij een gekwalifi-
ceerde werkplaats te worden uitgevoerd.
Meer informatie over het RBS
(Ypagina 286).
Paniekalarm
XActiveren: Toets !:circa 1 seconde
indrukken.
Er klinkt een alarm en de buitenverlichting
gaat branden.
XDeactiveren: Opnieuw toets !:
indrukken.
of
XDe start-stop-toets indrukken.
De sleutel moet zich in de auto bevinden.
iDe functie paniekalarm is alleen in
bepaalde landen beschikbaar.
Veiligheidssystemen inzittenden
Inleiding veiligheidssysteem
Het veiligheidssysteem reduceert bij een
ongeval het risico dat inzittenden met delen
van het interieur in aanraking komen. Daar-
naast kan het veiligheidssysteem ook de
belastingen reduceren die tijdens een onge-
val op de inzittenden inwerken.
Het veiligheidssysteem omvat:
RVeiligheidsgordelsysteem
RAirbags
RKinderzitje
RKinderzitjebevestigingen
De onderdelen van het veiligheidssysteem
zijn op elkaar afgestemd. Ze kunnen hun
beschermingspotentieel alleen ontplooien,
als alle inzittenden altijd:
Rde veiligheidsgordel correct dragen
(Ypagina 51)
Rde stoel en de hoofdsteun correct zijn inge-
steld (Ypagina 121).
Als bestuurder moet u er ook voor zorgen, dat
het stuurwiel correct is ingesteld. De infor-
matie over de correcte stand van de bestuur-
dersstoel in acht nemen (Ypagina 120).
Bovendien moet u ervoor zorgen, dat de
betreffende airbags bij activering vrij kunnen
worden opgeblazen (Ypagina 54).
Een airbag is een aanvulling op een correct
gedragen veiligheidsgordel en verhoogt als
aanvullend veiligheidssysteem het bescher-
mingspotentieel voor de inzittenden in rele-
vante ongevalsituaties. Als bijvoorbeeld bij
een ongeval het beschermingspotentieel van
de veiligheidsgordel voldoende is, worden de
airbags niet geactiveerd. Bovendien worden
bij een ongeval alleen die airbags geacti-
veerd, die in de betreffende ongevalsituatie
het beschermingspotentieel verhogen. Daar-
bij bieden veiligheidsgordels en airbags in het
algemeen geen bescherming tegen voorwer-
pen, die van buitenaf de auto binnendringen.
Informatie over de werking van het veilig-
heidssysteem vindt u onder "Activeren van
gordelspanners en airbags" (Ypagina 57).
Zie voor meer informatie over in de auto
meerijdende kinderen en over kinderzitjes
"Kinderen in de auto" (Ypagina 61).
Veiligheidssystemen inzittenden 47
Veiligheid
Z
Belangrijke veiligheidsvoorschriften
GWaarschuwing
Door wijzigingen aan het veiligheidssysteem
bestaat de kans dat dit niet meer correct
functioneert. Het veiligheidssysteem kan in
dat geval de inzittenden niet meer zoals
bedoeld beschermen en bijvoorbeeld bij een
ongeval uitvallen of onverwacht worden geac-
tiveerd. Er bestaat een verhoogd gevaar voor
letsel of zelfs levensgevaar!
Nooit onderdelen van het veiligheidssysteem
wijzigen. Geen ingrepen aan bedrading en
elektronische onderdelen en de software hier-
van uitvoeren.
Als een airbagsysteem moet worden aange-
past aan een persoon met een lichamelijke
handicap, wendt u zich dan voor meer infor-
matie tot een Mercedes-Benz-servicewerk-
plaats.
Waarschuwingslampje veiligheids-
systeem
De functies van het veiligheidssysteem wor-
den na het inschakelen van het contact en
met regelmatige intervallen bij draaiende
motor gecontroleerd. Daardoor kunnen sto-
ringen vroegtijdig worden ontdekt.
Als het contact wordt ingeschakeld, gaat het
waarschuwingslampje veiligheidssysteem
6in het instrumentenpaneel branden. Het
dooft maximaal enkele seconden na het star-
ten van de motor. De onderdelen van het vei-
ligheidssysteem zijn gereed voor gebruik.
Er is een storing opgetreden als het waar-
schuwingslampje veiligheidssysteem 6:
Rna het inschakelen van het contact niet
gaat branden
Rniet na enkele seconden dooft als de motor
draait
Rals de motor draait opnieuw gaat branden.
GWaarschuwing
Als het veiligheidssysteem een storing ver-
toont, kunnen onderdelen van het veiligheids-
systeem abusievelijk worden geactiveerd of
kunnen deze bij een ongeval met een grote
vertraging van het voertuig niet in werking
treden. Dat kan bijvoorbeeld de gordelspan-
ner of de airbag betreffen. Er bestaat een ver-
hoogd gevaar voor letsel of zelfs levensge-
vaar!
Het veiligheidssysteem direct bij een gekwa-
lificeerde werkplaats laten controleren en
repareren.
Controlelampje PASSENGER AIR BAG
OFF
De controlelampjes PASSENGER AIR BAG
OFF :en PASSENGER AIR BAG ON ;zijn
onderdeel van de automatische kinderzitje-
herkenning in de passagiersstoel.
Aan de hand van het permanent brandende
controlelampje PASSENGER AIR BAG OFF is
te zien dat de passagiersairbag is uitgescha-
keld.
Het controlelampje PASSENGER AIR BAG ON
brandt bij het inschakelen van het contact:
Rkort als het sensorsysteem van de automa-
tische kinderzitjeherkenning in de passa-
giersstoel een speciaal Mercedes-Benz kin-
derzitje met transponders herkent
Rgedurende 60 seconden als de passagiers-
stoel als bezet wordt herkend. Het contro-
lelampje PASSENGER AIR BAG OFF brandt
niet.
48 Veiligheidssystemen inzittenden
Veiligheid
Afhankelijk van de persoon op de passagiers-
stoel moet de passagiersairbag in- of uitge-
schakeld zijn. Dit moet voor en tijdens het rij-
den te allen tijde gewaarborgd zijn.
RKind in kinderzitje: Of de passagiersair-
bag in- of uitgeschakeld moet zijn, is afhan-
kelijk van het gemonteerde kinderzitje en
de leeftijd en lengte van het kind. Daarom
beslist de Aanwijzingen bij "Kinderen in de
auto" in acht nemen (Ypagina 61). Daar
vindt u ook informatie over naar achteren-
of naar voren gerichte kinderzitjes op de
passagiersstoel.
RAlle anderen: Het controlelampje PAS-
SENGER AIR BAG OFF moet gedoofd zijn.
Beslist de aanwijzingen m.b.t. "Veiligheids-
gordels" (Ypagina 49) en "Airbags" in
acht nemen (Ypagina 54). Daar vindt u
ook informatie over de correcte zithouding.
De informatie over de automatische kinder-
zitjeherkenning in de passagiersstoel in acht
nemen (Ypagina 65).
Veiligheidsgordels
Inleiding
Een correct gedragen veiligheidsgordel ver-
mindert bij een botsing of het over de kop
slaan de beweging van de inzittenden zo opti-
maal mogelijk. Daardoor neemt het gevaar af,
dat inzittenden met delen van het interieur in
aanraking komen of uit de auto worden
geslingerd. Bovendien helpt de veiligheids-
gordel om de inzittenden in een betere positie
ten opzichte van de zich ontplooiende airbag
te houden.
Het veiligheidsgordelsysteem omvat:
RVeiligheidsgordels
RGordelspanners voor de voorste veilig-
heidsgordels en de buitenste veiligheids-
gordels achterin
RGordelkrachtbegrenzers voor de voorste
veiligheidsgordels en de buitenste veilig-
heidsgordels achterin
RBeltbags voor de buitenste veiligheidsgor-
dels achterin, afhankelijk van de uitrusting
van de auto
Als de veiligheidsgordel snel of met een ruk
uit de gordelgeleiding wordt getrokken, blok-
keert de gordeloprolautomaat. De gordel-
band kan niet verder worden afgerold.
De gordelspanner trekt bij een ongeval de
veiligheidsgordel zo ver aan, dat deze strak
tegen het lichaam aan ligt. Hij trekt de inzit-
tenden echter niet in de richting van de leu-
ning terug.
De gordelspanner corrigeert bovendien niet
een verkeerde zithouding of het gordelver-
loop van een verkeerd omgegespte veilig-
heidsgordel.
Als de veiligheidsgordel bovendien met een
gordelkrachtbegrenzer is uitgerust, wordt bij
een activering de gordelbelasting op de inzit-
tenden verminderd.
De gordelkrachtbegrenzers van de voorste
zitplaatsen zijn op de frontairbags afgestemd,
die een deel van de vertragingskrachten over-
nemen. Daardoor kan de belasting worden
gereduceerd die tijdens een ongeval op de
inzittenden inwerkt.
!De gordelslottong van de veiligheidsgor-
del niet in het gordelslot aan passagiers-
zijde steken als de passagiersstoel niet
bezet is. Anders kan de gordelspanner bij
een ongeval worden geactiveerd en moet
deze worden vervangen.
Belangrijke veiligheidsvoorschriften
GWaarschuwing
Als de veiligheidsgordel niet correct wordt
gedragen, kan deze niet meer zoals bedoeld
beschermen. Bovendien kan een verkeerd
gedragen veiligheidsgordel bijvoorbeeld bij
een ongeval, remmanoeuvre of abrupte rich-
tingswijziging extra verwondingen veroorza-
Veiligheidsgordels 49
Veiligheid
Z
ken. Er bestaat een verhoogd gevaar voor let-
sel of zelfs levensgevaar!
Altijd controleren dat alle inzittenden de vei-
ligheidsgordel correct hebben omgegespt en
correct zitten.
GWAARSCHUWING
Wanneer de rugleuning niet rechtop staat,
biedt de veiligheidsgordel niet de beoogde
beschermende werking. Bij een remma-
noeuvre of een ongeval kunt u in dit geval
onder de veiligheidsgordel doorglijden en
daarbij bijvoorbeeld letsel oplopen aan het
onderlichaam of de hals. Er bestaat een ver-
hoogd gevaar voor letsel of zelfs levensge-
vaar!
De stoel voor aanvang van de rit correct instel-
len. Altijd erop letten dat de rugleuning
rechtop staat en de schoudergordel over het
midden van de schouder loopt.
GWAARSCHUWING
Als voorwerpen naast de voorstoel het gor-
delslot of de beweegbare gordelverankering
aan de voorstoel blokkeren, is de werking van
de gordelspanner nadelig beïnvloed. De gor-
delspanners kunnen dan niet zoals bedoeld
functioneren en de veiligheidsgordel kan niet
meer zoals bedoeld beschermen. Er bestaat
een verhoogd gevaar voor letsel of zelfs
levensgevaar!
Vóór aanvang van de rit controleren dat zich
geen voorwerpen in de omgeving van het gor-
delslot of tussen voorstoel en portier bevin-
den.
GWaarschuwing
Personen kleiner dan 1,50 m kunnen de vei-
ligheidsgordel zonder geschikte aanvullende
veiligheidssystemen niet correct dragen. Als
de veiligheidsgordel niet correct wordt gedra-
gen, kan deze niet meer zoals bedoeld
beschermen. Bovendien kan een verkeerd
gedragen veiligheidsgordel bijvoorbeeld bij
een ongeval, remmanoeuvre of abrupte rich-
tingswijziging extra verwondingen veroorza-
ken. Er bestaat een verhoogd gevaar voor let-
sel of zelfs levensgevaar!
Personen kleiner dan 1,50 m altijd met
geschikte veiligheidssystemen beveiligen.
Als een kind jonger dan 12 jaar en kleiner dan
1,50 m in de auto wordt meegenomen:
Rdeze altijd beveiligen in een voor deze
Mercedes-Benz-auto geschikt kinderzitje.
Het kinderzitje moet geschikt zijn voor de
leeftijd, het gewicht en de lengte
Rbeslist de aanwijzingen en veiligheidsvoor-
schriften voor de beltbags van de buitenste
veiligheidsgordels achterin in acht nemen
(Ypagina 51)
Rbeslist de aanwijzingen en veiligheidsvoor-
schriften bij "Kinderen in de auto" in deze
handleiding (Ypagina 61) in acht nemen,
evenals de montagehandleiding van de
fabrikant van het kinderzitje.
GWaarschuwing
Veiligheidsgordels kunnen niet beschermen
zoals bedoeld, als:
Rze beschadigt, gewijzigd, sterk vervuild,
gebleekt of gekleurd zijn
Rhet gordelslot beschadigd of sterk vervuild
is
Rwijzigingen aan gordelspanners, gordelver-
ankeringen of gordeloprolautomaten zijn
uitgevoerd.
Veiligheidsgordels kunnen bij een ongeval
ook niet zichtbaar worden beschadigd, bij-
voorbeeld door glassplinters. Gewijzigde of
beschadigde veiligheidsgordels kunnen
scheuren of uitvallen, bijvoorbeeld bij een
ongeval. Gewijzigde gordelspanners kunnen
onbedoeld worden geactiveerd of eventueel
uitvallen. Er bestaat een verhoogd gevaar
voor letsel of zelfs levensgevaar!
Nooit de veiligheidsgordels, gordelspanners,
gordelverankeringen en gordeloprolautoma-
ten wijzigen. De veiligheidsgordels moeten
onbeschadigd, niet versleten en schoon zijn;
dit controleren. De veiligheidsgordels na een
50 Veiligheidsgordels
Veiligheid
ongeval direct bij een gekwalificeerde werk-
plaats laten controleren.
Mercedes-Benz adviseert om veiligheidsgor-
dels te gebruiken die Mercedes-Benz voor uw
auto heeft goedgekeurd.
Correct gebruik van de gordels
De veiligheidsvoorschriften m.b.t. de veilig-
heidsgordel in acht nemen (Ypagina 49).
Alle inzittenden moeten de veiligheidsgordel
voor het wegrijden correct omgespen. Ook
tijdens het rijden moeten alle inzittenden de
veiligheidsgordel steeds correct dragen; dit
controleren.
Bij het omgespen van de veiligheidsgordel
altijd erop letten, dat:
Rde gordelslottong van de veiligheidsgordel
alleen in het bij de zitplaats behorende gor-
delslot wordt gestoken
Rde veiligheidsgordel strak tegen het
lichaam aan ligt.
Dikke kleding vermijden, bijvoorbeeld een
winterjas
Rde veiligheidsgordel niet verdraaid is.
Alleen dan kunnen de optredende krachten
over het gordeloppervlak worden verdeeld.
Rde schoudergordel altijd over het midden
van de schouder loopt.
De schoudergordel mag niet de hals raken
en ook niet onder de arm worden doorge-
voerd. Indien mogelijk de veiligheidsgordel
op de hoogte overeenkomstig de lichaams-
lengte instellen.
Rde heupgordel stark en zo laag mogelijk
over het bekken loopt.
De heupgordel moet altijd zo dicht mogelijk
tegen de heup aan lopen en nooit over de
buik of het onderlichaam. Vooral zwangere
vrouwen moeten daarop letten. Indien
nodig de heupgordel omlaag tegen de heup
aan drukken en met de schoudergordel
straktrekken.
Rde veiligheidsgordel niet over scherpe, pun-
tige of breekbare voorwerpen loopt.
Als dergelijke voorwerpen zich in of op uw
kleding bevinden, zoals een pen, sleutel of
een bril, deze op een geschikte plaats
opbergen.
Rde veiligheidsgordel altijd slechts door één
persoon wordt gebruikt.
Nooit een baby of een kind op de schoot
van een inzittende meenemen. Bij een
ongeval kunnen ze tussen de inzittende en
de veiligheidsgordel worden ingeklemd.
Rer nooit voorwerpen samen met een per-
soon worden vastgegespt.
Veiligheidsgordels zijn uitsluitend bedoeld
voor het beveiligen en tegenhouden van per-
sonen. Voor het beveiligen van voorwerpen,
bagage of lading altijd de "Richtlijnen m.b.t.
belading" in acht nemen (Ypagina 382).
Beltbag achterin
iHet onderwerp "Belangrijke veiligheids-
voorschriften" (Ypagina 54) in acht
nemen.
Afhankelijk van de uitrusting van de auto zijn
de buitenste veiligheidsgordels achterin uit-
gerust met een beltbag.
GWAARSCHUWING
De beltbag kan bij een ongeval een niet-goed-
gekeurd kinderzitje beschadigen. Daardoor
kan het kinderzitje niet meer zoals bedoeld
beschermen. Er bestaat een verhoogd gevaar
voor letsel of zelfs levensgevaar!
Mercedes-Benz adviseert om veiligheidsrede-
nen alleen een kinderzitje te gebruiken, dat
Mercedes-Benz in combinatie met een
beltbag getest en goedgekeurd heeft.
Meer informatie over kinderzitjes
(Ypagina 61).
Veiligheidsgordels 51
Veiligheid
Z
De beltbags :ontvouwen zich bij activering
en vergroten daardoor het steunvlak op de
borstkas van de inzittenden. Ze worden
afhankelijk van de soort en ernst van het
ongeval geactiveerd.
Veiligheidsgordel omgespen en
instellen
De veiligheidsvoorschriften m.b.t. de veilig-
heidsgordel (Ypagina 49) en de aanwijzingen
m.b.t. het correct gebruik van de veiligheids-
gordel (Ypagina 51) in acht nemen.
XDe stoel instellen (Ypagina 120).
De rugleuning moet in vrijwel rechtop
staan.
XDe veiligheidsgordel zonder rukken uit gor-
delgeleiding =trekken en gordelslot-
tong ;in gordelslot :vergrendelen.
De veiligheidsgordels van de bestuurders-
en passagiersstoel worden zo nodig auto-
matisch strakgetrokken, zie "Gordelaan-
passing" (Ypagina 53).
XIndien nodig de veiligheidsgordel voor de
borst omhoogtrekken, zodat de veiligheids-
gordel strak tegen het lichaam aan ligt.
De schoudergordel moet altijd over het mid-
den van de schouder lopen. Indien nodig de
gordelgeleiding instellen.
XHoger instellen: Gordelgeleiding omhoog-
schuiven.
De gordelgeleiding vergrendelt in verschil-
lende posities.
XLager instellen: Met gordelgeleidingont-
grendeling :ingedrukt de gordelgeleiding
omlaagschuiven.
XIn de gewenste positie de gordelgeleidin-
gontgrendeling :loslaten en controleren
dat de gordelgeleiding vergrendelt.
Gordelslotbrenger achterin
De gordelslotbrenger is een in PRE-SAFE®
geïntegreerde comfortfunctie. Hij wordt
gebruikt bij de buitenste achterzitplaatsen.
52 Veiligheidsgordels
Veiligheid
Altijd erop letten, dat ongehinderde beweging
van het gordelslot mogelijk is. Voorwerpen in
de auto altijd correct opbergen en beveiligen.
Het vinden van het gordelslot en het omges-
pen van de veiligheidsgordel worden verge-
makkelijkt door:
Rhet naar buiten komen van het gordelslot
in de aanbiedpositie
Rde verlichting van het gordelslot.
Na het omgespen van de veiligheidsgordel
gaat het gordelslot weer terug naar zijn nor-
male stand. De veiligheidsgordel loopt daar-
door strak over het bekken en de borstkas.
Integratie met het PRE-SAFE®-systeem: In
bepaalde gevaarlijke situaties wordt het gor-
delslot snel omlaaggebracht. Daardoor wordt
de veiligheidsgordel voorgespannen.
Integratie met de automatische maatre-
gelen na een ongeval: In deze situatie wordt
na het openen van een achterportier het gor-
delslot verlicht en wordt het uitgeschoven.
Veiligheidsgordel afdoen
!De veiligheidsgordel moet volledig oprol-
len; dit controleren. Anders kunnen de vei-
ligheidsgordel of de gordelslottong in het
portier of het stoelmechanisme bekneld
raken. Hierdoor kunnen het portier, de por-
tierbekleding en de veiligheidsgordel wor-
den beschadigd. Beschadigde veiligheids-
gordels kunnen niet meer hun bescher-
mende werking uitvoeren en moeten wor-
den vervangen. Naar een gekwalificeerde
werkplaats gaan.
XOntgrendelingsknop :indrukken en gor-
delslottong ;naar gordelgeleiding =
teruggeleiden.
Gordelaanpassing
De gordelaanpassing is een in PRE-SAFE®
geïntegreerde comfortfunctie. Met deze func-
tie wordt de veiligheidsgordel van de bestuur-
ders- en passagiersstoel aangepast aan het
bovenlichaam van de inzittenden.
De gordelband wordt daartoe iets aangetrok-
ken, als:
Rde gordelslottong in het gordelslot is ver-
grendeld en
Rhet contact is ingeschakeld.
De gordelaanpassing vindt plaats met een
bepaalde terugtrekkracht als er speling wordt
herkend tussen de inzittende en de veilig-
heidsgordel. De veiligheidsgordel hierbij niet
vasthouden.
Informatie over het in- en uitschakelen van de
gordelaanpassing vindt u in de afzonderlijke
COMAND Online handleiding.
Veiligheidsgordels 53
Veiligheid
Z
Gordelwaarschuwing voor bestuur-
der en passagier
Het waarschuwingslampje veiligheidsgordels
7in het instrumentenpaneel maakt u erop
attent, dat alle inzittenden de veiligheidsgor-
del moeten omgespen. Het kan permanent
branden of knipperen. Bovendien kan een
waarschuwingssignaal klinken.
Het waarschuwingslampje veiligheidsgordels
7dooft en het waarschuwingssignaal
stopt, zodra de chauffeur en de bijrijder de
veiligheidsgordel hebben omgegespt.
iZie voor meer informatie over het waar-
schuwingslampje veiligheidsgordels 7
"Waarschuwings- en controlelampjes in het
instrumentenpaneel, veiligheidsgordel"
(Ypagina 367).
Statusindicatie veiligheidsgordels
achterin
De statusindicatie veiligheidsgordels ach-
terin is alleen in bepaalde landen beschik-
baar.
Aan de hand van de statusindicatie veilig-
heidsgordels achterin is gedurende circa
30 seconden te zien, welke veiligheidsgordel
achterin niet is vastgemaakt.
De statusindicatie veiligheidsgordels ach-
terin verschijnt, als:
Rwordt weggereden en een rijsnelheid van
circa 10 km/h wordt bereikt
Rde inzittenden achterin tijdens het rijden de
veiligheidsgordel omgespen of losmaken
Rpersonen in of uit de auto stappen en
opnieuw wordt weggereden.
Als een van de inzittenden achterin bij een
snelheid boven 25 km/h de veiligheidsgordel
losmaakt, klinkt bovendien een kort waar-
schuwingssignaal.
De statusindicatie veiligheidsgordels ach-
terin kan ook direct worden uitgeschakeld
(Ypagina 330).
Airbags
Inleiding
De inbouwplaats van een airbag is herken-
baar aan het opschrift AIRBAG.
Een airbag is een aanvulling op een correct
gedragen veiligheidsgordel. Hij is echter geen
vervanging voor de veiligheidsgordel. De air-
bag biedt extra beschermingspotentieel in
relevante ongevalsituaties.
Niet alle airbags worden bij een ongeval geac-
tiveerd. De verschillende airbagsystemen
werken onafhankelijk van elkaar
(Ypagina 57).
Geen enkel modern systeem kan echter ver-
wondingen en overlijden volledig uitsluiten.
Ook het risico op verwondingen door een air-
bag kan vanwege de vereiste snelheid van de
airbag na het activeren niet geheel worden
uitgesloten.
Belangrijke veiligheidsvoorschriften
GWaarschuwing
Als wordt afgeweken van de correcte zithou-
ding, kan de airbag niet meer zoals bedoeld
beschermen en door het activeren extra ver-
wondingen veroorzaken. Er bestaat een ver-
hoogd gevaar voor letsel of zelfs levensge-
vaar!
54 Airbags
Veiligheid
Om risico's te vermijden, altijd controleren
dat alle inzittenden:
Rde veiligheidsgordel correct omgespen,
ook zwangere vrouwen
Rcorrect zitten en de grootst mogelijke
afstand tot de airbags aanhouden
Rde volgende aanwijzingen in acht nemen.
Er altijd voor zorgen dat zich geen voorwerpen
tussen de airbag en de inzittende bevinden.
RDe stoelen voor aanvang van de rit correct
instellen. Altijd erop letten dat de rugleu-
ning vrijwel rechtop staat. Het midden van
de hoofdsteun moet het hoofd ongeveer op
ooghoogte ondersteunen.
RDe bestuurders- en passagiersstoel zo ver
mogelijk naar achteren instellen. De zit-
houding van de bestuurder moet daarbij
het veilig besturen van de auto mogelijk
maken.
RHet stuurwiel alleen aan de stuurwielrand
vasthouden. Op deze wijze kan de airbag
ongehinderd worden opgeblazen.
RTijdens het rijden altijd tegen de rugleuning
leunen. Niet naar voren buigen en niet
tegen het portier of de zijruit leunen.
Anders bevindt u zich in het ontplooiings-
gebied van de airbags.
RUw voeten altijd in de beenruimte vóór de
stoel houden. Uw voeten bijvoorbeeld niet
op het dashboard leggen. Anders bevinden
uw voeten zich in het ontplooiingsgebied
van de airbag.
RPersonen kleiner dan 1,50 m altijd in spe-
ciaal voor hen geschikte veiligheidssyste-
men beveiligen. Onder deze grootte kan de
veiligheidsgordel niet correct worden
gedragen.
Als kinderen in de auto meerijden, boven-
dien de volgende aanwijzingen in acht
nemen.
RKinderen jonger dan 12 jaar en kleiner dan
1,50 m altijd in speciaal voor hen geschikte
kinderzitjes beveiligen.
RKinderzitjes bij voorkeur op de achterzit-
plaatsen bevestigen.
REen kind alleen in een naar achteren gericht
kinderzitje op de passagiersstoel beveili-
gen, als de passagiersairbag is uitgescha-
keld. De passagiersairbag is uitgeschakeld,
als het controlelampje PASSENGER AIR
BAG OFF continu brandt (Ypagina 48).
RBeslist de aanwijzingen en veiligheidsvoor-
schriften bij "Kinderen in de auto"
(Ypagina 61) en "Kinderzitje op de pas-
sagiersstoel" (Ypagina 67) in acht
nemen, evenals de montagehandleiding
van de fabrikant van het kinderzitje.
Voorwerpen in het interieur kunnen het
correct functioneren van een airbag in
gevaar brengen. Om risico's als gevolg van
de vereiste snelheid van de airbag na het acti-
veren te vermijden, vóór aanvang van de rit
controleren dat:
Rzich geen andere personen, dieren of voor-
werpen tussen de inzittenden en de ver-
schillende airbags bevinden.
Rgeen voorwerpen tussen de stoel en het
portier resp. de B-stijl liggen.
Rgeen harde voorwerpen zoals kledinghan-
gers aan handgrepen of kledinghaken han-
gen.
Rgeen accessoires zoals bekerhouders in
het ontplooiingsgebied van een airbag zijn
aangebracht, bijvoorbeeld aan portieren,
zijruiten, achterste zijbekledingen of zij-
wanden.
Rgeen zware, scherpe of breekbare voorwer-
pen in de zakken van uw kledingstukken
aanwezig zijn. Dergelijke voorwerpen op
een geschikte plaats opbergen.
Airbags 55
Veiligheid
Z
GWAARSCHUWING
Als een airbagafdekking wordt gewijzigd of als
voorwerpen, bijvoorbeeld ook stickers,
daarop worden aangebracht, kan de airbag
niet meer zoals bedoeld functioneren. Er
bestaat verhoogd gevaar voor letsel!
Een airbagafdekking nooit wijzigen en geen
voorwerpen erop aanbrengen.
GWAARSCHUWING
In de portieren bevinden zich sensoren voor
de aansturing van airbags. Door veranderin-
gen of ondeskundig uitgevoerde werkzaam-
heden aan portieren of portierbekledingen en
door beschadigde portieren kan de werking
van de sensoren verstoord zijn. Daardoor kan
de werking van de airbags worden belem-
merd. De airbags kunnen de inzittenden dan
niet meer zoals bedoeld beschermen. Er
bestaat verhoogd gevaar voor letsel!
Nooit de deuren of delen daarvan veranderen.
Werkzaamheden aan portieren of portierbe-
kledingen laten uitvoeren bij een gekwalifi-
ceerde werkplaats.
Frontairbags
!Geen zware voorwerpen op de passa-
giersstoel leggen. Hierdoor kan een bezet-
ting van de stoel worden herkend. Bij een
ongeval kunnen de veiligheidssystemen
aan passagierszijde worden geactiveerd en
moeten ze worden vervangen.
Bestuurdersairbag :ontvouwt zich voor het
stuurwiel, passagiersairbag ;voor en boven
het dashboardkastje.
Bij activering verhogen de frontairbags op de
voorstoelen het beschermingspotentieel voor
het hoofd en de borstkas.
Aan de hand van het continu brandende con-
trolelampje PASSENGER AIR BAG OFF is te
zien dat de passagiersairbag is uitgeschakeld
(Ypagina 48).
Sidebags
GWAARSCHUWING
Ongeschikte stoelhoezen kunnen het opbla-
zen van de in de stoelen geïntegreerde air-
bags belemmeren of zelfs verhinderen. De air-
bags kunnen de inzittenden dan niet meer
zoals bedoeld beschermen. Bovendien kan de
werking van de automatische kinderzitjeher-
kenning nadelig worden beïnvloed. Er bestaat
een verhoogd gevaar voor letsel of zelfs
levensgevaar!
Alleen stoelhoezen gebruiken, die Mercedes-
Benz voor de betreffende stoel heeft goedge-
keurd.
De sidebags voorin :en de sidebags ach-
terin ;ontvouwen zich naast de buitenste
wangen van de rugleuningen.
56 Airbags
Veiligheid
Bij activering verhoogt de sidebag het
beschermingspotentieel voor de borstkas.
Op de voorstoelen wordt bovendien het
beschermingspotentieel voor het bekken ver-
hoogd. Hij beschermt echter niet:
Rhet hoofd
Rde nek
Rde armen.
De sidebag wordt bij een aanrijding van opzij
geactiveerd aan de zijde van het ongeval.
Windowbags
Windowbags :zijn zijdelings in het dak-
frame ingebouwd en lopen van de A-stijl tot
aan de C-stijl.
Bij activering verhoogt de windowbag het
beschermingspotentieel voor het hoofd. Hij
beschermt echter niet de armen en de borst.
De windowbag wordt bij een aanrijding van
opzij geactiveerd aan de zijde van het onge-
val.
Als preventief wordt vastgesteld dat naast de
veiligheidsgordel extra beschermingspotenti-
eel voor de inzittenden nodig is, kan een win-
dowbag ook in andere ongevalsituaties wor-
den geactiveerd (Ypagina 57).
Cushionbag
iHet onderwerp "Belangrijke veiligheids-
voorschriften" (Ypagina 54) in acht nemen.
De ruststoel achterin is met een cushionbag
uitgerust. Bij een grote rugleuninghoek biedt
de cushionbag bij een frontale aanrijding in
bepaalde situaties extra inzittendenbescher-
ming. Bij een activering ontvouwt zich de cus-
hionbag onder de zitting. Hij voorkomt daar-
door dat de inzittende van de zitting kan glij-
den.
GWAARSCHUWING
Als bij een ingebouwd kinderzitje de rugleu-
ning te vlak wordt ingesteld, kan bij een onge-
val de cushionbag abusievelijk worden geac-
tiveerd. Er bestaat verhoogd gevaar voor let-
sel!
Er bij gebruik van een kinderzitje altijd op let-
ten, dat de stoel correct is ingesteld en dat de
rugleuning vrijwel rechtop staat.
Als een kinderzitje op de ruststoel wordt
gemonteerd, beslist het volgende in acht
nemen:
Rde aanwijzingen en veiligheidsvoorschrif-
ten bij "Kinderen in de auto"
(Ypagina 61)
Rde montagehandleiding van de fabrikant
van het kinderzitje.
Activeren van gordelspanners en air-
bags
Belangrijke veiligheidsvoorschriften
GWAARSCHUWING
Na het activeren van een airbag zijn onderde-
len van de airbag heet. Gevaar voor letsel!
Onderdelen van de airbag niet aanraken. Een
geactiveerde airbag direct laten vervangen bij
een gekwalificeerde werkplaats.
GWAARSCHUWING
Pyrotechnisch geactiveerde gordelspanners
werken niet meer en kunnen daarom niet
meer zoals bedoeld beschermen. Er bestaat
een verhoogd gevaar voor letsel of zelfs
levensgevaar!
Activeren van gordelspanners en airbags 57
Veiligheid
Z
Pyrotechnisch geactiveerde gordelspanners
direct bij een gekwalificeerde werkplaats
laten vervangen.
Mercedes-Benz adviseert om de auto na een
ongeval naar een gekwalificeerde werkplaats
te laten slepen. Dit advies in het bijzonder
opvolgen nadat een gordelspanner of airbag
is geactiveerd.
Het door PRE-SAFE®geactiveerde voorspan-
nen van de veiligheidsgordel in een gevaar-
lijke situatie gebeurt door een elektromotor.
Deze procedure is omkeerbaar.
Als een gordelspanner of airbag wordt geac-
tiveerd, hoort u een knal en kan er poederstof
vrijkomen. Het waarschuwingslampje veilig-
heidssysteem 6gaat branden.
De knal is in principe niet schadelijk voor het
gehoor, uitzonderingen daargelaten. Het vrij-
komende poederstof is in het algemeen niet
schadelijk voor de gezondheid, maar kan bij
personen met astma of ademhalingsmoeilijk-
heden kortstondige ademhalingsmoeilijkhe-
den veroorzaken. Zodra u zonder gevaar kunt
uitstappen, moet u de auto direct verlaten om
ademhalingsmoeilijkheden te voorkomen.
Eventueel kunt u ook de ruit openen.
Werking
Bij een ongeval analyseert de regeleenheid
veiligheidssysteem tijdens de eerste fase van
het ongeval belangrijke natuurkundige gege-
vens van de vertraging of versnelling van de
auto, zoals:
Rduur
Rrichting
Rintensiteit.
Op basis van deze analyse activeert de regel-
eenheid veiligheidssysteem de gordelspan-
ners bij een frontale aanrijding of een aanrij-
ding van achteren.
Een gordelspanner kan alleen worden geac-
tiveerd, als:
Rhet contact is ingeschakeld
Rde onderdelen van het veiligheidssysteem
gereed voor gebruik zijn, zie "Waarschu-
wingslampje veiligheidssysteem"
(Ypagina 48)
Rals bij de betreffende voorstoel de gordel-
slottong in het gordelslot vergrendeld is.
De gordelspanners achterin worden onafhan-
kelijk van de vergrendelingstoestand van de
veiligheidsgordels geactiveerd.
Auto's met beltbags: Afhankelijk van de
soort en ernst van het ongeval worden ook de
beltbags geactiveerd.
Voertuigen met ruststoel: Alleen als de gor-
delslottong in het gordelslot van de ruststoel
vergrendeld is, wordt de gordelspanner geac-
tiveerd.
Bij een grote rugleuninghoek wordt afhanke-
lijk van de soort en ernst van het ongeval ook
de cushionbag geactiveerd.
Als de regeleenheid veiligheidssysteem een
zwaarder ongeval registreert, worden bij een
frontale aanrijding in bepaalde situaties extra
onderdelen van het veiligheidssysteem onaf-
hankelijk van elkaar geactiveerd:
RFrontairbags
RWindowbag, als preventief wordt vastge-
steld dat naast de veiligheidsgordel extra
beschermingspotentieel voor de inzitten-
den nodig is
Afhankelijk van de persoon op de passagiers-
stoel is de passagiersairbag uit- of ingescha-
keld. Alleen als het controlelampje PASSEN-
GER AIR BAG OFF gedoofd is, kan de passa-
giersairbag bij een ongeval worden geacti-
veerd. De informatie m.b.t. het controle-
lampje PASSENGER AIR BAG OFF in acht
nemen (Ypagina 48).
Uw auto heeft tweetraps frontairbags. In de
eerste activeringsfase wordt de frontairbag
met drijfgas gevuld, waardoor het risico op
letsel wordt beperkt. Als vervolgens binnen
enkele milliseconden de tweede activerings-
58 Activeren van gordelspanners en airbags
Veiligheid
fase plaatsvindt, wordt de frontairbag met de
maximale hoeveelheid drijfgas gevuld.
Het bepalen van de activeringsdrempels voor
de gordelspanner en de airbag gebeurt door
het analyseren van de op verschillende plaat-
sen in de auto optredende vertragingen of
versnellingen. Deze procedure heeft een anti-
ciperend karakter. De activering moet tijdig,
aan het begin van het ongeval, plaatsvinden.
De vertraging en versnelling van de auto en
de krachtrichting worden hoofdzakelijk
bepaald door:
Rde verdeling van de krachten tijdens het
ongeval
Rde botsingshoek
Rde deformatie-eigenschappen van de auto
Rde toestand van het voorwerp waar de auto
tegenaan botst.
Factoren die pas na de aanrijding of achteraf
zichtbaar of meetbaar zijn, hebben geen
invloed op het activeren van de airbag. Ze
geven daarvoor ook geen indicatie.
De auto kan behoorlijk worden vervormd zon-
der dat een airbag wordt geactiveerd. Dit is
het geval als alleen relatief gemakkelijk ver-
vormbare delen worden geraakt en niet de
noodzakelijke vertraging wordt gehaald.
Omgekeerd kan een airbag worden geacti-
veerd, hoewel de auto slechts gering ver-
vormd is. Dit is het geval als bijvoorbeeld zeer
stijve delen, zoals langsdragers, geraakt zijn
en de vertraging daardoor hoog genoeg is.
Als de regeleenheid veiligheidssysteem een
aanrijding van opzij of het over de kop slaan
registreert, worden afhankelijk van de ver-
wachte aard van het ongeval de betreffende
onderdelen van het veiligheidssysteem onaf-
hankelijk van elkaar geactiveerd. Als in deze
situatie preventief wordt vastgesteld dat
extra beschermingspotentieel voor de inzit-
tenden nodig is, worden ook de gordelspan-
ners geactiveerd.
RSidebags aan de zijde van het ongeval,
onafhankelijk van de gordelspanner en het
gebruik van de veiligheidsgordel
Auto's met automatische kinderzitjeher-
kenning in de passagiersstoel: De sidebag
aan passagierszijde voor wordt onder de
volgende voorwaarden geactiveerd:
-de passagiersstoel is als bezet herkend,
of
-op de passagiersstoel is de gordelslot-
tong in het gordelslot vergrendeld.
RWindowbag aan de zijde van het ongeval,
onafhankelijk van het gebruik van de vei-
ligheidsgordel en onafhankelijk ervan of de
passagiersstoel bezet is
RWindowbags aan bestuurders- en passa-
gierszijde in bepaalde gevallen bij het over
de kop slaan, als preventief wordt vastge-
steld dat naast de veiligheidsgordel extra
beschermingspotentieel voor de inzitten-
den nodig is
iNiet alle airbags worden bij een ongeval
geactiveerd. De verschillende airbagsyste-
men werken onafhankelijk van elkaar.
De werking van de airbagsystemen is
afhankelijk van de bepaalde ernst van het
ongeval, in het bijzonder de vertraging of
versnelling van de auto en de verwachte
aard van het ongeval:
Rfrontale aanrijding
Raanrijding van opzij
Rover de kop slaan.
PRE-SAFE®(preventieve inzittenden-
bescherming)
Inleiding
De PRE-SAFE®neemt in bepaalde gevaarlijke
situaties preventieve maatregelen ter
bescherming van de inzittenden.
Belangrijke veiligheidsvoorschriften
!Tijdens het terugzetten van de stoelen
mogen zich geen voorwerpen in de been-
ruimte, onder of achter de stoelen bevin-
den; dit controleren. Het gevaar is aanwe-
PRE-SAFE®(preventieve inzittendenbescherming) 59
Veiligheid
Z
zig dat de stoelen en/of de voorwerpen
worden beschadigd.
Hoewel uw auto met een PRE-SAFE®-systeem
is uitgerust, is de kans op verwondingen bij
een ongeval niet uit te sluiten. Uw rijstijl altijd
aan de weg- en weersomstandigheden aan-
passen en voldoende veilige afstand houden.
Oplettend rijden.
Functie
De PRE-SAFE®grijpt in:
Rbij een noodstop, bijvoorbeeld als de BAS
wordt geactiveerd
RAls de auto bij rijdynamisch kritische situ-
aties door het overschrijden van natuur-
kundige grenzen sterk onder- of overstuur
vertoont
RBij auto's met rijassistentiepakket: Als een
bestuurdersassistentiesysteem sterk
ingrijpt of de radarsensoren in bepaalde
situaties een direct aanrijdingsgevaar her-
kent.
De PRE-SAFE®leidt afhankelijk van de her-
kende gevaarlijke situatie de volgende maat-
regelen in:
RDe voorste veiligheidsgordels worden voor-
gespannen.
RAls de auto slingert, worden het panorama-
schuifdak volledig en de zijruiten bijna hele-
maal gesloten.
REr wordt een gunstiger stand van de pas-
sagiersstoel ingesteld als deze een ongun-
stige stand heeft.
RBij auto's met elektrisch bediende achter-
stoelen: Er wordt een gunstigere stand van
de buitenste achterstoelen ingesteld als
deze een ongunstige stand hebben.
RBij auto's met multicontourstoel: De lucht-
druk in de stoelwangen van de rugleuning
wordt verhoogd.
RBij auto's met gordelslotbrenger: De veilig-
heidsgordels van de buitenste achterzit-
plaatsen worden voorgespannen.
Als de gevaarlijke situatie voorbij is, zonder
dat er een ongeluk is gebeurd, geeft de PRE-
SAFE®de gordelvoorspanning vrij. Bij auto's
met multicontourstoelen wordt de luchtdruk
in de stoelwangen weer verlaagd. Alle door de
PRE-SAFE®uitgevoerde instellingen kunnen
nu weer ongedaan worden gemaakt.
Als de gordelvoorspanning niet afneemt:
XWanneer de auto stilstaat de rugleuning of
de stoel iets naar achteren zetten.
De gordelvoorspanning wordt verminderd
en de vergrendeling komt vrij.
De gordelaanpassing is een in PRE-SAFE®
geïntegreerde comfortfunctie. Informatie
over de comfortfunctie vindt u onder "Gor-
delaanpassing" (Ypagina 53).
PRE-SAFE®PLUS (preventieve inzit-
tendenbescherming PLUS)
Algemene informatie
PRE-SAFE®PLUS is alleen beschikbaar in
auto's met rijassistentiepakket.
PRE-SAFE®PLUS kan met behulp van radar-
sensoren een dreigende frontale aanrijding of
aanrijding van achteren herkennen. De PRE-
SAFE®PLUS neemt in bepaalde gevaarlijke
situaties preventieve maatregelen ter
bescherming van de inzittenden.
Belangrijke veiligheidsvoorschriften
Door het ingrijpen van PRE-SAFE®PLUS kan
een dreigend ongeval niet voorkomen wor-
den.
Als PRE-SAFE®PLUS ingrijpt, wordt de
bestuurder niet gewaarschuwd.
PRE-SAFE®PLUS grijpt niet in:
Rbij achteruitrijden
Rbij het rijden met een aanhangwagen en
dreigende aanrijding van achteren.
60 PRE-SAFE®PLUS (preventieve inzittendenbescherming PLUS)
Veiligheid
Tijdens het rijden of bij actieve parkeerbege-
leiding vindt geen remingreep door PRE-
SAFE®PLUS plaats.
Functie
Als de radarsensoren in bepaalde situaties
een dreigende frontale aanrijding of aanrij-
ding van achteren herkennen, grijpt PRE-
SAFE®PLUS in.
De PRE-SAFE®PLUS leidt afhankelijk van de
herkende gevaarlijke situatie de volgende
maatregelen in:
RAls de radarsensoren een dreigende fron-
tale aanrijding herkennen, worden de vei-
ligheidsgordels voorgespannen.
RAls de radarsensoren een dreigende aan-
rijding van achteren herkennen:
-De alarmknipperlichten achter wordt
met een verhoogde frequentie ingescha-
keld.
-Bij een remwens van de bestuurder bij
stilstand van de auto wordt de remdruk
verhoogd.
-De veiligheidsgordels worden voorge-
spannen.
De remingreep door PRE-SAFE®PLUS wordt
in de volgende gevallen afgebroken:
RAls het gaspedaal bij ingeschakelde ver-
snelling wordt ingedrukt
RAls het gevaar van een ongeval voorbij is of
niet meer wordt herkend
RAls het DISTRONIC PLUS weg wil rijden.
Als de gevaarlijke situatie voorbij is, zonder
dat er een ongeluk is gebeurd, worden de
oorspronkelijke instellingen weer ingesteld.
Automatische maatregelen na een
ongeval
Direct na een ongeval kunnen, afhankelijk van
de soort en de ernst van het ongeval, de vol-
gende maatregelen worden gestart:
RInschakelen van de alarmknipperlichten
RInschakelen van de noodverlichting
ROntgrendeling van de portieren
ROmlaagbrengen van de voorste zijruiten
ROmhoogbrengen van de elektrisch instel-
bare stuurkolom
RAfzetten van de motor
RAuto's met gordelslotbrenger: Verlich-
ten en uitschuiven van de gordelsloten aan
de buitenste achterzitplaatsen
RAuto's met Mercedes-Benz noodop-
roepsysteem: Automatische noodoproep
RAuto's met HYBRID technologie: Uit-
schakelen van het hybridesysteem
Kinderen in de auto
Belangrijke veiligheidsvoorschriften
Uit de ongevallenstatistiek blijkt, dat op de
achterzitplaatsen beveiligde kinderen veiliger
zijn dan op de voorstoel beveiligde kinderen.
Daarom adviseert Mercedes-Benz dringend
het kinderzitje bij voorkeur op een achterzit-
plaats te monteren. Daar is het kind in de
regel beter beschermd.
Als een kind jonger dan 12 jaar en kleiner dan
1,50 m in de auto wordt meegenomen:
Rdeze altijd beveiligen in een voor
Mercedes-Benz-auto's geschikt kinder-
zitje. Het kinderzitje moet geschikt zijn
voor de leeftijd, het gewicht en de lengte
Rbeslist de aanwijzingen en veiligheidsvoor-
schriften in dit hoofdstuk en de montage-
handleiding van de fabrikant van het kin-
derzitje in acht nemen.
Kinderen in de auto 61
Veiligheid
Z
GWAARSCHUWING
Als kinderen zonder toezicht in de auto wor-
den achtergelaten, kunnen ze de auto in
beweging zetten door bijvoorbeeld:
Rde parkeerrem vrij te zetten
Rde automatische transmissie uit parkeer-
stand Pte schakelen
Rde motor te starten.
Tevens kunnen ze de uitrusting van de auto
bedienen en bekneld raken. Er bestaat gevaar
voor letsel en ongevallen!
Bij het verlaten van de auto altijd de sleutel
meenemen en de auto vergrendelen. Kinde-
ren nooit zonder toezicht in de auto achterla-
ten.
GWaarschuwing
Als personen in het bijzonder kinderen
langdurig aan hoge of lage temperaturen wor-
den blootgesteld, bestaat gevaar voor letsel
of zelfs levensgevaar! Personen in het bij-
zonder kinderen nooit zonder toezicht in het
voertuig achterlaten.
GWaarschuwing
Als het kinderzitje aan directe zonnestraling
wordt blootgesteld, kunnen onderdelen hier-
van zeer heet worden. Kinderen kunnen zich
aan deze onderdelen branden, in het bijzon-
der aan metalen onderdelen van het kinder-
zitje. Gevaar voor letsel!
Als het voertuig met het kind wordt verlaten,
altijd erop letten dat het kinderzitje niet aan
directe zonnestraling wordt blootgesteld. Het
kinderzitje bijvoorbeeld met een deken afdek-
ken. Als het kinderzitje aan directe zonnestra-
ling is blootgesteld, dit laten afkoelen voordat
het kind erin wordt gezet. Kinderen nooit zon-
der toezicht in het voertuig achterlaten.
Altijd ervoor zorgen dat alle inzittenden de
veiligheidsgordel correct dragen en een juiste
zithouding hebben. In het bijzonder bij kinde-
ren moet u daarop letten.
De veiligheidsvoorschriften m.b.t. de veilig-
heidsgordel (Ypagina 49) en de aanwijzingen
m.b.t. het correct gebruik van de veiligheids-
gordel (Ypagina 51) in acht nemen.
Kinderzitje
Beslist de gebruiksmogelijkheden van het
kinderzitje in acht nemen (Ypagina 71).
Mercedes-Benz adviseert om veiligheidsrede-
nen alleen een door Mercedes-Benz geadvi-
seerd kinderzitje te gebruiken
(Ypagina 74).
GWaarschuwing
Als het kinderzitje verkeerd op de hiervoor
geschikte zitplaats wordt gemonteerd, kan
het niet zoals bedoeld beschermen. Het kind
kan dan bij een ongeval, remmanoeuvres of
abrupte richtingswijzigingen niet worden
tegengehouden. Er bestaat een verhoogd
gevaar voor letsel of zelfs levensgevaar!
Beslist de montagehandleiding van de fabri-
kant van het kinderzitje en de gebruiksmoge-
lijkheden in acht nemen. Het gehele draag-
vlak van het kinderzitje moet altijd op de zit-
ting van de stoel rusten. Nooit voorwerpen,
zoals een kussen, onder of achter het kinder-
zitje leggen. Gebruik kinderzitjes alleen met
de aanwezige originele hoezen. Beschadigde
hoezen uitsluitend vervangen door originele
hoezen.
GWAARSCHUWING
Als het kinderzitje verkeerd of niet vastgezet
is, kan het bij een ongeval, een remma-
noeuvre of een plotselinge richtingswijziging
loskomen. Het kinderzitje kan rondslingeren
en inzittenden raken. Er bestaat een verhoogd
gevaar voor letsel of zelfs levensgevaar!
Ook niet-gebruikte kinderzitjes altijd correct
monteren. Beslist de montagevoorschriften
van de kinderzitjefabrikant opvolgen.
Meer informatie over het veilig opbergen van
voorwerpen, bagage of lading vindt u onder
"Richtlijnen m.b.t. belading" (Ypagina 382).
62 Kinderen in de auto
Veiligheid
GWaarschuwing
Beschadigde of bij een ongeval belaste kin-
derzitjes of de bevestigingssystemen hiervan
kunnen niet meer zoals bedoeld beschermen.
Het kind kan dan bij een ongeval, remma-
noeuvres of abrupte richtingswijzigingen niet
worden tegengehouden. Er bestaat een ver-
hoogd gevaar voor letsel of zelfs levensge-
vaar!
Beschadigde of bij een ongeval belaste kin-
derzitjes direct vervangen. De bevestigings-
systemen van de kinderzitjes bij een gekwa-
lificeerde werkplaats laten controleren, voor-
dat weer een kinderzitje wordt gemonteerd.
Als door omstandigheden een kind op de pas-
sagiersstoel moet plaatsnemen, beslist de
aanwijzingen bij "Kinderzitje op de passa-
giersstoel" in acht nemen (Ypagina 67).
Daar vindt u ook informatie over het uitscha-
kelen van de passagiersairbag.
De waarschuwingsstickers in het interieur
van de auto en op het kinderzitje in acht
nemen.
Auto's met gordelslotbrenger: Als een kind
op een achterstoel in een kinderzitje wordt
beveiligd, de volgende aanwijzingen in acht
nemen:
RErop letten dat de veiligheidsgordel, zoals
beschreven in de montagehandleiding van
de fabrikant van het kinderzitje, op het kin-
derzitje is aangebracht.
RBij een kinderzitje met gordelklem: Eerst de
gordelslottong in het gordelslot steken
voordat de veiligheidsgordel met de gor-
delklem wordt vastgezet.
Voertuigen met ruststoel: Bij het inbouwen
van een kinderzitje de rugleuning van de rust-
stoel in een vrijwel rechte positie zetten. De
rugleuning van de ruststoel moet tegen het
kinderzitje aan liggen. De aanwijzingen m.b.t.
de cushionbag in acht nemen (Ypagina 57).
Auto's met beltbags: Alleen een door
Mercedes-Benz goedgekeurd kinderzitje
gebruiken. Altijd de aanwijzingen onder
"Geadviseerde kinderzitjes" (Ypagina 74)
in acht nemen.
iVoor het reinigen van de door Mercedes-
Benz geadviseerde kinderzitjes bij voor-
keur Mercedes-Benz-verzorgingsmiddelen
gebruiken. Informatie is verkrijgbaar bij
elke Mercedes-Benz-servicewerkplaats.
ISOFIX-kinderzitjebevestigingen
GWAARSCHUWING
ISOFIX-kinderzitjes bieden onvoldoende
bescherming voor kinderen met een gewicht
van meer dan 22 kg, die met de geïntegreerde
veiligheidsgordel van het kinderzitje zijn
beveiligd. Het kind kan anders bijvoorbeeld bij
een ongeval niet worden tegengehouden. Er
bestaat een verhoogd gevaar voor letsel of
zelfs levensgevaar!
Als het kind meer dan 22 kg weegt, alleen
ISOFIX-kinderzitjes gebruiken waarbij het
kind met de veiligheidsgordel van de zitplaats
wordt beveiligd. Het ISOFIX-kinderzitje
tevens, voor zover aanwezig, met de Top
Tether-gordel vastzetten.
Beslist de gebruiksmogelijkheden van het
kinderzitje (Ypagina 71) en de montage- en
gebruikshandleiding van de fabrikant van het
gebruikte kinderzitje in acht nemen.
Voor iedere rit beslist controleren, dat het
ISOFIX-kinderzitje correct in beide ISOFIX-
bevestigingsbeugels vergrendeld is.
!Bij het inbouwen van het kinderzitje erop
letten dat de veiligheidsgordel van de mid-
delste zitplaats niet wordt ingeklemd.
Anders kan de veiligheidsgordel worden
beschadigd.
Kinderen in de auto 63
Veiligheid
Z
De ISOFIX-bevestigingsbeugels ;van de
achterzitplaatsen zijn door een afdekking :
met klittenbandsluiting afgedekt.
XVoertuigen met ruststoel: De rugleuning
van de ruststoel iets vlakker zetten, voordat
het ISOFIX kinderzitje wordt bevestigd.
XAfdekking :verwijderen.
XHet ISOFIX-kinderzitje aan beide ISOFIX-
bevestigingsbeugels ;bevestigen.
XVoertuigen met ruststoel: De rugleuning
van de ruststoel weer in een steilere stand
zetten. De rugleuning van de ruststoel moet
tegen het kinderzitje aan liggen.
GWAARSCHUWING
Auto's met elektrisch instelbare achterstoe-
len
Als de stoel versteld wordt, nadat aan kinder-
zitje gemonteerd is, kan:
Rde veiligheidsgordel te los of te strak
komen te staan
Rhet kinderzitje loskomen, verkeerd
geplaatst of beschadigd worden.
Daardoor kan het kinderzitje niet meer zoals
bedoeld beschermen. Er bestaat een ver-
hoogd gevaar voor letsel of zelfs levensge-
vaar!
Nooit de stoel verstellen, nadat het kinderzitje
gemonteerd is.
ISOFIX is een genormeerd bevestigingssys-
teem voor speciale kinderzitjes op de achter-
zitplaatsen. De ISOFIX-bevestigingsbeu-
gels ;voor twee ISOFIX-kinderzitjes zijn
links en rechts aan de achterzitplaatsen
gemonteerd.
Auto's met armsteun achterin: De arm-
steun achterin zo instellen, dat de ISOFIX-
bevestigingsbeugels ;voor het ISOFIX–kin-
derzitje bereikbaar zijn.
Kinderzitjes zonder ISOFIX- kinderzitjebeves-
tiging met de veiligheidsgordel in de auto
bevestigen. Daarbij beslist de gebruiksmoge-
lijkheden van het kinderzitje (Ypagina 71)
en de montage- en gebruikshandleiding van
de fabrikant van het gebruikte kinderzitje in
acht nemen.
Top Tether
Inleiding
Top Tether biedt de mogelijkheid voor een
extra verbinding tussen het met ISOFIX
bevestigde kinderzitje en de auto. Daardoor
kan het gevaar voor letsel verder worden ver-
minderd. Als het kinderzitje een Top Tether-
gordel heeft, moet deze altijd worden
gebruikt.
Belangrijke veiligheidsvoorschriften
GWAARSCHUWING
Wanneer de rugleuningen van de achterzit-
plaatsen niet vergrendeld zijn, kunnen deze
bij een ongeval, remmanoeuvre of abrupte
verandering van richting naar voren klappen.
Daardoor kunnen kinderzitjes niet meer zoals
bedoeld beschermen. Niet vergrendelde rug-
leuningen van de achterzitplaatsen kunnen
bovendien extra verwondingen veroorzaken,
bijvoorbeeld bij een ongeval. Er bestaat een
verhoogd gevaar voor letsel of zelfs levensge-
vaar!
De rugleuningen van de achterzitplaatsen na
montage van de Top Tether-gordels altijd ver-
grendelen. Beslist op de vergrendelingsindi-
cator letten. De rugleuningen van de achter-
zitplaatsen rechtop zetten.
64 Kinderen in de auto
Veiligheid
GWAARSCHUWING
Auto's met elektrisch instelbare achterstoe-
len
Als de stoel versteld wordt, nadat aan kinder-
zitje gemonteerd is, kan:
Rde veiligheidsgordel te los of te strak
komen te staan
Rhet kinderzitje loskomen, verkeerd
geplaatst of beschadigd worden.
Daardoor kan het kinderzitje niet meer zoals
bedoeld beschermen. Er bestaat een ver-
hoogd gevaar voor letsel of zelfs levensge-
vaar!
Nooit de stoel verstellen, nadat het kinderzitje
gemonteerd is.
Als de rugleuning achterin niet vergrendeld is,
wordt dit op het multifunctioneel display in
het instrumentenpaneel weergegeven.
Bovendien klinkt een waarschuwingssignaal.
Top Tether-verankeringen
De Top Tether-verankeringen zijn achterin
achter de buitenste hoofdsteunen op de hoe-
denplank aangebracht.
Alleen voor bepaalde landen: Bovendien is
er nog een extra Top Tether-verankering ach-
ter de middelste hoofdsteun.
XDe hoofdsteun omhoogschuiven.
XAfdekking :van de Top Tether-veranke-
ring omhoogklappen.
XHet ISOFIX-kinderzitje met Top Tether
monteren. Daarbij altijd de montagehand-
leiding van de fabrikant van het kinderzitje
in acht nemen.
XTop Tether-gordel ?onder de hoofdsteun
tussen de beide hoofdsteunstangen door-
voeren.
XTop Tether-haak =van Top Tether-gor-
del ?in Top Tether-verankering ;beves-
tigen.
Erop letten dat Top Tether-gordel ?niet
verdraaid is.
XTop Tether-gordel ?spannen. Daarbij
altijd de montagehandleiding van de fabri-
kant van het kinderzitje in acht nemen.
XAfdekking :van de Top Tether-veranke-
ring omlaagklappen.
XZo nodig de hoofdsteun weer iets omlaag-
schuiven (Ypagina 135). Erop letten dat
Top Tether-gordel ?niet in het verloop
wordt gehinderd.
Automatische kinderzitjeherkenning
in de passagiersstoel
Het sensorsysteem van de automatische kin-
derzitjeherkenning in de passagiersstoel her-
kent automatisch of er een speciaal
Mercedes-Benz-kinderzitje met transponders
voor de automatische kinderzitjeherkenning
is gemonteerd. In dit geval gaat het controle-
Kinderen in de auto 65
Veiligheid
Z
lampje PASSENGER AIR BAG ON bij het
inschakelen van het contact kort branden.
Het controlelampje PASSENGER AIR BAG
OFF brandt continu. De passagiersairbag is
uitgeschakeld.
iAls de passagiersairbag door de automa-
tische kinderzitjeherkenning is uitgescha-
keld, blijven aan passagierszijde actief:
Rde sidebag
Rde windowbag
Rde gordelspanner.
GWAARSCHUWING
Als een kind in een kinderzitje op de passa-
giersstoel wordt beveiligd en het en is
gedoofd, kan de passagiersairbag bij een
ongeval worden geactiveerd. Het kind kan
door de airbag worden geraakt. Er bestaat een
verhoogd gevaar voor letsel of zelfs levensge-
vaar!
In dit geval altijd waarborgen, dat de passa-
giersairbag uitgeschakeld is. Het controle-
lampje PASSENGER AIR BAG OFF moet bran-
den.
GWAARSCHUWING
Als het controlelampje PASSENGER AIR BAG
OFF brandt, is de passagiersairbag uitgescha-
keld. Hij wordt bij een ongeval niet geacti-
veerd en kan niet meer zoals bedoeld
beschermen. Een persoon op de passagiers-
stoel kan dan bijvoorbeeld met onderdelen
van het interieur in contact komen, in het bij-
zonder als deze dicht op het dashboard zit. Er
bestaat een verhoogd gevaar voor letsel of
zelfs levensgevaar!
In dit geval mag geen persoon de passagiers-
stoel gebruiken. Uitsluitend een geschikt naar
achteren of naar voren gericht kinderzitje mag
op de passagiersstoel worden gemonteerd.
Daarbij altijd de informatie in deze handlei-
ding over de correcte plaatsing van het kin-
derzitje in acht nemen, evenals de montage-
handleiding van de fabrikant van het kinder-
zitje.
GWAARSCHUWING
Als een kind in een naar voren gericht kinder-
zitje op de passagiersstoel wordt beveiligd en
de passagiersstoel te dicht bij het dashboard
wordt geplaatst, kan het kind bij een ongeval:
Rbijvoorbeeld met onderdelen van het inte-
rieur in contact komen, als het controle-
lampje PASSENGER AIR BAG OFF brandt
Rdoor de airbag wordt geraakt, als het con-
trolelampje PASSENGER AIR BAG OFF
gedoofd is.
Er bestaat een verhoogd gevaar voor letsel of
zelfs levensgevaar!
De passagiersstoel altijd zo ver mogelijk naar
achteren schuiven. Daarbij altijd de correcte
ligging van de schoudergordel vanaf de gor-
delgeleiding van de auto naar de schouder-
gordelgeleiding van het kinderzitje in acht
nemen. De schoudergordelband moet vanuit
de gordelgeleiding naar voren en omlaag ver-
lopen. Naar behoefte de gordelgeleiding en de
passagiersstoel overeenkomstig instellen.
Ook altijd de informatie in deze handleiding
over de correcte plaatsing van het kinderzitje
in acht nemen, evenals de montagehandlei-
ding van de fabrikant van het kinderzitje.
iControleer of uw auto met de automati-
sche kinderzitjeherkenning in de passa-
giersstoel is uitgerust (Ypagina 67). Als
dat niet het geval is, een kinderzitje altijd
op een geschikte achterzitplaats monteren
(Ypagina 71).
66 Kinderen in de auto
Veiligheid
:Controlelampje PASSENGER AIR BAG
OFF
;Controlelampje PASSENGER AIR BAG ON
Aan de hand van het controlelampje PASSEN-
GER AIR BAG OFF :is te zien of de passa-
giersairbag is uitgeschakeld.
XDe start-stop-toets een- of tweemaal
indrukken of de sleutel in het contactslot in
stand 1of 2draaien.
Het systeem voert een zelftest uit.
Het controlelampje PASSENGER AIR BAG
OFF moet gedurende circa zes seconden
gaan branden.
Als het controlelampje PASSENGER AIR
BAG OFF na de systeemzelftest:
Rbrandt, is de passagiersairbag uitgescha-
keld. Hij wordt bij een ongeval niet geacti-
veerd.
Rniet brandt, is door het sensorsysteem
geen kinderzitje met transponder voor de
automatische kinderzitjeherkenning her-
kend. Als bij een ongeval wordt voldaan aan
de activeringscriteria, wordt de passagiers-
airbag geactiveerd.
GWAARSCHUWING
Elektronische apparatuur op de passagiers-
stoel kan de werking van de automatische
kinderzitjeherkenning storen, bijvoorbeeld:
Rnotebook
Rmobiele telefoon
Rtransponderkaart zoals skipas of toegangs-
pas.
De passagiersairbag zou bij een ongeval
onbedoeld kunnen worden opgeblazen of
helemaal niet werken. Er bestaat een ver-
hoogd gevaar voor letsel of zelfs levensge-
vaar!
Geen van de genoemde of soortgelijke appa-
raten op de passagiersstoel leggen. Voor en
ook tijdens het rijden de werking van de pas-
sagiersairbag niet in gevaar brengen.
Kinderzitje op passagiersstoel
Algemene aanwijzingen
Uit de ongevallenstatistiek blijkt, dat op de
achterzitplaatsen beveiligde kinderen veiliger
zijn dan op de voorstoel beveiligde kinderen.
Daarom adviseert Mercedes-Benz dringend
het kinderzitje bij voorkeur op een achterzit-
plaats te monteren.
Auto's met automatische kinderzitjeherken-
ning in de passagiersstoel: Als door omstan-
digheden een kind in een kinderzitje op de
passagiersstoel moet worden beveiligd, ook
altijd de aanwijzingen bij "Automatische kin-
derzitjeherkenning in de passagiersstoel"
(Ypagina 65) in acht nemen.
Zo kunnen risico's worden vermeden, die
kunnen ontstaan door:
Reen niet door het sensorsysteem van de
automatische kinderzitjeherkenning her-
kend kinderzitje
Rde onbedoeld uitgeschakelde passagiers-
airbag
Reen ongunstige plaatsing van het kinder-
zitje, bijvoorbeeld te dicht op het dash-
board.
Kinderen in de auto 67
Veiligheid
Z
De waarschuwingssticker op de zonneklep
aan passagierszijde in acht nemen, zie de
afbeelding.
GWAARSCHUWING
Als een kind in een kinderzitje op de passa-
giersstoel wordt beveiligd en het en is
gedoofd, kan de passagiersairbag bij een
ongeval worden geactiveerd. Het kind kan
door de airbag worden geraakt. Er bestaat een
verhoogd gevaar voor letsel of zelfs levensge-
vaar!
In dit geval altijd waarborgen, dat de passa-
giersairbag uitgeschakeld is. Het controle-
lampje PASSENGER AIR BAG OFF moet bran-
den.
Gebruik NOOIT een naar achteren gericht kin-
derbeveiligingssysteem op een stoel die door
een frontale ACTIEVE AIRBAG wordt bevei-
ligd, want dat kan voor het KIND DODELIJKE
of ERNSTIGE VERWONDINGEN tot gevolg
hebben.
Auto's zonder automatische kinderzit-
jeherkenning in de passagiersstoel
Als uw auto geen automatische kinderzitje-
herkenning in de passagiersstoel heeft, kunt
u dit zien aan de speciale sticker. De sticker
bevindt zich aan de passagierszijde aan de
zijkant van het dashboard. Deze is zichtbaar
als het passagiersportier geopend wordt.
Als de sleutel in het contactslot in stand 2
wordt gedraaid, gaat het controlelampje PAS-
SENGER AIR BAG OFF kort branden. Dit heeft
echter geen functie en is geen aanwijzing
voor de automatische kinderzitjeherkenning
in de passagiersstoel.
Een naar achteren gericht kinderzitje in dit
geval altijd op een geschikte achterzitplaats
monteren (Ypagina 71).
De volgende informatie onder "Naar achteren
gericht kinderzitje" en "Naar voren gericht
kinderzitje" evenals over de correcte plaat-
sing van het kinderzitje (Ypagina 71) in
acht nemen.
Naar achteren gericht kinderzitje
Waarschuwingssymbool voor een naar achteren
gericht kinderzitje
Als door omstandigheden een kind in een
naar achteren gericht kinderzitje op de pas-
sagiersstoel wordt beveiligd, moet te allen
tijde gewaarborgd zijn dat de passagiersair-
bag is uitgeschakeld. Alleen als het controle-
lampje PASSENGER AIR BAG OFF continu
brandt (Ypagina 48), is de passagiersairbag
uitgeschakeld.
Altijd de informatie over de correcte plaatsing
van het kinderzitje (Ypagina 71) in acht
nemen, evenals de montage- en gebruiks-
68 Kinderen in de auto
Veiligheid
handleiding van de fabrikant van het kinder-
zitje.
Naar voren gericht kinderzitje
Als door omstandigheden een kind in een
naar voren gericht kinderzitje op de passa-
giersstoel wordt beveiligd, de passagiersstoel
altijd zo ver mogelijk naar achteren zetten.
Daarbij altijd de correcte ligging van de
schoudergordel vanaf de gordelgeleiding van
de auto naar de schoudergordelgeleiding van
het kinderzitje in acht nemen. De schouder-
gordelband moet vanuit de gordelgeleiding
naar voren en omlaag verlopen. Naar
behoefte de gordelgeleiding en de passa-
giersstoel overeenkomstig instellen.
Altijd de informatie over de correcte plaatsing
van het kinderzitje (Ypagina 71) in acht
nemen, evenals de montage- en gebruiks-
handleiding van de fabrikant van het kinder-
zitje.
Kinderen in de auto 69
Veiligheid
Z
Problemen met de automatische kinderzitjeherkenning
Probleem Mogelijke oorzaak en/of gevolg en MMoplossingen
Het controlelampje
PASSENGER AIR BAG
OFF in de middencon-
sole brandt.
Op de passagiersstoel is een speciaal Mercedes-Benz-kinderzitje
met transponders voor de automatische kinderzitjeherkenning
gemonteerd. De passagiersairbag is daarom zoals gewenst uitge-
schakeld.
Op de passagiersstoel is geen kinderzitje gemonteerd. De auto-
matische kinderzitjeherkenning vertoont een storing, bijvoorbeeld
door elektronische apparatuur op de passagiersstoel.
XElektronische apparatuur van de passagiersstoel verwijderen,
zoals:.
Rnotebook
Rmobiele telefoon
Rkaart met transponder, zoals skipas of toegangspas.
Als het controlelampje PASSENGER AIR BAG OFF nog steeds
brandt, mag geen persoon de passagiersstoel gebruiken.
XNaar een gekwalificeerde werkplaats gaan.
Als het contact wordt
ingeschakeld, gaat het
waarschuwingslampje
veiligheidssysteem
6branden en/of:
Rhet controlelampje
PASSENGER AIR
BAG OFF gaat niet
kort branden, of
Rhet controlelampje
PASSENGER AIR
BAG ON gaat niet
kort branden, of
Rhet controlelampje
PASSENGER AIR
BAG ON gaat bran-
den en dooft niet na
60 seconden.
GWAARSCHUWING
De automatische kinderzitjeherkenning vertoont een storing.
Geen kinderzitje op de passagiersstoel aanbrengen.
In dit geval het kinderzitje op een geschikte achterzitplaats aan-
brengen.
XNaar een gekwalificeerde werkplaats gaan.
XOok de aanwijzingen m.b.t. het waarschuwingslampje veilig-
heidssysteem in acht nemen (Ypagina 374).
70 Kinderen in de auto
Veiligheid
Geschikte plaatsing van kinderzitjes
Inleiding
In de auto mogen alleen goedgekeurde kin-
derzitjes volgens ECE-norm ECE-R44 worden
gebruikt.
Kinderzitje op de passagiersstoel als
door omstandigheden een kind in een kinder-
zitje op de passagiersstoel moet worden
beveiligd:
XAltijd de aanwijzingen onder "Kinderzitje op
de passagiersstoel" in acht nemen
(Ypagina 67).
Daar vindt u ook aanwijzingen m.b.t. de
correcte ligging van de schoudergordel-
band van de auto naar de schoudergordel-
geleiding van het kinderzitje (Ypagina 69).
XDe passagiersstoel zo ver mogelijk naar
achteren schuiven.
Als een kind in een naar voren gericht kin-
derzitje op de passagiersstoel wordt bevei-
ligd, de passagiersstoel tevens in de laag-
ste stand zetten.
XDe rugleuning in een vrijwel rechte stand
zetten.
De onderzijde en de achterzijde van een
naar voren gericht kinderzitje moeten
geheel op de zitting en tegen de rugleuning
van de passagiersstoel aan liggen. Daarbij
mag het kinderzitje niet het dak raken of
door de hoofdsteun worden belast. Daar-
toe de rugleuninghoek en de instelling van
de hoofdsteun overeenkomstig aanpassen.
Ook de montagehandleiding van de fabri-
kant van het kinderzitje in acht nemen.
XDe zittinghoek in de bovenste, steilste
stand zetten.
Bij bepaalde kinderzitjes van gewichtsgroep
II of III kan het gebeuren dat het gebruiksbe-
reik beperkt is. Door mogelijk contact met het
dak kan het gebeuren, dat het kinderzitje niet
op de maximumgrootte kan worden inge-
steld.
Kinderzitjes uit de categorie "Universal" zijn
herkenbaar aan het oranje goedkeuringslabel
en de tekst "Universal".
Goedkeuringslabel kinderzitje (voorbeeld)
Kinderzitjes uit de categorie "Universal" kun-
nen aan de hand van de tabellen "Geschikt-
heid van zitplaatsen voor de bevestiging van
kinderzitjes die met autogordels worden vast-
gezet" of "Geschiktheid van zitplaatsen voor
bevestiging van een ISOFIX–kinderzitje" wor-
den gebruikt op de met U, UF of IUF aange-
geven zitplaatsen.
Semi-universele kinderzitjes zijn herkenbaar
aan het goedkeuringslabel met de tekst
"semi-universal". Als de auto en de zitplaats
in de autotypelijst van de fabrikant van het
kinderzitje zijn aangegeven, mogen deze wor-
den gebruikt. Voor meer informatie kunt u
contact opnemen met de fabrikant van het
kinderzitje of zijn website raadplegen.
Geschiktheid van zitplaatsen voor de
bevestiging van kinderzitjes die met
autogordels worden vastgezet
Wanneer een babyschaal van groep 0 of 0+
of een naar achteren gericht kinderzitje van
groep I op een achterzitplaats wordt gebruikt,
moet de bestuurders- of passagiersstoel
zodanig worden ingesteld, dat de stoel de
babyschaal of het kinderzitje niet raakt.
Kinderen in de auto 71
Veiligheid
Z
Legenda bij de tabel:
XZitplaats die niet geschikt is voor kinde-
ren van deze gewichtsgroep.
UGeschikt voor veiligheidssysteem van de
categorie "Universal", die voor het
gebruik in deze gewichtsgroep toege-
staan zijn.
UF Geschikt voor naar voren gericht kinder-
zitje van de categorie "Universal" dat
geschikt is voor gebruik in deze
gewichtsgroep.
LGeschikt voor kinderzitje overeenkom-
stig advies, zie de tabel "Geadviseerde
kinderzitjes" (Ypagina 74). Geschikt
voor semi-universeel kinderzitje, als de
auto en de zitplaats in de autotypelijst
van de fabrikant van het kinderzitje zijn
vermeld.
(▲) Auto's met automatische kinderzitjeher-
kenning in de passagiersstoel: Er moet
een kinderzitje van de categorie "Univer-
sal" met transponders voor de automa-
tische kinderzitjeherkenning gemon-
teerd zijn. Het controlelampje PASSEN-
GER AIR BAG OFF moet branden.
(♦) Achterzitplaatsen met beltbag: Alleen
een door Mercedes-Benz goedgekeurd
kinderzitje gebruiken, dat met de ISOFIX-
kinderzitjebevestiging bevestigd wordt.
(●) Achterzitplaatsen met beltbag: Alleen
het goedgekeurde kinderzitje KIDFIX
gebruiken.
Passagiersstoel
Gewichts-
groepen
Passagiers-
airbag is
niet uitge-
schakeld
Passagiers-
airbag is
uitgescha-
keld
Groep 0:
tot 10 kg
X U, L ()
Groep 0+:
tot 13 kg
X U, L ()
Groep I: 9
tot 18 kg
UF, L U, L
Gewichts-
groepen
Passagiers-
airbag is
niet uitge-
schakeld
Passagiers-
airbag is
uitgescha-
keld
Groep II: 15
tot 25 kg
UF, L U, L
Groep III:
22 tot
36 kg
UF, L U, L
Achterzitplaatsen zonder beltbag
Gewichts-
groepen
Links,
rechts
Midden
Groep 0:
tot 10 kg
U U
Groep 0+:
tot 13 kg
U U
Groep I: 9
tot 18 kg
U U
Groep II: 15
tot 25 kg
U U
Groep III:
22 tot
36 kg
U U
Achterzitplaatsen met beltbag
Gewichtsgroepen Links, rechts
Groep 0: tot 10 kg L (♦)
Groep 0+: tot
13 kg
L (♦)
Groep I: 9 tot
18 kg
L (♦)
Groep II: 15 tot
25 kg
L (●)
Groep III: 22 tot
36 kg
L (●)
72 Kinderen in de auto
Veiligheid
Achterzitplaatsen met beltbag: Als een
kind op een van de buitenste achterzitplaat-
sen in een kinderzitje wordt beveiligd, altijd
de volgende aanwijzingen in acht nemen:
RAlleen door Mercedes-Benz goedgekeurde
kinderzitjes gebruiken. Altijd de aanwijzin-
gen onder "Geadviseerde kinderzitjes"
(Ypagina 74) in acht nemen.
REen naar achteren gericht kinderzitje met
de ISOFIX-kinderzitjebevestiging bevesti-
gen.
REen naar achteren gericht kinderzitje met
de ISOFIX-kinderzitjebevestiging en indien
aanwezig met de Top Tether-verankering
bevestigen.
Auto's met ruststoel: De onderzijde en de
achterzijde van een naar voren gericht kin-
derzitje moeten geheel op de zitting en tegen
de rugleuning aan liggen. Daarbij mag het
kinderzitje het dak niet raken. De rugleuning-
hoek overeenkomstig aanpassen. Ook de
montagehandleiding van de fabrikant van het
kinderzitje in acht nemen.
Geschiktheid van zitplaatsen voor
bevestiging van een ISOFIX–kinderzitje
Wanneer een babyschaal van groep 0 of 0+
of een naar achteren gericht kinderzitje van
groep I op een achterzitplaats wordt gebruikt,
moet de bestuurders- of passagiersstoel
zodanig worden ingesteld, dat de stoel de
babyschaal of het kinderzitje niet raakt.
Legenda bij de tabel:
XISOFIX-positie, die voor ISOFIX-kinder-
zitjes in deze gewichtsgroep en/of
grootteklasse niet geschikt is.
IUF Geschikt voor naar voren gericht ISOFIX-
kinderzitje van de categorie Universal
dat geschikt is voor gebruik in deze
gewichtsgroep.
IL Geschikt voor ISOFIX-kinderzitje over-
eenkomstig advies, zie de volgende
tabel "Geadviseerde kinderzitjes"
(Ypagina 74).
Advies voor een geschikt ISOFIX–kinder-
zitje is ook verkrijgbaar bij de fabrikant.
Hiertoe moet uw auto en de zitplaats in
de autotypelijst van de fabrikant van het
kinderzitje zijn aangegeven. Voor meer
informatie kunt u contact opnemen met
de fabrikant van het kinderzitje of zijn
website raadplegen.
(♦)Als een kinderzitje uit de grootteklasse
C (ISO/R3) wordt gebruikt, de voorstoel
in de bovenste stand plaatsen en de rug-
leuning rechtop zetten. Daarbij erop let-
ten dat de rugleuning van de voorstoel
niet tegen het kinderzitje aanligt.
Gewichtsgroep babydraagzak
Grootteklasse Systeem Achterbank
links en
rechts
F ISO/L1 X
G ISO/L2 X
Gewichtsgroep 0: tot 10 kg tot circa
6 maanden
Grootte-
klasse
Systeem Achterbank
links en
rechts
E ISO/R1 IL
Gewichtsgroep 0+: tot 13 kg tot circa
15 maanden
Grootte-
klasse
Systeem Achterbank
links en
rechts
E ISO/R1 IL
D ISO/R2 IL
C ISO/R3 IL (♦)
Kinderen in de auto 73
Veiligheid
Z
Gewichtsgroep I: 9 tot 18 kg circa
9 maanden tot 4 jaar
Grootte-
klasse
Systeem Achterbank
links en
rechts
D ISO/R2 IL
C ISO/R3 IL (♦)
B ISO/F2 IUF
B1 ISO/F2X IUF
A ISO/F3 IUF
Auto's met ruststoel: Altijd de aanwijzingen
onder "ISOFIX kinderzitjebevestiging" in acht
nemen (Ypagina 63). De rugleuning van de
ruststoel moet tegen het kinderzitje aan lig-
gen.
Het kinderzitje mag niet het dak raken of door
de hoofdsteun worden belast. Daartoe indien
mogelijk de rugleuninghoek en de instelling
van de hoofdsteun overeenkomstig aanpas-
sen. Ook de montagehandleiding van de fabri-
kant van het kinderzitje in acht nemen.
Geadviseerde ISOFIX-kinderzitjes
Algemene aanwijzingen
Ook altijd de aanwijzingen bij "Kinderzitjes op
de passagiersstoel" (Ypagina 67) en "Cor-
recte plaatsing van kinderzitjes"
(Ypagina 71) in acht nemen.
Informatie over geschikte kinderzitjes is ver-
krijgbaar bij elke Mercedes-Benz-service-
werkplaats.
Achterzitplaatsen met beltbag: Als een
kind op een van de buitenste achterzitplaat-
sen in een kinderzitje wordt beveiligd, altijd
de volgende aanwijzingen in acht nemen:
RAlleen door Mercedes-Benz goedgekeurde
kinderzitjes gebruiken.
-Gewichtsgroep 0, 0+ of I: Het kinderzitje
moet aan de ISOFIX-kinderzitjebevesti-
ging bevestigd zijn.
-Gewichtsgroep II/III: Alleen het goedge-
keurde kinderzitje KIDFIX gebruiken.
REen naar achteren gericht kinderzitje met
de ISOFIX-kinderzitjebevestiging bevesti-
gen.
REen naar achteren gericht kinderzitje met
de ISOFIX-kinderzitjebevestiging en indien
aanwezig met de Top Tether-verankering
bevestigen.
ROok altijd de aanwijzingen m.b.t. de
"Beltbags achterin" in acht nemen
(Ypagina 51).
Geadviseerde ISOFIX-kinderzitjes
Gewichtsgroep 0: tot 10 kg, tot circa
6 maanden
Fabrikant Britax Römer Britax Römer
Type BABY SAFE
PLUS
BABY SAFE
plus II
Goedkeu-
ringsnum-
mer (E1 ...)
03 301146
04 301146
04 301146
Bestelnum-
mer
(A 000 ...)
970 10 00
Kleurcode:
9H95
970 20 00
Kleurcode:
9H95
Automati-
sche kin-
derzitjeher-
kenning
Ja Ja
74 Kinderen in de auto
Veiligheid
Gewichtsgroep 0+: tot 13 kg, tot circa
15 maanden
Fabrikant Britax
Römer
Britax Römer
Type BABY
SAFE
PLUS
BABY SAFE plus
II
Goedkeu-
ringsnum-
mer
(E1 ...)
03
301146
04
301146
04 301146
Bestel-
nummer
(A 000 ...)
970 10 00
Kleur-
code:
9H95
970 20 00
Kleurcode: 9H95
Automa-
tische
kinderzit-
jeherken-
ning
Ja Ja
Gewichtsgroep I: 9 tot 18 kg, circa
9 maanden tot 4 jaar
Fabrikant Britax
Römer
Britax
Römer
Type DUO PLUS DUO PLUS
Goedkeu-
ringsnum-
mer (E1 ...)
03 301133
04 301133
03 301133
04 301133
Bestelnum-
mer
(A 000 ...)
970 11 00
Kleurcode:
9H95
970 16 00
Kleurcode:
9H95
Automati-
sche kinder-
zitjeherken-
ning
Ja Nee
Fabrikant Britax Römer
Type DUO PLUS
Goedkeurings-
nummer (E1 ...)
04 301133
Bestelnummer
(A 000 ...)
970 21 00
Kleurcode: 9H95
Automatische kin-
derzitjeherken-
ning
Ja
Gewichtsgroep II/III: 15 tot 36 kg, circa
4 tot 12 jaar
Fabrikant Britax
Römer
Britax Römer
Type KID KID
Goedkeu-
ringsnum-
mer (E1 ...)
03
301148
04
301148
03 301148
04 301148
Bestelnum-
mer
(A 000 ...)
970 12 00 970 17 00
Automati-
sche kinder-
zitjeherken-
ning
Ja Nee
Fabrikant Britax
Römer
Britax
Römer
Type KIDFIX KIDFIX
Goedkeu-
ringsnummer
(E1 ...)
04 301198 04 301198
Bestelnum-
mer (A 000 ...)
970 18 00
Kleurcode:
9H95
970 19 00
Kleurcode:
9H95
Automati-
sche kinder-
zitjeherken-
ning
Ja Nee
Kinderen in de auto 75
Veiligheid
Z
Fabrikant Britax Römer
Type KIDFIX
Goedkeurings-
nummer (E1 ...)
04 301198
Bestelnummer
(A 000 ...)
970 22 00
Kleurcode: 9H95
Automatische kin-
derzitjeherken-
ning
Ja
Geadviseerde kinderzitjes in de catego-
rie "Universal" / "Semi-universal"
Gewichtsgroep babydraagzak
Grootteklassen F, G
Fabrikant
Type
Goedkeuringsnummer (E1 ...)
Bestelnummer
Automatische kinderzitjeherken-
ning
Groep 0: tot 10 kg
Grootteklasse E
Fabrikant
Type
Goedkeuringsnummer (E1 ...)
Bestelnummer
Automatische kinderzitjeherken-
ning
Groep 0+: tot 13 kg
Grootteklassen E D, C
Fabrikant Britax Römer
Type BABY-SAFE plus
Goedkeurings-
nummer (E1 ...)
03 301146
04 301146
Bestelnummer B6 6 86 8224
Automatische
kinderzitjeher-
kenning
Nee
Groep I: 9 tot 18 kg
Grootteklassen D, C, B, A
Fabrikant
Type
Goedkeuringsnummer
(E1 ...)
Bestelnummer
Automatische kinderzitje-
herkenning
Grootte-
klasse
B1 B1
Fabrikant Britax Römer Britax Römer
Type DUO PLUS DUO PLUS
Goedkeu-
ringsnum-
mer (E1 ...)
03 301133
04 301133
03 301133
04 301133
Bestelnum-
mer
A 000 970
11 00
A 000 970
16 00
Automati-
sche kin-
derzitjeher-
kenning
Ja Nee
Grootteklasse B1
Fabrikant Britax Römer
Type DUO PLUS
Goedkeurings-
nummer (E1 ...)
04 301133
76 Kinderen in de auto
Veiligheid
Bestelnummer A 000 970 21 00
Automatische kin-
derzitjeherken-
ning
Ja
Kinderbeveiligingen
Belangrijke veiligheidsvoorschriften
GWAARSCHUWING
Wanneer kinderen zonder toezicht in de auto
achterblijven, kunnen deze:
Rportieren openen en daardoor andere per-
sonen of verkeersdeelnemers in gevaar
brengen
Ruitstappen en door het verkeer worden
gegrepen
Ruitrusting van de auto bedienen en bijvoor-
beeld bekneld raken.
Bovendien kunnen de kinderen de auto in
beweging zetten, door bijvoorbeeld:
Rde parkeerrem vrij te zetten
Rde automatische transmissie uit parkeer-
stand Pte schakelen
Rde motor starten.
Er bestaat gevaar voor letsel en ongevallen!
Bij het verlaten van de auto altijd de sleutel
meenemen en de auto vergrendelen. Kinde-
ren en dieren nooit zonder toezicht in de auto
achterlaten. De sleutels bewaren op een voor
kinderen onbereikbare plaats.
GWaarschuwing
Als personen in het bijzonder kinderen
langdurig aan hoge of lage temperaturen wor-
den blootgesteld, bestaat gevaar voor letsel
of zelfs levensgevaar! Personen in het bij-
zonder kinderen nooit zonder toezicht in het
voertuig achterlaten.
GWAARSCHUWING
Als kinderen meerijden, kunnen deze:
Rdeuren openen en daardoor anderen of ver-
keersdeelnemers in gevaar brengen
Ruitstappen en door het verkeer worden
gegrepen
Ruitrustingen van het voertuig bedienen en
bijvoorbeeld bekneld raken.
Er bestaat gevaar voor letsel en ongevallen!
Als kinderen meerijden, altijd de aanwezige
kinderbeveiligingen activeren. Als u het voer-
tuig verlaat, deze altijd vergrendelen en de
sleutel meenemen. Kinderen nooit zonder
toezicht in het voertuig achterlaten.
U kunt de volgende kinderbeveiligingen acti-
veren:
Rvoor de achterportieren (Ypagina 77)
Rvoor de zijruiten achterin (Ypagina 78)
Kinderbeveiliging voor achterportieren
Met het kinderslot van de achterportieren kan
elk portier afzonderlijk worden beveiligd. Een
beveiligd portier kan niet van binnen uit wor-
den geopend. Als de auto ontgrendeld is, kan
het portier van buitenaf worden geopend.
XBeveiligen: De borgpal omhoog in de rich-
ting van pijl :drukken.
XDe werking van de kinderbeveiliging con-
troleren.
XOntgrendelen: De borgpal omlaag in de
richting van pijl ;drukken.
Kinderen in de auto 77
Veiligheid
Z
iBehalve Verenigd Koninkrijk: Als de
centrale-ontgrendelingstoets %van het
bestuurders- of passagiersportier wordt
ingedrukt (Ypagina 101), is de kinderbe-
veiliging van de achterportieren gedurende
korte tijd opgeheven.
GWAARSCHUWING
Als het kinderslot door het indrukken van de
centrale-ontgrendelingstoets %is uitge-
schakeld, zijn beide achterportieren ontgren-
deld. De achterportieren kunnen dan van bin-
nen uit worden geopend.
Als kinderen een portier openen, kunnen ze:
Randeren verwonden of
Ruitstappen en zichzelf daarbij verwonden of
door het langsrijdende verkeer worden ver-
wond.
Kinderen niet zonder toezicht in de auto ach-
terlaten. Kinderen kunnen door het indrukken
van de centrale-ontgrendelingstoets het kin-
derslot van de achterportieren uitschakelen
en de auto ontgrendelen. Zij kunnen dan de
portieren openen en daardoor zichzelf en
anderen in gevaar brengen.
Kinderbeveiliging voor zijruiten ach-
terin
XVergrendelen of ontgrendelen:
Toets ;indrukken.
Als controlelampje :brandt, is de bedie-
ning van de zijruiten achterin geblokkeerd.
Bediening is alleen nog mogelijk met de
schakelaars in het bestuurdersportier. Als
controlelampje :niet brandt, is bediening
met de schakelaars achterin mogelijk.
U kunt de bediening achterin blokkeren van:
Rde zijruiten achterin
Rde instelling van de passagiersstoel vanuit
achterin
Rde zonneschermen
-in het dak
-van de achterruit
-van de zijruiten achterin.
Huisdieren in de auto
GWaarschuwing
Wanneer dieren zonder toezicht of niet vast-
gezet in het voertuig worden achtergelaten,
kunnen ze bijvoorbeeld toetsen of schake-
laars indrukken.
Daardoor kunnen ze:
Ruitrustingen van het voertuig activeren en
bijvoorbeeld bekneld raken
Rsystemen in- of uitschakelen en daardoor
andere verkeersdeelnemer in gevaar bren-
gen.
Bovendien kunnen niet vastgezette dieren bij
een ongeval of abrupte stuur- en remmanoeu-
vres door het voertuig worden geslingerd en
daarbij inzittenden verwonden. Er bestaat
gevaar voor letsel en ongevallen!
Dieren nooit zonder toezicht in het voertuig
achterlaten. Dieren tijdens het rijden altijd
veilig vervoeren, bijvoorbeeld in een
geschikte dierentransportbox.
78 Kinderen in de auto
Veiligheid
Rijveiligheidssystemen
Overzicht rijveiligheidssystemen
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de
volgende rijveiligheidssystemen:
RABS (Antiblokkeersysteem)
(Ypagina 79)
RBAS (Brems-Assistent-System = remassis-
tentsysteem) (Ypagina 80)
RBAS PLUS (Brems-Assistent-System PLUS
= remassistentsysteem PLUS) met krui-
singsassistent (Ypagina 80)
RCOLLISION PREVENTION ASSIST
(afstandswaarschuwingsfunctie en adap-
tieve remassistent) (Ypagina 82)
RAdaptief remlicht (Ypagina 84)
RESP®(Elektronisch stabiliteitsprogramma)
(Ypagina 85)
REBD (Electronic Brake-force Distribution =
elektronische remkrachtverdeling)
(Ypagina 87)
RADAPTIVE BRAKE (Ypagina 87)
RPRE-SAFE®-rem (Ypagina 88)
RStuurassistent STEER CONTROL
(Ypagina 90)
Belangrijke veiligheidsvoorschriften
iDe veiligheidsvoorschriften voor auto's
met HYBRID technologie in acht nemen
(Ypagina 44).
Rijveiligheidssystemen kunnen het gevaar
voor ongevallen van een niet aangepaste of
onoplettende rijstijl niet verminderen en de
natuurkundige grenzen niet verleggen. Rijvei-
ligheidssystemen zijn alleen hulpmiddelen.
De bestuurder is zelf verantwoordelijk voor
de veilige afstand, de gereden snelheid en het
tijdig remmen. Uw rijstijl altijd aan de weg- en
weersomstandigheden en aan de verkeerssi-
tuatie aanpassen en voldoende veilige
afstand houden. Oplettend rijden.
iDe beschreven rijveiligheidssystemen
kunnen alleen dan hun maximale effect
bereiken, als een zo goed mogelijk contact
tussen banden en wegdek gewaarborgd is.
Daarbij in het bijzonder de aanwijzingen
m.b.t. banden, geadviseerde minimumpro-
fieldiepte enzovoort in acht nemen
(Ypagina 456).
Onder winterse omstandigheden winter-
banden (M+S-banden) gebruiken, zo nodig
met sneeuwkettingen. Alleen zo wordt de
maximumwerking van de hier beschreven
rijveiligheidssystemen bereikt.
ABS (antiblokkeersysteem)
Algemene informatie
Het ABS regelt de remdruk zodanig dat de
wielen niet blokkeren bij het remmen. Hier-
door blijft de auto bij het remmen bestuur-
baar.
Als het contact wordt ingeschakeld, gaat het
waarschuwingslampje ABS !in het
instrumentenpaneel branden. Het dooft als
de motor draait.
Belangrijke veiligheidsvoorschriften
iHet onderwerp "Belangrijke veiligheids-
voorschriften" (Ypagina 79) in acht nemen.
GWAARSCHUWING
Als het ABS een storing vertoont, kunnen de
wielen blokkeren bij het remmen. Daarbij zijn
de bestuurbaarheid en het remgedrag sterk
nadelig beïnvloed. Bovendien zijn ook andere
rijveiligheidssystemen uitgeschakeld. Er
bestaat verhoogd slipgevaar en gevaar voor
ongevallen!
Voorzichtig verder rijden. Het ABS direct laten
controleren bij een gekwalificeerde werk-
plaats.
Als het ABS een storing vertoont, vallen
andere systemen eveneens uit, ook rijveilig-
heidssystemen. De informatie over het waar-
schuwingslampje ABS (Ypagina 370) en de
displaymeldingen, die in het instrumentenpa-
Rijveiligheidssystemen 79
Veiligheid
Z
neel kunnen worden weergegeven
(Ypagina 331) in acht nemen.
Het ABS werkt, onafhankelijk van de staat van
het wegdek, vanaf een snelheid van circa
8 km/h. Bij een glad wegdek werkt het ABS
al bij een geringe druk op het rempedaal.
Remmen
XAls het ABS regelt: Het rempedaal krach-
tig ingedrukt blijven houden tot de nood-
stopsituatie voorbij is.
XBij een noodstop: Het rempedaal krachtig
ingedrukt houden.
Als het ABS bij het remmen regelt, is dit voel-
baar aan het pulseren van het rempedaal.
Het pulserende rempedaal kan een aanwij-
zing voor gevaarlijke wegomstandigheden
zijn en u eraan herinneren bijzonder voorzich-
tig te rijden.
BAS (Brems-Assistent-System = rem-
assistentsysteem)
Algemene informatie
De BAS werkt bij een noodstop. Als het rem-
pedaal zeer snel wordt ingedrukt, verhoogt de
BAS automatisch de remdruk en kan zo de
remweg verkorten.
Belangrijke veiligheidsvoorschriften
iHet onderwerp "Belangrijke veiligheids-
voorschriften" (Ypagina 79) in acht nemen.
GWAARSCHUWING
Als het BAS een storing vertoont, kan de rem-
weg bij een noodstop langer zijn. Er bestaat
gevaar voor ongevallen!
Bij een noodstop het rempedaal krachtig
indrukken. Het ABS voorkomt daarbij het
blokkeren van de wielen.
Remmen
XHet rempedaal zo lang indrukken tot de
noodstopsituatie voorbij is.
Het ABS voorkomt daarbij het blokkeren
van de wielen.
Als het rempedaal wordt losgelaten, werkt
het remsysteem weer op conventionele wijze.
De BAS wordt uitgeschakeld.
BAS PLUS (remassistentsysteem
PLUS) met kruisingsassistent
Algemene informatie
iHet onderwerp "Belangrijke veiligheids-
voorschriften" (Ypagina 79) in acht nemen.
De BAS PLUS is alleen in auto's met rijassis-
tentiepakket beschikbaar.
Om ervoor te zorgen dat de BAS PLUS u kan
ondersteunen, moeten de radarsensoren en
het camerasysteem werken.
De BAS PLUS kan met behulp van de radar-
sensoren en het camerasysteem hindernis-
sen herkennen:
Rdie zich langere tijd in de lijn van de auto
bevinden
Rdie de lijn van de auto kruisen.
Bovendien kunnen in de lijn van de auto stil-
staande voetgangers worden herkend.
De BAS PLUS herkent voetgangers aan de
hand van specifieke kenmerken, zoals de
lichaamsvorm en lichaamshouding van een
rechtopstaand persoon.
Wanneer het camerasysteem of de radarsen-
soren een storing vertonen, is de BAS PLUS
niet of slechts beperkt beschikbaar. Het rem-
systeem blijft functioneren met behoud van
de rembekrachtiging en de BAS.
iDe in het hoofdstuk "Belangrijke veilig-
heidsvoorschriften" beschreven beperkin-
gen in acht nemen (Ypagina 81).
De BAS PLUS kan het gevaar van een aanrij-
ding met een voertuig of een voetganger ver-
minderen en de gevolgen van een ongeval
80 Rijveiligheidssystemen
Veiligheid
reduceren. Wanneer de BAS PLUS een aan-
rijdingsgevaar herkent, wordt u bij het rem-
men ondersteund.
Belangrijke veiligheidsvoorschriften
GWAARSCHUWING
De BAS PLUS kan objecten en complexe ver-
keerssituaties niet altijd ondubbelzinnig her-
kennen.
In deze gevallen kan de BAS PLUS
Ronbedoeld ingrijpen
Rniet ingrijpen.
Er bestaat gevaar voor ongevallen!
De verkeerssituatie altijd opmerkzaam in acht
nemen en gereed zijn om te remmen. De
ingreep beëindigen als de rijsituatie niet kri-
tisch is.
GWAARSCHUWING
De BAS PLUS reageert niet:
Rop kleine personen, bijvoorbeeld kinderen
Rop dieren
Rop tegenliggers
Rin bochten.
Daardoor kan de BAS PLUS niet in alle kriti-
sche situaties ingrijpen. Er bestaat gevaar
voor ongevallen!
De verkeerssituatie altijd opmerkzaam in acht
nemen en gereed zijn om te remmen.
Bij sneeuw of zware regenval kan de herken-
ning beperkt zijn.
De herkenning door de radarsensoren is
bovendien beperkt bij:
Rvervuilde of afgedekte sensoren
Rstoring door anderen radarbronnen
Rsterke radarreflectie, bijvoorbeeld in par-
keergarages
Rvooruitrijdende smalle voertuigen, bijvoor-
beeld motorfietsen
Rvoorliggers, die versprongen rijden ten
opzichte van het midden van de auto
Rvoertuigen, die zich snel binnen het detec-
tiebereik van de radarsensoren bewegen.
De herkenning door het camerasysteem is
bovendien beperkt
Rbij vervuilde of afgedekte camera's
Rbij verblinding van het camerasysteem, bij-
voorbeeld door een laagstaande zon
Rbij duisternis
Rwanneer:
-voetgangers zich snel bewegen, bijvoor-
beeld in de lijn van de auto lopen
-een voetganger door speciale kleding of
door andere objecten door het camera-
systeem niet meer als persoon te her-
kennen is
-een voetganger door andere objecten is
afgeschermd
-de typische contour van een voetganger
niet voldoende afwijkt van de achter-
grond.
Na een beschadiging van de voorzijde van de
auto de instelling en werking van de radar-
sensoren bij een gekwalificeerde werkplaats
laten controleren. Dit geldt ook voor aanrij-
dingen met lage snelheid, waarbij geen
schade aan de voorzijde van de auto zichtbaar
is.
Na een beschadiging van de voorruit de
afstelling en werking van het camerasysteem
bij een gekwalificeerde werkplaats laten con-
troleren.
Functie
Om een aanrijding te vermijden, berekent de
BAS PLUS de benodigde remdruk wanneer:
Reen obstakel wordt genaderd, en
Rde BAS PLUS het gevaar van een aanrijding
heeft herkend.
Bij een snelheid onder 30 km/h: Als het
rempedaal wordt ingedrukt, wordt de BAS
PLUS geactiveerd. De remondersteuning
Rijveiligheidssystemen 81
Veiligheid
Z
door de BAS PLUS vindt op het laatst moge-
lijke tijdstip plaats.
Bij een snelheid boven 30 km/h: Als het
rempedaal krachtig wordt ingedrukt, ver-
hoogt de BAS PLUS de remdruk automatisch
naar een aan de verkeerssituatie aangepaste
waarde.
De BAS PLUS ondersteunt u bij het remmen
in een gevaarlijke situatie met voorliggers in
het snelheidsbereik tussen 7 km/h en
250 km/h.
Tot een rijsnelheid van circa 70 km/h rea-
geert de BAS PLUS op:
Rin de lijn van de auto stilstaande obstakels,
bijvoorbeeld stilstaande of geparkeerde
auto's
Rin de lijn van de auto stilstaande voetgan-
gers
Rkruisende obstakels.
iAls de BAS PLUS een bijzonder hoge rem-
druk opvraagt, worden tegelijkertijd pre-
ventieve beschermingsmaatregelen voor
de inzittenden (PRE-SAFE®) geactiveerd.
XHet rempedaal zo lang ingedrukt blijven
houden tot de noodstopsituatie voorbij is.
Het ABS voorkomt daarbij het blokkeren
van de wielen.
De BAS PLUS wordt gedeactiveerd en het
remsysteem werkt weer op conventionele
wijze, als:
Rhet rempedaal wordt losgelaten
Rgeen aanrijdingsgevaar meer bestaat
Rgeen obstakel in de lijn van de auto wordt
herkend
Rhet gaspedaal wordt ingedrukt
Rde kickdown wordt geactiveerd.
COLLISION PREVENTION ASSIST
Algemene aanwijzingen
De COLLISION PREVENTION ASSIST bestaat
uit de functies afstandswaarschuwingsfunc-
tie en de adaptieve remassistent, die hierna
worden beschreven.
Afstandswaarschuwingsfunctie
Belangrijke veiligheidsvoorschriften
iHet onderwerp "Belangrijke veiligheids-
voorschriften" in acht nemen.
(Ypagina 79).
GWAARSCHUWING
De afstandswaarschuwingsfunctie reageert
niet:
Rop personen of dieren
Rop tegenliggers
Rop kruisend verkeer
Rin bochten.
Daardoor kan de afstandswaarschuwings-
functie niet in alle kritische situaties waar-
schuwen. Er bestaat gevaar voor ongevallen!
De verkeerssituatie altijd opmerkzaam in acht
nemen en gereed zijn om te remmen.
GWAARSCHUWING
De afstandswaarschuwingsfunctie kan objec-
ten en complexe verkeerssituaties niet altijd
ondubbelzinnig herkennen.
In deze gevallen kan de afstandswaarschu-
wingsfunctie:
Ronbedoeld waarschuwen
Rniet waarschuwen.
Er bestaat gevaar voor ongevallen!
De verkeerssituatie altijd opmerkzaam in acht
nemen en niet uitsluitend op de afstands-
waarschuwingsfunctie vertrouwen.
De herkenning kan vooral beperkt zijn bij:
Rvervuilde of afgedekte sensoren
Rsneeuw of zware regenval
Rstoring door anderen radarbronnen
Rsterke radarreflectie, bijvoorbeeld in par-
keergarages
Rvooruitrijdende smalle voertuigen, bijvoor-
beeld motorfietsen
82 Rijveiligheidssystemen
Veiligheid
Rvoorliggers, die versprongen rijden ten
opzichte van het midden van de auto
Rnieuwe auto's of na onderhoud aan het
COLLISION PREVENTION ASSIST systeem.
Daartoe de aanwijzingen in het hoofdstuk
Inrij-aanwijzingen in acht nemen
(Ypagina 194).
Na een beschadiging van de voorzijde van de
auto de instelling en werking van de radar-
sensoren bij een gekwalificeerde werkplaats
laten controleren. Dit geldt ook voor aanrij-
dingen met lage snelheid, waarbij geen
schade aan de voorzijde van de auto zichtbaar
is.
Functie
XIn- of uitschakelen: De afstandswaar-
schuwing met de boordcomputer in- of uit-
schakelen (Ypagina 324).
Als de afstandswaarschuwingsfunctie uitge-
schakeld is, verschijnt in de assistentieweer-
gave het symbool æ.
De afstandswaarschuwingsfunctie kan het
gevaar van een kop-staartbotsing verminde-
ren of de gevolgen van een ongeval reduce-
ren. Als de afstandswaarschuwing een gevaar
van een aanrijding heeft herkend, wordt u
optisch en akoestisch gewaarschuwd. Zon-
der ingrijpen van u kan de afstandswaarschu-
wingsfunctie een aanrijding niet voorkomen.
De afstandswaarschuwingsfunctie waar-
schuwt vanaf een snelheid:
Rvan circa 30 km/h als gedurende meerdere
seconden de afstand tot de voorligger te
laag is voor de gereden snelheid. Afstands-
waarschuwingslampje ·in het instru-
mentenpaneel gaat dan branden.
Rvan circa 7 km/h als een voorligger zeer
snel wordt genaderd. In deze situatie klinkt
een onderbroken waarschuwingssignaal
en gaat afstandswaarschuwingslampje
·in het instrumentenpaneel branden.
XDirect remmen, om de afstand tot de voor-
ligger te vergroten.
of
XWijk uit voor een obstakel, in zoverre dit
zonder gevaar mogelijk is.
Door de werking van het systeem kunnen er
in complexe, maar niet-kritieke rijsituaties
ook waarschuwingen optreden.
De afstandswaarschuwingsfunctie kan met
behulp van de radarsensoren obstakels her-
kennen die langere tijd voor de auto uit rijden.
De afstandswaarschuwingsfunctie kan tot
een rijsnelheid van circa 70 km/h ook reage-
ren op niet bewegende obstakels, zoals stil-
staande of geparkeerde auto's.
Als u een obstakel nadert en de afstands-
waarschuwingsfunctie het gevaar van een
aanrijding heeft herkend, geeft het systeem
u eerst een optische en akoestische waar-
schuwing.
Adaptieve remassistent
iHet onderwerp "Belangrijke veiligheids-
voorschriften" (Ypagina 79) in acht nemen.
GWAARSCHUWING
De adaptieve remassistent kan objecten en
complexe verkeerssituaties niet altijd ondub-
belzinnig herkennen.
In deze gevallen kan de adaptieve remassis-
tent:
Ronbedoeld ingrijpen
Rniet ingrijpen.
Er bestaat gevaar voor ongevallen!
De verkeerssituatie altijd opmerkzaam in acht
nemen en gereed zijn om te remmen. De
ingreep beëindigen als de rijsituatie niet kri-
tisch is.
GWAARSCHUWING
De adaptieve remassistent reageert niet
Rop personen of dieren
Rop tegenliggers
Rop kruisend verkeer
Rijveiligheidssystemen 83
Veiligheid
Z
Rop stilstaande obstakels
Rin bochten.
Daardoor kan de adaptieve remassistent niet
in alle kritische situaties ingrijpen. Er bestaat
gevaar voor ongevallen!
De verkeerssituatie altijd opmerkzaam in acht
nemen en gereed zijn om te remmen.
Door de werking van het systeem kan de rem-
assistent in complexe, maar niet-kritieke rijs-
ituaties ook ingrepen uitvoeren.
Als de adaptieve remassistent vanwege een
storing in de radarsensoren niet functioneert,
staat het remsysteem verder met volledige
rembekrachtiging en BAS ter beschikking.
De herkenning kan vooral beperkt zijn bij:
Rvervuilde of afgedekte sensoren
Rsneeuw of zware regenval
Rstoring door anderen radarbronnen
Rsterke radarreflectie, bijvoorbeeld in par-
keergarages
Rvooruitrijdende smalle voertuigen, bijvoor-
beeld motorfietsen
Rvoorliggers, die versprongen rijden ten
opzichte van het midden van de auto
Rnieuwe auto's na de eerste kilometers rij-
den of na onderhoud aan het COLLISION
PREVENTION ASSIST systeem.
Daartoe de aanwijzingen in het hoofdstuk
Inrij-aanwijzingen in acht nemen
(Ypagina 194).
Na een beschadiging van de voorzijde van de
auto de instelling en werking van de radar-
sensoren bij een gekwalificeerde werkplaats
laten controleren. Dit geldt ook voor aanrij-
dingen met lage snelheid, waarbij geen
schade aan de voorzijde van de auto zichtbaar
is.
De adaptieve remassistent ondersteunt u bij
het remmen in een gevaarlijke situatie bij
snelheden boven 7 km/h en maakt voor de
beoordeling van de verkeerssituatie gebruik
van radarsensoren.
De adaptieve remassistent kan met behulp
van de radarsensoren obstakels herkennen
die zich langere tijd in de lijn van de auto
bevinden.
Als een obstakel wordt genaderd en de adap-
tieve remassistent heeft gevaar voor een aan-
rijding herkend, berekent de adaptieve rem-
assistent de benodigde remdruk om een aan-
rijding te vermijden. Als het rempedaal krach-
tig wordt ingedrukt, verhoogt de adaptieve
remassistent automatisch de remdruk tot
een waarde die is afgestemd op de verkeers-
situatie.
XHet rempedaal zo lang ingedrukt blijven
houden tot de noodstopsituatie voorbij is.
Het ABS voorkomt daarbij het blokkeren
van de wielen.
De remmen functioneren weer normaal, als:
Rhet rempedaal wordt losgelaten
Rgeen gevaar voor een ongeval meer bestaat
Rgeen obstakel in de lijn van de auto wordt
herkend.
De adaptieve remassistent wordt dan
gedeactiveerd.
Auto's met PRE-SAFE®:Als de adaptieve
remassistent vraagt om een bijzonder hoge
remdruk, worden tegelijkertijd preventieve
beschermingsmaatregelen voor de inzitten-
den (PRE-SAFE®) geactiveerd.
De adaptieve remassistent kan tot een rij-
snelheid van circa 250 km/h op objecten
reageren, die tijdens de waarneemduur ten
minste eenmaal als rijdend zijn herkend. De
adaptieve remassistent reageert niet op stil-
staande obstakels.
Adaptief remlicht
Het adaptief remlicht waarschuwt het achter-
opkomend verkeer bij een noodstopsituatie
door:
Rknipperende remlichten
Rinschakelen van de alarmknipperlichten.
Als u boven een snelheid van 50 km/h krach-
tig remt of bij het remmen door de BAS of de
BAS PLUS wordt ondersteund, knipperen de
84 Rijveiligheidssystemen
Veiligheid
remlichten snel. Daardoor wordt het achter-
opkomende verkeer op buitengewoon opval-
lende wijze gewaarschuwd.
Als deze remmanoeuvre vanaf een snelheid
van meer dan 70 km/h tot stilstand wordt
uitgevoerd, schakelen de alarmknipperlich-
ten bij stilstand automatisch in. Wanneer het
rempedaal opnieuw wordt ingedrukt, dan
branden de remlichten weer continu. De
alarmknipperlichten worden automatisch uit-
geschakeld als er sneller dan 10 km/h wordt
gereden. De alarmknipperlichten kunnen ook
met de alarmknipperlichtentoets worden uit-
geschakeld (Ypagina 155).
ESP®(elektronisch stabiliteitspro-
gramma)
Algemene aanwijzingen
iHet onderwerp "Belangrijke veiligheids-
voorschriften" (Ypagina 79) in acht nemen.
Het ESP®controleert de rijstabiliteit en de
tractie, dat wil zeggen de krachtoverbrenging
tussen de banden en het wegdek.
Herkent het ESP®dat de auto van de gewen-
ste koers afwijkt, dan worden ter stabilisatie
een of meerdere wielen doelgericht afge-
remd. Om de auto binnen de natuurkundige
grenzen op de gewenste koers te houden,
wordt tevens het motorvermogen automa-
tisch aangepast. Het ESP®ondersteunt bij
het wegrijden op een natte of gladde weg.
Ook bij het remmen kan het ESP®de auto
stabiliseren.
ETS/4ETS (elektronisch tractiesys-
teem)
iHet onderwerp "Belangrijke veiligheids-
voorschriften" (Ypagina 79) in acht nemen.
De tractieregeling ETS/4ETS is een onder-
deel van het ESP®.
De tractieregeling remt de aangedreven wie-
len afzonderlijk af als deze doordraaien. Daar-
door kunt u ook op gladde wegen wegrijden
of accelereren, bijvoorbeeld bij een eenzijdig
gladde ondergrond. Bovendien wordt meer
aandrijfkoppel overgebracht naar het wiel of
de wielen met grip.
Als het ESP®wordt uitgeschakeld, blijft de
tractieregeling actief.
Belangrijke veiligheidsvoorschriften
GWAARSCHUWING
Als het ESP®een storing vertoont, wordt de
auto niet door het ESP®gestabiliseerd.
Bovendien zijn ook andere rijveiligheidssys-
temen uitgeschakeld. Er bestaat verhoogd
slipgevaar en gevaar voor ongevallen!
Voorzichtig verder rijden. Het ESP®bij een
gekwalificeerde werkplaats laten controle-
ren.
!Auto's met 4MATIC: Het contact uitscha-
kelen als de elektrische parkeerrem op een
remmentestbank wordt getest.
De actieve remingreep via het ESP®kan
anders schade aan het remsysteem ver-
oorzaken.
Auto's zonder 4MATIC: Bij het slepen van de
auto met opgetilde achteras de aanwijzingen
voor het ESP®in acht nemen
(Ypagina 449).
Als waarschuwingslampje åin het instru-
mentenpaneel brandt als de motor draait, is
het ESP®uitgeschakeld.
Als het waarschuwingslampje ÷perma-
nent brandt, is het ESP®vanwege een storing
niet beschikbaar.
De informatie over de waarschuwingslampjes
(Ypagina 372) en de displaymeldingen, die
in het instrumentenpaneel kunnen worden
weergegeven (Ypagina 331) in acht nemen.
iAlleen wielen met de aanbevolen banden-
maten monteren. Alleen dan kan het
ESP®naar behoren functioneren.
Rijveiligheidssystemen 85
Veiligheid
Z
Eigenschappen van het ESP®
Algemene informatie
Als het ESP-waarschuwingslampje ÷voor
aanvang van de rit dooft, is het ESP®auto-
matisch actief.
Als het ESP®ingrijpt, knippert het waarschu-
wingslampje ESP®÷in het instrumenten-
paneel.
Als het ESP®ingrijpt:
XHet ESP®in geen geval uitschakelen.
XBij het wegrijden het gaspedaal slechts zo
ver indrukken als nodig is.
XUw rijstijl aan de verkeers- en weersom-
standigheden aanpassen.
ECO start-stop-functie
De ECO start-stop-functie zorgt ervoor dat de
motor automatisch wordt afgezet bij het stop-
pen. Voor opnieuw wegrijden start de motor
automatisch. Het ESP®blijft daarbij in de van
tevoren geselecteerde status. Voorbeeld:
Wanneer het ESP®voor het automatisch
afzetten van de motor uitgeschakeld was,
blijft het ESP®ook na het automatisch starten
van de motor uitgeschakeld.
ESP®uit- of inschakelen
Belangrijke veiligheidsvoorschriften
iHet onderwerp "Belangrijke veiligheids-
voorschriften" (Ypagina 79)in acht nemen.
U kunt uit de volgende instellingen van het
ESP®kiezen:
Rhet ESP®is ingeschakeld
Rhet ESP®is uitgeschakeld.
GWAARSCHUWING
Als het ESP®wordt uitgeschakeld, wordt de
auto niet door het ESP®gestabiliseerd. Er
bestaat verhoogd slipgevaar en gevaar voor
ongevallen!
Het ESP®alleen uitschakelen zolang de vol-
gende omstandigheden van toepassing zijn.
In de volgende situaties kan het beter zijn om
het ESP®uit te schakelen:
Rbij gebruik van sneeuwkettingen
Rin diepe sneeuw
Rop zand of grind.
iHet ESP®inschakelen zodra de hiervoor
beschreven situaties niet meer van toepas-
sing zijn. Anders wordt de auto niet door
het ESP®gestabiliseerd als de auto in een
slip raakt of er een wiel doordraait.
ESP®uit- of inschakelen
Het ESP®kan via de boordcomputer worden
uit- en ingeschakeld.
XUitschakelen:(Ypagina 322).
Het waarschuwingslampje ESP®OFF
åin het instrumentenpaneel gaat bran-
den.
XInschakelen:(Ypagina 322).
Het waarschuwingslampje ESP®OFF
åin het instrumentenpaneel dooft.
Eigenschappen bij uitgeschakeld ESP®
Als het ESP®is uitgeschakeld en een of meer-
dere wielen doordraaien, knippert waarschu-
wingslampje ESP®÷in het instrumenten-
paneel. Het ESP®stabiliseert de auto dan
niet.
Als het ESP®wordt uitgeschakeld:
Rverbetert het ESP®niet langer de rijstabili-
teit
Rwordt de motor qua koppel niet meer
begrensd en de aandrijfwielen kunnen
doordraaien
Op een losse ondergrond zorgen de door-
draaiende wielen door freeswerking voor
een betere tractie.
Rblijft de tractieregeling actief
Rkan nog steeds met ondersteuning van het
ESP®worden geremd.
86 Rijveiligheidssystemen
Veiligheid
ESP®-aanhangwagenstabilisatie
Algemene informatie
De ESP®-aanhangwagenstabilisatie is niet
beschikbaar in auto's in AMG-uitvoering.
Als uw auto met een aanhangwagen (combi-
natie) begint te slingeren, ondersteunt het
ESP®in deze situaties. Het ESP®reduceert
de rijsnelheid door te remmen en begrenst
het motorvermogen zodat de combinatie kan
worden gestabiliseerd.
Belangrijke veiligheidsvoorschriften
GWAARSCHUWING
Bij slechte verkeers- en weersomstandighe-
den kan de aanhangwagenstabilisatie niet
voorkomen dat de combinatie gaat slingeren.
Aanhangwagens met een hoog zwaartepunt
kunnen kantelen, voordat het ESP®dit her-
kent. Er bestaat gevaar voor ongevallen!
Uw rijstijl altijd aan de verkeers- en weers-
omstandigheden aanpassen.
Als de auto met aanhangwagen (combinatie)
gaat slingeren kunt u de combinatie alleen
stabiliseren door stevig op de rem te drukken.
De ESP®-aanhangwagenstabilisatie is actief
vanaf een snelheid van circa 65 km/h.
Als het ESP®is uitgeschakeld of vanwege een
storing niet actief is, functioneert de ESP®-
aanhangwagenstabilisatie niet.
Zijwindassistent
Algemene informatie
Auto's met MAGIC BODY CONTROL: Informa-
tie over de stabilisatie van de auto bij zijwind
(Ypagina 246).
Sterke vlagen zijwind kunnen de rechtuitsta-
biliteit van de auto verstoren. De in het
ESP®geïntegreerde functie rijassistentie zij-
wind reduceert deze verstoring duidelijk.
Afhankelijk van de richting en de intensiteit
van de op de auto werkende zijwind grijpt het
ESP®automatisch in.
Een stabiliserende remingreep door het ESP
helpt om de auto in het goede spoor te hou-
den.
De rijassistentie zijwind is actief vanaf een
snelheid van 80 km/h bij rechtuitrijden of tij-
dens het rijden door flauwe bochten.
Belangrijke veiligheidsvoorschriften
Als het ESP®is uitgeschakeld of vanwege een
storing niet actief is, functioneert de rijassis-
tentie zijwind niet.
EBD (Electronic Brake-force Distribu-
tion)
Algemene informatie
Om de rijstabiliteit tijdens het remmen te ver-
beteren controleert en regelt de EBD de rem-
druk voor de achterwielen.
Belangrijke veiligheidsvoorschriften
iHet onderwerp "Belangrijke veiligheids-
voorschriften" (Ypagina 79)in acht nemen.
GWAARSCHUWING
Als de EBD een storing vertoont kunnen ach-
terwielen bijvoorbeeld bij een noodstop blok-
keren. Er bestaat verhoogd slipgevaar en
gevaar voor ongevallen!
Uw rijstijl aanpassen aan het gewijzigde rij-
gedrag. Het remsysteem bij een gekwalifi-
ceerde werkplaats laten controleren.
De aanwijzingen m.b.t. de waarschuwings- en
controlelampjes (Ypagina 370) en de dis-
playmeldingen (Ypagina 334) in acht nemen.
ADAPTIVE BRAKE
De ADAPTIVE BRAKE zorgt voor een ver-
hoogde remveiligheid en voor een verhoogd
remcomfort. De ADAPTIVE BRAKE heeft
naast de remfunctie ook de HOLD-functie
(Ypagina 245) en de hellingassistent
(Ypagina 199).
Rijveiligheidssystemen 87
Veiligheid
Z
PRE-SAFE®-rem
Algemene informatie
iDe belangrijke veiligheidsvoorschriften in
het hoofdstuk "Rijveiligheidssystemen" in
acht nemen (Ypagina 79).
De PRE-SAFE®-rem is alleen beschikbaar in
auto's met rijassistentiepakket.
Om ervoor te zorgen dat de PRE-SAFE®-rem
u kan ondersteunen, moeten de radarsenso-
ren en het camerasysteem werken.
De PRE-SAFE®-rem kan met behulp van de
radarsensoren en het camerasysteem obsta-
kels herkennen, die zich langere tijd in de lijn
van de auto bevinden.
Bovendien kunnen in de lijn van de auto stil-
staande voetgangers worden herkend.
De PRE-SAFE®-rem herkent voetgangers aan
de hand van specifieke kenmerken, zoals de
lichaamsvorm en lichaamshouding van een
rechtopstaand persoon.
iDe in het hoofdstuk "Belangrijke veilig-
heidsvoorschriften" beschreven beperkin-
gen in acht nemen (Ypagina 88).
De PRE-SAFE®-rem kan het gevaar van een
ongeval met een voorligger of een voetganger
verminderen en de gevolgen van een ongeval
reduceren. Als de PRE-SAFE®-rem het gevaar
van een aanrijding herkent, wordt u optisch
en akoestisch alsook door automatisch rem-
men gewaarschuwd.
Belangrijke veiligheidsvoorschriften
GWAARSCHUWING
De PRE-SAFE®-rem remt de auto bij herkend
aanrijdingsgevaar eerst met een deelrem-
ming af. Als u niet zelf niet remt, kan een aan-
rijding plaatsvinden. Ook door een volgende
noodstop kan een aanrijding niet altijd voor-
komen worden, in het bijzonder als u met een
hoge snelheid nadert. Er bestaat gevaar voor
ongevallen!
Altijd zelf remmen en proberen uit te wijken,
voor zover dit zonder gevaar mogelijk is.
GWAARSCHUWING
De PRE-SAFE®-rem kan objecten en com-
plexe verkeerssituaties niet altijd ondubbel-
zinnig herkennen.
In dergelijke gevallen kan de PRE-SAFE®-rem:
Ronbedoeld waarschuwen en de auto afrem-
men
Rniet waarschuwen of ingrijpen.
Er bestaat gevaar voor ongevallen!
De verkeerssituatie altijd opmerkzaam in acht
nemen en gereed zijn om te remmen, in het
bijzonder als de PRE-SAFE®-rem u waar-
schuwt. De ingreep beëindigen als de rijsitu-
atie niet kritisch is.
U moet zelf remmen om een veilige afstand
ten opzichte van de voorligger aan te houden
en zodoende een aanrijding te vermijden.
De PRE-SAFE®-rem kan de auto onder de vol-
gende voorwaarden gedeeltelijk automatisch
afremmen:
RDe bestuurder en de passagier moeten hun
gordel hebben omgegespt.
en
RDe rijsnelheid ligt tussen circa 7 km/h en
circa 200 km/h.
Tot een rijsnelheid van circa 70 km/h rea-
geert de PRE-SAFE®-rem op:
Rin de lijn van de auto stilstaande obstakels,
bijvoorbeeld stilstaande of geparkeerde
auto's
Rin de lijn van de auto stilstaande voetgan-
gers.
GWAARSCHUWING
De PRE-SAFE®-rem reageert niet:
Rop kleine personen, bijvoorbeeld kinderen
Rop dieren
Rop tegenliggers
88 Rijveiligheidssystemen
Veiligheid
Rop kruisend verkeer
Rin bochten.
Daardoor kan de PRE-SAFE®-rem niet in alle
kritische situaties waarschuwen. Er bestaat
gevaar voor ongevallen!
De verkeerssituatie altijd opmerkzaam in acht
nemen en gereed zijn om te remmen.
Bij sneeuw of zware regenval kan de herken-
ning beperkt zijn.
De herkenning door de radarsensoren is
bovendien beperkt bij:
Rvervuilde of afgedekte sensoren
Rstoring door anderen radarbronnen
Rsterke radarreflectie, bijvoorbeeld in par-
keergarages
Rvooruitrijdende smalle voertuigen, bijvoor-
beeld motorfietsen
Rvoorliggers, die versprongen rijden ten
opzichte van het midden van de auto.
De herkenning door het camerasysteem is
bovendien beperkt
Rbij vervuilde of afgedekte camera's
Rbij verblinding van het camerasysteem, bij-
voorbeeld door een laagstaande zon
Rbij duisternis
Rwanneer:
-voetgangers zich snel bewegen, bijvoor-
beeld in de lijn van de auto lopen
-een voetganger door speciale kleding of
door andere objecten door het camera-
systeem niet meer als persoon te her-
kennen is
-een voetganger door andere objecten is
afgeschermd
-de typische contour van een voetganger
niet voldoende afwijkt van de achter-
grond.
Na een beschadiging van de voorzijde van de
auto de instelling en werking van de radar-
sensoren bij een gekwalificeerde werkplaats
laten controleren. Dit geldt ook voor aanrij-
dingen met lage snelheid, waarbij geen
schade aan de voorzijde van de auto zichtbaar
is.
Na een beschadiging van de voorruit de
afstelling en werking van het camerasysteem
bij een gekwalificeerde werkplaats laten con-
troleren.
Functie
XIn- of uitschakelen: De PRE-SAFE®-rem
met de boordcomputer in- of uitschakelen
(Ypagina 324).
Als de PRE-SAFE®-rem uitgeschakeld is,
verschijnt op het multifunctioneel display
het symbool æ.
De functie waarschuwt:
Rvanaf een snelheid van circa 30 km/h, als
gedurende meerdere seconden de afstand
tot de voorligger te laag is voor de gereden
snelheid.
Het afstandswaarschuwingslampje ·in
het instrumentenpaneel gaat dan branden.
Rvanaf een snelheid van circa 7 km/h, als u
een voorligger of een voetganger zeer snel
nadert.
In deze situatie klinkt een onderbroken
waarschuwingssignaal en gaat afstands-
waarschuwingslampje ·in het instru-
mentenpaneel branden.
XDirect remmen om de situatie te bezweren.
of
XWijk uit voor een obstakel, voor zover dit
zonder gevaar mogelijk is.
iBij verhoogd gevaar van een aanrijding
worden preventieve beschermingsmaatre-
gelen (PRE-SAFE®) geactiveerd.
Als het gevaar van een aanrijding nog steeds
bestaat en u niet zelf remt, uitwijkt of duidelijk
accelereert, kan een zelfstandige remming
tot een noodstop plaatsvinden. De automati-
sche noodstop vindt pas direct voor een drei-
gend ongeval plaats.
Rijveiligheidssystemen 89
Veiligheid
Z
De ingreep van de PRE-SAFE®-rem kan te
allen tijde worden beëindigd, door:
Rverder indrukken van het gaspedaal
Ractiveren van de kickdown
Rloslaten van het rempedaal.
De remingreep door de PRE-SAFE®-rem
wordt automatisch beëindigd, als:
Rhet obstakel door sturen wordt ontweken
Rgeen aanrijdingsgevaar meer bestaat
Rgeen obstakel meer in de lijn van de auto
wordt herkend.
Stuurassistent STEER CONTROL
Algemene informatie
De stuurassistent STEER CONTROL helpt u
door met een in het stuurwiel merkbare
kracht in de voor de stabilisatie van de auto
juiste richting te sturen.
Dit stuuradvies krijgt u in het bijzonder als:
Rtijdens het remmen de beide rechter of lin-
ker wielen zich op een nat of glad wegdek
bevinden
Rde auto in een slip raakt.
Belangrijke veiligheidsvoorschriften
iHet onderwerp "Belangrijke veiligheids-
voorschriften" (Ypagina 79) in acht nemen.
Er vindt geen stuuradvies van de stuurassis-
tent STEER CONTROL plaats, als:
Rhet ESP®een storing vertoont
Rde stuurinrichting een storing vertoont.
De elektrische stuurbekrachtiging blijft wel
werken.
Alarmsystemen
Wegrijblokkering
De wegrijblokkering voorkomt dat de auto
zonder passende sleutel kan worden gestart.
XInschakelen met sleutel: De sleutel uit
het contactslot verwijderen.
XInschakelen met KEYLESS GO: Het con-
tact uitschakelen en het bestuurderspor-
tier openen.
XUitschakelen: Het contact inschakelen.
Als u de auto verlaat, deze altijd vergrendelen
en de sleutel meenemen. Als de sleutel in de
auto achterblijft, kan iedereen de motor star-
ten.
iAls de motor wordt gestart, is de wegrij-
blokkering altijd uitgeschakeld.
EDW (inbraak-diefstal-alarmsysteem)
XInschakelen: De auto vergrendelen met de
sleutel of met KEYLESS GO.
Controlelampje :knippert. Het alarmsys-
teem wordt na circa 15 seconden inge-
schakeld.
XUitschakelen: De auto ontgrendelen met
de sleutel of met KEYLESS GO.
of
XDe sleutel in het contactslot steken.
Als het inbraak-diefstal-alarmsysteem is inge-
schakeld, wordt een akoestisch en optisch
alarm geactiveerd bij het openen van:
Reen portier
Rde auto met de noodsleutel.
Rde achterklep
Rde motorkap.
90 Alarmsystemen
Veiligheid
XAlarm met sleutel beëindigen: Toets
%of &op de sleutel indrukken.
Het alarm stopt.
of
XDe start-stop-toets uit het contactslot ver-
wijderen.
XDe sleutel in het contactslot steken.
Het alarm stopt.
XAlarm met KEYLESS GO beëindigen: De
buitenste portierhandgreep vastpakken.
Daarbij moet de sleutel zich buiten de auto
bevinden.
Het alarm stopt.
of
XDe start-stop-toets op het dashboard
indrukken. Daarbij moet de sleutel zich in
de auto bevinden.
Het alarm stopt.
Het alarm blijft ook ingeschakeld als de reden
voor het alarm direct weer wordt opgeheven,
bijvoorbeeld door een geopend portier direct
weer te sluiten.
iAls het alarm langer dan 30 seconden
aanhoudt, stuurt het Mercedes-Benz nood-
oproepsysteem automatisch een bericht
naar de klantenservice. Dit gebeurt door
middel van een bericht per SMS of een
dataverbinding. Het noodoproepsysteem
stuurt het bericht of de dataverbinding
alleen, als:
Ru een abonnement heeft op het
Mercedes-Benz noodoproepsysteem
Rhet Mercedes-Benz noodoproepsysteem
correct geactiveerd is
Rhet benodigde mobiele netwerk beschik-
baar is.
Wegsleepbeveiliging
Functie
Als de wegsleepbeveiliging is geactiveerd en
de hellingshoek van de auto wijzigt zich,
treedt een optisch en akoestisch alarm in
werking. Dit kan het geval zijn, wanneer bij-
voorbeeld de auto aan een kant omhoogge-
bracht wordt.
Inschakelen
XErop letten dat:
Rde portieren gesloten zijn
Rde achterklep gesloten is.
Alleen dan wordt de wegsleepbeveiliging
ingeschakeld.
XDe auto met de sleutel of met KEYLESS GO
vergrendelen.
De wegsleepbeveiliging wordt na circa
60 seconden ingeschakeld.
Uitschakelen
XDe auto ontgrendelen met de sleutel of via
KEYLESS GO.
of
XDe sleutel in het contactslot steken.
De wegsleepbeveiliging wordt automatisch
uitgeschakeld.
Deactiveren
Informatie over het deactiveren van de weg-
sleepbeveiliging vindt u in de afzonderlijke
COMAND Online handleiding.
Interieurbeveiliging
Functie
Bij ingeschakelde interieurbeveiliging wordt
een optisch en akoestisch alarm geactiveerd,
wanneer een beweging in het interieur wordt
herkend. Dit kan het geval zijn, wanneer bij-
voorbeeld iemand in het interieur grijpt.
Inschakelen
XErop letten dat:
Alarmsystemen 91
Veiligheid
Z
Rde zijruiten gesloten zijn
Rhet panoramaschuifdak gesloten is
Rgeen voorwerpen (bijvoorbeeld mascot-
tes) aan de binnenspiegel of aan de hand-
grepen aan het dak hangen.
Hierdoor wordt een vals alarm voorkomen.
XErop letten dat:
Rde portieren gesloten zijn
Rhet panoramaschuifdak gesloten is
Rde achterklep gesloten is.
Alleen dan wordt de interieurbeveiliging
ingeschakeld.
XDe auto met de sleutel of met KEYLESS GO
vergrendelen.
De interieurbeveiliging wordt na circa
30 seconden ingeschakeld.
Uitschakelen
XDe auto ontgrendelen met de sleutel of via
KEYLESS GO.
of
XDe sleutel in het contactslot steken.
De interieurbeveiliging wordt automatisch
uitgeschakeld.
Deactiveren
Informatie over het deactiveren van de inte-
rieurbeveiliging vindt u in de afzonderlijke
COMAND Online handleiding.
92 Alarmsystemen
Veiligheid
Wetenswaardigheden ......................... 94
Sleutel .................................................. 94
Portieren ............................................ 100
Bagageruimte .................................... 103
Zijruiten ............................................. 109
Panoramaschuifdak .......................... 113
93
Openen en sluiten
Wetenswaardigheden
iDeze handleiding beschrijft alle modellen
en standaard- en speciale uitrustingen van
de auto die op het tijdstip van de redactie-
sluiting van deze handleiding verkrijgbaar
waren. Landspecifieke afwijkingen zijn ook
mogelijk. In acht nemen dat de auto niet
met alle beschreven functies kan zijn uit-
gerust. Dit betreft ook veiligheidsrelevante
systemen en functies.
iDe informatie over gekwalificeerde werk-
plaatsen lezen (Ypagina 29).
Sleutel
Belangrijke veiligheidsvoorschriften
GWAARSCHUWING
Wanneer kinderen zonder toezicht in de auto
achterblijven, kunnen deze:
Rportieren openen en daardoor andere per-
sonen of verkeersdeelnemers in gevaar
brengen
Ruitstappen en door het verkeer worden
gegrepen
Ruitrusting van de auto bedienen en bijvoor-
beeld bekneld raken.
Bovendien kunnen de kinderen de auto in
beweging zetten, door bijvoorbeeld:
Rde parkeerrem vrij te zetten
Rde automatische transmissie uit parkeer-
stand Pte schakelen
Rde motor starten.
Er bestaat gevaar voor letsel en ongevallen!
Bij het verlaten van de auto altijd de sleutel
meenemen en de auto vergrendelen. Kinde-
ren en dieren nooit zonder toezicht in de auto
achterlaten. De sleutels bewaren op een voor
kinderen onbereikbare plaats.
GWaarschuwing
Als personen in het bijzonder kinderen
langdurig aan hoge of lage temperaturen wor-
den blootgesteld, bestaat gevaar voor letsel
of zelfs levensgevaar! Personen in het bij-
zonder kinderen nooit zonder toezicht in het
voertuig achterlaten.
GWAARSCHUWING
Wanneer zware of grote voorwerpen aan de
sleutel worden bevestigd, kan de sleutel tij-
dens het rijden ongewild in het contactslot
draaien. Daardoor kan de motor bijvoorbeeld
abrupt worden afgezet. Er bestaat gevaar voor
ongevallen!
Geen zware of grote voorwerpen aan de sleu-
tel bevestigen. Bijvoorbeeld een grote sleu-
telbos verwijderen voordat de sleutel in het
contactslot wordt gestoken.
!De sleutel uit de buurt van sterke magne-
tische velden houden. Anders kan de
afstandsbedieningsfunctie worden bescha-
digd.
Sterke magnetische velden kunnen bij-
voorbeeld optreden in de buurt van hoog-
spanningsinstallaties.
De sleutel niet bewaren:
Rbij elektronische apparatuur zoals een
mobiele telefoon of een andere sleutel
Rbij metalen voorwerpen zoals munten of
metaalfolie
Rin metalen voorwerpen zoals een metalen
koffer.
Dit kan de werking van de sleutel nadelig
beïnvloeden.
De sleutel niet in de temperatuurgeregelde
bekerhouder (Ypagina 392) bewaren. Bij
auto's zonder KEYLESS GO ook niet op de
hoedenplank en niet in de bagageruimte.
Anders wordt de sleutel wellicht niet herkend,
bijvoorbeeld bij het starten van de motor met
de start-stop-toets.
94 Sleutel
Openen en sluiten
Door een kortstondige radiografische verbin-
ding tussen auto en sleutel wordt gecontro-
leerd, of zich een geldige sleutel in of aan de
auto bevindt. Dit gebeurt bijvoorbeeld:
Rtijdens het starten van de motor
Rtijdens het rijden
Rbij het aanraken van de buitenste portier-
handgreep
Rbij het comfortsluiten.
Sleutelfuncties
:&Auto vergrendelen
;FAchterklep openen en sluiten
=%Auto ontgrendelen
XCentraal ontgrendelen: Toets =indruk-
ken.
Als de auto niet binnen circa 40 seconden
na het ontgrendelen wordt geopend:
Rwordt de auto weer vergrendeld
Rwordt het inbraak-diefstal-alarmsysteem
weer geactiveerd.
XCentraal vergrendelen: Vergrendelings-
toets :indrukken.
Met de sleutel worden centraal ver- en ont-
grendeld:
Rde portieren
Rde achterklep
Rde tankdopklep.
Bij het ontgrendelen knipperen de richting-
aanwijzers eenmaal, bij het vergrendelen
knipperen ze driemaal.
iHet vergrendelen kan ook met een akoes-
tisch signaal worden bevestigd. Het akoes-
tisch signaal kan in het COMAND Online
worden in- en uitgeschakeld (zie de afzon-
derlijke handleiding).
iAls de omgevingsverlichting in het
COMAND Online ingeschakeld is, gaat deze
bij duisternis na het ontgrendelen met de
afstandsbediening ook branden. Informatie
over het in- en uitschakelen van de omge-
vingsverlichting vindt u in de afzonderlijke
handleiding.
XAchterklep automatisch van buitenaf
openen: Toets ;zo lang indrukken, tot de
achterklep opent.
KEYLESS GO
Algemene aanwijzingen
In acht nemen dat elke inzittende van de auto
de motor kan starten als zich een sleutel in
de auto bevindt.
Centraal ver- en ontgrendelen
Met KEYLESS GO kan de auto worden ver- en
ontgrendeld en worden gestart. Hiertoe de
sleutel bij u dragen. De functies van KEYLESS
GO kunnen met die van een gewone sleutel
worden gecombineerd. De auto kan bijvoor-
beeld met KEYLESS GO worden ontgrendeld,
en worden vergrendeld met toets &op de
sleutel.
Bij het ver- of ontgrendelen met de KEYLESS
GO mag de afstand van de sleutel tot de
bediende portierhandgreep niet groter dan
1 m zijn.
Door een kortstondige radiografische verbin-
ding tussen auto en sleutel wordt gecontro-
leerd, of zich een geldige sleutel in of aan de
auto bevindt. Dit gebeurt bijvoorbeeld:
Rtijdens het starten van de motor
Rtijdens het rijden
Sleutel 95
Openen en sluiten
Z
Rbij het aanraken van de buitenste portier-
handgreep
Rbij het comfortsluiten.
XAuto ontgrendelen: De binnenzijde van de
portierhandgreep aanraken.
XAuto vergrendelen: Sensorvlak :of ;
aanraken.
XComfortsluiten: Het verdiepte sensor-
vlak ;lang aanraken.
Meer informatie over het comfortsluiten
(Ypagina 111).
XAchterklep ontgrendelen: Aan de hand-
greep van de achterklep trekken.
Instelling van het sluitsysteem wijzi-
gen
De instelling van het sluitsysteem kan worden
gewijzigd. Dan worden bij het ontgrendelen
van de auto alleen het bestuurdersportier en
de tankdopklep ontgrendeld. Dit kan nuttig
zijn als u veel alleen onderweg bent.
XInstelling wijzigen: De toetsen %en
&circa zes seconden tegelijkertijd
indrukken, tot het batterijcontrolelampje
tweemaal knippert (Ypagina 97).
iAls de instelling van het sluitsysteem bin-
nen het ontvangstgebied van de auto wordt
gewijzigd, leidt het indrukken van toets
&of %overeenkomstig:
Rtot het vergrendelen of
Rtot het ontgrendelen van de auto.
Nu werkt de sleutel als volgt:
XBestuurdersportier ontgrendelen: Een-
maal toets %indrukken.
XCentraal ontgrendelen: Tweemaal toets
%indrukken.
XCentraal vergrendelen: Vergrendelings-
toets &indrukken.
Bij de KEYLESS GO wijzigt de functie als volgt:
XBestuurdersportier ontgrendelen: De
portierhandgreep van het bestuurderspor-
tier aanraken.
XCentraal ontgrendelen: De binnenzijde
van de portierhandgreep van het passa-
giersportier of van een van de achterpor-
tieren aanraken.
XCentraal vergrendelen: De vergrende-
lingstoets op een van de portierhandgre-
pen indrukken.
XFabrieksinstelling herstellen: Circa 6
seconden tegelijkertijd de toetsen %en
&indrukken, tot het batterijcontrole-
lampje tweemaal knippert (Ypagina 97).
Noodsleutel
Algemene aanwijzingen
Als de auto niet meer met de sleutel kan wor-
den ver- of ontgrendeld, de noodsleutel
gebruiken.
Als het bestuurdersportier of de achterklep
met de noodsleutel wordt ontgrendeld en ver-
volgens wordt geopend, wordt het inbraak-
diefstal-alarmsysteem geactiveerd. Alarm
beëindigen (Ypagina 90).
Als de auto met de noodsleutel wordt ont-
grendeld, wordt de tankdopklep niet automa-
tisch ontgrendeld.
XTankdopklep ontgrendelen: De sleutel in
het contactslot steken.
96 Sleutel
Openen en sluiten
Noodsleutel verwijderen
XOntgrendelingsschuif :in de richting van
de pijl schuiven en tegelijkertijd noodsleu-
tel ;volledig uit de sleutel trekken.
Meer informatie over:
Rontgrendelen van het bestuurdersportier
(Ypagina 102)
Rontgrendelen van de bagageruimte
(Ypagina 108)
Rvergrendelen van de auto (Ypagina 103).
Noodsleutel aanbrengen
XDe noodsleutel ;volledig in de sleutel
schuiven, tot deze vergrendelt en de ont-
grendelingsschuif weer in de basisstand is.
Batterij van de sleutel
Belangrijke veiligheidsvoorschriften
GWAARSCHUWING
Batterijen bevatten giftige en agressieve stof-
fen. Wanneer batterijen ingeslikt worden, kan
dit tot ernstige gezondheidsschade leiden. Er
dreigt levensgevaar!
Batterijen bewaren op een voor kinderen
onbereikbare plaats. Wanneer batterijen
ingeslikt zijn, direct naar een arts gaan.
HMilieu-aanwijzing
Batterijen bevatten schade-
lijke stoffen. Het is bij wet
verboden batterijen samen
met het huisvuil af te voeren.
Ze moeten afzonderlijk wor-
den ingezameld en op mili-
euvriendelijke wijze worden
afgevoerd.
Batterijen op milieuvriende-
lijke wijze afvoeren. Lege
batterijen bij een gekwalifi-
ceerde werkplaats of bij de
daarvoor bestemde plaatsen
inleveren.
Mercedes-Benz adviseert de batterijen te
laten vervangen bij een gekwalificeerde werk-
plaats.
Batterij controleren
XToets &of %indrukken.
Als het batterijcontrolelampje :kort gaat
branden, is de batterij in orde.
Als het batterijcontrolelampje :niet kort
gaat branden, is de batterij leeg.
XDe batterij vervangen (Ypagina 98).
iAls de batterij van de sleutel binnen het
ontvangstgebied van de auto wordt gecon-
troleerd, leidt het indrukken van toets
&of %overeenkomstig:
Rtot het vergrendelen of
Rtot het ontgrendelen van de auto.
iDe batterij is verkrijgbaar bij elke gekwa-
lificeerde werkplaats.
Sleutel 97
Openen en sluiten
Z
Batterij vervangen
Er is één 3V-knoopcel van het type CR 2025
nodig.
XDe noodsleutel uit de sleutel trekken
(Ypagina 96).
XNoodsleutel ;in de richting van de pijl in
de opening van de sleutel drukken, tot bat-
terijdeksel :opent. Hierbij batterijdek-
sel :niet dichtdrukken.
XBatterijdeksel :verwijderen.
XDe sleutel kloppen tegen de binnenzijde
van de hand, tot batterij =uit de sleutel
valt.
XDe nieuwe batterij met de pluspool omhoog
aanbrengen. Hiervoor een pluisvrije doek
gebruiken.
XHet oppervlak van de batterij moet vrij van
pluisjes, vet of andere verontreinigingen
zijn.
XBatterijdeksel :van het batterijenvak met
de voorste lippen eerst in het huis aanbren-
gen en dichtdrukken.
XNoodsleutel ;in de sleutel aanbrengen.
XDe werking van alle toetsen in de sleutel
controleren.
98 Sleutel
Openen en sluiten
Problemen met de sleutel
Probleem Mogelijke oorzaak en/of gevolg en MMoplossingen
De auto kan met de
sleutel niet meer wor-
den ver- of ontgren-
deld.
De batterij van de sleutel is zwak of leeg.
XDe batterij van de sleutel controleren (Ypagina 97) en zo nodig
vervangen (Ypagina 98).
Als dit niet lukt:
XDe auto met de noodsleutel ontgrendelen (Ypagina 102) of
vergrendelen (Ypagina 103).
Een sterke radiobron veroorzaakt een storing.
XDe auto met de noodsleutel ontgrendelen (Ypagina 102) of
vergrendelen (Ypagina 103).
De sleutel is defect.
XDe auto met de noodsleutel ontgrendelen (Ypagina 102) of
vergrendelen (Ypagina 103).
XDe sleutel bij een gekwalificeerde werkplaats laten controleren.
De auto kan niet meer
met de KEYLESS GO
worden ver- of ontgren-
deld.
De batterij van de sleutel is zwak of leeg.
XDe batterij van de sleutel controleren (Ypagina 97) en zo nodig
vervangen (Ypagina 98).
Als dit niet lukt:
XDe auto met de noodsleutel ontgrendelen (Ypagina 102) of
vergrendelen (Ypagina 103).
Een sterke radiobron veroorzaakt een storing.
XDe auto met de noodsleutel ontgrendelen (Ypagina 102) of
vergrendelen (Ypagina 103).
De KEYLESS GO is defect.
XDe auto met de afstandsbedieningsfunctie van de sleutel ver-
of ontgrendelen.
XDe auto en de sleutel bij een gekwalificeerde werkplaats laten
controleren.
Als de auto ook niet met de afstandsbedieningsfunctie kan worden
ver- of ontgrendeld:
XDe auto met de noodsleutel ontgrendelen (Ypagina 102) of
vergrendelen (Ypagina 103).
XDe auto en de sleutel bij een gekwalificeerde werkplaats laten
controleren.
Sleutel 99
Openen en sluiten
Z
Probleem Mogelijke oorzaak en/of gevolg en MMoplossingen
De motor kan niet met
de sleutel worden
gestart.
De boordnetspanning is te laag.
XNiet noodzakelijke verbruikers, zoals de stoelverwarming of de
interieurverlichting, uitschakelen en opnieuw proberen de
motor te starten.
Als dit niet lukt:
XDe startaccu controleren en zo nodig opladen (Ypagina 442).
of
XStarthulp ontvangen (Ypagina 444).
of
XContact opnemen met een gekwalificeerde werkplaats.
De motor kan niet met
de start-stop-toets wor-
den gestart. De sleutel
bevindt zich in de auto.
De auto is vergrendeld.
XDe auto ontgrendelen en opnieuw proberen de auto te starten.
Een sterke radiobron veroorzaakt een storing.
XDe auto met de sleutel in het contactslot starten.
U heeft een sleutel ver-
loren.
XDe sleutel bij een gekwalificeerde werkplaats laten blokkeren.
XHet verlies direct aan uw verzekeringsmaatschappij melden.
XZo nodig de mechanische sloten laten vervangen.
U heeft de noodsleutel
verloren.
XHet verlies direct aan uw verzekeringsmaatschappij melden.
XZo nodig de mechanische sloten laten vervangen.
Portieren
Belangrijke veiligheidsvoorschriften
GWAARSCHUWING
Wanneer kinderen zonder toezicht in de auto
achterblijven, kunnen deze:
Rportieren openen en daardoor andere per-
sonen of verkeersdeelnemers in gevaar
brengen
Ruitstappen en door het verkeer worden
gegrepen
Ruitrusting van de auto bedienen en bijvoor-
beeld bekneld raken.
Bovendien kunnen de kinderen de auto in
beweging zetten, door bijvoorbeeld:
Rde parkeerrem vrij te zetten
Rde automatische transmissie uit parkeer-
stand Pte schakelen
Rde motor starten.
Er bestaat gevaar voor letsel en ongevallen!
Bij het verlaten van de auto altijd de sleutel
meenemen en de auto vergrendelen. Kinde-
ren en dieren nooit zonder toezicht in de auto
achterlaten. De sleutels bewaren op een voor
kinderen onbereikbare plaats.
GWaarschuwing
Als personen in het bijzonder kinderen
langdurig aan hoge of lage temperaturen wor-
den blootgesteld, bestaat gevaar voor letsel
100 Portieren
Openen en sluiten
of zelfs levensgevaar! Personen in het bij-
zonder kinderen nooit zonder toezicht in het
voertuig achterlaten.
Bagage of lading bij voorkeur in de bagage-
ruimte onderbrengen. De richtlijnen met
betrekking tot belading in acht nemen
(Ypagina 382).
Portieren van binnen uit ontgrendelen
en openen
Ook een vergrendeld portier kan van binnen
uit worden geopend. De achterportieren kun-
nen alleen van binnen uit worden geopend,
als de kinderbeveiliging (Ypagina 77) niet is
ingeschakeld. Als de auto met de sleutel of
met de KEYLESS GO vergrendeld is, wordt bij
het van binnen uit openen van een portier het
inbraak-diefstal-alarmsysteem geactiveerd.
Alarm beëindigen (Ypagina 90).
XAan portierhandgreep ;trekken.
Bij een portier dat is vergrendeld, komt
grendelknop :omhoog. Het portier is dan
ontgrendeld en opent.
Van binnen uit centraal ver- en ont-
grendelen
De auto kan van binnen uit centraal worden
ver- en ontgrendeld. De toetsen bevinden zich
in elk voorportier.
XOntgrendelen: Toets :indrukken.
XVergrendelen: Toets ;indrukken.
De auto wordt vergrendeld als het passa-
giersportier gesloten is.
Als het bestuurdersportier geopend is, blijft
deze niet-vergrendeld.
De tankdopklep wordt hierbij niet ver- of ont-
grendeld.
Als de auto met de sleutel of met de KEYLESS
GO is vergrendeld, kan de auto niet van bin-
nen uit centraal worden ontgrendeld.
De portieren kunnen van binnen uit worden
geopend. De achterportieren kunnen alleen
van binnen uit worden geopend, als de kin-
derbeveiliging (Ypagina 77) niet is ingescha-
keld.
Als de auto met de sleutel of met de KEYLESS
GO vergrendeld is, wordt bij het van binnen
uit openen van een portier het inbraak-dief-
stal-alarmsysteem geactiveerd. Alarm beëin-
digen (Ypagina 90).
iWanneer de auto met de vergrendelings-
toets voor de centrale vergrendeling of
automatisch vergrendeld is en een portier
van binnen uit geopend wordt:
Rwordt de complete auto ontgrendeld, als
deze hiervoor volledig ontgrendeld was
Rwordt alleen het portier, dat van binnen
uit geopend wordt, ontgrendeld, als hier-
voor alleen het bestuurdersportier ont-
grendeld was.
Portieren 101
Openen en sluiten
Z
Automatische vergrendeling
XUitschakelen: Toets :circa vijf secon-
den indrukken, tot een waarschuwingssig-
naal klinkt.
XInschakelen: Toets ;circa vijf seconden
indrukken, tot een waarschuwingssignaal
klinkt.
iAls een van de beide toetsen wordt inge-
drukt en er klinkt geen waarschuwingssig-
naal, is de betreffende instelling reeds
geselecteerd.
De auto wordt automatisch vergrendeld als
het contact is ingeschakeld en de wielen
draaien.
U kunt daarom worden buitengesloten, als:
Rde auto wordt aangeduwd
Rde auto wordt gesleept
Rde auto zich op een rollentestbank bevindt.
iDe automatische vergrendeling kan ook
met de COMAND Online worden in- of uit-
geschakeld (zie de afzonderlijke handlei-
ding).
Servosluiten
Het servosluiten trekt de portieren en de ach-
terklep automatisch in het slot, ook als deze
niet volledig gesloten zijn.
XServosluiten portier: Het portier tot in de
eerste klikstand in het slot drukken.
Het servosluiten trekt het portier volledig
dicht.
XServosluiten achterklep: De achterklep
zacht dichtdrukken.
Het servosluiten trekt de achterklep volle-
dig dicht.
Bestuurdersportier ontgrendelen
(noodsleutel)
Als de auto niet meer met de sleutel of met
de KEYLESS GO kan worden ontgrendeld, de
noodsleutel gebruiken.
XDe noodsleutel uit de sleutel trekken
(Ypagina 96).
XDe punt van de noodsleutel in de sleuf van
de afdekkap van het slot van het bestuur-
dersportier steken en verdraaien, tot de
afdekkap loskomt.
XDe noodsleutel tot de aanslag in het slot
van het bestuurdersportier schuiven.
XDe noodsleutel tot de aanslag linksom in
stand 1draaien en in deze stand vast-
houden.
De grendelknop komt omhoog, het portier
is ontgrendeld.
iBij auto's met rechts stuur de noodsleutel
rechtsom draaien.
XDe noodsleutel terugdraaien en verwijde-
ren.
102 Portieren
Openen en sluiten
XDe noodsleutel in de sleutel aanbrengen.
XDe afdekkap met het dikkere einde in rij-
richting vóór het slot van het bestuurders-
portier houden en vastdrukken. Daarbij
erop letten dat de sleuf van de afdekkap
horizontaal is.
Als het bestuurdersportier of de achterklep
met de noodsleutel wordt ontgrendeld en ver-
volgens wordt geopend, wordt het inbraak-
diefstal-alarmsysteem geactiveerd. Alarm
beëindigen (Ypagina 90).
Auto vergrendelen (noodsleutel)
Als de auto niet meer met de sleutel of met
de KEYLESS GO kan worden vergrendeld, de
noodsleutel gebruiken.
XHet bestuurdersportier openen.
XHet passagiersportier, de achterportieren
en de achterklep sluiten.
XDe vergrendelingstoets indrukken
(Ypagina 101).
XDe grendelknoppen in het passagierspor-
tier en de achterportieren mogen niet meer
zichtbaar zijn. Zo nodig de grendelknoppen
met de hand omlaagdrukken.
XHet bestuurdersportier sluiten.
XDe noodsleutel uit de sleutel trekken
(Ypagina 96).
XEventueel de punt van de noodsleutel in de
sleuf van de afdekkap van het slot van het
bestuurdersportier steken en verdraaien,
tot de afdekkap loskomt.
XDe noodsleutel tot de aanslag in het slot
van het bestuurdersportier schuiven.
XDe noodsleutel tot de aanslag linksom in
stand 1draaien.
De grendelknop gaat omlaag, het bestuur-
dersportier is vergrendeld.
iBij auto's met rechts stuur de noodsleutel
linksom draaien.
XDe noodsleutel terugdraaien en verwijde-
ren.
XDe portieren en de achterklep moeten ver-
grendeld zijn; dit controleren.
XDe noodsleutel in de sleutel aanbrengen.
XDe afdekkap met het dikkere einde in rij-
richting vóór het slot van het bestuurders-
portier houden en vastdrukken. Daarbij
erop letten dat de sleuf van de afdekkap
horizontaal is.
iAls de auto zoals boven beschreven wordt
vergrendeld, is de tankdopklep niet ver-
grendeld. Het inbraak-diefstal-alarmsys-
teem wordt niet geactiveerd.
Bagageruimte
Belangrijke veiligheidsvoorschriften
GWAARSCHUWING
Als voorwerpen, bagage of lading onbeveiligd
of onvoldoende beveiligd zijn, kunnen ze ver-
schuiven, kantelen of rondvliegen en inzitten-
den raken. Er bestaat gevaar voor letsel, in het
bijzonder bij remmanoeuvres of plotselinge
richtingswijzigingen!
Voorwerpen altijd zodanig opbergen, dat ze
niet kunnen rondvliegen. Voorwerpen,
Bagageruimte 103
Openen en sluiten
Z
bagage of lading voor iedere rit beveiligen
tegen verschuiven of kantelen.
GWaarschuwing
Als personen in het bijzonder kinderen
langdurig aan hoge of lage temperaturen wor-
den blootgesteld, bestaat gevaar voor letsel
of zelfs levensgevaar! Personen in het bij-
zonder kinderen nooit zonder toezicht in het
voertuig achterlaten.
!De achterklep zwenkt bij het openen
omhoog. Daarom erop letten dat er vol-
doende ruimte boven de achterklep is.
iDe openingsmaten van de achterklep
vindt u in het hoofdstuk "Autogegevens"
(Ypagina 500).
De sleutels niet in de bagageruimte laten lig-
gen. Anders kunt u zich buitensluiten.
Bagage of lading bij voorkeur in de bagage-
ruimte onderbrengen. De richtlijnen met
betrekking tot belading in acht nemen
(Ypagina 382).
Obstakeldetectie met anti-inklem-
functie van de achterklep
Bij auto's met afstandsbediening achterklep
sluiten is de achterklep uitgerust met een
automatische obstakeldetectie met anti-
inklemfunctie. Wanneer een solide object de
achterklep bij het automatisch openen of slui-
ten hindert of belemmert, wordt de beweging
onderbroken. Als de achterklep tijdens het
sluiten wordt gestopt, wordt deze automa-
tisch weer geopend. De automatische obsta-
keldetectie met anti-inklemfunctie is echter
alleen maar een hulpmiddel. U dient zelf altijd
goed te blijven opletten bij het openen en
sluiten van de achterklep.
GWAARSCHUWING
De anti-inklemfunctie reageert niet:
Rop zachte, lichte en dunne objecten, bij-
voorbeeld kleine vingers
Rop de laatste 8 mm van de sluitweg.
Daardoor kan de anti-inklemfunctie het
inklemmen in deze situaties niet voorkomen.
Er bestaat gevaar voor letsel!
Bij het sluiten controleren, of zich geen
lichaamsdelen in het sluitgebied bevinden.
Wanneer iemand bekneld raakt:
Rtoets Fop de sleutel indrukken, of
Rde afstandsbedieningstoets op het
bestuurdersportier indrukken, of
Rde sluit- of vergrendelingstoets in de ach-
terklep indrukken, of
Raan de handgreep van de achterklep trek-
ken.
Handmatig openen en sluiten
Openen
XToets Fin de sleutel indrukken.
XAan handgreep :trekken.
XDe achterklep opent.
104 Bagageruimte
Openen en sluiten
Sluiten
XDe achterklep aan handgreepkom :
omlaagtrekken.
Auto's met afstandsbediening achterklep
sluiten of servosluiten:
XDe achterklep zacht dichtdrukken.
Het servosluiten trekt de achterklep volle-
dig dicht.
XDe auto zo nodig met toets &van de
sleutel of met de KEYLESS GO vergrende-
len (Ypagina 95).
iAls KEYLESS GO een sleutel in de baga-
geruimte herkent, kan de achterklep niet
worden vergrendeld en opent weer.
Automatisch van buitenaf openen en
sluiten
Belangrijke veiligheidsvoorschriften
GWAARSCHUWING
Bij het automatisch sluiten van de achterklep
kunnen lichaamsdelen bekneld raken . Boven-
dien kunnen er zich personen in het sluitge-
bied bevinden of tijdens het sluiten in het
sluitgebied komen, bijvoorbeeld kinderen. Er
bestaat gevaar voor letsel!
Tijdens het sluiten mag niemand zich in de
omgeving van het sluitgebied bevinden; dit
controleren.
Om het sluiten te stoppen, een van de vol-
gende mogelijkheden gebruiken:
RToets Fop de sleutel indrukken.
RDe afstandsbedieningstoets op het
bestuurdersportier indrukken.
RDe sluit- of vergrendelingstoets in de ach-
terklep indrukken.
RAan de handgreep in de achterklep trekken.
!De achterklep zwenkt bij het openen
omhoog. Daarom erop letten dat er vol-
doende ruimte boven de achterklep is.
iDe openingsmaten van de achterklep
vindt u in het hoofdstuk "Autogegevens"
(Ypagina 500).
Openen
De achterklep kan met de sleutel of met de
handgreep in de achterklep automatisch wor-
den geopend.
XDe toets Fvan de sleutel zo lang indruk-
ken, tot de achterklep opent.
of
XBij ontgrendelde achterklep aan de hand-
greep van de achterklep trekken en direct
weer loslaten.
Sluiten
XSluiten: Sluittoets :in de achterklep
indrukken.
Bagageruimte 105
Openen en sluiten
Z
Auto's met afstandsbediening achterklep
sluiten en KEYLESS GO: Als alle portieren
gesloten zijn, kunt u tegelijkertijd de achter-
klep sluiten en de auto vergrendelen. De sleu-
tel moet zich daartoe achter de auto in het
herkenningsgebied van de KEYLESS GO
bevinden.
XVergrendelingstoets ;in de achterklep
indrukken.
Als een sleutel buiten de auto wordt her-
kend door KEYLESS GO, wordt de achter-
klep gesloten en is de auto vergrendeld.
iAls alleen in de bagageruimte een KEY-
LESS GO sleutel wordt herkend, wordt de
achterklep na het sluiten weer geopend.
De achterklep blijft gesloten als een
tweede sleutel buiten de auto wordt her-
kend.
HANDS-FREE ACCESS
Belangrijke veiligheidsvoorschriften
GWAARSCHUWING
Het uitlaatsysteem van de auto kan zeer heet
zijn. Als u de HANDS-FREE ACCESS gebruikt,
kunt u zich branden bij het aanraken van het
uitlaatsysteem. Er bestaat gevaar voor letsel!
Ervoor zorgen dat de schoppende beweging
alleen plaatsvindt in het herkenningsgebied
van de sensoren.
!Als de sleutel zich in het achterste her-
kenningsgebied van de KEYLESS GO
bevindt, kan de achterklep in bijvoorbeeld
de volgende situaties onbedoeld openen:
Rbij het gebruik van een autowasstraat
Rbij gebruik van een hogedrukreiniger.
Erop letten dat de sleutel ten minste 2 m
van de auto verwijderd is.
Algemene aanwijzingen
Met KEYLESS GO en HANDS-FREE ACCESS
kan de achterklep zonder handen worden
geopend, gesloten of gestopt. Dit kan nuttig
zijn als u de handen niet vrij heeft. Hiertoe
volstaat een schoppende beweging met de
voet onder de bumper.
Daarbij op de volgende punten letten:
REen KEYLESS GO-sleutel altijd meenemen.
De sleutel met KEYLESS GO moet zich ach-
ter de auto in het herkenningsgebied van
de KEYLESS GO bevinden.
RErvoor zorgen dat u bij het maken van de
schoppende beweging stevig staat en dat
er voldoende vrije ruimte achter de auto is.
Anders kunt u bijvoorbeeld bij ijzel uw
evenwicht verliezen.
RErvoor zorgen dat de schoppende bewe-
ging alleen plaatsvindt in het herkennings-
gebied van de sensoren :.
RBij de schoppende beweging ten minste
30 cm van de achterzijde verwijderd blij-
ven.
RBij de schoppende beweging niet de bum-
per aanraken. Anders kunnen de sensoren
niet correct functioneren.
RDe HANDS-FREE ACCESS functioneert niet
tijdens het starten van de motor.
RAls zich achter de auto in het herkennings-
gebied van de KEYLESS GO een KEYLESS
GO-sleutel bevindt, kan de HANDS-FREE
ACCESS worden geactiveerd. Daardoor
106 Bagageruimte
Openen en sluiten
kan de achterklep onbedoeld openen of
sluiten, als bijvoorbeeld:
-de kogelkop wordt in- of uitgeklapt
-een aanhangwagen wordt aan- of afge-
koppeld
-een fietsdrager op de achterklep wordt
gemonteerd of verwijderd
-fietsen op een fietsdrager op de achter-
klep worden geplaatst of ervan af worden
gehaald
-iets achter de auto wordt neergezet of
opgetild
-de achterzijde van de auto wordt
gepoetst.
In deze en vergelijkbare situaties geen KEY-
LESS GO-sleutel bij u dragen. Daardoor
wordt onbedoeld openen en sluiten van de
achterklep voorkomen.
RVervuiling door pekel bij de sensoren :
kan de werking nadelig beïnvloeden.
RBij bediening van HANDS-FREE ACCESS
met een beenprothese kan de werking
beperkingen vertonen.
Bediening
XOpenen en sluiten: In het herkenningsge-
bied van de sensoren :met de voet een
schoppende beweging onder de bumper
maken.
Tijdens het openen of sluiten van de ach-
terklep klinkt er een waarschuwingssig-
naal.
XAls de achterklep na meerdere pogin-
gen niet opent: Ten minste 10 seconden
wachten en dan opnieuw met uw voet een
schoppende beweging onder de bumper
maken.
iAls de voet te lang onder de bumper wordt
gehouden, wordt de achterklep niet
geopend of gesloten. In dit geval de schop-
pende beweging sneller herhalen.
Om de openings- of sluitprocedure te onder-
breken:
Rin het herkenningsgebied van de sensor
met de voet een schoppende beweging
onder de bumper maken, of
Rbuiten aan de handgreep van de achterklep
trekken, of
Rde sluittoets in de achterklep indrukken, of
Rtoets Fvan de sleutel indrukken.
Als de sluitprocedure van de achterklep
onderbroken is:
ROpnieuw met de voet een schoppende
beweging onder de bumper maken en de
achterklep wordt geopend.
Als de openingsprocedure van de achterklep
onderbroken is:
ROpnieuw met de voet een schoppende
beweging onder de bumper maken en de
achterklep wordt gesloten.
Automatisch van binnen uit openen
en sluiten
Belangrijke veiligheidsvoorschriften
GWAARSCHUWING
Bij het automatisch sluiten van de achterklep
kunnen lichaamsdelen bekneld raken . Boven-
dien kunnen er zich personen in het sluitge-
bied bevinden of tijdens het sluiten in het
sluitgebied komen, bijvoorbeeld kinderen. Er
bestaat gevaar voor letsel!
Tijdens het sluiten mag niemand zich in de
omgeving van het sluitgebied bevinden; dit
controleren.
Bagageruimte 107
Openen en sluiten
Z
Om het sluiten te stoppen, een van de vol-
gende mogelijkheden gebruiken:
RToets Fop de sleutel indrukken.
RDe afstandsbedieningstoets op het
bestuurdersportier indrukken.
RDe sluit- of vergrendelingstoets in de ach-
terklep indrukken.
RAan de handgreep in de achterklep trekken.
!De achterklep zwenkt bij het openen
omhoog. Daarom erop letten dat er vol-
doende ruimte boven de achterklep is.
iDe openingsmaten van de achterklep
vindt u in het hoofdstuk "Autogegevens"
(Ypagina 500).
Openen en sluiten
Als de auto stilstaat en ontgrendeld is, kan de
achterklep vanaf de bestuurdersstoel worden
geopend en gesloten.
XOpenen: Aan de afstandsbedieningstoets
voor de achterklep :trekken, tot de ach-
terklep opent.
XSluiten: De afstandsbedieningstoets voor
de achterklep :indrukken, tot de achter-
klep volledig gesloten is.
Bagageruimte afzonderlijk vergrende-
len
De functie bagageruimte separaat vergren-
delen is alleen in bepaalde landen beschik-
baar.
De bagageruimte kan separaat worden ver-
grendeld. Als vervolgens de auto centraal
wordt ontgrendeld, blijft de bagageruimte
vergrendeld en kan niet worden geopend.
Activeren bagageruimte afzonderlijk vergren-
delen:
XDe achterklep sluiten.
XHet dashboardkastje openen.
XDe schakelaar in stand ;schuiven.
Als de auto centraal wordt ontgrendeld,
blijft de bagageruimte vergrendeld.
iOok het dashboardkastje kan worden ver-
grendeld (Ypagina 383).
Deactiveren bagageruimte afzonderlijk ver-
grendelen
XHet dashboardkastje openen.
XDe schakelaar in stand :schuiven.
Als de auto centraal wordt ontgrendeld,
wordt de bagageruimte eveneens ontgren-
deld.
Bagageruimte ontgrendelen (nood-
sleutel)
!De achterklep zwenkt bij het openen
omhoog. Daarom erop letten dat er vol-
doende ruimte boven de achterklep is.
Als de bagageruimte niet meer met de sleutel,
met KEYLESS GO of met HANDS-FREE
ACCESS kan worden ontgrendeld, kan de
noodsleutel worden gebruikt.
Als de achterklep met de noodsleutel wordt
ontgrendeld en vervolgens wordt geopend,
108 Bagageruimte
Openen en sluiten
wordt het inbraak-diefstal-alarmsysteem
geactiveerd. Alarm beëindigen (Ypagina 90).
XDe noodsleutel uit de sleutel trekken
(Ypagina 96).
XDe noodsleutel tot de aanslag in het ach-
terklepslot steken.
XDe noodsleutel van stand 1tot de aanslag
linksom in stand 2draaien.
De achterklep is ontgrendeld.
XDe noodsleutel in stand 1terugdraaien en
verwijderen.
XDe noodsleutel in de sleutel aanbrengen.
iAls u de auto vergrendelt (Ypagina 103),
wordt de bagageruimte eveneens vergren-
deld.
Zijruiten
Belangrijke veiligheidsvoorschriften
GWAARSCHUWING
Bij het openen van een zijruit kunnen
lichaamsdelen tussen de zijruit en het ruit-
frame getrokken worden of bekneld raken. Er
bestaat gevaar voor letsel!
Bij het openen controleren dat niemand de
zijruit aanraakt. Wanneer iemand bekneld
raakt, de toets direct loslaten of aan de toets
trekken om de zijruit weer te sluiten.
GWAARSCHUWING
Bij het sluiten van een zijruit kunnen lichaams-
delen in het sluitgebied bekneld raken. Er
bestaat gevaar voor letsel!
Bij het sluiten controleren dat zich geen
lichaamsdelen in het sluitgebied bevinden.
Wanneer iemand bekneld raakt, de toets
direct loslaten of aan op de toets drukken om
de zijruit weer te openen.
GWAARSCHUWING
Wanneer kinderen de zijruiten bedienen, kun-
nen deze bekneld raken, in het bijzonder wan-
neer ze zonder toezicht zijn. Er bestaat gevaar
voor letsel!
De kinderbeveiliging voor de zijruiten achterin
activeren. Bij het verlaten van de auto altijd
de sleutel meenemen en de auto vergrende-
len. Kinderen nooit zonder toezicht in de auto
achterlaten.
Anti-inklemfunctie van de zijruiten
De zijruiten zijn uitgerust met een automati-
sche anti-inklemfunctie. Indien een solide
object een van de zijruiten bij de sluitproce-
dure hindert of belemmert, gaat de zijruit
automatisch weer open. De automatische
anti-inklemfunctie is echter slechts een hulp-
middel en is geen vervanging van uw oplet-
tendheid tijdens het sluiten van een zijruit.
GWAARSCHUWING
De anti-inklemfunctie reageert niet:
Rop zachte, lichte en dunne objecten, bij-
voorbeeld kleine vingers
Rop de laatste 4 mm van de sluitweg
Rtijdens het initialiseren
Rbij het opnieuw handmatig sluiten van de
zijruit, direct na een automatische anti-
inklemming.
Daardoor kan de anti-inklemfunctie het
inklemmen in deze situaties niet voorkomen.
Er bestaat gevaar voor letsel!
Zijruiten 109
Openen en sluiten
Z
Bij het sluiten controleren, of zich geen
lichaamsdelen in het sluitgebied bevinden.
Indien er iemand bekneld raakt, de schakelaar
indrukken om de zijruit weer te openen.
Zijruiten openen en sluiten
De toetsen voor alle zijruiten bevinden zich in
het bestuurdersportier. Bovendien bevindt
zich in elk portier een toets voor de betref-
fende zijruit.
De toetsen in het bestuurdersportier hebben
voorrang.
XDe sleutel in het contactslot in stand 1of
2draaien.
XHandmatig openen: De betreffende toets
indrukken.
XVolledig openen: Tot voorbij het drukpunt
op de betreffende toets drukken.
De automatische beweging wordt gestart.
XHandmatig sluiten: Aan de betreffende
toets trekken.
XVolledig sluiten: Tot voorbij het drukpunt
aan de betreffende toets trekken.
De automatische beweging wordt gestart.
XAutomatische beweging onderbreken:
De betreffende toets opnieuw bedienen.
iAls de toets tot voorbij het drukpunt
wordt bediend, wordt een automatische
beweging in de betreffende richting
gestart. Deze automatische beweging kan
worden gestopt door de toets opnieuw te
bedienen.
iDe zijruiten kunnen nog worden bediend
als de motor wordt afgezet en de sleutel uit
het contactslot wordt verwijderd. Deze
functie is vijf minuten beschikbaar of totdat
er een voorportier wordt geopend.
iAls de kinderbeveiliging voor de zijruiten
is ingeschakeld (Ypagina 78), is bediening
achterin van de zijruiten niet mogelijk.
iInformatie over het openen en sluiten van
de zonneschermen van de achterste zijrui-
ten (Ypagina 393).
Comfortopenen
Algemene aanwijzingen
De auto kan voor aanvang van de rit worden
geventileerd.
Als de sleutel zich dichtbij de auto bevindt, is
de functie "Comfortopenen" beschikbaar.
Daartoe worden met de sleutel tegelijkertijd
de volgende functies uitgevoerd:
Rontgrendelen van de auto
Ropenen van de zijruiten
Ropenen van het panoramaschuifdak en het
zonnescherm
Rinschakelen van de stoelventilatie van de
bestuurdersstoel.
Comfortopenen
XDe toets %zo lang indrukken, tot de zij-
ruiten en het panoramaschuifdak de
gewenste stand hebben bereikt.
Als de zonneschermen van het panorama-
schuifdak gesloten zijn, openen als eerste
de zonneschermen.
XDe toets %opnieuw zo lang indrukken,
tot het panoramaschuifdak de gewenste
stand heeft bereikt.
XComfortopenen onderbreken: De toets
%loslaten.
110 Zijruiten
Openen en sluiten
Comfortsluiten
Belangrijke veiligheidsvoorschriften
GWAARSCHUWING
Bij het comfortsluiten kunnen lichaamsdelen
in het sluitgebied van de zijruit en het schuif-
dak bekneld raken. Er bestaat gevaar voor
letsel!
Bij het comfortsluiten de complete sluitpro-
cedure controleren. Bij het sluiten controle-
ren, of zich geen lichaamsdelen in het sluit-
gebied bevinden.
Als de auto wordt vergrendeld, worden ver-
volgens tegelijkertijd:
Rde zijruiten gesloten
Rhet panoramaschuifdak gesloten.
Bij auto's met panoramaschuifdak kunnen
vervolgens de zonneschermen worden geslo-
ten.
iAanwijzingen m.b.t. de automatische
anti-inklemfunctie:
Rvan de zijruiten (Ypagina 109)
Rvan het panoramaschuifdak
(Ypagina 114)
Met de sleutel
XDe toets &zo lang indrukken, tot de zij-
ruiten en het panoramaschuifdak volledig
gesloten zijn.
XAlle zijruiten en het panoramaschuifdak
moeten gesloten zijn.
Bij auto's met panoramaschuifdak:
XDe toets &opnieuw zo lang indrukken,
tot de zonneschermen van het panorama-
schuifdak sluiten.
XComfortsluiten onderbreken: De toets
&loslaten.
Met KEYLESS GO
De sleutel moet zich buiten de auto bevinden.
Alle portieren moeten gesloten zijn.
XHet verdiepte sensorvlak :in de portier-
handgreep zo lang aanraken, tot de zijrui-
ten en het panoramaschuifdak volledig
gesloten zijn.
iErop letten dat u uitsluitend het verdiepte
sensorvlak :aanraakt.
XAlle zijruiten en het panoramaschuifdak
moeten gesloten zijn.
XHet verdiepte sensorvlak :in de portier-
handgreep opnieuw zo lang aanraken, tot
de zonneschermen van het panorama-
schuifdak sluiten.
XComfortsluiten onderbreken: Het ver-
diepte sensorvlak :in de portierhand-
greep loslaten.
Zijruiten initialiseren
Als een zijruit niet meer volledig sluit, moet
deze opnieuw worden geïnitialiseerd.
XAlle portieren sluiten.
XDe sleutel in het contactslot in stand 1of
2draaien.
XZo lang aan de betreffende toets in de por-
tierbedieningseenheid trekken, tot de zij-
ruit gesloten is (Ypagina 110).
XNog één extra seconde aan de toets trek-
ken.
Als een zijruit weer iets opent:
XDirect daarna opnieuw zo lang aan de
betreffende toets in de portierbedienings-
Zijruiten 111
Openen en sluiten
Z
eenheid trekken, tot de zijruit gesloten is
(Ypagina 110).
XNog één extra seconde aan de toets trek-
ken.
XAls de betreffende zijruit na het loslaten
van de toets gesloten blijft, is deze correct
geïnitialiseerd. Als dit niet het geval is, de
genoemde stappen nog een keer herhalen.
112 Zijruiten
Openen en sluiten
Problemen met de zijruiten
GWAARSCHUWING
Bij het opnieuw sluiten van een zijruit direct na het blokkeren of initialiseren, sluit de zijruit met
verhoogde of maximale kracht. De anti-inklemfunctie is daarbij niet actief. Daarbij kunnen
lichaamsdelen in het sluitgebied bekneld raken. Er bestaat een verhoogd gevaar voor letsel of
zelfs levensgevaar!
Erop letten, dat zich geen lichaamsdelen in het sluitgebied bevinden. Om het sluiten te onder-
breken, de schakelaar loslaten of opnieuw indrukken om de zijruit weer te openen.
Probleem Mogelijke oorzaak en/of gevolg en MMoplossingen
Een zijruit kan niet wor-
den gesloten omdat
voorwerpen, bijvoor-
beeld bladeren in de
ruitgeleider, dit verhin-
deren.
XDe voorwerpen verwijderen.
XDe zijruit sluiten.
Een zijruit kan niet wor-
den gesloten en de oor-
zaak is niet zichtbaar.
Als een zijruit bij het sluiten wordt geblokkeerd en weer iets opent:
XOnmiddellijk na het blokkeren de betreffende toets opnieuw zo
lang omhoogtrekken tot de zijruit gesloten is.
De zijruit wordt met verhoogde sluitkracht gesloten.
Als de zijruit bij het sluiten opnieuw wordt geblokkeerd en weer
iets opent:
XOnmiddellijk na het blokkeren de betreffende toets opnieuw zo
lang omhoogtrekken tot de zijruit gesloten is.
De zijruit wordt zonder inklembeveiliging gesloten.
Panoramaschuifdak
Belangrijke veiligheidsvoorschriften
In de hiernavolgende tekst heeft het begrip
"schuifdak" betrekking op het panorama-
schuifdak.
GWAARSCHUWING
Bij het openen en sluiten kunnen lichaamsde-
len in het bewegingsgebied van het schuifdak
bekneld raken. Er bestaat gevaar voor letsel!
Bij het openen en sluiten controleren dat zich
geen lichaamsdelen in het bewegingsgebied
bevinden.
Wanneer iemand bekneld raakt:
Rdirect de toets loslaten of
Rtijdens de automatische beweging de toets
kort in een willekeurige richting drukken.
Het openen of sluiten wordt gestopt.
GWAARSCHUWING
Wanneer kinderen het schuifdak bedienen,
kunnen deze bekneld raken, in het bijzonder
wanneer ze zonder toezicht zijn. Er bestaat
gevaar voor letsel!
Bij het verlaten van de auto altijd de sleutel
meenemen en de auto vergrendelen. Kinde-
ren nooit zonder toezicht in de auto achterla-
ten.
Panoramaschuifdak 113
Openen en sluiten
Z
GWAARSCHUWING
Het gekantelde schuifdak wordt bij hogere
snelheden aan de achterzijde automatisch
iets minder ver geopend. Daardoor kunnen u
of anderen bekneld raken. Er bestaat gevaar
voor letsel! Erop letten, dat tijdens het rijden
niemand in het bewegingsgebied van het
schuifdak komt.
Als iemand bekneld raakt, direct de schuif-
daktoets naar achteren trekken. Het schuif-
dak komt omhoog bij het openen.
!Het schuifdak alleen openen als er geen
sneeuw of ijs op het dak ligt. Anders kun-
nen storingen in de werking optreden.
Geen scherpe voorwerpen vervoeren die
uit het schuifdak steken. De afdichtrubbers
kunnen worden beschadigd.
iAls het schuifdak geopend is, kunnen in
het interieur, behalve het normale windge-
ruis, ook resonantiegeluiden ontstaan.
Deze zijn het gevolg van drukschommelin-
gen in het interieur. De stand van het
schuifdak wijzigen of een zijruit iets openen
om deze geluiden te verminderen of op te
heffen.
Anti-inklemfunctie van het schuifdak
Het schuifdak is uitgerust met een automati-
sche anti-inklemfunctie. Indien een solide
object het schuifdak bij de sluitprocedure
hindert of belemmert, gaat het schuifdak
automatisch weer open. De automatische
anti-inklemfunctie is echter slechts een hulp-
middel en is geen vervanging van uw oplet-
tendheid tijdens het sluiten van het schuif-
dak.
GWAARSCHUWING
De anti-inklemfunctie reageert met name
niet:
Rop zachte, lichte en dunne objecten, bij-
voorbeeld kleine vingers
Rop de laatste 4 mm van de sluitweg
Rtijdens het initialiseren
Rbij het opnieuw handmatig sluiten van het
schuifdak, direct na een automatische anti-
inklemming.
Daardoor kan de anti-inklemfunctie het
inklemmen in deze situaties niet voorkomen.
Er bestaat gevaar voor letsel!
Bij het sluiten controleren, of zich geen
lichaamsdelen in het sluitgebied bevinden.
Wanneer iemand bekneld raakt:
Rdirect de toets loslaten of
Rtijdens de automatische beweging de toets
kort in een willekeurige richting drukken.
Het sluiten wordt onderbroken.
Schuifdak bedienen
Openen en sluiten
:Omhoogkantelen
;Openen
=Sluiten/omlaagbrengen
XDe sleutel in het contactslot in stand 1of
2draaien.
XToets 3in de betreffende richting druk-
ken of trekken.
iAls toets 3tot voorbij het drukpunt
wordt bediend, wordt een automatische
beweging in de betreffende richting
gestart. De automatische beweging kan
worden gestopt door de toets opnieuw in
te drukken of hieraan te trekken.
114 Panoramaschuifdak
Openen en sluiten
iAls het schuifdak aan de achterzijde
omhooggekanteld is, wordt het bij hogere
snelheden automatisch iets minder ver
geopend. Daardoor wordt de geluidspro-
ductie in het interieur verlaagd.
Bij lage snelheden wordt het automatisch
weer verder geopend.
iHet schuifdak kan nog worden bediend
als de motor wordt afgezet en de sleutel uit
het contactslot wordt verwijderd. Deze
functie is vijf minuten beschikbaar of totdat
er een voorportier wordt geopend.
iHet schuifdak kan niet worden geopend
als een dakdrager is gemonteerd. Om het
interieur te ventileren, kan schuifdak het
nog steeds omhoog worden gebracht.
Bij contact met een door Mercedes-Benz
goedgekeurde dakdrager zakt het schuif-
dak iets, maar blijft aan de achterzijde in de
kantelstand staan.
Sluiten bij regen als de auto is gepar-
keerd
Als de sleutel in het contactslot in stand 0
staat of verwijderd is, wordt het panorama-
schuifdak automatisch gesloten:
Rals het gaat regenen
Rbij extreme buitentemperaturen
Rna zes uur
Rbij storingen in de spanningsvoorziening.
Het schuifdak blijft aan de achterzijde
omhooggekanteld, om het interieur te venti-
leren.
Het schuifdak wordt niet gesloten als:
Rhet achteraan omhooggekanteld is
Rhet geblokkeerd is
Rhet niet op het sensorvlak van de regen-
sensor in de voorruit regent (bijvoorbeeld
als de auto onder een brug staat).
iAls het schuifdak met de functie "sluiten
bij regen" wordt gesloten en daarbij wordt
geblokkeerd, wordt het weer iets geopend.
Daarna is de functie "sluiten bij regen"
gedeactiveerd.
Sluiten bij regen als de auto rijdt
Als het gaat regenen, wordt het gekantelde
schuifdak tijdens het rijden automatisch
omlaaggebracht. Het omlaagbrengen
gebeurt afhankelijk van:
Rde rijsnelheid en
Rde intensiteit van de regen.
De automatische sluitprocedure kan hand-
matig worden afgebroken. Daartoe de toets
3in een willekeurige richting drukken of
trekken.
Om het schuifdak weer omhoog te brengen,
de toets 3in de richting :drukken. De
functie "sluiten bij regen" blijft actief.
Zonneschermen van het schuifdak
bedienen
Belangrijke veiligheidsvoorschriften
GWAARSCHUWING
Bij het openen of sluiten kunnen lichaamsde-
len tussen het zonnescherm en de omlijsting
of het schuifdak bekneld raken. Er bestaat
gevaar voor letsel!
Bij het openen of sluiten controleren, of zich
geen lichaamsdelen in het bewegingsgebied
van het zonnescherm bevinden.
Wanneer iemand bekneld raakt:
Rdirect de toets loslaten of
Rtijdens de automatische beweging de toets
kort in een willekeurige richting drukken.
Het openen of sluiten wordt gestopt.
De zonneschermen dienen ter bescherming
tegen zonnestraling. Het voorste zonne-
scherm kan alleen bij gesloten schuifdak wor-
den geopend of gesloten.
Panoramaschuifdak 115
Openen en sluiten
Z
Anti-inklemfunctie van de zonnescher-
men
De zonneschermen zijn uitgerust met een
automatische anti-inklemfunctie. Indien een
solide object het zonnescherm bij de sluit-
procedure hindert of belemmert, gaat het
zonnescherm automatisch weer open. De
automatische anti-inklemfunctie is echter
slechts een hulpmiddel en is geen vervanging
van uw oplettendheid tijdens het sluiten van
de zonneschermen.
GWAARSCHUWING
De anti-inklemfunctie reageert in het bijzon-
der niet op zachte, lichte en dunne objecten,
zoals kleine vingers. Daardoor kan de anti-
inklemfunctie het inklemmen in deze situaties
niet voorkomen. Er bestaat gevaar voor letsel!
Bij het sluiten van het zonnescherm controle-
ren, of zich geen lichaamsdelen in het bewe-
gingsgebied bevinden.
Wanneer iemand bekneld raakt:
Rdirect de toets loslaten of
Rtijdens de automatische beweging de toets
kort in een willekeurige richting drukken.
Het sluiten wordt onderbroken.
Voorste zonnescherm openen en slui-
ten
:Openen
;Openen
=Sluiten
iHet voorste zonnescherm kan alleen wor-
den gesloten als het schuifdak gesloten is.
XDe sleutel in het contactslot in stand 1of
2draaien.
XToets 3in richting :drukken.
Het voorste zonnescherm gaat open, ver-
volgens kantelt het schuifdak omhoog.
XToets 3in richting ;trekken.
Het voorste zonnescherm gaat open.
XToets 3in richting =trekken.
Als het schuifdak gesloten is, gaat het voor-
ste zonnescherm dicht.
iAls toets 3tot voorbij het drukpunt
wordt bediend, wordt een automatische
beweging in de betreffende richting
gestart. De automatische beweging kan
worden gestopt door de toets opnieuw in
te drukken of hieraan te trekken.
Zonnescherm achter openen en sluiten
Vanuit voorin bedienen
XOpenen of sluiten: Toets :indrukken.
Het achterste zonnescherm wordt volledig
geopend of gesloten.
XStoppen: Opnieuw toets :indrukken.
iVoor een verandering van richting moet
het achterste zonnescherm eerst volledig
worden geopend of gesloten.
116 Panoramaschuifdak
Openen en sluiten
Vanuit achterin bedienen
XHandmatig openen of sluiten: Toets :
tot het drukpunt drukken of trekken, tot het
achterste zonnescherm de gewenste stand
heeft bereikt.
XVolledig openen of sluiten: Toets :tot
voorbij het drukpunt drukken of trekken en
loslaten.
Initialiseren van schuifdak en zonne-
scherm
Schuifdak of voorste zonnescherm ini-
tialiseren
Als het voorste zonnescherm of schuifdak
slechts stapsgewijs bewegen, moeten het
zonnescherm of het schuifdak opnieuw wor-
den geïnitialiseerd.
XDe sleutel in het contactslot in stand 1of
2draaien.
XToets 3meerdere keren zo lang tot het
drukpunt in de richting van de pijl :trek-
ken, tot het schuifdak geheel gesloten is.
XToets 3nog één seconde vasthouden.
XToets 3meerdere keren zo lang in de
richting van pijl :trekken, tot het voorste
zonnescherm gesloten is.
XToets 3nog één seconde vasthouden.
XHet schuifdak (Ypagina 114) en het voor-
ste zonnescherm (Ypagina 116) moeten
weer volledig kunnen worden geopend.
XAls dit niet het geval is, de genoemde stap-
pen nog een keer herhalen.
Achterste zonnescherm initialiseren
XDe sleutel in het contactslot in stand 1of
2draaien.
XMeerdere keren zo lang aan toets :trek-
ken, tot het achterste zonnescherm volle-
dig gesloten is.
XToets :nog één seconde vasthouden.
XHet achterste zonnescherm moet weer vol-
ledig kunnen worden geopend
(Ypagina 116).
XAls dit niet het geval is, de genoemde stap-
pen nog een keer herhalen.
Panoramaschuifdak 117
Openen en sluiten
Z
Problemen met het schuifdak
GWAARSCHUWING
Bij het opnieuw sluiten van het schuifdak direct na het blokkeren of initialiseren, sluit het schuif-
dak met verhoogde of maximale kracht. De anti-inklemfunctie is daarbij niet actief. Daarbij kun-
nen lichaamsdelen in het sluitgebied bekneld raken. Er bestaat een verhoogd gevaar voor letsel
of zelfs levensgevaar!
Erop letten, dat zich geen lichaamsdelen in het sluitgebied bevinden.
Wanneer iemand bekneld raakt:
Rdirect de toets loslaten of
Rtijdens de automatische beweging de toets kort in een willekeurige richting drukken.
Het sluiten wordt onderbroken.
Probleem Mogelijke oorzaak en/of gevolg en MMoplossingen
Het schuifdak kan niet
worden gesloten en de
oorzaak is niet zicht-
baar.
Als het schuifdak bij het sluiten wordt geblokkeerd en weer iets
opent:
XOnmiddellijk na het blokkeren de schakelaar 3zo lang tot
het drukpunt omlaagtrekken, tot het schuifdak gesloten is.
Het schuifdak wordt met verhoogde sluitkracht gesloten.
Als het schuifdak bij het sluiten opnieuw wordt geblokkeerd en
weer iets opent:
XOnmiddellijk na het blokkeren de schakelaar 3zo lang tot
het drukpunt omlaagtrekken, tot het schuifdak gesloten is.
Het schuifdak wordt zonder inklembeveiliging gesloten.
118 Panoramaschuifdak
Openen en sluiten
Wetenswaardigheden ....................... 120
Correcte zithouding bestuurder ...... 120
Stoelen ............................................... 121
Stuurwiel ........................................... 140
Spiegels ............................................. 143
Geheugenfunctie .............................. 146
Geheugenfunctie achterin ............... 147
119
Stoelen, stuurkolom en spiegels
Wetenswaardigheden
iDeze handleiding beschrijft alle modellen
en standaard- en speciale uitrustingen van
de auto die op het tijdstip van de redactie-
sluiting van deze handleiding verkrijgbaar
waren. Landspecifieke afwijkingen zijn ook
mogelijk. In acht nemen dat de auto niet
met alle beschreven functies kan zijn uit-
gerust. Dit betreft ook veiligheidsrelevante
systemen en functies.
iDe informatie over gekwalificeerde werk-
plaatsen lezen (Ypagina 29).
Correcte zithouding bestuurder
GWaarschuwing
U kunt de controle over het voertuig verliezen
als u tijdens het rijden:
Rde chauffeursstoel, hoofdsteun, stuurko-
lom of spiegels instelt
Rde veiligheidsgordel omgespt.
Er bestaat gevaar voor ongevallen!
De bestuurdersstoel, hoofdsteun, stuurkolom
of spiegels instellen en de veiligheidsgordel
omgespen voordat u de motor start.
XDe veiligheidsvoorschriften van de stoelin-
stelling in acht nemen (Ypagina 121).
XControleren of de stoel =correct inge-
steld is (Ypagina 122).
Bij de stoelinstelling erop letten, dat u:
Rzo ver mogelijk van de bestuurdersairbag
verwijderd bent
Reen normale, rechte zithouding inneemt
Rde veiligheidsgordel correct kunt omges-
pen
Rde rugleuning in een vrijwel verticale posi-
tie heeft gezet
Rde zittinghoek zo heeft ingesteld, dat de
bovenbenen iets worden ondersteund
Rde pedalen goed kunt indrukken.
XControleren of de hoofdsteun correct inge-
steld is.
Daarbij in acht nemen, dat de hoofdsteun
zo ingesteld is dat het achterhoofd met het
midden van de hoofdsteun op ooghoogte
wordt ondersteund.
XDe veiligheidsvoorschriften van de stuur-
kolominstelling in acht nemen
(Ypagina 140).
XControleren of het stuurwiel :correct is
ingesteld (Ypagina 140).
Bij de stuurkolominstelling erop letten, dat u:
Rhet stuurwiel met licht gebogen armen kunt
vastpakken
Rde benen vrij kunt bewegen
Rhet instrumentenpaneel goed kunt aflezen.
XDe veiligheidsvoorschriften van de veilig-
heidsgordels in acht nemen (Ypagina 49).
XControleren of de veiligheidsgordel ;cor-
rect is omgegespt (Ypagina 52).
Daarbij moet de veiligheidsgordel:
Rstrak tegen het lichaam liggen
Rover het midden van de schouder lopen
Rter hoogte van het bekken zo dicht mogelijk
tegen de heup aan lopen.
XDe binnenspiegel en de buitenspiegels voor
het wegrijden zodanig instellen, dat u een
120 Correcte zithouding bestuurder
Stoelen, stuurkolom en spiegels
goed overzicht van de verkeerssituatie
hebt (Ypagina 144).
XAuto's met geheugenfunctie: De stoel-,
stuurkolom- en buitenspiegelinstelling
opslaan met de geheugenfunctie
(Ypagina 147).
Stoelen
Belangrijke veiligheidsvoorschriften
GWAARSCHUWING
Wanneer kinderen de stoelen instellen kun-
nen ze bekneld raken, in het bijzonder wan-
neer er geen toezicht is. Er bestaat gevaar
voor letsel!
Bij het verlaten van de auto altijd de sleutel
meenemen en de auto vergrendelen. Kinde-
ren nooit zonder toezicht in de auto achterla-
ten.
GWaarschuwing
U kunt de controle over het voertuig verliezen
als u tijdens het rijden:
Rde chauffeursstoel, hoofdsteun, stuurko-
lom of spiegels instelt
Rde veiligheidsgordel omgespt.
Er bestaat gevaar voor ongevallen!
De bestuurdersstoel, hoofdsteun, stuurkolom
of spiegels instellen en de veiligheidsgordel
omgespen voordat u de motor start.
GWAARSCHUWING
Bij een onachtzame instelling van de zitting-
hoogte kunnen u of andere inzittenden
bekneld raken en daarbij letsel oplopen. In het
bijzonder kinderen kunnen de toetsen voor de
elektrische instelling van de stoelen abusie-
velijk bedienen en bekneld raken. Er bestaat
gevaar voor letsel!
Erop letten, dat uw handen of andere
lichaamsdelen bij het bewegen van de stoel
niet onder de hendels van het stoelinstelsys-
teem terecht komen.
GWaarschuwing
Als een stoel wordt versteld kunnen u of
andere inzittenden bekneld raken, bijvoor-
beeld door de geleider van de stoel. Gevaar
voor letsel!
Bij het instellen van een stoel mag zich geen
lichaamsdeel in het bewegingsgebied van de
stoel bevinden; dit controleren.
GWAARSCHUWING
Wanneer er geen hoofdsteunen aanwezig zijn
of als deze niet correct zijn ingesteld, kunnen
ze niet zoals bedoeld beschermen. Er is dan
een verhoogd risico op letsel van het hoofd of
de nek, bijvoorbeeld bij een ongeval of rem-
manoeuvre!
Altijd met gemonteerde hoofdsteunen rijden.
Voor het rijden bij elke inzittende controleren,
of het midden van de hoofdsteun het achter-
hoofd op ooghoogte ondersteunt.
GWAARSCHUWING
Wanneer de rugleuning niet rechtop staat,
biedt de veiligheidsgordel niet de beoogde
beschermende werking. Bij een remma-
noeuvre of een ongeval kunt u in dit geval
onder de veiligheidsgordel doorglijden en
daarbij bijvoorbeeld letsel oplopen aan het
onderlichaam of de hals. Er bestaat een ver-
hoogd gevaar voor letsel of zelfs levensge-
vaar!
De stoel voor aanvang van de rit correct instel-
len. Altijd erop letten dat de rugleuning
rechtop staat en de schoudergordel over het
midden van de schouder loopt.
!Om schade aan de stoelen en de stoel-
verwarming te vermijden de volgende aan-
wijzingen in acht nemen:
RGeen vloeistoffen op de stoelen morsen.
Als er toch iets op de stoelen wordt
gemorst, maak de stoelen dan zo snel
mogelijk weer droog.
RDe stoelverwarming niet inschakelen
indien de stoelbekledingen vochtig of nat
Stoelen 121
Stoelen, stuurkolom en spiegels
Z
zijn. De stoelverwarming eveneens niet
gebruiken om de stoelen te drogen.
RDe stoelbekledingen zoals geadviseerd
reinigen, zie het trefwoord "Verzorging".
RGeen zware lasten op de stoelen vervoe-
ren. Ook geen spitse voorwerpen op de
zittingen leggen, zoals messen, spijkers
of gereedschappen. De stoelen indien
mogelijk alleen voor personen gebrui-
ken.
RAls de stoelverwarming in gebruik is de
stoelen niet afdekken met isolerende
materialen, bijvoorbeeld mantels, tas-
sen, stoelhoezen, kinderzitjes of stoel-
verhogingen.
!Tijdens het terugzetten van de stoelen
mogen zich geen voorwerpen in de been-
ruimte, onder of achter de stoelen bevin-
den; dit controleren. Het gevaar is aanwe-
zig dat de stoelen en/of de voorwerpen
worden beschadigd.
Stoel instellen
Auto's met standaard hoofdsteun of
comforthoofdsteun
:Hoofdsteunhoogte
;Hoofdsteunhoogte
=Zittinghoogte
?Zittinghoek
AZittingdiepte
BLengterichting
CRugleuninghoek
iAls de passagiersstoel vooraf in een
ongunstige stand was ingesteld en de PRE-
SAFE®wordt geactiveerd, wordt de passa-
giersstoel in een betere stand gezet
(Ypagina 59).
iDe instellingen voor de stoelen kunnen
met de geheugenfunctie worden opgesla-
gen (Ypagina 147).
iOm bij de stoelinstelling een maximaal
instelbereik te garanderen, worden bij ver-
schillende instelfuncties ook andere, niet
rechtstreeks daaraan gerelateerde instel-
mogelijkheden eveneens uitgevoerd.
iBij het instellen van de zittinghoogte of de
stoel in lengterichting wordt de hoofd-
steunhoogte automatisch ingesteld.
Auto's met EASY ADJUST comforthoofd-
steun
:Hoofdsteunhoogte
;Lengterichting van de hoofdsteun
=Zittinghoogte
?Zittinghoek
AZittingdiepte
BLengterichting
CRugleuninghoek
iAls de passagiersstoel vooraf in een
ongunstige stand was ingesteld en de PRE-
SAFE®wordt geactiveerd, wordt de passa-
giersstoel in een betere stand gezet
(Ypagina 59).
122 Stoelen
Stoelen, stuurkolom en spiegels
iDe instellingen voor de stoelen kunnen
met de geheugenfunctie worden opgesla-
gen (Ypagina 147).
iOm bij de stoelinstelling een maximaal
instelbereik te garanderen, worden bij ver-
schillende instelfuncties ook andere, niet
rechtstreeks daaraan gerelateerde instel-
mogelijkheden eveneens uitgevoerd.
iBij het instellen van de zittinghoogte of de
stoel in lengterichting wordt de hoofd-
steunhoogte automatisch ingesteld.
iBij het instellen van de rugleuninghoek
wordt de hoofdsteun automatisch in leng-
terichting ingesteld.
Achterstoel instellen
Achterstoel instellen
:Hoofdsteunhoogte
;Lengterichting van de hoofdsteun
=Rugleuninghoek
?Gecombineerde zittinghoek en -hoogte
AGecombineerde zittinghoek en -hoogte
Alleen de buitenste achterstoelen kunnen
elektrisch worden ingesteld.
Ruststoel achterin instellen
:Hoofdsteunhoogte
;Lengterichting van de hoofdsteun
=Rugleuninghoek
?Gecombineerde zittinghoek en -hoogte
AGecombineerde zittinghoek en -hoogte
BBeensteunhoek
CBeensteundiepte
De ruststoel achterin is alleen beschikbaar in
auto's met lange wielbasis en de uitvoering
"Executive stoelen". Bij auto's zonder rust-
stoel achterin functioneert de toets voor het
instellen van de voetensteunhoek en -diepte
niet.
De ruststoel achterin is afhankelijk van de
uitrusting alleen aan passagierszijde of aan
beide zijden aanwezig.
Auto's met lange wielbasis en de uitrusting
"Chauffeur- resp. geheugenpakket achterin"
hebben bovendien een voetensteun. Deze
bevindt zich onder aan de achterzijde van de
passagiersstoel (Ypagina 125).
De voetensteun klapt bij een te zware belas-
ting omlaag. In dat geval de voetensteun weer
omhoogklappen en vergrendelen.
Stoelen 123
Stoelen, stuurkolom en spiegels
Z
Ligstand instellen
Deze functie is alleen bij auto's met lange
wielbasis aanwezig.
Deze functie kan via de kinderbeveiliging voor
achterin worden geblokkeerd (Ypagina 77).
XToets :zo lang indrukken, tot de ligstand
bereikt is.
De achterstoel gaat naar de ligstand en de
passagiersstoel gaat naar de stand voor het
rijden met chauffeur (Ypagina 127). De
voetensteun schuift onder de passagiers-
stoel vandaan.
U kunt de ligstand verlaten en een andere
stand van de stoel instellen, door:
Rmet de geheugentoetsen 1of 2een
opgeslagen stand op te roepen
(Ypagina 147)
Rde gewenste stand van de stoel handma-
tig in te stellen (Ypagina 122).
iDe stappen bij het instellen van de lig-
stand worden niet altijd gelijktijdig uitge-
voerd.
De voetensteun klapt bij een te zware belas-
ting omlaag. In dat geval de voetensteun weer
omhoogklappen en vergrendelen.
Passagiersstoel vanaf bestuurders-
stoel instellen
Belangrijke veiligheidsvoorschriften
GWAARSCHUWING
Als de voorstoelen te dicht bij het dashboard
of de stuurkolom zijn ingesteld, kunnen de
frontairbags de voorste inzittenden extra let-
sel toebrengen. Er bestaat een verhoogd
gevaar voor letsel of zelfs levensgevaar!
De voorstoelen altijd zo instellen, dat deze zo
ver mogelijk van de frontairbags verwijderd
zijn. Bovendien de aanwijzingen m.b.t. de cor-
recte instelling van de stoelen in acht nemen.
GWAARSCHUWING
Wanneer kinderen de stoelen instellen kun-
nen ze bekneld raken, in het bijzonder wan-
neer er geen toezicht is. Er bestaat gevaar
voor letsel!
Bij het verlaten van de auto altijd de sleutel
meenemen en de auto vergrendelen. Kinde-
ren nooit zonder toezicht in de auto achterla-
ten.
GWaarschuwing
Als een stoel wordt versteld kunnen u of
andere inzittenden bekneld raken, bijvoor-
beeld door de geleider van de stoel. Gevaar
voor letsel!
Bij het instellen van een stoel mag zich geen
lichaamsdeel in het bewegingsgebied van de
stoel bevinden; dit controleren.
!De passagiersstoel niet volledig naar
voren laten schuiven als zich voorwerpen in
het bagagenet in de beenruimte voor de
passagier bevinden. Anders kunnen de
voorwerpen worden beschadigd.
Passagiersstoel instellen
124 Stoelen
Stoelen, stuurkolom en spiegels
XPassagiersstoel selecteren: Toets :zo
vaak indrukken, tot het controlelampje in
de toets gaat branden.
Als het controlelampje in toets :brandt, kan
voor de passagiersstoel:
Rde stoel wordt ingesteld (Ypagina 122)
Rde stoelverwarming resp. -ventilatie wor-
den bediend
Rde geheugenfunctie worden opgeroepen of
opgeslagen (Ypagina 146).
Passagiersstoel vanuit achterin
instellen
Belangrijke veiligheidsvoorschriften
GWAARSCHUWING
Als de voorstoelen te dicht bij het dashboard
of de stuurkolom zijn ingesteld, kunnen de
frontairbags de voorste inzittenden extra let-
sel toebrengen. Er bestaat een verhoogd
gevaar voor letsel of zelfs levensgevaar!
De voorstoelen altijd zo instellen, dat deze zo
ver mogelijk van de frontairbags verwijderd
zijn. Bovendien de aanwijzingen m.b.t. de cor-
recte instelling van de stoelen in acht nemen.
GWAARSCHUWING
Wanneer kinderen de stoelen instellen kun-
nen ze bekneld raken, in het bijzonder wan-
neer er geen toezicht is. Er bestaat gevaar
voor letsel!
Bij het verlaten van de auto altijd de sleutel
meenemen en de auto vergrendelen. Kinde-
ren nooit zonder toezicht in de auto achterla-
ten.
GWaarschuwing
Als een stoel wordt versteld kunnen u of
andere inzittenden bekneld raken, bijvoor-
beeld door de geleider van de stoel. Gevaar
voor letsel!
Bij het instellen van een stoel mag zich geen
lichaamsdeel in het bewegingsgebied van de
stoel bevinden; dit controleren.
!De passagiersstoel niet volledig naar
voren laten schuiven als zich voorwerpen in
het bagagenet in de beenruimte voor de
passagier bevinden. Anders kunnen de
voorwerpen worden beschadigd.
iDe instelling van de passagiersstoel kan
vanuit het achtercompartiment via de kin-
derbeveiliging voor achterin worden
geblokkeerd (Ypagina 77).
Achterstoel instellen
:Achterzitplaats selecteren
;Hoofdsteunhoogte
=Lengterichting van de hoofdsteun
?Rugleuninghoek
AGecombineerde zittinghoek en -hoogte
BGecombineerde zittinghoek en -hoogte
XAchterstoel selecteren: Toets :zo vaak
indrukken, tot het controlelampje in de
toets niet meer brandt.
Als het controlelampje in de toets niet
brandt, is de achterstoel geselecteerd.
XDe achterstoel instellen met de toet-
sen ;t/m B.
Stoelen 125
Stoelen, stuurkolom en spiegels
Z
Passagiersstoel instellen
:Passagiersstoel selecteren
;Hoofdsteunhoogte
=Rugleuninghoek
?Zittinghoogte
ALengterichting
XPassagiersstoel selecteren: Toets :zo
vaak indrukken, tot het controlelampje in
de toets gaat branden.
Als het controlelampje in de toets brandt,
is de passagiersstoel geselecteerd.
XDe passagiersstoel instellen met toet-
sen ;t/m A.
Achterstoel instellen bij auto's met
EASY ADJUST comforthoofdsteun
:Achterzitplaats selecteren
;Hoofdsteunhoogte
=Lengterichting van de hoofdsteun
?Rugleuninghoek
AGecombineerde zittinghoek en -hoogte
BGecombineerde zittinghoek en -hoogte
XAchterstoel selecteren: Toets :zo vaak
indrukken, tot het controlelampje in de
toets niet meer brandt.
Als het controlelampje in de toets niet
brandt, is de achterstoel geselecteerd.
XDe achterstoel instellen met de toet-
sen ;t/m B.
De EASY ADJUST comforthoofdsteun is bij
auto's met der uitrusting "Chauffeur- resp.
geheugenpakket achterin" beschikbaar.
Passagiersstoel instellen bij auto's met
EASY ADJUST comforthoofdsteun
:Passagiersstoel selecteren
;Hoofdsteunhoogte
=Lengterichting van de hoofdsteun
?Rugleuninghoek
AZittinghoogte
BLengterichting
XPassagiersstoel selecteren: Toets :zo
vaak indrukken, tot het controlelampje in
de toets gaat branden.
Als het controlelampje in de toets brandt,
is de passagiersstoel geselecteerd.
XDe passagiersstoel instellen met toet-
sen ;t/m B.
De EASY ADJUST comforthoofdsteun is bij
auto's met der uitrusting "Chauffeur- resp.
geheugenpakket achterin" beschikbaar.
126 Stoelen
Stoelen, stuurkolom en spiegels
Auto's met stoel voor het rijden met
chauffeur en lange wielbasis
Achterstoel instellen
:Achterzitplaats selecteren
;Hoofdsteunhoogte
=Lengterichting van de hoofdsteun
?Rugleuninghoek
AGecombineerde zittinghoek en -hoogte
BGecombineerde zittinghoek en -hoogte
CLengterichting van de voetensteun, indien
ruststoel achterin aanwezig
DHoek van de voetensteun, indien ruststoel
achterin aanwezig
XAchterstoel selecteren: Toets :zo vaak
indrukken, tot het controlelampje in de
toets niet meer brandt.
Als het controlelampje in de toets niet
brandt, is de achterstoel geselecteerd.
XDe achterstoel instellen met de toet-
sen ;t/m D.
Passagiersstoel instellen
:Passagiersstoel selecteren
;Hoofdsteunhoogte
=Lengterichting van de hoofdsteun
?Rugleuninghoek
ALengterichting
BZittinghoogte
CVoetensteun
XPassagiersstoel selecteren: Toets :zo
vaak indrukken, tot het controlelampje in
de toets gaat branden.
Als het controlelampje in de toets brandt,
is de passagiersstoel geselecteerd.
XDe passagiersstoel instellen met toet-
sen ;t/m C.
De voetensteun kan alleen worden ingesteld
als:
Rde passagiersstoel geheel naar voren is
geschoven
Rde passagiersstoel in de stand voor het rij-
den met chauffeur staat (Ypagina 127).
Rijden met chauffeur
Belangrijke veiligheidsvoorschriften
GWAARSCHUWING
Wanneer er geen hoofdsteunen aanwezig zijn
of als deze niet correct zijn ingesteld, kunnen
ze niet zoals bedoeld beschermen. Er is dan
een verhoogd risico op letsel van het hoofd of
de nek, bijvoorbeeld bij een ongeval of rem-
manoeuvre!
Stoelen 127
Stoelen, stuurkolom en spiegels
Z
Altijd met gemonteerde hoofdsteunen rijden.
Voor het rijden bij elke inzittende controleren,
of het midden van de hoofdsteun het achter-
hoofd op ooghoogte ondersteunt.
GWAARSCHUWING
Als de passagiersstoel zich in de stand voor
het rijden met chauffeur bevindt en de hoofd-
steun van de passagiersstoel omgeklapt is,
kan het zicht op de buitenspiegel aan passa-
gierszijde belemmerd zijn. Er bestaat gevaar
voor ongevallen!
Om vrij zicht op de buitenspiegel te hebben,
de hoofdsteun van de passagiersstoel vóór
het rijden verwijderen.
!Tijdens het terugzetten van de stoelen
mogen zich geen voorwerpen in de been-
ruimte, onder of achter de stoelen bevin-
den; dit controleren. Het gevaar is aanwe-
zig dat de stoelen en/of de voorwerpen
worden beschadigd.
Algemene aanwijzingen
Voor het rijden met chauffeur wordt:
Rde passagiersstoel naar voren geschoven
Rde rugleuning naar voren gekanteld
Rde hoofdsteun naar voren omgeklapt.
De passagiersstoel gaat automatisch terug
van de chauffeurstand naar de normale stand,
als:
Rde passagiersstoel met behulp van de stoe-
linstelschakelaar op het passagiersportier
wordt ingesteld
Rde veiligheidsgordel aan passagierszijde in
het gordelslot wordt gestoken
Rde passagiersstoel als bezet wordt herkend
Rde hoofdsteun van de passagiersstoel aan-
gebracht is en het contact ingeschakeld is
Rde hoofdsteun van de passagiersstoel
vanaf de achterstoel of de bestuurders-
stoel wordt teruggeklapt (Ypagina 132).
De passagiersstoel in de stand voor het
rijden met chauffeur plaatsen
Algemene aanwijzingen
De belangrijke veiligheidsvoorschriften in
acht nemen (Ypagina 127). De stoel voor het
rijden met chauffeur al vóór de rit correct
instellen (Ypagina 128). De hoofdsteun van
de passagiersstoel niet tijdens het rijden ver-
wijderen.
Vanuit achterin instellen
Deze functie kan via de kinderbeveiliging voor
achterin worden geblokkeerd (Ypagina 77).
Opdat de passagiersstoel in de stand voor het
rijden met chauffeur kan worden gebracht:
Rmoet het passagiersportier gesloten zijn
Rmoet de sleutel zich in het contactslot
bevinden en in stand 1of 2staan
(Ypagina 195)
Rmag de passagiersstoel niet bezet zijn
Rmag de veiligheidsgordel aan passagiers-
zijde niet in het gordelslot zijn gestoken.
XPassagiersstoel selecteren: Toets :zo
vaak indrukken, tot het controlelampje in
de toets gaat branden.
Als het controlelampje in de toets brandt,
is de passagiersstoel geselecteerd.
XToets ;naar voren drukken en ingedrukt
houden.
De stoel gaat naar voren.
De stoel stopt bij de grens van het bereik
voor het rijden met chauffeur.
128 Stoelen
Stoelen, stuurkolom en spiegels
XToets ;loslaten.
XToets ;opnieuw indrukken en ingedrukt
houden, tot de passagiersstoel in de stand
voor het rijden met chauffeur staat.
De hoofdsteun van de passagiersstoel
klapt om naar voren. De stoel gaat naar
voren.
Op het multifunctioneel display verschijnt
de melding Voor zicht in de buiten‐Voor zicht in de buiten‐
spiegel passagiersstoel verstel‐spiegel passagiersstoel verstel‐
len of hoofdsteun verwijderenlen of hoofdsteun verwijderen
(Ypagina 364).
iAls de passagiersstoel al bij de grens van
het bereik voor het rijden met chauffeur
staat, wordt de stand voor het rijden met
chauffeur direct ingesteld.
iDe stand voor het rijden met chauffeur
kan met de geheugenfunctie van de ach-
terstoel worden opgeslagen of ingesteld
(Ypagina 148). Daartoe moet het contro-
lelampje in toets :branden.
Vanaf de bestuurdersstoel instellen
Opdat de passagiersstoel in de stand voor het
rijden met chauffeur kan worden gebracht:
Rmoet het passagiersportier gesloten zijn
Rmoet de sleutel zich in het contactslot
bevinden en in stand 1of 2staan
(Ypagina 195)
Rmag de passagiersstoel niet bezet zijn
Rmag de veiligheidsgordel aan passagiers-
zijde niet in het gordelslot zijn gestoken.
XPassagiersstoel selecteren: Toets :zo
vaak indrukken, tot het controlelampje in
de toets gaat branden.
Als het controlelampje in de toets brandt,
is de passagiersstoel geselecteerd.
XToets ;naar voren drukken en ingedrukt
houden.
De stoel gaat naar voren.
De stoel stopt bij de grens van het bereik
voor het rijden met chauffeur.
XToets ;loslaten.
XToets ;opnieuw indrukken en ingedrukt
houden, tot de passagiersstoel in de stand
voor het rijden met chauffeur staat.
De hoofdsteun van de passagiersstoel
klapt om naar voren. De stoel gaat naar
voren.
Op het multifunctioneel display verschijnt
de melding Voor zicht in de buiten‐Voor zicht in de buiten‐
spiegel passagiersstoel verstel‐spiegel passagiersstoel verstel‐
len of hoofdsteun verwijderenlen of hoofdsteun verwijderen
(Ypagina 364).
iAls de passagiersstoel al bij de grens van
het bereik voor het rijden met chauffeur
staat, wordt de stand voor het rijden met
chauffeur direct ingesteld.
iDe stand voor het rijden met chauffeur
kan niet met de geheugenfunctie van de
bestuurdersstoel worden opgeslagen of
ingesteld.
Hoofdsteun passagiersstoel neerklap-
pen
Vanaf achterstoel neerklappen
Stoelen 129
Stoelen, stuurkolom en spiegels
Z
Deze functie kan via de kinderbeveiliging voor
achterin worden geblokkeerd (Ypagina 77).
Opdat de hoofdsteun van de passagiersstoel
naar voren kan worden neergeklapt:
Rmoet het passagiersportier gesloten zijn
Rmoet de sleutel zich in het contactslot
bevinden en in stand 1of 2staan
(Ypagina 195)
Rmag de passagiersstoel niet bezet zijn
Rmag de veiligheidsgordel aan passagiers-
zijde niet in het gordelslot zijn gestoken.
XPassagiersstoel selecteren: Toets :zo
vaak indrukken, tot het controlelampje in
de toets gaat branden.
Als het controlelampje in de toets brandt,
is de passagiersstoel geselecteerd.
XToets ;naar voren drukken en ingedrukt
houden.
De hoofdsteun beweegt zich iets naar
voren en stopt.
XToets ;loslaten.
XToets ;opnieuw indrukken.
De hoofdsteun van de passagiersstoel
klapt naar voren.
iAls de hoofdsteun van de passagiersstoel
al in de voorste stand staat, klapt deze
direct naar voren neer.
Vanaf chauffeursstoel neerklappen
Opdat de hoofdsteun van de passagiersstoel
naar voren kan worden neergeklapt:
Rmoet het passagiersportier gesloten zijn
Rmoet de sleutel zich in het contactslot
bevinden en in stand 1of 2staan
(Ypagina 195)
Rmag de passagiersstoel niet bezet zijn
Rmag de veiligheidsgordel aan passagiers-
zijde niet in het gordelslot zijn gestoken.
XPassagiersstoel selecteren: Toets :zo
vaak indrukken, tot het controlelampje in
de toets gaat branden.
Als het controlelampje in de toets brandt,
is de passagiersstoel geselecteerd.
XToets ;naar voren drukken en ingedrukt
houden.
De hoofdsteun beweegt zich iets naar
voren en stopt.
XToets ;loslaten.
XToets ;opnieuw indrukken.
De hoofdsteun van de passagiersstoel
klapt naar voren.
iAls de hoofdsteun van de passagiersstoel
al in de voorste stand staat, klapt deze
direct naar voren neer.
Hoofdsteun van passagiersstoel
opklappen
Vanuit achterin opklappen
Deze functie kan via de kinderbeveiliging voor
achterin worden geblokkeerd (Ypagina 77).
130 Stoelen
Stoelen, stuurkolom en spiegels
XPassagiersstoel selecteren: Toets :zo
vaak indrukken, tot het controlelampje in
de toets gaat branden.
Als het controlelampje in de toets brandt,
is de passagiersstoel geselecteerd.
XToets ;kort naar achteren drukken.
De hoofdsteun klapt op.
Vanaf de chauffeursstoel opklappen
XPassagiersstoel selecteren: Toets :zo
vaak indrukken, tot het controlelampje in
de toets gaat branden.
Als het controlelampje in de toets brandt,
is de passagiersstoel geselecteerd.
XToets ;kort naar achteren drukken.
De hoofdsteun klapt op.
Vanaf passagiersstoel instellen
XEen willekeurige stoelinsteltoets indruk-
ken.
De hoofdsteun klapt op.
Hoofdsteun uit- en inbouwen
Verwijderen
XDe hoofdsteun naar voren neerklappen
(Ypagina 129).
XDe afdekkingen ;voor de hoofdsteun-
stangen naar achteren klappen.
XHandgreep ?naar achteren trekken en
vasthouden. Hoofdsteun :daarbij vast-
houden.
XHoofdsteun :verwijderen.
XHandgreep ?loslaten.
Er komt een rode pen =uit de handgreep
geschoven.
XDe rode pen =omlaagdrukken.
XDe afdekkingen ;naar voren klappen en
sluiten.
Aanbrengen
XDe afdekkingen ;naar achteren klappen.
XHandgreep ?naar achteren trekken en
vasthouden.
Er komt een rode pen =uit de handgreep
geschoven.
XHoofdsteun :in de bevestigingen aan-
brengen.
De hoofdsteun moet aan beide zijden ver-
grendelen.
XHandgreep ?loslaten.
XDe rode pen =omlaagdrukken.
Wanneer de pen omlaag kan worden
gedrukt en daarna niet meer zichtbaar is, is
de hoofdsteun correct vergrendeld.
XDe afdekkingen ;naar voren klappen en
sluiten.
De hoofdsteun klapt automatisch op.
Stoelen 131
Stoelen, stuurkolom en spiegels
Z
Passagiersstoel in de normale stand
zetten
Vanuit achterin instellen
Deze functie kan via de kinderbeveiliging voor
achterin worden geblokkeerd (Ypagina 77).
Opdat de passagiersstoel in de normale stand
kan worden gebracht, moet de hoofdsteun
aangebracht zijn (Ypagina 131).
XPassagiersstoel selecteren: Toets :zo
vaak indrukken, tot het controlelampje in
de toets gaat branden.
Als het controlelampje in de toets brandt,
is de passagiersstoel geselecteerd.
XToets =naar achteren drukken en inge-
drukt houden.
De passagiersstoel gaat naar de normale
stand bij de grens van het bereik voor het
rijden met chauffeur. De hoofdsteun wordt
opgeklapt.
Als toets =ingedrukt wordt gehouden,
gaat de stoel verder naar achteren.
of
XToets ;kort naar achteren drukken.
De passagiersstoel gaat automatisch naar
de normale stand bij de grens van het
bereik voor het rijden met chauffeur. De
hoofdsteun wordt opgeklapt.
iVerdere instellingen zijn via de geheugen-
insteltoetsen beschikbaar als:
Rreeds een positie in de normale stand
opgeslagen is
Rde passagiersstoel met toets :gese-
lecteerd is.
Vanaf de bestuurdersstoel instellen
Opdat de passagiersstoel in de normale stand
kan worden gebracht, moet de hoofdsteun
aangebracht zijn (Ypagina 131).
XPassagiersstoel selecteren: Toets :zo
vaak indrukken, tot het controlelampje in
de toets gaat branden.
Als het controlelampje in de toets brandt,
is de passagiersstoel geselecteerd.
XToets =naar achteren drukken en inge-
drukt houden.
De passagiersstoel gaat naar de normale
stand bij de grens van het bereik voor het
rijden met chauffeur. De hoofdsteun wordt
opgeklapt.
Als toets =ingedrukt wordt gehouden,
gaat de stoel verder naar achteren.
of
XToets ;kort naar achteren drukken.
De passagiersstoel gaat automatisch naar
de normale stand bij de grens van het
bereik voor het rijden met chauffeur. De
hoofdsteun wordt opgeklapt.
iVerdere instellingen zijn via de geheugen-
insteltoetsen beschikbaar als de passa-
giersstoel met toets :geselecteerd is.
Vanaf passagiersstoel instellen
XEen willekeurige stoelinsteltoets indruk-
ken.
De passagiersstoel gaat naar de normale
stand bij de grens van het bereik voor het
rijden met chauffeur. De hoofdsteun wordt
opgeklapt.
132 Stoelen
Stoelen, stuurkolom en spiegels
Uitgebreide ligstand van de passagiers-
stoel
Instellen
Deze functie is alleen beschikbaar bij auto's
met elektrisch instelbare achterstoelen.
Met de uitgebreide ligstand kan de passa-
giersstoel zodanig worden ingesteld, dat hij
volkomen vlak ligt. Daarbij ontstaat een door-
lopend oppervlak van de achterstoel en de
passagiersstoel.
Daartoe moet:
Rbij de achterstoel de zitting in lengterich-
ting volledig naar achteren worden gezet
(Ypagina 123)
Rde passagiersstoel in de stand voor het rij-
den met chauffeur worden gezet
(Ypagina 128)
Rde hoofdsteun van de passagiersstoel wor-
den verwijderd (Ypagina 131)
Rde passagiersstoel zodanig worden inge-
steld, dat de rugleuning volkomen vlak ligt
(Ypagina 122).
Verlaten
Voor het verlaten van de uitgebreide ligstand
moet:
Rde rugleuning in een geschikte stand
omhoog worden gebracht
Rde hoofdsteun worden aangebracht
(Ypagina 131).
Hoofdsteunen instellen
Voorste hoofdsteunen instellen
Belangrijke veiligheidsvoorschriften
GWaarschuwing
U kunt de controle over het voertuig verliezen
als u tijdens het rijden:
Rde chauffeursstoel, hoofdsteun, stuurko-
lom of spiegels instelt
Rde veiligheidsgordel omgespt.
Er bestaat gevaar voor ongevallen!
De bestuurdersstoel, hoofdsteun, stuurkolom
of spiegels instellen en de veiligheidsgordel
omgespen voordat u de motor start.
GWAARSCHUWING
Wanneer er geen hoofdsteunen aanwezig zijn
of als deze niet correct zijn ingesteld, kunnen
ze niet zoals bedoeld beschermen. Er is dan
een verhoogd risico op letsel van het hoofd of
de nek, bijvoorbeeld bij een ongeval of rem-
manoeuvre!
Altijd met gemonteerde hoofdsteunen rijden.
Voor het rijden bij elke inzittende controleren,
of het midden van de hoofdsteun het achter-
hoofd op ooghoogte ondersteunt.
Algemene aanwijzingen
De belangrijke veiligheidsvoorschriften in
acht nemen (Ypagina 121).
De hoofdsteunen van de voor- en achterstoe-
len niet verwisselen. Anders kunnen de
hoogte en hoek van de hoofdsteunen niet
correct worden ingesteld.
Standaard hoofdsteunen mechanisch
instellen
Met deze functie wordt de afstand van de
hoofdsteun tot het achterhoofd ingesteld.
XNaar voren: De hoofdsteun in de richting
van de pijl naar voren trekken, tot deze in
de gewenste stand vergrendelt.
XNaar achteren: Ontgrendelingsknop :
indrukken en ingedrukt houden.
XDe hoofdsteun naar achteren drukken.
Stoelen 133
Stoelen, stuurkolom en spiegels
Z
XWanneer de hoofdsteun de gewenste stand
heeft bereikt, de ontgrendelingsknop los-
laten.
XDe hoofdsteun moet correct vergrendeld
zijn; dit controleren.
Comforthoofdsteun mechanisch instellen
XZijwangen instellen: De rechter en/of lin-
ker zijwang :in de gewenste stand trek-
ken of drukken.
XLengterichting naar voren instellen: De
hoofdsteun in de richting van de pijl ;naar
voren trekken, tot deze in de gewenste
stand vergrendelt.
XLengterichting naar achteren instellen:
Ontgrendelingsknop =indrukken en inge-
drukt houden.
XDe hoofdsteun in de richting van de
pijl ;naar achteren schuiven.
XWanneer de hoofdsteun de gewenste stand
heeft bereikt, de ontgrendelingsknop =
loslaten.
XDe hoofdsteun moet correct vergrendeld
zijn; dit controleren.
EASY ADJUST comforthoofdsteun mecha-
nisch instellen
Deze hoofdsteun is bij auto's met de uitrus-
ting "EASY ADJUST" of "Chauffeur- resp.
geheugenpakket achterin" beschikbaar.
XZijwangen instellen: De rechter en/of lin-
ker zijwang :in de gewenste stand trek-
ken of drukken.
XLengterichting instellen: De toets voor
het instellen van de lengterichting van de
hoofdsteun in de richting van de pijl naar
voren of naar achteren schuiven
(Ypagina 122).
XDe hoogte van de hoofdsteunen kan wor-
den ingesteld met de schakelaar van de
stoelinstelling (Ypagina 122).
iBij het instellen van de rugleuninghoek
met de stoelschakelaar wordt de hoofd-
steun automatisch in lengterichting inge-
steld.
Voorste hoofdsteunen elektrisch instel-
len
De hoogte en de lengterichting van de voorste
hoofdsteunen kunnen via de stoelinstelscha-
kelaars worden ingesteld (Ypagina 122).
134 Stoelen
Stoelen, stuurkolom en spiegels
Buitenste hoofdsteunen achterin instel-
len
Van voorin elektrisch omlaagbrengen
Deze functie is beschikbaar bij auto's met
elektrisch instelbare achterstoelen.
XDe sleutel in het contactslot in stand 1of
2draaien (Ypagina 195).
XToets :kort indrukken.
De hoofdsteunen bewegen omlaag.
Van voorin elektrisch omhoogbrengen
Deze functie is beschikbaar bij auto's met
elektrisch instelbare achterstoelen.
XDe sleutel in het contactslot in stand 1of
2draaien (Ypagina 195).
XToets :indrukken en ingedrukt houden,
tot de hoofdsteunen volledig omhoog zijn
geschoven.
De buitenste hoofdsteunen achterin in de
laatst opgeslagen positie uitschuiven
XDe sleutel in het contactslot in stand 1of
2draaien (Ypagina 195).
XToets :kort indrukken.
De hoofdsteunen bewegen omlaag.
XToets :opnieuw kort indrukken.
De hoofdsteunen gaan naar de laatst opge-
slagen stand.
iAls alle buitenste hoofdsteunen al
omlaaggebracht zijn, worden deze direct in
de laatste positie bewogen.
Comforthoofdsteun achterin mechanisch
instellen
XZijwangen instellen: De rechter en/of lin-
ker zijwang :in de gewenste stand trek-
ken of drukken.
XHoofdsteunhoek instellen: De hoofd-
steun in de richting van pijl ;trekken of
duwen.
iDe hoogte en de lengterichting van de
hoofdsteunen achterin kunnen via de stoe-
linstelschakelaars worden ingesteld
(Ypagina 123).
Hoofdsteunen achterin elektrisch instel-
len
De hoogte en de lengterichting van de hoofd-
steunen achterin kunnen via de stoelinstel-
schakelaars worden ingesteld
(Ypagina 123).
Extra kussen van de comforthoofdsteun
Het extra kussen is beschikbaar bij auto's
met elektrisch instelbare achterstoelen.
Stoelen 135
Stoelen, stuurkolom en spiegels
Z
Het extra kussen wordt met drie drukknop-
pen aan de hoofdsteun bevestigd.
Extra kussen verwijderen:
XDe hoofdsteun geheel naar voren plaatsen
(Ypagina 123).
XDe drukknoppen :losmaken en het extra
kussen ;verwijderen.
Extra kussen aanbrengen:
XDe hoofdsteun geheel naar voren plaatsen
(Ypagina 123).
XHet extra kussen ;op de hoofdsteun hou-
den en de drukknoppen :in de tegen-
stukken drukken.
Middelste hoofdsteunen achterin
instellen
Elektrisch in- en uitschuiven
Deze functie is beschikbaar bij auto's met
elektrisch instelbare achterstoelen.
XToets :zo lang indrukken, tot de hoofd-
steun in- of uitgeschoven is.
Mechanisch opklappen
Deze functie is beschikbaar bij auto's met
achterbank.
XDe hoofdsteun omhoogtrekken tot deze
vergrendelt.
Multicontourstoel instellen
De multicontourstoel kan via het COMAND
Online worden ingesteld (zie de afzonderlijke
handleiding).
Actieve multicontourstoel instellen
De actieve multicontourstoel kan via het
COMAND Online worden ingesteld (zie de
afzonderlijke handleiding).
Multicontourstoel achterin instellen
De multicontourstoelen van de buitenste zit-
plaatsen kunnen met de afstandsbediening
worden ingesteld (zie de afzonderlijke hand-
leiding).
4-weg lendensteun instellen
De 4-weg lendensteun kan met het COMAND
Online worden ingesteld (zie de afzonderlijke
handleiding).
136 Stoelen
Stoelen, stuurkolom en spiegels
Stoelverwarming in- en uitschakelen
In- en uitschakelen
GWAARSCHUWING
Wanneer de stoelverwarming steeds opnieuw
wordt ingeschakeld, kunnen het stoelkussen
en de rugleuningbekleding zeer heet worden.
Bij een beperkte gevoeligheid voor tempera-
turen of een beperkt vermogen tot reageren
op hoge temperaturen kan dit schadelijk zijn
voor de gezondheid of zelfs tot op verbran-
dingen lijkende verwondingen leiden. Er
bestaat gevaar voor letsel!
Daarom de stoelverwarming niet steeds
opnieuw inschakelen.
Auto's met warmte-comfort-pakket: Wanneer
de stoelverwarming van een voorstoel wordt
ingeschakeld, kunnen ook de armsteunen in
het portier en de middenconsole worden ver-
warmd. Dit kan via het COMAND Online wor-
den ingesteld (zie de afzonderlijke handlei-
ding).
De drie rode controlelampjes in de toets
geven aan welke verwarmingsstand is gese-
lecteerd.
Vanuit stand 3wordt na circa acht minuten
automatisch naar stand 2teruggeschakeld.
Vanuit stand 2wordt na circa tien minuten
automatisch naar stand 1teruggeschakeld.
Vanuit stand 1wordt na circa 20 minuten
automatisch uitgeschakeld.
Auto's met stoelverwarming-pluspakket: De
verdeling van de verwarmde vlakken van zit-
ting en rugleuning voorin kan met het
COMAND Online worden ingesteld (zie de
afzonderlijke handleiding).
Auto's met entertainmentsysteem achterin
en elektrische stoelinstelling: De verdeling
van de verwarmde vlakken van zitting en rug-
leuning achterin kan met het entertainment-
systeem achterin worden ingesteld (zie de
afzonderlijke handleiding).
Voorstoelen
XDe sleutel in het contactslot in stand 1of
2draaien (Ypagina 195).
XInschakelen: Zo vaak toets :indrukken,
tot de gewenste verwarmingsstand is inge-
steld.
XUitschakelen: Zo vaak toets :indrukken,
tot alle controlelampjes gedoofd zijn.
iAls de accuspanning te laag is, kan de
stoelverwarming worden uitgeschakeld.
Achterzitplaatsen
XDe sleutel in het contactslot in stand 1of
2draaien (Ypagina 195).
XInschakelen: Zo vaak toets :indrukken,
tot de gewenste verwarmingsstand is inge-
steld.
XUitschakelen: Zo vaak toets :indrukken,
tot alle controlelampjes gedoofd zijn.
iAls de accuspanning te laag is, kan de
stoelverwarming worden uitgeschakeld.
Stoelen 137
Stoelen, stuurkolom en spiegels
Z
Problemen met de stoelverwarming
Probleem Mogelijke oorzaak en/of gevolg en MMoplossingen
De stoelverwarming
wordt voortijdig uitge-
schakeld of kan niet
worden ingeschakeld.
De boordnetspanning is te laag omdat er te veel elektrische ver-
bruikers zijn ingeschakeld.
XNiet noodzakelijke verbruikers, zoals achterruitverwarming,
interieurverlichting enzovoort uitschakelen.
De stoelverwarming kan weer handmatig worden ingeschakeld
als de accu voldoende is opgeladen.
Stoelventilatie in- en uitschakelen
Voorstoelen
De drie blauwe controlelampjes in de toetsen
geven aan welke ventilatiestand is geselec-
teerd.
XDe sleutel in het contactslot in stand 1of
2draaien (Ypagina 195).
XInschakelen: Toets :zo vaak indrukken,
tot de gewenste aanjagerstand is inge-
steld.
XUitschakelen: Zo vaak toets :indrukken,
tot alle controlelampjes gedoofd zijn.
iAls de accuspanning te laag is, kan de
stoelventilatie worden uitgeschakeld.
iMet de functie "Comfortopenen" kunnen
de zijruiten en het schuifdak worden
geopend (Ypagina 110). De stoelventilatie
van de bestuurdersstoel wordt automa-
tisch op de hoogste stand ingesteld.
iAls de auto stilstaat, kan het ventilator-
toerental automatisch worden verlaagd.
Daardoor wordt het geluid van de stoelven-
tilatie verminderd.
Achterzitplaatsen
Stoelventilatie achterin in- en uitschakelen
XDe sleutel in het contactslot in stand 1of
2draaien (Ypagina 195).
XInschakelen: Toets :zo vaak indrukken,
tot de gewenste aanjagerstand is inge-
steld.
XUitschakelen: Zo vaak toets :indrukken,
tot alle controlelampjes gedoofd zijn.
iAls de accuspanning te laag is, kan de
stoelventilatie worden uitgeschakeld.
iMet de functie "Comfortopenen" kunnen
de zijruiten en het schuifdak worden
geopend (Ypagina 110). De stoelventilatie
van de bestuurdersstoel wordt automa-
tisch op de hoogste stand ingesteld.
iAls de auto stilstaat, kan het ventilator-
toerental automatisch worden verlaagd.
138 Stoelen
Stoelen, stuurkolom en spiegels
Daardoor wordt het geluid van de stoelven-
tilatie verminderd.
Stoelen 139
Stoelen, stuurkolom en spiegels
Z
Problemen met de stoelventilatie
Probleem Mogelijke oorzaak en/of gevolg en MMoplossingen
De stoelventilatie
wordt voortijdig uitge-
schakeld of kan niet
worden ingeschakeld.
De boordnetspanning is te laag omdat er te veel elektrische ver-
bruikers zijn ingeschakeld.
XNiet noodzakelijke verbruikers, zoals achterruitverwarming,
interieurverlichting enzovoort uitschakelen.
De stoelventilatie kan weer worden ingeschakeld als de accu
voldoende is opgeladen.
Stuurwiel
Belangrijke veiligheidsvoorschriften
GWaarschuwing
U kunt de controle over het voertuig verliezen
als u tijdens het rijden:
Rde chauffeursstoel, hoofdsteun, stuurko-
lom of spiegels instelt
Rde veiligheidsgordel omgespt.
Er bestaat gevaar voor ongevallen!
De bestuurdersstoel, hoofdsteun, stuurkolom
of spiegels instellen en de veiligheidsgordel
omgespen voordat u de motor start.
GWAARSCHUWING
Wanneer kinderen het stuurwiel instellen,
kunnen zij bekneld raken. Er bestaat gevaar
voor letsel!
Bij het verlaten van de auto altijd de sleutel
meenemen en de auto vergrendelen. Kinde-
ren nooit zonder toezicht in de auto achterla-
ten.
Stuurkolom instellen
:Stuurwielafstand instellen (verstelling in
lengterichting)
;Stuurwielhoogte instellen
iVerdere onderwerpen:
RIn- en uitstaphulp (Ypagina 142)
RInstellingen opslaan (Ypagina 147).
RBediening van de boordcomputer
(Ypagina 311).
140 Stuurwiel
Stoelen, stuurkolom en spiegels
Stuurwielverwarming
In- en uitschakelen
XDe sleutel in het contactslot in stand 2
draaien (Ypagina 195).
XIn- of uitschakelen: De hendel in de rich-
ting van pijl :of ;draaien.
Controlelampje =gaat branden of dooft.
Auto's zonder KEYLESS GO: Als de sleutel uit
het contactslot wordt verwijderd, wordt de
stuurwielverwarming uitgeschakeld.
Auto's met KEYLESS GO: Als het contact
wordt uitgeschakeld en het bestuurderspor-
tier wordt geopend, wordt de stuurwielver-
warming uitgeschakeld.
Stuurwiel 141
Stoelen, stuurkolom en spiegels
Z
Problemen met de stuurwielverwarming
Probleem Mogelijke oorzaak en/of gevolg en MMoplossingen
De stoelverwarming
wordt voortijdig uitge-
schakeld of kan niet
worden ingeschakeld.
De boordnetspanning is te laag omdat er te veel elektrische ver-
bruikers zijn ingeschakeld.
XNiet noodzakelijke verbruikers, zoals achterruitverwarming,
interieurverlichting enzovoort uitschakelen.
In- en uitstaphulp
Belangrijke veiligheidsvoorschriften
GWAARSCHUWING
Wanneer de in- en uitstaphulp de stuurkolom
en de bestuurdersstoel instelt, kunnen u en
andere inzittenden in het bijzonder kinderen
bekneld raken. Er bestaat gevaar voor letsel!
Tijdens het instellen van de in- en uitstaphulp
controleren, of er niemand met een lichaams-
deel in het bewegingsgebied van de stoel en
de stuurkolom komt.
Bij gevaar van bekneld raken door:
Rhet stuurwiel: de instelhendel van de stuur-
kolom bewegen.
Rde stoel: de schakelaar voor de stoelinstel-
ling indrukken.
De instelling wordt onderbroken.
GWAARSCHUWING
Wanneer kinderen de in- en uitstaphulp acti-
veren kunnen ze bekneld raken, in het bijzon-
der wanneer ze zonder toezicht zijn. Er
bestaat gevaar voor letsel!
Bij het verlaten van de auto altijd de sleutel
meenemen en de auto vergrendelen. Kinde-
ren nooit zonder toezicht in de auto achterla-
ten.
GWAARSCHUWING
Wanneer u wegrijdt terwijl de in- en uitstap-
hulp een instelling uitvoert, kunt u de controle
over de auto verliezen. Er bestaat gevaar voor
ongevallen!
Voor het wegrijden altijd wachten tot de
instelling is beëindigd.
De in- en uitstaphulp vergemakkelijkt het in-
en uitstappen.
De in- en uitstaphulp kan met het COMAND
Online worden in- of uitgeschakeld (zie de
afzonderlijke handleiding).
Positie van de stuurkolom en de
bestuurdersstoel bij actieve in- en uit-
staphulp
De stuurkolom zwenkt omhoog en de
bestuurdersstoel schuift naar achteren, als:
Rde sleutel uit het contactslot wordt verwij-
derd
Rmet KEYLESS GO: Het bestuurdersportier
wordt geopend, waarbij KEYLESS GO in
stand 1moet staan
Rmet sleutel: Het bestuurdersportier wordt
geopend, waarbij de sleutel in het contact-
slot in stand 0of 1moet staan
(Ypagina 195)
Rbij uitgeschakeld contact het bestuurders-
portier wordt geopend.
iDe stuurkolom zwenkt alleen omhoog en
de bestuurdersstoel schuift alleen naar
achteren, als na de stoel- of stuurkolomin-
stelling deze rijstand is opgeslagen
(Ypagina 147).
De laatste stand van de stuurkolom of van de
stoel wordt opgeslagen, als:
Rhet contact wordt uitgeschakeld
Rde instelling via de geheugenfunctie wordt
opgeslagen (Ypagina 147).
142 Stuurwiel
Stoelen, stuurkolom en spiegels
iDe stuurkolom zwenkt omhoog, als deze
zich niet al in de bovenste stand bevindt.
De bestuurdersstoel schuift alleen naar
achteren als deze niet al in de achterste
stand staat.
Positie van de stuurkolom en de
bestuurdersstoel voor het rijden
De stuurkolom en de bestuurdersstoel wor-
den in de laatst ingestelde stand gezet, als:
Rhet bestuurdersportier gesloten is en de
sleutel in het contactslot wordt gestoken
Rbij uitgeschakeld contact het bestuurders-
portier wordt gesloten
Rbij auto's met KEYLESS GO tweemaal de
start-stop-toets wordt ingedrukt.
iDe stuurkolom en de bestuurdersstoel
gaan alleen naar de laatst ingestelde posi-
tie, als na de stoel- of stuurkolominstelling
de rijstand is opgeslagen (Ypagina 147).
De laatste stand van de stuurkolom of van de
stoel wordt opgeslagen, als:
Rhet contact wordt uitgeschakeld
Rde instelling via de geheugenfunctie wordt
opgeslagen (Ypagina 147).
Crash-actieve uitstaphulp
Als de crash-actieve uitstaphulp bij een onge-
val wordt geactiveerd, beweegt de stuurko-
lom bij het openen van het bestuurdersportier
of bij het verwijderen van de sleutel naar
boven. Hierdoor wordt het uitstappen en het
redden van de inzittenden vergemakkelijkt.
De crash-actieve uitstaphulp is alleen actief
als de in- en uitstaphulp in het COMAND
Online ingeschakeld is (zie de afzonderlijke
handleiding).
Spiegels
Binnenspiegel
XDimmen: Dimhendel :naar voren of ach-
teren drukken.
Buitenspiegels
Belangrijke veiligheidsvoorschriften
GWaarschuwing
U kunt de controle over het voertuig verliezen
als u tijdens het rijden:
Rde chauffeursstoel, hoofdsteun, stuurko-
lom of spiegels instelt
Rde veiligheidsgordel omgespt.
Er bestaat gevaar voor ongevallen!
De bestuurdersstoel, hoofdsteun, stuurkolom
of spiegels instellen en de veiligheidsgordel
omgespen voordat u de motor start.
GWaarschuwing
De buitenspiegels verkleinen het beeld. Zicht-
bare objecten zijn in werkelijkheid dichterbij
dan het lijkt. Daardoor kunt u de afstand tot
achter u rijdende verkeersdeelnemers ver-
keerd inschatten, bijvoorbeeld bij het veran-
deren van rijstrook. Er bestaat gevaar voor
ongevallen!
Daarom altijd over de schouder kijken om de
daadwerkelijke afstand tot achter u rijdende
verkeersdeelnemers te kunnen inschatten.
Spiegels 143
Stoelen, stuurkolom en spiegels
Z
Buitenspiegels instellen
XDe sleutel in het contactslot in stand 1of
2draaien (Ypagina 195).
XToets ;voor de rechter buitenspiegel of
toets =voor de linker buitenspiegel
indrukken.
Het controlelampje in de ingedrukte toets
gaat branden.
Het controlelampje dooft na enige tijd
weer. Zo lang het controlelampje brandt,
kan de geselecteerde buitenspiegel met
insteltoets :worden ingesteld.
XInsteltoets :aan de boven- of onderzijde,
rechts of links indrukken, tot de buiten-
spiegel correct ingesteld is. U moet een
goed overzicht van de verkeerssituatie heb-
ben.
De buitenspiegels zijn enigszins bolvormig,
hierdoor wordt het zicht vergroot.
Bij lage buitentemperaturen en bij ingescha-
kelde achterruitverwarming worden de bui-
tenspiegels na het starten van de auto auto-
matisch verwarmd.
Buitenspiegels elektrisch in- en uitklap-
pen
XDe sleutel in het contactslot in stand 1of
2draaien (Ypagina 195).
XToets :kort indrukken.
Beide buitenspiegels klappen in of uit.
iErop letten dat de buitenspiegels tijdens
het rijden altijd volledig uitgeklapt zijn. Ze
kunnen anders gaan trillen.
iAls sneller dan 47 km/h wordt gereden,
kunnen de buitenspiegels niet meer wor-
den ingeklapt.
Buitenspiegels initialiseren
Nadat de accukabels losgemaakt zijn of als
de accu ontladen was, moeten de buitenspie-
gels opnieuw worden geïnitialiseerd. Anders
klappen de buitenspiegels niet in als in de
boordcomputer de functie "Bij vergrendeling
buitenspiegels inklappen" is geselecteerd.
XDe sleutel in het contactslot in stand 1of
2draaien (Ypagina 195).
XToets :kort indrukken.
Buitenspiegels automatisch in- en uit-
klappen
Als de functie "Automatisch inklappen van de
buitenspiegels" via het COMAND ingescha-
keld is (zie de afzonderlijke handleiding),
144 Spiegels
Stoelen, stuurkolom en spiegels
Rklappen de buitenspiegels automatisch in
zodra de auto van buitenaf wordt vergren-
deld
Rklappen de buitenspiegels automatisch
weer uit zodra de auto wordt ontgrendeld.
iDe buitenspiegels klappen niet uit als ze
van tevoren handmatig ingeklapt zijn.
Ontgrendelde buitenspiegel
Als een buitenspiegel met geweld naar voren
of naar achteren uit de vergrendeling is
gedrukt, als volgt te werk gaan.
XToets :indrukken en ingedrukt houden,
tot een klik en daarop volgend een klap te
horen is (Ypagina 144).
Het spiegelhuis is weer vergrendeld en u
kunt de buitenspiegel op normale wijze
instellen (Ypagina 144).
Automatisch dimmende spiegels
De binnen- en buitenspiegel aan bestuurders-
zijde dimmen automatisch, als tegelijkertijd:
Rhet contact is ingeschakeld
Rbinnenkomend licht van koplampen op de
sensor in de binnenspiegel valt.
De spiegels dimmen niet als de achteruitver-
snelling of als de binnenverlichting is inge-
schakeld.
Parkeerstand buitenspiegel aan pas-
sagierszijde
Parkeerstand instellen en opslaan
Via de achteruitversnelling
:Geheugentoets M
;Insteltoets
=Toets voor buitenspiegel passagierszijde
?Toets voor buitenspiegel bestuurders-
zijde
De buitenspiegel aan passagierszijde kan zo
worden ingesteld, dat u het achterwiel aan
passagierszijde ziet zodra de achteruitver-
snelling wordt ingeschakeld. Deze instelling
kan worden opgeslagen.
XDe sleutel in het contactslot in stand 2
draaien (Ypagina 195).
XToets =voor de buitenspiegel aan passa-
gierszijde indrukken.
XDe achteruitversnelling inschakelen.
De buitenspiegel aan passagierszijde
beweegt naar de vooraf ingestelde parkeer-
stand.
XMet insteltoets ;de buitenspiegel zoda-
nig instellen dat u het achterwiel en de
stoeprand ziet.
De parkeerstand is opgeslagen.
iWanneer de keuzehendel in een andere
transmissiestand wordt gezet, beweegt de
buitenspiegel aan passagierszijde weer
naar de rijstand.
Spiegels 145
Stoelen, stuurkolom en spiegels
Z
Via de geheugentoets
:Geheugentoets M
;Insteltoets
=Toets voor buitenspiegel passagierszijde
?Toets voor buitenspiegel bestuurders-
zijde
De buitenspiegel aan passagierszijde kan zo
worden ingesteld, dat u het achterwiel aan
passagierszijde ziet zodra de achteruitver-
snelling wordt ingeschakeld. Deze instelling
kan met de geheugentoets M:worden
opgeslagen.
XDe sleutel in het contactslot in stand 2
draaien (Ypagina 195).
XToets =voor de buitenspiegel aan passa-
gierszijde indrukken.
XMet insteltoets ;de buitenspiegel zoda-
nig instellen dat u het achterwiel en de
stoeprand ziet.
XGeheugentoets M:indrukken en binnen
3 seconden op een van de pijlen van instel-
toets ;drukken.
De parkeerstand is opgeslagen als de bui-
tenspiegel niet wordt ingesteld.
XAls de buitenspiegel wordt ingesteld, moet
de procedure worden herhaald.
Parkeerstand oproepen
:Geheugentoets M
;Insteltoets
=Toets voor buitenspiegel passagierszijde
?Toets voor buitenspiegel bestuurders-
zijde
XDe sleutel in het contactslot in stand 2
draaien (Ypagina 195).
XDe buitenspiegel aan passagierszijde
selecteren met toets =.
XDe achteruitversnelling inschakelen.
De buitenspiegel aan passagierszijde kan-
telt naar de opgeslagen parkeerstand.
De buitenspiegel aan de passagierszijde
zwenkt in de oorspronkelijke stand terug:
Rzodra sneller dan 15 km/h wordt gereden
Rcirca tien seconden nadat vanuit de ach-
teruitversnelling in een andere versnelling
is geschakeld
Rals toets ?voor de buitenspiegel aan
bestuurderszijde wordt ingedrukt.
Geheugenfunctie
Belangrijke veiligheidsvoorschriften
GWAARSCHUWING
Wanneer u tijdens het rijden de geheugen-
functie aan bestuurderszijde gebruikt, kunt u
door de instelbewegingen de controle over de
auto verliezen. Er bestaat gevaar voor onge-
vallen!
De geheugenfunctie aan bestuurderszijde
alleen gebruiken als de auto stilstaat.
GWAARSCHUWING
Wanneer de geheugenfunctie de stoel of de
stuurkolom instelt, kunnen u en andere inzit-
tenden in het bijzonder kinderen bekneld
raken. Er bestaat gevaar voor letsel!
Tijdens de instelling van de geheugenfunctie
controleren, of er niemand met een lichaams-
deel in het bewegingsgebied van de stoel of
de stuurkolom komt. Wanneer iemand
bekneld raakt, de positietoets van de geheu-
genfunctie direct loslaten. De instelling wordt
onderbroken.
GWAARSCHUWING
Wanneer kinderen de geheugenfunctie acti-
veren kunnen ze bekneld raken, in het bijzon-
der wanneer er geen toezicht is. Er bestaat
gevaar voor letsel!
Bij het verlaten van de auto altijd de sleutel
meenemen en de auto vergrendelen. Kinde-
ren nooit zonder toezicht in de auto achterla-
ten.
146 Geheugenfunctie
Stoelen, stuurkolom en spiegels
Instellingen opslaan
Met de geheugenfunctie kunnen drie verschil-
lende instellingen worden opgeslagen, bij-
voorbeeld voor verschillende personen.
Op één geheugenpositie worden de volgende
instellingen opgeslagen:
Rstoel-, leuning-, hoofdsteunpositie en rug-
leuningwelving in het lendengedeelte
Rmulticontourstoel: Zijwangen van de rug-
leuning, rugleuningwelving in het lenden-
en schoudergedeelte
RActieve multicontourstoel: Zijwangen van
de rugleuning, welving van de rugleuning-
welving, stand van de dynamische functie
RStoelverwarming: verdeling van de ver-
warmde vlakken voor zitting en rugleuning
RBestuurderszijde: stuurwielpositie, buiten-
spiegelstand aan bestuurders- en passa-
gierszijde.
XDe stoel overeenkomstig instellen
(Ypagina 122).
XAan bestuurderszijde de stuurkolom
(Ypagina 140) en de buitenspiegels instel-
len (Ypagina 144).
XGeheugentoets Mindrukken en binnen 3
seconden een van de geheugenpositietoet-
sen 1,2of 3indrukken.
De instellingen zijn op de geselecteerde
geheugenpositie opgeslagen en er klinkt
een bevestigingstoon.
Geheugen oproepen
XDe betreffende geheugenpositietoets 1,2
of 3zo lang indrukken, tot:
RStoel
RStuurwiel
RBuitenspiegels
in de opgeslagen positie staan.
iAls de geheugenpositietoets wordt losge-
laten, wordt het instellen van stoel, stuur-
kolom en spiegels direct onderbroken. De
instelling van de multicontourstoel of de 4-
weg lendensteun wordt wel uitgevoerd.
Geheugenfunctie achterin
Belangrijke veiligheidsvoorschriften
GWAARSCHUWING
Wanneer de geheugenfunctie de stoel of de
stuurkolom instelt, kunnen u en andere inzit-
tenden in het bijzonder kinderen bekneld
raken. Er bestaat gevaar voor letsel!
Tijdens de instelling van de geheugenfunctie
controleren, of er niemand met een lichaams-
deel in het bewegingsgebied van de stoel of
de stuurkolom komt. Wanneer iemand
bekneld raakt, de positietoets van de geheu-
genfunctie direct loslaten. De instelling wordt
onderbroken.
GWAARSCHUWING
Wanneer kinderen de geheugenfunctie acti-
veren kunnen ze bekneld raken, in het bijzon-
der wanneer er geen toezicht is. Er bestaat
gevaar voor letsel!
Bij het verlaten van de auto altijd de sleutel
meenemen en de auto vergrendelen. Kinde-
ren nooit zonder toezicht in de auto achterla-
ten.
Geheugenfunctie achterin 147
Stoelen, stuurkolom en spiegels
Z
Algemene aanwijzingen
Met de geheugenfunctie achterin kunnen de
instellingen van de achterstoel en de passa-
giersstoel gezamenlijk worden opgeslagen.
RAls het controlelampje in de toets vniet
brandt, worden de instellingen van de ach-
terstoel opgeslagen.
RAls het controlelampje in de toets v
brandt, worden de instellingen van de pas-
sagiersstoel en de achterstoel opgeslagen.
Bij deze instelling wordt rekening gehou-
den met zowel de passagiersstoel als de
achterstoel. Afhankelijk van de uitrusting
worden twee tot drie geheugenposities
voor de passagiersstoel en de achterstoel
opgeslagen.
Instellingen opslaan
Algemene aanwijzingen
Met de geheugenfunctie achterin kunnen tot
drie verschillende instellingen worden opge-
slagen, bijvoorbeeld voor drie verschillende
personen.
Op één geheugenpositie worden de volgende
instellingen opgeslagen:
Rstoel-, leuning-, hoofdsteunpositie
Rmulticontourstoel: Zijwangen van de rug-
leuning, rugleuningwelving in het lenden-
en schoudergedeelte
Rstoelverwarming: Verdeling van de ver-
warmde vlakken voor zitting en rugleuning,
als het controlelampje in de toets vniet
brandt.
Op één geheugenpositie worden bovendien
nog de volgende instellingen opgeslagen, als
het controlelampje in de toets vbrandt:
Rvoetsteunpositie van de passagiersstoel,
indien aanwezig.
Rbeeldschermpositie, indien aanwezig.
Auto's zonder ruststoel achterin
XAchterstoel selecteren: De toets vzo
vaak indrukken, tot het controlelampje in
de toets niet meer brandt.
Als het controlelampje in de toets niet
brandt, is de achterstoel geselecteerd.
XDe achterstoel overeenkomstig instellen
(Ypagina 123).
of
XPassagiersstoel selecteren: De toets
vzo vaak indrukken, tot het controle-
lampje in de toets gaat branden.
Als het controlelampje in de toets brandt,
is de passagiersstoel geselecteerd.
XDe passagiersstoel overeenkomstig instel-
len (Ypagina 125).
XGeheugentoets Mindrukken en binnen 3
seconden een van de geheugenpositietoet-
sen 1,2of 3indrukken.
De instellingen zijn op de geselecteerde
geheugenpositie opgeslagen.
Auto's met ruststoel achterin
148 Geheugenfunctie achterin
Stoelen, stuurkolom en spiegels
XAchterstoel selecteren: De toets vzo
vaak indrukken, tot het controlelampje in
de toets niet meer brandt.
Als het controlelampje in de toets niet
brandt, is de achterstoel geselecteerd.
XDe achterstoel overeenkomstig instellen
(Ypagina 123).
of
XPassagiersstoel selecteren: De toets
vzo vaak indrukken, tot het controle-
lampje in de toets gaat branden.
Als het controlelampje in de toets brandt,
is de passagiersstoel geselecteerd.
XDe passagiersstoel overeenkomstig instel-
len (Ypagina 125).
XGeheugentoets Mindrukken en binnen 3
seconden een van de geheugenpositietoet-
sen 1of 2indrukken.
De instellingen zijn op de geselecteerde
geheugenpositie opgeslagen.
Op de toets voor het instellen van de ligstand
kunnen geen instellingen worden opgesla-
gen.
De geheugenposities in het gedeelte voor het
rijden met chauffeur kunnen alleen worden
ingesteld als aan de voorwaarden voor het
rijden met chauffeur zijn voldaan
(Ypagina 128).
Geheugen oproepen
Auto's zonder ruststoel achterin
XDe betreffende geheugenpositietoets 1,2
of 3zo lang indrukken, tot de achterstoel
of de passagiersstoel in de opgeslagen
positie staat.
iAls de geheugenpositietoets wordt losge-
laten, wordt de stoelinstelling direct onder-
broken. De instelling van de multicontour-
stoel of de 4-weg lendensteun wordt wel
uitgevoerd.
Auto's met ruststoel achterin
XDe betreffende geheugenpositietoets 1of
2zo lang indrukken, tot de achterstoel of
de passagiersstoel in de opgeslagen positie
staat.
iAls de geheugenpositietoets wordt losge-
laten, wordt de stoelinstelling direct onder-
broken. De instelling van de multicontour-
stoel of de 4-weg lendensteun wordt wel
uitgevoerd.
Geheugenfunctie achterin 149
Stoelen, stuurkolom en spiegels
Z
150
Wetenswaardigheden ....................... 152
Buitenverlichting .............................. 152
Interieurverlichting .......................... 159
Lampjes vervangen .......................... 160
Ruitenwissers ................................... 160
151
Verlichting en ruitenwissers
Wetenswaardigheden
iDeze handleiding beschrijft alle modellen
en standaard- en speciale uitrustingen van
de auto die op het tijdstip van de redactie-
sluiting van deze handleiding verkrijgbaar
waren. Landspecifieke afwijkingen zijn ook
mogelijk. In acht nemen dat de auto niet
met alle beschreven functies kan zijn uit-
gerust. Dit betreft ook veiligheidsrelevante
systemen en functies.
iDe informatie over gekwalificeerde werk-
plaatsen lezen (Ypagina 29).
Buitenverlichting
Algemene aanwijzingen
Mercedes-Benz adviseert om in verband met
de veiligheid ook overdag met ingeschakelde
verlichting te rijden. In enkele landen zijn door
wettelijke voorschriften afwijkingen in de
bediening mogelijk.
Buitenlandse reizen
Algemene aanwijzingen
In landen waar aan de andere kant van de weg
wordt gereden dan in het land waar de auto
is geregistreerd, moeten de koplampen zo
dicht mogelijk voor de grensovergang naar
symmetrisch dimlicht worden omgeschakeld
(met uitzondering van auto's met statische
LED-koplampen). Hierdoor worden tegenlig-
gers niet verblind. Bij symmetrisch licht wordt
de kant van de weg niet meer zo ver en zo
hoog verlicht.
Auto's met statische LED-koplampen
Het omschakelen van de koplampen naar
symmetrisch dimlicht in landen waar aan de
andere kant van de weg wordt gereden dan
in het land waar de auto is geregistreerd, is
niet noodzakelijk. Ook zonder omschakelen
voldoet de auto aan de wettelijke voorschrif-
ten.
Auto's met intelligent verlichtingssys-
teem
XVoor het passeren van de grens de kop-
lampen via de functie "Dimlicht voor
rechts- of linksrijdend verkeer" in de boord-
computer (Ypagina 326) naar symme-
trisch en na terugkeer weer naar asymme-
trisch dimlicht omschakelen.
Wanneer de koplampen op symmetrisch dim-
licht zijn ingesteld, zijn de functies "Snelweg-
licht" en "Uitgebreid mistlicht" niet beschik-
baar.
Instellen van de buitenverlichting
Instelmogelijkheden
De buitenverlichting kan worden ingesteld
met behulp van de:
RVerlichtingsschakelaar
RCombischakelaar (Ypagina 154)
RBoordcomputer (Ypagina 326)
Verlichtingsschakelaar
Bediening
1WLinker parkeerlicht
2XRechter parkeerlicht
3TStadslicht, kentekenplaat- en dash-
boardverlichting
152 Buitenverlichting
Verlichting en ruitenwissers
4ÃAutomatisch rijlicht, aangestuurd
door de lichtsensor
5LDim- en grootlicht
BRMistachterlicht
Wanneer bij het verlaten van de auto een
waarschuwingssignaal klinkt, is mogelijk de
verlichting ingeschakeld.
XDe verlichtingsschakelaar in stand Ã
draaien.
De buitenverlichting (behalve stads- en par-
keerlicht) wordt automatisch uitgeschakeld
als:
Rde sleutel uit het contactslot wordt verwij-
derd
Rhet bestuurdersportier wordt geopend, ter-
wijl de sleutel in het contactslot in stand
0staat.
Automatisch rijlicht
GWAARSCHUWING
Als de verlichtingsschakelaar in stand Ã
staat, wordt het dimlicht bij mist, sneeuw en
andere zichtbeperkingen zoals spatwater niet
automatisch ingeschakeld. Er bestaat gevaar
voor ongevallen!
De verlichtingsschakelaar in dergelijke situ-
aties in stand Ldraaien.
Het automatische rijlicht is slechts een hulp-
middel. De bestuurder blijft te allen tijde ver-
antwoordelijk voor het inschakelen van de
verlichting.
Het dagrijlicht verbetert de zichtbaarheid van
uw auto overdag. Daartoe moet de functie
"Dagrijlicht" via de boordcomputer ingescha-
keld zijn (Ypagina 326).
Als het stads- en dimlicht worden ingescha-
keld, gaan de groene controlelampjes T
(stadslicht) en L(dimlicht) in het instru-
mentenpaneel branden.
Ãis de gewenste stand van de verlich-
tingsschakelaar. De verlichting wordt afhan-
kelijk van het omgevingslicht automatisch in-
en uitgeschakeld (uitzondering: weersafhan-
kelijke zichtbeperkingen zoals mist, sneeuw
en spatwater):
RSleutel in het contactslot in stand 1: Afhan-
kelijk van het omgevingslicht wordt het
stadslicht automatisch in- of uitgescha-
keld.
RWanneer de motor draait: Als de functie
"Dagrijlicht" via de boordcomputer is inge-
schakeld, wordt afhankelijk van het omge-
vingslicht het dagrijlicht of het stads- en
dimlicht automatisch in- of uitgeschakeld.
XAutomatisch rijlicht inschakelen: De
verlichtingsschakelaar in stand Ã
draaien.
Dimlicht
Ook als de lichtsensor geen duisternis waar-
neemt, worden bij ingeschakeld contact en
stand Lvan de verlichtingsschakelaar het
stads- en dimlicht ingeschakeld. Dit is vooral
zinvol bij mist en neerslag.
XDimlicht inschakelen: De sleutel in het
contactslot in stand 2draaien of de motor
starten.
XDe verlichtingsschakelaar in stand L
draaien.
Het groene controlelampje Lin het
instrumentenpaneel gaat branden.
Mistachterlicht
Het mistachterlicht verbetert bij dichte mist
de zichtbaarheid van de auto voor het ach-
teropkomende verkeer. De landspecifieke
regelingen voor gebruik van het mistachter-
licht in acht nemen.
XMistachterlicht inschakelen: De sleutel
in het contactslot in stand 2draaien of de
motor starten.
XDe verlichtingsschakelaar in stand Lof
in stand Ãdraaien.
Buitenverlichting 153
Verlichting en ruitenwissers
Z
XToets Rindrukken.
Het gele controlelampje Rin het instru-
mentenpaneel gaat branden.
XMistachterlicht uitschakelen: Toets
Rindrukken.
Het gele controlelampje Rin het instru-
mentenpaneel dooft.
Stadslicht
!Bij sterke ontlading van de accu wordt het
stads- of het parkeerlicht ten gunste van de
volgende motorstart automatisch uitge-
schakeld. De auto altijd overeenkomstig
wettelijke regelingen veilig en voldoende
verlicht parkeren. Het gebruik van het
stadslicht Tgedurende meerdere uren
vermijden. Indien mogelijk het rechter
Xof het linker Wparkeerlicht
inschakelen.
XInschakelen: De verlichtingsschakelaar in
stand Tdraaien.
Het groene controlelampje Tin het
instrumentenpaneel gaat branden.
Parkeerlicht
Als het parkeerlicht wordt ingeschakeld, is de
auto aan de betreffende zijde verlicht.
XParkeerlicht inschakelen: Geen sleutel in
het contactslot of de sleutel in het contact-
slot in stand 0.
XDe verlichtingsschakelaar in stand W
(linker zijde van de auto) of X(rechter
zijde van de auto) draaien.
Combischakelaar
Richtingaanwijzers
:Grootlicht
;Richtingaanwijzers rechts
=Lichtsignaal
?Richtingaanwijzers links
XKort knipperen: De combischakelaar kort
tot het drukpunt in de richting van pijl ;
of ?drukken.
De betreffende richtingaanwijzers knippe-
ren driemaal.
XPermanent knipperen: De combischake-
laar tot voorbij het drukpunt in de richting
van pijl ;of ?drukken.
Grootlicht
XGrootlicht inschakelen: De sleutel in het
contactslot in stand 2draaien of de motor
starten.
XDe verlichtingsschakelaar in stand Lof
in stand Ãdraaien.
XDe combischakelaar in de richting van
pijl :tot voorbij het drukpunt indrukken.
Het grootlicht wordt in stand Ãalleen
bij duisternis ingeschakeld en als de motor
draait.
154 Buitenverlichting
Verlichting en ruitenwissers
Bij ingeschakeld grootlicht brandt het
blauwe controlelampje Kin het instru-
mentenpaneel.
XGrootlicht uitschakelen: De combischa-
kelaar in de beginpositie terugtrekken.
Het blauwe controlelampje Kin het
instrumentenpaneel dooft.
Als de adaptieve grootlichtassistent Plus
actief is, regelt deze het in- en uitschakelen
van het grootlicht (Ypagina 157).
Lichtsignaal
XInschakelen: De sleutel in het contactslot
in stand 1of 2draaien of de motor starten.
XDe combischakelaar in de richting van pijl
=trekken.
Alarmknipperlichten
XAlarmknipperlichten inschakelen:
Toets :indrukken.
Alle richtingaanwijzers knipperen. Als nu
een richtingaanwijzer via de combischake-
laar wordt ingeschakeld, knipperen alleen
de richtingaanwijzers aan de overeenkom-
stige zijde van de auto.
XAlarmknipperlichten uitschakelen:
Toets :indrukken.
De alarmknipperlichten worden automatisch
ingeschakeld als:
Reen airbag is geactiveerd of
Rde auto vanaf een snelheid van meer dan
70 km/h krachtig wordt afgeremd en tot
stilstand komt.
De alarmknipperlichten worden na een nood-
stop automatisch uitgeschakeld, wanneer de
auto dan weer een snelheid van meer dan
10 km/h bereikt.
De alarmknipperlichten werken ook als het
contact is uitgeschakeld.
Intelligent verlichtingssysteem
Belangrijke aanwijzingen
Het intelligent verlichtingssysteem is een sys-
teem, waarbij de koplampen zich aanpassen
aan de rij-omstandigheden en de weersitua-
tie. Het biedt meerdere functies voor een
betere verlichting van de weg, afhankelijk van
bijvoorbeeld de rijsnelheid of de weersom-
standigheden. Het systeem bestaat uit
actieve bochtverlichting, bochtverlichting,
snelweglicht en uitgebreid mistlicht. Het sys-
teem werkt alleen als het donker is.
De functie "Intelligent Light System" kan via
de boordcomputer worden in- of uitgescha-
keld (Ypagina 325).
Actieve bochtverlichting
De actieve bochtverlichting is een systeem,
waarbij de koplampen de stuurbewegingen
volgen. Daardoor worden relevante gebieden
Buitenverlichting 155
Verlichting en ruitenwissers
Z
tijdens het rijden beter verlicht. Voetgangers,
fietsers en dieren kunnen vroeger worden
herkend.
Actief: Als het licht ingeschakeld is.
Bochtverlichting
De bochtverlichting verbetert de verlichting
van de weg in de richting van de bocht, zodat
bijvoorbeeld scherpe bochten overzichtelij-
ker worden. Het kan alleen worden geacti-
veerd als het dimlicht ingeschakeld is.
Actief:
RWanneer langzamer dan 40 km/h wordt
gereden en de richtingaanwijzers worden
bediend of aan het stuurwiel wordt
gedraaid.
RAls tussen 40 km/h en 70 km/h wordt
gereden en aan het stuurwiel wordt
gedraaid.
Niet actief: Wanneer sneller dan 40 km/h
wordt gereden of als de richtingaanwijzers
worden uitgeschakeld of het stuurwiel in de
rechtuitstand wordt gedraaid..
De bochtverlichting kan gedurende korte tijd
blijven branden, het wordt echter na uiterlijk
3 minuten automatisch uitgeschakeld.
Snelweglicht
Actief: Als sneller dan 110 km/h en ten min-
ste 1000 mzonder grote stuuruitslag is gere-
den of als sneller dan 130 km/h wordt gere-
den.
Niet actief: Als na de activering langzamer
dan 80 km/h wordt gereden.
Uitgebreid mistlicht
Het uitgebreid mistlicht vermindert de eigen-
verblinding en verbetert de verlichting van de
rand van de weg.
Actief: Als langzamer dan 70 km/h wordt
gereden en het mistachterlicht wordt inge-
schakeld.
Niet actief: Wanneer na de activering sneller
dan 100 km/hwordt gereden of het mistach-
terlicht wordt uitgeschakeld.
156 Buitenverlichting
Verlichting en ruitenwissers
Adaptieve grootlichtassistent Plus
Algemene aanwijzingen
Met de adaptieve grootlichtassistent Plus kan
automatisch tussen dimlicht, deelgrootlicht
en grootlicht worden gewisseld.
Deelgrootlicht is een verlichting waarbij met
grootlicht langs andere verkeersdeelnemers
voorbij wordt geschenen. De verkeersdeel-
nemers worden echter uit het grootlicht
gehouden. Hierdoor wordt verblinding verme-
den. Bij een voorligger wordt bijvoorbeeld
met het grootlicht rechts en links aan deze
voorbij geschenen en bevindt de voorligger
zich in het dimlichtbereik.
Het systeem past de lichtbundel bij het dim-
licht automatisch aan de afstand van de voer-
tuigen aan. Indien het systeem geen ander
voertuig meer herkent, wordt het grootlicht
weer ingeschakeld.
Als de reflectie van borden door het grootlicht
of deelgrootlicht te groot wordt, wordt het
licht automatisch gedimd en wordt eigenver-
blinding van de bestuurder door de reflecties
vermeden.
De optische sensor voor het systeem bevindt
zich achter de voorruit bij de dakbedienings-
eenheid.
Belangrijke veiligheidsvoorschriften
GWAARSCHUWING
De adaptieve grootlichtassistent Plus rea-
geert niet op verkeersdeelnemers:
Rdie geen verlichting voeren, bijvoorbeeld
voetgangers
Rdie een zwakke verlichting voeren, bijvoor-
beeld fietsers
Rwaarvan de verlichting door bijvoorbeeld
een vangrail is afgedekt.
In zeer sporadische gevallen reageert de
adaptieve grootlichtassistent Plus niet of niet
tijdig op andere verkeersdeelnemers met
eigen verlichting. Daardoor wordt in deze of
vergelijkbare situaties het automatische
grootlicht niet gedeactiveerd of desondanks
geactiveerd. Er bestaat gevaar voor ongeval-
len!
Altijd opmerkzaam de verkeerssituatie in acht
nemen en het grootlicht tijdig uitschakelen.
De adaptieve grootlichtassistent Plus kan
geen rekening houden met de verkeers- en
weersomstandigheden en de verkeerssitua-
tie. De adaptieve grootlichtassistent Plus is
slechts een hulpmiddel. De verantwoordelijk-
heid voor de correcte voertuigverlichting
overeenkomstig de heersende licht- en zicht-
omstandigheden en de verkeerssituatie ligt
bij u.
De herkenning kan vooral beperkt zijn bij:
Rslecht zicht, bijvoorbeeld door mist, hevige
regen of sneeuw
Rvervuilde of afgedekte sensoren.
Buitenverlichting 157
Verlichting en ruitenwissers
Z
Adaptieve grootlichtassistent PLUS in-
en uitschakelen
:Grootlicht
;Richtingaanwijzers rechts
=Lichtsignaal
?Richtingaanwijzers links
XInschakelen: De verlichtingsschakelaar in
stand Ãdraaien.
XDe combischakelaar in de richting van
pijl :tot voorbij het drukpunt indrukken.
Als de lichtsensor bij duisternis het dimlicht
inschakelt gaat controlelampje _op
het multifunctioneel display branden.
Wanneer sneller dan circa 25 km/h wordt
gereden:
De lichtbundel wordt in relatie tot de
afstand tot andere verkeersdeelnemers
automatisch geregeld.
Wanneer sneller dan circa 30 km/h wordt
gereden en geen andere verkeersdeelne-
mers worden herkend:
Het grootlicht wordt automatisch inge-
schakeld. Bovendien gaat in het instrumen-
tenpaneel controlelampje Kbranden.
Wanneer sneller dan circa 45 km/h wordt
gereden en andere verkeersdeelnemers
worden herkend:
Er wordt automatisch op deelgrootlicht
omgeschakeld. Bovendien gaat in het
instrumentenpaneel controlelampje K
branden.
Wanneer langzamer dan circa 40 km/h
wordt gereden
Het deelgrootlicht wordt automatisch uit-
geschakeld. Als geen andere verkeersdeel-
nemer worden herkend, wordt het groot-
licht ingeschakeld.
Wanneer langzamer dan circa 25 km/h
wordt gereden of als de wegen voldoende
verlicht zijn:
Het grootlicht wordt automatisch uitge-
schakeld. Controlelampje Kin het
instrumentenpaneel dooft. Controlelampje
_op het multifunctioneel display blijft
ingeschakeld.
XUitschakelen: De combischakelaar in de
beginpositie terugtrekken of de verlich-
tingsschakelaar in een andere stand
draaien.
Controlelampje _in het instrumenten-
paneel dooft.
Van binnen beslagen koplampen
Onder bepaalde klimatologische en natuur-
lijke omstandigheden kan zich vochtigheid
verzamelen in de koplampen. Deze vochtig-
heid heeft geen nadelige invloed op de wer-
king van de koplampen.
158 Buitenverlichting
Verlichting en ruitenwissers
Interieurverlichting
Overzicht van de interieurverlichting
Dakbedieningseenheid voorin
:pLeeslampje linksvoor in- en uitscha-
kelen
;|Automatische interieurverlichtings-
regeling in- en uitschakelen
=cInterieurverlichting voorin in- en uit-
schakelen
?uInterieurverlichting achterin in- en
uitschakelen
ApLeeslampje rechtsvoor in- en uit-
schakelen
Bedieningseenheid in handgreep (ach-
ter)
XAan de betreffende zijde van de auto
inschakelen: Toets ;indrukken.
Leeslampje :en make-up-lampje gaan
branden.
XUitschakelen: Toets ;indrukken.
Eenmaal indrukken: Het make-up-lampje
dooft.
Tweemaal indrukken: Leeslampje :dooft.
XAan beide zijde van de auto inschake-
len: Toets =indrukken.
Leeslampje :en het make-up-lampje
gaan branden.
XUitschakelen: Toets =indrukken.
Leeslampje :en het make-up-lampje
doven.
Interieurverlichtingsregeling
Algemene aanwijzingen
Behalve in stand 2van de sleutel in het con-
tactslot worden de interieurverlichtingsfunc-
ties na enige tijd automatisch gedeactiveerd,
om ontlading van de accu van de auto te voor-
komen.
De kleur, helderheid, zone en het displaylicht
van de sfeerverlichting kunnen via de
COMAND Online worden ingesteld (zie de
afzonderlijke COMAND Online handleiding).
De interieurverlichtingsregeling gebeurt met
behulp van de dakbedieningseenheid voorin.
Automatische interieurverlichtingsre-
geling
XIn- en uitschakelen: Toets |indruk-
ken.
Bij ingeschakelde automatische interieur-
verlichtingsregeling ligt de toets gelijk met
de dakbedieningseenheid.
Interieurverlichting 159
Verlichting en ruitenwissers
Z
De interieurverlichting wordt automatisch
ingeschakeld als:
Rde auto wordt ontgrendeld of
Reen portier wordt geopend of
Rde sleutel uit het contactslot wordt verwij-
derd.
Bij het verwijderen van de sleutel uit het con-
tactslot gaat de interieurverlichting gedu-
rende bepaalde tijd branden. Deze uitscha-
kelvertraging kan via het COMAND Online
worden ingesteld (zie de afzonderlijke
COMAND Online handleiding).
Handmatige interieurverlichtingsrege-
ling
XInterieurverlichting voorin in- en uit-
schakelen: Toets cindrukken.
XInterieurverlichting achterin in- en uit-
schakelen: Toets uindrukken.
XLeeslampjes in- en uitschakelen: Toets
pindrukken.
Crash-actieve noodverlichting
De interieurverlichting wordt bij een ongeval
automatisch ingeschakeld.
XCrash-actieve noodverlichting uitscha-
kelen: De alarmknipperlichtentoets
indrukken.
of
XDe auto vergrendelen met de sleutel en
vervolgens ontgrendelen.
Lampjes vervangen
De lichtunits aan de voor- en achterzijde van
de auto zijn uitgerust met lichtbronnen met
lichtdiodes (LED's). De lichtbronnen van de
auto niet zelf vervangen. Contact opnemen
met een gekwalificeerde werkplaats die over
de benodigde vakkennis en uitrusting
beschikt om de vereiste werkzaamheden uit
te voeren.
De lichtunits vormen een belangrijk onder-
deel van de veiligheid van de auto. Daarom
erop letten dat deze altijd werken. De kop-
lampinstelling regelmatig laten controleren.
Ruitenwissers
Ruitenwissers in- en uitschakelen
!De ruitenwissers niet bedienen als de
voorruit droog is, de ruitenwisserbladen
kunnen dan worden beschadigd. Boven-
dien kunnen er door stof op de voorruit
krassen ontstaan bij het droog wissen.
Als het noodzakelijk is de ruitenwissers te
gebruiken bij droge weersomstandighe-
den, altijd wissen met ruitensproeiervloei-
stof.
!Als de ruitenwissers strepen op de ruit
maken nadat de auto in een wasstraat is
gereinigd, kan dit worden veroorzaakt door
wax of andere resten. Nadat de auto in een
wasstraat is gereinigd de voorruit reinigen
met water met reinigingsmiddel.
!Auto's met regensensor: Als de voorruit
bij droog weer vuil wordt, kunnen de rui-
tenwissers onbedoeld worden ingescha-
keld. Daardoor kunnen de ruitenwisserrub-
bers of de voorruit beschadigd raken.
Daarom bij droog weer de ruitenwissers
uitschakelen.
1$Ruitenwissers uit
2ÄIntervalwissen laag (lage gevoelig-
heid van de regensensor)
160 Ruitenwissers
Verlichting en ruitenwissers
3ÅIntervalwissen hoog (hoge gevoe-
ligheid van de regensensor)
4°Continu wissen langzaam
5¯Continu wissen snel
BíEenmaal wissen resp. îwissen
met ruitensproeiervloeistof
XMet de start-stop-toets of de sleutel de
spanningsvoorziening inschakelen
(Ypagina 195).
XDe combischakelaar in de betreffende
stand draaien.
Bij de standen Äof Åwordt afhanke-
lijk van de neerslag de passende wisfrequen-
tie ingesteld. In stand Åis de regensensor
gevoeliger dan in stand Ä, de ruitenwis-
sers wissen dus regelmatiger.
iAuto's met MAGIC VISION CONTROL: De
ruitensproeiervloeistof wordt door de rui-
tenwisserbladen gevoerd en bij het wissen
met ruitensproeiervloeistof îdirect uit
de ruitenwisserbladen op de ruit gesproeid.
De ruiten worden niet meer correct gewist als
de ruitenwisserbladen versleten zijn. Daar-
door kan de verkeerssituatie niet meer goed
worden beoordeeld.
Ruitenwisserbladen vervangen
Belangrijke veiligheidsvoorschriften
GWAARSCHUWING
Als de ruitenwissers tijdens het vervangen
van de ruitenwisserbladen zich in beweging
zetten, kunt u bekneld raken bij de wisserarm.
Er bestaat gevaar voor letsel!
Altijd de ruitenwissers en het contact uitscha-
kelen, voordat de ruitenwisserbladen worden
vervangen.
!Bij het vervangen alleen de steun van het
wisserblad vastpakken, om de ruitenwis-
serrubbers niet te beschadigen.
!De motorkap nooit openen als een wis-
serarm van de voorruit is weggeklapt.
De wisserarm nooit op de voorruit terug-
plaatsen als nog geen ruitenwisserblad
gemonteerd is.
De wisserarm vasthouden als een ruiten-
wisserblad wordt vervangen. Als de wisser-
arm zonder ruitenwisserblad wordt losge-
laten en op de voorruit valt, kan de voorruit
door de kracht van de botsing worden
beschadigd.
Mercedes-Benz adviseert de ruitenwisser-
bladen te laten vervangen door een gekwa-
lificeerde werkplaats.
!De wisserarmen alleen van de ruit weg-
klappen als ze verticaal staan. Anders
wordt de motorkap beschadigd.
Ruitenwisserbladen vervangen (stan-
daard ruitenwissers)
Wisserarmen verticaal zetten
XDe sleutel in het contactslot in stand 0
draaien (Ypagina 195).
XDe ruitenwissers met de combischakelaar
in stand °zetten.
XDe sleutel in het contactslot in stand 1
draaien (Ypagina 195).
XAls de wisserarmen verticaal loodrecht
t.o.v. de motorkap staan: De sleutel in het
contactslot in stand 0draaien
(Ypagina 195).
XDe sleutel verwijderen.
XDe wisserarmen van de voorruit wegklap-
pen tot deze merkbaar vergrendelen.
Ruitenwisserbladen verwijderen
Ruitenwissers 161
Verlichting en ruitenwissers
Z
XOp beide ontgrendelingsnokken ;druk-
ken.
XRuitenwisserblad :in de richting van pijl
=van wisserarm ?wegklappen.
XRuitenwisserblad :in de richting van pijl
Averwijderen.
Ruitenwisserbladen aanbrengen
XHet nieuwe ruitenwisserblad :met uit-
sparing Bop nok Azetten.
XRuitenwisserblad :in de richting van pijl
=tegen de wisserarm klappen, tot klem-
men ;in houder ?aangrijpen.
XDe bevestiging van ruitenwisserblad :
controleren.
XDe wisserarm weer naar de voorruit klap-
pen.
Ruitenwisserbladen vervangen (MAGIC
VISION CONTROL)
Wisserarmen verticaal zetten
XDe sleutel in het contactslot in stand 0
draaien (Ypagina 195).
XDe ruitenwissers met de combischakelaar
in stand °zetten.
XDe sleutel in het contactslot in stand 1
draaien (Ypagina 195).
XAls de wisserarmen verticaal loodrecht
t.o.v. de motorkap staan: De sleutel in het
contactslot in stand 0draaien
(Ypagina 195).
XDe sleutel verwijderen.
XDe wisserarmen van de voorruit wegklap-
pen tot deze merkbaar vergrendelen.
Ruitenwisserblad verwijderen
XRuitenwisserblad in demontagepositie
brengen: Met de ene hand de wisserarm
vasthouden. Met de andere hand het rui-
tenwisserblad in de richting van de pijl :
tot voorbij de weerstand draaien.
Het ruitenwisserblad vergrendelt met een
hoorbare klik in de demontagepositie.
XRuitenwisserblad verwijderen: Ontgren-
delingsknop ;krachtig indrukken en het
ruitenwisserblad omhoog =lostrekken.
Ruitenwisserbladen aanbrengen
162 Ruitenwissers
Verlichting en ruitenwissers
XHet nieuwe ruitenwisserblad tegen de rich-
ting van de pijl :op de wisserarm schui-
ven, tot de nok ;aangrijpt.
XHet ruitenwisserblad in de richting van de
pijl =voorbij de weerstand uit de demon-
tagepositie drukken.
Het ruitenwisserblad ontgrendelt met een
hoorbare klik en kan weer vrij bewegen.
XDe bevestiging van het ruitenwisserblad
controleren.
XDe wisserarm weer naar de voorruit klap-
pen.
Ruitenwissers 163
Verlichting en ruitenwissers
Z
Problemen met de ruitenwissers
Probleem Mogelijke oorzaak en/of gevolg en MMoplossingen
De ruitenwissers blok-
keren
De ruitenwissers worden geblokkeerd door bijvoorbeeld bladeren
of sneeuw. De ruitenwissermotor is uitgeschakeld.
XDe motor afzetten met de start-stop-toets en het bestuurders-
portier openen.
XDe oorzaak van de blokkering verwijderen.
XDe ruitenwissers weer inschakelen.
De ruitenwissers zijn
volledig uitgevallen.
De aandrijving van de ruitenwissers is defect.
XMet de combischakelaar een andere wissersnelheid inschake-
len.
XDe ruitenwissers bij een gekwalificeerde werkplaats laten con-
troleren.
De ruitenwissermotor is uitgeschakeld.
XDe motor afzetten met de start-stop-toets en het bestuurders-
portier openen.
XDe oorzaak van de blokkering verwijderen.
XDe ruitenwissers weer inschakelen.
Alleen bij het standaard
wissersysteem: De rui-
tensproeiervloeistof uit
de ruitensproeiers
raakt niet meer het
midden van de voorruit.
De ruitensproeiers zijn versteld.
XDe ruitensproeiers bij een gekwalificeerde werkplaats laten
afstellen.
164 Ruitenwissers
Verlichting en ruitenwissers
Wetenswaardigheden ....................... 166
Overzicht temperatuurregelsyste-
men .................................................... 166
Temperatuurregelsysteem bedie-
nen ..................................................... 169
Luchtroosters instellen .................... 189
165
Temperatuurregeling
Wetenswaardigheden
iDeze handleiding beschrijft alle modellen
en standaard- en speciale uitrustingen van
de auto die op het tijdstip van de redactie-
sluiting van deze handleiding verkrijgbaar
waren. Landspecifieke afwijkingen zijn ook
mogelijk. In acht nemen dat de auto niet
met alle beschreven functies kan zijn uit-
gerust. Dit betreft ook veiligheidsrelevante
systemen en functies.
iDe informatie over gekwalificeerde werk-
plaatsen lezen (Ypagina 29).
Overzicht temperatuurregelsyste-
men
Belangrijke veiligheidsvoorschriften
De op de volgende pagina's aanbevolen
instellingen aanhouden. Anders kunnen de
ruiten beslaan.
Om te voorkomen dat de ruiten beslaan:
Rde temperatuurregeling slechts kortston-
dig uitschakelen
Rde luchtrecirculatie slechts kortstondig
inschakelen
Rde functie "Koeling met luchtdroging"
inschakelen
Reventueel de functie "Voorruit ontwase-
men" kortstondig inschakelen.
De temperatuurregeling heeft behalve zijn
regelfunctie ook een gunstige invloed op de
luchtvochtigheid in het interieur. Het luchtfil-
ter reinigt de lucht en draagt daarmee bij aan
een beter klimaat in de auto.
Bij auto's met verbrandingsmotor kan de
functie "Koeling met luchtdroging" alleen
worden ingeschakeld als de motor draait. Bij
auto's met HYBRID technologie kan vanwege
de elektrische aircocompressor de functie
"Koeling met luchtdroging" ook worden inge-
schakeld als de motor niet draait. De tempe-
ratuurregeling werkt alleen optimaal als de
zijruiten en het dak gesloten zijn.
De functie "Restwarmte" kan alleen worden
in- of uitgeschakeld als het contact is uitge-
schakeld (Ypagina 180).
iBij warm weer de auto gedurende korte
tijd ventileren, bijvoorbeeld met de functie
"Comfortopenen" (Ypagina 110). Hierdoor
wordt het afkoelproces versneld en de
gewenste interieurtemperatuur sneller
bereikt.
iHet ingebouwde filter filtert stofdeeltjes
en roet tot een bepaalde grootte en stuif-
meel geheel uit de buitenlucht. Tevens wor-
den in de lucht aanwezige gasvormige
schadelijke stoffen en geuroverlast vermin-
derd. Een verstopt filter vermindert de
luchttoevoer naar het interieur. Daarom het
in het onderhoudsboekje aangegeven ver-
vangingsinterval van het filter in acht
nemen. Omdat dit afhankelijk is van milieu-
invloeden, zoals sterke luchtvervuiling, kan
het interval korter zijn dan in het onder-
houdsboekje aangegeven.
iDe aanjager kan afhankelijk van verschil-
lende factoren, bijvoorbeeld de buitentem-
peratuur, tot 60 minuten na het verwijde-
ren van de contactsleutel automatisch wor-
den ingeschakeld. Dan wordt de auto
30 minuten lang geventileerd om de air-
conditioning te drogen.
166 Overzicht temperatuurregelsystemen
Temperatuurregeling
Bedieningseenheid automatische temperatuurregeling
Auto's met interieurvoorverwarming
Bedieningseenheid voorin
:Temperatuurregeling automatisch regelen, links (Ypagina 172)
;Temperatuur instellen links (Ypagina 174)
=Luchthoeveelheid instellen links (Ypagina 176)
?Luchtrecirculatie handmatig in- en uitschakelen (Ypagina 179)
AVoorruit ontwasemen (Ypagina 177)
BAircomenu van het COMAND Online oproepen
Restwarmte in- en uitschakelen (Ypagina 180)
CAchterruitverwarming in- en uitschakelen (Ypagina 178)
DInterieurvoorverwarming in- en uitschakelen (Ypagina 183)
ELuchthoeveelheid instellen rechts (Ypagina 176)
FTemperatuur instellen rechts (Ypagina 174)
GTemperatuurregeling automatisch regelen, rechts (Ypagina 172)
Bedieningseenheid achterin (alleen auto's met temperatuurregeling achterin)
HTemperatuur instellen links (Ypagina 174)
ILuchtverdeling instellen links (Ypagina 176)
JTemperatuurregeling automatisch regelen (Ypagina 172)
KLuchthoeveelheid instellen (Ypagina 176)
LTemperatuurregeling in- en uitschakelen (Ypagina 169)
Restwarmte in- en uitschakelen (Ypagina 180)
MLuchtverdeling instellen rechts (Ypagina 176)
NTemperatuur instellen rechts (Ypagina 174)
Overzicht temperatuurregelsystemen 167
Temperatuurregeling
Auto's zonder interieurvoorverwarming
Bedieningseenheid voorin
:Temperatuurregeling automatisch regelen, links (Ypagina 172)
;Temperatuur instellen links (Ypagina 174)
=Luchthoeveelheid instellen links (Ypagina 176)
?Luchtrecirculatie in- en uitschakelen (Ypagina 179)
AVoorruit ontwasemen (Ypagina 177)
BAircomenu van het COMAND Online oproepen
CAchterruitverwarming in- en uitschakelen (Ypagina 178)
DRestwarmte in- en uitschakelen (Ypagina 180)
ELuchthoeveelheid instellen rechts (Ypagina 176)
FTemperatuur instellen rechts (Ypagina 174)
GTemperatuurregeling automatisch regelen, rechts (Ypagina 172)
Bedieningseenheid achterin (alleen auto's met temperatuurregeling achterin)
HTemperatuur instellen links (Ypagina 174)
ILuchtverdeling instellen links (Ypagina 176)
JTemperatuurregeling automatisch regelen (Ypagina 172)
KLuchthoeveelheid instellen (Ypagina 176)
LTemperatuurregeling in- en uitschakelen (Ypagina 169)
Restwarmte in- en uitschakelen (Ypagina 180)
MLuchtverdeling instellen rechts (Ypagina 176)
NTemperatuur instellen rechts (Ypagina 174)
168 Overzicht temperatuurregelsystemen
Temperatuurregeling
Aanwijzingen m.b.t. het gebruik van
de automatische temperatuurrege-
ling
Automatische temperatuurregeling
Hierna vindt u een aantal aanwijzingen en
aanbevelingen voor een optimale omgang
met de automatische temperatuurregeling.
RDe temperatuurregeling via de tuimelscha-
kelaar Ãinschakelen. Het controle-
lampje in de tuimelschakelaar Ãgaat
branden.
RDe temperatuur op 22 instellen.
RDe functie "Voorruit ontwasemen" slechts
kortstondig gebruiken, tot de voorruit weer
ontwasemd is.
RDe functie "Luchtrecirculatie" slechts kort-
stondig gebruiken, bijvoorbeeld bij onaan-
gename geuren in de buitenlucht of in een
tunnel. Anders kunnen de ruiten beslaan,
omdat in de stand luchtrecirculatie geen
buitenlucht wordt toegevoerd.
RDe functie "Restwarmte" gebruiken om het
interieur bij uitgeschakeld contact te ver-
warmen of te ventileren. De functie "Rest-
warmte" kan alleen worden in- of uitge-
schakeld als het contact is uitgeschakeld.
Als het contact wordt ingeschakeld, wordt
de functie "Restwarmte" uitgeschakeld.
De aanwijzingen m.b.t. de instelling van de
temperatuurregeling achterin via de bedie-
ningseenheid voorin in acht nemen
RWanneer de temperatuurregeling achterin
via de bedieningseenheid voorin wordt
geregeld, verschijnt op het display achterin
het symbool Y.
RZolang de temperatuurregeling achterin via
de bedieningseenheid voorin wordt gere-
geld, is er geen bediening via de bedie-
ningseenheid achterin mogelijk. Wanneer
de instelling van de temperatuurregeling
achterin via de bedieningseenheid voorin is
afgesloten, 5 seconden wachten. Daarna
kan de temperatuurregeling achterin weer
via de bedieningseenheid achterin worden
ingesteld.
RNa het selecteren van de instellingen ach-
terin kan de temperatuurregeling voorin na
5 seconden weer automatisch via het
COMAND Online worden ingesteld.
Als alternatief is het mogelijk in de status-
regel airconditioning van het COMAND
Online "achter verlaten" te selecteren.
ECO start-stop-functie
Tijdens de automatische motorstop van de
ECO start-stop-functie is minder vermogen
van de airconditioning beschikbaar. Als het
volledig aircovermogen nodig is, kan de ECO
start-stop-functie met de ECO-toets
(Ypagina 201) worden uitgeschakeld.
Auto's met HYBRID technologie
Als de auto gereed is om te rijden is en de
groene of de gele READY-weergave brandt, is
de functie "Koeling met luchtdroging"
beschikbaar (Ypagina 293).
Wanneer de verbrandingsmotor automatisch
afgezet werd, wordt de ingestelde interieur-
temperatuur voor een bepaalde tijd behou-
den.
Temperatuurregelsysteem bedienen
Temperatuurregeling in- en uitscha-
kelen
Algemene aanwijzingen
Als de temperatuurregeling wordt uitgescha-
keld, zijnde luchttoevoer en -circulatie uitge-
schakeld. De ruiten kunnen beslaan. Daarom
de temperatuurregeling slechts kortstondig
uitschakelen.
De temperatuurregeling bij voorkeur via de
tuimelschakelaar Ãinschakelen
(Ypagina 172).
Temperatuurregelsysteem bedienen 169
Temperatuurregeling
Temperatuurregeling voorin via bedie-
ningseenheid voorin in- en uitschakelen
XDe sleutel in het contactslot in stand 2
draaien (Ypagina 195).
XInschakelen (auto's met interieurvoor-
verwarming): De tuimelschake-
laar omhoog- of omlaagdrukken.
Het menu airconditioning in het COMAND
Online wordt geopend.
XInschakelen (auto's zonder interieur-
voorverwarming): De tuimelschake-
laar tomhoog- of omlaagdrukken.
Het menu airconditioning in het COMAND
Online wordt geopend.
XDe temperatuurregeling inschakelen via de
airco-instellingenregel in het COMAND
Online (zie de afzonderlijke handleiding).
XUitschakelen (auto's met interieurvoor-
verwarming): De tuimelschake-
laar omhoog- of omlaagdrukken.
Het menu airconditioning in het COMAND
Online wordt geopend.
XUitschakelen (auto's zonder interieur-
voorverwarming): De tuimelschake-
laar tomhoog- of omlaagdrukken.
Het menu airconditioning in het COMAND
Online wordt geopend.
XDe temperatuurregeling uitschakelen via
de airco-instellingenregel in het COMAND
Online (zie de afzonderlijke handleiding).
Temperatuurregeling achterin via
bedieningseenheid voorin in- en uit-
schakelen
De aanwijzingen m.b.t. de instelling van de
temperatuurregeling achterin via de bedie-
ningseenheid voorin in acht nemen
(Ypagina 169).
XDe sleutel in het contactslot in stand 2
draaien (Ypagina 195).
XInschakelen (auto's met interieurvoor-
verwarming): De tuimelschake-
laar omhoog- of omlaagdrukken.
Het menu airconditioning in het COMAND
Online wordt geopend.
XInschakelen (auto's zonder interieur-
voorverwarming): De tuimelschake-
laar tomhoog- of omlaagdrukken.
Het menu airconditioning in het COMAND
Online wordt geopend.
XIn de airco-instellingenregel "Instelling ach-
terin" selecteren (zie de afzonderlijke
COMAND Online handleiding).
In het COMAND Online kan de tempera-
tuurregeling achterin via de bedieningseen-
heid voorin of via het COMAND Online wor-
den bediend.
XDe temperatuurregeling achterin inschake-
len via de airco-instellingenregel.
XUitschakelen (auto's met interieurvoor-
verwarming): De tuimelschake-
laar omhoog- of omlaagdrukken.
Het menu airconditioning in het COMAND
Online wordt geopend.
XUitschakelen (auto's zonder interieur-
voorverwarming): De tuimelschake-
laar tomhoog- of omlaagdrukken.
Het menu airconditioning in het COMAND
Online wordt geopend.
XIn de airco-instellingenregel "Instelling ach-
terin" selecteren (zie de afzonderlijke
COMAND Online handleiding).
XDe temperatuurregeling achterin uitscha-
kelen via de airco-instellingenregel.
170 Temperatuurregelsysteem bedienen
Temperatuurregeling
Temperatuurregeling achterin via
bedieningseenheid achterin in- en uit-
schakelen
XDe sleutel in het contactslot in stand 2
draaien (Ypagina 195).
XInschakelen: De tuimelschakelaar L
omhoog- of omlaagdrukken
(Ypagina 167).
Het controlelampje in de tuimelschake-
laar Ldooft. Alle instellingen worden vol-
ledig weergegeven op het display achterin.
XUitschakelen: De tuimelschakelaar L
omhoog- of omlaagdrukken
(Ypagina 167).
Het controlelampje in de tuimelschake-
laar Lgaat branden. Op het display ach-
terin staat OFFOFF.
Koeling met luchtdroging in- en uit-
schakelen
Algemene aanwijzingen
Als de functie "Koeling met luchtdroging"
wordt uitgeschakeld, wordt de interieurlucht
van het voertuig bij warm weer niet gekoeld.
De interieurlucht wordt bovendien niet
gedroogd. De ruiten kunnen sneller beslaan.
De functie "Koeling met luchtdroging"
daarom slechts kortstondig uitschakelen.
Bij auto's met verbrandingsmotor kan de
functie "Koeling met luchtdroging" alleen
worden ingeschakeld als de motor draait. Bij
auto's met HYBRID technologie kan vanwege
de elektrische aircocompressor de functie
"Koeling met luchtdroging" ook worden inge-
schakeld als de motor niet draait. De interi-
eurlucht van de auto wordt overeenkomstig
de gekozen temperatuur gekoeld en
gedroogd.
Aan de onderzijde van de auto kan tijdens het
koelen condenswater naar buiten komen. Dat
is normaal en geen aanduiding voor een
defect.
Koeling met luchtdroging in- en uitscha-
kelen
De functie "Koeling met luchtdroging" kan via
het COMAND Online worden in- en uitgescha-
keld (zie de afzonderlijke handleiding).
Temperatuurregelsysteem bedienen 171
Temperatuurregeling
Problemen met de functie "Koeling met luchtdroging"
Probleem Mogelijke oorzaak en/of gevolg en MMoplossingen
De koeling met lucht-
droging kan niet meer
via het COMAND
Online worden inge-
schakeld (zie de afzon-
derlijke handleiding).
De koeling met luchtdroging is als gevolg van een storing uitge-
schakeld.
XNaar een gekwalificeerde werkplaats gaan.
Temperatuurregeling automatisch
regelen
Algemene aanwijzingen
In de automatische stand wordt de ingestelde
temperatuur automatisch constant gehou-
den. De temperatuur van de uitstromende
lucht, de luchthoeveelheid en de luchtverde-
ling worden automatisch aangepast.
De automatische stand functioneert opti-
maal, als de functie "Koeling met luchtdro-
ging" ingeschakeld is. Indien gewenst kan de
koeling met luchtdroging worden uitgescha-
keld.
Als de functie "Koeling met luchtdroging"
wordt uitgeschakeld, wordt de interieurlucht
van het voertuig bij warm weer niet gekoeld.
De interieurlucht wordt bovendien niet
gedroogd. De ruiten kunnen sneller beslaan.
De functie "Koeling met luchtdroging"
daarom slechts kortstondig uitschakelen.
Temperatuurregeling voorin via bedie-
ningseenheid voorin automatisch rege-
len
XDe sleutel in het contactslot in stand 2
draaien (Ypagina 195).
XDe gewenste temperatuur via de tuimel-
schakelaar win de bedieningseenheid
voorin instellen.
of
XDe gewenste temperatuur via het COMAND
Online instellen (zie de afzonderlijke hand-
leiding).
XInschakelen: De tuimelschakelaar Ã
omhoog- of omlaagdrukken.
Het controlelampje in de tuimelschake-
laar Ãgaat branden.
XOmschakelen naar handmatige rege-
ling: De tuimelschakelaar Komhoog- of
omlaagdrukken.
of
XDe luchthoeveelheid via het COMAND
Online instellen (zie de afzonderlijke hand-
leiding).
of
XDe luchtverdeling via het COMAND Online
instellen (zie de afzonderlijke handleiding).
Het controlelampje in de tuimelschake-
laar Ãdooft.
Wanneer in de automatische stand de lucht-
hoeveelheid of de luchtverdeling handmatig
wordt gewijzigd, dooft het controlelampje in
de tuimelschakelaar Ã. De functie, die
niet handmatig gewijzigd is, wordt echter nog
172 Temperatuurregelsysteem bedienen
Temperatuurregeling
steeds automatisch geregeld. Wanneer de
handmatig gewijzigde functie weer in de auto-
matische stand wordt gezet, gaat het contro-
lelampje in de tuimelschakelaar Ã
opnieuw branden.
Temperatuurregeling achterin via
bedieningseenheid voorin automatisch
regelen
De aanwijzingen m.b.t. de instelling van de
temperatuurregeling achterin via de bedie-
ningseenheid voorin in acht nemen
(Ypagina 169).
XDe sleutel in het contactslot in stand 2
draaien (Ypagina 195).
XAuto's met interieurvoorverwarming:
De tuimelschakelaar omhoog- of
omlaagdrukken.
Het menu airconditioning in het COMAND
Online wordt geopend.
XAuto's zonder interieurvoorverwar-
ming: De tuimelschakelaar tomhoog-
of omlaagdrukken.
Het menu airconditioning in het COMAND
Online wordt geopend.
XIn de airco-instellingenregel "Instelling ach-
terin" selecteren (zie de afzonderlijke
COMAND Online handleiding).
In het COMAND Online kan de tempera-
tuurregeling achterin via de bedieningseen-
heid voorin of via het COMAND Online wor-
den bediend.
XDe gewenste temperatuur via de tuimel-
schakelaar win de bedieningseenheid
voorin instellen.
of
XDe gewenste temperatuur via het COMAND
Online instellen (zie de afzonderlijke hand-
leiding).
XInschakelen: De tuimelschakelaar Ãin
de bedieningseenheid voorin omhoog- of
omlaagdrukken.
of
XDe automatische stand inschakelen via de
airco-instellingenregel in het COMAND
Online (zie de afzonderlijke handleiding).
Het controlelampje in de tuimelschake-
laar Ãgaat branden.
iDe temperatuur en de automatische
stand direct na elkaar selecteren. Anders
moet vóór het inschakelen van de automa-
tische stand opnieuw "Instelling achter" in
de airco-instellingenregel worden geselec-
teerd.
XOmschakelen naar handmatige rege-
ling (auto's met interieurvoorverwar-
ming: De tuimelschakelaar
omhoog- of omlaagdrukken.
Het menu airconditioning in het COMAND
Online wordt geopend.
XOmschakelen naar handmatige rege-
ling (auto's zonder interieurvoorverwar-
ming: De tuimelschakelaar tomhoog-
of omlaagdrukken.
Het menu airconditioning in het COMAND
Online wordt geopend.
XIn de airco-instellingenregel "Instelling ach-
terin" selecteren (zie de afzonderlijke
COMAND Online handleiding).
XDe automatische stand uitschakelen via de
airco-instellingenregel.
of
XDe luchtverdeling via de tuimelschake-
laar Iof Min de bedieningseenheid ach-
ter instellen (Ypagina 167).
of
XDe luchthoeveelheid via de tuimelschake-
laar Kin de bedieningseenheid achter
instellen (Ypagina 167).
De melding AUTOAUTO verdwijnt van het display
achterin.
Wanneer in de automatische stand de lucht-
hoeveelheid of de luchtverdeling achter hand-
Temperatuurregelsysteem bedienen 173
Temperatuurregeling
matig wordt gewijzigd via het COMAND
Online, verdwijnt de weergave AUTOAUTO van het
display achterin. De functie, die niet handma-
tig gewijzigd is, wordt echter nog steeds auto-
matisch geregeld. Wanneer de handmatig
gewijzigde functie weer in de automatische
stand wordt gezet, verschijnt de weergave
AUTOAUTO opnieuw op het display achterin.
Temperatuurregeling achterin via
bedieningseenheid achterin automa-
tisch regelen
XDe sleutel in het contactslot in stand 2
draaien (Ypagina 195).
XDe gewenste temperatuur via de tuimel-
schakelaars Hen Ninstellen
(Ypagina 167).
XInschakelen: De tuimelschakelaar J
omhoog- of omlaagdrukken
(Ypagina 167).
Het controlelampje in de tuimelschake-
laar Jgaat branden.
XUitschakelen: De tuimelschakelaar J
omhoog- of omlaagdrukken
(Ypagina 167).
Het controlelampje in de tuimelschake-
laar Jdooft.
Wanneer in de automatische stand de lucht-
hoeveelheid of de luchtverdeling handmatig
wordt gewijzigd, verdwijnt de weergave
AUTOAUTO van het display achterin. De functie, die
niet handmatig gewijzigd is, wordt echter nog
steeds automatisch geregeld. Wanneer de
handmatig gewijzigde functie weer in de auto-
matische stand wordt gezet, verschijnt de
weergave AUTOAUTO opnieuw op het display ach-
terin.
Aircostijl instellen
In de automatische stand kan voor de
bestuurders- en passagierszijde worden
gekozen tussen de volgende aircostijlen:
FOCUS Grote luchthoeveelheid, die iets
koeler is ingesteld
MEDIUM Gemiddelde luchthoeveelheid,
standaardinstelling
DIFFUSE Geringe luchthoeveelheid, die iets
warmer en tochtvrijer is ingesteld
XInstellen: De aircostijl instellen via het
COMAND Online (zie de afzonderlijke hand-
leiding).
Temperatuur instellen
Algemene aanwijzingen
Bij auto's met temperatuurregeling achterin
kan de temperatuur voor de volgende delen
van het interieur afzonderlijk worden inge-
steld:
Rlinker en rechter beenruimte voorin
Rbestuurders- en passagierszijde voorin
Rlinker- en rechterzijde achterin.
174 Temperatuurregelsysteem bedienen
Temperatuurregeling
Bij auto's zonder temperatuurregeling ach-
terin kan de temperatuur voor de volgende
delen van het interieur afzonderlijk worden
ingesteld:
Rlinker en rechter beenruimte voorin
Rbestuurders- en passagierszijde.
Temperatuur voorin instellen via bedie-
ningseenheid voorin
XDe sleutel in het contactslot in stand 2
draaien (Ypagina 195).
XVerhogen of verlagen: De tuimelschake-
laar womhoog- of omlaagdrukken.
of
XDe temperatuur via het COMAND Online
instellen (zie de afzonderlijke handleiding).
De temperatuur slechts met kleine stappen
wijzigen. Bij 22 beginnen.
Temperatuur achterin instellen via
bedieningseenheid voorin
De aanwijzingen m.b.t. de instelling van de
temperatuurregeling achterin via de bedie-
ningseenheid voorin in acht nemen
(Ypagina 169).
XDe sleutel in het contactslot in stand 2
draaien (Ypagina 195).
XAuto's met interieurvoorverwarming:
De tuimelschakelaar omhoog- of
omlaagdrukken.
Het menu airconditioning in het COMAND
Online wordt geopend.
XAuto's zonder interieurvoorverwar-
ming: De tuimelschakelaar tomhoog-
of omlaagdrukken.
Het menu airconditioning in het COMAND
Online wordt geopend.
XIn de airco-instellingenregel "Instelling ach-
terin" selecteren (zie de afzonderlijke
COMAND Online handleiding).
In het COMAND Online kan de tempera-
tuurregeling achterin via de bedieningseen-
heid voorin of via het COMAND Online wor-
den bediend.
XVerhogen of verlagen: De tuimelschake-
laar win de bedieningseenheid voorin
omhoog- of omlaagdrukken.
of
XDe temperatuur via het COMAND Online
instellen (zie de afzonderlijke handleiding).
De temperatuur slechts met kleine stappen
wijzigen. Bij 22 beginnen.
Temperatuur achterin instellen via
bedieningseenheid achterin
XDe sleutel in het contactslot in stand 2
draaien (Ypagina 195).
XVerhogen of verlagen: Tuimelschake-
laar Hof Nomhoog- of omlaagdrukken
(Ypagina 167).
De temperatuur slechts met kleine stappen
wijzigen. Bij 22 beginnen.
Beenruimtetemperatuur instellen
De beenruimtetemperatuur kan voor de
bestuurder en de passagier afzonderlijk wor-
den ingesteld via het COMAND Online (zie de
afzonderlijke handleiding).
Temperatuurregelsysteem bedienen 175
Temperatuurregeling
Luchtverdeling instellen
Instellingen voor de luchtverdeling
¯Luchttoevoer via de ontwasemings-
roosters.
PLuchttoevoer via de middelste lucht-
roosters en de zijluchtroosters.
OLuchttoevoer via de beenruimtelucht-
roosters.
SLuchttoevoer via de middelste lucht-
roosters, de zijluchtroosters en de
beenruimteluchtroosters.
aLuchttoevoer via de ontwasemings-
roosters en de beenruimteluchtroos-
ters.
_Luchttoevoer via de ontwasemings-
roosters, de middelste luchtroosters,
de zijluchtroosters en de beenruimte-
luchtroosters.
bLuchttoevoer via de ontwasemings-
roosters, de middelste luchtroosters
en de zijluchtroosters.
WAutomatische regeling van de lucht-
verdeling.
Luchtverdeling voorin resp. achterin
instellen via het COMAND Online
De luchtverdeling kan voor het linker en rech-
ter gedeelte voor- en achterin via het
COMAND Online worden ingesteld (zie de
afzonderlijke handleiding).
Luchtverdeling achterin via bedienings-
eenheid achterin instellen
XDe sleutel in het contactslot in stand 2
draaien (Ypagina 195).
XDe tuimelschakelaar Iof Mzo vaak
omhoog- of omlaagdrukken
(Ypagina 167), tot op het display het
gewenste symbool voor de luchtverdeling
verschijnt.
Luchthoeveelheid instellen
Luchthoeveelheid voorin instellen via
de bedieningseenheid voorin
De luchthoeveelheid voor de bestuurders- en
passagierszijde evenals voor achterin (alleen
auto's met temperatuurregeling achterin) kan
afzonderlijk worden ingesteld.
XDe sleutel in het contactslot in stand 2
draaien (Ypagina 195).
XVerhogen of verlagen: De tuimelschake-
laar Komhoog- of omlaagdrukken.
of
XDe luchthoeveelheid via het COMAND
Online instellen (zie de afzonderlijke hand-
leiding).
Luchthoeveelheid achterin instellen via
de bedieningseenheid voorin
De aanwijzingen m.b.t. de instelling van de
temperatuurregeling achterin via de bedie-
ningseenheid voorin in acht nemen
(Ypagina 169).
XDe sleutel in het contactslot in stand 2
draaien (Ypagina 195).
XAuto's met interieurvoorverwarming:
De tuimelschakelaar omhoog- of
omlaagdrukken.
Het menu airconditioning in het COMAND
Online wordt geopend.
XAuto's zonder interieurvoorverwar-
ming: De tuimelschakelaar tomhoog-
of omlaagdrukken.
Het menu airconditioning in het COMAND
Online wordt geopend.
XIn de airco-instellingenregel "Instelling ach-
terin" selecteren (zie de afzonderlijke
COMAND Online handleiding).
In het COMAND Online kan de tempera-
tuurregeling achterin via de bedieningseen-
heid voorin of via het COMAND Online wor-
den bediend.
176 Temperatuurregelsysteem bedienen
Temperatuurregeling
XVerhogen of verlagen: De tuimelschake-
laar Kin de bedieningseenheid voorin
omhoog- of omlaagdrukken.
of
XDe luchthoeveelheid via het COMAND
Online instellen (zie de afzonderlijke hand-
leiding).
Luchthoeveelheid achterin instellen via
de bedieningseenheid achterin
XDe sleutel in het contactslot in stand 2
draaien (Ypagina 195).
XVerhogen of verlagen: De tuimelschake-
laar Komhoog- of omlaagdrukken
(Ypagina 167).
Synchroniseringsfunctie in- en uit-
schakelen
Met de functie "Synchronisatie" wordt de
temperatuurregeling centraal geregeld. De
instellingen van de temperatuur, luchtverde-
ling en luchthoeveelheid aan bestuurders-
zijde worden overgenomen voor de passa-
gierszijde en het achtercompartiment (auto's
met temperatuurregeling achterin).
XIn- en uitschakelen: De functie "Synchro-
nisatie" via het COMAND Online in- en uit-
schakelen (zie de afzonderlijke handlei-
ding).
Auto's met temperatuurregeling achterin:
Op het display achterin verschijnt de weer-
gave SYNCSYNC.
De synchroniseringsfunctie wordt uitgescha-
keld, als:
RDe instellingen voor de passagierszijde
worden gewijzigd
RAuto's met temperatuurregeling achterin:
De instellingen voor het achtercomparti-
ment worden gewijzigd.
Voorruit ontwasemen
Met deze functie kan de voorruit worden ont-
wasemd of de condens aan de binnenzijde
van de voorruit en de voorste zijruiten worden
verwijderd.
De functie "Voorruit ontwasemen" uitschake-
len, zodra de voorruit ontwasemd is.
XDe sleutel in het contactslot in stand 2
draaien (Ypagina 195).
XInschakelen: De tuimelschakelaar ¬in
de bedieningseenheid voorin omhoog- of
omlaagdrukken.
Het controlelampje in de tuimelschake-
laar ¬gaat branden.
Het temperatuurregelsysteem schakelt in
de volgende functies:
Rluchthoeveelheid hoog
Rtemperatuur hoog
Rluchtverdeling richting voorruit en zijrui-
ten in voorportieren
Rluchtrecirculatie uit
Rvoorruitverwarming aan
XUitschakelen: De tuimelschakelaar ¬
omhoog- of omlaagdrukken.
Het controlelampje in de tuimelschake-
laar ¬dooft. De vorige instellingen wor-
den weer actief. De luchtrecirculatie blijft
uitgeschakeld.
of
XDe tuimelschakelaar Ãomhoog- of
omlaagdrukken.
of
XAuto's met interieurvoorverwarming:
Het aircomenu in het COMAND Online
oproepen met de tuimelschake-
laar .
XAuto's zonder interieurvoorverwar-
ming: Het aircomenu in het COMAND
Online oproepen met de tuimelschake-
laar t.
Temperatuurregelsysteem bedienen 177
Temperatuurregeling
Ruiten ontwasemen
Van binnen beslagen ruiten
XDe functie "Koeling met luchtdroging"
inschakelen via het COMAND Online (zie de
afzonderlijke handleiding).
XDe automatische stand inschakelen via de
tuimelschakelaar Ã.
XAls de ruiten beslagen blijven: De functie
"Voorruit ontwasemen" via de tuimelscha-
kelaar ¬inschakelen. De voorruitver-
warming wordt ingeschakeld.
iDeze instelling slechts gebruiken tot de
voorruit ontwasemd is.
Van buiten beslagen ruiten
XDe ruitenwissers inschakelen.
XDe automatische stand inschakelen via de
tuimelschakelaar Ã.
iWanneer de ruiten aan de binnenzijde
regelmatig worden gereinigd, beslaan ze
niet zo snel.
Achterruitverwarming
Algemene aanwijzingen
De achterruitverwarming verbruikt veel
stroom. Deze daarom uitschakelen zodra de
achterruit vrij is. Anders wordt de achterruit-
verwarming pas na enkele minuten automa-
tisch uitgeschakeld.
Als de accuspanning te laag is, kan de ach-
terruitverwarming worden uitgeschakeld.
In- en uitschakelen
XDe sleutel in het contactslot in stand 2
draaien (Ypagina 195).
XTuimelschakelaar ¤omhoog- of
omlaagdrukken.
Het controlelampje in tuimelschakelaar
¤gaat branden of dooft.
178 Temperatuurregelsysteem bedienen
Temperatuurregeling
Problemen met de achterruitverwarming
Probleem Mogelijke oorzaak en/of gevolg en MMoplossingen
De achterruitverwar-
ming wordt voortijdig
uitgeschakeld of kan
niet worden ingescha-
keld.
De accu is niet voldoende opgeladen.
XNiet benodigde verbruikers, bijvoorbeeld leeslampjes, interieur-
verlichting of stoelverwarming, uitschakelen.
Zodra de accu voldoende opgeladen is, kan de achterruitver-
warming weer worden ingeschakeld.
Luchtrecirculatie in- en uitschakelen
Algemene aanwijzingen
Bij onaangename geuren in de buitenlucht
kan de toevoer van buitenlucht tijdelijk ook
handmatig worden uitgeschakeld. In dat
geval wordt de interieurlucht gerecirculeerd.
Als de luchtrecirculatie wordt ingeschakeld
kunnen de ruiten sneller beslaan, in het bij-
zonder bij een lage buitentemperatuur. De
luchtrecirculatie slechts kortstondig inscha-
kelen, om te voorkomen dat de ruiten
beslaan.
In- en uitschakelen
XDe sleutel in het contactslot in stand 2
draaien (Ypagina 195).
XInschakelen: Tuimelschakelaar g
omhoog- of omlaagdrukken.
Het controlelampje in tuimelschakelaar
ggaat branden.
iDe luchtrecirculatie wordt bij hoge bui-
tentemperaturen of bij een grote hoeveel-
heid schadelijke stoffen in de atmosfeer
automatisch ingeschakeld. Het controle-
lampje in tuimelschakelaar gbrandt
niet als de luchtrecirculatie automatisch is
ingeschakeld.
Na circa 30 minuten wordt buitenlucht bij-
gemengd.
XUitschakelen: Tuimelschakelaar g
omhoog- of omlaagdrukken.
Het controlelampje in tuimelschakelaar
gdooft.
iDe luchtrecirculatie schakelt automa-
tisch uit na:
Rongeveer 5 minuten bij buitentempera-
turen beneden circa 5
Rongeveer 5 minuten als de koeling met
luchtdroging is uitgeschakeld
Rongeveer 30 minuten bij buitentempera-
turen boven circa 5 en ingeschakelde
functie "Koeling met luchtdroging".
Comfortopenen resp. -sluiten met de
luchtrecirculatietoets
GWAARSCHUWING
Bij het comfortsluiten kunnen lichaamsdelen
in het sluitgebied van de zijruit en het schuif-
dak bekneld raken. Er bestaat gevaar voor
letsel!
Bij het comfortsluiten de complete sluitpro-
cedure controleren. Bij het sluiten controle-
ren, of zich geen lichaamsdelen in het sluit-
gebied bevinden.
GWAARSCHUWING
Bij het openen van een zijruit kunnen
lichaamsdelen tussen de zijruit en het ruit-
frame getrokken worden of bekneld raken. Er
bestaat gevaar voor letsel!
Bij het openen controleren dat niemand de
zijruit aanraakt. Als iemand ingeklemd raakt,
direct toets Wvoor het openen en sluiten
van de zijruit in het portier indrukken. De zij-
ruiten stoppen. Aan toets Wtrekken, om
de zijruit weer te sluiten.
Temperatuurregelsysteem bedienen 179
Temperatuurregeling
Z
XComfortsluiten (auto's met panorama-
schuifdak): De tuimelschakelaar gzo
lang omhoog- of omlaagdrukken, tot de zij-
ruiten en het panoramaschuifdak automa-
tisch beginnen te sluiten.
Het controlelampje in de tuimelschake-
laar ggaat branden. De luchtrecircula-
tie wordt ingeschakeld.
XComfortsluiten (auto's zonder panora-
maschuifdak): De tuimelschakelaar g
zo lang omhoog- of omlaagdrukken, tot de
zijruiten automatisch beginnen te sluiten.
Het controlelampje in de tuimelschake-
laar ggaat branden. De luchtrecircula-
tie wordt ingeschakeld.
iAls na het comfortsluiten een zijruit of het
panoramaschuifdak handmatig wordt
geopend, blijft de zijruit of het panorama-
schuifdak bij het comfortopenen in deze
stand staan.
Als zich bij het comfortsluiten lichaamsdelen
in het sluitgebied bevinden, als volgt te werk
gaan:
XDe toets Wvoor het openen en sluiten
van de zijruit indrukken.
De zijruiten stoppen.
XOm de zijruit vervolgens te openen,
opnieuw de toets Windrukken.
XAlleen auto's met panoramaschuifdak:
Toets 3voor het openen en sluiten van
het panoramaschuifdak indrukken.
Het panoramaschuifdak stopt.
XOm het panoramaschuifdak te openen ver-
volgens opnieuw de toets 3naar ach-
teren trekken.
iDe aanwijzingen m.b.t. de automatische
anti-inklemfunctie in acht nemen
Rvan de zijruiten (Ypagina 109)
Rvan het panoramaschuifdak
(Ypagina 114)
XComfortopenen (auto's met panorama-
schuifdak): De tuimelschakelaar gzo
lang omhoog- of omlaagdrukken, tot de zij-
ruiten en het panoramaschuifdak automa-
tisch beginnen te openen.
Het controlelampje in de tuimelschake-
laar gdooft. De luchtrecirculatie wordt
uitgeschakeld.
XComfortopenen (auto's zonder panora-
maschuifdak): De tuimelschakelaar g
zo lang omhoog- of omlaagdrukken, tot de
zijruiten automatisch beginnen te openen.
Het controlelampje in de tuimelschake-
laar gdooft. De luchtrecirculatie wordt
uitgeschakeld.
Restwarmte in- en uitschakelen
Algemene aanwijzingen
Auto's met temperatuurregeling ach-
terin: Als de motor is afgezet, kan met de
restwarmte van de motor het interieur voor-
en achterin nog circa 15 minuten worden ver-
warmd of geventileerd. Als de functie "Rest-
warmte" alleen is ingeschakeld voor voorin of
alleen voor achterin, kan circa 30 minuten
worden verwarmd of geventileerd.
Auto's zonder temperatuurregeling ach-
terin: Als de motor is afgezet, kan met de
restwarmte van de motor het interieur voorin
nog circa 30 minuten worden verwarmd of
geventileerd.
De betreffende verwarmings- of ventilatie-
duur hangt af van de ingestelde interieurtem-
peratuur.
Bedieningseenheid voorin
XDe sleutel in het contactslot in stand 0
draaien of verwijderen (Ypagina 195).
XInschakelen (auto's met interieurvoor-
verwarming): De tuimelschake-
laar omhoog- of omlaagdrukken.
Het controlelampje in de tuimelschake-
laar gaat branden.
180 Temperatuurregelsysteem bedienen
Temperatuurregeling
XInschakelen (auto's zonder interieur-
voorverwarming): De tuimelschake-
laar Ìomhoog- of omlaagdrukken.
Het controlelampje in de tuimelschake-
laar Ìgaat branden.
XUitschakelen (auto's met interieurvoor-
verwarming): De tuimelschake-
laar omhoog- of omlaagdrukken.
Het controlelampje in de tuimelschake-
laar dooft.
XUitschakelen (auto's zonder interieur-
voorverwarming): De tuimelschake-
laar Ìomhoog- of omlaagdrukken.
Het controlelampje in de tuimelschake-
laar Ìdooft.
iOnafhankelijk van de ingestelde lucht-
hoeveelheid draait de aanjager met een
lage snelheid.
iAls de functie "Restwarmte" bij hoge bui-
tentemperaturen wordt ingeschakeld,
wordt alleen de ventilatie ingeschakeld. De
aanjager draait in de middelste stand.
Bedieningseenheid achterin
XDe sleutel in het contactslot in stand 0
draaien of verwijderen (Ypagina 195).
Op het display achterin verschijnt de weer-
gave "REST".
XInschakelen: De tuimelschakelaar L
omhoog- of omlaagdrukken
(Ypagina 167).
Het controlelampje in de tuimelschake-
laar Lgaat branden.
XUitschakelen: De tuimelschakelaar L
omhoog- of omlaagdrukken
(Ypagina 167).
Het controlelampje in de tuimelschake-
laar Ldooft. Op het display achterin ver-
dwijnt de weergave "REST".
iWanneer de functie "Restwarmte" niet
wordt ingeschakeld, verdwijnt de weergave
"REST" na 5 minuten automatisch van het
display achterin.
De restwarmtefunctie wordt automatisch uit-
geschakeld:
Rna circa 30 minuten bij geactiveerde rest-
warmte voor- of achterin
Rna circa 15 minuten bij geactiveerde rest-
warmte voor- en achterin
Rals het contact wordt ingeschakeld
Rals de accuspanning terugloopt
Rals de interieurvoorverwarming wordt inge-
schakeld.
Parfumeringssysteem
Parfumeringssysteem bedienen
GWAARSCHUWING
Wanneer kinderen de parfumflacon openen,
zouden ze van de parfumvloeistof kunnen
drinken of dit in de ogen kunnen krijgen. Er
bestaat gevaar voor letsel! Daarom kinderen
niet zonder toezicht in de auto achterlaten.
Wanneer van de parfumvloeistof is gedron-
ken, naar een arts gaan. Wanneer parfum-
vloeistof in de ogen is gekomen, de ogen met
schoon water uitspoelen. Bij aanhoudende
klachten naar een arts gaan.
:Parfumdop
;Parfumflacon
Het parfumeringssysteem kan bijdragen aan
een aangenaam klimaat in het interieur.
Temperatuurregelsysteem bedienen 181
Temperatuurregeling
Z
Via het COMAND Online kunt u:
Rhet parfumeringssysteem in- en uitschake-
len
Rde geurintensiteit instellen.
Zie de afzonderlijke handleiding.
iDe volgende omstandigheden kunnen
invloed op de perceptie van de geurinten-
siteit hebben:
RBedrijfsmodus van de automatische tem-
peratuurregeling
RInterieurtemperatuur
RJaargetijde en uur van de dag
RLuchtvochtigheid
RFysiologische staat van de inzittenden,
zoals vermoeidheid of honger.
Het parfumeringssysteem kan alleen worden
ingeschakeld als de automatische tempera-
tuurregeling actief is.
Een voorgevulde parfumflacon maakt deel uit
van het parfumeringssysteem. Verder kan
worden gekozen tussen voorgevulde parfum-
flacons en een lege zelf navulbare parfumfla-
con.
!Wanneer niet de originele Mercedes-Benz
interieurparfum wordt gebruikt, de waar-
schuwingen op de verpakking van de par-
fumvloeistof in acht nemen.
iDe voorgevulde parfumflacon niet
opnieuw vullen wanneer de parfumvloei-
stof verbruikt is. De gebruikte parfumfla-
con daarbij afvoeren.
XParfumflacon aanbrengen: Het dash-
boardkastje openen (Ypagina 383).
XDe parfumflacon tot de aanslag in de hou-
der schuiven.
XParfumflacon verwijderen: De parfumfla-
con eruit trekken.
XParfumflacon oppompen: De parfumdop
van de lege, zelf navulbare parfumflacon
losdraaien.
XDe parfumflacon bijvullen met maximaal
15 ml van de gewenste parfumvloeistof.
XDe parfumdop op de parfumflacon schroe-
ven.
!De parfumflacon altijd alleen maar buiten
de auto vullen. Anders zou gemorste par-
fumvloeistof het interieur kunnen vervui-
len.
iDe lege, zelf navulbare parfumflacon altijd
met dezelfde parfumvloeistof vullen. Alleen
op die manier kunnen optimale resultaten
bij de parfumering worden bereikt.
182 Temperatuurregelsysteem bedienen
Temperatuurregeling
Problemen met het parfumeringssysteem
Probleem Mogelijke oorzaak en/of gevolg en MMoplossingen
Het interieur wordt
ondanks een ingescha-
keld parfumeringssys-
teem niet geparfu-
meerd.
De parfumflacon is niet tot de aanslag in de houder geschoven.
XDe parfumflacon tot de aanslag in de houder schuiven.
De parfumflacon is niet voldoende gevuld.
XVoorgevulde parfumflacon: De lege parfumflacon afvoeren.
XEen nieuwe voorgevulde parfumflacon gebruiken.
XZelf navulbare parfumflacon: De parfumflacon bijvullen met
maximaal 15 ml van dezelfde parfum.
Het parfumeringssysteem is defect.
XHet parfumeringssysteem bij een gekwalificeerde werkplaats
laten controleren.
Ionisering
Met de functie "Ionisering" kan de interieur-
lucht van de auto worden gereinigd en verfrist
en daarmee bijdragen aan een aangenaam
klimaat in het interieur.
De ionisering van de interieurlucht zelf is
reukloos en kan als zodanig niet direct in het
interieur worden waargenomen.
De ionisering kan via het COMAND Online
worden in- en uitgeschakeld (zie de afzonder-
lijke handleiding).
De ionisering kan alleen worden ingeschakeld
als de automatische temperatuurregeling
voorin actief is. Het zijluchtrooster aan
bestuurderszijde moet geopend zijn.
Interieurvoorverwarming
Belangrijke veiligheidsvoorschriften
GGEVAAR
Als de uitlaat geblokkeerd is of onvoldoende
ventilatie mogelijk is, kunnen giftige uitlaat-
gassen, in het bijzonder koolmonoxide, het
voertuig binnendringen. Dat is bijvoorbeeld in
gesloten ruimtes het geval, of als het voertuig
in de sneeuw blijft steken. Er bestaat levens-
gevaar!
In gesloten ruimtes zonder afzuiging de inte-
rieurvoorverwarming uitschakelen, bijvoor-
beeld in de garage. Als het voertuig in de
sneeuw is blijven steken en de interieurvoor-
verwarming moet blijven werken, de uitlaat en
het gedeelte rond het voertuig sneeuwvrij
houden. Aan de zijde van het voertuig die van
de wind is afgekeerd een ruit openen, om de
toevoer van voldoende buitenlucht te waar-
borgen.
GWAARSCHUWING
Als de interieurvoorverwarming is ingescha-
keld kunnen onderdelen van het voertuig, bij-
voorbeeld het uitlaatsysteem, zeer heet wor-
den. Als brandbaar materiaal, bijvoorbeeld
bladeren, gras of takken, met hete onderde-
len van het uitlaatsysteem in aanraking
komen, kunnen deze materialen ontsteken.
Brandgevaar!
Ervoor zorgen dat als de interieurvoorverwar-
ming is ingeschakeld geen brandbaar materi-
aal in contact kan komen met hete onderde-
len van het voertuig.
!Het gebruik van de interieurvoorverwar-
ming-ventilatie is een belasting van de
Temperatuurregelsysteem bedienen 183
Temperatuurregeling
Z
accu. Daarom na ten hoogste tweemaal
verwarmen of ventileren een langere
afstand met de auto afleggen.
iDe interieurvoorverwarming eenmaal per
maand gedurende circa 10 minuten inscha-
kelen.
De interieurvoorverwarming verwarmt de
lucht in het interieur tot de ingestelde tem-
peratuur. Hij is daarbij niet aangewezen op de
warmte-afgifte van de draaiende motor. De
interieurvoorverwarming wordt direct uit de
brandstoftank van de auto voorzien van
brandstof. De brandstoftank moet ten minste
tot de reservestand zijn gevuld, opdat zeker
is dat de interieurvoorverwarming werkt.
De interieurvoorverwarming of -ventilatie rea-
geert automatisch op wijzigingen in de bui-
tentemperatuur en de weersomstandighe-
den. Daarom is het mogelijk dat de interieur-
voorverwarming van ventileren naar verwar-
men of van verwarmen naar ventileren
omschakelt.
De interieurvoorverwarming schakelt zelf-
standig uit bij het afzetten van de motor. De
interieurvoorventilatie schakelt reeds uit als
de sleutel in sleutelstand 2wordt gedraaid
(Ypagina 195).
De interieurvoorverwarming wordt na
30 minuten automatisch uitgeschakeld. Deze
tijd kunt u laten wijzigen. Daartoe contact
opnemen met een gekwalificeerde werk-
plaats.
Met de interieurvoorventilatie kan de lucht in
het interieur niet tot onder de buitentempe-
ratuur worden gekoeld.
Voor het inschakelen
XDe sleutel in het contactslot in stand 2
draaien (Ypagina 195).
XDe gewenste temperatuur via de tuimel-
schakelaar win de bedieningseenheid
voorin of via het COMAND Online instellen
(zie de afzonderlijke handleiding).
Wanneer u de temperatuur vóór het inscha-
kelen van de interieurvoorverwarming-venti-
latie niet wijzigt, wordt de laatst gebruikte
temperatuurinstelling overgenomen.
De interieurvoorverwarming of -ventilatie kan
ook worden ingeschakeld bij een handmatig
instelbare temperatuurregeling. Wanneer de
automatische stand wordt ingesteld, bereikt
u een optimaal klimaat in het interieur. De
temperatuur op 22 instellen.
De interieurvoorverwarming-ventilatie kan
als volgt worden in- en uitgeschakeld:
Rvia de tuimelschakelaar in de middencon-
sole (Ypagina 184)
Rmet de afstandsbediening (Ypagina 185)
Maximaal drie vertrektijden, waarvan er één
kan worden voorgeselecteerd, kunnen als
volgt worden vastgelegd:
Rmet de afstandsbediening (Ypagina 185)
Rvia het COMAND Online (zie de afzonder-
lijke handleiding).
Interieurvoorverwarming-ventilatie
met de tuimelschakelaar in de midden-
console in- en uitschakelen
De kleuren van het controlelampje op de tui-
melschakelaar hebben de volgende beteke-
nis:
blauw Interieurvoorventilatie is ingescha-
keld
roodInterieurvoorverwarming is ingescha-
keld
geel Vertrektijd is voorgeselecteerd
184 Temperatuurregelsysteem bedienen
Temperatuurregeling
XInterieurvoorverwarming-ventilatie
inschakelen: De tuimelschakelaar :
omhoog- of omlaagdrukken.
Het rode of blauwe controlelampje in de
tuimelschakelaar :gaat branden.
XTemperatuur instellen: De interieurvoor-
verwarming-ventilatie inschakelen.
Het COMAND Online wordt gedurende
circa 1 minuut geactiveerd.
XDe gewenste temperatuur via het COMAND
Online instellen (zie de afzonderlijke hand-
leiding).
iBovendien kan de temperatuur bij inge-
schakelde interieurvoorverwarming-venti-
latie te allen tijde via het COMAND Online
worden gewijzigd. Hiertoe het COMAND
Online via de toets qin de middenconsole
oproepen.
XInterieurvoorverwarming-ventilatie uit-
schakelen: De tuimelschakelaar :
omhoog- of omlaagdrukken.
Het rode of blauwe controlelampje in de
tuimelschakelaar :dooft.
Interieurvoorverwarming-ventilatie via
de afstandsbediening in- en uitschake-
len
Algemene aanwijzingen
Tot de uitrusting van de auto behoort één
afstandsbediening. Per auto kunnen boven-
dien nog twee extra afstandsbedieningen
worden gebruikt. Voor meer informatie con-
tact opnemen met een gekwalificeerde werk-
plaats.
Het maximumbereik van de afstandsbedie-
ning bedraagt circa 300 meter. Het bereik
kan afnemen door:
Rradiografische storingsbronnen
Rmassieve obstakels tussen de afstandsbe-
diening en de auto
Reen ongunstige stand van de afstandsbe-
diening ten opzichte van de auto
Rzenden vanuit een afgesloten ruimte
iHet bereik is optimaal als de afstandsbe-
diening bij het zenden recht omhoog wordt
gehouden.
iAls de batterij van de afstandsbediening
zwak is, verschijnt rechts op het display
een batterijsymbool. De batterij van de
afstandsbediening vervangen
(Ypagina 187).
Interieurvoorverwarming-ventilatie in- en
uitschakelen
:Display
;.Status controleren resp. vertrektijd
instellen
=^Interieurvoorverwarming-ventilatie
uit
?uInterieurvoorverwarming-ventilatie
aan
A,Status controleren resp. vertrektijd
instellen
XInschakelen: Toets uindrukken.
Op het display van de afstandsbediening
staat ONON.
XUitschakelen: Toets ^indrukken.
Op het display van de afstandsbediening
staat OFFOFF.
Status van de interieurvoorverwarming-
ventilatie controleren
XToets ,of .indrukken.
Temperatuurregelsysteem bedienen 185
Temperatuurregeling
Z
De volgende displaymeldingen zijn mogelijk:
Melding Betekenis
De interieurvoorverwar-
ming-ventilatie is uitge-
schakeld.
De interieurvoorverwar-
ming is ingeschakeld.
Het cijfer op het display
toont de resterende tijd
(in minuten) van de inte-
rieurvoorventilatie.
De interieurvoorverwar-
ming is ingeschakeld.
Het cijfer op het display
toont de resterende tijd
(in minuten) van de inte-
rieurvoorverwarming.
Een vertrektijd is geacti-
veerd. De tijd op het dis-
play toont de vertrektijd.
Een vertrektijd is geacti-
veerd. De interieurvoor-
ventilatie is momenteel
geactiveerd. De tijd op
het display toont de ver-
trektijd.
Een vertrektijd is geacti-
veerd. De interieurvoor-
verwarming is momen-
teel geactiveerd. De tijd
op het display toont de
vertrektijd.
Vertrektijd instellen
XToets ,of .zo vaak indrukken, tot
de tijd die moet worden gewijzigd op het
display verschijnt.
XDe toetsen uen ^tegelijkertijd
indrukken.
Symbool Îknippert op het display van de
afstandsbediening.
XMet de toetsen ,of .de gewenste
vertrektijd instellen.
iDes te langer een van de toetsen ,
of .wordt ingedrukt, des te sneller wij-
zigt de weergegeven tijd.
XDe toetsen uen ^tegelijkertijd
indrukken.
De nieuwe vertrektijd is nu opgeslagen.
Ingestelde vertrektijd activeren
XToets ,of .zo vaak indrukken, tot
de gewenste vertrektijd op het display ver-
schijnt.
XToets uindrukken.
Op het display verschijnt symbool Íen de
vertrektijd.
Ingestelde vertrektijd deactiveren
XToets ,of .indrukken.
Op het display verschijnt de status van de
interieurvoorverwarming.
XToets .indrukken.
Op het display verschijnt de eerste opge-
slagen vertrektijd.
XToets ^indrukken.
Op het display van de afstandsbediening
staat OFFOFF.
Functie "extra verwarmen" in- en uit-
schakelen
De functie "Extra verwarmen" zorgt ervoor
dat de motor de bedrijfstemperatuur tijdens
de warmdraaifase na het starten sneller
bereikt. Daardoor wordt het interieur sneller
opgewarmd. Wanneer de buitentemperatuur
laag is en de koelvloeistoftemperatuur lager
dan 70 is, wordt de functie "Extra verwar-
men" ingeschakeld. De functie "Extra verwar-
men" kan ook handmatig worden ingescha-
keld.
186 Temperatuurregelsysteem bedienen
Temperatuurregeling
XDe motor starten.
XInschakelen: De tuimelschakelaar :kort
omhoog- of omlaagdrukken.
Het rode controlelampje in de tuimelscha-
kelaar :gaat branden.
XUitschakelen: De tuimelschakelaar :
kort omhoog- of omlaagdrukken.
Het rode controlelampje in de tuimelscha-
kelaar :dooft.
iDe brandstoftank moet ten minste tot de
reservestand gevuld zijn.
Batterij van de afstandsbediening ver-
wisselen
GWAARSCHUWING
Batterijen bevatten giftige en agressieve stof-
fen. Wanneer batterijen ingeslikt worden, kan
dit tot ernstige gezondheidsschade leiden. Er
dreigt levensgevaar!
Batterijen bewaren op een voor kinderen
onbereikbare plaats. Wanneer batterijen
ingeslikt zijn, direct naar een arts gaan.
HMilieu-aanwijzing
Batterijen bevatten schade-
lijke stoffen. Het is bij wet
verboden batterijen samen
met het huisvuil af te voeren.
Ze moeten afzonderlijk wor-
den ingezameld en op mili-
euvriendelijke wijze worden
afgevoerd.
Batterijen op milieuvriende-
lijke wijze afvoeren. Lege
batterijen bij een gekwalifi-
ceerde werkplaats of bij de
daarvoor bestemde plaatsen
inleveren.
De gebruikte batterij is een 6V-stiftbatterij
van het type 2CR11108.
XDe zijdelingse armen van batterijdek-
sel ;spreiden en batterijdeksel ;los-
trekken.
XDe oude batterij :verwijderen.
XDe nieuwe batterij aanbrengen. Daarbij op
de markeringen voor de polariteit letten,
aan de achterzijde van de afstandsbedie-
ning.
XBatterijdeksel ;weer op de afstandsbe-
diening schuiven.
XMet de afstandsbediening de functies van
de interieurvoorverwarming controleren.
Temperatuurregelsysteem bedienen 187
Temperatuurregeling
Z
Problemen met de interieurvoorverwarming-ventilatie
Displaymeldingen Mogelijke oorzaak en/of gevolg en MMoplossingen
$
FAIL
De signaaloverdracht tussen zender en auto vertoont een storing.
XDe stand ten opzichte van de auto veranderen, zo nodig dichter
bij de auto gaan staan.
XOpnieuw proberen om de interieurvoorverwarming met de
afstandsbediening in of uit te schakelen.
©
FAIL
De brandstoftank is niet tot het reservepeil gevuld.
XBij het eerstvolgende tankstation tanken.
XOpnieuw proberen om de interieurvoorverwarming met de
afstandsbediening in te schakelen.
De interieurvoorverwarming is defect.
XDe interieurvoorverwarming bij een gekwalificeerde werkplaats
laten controleren.
FAIL De interieurvoorverwarming kan niet worden ingeschakeld of is
tijdens de werking uitgeschakeld.
De interieurvoorverwarming is meer dan tweemaal ingeschakeld
bij afgezette motor.
XDe motor inschakelen en langer dan 10 seconden laten draaien.
XOpnieuw proberen om de interieurvoorverwarming met de
afstandsbediening in te schakelen.
De interieurvoorverwarming kan niet worden ingeschakeld of is
tijdens de werking uitgeschakeld.
De startaccu is niet voldoende opgeladen.
XDe startaccu laden.
XOpnieuw proberen om de interieurvoorverwarming met de
afstandsbediening in te schakelen.
188 Temperatuurregelsysteem bedienen
Temperatuurregeling
Displaymeldingen Mogelijke oorzaak en/of gevolg en MMoplossingen
De interieurvoorverwarming kan niet worden ingeschakeld of is
tijdens de werking uitgeschakeld.
De brandstoftank is niet tot het reservepeil gevuld.
XBij het eerstvolgende tankstation tanken.
XOpnieuw proberen om de interieurvoorverwarming met de
afstandsbediening in te schakelen.
De interieurvoorverwarming kan niet worden ingeschakeld of is
tijdens de werking uitgeschakeld.
De interieurvoorverwarming is defect.
XDe interieurvoorverwarming bij een gekwalificeerde werkplaats
laten controleren.
Luchtroosters instellen
Belangrijke veiligheidsvoorschriften
GWAARSCHUWING
Uit de luchtroosters kan zeer hete of zeer
koude lucht stromen. Daardoor kunnen in de
directe omgeving van de luchtroosters ver-
brandings- of bevriezingsverschijnselen wor-
den opgelopen. Er bestaat gevaar voor letsel!
Er altijd voor zorgen, dat alle inzittenden vol-
doende afstand tot de luchtroosters houden.
Naar behoefte de luchtstroom omleiden naar
een ander deel van het interieur.
Om de toevoer van buitenlucht via de lucht-
roosters naar het interieur te waarborgen, de
volgende aanwijzingen in acht nemen:
RDe luchtinlaat tussen de motorkap en de
voorruit vrijhouden van afzettingen, bij-
voorbeeld ijs, sneeuw of bladeren.
RDe luchtroosters in het interieur altijd vrij-
houden.
Middelste luchtroosters instellen
:Vast middelste luchtrooster
;Middelste luchtroosters rechts
=Draaiknop middelste luchtrooster, rechts
?Draaiknop middelste luchtrooster, links
AMiddelste luchtroosters links
XOpenen en sluiten: Draaiknop =of ?
indrukken.
De draaiknop komt naar buiten.
XDraaiknop =of ?rechts- of linksom
draaien.
XLuchtrichting instellen: Het middelste
luchtrooster ;of Abij de middelste
lamel vastpakken en omhoog, omlaag, naar
links of naar rechts draaien.
Luchtroosters instellen 189
Temperatuurregeling
Z
Zijluchtroosters instellen
:Ontwasemingsrooster zijruit
;Zijluchtrooster
=Draaiknop linker zijluchtrooster
XOpenen en sluiten: Op draaiknop =druk-
ken.
De draaiknop komt naar buiten.
XDraaiknop =rechts- of linksom draaien.
XLuchtrichting instellen: Zijluchtroos-
ter ;bij de middelste lamel vastpakken
en omhoog, omlaag, naar links of naar
rechts draaien.
Luchtrooster in dashboardkastje
instellen
!Als de auto wordt verwarmd moeten de
luchtroosters worden gesloten.
Bij hoge buitentemperaturen het luchtroos-
ter openen en de functie "Koeling met
luchtdroging" inschakelen. Anders kunnen
temperatuurgevoelige voorwerpen die in
het dashboardkastje worden bewaard
beschadigd raken.
Wanneer de automatische temperatuurrege-
ling ingeschakeld is, kan het dashboardkastje
worden geventileerd, bijvoorbeeld om de
inhoud te koelen. De toegevoerde luchthoe-
veelheid is afhankelijk van de ingestelde
luchthoeveelheid en luchtverdeling.
:Draaiknop luchtrooster
;Luchtrooster
XOpenen en sluiten: Draaiknop :rechts-
of linksom draaien.
Luchtroosters achterin instellen
Middelste luchtroosters achterin instel-
len
:Luchtrooster achterin, links
;Luchtrooster achterin, rechts
=Draaiknop luchtrooster achterin, rechts
?Bedieningseenheid achterin
ADraaiknop luchtrooster achterin, links
Auto's met temperatuurregeling achterin:
XOpenen en sluiten: Draaiknop =of A
indrukken.
De draaiknop komt naar buiten.
XDraaiknop =of Arechts- of linksom
draaien.
XLuchtrichting instellen: Het luchtrooster
achterin :of ;bij de middelste lamel
190 Luchtroosters instellen
Temperatuurregeling
vastpakken en omhoog, omlaag, naar links
of naar rechts draaien.
Auto's zonder temperatuurregeling achterin:
XOpenen en sluiten: Op draaiknop =druk-
ken.
De draaiknop komt naar buiten.
XDraaiknop =rechts- of linksom draaien.
XLuchtrichting instellen: Het luchtrooster
achterin :of ;bij de middelste lamel
vastpakken en omhoog, omlaag, naar links
of naar rechts draaien.
Zijluchtroosters achterin instellen
XOpenen en sluiten: Draaiknop ;rechts-
of linksom draaien.
XLuchtrichting instellen: Het zijluchtroos-
ter achterin :bij de knop van de middel-
ste lamel vastpakken en omhoog, omlaag,
naar links of naar rechts draaien.
Luchtroosters instellen 191
Temperatuurregeling
Z
192
Wetenswaardigheden ....................... 194
Inrij-aanwijzingen .............................. 194
Rijden ................................................. 194
Automatische transmissie ............... 204
Tanken ............................................... 213
Parkeren ............................................ 220
Rijtips ................................................. 224
Rijsystemen ....................................... 228
Hybridefunctie .................................. 285
Rijden met een aanhangwagen ....... 300
193
Rijden en parkeren
Wetenswaardigheden
iDeze handleiding beschrijft alle modellen
en standaard- en speciale uitrustingen van
de auto die op het tijdstip van de redactie-
sluiting van deze handleiding verkrijgbaar
waren. Landspecifieke afwijkingen zijn ook
mogelijk. In acht nemen dat de auto niet
met alle beschreven functies kan zijn uit-
gerust. Dit betreft ook veiligheidsrelevante
systemen en functies.
iDe informatie over gekwalificeerde werk-
plaatsen lezen (Ypagina 29).
Inrij-aanwijzingen
Belangrijke veiligheidsvoorschriften
Na aflevering van de auto of na een reparatie
initialiseren de sensoren van enkele rij- en rij-
veiligheidssystemen zich gedurende een
bepaalde afstand. De volledige functionaliteit
van deze systemen wordt pas bereikt na
afsluiting van deze inleerprocedure.
Nieuwe of vervangen remblokken en rem-
schijven bereiken pas na enkele honderden
kilometers de optimale remwerking. De ver-
minderde remwerking door krachtiger indruk-
ken van het rempedaal compenseren.
De eerste 1.500 km
Hoe meer u de motor tijdens het inrijden ont-
ziet, hoe meer plezier u later van zijn presta-
ties zult hebben.
RDaarom tijdens de eerste 1.500 km met
wisselende snelheden en toerentallen rij-
den.
RGedurende deze tijd hoge belastingen, bij-
voorbeeld vol gas rijden, vermijden.
RBij handmatige bediening van de transmis-
sie tijdig de eerstvolgende hogere versnel-
ling inschakelen, uiterlijk wanneer de wijzer
van de toerenteller Ôvan het toerenbereik
voor het rode gebied heeft bereikt.
ROm af te remmen niet met de hand terug-
schakelen.
RHet gaspedaal indien mogelijk niet tot voor-
bij het drukpunt indrukken (kickdown).
RAlle auto's (behalve auto's in AMG-uit-
voering): De eerste 1000 mijl (1.500 km)
bij voorkeur in het schakelprogramma Erij-
den.
Vanaf 1.500 km kan het motortoerental gelei-
delijk worden verhoogd en het volledige snel-
heidsbereik worden gebruikt.
Aanvullende inrij-aanwijzingen voor auto's in
AMG-uitvoering:
RDe eerste 1.500 km niet sneller rijden dan
140 km/h.
RDe motor slechts kortstondig met een toe-
rental van maximaal 4.500/min laten
draaien.
RDe eerste 1.500 km bij voorkeur in het
schakelprogramma Crijden.
Deze inrij-aanwijzingen eveneens aanhouden
als de motor of onderdelen van de aandrijflijn
zijn vervangen.
Altijd de betreffende snelheidsbegrenzingen
in acht nemen.
Rijden
Belangrijke veiligheidsvoorschriften
GWAARSCHUWING
Voorwerpen in de beenruimte van de bestuur-
der kunnen de slag van de pedalen beperken
of ingedrukte pedalen blokkeren. Daardoor
worden de bedrijfs- en verkeersveiligheid van
de auto in gevaar gebracht. Er bestaat gevaar
voor ongevallen!
Alle voorwerpen in de auto veilig opbergen,
zodat deze niet in de beenruimte van de
bestuurder kunnen belanden. Vloermatten
altijd stevig en volgens de handleiding mon-
teren om te allen tijde voldoende vrije ruimte
voor de pedalen te waarborgen. Geen losse
194 Rijden
Rijden en parkeren
vloermatten gebruiken en niet meerdere
vloermatten op elkaar leggen.
GWAARSCHUWING
Door het dragen van ongeschikte schoenen
kan de bediening van de pedalen nadelig wor-
den beïnvloed, zoals bij:
RSchoenen met plateauzolen
RSchoenen met hoge hakken
RSlippers.
Er bestaat gevaar voor ongevallen!
Bij het rijden altijd geschikte schoenen dra-
gen om de pedalen veilig te kunnen bedienen.
GWAARSCHUWING
Als het contact tijdens het rijden wordt uitge-
schakeld, zijn de veiligheidsrelevante functies
nog maar beperkt of helemaal niet meer
beschikbaar. Dit betreft bijvoorbeeld de
stuurbekrachtiging en de rembekrachtiging.
Er is dan aanzienlijk meer kracht voor het stu-
ren en remmen vereist. Er bestaat gevaar voor
ongevallen!
Tijdens het rijden niet het contact uitschake-
len.
GWAARSCHUWING
Als de parkeerrem tijdens het rijden niet vol-
ledig is vrijgezet, kan de parkeerrem:
Roververhit raken en daardoor brand veroor-
zaken
Rzijn remfunctie verliezen.
Er bestaat gevaar voor brand en ongevallen!
De parkeerrem volledig vrijzetten voordat u
wegrijdt.
!De motor rustig warmrijden. Pas na het
bereiken van de bedrijfstemperatuur het
volle vermogen gebruiken.
De automatische transmissie alleen in de
betreffende rijstand zetten als de auto stil-
staat.
Als er op een gladde ondergrond wordt
gereden, de aangedreven wielen zo moge-
lijk niet laten doordraaien. Anders kan de
aandrijflijn beschadigd raken.
!Auto's in AMG-uitvoering: Bij een lage
motorolietemperatuur (onder +20 †)
wordt ter bescherming van de motor het
maximumtoerental begrensd. Bij koude
motor vollastgebruik vermijden, om de
motor te ontzien en een verminderd com-
fort te voorkomen.
De veiligheidsvoorschriften voor auto's met
HYBRID technologie in acht nemen
(Ypagina 44).
Sleutelstanden
Sleutel
gSleutel uit contactslot verwijderen
1Spanningsvoorziening voor enkele ver-
bruikers, zoals de ruitenwissers
2Contact (spanningsvoorziening voor alle
stroomverbruikers) en rijstand
3Starten
Als de sleutel niet bij de auto hoort, kan deze
toch in het slot worden gedraaid. Het contact
wordt niet ingeschakeld. De motor kan niet
worden gestart.
Start-stop-toets
Algemene aanwijzingen
Alle auto's zijn met een afneembare start-
stop-toets uitgerust.
Door een kortstondige radiografische verbin-
ding tussen auto en sleutel wordt gecontro-
Rijden 195
Rijden en parkeren
Z
leerd, of zich een geldige sleutel in de auto
bevindt. Dit gebeurt bijvoorbeeld tijdens het
starten van de motor.
Om de auto te starten zonder actief gebruik
van de sleutel:
Rmoet de start-stop-toets in contactslot
worden gestoken
Rmoet de sleutel zich in de auto bevinden
Rmag de auto niet met de sleutel of via KEY-
LESS GO vergrendeld zijn (Ypagina 95).
Als de start-stop-toets meerdere keren ach-
ter elkaar wordt ingedrukt, komt dit overeen
met de verschillende standen van de sleutel
in het contactslot. Voorwaarde hiervoor is,
dat het rempedaal niet wordt ingedrukt.
Als het rempedaal wordt ingedrukt en de
start-stop-toets wordt ingedrukt, start de
motor direct.
De sleutel niet bewaren:
Rbij elektronische apparatuur zoals een
mobiele telefoon of een andere sleutel
Rbij metalen voorwerpen zoals munten of
metaalfolie
Rin metalen voorwerpen zoals een metalen
koffer.
Dit kan de werking van de sleutel nadelig
beïnvloeden.
De sleutel niet in de temperatuurgeregelde
bekerhouder (Ypagina 392) bewaren.
Anders wordt de sleutel niet herkend, bijvoor-
beeld bij het starten van de motor met de
start-stop-toets.
Als de auto met de afstandsbediening van de
sleutel of via KEYLESS GO is vergrendeld,
kunt u na korte tijd:
Rhet contact niet meer met de start-stop-
toets inschakelen
Rde motor niet meer starten als de auto weer
ontgrendeld is.
Als de auto met de toets op het voorportier
centraal vergrendeld is (Ypagina 101), kan
de motor nog steeds met de start-stop-toets
worden gestart.
Tijdens het rijden kan de motor worden afge-
zet door de start-stop-toets gedurende circa
drie seconden in te drukken. Deze functie
staat niet in verbinding met het automatisch
afzetten van de motor van de ECO start-stop-
functie.
Sleutelstanden met start-stop-toets
Als de start-stop-toets :nog niet is inge-
drukt, betekent dit "verwijderde contactsleu-
tel".
XSpanningsvoorziening inschakelen: De
start-stop-toets :eenmaal indrukken.
De spanningsvoorziening is ingeschakeld.
Nu kunnen bijvoorbeeld de ruitenwissers
worden ingeschakeld.
De spanningsvoorziening wordt weer uitge-
schakeld, als:
Rhet bestuurdersportier geopend is en
Rvanuit deze stand tweemaal de start-stop-
toets :wordt ingedrukt.
XContact inschakelen: De start-stop-
toets :tweemaal indrukken.
Het contact is ingeschakeld.
De spanningsvoorziening wordt weer uitge-
schakeld, als:
Rhet bestuurdersportier geopend is en
Rvanuit deze stand eenmaal de start-stop-
toets :wordt ingedrukt.
196 Rijden
Rijden en parkeren
Start-stop-toets verwijderen
De start-stop-toets uit het contactslot verwij-
deren en de auto zoals gebruikelijk met een
sleutel starten.
Het wisselen tussen het gebruik met de start-
stop-toets en de sleutelfunctie is alleen
mogelijk als de transmissie in stand Pstaat.
Als de start-stop-toets :in het contact-
slot ;wordt gestoken, heeft het systeem
circa twee seconden herkenningstijd nodig.
Daarna kan de start-stop-toets :worden
gebruikt.
XStart-stop-toets :uit contactslot ;ver-
wijderen.
iDe start-stop-toets hoeft niet uit het con-
tactslot te worden verwijderd als u de auto
verlaat.
Starten
Belangrijke veiligheidsvoorschriften
GWAARSCHUWING
Wanneer kinderen zonder toezicht in de auto
achterblijven, kunnen deze:
Rportieren openen en daardoor andere per-
sonen of verkeersdeelnemers in gevaar
brengen
Ruitstappen en door het verkeer worden
gegrepen
Ruitrusting van de auto bedienen en bijvoor-
beeld bekneld raken.
Bovendien kunnen de kinderen de auto in
beweging zetten, door bijvoorbeeld:
Rde parkeerrem vrij te zetten
Rde automatische transmissie uit parkeer-
stand Pte schakelen
Rde motor starten.
Er bestaat gevaar voor letsel en ongevallen!
Bij het verlaten van de auto altijd de sleutel
meenemen en de auto vergrendelen. Kinde-
ren en dieren nooit zonder toezicht in de auto
achterlaten. De sleutels bewaren op een voor
kinderen onbereikbare plaats.
GWAARSCHUWING
Verbrandingsmotoren stoten giftige uitlaat-
gassen uit, zoals koolmonoxide. Het inade-
men van deze uitlaatgassen leidt tot vergifti-
ging. Er dreigt levensgevaar! Daarom de
motor nooit laten draaien in gesloten ruimtes
zonder voldoende ventilatie.
GWAARSCHUWING
Door milieu-invloeden of dieren aangevoerd
brandbaar materiaal kan vlam vatten door de
hete delen van de motor of het uitlaatsys-
teem. Er bestaat brandgevaar!
Daarom regelmatig controleren, of er zich
geen van buitenaf aangevoerd brandbaar
materiaal in de motorruimte of bij het uitlaat-
systeem bevindt.
!Tijdens het starten geen gas geven.
Algemene aanwijzingen
Auto's met benzinemotor: Tijdens de koude
start draait de motor met verhoogd toerental,
zodat de katalysator zijn bedrijfstemperatuur
eerder bereikt. Het motorgeluid kan daarbij
veranderen.
Rijden 197
Rijden en parkeren
Z
Automatische transmissie
XDe transmissie in stand Pzetten
(Ypagina 205).
De transmissiestandaanduiding op het
multifunctioneel display staat op P
(Ypagina 206).
De motor kan ook worden gestart als de
transmissie zich in stand Nbevindt.
Starten met sleutel
Om de motor met de sleutel in plaats van met
de start-stop-toets te starten, de start-stop-
toets uit het contactslot verwijderen.
XBenzinemotor starten: De sleutel in het
contactslot in stand 3draaien
(Ypagina 195) en weer loslaten zodra de
motor draait.
XDieselmotor starten: De sleutel in het
contactslot in stand 2draaien
(Ypagina 195).
Voorgloeicontrolelampje %in het
instrumentenpaneel gaat branden.
XWanneer het voorgloeicontrolelampje
%dooft, de sleutel in stand 3draaien
(Ypagina 195) en weer loslaten zodra de
motor aanslaat.
Als de motor op bedrijfstemperatuur is, kan
er worden gestart zonder voorgloeien.
Starten met start-stop-toets
Met de start-stop-toets kan de motor hand-
matig worden gestart zonder de sleutel in het
contactslot te steken. De sleutel moet zich in
de auto bevinden en de start-stop-toets moet
in het contactslot aangebracht zijn. Het star-
ten van de motor met de sleutel staat los van
het automatisch starten van de motor in de
ECO start-stop-functie.
De motor kan worden gestart als zich een
geldige sleutel in de auto bevindt. Ook als u
de auto slechts kortstondig verlaat de KEY-
LESS GO-sleutel altijd meenemen. De belang-
rijke veiligheidsvoorschriften in acht nemen.
XHet rempedaal indrukken en ingedrukt
houden.
XBenzinemotor starten: De start-stop-
toets eenmaal indrukken (Ypagina 195).
De motor start.
XDieselmotor starten: De start-stop-toets
eenmaal indrukken (Ypagina 195).
Het voorgloeisysteem treedt in werking en
de motor wordt gestart.
Wegrijden
Automatische transmissie
GWAARSCHUWING
Als het motortoerental hoger is dan het stati-
onair toerental en u de transmissiestand Dof
Rinschakelt, kan de auto met een schok in
beweging komen. Er bestaat gevaar voor
ongevallen!
Bij het inschakelen van transmissiestand Dof
Rhet rempedaal altijd stevig indrukken en
niet tegelijkertijd gasgeven.
XHet rempedaal indrukken en ingedrukt
houden.
XDe transmissie in stand Dof Rzetten.
XHet rempedaal loslaten.
XVoorzichtig gas geven.
De elektrische parkeerrem
(Ypagina 222) wordt automatisch vrijge-
zet.
Het rode controlelampje !in het instru-
mentenpaneel dooft.
Alleen als het rempedaal is ingedrukt, kan de
transmissie vanuit stand Pin de gewenste
transmissiestand worden gezet. Alleen dan is
de parkeervergrendeling opgeheven. Als het
rempedaal niet bediend is, kan de DIRECT
SELECT-keuzehendel wel worden bewogen,
de parkeervergrendeling blijft echter inge-
schakeld.
Na het wegrijden wordt de auto automatisch
centraal vergrendeld. De grendelknoppen in
de portieren gaan omlaag.
198 Rijden
Rijden en parkeren
De portieren kunnen echter op elk moment
van binnen uit worden geopend.
De automatische portiervergrendeling kan
ook worden uitgeschakeld (Ypagina 102).
iNa een koude start wordt bij hogere
motortoerentallen geschakeld. Hierdoor
komt de katalysator eerder op bedrijfstem-
peratuur.
Wegrijden met een aanhangwagen
Om te voorkomen dat de auto op een helling
terugrolt, kan de elektrische parkeerrem wor-
den gebruikt.
XHandgreep :indrukken en ingedrukt hou-
den.
De elektrische parkeerrem blijft remmen
en voorkomt dat de auto terugrolt.
Het rode controlelampje !in het instru-
mentenpaneel blijft branden.
XGas geven.
XZodra de auto met aanhangwagen door de
aandrijfkracht van de motor op zijn plaats
wordt gehouden, handgreep :loslaten.
De elektrische parkeerrem is vrijgezet.
Het rode controlelampje !in het instru-
mentenpaneel dooft.
iMeer informatie over de elektrische par-
keerrem (Ypagina 222).
Hellingassistent
De hellingassistent ondersteunt u bij het
voor- en achteruit bergopwaarts wegrijden.
Daarbij blijft de auto gedurende korte tijd stil-
staan, nadat de voet van het rempedaal is
genomen. Zo is er voldoende tijd uw voet op
het gaspedaal te plaatsen en weg te rijden
zonder dat de auto terugrolt.
GWAARSCHUWING
Na korte tijd remt de hellingassistent de auto
niet meer af en kan deze daardoor wegrollen.
Er bestaat gevaar voor letsel en ongevallen!
Daarom uw voet tijdig van het rem- naar het
gaspedaal verplaatsen. De auto nooit verlaten
als deze met de hellingassistent op zijn plaats
wordt gehouden.
XDe voet van het rempedaal nemen.
De auto wordt nog circa één seconde vast-
gehouden.
XWegrijden.
De hellingassistent is niet actief, als:
Rer op een vlakke weg of bergafwaarts wordt
weggereden
Rde transmissie in stand Nstaat
Rde elektrische parkeerrem is bediend
Rhet ESP®een storing vertoont.
ECO start-stop-functie (alle auto's
behalve auto's met HYBRID technolo-
gie)
Inleiding
Dit hoofdstuk beschrijft de ECO start-stop-
functie voor alle auto's, behalve auto's met
HYBRID technologie. Informatie over de ECO
start-stop-functie bij auto's met HYBRID tech-
nologie (Ypagina 296).
De ECO start-stop-functie zorgt er bij het
stoppen van de auto onder bepaalde omstan-
digheden voor dat de motor automatisch
afslaat.
Voor opnieuw wegrijden start de motor auto-
matisch. Op deze manier helpt de ECO start-
stop-functie u het brandstofverbruik en de
uitlaatgasemissie van uw auto te reduceren.
Rijden 199
Rijden en parkeren
Z
Belangrijke veiligheidsvoorschriften
GWAARSCHUWING
Als de motor automatisch is afgezet en u stapt
uit, wordt de motor automatisch weer gestart.
De auto kan wegrijden. Er bestaat gevaar voor
letsel en ongevallen!
Altijd het contact uitschakelen en de auto
tegen wegrollen beveiligen, voordat de auto
wordt verlaten.
Algemene aanwijzingen
:ECO start-stop-weergave
Als het ECO-symbool ¤op het multifunc-
tioneel display groen wordt weergegeven,
zorgt de ECO start-stop-functie ervoor dat de
motor automatisch wordt afgezet bij het stop-
pen.
Iedere keer als de motor met de sleutel of de
start-stop-toets opnieuw wordt gestart, is de
ECO start-stop-functie ingeschakeld.
Als de ECO start-stop-functie handmatig
(Ypagina 201) of door een storing uitge-
schakeld is, wordt het ECO-symbool ¤
niet weergegeven.
De ECO start-stop-functie is alleen in het
schakelprogramma Ebeschikbaar (bij auto's
in AMG-uitvoering het schakelprogramma C).
Automatisch afzetten van de motor
Als de auto tot stilstand wordt gebracht in
transmissiestand Dof N, zet de ECO start-
stop-functie de motor automatisch af.
De ECO start-stop-functie is beschikbaar en
toont op het multifunctioneel display een
groen ECO-symbool ¤, als onder andere:
Rhet controlelampje van de ECO-toets groen
brandt
Rde buitentemperatuur binnen een voor het
systeem geschikt bereik ligt
Rde motor op bedrijfstemperatuur is
Rde interieurtemperatuur ingeregeld is
Rde accu voldoende opgeladen is
Rhet systeem bij ingeschakelde airconditio-
ning geen condens op de voorruit herkent
Rde motorkap gesloten is
Rhet bestuurdersportier gesloten is en de
bestuurder de gordel draagt.
Als niet aan alle voorwaarden voor de auto-
matische motorstop wordt voldaan, wordt het
ECO-symbool ¤geel weergegeven.
Alle systemen van de auto blijven bij het auto-
matisch afzetten van de motor verder actief.
Bij automatisch afgezette motor auto kan de
HOLD-functie worden geactiveerd. Het rem-
pedaal moet dan tijdens de automatisch stop-
fase niet meer worden ingedrukt. Wanneer
het gaspedaal wordt ingedrukt, start de
motor automatisch en wordt de remwerking
door de HOLD-functie opgeheven.
Alle auto's (behalve auto's in AMG-uitvoe-
ring): De automatische motorstop kan ten
hoogste viermaal (eerste maal stoppen en
drie herhalingen) na elkaar plaatsvinden. Het
ECO-symbool ¤op het multifunctioneel
display wordt na de vierde automatische
motorstart geel weergegeven. Als het ECO-
symbool ¤op het multifunctioneel display
groen wordt weergegeven, is de automati-
sche motorstop weer mogelijk.
Auto's in AMG-uitvoering: Het aantal op
elkaar volgende automatische motorstops is
onbeperkt.
200 Rijden
Rijden en parkeren
Automatisch starten van de motor
De motor wordt automatisch gestart, als:
Rde ECO start-stop-functie via de ECO-toets
uitgeschakeld wordt
Rnaar het schakelprogramma Sof Mwordt
omgeschakeld
Rhet rempedaal wordt losgelaten in trans-
missiestand Dof Nbij niet-actieve HOLD-
functie
Rhet gaspedaal wordt ingedrukt
Rde achteruitversnelling Rwordt ingescha-
keld
Ru de transmissiestand Pverlaat
Ru de veiligheidsgordel losmaakt of het
bestuurdersportier opent
Rde auto begint te rollen
Rhet remsysteem dit vraagt
Rde interieurtemperatuur het ingestelde
bereik verlaat
Rhet systeem bij ingeschakelde airconditio-
ning condens op de voorruit herkent
Rde laadtoestand van de accu te laag is.
Door naar transmissiestand Pte schakelen
wordt de motor niet gestart.
Als van transmissiestand Rnaar Dwordt
gewisseld, is de ECO start-stop-functie na het
verschijnen van het groene ECO-symbool
¤op het multifunctioneel display beschik-
baar.
ECO start-stop-functie uit- en inschake-
len
Alle auto's (behalve auto's in AMG-uitvoe-
ring)
XUitschakelen: De ECO-toets :indruk-
ken.
Controlelampje ;dooft en het ECO-sym-
bool ¤op het multifunctioneel display
verdwijnt.
XInschakelen: De ECO-toets :indrukken.
Controlelampje ;brandt. Wanneer aan
alle voorwaarden voor de automatische
motorstop (Ypagina 200) wordt voldaan,
wordt op het multifunctioneel display het
ECO-symbool ¤groen weergegeven.
Als niet aan alle voorwaarden voor de auto-
matische motorstop (Ypagina 200) is vol-
daan, wordt het ECO-symbool ¤op het
multifunctioneel display geel weergegeven.
In dit geval is de ECO start-stop-functie niet
beschikbaar.
Als controlelampje ;is gedoofd, is de ECO
start-stop-functie handmatig of door een sto-
ring in de werking uitgeschakeld. De motor
wordt bij het stoppen niet meer automatisch
afgezet.
De ECO start-stop-functie is in de schakel-
programma's Sen Maltijd uitgeschakeld.
Als de ECO start-stop-functie in het schakel-
programma Swordt ingeschakeld, wordt
automatisch omgeschakeld naar het schakel-
programma E.
Rijden 201
Rijden en parkeren
Z
Auto's in AMG-uitvoering
XUitschakelen: In het schakelprogramma
Cde ECO-toets :indrukken.
of
XNaar het schakelprogramma S, of M
omschakelen (Ypagina 208).
Controlelampje ;dooft en het ECO-sym-
bool ¤op het multifunctioneel display
verdwijnt.
XInschakelen: De ECO-toets :indrukken.
Controlelampje ;brandt. Als het schakel-
programma S, of Mactief is, schakelt de
automatische transmissie naar het scha-
kelprogramma C.
Wanneer aan alle voorwaarden voor de
automatische motorstop (Ypagina 200)
wordt voldaan, wordt op het multifunctio-
neel display het ECO-symbool ¤groen
weergegeven.
Als niet aan alle voorwaarden voor de auto-
matische motorstop (Ypagina 200) wordt
voldaan, wordt het ECO-symbool ¤geel
weergegeven. In dit geval is de ECO start-
stop-functie niet beschikbaar.
Als controlelampje ;is gedoofd, is de ECO
start-stop-functie handmatig of door een sto-
ring in de werking uitgeschakeld. De motor
wordt bij het stoppen niet meer automatisch
afgezet.
De ECO start-stop-functie is in de schakel-
programma's Sen Maltijd uitgeschakeld.
Als de ECO start-stop-functie in het schakel-
programma Swordt ingeschakeld, wordt
automatisch omgeschakeld naar het schakel-
programma C.
202 Rijden
Rijden en parkeren
Problemen met de motor
Probleem Mogelijke oorzaak en/of gevolg en MMoplossingen
De motor slaat niet aan.
De startmotor werkt
hoorbaar.
RDe motorelektronica vertoont een storing.
RDe brandstoftoevoer vertoont een storing.
XVoor de volgende startpoging: De sleutel in het contactslot in
stand 0terugdraaien of zo vaak op de start-stop-toets drukken,
tot alle controlelampjes in het instrumentenpaneel doven.
XDe motor opnieuw starten (Ypagina 197). Langdurige en veel-
vuldige startpogingen vermijden, omdat anders de accu ontla-
den raakt.
Als de motor na meerdere startpogingen niet aanslaat:
XContact opnemen met een gekwalificeerde werkplaats.
De motor slaat niet aan.
De startmotor werkt
hoorbaar. Het waar-
schuwingslampje voor
de brandstofreserve
brandt en de brandstof-
meter staat op reserve.
De brandstoftank werd leeggereden.
XBrandstof in de auto tanken.
De motor slaat niet aan.
De startmotor werkt
niet hoorbaar.
De boordnetspanning is te laag, omdat de accu te zwak of leeg is.
XStarthulp ontvangen (Ypagina 444).
Als de motor ondanks de starthulp niet aanslaat:
XContact opnemen met een gekwalificeerde werkplaats.
De startmotor is blootgesteld aan een te hoge thermische belas-
ting.
XDe motor opnieuw starten.
Als de motor desondanks niet aanslaat:
XContact opnemen met een gekwalificeerde werkplaats.
Auto's met benzinemo-
tor:
De motor draait onre-
gelmatig en slaat over.
De motorelektronica of een mechanisch onderdeel van de motor-
regeling vertoont een storing.
XMaar weinig gas geven.
Anders kan onverbrande brandstof in de katalysator terechtko-
men en deze beschadigen.
XDe oorzaak zo snel mogelijk laten verhelpen bij een gekwalifi-
ceerde werkplaats.
Rijden 203
Rijden en parkeren
Z
Probleem Mogelijke oorzaak en/of gevolg en MMoplossingen
De koelvloeistoftempe-
ratuurmeter geeft meer
dan 120 †aan. Boven-
dien kan een display-
melding op het multi-
functioneel display ver-
schijnen en een waar-
schuwingssignaal klin-
ken.
Het koelvloeistofpeil is te laag. De koelvloeistof is te warm, de
motor wordt niet voldoende gekoeld.
XZo snel mogelijk stoppen en de motor en de koelvloeistof laten
afkoelen.
XHet koelvloeistofpeil controleren (Ypagina 417). Daarbij de
waarschuwingsaanwijzingen in acht nemen en zo nodig koel-
vloeistof bijvullen.
Als het koelvloeistofpeil in orde is, kan het zijn dat de elektrische
ventilateur van het motorkoelsysteem uitgevallen is. De koelvloei-
stof is te warm, de motor wordt niet voldoende gekoeld.
XBij een koelvloeistoftemperatuur onder 120 kan naar de
dichtstbijzijnde gekwalificeerde werkplaats worden verder
gereden.
XDaarbij een hoge motorbelasting, bijvoorbeeld bij het rijden op
hellingen en bij stop-and-go-verkeer, vermijden.
Automatische transmissie
Belangrijke veiligheidsvoorschriften
GWAARSCHUWING
Als het motortoerental hoger is dan het stati-
onair toerental en u de transmissiestand Dof
Rinschakelt, kan de auto met een schok in
beweging komen. Er bestaat gevaar voor
ongevallen!
Bij het inschakelen van transmissiestand Dof
Rhet rempedaal altijd stevig indrukken en
niet tegelijkertijd gasgeven.
GWAARSCHUWING
Bij het afzetten van de motor schakelt de
automatische transmissie in neutraalstand
N. De auto kan wegrollen. Er bestaat gevaar
voor ongevallen!
Na het afzetten van de motor altijd parkeer-
stand Pinschakelen. De geparkeerde auto
met de parkeerrem tegen wegrollen beveili-
gen.
De veiligheidsvoorschriften voor auto's met
HYBRID technologie in acht nemen
(Ypagina 44).
DIRECT SELECT-keuzehendel
Overzicht transmissieschakeling
jParkeerstand met parkeervergrendeling
kAchteruitversnelling
iNeutraalstand
hRijstand
De DIRECT SELECT-keuzehendel bevindt zich
rechts aan de stuurkolom.
De DIRECT SELECT-keuzehendel springt
altijd terug in de beginpositie. De actuele
transmissiestand P,R,Nof Dverschijnt in de
transmissiestandaanduiding (Ypagina 206)
op het multifunctioneel display.
204 Automatische transmissie
Rijden en parkeren
Parkeerstand P inschakelen
!Bij een te hoog motortoerental of een rol-
lende auto kan de automatische transmis-
sie niet meteen van Dnaar R, van Rnaar
Dof direct in Pworden gezet. Anders kan
de automatische transmissie worden
beschadigd.
jParkeerstand met parkeervergrendeling
kAchteruitversnelling
iNeutraalstand
hRijstand
XDe toets van de DIRECT SELECT-keuzehen-
del in de richting van de pijl Pindrukken.
Parkeerstand P automatisch inschake-
len
Parkeerstand Pwordt automatisch ingescha-
keld, als:
Rde motor met de sleutel wordt afgezet en
de sleutel uit het contactslot wordt verwij-
derd
Rde motor wordt afgezet met de start-stop-
toets en het bestuurdersportier wordt
geopend
Rbij zeer lage rijsnelheid in de transmissie-
stand Dof Rhet bestuurdersportier wordt
geopend.
Achteruitversnelling R inschakelen
!De automatische transmissie alleen in
stand Rzetten als de auto stilstaat.
XAls de transmissie in stand Dof Nstaat: De
DIRECT SELECT-keuzehendel tot voorbij de
eerste weerstand omhoogdrukken.
XAls de transmissie in stand Pstaat: Het
rempedaal indrukken en de DIRECT
SELECT-keuzehendel tot voorbij de eerste
weerstand omhoogdrukken.
Als de achteruitversnelling is ingeschakeld is
de ECO start-stop-functie niet beschikbaar.
Meer informatie over de ECO start-stop-func-
tie (Ypagina 200).
Neutraalstand N inschakelen
GWAARSCHUWING
Wanneer kinderen zonder toezicht in de auto
achterblijven, kunnen deze:
Rportieren openen en daardoor andere per-
sonen of verkeersdeelnemers in gevaar
brengen
Ruitstappen en door het verkeer worden
gegrepen
Ruitrusting van de auto bedienen en bijvoor-
beeld bekneld raken.
Bovendien kunnen de kinderen de auto in
beweging zetten, door bijvoorbeeld:
Rde parkeerrem vrij te zetten
Rde automatische transmissie uit parkeer-
stand Pte schakelen
Rde motor starten.
Er bestaat gevaar voor letsel en ongevallen!
Bij het verlaten van de auto altijd de sleutel
meenemen en de auto vergrendelen. Kinde-
ren en dieren nooit zonder toezicht in de auto
achterlaten. De sleutels bewaren op een voor
kinderen onbereikbare plaats.
XAls de transmissie in stand Dof Rstaat: De
DIRECT SELECT-keuzehendel tot de eerste
weerstand omhoog- of omlaagdrukken.
XAls de transmissie in stand Pstaat: Het
rempedaal indrukken en de DIRECT
SELECT-keuzehendel tot de eerste weer-
stand omhoog- of omlaagdrukken.
Automatische transmissie 205
Rijden en parkeren
Z
Als de motor wordt afgezet, schakelt de auto-
matische transmissie automatisch in stand
N.
Als de automatische transmissie in neutraal-
stand Nmoet blijven staan, bijvoorbeeld bij
het wassen van de auto in wasstraten met
automatische doorvoer, de volgende aanwij-
zingen in acht nemen:
Met de sleutel:
RHet contact moet ingeschakeld zijn.
RAls de auto stilstaat, het rempedaal indruk-
ken en ingedrukt houden.
RDe neutraalstand Ninschakelen.
RHet rempedaal loslaten.
RAls de elektrische parkeerrem is bediend,
deze vrijzetten.
RHet contact afzetten en de sleutel in het
contactslot laten zitten.
Met start-stop-toets:
RHet contact moet ingeschakeld zijn.
RAls de auto stilstaat, het rempedaal indruk-
ken en ingedrukt houden.
RDe parkeerstand Pinschakelen.
RHet rempedaal loslaten.
RDe start-stop-toets uit het contactslot ver-
wijderen.
RDe sleutel in het contactslot steken.
RHet contact inschakelen.
RHet rempedaal indrukken en ingedrukt
houden.
RDe neutraalstand Ninschakelen.
RHet rempedaal loslaten.
RAls de elektrische parkeerrem is bediend,
deze vrijzetten.
RHet contact afzetten en de sleutel in het
contactslot laten zitten.
Rijstand D inschakelen
XAls de transmissie in stand Rof Nstaat: De
DIRECT SELECT-keuzehendel tot voorbij de
eerste weerstand omlaagdrukken.
XAls de transmissie in stand Pstaat: Het
rempedaal indrukken en de DIRECT
SELECT-keuzehendel tot voorbij de eerste
weerstand omlaagdrukken.
Transmissiestandaanduiding
Algemene aanwijzingen
!Als de transmissiestandaanduiding op het
multifunctioneel display is uitgevallen,
moet door voorzichtig wegrijden worden
gecontroleerd of de gewenste transmissie-
stand is ingeschakeld. Hiertoe bij voorkeur
transmissiestand Den het automatisch
schakelprogramma E(bij auto's in AMG-
uitvoering het schakelprogramma C) of S
selecteren.
De actuele transmissiestand wordt op het
multifunctioneel display weergegeven.
De pijlen op het display van de transmissie-
stand geven aan, hoe en in welke transmis-
siestand met de DIRECT SELECT-keuzehen-
del kan worden geschakeld.
Alle auto's (behalve auto's in AMG-uit-
voering)
:Transmissiestand
;Versnelling
=Schakelprogramma
206 Automatische transmissie
Rijden en parkeren
Auto's in AMG-uitvoering
:Transmissiestand
;Schakelprogramma
Transmissiestanden
BParkeerstand
Beveiligt de geparkeerde auto
tegen wegrollen. De transmissie
alleen in stand P(Ypagina 205) zet-
ten als de auto stilstaat.
De automatische transmissie scha-
kelt automatisch in stand P, wan-
neer:
Rde sleutel uit het contactslot
wordt verwijderd
Rde motor in Rof Dwordt afgezet
en een van de voorportieren
wordt geopend.
CAchteruitversnelling
De transmissie alleen in stand R
zetten als de auto stilstaat.
ANeutraal neutraalstand
Tijdens het rijden de transmissie
niet in stand Nzetten. Anders kan
de automatische transmissie wor-
den beschadigd.
Als het ESP®uitgeschakeld is of
een storing vertoont: De transmis-
sie in stand Nzetten als de auto in
een slip dreigt te raken, bijvoor-
beeld bij een glad wegdek.
Als de motor met de sleutel of met
de start-stop-toets wordt afgezet,
schakelt de automatische trans-
missie automatisch in neutraal-
stand N.
!Rollen in de neutraalstand N
kan tot schade aan de kracht-
overbrenging leiden.
7Drive rijden
De automatische transmissie scha-
kelt automatisch. Alle vooruitver-
snellingen staan ter beschikking.
Rijtips
Schakelprocedure
De automatische transmissie schakelt in de
transmissiestand Dautomatisch de afzonder-
lijke versnellingen. Dit is afhankelijk van:
Rhet geselecteerde schakelprogramma
(Ypagina 208)
Rde stand van het gaspedaal
(Ypagina 207)
Rde gereden snelheid.
Gaspedaalstand
Uw rijstijl heeft invloed op het schakelen van
de automatische transmissie:
RWeinig gas: Vroeg opschakelen
RVeel gas: Laat opschakelen.
Automatische transmissie 207
Rijden en parkeren
Z
Kickdown
Als u maximaal wilt accelereren, de kickdown
gebruiken:
XHet gaspedaal tot voorbij het drukpunt
indrukken.
De automatische transmissie schakelt
afhankelijk van het motortoerental in een
lagere versnelling.
XGas terug nemen als de gewenste snelheid
is bereikt.
De automatische transmissie schakelt
weer op.
Rijden met een aanhangwagen
XBij bergopwaarts rijden de motor in het
middelste toerengebied laten draaien.
XAfhankelijk van de hellingsgraad (bergop-
waarts of bergafwaarts) naar de 3e of 2e
versnelling terugschakelen
(Ypagina 209), ook bij ingeschakelde
TEMPOMAAT, DISTRONIC PLUS of SPEED-
TRONIC.
Programmakeuzetoets
XAlle auto's (behalve auto's in AMG-uit-
voering): Om een ander schakelpro-
gramma te selecteren, programmakeuze-
toets :indrukken.
Op het multifunctioneel display verschijnt
de letter van het geselecteerde schakel-
programma.
XAuto's in AMG-uitvoering: Programma-
keuzetoets :indrukken, tot op het multi-
functioneel display de letter van het gewen-
ste schakelprogramma verschijnt.
Met de programmakeuzetoets wijzigen:
Rhet schakelprogramma (Ypagina 209)
Rhet motormanagementsysteem.
Schakelprogramma Eheet bij auto's in AMG-
uitvoering schakelprogramma C.
Bij iedere motorstart wisselt de automatische
transmissie in het automatisch schakelpro-
gramma E(bij auto's in AMG-uitvoering scha-
kelprogramma C).
Alle auto's (behalve auto's in AMG-uitvoe-
ring)
EEconomy Voor een comfortabele,
zuinige rijstijl
SSport Voor een sportieve rijstijl
Met de stuurwielschakelpaddels kan ook het
handmatig schakelprogramma Mworden
geactiveerd (Ypagina 209). In het handmatig
schakelprogramma Mkunnen de versnellin-
gen met de stuurwielschakelpaddels kort-
stondig zelf worden geschakeld.
Auto's in AMG-uitvoering
CControlled
Efficiency
Voor een comfortabele,
zuinige rijstijl
SSport Voor een sportieve rijstijl
MHandmatig Voor handmatig schake-
len
208 Automatische transmissie
Rijden en parkeren
Het permanente schakelprogramma Mis
alleen beschikbaar bij auto's in AMG-uitvoe-
ring.
Meer informatie over het permanente scha-
kelprogramma M(Ypagina 211).
Met de stuurwielschakelpaddels kan ook het
handmatig schakelprogramma Mworden
geactiveerd (Ypagina 209). In het handmatig
schakelprogramma Mkunnen de versnellin-
gen met de stuurwielschakelpaddels kort-
stondig zelf worden geschakeld.
Meer informatie over het automatisch scha-
kelprogramma (Ypagina 209).
Stuurwielschakelpaddels
In de automatische schakelprogramma's Een
Skan met stuurwielschakelpaddels :
en ;het handmatig schakelprogramma M
worden geactiveerd (Ypagina 209). In het
handmatig schakelprogramma Mkunnen de
versnellingen met de stuurwielschakelpad-
dels kortstondig zelf worden geschakeld.
Auto's in AMG-uitvoering: Bovendien kan
met de programmakeuzetoets het handmatig
schakelprogramma Mworden geactiveerd
(Ypagina 211). In het handmatig schakel-
programma Mkunnen de versnellingen met
de stuurwielschakelpaddels permanent zelf
worden geschakeld.
Automatisch schakelprogramma
Automatisch schakelprogramma E en S
Het schakelprogramma E(bij auto's in AMG-
uitvoering schakelprogramma C) heeft de vol-
gende eigenschappen:
RComfortabele motorkarakteristiek
RGunstig brandstofverbruik door vroeg
schakelen van de automatische transmis-
sie
RBehalve bij volgas rijdt de auto voor- en
achteruit soepeler weg.
RDe doseerbaarheid wordt verhoogd. Daar-
door heeft de auto bijvoorbeeld op gladde
wegen een verbeterde rijstabiliteit.
RDe automatische transmissie schakelt
vroeger op. De auto rijdt hierdoor met een
lager toerental en de wielen kunnen minder
gemakkelijk doordraaien.
Het schakelprogramma Sheeft de volgende
eigenschappen:
RSportieve motorkarakteristiek
RDe auto rijdt in de eerste versnelling weg.
RDe automatische transmissie schakelt later
op.
RDoor laat opschakelen door de automati-
sche transmissie kan het brandstofver-
bruik hoger uitvallen.
Handmatig schakelprogramma M
Algemene aanwijzingen
In het schakelprogramma kunnen de versnel-
lingen met de stuurwielschakelpaddels kort-
stondig zelf worden geschakeld. De transmis-
sie moet daarbij in stand Dstaan.
Het handmatig schakelprogramma Mkan
worden geactiveerd in de automatische scha-
kelprogramma's E(bij auto's in AMG-uitvoe-
ring het schakelprogramma C) en S.
Auto's in AMG-uitvoering: Naast dit kort-
stondig schakelprogramma Mkan ook het
permanente schakelprogramma Mworden
ingeschakeld.
Automatische transmissie 209
Rijden en parkeren
Z
Meer informatie over het permanente scha-
kelprogramma M(Ypagina 211).
Activeren
XDe transmissie in stand Dzetten.
XAan de linker of rechter stuurwielschakel-
paddel trekken (Ypagina 209).
Het handmatig schakelprogramma Mis
kortstondig geactiveerd.
Alle auto's (behalve auto's in AMG-uit-
voering): Op het multifunctioneel display
worden Men de geselecteerde versnelling
weergegeven.
Meer informatie over het activeren van het
handmatig schakelprogramma Mbij auto's
met HYBRID technologie (Ypagina 294).
Schakelen
Door aan de linker of rechter stuurwielscha-
kelpaddel te trekken, activeert de automati-
sche transmissie gedurende een beperkte
tijd het handmatig schakelprogramma M.
Indien toegestaan, schakelt de automatische
transmissie afhankelijk van de stuurwielscha-
kelpaddel waaraan wordt getrokken direct op
of terug naar de eerstvolgende hogere resp.
lagere versnelling.
XOpschakelen: Aan de rechter stuurwiel-
schakelpaddel trekken (Ypagina 209).
De automatische transmissie schakelt één
versnelling op.
Als het maximumtoerental voor de momen-
teel ingeschakelde versnelling wordt
bereikt, schakelt de automatische trans-
missie ter voorkoming van motorschade
op.
Auto's in AMG-uitvoering: Bij zeer lage
toerentallen schakelt de automatische
transmissie niet meer in de eerstvolgende
hogere versnelling.
XTerugschakelen: Aan de linker stuurwiel-
schakelpaddel trekken (Ypagina 209).
De automatische versnellingsbak schakelt
één versnelling terug.
Wanneer de motor bij het terugschakelen
het maximumtoerental zou overschrijden,
schakelt de automatische transmissie ter
voorkoming van motorschade niet terug.
Bij het uitrollen wordt automatisch terug-
geschakeld.
Schakeladvies
Het schakeladvies geeft aanwijzingen voor
een brandstofbesparende rijstijl. Op het mul-
tifunctioneel display wordt de geadviseerde
versnelling weergegeven.
XWanneer op het multifunctioneel display
van het instrumentenpaneel het betref-
fende schakeladvies :verschijnt, de
geadviseerde versnelling ;inschakelen.
Deactiveren
Wanneer het handmatig schakelprogramma
Mis geactiveerd, blijft het gedurende een
bepaalde tijd actief. Onder bepaalde omstan-
digheden wordt deze minimumtijd verlengd,
bijvoorbeeld bij een dwarsversnelling, tijdens
een deceleratiefase of bij het rijden op een
steile helling.
Als het handmatig schakelprogramma M
wordt gedeactiveerd, schakelt de automati-
sche transmissie weer het laatst geacti-
veerde automatische schakelprogramma in.
Het handmatig schakelprogramma Mkan ook
door de bestuurder worden gedeactiveerd:
XAan de rechter stuurwielschakelpaddel
trekken en deze vasthouden
(Ypagina 209).
of
XMet de DIRECT SELECT-keuzehendel een
andere transmissiestand kiezen.
210 Automatische transmissie
Rijden en parkeren
of
XMet de programmakeuzetoets een ander
rijprogramma kiezen (Ypagina 208).
Het handmatig schakelprogramma Mis
gedeactiveerd. De automatische transmis-
sie wisselt naar het daarvoor actieve scha-
kelprogramma E(bij auto's in AMG-uitvoe-
ring het schakelprogramma C) of S.
Handmatig schakelprogramma
(auto's in AMG-uitvoering)
Algemene informatie
In dit schakelprogramma kunnen de versnel-
lingen met de stuurwielschakelpaddels kort-
stondig zelf worden geschakeld. De transmis-
sie moet daarbij in stand Dstaan.
Het handmatig schakelprogramma Mver-
schilt van het schakelprogramma Svoor wat
betreft spontaniteit, reactiegedrag en zacht-
heid van de schakelovergangen.
Naast dit permanente schakelprogramma M
kan ook het kortstondige schakelprogramma
Mworden ingeschakeld (Ypagina 209).
Handmatig schakelprogramma inscha-
kelen
Als de transmissie in stand Dstaat, kunnen
in het handmatig schakelprogramma Mde
versnellingen met de stuurwielschakelpad-
dels worden geschakeld. Op het multifunc-
tioneel display zijn het geselecteerde scha-
kelprogramma en de ingeschakelde versnel-
ling zichtbaar.
XDe programmakeuzetoets (Ypagina 208)
indrukken, tot op het multifunctioneel dis-
play Mstaat.
Opschakelen
!In het handmatig schakelprogramma M
schakelt de automatische transmissie ook
bij het afregeltoerental niet vanzelf op. Als
de motor het afregeltoerental bereikt,
wordt de brandstoftoevoer onderbroken,
om het overschrijden van het maximum-
toerental van de motor te voorkomen.
Beslist erop letten dat het motortoerental
niet in het rode gebied van de toerenteller
komt. Anders bestaat er gevaar voor motor-
schade.
:Versnellingsindicatie
;Opschakelaanwijzing
Voordat het motortoerental in het rode
gebied komt, verschijnt een opschakelaan-
wijzing op het multifunctioneel display.
XWanneer op het multifunctioneel display
van de snelheidsmeter de displaykleur naar
rood wisselt en de displaymelding UPUP ver-
schijnt, met de rechter stuurwielschakel-
paddel één versnelling opschakelen.
De automatische transmissie schakelt in
de eerstvolgende hogere versnelling,
indien dit is toegestaan.
Terugschakelen
XAan de linker stuurwielschakelpaddel trek-
ken (Ypagina 209).
De automatische transmissie schakelt in
de eerstvolgende lagere versnelling, indien
dit is toegestaan.
Maximaal accelereren
XZo lang aan de linker stuurwielschakelpad-
del trekken, tot de transmissie afhankelijk
van de snelheid de optimale versnelling
kiest.
Als langzamer wordt gereden of wordt
gestopt, zonder terug te schakelen, schakelt
Automatische transmissie 211
Rijden en parkeren
Z
de automatische transmissie automatisch
terug.
Handmatig schakelprogramma uitscha-
kelen.
XDe programmakeuzetoets (Ypagina 208)
indrukken, tot op het multifunctioneel dis-
play Cof Sstaat.
212 Automatische transmissie
Rijden en parkeren
Problemen met de transmissie
Probleem Mogelijke oorzaak en/of gevolg en MMoplossingen
De transmissie heeft
schakelproblemen.
De transmissie verliest vloeistof.
XDe transmissie zo snel mogelijk bij een gekwalificeerde werk-
plaats laten controleren.
De acceleratie neemt
af.
De transmissie scha-
kelt niet meer.
De transmissie werkt in een noodprogramma.
Er kan alleen nog in de 2e versnelling en in de achteruitversnelling
worden geschakeld.
XStoppen.
XDe transmissie in stand Pzetten.
XDe motor afzetten.
XTen minste tien seconden wachten, voordat de motor opnieuw
wordt gestart.
XDe transmissie zo snel mogelijk bij een gekwalificeerde werk-
plaats laten controleren.
Problemen bij de hybridefunctie (Ypagina 299).
Tanken
Belangrijke veiligheidsvoorschriften
GWAARSCHUWING
Brandstoffen zijn licht ontvlambaar. Bij
ondeskundig werken met brandstof bestaat
brand- en explosiegevaar!
Beslist vuur, open licht, roken en vonkvorming
vermijden. Voor het tanken de motor afzetten
en indien aanwezig de interieurvoorverwar-
ming uitschakelen.
GWAARSCHUWING
Brandstoffen zijn giftig en schadelijk voor de
gezondheid. Gevaar voor letsel!
Beslist vermijden dat brandstof met huid,
ogen of kleding in aanraking komt of ingeslikt
wordt. De brandstofdampen niet inademen.
Brandstof uit de buurt van kinderen houden.
Wanneer iemand met brandstof in aanraking
is gekomen, de volgende punten in acht
nemen:
RBrandstof op de huid direct met water en
zeep afspoelen.
RAls brandstof met de ogen in aanraking
gekomen is, de ogen direct grondig met
schoon water spoelen. Zo snel mogelijk
contact opnemen met een arts.
RAls brandstof is ingeslikt, direct contact
opnemen met een arts. Geen braken
opwekken!
RMet brandstof vervuilde kleding meteen
verwisselen.
GWAARSCHUWING
Elektrostatische oplading kan tot leiden tot
vonkvorming en brandstofdampen ontsteken.
Er bestaat brand- en explosiegevaar!
Direct voordat de tankdop wordt geopend of
het vulpistool wordt vastgepakt, altijd de car-
rosserie van de auto aanraken. Een eventueel
Tanken 213
Rijden en parkeren
Z
aanwezige elektrostatische oplading wordt zo
afgebouwd.
Tijdens het tanken niet weer in de auto stap-
pen. Anders kunt u zich weer elektrostatisch
opladen.
GWAARSCHUWING
Voertuigen met dieselmotor:
Als dieselbrandstof met benzine wordt
gemengd, is het vlampunt van het brandstof-
mengsel lager dan dat van zuivere diesel-
brandstof. Als de motor draait kunnen onder-
delen van het uitlaatsysteem onbemerkt over-
verhit raken. Brandgevaar!
Nooit benzine tanken. Nooit benzine aan de
dieselbrandstof toevoegen.
!Geen dieselbrandstof in een auto met
benzinemotor tanken. Als abusievelijk de
verkeerde brandstof is getankt, het contact
niet inschakelen. Anders kan de brandstof
in het brandstofsysteem terecht komen. Al
een kleine hoeveelheid van de verkeerde
brandstof kan tot schade aan het brand-
stofsysteem en de motor leiden. Contact
opnemen met een gekwalificeerde werk-
plaats en de brandstoftank en de brand-
stofleidingen volledig laten aftappen.
!Geen benzine in een auto met dieselmo-
tor tanken. Als abusievelijk de verkeerde
brandstof is getankt, het contact niet
inschakelen. Anders kan de brandstof in
het brandstofsysteem terecht komen. Al
een kleine hoeveelheid van de verkeerde
brandstof kan tot schade aan het brand-
stofsysteem en de motor leiden. De repa-
ratiekosten zijn zeer hoog. Contact opne-
men met een gekwalificeerde werkplaats
en de brandstoftank en de brandstofleidin-
gen volledig laten aftappen.
!Als de brandstoftank wordt overvult, kan
het brandstofsysteem beschadigen.
!Erop letten, dat geen brandstof op gespo-
ten oppervlakken wordt gemorst. Anders
kan de lak worden beschadigd.
!Bij het tanken van brandstof uit een jer-
rycan een filter gebruiken. Anders kunnen
vuildeeltjes uit de jerrycan de brandstoflei-
dingen en/of het inspuitsysteem verstop-
pen.
Als de brandstoftank te ver wordt gevuld, kan
bij het verwijderen van het vulpistool brand-
stof wegspuiten.
Meer informatie over brandstof en brandstof-
kwaliteit (Ypagina 493).
Tanken
Algemene informatie
De belangrijke veiligheidsvoorschriften in
acht nemen (Ypagina 213).
Als de auto van buitenaf wordt ontgrendeld of
vergrendeld, wordt de tankdopklep eveneens
ontgrendeld of vergrendeld.
De plaats van de tankdopklep wordt in het
instrumentenpaneel weergegeven 8. De
pijl bij de pompzuil geeft de zijde van de auto
aan.
Tankdopklep openen
:Tankdopklep openen
;Tankdop aanbrengen
=Bandenspanningstabel
?Te tanken brandstofsoort
XDe motor afzetten.
XHet bestuurdersportier openen.
Dit komt overeen met sleutelstand 0, "ver-
wijderde sleutel".
214 Tanken
Rijden en parkeren
Het bestuurdersportier kan weer gesloten
worden.
XIn de richting van de pijl :op de tankdop-
klep drukken.
De tankdopklep zwenkt open.
XDe tankdop linksom draaien en verwijde-
ren.
XDe tankdop in houder aan de binnenzijde
van de tankdopklep plaatsen ;.
XDe vulbuis van het vulpistool volledig in de
tankvulbuis schuiven, laten rusten en tan-
ken.
XDe brandstoftank slechts zo ver vullen tot
het vulpistool afslaat.
iAuto's met dieselmotor: De opening van
de tankvulbuis is alleen geschikt voor de
tankpistolen van een dieselpomp.
iNa de eerste keer automatisch afslaan
van het vulpistool geen brandstof meer bij-
vullen. Anders kan de brandstof overstro-
men.
Tankdopklep sluiten
XDe tankdop op de flens aanbrengen en
rechtsom draaien, tot deze doordraait.
XDe tankdopklep sluiten.
iDe tankdopklep sluiten voordat u de auto
vergrendelt.
Tanken 215
Rijden en parkeren
Z
Problemen met brandstof en brandstoftank
Probleem Mogelijke oorzaak en/of gevolg en MMoplossingen
De auto lekt brandstof. GWAARSCHUWING
Een brandstofleiding of de brandstoftank is defect.
Er is brand- of explosiegevaar.
XDe elektrische parkeerrem inschakelen.
XDe transmissie in stand Pzetten.
XDe start-stop-toets indrukken.
De motor stopt en alle controlelampjes in het instrumentenpa-
neel doven.
iMet het bestuurdersportier geopend komt dit overeen met
sleutelstand 0, "verwijderde sleutel".
XDe motor in geen geval opnieuw starten!
XContact opnemen met een gekwalificeerde werkplaats.
De motor slaat niet aan. De brandstoftank is bij een auto met dieselmotor volledig leegge-
reden.
XTen minste 5 liter dieselbrandstof in de auto tanken.
XHet contact gedurende circa 10 seconden inschakelen
(Ypagina 195).
XDe motor ononderbroken maximaal 10 seconden starten, tot
deze regelmatig draait.
Als de motor niet aanslaat:
XHet contact opnieuw gedurende circa 10 seconden inschakelen
(Ypagina 195).
XDe motor opnieuw ononderbroken maximaal 10 seconden star-
ten, tot deze regelmatig draait.
Als de motor na drie pogingen nog steeds niet start:
XContact opnemen met een gekwalificeerde werkplaats.
216 Tanken
Rijden en parkeren
Probleem Mogelijke oorzaak en/of gevolg en MMoplossingen
De tankdopklep kan
niet worden geopend.
De tankdopklep is niet ontgrendeld.
of
De batterij van de sleutel is leeg.
XDe auto ontgrendelen (Ypagina 95).
of
XDe auto met de noodsleutel ontgrendelen (Ypagina 96).
De tankdopklep is ontgrendeld, maar het openingsmechanisme
klemt.
XContact opnemen met een gekwalificeerde werkplaats.
AdBlue®(alleen auto's met BlueTEC)
Belangrijke aanwijzingen m.b.t. het
gebruik
De BlueTec uitlaatgasnabehandeling moet
voor een correcte werking het reductiemiddel
AdBlue®gebruiken. Het bijvullen van
AdBlue®is onderdeel van de onderhouds-
werkzaamheden. Een volle AdBlue®-tank vol-
staat onder normale rijomstandigheden tot
de volgende onderhoudstermijn.
Als de AdBlue®-voorraad tot een reserve van
circa 3,8 l is opgebruikt, wordt de melding
AdBlue bijvullen zie handleidingAdBlue bijvullen zie handleiding op
het multifunctioneel display weergegeven.
Als de AdBlue®-voorraad tot een minimum is
gedaald, wordt de melding AdBlue bijvul‐AdBlue bijvul‐
lenlen GeenGeen startstart nana XXkmkm op het multifunc-
tioneel display weergegeven.
Als met de auto sneller dan 15 km/h wordt
gereden, verdwijnt de melding AdBlue bij‐AdBlue bij‐
vullen zie handleidingvullen zie handleiding na circa 1
minuut.
Als de melding AdBlue bijvullen GeenAdBlue bijvullen Geen
start na XXXX kmstart na XXXX km wordt weergegeven op
het multifunctioneel display, kan de weerge-
geven afstand nog met de auto worden afge-
legd. Als geen AdBlue®wordt bijgevuld, kan
de motor vervolgens niet meer worden
gestart. Als op het multifunctioneel display
de melding AdBlue bijvullen StartenAdBlue bijvullen Starten
niet mogelijkniet mogelijk verschijnt en de motor niet
meer start, moet AdBlue®worden bijgevuld.
XTen minste 1 gal (3,8 l) AdBlue®bijvullen.
XHet contact gedurende ten minste 60
seconden inschakelen.
XDe motor starten.
iU kunt de AdBlue®-tank ook bij een
gekwalificeerde werkplaats weer laten bij-
vullen.
Meer informatie over de BlueTec uitlaatgas-
nabehandeling en AdBlue®is verkrijgbaar bij
iedere Mercedes-Benz-servicewerkplaats.
Belangrijke veiligheidsvoorschriften
m.b.t. het bijvullen
AdBlue®is een in water oplosbare vloeistof
voor de uitlaatgasnabehandeling bij diesel-
motoren. Het is:
Rniet-giftig
Rkleur- en reukloos
Rniet-brandbaar.
Als de AdBlue®-tank wordt geopend, kan een
kleine hoeveelheid ammoniakdamp vrijko-
men.
Ammoniakdampen hebben een prikkelende
geur en irriteren vooral de huid, de slijmvlie-
zen en de ogen. Daardoor kan een brandend
gevoel in de neus, de keel en de ogen ont-
Tanken 217
Rijden en parkeren
Z
staan. Hoesten en tranende ogen zijn moge-
lijk.
Adem vrijkomende ammoniakdampen niet in.
De AdBlue®-tank alleen bijvullen in goed
geventileerde ruimtes.
Voorkomen dat AdBlue®met de huid, de ogen
of de kleding in aanraking komt, of dat het
wordt ingeslikt. Kinderen uit de buurt van
AdBlue®houden.
Als u of anderen met AdBlue®in aanraking
zijn geweest, de volgende punten in acht
nemen:
RAdBlue®op de huid direct met overvloedig
water en zeep afspoelen.
RAls AdBlue®met de ogen in aanraking
gekomen is, moet u de ogen direct grondig
met schoon water spoelen. Zo snel moge-
lijk naar een arts gaan.
RAls AdBlue®is ingeslikt, direct de mond
grondig uitspoelen. Rijkelijk water drinken.
Zo snel mogelijk naar een arts gaan.
RMet AdBlue®vervuilde kleren direct wisse-
len.
!Alleen AdBlue®overeenkomstig ISO
22241 gebruiken. Geen additieven aan
AdBlue®toevoegen en AdBlue®niet met
water verdunnen. Daardoor kan de
BlueTec-uitlaatgasnabehandeling defect
raken.
!Om de AdBlue®-tank te vullen moet de
auto horizontaal geparkeerd worden.
Alleen bij een horizontaal geparkeerde auto
kan de AdBlue®-tank zoals bedoeld worden
bijgevuld. Schommelingen bij de vulhoe-
veelheid worden vermeden. Het bijvullen
van een schuin staande auto is niet toege-
staan. Het gevaar van overvullen bestaat,
daardoor kunnen onderdelen van de
BlueTec uitlaatgasnabehandeling worden
beschadigd.
!Oppervlakken, die bij het tanken met
AdBlue®in contact zijn gekomen, direct
met water afspoelen of AdBlue®met een
vochtige doek en koud water verwijderen.
Als AdBlue®reeds is gekristalliseerd, een
spons en koud water gebruiken. AdBlue®-
resten kristalliseren na enige tijd en vervui-
len de betroffen oppervlakken.
!AdBlue®is geen brandstofadditief en mag
niet in de brandstoftank worden gevuld. Als
AdBlue®in de brandstoftank terechtkomt,
kan dit tot motorschade leiden.
De AdBlue®-tank bij een gekwalificeerde
werkplaats weer laten bijvullen. De AdBlue®-
tank kan echter ook:
Rbij een tankstation met AdBlue®-pompzuil
worden bijgevuld
Rmet de AdBlue®-navulflacons worden bij-
gevuld
Rmet een AdBlue®-bijvulcontainer worden
bijgevuld.
Als bij het bijvullen bij een pompzuil het vul-
pistool automatisch uitschakelt, is de
AdBlue®-tank volledig gevuld. De AdBlue®-
tank niet verder vullen. De mogelijkheid
bestaat dat AdBlue®naar buiten stroomt.
Om het vervoeren van aangebroken navulver-
pakkingen in de auto te vermijden, navulfla-
cons of navulcontainers bij het vullen van de
AdBlue®-tank indien mogelijk helemaal leeg-
maken.
Meer informatie over AdBlue®
(Ypagina 496).
AdBlue®-tankdop openen
218 Tanken
Rijden en parkeren
Als de auto wordt geopend of gesloten, wordt
automatisch ook de tankdopklep ont- of ver-
grendeld.
XHet contact uitschakelen.
XIn de richting van de pijl :op tankdopklep
drukken.
De tankdopklep zwenkt open.
XDe blauwe AdBlue®-tankdop ;linksom
draaien en verwijderen.
De AdBlue®-tankdop ;is geborgd met
een kunststof band.
AdBlue®-bijvulcontainer
!De eenwegslang niet te krachtig vastzet-
ten. Anders kan de eenwegslang worden
beschadigd.
XDe dop van de opening bovenop de
AdBlue®-bijvulcontainer ;losdraaien.
XEenwegslang :op de opening van de
AdBlue®-bijvulcontainer ;aanbrengen en
rechtsom handvast vastzetten.
iEenwegslang :blijft gesloten tot een-
wegslang :op de AdBlue®-vulbuis van de
auto wordt bevestigd.
XEenwegslang :op de vulbuis van de auto
plaatsen en rechtsom handvast vastzetten.
Als een weerstand wordt gevoeld, is een-
wegslang :voldoende bevestigd.
XDe AdBlue®-bijvulcontainer ;omhoog-
brengen en kantelen.
iHet vullen stopt, als de AdBlue®-tank vol-
ledig gevuld is. De AdBlue®-tank niet verder
vullen. De AdBlue®-bijvulcontainer ;kan
gedeeltelijk geleegd worden verwijderd.
XEenwegslang :op de vulbuis van de auto
linksom draaien linksom draaien en verwij-
deren.
XEenwegslang :op de opening van de
AdBlue®-bijvulcontainer ;linksom
draaien en verwijderen.
XDe AdBlue®-bijvulcontainer ;weer met
de dop sluiten.
AdBlue®-bijvulcontainers zijn verkrijgbaar bij
talrijke tankstations of een Mercedes-Benz-
servicewerkplaats. Meestal worden AdBlue®-
bijvulcontainers met een vulslang aangebo-
den. Een vulslang zonder vaste sluiting aan de
zijde van de AdBlue®-tank aan voertuigzijde
biedt geen bescherming tegen overvullen. De
mogelijkheid bestaat dat AdBlue®door over-
vulling naar buiten lekt. Mercedes-Benz biedt
een speciale eenwegslang met bescherming
tegen overvullen aan. Deze is verkrijgbaar bij
elke Mercedes-Benz-servicewerkplaats.
AdBlue®wordt in verschillende verpakkingen
en flacons aangeboden. De eenwegslang
alleen gebruiken in combinatie met de
Mercedes-Benz AdBlue®-bijvulcontainer.
AdBlue®-navulflacon
!De AdBlue®navulflacon slechts handvast
aanbrengen. Anders bestaat er kans op
beschadiging.
Tanken 219
Rijden en parkeren
Z
XDe dop van de AdBlue®-navulflacon :los-
draaien.
XDe AdBlue®-navulflacon :zoals afge-
beeld op de vulbuis aanbrengen en
rechtsom met de hand vastdraaien.
XDe AdBlue®-navulflacon :in de richting
van de vulbuis drukken.
De AdBlue®-tank wordt gevuld. Dit kan tot
1 minuut duren.
iAls de AdBlue®-navulflacon :niet meer
wordt ingedrukt, stopt het vullen en kan de
flacon gedeeltelijk leeg worden verwijderd.
XDe AdBlue®-navulflacon :loslaten.
XDe AdBlue®-navulflacon :linksom
draaien en verwijderen.
XDe dop van AdBlue®-navulflacon :weer
aanbrengen.
AdBlue®-navulflacons zijn verkrijgbaar bij tal-
rijke tankstations of een Mercedes-Benz-ser-
vicewerkplaats. Navulflacons zonder schroef-
sluiting bieden geen bescherming tegen over-
vullen. De mogelijkheid bestaat dat AdBlue®
door overvulling naar buiten lekt. Mercedes-
Benz biedt speciale navulflacons met schroef-
sluiting aan. Deze zijn verkrijgbaar bij elke
Mercedes-Benz-servicewerkplaats.
AdBlue®-tankdop sluiten
XDe AdBlue®-tankdop ;op de vulbuis
plaatsen en rechtsom draaien.
XIn de richting van pijl :op de tankdopklep
drukken, om de tankdopklep te sluiten.
XSneller dan 15 km/h rijden.
De melding AdBlue bijvullen zieAdBlue bijvullen zie
handleidinghandleiding verdwijnt na circa 1 minuut.
iAls de melding AdBlueAdBlue bijvullenbijvullen ziezie
handleidinghandleiding nog steeds wordt weergege-
ven op het multifunctioneel display, moet
meer AdBlue®worden bijgevuld.
Parkeren
Belangrijke veiligheidsvoorschriften
GWAARSCHUWING
Als brandbaar materiaal, bijvoorbeeld blade-
ren, gras of takken, met hete delen van het
uitlaatsysteem of de uitlaatgasstroom in aan-
raking komen, kunnen deze materialen vlam
vatten. Er bestaat brandgevaar!
De auto zodanig parkeren, dat er geen brand-
baar materiaal met hete delen van de auto in
aanraking kan komen. In het bijzonder niet op
droge weiden of akkers parkeren.
220 Parkeren
Rijden en parkeren
GWAARSCHUWING
Als kinderen zonder toezicht in de auto wor-
den achtergelaten, kunnen ze de auto in
beweging zetten door bijvoorbeeld:
Rde parkeerrem vrij te zetten
Rde automatische transmissie uit parkeer-
stand Pte schakelen
Rde motor te starten.
Tevens kunnen ze de uitrusting van de auto
bedienen en bekneld raken. Er bestaat gevaar
voor letsel en ongevallen!
Bij het verlaten van de auto altijd de sleutel
meenemen en de auto vergrendelen. Kinde-
ren nooit zonder toezicht in de auto achterla-
ten.
!De auto altijd correct tegen wegrollen
beveiligen. Anders kan de auto of aandrijf-
lijn van de auto worden beschadigd.
Om te waarborgen dat de auto correct tegen
onbedoeld wegrollen beveiligd is:
Rmoet de elektrische parkeerrem bediend
zijn
Rmoet de transmissie in stand Pstaan en de
sleutel verwijderd zijn
Rmoeten op hellingen de voorwielen in de
richting van de stoeprand worden gedraaid
Rmoet de lege auto op hellingen bij de
vooras bijvoorbeeld met een wielkeg of iets
dergelijks beveiligd zijn
Rmoet de beladen auto op hellingen tevens
bij de achteras bijvoorbeeld met een wiel-
keg of iets dergelijks beveiligd zijn.
Motor afzetten
Belangrijke veiligheidsvoorschriften
GWAARSCHUWING
Bij het afzetten van de motor schakelt de
automatische transmissie in neutraalstand
N. De auto kan wegrollen. Er bestaat gevaar
voor ongevallen!
Na het afzetten van de motor altijd parkeer-
stand Pinschakelen. De geparkeerde auto
met de parkeerrem tegen wegrollen beveili-
gen.
Met de sleutel
XDe elektrische parkeerrem inschakelen.
XDe transmissie in stand Pzetten.
XDe sleutel in het contactslot in stand 0
draaien en verwijderen.
De wegrijblokkering is ingeschakeld.
Als de motor wordt afgezet als de automa-
tische transmissie in stand Rof Dstaat,
schakelt de automatische transmissie
automatisch in stand N.
Als vervolgens een voorportier wordt
geopend of de sleutel wordt verwijderd,
schakelt de automatische transmissie
automatisch in stand P.
Als de automatische transmissie voordat
de motor wordt afgezet in stand Nis gezet,
blijft de automatische transmissie in stand
N, ook als een portier wordt geopend.
Met start-stop-toets
XDe elektrische parkeerrem inschakelen.
XDe transmissie in stand Pzetten.
XDe start-stop-toets indrukken
(Ypagina 195).
De motor stopt en alle controlelampjes in
het instrumentenpaneel doven.
Met het bestuurdersportier gesloten komt
dit overeen met sleutelstand 1. Met het
bestuurdersportier geopend komt dit over-
een met sleutelstand 0, "verwijderde sleu-
tel".
Als de motor met de start-stop-toets wordt
afgezet, schakelt de automatische trans-
missie automatisch in stand N. Als vervol-
gens een voorportier wordt geopend, scha-
kelt de automatische transmissie automa-
tisch in stand P.
Parkeren 221
Rijden en parkeren
Z
Als gebruik wordt gemaakt van een was-
straat met automatische doorvoer, kan:
Rhet contact met de start-stop-toets wor-
den ingeschakeld en de transmissie in
stand Nworden gezet
Rde sleutel in het contactslot worden
gestoken, het contact worden ingescha-
keld en de transmissie in stand Nworden
gezet.
Tijdens het rijden kan de motor worden afge-
zet door de start-stop-toets gedurende circa
drie seconden in te drukken. Deze functie
staat niet in verbinding met het automatisch
afzetten van de motor van de ECO start-stop-
functie.
Elektrische parkeerrem
Algemene aanwijzingen
GWAARSCHUWING
Als kinderen zonder toezicht in de auto wor-
den achtergelaten, kunnen ze de auto in
beweging zetten door bijvoorbeeld:
Rde parkeerrem vrij te zetten
Rde automatische transmissie uit parkeer-
stand Pte schakelen
Rde motor te starten.
Tevens kunnen ze de uitrusting van de auto
bedienen en bekneld raken. Er bestaat gevaar
voor letsel en ongevallen!
Bij het verlaten van de auto altijd de sleutel
meenemen en de auto vergrendelen. Kinde-
ren nooit zonder toezicht in de auto achterla-
ten.
De werking van de elektrische parkeerrem is
afhankelijk van de boordnetspanning. Als de
boordnetspanning laag is of als er een storing
in het systeem aanwezig is, kan een vrijge-
zette parkeerrem eventueel niet worden inge-
schakeld.
XIn dit geval de auto uitsluitend op een
vlakke ondergrond parkeren en tegen weg-
rollen beveiligen.
XDe automatische transmissie in stand P
zetten.
Een ingeschakelde parkeerrem kan bij een
lage boordnetspanning of bij een storing in
het systeem eventueel niet worden vrijgezet.
Contact opnemen met een gekwalificeerde
werkplaats.
Met regelmatige intervallen voert de elektri-
sche parkeerrem bij afgezette motor een
functiecontrole uit. De daarbij optredende
geluiden zijn normaal.
Handmatig bedienen/vrijzetten
XBedienen: Op parkeerremgreep :druk-
ken.
Als de elektrische parkeerrem ingescha-
keld is, gaat het rode controle-
lampje !in het instrumentenpaneel
branden.
De elektrische parkeerrem kan ook worden
bediend als de sleutel verwijderd is.
222 Parkeren
Rijden en parkeren
XVrijzetten: Aan parkeerremgreep :trek-
ken.
Het rode controlelampje !in het instru-
mentenpaneel dooft.
De elektrische parkeerrem kan pas worden
vrijgezet:
Rwanneer de sleutel in het contactslot in
stand 1of 2staat of
Rhet contact met de start-stop-toets inge-
schakeld is.
Automatisch bedienen
De elektrische parkeerrem wordt automa-
tisch ingeschakeld, als:
Rde DISTRONIC PLUS de auto tot stilstand
brengt of
Rde HOLD-functie de auto in stilstand op zijn
plaats houdt of
Rde actieve parkeerassistent de auto in stil-
stand op zijn plaats houdt.
Tevens moet aan ten minste een van de vol-
gende voorwaarden voldaan zijn:
RDe motor wordt afgezet.
RDe veiligheidsgordel is niet in het gordelslot
gestoken en het bestuurdersportier is
geopend.
REr treedt een systeemstoring op.
RDe spanningsvoorziening is niet voldoende.
RDe auto staat langere tijd stil.
Het rode controlelampje !in het instru-
mentenpaneel gaat branden.
De elektrische parkeerrem wordt niet auto-
matisch bediend, als de motor door de ECO
start-stop-functie wordt afgezet.
Automatisch vrijzetten
Als aan alle volgende voorwaarden is voldaan,
wordt de elektrische parkeerrem automa-
tisch vrijgezet:
RDe motor draait.
RDe transmissie staat in stand Dof R.
RDe veiligheidsgordel bevindt zich in het gor-
delslot.
REr wordt gas gegeven.
Als de automatische transmissie in stand R
staat, moet de achterklep gesloten zijn.
Als de gordel niet is omgegespt en de elek-
trische parkeerrem automatisch moet wor-
den vrijgezet, moet aan de volgende voor-
waarden voldaan zijn:
RHet bestuurdersportier is gesloten.
REr wordt uit transmissiestand Pgeschakeld
of voorheen is sneller dan 3 km/h gereden.
Erop letten, dat het gaspedaal niet onbedoeld
wordt ingedrukt. Anders wordt de parkeer-
rem vrijgezet en gaat de auto rollen.
Noodstop
In geval van nood kan de auto ook tijdens het
rijden met de elektrische parkeerrem worden
afgeremd.
XTijdens het rijden handgreep :van de
elektrische parkeerrem indrukken
(Ypagina 222).
De auto wordt zo lang afgeremd als de
knop :van de elektrische parkeerrem inge-
drukt wordt gehouden. De auto wordt sterker
afgeremd, naarmate de knop :van de elek-
trische parkeerrem langer ingedrukt wordt
gehouden.
Tijdens het remmen:
Rklinkt een waarschuwingssignaal
Rverschijnt de displaymelding ParkeerremParkeerrem
ontgrendelenontgrendelen
Rknippert het rode controlelampje !in
het instrumentenpaneel.
Als de auto tot stilstand is afgeremd, wordt
vervolgens de elektrische parkeerrem inge-
schakeld.
Auto buiten gebruik stellen
Als de auto langer dan vier weken buiten
gebruik wordt gesteld, kan de accu door vol-
Parkeren 223
Rijden en parkeren
Z
ledige ontlading worden aangetast en in geval
van herhaling beschadigd raken.
XDe accukabels losmaken of op een accu-
conditioneringsapparaat aansluiten.
iInformatie over accuconditioneringsap-
paraten is verkrijgbaar bij een gekwalifi-
ceerde werkplaats.
Als de auto langer dan zes weken buiten
gebruik wordt gesteld, ontstaat schade door
stilstand.
XContact opnemen met een gekwalificeerde
werkplaats en advies vragen.
Auto's met HYBRID technologie: De
"Belangrijke veiligheidsvoorschriften" m.b.t.
de hoogspanningsaccu (Ypagina 441) in
acht nemen.
Rijtips
Algemene rijtips
GWAARSCHUWING
Als het contact tijdens het rijden wordt uitge-
schakeld, zijn de veiligheidsrelevante functies
nog maar beperkt of helemaal niet meer
beschikbaar. Dit betreft bijvoorbeeld de
stuurbekrachtiging en de rembekrachtiging.
Er is dan aanzienlijk meer kracht voor het stu-
ren en remmen vereist. Er bestaat gevaar voor
ongevallen!
Tijdens het rijden niet het contact uitschake-
len.
ECO-weergave
De ECO-weergave laat u weten hoe zuinig uw
rijstijl is. De ECO-weergave helpt u om binnen
de gegeven en gekozen randvoorwaarden
een zuinige rijstijl te bewerkstelligen. U kunt
door uw rijstijl het brandstofverbruik aanzien-
lijk beïnvloeden.
De ECO-weergave bestaat uit drie balken:
Raccelererenaccelereren
Rgelijkmatiggelijkmatig
Ruitrollen.uitrollen.
De procentuele waarde is het gemiddelde van
de drie balkindicaties. De drie balken en de
gemiddelde waarde beginnen bij een waarde
van 50%. Een hogere procentuele waarde
geeft een zuiniger rijstijl aan.
De ECO-weergave zegt niets over het daad-
werkelijke verbruik. Een vaste procentuele
waarde van de ECO-weergave komt niet over-
een met een vaste verbruikswaarde.
Naast de rijstijl wordt het verbruik beïnvloed
door veel andere factoren, zoals:
Rbelading
Rbandenspanning
Rkoude start
Rroutekeuze
Ringeschakelde verbruikers.
Deze factoren worden niet meegenomen in
de ECO-weergave.
De beoordeling van uw rijstijl vindt plaats aan
de hand van de volgende drie categorieën:
224 Rijtips
Rijden en parkeren
Raccelererenaccelereren (evaluatie van alle accelera-
ties)
-De balk loopt vol: Gematigd accelereren,
met name bij hogere snelheden
-De balk loopt leeg: Sportief accelereren
Rgelijkmatiggelijkmatig (evaluatie van het rijgedrag
op elk tijdstip)
-De balk loopt vol: Constante snelheid en
vermijden van onnodige versnellingen en
vertragingen
-De balk loopt leeg: Snelheidswisselingen
Ruitrollenuitrollen (evaluatie van alle vertragin-
gen)
-De balk loopt vol: Anticiperend rijden,
afstand houden en vroegtijdig loslaten
van het gaspedaal. De auto kan uitrollen
zonder te remmen.
-De balk loopt leeg: Frequent remmen
Een zuinige rijstijl betekent in de eerste plaats
het rijden met matige toerentallen.
Om een hogere waarde in de categorieën
accelererenaccelereren en gelijkmatiggelijkmatig te bereiken:
Rde schakeladviezen in acht nemen
Rin schakelprogramma Erijden.
Bij langere rit met constante snelheid, bij-
voorbeeld op de autosnelweg, wijzigt alleen
de balk in de categorie gelijkmatiggelijkmatig.
De ECO-weergave berekent het rijgedrag van
aanvang tot einde van de rit. Daarom wijzigen
de balken bij aanvang van de rit dynamisch.
Bij een langere reistijd treden er minder wij-
zigingen op. Om dynamische wijzigingen te
tonen een handmatige reset uitvoeren.
Meer informatie over de ECO-weergave
(Ypagina 314).
Remmen
Belangrijke veiligheidsvoorschriften
GWAARSCHUWING
Als op een glad wegdek wordt teruggescha-
keld om de remwerking van de motor te ver-
groten, kunnen de aangedreven wielen hun
grip verliezen. Er bestaat verhoogd slipgevaar
en gevaar voor ongevallen!
Op een glad wegdek niet terugschakelen om
de remwerking van de motor te vergroten.
Afdalingen
Bij lange en steile afdalingen moet vroegtijdig
in een lagere versnelling worden geschakeld.
Hier vooral op letten als de auto beladen is en
bij het rijden met een aanhangwagen.
Dit geldt ook als de TEMPOMAAT, SPEED-
TRONIC of DISTRONIC PLUS is ingeschakeld.
U gebruikt zo de remwerking van de motor en
hoeft minder te remmen om de snelheid aan
te houden. Daardoor wordt het remsysteem
ontlast en wordt voorkomen dat de remmen
oververhit raken en te snel slijten.
Hoge en lage belasting
GWAARSCHUWING
Als u tijdens het rijden de voet op het rempe-
daal laat rusten, kan het remsysteem over-
verhit raken. Daardoor wordt de remweg lan-
ger en kan het remsysteem zelfs uitvallen. Er
bestaat gevaar voor ongevallen!
Nooit het rempedaal als voetsteun gebruiken.
Tijdens het rijden niet tegelijkertijd het rem-
en het gaspedaal indrukken.
!Een permanente bediening van het rem-
pedaal veroorzaakt overmatige en voortij-
dige slijtage van de remblokken.
Als de remmen zeer zwaar belast zijn
geweest, de auto niet meteen parkeren. Een
korte tijd verder rijden. De remmen koelen
door de rijwind sneller af.
Als de remmen maar gering worden belast, de
werking hiervan geregeld testen. Daarom,
rekening houdend met de verkeerssituatie,
vanaf hogere snelheid sterk afremmen. De
remmen worden daardoor stroever.
Rijtips 225
Rijden en parkeren
Z
Nat wegdek
Als er bij hevige regen gedurende langere tijd
wordt gereden zonder te remmen, kan het
voorkomen dat de remmen bij de eerste keer
remmen vertraagd aangrijpen. Ook na het
wassen van de auto of het rijden door diep
water kan dit fenomeen optreden.
Het rempedaal moet dan krachtiger worden
ingedrukt. Daarom een grotere afstand tot uw
voorligger aanhouden.
Na het rijden op nat wegdek en na het wassen
van de auto deze, met inachtneming van de
verkeerssituatie voelbaar afremmen. De rem-
schijven worden warm, drogen sneller en wor-
den tegen corrosie beschermd.
Beperkte remwerking op wegen waarop
gestrooid is
Bij het rijden op wegen waarop gestrooid is,
kan zich een zoutlaag op de remschijven en
remblokken vormen. Daardoor kan de rem-
weg aanmerkelijk langer worden.
RRegelmatig, rekening houdend met de ver-
keerssituatie, remmen om een eventuele
zoutlaag te verwijderen.
RBij het einde van de rit en bij aanvang van
de volgende rit voorzichtig het rempedaal
indrukken.
REen bovengemiddeld grote afstand tot het
voor u rijdende verkeer aanhouden.
Nieuwe remschijven en remblokken
Nieuwe of vervangen remblokken en rem-
schijven bereiken pas na enkele honderden
kilometers de optimale remwerking. De ver-
minderde remwerking door krachtiger indruk-
ken van het rempedaal compenseren.
Mercedes-Benz adviseert om veiligheidsrede-
nen alleen de volgende remschijven en rem-
blokken in de auto te laten inbouwen:
Rdoor Mercedes-Benz goedgekeurde rem-
schijven
Rdoor Mercedes-Benz goedgekeurde rem-
blokken of remblokken van dezelfde kwali-
teit.
Andere remschijven of remblokken kunnen
de veiligheid van de auto verminderen.
Remschijven en remblokken altijd per as ver-
vangen. Bij het vervangen van remschijven
altijd nieuwe remblokken gebruiken.
De auto is uitgerust met lichtgewicht rem-
schijven, waar de wielverbinding met de velg
en de wielbevestiging op zijn afgestemd.
Het gebruik van andere dan door Mercedes-
Benz goedgekeurde remschijven kan de
spoorbreedte beïnvloeden, zodat deze even-
tueel afzonderlijk moeten worden goedge-
keurd.
Bij het werken in de directe omgeving van de
remschijven schokbelastingen vermijden, bij-
voorbeeld bij het verwisselen van een wiel,
om te voorkomen dat het comfort bij het rij-
den met lichtgewicht remschijven verslech-
tert. Schokbelastingen van de lichtgewicht
remschijven vermijden, in het bijzonder van
de remring.
Versterkt remsysteem en keramische
remmen AMG
Het versterkt remsysteem is alleen gemon-
teerd bij auto's in AMG-uitvoering.
AMG-remsystemen zijn ontworpen voor hoge
belastingen. Daardoor kunnen er tijdens het
remmen geluiden ontstaan. Deze zijn afhan-
kelijk van:
Rde snelheid
Rremkracht
Romgevingsomstandigheden, zoals tempe-
ratuur en luchtvochtigheid.
De slijtage van de afzonderlijke componenten
van het remsysteem, zoals remblokken of
226 Rijtips
Rijden en parkeren
remschijven, is afhankelijk van de individuele
rijstijl en de gebruiksomstandigheden.
Een algemeen geldende levensduur kan
daarom niet worden opgegeven. Zo is bij een
geforceerde rijstijl de slijtage overeenkom-
stig hoog. Meer informatie hierover is ver-
krijgbaar bij een Mercedes-Benz-service-
werkplaats.
Nieuwe of vervangen remblokken en rem-
schijven bereiken pas na enkele honderden
kilometers de optimale remwerking. De ver-
minderde remwerking door krachtiger indruk-
ken van het rempedaal compenseren. Weest
u zich hiervan bewust en past u uw rij- en
remgedrag tijdens deze inrijperiode overeen-
komstig aan.
Overmatig sterk remmen veroorzaakt een
overeenkomstig hoge remblokslijtage. Het
waarschuwingslampje remblokslijtage in het
instrumentenpaneel en de remmenstatus-
meldingen op het multifunctioneel display in
acht nemen. Vooral bij een zeer sportieve rij-
stijl moet het remsysteem regelmatig worden
gecontroleerd en onderhouden.
Rijden op nat wegdek
Aquaplaning
Vanaf een bepaalde waterhoogte op de weg
kan aquaplaning optreden, ook als:
Rmet een lage snelheid wordt gereden
Rhet profiel van de banden voldoende is.
Daarom bij sterke neerslag of bij omstandig-
heden waarbij aquaplaning optreden kan, als
volgt rijden:
RVoorzichtig de snelheid verlagen.
RDoor spoorvorming ontstane geulen ver-
mijden.
RSnelle stuurbewegingen vermijden.
RVoorzichtig remmen.
Rijden door het water
!Eraan denken dat voorliggers of tegenlig-
gers voor golven kunnen zorgen. Hierdoor
kan de maximaal toegestane waterhoogte
worden overschreden.
Deze aanwijzingen beslist aanhouden.
Anders kan schade optreden aan de motor,
de elektronica en aandrijflijn.
Als er door water op de weg moet worden
gereden, met het volgende rekening houden:
Rbij verhoogd niveau mag de waterhoogte
op de weg bij rustig water maximaal
25 cm bedragen
Rer mag maximaal stapvoets worden gere-
den.
Rijden in de winter
GWAARSCHUWING
Als op een glad wegdek wordt teruggescha-
keld om de remwerking van de motor te ver-
groten, kunnen de aangedreven wielen hun
grip verliezen. Er bestaat verhoogd slipgevaar
en gevaar voor ongevallen!
Op een glad wegdek niet terugschakelen om
de remwerking van de motor te vergroten.
GGEVAAR
Als het uitlaateindstuk geblokkeerd is of als
er onvoldoende ventilatie mogelijk is, kunnen
giftige uitlaatgassen, in het bijzonder koolmo-
noxide, de auto binnendringen. Dat is bijvoor-
beeld het geval als de auto vast komt te zitten
in de sneeuw. Er dreigt levensgevaar!
Als de motor of de interieurvoorverwarming
moeten blijven werken, het uitlaateindstuk en
de directe omgeving van de auto sneeuwvrij
houden. Een zijruit aan de van de wind afge-
keerde zijde van de auto openen om vol-
doende toevoer van buitenlucht te waarbor-
gen.
Voor het begin van de winter bij een gekwa-
lificeerde werkplaats een winterinspectie
laten uitvoeren.
Rijtips 227
Rijden en parkeren
Z
Bij gladheid zeer voorzichtig rijden. Abrupt
accelereren, sturen en remmen vermijden.
De TEMPOMAAT of de DISTRONIC PLUS niet
gebruiken.
Als de auto in een slip dreigt te raken of als u
bij lage snelheid niet kunt stoppen:
XDe transmissie in stand Nzetten.
XDe auto door stuurcorrecties onder con-
trole proberen te houden.
De buitentemperatuurmeter is niet bedoeld
als ijswaarschuwing en daarom ook niet
geschikt voor dit doel. Een veranderde bui-
tentemperatuur wordt vertraagd weergege-
ven.
Een weergegeven temperatuur iets boven het
vriespunt is geen garantie dat het wegdek vrij
van ijs is. Er kan zich desondanks ijs op het
wegdek hebben gevormd, in het bijzonder in
bosrijk gebied of op bruggen.
Zodra de temperatuur het vriespunt nadert,
moet bijzondere aandacht aan de staat van
het wegdek worden gegeven.
Meer informatie over het rijden met een
sneeuwkettingen (Ypagina 459).
Meer informatie over het rijden met zomer-
banden (Ypagina 458).
De aanwijzingen in het hoofdstuk "Gebruik in
de winter" (Ypagina 458) in acht nemen.
Rijsystemen
Mercedes-Benz Intelligent Drive
Mercedes-Benz Intelligent Drive staat voor
innovatieve bestuurdersassistentie- en veilig-
heidssystemen, die het comfort verhogen en
de bestuurder in kritische situaties onder-
steunen. Met deze intelligent op elkaar afge-
stemde systemen vestigt Mercedes-Benz een
mijlpaal op de weg naar autonoom rijden.
Mercedes-Benz Intelligent Drive voegt alle
elementen van de actieve en passieve veilig-
heid samen in één goed doordacht systeem -
voor de veiligheid van de inzittenden en de
overige verkeersdeelnemers.
Meer informatie over rijveiligheidssystemen
(Ypagina 79).
TEMPOMAAT
Belangrijke veiligheidsvoorschriften
De TEMPOMAAT zorgt ervoor dat een con-
stante snelheid wordt aangehouden. Het sys-
teem remt zelfstandig, om de ingestelde snel-
heid niet te overschrijden. Bij lange en steile
afdalingen moet vroegtijdig in een lagere ver-
snelling worden geschakeld. Hier vooral op
letten als de auto beladen is en bij het rijden
met een aanhangwagen. Zo wordt gebruikge-
maakt van de remwerking van de motor.
Daardoor wordt het remsysteem ontlast en
wordt voorkomen dat de remmen oververhit
raken en te snel slijten.
De TEMPOMAAT alleen gebruiken als u lan-
gere tijd met een constante snelheid kunt rij-
den. Elke snelheid boven 30 km/h kan wor-
den ingesteld.
De TEMPOMAAT kan het gevaar voor onge-
vallen van een niet aangepaste rijstijl niet ver-
minderen en de natuurkundige grenzen niet
verleggen. De TEMPOMAAT kan geen reke-
ning houden met de verkeers- en weersom-
standigheden en de verkeerssituatie. De
TEMPOMAAT is slechts een hulpmiddel. De
bestuurder is zelf verantwoordelijk voor de
veilige afstand, de gereden snelheid, het tijdig
remmen en het aanhouden van de rijstrook.
De TEMPOMAAT niet gebruiken:
Rin verkeerssituaties die het rijden met con-
stante snelheid niet toestaan, bijvoorbeeld
druk verkeer, wegen met veel bochten
Rop gladde of glibberige wegen. De aange-
dreven wielen kunnen door remmen of
accelereren hun grip verliezen en de auto
kan in een slip raken
Rbij slecht zicht, bijvoorbeeld door mist,
hevige regen of sneeuw.
Bij het wisselen van bestuurder attenderen op
de opgeslagen snelheid.
228 Rijsystemen
Rijden en parkeren
TEMPOMAAT-hendel
:Actuele of hogere snelheid opslaan
;LIM-controlelampje
=Laatst opgeslagen snelheid oproepen
?Actuele of lagere snelheid opslaan
AOmschakelen tussen de TEMPOMAAT en
de variabele SPEEDTRONIC
BTEMPOMAAT uitschakelen
Met de TEMPOMAAT-hendel worden de TEM-
POMAAT en de variabele SPEEDTRONIC
bediend.
Het LIM-controlelampje in de TEMPOMAAT-
hendel geeft aan welk systeem is geselec-
teerd:
RLIM-controlelampje gedoofd: De TEMPO-
MAAT is geselecteerd.
RLIM-controlelampje brandt: De variabele
SPEEDTRONIC is geselecteerd.
Als de TEMPOMAAT wordt ingeschakeld,
wordt de opgeslagen snelheid gedurende
circa vijf seconden op het multifunctioneel
display weergegeven. Bovendien wordt een
driehoek in de snelheidsmeter weergegeven.
De snelheidsmeterring brandt tussen de inge-
stelde snelheid en de topsnelheid.
TEMPOMAAT selecteren
XControleren of LIM-controlelampje :
gedoofd is.
Zo ja, dan is de TEMPOMAAT al geselec-
teerd.
Zo nee, de TEMPOMAAT-hendel in de rich-
ting van pijl ;drukken.
LIM-controlelampje :in de TEMPOMAAT-
hendel is gedoofd. De TEMPOMAAT is
geselecteerd.
Actuele snelheid opslaan en vasthou-
den
De snelheid kan worden opgeslagen, als snel-
ler dan 30 km/h wordt gereden.
XDe auto op de gewenste snelheid brengen.
XDe TEMPOMAAT-hendel kort omhoog :of
kort omlaag ;aantippen.
XDe voet van het gaspedaal nemen.
De TEMPOMAAT is ingeschakeld. De auto
rijdt automatisch met de opgeslagen snel-
heid.
Rijsystemen 229
Rijden en parkeren
Z
iOp een helling kan het voorkomen dat de
TEMPOMAAT de snelheid niet kan aanhou-
den. Na het einde van de helling wordt de
opgeslagen snelheid weer aangehouden.
Tijdens een afdaling houdt de TEMPOMAAT
de snelheid aan door automatisch te rem-
men.
Laatst opgeslagen snelheid oproepen
GWAARSCHUWING
Als de opgeslagen snelheid wordt opgeroe-
pen en de actuele snelheid hoger is, remt de
auto af. Als de opgeslagen snelheid niet
bekend is, kan de auto onverwacht remmen.
Er bestaat gevaar voor ongevallen!
De verkeerssituatie in acht nemen voordat de
opgeslagen snelheid wordt opgeroepen. Als
de opgeslagen snelheid niet bekend is, de
gewenste snelheid nieuw invoeren.
XDe TEMPOMAAT-hendel kort naar u toe
trekken :.
XDe voet van het gaspedaal nemen.
De TEMPOMAAT is ingeschakeld en houdt
bij de eerste activering de actuele snelheid
aan of stelt de snelheid in die het laatst
opgeslagen is.
Snelheid instellen
Het kan eventjes duren tot de auto tot de
ingestelde snelheid accelereert of afremt.
XDe TEMPOMAAT-hendel omhoog :druk-
ken voor een hogere snelheid of
omlaag ;voor een lagere snelheid.
XDe TEMPOMAAT-hendel zo lang ingedrukt
houden, tot de gewenste snelheid is
bereikt.
XDe TEMPOMAAT-hendel loslaten.
De nieuwe snelheid is nu opgeslagen.
XInstelling in stappen van 1 km/h: De
TEMPOMAAT-hendel tot het drukpunt kort
omhoog :of omlaag ;aantippen.
De laatst opgeslagen snelheid wordt in
stappen van 1 km/h verhoogd of verlaagd.
XInstelling in stappen van 10 km/h: De
TEMPOMAAT-hendel tot voorbij het druk-
punt kort omhoog- :of kort omlaagdruk-
ken ;.
De laatst opgeslagen snelheid wordt in
stappen van 10 km/h verhoogd of ver-
laagd.
iDoor gas te geven wordt de TEMPOMAAT
niet uitgeschakeld. Als bij het inhalen kort
gas wordt gegeven, stelt de TEMPOMAAT
na afloop weer de laatst opgeslagen snel-
heid in.
230 Rijsystemen
Rijden en parkeren
TEMPOMAAT uitschakelen
De TEMPOMAAT kan op meerdere manieren
worden uitgeschakeld:
XDe TEMPOMAAT-hendel kort naar voren
=aantippen.
of
XRemmen.
of
XDe TEMPOMAAT-hendel kort in de richting
van pijl ;drukken.
De variabele SPEEDTRONIC is geselec-
teerd. LIM-controlelampje :in de TEM-
POMAAT-hendel brandt.
De TEMPOMAAT wordt automatisch uitge-
schakeld als:
Rde elektrische parkeerrem wordt ingescha-
keld
Rlangzamer dan 30 km/h wordt gereden
Rhet ESP®regelt of het ESP®wordt uitge-
schakeld
Rde transmissie tijdens het rijden in stand
Nwordt gezet.
Als de TEMPOMAAT wordt uitgeschakeld
klinkt er een waarschuwingssignaal. Op het
multifunctioneel display verschijnt gedu-
rende circa 5 seconden de melding TEMPO‐TEMPO‐
MAT UitMAT Uit.
iAls de motor wordt afgezet, wordt de
laatst opgeslagen snelheid gewist.
SPEEDTRONIC
Belangrijke veiligheidsvoorschriften
De SPEEDTRONIC remt automatisch, opdat
de ingestelde snelheid niet wordt overschre-
den. Bij lange en steile afdalingen moet vroeg-
tijdig in een lagere versnelling worden
geschakeld. Hier vooral op letten als de auto
beladen is. Zo wordt gebruikgemaakt van de
remwerking van de motor. Daardoor wordt
het remsysteem ontlast en wordt voorkomen
dat de remmen oververhit raken en te snel
slijten.
De SPEEDTRONIC kan het gevaar voor onge-
vallen van een niet aangepaste rijstijl niet ver-
minderen en de natuurkundige grenzen niet
verleggen. De SPEEDTRONIC kan geen reke-
ning houden met de verkeers- en weersom-
standigheden en de verkeerssituatie. De
SPEEDTRONIC is slechts een hulpmiddel. De
bestuurder is zelf verantwoordelijk voor de
veilige afstand, de gereden snelheid, het tijdig
remmen en het aanhouden van de rijstrook.
Bij het wisselen van bestuurder attenderen op
de opgeslagen snelheid.
Variabele SPEEDTRONIC
Algemene aanwijzingen
:Actuele of hogere snelheid opslaan
;LIM-controlelampje
=Actuele snelheid opslaan of de als laatste
opgeslagen snelheid oproepen
?Actuele of lagere snelheid opslaan
Rijsystemen 231
Rijden en parkeren
Z
AOmschakelen tussen de TEMPOMAAT, de
DISTRONIC PLUS en de variabele SPEED-
TRONIC
BVariabele SPEEDTRONIC uitschakelen
Met de TEMPOMAAT-hendel worden de TEM-
POMAAT of de DISTRONIC PLUS en de varia-
bele SPEEDTRONIC bediend.
Het LIM-controlelampje in de TEMPOMAAT-
hendel geeft aan welk systeem is geselec-
teerd:
RLIM-controlelampje gedoofd: De TEMPO-
MAAT of de DISTRONIC PLUS is geselec-
teerd.
RLIM-controlelampje brandt: De variabele
SPEEDTRONIC is geselecteerd.
Bij draaiende motor kan met de TEMPOMAAT-
hendel elke snelheid vanaf 30 km/h worden
ingesteld.
Variabele SPEEDTRONIC selecteren
Bij het wisselen van bestuurder moet de
nieuwe bestuurder op de opgeslagen snel-
heidsbegrenzing worden geattendeerd.
XControleren of LIM-controlelampje :
brandt.
Zo ja, dan is de variabele SPEEDTRONIC al
ingeschakeld.
Zo nee, de TEMPOMAAT-hendel in de rich-
ting van pijl ;drukken.
LIM-controlelampje :in de TEMPOMAAT-
hendel brandt. De variabele SPEEDTRONIC
is geselecteerd.
Actuele snelheid opslaan
Bij draaiende motor kan met de TEMPOMAAT-
hendel elke snelheid vanaf 30 km/h worden
ingesteld.
XDe TEMPOMAAT-hendel kort omhoog :of
kort omlaag ;aantippen.
De actuele snelheid wordt opgeslagen en
wordt als snelheidsbegrenzing op het mul-
tifunctioneel display weergegeven.
De snelheidsmeterring brandt van het
begin van de schaalverdeling tot de opge-
slagen snelheid.
Actuele snelheid opslaan of de als laatste
opgeslagen snelheid oproepen
GWAARSCHUWING
Als de opgeslagen snelheid wordt opgeroe-
pen en de actuele snelheid hoger is, remt de
auto af. Als de opgeslagen snelheid niet
bekend is, kan de auto onverwacht remmen.
Er bestaat gevaar voor ongevallen!
De verkeerssituatie in acht nemen voordat de
opgeslagen snelheid wordt opgeroepen. Als
de opgeslagen snelheid niet bekend is, de
gewenste snelheid nieuw invoeren.
232 Rijsystemen
Rijden en parkeren
XDe TEMPOMAAT-hendel kort naar u toe
trekken :.
Snelheid instellen
XInstelling in stappen van 10 km/h: De
TEMPOMAAT-hendel tot voorbij het druk-
punt kort omhoog :voor een hogere snel-
heid of kort omlaag ;een lagere snelheid
drukken.
of
XDe TEMPOMAAT-hendel zo lang over het
drukpunt drukken en ingedrukt houden, tot
de gewenste snelheid is ingesteld.
Omhoog :voor een hogere snelheid of
omlaag ;voor een lagere snelheid.
XInstelling in stappen van 1 km/h: De
TEMPOMAAT-hendel tot het drukpunt kort
omhoog :voor een hogere snelheid of
kort omlaag ;een lagere snelheid aantip-
pen.
of
XDe TEMPOMAAT-hendel zo lang tot het
drukpunt ingedrukt houden, tot de gewen-
ste snelheid is ingesteld. Omhoog :voor
een hogere snelheid of omlaag ;voor een
lagere snelheid.
SPEEDTRONIC passief schakelen
Wanneer het gaspedaal tot voorbij het druk-
punt wordt ingedrukt (kickdown), wordt de
SPEEDTRONIC passief geschakeld. Op het
multifunctioneel display verschijnt de mel-
ding SPEEDTRONIC passiefSPEEDTRONIC passief.
Zo kan de opgeslagen snelheid worden over-
schreden. De SPEEDTRONIC wordt weer
geactiveerd, als:
Rzonder kickdown langzamer wordt gereden
dan de opgeslagen snelheid
Reen nieuwe snelheid wordt ingesteld of
Rde laatst opgeslagen snelheid opnieuw
wordt opgeroepen.
Op het multifunctioneel display dooft de mel-
ding SPEEDTRONIC passiefSPEEDTRONIC passief.
Variabele SPEEDTRONIC uitschakelen
De variabele SPEEDTRONIC kan niet door
remmen worden uitgeschakeld.
De variabele SPEEDTRONIC kan op meerdere
manieren worden uitgeschakeld
XDe TEMPOMAAT-hendel kort naar voren
=aantippen.
of
XDe TEMPOMAAT-hendel kort in de richting
van pijl ;drukken.
LIM-controlelampje :in de TEMPOMAAT-
hendel dooft. De variabele SPEEDTRONIC
is uitgeschakeld.
Rijsystemen 233
Rijden en parkeren
Z
De TEMPOMAAT of de DISTRONIC PLUS is
geselecteerd.
iAls de motor wordt afgezet, wordt de
laatst opgeslagen snelheid gewist.
Permanente SPEEDTRONIC
Met de boordcomputer kan de snelheid per-
manent op een waarde tussen 160 km/h (bij-
voorbeeld voor het rijden met winterbanden)
en de topsnelheid worden begrensd
(Ypagina 327).
Kort voor het bereiken van de opgeslagen
snelheid verschijnt deze op het multifunctio-
neel display.
De permanente SPEEDTRONIC blijft ook bij
uitgeschakelde variabele SPEEDTRONIC
actief.
De opgeslagen snelheidsbegrenzing kan niet
worden overschreden, ook niet als het gas-
pedaal tot voorbij het drukpunt wordt inge-
drukt (kickdown).
DISTRONIC PLUS
Algemene aanwijzingen
De DISTRONIC PLUS regelt de snelheid en
ondersteunt de bestuurder bij het constant
houden van de afstand tot een voorligger. De
detectie van de voertuigen gebeurt met
behulp van de radarsensoren. De DISTRONIC
PLUS remt zelfstandig, om de ingestelde snel-
heid niet te overschrijden.
Bij lange en steile afdalingen moet vroegtijdig
in een lagere versnelling worden geschakeld.
Hier vooral op letten als de auto beladen is.
Zo wordt gebruikgemaakt van de remwerking
van de motor. Daardoor wordt het remsys-
teem ontlast en wordt voorkomen dat de rem-
men oververhit raken en te snel slijten.
Als de DISTRONIC PLUS een gevaar van een
aanrijding heeft herkend, wordt u optisch en
akoestisch gewaarschuwd. Zonder ingrijpen
van u kan de DISTRONIC PLUS een aanrijding
niet voorkomen. In deze situatie klinkt een
onderbroken waarschuwingssignaal en gaat
afstandswaarschuwingslampje in het instru-
mentenpaneel branden. Direct remmen, om
de afstand tot de voorligger te vergroten, of
het obstakel ontwijken, als dit zonder gevaar
mogelijk is.
De DISTRONIC PLUS werkt in het snelheids-
bereik tussen 0 km/h en 200 km/h.
De DISTRONIC PLUS niet gebruiken als er op
steile hellingen wordt gereden.
Belangrijke veiligheidsvoorschriften
GWAARSCHUWING
De DISTRONIC PLUS reageert niet op:
Rpersonen of dieren
Rstilstaande obstakels op de weg, bijvoor-
beeld wachtende of geparkeerde auto's
Rtegemoetkomend verkeer en kruisend ver-
keer.
Daardoor kan de DISTRONIC PLUS in deze
situaties niet waarschuwen of ingrijpen. Er
bestaat gevaar voor ongevallen!
De verkeerssituatie altijd opmerkzaam in acht
nemen en gereed zijn om te remmen.
GWAARSCHUWING
De DISTRONIC PLUS kan andere verkeers-
deelnemers en complexe verkeerssituaties
niet altijd ondubbelzinnig herkennen.
In deze gevallen kan de DISTRONIC PLUS:
Ronbedoeld waarschuwen en de auto afrem-
men
Rniet waarschuwen of ingrijpen
Ronverwacht accelereren.
Er bestaat gevaar voor ongevallen!
Oplettend verder rijden en gereed zijn om te
remmen, in het bijzonder als de DISTRONIC
PLUS waarschuwt.
GWAARSCHUWING
De DISTRONIC PLUS remt de auto met maxi-
maal 50% van de maximaal mogelijke vertra-
ging af. Wanneer deze vertraging niet vol-
234 Rijsystemen
Rijden en parkeren
doende is, waarschuwt de DISTRONIC PLUS
u optisch en akoestisch. Er bestaat gevaar
voor ongevallen!
In degelijke gevallen zelf remmen en proberen
uit te wijken.
!Wanneer de DISTRONIC PLUS of de
HOLD-functie ingeschakeld zijn, remt de
auto in bepaalde situaties automatisch. Om
schade aan de auto te vermijden de
DISTRONIC PLUS en de HOLD-functie in de
volgende of vergelijkbare situaties uitscha-
kelen:
Rbij het slepen
Rin de wasstraat.
De DISTRONIC PLUS kan het gevaar voor
ongevallen van een niet aangepaste rijstijl
niet verminderen en de natuurkundige gren-
zen niet verleggen. De DISTRONIC PLUS kan
geen rekening houden met de verkeers- en
weersomstandigheden en de verkeerssitua-
tie. De DISTRONIC PLUS is slechts een hulp-
middel. De bestuurder is zelf verantwoorde-
lijk voor de veilige afstand, de gereden snel-
heid, het tijdig remmen en het aanhouden van
de rijstrook.
De DISTRONIC PLUS niet gebruiken:
Rin verkeerssituaties die het rijden met con-
stante snelheid niet toestaan, bijvoorbeeld
druk verkeer, wegen met veel bochten
Rop gladde of glibberige wegen. De aange-
dreven wielen kunnen door remmen of
accelereren hun grip verliezen en de auto
kan in een slip raken
Rbij slecht zicht, bijvoorbeeld door mist,
hevige regen of sneeuw.
De DISTRONIC PLUS herkent mogelijk smalle
voorliggers niet, bijvoorbeeld motorfietsen en
voertuigen die niet recht voor de auto rijden.
De herkenning kan vooral beperkt zijn bij:
Rvervuilde of afgedekte sensoren
Rsneeuw of zware regenval
Rstoring door anderen radarbronnen
Rsterke radarreflectie, bijvoorbeeld in par-
keergarages.
Als de DISTRONIC PLUS een voorligger niet
meer herkent, kan de DISTRONIC PLUS
onverwacht naar de opgeslagen snelheid
accelereren.
Deze snelheid kan:
Rop een voorsorteerstrook of een afbuig-
strook te hoog zijn
Rop de rechter rijstrook zo hoog zijn, dat
voertuigen op de linker rijstrook worden
ingehaald (landen met rechtsrijdend ver-
keer)
Rop de linker rijstrook zo hoog zijn, dat voer-
tuigen op de rechter rijstrook worden inge-
haald (landen met linksrijdend verkeer).
Bij het wisselen van bestuurder attenderen op
de opgeslagen snelheid.
TEMPOMAAT-hendel
:Inschakelen of snelheid verhogen
;Normafstand instellen
=LIM-controlelampje
?Inschakelen met actuele of laatst opge-
slagen snelheid
AInschakelen of snelheid verlagen
BOmschakelen tussen de DISTRONIC
PLUS en de variabele SPEEDTRONIC
CDISTRONIC PLUS uitschakelen
Met de TEMPOMAAT-hendel worden de
DISTRONIC PLUS en de variabele SPEEDTRO-
NIC bediend.
Rijsystemen 235
Rijden en parkeren
Z
Het LIM-controlelampje =in de TEMPO-
MAAT-hendel geeft aan welke functie is gese-
lecteerd:
RLIM-controlelampje ==gedoofd: De
DISTRONIC PLUS is geselecteerd.
RLIM-controlelampje ==brandt: De varia-
bele SPEEDTRONIC is geselecteerd.
DISTRONIC PLUS selecteren
XControleren of LIM-controlelampje :
gedoofd is.
Zo ja, dan is de DISTRONIC PLUS al gese-
lecteerd.
Zo nee, de TEMPOMAAT-hendel in de rich-
ting van pijl ;drukken.
LIM-controlelampje :in de TEMPOMAAT-
hendel is gedoofd. De DISTRONIC PLUS is
geselecteerd.
DISTRONIC PLUS inschakelen
Inschakelvoorwaarden
Om de DISTRONIC PLUS te kunnen inscha-
kelen moet aan alle volgende voorwaarden
zijn voldaan:
RDe motor moet gestart zijn. Eventueel kan
het tot twee minuten na het wegrijden
duren, voor de DISTRONIC PLUS bedrijfs-
klaar is.
RDe elektrische parkeerrem moet zijn vrij-
gezet.
RHet ESP®moet ingeschakeld zijn, maar
mag niet regelen.
RDe actieve parkeerassistent mag niet inge-
schakeld zijn.
RDe transmissie moet in stand Dstaan.
RHet bestuurdersportier moet gesloten zijn
als van stand Pnaar Dwordt geschakeld of
u moet de veiligheidsgordel omgespen.
RHet passagiersportier en de achterportie-
ren moeten gesloten zijn.
RDe functie DISTRONIC PLUS moet geselec-
teerd zijn met de TEMPOMAAT-hendel
(Ypagina 236).
Inschakelen
XDe TEMPOMAAT-hendel kort naar u toe
trekken ;, omhoog :of omlaag =aan-
tippen.
De DISTRONIC PLUS is ingeschakeld.
XDe TEMPOMAAT-hendel zo vaak naar
boven :of naar beneden =drukken, tot
de gewenste snelheid is ingesteld.
XDe voet van het gaspedaal nemen.
De auto past de snelheid aan bij die van de
voorligger, tot maximaal de gewenste en
opgeslagen snelheid.
iAls het gaspedaal niet volledig wordt los-
gelaten, verschijnt op het multifunctioneel
display de melding DISTRONICDISTRONIC PLUSPLUS pas‐pas‐
siefsief. De afstand tot een voorligger wordt
dan niet ingesteld. Er wordt gereden met
de snelheid die u met de stand van het gas-
pedaal aangeeft.
De DISTRONIC PLUS kan ook worden inge-
schakeld als de auto stilstaat. De laagst
instelbare snelheid bedraagt 30 km/h.
236 Rijsystemen
Rijden en parkeren
XDe TEMPOMAAT-hendel kort naar u toe
trekken ;, omhoog :of omlaag =aan-
tippen.
De DISTRONIC PLUS is ingeschakeld.
Inschakelen met actuele of laatst opge-
slagen snelheid
GWAARSCHUWING
Als de opgeslagen snelheid wordt opgeroe-
pen en deze afwijkt van de actuele snelheid,
accelereert of remt het voertuig. Als de opge-
slagen snelheid wordt opgeroepen terwijl
deze niet bekend is, kan het voertuig onver-
wacht accelereren of afremmen. Er bestaat
gevaar voor ongevallen!
De verkeerssituatie in acht nemen, voordat de
opgeslagen snelheid wordt opgeroepen. Als
de opgeslagen snelheid niet bekend is, de
gewenste snelheid opnieuw opslaan.
XDe TEMPOMAAT-hendel kort naar u toe
trekken :.
XDe voet van het gaspedaal nemen.
De DISTRONIC PLUS is ingeschakeld en
houdt bij de eerste activering de actuele
snelheid aan of stelt de snelheid in die het
laatst opgeslagen is.
Met DISTRONIC PLUS rijden
Wegrijden en rijden
XWegrijden met behulp van de
DISTRONIC PLUS: De voet van het rem-
pedaal nemen.
XDe TEMPOMAAT-hendel kort naar u toe
trekken :
of
XKort gas geven.
De auto rijdt weg en past de snelheid aan
de voorligger aan. Als er geen voorligger
wordt herkend, versnelt de auto naar de
opgeslagen snelheid.
iDe auto kan ook wegrijden, als deze voor
een niet herkend obstakel of schuin ten
opzichte van een andere auto staat. De
auto remt in dat geval niet zelfstandig. Er
bestaat gevaar voor ongevallen. Zorg dat u
altijd klaar bent om te remmen.
Als er geen voorliggers zijn, werkt de
DISTRONIC PLUS op dezelfde wijze als de
TEMPOMAAT.
Als de DISTRONIC PLUS herkent dat de voor-
ligger langzamer rijdt, wordt de eigen auto
afgeremd. Zo wordt de door u gekozen
afstand aangehouden.
Als de DISTRONIC PLUS herkent dat de voor-
ligger sneller rijdt, wordt de auto geaccele-
reerd. Daarbij wordt de auto maximaal tot de
door u opgeslagen snelheid geaccelereerd.
Rijsystemen 237
Rijden en parkeren
Z
Schakelprogramma kiezen
De DISTRONIC PLUS ondersteunt een spor-
tieve rijstijl als het rijprogramma Sis gese-
lecteerd (Ypagina 208). Het accelereren ach-
ter een voorligger of naar de opgeslagen snel-
heid gebeurt dan merkbaar dynamischer. Als
het rijprogramma Eis geselecteerd, accele-
reert de auto rustiger. Deze instelling wordt
geadviseerd voor stop-and-go-verkeer.
Veranderen van rijstrook
Wanneer u naar de inhaalstrook wilt wisselen,
ondersteunt de DISTRONIC PLUS u daarbij
wanneer:
Rsneller dan 70 km/h wordt gereden
Rde betreffende richtingaanwijzer is inge-
schakeld
Rde DISTRONIC PLUS op dat moment geen
aanrijdingsgevaar herkent.
Wordt aan deze voorwaarden voldaan, dan
accelereert de auto. De acceleratie wordt
afgebroken, wanneer het veranderen van rij-
strook te lang duurt of de afstand tot de voor-
ligger te kort wordt.
iBij het veranderen van rijstrook bewaakt
de DISTRONIC PLUS bij een auto met links
stuur de linker rijstrook, bij een auto met
rechts stuur de rechter rijstrook.
Verkeerssituaties
iDe volgende functie is niet in alle landen
ingeschakeld.
De DISTRONIC PLUS gebruikt extra informa-
tie van uw navigatiesysteem en kan zo op
bepaalde verkeerssituaties aangepast reage-
ren. Dit is het geval wanneer u met
DISTRONIC PLUS achter een andere auto:
Reen rotonde nadert of hierover rijdt
Reen T-kruising nadert
Rop een afrit van een snelweg rijdt.
Ook wanneer de voorligger de detectieaf-
stand verlaat, behoudt de DISTRONIC PLUS
de actueel gereden snelheid tijdelijk vast en
accelereert niet. Voorwaarde hiervoor is dat
het kaartmateriaal van het navigatiesysteem
actueel is.
Daarna accelereert de auto weer tot de door
u ingestelde snelheid.
Het systeem houdt er rekening mee, dat
boven een snelheid van 80 km/h rechts inha-
len op autosnelwegen of autowegen niet is
toegestaan. De rijsnelheid wordt aangepast
aan de snelheid van de rij voertuigen op de
naastgelegen linker rijstrook.
iHet voorkomen dat rechts wordt inge-
haald geldt voor landen met rechtsrijdend
verkeer. In landen met linksrijdend verkeer
wordt overeenkomstig daaraan links inha-
len voorkomen.
Stoppen
GWAARSCHUWING
Als u de auto verlaat terwijl deze alleen door
de DISTRONIC PLUS wordt afgeremd, kan
deze wegrollen als:
Reen storing in het systeem of in de span-
ningsvoorziening optreedt
Rde DISTRONIC PLUS met de TEMPOMAAT-
hendel wordt uitgeschakeld, bijvoorbeeld
door een inzittende of van buiten de auto
Rer werkzaamheden aan de elektrische
installatie in de motorruimte, aan de accu
of aan de zekeringen worden uitgevoerd
Rde accukabels worden losgemaakt
Rgas wordt gegeven, bijvoorbeeld door een
inzittende.
238 Rijsystemen
Rijden en parkeren
Er bestaat gevaar voor ongevallen!
De DISTRONIC PLUS altijd uitschakelen en de
auto tegen wegrollen beveiligen, voordat de
auto wordt verlaten.
Meer informatie over uitschakelen van de
DISTRONIC PLUS (Ypagina 241).
Als de DISTRONIC PLUS herkent dat de voor-
ligger stopt, remt de eigen auto af tot stil-
stand.
Als de auto stilstaat, blijft deze stilstaan zon-
der dat de rem hoeft te worden ingedrukt.
Na enige tijd wordt de elektrische parkeerrem
van de auto ingeschakeld om de remmen te
ontlasten.
De auto komt afhankelijk van de instelling van
de normafstand op een passende afstand van
de voorligger tot stilstand. De normafstand
wordt ingesteld via de draaiknop in de TEM-
POMAAT-hendel.
De elektrische parkeerrem zet de auto auto-
matisch vast, wanneer bij ingeschakelde
DISTRONIC PLUS:
Rde veiligheidsgordel is losgemaakt en het
bestuurdersportier geopend is
Rde motor wordt afgezet, behalve als deze
door de ECO start-stop-functie wordt afge-
zet
Reen systeemstoring optreedt
Rde spanningsvoorziening niet voldoende is.
Bij een storing kan bovendien de transmissie
automatisch in stand Pworden gezet.
Snelheid instellen
XDe TEMPOMAAT-hendel omhoog :druk-
ken voor een hogere snelheid of
omlaag ;voor een lagere snelheid.
XDe TEMPOMAAT-hendel zo lang ingedrukt
houden, tot de gewenste snelheid is
bereikt.
XDe TEMPOMAAT-hendel loslaten.
De nieuwe snelheid is nu opgeslagen. De
DISTRONIC PLUS is ingeschakeld en stelt
de nieuwe snelheid in.
XInstelling in stappen van 1 km/h: De
TEMPOMAAT-hendel tot het drukpunt kort
omhoog :of kort omlaag ;aantippen.
De laatst opgeslagen snelheid wordt in
stappen van 1 km/h verhoogd of verlaagd.
XInstelling in stappen van 10 km/h: De
TEMPOMAAT-hendel tot voorbij het druk-
punt kort omhoog- :of kort omlaagdruk-
ken ;.
De laatst opgeslagen snelheid wordt in
stappen van 10 km/h verhoogd of ver-
laagd.
iAls bij het inhalen kort gas wordt gegeven,
stelt de DISTRONIC PLUS na afloop weer
de laatst opgeslagen snelheid in.
Normafstand instellen
De normafstand voor de DISTRONIC PLUS
kan worden ingesteld door de tijd tussen 1 en
2 seconden te variëren. Hiermee wordt de
afstand ingesteld die de DISTRONIC PLUS
afhankelijk van de gereden snelheid ten
opzichte van de voorligger moet aanhouden.
De afstand kan op het multifunctioneel dis-
play worden afgelezen (Ypagina 240).
iDe wettelijk bepaalde minimumafstand
tot de voorligger moet worden aangehou-
den; dit controleren. De afstand tot de voor-
ligger zo nodig aanpassen.
Rijsystemen 239
Rijden en parkeren
Z
XVergroten: Draaiknop ;in richting =
draaien.
De DISTRONIC PLUS houdt een grotere
afstand ten opzichte van de voorligger aan.
XVerkleinen: Draaiknop ;in richting :
draaien.
De DISTRONIC PLUS houdt een kleinere
afstand ten opzichte van de voorligger aan.
DISTRONIC PLUS-meldingen in het
instrumentenpaneel
Meldingen in de snelheidsmeter
Als de DISTRONIC PLUS wordt ingeschakeld,
geeft driehoek ;de opgeslagen snelheid
aan.
Als de DISTRONIC PLUS een voorligger her-
kent, gaan de segmenten van de snelheid van
de voorligger :tot aan de opgeslagen snel-
heid ;branden. Wanneer een voorligger op
de inhaalstrook wordt herkend, gaan de seg-
menten eveneens branden.
iDe in de snelheidsmeter aangegeven
snelheid kan door de constructie in geringe
mate afwijken van de via de DISTRONIC
PLUS opgeslagen snelheid.
Weergave bij uitgeschakelde DISTRONIC
PLUS
:Voorligger, zodra herkend
;Afstandsschaal, actuele afstand ten
opzichte van voorligger
=Normafstand ten opzichte van voorligger,
instelbaar
?Eigen auto
In het menu Assistentieweergave
(Ypagina 322) van de boordcomputer kan de
assistentieweergave worden geselecteerd.
XMet de boordcomputer de functie Assis‐Assis‐
tentieweergavetentieweergave selecteren
(Ypagina 321).
Weergave bij ingeschakelde DISTRONIC
PLUS
:DISTRONIC PLUS actief (tekst verschijnt
alleen bij bediening van de TEMPOMAAT-
hendel)
;Voorligger, zodra herkend
240 Rijsystemen
Rijden en parkeren
=Normafstand ten opzichte van voorligger,
instelbaar
?Eigen auto
In het menu Assistentieweergave
(Ypagina 322) van de boordcomputer kan de
assistentieweergave worden geselecteerd.
XMet de boordcomputer de functie Assis‐Assis‐
tentieweergavetentieweergave selecteren
(Ypagina 321).
Bij het inschakelen van de DISTRONIC PLUS
wordt gedurende circa vijf seconden de opge-
slagen snelheid weergegeven.
DISTRONIC PLUS uitschakelen
De DISTRONIC PLUS kan op meerdere manie-
ren worden uitgeschakeld:
XDe TEMPOMAAT-hendel kort naar
voren :aantippen
of
XRemmen, behalve als de auto stilstaat.
of
XDe TEMPOMAAT-hendel kort in de richting
van pijl =drukken.
De variabele SPEEDTRONIC is geselec-
teerd. LIM-controlelampje ;in de TEM-
POMAAT-hendel brandt.
Als de DISTRONIC PLUS wordt uitgeschakeld,
verschijnt gedurende circa vijf seconden de
melding DISTRONIC PLUS UitDISTRONIC PLUS Uit op het multi-
functioneel display.
iDe laatst opgeslagen snelheid blijft opge-
slagen tot de motor wordt afgezet.
iDoor gas geven wordt de DISTRONIC
PLUS niet uitgeschakeld.
De DISTRONIC PLUS wordt automatisch uit-
geschakeld als:
Rde elektrische parkeerrem wordt ingescha-
keld of de auto automatisch met de elek-
trische parkeerrem wordt beveiligd
Rhet ESP®regelt of het ESP®wordt uitge-
schakeld
Rde transmissie in stand P,Rof Nstaat
Ru voor het wegrijden de TEMPOMAAT-hen-
del naar u toe trekt en het passagierspor-
tier of een van de achterportieren geopend
is
Rde auto in een slip is geraakt
Rde actieve parkeerassistent wordt inge-
schakeld.
Als de DISTRONIC PLUS wordt uitgeschakeld
klinkt een waarschuwingssignaal. Op het mul-
tifunctioneel display verschijnt gedurende
circa 5 seconden de melding DISTRONICDISTRONIC
PLUS UitPLUS Uit.
Tips voor rijden met de DISTRONIC
PLUS
Algemene aanwijzingen
In de volgende verkeerssituaties moet u bij-
zonder alert zijn:
RBochten, in- en uitrijden van bochten
RSchuin achter elkaar rijden
RVeranderen van rijstrook door andere voer-
tuigen
RSmalle voertuigen
RObstakels en stilstaande voertuigen
RKruisende voertuigen.
In dergelijke situaties zo nodig remmen. De
DISTRONIC PLUS wordt dan uitgeschakeld.
Rijsystemen 241
Rijden en parkeren
Z
Bochten, in- en uitrijden van bochten
De DISTRONIC PLUS kan bij bochten andere
voertuigen beperkt herkennen. De auto kan
dan onverwacht of te laat remmen.
Schuin achter elkaar rijden
Het is mogelijk dat de DISTRONIC PLUS
schuin voor u rijdende voorliggers niet her-
kent. De afstand ten opzichte van de voorlig-
ger wordt te gering.
Veranderen van rijstrook door andere
voertuigen
De DISTRONIC PLUS herkent het invoegende
voertuig nog niet. De afstand ten opzichte van
het invoegende voertuig wordt te gering.
Smalle voertuigen
De DISTRONIC herkent de voorligger aan de
rand van de weg niet doordat het voertuig te
smal is. De afstand ten opzichte van de voor-
ligger wordt te gering.
Obstakels en stilstaande voertuigen
De DISTRONIC PLUS remt niet bij obstakels
of stilstaande voertuigen. Als het herkende
voertuig bijvoorbeeld afslaat en verderop een
obstakel of voertuig staat, remt de
DISTRONIC PLUS de auto niet af.
242 Rijsystemen
Rijden en parkeren
Kruisende voertuigen
De DISTRONIC PLUS kan kruisende voertui-
gen abusievelijk herkennen. Als de
DISTRONIC PLUS, bijvoorbeeld bij een ver-
keerslicht met kruisend verkeer wordt inge-
schakeld, kan de auto onbedoeld wegrijden.
DISTRONIC PLUS met stuurassistent
Algemene aanwijzingen
De stuurassistent van de DISTRONIC PLUS
ondersteunt u om met subtiele stuuringrepen
in het snelheidsbereik van 0 - 200 km/h in
het midden van de rijstrook te rijden.
De actieve spoorassistent bewaakt het
gebied vóór de auto met een camerasys-
teem :, dat bovenaan de voorruit is beves-
tigd.
In het snelheidsbereik boven 60 km/h richt
de stuurassistent van de DISTRONIC PLUS
zich op de aanwezige rijstrookmarkeringen.
In het snelheidsbereik van 0 - 60 km/h richt
de stuurassistent van de DISTRONIC PLUS
zich op voorliggers met inachtneming van de
rijstrookmarkeringen, bijvoorbeeld bij de file-
volgfunctie.
De functie is alleen beschikbaar wanneer de
DISTRONIC PLUS actief is.
Belangrijke veiligheidsvoorschriften
De stuurassistent van de DISTRONIC PLUS
kan het gevaar voor ongevallen van een niet
aangepaste rijstijl niet verminderen en de
natuurkundige grenzen niet verleggen. De
stuurassistent van de DISTRONIC PLUS kan
geen rekening houden met de verkeers- en
weersomstandigheden en de verkeerssitua-
tie. De stuurassistent van de DISTRONIC
PLUS is slechts een hulpmiddel. De bestuur-
der is zelf verantwoordelijk voor de veilige
afstand, de gereden snelheid, het tijdig rem-
men en het aanhouden van de rijstrook.
De stuurassistent van de DISTRONIC PLUS
herkent geen verkeerssituaties en niet alle
verkeersdeelnemers. Wanneer de voorligger
naar de kant van de weg stuurt, kan uw auto
bij het volgen met stoepranden of andere
wegafscheidingen in aanraking komen. Bij
slingerende rijstroken op verkeersdeelne-
mers zoals fietsers letten, die zich direct
naast uw auto bevinden.
Obstakels zoals afzetbakens bij wegwerk-
zaamheden, die op de rijstrook staan of over
de rand van de rijstrook steken, worden niet
herkend.
Een onjuiste stuurhandeling, bijvoorbeeld het
doelbewust passeren van een rijstrookbe-
grenzingslijn, kan te allen tijde worden gecor-
rigeerd door licht tegensturen.
De stuurassistent van de DISTRONIC PLUS
kan de auto niet permanent op de rijstrook
houden. De stuuringreep is eventueel niet
voldoende om de auto in de rijstrook terug te
brengen. In dat geval moet u zelf sturen, om
te voorkomen dat de auto de rijstrook verlaat.
Rijsystemen 243
Rijden en parkeren
Z
Het systeem kan worden beïnvloed of func-
tioneert mogelijk niet:
Rbij slecht zicht, bijvoorbeeld door onvol-
doende verlichting van de weg of door
sneeuw, regen, mist of veel spatwater
Rbij verblinding, bijvoorbeeld door tege-
moetkomend verkeer, directe zonnestra-
ling of bij reflecties (bijvoorbeeld bij nat
wegdek)
Rals de voorruit in de omgeving van de
camera vervuild, beslagen, beschadigd of
afgedekt is, bijvoorbeeld door een sticker
Rals geen of meerdere, niet duidelijk her-
kenbare rijstrookmarkeringen voor een rij-
strook aanwezig zijn, bijvoorbeeld in de
omgeving van wegwerkzaamheden
Rals de rijstrookmarkeringen versleten, don-
ker of bedekt zijn, bijvoorbeeld door vuil of
sneeuw
Rals de afstand tot de voorligger te klein is
en daardoor de rijstrookmarkeringen niet
herkend worden
Rals rijstrookmarkeringen snel wijzigen, bij-
voorbeeld bij aftakkingen, kruisingen of
wegversmallingen
Rbij zeer smalle en bochtige wegen
Rbij zeer sterk wisselende schaduwen op het
wegdek.
Ook de belangrijke veiligheidsvoorschriften
m.b.t. de DISTRONIC PLUS in acht nemen
(Ypagina 234).
De stuuringrepen vinden plaats met een
beperkt stuurmoment. Het systeem vereist
dat de bestuurder het stuurwiel vasthoudt en
zelf stuurt.
Als u gedurende langere tijd niet zelf stuurt of
de handen van het stuurwiel neemt, wordt u
eerst optisch door het systeem gewaar-
schuwd. Op het multifunctioneel display ver-
schijnt een stuurwielsymbool. Als u nog
steeds niet zelf stuurt en het stuurwiel niet
vastpakt, klinkt er na 5 seconden bovendien
een waarschuwingssignaal, om u te verzoe-
ken de besturing over te nemen. De stuuras-
sistent van de DISTRONIC PLUS wordt dan
passief geschakeld. De DISTRONIC PLUS
blijft actief.
Het systeem wordt passief geschakeld en
biedt geen ondersteuning meer door stuurin-
grepen, als:
Rde bestuurder actief van rijstrook wisselt
Rde richtingaanwijzer wordt bediend
Ru gedurende langere tijd niet zelf stuurt of
de handen van het stuurwiel neemt.
iNadat het veranderen van rijstrook is
beëindigd is de stuurassistent van de
DISTRONIC PLUS automatisch weer actief.
De stuurassistent van de DISTRONIC PLUS
biedt geen ondersteuning:
Rin zeer scherpe bochten
Rals er geen of geen eenduidige rijbaanmar-
keringen worden herkend
Rals de voorligger bij een snelheid lager dan
60 km/h niet wordt herkend
Rbij het rijden met een aanhangwagen
Rin de bandennoodloopfunctie.
Stuurassistent inschakelen
XToets ;indrukken.
Controlelampje :gaat branden. Op het
multifunctioneel display verschijnt de mel-
ding DTR+: Stuurassistent AanDTR+: Stuurassistent Aan. De
stuurassistent is ingeschakeld.
244 Rijsystemen
Rijden en parkeren
Weergave op het multifunctioneel display
Als de stuurassistent van de DISTRONIC
PLUS ingeschakeld is, maar niet klaar is voor
een stuuringreep, wordt een stuurwielsym-
bool :grijs weergegeven. Als het systeem
ondersteuning biedt door stuuringrepen,
wordt symbool :groen weergegeven.
Stuurassistent uitschakelen
XToets ;indrukken.
Controlelampje :dooft. Op het multifunc-
tioneel display verschijnt de melding DTRDTR
+: Stuurassistent Uit+: Stuurassistent Uit. De stuurassis-
tent is uitgeschakeld.
Als de DISTRONIC PLUS wordt uitgeschakeld,
wordt de stuurassistent van de DISTRONIC
PLUS automatisch gedeactiveerd.
HOLD-functie
Algemene aanwijzingen
De HOLD-functie ondersteunt u naar wens
bij:
Rhet wegrijden, in het bijzonder op een hel-
ling
Rhet manoeuvreren op een helling
Rhet wachten in het verkeer.
De auto wordt op zijn plaats gehouden zonder
dat u het rempedaal hoeft te bedienen.
Als er om weg te rijden gas wordt gegeven,
wordt de remwerking opgeheven en de
HOLD-functie uitgeschakeld.
Belangrijke veiligheidsvoorschriften
GWAARSCHUWING
Als u de auto verlaat terwijl deze alleen door
de HOLD-functie wordt afgeremd, kan deze
wegrollen als:
Reen storing in het systeem of in de span-
ningsvoorziening optreedt
Rde HOLD-functie door bediening van het
gaspedaal of het rempedaal wordt uitge-
schakeld, bijvoorbeeld door een van de
inzittenden
Rer werkzaamheden aan de elektrische
installatie in de motorruimte, aan de accu
of aan de zekeringen worden uitgevoerd
Rde accukabels worden losgemaakt.
Er bestaat gevaar voor ongevallen!
De HOLD-functie altijd uitschakelen en de
auto tegen wegrollen beveiligen, voordat de
auto wordt verlaten.
Meer informatie over uitschakelen van de
HOLD-functie (Ypagina 246).
!Wanneer de DISTRONIC PLUS of de
HOLD-functie ingeschakeld zijn, remt de
auto in bepaalde situaties automatisch. Om
schade aan de auto te vermijden de
DISTRONIC PLUS en de HOLD-functie in de
volgende of vergelijkbare situaties uitscha-
kelen:
Rbij het slepen
Rin de wasstraat.
Rijsystemen 245
Rijden en parkeren
Z
Inschakelvoorwaarden
De HOLD-functie kan worden ingeschakeld
als aan de volgende voorwaarden is voldaan:
Rde auto staat stil
Rde motor draait of is door de ECO start-
stop-functie afgezet
Rhet bestuurdersportier is gesloten of u
draagt de gordel
Rde elektrische parkeerrem is vrijgezet
Rde transmissie staat in stand D,Rof N
Rde DISTRONIC PLUS is uitgeschakeld.
HOLD-functie inschakelen
XAan de inschakelvoorwaarden moet vol-
daan zijn; dit controleren.
XHet rempedaal indrukken.
XHet rempedaal snel verder indrukken, tot
de melding :op het multifunctioneel dis-
play verschijnt.
De HOLD-functie is ingeschakeld. Het rem-
pedaal kan worden losgelaten.
iAls de HOLD-functie bij de eerste keer
indrukken van het rempedaal niet is inge-
schakeld, kort wachten en het opnieuw
proberen.
HOLD-functie uitschakelen
De HOLD-functie wordt uitgeschakeld, als:
Rer gas wordt gegeven en de transmissie in
stand Dof Rstaat
Rde transmissie in stand Pwordt geschakeld
Rhet rempedaal opnieuw met een bepaalde
kracht wordt ingedrukt tot de melding
ëop het multifunctioneel display ver-
dwijnt
Rde auto met de elektrische parkeerrem
wordt beveiligd
Rde DISTRONIC PLUS wordt ingeschakeld.
iNa enige tijd wordt de elektrische par-
keerrem van de auto ingeschakeld om de
remmen te ontlasten. De HOLD-functie
wordt dan uitgeschakeld.
De elektrische parkeerrem zet de auto auto-
matisch vast, wanneer bij ingeschakelde
HOLD-functie:
Rhet bestuurdersportier geopend en de vei-
ligheidsgordel is losgemaakt
Rde motor wordt afgezet, behalve als deze
door de ECO start-stop-functie wordt afge-
zet
Reen systeemstoring optreedt
Rde spanningsvoorziening niet voldoende is.
Bij een storing kan bovendien de transmissie
automatisch in stand Pworden gezet.
Magic Body Control
Algemene aanwijzingen
De Magic Body Control bestaat uit de Active
Body Control (ABC), de ROAD SURFACE
SCAN en de automatische stabilisering van
de auto bij zijwind.
De auto regelt automatisch het niveau om de
rijveiligheid te verbeteren en het brandstof-
verbruik te verminderen. De onderstelafstel-
ling wordt overeenkomstig uw selectie (spor-
tief of comfortabel), de staat van het wegdek
en de belading van de auto aangepast. Een
multifunctionele camera herkent oneffenhe-
den voordat hier overheen wordt gereden.
Daardoor worden carrosseriebewegingen
gereduceerd.
246 Rijsystemen
Rijden en parkeren
Belangrijke veiligheidsvoorschriften
GWAARSCHUWING
Bij het omlaagbrengen van het voertuig kun-
nen lichaamsdelen van personen bekneld
raken, als deze zich tussen carrosserie en
banden of onder het voertuig bevinden.
Gevaar voor letsel!
Tijdens het omlaagbrengen van het voertuig
mag zich niemand in de directe omgeving van
de wielkuipen of onder het voertuig bevinden;
dit controleren.
Rijassistentie zijwind
Zijwindstabilisatie gebeurt door het wijzigen
van de wielbelasting door middel van aanpas-
singen van de ABC-veerpoten. Verstoringen
van de rechtuitstabiliteit worden verminderd
en het tegensturen wordt ondersteund.
De rijassistentie zijwind is actief vanaf een
snelheid van 80 km/h bij rechtuitrijden of tij-
dens het rijden door flauwe bochten.
Active Body Control (ABC)
Niveau
Alle auto's behalve auto's in AMG-uitvoe-
ring: Afhankelijk van het ingestelde niveau
regelt de auto automatisch de hoogte, afhan-
kelijk van de actuele snelheid. Bij toene-
mende snelheid daalt de auto met circa
15 mm. Bij afnemende snelheid stijgt de auto
weer tot het ingestelde niveau.
Auto's in AMG-uitvoering: Afhankelijk van
het geselecteerde niveau regelt de auto auto-
matisch de hoogte, afhankelijk van de actuele
snelheid. Bij toenemende snelheid daalt de
auto met circa 10 mm onder het normale
niveau. Bij afnemende snelheid stijgt de auto
weer tot het ingestelde niveau.
De instelling "Normaal" voor de normale
schakelstand en "Verhoogd" voor het rijden
met sneeuwkettingen of voor zeer slechte
staat van het wegdek selecteren.
De keuze blijft opgeslagen, ook als de sleutel
uit het contactslot wordt verwijderd.
Verhoogde rijhoogte instellen
XDe motor starten.
XWanneer controlelampje ;;gedoofd
is: Toets :indrukken.
Alle auto's behalve auto's in AMG-uit-
voering: Controlelampje ;gaat branden.
De auto stelt zich op het hogere niveau in.
Auto's in AMG-uitvoering: Controle-
lampje ;gaat branden. De auto wordt
40 mm omhooggebracht ten opzichte van
het normale niveau.
Normale rijhoogte instellen
XDe motor starten.
XWanneer controlelampje ;;brandt:
Toets :indrukken.
Controlelampje ;dooft. De auto stelt zich
op het normale niveau in.
Onderstelinstelling
Het elektronisch geregeld ABC-onderstelsys-
teem werkt continu. Daardoor worden de rij-
veiligheid en het rijcomfort verbeterd. Het
systeem herkent de rijsituatie en de belading
Rijsystemen 247
Rijden en parkeren
Z
van de auto en past de instelling daarop aan.
Daarnaast kunt u kiezen tussen een bijzonder
sportieve en een comfortabele instelling.
De instelling van het ABC-onderstelsysteem
wordt voor elk wiel afzonderlijk geregeld en
is afhankelijk van:
Rde rijstijl, bijvoorbeeld sportief
Rde staat van het wegdek, bijvoorbeeld onef-
fenheden
Ruw individuele selectie, sportief of comfor-
tabel
Rde belading van de auto
Rde kracht van de zijwind.
De keuze blijft opgeslagen, ook als de sleutel
uit het contactslot wordt verwijderd.
In de sportmodus zorgt de hardere onderstel-
instelling voor een beter contact met het weg-
dek. Het stuurgedrag is sportief. Deze modus
kiezen bij een vlotte rijstijl op een vlakke weg,
bijvoorbeeld op autosnelwegen.
Sportieve onderstelinstelling selecteren
XWanneer controlelampje ;;gedoofd
is: Toets :indrukken.
Controlelampje ;gaat branden. De spor-
tieve onderstelinstelling is geselecteerd.
Alle auto's behalve auto's in AMG-uit-
voering: Op het multifunctioneel display
verschijnt de melding Active Body Con‐Active Body Con‐
trol Sporttrol Sport.
Auto's in AMG-uitvoering: Op het multi-
functioneel display verschijnt de melding
AMG Ride Control SPORTAMG Ride Control SPORT.
In de comfortabele rijmodus wordt het rijge-
drag van de auto bijzonder comfortabel. Het
stuurgedrag is gebalanceerd. Wanneer u de
voorkeur geeft aan een comfortabele rijstijl,
selecteert u deze modus.
Comfortabele onderstelinstelling selecteren
XWanneer controlelampje ;;gedoofd
is: Toets :indrukken.
Controlelampje ;gaat branden. De com-
fortabele onderstelinstelling is geselec-
teerd.
Alle auto's behalve auto's in AMG-uit-
voering: Op het multifunctioneel display
verschijnt de melding Active Body Con‐Active Body Con‐
trol Comforttrol Comfort.
Auto's in AMG-uitvoering: Op het multi-
functioneel display verschijnt de melding
AMG Ride Control COMFORTAMG Ride Control COMFORT.
ROAD SURFACE SCAN
De functie ROAD SURFACE SCAN bewaakt de
weg vóór de auto met een multifunctionele
camera :, die bovenaan de voorruit is beves-
tigd. Als de onderstelafstelling Comfort wordt
248 Rijsystemen
Rijden en parkeren
geselecteerd, is deze functie automatisch
actief. Het systeem werkt tot een snelheid
van 130 km/h.
De functie maakt het mogelijk om oneffen-
heden reeds te herkennen, voordat de auto
deze heeft bereikt. De veerpoten worden
daarbij zodanig aangestuurd, dat de carros-
seriebewegingen bij het rijden over de onef-
fenheden aanmerkelijk worden verminderd.
Als het verhoogde niveau wordt ingesteld of
de onderstelinstelling Sport wordt geselec-
teerd, wordt het systeem gedeactiveerd.
Het systeem kan worden beïnvloed of func-
tioneert mogelijk niet:
Rbij onvoldoende verlichting van de weg
Rbij slecht zicht, bijvoorbeeld sneeuw,
regen, mist, veel spatwater
Rdoor verblinding, bijvoorbeeld bij tege-
moetkomend verkeer of de zon
Rals de voorruit in de omgeving van de
camera vervuild, beslagen of afgedekt is,
bijvoorbeeld door een sticker
Rwanneer het wegdek geen structuur heeft
of reflecteert, bijvoorbeeld bij nieuw asfalt,
lichte betonplaten of plassen
Rals de afstand ten opzichte van de voorlig-
ger te gering is
Rop weggedeelten met zeer kleine bocht-
stralen
Rbij krachtig accelereren of abrupt remmen.
AIRMATIC
Algemene aanwijzingen
De AIRMATIC is luchtvering met variabele
demping voor een beter rijcomfort. De
niveauregeling rondom zorgt ook bij beladen
auto voor de best mogelijke vering en een
gelijkblijvende bodemspeling. Bij snel rijden
wordt de auto automatisch verlaagd om de
rijveiligheid te verbeteren en het brandstof-
verbruik te verlagen. Bovendien bestaat de
mogelijkheid om de rijhoogte handmatig in te
stellen. De AIRMATIC bestaat uit de niveau-
instelling, niveauregeling en het adaptief
dempingssysteem ADS.
Belangrijke veiligheidsvoorschriften
GWAARSCHUWING
Bij het omlaagbrengen van het voertuig kun-
nen lichaamsdelen van personen bekneld
raken, als deze zich tussen carrosserie en
banden of onder het voertuig bevinden.
Gevaar voor letsel!
Tijdens het omlaagbrengen van het voertuig
mag zich niemand in de directe omgeving van
de wielkuipen of onder het voertuig bevinden;
dit controleren.
Niveau
Verhoogde rijhoogte instellen
U kunt kiezen tussen de rijhoogtes "Normaal"
en "Verhoogd". De instelling "Normaal" voor
de normale schakelstand en "Verhoogd" voor
het rijden met sneeuwkettingen of voor zeer
slechte staat van het wegdek selecteren. De
keuze blijft opgeslagen, ook als de sleutel uit
het contactslot wordt verwijderd.
XDe motor starten.
Als controlelampje ;is gedoofd:
XToets :indrukken.
Controlelampje ;gaat branden. De auto
wordt 30 mm omhooggebracht ten
opzichte van het normale niveau.
Rijsystemen 249
Rijden en parkeren
Z
Op het multifunctioneel display verschijnt
de melding Auto komt omhoogAuto komt omhoog.
iDe melding verdwijnt na 10 seconden,
ongeacht het bereikte niveau. De auto
wordt eventueel verder omhooggebracht.
De instelling "Verhoogd niveau" wordt gewist,
als:
Rsneller dan circa 120 km/h wordt gereden
Rcirca 3 minuten sneller dan 80 km/h wordt
gereden.
Normale rijhoogte instellen
XDe motor starten.
Als controlelampje ;brandt:
XToets :indrukken.
Controlelampje ;dooft. De auto stelt zich
op het normale niveau in.
Op het multifunctioneel display verschijnt
de melding Auto komt omlaagAuto komt omlaag.
Onderstelinstelling
Algemene aanwijzingen
Het adaptief dempingssysteem regelt auto-
matisch de instelling van dempers en veren.
De instelling van de demping wordt voor elk
wiel afzonderlijk geregeld en is afhankelijk
van:
Rde rijstijl, bijvoorbeeld sportief
Rde staat van het wegdek, bijvoorbeeld onef-
fenheden
Ruw individuele selectie, sportief of comfor-
tabel.
De keuze blijft opgeslagen, ook als de sleutel
uit het contactslot wordt verwijderd.
Sportieve instelling
In de modus "Sport" zorgt de hardere onder-
stelinstelling voor een optimaal contact met
het wegdek. Deze modus kiezen bij een vlotte
rijstijl, bijvoorbeeld op een bochtige provin-
ciale weg.
Alle auto's behalve auto's in AMG-uitvoe-
ring:
XWanneer controlelampje ;;gedoofd
is: Toets :indrukken.
Controlelampje ;gaat branden. De spor-
tieve instelling is geselecteerd. De auto
wordt 10 mm omlaaggebracht ten opzichte
van het normale niveau.
Op het multifunctioneel display verschijnt
de melding AIRMATIC SPORTAIRMATIC SPORT.
Auto's in AMG-uitvoering
XWanneer controlelampje ;;gedoofd
is: Toets :indrukken.
Controlelampje ;gaat branden. De spor-
tieve instelling is geselecteerd. De auto
wordt omlaaggebracht ten opzichte van het
normale niveau. De verlaging vindt lands-
afhankelijk plaats bij verschillende snelhe-
den.
Op het multifunctioneel display verschijnt
de melding AMG Ride Control SPORTAMG Ride Control SPORT.
Alle auto's behalve auto's in AMG-uitvoe-
ring: Bij een rijsnelheid hoger dan
120 km/h wordt de auto in de modus "Sport"
automatisch nog eens 10 mm omlaagge-
bracht.
250 Rijsystemen
Rijden en parkeren
Comfortabele instelling
In de modus "Comfort" wordt het rijgedrag
van de auto comfortabeler. Deze modus
selecteren wanneer u de voorkeur geeft aan
een comfortabele onderstelinstelling. De
comfortabele rijmodus echter ook kiezen als
vlot wordt gereden op een weg met weinig
bochten, bijvoorbeeld de snelweg.
XWanneer controlelampje ;;gedoofd
is: Toets :indrukken.
Controlelampje ;gaat branden. De com-
fortabele instelling is geselecteerd.
Alle auto's behalve auto's in AMG-uit-
voering: Op het multifunctioneel display
verschijnt de melding AIRMATIC COMFORTAIRMATIC COMFORT.
Auto's in AMG-uitvoering: Op het multi-
functioneel display verschijnt de melding
AMG Ride Control COMFORTAMG Ride Control COMFORT.
Bij een rijsnelheid hoger dan 120 km/h wordt
de auto in de modus "Comfort" automatisch
10 mm omlaaggebracht ten opzichte van het
normale niveau.
Alle auto's behalve auto's in AMG-uitvoe-
ring: Bij een rijsnelheid hoger dan
160 km/h wordt de auto in de modus "Com-
fort" automatisch nog eens 20 mm omlaag-
gebracht ten opzichte van het normale
niveau.
Beladingscompensatie
De auto kan verschillen in niveau compense-
ren door omhoog- of omlaagbrengen van de
assen. Dit is bijvoorbeeld het geval als per-
sonen uitstappen of als bagage wordt ingela-
den.
Een beladingscompensatie vindt plaats als
Reen portier of de achterklep wordt geopend
Rde geparkeerde auto wordt vergrendeld.
Bij grote niveauveranderingen moet de motor
draaien.
4MATIC (permanente vierwielaandrij-
ving)
De 4MATIC zorgt voor permanente aandrij-
ving van alle vier de wielen. Als een aange-
dreven wiel vanwege een te geringe grip door-
draait verbetert het samen met het ESP®de
grip van de auto.
De 4MATIC kan het gevaar voor ongevallen
bij een niet aangepaste rijstijl niet verminde-
ren en de natuurkundige grenzen niet verleg-
gen. De 4MATIC kan geen rekening houden
met de verkeers- en weersomstandigheden
en de verkeerssituatie. De 4MATIC is slechts
een hulpmiddel. De bestuurder is zelf verant-
woordelijk voor de veilige afstand, de gereden
snelheid, het tijdig remmen en het aanhouden
van de rijstrook.
Als één aangedreven wiel wegens een te
geringe grip doordraait:
RBij het wegrijden het gaspedaal slechts zo
ver indrukken als nodig is.
RTijdens het rijden minder gas geven.
!De auto mag nooit worden gesleept met
slechts een opgetilde as. Hierdoor kan de
verdeelbak beschadigd raken. Dergelijke
schade wordt niet door de Mercedes-Benz
aansprakelijkheid voor gebreken gedekt.
Alle wielen moeten op de weg staan of vol-
ledig opgetakeld zijn. De aanwijzingen bij
het slepen van de auto met alle wielen op
de grond in acht nemen.
iAlleen als bij een winterse staat van het
wegdek winterbanden (M+S-banden) wor-
den gebruikt, zo nodig met sneeuwkettin-
Rijsystemen 251
Rijden en parkeren
Z
gen, wordt de maximale werking van de
4MATIC bereikt.
PARKTRONIC
Belangrijke veiligheidsvoorschriften
De PARKTRONIC is een elektronische par-
keerhulp met ultrasone sensoren. Het
bewaakt met behulp van zes sensoren in de
voorbumper en zes sensoren in de achter-
bumper de omgeving van de auto. De PARK-
TRONIC geeft de afstand tussen de auto en
een obstakel optisch en akoestisch aan.
De PARKTRONIC is slechts een hulpmiddel.
De bestuurder moet altijd zelf goed op de
directe omgeving blijven opletten. De
bestuurder blijft te allen tijde verantwoorde-
lijk voor het veilig manoeuvreren en parkeren.
Bij het manoeuvreren, in- en uitparkeren
mogen zich geen personen, dieren of voor-
werpen in het manoeuvreergebied bevinden;
dit controleren.
!Bij het inparkeren in het bijzonder op
obstakels letten die zich onder of boven de
sensoren bevinden, bijvoorbeeld bloem-
bakken of aanhangwagendissels. De PARK-
TRONIC herkent dergelijke voorwerpen
niet van dichtbij. De auto of het object kan
dan worden beschadigd.
Sneeuw en voorwerpen die ultrasoongol-
ven absorberen worden mogelijk niet her-
kend door de sensoren.
Ultrasone bronnen zoals een wasstraat, de
luchtdrukremsystemen van vrachtwagens
of een persluchthamer kunnen de PARK-
TRONIC storen.
In onregelmatig terrein functioneert de
PARKTRONIC eventueel niet correct.
!Als de trekhaak niet wordt gebruikt, de
kogelkop inklappen. De minimumherken-
ningsafstand van de PARKTRONIC tot een
obstakel geldt vanaf de bumper en niet
vanaf de kogelkop.
De PARKTRONIC is automatisch geactiveerd,
wanneer:
Rhet contact wordt ingeschakeld
Rde transmissie in stand D,Rof Nwordt
gezet.
Bij snelheden boven 18 km/hwordt de PARK-
TRONIC uitgeschakeld. Bij lagere snelheden
wordt de PARKTRONIC weer ingeschakeld.
Als de elektrische verbinding tussen de auto
en aanhangwagen is aangesloten, is de PARK-
TRONIC voor de achterzijde uitgeschakeld.
Bereik van de sensoren
Algemene aanwijzingen
De PARKTRONIC houdt geen rekening met
obstakels, die zich:
Ronder het herkenningsgebied bevinden, bij-
voorbeeld personen, dieren of voorwerpen
Rboven het herkenningsgebied bevinden,
bijvoorbeeld uitstekende lading, overhan-
gen of laadplatforms van bedrijfswagens.
:Sensoren in de voorbumper, links (voor-
beeld)
252 Rijsystemen
Rijden en parkeren
De sensoren moeten vrij zijn van vuil, ijs of
natte sneeuw. Anders kunnen ze niet correct
functioneren. Daarom moeten de sensoren
regelmatig worden gereinigd; hierbij ervoor
zorgen dat er geen krassen of beschadigingen
op de sensoren ontstaan (Ypagina 425).
Sensoren aan voorzijde
Midden Circa 100 cm
Hoeken Circa 60 cm
Sensoren aan achterzijde
Midden Circa 120 cm
Hoeken Circa 80 cm
Minimumafstand
Midden Circa 20 cm
Hoeken Circa 15 cm
Als zich binnen deze afstand een object
bevindt, gaan de betreffende waarschuwings-
displays branden en klinkt er een waarschu-
wingssignaal. Als de minimumafstand wordt
overschreden, wordt de afstand eventueel
niet meer aangegeven.
Waarschuwingsmeldingen
:Segmenten linkerzijde van de auto
;Segmenten rechterzijde van de auto
=Weergave meetgereedheid
De afstand tussen sensor en obstakel wordt
door waarschuwingsdisplays aangegeven.
Het waarschuwingsdisplay voor de voorzijde
bevindt zich in het instrumentenpaneel. Het
waarschuwingsdisplay voor de achterzijde
bevindt zich in de hemelbekleding achterin.
De waarschuwingsdisplays bestaan voor elke
zijde van de auto uit vijf gele en twee rode
segmenten. Als de weergave meetgereed-
heid =verschijnt, is de PARKTRONIC gereed
voor de meting.
De geselecteerde transmissiestand en de rol-
richting van de auto bepalen welke waarschu-
wingsmelding actief is als de motor draait.
Transmissiestand Waarschuwings-
display
DVoorzijde actief
R,Nof de auto rolt
achteruit
Achter- en voorzijde
actief
PGeen van beide zij-
den actief
Als de auto een obstakel nadert, worden
afhankelijk van de afstand ten opzichte van
het obstakel één of meerdere segmenten ver-
licht.
Rijsystemen 253
Rijden en parkeren
Z
Vanaf het:
Rzesde segment is er gedurende circa twee
seconden een onderbroken waarschu-
wingssignaal hoorbaar
Rzevende segment is er gedurende circa
twee seconden een waarschuwingssignaal
hoorbaar. De minimumafstand is bereikt.
PARKTRONIC uit- of inschakelen
:Controlelampje
;PARKTRONIC uit- en inschakelen
Als controlelampje :brandt, is de PARK-
TRONIC uitgeschakeld. De actieve parkeer-
assistent is dan ook niet beschikbaar.
iDe PARKTRONIC wordt automatisch inge-
schakeld als de sleutel in het contactslot in
stand 2wordt gedraaid.
254 Rijsystemen
Rijden en parkeren
Problemen met PARKTRONIC
Probleem Mogelijke oorzaak en/of gevolg en MMoplossingen
Alleen de rode segmen-
ten van de waarschu-
wingsdisplays van de
PARKTRONIC branden.
Tevens is gedurende
circa twee seconden
een waarschuwingssig-
naal hoorbaar.
De PARKTRONIC wordt
vervolgens uitgescha-
keld en het controle-
lampje in de PARKTRO-
NIC-toets gaat bran-
den.
De PARKTRONIC vertoont een storing en is uitgeschakeld.
XBij voortdurende problemen de PARKTRONIC bij een gekwalifi-
ceerde werkplaats laten controleren.
Alleen de rode segmen-
ten van de waarschu-
wingsdisplays van de
PARKTRONIC branden.
De PARKTRONIC wordt
vervolgens uitgescha-
keld.
De sensoren van de PARKTRONIC zijn vervuild of beschadigd.
XDe sensoren van de PARKTRONIC reinigen (Ypagina 425).
XHet contact weer inschakelen.
Mogelijkerwijs veroorzaakt een andere radiografische of ultrasone
bron een storing.
XErgens anders de werking van de PARKTRONIC controleren.
Actieve parkeerassistent
Algemene aanwijzingen
De actieve parkeerassistent is een elektroni-
sche parkeerhulp met ultrasone sensoren.
Daarbij wordt de ruimte aan beide zijden van
de auto gemeten. Een parkeersymbool geeft
een geschikte parkeerplaats aan. Bij het in-
en uitparkeren kunt u in dat geval door een
actieve stuur- en remingreep worden onder-
steund. Daarnaast kunt u nog beschikken
over de PARKTRONIC (Ypagina 252).
Belangrijke veiligheidsvoorschriften
De actieve parkeerassistent is slechts een
hulpmiddel. De bestuurder moet altijd zelf
goed op de directe omgeving blijven letten.
De bestuurder blijft te allen tijde verantwoor-
delijk voor het veilig manoeuvreren en parke-
ren. Er mogen zich geen personen, dieren of
voorwerpen in het manoeuvreergebied van de
auto bevinden; dit controleren.
Als de PARKTRONIC is uitgeschakeld, is ook
de actieve parkeerassistent niet beschikbaar.
Bij auto's met uitgeklapte trekhaak neemt de
minimumlengte voor parkeerplaatsen iets
toe.
Als er een aanhangwagen aan uw auto is aan-
gekoppeld, mag de actieve parkeerassistent
niet worden gebruikt. Als de elektrische ver-
binding tussen de auto en aanhangwagen is
aangesloten, is de actieve parkeerassistent
niet beschikbaar. De PARKTRONIC is voor de
achterzijde uitgeschakeld.
GWAARSCHUWING
De auto beweegt bij het in- en uitparkeren
opzij en kan daarbij ook op de andere rijstrook
Rijsystemen 255
Rijden en parkeren
Z
komen. Daardoor kunt u in botsing komen
met andere weggebruikers. Er bestaat gevaar
voor ongevallen!
Op de andere verkeersdeelnemers letten.
Eventueel stoppen of de parkeerprocedure
met de actieve parkeerassistent afbreken.
!Indien niet vermijdbaar onder een rechte
hoek en langzaam over obstakels zoals
stoepranden rijden. Anders kunnen velgen
en banden worden beschadigd.
De actieve parkeerassistent kan mogelijk ook
parkeerplaatsen weergeven, die niet voor
parkeren geschikt zijn, bijvoorbeeld:
Rbij een parkeer- of stopverbod
Rvoor in- en uitritten of in- en uitgangen
Rop ongeschikte ondergrond.
Parkeeraanwijzingen:
RIn smalle straten zo dicht mogelijk langs de
parkeerplaats rijden.
RParkeerplaatsen die vuil of begroeid zijn,
worden mogelijkerwijs niet herkend of niet
correct gemeten.
RParkeerplaatsen vóór geparkeerde aan-
hangwagens, waarvan de aanhangwagen-
dissel over de rand van de parkeerplaats
steekt, worden mogelijkerwijs niet als par-
keerplaats herkend of niet correct geme-
ten.
RSneeuw of zware regenval kunnen ertoe
leiden dat de afmetingen van de parkeer-
plaats niet nauwkeurig worden bepaald.
RTijdens het inparkeren ook de waarschu-
wingsmeldingen van de PARKTRONIC
(Ypagina 253) in acht nemen.
RU kunt op elk moment correcties aanbren-
gen tijdens het parkeren, de actieve par-
keerassistent wordt in dat geval uitgescha-
keld.
RAls u een last moet vervoeren die voorbij
de auto uitsteekt, mag de actieve parkeer-
assistent niet worden gebruikt.
RDe actieve parkeerassistent niet gebruiken
als sneeuwkettingen gemonteerd zijn.
RAltijd zorgdragen voor een correcte ban-
denspanning. Deze is van invloed op het
parkeergedrag van de auto.
De actieve parkeerassistent gebruiken voor
parkeerplaatsen die:
Rparallel aan of dwars op de rijrichting liggen
Rzich in rechte straten bevinden, dus niet in
bochten
Rop dezelfde hoogte liggen als de straat, dus
bijvoorbeeld niet op de stoep liggen.
Parkeerplaats herkennen
Voorwerpen die zich boven het herkennings-
gebied van de actieve parkeerassistent bevin-
den, kunnen bij het opmeten van de parkeer-
plaats niet worden herkend. Hiermee wordt
daarom ook geen rekening gehouden bij het
berekenen van de parkeerprocedure. Dit
geldt bijvoorbeeld voor uitstekende lading,
overhangen of laadplatforms van vrachtwa-
gens.
GWAARSCHUWING
Als zich objecten boven het herkenningsge-
bied bevinden, kan:
Rde actieve parkeerassistent te vroeg instu-
ren
Rde auto niet afremmen en stoppen voor
deze objecten.
Daardoor kunt u een aanrijding veroorzaken.
Er bestaat gevaar voor ongevallen!
Als zich objecten boven het herkenningsge-
bied bevinden, stoppen en de actieve par-
keerassistent uitschakelen.
Meer informatie over het herkenningsgebied
(Ypagina 252).
256 Rijsystemen
Rijden en parkeren
De actieve parkeerassistent biedt bij parkeer-
plaatsen dwars op de rijrichting geen onder-
steuning, als:
Rer twee parkeerplaatsen direct naast
elkaar liggen
Rde parkeerplaats zich direct naast een lage
begrenzing bevindt, bijvoorbeeld een lage
stoeprand
Rvooruit wordt ingeparkeerd.
De actieve parkeerassistent biedt bij parkeer-
plaatsen parallel aan of dwars op de rijrichting
geen ondersteuning, als:
Rde parkeerplaats op de stoep ligt
Rde parkeerplaats voor het systeem geblok-
keerd lijkt, bijvoorbeeld door bladeren of
gras met gaatstenen
Rhet oppervlak dat de auto nodig heeft om
te manoeuvreren te klein is
Rde parkeerplaats door een obstakel bij-
voorbeeld een boom, paal of aanhangwa-
gen, wordt begrensd.
:Gevonden parkeerplaats links
;Parkeersymbool
=Gevonden parkeerplaats rechts
De actieve parkeerassistent is automatisch
ingeschakeld bij het vooruitrijden. Het sys-
teem werkt tot een snelheid van circa
35 km/h. Het zoekt en meet daarbij zelfstan-
dig aanwezige parkeerplaatsen aan beide zij-
den van de auto.
Om ervoor te zorgen dat een parkeerplaats
door de actieve parkeerassistent wordt her-
kend, moet de parkeerplaats:
Rparallel aan of dwars op de rijrichting liggen
Rals deze parallel aan de rijrichting ligt ten
minste 1,5 m breed zijn
Rals deze parallel aan de rijrichting ligt ten
minste 1,0 m langer zijn dan de auto
Rals deze dwars op de rijrichting ligt ten min-
ste 1,0 m breder zijn dan de auto.
iEraan denken dat de actieve parkeeras-
sistent bij parkeerplaatsen die dwars op de
rijrichting liggen niet de diepte van de par-
keerplaats kan meten. U moet zelf beoor-
delen of uw auto in de parkeerplaats past.
Bij een snelheid beneden 30 km/h verschijnt
parkeersymbool ;in het instrumentenpa-
neel als statusindicatie. Als een parkeer-
plaats is herkend, wordt bovendien een pijl
naar rechts of links weergegeven. De actieve
parkeerassistent geeft standaard alleen par-
keerplaatsen aan de passagierszijde aan. Par-
keerplaatsen aan de bestuurderszijde wor-
den weergegeven, zodra de linker richting-
aanwijzer wordt ingeschakeld. Als u aan
bestuurderszijde wilt inparkeren, moet deze
ingeschakeld blijven, totdat het gebruik van
de actieve parkeerassistent met de toets
aop het multifunctioneel stuurwiel is
bevestigd. Het systeem analyseert automa-
tisch of het een parkeerplaats parallel aan of
dwars op de rijrichting betreft.
Een parkeerplaats wordt tijdens het voorbij
rijden weergegeven, tot de auto circa 15 m
van de parkeerplaats verwijderd is.
Rijsystemen 257
Rijden en parkeren
Z
Parkeren
GWAARSCHUWING
Als u de auto verlaat terwijl deze alleen door
de actieve parkeerassistent wordt afgeremd,
kan deze wegrollen als:
Reen storing in het systeem of in de span-
ningsvoorziening optreedt
Rer werkzaamheden aan de elektrische
installatie in de motorruimte, aan de accu
of aan de zekeringen worden uitgevoerd
Rde accukabels worden losgemaakt
Rgas wordt gegeven, bijvoorbeeld door een
inzittende.
Er bestaat gevaar voor ongevallen!
De auto altijd beveiligen tegen wegrollen,
voordat deze wordt verlaten.
iAls de PARKTRONIC obstakels herkent,
remt de actieve parkeerassistent bij het
inparkeren zelfstandig af. De bestuurder is
zelf verantwoordelijk voor het tijdig rem-
men.
XDe auto tot stilstand brengen zolang de
gewenste parkeerplaats door het parkeer-
symbool in het instrumentenpaneel wordt
weergegeven.
XDe transmissie in stand Rzetten.
Op het multifunctioneel display verschijnt
de melding Parkeerassist. start?Parkeerassist. start?
Ja: OK Nee:Ja: OK Nee:%.
XProcedure afbreken: Toets %in het
multifunctioneel stuurwiel indrukken of
wegrijden.
of
XMet ondersteuning van de actieve par-
keerassistent parkeren: Toets ain
het multifunctioneel stuurwiel indrukken.
Op het multifunctioneel display verschijnt
de melding Parkeerassist. actiefParkeerassist. actief
GasGas gevengeven enen remmenremmen Omgev.Omgev. inin achtacht
nemennemen.
XHet multifunctioneel stuurwiel loslaten.
XAchteruitrijden en hierbij altijd klaar zijn om
direct te kunnen remmen. Bij het achter-
uitrijden circa 10 km/h of langzamer rij-
den. Anders wordt de actieve parkeeras-
sistent afgebroken.
De actieve parkeerassistent remt de auto
af tot stilstand zodra de achterste begren-
zing van de parkeerplaats wordt benaderd.
In kleine parkeerplaatsen kan het nu nodig
zijn te manoeuvreren.
Op het multifunctioneel display verschijnt de
melding Parkeerassistent actiefParkeerassistent actief
Selecteer schakelstand D Letten opSelecteer schakelstand D Letten op
omgevingomgeving.
XAls de auto stilstaat de transmissie in stand
Dzetten.
De actieve parkeerassistent stuurt direct in
de andere richting.
Op het multifunctioneel display verschijnt
de melding Parkeerassist. actiefParkeerassist. actief
GasGas gevengeven enen remmenremmen Omgev.Omgev. inin achtacht
nemennemen.
iU bereikt het beste parkeerresultaat als u
vóór het wegrijden de volledige stuurbewe-
ging afwacht.
XVooruitrijden en hierbij altijd klaar zijn om
direct te kunnen remmen.
De actieve parkeerassistent remt de auto
af tot stilstand.
Op het multifunctioneel display verschijnt de
melding Parkeerassist. actiefParkeerassist. actief
Select. schakelstand R Omgev. inSelect. schakelstand R Omgev. in
acht nemenacht nemen.
Zodra het parkeren is beëindigd, verschijnt op
het multifunctioneel display de melding Par‐Par‐
keerassistent beëindigdkeerassistent beëindigd en klinkt er een
waarschuwingssignaal. De auto is nu gepar-
keerd. De auto wordt op zijn plaats gehouden
zonder dat u het rempedaal hoeft te bedie-
nen. De remwerking wordt opgeheven als gas
wordt gegeven.
De actieve parkeerassistent ondersteunt u nu
niet meer met stuur- en remingrepen. Als de
actieve parkeerassistent beëindigd wordt,
moet u in elk geval weer zelf sturen en rem-
men. De PARKTRONIC is nog steeds beschik-
baar.
258 Rijsystemen
Rijden en parkeren
Inparkeeraanwijzingen:
RHoe uw auto na het parkeren in de par-
keerplaats komt te staan, is afhankelijk van
verschillende factoren. Met name de plaats
en vorm van de ervoor en erachter gepar-
keerde auto's en van de plaatselijke
omstandigheden. Het kan voorkomen dat
de actieve parkeerassistent de auto te ver
of niet ver genoeg in de parkeerplaats
stuurt. Eventueel stuurt hij de auto ook over
of op de stoeprand. Eventueel de parkeer-
procedure met de actieve parkeerassistent
afbreken.
RTransmissiestand Dkan ook vroegtijdig
worden ingeschakeld. De auto verandert
dan van richting en rijdt niet zo ver in de
parkeerplaats. Als te vroeg wordt gescha-
keld, wordt het parkeren afgebroken. Een
zinvolle parkeerstand is vanuit deze positie
niet meer mogelijk.
Uitparkeren
Om ervoor te zorgen dat de actieve parkeer-
assistent u bij het uitparkeren ondersteunt:
Rmoet de begrenzing van de parkeerplaats
naar voren en achteren hoog genoeg zijn.
Een stoeprand is bijvoorbeeld niet vol-
doende.
Rmag de begrenzing van de parkeerplaats
niet te breed zijn, omdat de auto door het
manoeuvreren maximaal onder een hoek
van 45° ten opzichte van de uitgangsposi-
tie in de parkeerplaats kan worden
gedraaid.
Rmoet ten minste een manoeuvreerafstand
van 1,0 m beschikbaar zijn.
Alleen als met de actieve parkeerassistent
parallel is ingeparkeerd, kan deze ook bij het
uitparkeren ondersteunen.
iAls de PARKTRONIC obstakels herkent,
remt de actieve parkeerassistent bij het
uitparkeren zelfstandig af. De bestuurder is
zelf verantwoordelijk voor het tijdig rem-
men.
XDe motor starten.
XDe richtingaanwijzer inschakelen in de uit-
parkeerrichting.
XDe transmissie in stand Dof Rzetten.
Op het multifunctioneel display verschijnt
de melding Parkeerassist. starten?Parkeerassist. starten?
Ja: OK Nee:Ja: OK Nee:%.
XProcedure afbreken: Toets %in het
multifunctioneel stuurwiel indrukken of
wegrijden.
of
XMet ondersteuning van de actieve par-
keerassistent uitparkeren: Toets ain
het multifunctioneel stuurwiel indrukken.
Op het multifunctioneel display verschijnt
de melding Parkeerassist. actiefParkeerassist. actief
GasGas gevengeven enen remmenremmen Omgev.Omgev. inin achtacht
nemennemen.
XHet multifunctioneel stuurwiel loslaten.
XWegrijden en hierbij altijd klaar zijn om
direct te kunnen remmen. Bij het uitparke-
ren een snelheid van circa 10 km/h niet
overschrijden. Anders wordt de actieve
parkeerassistent afgebroken.
XAfhankelijk van de melding of de situatie de
transmissie in stand Dof Rzetten als de
auto stilstaat.
De actieve parkeerassistent stuurt direct in
de andere richting. Op het multifunctioneel
display verschijnt de melding Parkeeras‐Parkeeras‐
sist. actief Gas geven en remmensist. actief Gas geven en remmen
Omgev. in acht nemenOmgev. in acht nemen.
iU bereikt het beste uitparkeerresultaat
als u vóór het wegrijden de volledige stuur-
beweging afwacht.
Als na de activering eerst achteruit wordt
gereden, wordt het stuurwiel rechtuit
gezet.
XOvereenkomstig de waarschuwingsmeldin-
gen van het PARKTRONIC-systeem, zo
nodig meerdere keren voor- en achteruit-
rijden.
Zodra het uitparkeren is afgesloten, wordt het
stuurwiel rechtuit gezet. Op het multifunctio-
neel display verschijnt de melding Parkeer‐Parkeer‐
Rijsystemen 259
Rijden en parkeren
Z
assistentassistent beëindigdbeëindigd en er klinkt een waar-
schuwingssignaal. U moet dan direct zelf stu-
ren en in het stromende verkeer invoegen. De
PARKTRONIC is nog steeds beschikbaar. U
kunt reeds voor beëindiging van het uitpar-
keren zelf weer sturen. Dat kan van pas
komen als u ziet, dat het wegrijden bij de par-
keerplaats al mogelijk is.
Actieve parkeerassistent afbreken
XHet multifunctioneel stuurwiel vasthouden
of zelf sturen.
De actieve parkeerassistent wordt direct
afgebroken. Op het multifunctioneel dis-
play verschijnt de melding Parkeerassis‐Parkeerassis‐
tent onderbrokentent onderbroken.
of
XDe toets van de PARKTRONIC indrukken
(Ypagina 254).
De PARKTRONIC wordt uitgeschakeld en
de actieve parkeerassistent wordt direct
afgebroken. Op het multifunctioneel dis-
play verschijnt de melding Parkeerassis‐Parkeerassis‐
tent onderbrokentent onderbroken.
De actieve parkeerassistent wordt automa-
tisch afgebroken als:
Rde elektrische parkeerrem bediend wordt
Rde transmissiestand Pgeselecteerd is
Rmet de actieve parkeerassistent geen par-
keren meer mogelijk is
Rsneller dan 10 km/h wordt gereden
Reen wiel doordraait, het ESP®regelt of uit-
valt. Waarschuwingslampje ÷ver-
schijnt in het instrumentenpaneel.
Er klinkt een waarschuwingssignaal. Het par-
keersymbool dooft en op het multifunctioneel
display verschijnt de melding Parkeeras‐Parkeeras‐
sistent onderbrokensistent onderbroken.
Als de actieve parkeerassistent wordt afge-
broken, moet u in elk geval weer zelf sturen
en remmen.
Als zich een storing in het systeem voordoet,
wordt de auto afgeremd tot stilstand. Om ver-
der te rijden opnieuw het gaspedaal indruk-
ken.
Achteruitrijcamera
Algemene aanwijzingen
Achteruitrijcamera :bevindt zich in de
handgreep van de achterklep.
Achteruitrijcamera :is een optische par-
keer- en manoeuvreerhulp. Deze toont op het
COMAND Online-display het gebied achter de
auto met hulplijnen.
Het gebied achter de auto wordt zoals in de
binnenspiegel in spiegelbeeld weergege-
ven.
iDe tekstboodschap op het COMAND-dis-
play is afhankelijk van de ingestelde taal.
De volgende weergaven van de achteruit-
rijcamera op het COMAND-display zijn
voorbeelden.
Belangrijke veiligheidsvoorschriften
De achteruitrijcamera is slechts een hulpmid-
del. De bestuurder moet altijd zelf goed op de
directe omgeving blijven opletten. De
bestuurder blijft te allen tijde verantwoorde-
lijk voor het veilig manoeuvreren en parkeren.
Bij het manoeuvreren of parkeren mogen zich
geen personen, dieren of voorwerpen in het
manoeuvreergebied bevinden; dit controle-
ren.
260 Rijsystemen
Rijden en parkeren
De achteruitrijcamera functioneert niet of
slechts beperkt als:
Rde achterklep geopend is
Rhet hevig regent, sneeuwt of mistig is
Rhet nacht is of er met de auto op een zeer
donkere plaats wordt gereden
Rde camera wordt blootgesteld aan fel licht
Rde omgeving met een fluorescerend licht,
bijvoorbeeld van TL-buizen of LED-verlich-
ting wordt belicht (er kan een flikkering op
het display verschijnen)
Rer een snelle temperatuurwisseling ont-
staat, bijvoorbeeld als er in de winter een
verwarmde garage wordt ingereden
Rde cameralens vervuild of afgedekt is. De
aanwijzingen m.b.t. het reinigen in acht
nemen (Ypagina 425)
Rde achterzijde van de auto beschadigd is.
In dit geval de stand en afstelling van de
camera bij een gekwalificeerde werkplaats
laten controleren.
Door achterop de auto gemonteerde aan-
bouwdelen (bijvoorbeeld kentekenplaathou-
der, fietsdrager), kunnen het gezichtsveld en
verdere functies van de achteruitrijcamera
worden beperkt.
iDe achteruitrijcamera wordt door een
klep beschermd tegen regendruppels en
stof. Wanneer de achteruitrijcamera wordt
ingeschakeld, gaat deze klep open.
De klep sluit weer als:
Rhet manoeuvreren is beëindigd
Rde motor wordt afgezet.
De aanwijzingen m.b.t. het reinigen in acht
nemen (Ypagina 425).
Om technische redenen kan de klep na het
uitschakelen van de achteruitrijcamera nog
korte tijd geopend blijven.
Achteruitrijcamera in- en uitschakelen
XInschakelen: De sleutel in het contactslot
moet in stand 2staan.
XControleren, of in het COMAND Online de
functie Activeren door schakelstandActiveren door schakelstand
RRis geselecteerd (zie de afzonderlijke
handleiding).
XDe achteruitversnelling inschakelen.
De klep van de achteruitrijcamera wordt
geopend. Op het COMAND-display wordt
de omgeving achter de auto weergegeven
met hulplijnen.
Het beeld van de achteruitrijcamera is tij-
dens het manoeuvreren de hele tijd
beschikbaar.
XFunctiemodus omschakelen bij auto's
met trekhaak: Met de COMAND-control-
ler symbool :voor de functie "Achteruit
inparkeren" of symbool ;voor de functie
"Aanhangwagen aankoppelen" selecteren.
Het symbool van de geselecteerde functie
wordt geaccentueerd.
Meer informatie over de COMAND-controller
vindt u in de afzonderlijke handleiding.
Uitschakelen: De achteruitrijcamera wordt
uitgeschakeld als de transmissie in stand P
wordt gezet of als kort vooruit is gereden.
Rijsystemen 261
Rijden en parkeren
Z
Weergaven op het COMAND-display
De achteruitrijcamera kan obstakels ver-
vormd, niet correct of zelfs geheel niet weer-
geven. Op de volgende plaatsen toont de ach-
teruitrijcamera obstakels niet:
Rzeer dicht bij de achterbumper
Ronder de achterbumper
Rnet boven de handgreepkom van de ach-
terklep.
!Voorwerpen die de grond niet raken lijken
verder verwijderd dan ze in werkelijkheid
zijn, bijvoorbeeld:
Rde bumper van een geparkeerde auto
Rde aanhangwagendissel van een aan-
hangwagen
Rde kogelkop van een trekhaak
Rde achterzijde van een vrachtwagen
Reen scheefstaande paal.
De gebruiken slechts ter oriëntatie gebrui-
ken. Voorwerpen niet dichter als de onder-
ste hulplijn naderen.
:Gele hulplijn op circa 4,0 m afstand tot de
achterzijde
;Witte hulplijn zonder stuurwielverdraai-
ing, breedte over de buitenspiegels (sta-
tisch)
=Gele hulplijn voor de breedte over de bui-
tenspiegels, bij actuele stuurwielverdraai-
ing (dynamisch)
?Geel rijspoor van de banden bij actuele
stuurwielverdraaiing (dynamisch)
AGele hulplijn op circa 1,0 m afstand tot de
achterzijde
BHartlijn van de auto (richthulp)
CBumper
DRode hulplijn op circa 0,30 m afstand tot
de achterzijde
De hulplijnen worden weergegeven, wanneer
de transmissie in stand Rstaat.
De afstanden gelden alleen voor objecten die
zich op bodemhoogte bevinden.
:Waarschuwingsmeldingen voor
;Extra PARKTRONIC weergave meetge-
reedheid
=Waarschuwingsmeldingen achter
Auto's met PARKTRONIC-systeem: Als het
PARKTRONIC-systeem gereed is voor de
meting (Ypagina 253), verschijnt op het
COMAND-display de extra weergave meetge-
reedheid ;. Wanneer de betreffende waar-
schuwingsmeldingen van de PARKTRONIC
actief zijn, zijn de waarschuwingsmeldin-
gen :en =op het COMAND-display even-
eens actief of branden ze overeenkomstig.
262 Rijsystemen
Rijden en parkeren
Functie "Achteruit inparkeren"
Zonder stuurwielverdraaiing recht achter-
uit parkeren
:Witte hulplijn zonder stuurwielverdraai-
ing, breedte over de buitenspiegels (sta-
tisch)
;Gele hulplijn voor de breedte over de bui-
tenspiegels, bij actuele stuurwielverdraai-
ing (dynamisch)
=Gele hulplijn op circa 1,0 m afstand tot de
achterzijde
?Rode hulplijn op circa 0,30 m afstand tot
de achterzijde
XDe achteruitrijcamera moet ingeschakeld
zijn (Ypagina 261).
Het rijspoor en de hulplijnen worden weer-
gegeven.
XMet behulp van de witte hulplijn :con-
troleren of de auto in de parkeerplaats
past.
XZo lang voorzichtig achteruitrijden en daar-
bij op de witte hulplijn :oriënteren, tot de
eindstand is bereikt.
De rode hulplijn ?bevindt zich dan aan het
einde van de parkeerplaats. De auto staat
nagenoeg recht in de parkeerplaats.
Met stuurwielverdraaiing achteruit inpar-
keren
:Parkeerplaatsmarkering
;Gele hulplijn voor de breedte over de bui-
tenspiegels, bij actuele stuurwielverdraai-
ing (dynamisch)
XDe auto voorbij de parkeerplaats tot stil-
stand brengen.
XDe achteruitrijcamera moet ingeschakeld
zijn (Ypagina 261).
Het rijspoor en de hulplijnen worden weer-
gegeven.
XAls de auto stilstaat het stuurwiel zo ver in
de richting van de parkeerplaats inslaan,
tot de rode hulplijn ;parkeerplaatsmar-
kering :bereikt.
XHet stuurwiel in deze stand houden en
voorzichtig achteruit rijden.
:Gele hulplijn voor de breedte over de bui-
tenspiegels, bij actuele stuurwielverdraai-
ing (dynamisch)
Rijsystemen 263
Rijden en parkeren
Z
XAls de auto ongeveer recht voor de par-
keerplaats staat, stoppen.
Het witte rijspoor moet zo parallel mogelijk
aan de parkeerplaatsmarkering liggen.
:Witte hulplijn bij actuele stuurwielver-
draaiing
;Parkeerplaatsmarkering
XAls de auto stilstaat het stuurwiel in de
rechtuitstand draaien.
:Rode hulplijn op circa 0,30 m afstand tot
de achterzijde
;Witte hulplijn zonder stuurwielverdraaiing
=Einde van de parkeerplaats
XZo lang voorzichtig achteruitrijden, tot de
eindpositie is bereikt.
De rode hulplijn :bevindt zich dan aan het
einde van de parkeerplaats =. De auto
staat nagenoeg recht in de parkeerplaats.
Functie "Aanhangwagen aankoppelen"
:Hartlijn van de auto op de gele hulplijn op
circa 1,0 m afstand tot de achterzijde
;Aanhangwagendissel
Deze functie is alleen beschikbaar bij auto's
met trekhaak.
XDe hoogte van aanhangwagendissel vóór
het aankoppelen van de aanhangwa-
gen ;zo instellen, dat deze iets hoger
staat dan kogelkop.
XDe auto in het midden voor aanhangwa-
gendissel ;plaatsen.
:Rode hulplijn op circa 0,30 m afstand tot
de kogelkop
;Aanhangwagendissel-richthulp
=Aanhangwagendissel
?Symbool voor de functie "Aanhangwagen
aankoppelen"
AKogelkop
264 Rijsystemen
Rijden en parkeren
XMet de COMAND-controller symbool ?
selecteren (zie de afzonderlijke handlei-
ding).
De functie "Aanhangwagen aankoppelen"
is gekozen. De afstanden gelden nu voor
objecten die zich op hoogte van de kogel-
kop bevinden.
XVoorzichtig achteruitrijden, daarbij moet
aanhangwagendissel-richthulp ;onge-
veer op aanhangwagendissel =wijzen.
XZo lang voorzichtig achteruitrijden, tot aan-
hangwagendissel =de rode hulplijn
bereikt.
De afstand tussen de aanhangwagendissel
en de rode hulplijn bedraagt nu circa
0,30 m.
XDe aanhangwagen aankoppelen
(Ypagina 301).
Functie Groothoek
:Symbool voor de functie groothoekweer-
gave
;PARKTRONIC waarschuwingsmeldingen
Met de achteruitrijcamera kan ook een groot-
hoekweergave worden geselecteerd.
Als de PARKTRONIC gereed is voor de meting
(Ypagina 253), verschijnt het symbool van de
eigen auto op het COMAND-display. Wanneer
de waarschuwingsmeldingen van het PARK-
TRONIC-systeem actief zijn, branden de
waarschuwingsmeldingen ;op het
COMAND-display overeenkomstig geel of
rood.
Objectherkenning
De achteruitrijcamera kan bewegende en
niet-bewegende objecten herkennen. Als bij-
voorbeeld een persoon of een andere auto
wordt herkend, worden deze objecten aan de
hand van lijnen gemarkeerd. Alleen als de
eigen auto rijdt, kunnen niet bewogen objec-
ten worden herkend en gemarkeerd. Bewo-
gen objecten worden echter altijd herkend en
gemarkeerd.
Om de functie te kunnen gebruiken, moet
deze in het COMAND Online ingeschakeld zijn
(zie de afzonderlijke handleiding).
360°-camera (Surround View)
Algemene aanwijzingen
De 360°-camera is een camerasysteem, dat
bestaat uit vier camera's.
Het systeem verwerkt de beelden van de vol-
gende camera's:
RAchteruitrijcamera
RFrontcamera
RTwee camera's in de buitenspiegels.
De camera's registreren de directe omgeving
van de auto. Het systeem ondersteunt u bij-
voorbeeld bij het parkeren of bij slecht over-
zichtelijke uitritten.
Beelden van de 360°-camera kunnen als vol-
ledig scherm of in zeven verschillende Split-
screen-weergaven op het COMAND-display
worden weergegeven. Een Splitscreen-weer-
gave bevat tevens een bovenaanzicht van de
auto. Deze wordt berekend uit de data van de
gemonteerde camera's (virtuele camera).
De 7 Splitscreen-weergaven zijn:
RBovenaanzicht en beeld van de achteruit-
rijcamera (130°-kijkhoek)
RBovenaanzicht en beeld van de achteruit-
rijcamera (130°-kijkhoek zonder weergave
van de maximale stuurhoek)
RBovenaanzicht en vergroot achteraanzicht
RBovenaanzicht en vergroot vooraanzicht
Rijsystemen 265
Rijden en parkeren
Z
RBovenaanzicht en aanhangwagenaanzicht
(auto's met trekhaak)
RBovenaanzicht en beelden van de spiegel-
camera's naar achteren (velgenaanzicht
van de achterwielen)
RBovenaanzicht en beelden van de spiegel-
camera's naar voren (velgenaanzicht van
de voorwielen).
Als bij geactiveerde functie vanuit transmis-
siestand Dof Rnaar Nwordt geschakeld,
verschijnt op het COMAND-display de weer-
gave die vóór de 360°-weergave actief was.
De dynamische hulplijnen worden uitgescha-
keld.
Wanneer tussen de transmissiestanden Den
Rwordt geschakeld, verschijnt telkens het
laatst geselecteerde voor- of achteraanzicht.
Belangrijke veiligheidsvoorschriften
De 360°-camera is slechts een hulpmiddel en
toont mogelijkerwijs obstakels in een ander
perspectief, niet goed of geheel niet. Bij
gebruik van de 360°-camera moet u altijd zelf
goed blijven opletten.
De bestuurder blijft te allen tijde verantwoor-
delijk voor het veilig manoeuvreren en parke-
ren. Bij het manoeuvreren of parkeren mogen
zich geen personen, dieren of voorwerpen in
het manoeuvreergebied bevinden; dit contro-
leren.
De bestuurder draagt te allen tijde de verant-
woordelijkheid voor de veiligheid en moet
bovendien zelf bij het parkeren en manoeu-
vreren letten op obstakels in de directe omge-
ving. Dit geldt voor de gebieden achter, voor
en aan de zijkant van de auto. Anders kan dit
gevaar voor u en voor anderen opleveren.
De 360°-camera functioneert niet of slechts
beperkt als:
Rde portieren geopend zijn
Rde buitenspiegels ingeklapt zijn
Rde achterklep geopend is
Rhet hevig regent, sneeuwt of mistig is
Rhet nacht is of er met de auto op een zeer
donkere plaats wordt gereden
Rde camera's worden blootgesteld aan fel
licht
Rde omgeving met een fluorescerend licht,
bijvoorbeeld van TL-buizen of LED-verlich-
ting wordt belicht (er kan een flikkering op
het display verschijnen)
Rde cameralenzen beslaan, bijvoorbeeld als
in de winter een verwarmde garage wordt
ingereden en een snelle temperatuurwis-
seling optreedt
Rde cameralenzen vervuild of afgedekt zijn
Rdie onderdelen van de auto beschadigd
zijn, waarin de camera's zijn gemonteerd.
In dit geval de stand en afstelling van de
camera's bij een gekwalificeerde werk-
plaats laten controleren.
In deze situaties de 360°-camera niet gebrui-
ken. Anders kunt u anderen tijdens het par-
keren verwonden of voorwerpen en de auto
beschadigen.
De hulplijnen worden op rijbaanhoogte weer-
gegeven.
De hulplijnen in de aanhangwagenmodus
worden ter hoogte van de aanhangwagen-
koppeling afgebeeld.
De camera's aan de voor- en achterzijde wor-
den beschermd door een klep. Wanneer de
360°-camera wordt ingeschakeld, worden
deze kleppen geopend. De aanwijzingen
m.b.t. het reinigen in acht nemen
(Ypagina 425). Om technische redenen kun-
nen de kleppen na het uitschakelen van de
360°-camera nog korte tijd geopend blijven.
Inschakelvoorwaarden
Het beeld van de 360°-camera kan worden
weergegeven, als:
Rhet COMAND Online ingeschakeld bevindt
zich (zie de afzonderlijke handleiding).
Rde functie AchteruitrijcameraAchteruitrijcamera inge-
schakeld is.
iAls de 360°-camera boven een snelheid
van 30 km/h wordt ingeschakeld, ver-
schijnt een waarschuwingsmelding.
266 Rijsystemen
Rijden en parkeren
De waarschuwingsmelding verdwijnt als:
Rde snelheid lager wordt dan 30 km/h. De
360°-camera wordt daarbij ingescha-
keld
Rde melding met de toets awordt
bevestigd.
360°-camera inschakelen met de func-
tietoets
XToets :indrukken.
Afhankelijk van het feit of de schakelstand
Dof Ris ingeschakeld, verschijnt:
Rhet volledige scherm met beeld van de
frontcamera
Rhet volledige scherm met beeld van de
achteruitrijcamera.
iUit het volledig scherm kan worden
gewisseld naar de Splitscreen-weergave.
360°-camera inschakelen met het
COMAND Online
XIn de voertuigcarrousel Achteruitrijca‐Achteruitrijca‐
meramera selecteren: De controller draaien en
indrukken.
Afhankelijk van het feit of de schakelstand
Dof Ris ingeschakeld, verschijnt:
Reen Splitscreen met bovenaanzicht en
het beeld van de frontcamera of
Reen Splitscreen met bovenaanzicht en
het beeld van de achteruitrijcamera.
Meer informatie over de COMAND-controller
vindt u in de afzonderlijke handleiding.
360°-camera inschakelen met de ach-
teruitversnelling
De beelden van de 360°-camera kunnen
automatisch worden weergegeven door het
inschakelen van de achteruitversnelling.
XDe contactsleutel moet in stand 2staan; dit
controleren.
XControleren, of in het COMAND Online de
functie Activeren door schakelstandActiveren door schakelstand
RRis geselecteerd (zie de afzonderlijke
handleiding).
XBeeld van de 360°-camera weergeven:
De achteruitversnelling inschakelen.
Op het COMAND-display wordt de omge-
ving achter de auto in het splitscreen weer-
gegeven. U ziet het bovenaanzicht op de
auto en het beeld van de achteruitrijca-
mera.
Splitscreens en volledig scherm selec-
teren
Omschakelen naar Splitscreen-weergave:
XOm naar de regel met de autosymbolen te
gaan: De controller schuiven ZV.
XAutosymbool selecteren: De controller
draaien.
Omschakelen naar volledig scherm:
XVolledig beeldVolledig beeld selecteren door de con-
troller te draaien en in te drukken.
iDe selectie volledig scherm is alleen
beschikbaar in de volgende weergaven:
RBovenaanzicht met beeld van de achter-
uitrijcamera
RBovenaanzicht met beeld van de front-
camera
Rijsystemen 267
Rijden en parkeren
Z
Weergaven op het COMAND-display
Belangrijke veiligheidsvoorschriften
Het camerasysteem kan obstakels vervormd,
niet correct of zelfs geheel niet weergeven.
Op de volgende plaatsen geeft het systeem
geen obstakels weer:
Ronder de voor- en achterbumper
Rzeer dicht bij de voor- en achterbumper
Rnet boven de handgreepkom van de ach-
terklep
Rvlakbij de buitenspiegels
Rin de overgangsgebieden tussen verschil-
lende camera's bij het virtuele bovenaan-
zicht.
!Voorwerpen die de grond niet raken lijken
verder verwijderd dan ze in werkelijkheid
zijn, bijvoorbeeld:
Rde bumper van een geparkeerde auto
Rde aanhangwagendissel van een aan-
hangwagen
Rde kogelkop van een trekhaak
Rde achterzijde van een vrachtwagen
Reen scheefstaande paal.
De gebruiken slechts ter oriëntatie gebrui-
ken. Voorwerpen niet dichter als de onder-
ste hulplijn naderen.
Bovenaanzicht met beeld van de achter-
uitrijcamera
:Gele hulplijn op circa 4,0 m afstand tot de
achterzijde
;Symbool voor de instelling Splitscreen
met bovenaanzicht en beeld van de ach-
teruitrijcamera
=Hulplijn van de maximale stuurwielver-
draaiing
?Geel rijspoor van de banden bij actuele
stuurwielverdraaiing (dynamisch)
AGele hulplijn voor de breedte over de bui-
tenspiegels, bij actuele stuurwielverdraai-
ing (dynamisch)
BHartlijn van de auto (richthulp)
CGele hulplijn op circa 1,0 m afstand tot de
achterzijde
DBumper
ERode hulplijn op circa 0,30 m afstand tot
de achterzijde
De hulplijnen worden weergegeven, wanneer
de transmissie in stand Rstaat.
De afstanden gelden alleen voor objecten die
zich op bodemhoogte bevinden.
268 Rijsystemen
Rijden en parkeren
Bovenaanzicht met beeld van de frontca-
mera
:Symbool voor de instelling Splitscreen
met bovenaanzicht en beeld van de front-
camera
;Gele hulplijn op circa 4,0 m afstand tot de
voorzijde
=Gele hulplijn voor de breedte over de bui-
tenspiegels, bij actuele stuurwielverdraai-
ing (dynamisch)
?Geel rijspoor van de banden bij actuele
stuurwielverdraaiing (dynamisch)
ARode hulplijn op circa 0,30 m afstand tot
de voorzijde
BGele hulplijn op circa 1,0 m afstand tot de
voorzijde
Bovenaanzicht en vergroot achteraan-
zicht
:Symbool voor de instelling Splitscreen
met bovenaanzicht en beeld van de ach-
teruitrijcamera vergroot
;Rode hulplijn op circa 0,30 m afstand tot
de achterzijde
Met dit aanzicht kan de afstand tot de auto
erachter beter worden beoordeeld
iDeze instelling kan ook als vergroot voor-
aanzicht worden geselecteerd.
Bovenaanzicht met beeld van de spiegel-
camera's
:Symbool voor de instelling bovenaanzicht
met beeld van de spiegelcamera's naar
voren
;Gele hulplijn voor de breedte over de bui-
tenspiegels (rechterzijde van de auto)
=Gele hulplijn voor de breedte over de bui-
tenspiegels (linkerzijde van de auto)
iBij de instelling van de spiegelcamera's
kan ook voor het zicht naar achteren wor-
den gekozen.
Functie "Aanhangwagen aankoppelen"
:Hartlijn van de auto op de gele hulplijn op
circa 1,0 m afstand tot de achterzijde
;Aanhangwagendissel
=Rode hulplijn op circa 0,30 m afstand tot
de achterzijde
Rijsystemen 269
Rijden en parkeren
Z
XDe hoogte van aanhangwagendissel ;zo
instellen, dat deze iets hoger staat dan
kogelkop.
XDe auto in het midden voor aanhangwa-
gendissel ;plaatsen.
:Symbool voor de instelling aanhangwa-
genaanzicht
;Aanhangwagendissel-richthulp
=Kogelkop
?Rode hulplijn op circa 0,30 m afstand tot
de kogelkop
XMet de COMAND-controller symbool :
selecteren (zie de afzonderlijke handlei-
ding).
De functie "Aanhangwagen aankoppelen"
is gekozen. De afstanden gelden nu voor
objecten die zich op hoogte van de kogel-
kop bevinden.
XVoorzichtig achteruitrijden, daarbij moet
aanhangwagendissel-richthulp ;onge-
veer op aanhangwagendissel wijzen.
XZo lang voorzichtig achteruitrijden, tot de
aanhangwagendissel de rode hulplijn ?
bereikt.
De afstand tussen de aanhangwagendissel
en de rode hulplijn bedraagt nu circa
0,30 m.
XDe aanhangwagen aankoppelen
(Ypagina 301).
De lijnen worden ter hoogte van de aanhang-
wagenkoppeling afgebeeld.
Functie Groothoek
:Symbool voor de instelling volledig
scherm met beeld van de achteruitrijca-
mera
;PARKTRONIC waarschuwingsmeldingen
Als de auto met het PARKTRONIC-systeem is
uitgerust en de functie ingeschakeld is
(Ypagina 254), zijn de waarschuwingsmel-
dingen ;op het COMAND-display eveneens
actief of branden ze overeenkomstig.
De PARKTRONIC verschijnt:
Rin het Splitscreen als rode of gele haak om
het autosymbool in het bovenaanzicht of
Rin het volledige scherm rechtsonder als
rode of gele haak om het autosymbool.
iHet volledige scherm kan ook als voor-
aanzicht worden geselecteerd.
Deze weergave bijvoorbeeld kiezen, als uit
een uitrit wordt gereden en het zicht op het
kruisende verkeer beperkt is.
iAls op het display het symbool %
wordt geselecteerd en met de COMAND-
controller wordt bevestigd, verschijnt de
Splitscreen-weergave.
Weergave van de 360°-camera beëindi-
gen
Zodra de auto bij geactiveerde camerafunctie
sneller rijdt dan 30 km/h, wordt de functie
uitgeschakeld. Op het COMAND-display ver-
schijnt de weergave die vóór de weergave van
de 360°-camera actief was. Vanuit de Split-
screen-weergave kan de 360°-camera wor-
270 Rijsystemen
Rijden en parkeren
den beëindigd. door op het display het sym-
bool %te selecteren en met de COMAND-
controller te bevestigen.
De weergave van de 360°-camera wordt ook
beëindigd als transmissiestand Pwordt gese-
lecteerd.
ATTENTION ASSIST
Algemene aanwijzingen
De ATTENTION ASSIST ondersteunt u bij
lange, monotone ritten op bijvoorbeeld auto-
snelwegen. De ATTENTION ASSIST werkt in
het snelheidsbereik tussen 60 km/h en
200 km/h. Indien de ATTENTION ASSIST typi-
sche tekenen voor vermoeidheid of toene-
mende onoplettendheid bij de bestuurder
heeft herkend, wordt een pauze voorgesteld.
Belangrijke veiligheidsvoorschriften
De ATTENTION ASSIST is slechts een hulp-
middel. Het kan vermoeidheid of toenemende
onoplettendheid niet altijd tijdig of geheel
niet herkennen. Het systeem is geen vervan-
ging van een uitgeruste en opmerkzame
bestuurder.
De ATTENTION ASSIST werkt beperkt en een
waarschuwing vindt niet of vertraagd plaats
bij:
Reen ritduur van minder dan circa
30 minuten
Rslechte staat van het wegdek, bijvoorbeeld
kuilen en wegoneffenheden
Rsterke zijwind
Rsportieve rijstijl met hoge bochtsnelheden
of sterke acceleratie
Rals hoofdzakelijk langzamer dan 60 km/h
of sneller dan 200 km/h wordt gereden
Rals met de actieve stuurassistent van de
DISTRONIC PLUS wordt gereden
Rals de tijd verkeerd is ingesteld
Rin actieve rijsituaties, bijvoorbeeld bij het
veranderen van rijstrook of het wijzigen van
de rijsnelheid.
De ATTENTION ASSIST wordt teruggezet en
begint bij doorrijden opnieuw met de evalua-
tie van uw vermoeidheid, als:
Rde motor wordt afgezet
Rde gordel wordt losgemaakt en het
bestuurdersportier wordt geopend, bij-
voorbeeld bij het wisselen van bestuurder
of een pauze.
Attentieniveau weergeven
In het menu Assistentie (Ypagina 322) van
de boordcomputer kan de actuele statusin-
formatie worden opgeroepen.
XMet de boordcomputer de assistentieweer-
gave voor de ATTENTION ASSIST selecte-
ren (Ypagina 321).
De volgende informatie wordt weergegeven:
RRitduur sinds de laatste pauze
RDe door de ATTENTION ASSIST vastge-
stelde aandachtstoestand (attentieniveau),
als balkengrafiek weergegeven in vijf stap-
pen van hoog tot laag
RWanneer de ATTENTION ASSIST geen
attentieniveau kan berekenen en er geen
waarschuwing kan worden gegeven, ver-
schijnt de melding Systeem passiefSysteem passief.
Daarop verandert de weergave van de bal-
kengrafiek, bijvoorbeeld als langzamer dan
60 km/h of sneller dan 200 km/h wordt
gereden.
Rijsystemen 271
Rijden en parkeren
Z
ATTENTION ASSIST inschakelen
XDe ATTENTION ASSIST met de boordcom-
puter inschakelen (Ypagina 324).
Het systeem bepaalt de aandachtstoe-
stand van de bestuurder, afhankelijk van de
geselecteerde instelling:
Selectie standaard: De gevoeligheid waar-
mee het systeem de alertheidstoestand
bepaald, is normaal ingesteld.
Selectie Gevoelig: De gevoeligheid is hoger
ingesteld. De door de Attention Assist
bepaalde alertheidstoestand (Attention
Level) wordt overeenkomstig aangepast en
de bestuurder wordt vroeger gewaarschuwd.
Wanneer de ATTENTION ASSIST uitgescha-
keld is, toont het multifunctioneel display in
de assistentieweergave bij draaiende motor
het symbool Àen OFF.
Als de ATTENTION ASSIST is uitgeschakeld,
wordt hij na het opnieuw starten van de motor
automatisch weer ingeschakeld. De geselec-
teerde gevoeligheid komt daarbij overeen
met de laatst geactiveerde selectie (Stan-
daard/Gevoelig).
Waarschuwing op het multifunctioneel
display
Wanneer vermoeidheid of toenemende onop-
lettendheid wordt herkend, verschijnt op het
multifunctioneel display de waarschuwing:
Attention Assist: pauze!Attention Assist: pauze!
Naast de melding op het multifunctioneel dis-
play klinkt er in dat geval een waarschuwings-
signaal.
XZo nodig pauze nemen.
XDe melding door het indrukken van toets
ain het stuurwiel bevestigen.
Bij langere ritten tijdig en regelmatig pauzes
nemen, waarbij u goed kunt uitrusten. Als u
geen pauze neemt en de ATTENTION ASSIST
stelt nog steeds toenemende onoplettend-
heid vast, wordt u op z'n vroegst na
15 minuten opnieuw gewaarschuwd. Voor-
waarde daarvoor is dat de ATTENTION ASSIST
verder typische tekenen voor vermoeidheid
of toenemende onoplettendheid vaststelt.
Als er een waarschuwing op het multifunctio-
neel display wordt gegeven, wordt in het
COMAND Online voorgesteld om naar een
wegrestaurant te zoeken. U kunt een wegres-
taurant selecteren en de navigatie naar dit
wegrestaurant starten. Deze functie kan in
het COMAND Online worden in- of uitgescha-
keld.
Verkeerstekenassistent
Algemene aanwijzingen
De verkeerstekenassistent toont de bestuur-
der de toegestane maximumsnelheid en
inhaalverboden in het instrumentenpaneel.
Bij het inrijden van een weggedeelte tegen de
voorgeschreven rijrichting in wordt een waar-
schuwing gegeven. De verkeerstekenassis-
tent registreert de verkeersborden met een
camerasysteem :, dat bovenaan achter de
voorruit is bevestigd. Daarnaast worden de in
het navigatiesysteem opgeslagen gegevens
en de algemene verkeersregels gebruikt om
de actuele snelheidsbegrenzing te bepalen.
Wanneer een voor de eigen auto relevant ver-
keersbord wordt gepasseerd, wordt de weer-
gave van snelheidsbeperkingen en inhaalver-
boden bijgewerkt.
272 Rijsystemen
Rijden en parkeren
Ook zonder een zichtbaar verkeersbord kan
de weergave worden geactualiseerd, als:
Reen andere weg wordt ingeslagen (bijvoor-
beeld oprijden of verlaten van een auto-
snelweg)
Reen gemeentegrens wordt gepasseerd, die
in de digitale kaart is opgeslagen
Rhet laatste door de camera herkende ver-
keersbord niet wordt herhaald.
Bij het passeren van een einde-verbodsbord
(snelheidsbeperking of inhaalverbod) wordt
het einde-verbodsbord gedurende vijf secon-
den weergegeven. Daarna verschijnt de gel-
dende verkeerslimiet in het instrumentenpa-
neel.
Verkeersborden met een beperking op een
onderbord (bijvoorbeeld bij regen) worden
door de camera eveneens herkend.
De verkeersborden worden alleen maar weer-
gegeven met de beperking, als:
Rhet voorschrift waarop de beperking
betrekking heeft, moet worden aangehou-
den of
Rde verkeerstekenassistent niet met zeker-
heid kan vaststellen, of de beperking van
toepassing is.
Wanneer de verkeerstekenassistent uit alle
beschikbare bronnen geen toegestane maxi-
mumsnelheid kan bepalen, wordt er ook geen
snelheidsbeperking in het instrumentenpa-
neel weergegeven.
De verkeerstekenassistent is niet in alle lan-
den verkrijgbaar. In dit geval wordt de weer-
gave :in de weergave weergegeven.
Belangrijke veiligheidsvoorschriften
De verkeerstekenassistent is slechts een
hulpmiddel en kan snelheidsbeperkingen of
inhaalverboden niet altijd correct weergeven.
De geplaatste verkeersborden hebben altijd
voorrang op de melding van de verkeersteke-
nassistent.
De werking van het systeem kan worden
beperkt of tijdelijk niet beschikbaar zijn:
Rbij slecht zicht, bijvoorbeeld door sneeuw,
regen, mist of spatwater
Rbij verblinding, bijvoorbeeld door een laag-
staande zon
Rbij vervuiling, ijsvorming of condensatie op
de voorruit in het gebied van de camera
Rbij slecht herkenbare verkeersborden (ver-
vuiling, afdekking, sneeuw)
Rbij onvoldoende verlichting van verkeers-
borden 's nachts
Rbij meerdere wegmarkeringen (bijvoor-
beeld verkeersborden bij wegwerkzaamhe-
den of naastgelegen rijstroken)
Rbij onjuiste of niet actuele informatie op de
digitale wegenkaart van het navigatiesys-
teem.
Verkeerstekenassistent inschakelen
XDe weergave van de verkeerstekenassis-
tent inschakelen met behulp van de boord-
computer (Ypagina 323).
Wanneer in de boordcomputer de weergave
van de verkeerstekenassistent is ingescha-
keld, worden de verkeerslimieten (snelheids-
beperkingen en inhaalverboden) in het instru-
mentenpaneel weergegeven. De waarschu-
wing voor verkeerd rijden blijft ook actief als
de weergave is uitgeschakeld.
Rijsystemen 273
Rijden en parkeren
Z
Weergave in het instrumentenpaneel
Snelheidsbegrenzing met inhaalverbod
Er gelden een toegestane maximumsnelheid
van 60 km/h (60 mph) :en een inhaalver-
bod ;.
Snelheidsbegrenzing met onbekende
beperking
:Toegestane maximumsnelheid
;Toegestane maximumsnelheid voor voer-
tuigen, waarvoor de beperking op het
onderbord van toepassing is
=Onderbord voor onbekende beperking
Er gelden een toegestane maximumsnelheid
van 80 km/h (80 mph) en een snelheidsbe-
grenzing van 60 km/h (60 mph) met een
onbekende beperking.
Snelheidsbegrenzing bij regen
:Toegestane maximumsnelheid
;Onderbord bij regen
Er geldt een toegestane maximumsnelheid
van 80 km/h (80 mph) bij regen en de ver-
keerstekenassistent heeft bepaald, dat de
beperking van kracht is.
Einde inhaalverbod
Er geldt een toegestane maximumsnelheid
van 60 km/h (60 mph) :. Het inhaalverbod
is opgeheven ;. Het verkeersbord voor
opheffing van het inhaalverbod wordt gedu-
rende vijf seconden weergegeven.
274 Rijsystemen
Rijden en parkeren
Einde snelheidsbeperking
Hier geldt geen snelheidsbegrenzing :.
iDe eenheid voor de snelheidsbegrenzing
(km/h resp. mph) hangt af van het land
waarin wordt gereden. Deze wordt over het
algemeen niet op de verkeersborden of in
het instrumentenpaneel aangegeven, maar
moet worden nageleefd bij het aanhouden
van de toegestane maximumsnelheid.
Inrijverbod (waarschuwing voor verkeerd
rijden)
:Waarschuwingsmelding in het instrumen-
tenpaneel (waarschuwing voor verkeerd
rijden)
Bij het passeren van inrijverbodsborden of
rotondeborden wordt een waarschuwings-
melding in het instrumentenpaneel gegeven
als de verkeerstekenassistent bemerkt dat
tegen de voorgeschreven rijrichting in wordt
gereden. Bovendien klinkt er dan een waar-
schuwingssignaal. Om gevaar voor uzelf en
andere weggebruikers te voorkomen, dient u
direct uw rijrichting te controleren.
Nachtzichthulp Plus
Algemene aanwijzingen
De nachtzichthulp Plus verlicht de weg ten
opzichte van de normale koplampen extra
met infraroodlicht. Camera ;van de nacht-
zichthulp Plus registreert het infraroodlicht
en toont op het multifunctioneel display een
zwart-witbeeld. De weergave op het display
komt overeen met een weg die met grootlicht
wordt verlicht. Daardoor kunnen het verloop
van de weg en obstakels eerder worden her-
kend. Als de personenherkenning actief is,
worden door het systeem herkende personen
op het display van de nachtzichthulp Plus
optisch door kleine gekleurde framehoeken
geaccentueerd.
iInfraroodlicht is voor het menselijk oog
niet zichtbaar en verblindt daarom ook niet.
De nachtzichthulp Plus kan bij tegemoet-
komend verkeer altijd ingeschakeld blijven.
Tevens is in de radiateurgrille een warmte-
beeldcamera :geïntegreerd. De camera
biedt ondersteuning bij het herkennen van
personen en dieren. De aanwijzingen m.b.t.
het reinigen van de warmtebeeldcamera in
acht nemen (Ypagina 427).
Belangrijke veiligheidsvoorschriften
De nachtzichthulp Plus is slechts een hulp-
middel en ontslaat u er niet van zelf goed te
blijven opletten. Niet op de weergave van de
nachtzichthulp Plus vertrouwen. De bestuur-
der is zelf verantwoordelijk voor de veilige
afstand, de gereden snelheid en het tijdig
Rijsystemen 275
Rijden en parkeren
Z
remmen. Uw rijstijl altijd aanpassen aan de
actuele verkeerssituatie en oplettend rijden.
Het systeem kan worden beïnvloed of func-
tioneert mogelijk niet:
Rbij slecht zicht, bijvoorbeeld door sneeuw,
regen, mist, veel spatwater
Rals de voorruit in de omgeving van de
camera vervuild, beslagen of afgedekt is,
bijvoorbeeld door een sticker
Rals de warmtebeeldcamera in de radiateur-
grille vervuild, beslaan of afgedekt is
Rin bochten, op hellingtoppen of hellingkom-
men
Rbij hoge buitentemperaturen.
De nachtzichthulp Plus kan obstakels onmid-
dellijk voor en naast de auto niet weergeven.
Het is mogelijk dat behalve personen of die-
ren ook andere objecten worden gemarkeerd
resp. geaccentueerd.
Personen- en dierenherkenning
Algemene aanwijzingen
De personen- of dierenherkenning kan slecht
of helemaal niet functioneren, als:
Rpersonen of dieren gedeeltelijk of volledig
door andere objecten afgedekt zijn, bij-
voorbeeld door geparkeerde voertuigen
Rhet silhouet van de persoon of het dier in
de weergave van de nachtzichthulp Plus
onvolledig of onderbroken lijkt, bijvoor-
beeld door sterke lichtreflecties
Rpersonen of dieren niet duidelijk tegen de
achtergrond afsteken
Rpersonen door speciale kleding of door
andere objecten door het camerasysteem
niet meer als persoon te herkennen is
Rpersonen niet rechtop staan, bijvoorbeeld
zitten, hurken of liggen
Rdieren niet door het systeem worden her-
kend, bijvoorbeeld vanwege hun grootte of
vorm.
De personen- en dierenherkenning wordt bij
temperaturen boven 32 uitgeschakeld. De
spotlight-functie en de automatische active-
ring zijn in dat geval niet actief.
Personenherkenning
:Weergave van de nachtzichthulp Plus
;Gereedheidsymbool voor actieve perso-
nenherkenning
=Accentuering
?Herkende persoon
De nachtzichthulp Plus herkent personen aan
de hand van specifieke kenmerken, zoals de
lichaamsvorm en lichaamshouding van een
rechtopstaand persoon.
De personenherkenning wordt automatisch
ingeschakeld:
Rals de nachtzichthulp Plus ingeschakeld is
Rsneller dan 10 km/h wordt gereden
Rhet donker is.
Bij ingeschakelde personenherkenning ver-
schijnt gereedheidsymbool ;. Herkende
personen worden door een kader =geac-
centueerd. Wanneer de personenherkenning
u op een persoon attendeert, door de voorruit
kijken om de situatie goed te kunnen beoor-
delen. De werkelijke afstanden tot voorwer-
pen en personen kunnen aan de hand van een
beeldschermweergave niet goed worden
beoordeeld.
Dierenherkenning
Dieren kunnen onder de volgende omstan-
digheden worden herkend:
276 Rijsystemen
Rijden en parkeren
Rbij duisternis
Rbuiten de bebouwde kom
Rbeneden een buitentemperatuur van
32 †.
De nachtzichthulp Plus herkent grotere die-
ren aan de hand van typische kenmerken, bij-
voorbeeld herten, koeien of paarden.
Niet herkend worden:
Rkleinere dieren, zoals honden en katten
Rdieren met een silhouet dat niet duidelijk
herkenbaar is.
Dieren worden bij herkenning door kleine
gekleurde framehoeken geaccentueerd. In
tegenstelling tot bij personenherkenning ver-
schijnt er geen afzonderlijk gereedheidsym-
bool op het multifunctioneel display.
Nachtzichthulp in- en uitschakelen
Inschakelvoorwaarden
De nachtzichthulp Plus kan alleen worden
ingeschakeld, als aan alle volgende voorwaar-
den is voldaan:
Rhet contact is ingeschakeld
(Ypagina 195) of de motor is gestart
Rde verlichtingsschakelaar staat in stand
Ãof L
Rde achteruitversnelling is niet ingescha-
keld.
Nachtzichthulp Plus inschakelen
XToets :indrukken.
Op het multifunctioneel display verschijnt
de weergave van de nachtzichthulp Plus.
iDe infraroodkoplampen worden bij duis-
ternis pas vanaf een snelheid van circa
10 km/h ingeschakeld. Daarom hebt u bij
stilstand niet de volle zichtbreedte en kan
de functie van de nachtzichthulp Plus niet
worden gecontroleerd. Bij snelheden bene-
den 5 km/h worden de infraroodkoplam-
penen uitgeschakeld. Het beeld van de
nachtzichthulp wordt verder weergegeven,
tot het met behulp van toets :wordt uit-
geschakeld.
Automatische activering
Via het menu van de nachtzichtassistent kan
de optie Nachtzichtassistent Automa‐Nachtzichtassistent Automa‐
tisch inschakelentisch inschakelen worden geselecteerd.
Ook als het beeld van de nachtzichthulp uit-
geschakeld is, blijft de zoekfunctie voor per-
sonen en dieren actief. Bij duisternis, een
onverlichte omgeving en snelheden boven
60 km/h wordt het beeld van de nachtzicht-
hulp automatisch op het multifunctioneel dis-
play weergegeven, zodra personen of dieren
worden herkend.
XIn het menu Assistentie de automatische
activering van de nachtzichthulp Plus
selecteren (Ypagina 323).
Nachtzichthulp Plus uitschakelen
XToets :indrukken.
Op het multifunctioneel display dooft de
weergave van de nachtzichthulp Plus. De
nachtzichthulp is uitgeschakeld.
Spotlight-functie
Algemene aanwijzingen
De spotlight-functie zorgt ervoor dat onder
bepaalde voorwaarden opgemerkte perso-
nen kort worden beschenen.
De spotlight-functie is alleen actief, als:
Rde personenherkenning actief is
Rde rijbaan niet verlicht is
Rijsystemen 277
Rijden en parkeren
Z
Rde rijsnelheid ten minste 60 km/h
bedraagt
Rde functie "Adaptieve grootlichtassistent
PLUS" ingeschakeld is (Ypagina 158).
De spotlight-functie is niet of slechts beperkt
actief, als:
Rin de stad wordt gereden
Rpersonen zich in de buurt van een tegen-
ligger of een voorligger bevinden.
Spotlight-functie activeren
De personenherkenning met spotlight-func-
tie werkt op de achtergrond. Als aan de voor-
waarden is voldaan, wordt een op of naast de
rijbaan opgemerkte persoon beschenen met
4 korte impulsen van de koplampen.
XIn het menu Verlichting de spotlight-functie
van de nachtzichthulp Plus selecteren
(Ypagina 325).
Dieren worden door de spotlight-functie niet
beschenen.
Weergave in de assistentieweergave
Personen-symbool :in de assistentieweer-
gave geeft de status van de spotlight-functie
aan. Als het symbool leeg wordt weergege-
ven, is de functie ingeschakeld. Als het sym-
bool gevuld wordt weergegeven, is aan de
voorwaarden voor de spotlight-functie vol-
daan.
Assistentieweergave weergeven
XMet de boordcomputer het menu Assis‐Assis‐
tentieweergavetentieweergave selecteren
(Ypagina 321).
278 Rijsystemen
Rijden en parkeren
Problemen met de nachtzichthulp
Probleem Mogelijke oorzaak en/of gevolg en MMoplossingen
De beeldkwaliteit van
de nachtzichthulp Plus
is verslechterd.
De voorruit is van binnen beslagen.
XDe afdekking van de camera omlaagklappen (Ypagina 427).
XDe condens op de voorruit verwijderen (Ypagina 178).
De voorruit is bevroren.
XDe voorruit ontdooien (Ypagina 177).
De ruitenwissers veroorzaken strepen op de voorruit.
XDe ruitenwisserbladen vervangen (Ypagina 161).
De ruitenwissers veroorzaken strepen op de voorruit na het was-
sen van de auto.
XDe voorruit reinigen (Ypagina 424).
De voorruit is in het gezichtsveld van de camera door steenslag
beschadigd.
XDe voorruit vervangen.
De personen- en die-
renherkenning is niet
beschikbaar.
De infrarood-camera in de radiateurgrille is vervuild.
XDe infrarood-camera met een zachte doek en water reinigen.
Rijassistentiepakket Plus
Algemene aanwijzingen
Het actieve rijassistentiepakket PLUS
bestaat uit de DISTRONIC PLUS
(Ypagina 234), de actieve dodehoekassis-
tent (Ypagina 279) en de actieve spooras-
sistent (Ypagina 282).
Actieve dodehoekassistent
Algemene aanwijzingen
De actieve dodehoekassistent bewaakt met
behulp van twee zijdelings naar achteren
gerichte radarsensoren de gebieden aan de
zijkanten van de auto die de bestuurder niet
kan zien die. Een waarschuwing in de buiten-
spiegels wijst u op een in het bewaakte
gebied herkend voertuig. Als voor het veran-
deren van rijstrook vervolgens de betreffende
richtingaanwijzer wordt ingeschakeld, wordt
bovendien een optische en akoestische bots-
waarschuwing uitgegeven. Bij een herkend
zijdelings aanrijdingsgevaar kan een corrige-
rende remingreep u ondersteunen bij het ver-
mijden van een aanrijding. Vóór een corrige-
rende remingreep analyseert de actieve
dodehoekassistent de vrije ruimte in rijrich-
ting en aan de zijkant. Daartoe analyseert de
actieve dodehoekassistent de naar voren
gerichte radarsensoren.
De actieve dodehoekassistent ondersteunt
vanaf een snelheid van circa 30 km/h.
Belangrijke veiligheidsvoorschriften
De actieve dodehoekassistent is slechts een
hulpmiddel en ontslaat u er niet van zelf goed
te blijven opletten.
Rijsystemen 279
Rijden en parkeren
Z
GWAARSCHUWING
De actieve dodehoekassistent reageert niet
op voertuigen:
Rwanneer u deze met weinig zijdelingse
afstand inhaalt en deze zich vervolgens in
de dode hoek bevinden
Rdie met een groot snelheidsverschil nade-
ren en u inhalen.
Daardoor kan de actieve dodehoekassistent
in deze situaties niet waarschuwen of ingrij-
pen. Er bestaat gevaar voor ongevallen!
De verkeerssituatie altijd opmerkzaam in acht
nemen en voldoende zijdelingse afstand aan-
houden.
Radarsensoren
De radarsensoren van de actieve dodehoe-
kassistent zijn in de voor- en achterbumper
en achter een afdekking in de radiateurgrille
geïntegreerd. Ervoor zorgen dat de bumper
en de afdekking in de radiateurgrille vrij zijn
van vuil, ijs of aangekoekte sneeuw. De ach-
terste radarsensoren mogen niet worden
afgedekt, bijvoorbeeld door een fietsdrager
of uitstekende bagage. Na een zware botsing
of een beschadiging van de bumper de wer-
king van de radarsensoren laten controleren
bij een gekwalificeerde werkplaats. In deze
gevallen kan de actieve dodehoekassistent
anders mogelijk niet meer correct functione-
ren.
Controlegebied
GWAARSCHUWING
De actieve dodehoekassistent is niet in staat
alle verkeerssituaties en -deelnemers te her-
kennen. Er bestaat gevaar voor ongevallen!
Altijd op voldoende zijdelingse afstand tot
andere verkeersdeelnemers of obstakels let-
ten.
De actieve dodehoekassistent bewaakt het in
de afbeelding weergegeven gebied tot 3,0 m
achter en direct naast de auto.
De herkenning van voertuigen kan vooral
beperkt zijn bij:
Rvervuilde of afgedekte sensoren
Rslecht zicht, bijvoorbeeld door regen,
sneeuw of spatwater.
Voertuigen die zich in het controlegebied
bevinden worden dan niet weergegeven.
De actieve dodehoekassistent herkent moge-
lijk smalle voertuigen, zoals motorfietsen of
fietsen, niet of te laat.
Bij smalle rijstroken, in het bijzonder bij sterk
zijdelings versprongen rijdende voertuigen
worden mogelijk twee rijstroken verder rij-
dende voertuigen herkend. Dit kan het geval
zijn als voertuigen aan de binnenste zijde van
de rijstrook rijden.
In verband met het systeem:
Rkunnen bij vangrails of dergelijke obstakels
ongegronde waarschuwingen worden
gegeven
Rbij lang rijden naast lange voertuigen, bij-
voorbeeld een vrachtwagen, de waarschu-
wing onderbroken wordt.
280 Rijsystemen
Rijden en parkeren
Waarschuwingsdisplay
:Waarschuwingsdisplay
De actieve dodehoekassistent werkt niet
onder een snelheid van circa 30 km/h. Voer-
tuigen die zich in het controlegebied bevinden
worden dan niet weergegeven.
Als vanaf een snelheid van circa 30 km/h in
het controlegebied van de dodehoekassis-
tent een voertuig wordt herkend, brandt
waarschuwingslampje :aan de betreffende
zijde rood. De waarschuwing wordt altijd
gegeven als een voertuig van achteren of van
opzij in het controlegebied van de dodehoe-
kassistent rijdt. Als een voertuig wordt inge-
haald, wordt alleen een waarschuwing gege-
ven als het snelheidsverschil kleiner dan
12 km/h is.
Als de achteruitversnelling wordt ingescha-
keld, is de actieve dodehoekassistent niet
actief.
De helderheid van de waarschuwingslampjes
wordt automatisch aangepast aan de helder-
heid van de omgeving.
Wanneer de actieve dodehoekassistent inge-
schakeld is, verschijnen in de assistentie-
weergave van het multifunctioneel display
naast de voertuigen grijze, zich naar achteren
voortplantende radargolven. Boven een snel-
heid van 30 km/h verandert de kleur van de
radargolven in de assistentieweergave naar
groen ;. De actieve dodehoekassistent is in
dat geval bedrijfsklaar.
Optische en akoestische botswaarschu-
wing
Als bij het veranderen van rijstrook de betref-
fende richtingaanwijzer is ingeschakeld en in
het zijdelingse controlegebied een voertuig
wordt herkend, volgt er een optische en
akoestische botswaarschuwing. U hoort in
dat geval een dubbel waarschuwingssignaal
en het rode waarschuwingslampje :knip-
pert. Als de richtingaanwijzer ingeschakeld
blijft, worden herkende voertuigen weerge-
geven door het knipperen van het rode waar-
schuwingslampje :. Er vindt geen verdere
akoestische melding plaats.
Corrigerende remingreep
Als de actieve dodehoekassistent in het con-
trolegebied een zijdelings botsingsgevaar
herkend, wordt een corrigerende remingreep
uitgevoerd. Deze moet door u worden onder-
steund, om een botsing te voorkomen.
GWAARSCHUWING
De corrigerende remingreep kan een botsing
niet altijd verhinderen. Er bestaat gevaar voor
ongevallen!
Altijd zelf sturen, remmen of accelereren, in
het bijzonder als de actieve dodehoekassis-
tent waarschuwt of corrigerend remt. Vol-
doende zijdelingse afstand houden.
Rijsystemen 281
Rijden en parkeren
Z
Als een corrigerende remingreep plaatsvindt,
knippert het rode waarschuwingslampje :
in de buitenspiegel en klinkt er een dubbel
waarschuwingssignaal. Bovendien verschijnt
er op het multifunctioneel display een mel-
ding ;die het zijdelingse aanrijdingsgevaar
onderstreept.
Zeer sporadisch kan het systeem een onjuiste
remingreep uitvoeren. Een remingreep kan te
allen tijde worden afgebroken, bijvoorbeeld
door licht tegensturen of gas geven.
De corrigerende remingreep is in het snel-
heidsbereik tussen 30 km/h en 200 km/h
beschikbaar.
Er vindt geen of een aan de rijsituatie aange-
paste corrigerende remingreep plaats, als:
Rzich aan beide zijden van de auto voertui-
gen of hindernissen, bijvoorbeeld vangrails,
bevinden
Reen voertuig met geringe zijdelingse
afstand u nadert
Ru sportief rijdt, met hoge bochtsnelheden
Ru duidelijk remt of gas geeft
Reen rijveiligheidssysteem ingrijpt, bijvoor-
beeld het ESP®of de PRE-SAFE®-rem
Rhet ESP®is uitgeschakeld
Rbandenspanningsverlies of een bescha-
digde band is herkend.
Actieve dodehoekassistent inschakelen
XIn de boordcomputer moet de actieve
dodehoekassistent ingeschakeld zijn
(Ypagina 324).
XDe sleutel in het contactslot in stand 2
draaien.
De waarschuwingslampjes :in de buiten-
spiegels branden circa 1,5 seconden rood.
In de assistentieweergave van het multi-
functioneel display verschijnen grijze, zich
naar achteren voortplantende radargolven.
Rijden met een aanhangwagen
Als een aanhangwagen wordt aangekoppeld,
controleren of de elektrische verbinding cor-
rect tot stand is gebracht. Dit is mogelijk door
het controleren van de verlichting van de aan-
hangwagen. De actieve dodehoekassistent is
dan uitgeschakeld. De controlelampjes in de
buitenspiegels branden geel en op het multi-
functioneel display verschijnt de melding
Actieve dodehoekassistent nu nietActieve dodehoekassistent nu niet
beschikbaar zie handleidingbeschikbaar zie handleiding.
Actieve spoorassistent
Algemene aanwijzingen
De actieve spoorassistent bewaakt het
gebied vóór de auto met een camerasys-
teem :, dat bovenaan de voorruit is beves-
tigd. Bovendien worden met behulp van
radarsensoren verschillende gebieden voor,
achter en opzij van de auto bewaakt. Als de
actieve spoorassistent begrenzingsmarkerin-
gen van rijstroken op de weg herkent, kan
deze voor het ongewild verlaten van de rij-
strook waarschuwen. Als u niet op de waar-
schuwing reageert, kan de auto door een cor-
rigerende remingreep weer op de oorspron-
kelijke rijstrook worden teruggebracht.
Wanneer in de boordcomputer in de functie
Weergave-eenh. Snelheid/afstand:Weergave-eenh. Snelheid/afstand:
(Ypagina 326) de weergave-eenheid kmkm is
geselecteerd, biedt de actieve spoorassistent
assistentie vanaf een snelheid van 60 km/h.
Als de weergave-eenheid mijlenmijlen geselec-
teerd is, begint het ondersteuningsbereik bij
40 mph.
282 Rijsystemen
Rijden en parkeren
Belangrijke veiligheidsvoorschriften
De actieve spoorassistent kan het gevaar
voor ongevallen van een niet aangepaste rij-
stijl niet verminderen en de natuurkundige
grenzen niet verleggen. De actieve spooras-
sistent kan geen rekening houden met de ver-
keers- en weersomstandigheden. Deze her-
kent mogelijk niet alle verkeerssituaties. De
actieve spoorassistent is slechts een hulp-
middel. De bestuurder is zelf verantwoorde-
lijk voor de veilige afstand, de gereden snel-
heid, het tijdig remmen en het aanhouden van
de rijstrook.
De actieve spoorassistent kan de auto niet
permanent op de rijstrook houden.
GWAARSCHUWING
De actieve rijstrookassistent is niet altijd in
staat rijstrookmarkeringen ondubbelzinnig te
herkennen.
In deze gevallen kan de actieve spoorassis-
tent
Ronbedoeld waarschuwen en de auto corri-
gerend afremmen
Rniet waarschuwen of ingrijpen.
Er bestaat gevaar voor ongevallen!
De verkeerssituatie altijd opmerkzaam in acht
nemen en in de rijstrook blijven, in het bijzon-
der als de actieve spoorassistent u waar-
schuwt. De ingreep beëindigen als de rijsitu-
atie niet kritisch is.
Het systeem kan worden beïnvloed of func-
tioneert mogelijk niet:
Rbij slecht zicht, bijvoorbeeld door onvol-
doende verlichting van de weg of door
sneeuw, regen, mist of veel spatwater
Rbij verblinding, bijvoorbeeld door tege-
moetkomend verkeer, directe zonnestra-
ling of bij reflecties (bijvoorbeeld bij nat
wegdek)
Rals de voorruit in de omgeving van de
camera vervuild, beslagen, beschadigd of
afgedekt is, bijvoorbeeld door een sticker
Rals de radarsensoren in de voor- of achter-
bumper of in de radiateurbekleding vervuild
zijn, bijvoorbeeld door sneeuw
Rals geen of meerdere, niet duidelijk her-
kenbare rijstrookmarkeringen voor een rij-
strook aanwezig zijn, bijvoorbeeld in de
omgeving van wegwerkzaamheden
Rals de rijstrookmarkeringen versleten, don-
ker of bedekt zijn, bijvoorbeeld door vuil of
sneeuw
Rals de afstand tot de voorligger te klein is
en daardoor de rijstrookmarkeringen niet
herkend worden
Rals rijstrookmarkeringen snel wijzigen, bij-
voorbeeld bij aftakkingen, kruisingen of
wegversmallingen
Rbij zeer smalle en bochtige wegen
Rbij zeer sterk wisselende schaduwen op het
wegdek.
Als er geen voertuig op de naastgelegen rij-
strook wordt herkend, vindt er bij een als
onderbroken herkende rijstrookmarkering
geen corrigerende remingreep plaats.
Trillingswaarschuwing in het stuurwiel
Er volgt een waarschuwing wanneer u met
een voorwiel over de rijstrookmarkering rijdt.
U wordt dan gedurende maximaal
1,5 seconde gewaarschuwd door onderbro-
ken trillen in het stuurwiel.
Corrigerende remingreep
Bij het verlaten van de rijstrook wordt onder
bepaalde voorwaarden een korte, eenzijdige
remingreep uitgevoerd. Deze moet door u
worden ondersteund, om uw auto weer in de
oorspronkelijke rijstrook terug te brengen.
GWAARSCHUWING
De corrigerende remingreep kan de auto niet
altijd in de oorspronkelijke rijstrook terugge-
leiden. Er bestaat gevaar voor ongevallen!
Altijd zelf sturen, remmen of accelereren, in
het bijzonder als de actieve spoorassistent
waarschuwt of corrigerend remt.
Rijsystemen 283
Rijden en parkeren
Z
Als een corrigerende remingreep plaatsvindt,
verschijnt op het multifunctioneel display een
melding :. De remingreep vermindert ook
enigszins de rijsnelheid.
De functie is in het snelheidsbereik tussen
60 km/h en 200 km/h beschikbaar.
Er kan een corrigerende remingreep plaats-
vinden wanneer over een als doorgetrokken
of onderbroken herkende rijstrookmarkering
wordt gereden. Eerst moet een waarschu-
wing door het onderbroken trillen in het stuur-
wiel hebben plaatsgevonden. Bovendien
moet een rijstrook met rijstrookmarkeringen
aan beide zijden zijn herkend.
Als over een als doorgetrokken herkende
rijstrookmarkering wordt gereden, kan een
corrigerende remingreep alleen plaatsvinden
als een auto op de naastgelegen rijstrook
werd herkend. Tegenliggers, inhalers of paral-
lel rijdende voertuigen kunnen worden her-
kend.
iEen nieuwe corrigerende remingreep is
alleen mogelijk als de auto zich daarvoor
weer op de oorspronkelijke rijstrook heeft
bevonden.
Er vindt geen corrigerende remingreep plaats
als:
Ru duidelijk actief stuurt, remt of gas geeft
Ru een scherpe bocht afsnijdt
Rde richtingaanwijzer is ingeschakeld
Reen rijveiligheidssysteem ingrijpt, bijvoor-
beeld het ESP®, de PRE-SAFE®-rem of de
actieve dodehoekassistent
Ru sportief rijdt, met hoge bochtsnelheden
of snel accelereren
Rhet ESP®is uitgeschakeld
Rde transmissie niet in stand Dstaat
Rbij auto's met trekhaak de elektrische ver-
binding met de aanhangwagen correct tot
stand is gebracht
Rbandenspanningsverlies of een bescha-
digde band is herkend en weergegeven
Reen obstakel op de eigen weghelft is her-
kend.
De actieve spoorassistent herkent mogelijk
andere verkeersdeelnemers of verkeerssitua-
ties niet. Een eventueel ongepaste remin-
greep kan te allen tijde worden afgebroken
door:
Riets tegen te sturen
Rde richtingaanwijzer in te schakelen
Rduidelijk te remmen of gas te geven.
Een corrigerende remingreep wordt automa-
tisch afgebroken als:
Reen rijveiligheidssysteem ingrijpt, bijvoor-
beeld het ESP®, de PRE-SAFE®-rem of de
actieve dodehoekassistent
Rgeen rijstrookmarkeringen meer worden
herkend.
Actieve spoorassistent inschakelen
XDe toets ;indrukken.
Controlelampje :gaat branden. Op het
multifunctioneel display verschijnt de mel-
ding Spoorassistent AanSpoorassistent Aan. Als aan alle
voorwaarden is voldaan, kan een waar-
284 Rijsystemen
Rijden en parkeren
schuwing of een stuuringreep plaatsvin-
den.
XUitschakelen: Toets ;indrukken.
Controlelampje :dooft. De actieve spoo-
rassistent is uitgeschakeld. Op het multi-
functioneel display verschijnt de melding
Spoorassistent UitSpoorassistent Uit.
Instelling Standaard of Adaptief selecte-
ren
XMet de boordcomputer in het menu Assis‐Assis‐
tentietentie de functie Actieve spoorassis‐Actieve spoorassis‐
tenttent selecteren (Ypagina 325).
XDe instelling StandaardStandaard of AdaptiefAdaptief
selecteren.
Bij de selectie StandaardStandaard volgt geen tril-
lingswaarschuwing, wanneer:
Rde richtingaanwijzers ingeschakeld zijn.
De waarschuwingen worden dan voor
een bepaalde tijd onderdrukt
Reen rijveiligheidssysteem ingrijpt, bij-
voorbeeld het ABS, de BAS of het ESP®.
Bij de selectie AdaptiefAdaptief volgt geen tril-
lingswaarschuwing wanneer:
Rde richtingaanwijzers ingeschakeld zijn.
De waarschuwingen worden dan voor
een bepaalde tijd onderdrukt
Reen rijveiligheidssysteem ingrijpt, bij-
voorbeeld het ABS, de BAS of het ESP®
Rsterk wordt geaccelereerd, bijvoorbeeld
kickdown
Rsterk wordt geremd
Ractief wordt gestuurd, bijvoorbeeld bij
een uitwijkmanoeuvre of snel verande-
ren van rijstrook
Reen scherpe bocht wordt afgesneden.
Opdat u tijdig en niet onnodig wordt gewaar-
schuwd wanneer u de rijstrookmarkering
overschrijdt, kan het systeem verschillende
voorwaarden onderscheiden.
De trillingswaarschuwing volgt eerder wan-
neer:
Ru in bochten de rijstrookmarkering aan de
buitenzijde van de bocht nadert
Ru op een zeer brede rijstrook op bijvoor-
beeld autosnelwegen rijdt
Rhet systeem doorgetrokken rijstrookmar-
keringen herkent.
De trillingswaarschuwing volgt daarentegen
later, wanneer u:
Rop smalle rijstroken rijdt
Reen bocht afsnijdt.
Rijden met een aanhangwagen
Als een aanhangwagen wordt aangekoppeld,
controleren of de elektrische verbinding cor-
rect tot stand is gebracht. Dit is mogelijk door
het controleren van de verlichting van de aan-
hangwagen.
Hybridefunctie
Waarop u moet letten
Algemene aanwijzingen
De HYBRID-technologie combineert een zui-
nige verbrandingsmotor met een krachtige
elektromotor. Het hybridesysteem kiest auto-
matisch de efficiëntste bedrijfsmodus voor
iedere rijsituatie. U rijdt auto zoals u dat
gewend bent.
Om brandstof te besparen, zet het hybride-
systeem de verbrandingsmotor bij een lage
vermogensbehoefte tijdens het rijden zo vaak
mogelijk af. Bij een geringe vermogensbe-
hoefte wordt de auto door de elektromotor
aangedreven. Bij een hogere vermogensbe-
hoefte word de verbrandingsmotor ook tij-
dens het rijden bijgeschakeld. Als de auto
stilstaat is de verbrandingsmotor gewoonlijk
uitgeschakeld. Het gangbare stationair
draaien van de motor is hiermee zo goed als
verleden tijd.
Bij het wegrijden en accelereren ondersteunt
de elektromotor de verbrandingsmotor met
Hybridefunctie 285
Rijden en parkeren
Z
de opgeslagen energie uit de hoogspannings-
accu. Verder wordt de energie voor semi-
elektrisch rijden voor het gebruik van de elek-
trische aircocompressor en ter ondersteu-
ning van het 12V-boordnet gebruikt. Op deze
manier draagt de HYBRID technologie ertoe
bij, het brandstofverbruik van uw auto te
reduceren.
De rijtips m.b.t. de hybridefunctie in acht
nemen (Ypagina 295).
RBS (Rekuperatives Bremssystem,
regenererend remsysteem)
Als tijdens het rijden de voet van het gaspe-
daal wordt genomen, wordt de deceleratie-
regeneratie geactiveerd. De elektromotor
wordt bij het afremmen op de motor en bij het
remmen als dynamo gebruikt. De HYBRID-
technologie zet de bewegingsenergie van de
auto in elektrische energie om en slaat deze
op in de hoogspanningsaccu.
De "Belangrijke veiligheidsvoorschriften"
over het RBS (Ypagina 46) in acht nemen.
Belangrijke veiligheidsvoorschriften
GWAARSCHUWING
Als de motor automatisch is afgezet en u stapt
uit, wordt de motor automatisch weer gestart.
De auto kan wegrijden. Er bestaat gevaar voor
letsel en ongevallen!
Altijd het contact uitschakelen en de auto
tegen wegrollen beveiligen, voordat de auto
wordt verlaten.
Als de auto stilstaat en het groene READY-
controlelampje in het instrumentenpaneel
brandt, is de verbrandingsmotor automatisch
afgezet. Alle systemen van de auto blijven
verder actief. Als u in transmissiestand D of
R de voet van het rempedaal neemt, kan de
auto vanzelf wegrijden.
De aanwijzingen m.b.t. de READY-weergave
van de ECO start-stop-functie
(Ypagina 296) in acht nemen.
Auto's met elektromotor produceren bedui-
dend minder rijgeluid dan auto's met verbran-
dingsmotor. Daarom kan uw auto in het ver-
keer in bepaalde gevallen niet hoorbaar zijn
voor andere verkeersdeelnemers. Dit kan bij-
voorbeeld het geval zijn bij het inparkeren
terwijl geen zichtcontact bestaat.
Dit vraagt van u een bijzonder vooruitziende
rijstijl, omdat rekening moet worden gehou-
den met mogelijke fouten van andere ver-
keersdeelnemers.
286 Hybridefunctie
Rijden en parkeren
Overzicht hybridesysteem
:Elektrische vacuümpomp
;Elektrische bedrading hoogspanningsboordnet
=Hoogspanningsaccu
?12V-accu
AKoeling hoogspanningsaccu
BRegenererend remsysteem
CElektrische aircocompressor
DKoeling vermogenselektronica
ETransmissie met elektromotor
FVermogenselektronica (DC/AC-omvormer / DC/DC-omvormer)
Het hybridesysteem kan handmatig worden uitgeschakeld. Meer informatie over het hoog-
spanningsuitschakelsysteem (Ypagina 45).
Hybridefunctie 287
Rijden en parkeren
Z
Instrumentenpaneel
:Waarschuwingslampje RBS (Ypagina 377)
;Vermogensweergave elektromotor (Ypagina 288)
=Laadtoestandsweergave van de hoogspanningsaccu (Ypagina 290)
Meldingen en bediening
Koelvloeistoftemperatuurmeter ver-
brandingsmotor
De koelvloeistoftemperatuur kan via de
boordcomputer worden opgeroepen.
XMet Ñin het stuurwiel de lijst van
menu's oproepen.
XMet :of 9in het stuurwiel het menu
ServiceService selecteren.
XMet ain het stuurwiel bevestigen.
XMet :of 9KoelvloeistofKoelvloeistof selecte-
ren.
Vermogensweergave elektromotor
De vermogensweergave van de elektromotor
bevindt zich rechts in het instrumentenpa-
neel.
In de laadtoestandsweergave Awordt de
actuele laadtoestand van de hoogspannings-
accu in procenten weergegeven. 100% komt
overeen met de hoogst mogelijke laadtoe-
stand van de hoogspanningsaccu.
Links en rechts van de laadtoestandsweer-
gave Azijn er twee verdere gebieden:
RGebied :tot ;(E-DRIVE):
288 Hybridefunctie
Rijden en parkeren
Hier wordt het elektrische aandrijfvermo-
gen van de elektromotor, bijvoorbeeld bij
elektro-aandrijving of bij het boost-effect,
weergegeven.
Als de motor ingeschakeld is, bevindt de
weergave zich tegen de onderste aan-
slag ;. Naarmate het gaspedaal verder
wordt ingedrukt, wordt de weergave
van ;naar :gevuld.
Als de weergave de bovenste aanslag :
heeft bereikt, start de verbrandingsmotor.
Als de weergave de bovenste aanslag :
nadert en de voet van het gaspedaal wordt
genomen, wordt de weergave weer leeg.
De verbrandingsmotor wordt niet gestart.
Bij lage snelheid kan op deze manier de
elektro-aandrijving zo worden gedoseerd,
dat u puur elektrisch kunt rijden.
RGebied =tot ?(CHARGE):
Hier wordt het teruggewonnen vermogen,
dat in de vorm van elektrische energie in de
hoogspanningsaccu wordt opgeslagen,
weergegeven.
Als de weergave de onderste aanslag ?
heeft bereikt, wordt de volledige recupera-
tieve remcapaciteit benut. De mechani-
sche rem wordt geactiveerd.
Bediening van de boordcomputer
De actuele bedrijfsmodus van het hybride-
systeem kunt u op het multifunctioneel dis-
play en op het COMAND-display laten weer-
geven (Ypagina 290).
Op het COMAND-display kunt u bovendien
een grafische weergave van het brandstof-
verbruik en de opgewekte elektrische energie
laten weergeven (Ypagina 293).
iInformatie over de bediening:
Rvan de boordcomputer (Ypagina 311)
Rvan het COMAND Online (zie de afzon-
derlijke handleiding).
Menu's en submenu's
Weergaven op het COMAND-display
selecteren
XDe toets Øvan de controller indrukken.
Het voertuigmenu verschijnt.
XEnergiestroomEnergiestroom selecteren: De controller
draaien en indrukken.
De energiestroom wordt weergegeven.
XVerbruikVerbruik selecteren: De controller
draaien en indrukken.
Het brandstofverbruik en de opgewekte
elektrische energie worden weergegeven.
XWeergave sluiten: De toets %van de
controller indrukken.
Energiestroomdisplay op het multifunc-
tioneel display selecteren
XMet Ñin het stuurwiel de lijst van
menu's oproepen.
XMet :of 9in het stuurwiel het menu
ReisReis selecteren.
XMet ain het stuurwiel bevestigen.
XMet :of 9EnergiestroomEnergiestroom selecte-
ren.
De actieve hybride-onderdelen worden
licht afgebeeld op het energiestroomdis-
play.
Hybridefunctie 289
Rijden en parkeren
Z
Weergaven op het multifunctioneel dis-
play en op het COMAND-display
Overzicht
:Verbrandingsmotor
;Elektromotor
=Laadtoestand van de hoogspanningsaccu
?Hoogspanningsaccu
AEnergiestroom
iDe actieve hybride-onderdelen worden
licht afgebeeld.
iDe energiestroom wordt afgebeeld d.m.v.
pijlen. Afhankelijk van de bedrijfstoestand
hebben de pijlen verschillende kleuren:
Rgroen: Energieterugwinning
Rwit: Normaal energieverbruik
Rrood: Verhoogd energieverbruik.
Automatisch afzetten van de motor
De verbrandingsmotor en de elektromotor
zijn uitgeschakeld. Er worden geen pijlen
weergegeven voor de energiestroom.
Als de sleutel in het contactslot in stand 2
staat, wordt de laadtoestand van de hoog-
spanningsaccu weergegeven.
Draaiende motor als de auto stilstaat
De verbrandingsmotor draait terwijl de auto
stilstaat. De hoogspanningsaccu wordt niet
opgeladen. De verbrandingsmotor wordt op
het multifunctioneel display en op het
COMAND-display geaccentueerd.
Opladen als de auto stilstaat
De verbrandingsmotor drijft de elektromotor
aan. De elektromotor wordt als dynamo
gebruikt. De hoogspanningsaccu wordt opge-
laden.
De pijl voor de energiestroom wordt wit weer-
gegeven.
290 Hybridefunctie
Rijden en parkeren
Rijden met verbrandingsmotor
De verbrandingsmotor drijft de auto aan.
De pijlen voor de energiestroom worden wit
weergegeven.
Rijden met verbrandingsmotor en boost-
effect
Als het gaspedaal snel wordt ingedrukt,
ondersteunt de elektromotor de verbran-
dingsmotor met extra aandrijfkoppel.
De pijlen voor de energiestroom worden rood
weergegeven.
Rijden met verbrandingsmotor en ener-
gieterugwinning
De verbrandingsmotor drijft de auto aan.
De elektromotor wordt als dynamo gebruikt,
bijvoorbeeld bij het afremmen op de motor en
bij het remmen (Ypagina 295). De bewe-
gingsenergie van de auto wordt omgezet in
elektrische energie. De hoogspanningsaccu
wordt opgeladen.
De pijlen voor de energiestroom worden
groen weergegeven.
Rijden met verbrandingsmotor en opla-
den van de hoogspanningsaccu
De verbrandingsmotor drijft de auto aan. De
verbrandingsmotor drijft bovendien de elek-
tromotor aan. De elektromotor wordt als
dynamo gebruikt. De hoogspanningsaccu
wordt opgeladen.
De pijlen voor de energiestroom worden wit
weergegeven.
Hybridefunctie 291
Rijden en parkeren
Z
Elektro-aandrijving
De elektromotor drijft de auto aan. De hoog-
spanningsaccu voorziet de elektromotor van
elektrische energie.
De pijlen voor de energiestroom worden
groen weergegeven.
Elektro-aandrijving en opladen van de
hoogspanningsaccu
De elektromotor wordt als dynamo gebruikt,
bijvoorbeeld bij het afremmen op de motor en
bij het remmen. De bewegingsenergie van de
auto wordt omgezet in elektrische energie.
De hoogspanningsaccu wordt opgeladen.
De pijlen voor de energiestroom worden
groen weergegeven.
Totale actieradius weergeven
De globale actieradius wordt berekend uit de
actuele rijstijl.
XMet Ñin het stuurwiel de lijst van
menu's oproepen.
XMet :of 9in het stuurwiel het menu
ReisReis selecteren.
XMet ain het stuurwiel bevestigen.
XMet :of 9de globale totale actie-
radius selecteren.
292 Hybridefunctie
Rijden en parkeren
Brandstofverbruik en opgewekte elektrische energie weergeven
:Brandstofverbruik
;Opgewekte elektrische energie
Iedere balk van de grafische weergave geeft de gemiddelde waarde voor een minuut aan.
De weergave van het brandstofverbruik :kan door het display in de boordcomputer NaNa
vertrekvertrek in het menu ReisReis afwijken.
Waarden terugzetten: De waarden worden samen met de boordcomputer Na vertrekNa vertrek
teruggezet (Ypagina 314).
XVerbruikVerbruik selecteren: De controller draaien en indrukken.
Het brandstofverbruik :en de opgewekte elektrische energie ;voor de laatste
15 minuten reistijd worden op het COMAND-display weergegeven.
Starten
READY-weergave
XHet contact inschakelen.
XHet rempedaal indrukken.
XDe aanwijzingen m.b.t. "Starten" in acht
nemen (Ypagina 197).
XDe verbrandingsmotor starten
(Ypagina 198).
De auto is bedrijfsklaar wanneer het groene
of gele READY-controlelampje :brandt.
iIn het handmatig schakelprogramma M
wordt de READY-weergave :op het mul-
tifunctioneel display geel weergegeven
(Ypagina 294).
Geruisloos starten
De auto start in de elektromodus zonder ver-
brandingsmotor. Pas als het door de bestuur-
der gewenste vermogen hoger is dan het
actueel beschikbare vermogen van de elek-
tromotor, wordt de verbrandingsmotor
gestart.
Hybridefunctie 293
Rijden en parkeren
Z
De geruisloze start is afhankelijk van de bui-
tentemperatuur en de bedrijfstemperatuur
van de verbrandingsmotor.
Als het hybridesysteem wordt gestart, brandt
de groene of gele READY-weergave :op het
multifunctioneel display. Meer informatie
over de READY-weergave (Ypagina 296).
Wegrijden
XHet rempedaal indrukken en ingedrukt
houden.
XDe transmissie in stand Dof Rzetten.
XWanneer op het multifunctioneel display de
displaymelding Voor verlaten vanVoor verlaten van
schakelstand P rem bedienenschakelstand P rem bedienen wordt
weergegeven, het rempedaal krachtig
indrukken en de gewenste transmissie-
stand selecteren.
XHet rempedaal loslaten.
XVoorzichtig gas geven.
iMeer informatie over het wegrijden
(Ypagina 198).
Rijden
Programmakeuzetoets
Automatisch schakelprogramma E en S
XOm een ander schakelprogramma te selec-
teren, programmakeuzetoets :indruk-
ken.
Op het multifunctioneel display verschijnt
de letter van het geselecteerde schakel-
programma.
Met de programmakeuzetoets kan tussen
verschillende rij-eigenschappen worden
gekozen.
EEconomy RVoor een comfortabele,
zuinige rijstijl
RElektro-aandrijving zo
vaak als mogelijk
RECO start-stop-functie
is beschikbaar
SSport RSportieve rijstijl met
boost-effect
RVolledige elektro-aan-
drijving is niet mogelijk
RECO start-stop-functie
is niet beschikbaar
Meer informatie over het automatisch scha-
kelprogramma (Ypagina 209).
Handmatig schakelprogramma M
Naast de automatische schakelprogramma's
Een Skan met de stuurwielschakelpaddels
in het handmatig schakelprogramma Mwor-
den geschakeld.
In het handmatig schakelprogramma Mkun-
nen de versnellingen met de stuurwielscha-
kelpaddels kortstondig zelf worden gescha-
keld. De transmissie moet daarbij in stand D
staan. In het handmatig schakelprogramma
Mis volledige elektro-aandrijving niet moge-
lijk.
Activeren bij het rijden met elektromotor:
XAan de linker stuurwielschakelpaddel trek-
ken (Ypagina 209).
De verbrandingsmotor wordt ingescha-
keld. Het handmatig schakelprogramma
Mis kortstondig geactiveerd. Op het mul-
294 Hybridefunctie
Rijden en parkeren
tifunctioneel display worden Men de gese-
lecteerde versnelling weergegeven.
iAls het rijprogramma Mniet geactiveerd
is, wisselt u door aan de rechter stuurwiel-
schakelpaddel te trekken naar de bedrijfs-
modus "deceleratie" (Ypagina 297).
Activeren bij het rijden met verbrandingsmo-
tor:
XAan de linker stuurwielschakelpaddel trek-
ken (Ypagina 209).
Het handmatig schakelprogramma Mis
kortstondig geactiveerd. Op het multifunc-
tioneel display worden Men de geselec-
teerde versnelling weergegeven.
iDe ECO start-stop-functie is niet beschik-
baar in het handmatig schakelprogramma
M.
Rijtips
Algemene rijtips
Anticiperend rijden en voldoende afstand
houden ten opzichte van uw voorligger. Vaak
en krachtig accelereren en abrupt remmen
vermijden.
Bij semi-elektrisch rijden, wegrijden en acce-
lereren ondersteunt de elektromotor de ver-
brandingsmotor.
Bij het afremmen op de motor in transmissie-
stand Den bij het remmen wordt de elektro-
motor als dynamo gebruikt.
Meer informatie over de ECO start-stop-func-
tie (Ypagina 296).
Verdere rijtips (Ypagina 224).
Stilstand van de auto
Wanneer de auto stilstaat, is de verbrandings-
motor hoofdzakelijk uitgeschakeld. De auto-
matische temperatuurregeling werkt nog
steeds. Door het elektromechanisch onder-
steunde stuurhuis kan de stuurbekrachtiging
zonder beperking van het comfort worden
gebruikt.
Accelereren
Afhankelijk van de bedrijfsmodus gebeuren
het wegrijden en het rijden met lage belas-
ting:
Rvolledig elektrisch of
Rgecombineerd met de verbrandingsmotor.
Bij het accelereren met hoge of volledige
belasting wordt het boost-effect gebruikt.
Daarbij ondersteunt de elektromotor bij het
snel indrukken van het gaspedaal de verbran-
dingsmotor met extra aandrijfkoppel.
Decelereren of remmen
Voor het vertragen van het hybride voertuig
onderscheiden we drie verschillende bedrijfs-
modi:
RBij het uitrollen met alleen afremmen op de
motor vindt reeds energieterugwinning
plaats (Ypagina 286). De elektromotor
werkt als dynamo en slaat de teruggewon-
nen energie op in de hoogspanningsaccu.
RBij iets afremmen wordt de auto sterker
vertraagd door de elektromotor. Er vindt
een sterkere energieterugwinning plaats
(Ypagina 286). De elektromotor werkt als
dynamo en slaat de teruggewonnen ener-
gie op in de hoogspanningsaccu.
RBij sterker afremmen wordt ook gebruikge-
maakt van de bedrijfsremmen voor de ver-
traging van de auto. Beide systemen wer-
ken gecombineerd.
Stadsrit
Bij het rijden in de stad, waar vaak wordt
afgeremd en stilgestaan, wordt energie terug-
gewonnen.
De auto kan tot een snelheid van circa
35 km/h uitsluitend door de elektromotor
worden aangedreven, bijvoorbeeld:
Rtijdens het uitrollen bij een verkeerslicht
Rtijdens stop-and-go-verkeer.
Alleen als is voldaan aan alle voorwaarden
voor het automatisch afzetten van de motor,
wordt de auto uitsluitend door de elektromo-
tor aangedreven.
Hybridefunctie 295
Rijden en parkeren
Z
Meer informatie over het automatisch afzet-
ten van de motor (Ypagina 296).
Provinciale weg
Op een provinciale weg zijn drie fasen moge-
lijk:
Rsnelle acceleratie (boost-effect)
Rconstant energieverbruik
Renergieterugwinning (recuperatie).
Afhankelijk van de weg is veel teruggewon-
nen energie beschikbaar. Dat vermindert het
brandstofverbruik en de emissies.
Autosnelweg
Bij het rijden op de autosnelweg heeft in het
bijzonder de verlaging van het verloren ver-
mogen een gunstige invloed op het verbruik
en de uitstoot.
Manoeuvreren en keren
De HYBRID technologie maakt volledig elek-
trisch manoeuvreren en keren mogelijk.
ECO start-stop-functie
Algemene aanwijzingen
:READY-weergave
De ECO start-stop-functie schakelt de ver-
brandingsmotor bij het stoppen van de auto
en bij hogere snelheden automatisch uit
(Ypagina 297).
De ECO start-stop-functie is alleen in het
schakelprogramma Ebeschikbaar. Volledige
elektro-aandrijving is alleen in het schakel-
programma Emogelijk.
Als de READY-weergave :op het multifunc-
tioneel display groen wordt weergegeven, is
het systeem ingeschakeld.
Alle systemen van de auto blijven actief, bij-
voorbeeld de automatische temperatuurre-
geling.
Automatisch afzetten van de motor
De verbrandingsmotor wordt automatisch
afgezet, wanneer onder andere:
Rde bestuurder de voet van het gaspedaal
neemt en een snelheid van 140 km/h niet
overschrijdt (Ypagina 297)
Rde verbrandingsmotor de bedrijfstempera-
tuur heeft bereikt
Rde bestuurder de gordel heeft omgegespt
en het bestuurdersportier gesloten is
Rde bestuurder het gaspedaal slechts licht
indrukt, om bijvoorbeeld de snelheid bij
een snelheidsbeperking aan te houden
Rde motorkap gesloten en correct vergren-
deld is
Rde hoogspanningsaccu voldoende opgela-
den is
Rgeen storing in het hybridesysteem aanwe-
zig is.
iOok als aan alle voorwaarden voor het
automatisch afzetten van de motor is vol-
daan, kan de gele READY-weergave :op
het multifunctioneel display branden. In dit
geval een grotere afstand met een snelheid
hoger dan 20 km/h rijden, tot de READY-
weergave :op het multifunctioneel dis-
play groen brandt.
Als niet is voldaan aan alle voorwaarden voor
het automatisch afzetten van de motor,
brandt de gele READY-weergave :. De ver-
brandingsmotor wordt niet automatisch afge-
zet wanneer:
Rde zelfdiagnose van het motormanage-
mentsysteem nog actief is
Reen storing in het hybridesysteem aanwe-
zig is
296 Hybridefunctie
Rijden en parkeren
Rde temperatuurregeling van de auto dit
vraagt
Rde hoogspanningsaccu wordt opgeladen
(Ypagina 290)
Rautomatische emissietests actief zijn.
Automatisch starten van de motor
De automatisch afgezette verbrandingsmotor
start in bepaalde situaties automatisch, wan-
neer:
Rde bestuurder via het gaspedaal meer ver-
mogen vraagt dan de elektromotor kan
leveren
Rde bestuurder naar het schakelprogramma
Sof Momschakelt
Rde laadtoestand van de hoogspannings-
accu de ondergrens heeft bereikt
Rde instellingen van de automatische tem-
peratuurregeling hierom vragen, bijvoor-
beeld bij buitentemperaturen hoger dan
30 †.
Deceleratie
Deze bedrijfsmodus is mogelijk in het snel-
heidsbereik onder 140 km/h.
De verbrandingsmotor wordt uitgeschakeld
en losgekoppeld van de aandrijflijn.
De elektromotor:
Rzorgt voor een geringe deceleratie, die
overeenkomt met de remmende werking
van een ingeschakelde verbrandingsmotor
Rwerkt als dynamo, wekt voor de nevenver-
bruikers de noodzakelijke energie op en
laadt de hoogspanningsaccu op.
Verlengde deceleratie
De afstand kan in de bedrijfsmodus "Decele-
ratie" worden vergroot.
Als de auto zich in de bedrijfsmodus "Dece-
leratie" bevindt:
XAan de rechter stuurwielschakelpaddel
trekken.
De energieterugwinning wordt geredu-
ceerd tot de minimaal noodzakelijke ener-
gie.
De vermindering van de energieterugwinning
wordt weergegeven in de CHARGE-weergave
van de elektromotor (Ypagina 288).
De bedrijfsmodus "Verlengde deceleratie"
wordt weer gedeactiveerd, als:
Rde verbrandingsmotor wordt gestart
Rhet rempedaal wordt ingedrukt.
Anticiperende regeling van de laadtoe-
stand van de hoogspanningsaccu
Bij de anticiperende regeling van de laadtoe-
stand van de hoogspanningsaccu wordt circa
zeven km van de voorliggende route in de
berekening opgenomen.
iBij actieve routebegeleiding is de kans
groter, dat het maximale deel van de voor-
liggende route van zeven kilometer in de
berekening wordt meegenomen. Meer
informatie over de route-instelling vindt u
in de afzonderlijke COMAND Online hand-
leiding.
De informatie over de route wordt door het
COMAND Online ter beschikking gesteld en
omvat de volgende informatie:
RHellinginformatie
RSnelheidsbeperkingen
RVerwachte afslagen.
De laadtoestand van de hoogspanningsaccu
wordt gericht laag gehouden of gericht ver-
laagd, als:
Rde auto een helling met een hoog terug-
winningspotentieel nadert
Rhet gaspedaal wordt ingedrukt en
Rhet schakelprogramma Eis geselecteerd.
Op deze manier wordt met de elektromotor
de opgeslagen energie voor extra aandrijving
gebruikt en bij het rijden op een helling zo veel
mogelijk remenergie teruggewonnen. De
gegenereerde energie wordt opgeslagen in
de hoogspanningsaccu.
Tijdens de anticiperende regeling van de laad-
toestand van de hoogspanningsaccu wordt
Hybridefunctie 297
Rijden en parkeren
Z
op het multifunctioneel display het gebied
vóór de auto groen afgebeeld.
Parkeren
XDe elektrische parkeerrem inschakelen.
Het rode controlelampje !in het instru-
mentenpaneel gaat branden.
XMet de DIRECT SELECT-keuzehendel de
automatische transmissie in stand Pzet-
ten.
XHet contact uitschakelen.
Het groene of gele READY-controlelampje
in het instrumentenpaneel dooft.
iMeer informatie over parkeren en het
afzetten van de verbrandingsmotor
(Ypagina 221).
298 Hybridefunctie
Rijden en parkeren
Problemen bij de hybridefunctie
Verbrandingsmotor
Probleem Mogelijke oorzaak en/of gevolg en MMoplossingen
De verbrandingsmotor
kan niet worden
gestart. Het multifunc-
tioneel display toont
geen displaymelding.
De READY-weergave op
het multifunctioneel
display is gedoofd.
De zelfdiagnose is bijvoorbeeld nog niet afgesloten of het hybri-
desysteem vertoont een storing.
XHet contact uit- en weer inschakelen.
XOpnieuw proberen de verbrandingsmotor te starten.
Als de verbrandingsmotor nog steeds niet start:
XContact opnemen met een gekwalificeerde werkplaats.
U wilt wegrijden, maar
de ECO start-stop-func-
tie start de verbran-
dingsmotor niet. De
READY-weergave op
het multifunctioneel
display is gedoofd.
De ECO start-stop-functie is uitgevallen. De waarschuwings- en
controlelampjes in het instrumentenpaneel branden.
XDe transmissie in stand Pzetten.
XHet contact uit- en weer inschakelen.
XDe verbrandingsmotor starten.
Het hybridesysteem vertoont een storing.
XContact opnemen met een gekwalificeerde werkplaats.
RBS (Rekuperatives Bremssystem, regenererend remsysteem)
Probleem Mogelijke oorzaak en/of gevolg en MMoplossingen
De weerstand van het
rempedaal is lager en
de slag van het rempe-
daal is langer dan
gebruikelijk.
GGevaar voor ongevallen
Het RBS vertoont een storing.
XDe extra meldingen op het multifunctioneel display in acht
nemen (Ypagina 330).
XDe aanwijzingen m.b.t. de waarschuwings- en controlelampjes
in het instrumentenpaneel in acht nemen (Ypagina 377).
Hybridefunctie 299
Rijden en parkeren
Z
Hybridesysteem
Probleem Mogelijke oorzaak en/of gevolg en MMoplossingen
Het hybridesysteem is
automatisch uitgescha-
keld.
U heeft een ongeluk gehad.
Het hybridesysteem blijft uitgeschakeld, wanneer:
Rde verbrandingsmotor na enkele seconden niet opnieuw gestart
kan worden
Rhet rode waarschuwingslampje SRS 6in het instrumenten-
paneel brandt.
XContact opnemen met een gekwalificeerde werkplaats.
Het hybridesysteem is
automatisch uitgescha-
keld. Tevens wordt een
displaymelding op het
multifunctioneel dis-
play weergegeven.
In het hybridesysteem is een elektrische kortsluiting aanwezig of
er is een elektrische stekker losgemaakt.
XDe extra meldingen op het multifunctioneel display in acht
nemen (Ypagina 330).
XContact opnemen met een gekwalificeerde werkplaats.
Rijden met een aanhangwagen
Belangrijke veiligheidsvoorschriften
GWAARSCHUWING
Als u tijdens het rijden de voet op het rempe-
daal laat rusten, kan het remsysteem over-
verhit raken. Daardoor wordt de remweg lan-
ger en kan het remsysteem zelfs uitvallen. Er
bestaat gevaar voor ongevallen!
Nooit het rempedaal als voetsteun gebruiken.
Tijdens het rijden niet tegelijkertijd het rem-
en het gaspedaal indrukken.
GWAARSCHUWING
Als de auto met aanhangwagen gaat slinge-
ren, kunt u de controle over de auto met aan-
hangwagen verliezen. De auto met de aan-
hangwagen kan zelfs kantelen. Er bestaat
gevaar voor ongevallen!
In geen geval proberen om door het verhogen
van de snelheid de auto met aanhangwagen
recht te trekken. De snelheid verlagen en niet
tegensturen. Zo nodig afremmen.
GWAARSCHUWING
Als de toegestane kogeldruk bij gebruik van
een dragersysteem wordt overschreden, kan
het dragersysteem loskomen en andere ver-
keersdeelnemers in gevaar brengen. Er
bestaat gevaar voor letsel en ongevallen!
Bij gebruik van een dragersysteem altijd de
toegestane kogeldruk aanhouden.
Als de maximumkogeldruk van de aanhang-
wagendissel op de kogelkop wordt overschre-
den, kunnen de volgende componenten
schade oplopen:
Rauto
Raanhangwagen
Rkogelkop
Rtrekhaak.
De combinatie kan instabiel worden.
Ook als de minimaal toelaatbare kogeldruk
niet wordt bereikt, kan de combinatie insta-
biel worden.
300 Rijden met een aanhangwagen
Rijden en parkeren
Om risico's te vermijden:
RVoor elke rit beslist de kogeldruk controle-
ren
RDe maximumkogeldruk zoveel mogelijk
benaderen
RDe maximumkogeldruk niet overschrijden
RAltijd boven de minimaal toelaatbare kogel-
druk blijven.
Erop letten dat de volgende waarden niet
worden overschreden:
Rde toegestane kogeldruk
Rhet toegestane aanhangwagengewicht
Rde toegestane achterasbelasting van de
trekkende auto
Rhet toegestaan totaalgewicht van de trek-
kende auto en de aanhangwagen.
Deze waarden, die niet mogen worden over-
schreden, zijn te vinden:
Rin de autopapieren
Rop de typeplaatjes van de trekhaak en de
aanhangwagen
Rop het voertuigtypeplaatje.
Bij afwijkende gegevens geldt de laagste
waarde.
Door de fabrikant goedgekeurde waarden zijn
te vinden op de typeplaatjes en voor de trek-
kende auto onder "Technische gegevens"
(Ypagina 503).
GWAARSCHUWING
Als de kogelkop wordt ontgrendeld of bij het
inklappen niet correct wordt vergrendeld,
zwaait hij naar buiten. In het zwenkbereik van
de kogelkop bestaat gevaar voor letsel!
De kogelkop alleen ontgrendelen als het
zwenkbereik vrij is. De kogelkop moet bij het
inklappen altijd vergrendelen; dit controleren.
!Een permanente bediening van het rem-
pedaal veroorzaakt overmatige en voortij-
dige slijtage van de remblokken.
Bij het achteruitrijden van de trekkende auto
erop letten dat niemand tussen de auto en de
aanhangwagen staat.
De aanhangwagen voorzichtig aan- en afkop-
pelen. Als de aanhangwagen niet correct aan
de trekkende auto is gekoppeld, kan de aan-
hangwagen losschieten.
Als met een aanhangwagen wordt gereden
gedraagt de auto zich anders dan bij het rij-
den zonder aanhangwagen.
De combinatie:
Ris zwaarder
Ris begrensd in acceleratie en klimvermogen
Rheeft een langere remweg
Ris gevoeliger voor harde zijwind
Rmoet alerter worden bestuurd
Rheeft een grotere draaicirkel.
Daardoor kan het rijgedrag verslechteren. Uw
rijstijl hieraan aanpassen. Voldoende afstand
houden. Oplettend rijden.
Tijdens het rijden met een aanhangwagen de
snelheid altijd aan de weg- en weersomstan-
digheden aanpassen. De maximaal toege-
stane maximumsnelheid voor de combinatie
aanhouden.
Aanwijzingen voor rijden met een aan-
hangwagen
Algemene aanwijzingen
Bij de volgende modellen is rijden met een
aanhangwagen niet mogelijk:
RS 400 HYBRID
RS 400
RS 63 AMG
RS 63 AMG 4MATIC
iBij het rijden met een aanhangwagen bij
de achteras van de trekkende auto de ban-
denspanning voor de maximale belading
instellen, zie de bandenspanningstabel in
de tankdopklep (Ypagina 460).
iBij auto's zonder niveauregeling wijzigt de
hoogte van de kogelkop met de belading
van de auto. In dat geval een aanhangwa-
gen met een in hoogte instelbare dissel
gebruiken.
Rijden met een aanhangwagen 301
Rijden en parkeren
Z
Inbouwmaten en belasting vindt u in het
hoofdstuk "Technische gegevens"
(Ypagina 502).
Rijtips
iOok de aanwijzingen m.b.t. de ESP®-aan-
hangwagenstabilisatie in acht nemen
(Ypagina 87).
De toegestane maximumsnelheid voor een
auto met aanhangwagen is van het type aan-
hangwagen afhankelijk (alleen in Duitsland).
Controleer voor begin van de rit in het kente-
kenbewijs van de aanhangwagen welke maxi-
mumsnelheid is toegestaan voor uw aanhang-
wagen (alleen in Duitsland). Hierbij de wette-
lijk voorgeschreven maximumsnelheid van
het betreffende land in acht nemen.
Voor bepaalde auto's van Mercedes-Benz is
bij het rijden met een aanhangwagen een ver-
hoogde achterasbelasting toegestaan. Of dit
ook voor uw auto geldt staat in het hoofdstuk
"Technische gegevens" (Ypagina 503). Wan-
neer bij het rijden met een aanhangwagen de
achterasbelasting ook slechts gedeeltelijk
verhoogd wordt, mag met de combinatie van-
wege de typegoedkeuring niet sneller dan
100 km/h worden gereden. Dit geldt ook in
landen waar voor auto's met aanhangwagen
in principe een maximumsnelheid boven
100 km/h is toegestaan.
Met een aanhangwagen is het rijgedrag van
de auto anders dan zonder aanhangwagen en
verbruikt de auto meer brandstof.
Bij lange en steile afdalingen moet vroegtijdig
in een lagere versnelling worden geschakeld.
iDit geldt ook als de TEMPOMAAT, SPEED-
TRONIC of DISTRONIC PLUS is ingescha-
keld.
U gebruikt zo de remwerking van de motor en
hoeft minder te remmen om de snelheid aan
te houden. Daardoor wordt het remsysteem
ontlast en wordt voorkomen dat de remmen
oververhit raken en te snel slijten. Moet er
extra worden geremd, dan het rempedaal niet
continu indrukken maar met intervallen.
Rijtips
Als de aanhangwagen slingert:
XIn geen geval gas geven.
XNiet tegensturen.
XZo nodig remmen.
REen grotere afstand aanhouden dan wan-
neer zonder aanhangwagen wordt gereden.
RAbrupt remmen vermijden. Indien mogelijk
eerst licht afremmen, zodat de aanhang-
wagen oploopt. Daarna de remkracht snel
laten toenemen.
RHet klimvermogen geldt voor zeeniveau. Bij
het rijden in de bergen erop letten dat door
het toenemen van de hoogte het motorver-
mogen en het klimvermogen verminderen.
Kogelkop uitklappen
GWAARSCHUWING
Als de kogelkop niet vergrendeld is, kan de
aanhangwagen losraken. Er bestaat gevaar
voor ongevallen!
De kogelkop altijd volgens de beschrijving
vergrendelen.
GWAARSCHUWING
Als de kogelkop wordt ontgrendeld of bij het
inklappen niet correct wordt vergrendeld,
zwaait hij naar buiten. In het zwenkbereik van
de kogelkop bestaat gevaar voor letsel!
De kogelkop alleen ontgrendelen als het
zwenkbereik vrij is. De kogelkop moet bij het
inklappen altijd vergrendelen; dit controleren.
De kogelkop moet worden uitgeklapt voordat
een aanhangwagen met de auto kan worden
getrokken.
RGeen KEYLESS GO-sleutel bij u dragen als:
-de kogelkop wordt in- of uitgeklapt
-een aanhangwagen wordt aan- of afge-
koppeld.
Als de KEYLESS GO-sleutel zich in het ach-
terste herkenningsgebied van het KEYLESS
302 Rijden met een aanhangwagen
Rijden en parkeren
GO bevindt, kan de achterklep dan onbe-
doeld openen of sluiten.
XDe auto moet stilstaan.
XDe achterklep openen.
XAan ontgrendelingsknop :trekken, tot de
kogelkop ontgrendelt.
De kogelkop klapt onder de achterbumper
uit.
Het controlelampje in de ontgrendelings-
knop knippert. De aanhangwagencontact-
doos klapt automatisch uit.
XDe kogelkop met de hand in de richting van
de pijl drukken tot deze in de verticale
stand vergrendelt.
Het controlelampje in de ontgrendelings-
knop dooft.
Op het multifunctioneel display verschijnt
zo lang de displaymelding Trekhaak ver‐Trekhaak ver‐
grendeling control.grendeling control., tot de kogelkop
vergrendeld is.
XDe afdekkap van de kogelkop verwijderen
en veilig opbergen.
iDe veiligheidsvoorschriften voor auto's
met HYBRID technologie in acht nemen
(Ypagina 44).
Aanhangwagen aankoppelen
RGeen KEYLESS GO-sleutel bij u dragen als:
-de kogelkop wordt in- of uitgeklapt
-een aanhangwagen wordt aan- of afge-
koppeld.
Als de KEYLESS GO-sleutel zich in het ach-
terste herkenningsgebied van het KEYLESS
GO bevindt, kan de achterklep dan onbe-
doeld openen of sluiten.
XDe transmissie moet in stand Pstaan.
XDe elektrische parkeerrem inschakelen.
XDe aanhangwagen horizontaal achter de
auto zetten.
XDe aanhangwagen aankoppelen.
XDe elektrische verbinding tussen auto en
aanhangwagen maken.
XHet verlichtingssysteem van de aanhang-
wagen controleren.
Een aanhangwagen wordt alleen herkend
als de elektrische verbinding in orde en het
verlichtingssysteem intact is. Hiervan is
ook de werking van andere systemen
afhankelijk, bijvoorbeeld het ESP®, de
PARKTRONIC, de actieve parkeerassistent,
de actieve dodehoek- en de spoorassis-
tent.
Aanhangwagen afkoppelen
GWAARSCHUWING
Als u een aanhangwagen met oplooprem in
geremde staat afkoppelt, kan uw hand tussen
de auto en de aanhangwagendissel worden
ingeklemd. Er bestaat gevaar voor letsel!
Een aanhangwagen niet in geremde staat
afkoppelen.
GWAARSCHUWING
Auto's met niveauregeling:
Rijden met een aanhangwagen 303
Rijden en parkeren
Z
Wanneer de kabel van de aanhangwagen
wordt losgemaakt, daalt de auto. Daardoor
kunnen lichaamsdelen van u of anderen, die
zich tussen de carrosserie en de banden of de
onderzijde van de auto bevinden, bekneld
raken. Er bestaat gevaar voor letsel!
Bij het losmaken van de kabel van de aan-
hangwagen mag niemand zich in de directe
omgeving van de wielkuipen of onder de auto
bevinden; dit controleren.
!Een aanhangwagen met oplooprem niet
afkoppelen als deze geremd is, anders kan
door het uitveren van de oplooprem de auto
worden beschadigd.
!De gemonteerde adapterkabel verwijde-
ren voordat de kogelkop wordt ingeklapt.
Anders kan schade aan de achterbumper
en de adapterkabel ontstaan.
RGeen KEYLESS GO-sleutel bij u dragen als:
-de kogelkop wordt in- of uitgeklapt
-een aanhangwagen wordt aan- of afge-
koppeld.
Als de KEYLESS GO-sleutel zich in het ach-
terste herkenningsgebied van het KEYLESS
GO bevindt, kan de achterklep dan onbe-
doeld openen of sluiten.
XDe transmissie moet in stand Pstaan.
XDe elektrische parkeerrem inschakelen.
XVoorkomen dat de aanhangwagen kan
wegrollen.
XDe kabel van de aanhangwagen verwijde-
ren en de aanhangwagen afkoppelen.
Kogelkop inklappen
GWAARSCHUWING
Als de kogelkop wordt ontgrendeld of bij het
inklappen niet correct wordt vergrendeld,
zwaait hij naar buiten. In het zwenkbereik van
de kogelkop bestaat gevaar voor letsel!
De kogelkop alleen ontgrendelen als het
zwenkbereik vrij is. De kogelkop moet bij het
inklappen altijd vergrendelen; dit controleren.
Als de trekhaak niet wordt gebruikt, de kogel-
kop inklappen.
RGeen KEYLESS GO-sleutel bij u dragen als:
-de kogelkop wordt in- of uitgeklapt
-een aanhangwagen wordt aan- of afge-
koppeld.
Als de KEYLESS GO-sleutel zich in het ach-
terste herkenningsgebied van het KEYLESS
GO bevindt, kan de achterklep dan onbe-
doeld openen of sluiten.
XDe auto moet stilstaan en er mag geen
kabel van de aanhangwagen zijn aangeslo-
ten; dit controleren.
XDe afdekkap op de kogelkop drukken.
XDe achterklep openen.
XAan ontgrendelingsknop :trekken, tot de
kogelkop ontgrendelt.
De kogelkop klapt onder de achterbumper
weg. Het controlelampje in de ontgrende-
lingsknop knippert.
iNiet proberen om deze procedure te ver-
snellen door extra druk met uw voet uit te
oefenen. Anders kan het systeem mecha-
nisch worden beschadigd.
304 Rijden met een aanhangwagen
Rijden en parkeren
XDe kogelkop in de richting van de pijl druk-
ken tot deze achter de bumper hoorbaar
vergrendelt.
Het controlelampje op de ontgrendelings-
knop dooft en de weergave op het multi-
functioneel display verdwijnt.
Spanningsvoorziening van aanhang-
wagen
!Op de permanente spanningsvoorziening
kunnen accessoires worden aangesloten
tot maximaal 240W, aan de via het con-
tactslot geschakelde spanningsvoorzie-
ning tot maximaal 180W.
De accu van de aanhangwagen mag niet
worden opgeladen via deze spanningsvoor-
ziening.
De aanhangwagencontactdoos van de auto is
af fabriek voorzien van een permanente span-
ningsvoorziening en een over het contactslot
geschakelde spanningsvoorziening.
De permanente spanningsvoorziening
bevindt zich op pin 9 van de aanhangwagen-
contactdoos.
De over het contactslot geschakelde span-
ningsvoorziening bevindt zich op pin 10 van
de aanhangwagencontactdoos.
De permanente spanningsvoorziening van de
aanhangwagen wordt bij een lage boordnet-
spanning, maar uiterlijk na zes uur uitgescha-
keld.
Meer informatie over de installatie van de
elektronica van de aanhangwagen is verkrijg-
baar bij een gekwalificeerde werkplaats.
XIn- of uitschakelen van de geschakelde
spanningsvoorziening: De sleutel in het
contactslot in stand 2of 0draaien
(Ypagina 195).
Lampuitvalcontrole bij LED-verlich-
ting
iAls op de aanhangwagen LED-lampen zijn
gemonteerd kan een storingsmelding op
het multifunctioneel display verschijnen,
ondanks dat de lampen correct functione-
ren. De reden voor deze storingsmelding
kan een onderschrijden van de minimale
stroom van 50 mA zijn.
Voor een betrouwbare lampuitvaldetectie
moet daarom de minimale stroom per LED-
groep 50 mA bedragen.
Aanhangwagen met 7-polige stekker
Algemene aanwijzingen
Aanhangwagen met 7-polige stekker: De
verbinding met de 13-polige stekker van de
trekhaak kan met een adapterstekker of
eventueel met een adapterkabel tot stand
worden gebracht. Beide zijn verkrijgbaar bij
een gekwalificeerde werkplaats.
Adapter monteren
!Erop letten dat de kabel, ook in bochten,
voldoende bewegingsruimte heeft, zodat
de kabel niet beschadigd kan raken.
!De gemonteerde adapterkabel verwijde-
ren voordat de kogelkop wordt ingeklapt.
Anders kan schade aan de achterbumper
en de adapterkabel ontstaan.
XDe klep van de contactdoos openen.
XDe stekker met nok :in groef =van de
contactdoos aanbrengen. De bajonetver-
binding ;tot de aanslag rechtsom
draaien.
Rijden met een aanhangwagen 305
Rijden en parkeren
Z
XHet deksel laten vergrendelen.
XAls gebruik wordt gemaakt van een adap-
terkabel, deze met kabelbinders vastzetten
aan de aanhangwagen.
306 Rijden met een aanhangwagen
Rijden en parkeren
Problemen bij het rijden met een aanhangwagen
Probleem Mogelijke oorzaak en/of gevolg en MMoplossingen
De ontgrendelde kogel-
kop kan niet worden
vergrendeld.
XNaar een gekwalificeerde werkplaats gaan.
De kogelkop ontgren-
delt niet, hoewel:
Rde auto stilstaat
Rgeen kabel van een
aanhangwagen aan-
gesloten is
Rlanger dan 1 seconde
aan de ontgrende-
lingsknop van de
kogelkop wordt
getrokken.
De boordnetspanning is te laag
XDe motor starten.
Als de kogelkop dan nog niet ontgrendelt,
XNaar een gekwalificeerde werkplaats gaan.
Rijden met een aanhangwagen 307
Rijden en parkeren
Z
308
Wetenswaardigheden ....................... 310
Belangrijke veiligheidsvoorschrif-
ten ...................................................... 310
Meldingen en bediening ................... 310
Menu's en submenu's ...................... 313
Displaymeldingen ............................. 330
Waarschuwings- en controlelamp-
jes in instrumentenpaneel ............... 367
309
Boordcomputer en meldingen
Wetenswaardigheden
iDeze handleiding beschrijft alle modellen
en standaard- en speciale uitrustingen van
de auto die op het tijdstip van de redactie-
sluiting van deze handleiding verkrijgbaar
waren. Landspecifieke afwijkingen zijn ook
mogelijk. In acht nemen dat de auto niet
met alle beschreven functies kan zijn uit-
gerust. Dit betreft ook veiligheidsrelevante
systemen en functies.
iDe informatie over gekwalificeerde werk-
plaatsen lezen (Ypagina 29).
Belangrijke veiligheidsvoorschriften
GWAARSCHUWING
Wanneer in het voertuig geïntegreerde infor-
matiesystemen en communicatieapparatuur
tijdens het rijden bediend worden, wordt u
van de verkeerssituatie afgeleid. Bovendien
kunt u de controle over het voertuig verliezen.
Er bestaat gevaar voor ongevallen!
Deze apparaten alleen bedienen als de ver-
keerssituatie dit toelaat. Wanneer dit niet
gewaarborgd is, het voertuig op een veilige
manier tot stilstand brengen en het invoeren
uitvoeren als het voertuig stilstaat.
Bij het bedienen van de boordcomputer de
wettelijke bepalingen in acht nemen van het
land waarin u zich bevindt.
GWAARSCHUWING
Als het instrumentenpaneel is uitgevallen of
een storing vertoont, kunt u functiebeperkin-
gen van veiligheidsrelevante systemen niet
herkennen. De bedrijfsveiligheid van de auto
kan nadelig beïnvloed zijn. Er bestaat gevaar
voor ongevallen!
Voorzichtig verder rijden. De auto direct laten
controleren bij een gekwalificeerde werk-
plaats.
De boordcomputer toont op het multifunctio-
neel display alleen displaymeldingen en waar-
schuwingen van bepaalde systemen. Daarom
erop letten dat de auto altijd bedrijfszeker is.
Anders kunt u door een niet-bedrijfszekere
auto een ongeval veroorzaken.
Voor het overzicht de afbeelding van het
instrumentenpaneel raadplegen
(Ypagina 33).
Meldingen en bediening
Toerenteller
!Niet met een te hoog toerental rijden!
Anders kan schade aan de motor optreden.
De rode markering in de toerenteller geeft het
gebied met een te hoog toerental van de
motor aan.
Bij het bereiken van de rode markering wordt
de brandstoftoevoer onderbroken om de
motor te beschermen.
Koelvloeistoftemperatuurmeter
GWAARSCHUWING
Als bij een oververhit geraakte motor of een
brand in de motorruimte de motorkap wordt
geopend, kunt u met hete gassen of andere
weglekkende bedrijfsstoffen in contact
komen. Gevaar voor letsel!
Voordat de motorkap wordt geopend, een
oververhitte motor laten afkoelen. Bij een
brand in de motorruimte de motorkap geslo-
ten laten en de hulp inroepen van de brand-
weer.
De koelvloeistoftemperatuur wordt in de toe-
renteller weergegeven.
Tijdens normale rijomstandigheden en bij de
voorgeschreven hoeveelheid koelvloeistof
mag de weergave oplopen tot 120 †.
Bij hoge buitentemperaturen en rijden in de
bergen mag de koelvloeistoftemperatuur stij-
gen.
310 Meldingen en bediening
Boordcomputer en meldingen
Buitentemperatuurmeter
Zodra de temperatuur het vriespunt nadert,
moet bijzondere aandacht aan de staat van
het wegdek worden gegeven.
De buitentemperatuur wordt op het multi-
functioneel display weergegeven
(Ypagina 312).
Een veranderde buitentemperatuur wordt
vertraagd weergegeven.
Bediening van de boordcomputer
:Multifunctioneel display
;Rechter bedieningspaneel
=Linker bedieningspaneel
XBoordcomputer activeren: De sleutel in
het contactslot in stand 1draaien.
Met de toetsen in het multifunctioneel stuur-
wiel kunnen de weergaven op het multifunc-
tioneel display en de instellingen van de
boordcomputer worden gewijzigd.
Linker bedieningspaneel
òRHoofdmenu oproepen
9
:
Kort indrukken:
RIn lijsten bladeren
RMenu of functie selecteren
RIn het menu RadioRadio/MediaMedia de
titel- of zenderlijst openen en
een zender, een audiotitel of een
videoscène selecteren
RIn het menu TelefoonTelefoon naar het
telefoonboek omschakelen en
een naam of een telefoonnum-
mer kiezen
9
:
Lang indrukken:
RIn alle lijsten snelzoeken
RIn het menu RadioRadio/MediaMedia met
snelzoeken een zender, een
audiotitel of een videoscène
selecteren
RIn het menu TelefoonTelefoon bij
geopend telefoonboek het snel-
zoeken starten
aRIn het menu RadioRadio/MediaMedia de
lijst van beschikbare radiobron-
nen resp. media openen, record
in de lijst bevestigen
RIn het menu TelefoonTelefoon naar het
telefoonboek omschakelen en
beginnen het geselecteerde
nummer te kiezen
ñLINGUATRONIC uitschakelen, zie
de afzonderlijke handleiding
Meldingen en bediening 311
Boordcomputer en meldingen
Z
%Kort indrukken:
RTerug
RIn het menu RadioRadio/MediaMedia de
titel-, zenderlijst of lijst van
beschikbare radiobronnen resp.
media verlaten.
RDisplaymeldingen bevestigen
RTelefoonboek of nummerherha-
lingsgeheugen verlaten
%Lang indrukken:
RStandaardweergave in het menu
ReisReis oproepen
Rechter bedieningspaneel
~RGesprek weigeren of beëindigen
RTelefoonboek/nummerherha-
lingsgeheugen verlaten
6RGesprek voeren of aannemen
RNaar het nummerherhalingsge-
heugen omschakelen
W
X
RVolume wijzigen
8RGeluid uit- en inschakelen
óLINGUATRONIC inschakelen, zie
de afzonderlijke handleiding
Multifunctioneel display
:Bovenste statusregel met vol-
gende mogelijke weergaven en
controlelampjes:
Buitentemperatuur
(Ypagina 311)
Auto's met HYBRID technologie:
Koelvloeistoftemperatuur
Auto's met HYBRID technologie:
Elektrische actieradius
#Richtingaanwijzers links
(Ypagina 154)
LDimlicht (Ypagina 153)
KGrootlicht (Ypagina 154)
RMistachterlicht (Ypagina 153)
%Dieselmotor: Voorgloeien
TStadslicht en kentekenplaatver-
lichting (Ypagina 154)
!Richtingaanwijzers rechts
(Ypagina 154)
;Displayveld
=Onderste statusregel met vol-
gende mogelijke weergaven:
Digitale snelheid
¤ECO start-stop-functie
(Ypagina 199)
READY READY-weergave (auto's met
HYBRID technologie)
(Ypagina 288)
ëHOLD-functie (Ypagina 245)
jActieve parkeerassistent
(Ypagina 255)
_Adaptieve grootlichtassistent Plus
(Ypagina 157)
312 Meldingen en bediening
Boordcomputer en meldingen
aStuurassistent van de DISTRONIC
PLUS (Ypagina 243)
Extra snelheidsmeter
(Ypagina 327)
120 km/h! Maximaal toegestane snelheid
overschreden (alleen voor
bepaalde landen)
XMenuregel in displayveld ;oproepen:
Toets òin het stuurwiel indrukken.
Displayveld ;toont het geselecteerde
menu of submenu en displaymeldingen.
Menu's en submenu's
Menu-overzicht
Met toets òin het stuurwiel kan een lijst
met menu's worden opgeroepen en een
menu worden geselecteerd.
Bediening van de boordcomputer
(Ypagina 311).
Afhankelijk van de uitrusting van de auto kun-
nen de volgende menu's worden opgeroepen:
RMenu ReisReis(Ypagina 313)
RMenu NaviNavi (navigatie-aanwijzing)
(Ypagina 315)
RMenu RadioRadio(Ypagina 317)
RMenu MediaMedia(Ypagina 318)
RMenu TelefoonTelefoon(Ypagina 320)
RMenu Assistentieweer‐Assistentieweer‐
gavegave(Ypagina 321)
RMenu ServiceService(Ypagina 322)
RMenu InstellingenInstellingen(Ypagina 322)
RMenu AMGAMG in auto's in AMG-uitvoering
(Ypagina 328)
Menu Reis
Standaardweergave
XToets %in het stuurwiel ingedrukt hou-
den, tot het menu ReisReis met dagteller :en
kilometertotaalstand ;wordt weergege-
ven.
Actieradius en actueel brandstofver-
bruik weergeven
XMet òin het stuurwiel de lijst van
menu's oproepen.
XMet :of 9in het stuurwiel het menu
ReisReis selecteren.
XMet ain het stuurwiel bevestigen.
XMet :of 9de globale actieradius en
het actuele brandstofverbruik (niet bij
auto's in AMG-uitvoering) selecteren.
De globale actieradius wordt berekend uit de
actuele rijstijl en de tankinhoud. Als er nog
weinig brandstof in de tank is, wordt in plaats
van de globale actieradius een symbool van
Menu's en submenu's 313
Boordcomputer en meldingen
Z
een auto die wordt getankt Cweergege-
ven.
Informatie over de elektrische totale actiera-
dius bij auto's met HYBRID technologie vindt
u in het hoofdstuk "Hybridefunctie"
(Ypagina 292).
ECO-weergave
De ECO-weergave is niet beschikbaar bij
auto's in AMG-uitvoering.
XMet òin het stuurwiel de lijst van
menu's oproepen.
XMet :of 9in het stuurwiel het menu
ReisReis selecteren.
XMet ain het stuurwiel bevestigen.
XMet :of 9ECO-weergaveECO-weergave selecte-
ren.
Als het contact langer dan vier uur uitgescha-
keld is, wordt de ECO-weergave automatisch
teruggezet.
Meer informatie over de ECO-weergave
(Ypagina 224).
Boordcomputer "na vertrek" of "na
terugzetten"
:Afstand
;Tijdsduur
=Gemiddeld brandstofverbruik
?Gemiddelde snelheid
XMet òin het stuurwiel de lijst van
menu's oproepen.
XMet :of 9in het stuurwiel het menu
ReisReis selecteren.
XMet ain het stuurwiel bevestigen.
XMet :of 9Na vertrekNa vertrek of NaNa
resetreset selecteren.
De waarden in het submenu NaNa vertrekvertrek heb-
ben betrekking op de aanvang van de rit, in
het submenu Na resetNa reset op de laatste keer
terugzetten van dit submenu
(Ypagina 315).
De boordcomputer Na vertrekNa vertrek wordt in de
volgende gevallen automatisch teruggezet:
RHet contact is langer dan vier uur uitge-
schakeld.
R999 uur zijn overschreden.
R9.999 kilometer zijn overschreden.
Wanneer 9.999 uur of 99.999 kilometer zijn
overschreden, wordt de boordcomputer NaNa
resetreset automatisch teruggezet.
314 Menu's en submenu's
Boordcomputer en meldingen
Digitale snelheidsmeter
XMet òin het stuurwiel de lijst van
menu's oproepen.
XMet :of 9in het stuurwiel het menu
ReisReis selecteren.
XMet ain het stuurwiel bevestigen.
XMet :of 9de digitale snelheidsme-
ter selecteren.
Waarden terugzetten
XMet òin het stuurwiel de lijst van
menu's oproepen.
XMet :of 9in het stuurwiel het menu
ReisReis selecteren.
XMet ain het stuurwiel bevestigen.
XMet :of 9de functie selecteren die
moet worden teruggezet.
Xaindrukken.
XMet :JaJa selecteren en met a
bevestigen.
De waarden van de volgende functies kunnen
worden teruggezet:
RDagteller
RBoordcomputer "na vertrek"
RBoordcomputer "na terugzetten"
RECO-weergave.
Wanneer de waarden in de "ECO-weergave"
worden teruggezet, worden de waarden in de
boordcomputer "Na vertrek" eveneens terug-
gezet. Wanneer de waarden in de boordcom-
puter "Na vertrek" worden teruggezet, wor-
den de waarden in de "ECO-weergave" even-
eens teruggezet.
Menu Navigatie
Navigatie-aanwijzingen tonen
In het menu NaviNavi toont het multifunctioneel
display de navigatie-aanwijzingen. Meer
informatie over de navigatie, zie de afzonder-
lijke handleiding.
XHet COMAND Online inschakelen, zie de
afzonderlijke handleiding.
XMet òin het stuurwiel de lijst van
menu's oproepen.
XMet :of 9in het stuurwiel het menu
NaviNavi selecteren.
XMet ain het stuurwiel bevestigen.
Routebegeleiding niet actief
:Rijrichting
;Straat waarin wordt gereden
Menu's en submenu's 315
Boordcomputer en meldingen
Z
Routebegeleiding actief
Geen routewijziging aangekondigd
:Afstand tot de volgende bestemming
;Geschatte aankomsttijd
=Afstandsindicatie tot volgende routewijzi-
ging
?Straat waarin wordt gereden
Routewijziging aangekondigd met rij-
strookadvies
:Straat waarin de routewijziging u stuurt
;Afstand tot de routewijziging
=Symbool routewijziging
?Niet aanbevolen rijstrook (donkergrijs)
AMogelijke rijstrook (lichtgrijs)
BGeadviseerde rijstrook en tijdens de rou-
tewijziging erbij gekomen rijstrook (wit)
Als de digitale kaart de betreffende gegevens
bevat, kunnen bij wegen met meerdere rijst-
roken rijstrookadviezen voor de eerstvol-
gende routewijziging worden aangegeven. Tij-
dens het verloop van een routewijziging kun-
nen er extra rijstroken bijkomen.
Niet aanbevolen rijstrook ?: Op deze rij-
strook is het niet mogelijk om zonder veran-
deren van rijstrook de routewijziging uit te
voeren.
Mogelijke rijstrook A: Alleen op deze rij-
strook is het mogelijk om de volgende route-
wijziging uit te voeren.
Geadviseerde rijstrook B: Op deze rijstrook
is het mogelijk om de volgende en de daarop
volgende routewijziging uit te voeren.
Routewijziging zonder rijstrookadvies
:Straat waarin de routewijziging u stuurt
;Afstand tot de routewijziging en grafische
afstandsweergave
=Symbool routewijziging
Voorafgaand aan de routewijziging verschijnt
naast het symbool voor de routewijziging =
een grafische afstandsweergave ;. Deze
wordt kleiner van onder naar boven, hoe dich-
ter u bij de aangekondigde routewijziging
komt. Wanneer de afstandsweergave is
beëindigd, begint de routewijziging.
316 Menu's en submenu's
Boordcomputer en meldingen
Routewijziging met rijstrookadvies
:Straat waarin de routewijziging u stuurt
;Afstand tot de routewijziging en grafische
afstandsweergave
=Symbool routewijziging
?Rijstrookadvies
Meer statusindicaties van het naviga-
tiesysteem
:Extra informatie
Verder mogelijke aanvullende informatie:
RNieuwe route...Nieuwe route... of Route berekenenRoute berekenen:
Een nieuwe route wordt berekend.
RStraat niet opgenom.Straat niet opgenom. De auto bevindt
zich binnen het dekkingsgebied van de digi-
tale kaart, maar de straat is niet bekend,
bijvoorbeeld bij onverharde wegen (off-
road).
RGeen routeGeen route: Er kan geen route naar de
gekozen bestemming worden berekend.
ROU heeft de bestemming of een tussen-
bestemming bereikt.
Menu Radio
:Frequentieband
;Zender met geheugenpositie
=Naam van de artiest
?Naam van de titel
AGenre-informatie
Zender ;wordt met zenderfrequentie of
zendernaam weergegeven. Alleen als de zen-
der ;is opgeslagen, wordt bovendien de
geheugenpositie weergegeven.
XHet COMAND Online inschakelen, zie de
afzonderlijke handleiding.
XMet òin het stuurwiel de lijst van
menu's oproepen.
XMet :of 9in het stuurwiel het menu
RadioRadio selecteren.
XMet ain het stuurwiel bevestigen.
De actueel ingestelde zender ;wordt op
het multifunctioneel display weergegeven.
XZenderlijst openen::of 9indruk-
ken.
XEen zender in de zenderlijst selecte-
ren::of 9kort indrukken.
XEen zender met snelzoeken in de zen-
derlijst selecteren::of 9langer
indrukken.
XFrequentieband of zendergeheugen
selecteren:aindrukken.
XMet :of 9de frequentieband of het
zendergeheugen selecteren.
XMet abevestigen.
Menu's en submenu's 317
Boordcomputer en meldingen
Z
iZender opslaan, zie de afzonderlijke
handleiding.
iDAB-radiofunctie (Digital Audio Broad-
casting), zie de afzonderlijke handleiding.
Menu Media
Mediabron wisselen
U kunt te allen tijde in het menu MediaMedia van
mediabron en weergavesoort (audio, video of
tv) wisselen.
XHet COMAND Online inschakelen, zie de
afzonderlijke handleiding.
XMet òin het stuurwiel de lijst van
menu's oproepen.
XMet :of 9in het stuurwiel het menu
MediaMedia selecteren.
XMet ain het stuurwiel bevestigen.
XMediabronnenlijst openen en sluiten:
akort indrukken.
De lijst toont bijvoorbeeld de volgende
mediabronnen:
RDisc (cd/dvd)
RGeheugenkaart (SD/SDHC)
RMedia Register
RUsb-opslagmedium
RBluetooth®-audio-apparaat.
De extra informatie over media-ondersteu-
ning en mediafuncties in acht nemen, zie de
afzonderlijke handleiding.
Audiospeler of informatiedrager bedie-
nen
:Mediabron, bijvoorbeeld naam van de
actuele cd
;Actuele titel
=Naam van de artiest
?Naam van het album
ANaam van de map
Afhankelijk van de uitvoering kunnen audio-
bestanden van verschillende audiospelers of
informatiedragers worden weergegeven.
XHet COMAND Online inschakelen, zie de
afzonderlijke handleiding.
XMet òin het stuurwiel de lijst van
menu's oproepen.
XMet :of 9in het stuurwiel het menu
MediaMedia selecteren.
XMet ain het stuurwiel bevestigen.
XAudiospeler of -informatiedrager selec-
teren: akort indrukken.
XMet :of 9de betreffende audio-
speler of -informatiedrager selecteren.
XMet abevestigen.
XTitellijst openen::of 9kort
indrukken.
XVolgende of vorige titel in de titellijst
selecteren::of 9kort indrukken.
XEen titel met snelzoeken in de titellijst
selecteren::of 9ingedrukt hou-
den, tot de gewenste titel is bereikt.
318 Menu's en submenu's
Boordcomputer en meldingen
Wanneer :of 9langer ingedrukt
wordt gehouden, gaat het bladeren sneller.
Niet alle audiospelers of -informatiedragers
ondersteunen deze functie.
Als op de audiospeler of -informatiedrager
overeenkomstige titelinformatie opgeslagen
is, kan het multifunctioneel display het vol-
gende weergeven:
Rde nummers van de titels
Rde namen van de titels
Rde artiesten
Rhet album.
In de audio-aux-functie wordt geen titelinfor-
matie weergegeven (audio-auxiliary-functie:
Externe audiobron aangesloten).
Video-dvd bedienen
:Actuele scène
XHet COMAND Online inschakelen, zie de
afzonderlijke handleiding.
XMet òin het stuurwiel de lijst van
menu's oproepen.
XMet :of 9in het stuurwiel het menu
MediaMedia selecteren.
XMet ain het stuurwiel bevestigen.
XDvd-speler of -informatiedrager selec-
teren: akort indrukken.
XMet :of 9de betreffende dvd-spe-
ler of -informatiedrager selecteren.
XMet abevestigen.
XScènelijst openen::of 9kort
indrukken.
XVolgende of vorige scène in de scène-
lijst selecteren::of 9kort indruk-
ken.
XEen scène met snelzoeken in de scène-
lijst selecteren::of 9ingedrukt
houden, tot de gewenste scène :is
bereikt.
Tv bedienen
:Zender met geheugenpositie
;Programmainformatie, bijvoorbeeld de
naam van de film
=Naam van de zenderlijst
Alleen als de zender :is opgeslagen, wordt
bovendien de geheugenpositie weergegeven.
XHet COMAND Online inschakelen, zie de
afzonderlijke handleiding.
XMet òin het stuurwiel de lijst van
menu's oproepen.
XMet :of 9in het stuurwiel het menu
MediaMedia selecteren.
XMet ain het stuurwiel bevestigen.
XTv selecteren: akort indrukken.
XMet :of 9TV selecteren.
XMet abevestigen.
XZenderlijst openen::of 9indruk-
ken.
XEen zender in de zenderlijst selecte-
ren::of 9kort indrukken.
XEen zender met snelzoeken in de zen-
derlijst selecteren::of 9langer
indrukken.
Menu's en submenu's 319
Boordcomputer en meldingen
Z
iTv-zender opslaan, zie de afzonderlijke
handleiding.
Menu Telefoon
Inleiding
GWAARSCHUWING
Wanneer in het voertuig geïntegreerde infor-
matiesystemen en communicatieapparatuur
tijdens het rijden bediend worden, wordt u
van de verkeerssituatie afgeleid. Bovendien
kunt u de controle over het voertuig verliezen.
Er bestaat gevaar voor ongevallen!
Deze apparaten alleen bedienen als de ver-
keerssituatie dit toelaat. Wanneer dit niet
gewaarborgd is, het voertuig op een veilige
manier tot stilstand brengen en het invoeren
uitvoeren als het voertuig stilstaat.
Bij het telefoneren de wettelijke bepalingen
in acht nemen van het land waarin u zich
bevindt.
XDe mobiele telefoon inschakelen, zie de
afzonderlijke handleiding.
XHet COMAND Online inschakelen, zie de
afzonderlijke handleiding.
XDe mobiele telefoon in de mobiele-tele-
foonhouder aanbrengen (Ypagina 403).
of
XU kunt een Bluetooth®-verbinding met het
COMAND Online maken, zie de afzonder-
lijke handleiding.
XMet òin het stuurwiel de lijst van
menu's oproepen.
XMet :of 9in het stuurwiel het menu
TelefoonTelefoon selecteren.
XMet ain het stuurwiel bevestigen.
Op het op het multifunctioneel display ver-
schijnt een van de volgende meldingen:
RTelefoon gereedTelefoon gereed of de naam van de pro-
vider van het mobiel netwerk: De mobiele
telefoon heeft een netwerk gevonden en is
klaar voor ontvangst.
RTelefoon Geen serviceTelefoon Geen service: Er is geen net-
werk beschikbaar of de mobiele telefoon
zoekt een netwerk.
iMeer informatie over passende mobiele
telefoons en over het verbinden van een
mobiele telefoon via Bluetooth®is verkrijg-
baar:
Rbij een Mercedes-Benz-servicewerk-
plaats
Rop internet: http://www.mercedes-
benz.com/connect.
Gesprek aannemen
XMet 6in het stuurwiel het gesprek aan-
nemen.
Als u wordt gebeld en het menu TelefoonTelefoon
actief is, verschijnt op het multifunctioneel
display een melding.
Ook wanneer het menu TelefoonTelefoon niet actief
is, kan een telefoongesprek worden aange-
nomen.
Gesprek weigeren of beëindigen
X~in het stuurwiel indrukken.
Ook wanneer het menu TelefoonTelefoon niet actief
is, kan een telefoongesprek worden gewei-
gerd of beëindigd.
320 Menu's en submenu's
Boordcomputer en meldingen
Record uit telefoonboek selecteren
XMet òin het stuurwiel de lijst van
menu's oproepen.
XMet :of 9in het stuurwiel het menu
TelefoonTelefoon selecteren.
XMet ain het stuurwiel bevestigen.
XMet :,9of anaar het telefoon-
boek wisselen.
XMet :of 9de gezochte naam selec-
teren.
of
XSnelzoeken starten: Toets :of 9
langer dan 1 seconde ingedrukt houden.
Het snelzoeken stopt als de toets wordt
losgelaten of als het einde van de lijst is
bereikt.
XAls bij een naam slechts één telefoon-
nummer is opgeslagen: Met 6of
abeginnen met kiezen.
of
XAls bij een naam meerdere telefoon-
nummers worden opgeslagen: Met
6of ade telefoonnummers weer-
geven.
XMet :of 9de gewenste telefoon-
nummers selecteren.
XMet 6of ahet kiezen starten.
of
XHet telefoonboek verlaten:~of
%indrukken.
Kiezen herhalen
De boordcomputer slaat de laatst geselec-
teerde naam of het telefoonnummer op in het
nummerherhalingsgeheugen.
XMet òin het stuurwiel de lijst van
menu's oproepen.
XMet :of 9in het stuurwiel het menu
TelefoonTelefoon selecteren.
XMet ain het stuurwiel bevestigen.
XMet 6Naar het nummerherhalingsge-
heugen omschakelen.
XMet :of 9het gezochte telefoon-
nummer of de gezochte naam selecteren.
XMet 6of ahet kiezen starten.
of
XHet nummerherhalingsgeheugen verla-
ten:~of %indrukken.
Menu Assistentieweergave
XMet òin het stuurwiel de lijst van
menu's oproepen.
XMet :of 9in het stuurwiel het menu
AssistentieweergaveAssistentieweergave selecteren.
XMet ain het stuurwiel bevestigen.
Het multifunctioneel display geeft in de
assistentieweergave de afstandsweergave
van de DISTRONIC PLUS weer.
XMet :de analyse van ATTENTION
ASSIST oproepen.
De assistentieweergave toont van de vol-
gende rijsystemen of rijveiligheidssystemen
de status en/of informatie:
RATTENTION ASSIST (Ypagina 271)
RDISTRONIC PLUS (Ypagina 240)
RSpotlight-functie van de nachtzichthulp
Plus (Ypagina 325)
RActieve spoorassistent (Ypagina 282)
RActieve dodehoekassistent
(Ypagina 279)
Menu's en submenu's 321
Boordcomputer en meldingen
Z
RAfstandswaarschuwingsfunctie van de
COLLISION PREVENTION ASSIST
(Ypagina 82)
RPRE-SAFE®-rem (Ypagina 88)
Menu Service
Inleiding
In het menu ServiceService zijn er de volgende
mogelijkheden:
RDisplaymeldingen in meldingengeheugen
oproepen (Ypagina 330)
RBandenspanningswaarschuwing opnieuw
starten (Ypagina 465)/bandenspanning
elektronisch controleren (Ypagina 461)
ROnderhoudstermijn oproepen
(Ypagina 419)
RAdBlue®-niveau en actieradius weergeven
(bij auto's met dieselmotor en een kleinere
AdBlue®-tank)
AdBlue®-niveau en actieradius weerge-
ven
Het menu is beschikbaar bij auto's met die-
selmotor en een kleinere AdBlue®-tank.
XMet òin het stuurwiel de lijst van
menu's oproepen.
XMet :of 9in het stuurwiel het menu
ServiceService selecteren.
XMet ain het stuurwiel bevestigen.
XMet :of 9het submenu AdBlueAdBlue
selecteren.
XMet ade selectie bevestigen.
Het multifunctioneel display toont de actie-
radius en het AdBlue®-niveau in een bal-
kengrafiek.
De informatie en aanwijzingen m.b.t. het tan-
ken in acht nemen (Ypagina 217).
Menu Instellingen
Inleiding
In het menu InstellingenInstellingen zijn er de vol-
gende mogelijkheden:
Rde instellingen van de assistentie wijzigen
(Ypagina 322)
Rde instellingen van de verlichting wijzigen
(Ypagina 325)
Rde instellingen van het instrumentenpaneel
wijzigen (Ypagina 326)
Rde instellingen van de auto wijzigen
(Ypagina 327)
RInstellingen op de fabrieksinstellingen
terugzetten (Ypagina 328)
Submenu Assistentie
ESP®uit- of inschakelen
Het onderwerp "Belangrijke veiligheidsvoor-
schriften" in de beschrijving van het ESP in
acht nemen (Ypagina 85).
322 Menu's en submenu's
Boordcomputer en meldingen
GWAARSCHUWING
Als het ESP®wordt uitgeschakeld, wordt de
auto niet door het ESP®gestabiliseerd. Er
bestaat verhoogd slipgevaar en gevaar voor
ongevallen!
Het ESP®alleen uitschakelen zolang de vol-
gende omstandigheden van toepassing zijn.
In de volgende situaties kan het beter zijn om
het ESP®uit te schakelen:
Rbij gebruik van sneeuwkettingen
Rin diepe sneeuw
Rop zand of grind.
Meer informatie over het ESP®(Ypagina 85).
XDe motor starten.
XMet òin het stuurwiel de lijst van
menu's oproepen.
XMet :of 9in het stuurwiel het menu
InstellingenInstellingen selecteren.
XMet ain het stuurwiel bevestigen.
XMet :of 9het submenu Assis‐Assis‐
tentietentie selecteren.
XMet abevestigen.
XMet :of 9ESPESP selecteren.
XMet abevestigen.
De actuele selectie wordt weergegeven.
XIn- of uitschakelen:aopnieuw indruk-
ken.
Als waarschuwingslampje åin het instru-
mentenpaneel brandt als de motor draait, is
het ESP®uitgeschakeld.
Als het waarschuwingslampje ÷perma-
nent brandt, is het ESP®vanwege een storing
niet beschikbaar.
De informatie over de waarschuwingslampen
in acht nemen (Ypagina 372).
De informatie over de displaymeldingen in
acht nemen (Ypagina 331).
Automatisch activeren van de nachtzicht-
hulp Plus in- of uitschakelen
XMet òin het stuurwiel de lijst van
menu's oproepen.
XMet :of 9in het stuurwiel het menu
InstellingenInstellingen selecteren.
XMet ain het stuurwiel bevestigen.
XMet :of 9het submenu Assis‐Assis‐
tentietentie selecteren.
XMet abevestigen.
XMet :of 9NachtzichtassistentNachtzichtassistent
selecteren.
XMet abevestigen.
De actuele selectie wordt weergegeven.
XIn- of uitschakelen:aopnieuw indruk-
ken.
Als de automatische activering van de nacht-
zichthulp Plus ingeschakeld is, wordt het
beeld van de nachtzichthulp automatisch
weergegeven op het multifunctioneel display
zodra een object wordt herkend.
Meer informatie over de nachtzichthulp Plus
(Ypagina 277).
Weergave van de aanwijzingen van de ver-
keerstekenassistent in- of uitschakelen
XMet òin het stuurwiel de lijst van
menu's oproepen.
XMet :of 9in het stuurwiel het menu
InstellingenInstellingen selecteren.
XMet ain het stuurwiel bevestigen.
XMet :of 9het submenu Assis‐Assis‐
tentietentie selecteren.
XMet abevestigen.
XMet :of 9Verkeerstekenas‐Verkeerstekenas‐
sist.sist. selecteren.
Xaindrukken.
De actuele selectie wordt weergegeven.
XIn- of uitschakelen:aindrukken.
Als de verkeerstekenassistent
(Ypagina 272) ingeschakeld is, worden
onder bepaalde voorwaarden verkeerste-
kens in de snelheidsmeter weergegeven.
Menu's en submenu's 323
Boordcomputer en meldingen
Z
PRE-SAFE®-rem in- of uitschakelen
De PRE-SAFE®-rem is alleen beschikbaar in
auto's met DISTRONIC PLUS.
XMet òin het stuurwiel de lijst van
menu's oproepen.
XMet :of 9in het stuurwiel het menu
InstellingenInstellingen selecteren.
XMet ain het stuurwiel bevestigen.
XMet :of 9het submenu Assis‐Assis‐
tentietentie selecteren.
XMet abevestigen.
XMet :of 9PRE-SAFE-remPRE-SAFE-rem selecte-
ren.
XMet abevestigen.
De actuele selectie wordt weergegeven.
XIn- of uitschakelen:aopnieuw indruk-
ken.
Als de PRE-SAFE®-rem uitgeschakeld is,
toont het multifunctioneel display in het
menu AssistentieweergaveAssistentieweergave het symbool
æ.
Meer informatie over de PRE-SAFE®-rem
(Ypagina 88).
Afstandswaarschuwingsfunctie in- of uit-
schakelen
XMet òin het stuurwiel de lijst van
menu's oproepen.
XMet :of 9in het stuurwiel het menu
InstellingenInstellingen selecteren.
XMet ain het stuurwiel bevestigen.
XMet :of 9het submenu Assis‐Assis‐
tentietentie selecteren.
XMet abevestigen.
XMet :of 9Afstandswaarschu‐Afstandswaarschu‐
wingwing selecteren.
XMet abevestigen.
De actuele selectie wordt weergegeven.
XIn- of uitschakelen:aopnieuw indruk-
ken.
Als de afstandswaarschuwingsfunctie uitge-
schakeld is, toont het multifunctioneel dis-
play in het menu AssistentieweergaveAssistentieweergave het
symbool æ.
Meer informatie over de afstandswaarschu-
wingsfunctie (Ypagina 82).
Actieve dodehoekassistent in- of uitscha-
kelen
XMet òin het stuurwiel de lijst van
menu's oproepen.
XMet :of 9in het stuurwiel het menu
InstellingenInstellingen selecteren.
XMet ain het stuurwiel bevestigen.
XMet :of 9het submenu Assis‐Assis‐
tentietentie selecteren.
XMet abevestigen.
XMet :of 9DodehoekassistentDodehoekassistent
selecteren.
XMet abevestigen.
De actuele selectie wordt weergegeven.
XIn- of uitschakelen:aopnieuw indruk-
ken.
Wanneer de actieve dodehoekassistent
ingeschakeld is, toont het multifunctioneel
display in het menu Assistentieweer‐Assistentieweer‐
gavegave naast de auto grijze, zich naar achte-
ren voortplantende radargolven.
Meer informatie over de actieve dodehoekas-
sistent (Ypagina 279).
ATTENTION ASSIST instellen
XMet òin het stuurwiel de lijst van
menu's oproepen.
XMet :of 9in het stuurwiel het menu
InstellingenInstellingen selecteren.
XMet ain het stuurwiel bevestigen.
XMet :of 9het submenu Assis‐Assis‐
tentietentie selecteren.
XMet abevestigen.
XMet :of 9Attention AssistAttention Assist
selecteren.
XMet abevestigen.
De actuele selectie wordt weergegeven.
324 Menu's en submenu's
Boordcomputer en meldingen
XMet :of 9UitUit,StandaardStandaard of
GevoeligGevoelig selecteren.
XMet ade instelling overnemen.
Als de ATTENTION ASSIST uitgeschakeld is,
toont het multifunctioneel display in het
menu AssistentieweergaveAssistentieweergave het symbool
é.
Meer informatie over de ATTENTION ASSIST
(Ypagina 271).
Actieve spoorassistent in- of uitschakelen
XMet òin het stuurwiel de lijst van
menu's oproepen.
XMet :of 9in het stuurwiel het menu
InstellingenInstellingen selecteren.
XMet ain het stuurwiel bevestigen.
XMet :of 9het submenu Assis‐Assis‐
tentietentie selecteren.
XMet abevestigen.
XMet :of 9SpoorassistentSpoorassistent selec-
teren.
XMet abevestigen.
De actuele selectie StandaardStandaard of Adap‐Adap‐
tieftief wordt weergegeven.
XInstelling wijzigen:aopnieuw indruk-
ken.
Meer informatie over de actieve spoorassis-
tent (Ypagina 282).
Submenu Verlichting
Intelligent verlichtingssysteem in- of uit-
schakelen
XMet òin het stuurwiel de lijst van
menu's oproepen.
XMet :of 9in het stuurwiel het menu
InstellingenInstellingen selecteren.
XMet ain het stuurwiel bevestigen.
XMet :of 9het submenu Verlich‐Verlich‐
tingting selecteren.
XMet abevestigen.
XMet :of 9de functie Intelli‐Intelli‐
gent Light Systemgent Light System selecteren.
Als de functie Intelligent Light Sys‐Intelligent Light Sys‐
temtem ingeschakeld is, worden de lichtbundel
en het symbool Lwit op het multifunc-
tioneel display weergegeven.
XMet ade instelling wijzigen.
Als de functie Intelligent Light SystemIntelligent Light System
wordt ingeschakeld, worden de volgende
functies geactiveerd:
RSnelweglicht
RActieve bochtverlichting
RBochtverlichting
RUitgebreid mistlicht.
Als het dimlicht voor rechts- of linksrijdend
verkeer wordt ingesteld, toont het multifunc-
tioneel display in het submenu Verlich‐Verlich‐
tingting in plaats van de functie IntelligentIntelligent
Light SystemLight System de displaymelding NietNiet
actief bij links rijdenactief bij links rijden of NietNiet
actief bij rechts rij‐actief bij rechts rij‐
denden(Ypagina 326). Deze displaymelding ver-
schijnt alleen als de instelling voor rechts- of
linksrijdend verkeer tegengesteld is aan de
landuitvoering van de auto.
Meer informatie over het intelligent verlich-
tingssysteem (Ypagina 155).
Spotlight-functie in- of uitschakelen
XMet òin het stuurwiel de lijst van
menu's oproepen.
XMet :of 9in het stuurwiel het menu
InstellingenInstellingen selecteren.
XMet ain het stuurwiel bevestigen.
XMet :of 9het submenu Verlich‐Verlich‐
tingting selecteren.
XMet abevestigen.
XMet :of 9de functie SpotlightSpotlight
selecteren.
XMet ade instelling wijzigen.
Als de Spotlight-functie ingeschakeld is,
toont de assistentieweergave het perso-
nensymbool.
Menu's en submenu's 325
Boordcomputer en meldingen
Z
Meer informatie over de Spotlight-functie
(Ypagina 277).
Dagrijlicht in- of uitschakelen
De functie DagverlichtingDagverlichting kan alleen wor-
den ingesteld als de motor is afgezet.
XMet òin het stuurwiel de lijst van
menu's oproepen.
XMet :of 9in het stuurwiel het menu
InstellingenInstellingen selecteren.
XMet ain het stuurwiel bevestigen.
XMet :of 9het submenu Verlich‐Verlich‐
tingting selecteren.
XMet abevestigen.
XMet :of 9de functie Dagverlich‐Dagverlich‐
tingting selecteren.
Als de functie DagverlichtingDagverlichting ingescha-
keld is, worden de lichtbundel en het sym-
bool Wwit op het multifunctioneel dis-
play weergegeven.
XMet ade instelling wijzigen.
Meer informatie over dagrijlicht
(Ypagina 153).
Dimlicht voor rechts- of linksrijdend ver-
keer instellen
XMet òin het stuurwiel de lijst van
menu's oproepen.
XMet :of 9in het stuurwiel het menu
InstellingenInstellingen selecteren.
XMet ain het stuurwiel bevestigen.
XMet :of 9het submenu Verlich‐Verlich‐
tingting selecteren.
XMet abevestigen.
XMet :of 9de functie DimlichtDimlicht
Instelling voorInstelling voor selecteren.
De geselecteerde instelling Rechts ver‐Rechts ver‐
keerkeer of Links verkeerLinks verkeer verschijnt.
XMet ade instelling wijzigen.
Wanneer de instelling wordt gewijzigd,
wordt de omschakeling pas uitgevoerd als
de auto stilstaat.
Deze functie is alleen beschikbaar bij auto's
met intelligent verlichtingssysteem.
Met deze functie kan tussen symmetrisch en
asymmetrisch dimlicht worden omgescha-
keld (Ypagina 152).
Als het dimlicht voor rechts- of linksrijdend
verkeer wordt ingesteld, zijn snelweglicht en
uitgebreid mistlicht niet beschikbaar. Deze
uitschakeling vindt alleen plaats, als de instel-
ling voor rechts- of linksrijdend verkeer
tegengesteld is aan de landuitvoering van de
auto.
Het dimlicht voor rechts- of linksrijdend ver-
keer kan ook bij een gekwalificeerde werk-
plaats worden ingesteld.
Submenu Instrumentenpaneel
Afstandseenheid selecteren
Met de functie Weergave-eenheid Snel‐Weergave-eenheid Snel‐
heid/afstandheid/afstand kan worden geselecteerd of
het multifunctioneel display bepaalde weer-
gaven in km/h of mph worden weergegeven.
XMet òin het stuurwiel de lijst van
menu's oproepen.
XMet :of 9in het stuurwiel het menu
InstellingenInstellingen selecteren.
XMet ain het stuurwiel bevestigen.
XMet :of 9het submenu Instru‐Instru‐
mentenpaneelmentenpaneel selecteren.
XMet abevestigen.
XMet :of 9de functie Weergave-Weergave-
eenheid Snelheid/afstandeenheid Snelheid/afstand selecteren.
De geselecteerde instelling kmkm of mijlenmijlen
wordt getoond.
XMet ade instelling wijzigen.
De geselecteerde afstandseenheid geldt
voor:
Rde snelheidsmeter
Rde digitale snelheidsmeter in het menu
ReisReis
Rde extra snelheidsmeter in het statusge-
deelte van het multifunctioneel display.
De eenheid in de extra snelheidsmeter
wordt tegengesteld aan de geselecteerde
afstandseenheid weergegeven.
326 Menu's en submenu's
Boordcomputer en meldingen
Rde totaal afgelegde afstand en de dagteller
Rde boordcomputer
Rhet actuele verbruik en de actieradius
Rde navigatie-aanwijzingen in het menu
NaviNavi
Rde TEMPOMAAT
Rde SPEEDTRONIC
Rde DISTRONIC PLUS
Rde weergave onderhoudsinterval ASSYST
PLUS.
Permanente weergave selecteren
Met de functie Permanente weergavePermanente weergave kun-
nen de volgende weergaven in het statusge-
deelte van het multifunctioneel display wor-
den ingeschakeld
Rde buitentemperatuur
Rde koelvloeistoftemperatuur
Rde elektrische totale actieradius bij auto's
met HYBRID technologie.
XMet òin het stuurwiel de lijst van
menu's oproepen.
XMet :of 9in het stuurwiel het menu
InstellingenInstellingen selecteren.
XMet ain het stuurwiel bevestigen.
XMet :of 9het submenu Instru‐Instru‐
mentenpaneelmentenpaneel selecteren.
XMet abevestigen.
XMet :of 9de functie PermanentePermanente
weergaveweergave selecteren.
XMet abevestigen.
De actuele selectie BuitentemperatuurBuitentemperatuur,
Koelvloeistoftemp.Koelvloeistoftemp. of ActieradiusActieradius
elektrischelektrisch wordt weergegeven.
XInstelling wijzigen:aopnieuw indruk-
ken.
Extra snelheidsmeter in- of uitschakelen
Met de functie Digitale snelheidsmeterDigitale snelheidsmeter
kan worden geselecteerd, of het multifunc-
tioneel display in het statusgedeelte de snel-
heid digitaal weergeeft.
XMet òin het stuurwiel de lijst van
menu's oproepen.
XMet :of 9in het stuurwiel het menu
InstellingenInstellingen selecteren.
XMet ain het stuurwiel bevestigen.
XMet :of 9het submenu Instru‐Instru‐
mentenpaneelmentenpaneel selecteren.
XMet abevestigen.
XMet :of 9de functie DigitaleDigitale
snelheidsmetersnelheidsmeter selecteren.
De actuele selectie wordt weergegeven.
XIn- of uitschakelen:aopnieuw indruk-
ken.
Submenu Auto
Permanente SPEEDTRONIC instellen
XMet òin het stuurwiel de lijst van
menu's oproepen.
XMet :of 9in het stuurwiel het menu
InstellingenInstellingen selecteren.
XMet ain het stuurwiel bevestigen.
XMet :of 9het submenu Voer‐Voer‐
tuigtuig selecteren.
XMet abevestigen.
XMet :of 9de functie Snelheids‐Snelheids‐
begrenzing (winterbanden)begrenzing (winterbanden) selecte-
ren.
De actuele instelling wordt weergegeven.
XMet abevestigen.
XMet :of 9de permanente SPEED-
TRONIC in stappen van 10 km/h
(240 km/h240 km/h tot 160 km/h160 km/h) instellen. Met de
instelling UitUit is de permanente SPEED-
TRONIC uitgeschakeld.
XMet ade invoer opslaan.
Meer informatie over de permanente SPEED-
TRONIC (Ypagina 234).
Menu's en submenu's 327
Boordcomputer en meldingen
Z
Instellingen terugzetten op fabrieksin-
stellingen
XMet òin het stuurwiel de lijst van
menu's oproepen.
XMet :of 9in het stuurwiel het menu
InstellingenInstellingen selecteren.
XMet ain het stuurwiel bevestigen.
XMet :of 9het submenu Fabrieks‐Fabrieks‐
instellingeninstellingen selecteren.
XMet abevestigen.
De functie Terugzetten van alleTerugzetten van alle
instellingen?instellingen? wordt weergegeven.
XMet :of 9NeeNee of JaJa selecteren.
XMet ade selectie bevestigen.
Wanneer JaJa geselecteerd wordt, toont het
multifunctioneel display een bevestiging.
Om veiligheidsredenen worden niet alle func-
ties teruggezet: De functie Snelheidsbe‐Snelheidsbe‐
grenzing (winterbanden)grenzing (winterbanden) de permanente
SPEEDTRONIC kan uitsluitend in het sub-
menu VoertuigVoertuig worden ingesteld. Om de
functie DagverlichtingDagverlichting in het submenu
VerlichtingVerlichting terug te zetten, moet de sleutel
in het contactslot in stand 1worden gezet.
Menu AMG in auto's in AMG-uitvoe-
ring
AMG-meldingen
:Digitale snelheidsmeter
;Versnellingsindicatie
=Opschakelaanwijzing
?Transmissievloeistoftemperatuur
AMotorolietemperatuur
XMet òin het stuurwiel de lijst van
menu's oproepen.
XMet :of 9in het stuurwiel het menu
AMGAMG selecteren.
XMet ain het stuurwiel bevestigen.
De opschakelaanwijzing UPUP=wijst u erop,
dat de motor in het handmatig schakelpro-
gramma het maximumtoerentalbereik heeft
bereikt. De opschakelaanwijzing UPUP=heeft
voorrang op de andere meldingen op het mul-
tifunctioneel display, tot u opgeschakeld
heeft.
Als de motorolietemperatuur lager dan
80 is, wordt het symbool van de olietem-
peratuurweergave Ablauw weergegeven.
Gedurende deze tijd het rijden met volle
motorbelasting vermijden.
Als de transmissievloeistoftemperatuur lager
dan 50 is, wordt het symbool van de olie-
temperatuurweergave ?blauw weergege-
ven. Gedurende deze tijd het rijden met volle
motorbelasting vermijden.
SETUP
:Rijprogramma (CC/SS/MM)
;ESP®-modus (ONON/OFFOFF)
=Onderstelinstelling (SPORTSPORT/COMFORTCOMFORT)
328 Menu's en submenu's
Boordcomputer en meldingen
XMet òin het stuurwiel de lijst van
menu's oproepen.
XMet :of 9in het stuurwiel het menu
AMGAMG selecteren.
XMet ain het stuurwiel bevestigen.
XZo vaak :of 9indrukken, tot SETUP
wordt weergegeven.
Menu's en submenu's 329
Boordcomputer en meldingen
Z
Displaymeldingen
Inleiding
Algemene aanwijzingen
Er verschijnen displaymeldingen op het multifunctioneel display.
Displaymeldingen met grafische weergaven kunnen in de handleiding vereenvoudigd zijn
afgebeeld en afwijken van de weergave op het multifunctioneel display.
De betreffende displaymeldingen opvolgen en de extra aanwijzingen in deze handleiding in
acht nemen.
Bij bepaalde displaymeldingen klinkt tevens een waarschuwingssignaal.
De displaymeldingen kunnen worden bevestigd. Daarbij worden de displaymeldingen in het
meldingengeheugen opgeslagen. De oorzaak van een displaymelding zo snel mogelijk verhel-
pen.
Als de auto wordt geparkeerd, de aanwijzingen in acht nemen m.b.t.:
RHOLD-functie (Ypagina 245)
RParkeren (Ypagina 220)
Displaymeldingen bevestigen
XMet aof %in het stuurwiel de displaymelding bevestigen.
De displaymelding wordt bevestigd.
Het multifunctioneel display geeft displaymeldingen met hoge prioriteit rood weer. Een aantal
displaymeldingen met hoge prioriteit kunnen niet door u worden uitgeschakeld.
Het multifunctioneel display geeft deze displaymeldingen permanent weer, tot de oorzaken
van de displaymeldingen verholpen zijn.
Meldingengeheugen
De boordcomputer slaat bepaalde displaymeldingen in het Meldingengeheugen op. U kunt
de displaymeldingen oproepen:
XMet òin het stuurwiel de lijst van menu's oproepen.
XMet :of 9in het stuurwiel het menu ServiceService selecteren.
XMet ain het stuurwiel bevestigen.
XMet :of 9het meldingengeheugen selecteren.
Wanneer geen displaymeldingen aanwezig zijn, staat op het multifunctioneel display GeenGeen
meldingen aanwezigmeldingen aanwezig.
Als displaymeldingen aanwezig zijn, wordt het aantal opgeslagen meldingen weergegeven.
XMet abevestigen.
XMet :of 9door de displaymeldingen bladeren.
330 Displaymeldingen
Boordcomputer en meldingen
Veiligheidssystemen
Displaymeldingen Mogelijke oorzaak en/of gevolg en MMoplossingen
nu niet beschik‐nu niet beschik‐
baar zie handlei‐baar zie handlei‐
dingding
Het ABS (antiblokkeersysteem), het ESP®(elektronisch stabili-
teitsprogramma), de BAS (remassistentsysteem), de PRE-SAFE®,
de HOLD-functie, de hellingassistent, de ESP®-aanhangwagensta-
bilisatie, de rijassistentie zijwind, het adaptieve remlicht, de stuur-
assistent STEER CONTROL, de actieve spoorassistent en de
actieve dodehoekassistent zijn tijdelijk niet beschikbaar.
Ook de BAS PLUS, de PRE-SAFE®-rem, de PRE-SAFE®PLUS en de
COLLISION PREVENTION ASSIST kunnen uitgevallen zijn.
Bovendien gaan de waarschuwingslampjes ÷en !in het
instrumentenpaneel branden.
De ATTENTION ASSIST is gedeactiveerd.
De boordnetspanning kan bijvoorbeeld te laag zijn.
GWAARSCHUWING
Het remsysteem blijft normaal functioneren, echter zonder de
bovengenoemde functies. De wielen kunnen daardoor bijvoor-
beeld bij een noodstop blokkeren.
Daardoor zijn de bestuurbaarheid en het remgedrag sterk nadelig
beïnvloed. De remweg kan bij een noodstop langer worden.
Als het ESP®niet ingeschakeld is, wordt de auto niet door het
ESP®gestabiliseerd.
Er bestaat verhoogd slipgevaar en gevaar voor ongevallen!
XVoorzichtig verder rijden.
Voorzichtig een geschikte route met wat flauwe bochten rijden
met een snelheid boven 20 km/h.
Als de displaymelding verdwijnt zijn bovengenoemde functies
weer beschikbaar.
Als de displaymelding nog steeds wordt weergegeven:
XVoorzichtig verder rijden.
XNaar een gekwalificeerde werkplaats gaan.
functioneren nietfunctioneren niet
Zie handleidingZie handleiding
Het ABS, het ESP®, de BAS, de PRE-SAFE®, de HOLD-functie, de
hellingassistent, de ESP®-aanhangwagenstabilisatie, de rijassis-
tentie zijwind, het adaptieve remlicht, de stuurassistent STEER
CONTROL, de actieve spoorassistent en de actieve dodehoekas-
sistent zijn vanwege een storing niet beschikbaar.
Ook de BAS PLUS, de PRE-SAFE®-rem, de PRE-SAFE®PLUS en de
COLLISION PREVENTION ASSIST kunnen uitgevallen zijn.
Bovendien kunnen de waarschuwingslampjes J,÷
en !in het instrumentenpaneel gaan branden.
Displaymeldingen 331
Boordcomputer en meldingen
Z
Displaymeldingen Mogelijke oorzaak en/of gevolg en MMoplossingen
De ATTENTION ASSIST is gedeactiveerd.
GWAARSCHUWING
Het remsysteem blijft normaal functioneren, echter zonder de
bovengenoemde functies. De wielen kunnen daardoor bijvoor-
beeld bij een noodstop blokkeren.
Daardoor zijn de bestuurbaarheid en het remgedrag sterk nadelig
beïnvloed. De remweg kan bij een noodstop langer worden.
Als het ESP®niet ingeschakeld is, wordt de auto niet door het
ESP®gestabiliseerd.
Er bestaat verhoogd slipgevaar en gevaar voor ongevallen!
XVoorzichtig verder rijden.
XMeteen naar een gekwalificeerde werkplaats gaan.
÷
functioneert nietfunctioneert niet
zie handleidingzie handleiding
Het ESP®, de BAS, de PRE-SAFE®, de HOLD-functie, de hellingas-
sistent, de ESP®-aanhangwagenstabilisatie, de rijassistentie zij-
wind, het adaptieve remlicht, de stuurassistent STEER CONTROL,
de actieve spoorassistent en de actieve dodehoekassistent zijn
vanwege een storing niet beschikbaar.
Ook de BAS PLUS, de PRE-SAFE®-rem, de PRE-SAFE®PLUS en de
COLLISION PREVENTION ASSIST kunnen uitgevallen zijn.
Tevens gaat waarschuwingslampje ÷in het instrumentenpa-
neel branden.
De ATTENTION ASSIST is gedeactiveerd.
GWAARSCHUWING
Het remsysteem blijft normaal functioneren, echter zonder de
bovengenoemde functies.
Daardoor kan de remweg bij een noodstop langer worden.
Als het ESP®niet ingeschakeld is, wordt de auto niet door het
ESP®gestabiliseerd.
Er bestaat verhoogd slipgevaar en gevaar voor ongevallen!
XVoorzichtig verder rijden.
XNaar een gekwalificeerde werkplaats gaan.
332 Displaymeldingen
Boordcomputer en meldingen
Displaymeldingen Mogelijke oorzaak en/of gevolg en MMoplossingen
÷
nu niet beschik‐nu niet beschik‐
baar Zie handlei‐baar Zie handlei‐
dingding
Het ESP®, de BAS, de PRE-SAFE®, de HOLD-functie, de hellingas-
sistent, de ESP®-aanhangwagenstabilisatie, de rijassistentie zij-
wind, het adaptieve remlicht, de stuurassistent STEER CONTROL,
de actieve spoorassistent en de actieve dodehoekassistent zijn
vanwege een storing niet beschikbaar.
Ook de BAS PLUS, de PRE-SAFE®-rem, de PRE-SAFE®PLUS en de
COLLISION PREVENTION ASSIST kunnen uitgevallen zijn.
Tevens gaat waarschuwingslampje ÷in het instrumentenpa-
neel branden.
De zelfdiagnose is bijvoorbeeld nog niet afgesloten.
De ATTENTION ASSIST is gedeactiveerd.
GWAARSCHUWING
Het remsysteem blijft normaal functioneren, echter zonder de
bovengenoemde functies. De wielen kunnen daardoor bijvoor-
beeld bij een noodstop blokkeren.
Daardoor kan de remweg bij een noodstop langer worden.
Als het ESP®niet ingeschakeld is, wordt de auto niet door het
ESP®gestabiliseerd.
Er bestaat verhoogd slipgevaar en gevaar voor ongevallen!
XVoorzichtig een geschikte route met wat flauwe bochten rijden
met een snelheid boven 20 km/h.
Als de displaymelding verdwijnt zijn bovengenoemde functies
weer beschikbaar.
Als de displaymelding nog steeds wordt weergegeven:
XVoorzichtig verder rijden.
XNaar een gekwalificeerde werkplaats gaan.
Displaymeldingen 333
Boordcomputer en meldingen
Z
Displaymeldingen Mogelijke oorzaak en/of gevolg en MMoplossingen
T!
÷
functioneren nietfunctioneren niet
zie handleidingzie handleiding
De EBD (Electronic Brake-force Distribution), het ABS, het ESP®,
de BAS, de PRE-SAFE®, de HOLD-functie, de hellingassistent, de
ESP®-aanhangwagenstabilisatie, de rijassistentie zijwind, het
adaptieve remlicht, de stuurassistent STEER CONTROL, de actieve
spoorassistent en de actieve dodehoekassistent zijn vanwege een
storing niet beschikbaar.
Ook de BAS PLUS, de PRE-SAFE®-rem, de PRE-SAFE®PLUS en de
COLLISION PREVENTION ASSIST kunnen uitgevallen zijn.
Bovendien branden de waarschuwingslampjes ÷en !in
het instrumentenpaneel en klinkt een waarschuwingssignaal.
GWAARSCHUWING
Het remsysteem blijft normaal functioneren, echter zonder de
bovengenoemde functies. De voor- en achterwielen kunnen daar-
door bijvoorbeeld bij een noodstop blokkeren.
Daardoor zijn de bestuurbaarheid en het remgedrag sterk nadelig
beïnvloed. De remweg kan bij een noodstop langer worden.
Als het ESP®niet ingeschakeld is, wordt de auto niet door het
ESP®gestabiliseerd.
Er bestaat verhoogd slipgevaar en gevaar voor ongevallen!
XVoorzichtig verder rijden.
XMeteen naar een gekwalificeerde werkplaats gaan.
!
Parkeerrem ont‐Parkeerrem ont‐
grendelengrendelen
Het rode controlelampje !knippert en er klinkt een waar-
schuwingssignaal. Aan een voorwaarde voor het automatisch vrij-
zetten van de elektrische parkeerrem is niet voldaan
(Ypagina 222).
Er wordt met ingeschakelde elektrische parkeerrem gereden.
XDe elektrische parkeerrem handmatig vrijzetten.
Het rode controlelampje !knippert en er klinkt een waar-
schuwingssignaal.
U voert een noodstop uit met de elektrische parkeerrem
(Ypagina 222).
334 Displaymeldingen
Boordcomputer en meldingen
Displaymeldingen Mogelijke oorzaak en/of gevolg en MMoplossingen
!
Parkeerrem zieParkeerrem zie
handleidinghandleiding
Het gele waarschuwingslampje !brandt.
De elektrische parkeerrem vertoont een storing.
Om in te schakelen:
XHet contact uitschakelen.
XTen minste 10 seconden de handgreep van de elektrische par-
keerrem indrukken.
XDe transmissie in stand Pzetten.
XContact opnemen met een gekwalificeerde werkplaats.
Het gele waarschuwingslampje !en het rode controle-
lampje !branden.
De elektrische parkeerrem vertoont een storing.
Om vrij te zetten:
XHet contact uit- en weer inschakelen.
XDe elektrische parkeerrem handmatig vrijzetten.
of
XDe elektrische parkeerrem automatisch vrijzetten
(Ypagina 222).
Als de elektrische parkeerrem nog steeds niet kan worden vrijge-
zet:
XNiet verder rijden.
XContact opnemen met een gekwalificeerde werkplaats.
Het rode controlelampje !knippert en het gele waarschu-
wingslampje !brandt.
De elektrische parkeerrem vertoont een storing.
Om vrij te zetten:
XHet contact uit- en weer inschakelen.
XDe elektrische parkeerrem handmatig vrijzetten.
Om in te schakelen:
XHet contact uit- en weer inschakelen.
XDe elektrische parkeerrem handmatig bedienen.
Als het rode controlelampje !nog steeds knippert:
XNiet verder rijden.
XDe auto tegen wegrollen beveiligen (Ypagina 467).
XDe transmissie in stand Pzetten.
XDe voorwielen in de richting van de stoeprand draaien.
XContact opnemen met een gekwalificeerde werkplaats.
Displaymeldingen 335
Boordcomputer en meldingen
Z
Displaymeldingen Mogelijke oorzaak en/of gevolg en MMoplossingen
Het gele waarschuwingslampje !brandt. Het rode controle-
lampje !knippert gedurende circa 10 seconden na het inscha-
kelen of vrijzetten van de elektrische parkeerrem. Daarna dooft
het of blijft het branden.
De elektrische parkeerrem vertoont een storing.
XHet contact uit- en weer inschakelen.
XDe elektrische parkeerrem inschakelen.
Als de elektrische parkeerrem niet kan worden ingeschakeld:
XDe transmissie in stand Pzetten.
XNaar een gekwalificeerde werkplaats gaan.
Als de elektrische parkeerrem niet kan worden vrijgezet:
XDe elektrische parkeerrem automatisch vrijzetten
(Ypagina 222).
Als de elektrische parkeerrem nog steeds niet kan worden vrijge-
zet:
XContact opnemen met een gekwalificeerde werkplaats.
Het gele waarschuwingslampje !brandt. Wanneer de elektri-
sche parkeerrem handmatig wordt ingeschakeld of vrijgezet, knip-
pert het rode controlelampje !.
De elektrische parkeerrem vertoont een storing. De elektrische
parkeerrem kan niet handmatig worden ingeschakeld.
XDe transmissie in stand Pzetten.
XNaar een gekwalificeerde werkplaats gaan.
336 Displaymeldingen
Boordcomputer en meldingen
Displaymeldingen Mogelijke oorzaak en/of gevolg en MMoplossingen
!
Parkeerrem func‐Parkeerrem func‐
tioneert niettioneert niet
Het gele waarschuwingslampje !brandt. Het rode controle-
lampje !knippert gedurende circa 10 seconden na het inscha-
kelen of vrijzetten van de elektrische parkeerrem. Daarna dooft
het of blijft het branden.
De elektrische parkeerrem vertoont bijvoorbeeld vanwege een te
hoge of te lage spanning een storing.
XOorzaken van de te hoge of te lage spanning verhelpen, bijvoor-
beeld de accu opladen of de motor opnieuw starten.
XDe elektrische parkeerrem inschakelen of vrijzetten.
Als de elektrische parkeerrem daardoor niet kan worden inge-
schakeld of vrijgezet:
XHet contact uit- en weer inschakelen.
XDe elektrische parkeerrem inschakelen of vrijzetten.
Als de elektrische parkeerrem nog steeds niet kan worden vrijge-
zet:
XContact opnemen met een gekwalificeerde werkplaats.
Het gele waarschuwingslampje !brandt en het rode contro-
lelampje !knippert.
De elektrische parkeerrem kan niet handmatig worden ingescha-
keld.
XDe transmissie in stand Pzetten.
XNaar een gekwalificeerde werkplaats gaan.
!
Parkeerrem Om teParkeerrem Om te
ontgrendelen con‐ontgrendelen con‐
tact AANtact AAN
Het rode controlelampje !brandt.
Het contact is uitgeschakeld en u heeft geprobeerd de elektrische
parkeerrem vrij te zetten.
XHet contact inschakelen.
J
RemvloeistofpeilRemvloeistofpeil
controlerencontroleren
Er bevindt zich te weinig remvloeistof in het remvloeistofreservoir.
Bovendien brandt het rode waarschuwingslampje Jin het
instrumentenpaneel en klinkt een waarschuwingssignaal.
GWAARSCHUWING
De remwerking kan nadelig beïnvloed zijn.
Er bestaat gevaar voor ongevallen!
XDirect op een veilige plaats stoppen. Niet verder rijden!
XDe auto tegen wegrollen beveiligen (Ypagina 220).
XContact opnemen met een gekwalificeerde werkplaats.
XGeen remvloeistof bijvullen. Daardoor wordt de storing niet ver-
holpen.
Displaymeldingen 337
Boordcomputer en meldingen
Z
Displaymeldingen Mogelijke oorzaak en/of gevolg en MMoplossingen
#
RemblokslijtageRemblokslijtage
De remblokken hebben de slijtagegrens bereikt.
XNaar een gekwalificeerde werkplaats gaan.
PRE-SAFE functio‐PRE-SAFE functio‐
neert niet zieneert niet zie
handleidinghandleiding
Belangrijke functies van de PRE-SAFE®zijn uitgevallen. Alle ove-
rige systemen voor de inzittendenbescherming, bijvoorbeeld de
airbags, blijven beschikbaar.
XMeteen naar een gekwalificeerde werkplaats gaan.
PRE-SAFE FunctiePRE-SAFE Functie
nunu beperktbeperkt beschik‐beschik‐
baar zie handlei‐baar zie handlei‐
dingding
De PRE-SAFE®PLUS, de PRE-SAFE®-rem of de adaptieve remas-
sistent van de COLLISION PREVENTION ASSIST functioneert tij-
delijk niet. Mogelijke oorzaken:
RDe werking wordt gehinderd door sterke neerslag.
RDe sensoren in de radiateurgrille en in de bumpers zijn vervuild.
RDe radarsensoren zijn tijdelijk niet gereed voor gebruik, bijvoor-
beeld door elektromagnetische straling in de buurt van tv- en
radiozendinstallaties of andere stralingsbronnen.
RDe temperatuur van het systeem bevindt zich buiten het
bedrijfstemperatuurgebied.
RDe boordnetspanning is te laag.
Als de bovenstaande oorzaken niet meer van toepassing zijn, ver-
dwijnt de displaymelding.
De PRE-SAFE®PLUS, de PRE-SAFE®-rem en de adaptieve remas-
sistent van de COLLISION PREVENTION ASSIST zijn weer gereed
voor gebruik.
Wanneer de displaymelding niet verdwijnt:
XStoppen; daarbij op de verkeerssituatie letten.
XDe auto tegen wegrollen beveiligen (Ypagina 220).
XDe sensoren op de volgende plaatsen reinigen (Ypagina 425):
Rin de radiateurbekleding
Rin de voorbumper
Rin de achterbumper, in het bijzonder in het midden van de
achterbumper.
XDe motor opnieuw starten.
PRE-SAFE FunctiePRE-SAFE Functie
beperkt beschik‐beperkt beschik‐
baar zie handlei‐baar zie handlei‐
dingding
De PRE-SAFE®PLUS, de PRE-SAFE®-rem of de adaptieve remas-
sistent van de COLLISION PREVENTION ASSIST is vanwege een
storing niet beschikbaar. Ook de BAS PLUS of de afstandswaar-
schuwing kan uitgevallen zijn.
XNaar een gekwalificeerde werkplaats gaan.
338 Displaymeldingen
Boordcomputer en meldingen
Displaymeldingen Mogelijke oorzaak en/of gevolg en MMoplossingen
Radarsensoren ver‐Radarsensoren ver‐
vuild zie handlei‐vuild zie handlei‐
dingding
Ten minste een van de volgende rijsystemen of rijveiligheidssys-
temen is tijdelijk niet gereed voor gebruik:
Rde PRE-SAFE®PLUS
Rde PRE-SAFE®-rem
Rde COLLISION PREVENTION ASSIST
Rde actieve spoorassistent
Rde actieve dodehoekassistent
Rde DISTRONIC PLUS.
Mogelijke oorzaken:
RDe sensoren in de radiateurgrille en/of in de bumpers zijn ver-
vuild.
RDe werking van het rijsysteem en/of het rijveiligheidssysteem
wordt gehinderd door hevige neerslag.
Als de bovenstaande oorzaken niet meer van toepassing zijn, ver-
dwijnt de displaymelding. Alle rijsystemen/rijveiligheidssystemen
zijn weer gereed voor gebruik.
Wanneer de displaymelding niet verdwijnt:
XStoppen; daarbij op de verkeerssituatie letten.
XDe auto tegen wegrollen beveiligen (Ypagina 220).
XDe motor afzetten.
XDe sensoren op de volgende plaatsen reinigen (Ypagina 425):
Rin de radiateurbekleding
Rin de voorbumper
Rin de achterbumper, in het bijzonder in het midden van de
achterbumper.
XDe motor opnieuw starten.
De displaymelding verdwijnt.
üüAls het symbool op het multifunctioneel display verschijnt, is op
een achterzitplaats de gordelslottong in het gordelslot vergren-
deld.
Voor meer informatie over de statusindicatie veiligheidsgordels
achterin (Ypagina 54).
Displaymeldingen 339
Boordcomputer en meldingen
Z
Displaymeldingen Mogelijke oorzaak en/of gevolg en MMoplossingen
ýýAls het symbool op het multifunctioneel display verschijnt, is op
een achterzitplaats de gordelslottong niet in het gordelslot ver-
grendeld.
GWAARSCHUWING
Een veiligheidsgordel die niet correct wordt gedragen of niet goed
in het gordelslot vergrendeld is, kan zijn beschermende werking
niet meer naar behoren vervullen.
Er bestaat verhoogd gevaar voor letsel!
XIndien nodig de inzittenden achterin opdragen de gordel om te
doen (Ypagina 52).
Voor meer informatie over de statusindicatie veiligheidsgordels
achterin (Ypagina 54).
Verloop gordelVerloop gordel
linksachter con‐linksachter con‐
troleren zie hand‐troleren zie hand‐
leidingleiding of VerloopVerloop
gordel rechtsach‐gordel rechtsach‐
ter controlerenter controleren
zie handleidingzie handleiding
De gordelslotbrenger rechts of links achterin heeft de voorgede-
finieerde positie niet bereikt. De gordelband kan klem zitten in de
gordelslottong.
GWAARSCHUWING
Als de gordelslotbrenger de voorgedefinieerde positie niet bereikt,
kan de veiligheidsgordel zijn beschermende werking niet meer
naar behoren vervullen.
Er bestaat verhoogd gevaar voor letsel!
XStoppen; daarbij op de verkeerssituatie letten.
XHet klemmen verhelpen.
XDe omgespprocedure herhalen.
De gordelslotbrenger rechts of links achterin heeft de voorgede-
finieerde positie niet bereikt. De gordelslotbrenger kan klem zit-
ten.
GWAARSCHUWING
Als de gordelslotbrenger de voorgedefinieerde positie niet bereikt,
kan de veiligheidsgordel zijn beschermende werking niet meer
naar behoren vervullen.
Er bestaat verhoogd gevaar voor letsel!
XHet stoelkussen naar voren schuiven (Ypagina 123) en de oor-
zaak van het klemmen verhelpen.
XDe omgespprocedure herhalen.
340 Displaymeldingen
Boordcomputer en meldingen
Displaymeldingen Mogelijke oorzaak en/of gevolg en MMoplossingen
De gordelslotbrenger rechts of links achterin heeft de voorgede-
finieerde positie niet bereikt. De veiligheidsgordel kan geblok-
keerd zijn.
GWAARSCHUWING
Als de gordelslotbrenger de voorgedefinieerde positie niet bereikt,
kan de veiligheidsgordel zijn beschermende werking niet meer
naar behoren vervullen.
Er bestaat verhoogd gevaar voor letsel!
XDe veiligheidsgordel volledig laten oprollen.
XDe omgespprocedure herhalen.
De gordelslotbrenger rechts of links achterin heeft de voorgede-
finieerde positie niet bereikt. Het systeem heeft te weinig gordel-
speling.
GWAARSCHUWING
Als de gordelslotbrenger de voorgedefinieerde positie niet bereikt,
kan de veiligheidsgordel zijn beschermende werking niet meer
naar behoren vervullen.
Er bestaat verhoogd gevaar voor letsel!
XDe veiligheidsgordel losmaken.
XDe omgespprocedure herhalen.
De gordelslotbrenger rechts of links achterin heeft de voorgede-
finieerde positie niet bereikt. De genoemde maatregelen ter ver-
helping van de storing zijn uitgevoerd. De storing is nog steeds
aanwezig.
GWAARSCHUWING
Als de gordelslotbrenger de voorgedefinieerde positie niet bereikt,
kan de veiligheidsgordel zijn beschermende werking niet meer
naar behoren vervullen.
Er bestaat verhoogd gevaar voor letsel!
XNaar een gekwalificeerde werkplaats gaan.
Displaymeldingen 341
Boordcomputer en meldingen
Z
Displaymeldingen Mogelijke oorzaak en/of gevolg en MMoplossingen
6
Veiligheidssys‐Veiligheidssys‐
teem Storing Werk‐teem Storing Werk‐
plaats opzoekenplaats opzoeken
Het veiligheidssysteem vertoont een storing. Tevens gaat waar-
schuwingslampje 6in het instrumentenpaneel branden.
GWAARSCHUWING
De airbags of gordelspanners kunnen onbedoeld worden geacti-
veerd of bij een ongeval niet worden geactiveerd.
Er bestaat verhoogd gevaar voor letsel!
XNaar een gekwalificeerde werkplaats gaan.
Meer informatie over het veiligheidssysteem (Ypagina 47).
6
Linksvoor StoringLinksvoor Storing
Werkplaats opzoe‐Werkplaats opzoe‐
kenken of RechtsvoorRechtsvoor
StoringStoring WerkplaatsWerkplaats
opzoekenopzoeken
Het veiligheidssysteem links- of rechtsvoor vertoont een storing.
Tevens gaat waarschuwingslampje 6in het instrumentenpa-
neel branden.
GWAARSCHUWING
De airbags of gordelspanners kunnen onbedoeld worden geacti-
veerd of bij een ongeval niet worden geactiveerd.
Er bestaat verhoogd gevaar voor letsel!
XNaar een gekwalificeerde werkplaats gaan.
6
Linksachter Sto‐Linksachter Sto‐
ring Werkplaatsring Werkplaats
opzoekenopzoeken of Rechts‐Rechts‐
achter Storingachter Storing
Werkplaats opzoe‐Werkplaats opzoe‐
kenken
Het veiligheidssysteem links- of rechtsachter vertoont een storing.
Tevens gaat waarschuwingslampje 6in het instrumentenpa-
neel branden.
GWAARSCHUWING
De airbags of gordelspanners kunnen onbedoeld worden geacti-
veerd of bij een ongeval niet worden geactiveerd.
Er bestaat verhoogd gevaar voor letsel!
XNaar een gekwalificeerde werkplaats gaan.
6
Linksachter Sto‐Linksachter Sto‐
ring Werkplaatsring Werkplaats
opzoekenopzoeken of Rechts‐Rechts‐
achter Storingachter Storing
Werkplaats opzoe‐Werkplaats opzoe‐
kenken
GWAARSCHUWING
Als de gordelslotbrenger de voorgedefinieerde positie niet bereikt,
kan de veiligheidsgordel zijn beschermende werking niet meer
naar behoren vervullen.
Er bestaat verhoogd gevaar voor letsel!
XDirect op een veilige plaats stoppen.
XDe aangegeven maatregelen ter verhelping van de storing bij de
displaymelding Verloop gordel linksachter controle‐Verloop gordel linksachter controle‐
renren ziezie handleidinghandleiding of VerloopVerloop gordelgordel rechtsachterrechtsachter
controleren zie handleidingcontroleren zie handleiding uitvoeren (Ypagina 340).
Wanneer de displaymelding niet verdwijnt:
XMeteen naar een gekwalificeerde werkplaats gaan.
342 Displaymeldingen
Boordcomputer en meldingen
Displaymeldingen Mogelijke oorzaak en/of gevolg en MMoplossingen
6
Midden achter Sto‐Midden achter Sto‐
ring Werkplaatsring Werkplaats
opzoekenopzoeken
Het veiligheidssysteem middenachter vertoont een storing.
Tevens gaat waarschuwingslampje 6in het instrumentenpa-
neel branden.
GWAARSCHUWING
De airbags of gordelspanners kunnen onbedoeld worden geacti-
veerd of bij een ongeval niet worden geactiveerd.
Er bestaat verhoogd gevaar voor letsel!
XNaar een gekwalificeerde werkplaats gaan.
6
Windowbag linksWindowbag links
StoringStoring WerkplaatsWerkplaats
opzoekenopzoeken of Window‐Window‐
bagbag rechtsrechts StoringStoring
Werkplaats opzoe‐Werkplaats opzoe‐
kenken
De linker of rechter windowbag vertoont een storing. Tevens gaat
waarschuwingslampje 6in het instrumentenpaneel branden.
GWAARSCHUWING
De linker of de rechter windowbag kan onbedoeld worden geac-
tiveerd of wordt bij een ongeval helemaal niet geactiveerd.
Er bestaat verhoogd gevaar voor letsel!
XNaar een gekwalificeerde werkplaats gaan.
Verlichting
iDisplaymeldingen voor lichtdiodes:
Deze displaymelding verschijnt alleen als alle lichtdiodes uitgevallen zijn.
Displaymeldingen Mogelijke oorzaak en/of gevolg en MMoplossingen
b
AfslagverlichtingAfslagverlichting
linkslinks of Afslagver‐Afslagver‐
lichting rechtslichting rechts
De linker resp. rechter bochtverlichting is defect.
XNaar een gekwalificeerde werkplaats gaan.
b
Dimlicht linksDimlicht links of
Dimlicht rechtsDimlicht rechts
Het linker resp. rechter dimlicht is defect.
XNaar een gekwalificeerde werkplaats gaan.
b
Aanhanger achter‐Aanhanger achter‐
licht li.licht li. of Aan‐Aan‐
hangerhanger achterlichtachterlicht
rechtsrechts
Het linker resp. rechter achterlicht van de aanhangwagen is
defect.
XDe afzonderlijke handleiding van de aanhangwagenfabrikant
raadplegen.
Displaymeldingen 343
Boordcomputer en meldingen
Z
Displaymeldingen Mogelijke oorzaak en/of gevolg en MMoplossingen
b
Aanhanger rich‐Aanhanger rich‐
tingaanwijzertingaanwijzer
linkslinks of AanhangerAanhanger
richt.-aanw. rericht.-aanw. re
De linker resp. rechter richtingaanwijzer van de aanhangwagen is
defect.
XDe afzonderlijke handleiding van de aanhangwagenfabrikant
raadplegen.
b
Aanhanger remlichtAanhanger remlicht
Het remlicht van de aanhangwagen is defect.
XDe afzonderlijke handleiding van de aanhangwagenfabrikant
raadplegen.
b
RichtingaanwijzerRichtingaanwijzer
linksachterlinksachter of
RichtingaanwijzerRichtingaanwijzer
rechtsachterrechtsachter
De linker resp. rechter richtingaanwijzer, achter, is defect.
XNaar een gekwalificeerde werkplaats gaan.
b
RichtingaanwijzerRichtingaanwijzer
linksvoorlinksvoor of Rich‐Rich‐
tingaanwijzertingaanwijzer
rechtsvoorrechtsvoor
De linker resp. rechter richtingaanwijzer, voor, is defect.
XNaar een gekwalificeerde werkplaats gaan.
b
RichtingaanwijzerRichtingaanwijzer
spiegel linksspiegel links of
RichtingaanwijzerRichtingaanwijzer
spiegel rechtsspiegel rechts
De richtingaanwijzer in de linker resp. rechter buitenspiegel is
defect.
XNaar een gekwalificeerde werkplaats gaan.
b
Remlicht linksRemlicht links of
Remlicht rechtsRemlicht rechts
Het linker resp. rechter remlicht is defect.
XNaar een gekwalificeerde werkplaats gaan.
b
Derde remlichtDerde remlicht
Het derde remlicht is defect.
XNaar een gekwalificeerde werkplaats gaan.
b
Rem-/ achterlichtRem-/ achterlicht
linkslinks of Rem-/ ach‐Rem-/ ach‐
terlicht rechtsterlicht rechts
Het linker resp. rechter achter- of remlicht is defect.
XNaar een gekwalificeerde werkplaats gaan.
344 Displaymeldingen
Boordcomputer en meldingen
Displaymeldingen Mogelijke oorzaak en/of gevolg en MMoplossingen
b
Achterlicht linksAchterlicht links
of AchterlichtAchterlicht
rechtsrechts
Het linker resp. rechter achterlicht is defect.
XNaar een gekwalificeerde werkplaats gaan.
b
Grootlicht linksGrootlicht links
of GrootlichtGrootlicht
rechtsrechts
Het linker resp. rechter grootlicht is defect.
XNaar een gekwalificeerde werkplaats gaan.
b
Kentekenplaatver‐Kentekenplaatver‐
lichtinglichting
De linker resp. rechter kentekenplaatverlichting is defect.
XNaar een gekwalificeerde werkplaats gaan.
b
MistachterlichtMistachterlicht
Het mistachterlicht is defect.
XNaar een gekwalificeerde werkplaats gaan.
b
ParkeerlichtParkeerlicht
linksvoorlinksvoor of Par‐Par‐
keerlicht rechts‐keerlicht rechts‐
voorvoor
Het linker resp. rechter parkeer- of stadslicht, voor, is defect.
XNaar een gekwalificeerde werkplaats gaan.
b
AchteruitrijlichtAchteruitrijlicht
Het linker resp. rechter achteruitrijlicht is defect.
XNaar een gekwalificeerde werkplaats gaan.
b
DagverlichtingDagverlichting
linkslinks of Dagver‐Dagver‐
lichting rechtslichting rechts
Het linker resp. rechter dagrijlicht is defect.
XNaar een gekwalificeerde werkplaats gaan.
b
Act. bochtver‐Act. bochtver‐
licht. functio‐licht. functio‐
neert nietneert niet
De actieve bochtverlichting is defect.
XNaar een gekwalificeerde werkplaats gaan.
b
Intell. Light Sys‐Intell. Light Sys‐
tem functioneerttem functioneert
nietniet
Het intelligente verlichtingssysteem is defect. De verlichting werkt
nog steeds, maar zonder intelligent verlichtingssysteem.
XNaar een gekwalificeerde werkplaats gaan.
Displaymeldingen 345
Boordcomputer en meldingen
Z
Displaymeldingen Mogelijke oorzaak en/of gevolg en MMoplossingen
b
Storing Zie hand‐Storing Zie hand‐
leidingleiding
De buitenverlichting vertoont een storing.
XNaar een gekwalificeerde werkplaats gaan.
Auto's met trekhaak: De zekering kan doorgebrand zijn.
XDe zekeringen controleren (Ypagina 451).
XIndien nodig de doorgebrande zekering vervangen. Let daarbij
op de waarschuwingsaanwijzingen.
Als de displaymelding nog steeds wordt weergegeven:
XNaar een gekwalificeerde werkplaats gaan.
b
AUTO-verlichtingAUTO-verlichting
functioneert nietfunctioneert niet
De lichtsensor is defect.
XNaar een gekwalificeerde werkplaats gaan.
b
Licht uitschakelenLicht uitschakelen
Bij het verlaten van de auto is de verlichting nog ingeschakeld.
Bovendien klinkt een waarschuwingssignaal.
XDe verlichtingsschakelaar in stand Ãdraaien.
Adaptieve Groot‐Adaptieve Groot‐
lichtassistentlichtassistent
Plus functioneertPlus functioneert
nietniet
De adaptieve grootlichtassistent Plus is defect.
XNaar een gekwalificeerde werkplaats gaan.
Adaptieve groot‐Adaptieve groot‐
lichtassistentlichtassistent
Plus nu nietPlus nu niet
beschikbaar Ziebeschikbaar Zie
handleidinghandleiding
De adaptieve grootlichtassistent Plus is uitgeschakeld en functio-
neert tijdelijk niet. Mogelijke oorzaken:
RDe voorruit in het blikveld van de camera is vervuild.
RHet zicht wordt gehinderd door hevige neerslag of mist.
XDe voorruit reinigen.
Als het systeem de volledige beschikbaarheid van de camera her-
kent, verschijnt de displaymelding Adaptieve Grootlichtas‐Adaptieve Grootlichtas‐
sistent Plus weer beschikbaarsistent Plus weer beschikbaar.
De adaptieve grootlichtassistent Plus is weer volledig gebruiks-
klaar.
346 Displaymeldingen
Boordcomputer en meldingen
Motor
Displaymeldingen Mogelijke oorzaak en/of gevolg en MMoplossingen
+
Koelmiddel bijvul‐Koelmiddel bijvul‐
lenlen ziezie handleidinghandleiding
Het koelvloeistofpeil is te laag.
!Lange ritten met te weinig koelvloeistof in het motorkoelsys-
teem vermijden. Anders is er gevaar voor schade aan de motor.
XKoelvloeistof bijvullen, daarbij de waarschuwingsaanwijzingen
in acht nemen (Ypagina 417).
XAls vaker koelvloeistof moet worden bijgevuld, het koelsysteem
laten controleren bij een gekwalificeerde werkplaats.
??De ventilateurmotor is defect.
XBij een koelvloeistoftemperatuur onder 120 kan naar de
dichtstbijzijnde gekwalificeerde werkplaats worden verder
gereden.
XDaarbij hoge motorbelasting (bijvoorbeeld het rijden in de ber-
gen) en stop-and-go-verkeer vermijden.
?
KoelmiddelKoelmiddel StoppenStoppen
Motor uitMotor uit
De koelvloeistof is te warm.
Bovendien klinkt een waarschuwingssignaal.
GWAARSCHUWING
Niet met een oververhitte motor rijden. Dit kan ertoe leiden dat
vloeistoffen, die door een lekkage of morsen in de motorruimte
terecht zijn gekomen, ontsteken.
De stoom van de oververhitte motor kan bovendien ernstige
brandwonden veroorzaken, zelfs als alleen de motorkap wordt
geopend.
Er bestaat gevaar voor letsel!
XRekening houdend met de verkeerssituatie zo snel mogelijk
stoppen en de motor afzetten.
XDe auto tegen wegrollen beveiligen (Ypagina 220).
XWachten tot de motor is afgekoeld.
XDe luchttoevoer naar de radiateur mag niet worden beïnvloed
door bijvoorbeeld bevroren natte sneeuw; dit controleren.
XPas als de displaymelding verdwijnt en de koelvloeistoftempe-
ratuur tot onder 120 is gedaald de motor weer starten.
Anders kan de motor worden beschadigd.
XOp de koelvloeistoftemperatuurmeter letten.
XAls de temperatuur opnieuw stijgt, meteen naar een gekwalifi-
ceerde werkplaats toe gaan.
Tijdens normale rijomstandigheden en bij de voorgeschreven hoe-
veelheid koelvloeistof mag de weergave oplopen tot 120 †.
Displaymeldingen 347
Boordcomputer en meldingen
Z
Displaymeldingen Mogelijke oorzaak en/of gevolg en MMoplossingen
#
zie handleidingzie handleiding
De accu wordt niet opgeladen.
Bovendien klinkt een waarschuwingssignaal.
Mogelijke oorzaken:
Rdefecte dynamo
Rdefecte vermogenselektronica (auto's met HYBRID technologie)
Rgescheurde aandrijfriem
Reen storing in de elektronica.
XRekening houdend met de verkeerssituatie zo snel mogelijk
stoppen en de motor afzetten.
XDe auto tegen wegrollen beveiligen (Ypagina 220).
XDe motorkap openen.
XDoor visuele controle vaststellen of de aandrijfriem is
gescheurd.
Als de aandrijfriem is gescheurd:
!Niet verder rijden. Anders kan de motor oververhit raken.
XContact opnemen met een gekwalificeerde werkplaats.
Als de aandrijfriem in orde is:
XNaar een gekwalificeerde werkplaats gaan.
#
Stoppen zie hand‐Stoppen zie hand‐
leidingleiding
De accu wordt niet meer opgeladen en heeft de rit voortgezet.
Bovendien klinkt een waarschuwingssignaal.
XRekening houdend met de verkeerssituatie zo snel mogelijk
stoppen en de motor afzetten.
XDe aanwijzing m.b.t. de displaymelding #zie handlei‐zie handlei‐
dingding in acht nemen.
#
Motor starten zieMotor starten zie
handleidinghandleiding
De motor is afgezet en de acculaadtoestand is te laag.
XDe motor starten.
348 Displaymeldingen
Boordcomputer en meldingen
Displaymeldingen Mogelijke oorzaak en/of gevolg en MMoplossingen
4
BijBij tankstoptankstop motor‐motor‐
oliepeil controle‐oliepeil controle‐
renren
Het oliepeil is tot het minimum gedaald.
Bovendien klinkt een waarschuwingssignaal.
XUiterlijk bij de volgende tankstop het oliepeil controleren
(Ypagina 416).
XIndien nodig motorolie bijvullen (Ypagina 416).
XAls vaker motorolie moet worden bijgevuld, de motor bij een
gekwalificeerde werkplaats laten controleren.
!Lange ritten met te weinig koelvloeistof in het motorkoelsys-
teem vermijden. Anders is er gevaar voor schade aan de motor.
Informatie over goedgekeurde motoroliën is verkrijgbaar bij elke
gekwalificeerde werkplaats of op internet onder http://
bevo.mercedes-benz.com.
4
Bij tankstop 1 lBij tankstop 1 l
motorolie bijvul‐motorolie bijvul‐
lenlen
Het oliepeil is tot het minimum gedaald.
XUiterlijk bij de volgende tankstop het oliepeil controleren
(Ypagina 416).
XIndien nodig motorolie bijvullen (Ypagina 416).
XAls vaker motorolie moet worden bijgevuld, de motor bij een
gekwalificeerde werkplaats laten controleren.
!Lange ritten met te weinig koelvloeistof in het motorkoelsys-
teem vermijden. Anders is er gevaar voor schade aan de motor.
Informatie over goedgekeurde motoroliën is verkrijgbaar bij elke
gekwalificeerde werkplaats of op internet onder http://
bevo.mercedes-benz.com.
4
MotoroliepeilMotoroliepeil
Stoppen Motor uitStoppen Motor uit
Het motoroliepeil is te laag. De motor kan worden beschadigd.
XRekening houdend met de verkeerssituatie zo snel mogelijk
stoppen en de motor afzetten.
XDe auto tegen wegrollen beveiligen (Ypagina 220).
XOliepeil controleren (Ypagina 416).
XIndien nodig motorolie bijvullen (Ypagina 416).
8
BrandstofreserveBrandstofreserve
De tankinhoud heeft het reservegebied bereikt.
Het gebruik van de interieurvoorverwarming wordt in het reserve-
gebied gedeactiveerd.
XBij het eerstvolgende tankstation tanken.
CCEr bevindt nog maar zeer weinig brandstof in de tank.
Het gebruik van de interieurvoorverwarming is gedeactiveerd.
XBij het eerstvolgende tankstation beslist tanken.
Displaymeldingen 349
Boordcomputer en meldingen
Z
Displaymeldingen Mogelijke oorzaak en/of gevolg en MMoplossingen
¸
Luchtfilter ver‐Luchtfilter ver‐
vangenvangen
Auto's met dieselmotor: Het luchtfilter van de motor is vervuild en
moet worden vervangen.
XNaar een gekwalificeerde werkplaats gaan.
!
BrandstoffilterBrandstoffilter
reinigenreinigen
Auto's met dieselmotor: Er bevindt zich water in het brandstoffil-
ter. Het water moet worden afgetapt.
XNaar een gekwalificeerde werkplaats gaan.
AdBlue bijvullenAdBlue bijvullen
zie handleidingzie handleiding
De AdBlue®-voorraad is tot onder de reservemarkering gedaald.
Bovendien klinkt een waarschuwingssignaal.
XDe AdBlue®zo snel mogelijk bijvullen (Ypagina 217).
AdBlue bijvullenAdBlue bijvullen
Gn. start na ...Gn. start na ...
kmkm
De AdBlue®-voorraad is nog maar voldoende voor de weergegeven
afstand. Bovendien klinkt een waarschuwingssignaal.
XDe AdBlue®zo snel mogelijk bijvullen (Ypagina 217).
iAls met de auto sneller dan 15 km/h wordt gereden, verdwijnt
de melding AdBlueAdBlue bijvullenbijvullen Gn.Gn. startstart nana ...... kmkm na circa
een minuut.
AdBlue bijvullenAdBlue bijvullen
Starten niet moge‐Starten niet moge‐
lijklijk
De AdBlue®-voorraad is opgebruikt. Bovendien klinkt een waar-
schuwingssignaal. U kunt de motor niet meer starten.
XTen minste 3,8 l AdBlue®bijvullen (Ypagina 217).
XHet contact gedurende circa een minuut inschakelen.
Het systeem heeft na het bijvullen ongeveer een minuut nodig
om het gewijzigde AdBlue®peil te herkennen.
XDe motor starten.
AdBlueAdBlue controlerencontroleren
zie handleidingzie handleiding
Het AdBlue®-systeem vertoont een storing. Bovendien klinkt een
waarschuwingssignaal.
XNaar een gekwalificeerde werkplaats gaan.
Starten niet moge‐Starten niet moge‐
lijklijk
Het AdBlue®-systeem vertoont een storing. Bovendien klinkt een
waarschuwingssignaal. U kunt de motor niet meer starten.
XMeteen contact opnemen met een gekwalificeerde werkplaats.
350 Displaymeldingen
Boordcomputer en meldingen
Hybridesysteem
Displaymeldingen Mogelijke oorzaak en/of gevolg en MMoplossingen
~
StoringStoring
Het hybridesysteem vertoont een storing.
XDe auto vervoeren naar de dichtstbijzijnde gekwalificeerde
werkplaats - op een auto-ambulance of slepen met omhoogge-
brachte achteras.
d
StoringStoring
Het aandrijfsysteem vertoont een storing.
De ECO start-stop-functie kan uitgevallen zijn.
De auto kan langzamer dan gewend accelereren.
XDe auto vervoeren naar de dichtstbijzijnde gekwalificeerde
werkplaats - op een auto-ambulance of slepen met omhoogge-
brachte achteras.
Rijsystemen
Displaymeldingen Mogelijke oorzaak en/of gevolg en MMoplossingen
À
Attention Assist:Attention Assist:
pauze!pauze!
De ATTENTION ASSIST heeft aan de hand van bepaalde criteria
vermoeidheid of toenemende onoplettendheid bij de bestuurder
vastgesteld. Bovendien klinkt een waarschuwingssignaal.
XZo nodig pauze nemen.
Bij langere ritten tijdig en regelmatig pauze nemen, zodat u goed
uit kunt rusten.
À
Attention AssistAttention Assist
functioneert nietfunctioneert niet
De ATTENTION ASSIST is uitgevallen.
XNaar een gekwalificeerde werkplaats gaan.
¨
Auto komt omhoogAuto komt omhoog
De auto stelt zich op de gekozen rijhoogte in.
¨
Auto komt omhoogAuto komt omhoog
Een ogenblikEen ogenblik
geduld a.u.b.geduld a.u.b.
Het niveau is te laag als de auto stilstaat. Bovendien klinkt een
waarschuwingssignaal.
XNiet wegrijden.
Wanneer de displaymelding verdwijnt, is het niveau ingesteld.
Displaymeldingen 351
Boordcomputer en meldingen
Z
Displaymeldingen Mogelijke oorzaak en/of gevolg en MMoplossingen
¨
STOP Auto te laagSTOP Auto te laag
U bent weggereden terwijl het niveau van de auto te laag was.
De AIRMATIC stelt het niveau na een korte tijd op het gekozen
niveau in.
XStoppen; daarbij op de verkeerssituatie letten.
XDe auto tegen wegrollen beveiligen (Ypagina 220).
XPas wegrijden wanneer de displaymelding verdwijnt.
De AIRMATIC is defect. Bovendien klinkt een waarschuwingssig-
naal.
XNiet sneller dan 80 km/h rijden.
XHet stuurwiel slechts weinig verdraaien. Anders kunnen bij gro-
tere stuuruitslagen de voorschermen of banden worden bescha-
digd.
XOp schurende geluiden letten.
XRekening houdend met het verkeer stoppen en een hoger niveau
kiezen.
Afhankelijk van het defect kan de auto omhoog worden
gebracht.
XNaar een gekwalificeerde werkplaats gaan.
¨
StoringStoring
De AIRMATIC werkt slechts beperkt. Het rijgedrag kan daardoor
worden beïnvloed.
XNiet sneller dan 80 km/h rijden.
XNaar een gekwalificeerde werkplaats gaan.
ABC Storing STOPABC Storing STOP Het niveau van de Active Body Control (ABC) is te laag.
XStoppen; daarbij op de verkeerssituatie letten.
Na enkele seconden is het niveau ingesteld en verdwijnt de dis-
playmelding.
De auto lekt vloeistof.
De displaymelding wordt continu weergegeven.
XStoppen; daarbij op de verkeerssituatie letten. Niet verder rij-
den!
XContact opnemen met een gekwalificeerde werkplaats.
352 Displaymeldingen
Boordcomputer en meldingen
Displaymeldingen Mogelijke oorzaak en/of gevolg en MMoplossingen
De displaymelding wordt continu weergegeven.
De Active Body Control (ABC) vertoont een storing.
XNiet sneller dan 80 km/h rijden.
XHet stuurwiel slechts weinig verdraaien. Anders kunnen bij gro-
tere stuuruitslagen de voorschermen of banden worden bescha-
digd.
XOp schurende geluiden letten.
XNaar een gekwalificeerde werkplaats gaan.
ABC Auto komtABC Auto komt
omhoog Een ogen‐omhoog Een ogen‐
blik geduld a.u.b.blik geduld a.u.b.
Het niveau is te laag als de auto stilstaat. Bovendien klinkt een
waarschuwingssignaal.
XNiet wegrijden.
Wanneer de displaymelding verdwijnt, is het niveau ingesteld.
ABC StoringABC Storing De Active Body Control (ABC) werkt slechts beperkt. Het rijgedrag
kan daardoor worden beïnvloed.
XNiet sneller dan 80 km/h rijden.
XNaar een gekwalificeerde werkplaats gaan.
Actieve spooras‐Actieve spooras‐
sistent nu nietsistent nu niet
beschikbaar ziebeschikbaar zie
handleidinghandleiding
De actieve spoorassistent is uitgeschakeld en tijdelijk niet
beschikbaar. Mogelijke oorzaken:
RDe voorruit in het blikveld van de camera is vervuild.
RDe sensoren in de radiateurgrille en/of in de bumpers zijn ver-
vuild.
RHet zicht wordt gehinderd door hevige neerslag of mist.
RGedurende lange tijd zijn geen rijstrookmarkeringen aanwezig.
RDe rijstrookmarkeringen zijn versleten, donker of bedekt, bij-
voorbeeld door vuil of sneeuw.
Als de bovenstaande oorzaken niet meer van toepassing zijn, ver-
dwijnt de displaymelding.
De actieve spoorassistent is weer gereed voor gebruik.
Wanneer de displaymelding niet verdwijnt:
XStoppen; daarbij op de verkeerssituatie letten.
XDe auto tegen wegrollen beveiligen (Ypagina 220).
XDe voorruit reinigen.
XDe sensoren op de volgende plaatsen reinigen:
Rin de radiateurbekleding
Rin de voorbumper
Rin de achterbumper.
Displaymeldingen 353
Boordcomputer en meldingen
Z
Displaymeldingen Mogelijke oorzaak en/of gevolg en MMoplossingen
Actieve spooras‐Actieve spooras‐
sistent functio‐sistent functio‐
neert nietneert niet
De actieve spoorassistent is defect.
XNaar een gekwalificeerde werkplaats gaan.
Actieve dodehoe‐Actieve dodehoe‐
kassistentkassistent nunu nietniet
beschikbaar ziebeschikbaar zie
handleidinghandleiding
De actieve dodehoekassistent is tijdelijk niet gereed voor gebruik.
Mogelijke oorzaken:
RDe sensoren zijn vervuild.
RDe werking wordt gehinderd door sterke neerslag.
RDe temperatuur van de radarsensoren ligt buiten het bedrijfs-
temperatuurgebied.
RDe radarsensoren zijn tijdelijk niet gereed voor gebruik, bijvoor-
beeld door elektromagnetische straling in de buurt van tv- en
radiozendinstallaties of andere stralingsbronnen.
Als de bovenstaande oorzaken niet meer van toepassing zijn, ver-
dwijnt de displaymelding.
De actieve dodehoekassistent is weer gereed voor gebruik.
Wanneer de displaymelding niet verdwijnt:
XStoppen; daarbij op de verkeerssituatie letten.
XDe auto tegen wegrollen beveiligen (Ypagina 220).
XDe sensoren reinigen (Ypagina 425).
XDe motor opnieuw starten.
De actieve dodehoekassistent is bij het rijden met een aanhang-
wagen uitgeschakeld.
De elektrische verbinding tussen de auto en de aanhangwagen is
aangesloten.
XDe displaymelding met ain het stuurwiel bevestigen.
Actieve dodehoe‐Actieve dodehoe‐
kassistent func‐kassistent func‐
tioneert niettioneert niet
De actieve dodehoekassistent is defect.
XNaar een gekwalificeerde werkplaats gaan.
ParkeerassistentParkeerassistent
onderbrokenonderbroken
Het bestuurdersportier is geopend.
XHet meten van de parkeerplaats en het inparkeren herhalen met
gesloten bestuurdersportier.
Tijdens de actieve stuuringreep heeft u het multifunctioneel stuur-
wiel aangeraakt.
XTijdens de actieve stuuringreep erop letten dat het multifunc-
tioneel stuurwiel niet wordt aangeraakt.
354 Displaymeldingen
Boordcomputer en meldingen
Displaymeldingen Mogelijke oorzaak en/of gevolg en MMoplossingen
De auto is in een slip geraakt, het ESP®heeft ingegrepen.
XDe actieve parkeerassistent later weer gebruiken
(Ypagina 255).
ParkeerassistentParkeerassistent
functioneert nietfunctioneert niet
De PARKTRONIC vertoont een storing of is defect.
XDe aanwijzingen en hulpaanwijzingen in het hoofdstuk "Proble-
men met PARKTRONIC" in acht nemen (Ypagina 255).
Als de displaymelding nog steeds wordt weergegeven:
XNaar een gekwalificeerde werkplaats gaan.
De actieve parkeerassistent is niet beschikbaar of defect.
XHet contact uitschakelen en de motor opnieuw starten.
Als de actieve parkeerassistent nog steeds niet beschikbaar is (het
symbool jwordt niet op het multifunctioneel display weergege-
ven):
XNaar een gekwalificeerde werkplaats gaan.
Nachtzichtassis‐Nachtzichtassis‐
tent nu niettent nu niet
beschikbaarbeschikbaar
De nachtzichthulp Plus is uitgeschakeld en functioneert tijdelijk
niet. Mogelijke oorzaken:
RDe voorruit in het blikveld van de camera is vervuild.
RDe camera in de radiateurbekleding is vervuild.
RHet zicht wordt gehinderd door hevige neerslag of mist.
RDe buitentemperatuur is te hoog.
XDe voorruit reinigen.
XDe camera in de radiateurbekleding reinigen.
Als het systeem is uitgeschakeld vanwege een te hoge buiten-
temperatuur, schakelt het systeem na het afkoelen automatisch
weer in.
Als het systeem de volledige beschikbaarheid van de camera her-
kent, verdwijnt de displaymelding.
De nachtzichthulp Plus is weer gereed voor gebruik.
Nachtzichtassis‐Nachtzichtassis‐
tent functioneerttent functioneert
nietniet
De nachtzichthulp Plus is defect.
XNaar een gekwalificeerde werkplaats gaan.
Displaymeldingen 355
Boordcomputer en meldingen
Z
Displaymeldingen Mogelijke oorzaak en/of gevolg en MMoplossingen
Spotlight functio‐Spotlight functio‐
neert nietneert niet
De nachtzichthulp Plus is uitgeschakeld en functioneert tijdelijk
niet. Mogelijke oorzaken:
RDe voorruit in het blikveld van de camera is vervuild.
RDe camera in de radiateurbekleding is vervuild.
RHet zicht wordt gehinderd door hevige neerslag of mist.
RDe buitentemperatuur is te hoog.
XDe voorruit reinigen.
XDe camera in de radiateurbekleding reinigen.
Als het systeem is uitgeschakeld vanwege een te hoge buiten-
temperatuur, schakelt het systeem na het afkoelen automatisch
weer in.
Als het systeem de volledige beschikbaarheid van de camera her-
kent, verdwijnt de displaymelding.
De nachtzichthulp Plus is weer gereed voor gebruik.
De nachtzichthulp Plus is defect.
XNaar een gekwalificeerde werkplaats gaan.
Verkeerstekenas‐Verkeerstekenas‐
sistent nu nietsistent nu niet
beschikbaar ziebeschikbaar zie
handleidinghandleiding
De verkeerstekenassistent is uitgeschakeld en functioneert tijde-
lijk niet. Mogelijke oorzaken:
RDe voorruit in het blikveld van de camera is vervuild.
RHet zicht wordt gehinderd door hevige neerslag of mist.
XDe voorruit reinigen.
Als het systeem de volledige beschikbaarheid van de camera her-
kent, verdwijnt de displaymelding.
De verkeerstekenassistent is weer gereed voor gebruik.
Verkeerstekenas‐Verkeerstekenas‐
sistent functio‐sistent functio‐
neert nietneert niet
De verkeerstekenassistent is defect.
XNaar een gekwalificeerde werkplaats gaan.
ë
UitUit
De HOLD-functie is uitgeschakeld. De auto is in een slip geraakt.
Bovendien klinkt een waarschuwingssignaal.
XDe HOLD-functie later weer inschakelen (Ypagina 245).
DISTRONIC PLUS UitDISTRONIC PLUS Uit De DISTRONIC PLUS is uitgeschakeld (Ypagina 234).
Bij een niet door de bestuurder geïnitieerde uitschakeling klinkt
bovendien een waarschuwingssignaal.
DISTRONIC PLUSDISTRONIC PLUS
weer beschikbaarweer beschikbaar
De DISTRONIC PLUS is na tijdelijke niet-beschikbaarheid weer
gereed voor gebruik. De DISTRONIC PLUS kan nu weer worden
ingeschakeld (Ypagina 234).
356 Displaymeldingen
Boordcomputer en meldingen
Displaymeldingen Mogelijke oorzaak en/of gevolg en MMoplossingen
DISTRONIC PLUS nuDISTRONIC PLUS nu
niet beschikbaarniet beschikbaar
zie handleidingzie handleiding
De DISTRONIC PLUS is tijdelijk niet gereed voor gebruik.
Ook de stuurassistent van de DISTRONIC PLUS is tijdelijk niet
gereed voor gebruik.
Mogelijke oorzaken:
RDe werking wordt gehinderd door sterke neerslag.
RDe sensoren in de radiateurgrille en in de bumpers zijn vervuild.
RDe radarsensoren zijn tijdelijk niet gereed voor gebruik, bijvoor-
beeld door elektromagnetische straling in de buurt van tv- en
radiozendinstallaties of andere stralingsbronnen.
RDe temperatuur van het systeem bevindt zich buiten het
bedrijfstemperatuurgebied.
RDe boordnetspanning is te laag.
Bovendien klinkt een waarschuwingssignaal.
Als de bovenstaande oorzaken niet meer van toepassing zijn, ver-
dwijnt de displaymelding.
De DISTRONIC PLUS is weer gereed voor gebruik.
Wanneer de displaymelding niet verdwijnt:
XStoppen; daarbij op de verkeerssituatie letten.
XDe auto tegen wegrollen beveiligen (Ypagina 220).
XDe sensoren in de radiateurgrille en in de bumpers zijn reinigen
(Ypagina 425).
XDe motor opnieuw starten.
DISTRONIC PLUSDISTRONIC PLUS
functioneert nietfunctioneert niet
De DISTRONIC PLUS is defect.
Bovendien kunnen uitgevallen zijn:
Rde BAS PLUS
Rde PRE-SAFE®-rem
Rde stuurassistent van de DISTRONIC PLUS.
Bovendien klinkt een waarschuwingssignaal.
XNaar een gekwalificeerde werkplaats gaan.
DISTRONICDISTRONIC PLUSPLUS pas‐pas‐
siefsief
U heeft gas gegeven. De DISTRONIC PLUS regelt niet meer.
XDe voet van het gaspedaal nemen.
DISTRONIC PLUSDISTRONIC PLUS
- - - km/h- - - km/h
Aan één inschakelvoorwaarde voor de DISTRONIC PLUS is niet
voldaan.
XDe inschakelvoorwaarden van de DISTRONIC PLUS controleren
(Ypagina 234).
Displaymeldingen 357
Boordcomputer en meldingen
Z
Displaymeldingen Mogelijke oorzaak en/of gevolg en MMoplossingen
DISTRONIC PLUS enDISTRONIC PLUS en
SPEEDTRONIC func‐SPEEDTRONIC func‐
tioneren niettioneren niet
De DISTRONIC PLUS en de SPEEDTRONIC zijn defect. Bovendien
klinkt een waarschuwingssignaal.
XNaar een gekwalificeerde werkplaats gaan.
DTR+: Stuurassis‐DTR+: Stuurassis‐
tent nu niettent nu niet
beschikbaar ziebeschikbaar zie
handleidinghandleiding
De stuurassistent van de DISTRONIC PLUS is tijdelijk niet gereed
voor gebruik. Mogelijke oorzaken:
RDe voorruit in het blikveld van de camera is vervuild.
RHet zicht wordt gehinderd door hevige neerslag of mist.
RGedurende lange tijd zijn geen rijstrookmarkeringen aanwezig.
RDe rijstrookmarkeringen zijn versleten, donker of bedekt, bij-
voorbeeld door vuil of sneeuw.
Als de bovenstaande oorzaken niet meer van toepassing zijn, ver-
dwijnt de displaymelding.
De stuurassistent van de DISTRONIC PLUS is weer gereed voor
gebruik.
Wanneer de displaymelding niet verdwijnt:
XStoppen; daarbij op de verkeerssituatie letten.
XDe auto tegen wegrollen beveiligen (Ypagina 220).
XDe voorruit reinigen.
DTR+: Stuurassis‐DTR+: Stuurassis‐
tent functioneerttent functioneert
nietniet
De stuurassistent van de DISTRONIC PLUS is defect.
De functies van de DISTRONIC PLUS zijn verder echter gewoon
beschikbaar.
Bovendien klinkt een waarschuwingssignaal.
XNaar een gekwalificeerde werkplaats gaan.
TEMPOMAT en SPEED‐TEMPOMAT en SPEED‐
TRONIC functione‐TRONIC functione‐
ren nietren niet
De TEMPOMAAT en de SPEEDTRONIC zijn defect.
Bovendien klinkt een waarschuwingssignaal.
XNaar een gekwalificeerde werkplaats gaan.
SPEEDTRONICSPEEDTRONIC
Begrenzing - - -Begrenzing - - -
km/hkm/h
Terwijl het gaspedaal tot voorbij het drukpunt wordt ingedrukt
(kickdown), is activering van de SPEEDTRONIC niet mogelijk.
XAls de situatie het toestaat, sneller dan 30 km/h rijden en de
snelheid opslaan.
358 Displaymeldingen
Boordcomputer en meldingen
Displaymeldingen Mogelijke oorzaak en/of gevolg en MMoplossingen
TEMPOMAT - - -TEMPOMAT - - -
km/hkm/h
Aan één inschakelvoorwaarde voor de TEMPOMAAT is niet vol-
daan.
Er is geprobeerd om een snelheid onder bijvoorbeeld 30 km/h op
te slaan.
XAls de situatie het toestaat, sneller dan 30 km/h rijden en de
snelheid opslaan.
XDe inschakelvoorwaarden van de TEMPOMAAT controleren
(Ypagina 228).
120 km/h!120 km/h!
Maximum snelheidMaximum snelheid
overschredenoverschreden
Alleen voor bepaalde landen: De maximum toegestane snelheid is
overschreden.
Bovendien verschijnt op het multifunctioneel display de melding
120 km/h!120 km/h!.
XLangzamer rijden.
Displaymeldingen 359
Boordcomputer en meldingen
Z
Banden
Displaymeldingen Mogelijke oorzaak en/of gevolg en MMoplossingen
BandenspanningBandenspanning
Banden controlerenBanden controleren
De bandenspanningswaarschuwing heeft een aanzienlijk span-
ningsverlies herkend.
Bovendien klinkt een waarschuwingssignaal.
Mogelijke oorzaak:
RU heeft de banden en velgen gewisseld of nieuwe banden en
velgen gemonteerd.
RDe bandenspanning van één of meerdere banden is niet correct.
GWAARSCHUWING
Banden met een te lage bandenspanning leveren de volgende
gevaren op:
RZe kunnen klappen, in het bijzonder bij toenemende belading
en snelheid.
RZe kunnen overmatig en/of ongelijkmatig slijten, hetgeen de
grip sterk nadelig beïnvloedt.
RDe rij-eigenschappen en het stuur- en remgedrag kunnen sterk
nadelig beïnvloed worden.
Er bestaat gevaar voor ongevallen!
XZonder heftige stuur- en remmanoeuvres stoppen. Daarbij op
de verkeerssituatie letten.
XDe auto tegen wegrollen beveiligen (Ypagina 220).
XDe banden controleren en, indien noodzakelijk, de instructies
bij bandenpech opvolgen (Ypagina 434).
XDe bandenspanning controleren en, indien noodzakelijk, de
bandenspanning corrigeren.
XDaarna bij correct ingestelde bandenspanning de bandenspan-
ningswaarschuwing opnieuw activeren (Ypagina 465).
Bandenspanningsbe‐Bandenspanningsbe‐
waking nawaking na
band.sp.controleband.sp.controle
opnieuw startenopnieuw starten
Er is een displaymelding voor de bandenspanningswaarschuwing
weergegeven en het systeem is sindsdien niet opnieuw gestart.
XDe correcte bandenspanning van alle banden instellen.
XDe bandenspanningswaarschuwing opnieuw activeren
(Ypagina 465).
Bandenspanningsbe‐Bandenspanningsbe‐
waking functio‐waking functio‐
neert nietneert niet
De bandenspanningswaarschuwing is defect.
XNaar een gekwalificeerde werkplaats gaan.
360 Displaymeldingen
Boordcomputer en meldingen
Displaymeldingen Mogelijke oorzaak en/of gevolg en MMoplossingen
BandenspanningBandenspanning
corrig.corrig.
Ten minste één band heeft een te lage bandenspanning, of de
bandenspanningen van de afzonderlijke banden wijken te sterk
van elkaar af.
XBij de volgende gelegenheid de bandenspanning controleren
(Ypagina 461).
XIndien nodig de bandenspanning corrigeren.
XDe bandenspanningscontrole opnieuw activeren
(Ypagina 463).
Banden controlerenBanden controleren Van één of meerdere banden is de bandenspanning sterk gedaald.
Op het multifunctioneel display wordt de wielpositie weergegeven.
Bovendien klinkt een waarschuwingssignaal.
GWAARSCHUWING
Banden met een te lage bandenspanning leveren de volgende
gevaren op:
RZe kunnen klappen, in het bijzonder bij toenemende belading
en snelheid.
RZe kunnen overmatig en/of ongelijkmatig slijten, hetgeen de
grip sterk nadelig beïnvloedt.
RDe rij-eigenschappen en het stuur- en remgedrag kunnen sterk
nadelig beïnvloed worden.
Er bestaat gevaar voor ongevallen!
XZonder heftige stuur- en remmanoeuvres stoppen. Daarbij op
de verkeerssituatie letten.
XDe auto tegen wegrollen beveiligen (Ypagina 220).
XDe banden controleren en, indien noodzakelijk, de instructies
bij bandenpech opvolgen (Ypagina 434).
XDe bandenspanning controleren (Ypagina 461).
XIndien nodig de bandenspanning corrigeren.
Displaymeldingen 361
Boordcomputer en meldingen
Z
Displaymeldingen Mogelijke oorzaak en/of gevolg en MMoplossingen
LetLet op:op: bandband defectdefect Van één of meerdere banden daalt de bandenspanning plotseling.
Op het multifunctioneel display wordt de wielpositie weergegeven.
GWAARSCHUWING
Rijden met een drukloze band levert de volgende gevaren op:
REen drukloze band beïnvloedt het stuur- en het remvermogen
van de auto nadelig.
RU kunt de controle over de auto verliezen.
RVerder rijden met een drukloze band leidt tot het overmatig
opwarmen van de band en mogelijk tot brand.
Er bestaat gevaar voor ongevallen!
XZonder heftige stuur- en remmanoeuvres stoppen. Daarbij op
de verkeerssituatie letten.
XDe auto tegen wegrollen beveiligen (Ypagina 220).
XDe banden controleren en, indien noodzakelijk, de instructies
bij bandenpech opvolgen (Ypagina 434).
Bandenspannings‐Bandenspannings‐
controle nu nietcontrole nu niet
beschikbaarbeschikbaar
Vanwege een radiografische storingsbron worden geen signalen
van de bandenspanningsensoren ontvangen. De bandenspan-
ningscontrole vertoont tijdelijk een storing.
XVerder rijden.
Zodra de oorzaak is verholpen, start de bandenspanningscon-
trole vanzelf weer.
Wielsens. nietWielsens. niet
beschikb.beschikb.
Van een of meerdere wielen ontbreekt het signaal van de ban-
denspanningsensor. Op het multifunctioneel display wordt bij de
betreffende banden geen bandenspanningswaarde weergegeven.
XDe defecte bandenspanningsensor laten vervangen bij een
gekwalificeerde werkplaats.
Bandensp.contr.Bandensp.contr.
functioneert nietfunctioneert niet
Geen wielsensorenGeen wielsensoren
De gemonteerde wielen hebben geen geschikte wielsensoren. De
bandenspanningscontrole is uitgeschakeld.
XWielen met geschikte bandenspanningsensoren monteren.
De bandenspanningscontrole wordt na enkele minuten rijden
ingeschakeld.
Bandensp.contr.Bandensp.contr.
functioneert nietfunctioneert niet
De bandenspanningscontrole is defect.
XNaar een gekwalificeerde werkplaats gaan.
362 Displaymeldingen
Boordcomputer en meldingen
Auto
Displaymeldingen Mogelijke oorzaak en/of gevolg en MMoplossingen
Om te starten:Om te starten:
selecteer P of Nselecteer P of N
U hebt geprobeerd in transmissiestand Rof Dte starten.
XDe transmissie in stand Pof Nzetten.
BackupBackup accuaccu StoringStoring De noodaccu voor de transmissie wordt niet meer opgeladen.
XNaar een gekwalificeerde werkplaats gaan.
Voor verlaten vanVoor verlaten van
schakelstandschakelstand PPremrem
bedienenbedienen
U hebt geprobeerd de transmissie in stand D,Rof Nte zetten,
zonder het rempedaal in te drukken.
XHet rempedaal indrukken.
WegrolgevaarWegrolgevaar
Transmissie nietTransmissie niet
in Pin P
Het bestuurdersportier is geopend en de transmissie staat in
stand R,Nof D.
Bovendien klinkt een waarschuwingssignaal.
XDe transmissie in stand Pzetten.
XDe auto tegen wegrollen beveiligen (Ypagina 220).
Zonder schakelenZonder schakelen
Werkplaats opzoe‐Werkplaats opzoe‐
kenken
De stand van de transmissie kan vanwege een storing niet meer
worden gewijzigd.
Bovendien klinkt een waarschuwingssignaal.
Als transmissiestand Dis geselecteerd:
XZonder de transmissiestand Dte wijzigen naar een gekwalifi-
ceerde werkplaats gaan.
Wanneer de transmissiestand R,Nof Pis geselecteerd:
XContact opnemen met een gekwalificeerde werkplaats.
Schakelstand PSchakelstand P
alleen bij stil‐alleen bij stil‐
staand voertuigstaand voertuig
De auto is nog in beweging.
XStoppen; daarbij op de verkeerssituatie letten.
XDe transmissie in stand Pzetten.
NNDe achterklep is geopend.
XDe achterklep sluiten.
Displaymeldingen 363
Boordcomputer en meldingen
Z
Displaymeldingen Mogelijke oorzaak en/of gevolg en MMoplossingen
MMDe motorkap is geopend. Bovendien klinkt een waarschuwings-
signaal.
GWAARSCHUWING
De geopende motorkap kan tijdens het rijden het zicht belemme-
ren.
Er bestaat gevaar voor ongevallen!
XDirect op een veilige plaats stoppen.
XDe auto tegen wegrollen beveiligen (Ypagina 220).
XDe motorkap sluiten.
Actieve motorkapActieve motorkap
Storing zie hand‐Storing zie hand‐
leidingleiding
De actieve motorkap (voetgangersbescherming) functioneert niet
vanwege een storing of activering.
XNaar een gekwalificeerde werkplaats gaan.
CCTen minste een portier is geopend. Bovendien klinkt een waar-
schuwingssignaal.
XAlle portieren sluiten.
j
Trekhaak vergren‐Trekhaak vergren‐
deling control.deling control.
De trekhaak is niet goed vergrendeld.
Bovendien klinkt een waarschuwingssignaal.
XRekening houdend met de verkeerssituatie zo snel mogelijk
stoppen en de motor afzetten.
XDe parkeerrem bedienen.
XDe kogelkop van de trekhaak in de eindstand laten vergrendelen
(Ypagina 302).
Voor zicht in deVoor zicht in de
buitenspiegel pas‐buitenspiegel pas‐
sagiersstoel ver‐sagiersstoel ver‐
stellen of hoofd‐stellen of hoofd‐
steun verwijderensteun verwijderen
De passagiersstoel staat in de chauffeursstand en de hoofdsteun
is omgeklapt.
GWAARSCHUWING
Als de passagiersstoel zich in de chauffeursstand bevindt en de
hoofdsteun omgeklapt is, kan het zicht op de buitenspiegel aan
passagierszijde belemmerd zijn.
Er bestaat gevaar voor ongevallen!
XDe hoofdsteun van de passagiersstoel verwijderen
(Ypagina 131).
of
XDe passagiersstoel in de normale stand zetten (Ypagina 127).
364 Displaymeldingen
Boordcomputer en meldingen
Displaymeldingen Mogelijke oorzaak en/of gevolg en MMoplossingen
PassagiersstoelPassagiersstoel
niet bruikbaarniet bruikbaar
Werkplaats opzoe‐Werkplaats opzoe‐
kenken
De hoofdsteun van de passagiersstoel is omgeklapt en er is een
storing aanwezig. De hoofdsteun kan niet meer omhoog worden
geklapt.
GWAARSCHUWING
Als de hoofdsteunen niet correct zijn ingesteld, kunnen ze niet
zoals bedoeld beschermen.
Er is dan een verhoogd risico op letsel van het hoofd of de nek,
bijvoorbeeld bij een ongeval of remmanoeuvre!
XDe passagiersstoel niet gebruiken.
XNaar een gekwalificeerde werkplaats gaan.
&
functioneert nietfunctioneert niet
accu zwakaccu zwak
De boordnetspanning is te laag. De interieurvoorverwarming is
uitgeschakeld resp. kan niet worden ingeschakeld
(Ypagina 183).
XEen lange afstand rijden.
De accu wordt opgeladen. Zodra de boordnetspanning volstaat,
kan de interieurvoorverwarming weer worden ingeschakeld.
&
functioneert nietfunctioneert niet
brandstof tankenbrandstof tanken
Er bevindt zich te weinig brandstof in de tank. De interieurvoor-
verwarming kan niet worden ingeschakeld (Ypagina 183).
XBij het eerstvolgende tankstation tanken.
&
functioneert nietfunctioneert niet
zie handleidingzie handleiding
De interieurvoorverwarming vertoont tijdelijk een storing of is
defect.
XAls de auto horizontaal staat en de motor is afgekoeld: Viermaal
gedurende meerdere minuten proberen de interieurvoorverwar-
ming in te schakelen (Ypagina 183).
XAls de interieurvoorverwarming niet inschakelt: Naar een
gekwalificeerde werkplaats gaan.
Ð
Stuurbekrachti‐Stuurbekrachti‐
ging Storing zieging Storing zie
handleidinghandleiding
De stuurbekrachtiging vertoont een storing.
Bovendien klinkt een waarschuwingssignaal.
GWAARSCHUWING
Er is meer kracht vereist voor het sturen.
Er bestaat gevaar voor ongevallen!
XUitproberen of u de benodigde hogere stuurkracht kunt uitoe-
fenen.
XAls u veilig kunt sturen: Voorzichtig naar een gekwalificeerde
werkplaats verder rijden.
XAls u niet veilig kunt sturen: Niet verder rijden, contact opne-
men met de dichtstbijzijnde gekwalificeerde werkplaats.
Displaymeldingen 365
Boordcomputer en meldingen
Z
Displaymeldingen Mogelijke oorzaak en/of gevolg en MMoplossingen
Telefoon GeenTelefoon Geen
serviceservice
De auto bevindt zich buiten het zend- en ontvangstgebied van het
mobiel netwerk van de provider.
XWachten, tot de gereedheidsaanduiding voor de mobiele tele-
foon wordt weergegeven op het multifunctioneel display.
¥
Ruitensproeier‐Ruitensproeier‐
vloeistof bijvul‐vloeistof bijvul‐
lenlen
Het peil in het ruitensproeiervloeistofreservoir is tot onder het
minimum gedaald.
XRuitensproeiervloeistof bijvullen (Ypagina 418).
Sleutel
Displaymeldingen Mogelijke oorzaak en/of gevolg en MMoplossingen
Â
SleutelSleutel hoorthoort nietniet
bij het voertuigbij het voertuig
Een verkeerde sleutel is in het contactslot gestoken.
XDe juiste sleutel gebruiken.
Â
Sleutel vervangenSleutel vervangen
De sleutel moet worden vervangen.
XNaar een gekwalificeerde werkplaats gaan.
Â
Batterij sleutelBatterij sleutel
vervangenvervangen
De batterijen van de sleutel zijn leeg.
XDe batterijen vervangen (Ypagina 98).
Â
Sleutel niet her‐Sleutel niet her‐
kendkend (witte display-
melding)
De sleutel wordt momenteel niet herkend.
XDe plaats van de sleutel in de auto veranderen.
Wanneer de sleutel nog steeds niet herkend wordt:
XDe sleutel in het contactslot steken en in de gewenste stand
draaien.
Â
Sleutel niet her‐Sleutel niet her‐
kendkend (rode display-
melding)
De sleutel bevindt zich niet in de auto.
Bovendien klinkt een waarschuwingssignaal.
Als de motor is afgezet, kan de auto anders niet meer centraal
vergrendeld en de motor niet meer gestart worden.
XDirect op een veilige plaats stoppen.
XDe auto tegen wegrollen beveiligen (Ypagina 220).
XDe sleutel zoeken.
XDe displaymelding met ain het stuurwiel bevestigen.
366 Displaymeldingen
Boordcomputer en meldingen
Displaymeldingen Mogelijke oorzaak en/of gevolg en MMoplossingen
De sleutel wordt bij draaiende motor niet herkend, omdat een
sterke radiobron stoort.
Bovendien klinkt een waarschuwingssignaal.
XDirect op een veilige plaats stoppen.
XDe auto tegen wegrollen beveiligen (Ypagina 220).
XDe auto met de sleutel in het contactslot bedienen.
Â
Startknop uitne‐Startknop uitne‐
men, sleutel inmen, sleutel in
contact stekencontact steken
De sleutel wordt permanent niet herkend.
De herkenning van de sleutel vertoont tijdelijk een storing of is
defect. Bovendien klinkt een waarschuwingssignaal.
XDe sleutel in het contactslot steken en in de gewenste stand
draaien.
XNaar een gekwalificeerde werkplaats gaan.
Waarschuwings- en controlelampjes in instrumentenpaneel
Veiligheid
Veiligheidsgordel
Waarschu-
wings-/
controle-
lampje
NNSignaalgedrag
Mogelijke oorzaak en/of gevolg en MMoplossingen
üNAlleen voor bepaalde landen: Het rode waarschuwingslampje veiligheids-
gordel brandt na het starten van de motor gedurende 6 seconden.
Het waarschuwingslampje veiligheidsgordels herinnert bestuurder en passa-
gier eraan de gordel om te gespen.
XDe veiligheidsgordel omgespen (Ypagina 52).
üNAlleen voor bepaalde landen: Het rode waarschuwingslampje veiligheids-
gordel brandt na het starten van de motor. Bovendien klinkt gedurende maxi-
maal 6 seconden een waarschuwingssignaal.
De bestuurder heeft de gordel niet omgegespt.
XDe veiligheidsgordel omgespen (Ypagina 52).
Het waarschuwingssignaal stopt.
Waarschuwings- en controlelampjes in instrumentenpaneel 367
Boordcomputer en meldingen
Z
Waarschu-
wings-/
controle-
lampje
NNSignaalgedrag
Mogelijke oorzaak en/of gevolg en MMoplossingen
üNNadat de motor is gestart gaat het rode waarschuwingslampje voor de
veiligheidsgordel branden, zodra het bestuurdersportier of het passagiers-
portier gesloten is.
De bestuurder of de passagier hebben hun gordel niet omgegespt.
XDe veiligheidsgordel omgespen (Ypagina 52).
Het waarschuwingslampje dooft.
Er liggen voorwerpen op de passagiersstoel.
XDe voorwerpen van de passagiersstoel verwijderen en op een veilige plaats
opbergen.
Het waarschuwingslampje dooft.
üNHet rode waarschuwingslampje veiligheidsgordels knippert en er klinkt een
onderbroken waarschuwingssignaal.
De bestuurder of de passagier hebben hun gordel niet omgegespt. Daarbij
wordt sneller dan 25 km/h gereden of er is kortstondig sneller dan
25 km/h gereden.
XDe veiligheidsgordel omgespen (Ypagina 52).
Het waarschuwingslampje dooft en het waarschuwingssignaal stopt.
Er liggen voorwerpen op de passagiersstoel. Daarbij wordt sneller dan
25 km/h gereden of er is kortstondig sneller dan 25 km/h gereden.
XDe voorwerpen van de passagiersstoel verwijderen en op een veilige plaats
opbergen.
Het waarschuwingslampje dooft en het waarschuwingssignaal stopt.
368 Waarschuwings- en controlelampjes in instrumentenpaneel
Boordcomputer en meldingen
Veiligheidssystemen
Waarschu-
wings-/
controle-
lampje
NNSignaalgedrag
Mogelijke oorzaak en/of gevolg en MMoplossingen
JNHet gele waarschuwingslampje brandstofreserve brandt als de motor
draait.
GWAARSCHUWING
Het remsysteem vertoont een storing en het remgedrag kan veranderen.
Er bestaat gevaar voor ongevallen!
XWanneer het multifunctioneel display een displaymelding weergeeft, deze
in acht nemen.
XVoorzichtig verder rijden.
XNaar een gekwalificeerde werkplaats gaan.
JNHet rode remwaarschuwingslampje brandt als de motor draait. Bovendien
klinkt een waarschuwingssignaal.
GWAARSCHUWING
De rembekrachtiging vertoont een storing en het remgedrag kan veranderen.
Er bestaat gevaar voor ongevallen!
XDirect op een veilige plaats stoppen. Niet verder rijden!
XDe auto tegen wegrollen beveiligen (Ypagina 220).
XContact opnemen met een gekwalificeerde werkplaats.
XDe extra meldingen op het multifunctioneel display in acht nemen.
JNHet rode remwaarschuwingslampje brandt als de motor draait. Bovendien
klinkt een waarschuwingssignaal.
Er bevindt zich te weinig remvloeistof in het remvloeistofreservoir.
GWAARSCHUWING
De remwerking kan nadelig beïnvloed zijn.
Er bestaat gevaar voor ongevallen!
XDirect op een veilige plaats stoppen. Niet verder rijden!
XDe auto tegen wegrollen beveiligen (Ypagina 220).
XGeen remvloeistof bijvullen. Door het bijvullen wordt de storing niet ver-
holpen.
XContact opnemen met een gekwalificeerde werkplaats.
XDe extra meldingen op het multifunctioneel display in acht nemen.
Waarschuwings- en controlelampjes in instrumentenpaneel 369
Boordcomputer en meldingen
Z
Waarschu-
wings-/
controle-
lampje
NNSignaalgedrag
Mogelijke oorzaak en/of gevolg en MMoplossingen
!NHet gele ABS-waarschuwingslampje brandt als de motor draait.
Het ABS (antiblokkeersysteem) is vanwege een storing uitgeschakeld. Daar-
mee zijn bijvoorbeeld ook de BAS (remassistentsysteem), de BAS PLUS, de
COLLISION PREVENTION ASSIST, het ESP®(elektronisch stabiliteitspro-
gramma), de PRE-SAFE®, de PRE-SAFE®PLUS, de PRE-SAFE®-rem, de HOLD-
functie, de hellingassistent, de ESP®-aanhangwagenstabilisatie, de rijassis-
tentie zijwind, het adaptieve remlicht, de stuurassistent STEER CONTROL, de
actieve spoorassistent en de actieve dodehoekassistent uitgeschakeld.
De ATTENTION ASSIST is gedeactiveerd.
GWAARSCHUWING
Het remsysteem blijft normaal functioneren, echter zonder de bovenge-
noemde functies. De wielen kunnen daardoor bijvoorbeeld bij een noodstop
blokkeren.
Daardoor zijn de bestuurbaarheid en het remgedrag sterk nadelig beïnvloed.
De remweg kan bij een noodstop langer worden.
Als het ESP®niet ingeschakeld is, wordt de auto niet door het ESP®gestabi-
liseerd.
Er bestaat verhoogd slipgevaar en gevaar voor ongevallen!
XDe extra meldingen op het multifunctioneel display in acht nemen.
XVoorzichtig verder rijden.
XNaar een gekwalificeerde werkplaats gaan.
Als de ABS-regeleenheid defect is, kunnen ook andere systemen niet beschik-
baar zijn, zoals het navigatiesysteem of de automatische transmissie.
370 Waarschuwings- en controlelampjes in instrumentenpaneel
Boordcomputer en meldingen
Waarschu-
wings-/
controle-
lampje
NNSignaalgedrag
Mogelijke oorzaak en/of gevolg en MMoplossingen
!NHet gele ABS-waarschuwingslampje brandt als de motor draait. Bovendien
klinkt een waarschuwingssignaal.
De EBD is vanwege een storing niet beschikbaar. Daarmee zijn bijvoorbeeld
ook het ABS, de BAS, de BAS PLUS, de COLLISION PREVENTION ASSIST, het
ESP®, de ESP®-aanhangwagenstabilisatie, de rijassistentie zijwind, de
PRE-SAFE®, de PRE-SAFE®PLUS, de PRE-SAFE®-rem, de HOLD-functie, de
hellingassistent, het adaptieve remlicht, de stuurassistent STEER CONTROL,
de actieve spoorassistent en de actieve dodehoekassistent niet beschikbaar.
De ATTENTION ASSIST is gedeactiveerd.
GWAARSCHUWING
Het remsysteem blijft normaal functioneren, echter zonder de bovenge-
noemde functies. De voor- en achterwielen kunnen daardoor bijvoorbeeld bij
een noodstop blokkeren.
Daardoor zijn de bestuurbaarheid en het remgedrag sterk nadelig beïnvloed.
De remweg kan bij een noodstop langer worden.
Als het ESP®niet ingeschakeld is, wordt de auto niet door het ESP®gestabi-
liseerd.
Er bestaat verhoogd slipgevaar en gevaar voor ongevallen!
XDe extra meldingen op het multifunctioneel display in acht nemen.
XVoorzichtig verder rijden.
XNaar een gekwalificeerde werkplaats gaan.
Waarschuwings- en controlelampjes in instrumentenpaneel 371
Boordcomputer en meldingen
Z
Waarschu-
wings-/
controle-
lampje
NNSignaalgedrag
Mogelijke oorzaak en/of gevolg en MMoplossingen
J÷
!
NHet rode remwaarschuwingslampje, het gele waarschuwingslampje ESP®
en het gele waarschuwingslampje ABS branden terwijl de motor draait.
Het ABS en het ESP®zijn vanwege een storing niet beschikbaar. Daarmee zijn
bijvoorbeeld ook de BAS, de BAS PLUS, de COLLISION PREVENTION ASSIST,
de EBD, de PRE-SAFE®, de PRE-SAFE®PLUS, de PRE-SAFE®-rem, de HOLD-
functie, de hellingassistent, de ESP®-aanhangwagenstabilisatie, de rijassis-
tentie zijwind, het adaptieve remlicht, de stuurassistent STEER CONTROL, de
actieve spoorassistent en de actieve dodehoekassistent niet beschikbaar.
De ATTENTION ASSIST is gedeactiveerd.
GWAARSCHUWING
Het remsysteem blijft normaal functioneren, echter zonder de bovenge-
noemde functies. De voor- en achterwielen kunnen daardoor bijvoorbeeld bij
een noodstop blokkeren.
Daardoor zijn de bestuurbaarheid en het remgedrag sterk nadelig beïnvloed.
De remweg kan bij een noodstop langer worden.
Als het ESP®niet ingeschakeld is, wordt de auto niet door het ESP®gestabi-
liseerd.
Er bestaat verhoogd slipgevaar en gevaar voor ongevallen!
XDe extra meldingen op het multifunctioneel display in acht nemen.
XVoorzichtig verder rijden.
XNaar een gekwalificeerde werkplaats gaan.
÷NHet gele ESP®-waarschuwingslampje knippert tijdens het rijden.
Het ESP®of de tractieregeling regelt, omdat er slipgevaar is of ten minste één
wiel doordraait.
De TEMPOMAAT of de DISTRONIC PLUS is uitgeschakeld.
XBij het wegrijden het gaspedaal slechts zo ver als nodig indrukken.
XTijdens het rijden minder gas geven.
XDe rijstijl aan de weersomstandigheden en de toestand van het wegdek
aanpassen.
XHet ESP®niet uitschakelen.
In uitzonderingssituaties (Ypagina 85) kan het beter zijn om het ESP®uit
te schakelen.
372 Waarschuwings- en controlelampjes in instrumentenpaneel
Boordcomputer en meldingen
Waarschu-
wings-/
controle-
lampje
NNSignaalgedrag
Mogelijke oorzaak en/of gevolg en MMoplossingen
÷NHet gele ESP®-waarschuwingslampje brandt terwijl de motor draait.
Het ESP®, de BAS, de BAS PLUS, de COLLISION PREVENTION ASSIST, de
PRE-SAFE®, de PRE-SAFE®PLUS, de PRE-SAFE®-rem, de HOLD-functie, de
hellingassistent, de ESP®-aanhangwagenstabilisatie, de rijassistentie zijwind,
het adaptieve remlicht, de stuurassistent STEER CONTROL, de actieve spoo-
rassistent en de actieve dodehoekassistent zijn vanwege een storing niet
beschikbaar.
De ATTENTION ASSIST is gedeactiveerd.
GWAARSCHUWING
Het remsysteem blijft normaal functioneren, echter zonder de bovenge-
noemde functies.
Daardoor kan de remweg bij een noodstop langer worden.
Als het ESP®niet ingeschakeld is, wordt de auto niet door het ESP®gestabi-
liseerd.
Er bestaat verhoogd slipgevaar en gevaar voor ongevallen!
XDe extra meldingen op het multifunctioneel display in acht nemen.
XVoorzichtig verder rijden.
XNaar een gekwalificeerde werkplaats gaan.
åNHet gele ESP®-OFF-waarschuwingslampje brandt terwijl de motor draait.
Het ESP®is uitgeschakeld.
GWAARSCHUWING
Als het ESP®is uitgeschakeld, wordt de auto niet door het ESP®gestabili-
seerd.
Er bestaat verhoogd slipgevaar en gevaar voor ongevallen!
XHet ESP®weer inschakelen.
In uitzonderingssituaties (Ypagina 85) kan het beter zijn om het ESP®uit
te schakelen.
XDe rijstijl aan de weersomstandigheden en de toestand van het wegdek
aanpassen.
Als het ESP®niet kan worden ingeschakeld:
XVoorzichtig verder rijden.
XHet ESP®bij een gekwalificeerde werkplaats laten controleren.
Waarschuwings- en controlelampjes in instrumentenpaneel 373
Boordcomputer en meldingen
Z
Waarschu-
wings-/
controle-
lampje
NNSignaalgedrag
Mogelijke oorzaak en/of gevolg en MMoplossingen
!NHet rode controlelampje van de elektrische parkeerrem knippert of brandt
en/of het gele waarschuwingslampje van de elektrische parkeerrem brandt.
XDe extra meldingen op het multifunctioneel display in acht nemen.
6NHet rode waarschuwingslampje veiligheidssysteem brandt als de motor
draait.
Het veiligheidssysteem vertoont een storing.
GWAARSCHUWING
De airbags of gordelspanners kunnen onbedoeld worden geactiveerd of bij
een ongeval niet worden geactiveerd.
Er bestaat verhoogd gevaar voor letsel!
XDe extra meldingen op het multifunctioneel display in acht nemen.
XVoorzichtig verder rijden.
XHet veiligheidssysteem direct door een gekwalificeerde werkplaats laten
controleren.
Meer informatie over het veiligheidssysteem (Ypagina 47).
374 Waarschuwings- en controlelampjes in instrumentenpaneel
Boordcomputer en meldingen
Motor
Waarschu-
wings-/
controle-
lampje
NNSignaalgedrag
Mogelijke oorzaak en/of gevolg en MMoplossingen
;NHet gele waarschuwingslampje motordiagnose brandt als de motor draait.
Er kan een storing aanwezig zijn, bijvoorbeeld:
Rin het motormanagementsysteem
Rin de inspuiting
Rin het uitlaatsysteem
Rin het ontstekingssysteem (bij auto's met benzinemotor)
Rin het brandstofsysteem.
De emissiewaarden kunnen daardoor worden overschreden en de motor
draait zo nodig in het noodprogramma.
XDe auto zo snel mogelijk laten controleren bij een gekwalificeerde werk-
plaats.
Auto's met dieselmotor: De tank is leeggereden (Ypagina 216).
XDe motor na het tanken drie- tot viermaal achter elkaar starten.
Wanneer het gele waarschuwingslampje motordiagnose dooft, wordt het
noodprogramma opgeheven. De auto hoeft niet te worden gecontroleerd.
8NHet gele waarschuwingslampje brandstofreserve brandt als de motor
draait.
De tankinhoud heeft het reservegebied bereikt.
Het gebruik van de interieurvoorverwarming wordt in het reservegebied
gedeactiveerd.
XBij het eerstvolgende tankstation tanken.
?NHet rode waarschuwingslampje koelvloeistof brandt terwijl de motor draait
en de koelvloeistoftemperatuurmeter staat aan het begin van de balkengra-
fiek.
De temperatuursensor voor de koelvloeistoftemperatuurmeter is defect.
De koelvloeistoftemperatuur wordt niet meer gecontroleerd. Wanneer de
koelvloeistof te heet is kan de motor worden beschadigd.
XRekening houdend met de verkeerssituatie zo snel mogelijk stoppen en de
motor afzetten. Niet verder rijden!
XDe auto tegen wegrollen beveiligen (Ypagina 220).
XContact opnemen met een gekwalificeerde werkplaats.
Waarschuwings- en controlelampjes in instrumentenpaneel 375
Boordcomputer en meldingen
Z
Waarschu-
wings-/
controle-
lampje
NNSignaalgedrag
Mogelijke oorzaak en/of gevolg en MMoplossingen
?NHet rode waarschuwingslampje koelvloeistof brandt als de motor draait.
Het koelvloeistofpeil is te laag.
Als het koelvloeistofpeil in orde is, kan de luchttoevoer naar de radiateur
belemmerd zijn of kan de elektrische ventilator van het koelsysteem uitge-
vallen zijn.
De koelvloeistof is te warm, de motor wordt niet voldoende gekoeld.
XDe extra meldingen op het multifunctioneel display in acht nemen.
XRekening houdend met de verkeerssituatie zo snel mogelijk stoppen en de
motor afzetten.
XDe auto tegen wegrollen beveiligen (Ypagina 220).
XDe auto verlaten en uit in de omgeving van de auto blijven, tot de motor is
afgekoeld.
XHet koelvloeistofpeil controleren en koelvloeistof bijvullen, daarbij de waar-
schuwingsaanwijzingen in acht nemen (Ypagina 417).
XAls vaker koelvloeistof moet worden bijgevuld, het koelsysteem laten con-
troleren.
XDe luchttoevoer naar de radiateur mag niet worden beïnvloed door bijvoor-
beeld bevroren natte sneeuw; dit controleren.
XPas als de koelvloeistoftemperatuur onder 120 †is, de motor weer starten.
Anders kan de motor worden beschadigd.
XTot de volgende gekwalificeerde werkplaats verder rijden.
XDaarbij hoge motorbelasting (bijvoorbeeld het rijden in de bergen) en stop-
and-go-verkeer vermijden.
?NHet rode waarschuwingslampje koelvloeistof brandt als de motor draait.
Bovendien klinkt een waarschuwingssignaal.
De koelvloeistof heeft een temperatuur van 120 overschreden. De lucht-
toevoer naar de radiateur kan geblokkeerd zijn of het koelvloeistofpeil kan te
laag zijn.
GWAARSCHUWING
De motor wordt niet voldoende gekoeld en kan schade oplopen.
Niet met een oververhitte motor rijden. Dit kan ertoe leiden dat vloeistoffen,
die door een lekkage of morsen in de motorruimte terecht zijn gekomen, ont-
steken.
De stoom van de oververhitte motor kan bovendien ernstige brandwonden
veroorzaken, zelfs als alleen de motorkap wordt geopend.
Er bestaat gevaar voor letsel!
376 Waarschuwings- en controlelampjes in instrumentenpaneel
Boordcomputer en meldingen
Waarschu-
wings-/
controle-
lampje
NNSignaalgedrag
Mogelijke oorzaak en/of gevolg en MMoplossingen
XDe extra meldingen op het multifunctioneel display in acht nemen.
XRekening houdend met de verkeerssituatie zo snel mogelijk stoppen en de
motor afzetten.
XDe auto tegen wegrollen beveiligen (Ypagina 220).
XDe auto verlaten en uit in de omgeving van de auto blijven, tot de motor is
afgekoeld.
XHet koelvloeistofpeil controleren en koelvloeistof bijvullen, daarbij de waar-
schuwingsaanwijzingen in acht nemen (Ypagina 417).
XAls vaker koelvloeistof moet worden bijgevuld, het koelsysteem laten con-
troleren.
XDe luchttoevoer naar de radiateur mag niet worden beïnvloed door bijvoor-
beeld bevroren natte sneeuw; dit controleren.
XBij een koelvloeistoftemperatuur onder 120 †kan naar de dichtstbijzijnde
gekwalificeerde werkplaats worden verder gereden.
XDaarbij hoge motorbelasting (bijvoorbeeld het rijden in de bergen) en stop-
and-go-verkeer vermijden.
Hybridesysteem
Waarschu-
wings-/
controle-
lampje
NNSignaalgedrag
Mogelijke oorzaak en/of gevolg en MMoplossingen
JNHet gele waarschuwingslampje RBS (Rekuperatives Bremssystem, rege-
nererend remsysteem) brandt. Bovendien kan een waarschuwingssignaal
klinken.
GGevaar voor ongevallen
Het RBS vertoont een storing. De slag van het rempedaal kan langer dan
gebruikelijk zijn en het remgedrag kan wijzigen. Ook de automatische motor-
stop kan gedeactiveerd zijn.
XDe displaymeldingen op het multifunctioneel display in acht nemen
(Ypagina 330).
XVoorzichtig verder rijden.
XNaar een gekwalificeerde werkplaats gaan.
Waarschuwings- en controlelampjes in instrumentenpaneel 377
Boordcomputer en meldingen
Z
Waarschu-
wings-/
controle-
lampje
NNSignaalgedrag
Mogelijke oorzaak en/of gevolg en MMoplossingen
JNHet rode remwaarschuwingslampje brandt. Bovendien klinkt een waar-
schuwingssignaal.
GGevaar voor ongevallen
Het RBS vertoont een storing. De slag van het rempedaal kan langer dan
gebruikelijk zijn en het remgedrag kan wijzigen.
XDirect op een veilige plaats stoppen. Niet verder rijden!
XMeteen naar een gekwalificeerde werkplaats gaan.
XDe extra meldingen op het multifunctioneel display in acht nemen.
Rijsystemen
Waarschu-
wings-/
controle-
lampje
NNSignaalgedrag
Mogelijke oorzaak en/of gevolg en MMoplossingen
·NHet rode controlelampje afstandswaarschuwing brandt tijdens het rijden.
De afstand tot de voorligger is voor de gekozen snelheid te gering.
XDe afstand vergroten.
·NHet rode controlelampje afstandswaarschuwing brandt tijdens het rijden.
Bovendien klinkt een waarschuwingssignaal.
U nadert een voertuig of een stilstaand obstakel op uw vermoedelijke rijbaan
met een te hoge snelheid.
XKlaar zijn om direct te kunnen remmen.
XGoed op de verkeerssituatie letten. Zo nodig afremmen of voor een obstakel
uitwijken.
Meer informatie over de PRE-SAFE®-rem (Ypagina 88).
Meer informatie over de afstandswaarschuwingsfunctie van de COLLISION
PREVENTION ASSIST (Ypagina 82).
378 Waarschuwings- en controlelampjes in instrumentenpaneel
Boordcomputer en meldingen
Banden
Waarschu-
wings-/
controle-
lampje
NNSignaalgedrag
Mogelijke oorzaak en/of gevolg en MMoplossingen
hNHet gele waarschuwingslampje bandenspanningscontrole (drukverlies/
storing) brandt.
De bandenspanningscontrole heeft een spanningsdaling bij ten minste één
wiel geconstateerd.
GWAARSCHUWING
Banden met een te lage bandenspanning leveren de volgende gevaren op:
RZe kunnen klappen, in het bijzonder bij toenemende belading en snelheid.
RZe kunnen overmatig en/of ongelijkmatig slijten, hetgeen de grip sterk
nadelig beïnvloedt.
RDe rij-eigenschappen en het stuur- en remgedrag kunnen sterk nadelig
beïnvloed worden.
Er bestaat gevaar voor ongevallen!
XZonder heftige stuur- en remmanoeuvres stoppen. Daarbij op de verkeers-
situatie letten.
XDe auto tegen wegrollen beveiligen (Ypagina 220).
XDe extra meldingen op het multifunctioneel display in acht nemen.
XDe banden controleren en, indien noodzakelijk, de instructies bij banden-
pech opvolgen (Ypagina 434).
XDe bandenspanning controleren (Ypagina 461).
XIndien nodig de bandenspanning corrigeren.
hNHet gele waarschuwingslampje bandenspanningscontrole (drukverlies/
storing) knippert circa 1 minuut lang en brandt dan permanent.
De bandenspanningscontrole is defect.
GWAARSCHUWING
Het systeem is mogelijk niet in staat om een lage bandenspanning correct te
herkennen of te melden.
Er bestaat gevaar voor ongevallen!
XDe extra meldingen op het multifunctioneel display in acht nemen.
XNaar een gekwalificeerde werkplaats gaan.
Waarschuwings- en controlelampjes in instrumentenpaneel 379
Boordcomputer en meldingen
Z
Auto
Waarschu-
wings-/
controle-
lampje
NNSignaalgedrag
Mogelijke oorzaak en/of gevolg en MMoplossingen
ÐNHet rode waarschuwingslampje stuurbekrachtiging brandt terwijl de motor
draait.
De stuurbekrachtiging vertoont een storing.
Bovendien klinkt een waarschuwingssignaal.
GWAARSCHUWING
Er is meer kracht vereist voor het sturen.
Er bestaat gevaar voor ongevallen!
XUitproberen of u de benodigde hogere stuurkracht kunt uitoefenen.
XAls u veilig kunt sturen: Voorzichtig naar een gekwalificeerde werkplaats
verder rijden.
XAls u niet veilig kunt sturen: Niet verder rijden, contact opnemen met de
dichtstbijzijnde gekwalificeerde werkplaats.
380 Waarschuwings- en controlelampjes in instrumentenpaneel
Boordcomputer en meldingen
Wetenswaardigheden ....................... 382
Opbergmogelijkheden ...................... 382
Nuttige informatie ............................ 390
381
Beladen en nuttige informatie
Wetenswaardigheden
iDeze handleiding beschrijft alle modellen
en standaard- en speciale uitrustingen van
de auto die op het tijdstip van de redactie-
sluiting van deze handleiding verkrijgbaar
waren. Landspecifieke afwijkingen zijn ook
mogelijk. In acht nemen dat de auto niet
met alle beschreven functies kan zijn uit-
gerust. Dit betreft ook veiligheidsrelevante
systemen en functies.
iDe informatie over gekwalificeerde werk-
plaatsen lezen (Ypagina 29).
Opbergmogelijkheden
Richtlijnen m.b.t. belading
GWAARSCHUWING
Verbrandingsmotoren stoten giftige uitlaat-
gassen uit, zoals koolmonoxide. Wanneer de
achterklep als de motor draait geopend is, in
het bijzonder tijdens het rijden, kunnen uit-
laatgassen het interieur binnendringen. Er
bestaat vergiftigingsgevaar!
Vóór het openen van de achterklep altijd de
motor afzetten. Nooit met een geopende ach-
terklep rijden.
GWAARSCHUWING
Als voorwerpen, bagage of lading onbeveiligd
of onvoldoende beveiligd zijn, kunnen ze ver-
schuiven, kantelen of rondvliegen en inzitten-
den raken. Er bestaat gevaar voor letsel, in het
bijzonder bij remmanoeuvres of plotselinge
richtingswijzigingen!
Voorwerpen altijd zodanig opbergen, dat ze
niet kunnen rondvliegen. Voorwerpen,
bagage of lading voor iedere rit beveiligen
tegen verschuiven of kantelen.
Het rijgedrag van een beladen auto is afhan-
kelijk van de verdeling van de bagage. Bij het
laden en transporteren daarom de volgende
aanwijzingen lezen en opvolgen:
RMet de bagage incl. personen niet het toe-
gestaan totaalgewicht en de toegestane
asbelastingen van de auto overschrijden.
RMee te voeren voorwerpen dienen bij voor-
keur in de bagageruimte te worden onder-
gebracht.
RZware bagage zo ver mogelijk naar voren
schuiven en zo laag mogelijk in de bagage-
ruimte opbergen.
RNiet tot boven de bovenzijde van de rug-
leuningen beladen.
RIndien mogelijk de bagage altijd achter de
niet-bezette stoelen plaatsen.
RAlle bagage met sterke en schuurbesten-
dige sjormiddelen vastzetten. De scherpe
randen en hoeken afdekken.
iSjormiddelen zijn verkrijgbaar bij een
gekwalificeerde werkplaats, bijvoorbeeld
een Mercedes-Benz-servicewerkplaats.
Opbergvakken
Belangrijke veiligheidsvoorschriften
GWAARSCHUWING
Als voorwerpen op ongeschikte wijze in het
interieur worden opgeborgen, kunnen ze ver-
schuiven of rondslingeren en daardoor inzit-
tenden raken. Er bestaat gevaar voor letsel, in
het bijzonder bij remmanoeuvres of plotse-
linge richtingswijzigingen!
RVoorwerpen altijd zodanig opbergen, dat ze
in deze of vergelijkbare situaties niet kun-
nen rondslingeren.
RAltijd waarborgen dat voorwerpen niet uit
opbergvakken, ladingnetten of bagagenet-
ten steken.
382 Opbergmogelijkheden
Beladen en nuttige informatie
RTijdens het rijden afsluitbare opbergvakken
sluiten.
RZware, harde, scherpe, breekbare of te
grote voorwerpen altijd in de bagageruimte
opbergen.
De richtlijnen met betrekking tot belading in
acht nemen (Ypagina 382).
Opbergvakken voorin
Dashboardkastje
XOpenen: Aan handgreep :trekken en de
klep van het dashboardkastje ;openklap-
pen.
XSluiten: De klep van het dashboard-
kastje ;omhoogklappen, tot deze ver-
grendelt.
Het dashboardkastje kan worden gekoeld
(Ypagina 190).
In het dashboardkastje bevinden zich een
muntenhouder, aan pennenhouder, drie hou-
ders voor bankpasjes en de houder voor de
COMAND afstandsbediening.
Het dashboardkastje kan alleen met de nood-
sleutel worden ont- en vergrendeld.
XVergrendelen: De noodsleutel in het slot
steken en een kwart omwenteling
rechtsom in stand 2draaien.
XOntgrendelen: De noodsleutel in het slot
steken en een kwart omwenteling linksom
in stand 1draaien.
Brillenvak
XOpenen: Op markering :drukken.
Het brillenvak zwenkt omlaag.
XSluiten: Opnieuw op markering :druk-
ken en het brillenvak aan de bovenzijde
laten vergrendelen.
Het brillenvak moeten tijdens het rijden
gesloten zijn; dit controleren.
Opbergvakken middenconsole
XOpenen: Markering ;aantippen.
XSluiten: Opbergvak :in de richting van
de pijl schuiven, tot deze vergrendelt.
Opbergmogelijkheden 383
Beladen en nuttige informatie
Z
XOpenen: De afdekking aan chroomele-
ment :naar achteren schuiven.
Sluiten: Chroomelement :aantippen.
Opbergvak resp. telefoonvak onder de
armsteun
XOpenen: Toets :of ;indrukken en de
armsteun naar links of naar rechts klappen.
Afhankelijk van de uitrusting van de auto is in
het opbergvak een usb-aansluiting, een aux-
in-aansluiting of een media-interface inge-
bouwd. Een media-interface is een universele
interface voor mobiele audio- of video-appa-
raten, bijvoorbeeld voor iPod®, iPhone®of
mp3-spelers (zie de afzonderlijke COMAND
Online handleiding).
Opbergvak onder de bestuurders- en pas-
sagiersstoel
GWAARSCHUWING
Als de maximaal toegestane belasting van het
opbergvak wordt overschreden, kan de afdek-
king de voorwerpen niet tegenhouden. Voor-
werpen kunnen uit het opbergvak worden
geslingerd en daardoor inzittenden raken. Er
bestaat gevaar voor letsel, in het bijzonder bij
remmanoeuvres of plotselinge richtingswijzi-
gingen!
Altijd de maximaal toegestane belasting van
het opbergvak in acht nemen. Zware voor-
werpen opbergen en beveiligen in de bagage-
ruimte.
De maximaal toegestane belading van het
opbergvak bedraagt 1,5 kg.
XOpenen: Handgreep :omhoogtrekken
en afdekking ;naar voren opklappen.
Bij auto's met brandblusser is de brandblus-
ser in het opbergvak onder de bestuurders-
stoel ondergebracht.
Opbergvakken in de portieren
In opbergvak ;in de portieren kunnen bij-
voorbeeld een opgerold veiligheidsvest en
een kleine paraplu worden opgeborgen.
In de portieren :kunnen flessen tot 1,0 l
inhoud worden opgeborgen.
384 Opbergmogelijkheden
Beladen en nuttige informatie
Opbergvakken achterin
Opbergvak in de armsteun achterin
Auto's met achterbank:
XOpenen: De middenarmsteun omlaagklap-
pen.
XAan handgreep :trekken en de armsteun
omhoogzwenken.
Auto's met elektrisch instelbare buitenste zit-
plaatsen:
XOpenen: De middenarmsteun omlaagklap-
pen.
XHandgreep :omhoogtrekken en de arm-
steun opklappen.
Opbergvak in de middenconsole achterin
Auto's met afzonderlijke stoelen achterin en
middenconsole:
XHandgreep :omhoogtrekken en de arm-
steun opklappen.
Afhankelijk van de uitrusting van de auto
bevinden zich in het opbergvak een usb-aan-
sluiting, een aux-in-aansluiting, een houder
voor een mobiele telefoon en een 115V- of
230V-contactdoos.
Auto's met business-telefonie achterin: In
de middenconsole bevindt zich een opberg-
vak voor het opbergen van de telefoonhoorn
achterin.
XHet deksel van het contactdoosvak aantip-
pen.
XHet opbergvak van de telefoonhoorn ach-
terin :aantippen.
Opbergmogelijkheden 385
Beladen en nuttige informatie
Z
Opbergbox in de rugleuning achterin
Auto's met achterbank:
XOpenen: De armsteun achterin omlaag-
klappen.
XAan handgreep :trekken en afdek-
king ;omlaagklappen.
Auto's met afzonderlijke stoelen achterin en
middenconsole:
XOpenen: De armsteun achterin omlaag-
klappen.
XAan handgreep :trekken en afdek-
king ;omlaagklappen.
Afhankelijk van de uitrusting van de auto is in
plaats van een opbergvak een dvd-speler
gemonteerd.
Klaptafel
GWAARSCHUWING
Wanneer de klaptafel tijdens het rijden uitge-
klapt is, kunnen inzittenden zich daaraan sto-
ten, in het bijzonder bij een ongeval, remma-
noeuvres of een abrupte verandering van rij-
richting. Gevaar voor letsel!
De klaptafel voor iedere rit inklappen.
XOpklappen: De armsteun achterin :ope-
nen (Ypagina 385).
XDe klaptafel aan de voorzijde aan hand-
greepkom ;of =omhoogtrekken en
naar buiten zwenken.
XDe bladhelften uitklappen.
XInklappen: De bladhelften inklappen en de
klaptafel naar binnen zwenken.
Bagagenetten
Er bevinden zich opbergtassen aan de leuning
van de bestuurders- en passagiersstoel en
een bagagenet in de beenruimte van de pas-
sagier.
De richtlijnen m.b.t. belading (Ypagina 382)
en de veiligheidsvoorschriften m.b.t. de
opbergvakken (Ypagina 382) in acht nemen.
Skifoedraal
Belangrijke veiligheidsvoorschriften
GWAARSCHUWING
Het skifoedraal in combinatie met de sjorrie-
men kan geen andere voorwerpen behalve
ski's tegenhouden.
386 Opbergmogelijkheden
Beladen en nuttige informatie
Inzittenden kunnen bij bijvoorbeeld een rem-
manoeuvre of ongeval geraakt worden, als:
Randere zware of scherpe voorwerpen in het
skifoedraal worden vervoerd
Rhet skifoedraal niet met de sjorriemen is
beveiligd.
Er bestaat gevaar voor letsel en ongevallen!
Alleen ski's in het skifoedraal opbergen. Het
skifoedraal altijd met de sjorriemen beveili-
gen, zodat deze niet kan rondslingeren.
Bij het gebruik van het skifoedraal de vol-
gende punten in acht nemen:
RIn het skifoedraal kunnen maximaal drie
paar ski's worden vervoerd.
RBij het voorzichtig inschuiven en verwijde-
ren van de ski's letten op de scherpe
randen en hoeken van de ski's.
RDe ski's opbergen, zoals hierna beschre-
ven:
-Bij het naar binnen schuiven liggen de
loopvlakken van het betreffende paar
ski's tegen elkaar.
-Een paar ski's ligt onder met de punten
naar buiten.
-De twee andere paren ski's liggen links
en rechts boven het onderste paar ski's.
Daarbij zijn de punten van de ski's 90°
verdraaid ten opzichte van de andere
punten.
Skifoedraal uitvouwen en ski's inladen
Voorbeeld auto's met achterbank
XAuto's met elektrisch instelbare achter-
stoelen: De middelste hoofdsteun geheel
inschuiven (Ypagina 135).
XDe armsteun achterin omklappen.
XAan handgreep :trekken en afdek-
king ;omlaagklappen.
XBij het skifoedraal :het klittenband los-
maken.
XSkifoedraal :in het interieur trekken en
ontvouwen.
XDe achterklep openen.
XAan handgreep :van de klep trekken.
XDe klep opzijklappen tot deze door de mag-
neten op zijn plaats wordt gehouden.
XDe ski's vanuit de bagageruimte in het ski-
foedraal schuiven.
Opbergmogelijkheden 387
Beladen en nuttige informatie
Z
XSjorriem :aan het losse einde straktrek-
ken, tot de ski's in het skifoedraal gefixeerd
zijn.
XHaak ;in beugel =bevestigen.
XDe spangordel ?aan het losse uiteinde
straktrekken.
Ski's verwijderen en skifoedraal opvou-
wen
XSjorriem :losmaken.
XSpangordel ?losmaken.
XHaak ;van beugel =losmaken.
XVanuit de bagageruimte de ski's voorzich-
tig uit het skifoedraal nemen.
XDe klep in de bagageruimte sluiten.
XHet skifoedraal met de vouwhulp samen-
vouwen en met het klittenband sluiten.
XHet skifoedraal in de rugleuning steken.
XDe afdekking opklappen.
Als het skifoedraal niet nodig is, de klep in de
bagageruimte sluiten. Anders kunnen onbe-
voegden vanuit het interieur in de bagage-
ruimte komen.
Skifoedraal verwijderen
Het skifoedraal kan worden verwijderd om
het te drogen of schoon te maken.
XDe achterklep openen.
XKlep :openen.
XHet skifoedraal aan de vergrendeling ;
losmaken en verwijderen.
Bagage vastzetten
Bagageruimtehaken
Algemene aanwijzingen
Bij het vastzetten van bagage de volgende
aanwijzingen opvolgen:
RDe bagage aan de bagageruimtehaken
vastzetten.
RVoor het vastzetten geen elastische riemen
of netten gebruiken. Deze zijn alleen
geschikt als beveiliging tegen het verschui-
ven van lichte bagage.
RDe sjormiddelen niet over scherpe randen
of hoeken bevestigen.
RDe scherpe randen en hoeken afdekken.
388 Opbergmogelijkheden
Beladen en nuttige informatie
Bagageruimte
In de bagageruimte bevinden zich vier baga-
geruimtehaken.
Opbergvak onder bagageruimtebo-
dem
Onder de bagageruimtebodem bevindt zich
een multifunctionele opbergruimte, bijvoor-
beeld voor de TIREFIT.
XOpenen: De achterklep openen.
XHandgreep ;aan het geribbelde gedeelte
omlaagdrukken.
Handgreep ;klapt omhoog.
XBagageruimtebodem :aan hand-
greep ;omhoogzwenken, tot deze tegen
het bagagescherm aan ligt.
XHaak =aan de onderzijde van de bagage-
ruimtebodem uitklappen.
XHaak =in goot ?bevestigen.
XSluiten: Haak =uit goot ?losmaken.
XHaak =in de houder aan de onderzijde van
de bagageruimtebodem bevestigen.
XDe bagageruimtebodem omlaagklappen.
Dakdragers
Belangrijke veiligheidsvoorschriften
GWAARSCHUWING
Als het dak wordt beladen, wordt het zwaar-
tepunt van het voertuig hoger en verandert
het rijgedrag. Als de maximumdakbelasting
wordt overschreden, worden de rij-eigen-
schappen en het stuur- en remgedrag sterk
nadelig beïnvloed. Er bestaat gevaar voor
ongevallen!
Beslist de maximumdakbelasting aanhouden
en uw rijstijl aanpassen.
De maximumdakbelasting bedraagt 100 kg.
Opbergmogelijkheden 389
Beladen en nuttige informatie
Z
!Mercedes-Benz adviseert om alleen door
Mercedes-Benz geteste en goedgekeurde
dakdragers te gebruiken. Deze helpen om
schade aan de auto te voorkomen.
De bagage zodanig op de dakdrager aan-
brengen dat de auto ook tijdens het rijden
niet kan worden beschadigd.
Controleren of, afhankelijk van de uitrus-
ting van de auto, het panoramaschuifdak
bij gemonteerde dakdragers volledig
omhooggebracht en de achterklep volledig
geopend kan worden.
!Geen metalen of harde voorwerpen
gebruiken, om te voorkomen dat de afdek-
kingen bij het openen beschadigd of
bekrast worden.
Een ondeskundig bevestigde dakdrager of
ondeskundige belading van het dak kan los-
komen van de auto. Daarom beslist de mon-
tagehandleiding van de fabrikant van de dak-
drager in acht nemen.
Auto's met panoramaschuifdak: Het pano-
ramaschuifdak kan niet worden geopend als
een dakdrager is gemonteerd. Om het interi-
eur te ventileren, kan het panoramaschuifdak
nog steeds omhoog worden gebracht.
Bij contact met een door Mercedes-Benz
goedgekeurde dakdrager zakt het panorama-
schuifdak iets, maar blijft aan de achterzijde
in de kantelstand staan.
Dakdragers bevestigen
XDe afdekkingen :in de richting van de pijl
omhoogklappen.
XDe dakdrager alleen bevestigen aan de
bevestigingspunten die zich onder afdek-
kingen :bevinden.
XDe montagevoorschriften van de fabrikant
opvolgen.
Nuttige informatie
Bekerhouder
Belangrijke veiligheidsvoorschriften
!Uitsluitend passende en afsluitbare
bekers in de bekerhouder plaatsen,. Dit om
morsen te voorkomen.
Bekerhouder in de middenconsole
voorin
XOpenen: Het opbergvak openen
(Ypagina 383).
XVerwijderen: Vergrendeling :naar voren
schuiven en de bekerhouder omhoogtrek-
ken.
XAanbrengen: De afdekking van de head-
unit moet gesloten zijn.
XDe bekerhouder aanbrengen en vergrende-
ling :naar achteren schuiven.
De bekerhouder en de rubbermat kunnen
worden verwijderd om deze te reinigen. Beide
alleen reinigen met schoon lauw water.
390 Nuttige informatie
Beladen en nuttige informatie
Bekerhouder in armsteun achterin
Auto's met achterbank
!Niet met het volledige lichaamsgewicht
op de uitgeklapte armsteun achterin leu-
nen of steunen, omdat deze anders bescha-
digd.
!De armsteun achterin alleen naar boven
klappen als de bekerhouder gesloten is.
Anders kan de bekerhouder worden
beschadigd.
XDe armsteun achterin omklappen.
XOpenen: Aan de voorzijde op de bekerhou-
der :of ;drukken.
De bekerhouder :of ;komt vanzelf naar
buiten.
XUitklappen: Een beker in de bekerhouder
zetten.
De bekerhouder klapt zelfstandig naar
beneden uit.
XInklappen: De beker verwijderen.
De bekerhouder klapt zelfstandig in.
XSluiten: De bekerhouder :of ;naar
achteren schuiven, tot deze vergrendelt.
Auto's met elektrisch instelbare achter-
stoelen
!Niet met het volledige lichaamsgewicht
op de uitgeklapte armsteun achterin leu-
nen of steunen, omdat deze anders bescha-
digd.
XDe armsteun achterin omklappen.
XOpenen: De bodem van de bekerhou-
der ;in het midden omlaagdrukken, tot
deze vergrendelt.
XSluiten: Toets :indrukken.
De bodem van de bekerhouder ;beweegt
omhoog.
De inlay van de bekerhouder kan worden ver-
wijderd om deze te reinigen. Alleen reinigen
met schoon lauw water.
!De inlay van de bekerhouder niet meer
dan 15 mm naar buiten trekken. Anders
kunnen de houten panelen van de arm-
steun achterin worden beschadigd.
XInlay verwijderen: De bodem van de
bekerhouder =in het midden omlaagdruk-
ken, tot deze vergrendelt.
XOp de beiden klemmen ;drukken en de
inlay van de bekerhouder circa 15 mm
omhoogtrekken.
Nuttige informatie 391
Beladen en nuttige informatie
Z
XToets :indrukken.
De bodem van de bekerhouder =beweegt
omhoog.
XDe inlay van de bekerhouder volledig uit de
armsteun achterin verwijderen.
!De inlay van de bekerhouder moet correct
in de uitsparing aangebracht zijn. Anders
kunnen de houten panelen van de arm-
steun achterin worden beschadigd.
XInlay aanbrengen: De bodem van de
bekerhouder ;moet zich in de bovenste
positie bevinden.
XDe inlay van de bekerhouder zodanig in de
uitsparing van de armsteun achterin aan-
brengen, dat toets :naar voren wijst.
XDe inlay van de bekerhouder omlaagdruk-
ken.
XOp de buitenste ring =van de inlay van de
bekerhouder drukken, tot de inlay van de
bekerhouder hoorbaar vergrendelt.
Temperatuurgeregelde bekerhouder
achterin
:Bekerhouder
;Toets
Met de temperatuurgeregelde bekerhouder
kunnen koude dranken koud, en warme dran-
ken warm gehouden worden.
Als de warmhoudfunctie wordt gebruikt,
wordt het metalen inzetstuk van de beker-
houder verwarmd. Daarom het inzetstuk van
bekerhouder niet beetpakken.
XDe sleutel in het contactslot in stand 2zet-
ten (Ypagina 195).
XKoelhoudfunctie inschakelen: Toets ;
zo vaak indrukken, tot het blauwe contro-
lelampje op de toets brandt.
XWarmhoudfunctie inschakelen:
Toets ;zo vaak indrukken, tot het rode
controlelampje op de toets brandt.
XFunctie uitschakelen: Toets ;zo vaak
indrukken, tot het controlelampje op de
toets dooft.
De rubbermat kan worden verwijderd om
deze te reinigen. Alleen reinigen met schoon
lauw water.
Voor het reinigen van de bekerhouder geen
harde of scherpe voorwerpen gebruiken.
Deze alleen reinigen met een zachte doek.
392 Nuttige informatie
Beladen en nuttige informatie
Zonnekleppen
Overzicht
:Spiegelverlichting
;Houder
=Bevestigingsclip, bijvoorbeeld voor par-
keerkaart
?Make-upspiegel
ASpiegelafdekking
Make-upspiegel in de zonneklep
Spiegelverlichting :werkt alleen wanneer
de zonneklep in houder ;is vergrendeld en
spiegelafdekking Aomhooggeklapt is.
Verblinding van opzij
XDe zonneklep omlaagklappen.
XDe zonneklep uit houder ;trekken.
XDe zonneklep opzijzwenken.
Zonneschermen in de achterste zijrui-
ten
:Linksvoor
;Rechtsvoor
=Rechtsachter
?Linksachter
De zonneschermen voor de achterste zijrui-
ten kunnen worden bediend met de toetsen
voor de zijruiten.
De toetsen voor alle zijruiten bevinden zich in
het bestuurdersportier. Bovendien bevindt
zich in elk portier een toets voor de betref-
fende zijruit.
De toetsen in het bestuurdersportier hebben
voorrang.
XVolledig sluiten: Als de zijruit gesloten is
aan de betreffende toets trekken.
XVolledig openen: Op de betreffende toets
drukken.
iMet de toetsen in de achterportieren kun-
nen ook de zonneschermen van de achter-
ste zijruiten aan de andere zijde van de auto
worden gesloten.
Zonnescherm achterruit
Belangrijke veiligheidsvoorschriften
GWAARSCHUWING
Bij het uit- of inrollen kunnen lichaamsdelen
in het bewegingsgebied van het zonnescherm
bekneld raken. Er bestaat gevaar voor letsel!
Nuttige informatie 393
Beladen en nuttige informatie
Z
Bij het uit- of inrollen controleren of zich geen
lichaamsdelen in het bewegingsgebied van
het zonnescherm bevinden. Als iemand
bekneld raakt, de schakelaar opnieuw kort
indrukken. Het openen of sluiten wordt
gestopt.
!Erop letten dat het zonnescherm vrij kan
bewegen. Anders is het mogelijk dat het
zonnescherm of voorwerpen worden
beschadigd.
Bij temperaturen onder Ò20 is het zonne-
scherm uitgeschakeld.
Vanaf de bestuurdersstoel uit- en inrol-
len
XUit- of inrollen: Toets :kort indrukken.
Het zonnescherm rolt volledig uit of volle-
dig in.
XStoppen: Opnieuw toets :kort indruk-
ken.
Het zonnescherm stopt kort en beweegt
dan in de uitgangsstand terug.
Vanuit achterin uit- en inrollen
XUitrollen: Schakelaar :omhoogtrekken
en loslaten.
Het zonnescherm rolt volledig uit.
XUitrollen stoppen: Schakelaar :kort
omlaagdrukken.
Het zonnescherm stopt kort en rolt weer in.
XInrollen: Schakelaar :tot voorbij het
drukpunt omlaagdrukken en loslaten.
Het zonnescherm rolt volledig in.
XInrollen stoppen: Schakelaar :omhoog-
trekken.
Het zonnescherm stopt kort en rolt weer
uit.
Als de kinderbeveiliging voor de zijruiten ach-
terin is ingeschakeld (Ypagina 78), is scha-
kelaar uuitgeschakeld. Het zonnescherm
kan alleen vanaf de bestuurdersstoel worden
uit- en opgerold.
Asbak
Asbak vóór
394 Nuttige informatie
Beladen en nuttige informatie
XOpenen: Markering ?aantippen.
Opbergvak =gaat open.
XBinnenbakje verwijderen: Binnen-
bakje :aan de zijkant vastpakken, naar
voren schuiven en naar boven toe ;uit-
nemen.
XBinnenbakje aanbrengen: Binnen-
bakje :in de schuiflade drukken, tot het
vergrendelt.
XSluiten: Opbergvak =dichtdrukken, tot
dit vergrendelt.
Asbak achterin
De asbak bevindt zich in het opbergvak in het
achterportier. Om te gebruiken kan hij in een
bekerhouder worden geplaatst of in de hand
worden gehouden.
XDe asbak uit houder :in het achterportier
verwijderen.
XOpenen: Deksel ;omhoogklappen.
XSluiten: Deksel ;omlaagdrukken.
Als de asbak niet wordt gebruikt, deze geslo-
ten in de houder in het achterportier plaatsen.
Sigarettenaansteker
Belangrijke veiligheidsvoorschriften
GWAARSCHUWING
Als het hete verwarmingselement van de siga-
rettenaansteker of de hete houder wordt aan-
geraakt, kunt u zich hieraan branden.
Bovendien kunnen ontvlambare materialen
ontsteken als
Rde hete sigarettenaansteker valt
Rbijvoorbeeld kinderen de hete sigaretten-
aansteker tegen voorwerpen houden.
Er bestaat gevaar voor brand en letsel!
De sigarettenaansteker alleen aan de hand-
greep vasthouden. Altijd erop letten dat kin-
deren niet bij de sigarettenaansteker kunnen.
Kinderen nooit zonder toezicht in de auto ach-
terlaten.
Alle aandacht aan het verkeer besteden. De
sigarettenaansteker alleen gebruiken als de
verkeerssituatie dit toelaat.
Sigarettenaansteker vóór
XDe sleutel in het contactslot in stand 2
draaien (Ypagina 195).
XOpenen: Markering =aantippen.
Opbergvak ;gaat open.
XSigarettenaansteker :indrukken.
Als de spiraal gloeit, springt sigarettenaan-
steker :automatisch terug.
XSluiten: Opbergvak ;dichtdrukken, tot
dit vergrendelt.
Nuttige informatie 395
Beladen en nuttige informatie
Z
Sigarettenaansteker achterin
Auto's met achterbank of elektrisch
instelbare achterstoelen
Auto's zonder entertainmentsysteem ach-
terin:
XDe sleutel in het contactslot in stand 2
draaien (Ypagina 195).
XOpenen: Afdekking ;kort aan de boven-
zijde aantippen.
Het vak gaat open.
XSigarettenaansteker :indrukken.
Als de spiraal gloeit, springt sigarettenaan-
steker :automatisch terug.
XSluiten: Afdekking ;dichtdrukken tot
deze vergrendelt.
Auto's met entertainmentsysteem achterin:
XDe sleutel in het contactslot in stand 2
draaien (Ypagina 195).
XOpenen: Afdekking ;kort aan de boven-
zijde aantippen.
Het vak gaat open.
XSigarettenaansteker :indrukken.
Als de spiraal gloeit, springt sigarettenaan-
steker :automatisch terug.
XSluiten: Afdekking ;dichtdrukken tot
deze vergrendelt.
Auto's met afzonderlijke stoelen achterin
XDeksel :van het contactdoosvak aantip-
pen.
Het contactdoosvak gaat open.
XSigarettenaansteker ;indrukken.
Als de spiraal gloeit, springt sigarettenaan-
steker ;automatisch terug.
12V-contactdozen
Algemene aanwijzingen
XDe sleutel in het contactslot in stand 1
draaien (Ypagina 195).
De contactdozen kunnen als stopcontact
voor accessoires met een vermogensafname
tot telkens maximaal 180 W (15 A) worden
gebruikt. Accessoires zijn bijvoorbeeld lam-
pen of acculaders voor mobiele telefoons.
Wanneer de motor afgezet is en de contact-
dozen zeer lang worden gebruikt, kan de accu
worden ontladen.
iEen nooduitschakeling zorgt ervoor dat
de boordnetspanning niet te ver daalt. Bij
een te lage boordnetspanning worden de
contactdozen automatisch uitgeschakeld.
Daardoor blijft er genoeg stroom over om
de motor te kunnen starten.
396 Nuttige informatie
Beladen en nuttige informatie
Contactdoos in de middenconsole
voorin
XOpenen: Markering =aantippen.
Opbergvak :gaat open.
XDe klep van contactdoos ;openklappen.
XSluiten: Opbergvak :dichtdrukken, tot
dit vergrendelt.
Contactdoos in achtercompartiment
Auto's met achterbank of elektrisch
instelbare achterstoelen
Auto's zonder entertainmentsysteem ach-
terin:
XOpenen: Afdekking ;kort aan de boven-
zijde aantippen.
Het vak gaat open.
XDe klep van contactdoos :openklappen.
XSluiten: Afdekking ;dichtdrukken tot
deze vergrendelt.
Auto's met entertainmentsysteem achterin:
XOpenen: Afdekking ;kort aan de boven-
zijde aantippen.
Het vak gaat open.
XDe klep van contactdoos :openklappen.
XSluiten: Afdekking ;dichtdrukken tot
deze vergrendelt.
Auto's met 230V-contactdoos hebben geen
12V-contactdoos in de middenconsole ach-
terin.
Auto's met afzonderlijke stoelen achterin
XDeksel :van het contactdoosvak aantip-
pen.
Het contactdoosvak gaat open.
XDe klep van contactdoos ;openklappen.
Nuttige informatie 397
Beladen en nuttige informatie
Z
Contactdoos in bagageruimte
XDe klep van contactdoos :openklappen.
230V-contactdoos
Belangrijke veiligheidsvoorschriften
GGEVAAR
Als een geschikt apparaat aangesloten is, is
er een hoge spanning aanwezig op de 230V-
contactdoos. Als de aansluitkabel of de 230V-
contactdoos uit de behuizing is getrokken,
beschadigd of nat is, kunt u een stroomstoot
krijgen. Er dreigt levensgevaar!
RAlleen een droge en onbeschadigde aan-
sluitkabel gebruiken.
RBij uitgeschakeld contact controleren dat
de 230V-contactdoos droog is.
REen uit de behuizing getrokken of bescha-
digde 230V-contactdoos direct laten con-
troleren of vervangen bij een gekwalifi-
ceerde werkplaats.
RSteek nooit de aansluitkabel nooit in een uit
de behuizing getrokken of beschadigde
230V-contactdoos.
GGEVAAR
Als u in de contactdoos grijpt, of ongeschikte
voorwerpen in de contactdoos steekt, kunt u
een stroomstoot krijgen. Er dreigt levensge-
vaar!
Alleen geschikte voorwerpen op de contact-
doos aansluiten.
!In acht nemen dat werkzaamheden aan
en reparaties van de 230V-contactdoos
alleen door gekwalificeerd personeel
mogen worden uitgevoerd.
Algemene aanwijzingen
De 230V-contactdoos levert een wisselspan-
ning van 230V voor het aansluiten van kleine
elektronische apparaten. Deze apparaten,
bijvoorbeeld spelconsoles, acculaders of
notebooks, mogen samen niet meer dan
maximaal 150W verbruiken.
Voorwaarden voor de werking van deze appa-
raten zijn:
RHet elektronische apparaat, dat wordt aan-
gesloten, heeft een passende stekker en
voldoet aan de landspecifieke normen.
RDe stekker van het elektronische apparaat
is volledig in de 230V-contactdoos gesto-
ken.
RHet maximale opgenomen vermogen van
het aan te sluiten apparaat bedraagt niet
meer dan 150W.
RDe boordspanning bevindt zich in het toe-
gestane spanningsbereik.
RDe 12V-contactdozen in de middenconsole
vóór (Ypagina 397) en in de bagageruimte
werken (Ypagina 398).
230V-contactdoos gebruiken
Bij auto's met achterbank of elektrisch instel-
bare achterstoelen bevindt de 230V-contact-
doos zich in de middenconsole achterin.
398 Nuttige informatie
Beladen en nuttige informatie
XInschakelen: Het contact inschakelen.
XKlep =openen.
XDe stekker van het elektronische apparaat
in de 230V-contactdoos :steken.
Controlelampje ;gaat branden.
XUitschakelen: De stekker uit de 230V-
contactdoos :trekken.
De stekker niet aan de kabel uit de con-
tactdoos trekken.
Bij auto's met afzonderlijke stoelen achterin
bevindt de 230V-contactdoos zich in de arm-
steun.
XDe armsteun openen (Ypagina 385).
XHet deksel van het contactdoosvak aantip-
pen.
Het contactdoosvak gaat open.
XInschakelen: Het contact inschakelen.
XKlep =openen.
XDe stekker van het elektronische apparaat
in de 230V-contactdoos :steken.
Controlelampje ;gaat branden.
XUitschakelen: De stekker uit de 230V-
contactdoos :trekken.
De stekker niet aan de kabel uit de con-
tactdoos trekken.
Nuttige informatie 399
Beladen en nuttige informatie
Z
Problemen met de 230V-contactdoos
Probleem Mogelijke oorzaak en/of gevolg en MMoplossingen
Het controlelampje in
de 230V-contactdoos
brandt niet.
De boordnetspanning is te laag, omdat de accu te zwak is.
XDe motor starten.
of
XDe accu opladen (Ypagina 442).
Wanneer het controlelampje vervolgens nog steeds niet brandt:
XNaar een gekwalificeerde werkplaats gaan.
De temperatuur van de DC/AC-omvormer is tijdelijk te hoog.
XDe stekker van het elektronische apparaat uit de 230V-con-
tactdoos trekken.
XDe DC/AC-omvormer af laten koelen.
Wanneer het controlelampje na het afkoelen vervolgens nog
steeds niet brandt:
XNaar een gekwalificeerde werkplaats gaan.
U heeft een elektronisch apparaat aangesloten, dat een constant
nominaal vermogen van minder dan 150W heeft, maar een zeer
hoge inschakelstroom heeft. Dit apparaat zal niet functioneren.
Als u een dergelijk apparaat aansluit, zal de 230V-contactdoos
geen stroom leveren.
XEen geschikt elektronisch apparaat aansluiten.
Koelbox achterin
Belangrijke veiligheidsvoorschriften
GWAARSCHUWING
Als het luchtrooster van de koelbox wordt
afgedekt, kan deze oververhit raken. Er
bestaat brandgevaar!
Altijd ervoor zorgen dat het luchtrooster vrij
is.
Het luchtrooster van de koelbox bevindt zich
in de bagageruimte.
De koelbox laden tot maximaal 3,5 kg.
Als u in het bovenste vak van de koelbox een
fles wilt opbergen, mag deze een inhoud van
maximaal 0,5 l hebben.
Alleen kunststof flessen in het bovenste vak
van de koelbox opbergen.
Koelbox gebruiken
400 Nuttige informatie
Beladen en nuttige informatie
XAuto's met armsteun achterin: De arm-
steun achterin omlaagklappen.
XAan handgreep :trekken en afdek-
king ;omlaagklappen.
XOpenen: Aan handgreep :van de afdek-
king trekken.
XDe afdekking naar voren klappen.
XGeringe koeling inschakelen: Toets ;
eenmaal indrukken.
Een controlelampje in de toets brandt.
XSterke koeling inschakelen: Toets ;
tweemaal indrukken.
Beide controlelampjes in de toets branden.
XKoeling uitschakelen: Toets ;zo vaak
indrukken, tot alle controlelampjes
gedoofd zijn.
De koelcapaciteit van de koelbox is afhanke-
lijk van de buitentemperatuur en van de geko-
zen koelstand.
De koelbox reduceert zijn koelcapaciteit of
schakelt uit, als:
Rveel stroomverbruikers ingeschakeld zijn
Rde startaccu niet voldoende is opgeladen.
Dit is te zien aan de in de toets knipperende
controlelampjes. Als er weer voldoende span-
ning is, wordt de koelbox weer ingeschakeld.
Koelbox buiten werking stellen
Als de koelbox gedurende langere tijd niet
wordt gebruikt, moet deze worden uitgescha-
keld, ontdooid en gereinigd. Hierna het dek-
sel enige tijd open laten staan.
Koelbox verwijderen en aanbrengen
De koelbox kan in verband met onderhoud of
voor het inbouwen van het skifoedraal
(Ypagina 386) worden uitgebouwd.
XUitbouwen: De koelbox uitschakelen.
XVoedingsstekker ;naar beneden toe los-
trekken.
XDe beide schroeven =verwijderen.
XDe koelbox eruit trekken.
XKlep :sluiten.
XInbouwen: Klep :opzijklappen, tot deze
door de magneten op zijn plaats wordt
gehouden.
XDe koelbox erin schuiven.
XDe beide schroeven =vastdraaien.
XVoedingsstekker ;erin steken.
Mercedes-Benz noodoproepsysteem
Aanwijzingen m.b.t. de voorwaarden vindt u
in de afzonderlijke COMAND Online handlei-
ding.
Nuttige informatie 401
Beladen en nuttige informatie
Z
XOpenen: Kort op afdekking :drukken.
XNoodoproep activeren: Kort op SOS-
toets ;drukken.
Het controlelampje in SOS-toets ;knip-
pert tot de noodoproep afgesloten is.
XOp de spraakverbinding met de Mercedes-
Benz alarmcentrale wachten.
XNa beëindiging van de noodoproep afdek-
king :sluiten.
Er verschijnt een melding, als:
Rde verbinding met de Mercedes-Benz
alarmcentrale niet tot stand kan worden
gebracht
Rer geen automatische doorschakeling
naar de algemene alarmcentrale plaats-
vindt.
In dit geval het alarmnummer 112 op uw
mobiele telefoon invoeren.
Meer informatie over het Mercedes-Benz
noodoproepsysteem vindt u in de afzonder-
lijke COMAND Online handleiding.
Mercedes-Benz Contact
Algemene aanwijzingen
Via Mercedes-Benz Contact ontvangt u snel
hulp met een druk op de knop 24 uur per
dag. Voor alle vragen rondom de auto biedt
Mercedes-Benz Contact de mogelijkheid snel
en comfortabel contact op te nemen met de
Mercedes-Benz klantenservice. Zo kunt u bij-
voorbeeld hulp bij pech aanvragen of onder-
houdsbeurten plannen.
Het COMAND-display geeft aan dat een
oproep actief is. Tijdens het gesprek kunt u
bijvoorbeeld naar het navigatiemenu wisse-
len door de NAVI-toets op het COMAND
Online in te drukken. De gesproken aanwij-
zingen zijn in dit geval niet beschikbaar.
Meer informatie over Mercedes-Benz Contact
vindt u in de afzonderlijke COMAND Online
handleiding.
Toets voor de pechhulp
XBellen: De toets voor de pechhulp :
indrukken.
Er wordt een gesprek met Mercedes-Benz
Service24h opgebouwd.
De melding Verbind. w. opgebouwdVerbind. w. opgebouwd ver-
schijnt op het multifunctioneel display. De
audioweergave wordt stomgeschakeld.
U wordt door een gesproken boodschap
gevraagd de gegevensoverdracht te beves-
tigen. Na uw toestemming worden de beno-
digde autogegevens verzonden.
Zolang de gegevens worden overgedragen,
ziet u een overeenkomstige weergave op
het display. Dit kan enkele seconden
duren. Vervolgens wordt u verbonden met
een medewerker.
XGesprek beëindigen: De toets ~in het
multifunctioneel stuurwiel indrukken.
of
XDe betreffende toets voor het beëindigen
van een telefoongesprek op het COMAND
Online indrukken.
Toets voor de Info-oproep
Deze functie is niet in alle landen verkrijgbaar.
402 Nuttige informatie
Beladen en nuttige informatie
XBellen: De toets voor de Info-oproep :
indrukken.
Er wordt een gesprek met de Mercedes-
Benz klantenservice opgebouwd.
De melding Verbind. w. opgebouwdVerbind. w. opgebouwd ver-
schijnt op het multifunctioneel display. De
audioweergave wordt stomgeschakeld.
U wordt door een gesproken boodschap
gevraagd de gegevensoverdracht te beves-
tigen. Na uw toestemming worden de beno-
digde autogegevens verzonden.
Zolang de gegevens worden overgedragen,
ziet u een overeenkomstige weergave op
het display. Dit kan enkele seconden
duren. Vervolgens wordt u verbonden met
een medewerker.
XGesprek beëindigen: De toets ~in het
multifunctioneel stuurwiel indrukken.
of
XDe betreffende toets voor het beëindigen
van een telefoongesprek op het COMAND
Online indrukken.
Mobiele telefoon
Belangrijke veiligheidsvoorschriften
GWAARSCHUWING
Als mobiele communicatieapparatuur tijdens
het rijden wordt bediend, wordt u van de ver-
keerssituatie afgeleid. Bovendien kunt u de
controle over de auto verliezen. Er bestaat
gevaar voor ongevallen!
Deze apparaten alleen bedienen als de auto
stilstaat.
iBij het functie van mobiele communica-
tieapparatuur in de auto de wettelijke voor-
schriften in acht nemen van het land waarin
u zich bevindt.
Als de bediening van communicatieappa-
ratuur tijdens het rijden wettelijk is toege-
staan, deze alleen bedienen als de ver-
keerssituatie dit toelaat. U kunt anders van
het verkeer worden afgeleid, een ongeval
veroorzaken en uzelf en anderen verwon-
den.
De verhoogde elektromagnetische straling
kan gevaarlijk zijn voor uw gezondheid en die
van anderen. Door het gebruik van een bui-
tenantenne wordt rekening gehouden met de
in de wetenschap bediscussieerde mogelijke
gezondheidsrisico's door elektromagneti-
sche velden.
Mercedes-Benz adviseert het gebruik van een
goedgekeurde buitenantenne. Daardoor
wordt:
Reen optimale ontvangstkwaliteit van
mobiele telefoons in de auto gewaarborgd
Rhet wederzijds beïnvloeden van de elektro-
nische installatie van de auto en de mobiele
telefoon geminimaliseerd.
Een aangekoppelde antenne heeft de vol-
gende voordelen:
RHet leidt door het mobiele apparaat uitge-
zonden elektromagnetisch veld naar buiten
af.
RDe veldsterkte in het interieur daalt in ver-
gelijking met het gebruik zonder buitenan-
tenne.
Informatie over het inbouwen van mobilo-
foons en mobiele telefoons (RF-zenders)
(Ypagina 490).
Algemene aanwijzingen
Afhankelijk van de uitrusting van de auto zijn
er verschillende en zo nodig landspecifieke
Nuttige informatie 403
Beladen en nuttige informatie
Z
mobiele-telefoonhouders die in de auto kun-
nen worden ingebouwd.
Meer informatie over passende mobiele tele-
foons, telefoonhouders en het verbinden van
voor Bluetooth®geschikte mobiele telefoons
met de COMAND Online is verkrijgbaar:
Rbij een Mercedes-Benz-servicewerkplaats
Rvia internet onder http://www.mercedes-
benz.com/connect.
iWelke functies en diensten er voor het
telefoneren beschikbaar zijn, is afhankelijk
van het type mobiele telefoon en de provi-
der.
Mobiele telefoon aanbrengen
Om de mobiele telefoon aan de buitenan-
tenne te koppelen en op te laden, deze in de
mobiele-telefoonhouder plaatsen.
XHet telefoonvak openen (Ypagina 384).
XDe mobiele-telefoonhouder op de voorge-
ïnstalleerde houder aanbrengen (zie de
afzonderlijke montagehandleiding voor
mobiele-telefoonhouders).
XDe telefoon in de mobiele-telefoonhouder
aanbrengen (zie de afzonderlijke montage-
handleiding voor mobiele-telefoonhou-
ders).
iDe mobiele telefoon kan ook buiten de
mobiele-telefoonhouder worden gebruikt.
In dit geval zijn de laad- en antennefuncties
echter niet beschikbaar.
Als de telefoonmodule met Bluetooth®(SAP-
profiel) wordt gebruikt, is deze aan de buiten-
antenne gekoppeld. Als de mobiele telefoon
moet worden opgeladen, moet deze op een
usb-aansluiting worden aangesloten.
Meer informatie over de telefoonmodule met
Bluetooth®(SAP-profiel) vindt u in de afzon-
derlijke handleiding.
Mobiele telefoon bedienen
U kunt met de toetsen 6en ~in het
multifunctioneel stuurwiel de telefoon bedie-
nen. De overige functies van de mobiele tele-
foon kunnen via de boordcomputer worden
bediend (Ypagina 320).
Als geen gesprek actief is en de sleutel uit het
contactslot wordt verwijderd, wordt de
mobiele telefoon van de auto losgekoppeld.
Er kan dan niet meer via de handsfree-instal-
latie worden getelefoneerd.
Als een gesprek actief is en de sleutel uit het
contactslot wordt verwijderd, blijft de
mobiele telefoon met de auto verbonden. U
kunt dan nog gedurende maximaal
30 minuten via de handsfree-installatie tele-
foneren, zonder dat het contact opnieuw
moet worden ingeschakeld.
Als een actief gesprek na het verwijderen van
de sleutel moet worden voortgezet, moet het
gesprek in de "Private mode" worden overge-
nomen. Het actieve gesprek wordt dan op de
mobiele telefoon gezet. De verbinding van de
mobiele telefoon met handsfree-installatie
wordt verbroken.
iAanwijzingen over de benodigde bedie-
ningsstappen voor het instellen van de "pri-
vate mode" vindt u in de afzonderlijke hand-
leiding van de mobiele telefoon.
iNiet alle mobiele telefoons ondersteunen
de "private mode".
Business-telefonie achterin
Informatie over de bediening van de business-
telefonie achterin vindt u in de afzonderlijke
COMAND Online handleiding.
Garagedeurbedieningssysteem
Algemene aanwijzingen
Met het geïntegreerd garagedeurbedienings-
systeem HomeLink®in de binnenspiegel kun-
nen tot drie verschillende garagedeurbedie-
ningssystemen worden bediend.
Het geïntegreerde garagedeurbedieningssys-
teem in de binnenspiegel neemt na de pro-
grammering de eigenschappen van de
404 Nuttige informatie
Beladen en nuttige informatie
afstandsbediening van het garagedeurbedie-
ningssysteem over. Hiervoor de handleiding
van het garagedeurbedieningssysteem lezen.
Bij het programmeren van een garagedeur-
bedieningssysteem de auto buiten de garage
parkeren. Tijdens de programmering de
motor niet laten draaien.
Het garagedeurbedieningssysteem is alleen
in bepaalde landen verkrijgbaar. De wette-
lijke bepalingen in de betreffende landen in
acht nemen.
Het garagedeurbedieningssysteem Home-
Link®is compatibel met de meeste garage-
en garagedeurbedieningssystemen in
Europa. Meer informatie over HomeLink®
en/of over compatibele producten is verkrijg-
baar:
Rbij een gekwalificeerde werkplaats
Rvia de HomeLink®Hotline
(0) 08000 466 354 65 of alternatief
+49 (0) 6838 907-277
Rop internet:
http://www.homelink.com
Belangrijke veiligheidsvoorschriften
GWAARSCHUWING
Als met het geïntegreerde garagedeurbedie-
ningssysteem de garagedeur wordt bediend
of geprogrammeerd, kunnen personen in het
bewegingsgebied van de garagedeur inge-
klemd raken of door de garagedeur worden
geraakt. Er bestaat gevaar voor letsel!
Bij het gebruiken van het geïntegreerde gara-
gedeurbedieningssysteem altijd controleren
of zich niemand in het bewegingsgebied van
de garagedeur bevindt.
GWAARSCHUWING
Verbrandingsmotoren stoten giftige uitlaat-
gassen uit, zoals koolmonoxide. Het inade-
men van deze uitlaatgassen leidt tot vergifti-
ging. Er dreigt levensgevaar! Daarom de
motor nooit laten draaien in gesloten ruimtes
zonder voldoende ventilatie.
Programmeren
Toetsen programmeren
De "Belangrijke veiligheidsvoorschriften"
(Ypagina 405) in acht nemen.
Geïntegreerd garagedeurbedieningssysteem in de
binnenspiegel
Afstandsbediening Avan het garagedeurbe-
dieningssysteem behoort niet tot de leve-
ringsomvang van het geïntegreerd garage-
deurbedieningssysteem.
XDe sleutel in het contactslot in stand 2
draaien (Ypagina 195).
XEen toets ;tot ?selecteren, waarmee
de aansturing van het garagedeurbedie-
ningssysteem moet worden bezet.
XProgrammeermodus starten: Een van de
toetsen ;tot ?van het geïntegreerde
garagedeurbedieningssysteem indrukken
en ingedrukt houden.
Het garagedeurbedieningssysteem is in de
programmeermodus. Controlelampje :
begint na korte tijd geel te branden.
Controlelampje :brandt direct geel als
toets ;,=of ?voor de eerste keer
wordt geprogrammeerd. Als de geselec-
teerde toets al is geprogrammeerd, brandt
controlelampje :pas na 10 seconden
geel.
XToets ;,=of ?loslaten. Controle-
lampje :knippert geel.
XAfstandsbediening inleren: Afstandsbe-
diening Aop een afstand van 5 tot
Nuttige informatie 405
Beladen en nuttige informatie
Z
20 cm op de toetsen ;tot ?in de bin-
nenspiegel richten.
XToets Bvan afstandsbediening Azo lang
indrukken, tot controlelampje :groen
gaat branden.
Als het controlelampje :groen brandt: De
programmering is afgesloten.
Als het controlelampje :groen knippert:
De programmering was succesvol. In de
volgende stap moet een wisselcodesyn-
chronisatie worden uitgevoerd.
XToets Bvan afstandsbediening Avan het
garagedeurbedieningssysteem loslaten.
Als controlelampje :rood brandt: de pro-
grammeerprocedure voor de betreffende
toets van de binnenspiegel herhalen. Daar-
bij de afstand tussen afstandsbediening
Aen de binnenspiegel veranderen.
De benodigde afstand tussen afstandsbe-
diening Aen het geïntegreerde garage-
deurbedieningssysteem is afhankelijk van
het garagedeurbedieningssysteem. Moge-
lijkerwijs zijn er meerdere pogingen nodig.
Daarbij moet u elke geprobeerde instel-
stand gedurende ten minste 25 seconden
aanhouden, voordat u een andere instel-
stand gaat proberen.
Wisselcode-synchronisatie
De "Belangrijke veiligheidsvoorschriften" in
acht nemen (Ypagina 405).
Als het garagedeurbedieningssysteem met
een wisselcode werkt, moet bovendien het
garagedeurbedieningssysteem worden
gesynchroniseerd met het in de binnenspie-
gel geïntegreerde garagedeurbedieningssys-
teem. Daartoe heeft u de programmeertoets
in de bedieningseenheid van de deuraandrij-
ving nodig. Afhankelijk van de fabrikant kan
deze toets zich op verschillende plaatsen
bevinden. Normaliter is dit bij het plafond van
de garage, op de aandrijvingseenheid.
Raadpleeg de handleiding van het garage-
deurbedieningssysteem, bijvoorbeeld onder
"Inleren van extra afstandsbedieningen",
voordat u de volgende stap uitvoert.
Uw auto moet zich binnen het bereik van het
garage- of het buitendeurbedieningssysteem
bevinden. Hierbij erop letten dat uw auto
evenals personen en voorwerpen zich niet in
het bewegingsgebied van de garagedeur
bevinden.
XDe sleutel in het contactslot in stand 2
draaien (Ypagina 195).
XDe auto verlaten.
XDe programmeertoets van de deuraandrij-
vingseenheid indrukken.
Nu hebt u in principe 30 seconden de tijd
voor de volgende stap.
XIn de auto instappen.
XMeerdere keren na elkaar op de eerder
geprogrammeerde toets ;,=of ?van
het geïntegreerde garagedeurbedienings-
systeem drukken, tot de garagedeur sluit.
De synchronisatie van de wisselcode is
afgesloten.
Problemen bij het programmeren
Als zich bij het programmeren van het geïn-
tegreerd garagedeurbedieningssysteem pro-
blemen voordoen, de volgende aanwijzingen
in acht nemen:
RControleer met welke zendfrequentie de
afstandsbediening Avan het garagedeur-
bedieningssysteem werkt en of deze wordt
ondersteund. De zendfrequentie is vaak te
vinden op de achterzijde van de afstands-
bediening van het garagedeurbedienings-
systeem.
RDe batterijen van de afstandsbediening
Avan het garagedeurbedieningssysteem
vervangen. Hierdoor is de kans groter dat
de afstandsbediening Aeen sterker en
nauwkeuriger signaal naar het geïnte-
greerde garagedeurbedieningssysteem
stuurt.
RBij het programmeren afstandsbediening
Aop verschillende afstanden en hoeken
houden van de toets die wordt geprogram-
meerd. Verschillende hoeken op een
406 Nuttige informatie
Beladen en nuttige informatie
afstand van 5 tot 30 cm of dezelfde hoek
op verschillende afstanden uitproberen.
RAls u nog een draagbare afstandsbediening
voor hetzelfde garagedeurbedieningssys-
teem heeft, voert u de programmeerstap-
pen met deze afstandsbediening nogmaals
uit. Vóór de programmering controleren of
er nieuwe batterijen in afstandsbediening
Avan het garagedeurbedieningssysteem
zijn geplaatst.
RIn acht nemen dat sommige afstandsbe-
dieningen slechts gedurende een beperkte
tijd zenden (het controlelampje van de
afstandsbediening dooft). Vóór het verstrij-
ken van de zendtijd opnieuw toets Bvan
afstandsbediening Aindrukken.
RDe antennekabel van de eenheid van het
garagedeurbedieningssysteem uitrichten.
Dit kan bijdragen aan een betere signaal-
overdracht voor het zenden en/of ontvan-
gen.
Garagedeur openen of sluiten
Het geïntegreerde garagedeurbedieningssys-
teem neemt na de programmering de eigen-
schappen van de afstandsbediening van het
garagedeurbedieningssysteem over. Hier-
voor de handleiding van het garagedeurbe-
dieningssysteem lezen.
XDe sleutel in het contactslot in stand 2
draaien (Ypagina 195).
XEen van de toetsen ;,=of ?, die voor
het bedienen van de betreffende garage-
deur geprogrammeerd is, indrukken.
Garagedeurbedieningssysteem met een
vaste code: Controlelampje :brandt
groen.
Garagedeurbedieningssysteem met een
wisselcode: Controlelampje :knippert
groen.
De zender verstuurt een signaal, zolang een
van de toetsen wordt ingedrukt. Na maximaal
tien seconden wordt de zendprocedure
beëindigd en gaat controlelampje :geel
branden. Eventueel opnieuw toets ;,=
of ?indrukken.
Geheugen wissen
Als u de auto verkoopt, vooraf het geheugen
van het geïntegreerd garagedeurbedienings-
systeem wissen.
XDe sleutel in het contactslot in stand 2
draaien (Ypagina 195).
XDe toetsen ;en ?indrukken en inge-
drukt houden.
Het controlelampje brandt eerst geel en
wisselt dan naar groen.
XDe toetsen ;en ?loslaten.
Het geheugen van het in de binnenspiegel
geïntegreerde garagedeurbedieningssys-
teem is gewist.
Frequenties
Europa
Land Zendvergunning
Frequentieband (MHz)
AD (Andorra) 20 juli 2005
MHz: 27, 30, 40, 433, 868
AT (Oosten-
rijk)
Article 6 of Directive
1999/5/EC R&TTE 18. Mai
05
MHz: 27, 40, 433, 868
BE (België) Article 6 of Directive
1999/5/EC R&TTE 18. Mai
05
MHz: 27, 40, 433, 868
BG (Bulga-
rije)
Artikel 6 van richtlijn
1999/5/EC R&TTE 12 april
07
MHz: 27, 40, 433, 868
CH (Zwitser-
land)
Artikel 6 van richtlijn
1999/5/EC R&TTE14357
27 mei 05
MHz: 27, 40, 433, 868
Nuttige informatie 407
Beladen en nuttige informatie
Z
Land Zendvergunning
Frequentieband (MHz)
CY (Cyprus) Article 6 of Directive
1999/5/EC R&TTE 5. Mai
05
MHz: 27, 40, 433, 868
CZ (Tsjechië) General Licence GL-30/R/
2000 Reg No. 844 13 mei
05
MHz: 27, 40, 433
DK (Dene-
marken)
Artikel 6 van richtlijn
1999/5/EC R&TTE 20 april
05
MHz: 27, 40, 433, 868
DE (Duits-
land)
Artikel 6 van richtlijn
1999/5/EC
R&TTE7519301 29 april 05
MHz: 27, 40, 433, 868
EE (Estland) Artikel 6 van richtlijn
1999/5/EC R&TTE 11 mei
05
MHz: 27, 40, 433, 868
ES (Spanje) 000438/2005,
000439/2005,
000440/2005
000441/2005,
000445/2005,
000446/2005
000447/2005
MHz: 27, 40, 433, 868
FI (Finland) Artikel 6 van richtlijn
1999/5/EC R&TTE10668
13 mei 05
MHz: 27, 40, 433, 868
FR (Frank-
rijk)
Artikel 6 van richtlijn
1999/5/EC R&TTE10668
13 mei 05
27, 30, 40, 433, 868
Land Zendvergunning
Frequentieband (MHz)
GI (Gibraltar) Artikel 6 van richtlijn
1999/5/EC R&TTE 13 mei
05 (UK)
MHz: 27, 40, 418, 433, 868
GR (Grieken-
land)
Artikel 6 van richtlijn
1999/5/EC
R&TTE11409/18/4/2005
18 mei 05
MHz: 27, 40, 433, 868
HR (Kroatië) SDR 224/06
MHz: 27, 40, 433, 868
HU (Honga-
rije)
Article 6 of Directive
1999/5/EC R&TTE 18. Mai
05
MHz: 27, 40, 433, 868
IC (Canari-
sche Eilan-
den)
000438/2005,
000439/2005
000440/2005,
000441/2005
000445/2005,
000446/2005
000447/2005, 3 juni 2005
MHz: 27, 40, 433, 868
IE (Ierland) Article 6 of Directive
1999/5/EC R&TTE 18. Mai
05
MHz: 27, 40, 433, 868
IS (IJsland) Article 6 of Directive
1999/5/EC R&TTE 18. Mai
05
MHz: 27, 40, 433, 868
408 Nuttige informatie
Beladen en nuttige informatie
Land Zendvergunning
Frequentieband (MHz)
IT (Italië) DGPGSR/II/347487/
FOR/15347
DGPGSR/II/347487/
FOR/15348
DGPGSR/II/347487/
FOR/15350
DGPGSR/II/347487/
FOR/15357
DGPGSR/II/347487/
FOR/15358
DGPGSR/II/347487/
FOR/15359
MHz: 27, 40, 433, 868
LI (Liechten-
stein)
Artikel 6 van richtlijn
1999/5/EC R&TTE 14357
27 mei 05
MHz: 27, 40, 433, 868
LT (Litou-
wen)
Artikel 6 van richtlijn
1999/5/EC
R&TTE27.4-1B-1609 6 mei
05
MHz: 27, 40, 433, 868
LU (Luxem-
burg)
Artikel 6 van richtlijn
1999/5/EC
R&TTE150405/9538 24
mei 05
MHz: 27, 40, 433, 868
LV (Letland) Artikel 6 van richtlijn
1999/5/EC R&TTE
27.4-1B-1609 26 april 06
MHz: 27, 40, 433, 868
MC
(Monaco)
Artikel 6 van richtlijn
1999/5/EC R&TTE10668
13 mei 05
MHz: 27, 40, 433, 868
MT (Malta) Article 6 of Directive
1999/5/EC R&TTE 18. Mai
05
MHz: 27, 40, 433, 868
Land Zendvergunning
Frequentieband (MHz)
NL (Neder-
land)
Article 6 of Directive
1999/5/EC R&TTE 18. Mai
05
MHz: 27, 40, 433, 868
NO (Noorwe-
gen)
Artikel 6 van richtlijn
1999/5/EC
R&TTE05/02424-SA644 18
mei 05
MHz: 27, 40, 433, 868
PL (Polen) Article 6 of Directive
1999/5/EC R&TTE 21.
April 05
MHz: 27, 40, 433, 868
PT (Portugal) ANCOM-S08399/05
27, 40, 433, 868
RO (Roeme-
nië)
Artikel 6.4 van richtlijn
1999/5/EC R&TTE
MHz: 27, 30, 40, 433, 868
RU (Russi-
sche Federa-
tie)
POCC DE.MJ05.H00015 13
mei 05
MHz: 433
SE (Zweden) Article 6 of Directive
1999/5/EC R&TTE 18. Mai
05
MHz: 27, 40, 433, 868
SI (Slovenië) Artikel 6 van richtlijn
1999/5/EC R&TTE
500-1/2005-437 9 mei 05
MHz: 27, 40, 433, 868
Nuttige informatie 409
Beladen en nuttige informatie
Z
Land Zendvergunning
Frequentieband (MHz)
SK (Slowa-
kije)
Artikel 6 van richtlijn
1999/5/EC R&TTE
Slowakije
206/11/2005 4 mei 05
MHz: 27, 40, 433, 868
UK (Groot-
Brittannië)
Article 6 of Directive
1999/5/EC R&TTE 18. Mai
05
MHz: 27, 40, 418, 433, 868
Afrika
Land Zendvergunning
Frequentieband (MHz)
EG (Egypte) W-KLE-17 / 08 maart. 06
MHz: 27, 30, 40, 418, 433,
868
RE (Réunion) Article 6 of Directive
1999/5/EC R&TTE 11. Juli
05
MHz: 27, 40, 433, 868
ZA (Zuid-
Afrika)
11 okt 2005
MHz: 27, 40, 433
Amerika
Land Zendvergunning
Frequentieband (MHz)
BB (Barba-
dos)
Geen vergunning noodzake-
lijk
MHz: 27, 40, 433, 868
CL (Chili) 38447/F-23 No.3.3634
MHz: 40, 433
3943/DFRS05165/F-50
MHz: 280 tot 433
GF (Fr.
Guyana)
Artikel 6 van richtlijn
1999/5/EC R&TTE10668
13 mei 05
MHz: 27, 30, 40, 433, 868
Land Zendvergunning
Frequentieband (MHz)
GP (Guade-
loupe)
Artikel 6 van richtlijn
1999/5/EC R&TTE10668
13 mei 05
MHz: 27, 30, 40, 433, 868
MQ (Martini-
que)
Article 6 of Directive
1999/5/EC R&TTE 11. Juli
05
MHz: 27, 30, 40, 433, 868
MX (Mexico) MHz: 280 tot 390
Azië
Land Zendvergunning
Frequentieband (MHz)
AE (Vere-
nigde Arabi-
sche Emira-
ten)
1623/5/10-2/26/76
MHz: 433
JO (Jordanië) TRC/LPD/2005/23
MHz: 27, 30, 40, 433, 868
KW (Koe-
weit)
5 oktober 2005
MHz: 27, 30, 40, 418, 433,
868
SA (Saudi-
Arabië)
11_02_05/5024-5-6
MHz: 418, 433
SY (Syrië) 279/4/14 / 05 maart 06
TR (Turkije) National Certification 23 juli
07
MHz: 433
Australië
Land Zendvergunning
Frequentieband (MHz)
AU (Austra-
lië)
28 juni 2005
MHz: 27, 30, 40, 433, 868
NZ (Nieuw-
Zeeland)
20 maart 06
MHz: 27, 30, 40, 433
410 Nuttige informatie
Beladen en nuttige informatie
Vloermatten
GWAARSCHUWING
Voorwerpen in de beenruimte van de bestuur-
der kunnen de slag van de pedalen beperken
of ingedrukte pedalen blokkeren. Daardoor
worden de bedrijfs- en verkeersveiligheid van
de auto in gevaar gebracht. Er bestaat gevaar
voor ongevallen!
Alle voorwerpen in de auto veilig opbergen,
zodat deze niet in de beenruimte van de
bestuurder kunnen belanden. Vloermatten
altijd stevig en volgens de handleiding mon-
teren om te allen tijde voldoende vrije ruimte
voor de pedalen te waarborgen. Geen losse
vloermatten gebruiken en niet meerdere
vloermatten op elkaar leggen.
XDe betreffende stoel naar achteren schui-
ven.
XInbouwen: De vloermat in de beenruimte
leggen.
XDrukknoppen :op nokken ;drukken.
XVerwijderen: De vloermat van nokken ;
lostrekken.
XDe vloermat verwijderen.
Infrarood-reflecterende voorruit
De infrarood-reflecterende voorruit voorkomt
dat het interieur te veel wordt verwarmd. De
reflecterende laag voorkomt tevens dat radi-
ogolven tot in het gigahertz-bereik door de
voorruit naar binnen dringen.
Voor het gebruik van radiografische syste-
men, bijvoorbeeld tolsystemen, zijn in de
voorruit geluidsgolvendoorlatende vlakken
aangebracht :. Op die plaats kunnen de sys-
temen worden gemonteerd.
Deze vlakken zijn goed te zien als de ruit van
buitenaf wordt onderzocht in het reflecte-
rende licht van een lichtbron.
Naderhand aangebrachte zonbe-
schermingsfolie
Naderhand aangebrachte zonbeschermings-
folie aan de binnenzijde van de ruiten kan de
ontvangst van de radio en de mobiele tele-
foon storen. Dit is met name het geval wan-
neer het een geleidende of met metaal
bedekte folie betreft. Informatie over zonbe-
schermingsfolie is verkrijgbaar bij een gekwa-
lificeerde werkplaats.
Nuttige informatie 411
Beladen en nuttige informatie
Z
412
Wetenswaardigheden ....................... 414
Motorruimte ...................................... 414
ASSYST PLUS .................................... 419
Verzorging ......................................... 420
413
Onderhoud en verzorging
Wetenswaardigheden
iDeze handleiding beschrijft alle modellen
en standaard- en speciale uitrustingen van
de auto die op het tijdstip van de redactie-
sluiting van deze handleiding verkrijgbaar
waren. Landspecifieke afwijkingen zijn ook
mogelijk. In acht nemen dat de auto niet
met alle beschreven functies kan zijn uit-
gerust. Dit betreft ook veiligheidsrelevante
systemen en functies.
iDe informatie over gekwalificeerde werk-
plaatsen lezen (Ypagina 29).
Motorruimte
Motorkap
Belangrijke veiligheidsvoorschriften
GWAARSCHUWING
Een ontgrendelde motorkap kan tijdens het
rijden opengaan en het zicht belemmeren. Er
bestaat gevaar voor ongevallen!
De motorkap nooit tijdens het rijden ontgren-
delen.
GWAARSCHUWING
De motorkap kan bij het openen en sluiten
plotseling in de eindstand vallen. Er bestaat
gevaar voor letsel voor personen in het zwenk-
bereik van de motorkap!
De motorkap alleen openen en sluiten als nie-
mand zich in het zwenkbereik bevindt.
GWAARSCHUWING
Als bij een oververhit geraakte motor of een
brand in de motorruimte de motorkap wordt
geopend, kunt u met hete gassen of andere
weglekkende bedrijfsstoffen in contact
komen. Gevaar voor letsel!
Voordat de motorkap wordt geopend, een
oververhitte motor laten afkoelen. Bij een
brand in de motorruimte de motorkap geslo-
ten laten en de hulp inroepen van de brand-
weer.
GWAARSCHUWING
In de motorruimte bevinden zich bewegende
onderdelen. Bepaalde onderdelen kunnen
ook verder draaien als het contact is afgezet
of zonder waarschuwing weer gaan draaien
de ventilateur van de radiateur. Er bestaat
gevaar voor letsel!
Als werkzaamheden in de motorruimte moe-
ten worden uitgevoerd:
Rhet contact uitschakelen
Rnooit in de gevarenzone van bewegende
onderdelen grijpen, bijvoorbeeld het draai-
bereik van de ventilateur
Rsieraden en horloges afdoen
Rbijvoorbeeld kledingstukken en haren weg-
houden van de bewegende onderdelen.
GWAARSCHUWING
Het ontstekingssysteem en het brandstofin-
spuitsysteem werken met hoge spanning. Als
u spanningvoerende onderdelen aanraakt,
kunt u een stroomstoot krijgen. Gevaar voor
letsel!
Nooit onderdelen van het ontstekingssys-
teem en het brandstofinspuitsysteem bij inge-
schakeld contact aanraken.
Actieve motorkap (voetgangersbe-
scherming)
Werkingsprincipe
!Een geactiveerde actieve motorkap moet
na het terugplaatsen bij een gekwalifi-
ceerde werkplaats worden gerepareerd.
Vervolgens is de functie van de actieve
motorkap weer beschikbaar. De extra voet-
gangersbescherming door de actieve
motorkap wordt weer geboden.
De actieve motorkap is alleen in bepaalde
landen verkrijgbaar.
De actieve motorkap kan in bepaalde onge-
valsituaties het gevaar voor letsel voor voet-
gangers reduceren. Het omhoogbrengen van
de actieve motorkap biedt meer afstand tot
harde onderdelen, zoals de motor.
414 Motorruimte
Onderhoud en verzorging
Als de actieve motorkap is geactiveerd, is de
achterzijde in de omgeving van de motorkap-
scharnieren circa 85 mm hoger gezet.
Voordat naar de servicewerkplaats wordt
gereden de geactiveerde actieve motorkap
zelf terugzetten. Bij geactiveerde actieve
motorkap kan de voetgangersbescherming
beperkt zijn.
Terugzetten
GWAARSCHUWING
Bepaalde onderdelen in de motorruimte kun-
nen zeer heet zijn, bijvoorbeeld de motor,
radiateur en onderdelen van het uitlaatsys-
teem. Bij werkzaamheden in de motorruimte
is het gevaar voor letsel aanwezig!
Indien mogelijk de motor laten afkoelen en
alleen de hierna beschreven onderdelen aan-
raken.
XDe motorkap openen (Ypagina 415).
XDe motorkap voorzichtig omhoogzwenken
(circa 45° stand), tot de scharnieren hoor-
baar vergrendelen.
XDe motorkap sluiten (Ypagina 416).
Motorkap openen
GWAARSCHUWING
Bepaalde onderdelen in de motorruimte kun-
nen zeer heet zijn, bijvoorbeeld de motor,
radiateur en onderdelen van het uitlaatsys-
teem. Bij werkzaamheden in de motorruimte
is het gevaar voor letsel aanwezig!
Indien mogelijk de motor laten afkoelen en
alleen de hierna beschreven onderdelen aan-
raken.
GWAARSCHUWING
Als de ruitenwissers zich in beweging zetten
als de motorkap geopend is, kunt u bekneld
raken in het mechanisme. Er bestaat gevaar
voor letsel!
Altijd de ruitenwissers en het contact uitscha-
kelen, voordat de motorkap wordt geopend.
!De ruitenwissers moeten niet omhoogge-
zet zijn. Anders kunnen de ruitenwissers of
de motorkap beschadigen.
XDe ruitenwissers moeten uitgeschakeld
zijn; dit controleren.
XAan ontgrendelingshendel :van de
motorkap trekken.
De motorkap is ontgrendeld.
XIn de spleet grijpen, handgreep ;van het
motorkapslot omhoogdrukken en de
motorkap optillen.
Motorruimte 415
Onderhoud en verzorging
Z
Als de motorkap circa 40 cm is omhoogge-
bracht, wordt de motorkap automatisch
door de gasdrukveren geopend en geopend
gehouden.
Motorkap sluiten
XDe motorkap omlaagbrengen en vanaf een
hoogte van circa 20 cm laten vallen.
XDe motorkap moet goed vergrendeld zijn;
dit controleren.
Als de motorkap iets kan worden opgetild,
is deze niet goed vergrendeld. De motorkap
opnieuw openen en met iets meer snelheid
laten vallen.
Radiateur
De radiateur niet afdekken. Ook geen warm-
tematten, insectenbeschermingen o.i.d.
gebruiken. Anders worden de waarden van
het On-Board-diagnosesysteem vervalst.
Enkele van deze waarden zijn wettelijk voor-
geschreven en moeten altijd correct zijn.
Motorolie
Algemene aanwijzingen
Afhankelijk van de rijstijl verbruikt de motor
maximaal 0,8 liter olie op 1.000 km. Het olie-
verbruik kan ook hoger zijn als de auto nieuw
is of als er vaker met hoog toerental wordt
gereden.
Afhankelijk van het motortype kan de olie-
peilstaaf op verschillende plaatsen gemon-
teerd zijn.
Bij het controleren van het oliepeil:
Rde auto horizontaal parkeren
Rbij een motor die op bedrijfstemperatuur is,
de auto circa 5 minuten met afgezette
motor laten stilstaan
Rals de motor niet op bedrijfstemperatuur is,
bijvoorbeeld als de motor slechts kort heeft
gedraaid, circa 30 minuten wachten alvo-
rens de meting uit te voeren.
Oliepeil met oliepeilstaaf controleren
GWAARSCHUWING
Bepaalde onderdelen in de motorruimte kun-
nen zeer heet zijn, bijvoorbeeld de motor,
radiateur en onderdelen van het uitlaatsys-
teem. Bij werkzaamheden in de motorruimte
is het gevaar voor letsel aanwezig!
Indien mogelijk de motor laten afkoelen en
alleen de hierna beschreven onderdelen aan-
raken.
Voorbeeld
XOliepeilstaaf :eruit trekken.
XOliepeilstaaf :afvegen.
XOliepeilstaaf :langzaam tot de aanslag in
de geleidepijp schuiven en opnieuw eruit
trekken.
Het oliepeil is correct als het zich tussen de
MIN-markering =en de MAX-marke-
ring ;bevindt.
XAls het oliepeil tot de MIN-markering =of
daaronder is gedaald, 1,0 liter motorolie
bijvullen.
Motorolie bijvullen
GWAARSCHUWING
Bepaalde onderdelen in de motorruimte kun-
nen zeer heet zijn, bijvoorbeeld de motor,
radiateur en onderdelen van het uitlaatsys-
teem. Bij werkzaamheden in de motorruimte
is het gevaar voor letsel aanwezig!
416 Motorruimte
Onderhoud en verzorging
Indien mogelijk de motor laten afkoelen en
alleen de hierna beschreven onderdelen aan-
raken.
GWAARSCHUWING
Als motorolie op hete onderdelen in de motor-
ruimte komt, kan deze ontbranden. Er bestaat
gevaar voor brand en letsel!
Erop letten dat geen motorolie naast de vul-
opening terechtkomt. De motor laten afkoe-
len en met motorolie vervuilde onderdelen
grondig reinigen voordat de motor wordt
gestart.
HMilieu-aanwijzing
Bij het bijvullen erop letten dat geen olie wordt
gemorst. Als olie in de grond of in het water
terechtkomt, beschadigt u het milieu.
!Daarom alleen motoroliën en oliefilters
gebruiken, die zijn goedgekeurd voor
auto's met onderhoudssysteem. Een lijst
met motorolie en oliefilters, die volgens de
Mercedes-Benz-bedrijfsstoffenvoorschrif-
ten getest en goedgekeurd zijn, is verkrijg-
baar bij elke Mercedes-Benz-servicewerk-
plaats.
Het volgende veroorzaakt motorschade of
schade aan het uitlaatsysteem:
RGebruik van motorolie en oliefilters, die
niet uitdrukkelijk voor het onderhouds-
systeem goedgekeurd zijn
RVerversen van motorolie en vervangen
van het oliefilter na overschrijden van het
door het onderhoudssysteem voorge-
schreven verversings- resp. vervangings-
interval
RGebruik van motorolie-additieven.
!Erop letten dat niet te veel motorolie
wordt bijgevuld. De motor of de katalysator
kan worden beschadigd als teveel motor-
olie wordt bijgevuld. Te veel bijgevulde
motorolie moet worden afgezogen.
Voorbeeld
XDop :linksom draaien en verwijderen.
XMotorolie bijvullen.
Bij een oliepeil op of onder de MIN-marke-
ring op de oliepeilstaaf, 1,0 liter motorolie
bijvullen.
XDop :op de vulopening aanbrengen en
rechtsom draaien.
Daarbij op de correcte vergrendeling van
de dop letten.
XHet oliepeil nog een keer met de oliepeil-
staaf controleren (Ypagina 416).
Meer informatie over motorolie
(Ypagina 497).
Verdere bedrijfsstoffen
Koelvloeistofpeil controleren
GWAARSCHUWING
Bepaalde onderdelen in de motorruimte kun-
nen zeer heet zijn, bijvoorbeeld de motor,
radiateur en onderdelen van het uitlaatsys-
teem. Bij werkzaamheden in de motorruimte
is het gevaar voor letsel aanwezig!
Indien mogelijk de motor laten afkoelen en
alleen de hierna beschreven onderdelen aan-
raken.
GWAARSCHUWING
Het motorkoelsysteem staat onder druk, in
het bijzonder bij warme motor. Als de dop
wordt geopend, kunt u zich verbranden aan
Motorruimte 417
Onderhoud en verzorging
Z
eruit spuitende hete koelvloeistof. Gevaar
voor letsel!
De motor laten afkoelen, voordat u de dop
opent. Bij het openen handschoenen en een
veiligheidsbril dragen. De dop langzaam en
een halve omwenteling openen, om de druk
te laten ontsnappen.
XDe auto horizontaal parkeren.
Het koelvloeistofpeil alleen controleren als
de auto op een horizontale ondergrond
staat en de motor afgekoeld is.
XDe sleutel in het contactslot in stand 2
draaien (Ypagina 195).
of
XDe start-stop-toets tweemaal indrukken
(Ypagina 195).
XDe koelvloeistoftemperatuurmeter in het
instrumentenpaneel controleren.
De koelvloeistoftemperatuur moet lager
dan 70 zijn.
XDe sleutel in het contactslot in stand
0(Ypagina 195) draaien.
of
XDe start-stop-toets uit het contactslot ver-
wijderen (Ypagina 195).
XDop :langzaam circa een halve omwen-
teling linksom draaien om de overdruk te
laten ontsnappen.
XDop :verder linksom draaien en verwij-
deren.
Als de koelvloeistof in koude toestand tot
aan markeringsrand =in de vulopening
staat, is er voldoende koelvloeistof in koel-
vloeistofexpansiereservoir ;aanwezig.
Als de koelvloeistof in warme toestand
circa 1,5 cm boven markeringsrand =in
de vulopening staat, is er voldoende koel-
vloeistof in koelvloeistofexpansiereser-
voir ;aanwezig.
XEventueel door Mercedes-Benz gecontro-
leerde en goedgekeurde koelvloeistof bij-
vullen.
XDop :aanbrengen en tot de aanslag
rechtsom draaien.
Meer informatie over koelvloeistof, zie
(Ypagina 499).
Ruitensproeierinstallatie bijvullen
GWAARSCHUWING
Bepaalde onderdelen in de motorruimte kun-
nen zeer heet zijn, bijvoorbeeld de motor,
radiateur en onderdelen van het uitlaatsys-
teem. Bij werkzaamheden in de motorruimte
is het gevaar voor letsel aanwezig!
Indien mogelijk de motor laten afkoelen en
alleen de hierna beschreven onderdelen aan-
raken.
GWAARSCHUWING
Ruitensproeiervloeistofconcentraat is licht
ontvlambaar. Als dit op hete onderdelen van
de motor of het uitlaatsysteem komt, kan het
ontbranden. Er bestaat gevaar voor brand en
letsel!
Erop letten dat geen ruitensproeiervloeistof-
concentraat naast de vulopening terecht-
komt.
418 Motorruimte
Onderhoud en verzorging
XOpenen: Dop :aan de lip omhoogtrek-
ken.
XDop :op de rand van de vulopening neer-
leggen en vastklemmen.
XDe voorgemengde ruitensproeiervloeistof
bijvullen.
XSluiten: Dop :op de vulopening drukken,
tot deze vergrendelt.
Als het vloeistofpeil daalt tot onder het gead-
viseerde minimumpeil van 1 liter, verschijnt
op het multifunctioneel display een verzoek
om de ruitensproeiervloeistof bij te vullen
(Ypagina 366).
Meer informatie over de ruitensproeiervloei-
stof resp. het antivriesmiddel
(Ypagina 499).
ASSYST PLUS
Onderhoudsmelding
De weergave van het onderhoudsinterval
ASSYST PLUS informeert u over de volgende
onderhoudstermijn.
Informatie over de onderhoudsbeurt en de
onderhoudsintervallen (zie het afzonderlijke
onderhoudsboekje).
Meer informatie is verkrijgbaar bij een
Mercedes-Benz-servicewerkplaats.
iDe weergave onderhoudsinterval ASSYST
PLUS toont geen informatie over het olie-
peil van de motor. De aanwijzingen m.b.t.
het oliepeil van de motor in acht nemen
(Ypagina 416).
Het multifunctioneel display toont enkele
seconden een onderhoudsmelding, bijvoor-
beeld:
RService A over .. dagenService A over .. dagen
RService A uitvoerenService A uitvoeren
RService A overschredenService A overschreden
sinds .. dagensinds .. dagen
Afhankelijk van de gebruiksomstandigheden
van de auto wordt de resterende tijd of de
resterende afstand tot de onderhoudstermijn
weergegeven.
De letter geeft de onderhoudsbeurt aan. AA
staat voor een kleine en BBvoor een grote
onderhoudsbeurt. Achter de letter kan een
getal of nog een letter worden weergegeven.
Deze positie geeft informatie over verder
benodigde extra werkzaamheden.
Als u een gekwalificeerde werkplaats infor-
meert over deze melding, kunt u een raming
van de kosten verkrijgen.
De weergave van het onderhoudsinterval
ASSYST PLUS houdt alleen rekening met het
aantal dagen dat de accu aangesloten is
geweest.
Om de tijdsafhankelijke onderhoudstermijn
te kunnen aanhouden:
XVoor het losmaken van de accu de onder-
houdstermijn op het multifunctioneel dis-
play laten weergeven en noteren.
of
XNa het aansluiten van de accukabels van de
weergegeven onderhoudstermijn de dagen
zonder accu aftrekken.
Onderhoudsmelding uitschakelen
Xaof %in het stuurwiel indrukken.
Onderhoudsmelding weergeven
XHet contact inschakelen.
XMet òin het stuurwiel de lijst van
menu's oproepen.
ASSYST PLUS 419
Onderhoud en verzorging
Z
XMet 9of :in het stuurwiel het menu
ServiceService selecteren en met abevesti-
gen.
XMet 9of :in het stuurwiel het sub-
menu ASSYST PLUSASSYST PLUS selecteren en met
abevestigen.
Het multifunctioneel display toont de
onderhoudstermijn.
Informatie over het onderhoud
Weergave onderhoudsinterval ASSYST
PLUS terugzetten
!Als de weergave onderhoudsinterval
ASSYST PLUS per ongeluk is teruggezet,
kan de instelling bij een gekwalificeerde
werkplaats worden gecorrigeerd.
De onderhoudswerkzaamheden zoals in
het onderhoudsboekje beschreven laten
uitvoeren. Anders kan verhoogde slijtage
en schade aan de onderdelen of aan de
auto ontstaan.
Als de gekwalificeerde werkplaats, bijvoor-
beeld een Mercedes-Benz-servicewerk-
plaats, de onderhoudswerkzaamheden heeft
uitgevoerd wordt de weergave van het onder-
houdsinterval ASSYST PLUS teruggezet. Daar
is ook meer informatie beschikbaar, bijvoor-
beeld over servicewerkzaamheden.
Bijzonder onderhoud
Het voorgeschreven onderhoudsinterval is
afgestemd op normale bedrijfsomstandighe-
den van de auto. Bij zwaardere bedrijfsom-
standigheden of zwaardere belasting van de
auto moeten onderhoudswerkzaamheden
vaker als voorgeschreven worden uitgevoerd,
bijvoorbeeld:
Rbij regelmatig rijden in de stad met vaak
tussenstops
Rbij voornamelijk korte ritten
Rbij vaker gebruik in bergachtig gebied of op
slechte wegen
Rbij vaker, langdurig draaien met stationair
toerental.
Bij deze of vergelijkbare bedrijfsomstandig-
heden bijvoorbeeld het luchtfilter, de motor-
olie en het oliefilter vaker laten vervangen. Bij
een zwaardere belasting moeten de banden
worden gecontroleerd. Meer informatie is
verkrijgbaar bij een gekwalificeerde werk-
plaats, bijvoorbeeld een Mercedes-Benz-ser-
vicewerkplaats.
Buitenlandse reizen
Ook in het buitenland is een wijdvertakt
Mercedes-Benz-servicenet aanwezig. De
actuele telefoonnummers van de Service-
Hotline, die in het buitenland hulp kan bieden,
zijn te vinden in het hoofdstuk "Mercedes-
Benz Service24h" van het onderhoudsboekje.
Verzorging
Algemene aanwijzingen
HMilieu-aanwijzing
Lege verpakkingen, schoonmaakdoeken en
poetsdoeken op milieuvriendelijke wijze
afvoeren.
!Voor de reiniging van uw auto geen:
Rdroge ruwe of harde doeken
Rschuurmiddelen
Roplosmiddelen
Roplosmiddelhoudende reinigingsmidde-
len gebruiken
en niet schuren.
De oppervlakken en beschermfolie niet
met harde voorwerpen, bijvoorbeeld een
ring of een ijskrabber, aanraken. Op de
oppervlakken of de beschermfolie kunnen
anders krassen of beschadigingen ont-
staan.
!De auto na het reinigen niet direct lang-
durig parkeren, vooral niet na het reinigen
420 Verzorging
Onderhoud en verzorging
van de velgen met een velgenreinigings-
middel. Velgenreinigingsmiddelen kunnen
versnelde corrosie van remschijven en -
blokken tot gevolg hebben. Daarom na het
reinigen enkele minuten rijden. Bij het rem-
men warmen de remschijven en remblok-
ken op en drogen ze. De auto kan dan voor
langere tijd worden geparkeerd.
De regelmatige verzorging van uw auto is een
voorwaarde om de kwaliteit langdurig te
behouden.
Voor de verzorging de door Mercedes-Benz
geadviseerde en goedgekeurde verzorgings-
en reinigingsmiddelen gebruiken.
Auto wassen en lak reinigen
Wasstraat
GWAARSCHUWING
Na het wassen van het voertuig hebben de
remmen een verminderde remwerking. Er
bestaat gevaar voor ongevallen!
Na het wassen van het voertuig voorzichtig
remmen en rekening houden met de verkeers-
situatie, totdat de volledige remwerking weer
aanwezig is.
!Wanneer de DISTRONIC PLUS of de
HOLD-functie ingeschakeld zijn, remt de
auto in bepaalde situaties automatisch. Om
schade aan de auto te vermijden de
DISTRONIC PLUS en de HOLD-functie in de
volgende of vergelijkbare situaties uitscha-
kelen:
Rbij het slepen
Rin de wasstraat.
!Erop letten:
Rdat de zijruiten en het schuifdak volledig
gesloten zijn
Rdat de aanjager voor de ventilatie resp.
verwarming uitgeschakeld is (OFF-toets
ingedrukt)
Rdat de schakelaar van de ruitenwissers
in stand 0staat.
Anders kan schade aan de auto ontstaan.
!Als de sleutel zich in het achterste her-
kenningsgebied van de KEYLESS GO
bevindt, kan de achterklep in bijvoorbeeld
de volgende situaties onbedoeld openen:
Rbij het gebruik van een autowasstraat
Rbij gebruik van een hogedrukreiniger.
Erop letten dat de sleutel ten minste 2 m
van de auto verwijderd is.
!Erop letten dat de automatische trans-
missie in de neutraalstand Nstaat als de
auto in een wasstraat met automatische
doorvoer wordt gewassen. Anders kan er
schade aan de auto ontstaan.
RBediening met de sleutel:
De sleutel niet uit het contactslot verwij-
deren. Bij afgezette motor of bij zeer lage
rijsnelheid het bestuurdersportier niet
openen. Anders schakelt de automati-
sche transmissie in de transmissiestand
Dof Rautomatisch de parkeerstand Pin,
waardoor de wielen blokkeren.
RBediening met de start-stop-toets:
Bij afgezette motor of bij zeer lage rij-
snelheid het bestuurdersportier niet ope-
nen. Anders schakelt de automatische
transmissie in de transmissiestand Dof
Rautomatisch de parkeerstand Pin,
waardoor de wielen blokkeren.
Om ervoor te zorgen dat de automatische
transmissie in de neutraalstand Nblijft staan,
altijd de volgende stappen in acht nemen:
Bediening met de sleutel:
XHet contact moet ingeschakeld zijn.
XDe auto moet stilstaan.
XHet rempedaal indrukken en ingedrukt
houden.
XDe neutraalstand Ninschakelen.
XHet rempedaal loslaten.
XIndien noodzakelijk, de elektrische par-
keerrem vrijzetten.
XHet contact afzetten en de sleutel in het
contactslot laten.
Verzorging 421
Onderhoud en verzorging
Z
Bediening met de start-stop-toets:
XHet contact moet ingeschakeld zijn.
XDe auto moet stilstaan.
XHet rempedaal indrukken en ingedrukt
houden.
XDe parkeerstand Pinschakelen.
XHet rempedaal loslaten.
XDe start-stop-toets uit het contactslot ver-
wijderen (Ypagina 195).
XDe sleutel in het contactslot steken.
XHet contact inschakelen.
XHet rempedaal indrukken en ingedrukt
houden.
XDe neutraalstand Ninschakelen.
XHet rempedaal loslaten.
XIndien noodzakelijk, de elektrische par-
keerrem vrijzetten.
XHet contact afzetten en de sleutel in het
contactslot laten.
De auto kan vanaf het begin in een automa-
tische wasstraat worden gewassen.
Als de auto sterk vervuild is, moet deze wor-
den voorgereinigd voordat deze in een was-
straat wordt gereinigd.
Na het wassen in een wasstraat moet de wax
op de voorruit en de ruitenwisserrubbers wor-
den verwijderd. Zo wordt streepvorming voor-
komen en vermindert het wisgeluid dat door
resten op de ruit kan ontstaan.
Met de hand wassen
Met de hand wassen is in sommige landen
alleen toegestaan op speciaal hiervoor
bedoelde wasplaatsen. De wettelijke bepa-
lingen in de betreffende landen in acht
nemen.
XGeen heet water gebruiken en auto's niet
in direct zonlicht wassen.
XVoor het reinigen een zachte autospons
gebruiken.
XEen mild reinigingsmiddel gebruiken, bij-
voorbeeld een door Mercedes-Benz goed-
gekeurde autoshampoo.
XDe auto met een zachte waterstraal gron-
dig afspuiten.
XDe waterstraal niet direct in de luchtinlaten
richten.
XRijkelijk water gebruiken en de spons vaak
uitspoelen.
XDe auto met schoon water naspoelen en
grondig met een zeem afdrogen.
XHet reinigingsmiddel niet op de lak laten
opdrogen.
Bij het rijden in de winter zo zorgvuldig en zo
snel mogelijk alle aanslag van pekel verwij-
deren.
Hogedrukreiniger
GWAARSCHUWING
De waterstraal van een roterende sproeier
(vuilfrees) kan van buitenaf niet zichtbare
schade aan de banden of onderdelen van het
onderstel veroorzaken. Dermate beschadigde
onderdelen kunnen onverwachts uitvallen. Er
bestaat gevaar voor ongevallen!
Voor de reiniging van de auto geen hogedruk-
reiniger met roterende sproeiers gebruiken.
Beschadigde banden of onderdelen van het
onderstel direct laten vervangen.
!Een afstand van minimaal 30 cm tussen
de auto en de sproeiermond van de hoge-
drukreiniger aanhouden. Raadpleeg de
informatie van de apparatuurfabrikant voor
de juiste afstand.
De sproeier van de hogedrukreiniger tij-
dens de reiniging bewegen.
Daarbij niet direct richten op:
Rbanden
Rportiernaden, daknaden, voegen enzo-
voort
Relektrische componenten
Raccu
Rstekkers
Rlampjes
Rafdichtrubbers
422 Verzorging
Onderhoud en verzorging
Rsierelementen
Rventilatiesleuven.
Beschadigingen van afdichtrubbers of elek-
trische componenten kunnen leiden tot
lekkage of uitvallen.
!Als de sleutel zich in het achterste her-
kenningsgebied van de KEYLESS GO
bevindt, kan de achterklep in bijvoorbeeld
de volgende situaties onbedoeld openen:
Rbij het gebruik van een autowasstraat
Rbij gebruik van een hogedrukreiniger.
Erop letten dat de sleutel ten minste 2 m
van de auto verwijderd is.
Lak reinigen
!Op gespoten oppervlakken geen:
Rstickers
Rfolie
Rmagneetplaatjes of iets dergelijks beves-
tigen.
Anders kan de lak worden beschadigd.
Krassen, agressieve aanslag, vlekken door
invloeden van buitenaf en beschadigingen die
ontstaan zijn door ondeskundige verzorging
kunnen niet altijd worden hersteld. In dit
geval contact opnemen met een gekwalifi-
ceerde werkplaats.
XVerontreinigingen zo snel mogelijk verwij-
deren, daarbij sterk schuren vermijden.
XDode insecten met insectenverwijderaar
laten inweken, vervolgens het behandelde
oppervlak afspoelen.
XVogeluitwerpselen met water laten inwe-
ken, vervolgens het behandelde oppervlak
afspoelen.
XKoelvloeistof, remvloeistof, boomhars,
olie, brandstof en vet met een in wasben-
zine of aanstekervloeistof gedrenkte doek
met licht wrijven verwijderen.
XTeerspatten verwijderen met teerverwijde-
ringsmiddel.
XWax verwijderen met siliconenverwijde-
raar.
Verzorging en behandeling van matte
lak
!De auto of de lichtmetalen velgen in geen
geval poetsen! Poetsen geeft glans aan de
lak.
!Het volgende kan leiden tot het gaan glan-
zen van de lak en daarmee een verminde-
ring van het mateffect:
Rsterk wrijven met ongeschikte middelen
Rvaak gebruik maken van een wasstraat
Rhet wassen van de auto onder directe
zonnestraling.
!Voor de lakverzorging geen cleaner,
schuur- en polijstproducten of glanscon-
serveringsmiddel, bijvoorbeeld wax,
gebruiken. Deze producten zijn uitsluitend
voor hoogglans oppervlakken geschikt. Het
gebruik ervan op auto's met matte lak leidt
tot ernstige beschadigingen aan het opper-
vlak en wel tot glanzende, gevlekte plek-
ken.
Lakwerkzaamheden uitsluitend laten uit-
voeren bij een gekwalificeerde werkplaats.
!Beslist geen wasprogramma's met ver-
volgens een behandeling met hete wax
laten uitvoeren.
Als uw auto met een matte blanke lak is
gespoten, de volgende aanwijzingen in acht
nemen. Daardoor kunnen lakbeschadigingen
door een verkeerde behandeling worden
voorkomen.
Deze aanwijzingen gelden ook voor lichtme-
talen velgen met matte blanke lak.
De auto moet bij voorkeur met de hand wor-
den gewassen, met een zachte spons, auto-
shampoo en veel water.
Van de door Mercedes-Benz geadviseerde en
goedgekeurde verzorgingsmiddelen uitslui-
tend de insectenverwijderaar en de auto-
shampoo gebruiken.
Verzorging 423
Onderhoud en verzorging
Z
Onderdelen van de auto reinigen
Wielen reinigen
!Voor het verwijderen van remstof geen
zuurhoudend velgenreinigingsmiddel
gebruiken. Anders kunnen de wielbouten
en onderdelen van het remsysteem worden
beschadigd.
!De auto na het reinigen niet direct lang-
durig parkeren, vooral niet na het reinigen
van de velgen met een velgenreinigings-
middel. Velgenreinigingsmiddelen kunnen
versnelde corrosie van remschijven en -
blokken tot gevolg hebben. Daarom na het
reinigen enkele minuten rijden. Bij het rem-
men warmen de remschijven en remblok-
ken op en drogen ze. De auto kan dan voor
langere tijd worden geparkeerd.
Ruiten reinigen
GWAARSCHUWING
Als de ruitenwissers zich bij het reinigen van
de voorruit of de wisserbladen in beweging
zetten, kunt u bekneld raken. Gevaar voor let-
sel!
De ruitenwissers en het contact altijd uitscha-
kelen voordat u de voorruit of de ruitenwis-
serbladen reinigt.
!Gebruik bij het reinigen van de binnen-
zijde van de ruiten geen droge doeken,
schuurmiddelen, oplosmiddelen of oplos-
middelhoudende reinigingsmiddelen. De
binnenzijde van de ruiten niet met harde
voorwerpen, bijvoorbeeld een ring of een
ijskrabber aanraken. Anders kunnen de rui-
ten worden beschadigd.
!De waterafvoer van de voor- en achterruit
met regelmatige intervallen reinigen. Door
boombladeren, bloembladeren en pollen
kan het gebeuren dat het water niet weg-
stroomt. Dit kan tot corrosieschade en
schade aan elektronische onderdelen lei-
den.
XDe buiten- en binnenzijde van de ruiten rei-
nigen met een vochtige doek en een door
Mercedes-Benz geadviseerd en goedge-
keurd reinigingsmiddel.
Ruitenwisserbladen reinigen
GWAARSCHUWING
Als de ruitenwissers zich bij het reinigen van
de voorruit of de wisserbladen in beweging
zetten, kunt u bekneld raken. Gevaar voor let-
sel!
De ruitenwissers en het contact altijd uitscha-
kelen voordat u de voorruit of de ruitenwis-
serbladen reinigt.
!Niet aan het ruitenwisserblad trekken.
Anders kan het ruitenwisserblad worden
beschadigd.
!De ruitenwisserbladen niet te vaak reini-
gen en sterk schuren vermijden. Anders
kan de grafietlaag worden beschadigd.
Daardoor kunnen wisgeluiden ontstaan.
!De wisserarm bij het terugklappen vast-
houden. Wanneer de wisserarm abrupt op
de voorruit slaat, kan deze worden bescha-
digd.
XDe wisserarmen van de voorruit wegklap-
pen.
XDe ruitenwisserbladen voorzichtig met een
vochtige doek reinigen.
XDe wisserarmen weer terugklappen voor-
dat het contact wordt ingeschakeld.
Buitenverlichting reinigen
!Uitsluitend reinigingsmiddelen of reini-
gingsdoekjes gebruiken die geschikt zijn
voor kunststof lampglazen. Ongeschikte
reinigingsmiddelen of reinigingsdoekjes
kunnen de kunststof lampglazen van de
buitenverlichting bekrassen of beschadi-
gen.
XDe kunststof lampglazen van de buitenver-
lichting met een natte spons en een mild
reinigingsmiddel, bijvoorbeeld Mercedes-
424 Verzorging
Onderhoud en verzorging
Benz autoshampoo, of reinigingsdoekjes
reinigen.
Spiegelrichtingaanwijzers
!Uitsluitend reinigingsmiddelen of reini-
gingsdoekjes gebruiken die geschikt zijn
voor kunststof lampglazen. Ongeschikte
reinigingsmiddelen of reinigingsdoekjes
kunnen de kunststof lampglazen van de
spiegelrichtingaanwijzers bekrassen of
beschadigen.
XDe kunststof lampglazen van de spiegel-
richtingaanwijzers met een natte spons en
een mild reinigingsmiddel, bijvoorbeeld
Mercedes-Benz autoshampoo, of met rei-
nigingsdoekjes reinigen.
Sensoren reinigen
!Als de sensoren met een hogedrukreini-
ger worden gereinigd, een afstand tussen
auto en sproeier van de hogedrukreiniger
van ten minste 30 cm in acht nemen. Raad-
pleeg de informatie van de apparatuurfa-
brikant voor de juiste afstand.
XSensoren :van de rijsystemen met water,
shampoo en een zachte doek reinigen.
Achteruitrijcamera reinigen
!De cameralens en het gebied rondom de
achteruitrijcamera niet met een hogedruk-
reiniger reinigen.
XDe auto moet stilstaan en de contactsleutel
moet in stand 2staan.
XDe afdekking van de achteruitrijcamera
openen: Bij een ingeschakeld COMAND
Online het voertuigmenu oproepen: De
toets Ñindrukken.
XNaar de menuregel omschakelen: De con-
troller schuiven ¬.
XSysteeminstellingenSysteeminstellingen selecteren: De
controller draaien en indrukken.
XAchteruitrijcameraAchteruitrijcamera selecteren: De con-
troller draaien en indrukken.
XCamera-afdekking openenCamera-afdekking openen selecteren:
De controller draaien en indrukken.
De afdekking van de achteruitrijcamera
wordt geopend.
XReinigen van de achteruitrijcamera:
Cameralens :met schoon water en een
zachte doek reinigen.
360°-camera reinigen
!De cameralens en het gebied om de
360°-camera niet met een hogedrukreini-
ger reinigen.
Verzorging 425
Onderhoud en verzorging
Z
XDe auto moet stilstaan en de contactsleutel
moet in stand 2staan.
XDe afdekking van de 360°-camera ope-
nen: Bij een ingeschakeld COMAND Online
het voertuigmenu oproepen: De toets
Ñindrukken.
XNaar de menuregel omschakelen: De con-
troller schuiven ¬.
XSysteeminstellingenSysteeminstellingen selecteren: De
controller draaien en indrukken.
X360°-camera360°-camera selecteren: De controller
draaien en indrukken.
XCamera-afdekking openenCamera-afdekking openen selecteren:
De controller draaien en indrukken.
De afdekking van de 360°-camera wordt
geopend.
XReinigen van de 360°-camera: De came-
ralens :met schoon water en een zachte
doek reinigen.
Als sneller dan 30 km/h wordt gereden of bij
stand 0of 1van de sleutel in het contactslot
sluit de afdekking van de 360°-camera auto-
matisch.
Uitlaatsierstukken reinigen
!Het uitlaatsierstuk niet reinigen met zuur-
houdende reinigingsmiddelen, zoals een
reinigingsmiddel voor sanitair of een vel-
genreinigingsmiddel.
Door opwaaiende verontreiniging in combi-
natie met inwerking van strooimiddelen en
agressieve milieu-invloeden kan vliegroest op
het oppervlak ontstaan. Door regelmatige
verzorging van het uitlaatsierstuk, vooral in
de winter en na het wassen van de auto, kan
de oorspronkelijke glans weer worden her-
steld.
XHet uitlaatsierstuk met een door
Mercedes-Benz getest en goedgekeurd
verzorgingsmiddel reinigen.
Trekhaak reinigen
HMilieu-aanwijzing
Met olie of vet in aanraking gekomen doeken
op milieuvriendelijke wijze afvoeren.
!De kogelkop niet met een hogedrukreini-
ger reinigen. Geen oplosmiddelen gebrui-
ken.
!De verzorgingstips in de handleiding van
de fabrikant van de trekhaak in acht
nemen.
De kogelkop moet bij vervuiling of corrosie
worden gereinigd.
XRoestaanslag op de kogel met bijvoorbeeld
een staalborstel verwijderen.
XVuil met een schone, pluisvrije doek of met
een borstel verwijderen.
XNa het reinigen de kogelkop dun met olie
of met vet insmeren.
XDe werking van de trekhaak aan de auto
controleren.
iDe verzorgingswerkzaamheden aan
kogelkop en trekhaaksysteem kan een
gekwalificeerde werkplaats ook voor u uit-
voeren.
Verzorging interieur
Display reinigen
!Gebruikt voor het reinigen in geen geval:
Roplosmiddelen op alcoholbasis of ben-
zine
Rschurende reinigingsmiddelen
Rallesreinigers.
426 Verzorging
Onderhoud en verzorging
Deze kunnen het schermoppervlak bescha-
digen. Bij het reinigen geen druk op het
oppervlak van het display uitoefenen. Dit
kan tot onherstelbare schade aan het dis-
play leiden.
XBij het reinigen erop letten, dat het display
uitgeschakeld en afgekoeld is.
XHet schermoppervlak reinigen met een uni-
versele microvezeldoek en reinigingsmid-
del voor TFT/LCD-displays.
XHet schermoppervlak droogwrijven met
een droge microvezeldoek.
Nacht- en dagzichtassistent reinigen
Reiniging van de camera achter de voor-
ruit
!Niet de cameralens reinigen. Bij het rei-
nigen van het gezichtsveld van de rijsyste-
men erop letten dat het ruitenreinigings-
middel niet op de cameralens wordt gespo-
ten. Wanneer de cameralens vervuild is,
contact opnemen met een gekwalificeerde
werkplaats.
XDe afdekking van de camera aan hand-
greepkom :omlaagklappen.
XDe voorruit voor de camera ;met een
zachte doek reinigen.
Reiniging van de camera in de radiateur-
bekleding
Cameralens :wordt met regelmatige inter-
vallen, bij bediening van de ruitensproeierin-
stallatie, gereinigd.
XBij sterke vervuiling cameralens :met
schoon water en een zachte doek reinigen.
Kunststof bekleding reinigen
GWAARSCHUWING
Door oplosmiddelhoudende verzorgings- en
reinigingsmiddelen kunnen de oppervlakken
van het dashboard poreus worden. Wanneer
dan de airbags activeren, kunnen kunststof
delen losraken. Gevaar voor letsel!
Geen oplosmiddelhoudende verzorgings- en
reinigingsmiddel voor het reinigen van het
dashboard gebruiken.
Verzorging 427
Onderhoud en verzorging
Z
!Op kunststof oppervlakken in geen geval:
Rstickers
Rfolie
Rparfumeurs of iets dergelijks bevestigen.
Anders kan de kunststof worden bescha-
digd.
!Vermijden dat cosmetica, insectenver-
drijvingsmiddelen of zonnebrandcrèmes
met de kunststof bekleding in contact
komen. Daardoor blijft het hoogwaardige
uiterlijk van de oppervlakken behouden.
XDe kunststof bekleding met een vochtige,
pluisvrije doek, bijvoorbeeld een microve-
zeldoek, reinigen.
XSterke vervuiling: Voor de verzorging de
door Mercedes-Benz geadviseerde en
goedgekeurde verzorgings- en reinigings-
middelen gebruiken.
Het oppervlak kan kortstondig verkleuren.
Wachten tot het oppervlak weer droog is.
Stuurwiel en versnellings- of keuzehen-
del reinigen
XMet een vochtige doek grondig afvegen of
door Mercedes-Benz geadviseerd en vrij-
gegeven lederverzorgingsmiddel gebrui-
ken.
Echt hout en sierelementen reinigen
!Geen oplosmiddelhoudende reinigings-
middelen zoals teerverwijderingsmiddel of
velgenreinigers, noch poetsmiddel of wax
gebruiken. Anders kan het oppervlak wor-
den beschadigd.
XHouten panelen en andere sierelementen
met een vochtige, pluisvrije doek, bijvoor-
beeld een microvezeldoek, reinigen.
XSterke vervuiling: Voor de verzorging de
door Mercedes-Benz geadviseerde en
goedgekeurde verzorgings- en reinigings-
middelen gebruiken.
Stoelbekleding reinigen
Algemene aanwijzingen
!Voor het reinigen van echt lederen, kunst-
lederen of DINAMICA stoelbekleding geen
microvezeldoek gebruiken. Dit kan bij fre-
quent gebruik de bekleding beschadigen.
In acht nemen dat de regelmatige verzorging
een voorwaarde is om de hoogwaardige look
and feel van de bekleding langdurig te behou-
den.
Stoelbekleding van echt leder
!Om het natuurlijk aanzicht van het leder
te behouden, de volgende reinigingsaan-
wijzingen in acht nemen:
REcht lederen bekleding voorzichtig reini-
gen met een vochtige doek en drogen
met een droge doek.
RErop letten dat het leder niet doordrenkt
raakt. Anders kan het ruw worden of
scheuren.
RVoor de verzorging van leder het door
Mercedes-Benz geadviseerde lederver-
zorgingsmiddel gebruiken. Dit is verkrijg-
baar bij een gekwalificeerde werkplaats.
Leder is een natuurproduct.
Het oppervlak heeft natuurlijke kenmerken,
zoals:
Rverschillen in de structuur
Rgroei- en letselsporen
Rlichte kleurnuances.
Dit zijn bijzonderheden van leder, geen mate-
riaalgebreken.
Stoelbekleding uit andere materialen
!Bij het reinigen op de volgende punten
letten:
RKunstlederen bekleding reinigen met een
in 1%-zeepoplossing, bijvoorbeeld afwas-
middel, en een vochtig gemaakte doek.
RStoffen bekleding reinigen met een in 1%-
zeepoplossing, bijvoorbeeld afwasmid-
del, en een vochtig gemaakte microve-
zeldoek. Voorzichtig wrijven en vlakken
428 Verzorging
Onderhoud en verzorging
volledig behandelen, om randen te ver-
mijden. De stoel vervolgens laten dro-
gen. Het resultaat van de behandeling is
afhankelijk van de soort en leeftijd van
de vervuiling.
RAlcantara® bekleding reinigen met een
vochtige doek. Voorzichtig wrijven en
vlakken volledig behandelen, om kringen
te vermijden.
Veiligheidsgordels reinigen
GWAARSCHUWING
De veiligheidsgordel kunnen door bleken of
kleuren aanzienlijk zwakker worden. Daar-
door kunnen de veiligheidsgordel bijvoor-
beeld bij een ongeval scheuren of uitvallen. Er
bestaat een verhoogd gevaar voor letsel of
zelfs levensgevaar!
De veiligheidsgordel nooit bleken of kleuren.
!De veiligheidsgordels niet met chemische
reinigingsmiddelen reinigen. De veilig-
heidsgordel niet drogen door verwarming
boven 80 of in direct zonlicht.
XSchoon, lauw water en een zeepoplossing
gebruiken.
Hemelbekleding en vloerbedekking rei-
nigen
XHemelbekleding: Bij sterke vervuiling een
zachte borstel of droogschuim gebruiken.
XVloerbedekking: Door Mercedes-Benz
geadviseerde en vrijgegeven vloerbedek-
kings- en textielreinigingsmiddelen gebrui-
ken.
Verzorging 429
Onderhoud en verzorging
Z
430
Wetenswaardigheden ....................... 432
Waar vind ik wat? ............................. 432
Bandenpech ....................................... 434
Accu (auto) ........................................ 439
Starthulp ............................................ 444
Slepen en aanslepen ......................... 447
Elektrische zekeringen ..................... 451
431
Pechhulp
Wetenswaardigheden
iDeze handleiding beschrijft alle modellen
en standaard- en speciale uitrustingen van
de auto die op het tijdstip van de redactie-
sluiting van deze handleiding verkrijgbaar
waren. Landspecifieke afwijkingen zijn ook
mogelijk. In acht nemen dat de auto niet
met alle beschreven functies kan zijn uit-
gerust. Dit betreft ook veiligheidsrelevante
systemen en functies.
iDe informatie over gekwalificeerde werk-
plaatsen lezen (Ypagina 29).
Waar vind ik wat?
Gevarendriehoek
Gevarendriehoek verwijderen/terug-
plaatsen
XVerwijderen: De achterklep openen.
XGevarendriehoekhouder :in de richting
van de pijl drukken en openen.
XKlem =optillen en gevarendriehoek ;
verwijderen.
XTerugplaatsen: Gevarendriehoek ;in
gevarendriehoekhouder :terugplaatsen.
XGevarendriehoekhouder :sluiten en
omhoogdrukken om deze te bevestigen.
Gevarendriehoek opklappen
XDe poten =zijdelings naar onderen uit-
klappen.
XDe reflectoren aan de zijkant ;tot een
driehoeksvorm omhoogtrekken en met de
bovenste drukknop :verbinden.
EHBO-set
EHBO-set :is rechts in de bagageruimte in
het bagagenet met klittenband ;beveiligd.
XDe achterklep openen.
XKlittenband ;openen.
XDe EHBO-set :verwijderen.
iTen minste eenmaal per jaar de houd-
baarheidsdatum van de inhoud van de
EHBO-set controleren. De inhoud zo nodig
vervangen en ontbrekende artikelen aan-
vullen.
432 Waar vind ik wat?
Pechhulp
Brandblusser
!Het opbergvak tijdens het rijden gesloten
laten. Anders kan het worden beschadigd.
De brandblusser bevindt zich in het opberg-
vak voor aan de bestuurdersstoel.
XHandgreep :omhoogtrekken en afdek-
king ;naar voren klappen.
XDe brandblusser uit het opbergvak nemen.
iDe brandblusser na elk gebruik opnieuw
vullen en elke 1 tot 2 jaar laten controleren.
Anders kan het voorkomen dat de brand-
blusser in geval van nood niet werkt.
De wettelijke bepalingen in de betreffende
landen in acht nemen.
Boordgereedschap
Algemene aanwijzingen
Het sleepoog bevindt zich in het opbergvak
onder de bagageruimtebodem.
iAfgezien van enkele landspecifieke vari-
anten zijn de auto's niet uitgerust met een
gereedschapset voor het verwisselen van
een wiel. Als de auto is uitgerust met een
gereedschapset voor het verwisselen van
een wiel, bevindt zich een opbergvak onder
de bagageruimtebodem in de bagage-
ruimte. Bij auto's met dieselmotor bevindt
het gereedschapset voor het verwisselen
van een wiel zich in de boordgereedschap-
tas in de bagageruimte. Enkele gereed-
schappen voor het verwisselen van een
wiel zijn autospecifiek. Informeer bij een
gekwalificeerde werkplaats welke gereed-
schapset voor het verwisselen van een wiel
voor de auto nodig en goedgekeurd zijn.
De benodigde gereedschapset voor het
verwisselen van een wiel kan bijvoorbeeld
bevatten:
RKrik
RWielkeg
RWielsleutel
RRatel-ringsleutel
RCentreerpen.
Auto's met TIREFIT-set
Voorbeeld
:Fles bandenafdichtmiddel
;Bandencompressor
=Sleepoog
XDe achterklep openen.
XDe bagageruimtebodem omhoogklappen
(Ypagina 389).
XDe TIREFIT-set gebruiken (Ypagina 436).
Waar vind ik wat? 433
Pechhulp
Auto's met gereedschapset voor het
verwisselen van een wiel
Voorbeeld
:Fles bandenafdichtmiddel
;Centreerpen
=Onderlegger voor de krik
?Uitklapbare wielkeg
AWielsleutel
BKrik
CRatel
DBandencompressor
ESleepoog
De gereedschapset voor het verwisselen van
een wiel is ondergebracht in een kom in het
opbergvak onder de bagageruimtebodem.
Bij auto's met dieselmotor is de gereed-
schapset voor het verwisselen van een wiel in
de boordgereedschaptas in de bagageruimte
ondergebracht. De boordgereedschaptas is
met klittenband bevestigd aan de bagage-
ruimtebodem.
XDe achterklep openen.
XDe bagageruimtebodem omhoogzwenken
(Ypagina 389) of het klittenband van de
boordgereedschaptas losmaken.
Auto's in AMG-uitvoering
Voorbeeld
:Fles bandenafdichtmiddel
;Krik
=Ratel
?Centreerpen
AOnderlegger voor de krik
BDopsleutel
CWielsleutel
DSleepoog
EUitklapbare wielkeg
FBandencompressor
De gereedschapset voor het verwisselen van
een wiel is ondergebracht in een kom in het
opbergvak onder de bagageruimtebodem.
XDe achterklep openen.
XDe bagageruimtebodem omhoogklappen
(Ypagina 389).
Bandenpech
Auto voorbereiden
Uw auto kan uitgerust zijn met:
RMOExtended banden (banden met noodei-
genschappen) (Ypagina 435)
Bij auto's met MOExtended banden vervalt
de voorbereiding van de auto.
Reen TIREFIT-set (Ypagina 433)
Reen noodwiel (alleen voor bepaalde landen)
(Ypagina 486)
434 Bandenpech
Pechhulp
Informatie over het verwisselen resp. monte-
ren van een wiel (Ypagina 465).
XDe auto zo ver mogelijk van de verkeers-
stroom en op een stevige, stroeve en
vlakke ondergrond parkeren.
XDe alarmknipperlichten inschakelen.
XDe auto tegen wegrollen beveiligen
(Ypagina 220).
XIndien mogelijk de voorwielen in de recht-
uitstand draaien.
XDe motor afzetten.
XHet bestuurdersportier openen.
De boordelektronica bevindt zich nu in
stand 0. Dat betekent "verwijderde sleu-
tel".
XDe start-stop-toets uit het contactslot ver-
wijderen (Ypagina 195).
Of, bij gebruik van de sleutel in het contact-
slot:
XDe sleutel uit het contactslot verwijderen.
XDe passagiers laten uitstappen. Dit moet
buiten de gevarenzone van het verkeer
gebeuren.
XDe passagiers moeten zich tijdens de ban-
denpech buiten de gevarenzone ophouden,
bijvoorbeeld achter de vangrail.
XDe auto verlaten. Daarbij de verkeerssitua-
tie in acht nemen.
XHet bestuurdersportier sluiten.
XDe gevarendriehoek op voldoende afstand
van de auto neerzetten (Ypagina 432).
Hierbij de wettelijke voorschriften van het
betreffende land in acht nemen.
MOExtended banden (banden met
noodeigenschappen)
Algemene aanwijzingen
Met MOExtended banden (banden met nood-
eigenschappen) kan ook met de auto worden
gereden als één of meer banden volledig leeg
zijn. De band mag daarbij geen duidelijk zicht-
bare beschadiging vertonen.
Een MOExtended-band kunt u herkennen aan
het keurmerk "MOExtended" op de wang van
de band. Dit keurmerk vindt u naast de ban-
denmaat, het draagvermogen en de snel-
heidsindex.
MOExtended-banden mogen alleen in combi-
natie met geactiveerde bandenspannings-
waarschuwing of bandenspanningscontrole
worden gebruikt.
Wanneer de waarschuwingsmelding voor
drukverlies op het multifunctioneel dis-
play verschijnt:
RDe aanwijzingen bij de displaymeldingen in
acht nemen (Ypagina 360).
RDe band op beschadiging controleren.
RBij doorrijden de volgende aanwijzingen in
acht nemen.
De maximaal te rijden afstand bedraagt in
gedeeltelijk beladen toestand circa 80 km, in
volledig beladen toestand circa 30 km.
Naast de beladingstoestand van de auto is de
maximaal te rijden afstand afhankelijk van:
Rde snelheid
Rde staat van het wegdek
Rde buitentemperatuur.
De maximaal te rijden afstand kan bij hoge
belasting of stevige manoeuvres korter, bij
een besparende rijstijl echter ook langer zijn.
De maximaal te rijden afstand met een lege
band begint vanaf het punt waarop de waar-
schuwingsmelding voor spanningsverlies in
het multifunctioneel display verschijnt.
De maximumsnelheid van 80 km/h niet over-
schrijden.
iBij het omwisselen of vervangen van één
of alle banden de voor de auto voorge-
schreven
Rmaat en
Rhet keurmerk "MOExtended" in acht
nemen.
Wanneer na een lekke band niet meteen
een MOExtended-band kan worden gemon-
teerd, mag tijdelijk ook een standaardband
worden gebruikt. Daarbij ook op de betref-
Bandenpech 435
Pechhulp
fende maat en uitvoering (zomer- en win-
terbanden) letten.
iAuto's met MOExtended-banden zijn af
fabriek niet uitgerust met een TIREFIT-set.
Als de auto wordt voorzien van banden zon-
der noodeigenschappen, bijvoorbeeld win-
terbanden, moet ook een TIREFIT-set wor-
den aangebracht. Een TIREFIT-set is ver-
krijgbaar bij een gekwalificeerde werk-
plaats.
Belangrijke veiligheidsvoorschriften
GWAARSCHUWING
Bij rijden met het noodsysteem verslechtert
het rijgedrag, bijvoorbeeld bij het rijden door
bochten, sterk accelereren en bij het rem-
men. Er bestaat gevaar voor ongevallen!
De aangegeven maximumsnelheid nooit over-
schrijden. Abrupte stuur- en rijmanoeuvres en
het rijden over hindernissen (stoepranden,
wegoneffenheden, in terrein) vermijden. Dit
geldt in het bijzonder als de auto beladen is.
Het rijden met het noodsysteem beëindigen
bij:
Rklapperende geluiden
Rschudden van de auto
Rrookontwikkeling met de geur van rubber
Rvoortdurende ESP®-ingrepen
Rscheuren in de bandwangen.
Nadat met het noodsysteem is gereden de
velgen bij een gekwalificeerde werkplaats
laten controleren op verdere bruikbaarheid.
De defecte band moet in elk geval worden
vervangen.
TIREFIT-set
Belangrijke veiligheidsvoorschriften
TIREFIT is een bandenafdichtmiddel.
Met TIREFIT kunnen perforaties tot 4 mm, in
het bijzonder in het loopvlak, worden afge-
dicht. TIREFIT is bruikbaar bij een buitentem-
peratuur tot circa Ò20 †.
GWAARSCHUWING
In de volgende gevallen kan het bandenaf-
dichtmiddel niet voor voldoende pechhulp
zorgen, omdat de band niet kan worden afge-
dicht, bij:
Rinsnijdingen of perforaties in de band die
groter zijn dan hiervoor genoemd
Rschade aan het velgbed
Rbeschadigingen door het rijden met een
zeer lage bandenspanning of een lege
band.
Er bestaat gevaar voor ongevallen!
Niet verder rijden! Contact opnemen met een
gekwalificeerde werkplaats.
GWAARSCHUWING
Het bandenafdichtmiddel is schadelijk voor
de gezondheid en veroorzaakt irritaties. Het
mag niet in contact met huid, ogen of kleding
komen of ingeslikt worden. De dampen niet
inademen. Afdichtmiddel uit de buurt van kin-
deren houden. Er bestaat gevaar voor letsel!
Wanneer u met het bandenafdichtmiddel in
aanraking bent gekomen, de volgende punten
in acht nemen:
RBandenafdichtmiddel op de huid direct met
water afspoelen.
RAls bandenafdichtmiddel met de ogen in
aanraking gekomen is, moet u de ogen
direct grondig met schoon water spoelen.
RAls het bandenafdichtmiddel ingeslikt is,
direct de mond grondig uitspoelen en veel
water drinken. Geen braken opwekken en
direct contact opnemen met een arts!
RMet bandenafdichtmiddel vervuilde kleding
direct vervangen.
RBij allergische reacties direct naar een arts
gaan.
!De bandencompressor niet langer dan 8
minuten zonder onderbreking laten
draaien. Anders bestaat er kans op over-
verhitting.
Nadat de bandencompressor afgekoeld is,
kan deze opnieuw worden gebruikt.
436 Bandenpech
Pechhulp
TIREFIT-set gebruiken
XHet binnengedrongen voorwerp, bijvoor-
beeld een schroef of spijker, in de band
laten zitten.
XDe fles bandenafdichtmiddel, de meegele-
verde sticker TIREFIT en de bandencom-
pressor uit het opbergvak onder de baga-
geruimtebodem nemen (Ypagina 433).
XDeel :van de TIREFIT-sticker in het
gezichtsveld van de bestuurder plakken.
XDeel ;van de TIREFIT-sticker in de buurt
van het ventiel op de velg van het wiel met
de lekke band plakken.
XStekker ?met kabel en slang Auit het
huis trekken.
XSlang Aop flens Bvan fles bandenaf-
dichtmiddel :schroeven.
XDe fles bandenafdichtmiddel :met de
bovenzijde naar beneden in uitsparing ;
van de bandencompressor steken.
XHet ventieldopje van ventiel Cvan de
lekke band draaien.
XVulslang Dop ventiel Cschroeven.
XStekker ?in een 12V-contactdoos
(Ypagina 396) van uw auto steken.
XDe sleutel in het contactslot in stand 1
draaien (Ypagina 195).
XDe in- en uitschakelknop =op de banden-
compressor op Idrukken.
De bandencompressor is ingeschakeld. De
band wordt opgepompt.
iEerst wordt het bandenafdichtmiddel in
de band gepompt. Daarbij kan de druk kort-
stondig naar circa 500 kPa (5 bar, 73 psi)
stijgen.
De bandencompressor tijdens deze
fase niet uitschakelen!
XDe bandencompressor gedurende 5 minu-
ten laten draaien. Vervolgens moet een
bandenspanning van ten minste 180 kPa
(1,8 bar, 26 psi) bereikt zijn.
Wanneer na 5 minuten de bandenspanning
van 180 kPa (1,8 bar, 26 psi) bereikt wordt,
zie "Bandenspanning wordt bereikt"
(Ypagina 438).
Wanneer na 5 minuten de bandenspanning
van 180 kPa (1,8 bar, 26 psi) niet bereikt
wordt, zie "Bandenspanning wordt niet
bereikt" (Ypagina 438).
iWeggelekt bandenafdichtmiddel laten
opdrogen. Daarna kan het als een folie wor-
den losgetrokken.
Bandenpech 437
Pechhulp
Z
Als uw kleding met bandenafdichtmiddel is
vervuild, deze zo snel mogelijk bij een sto-
merij met perchloorethyleen laten reinigen.
Bandenspanning wordt niet bereikt
Wanneer na 5 minuten de bandenspanning
van 180 kPa (1,8 bar, 26 psi) niet bereikt
wordt:
XDe bandencompressor uitschakelen.
XDe vulslang losdraaien van het ventiel van
de lekke band.
XMet de auto zeer langzaam circa 10 m voor-
uit- of achteruitrijden.
XDe band opnieuw oppompen.
Na maximaal 5 minuten moet de banden-
spanning ten minste 180 kPa (1,8 bar,
26 psi) bedragen.
GWAARSCHUWING
Als de aangegeven bandenspanning na de
aangegeven tijd niet wordt bereikt, is de band
te zwaar beschadigd. Het bandenafdichtmid-
del kan hier geen pechhulp bieden. Bescha-
digde banden en een te lage bandenspanning
kunnen het remgedrag en de rij-eigenschap-
pen sterk nadelig beïnvloeden. Er bestaat
gevaar voor ongevallen!
Niet verder rijden. Contact opnemen met een
gekwalificeerde werkplaats.
Bandenspanning wordt bereikt
GWAARSCHUWING
Een met bandenafdichtmiddel tijdelijk afge-
dichte band beïnvloedt de rij-eigenschappen
en is niet geschikt voor hogere snelheden. Er
bestaat gevaar voor ongevallen!
Uw rijstijl overeenkomstig aanpassen en
voorzichtig rijden. Nooit de voor een met ban-
denafdichtmiddel afgedichte band aangege-
ven maximumsnelheid overschrijden.
De maximumsnelheid voor een met bande-
nafdichtmiddel afgedichte band is 80 km/h.
Het bovenste deel van de TIREFIT-sticker
moet op het instrumentenpaneel in het
gezichtsveld van de bestuurder bevestigd
zijn.
!Resten bandenafdichtmiddel kunnen na
het gebruik uit de vulslang lopen. Dit kan
vlekken veroorzaken.
Daarom de vulslang in de plastic zak van de
TIREFIT-set leggen.
HMilieu-aanwijzing
De gebruikte fles bandenafdichtmiddel vak-
kundig laten afvoeren, bijvoorbeeld bij een
gekwalificeerde werkplaats.
Als na vijf minuten de bandenspanning van
180 kPa (1,8 bar, 26 psi) wordt bereikt:
XDe bandencompressor uitschakelen.
XDe vulslang losdraaien van het ventiel van
de lekke band.
XDe fles bandenafdichtmiddel, de banden-
compressor en de gevarendriehoek opber-
gen.
XMeteen wegrijden.
XNa circa 10 minuten stoppen en de ban-
denspanning controleren met de banden-
compressor.
De bandenspanning moet nu ten minste
130 kPa (1,3 bar, 19 psi) bedragen.
GWAARSCHUWING
Als de aangegeven bandenspanning na de
korte rit niet wordt bereikt, is de band te zwaar
beschadigd. Het bandenafdichtmiddel kan
hier geen pechhulp bieden. Beschadigde ban-
den en een te lage bandenspanning kunnen
het remgedrag en de rij-eigenschappen sterk
nadelig beïnvloeden. Er bestaat gevaar voor
ongevallen!
Niet verder rijden. Contact opnemen met een
gekwalificeerde werkplaats.
iIn de auto bevindt zich ook een sticker
met het telefoonnummer van Mercedes-
Benz Service24h, bijvoorbeeld op de B-stijl
aan bestuurderszijde.
XDe bandenspanning corrigeren, wanneer
deze nog ten minste 130 kPa (1,3 bar,
438 Bandenpech
Pechhulp
19 psi) bedraagt. Zie voor de waarden de
tankdopklep.
XBandenspanning verhogen: De banden-
compressor inschakelen.
XBandenspanning verlagen: Afblaasknop
Enaast manometer Findrukken.
XAls de bandenspanning correct is, de vul-
slang losdraaien van het ventiel van de
gerepareerde band.
XHet ventieldopje op het ventiel van de gere-
pareerde band draaien.
XDe fles bandenafdichtmiddel uit de ban-
dencompressor trekken.
De vulslang blijft op de fles bandenafdicht-
middel.
XDe fles bandenafdichtmiddel, de banden-
compressor en de gevarendriehoek opber-
gen.
XNaar de dichtstbijzijnde gekwalificeerde
werkplaats rijden en de band laten vervan-
gen.
XDe fles bandenafdichtmiddel zo snel moge-
lijk laten vervangen bij een gekwalificeerde
werkplaats
XDe fles bandenafdichtmiddel elke vier jaar
laten vervangen bij een gekwalificeerde
werkplaats.
Accu (auto)
Belangrijke veiligheidsvoorschriften
12V-accu
Voor werkzaamheden aan de accu, zoals het
uit- en inbouwen, zijn speciaal gereedschap
en vakkennis noodzakelijk. Daarom werk-
zaamheden aan de accu altijd bij een gekwa-
lificeerde werkplaats laten uitvoeren.
GWAARSCHUWING
Ondeskundig uitgevoerde werkzaamheden
aan de accu kunnen bijvoorbeeld leiden tot
kortsluiting. Daardoor kunnen functiebeper-
kingen van veiligheidsrelevante systemen
optreden, bijvoorbeeld van het verlichtings-
systeem, het ABS (antiblokkeersysteem) of
het ESP®(elektronisch stabiliteitspro-
gramma). De bedrijfsveiligheid van uw voer-
tuig kan beperkt zijn. U kunt de controle over
het voertuig verliezen, bijvoorbeeld:.
Rbij het remmen
Rbij abrupte stuurbewegingen en/of niet
aangepaste snelheden.
Er bestaat gevaar voor ongevallen!
Bij kortsluiting of iets dergelijks direct contact
opnemen met een gekwalificeerde werk-
plaats. Niet verder rijden. Werkzaamheden
aan de accu altijd bij een gekwalificeerde
werkplaats laten uitvoeren.
iMeer informatie over het ABS
(Ypagina 79) en het ESP®(Ypagina 85).
GWAARSCHUWING
Elektrostatische oplading kan tot vonkvor-
ming leiden en daardoor het zeer explosieve
gasmengsel uit een accu ontsteken. Er
bestaat explosiegevaar!
Direct voor het aanraken van de accu de
metalen carrosserie aanraken, om een aan-
wezige elektrostatische oplading af te bou-
wen.
Het zeer explosieve gasmengsel ontstaat bij
het opladen van de accu en tijdens de start-
hulp.
Accu (auto) 439
Pechhulp
Z
Er altijd op letten, dat noch u noch de accu
elektrostatisch opgeladen zijn. Elektrostati-
sche oplading ontstaat bijvoorbeeld:
Rdoor het dragen van synthetische kleding
Rdoor wrijving van de kleding op de stoel
Rals de accu over vloerbedekking of andere
synthetische materialen wordt getrokken
of geschoven
Rals met lappen of doeken over de accu
wordt gewreven.
GWAARSCHUWING
Bij het opladen van een accu komt waterstof-
gas vrij. Als u een kortsluiting veroorzaakt of
als er vonkvorming optreedt, kan het water-
stofgas ontsteken. Explosiegevaar!
RAltijd erop letten dat de plusklem van een
aangesloten accu niet met delen van het
voertuig in aanraking komt.
RGeen metalen voorwerpen of gereedschap
op een accu leggen.
RBij het losmaken en aansluiten van de accu
beslist de beschreven volgorde van de
accuklemmen aanhouden.
RBij starthulp altijd erop letten dat alleen
accupolen met dezelfde polariteit met
elkaar verbonden worden.
RBij starthulp beslist de beschreven volg-
orde voor het vast- en losmaken van de
startkabels aanhouden.
RAls de motor draait de accuklemmen niet
losdraaien of verwijderen.
GWAARSCHUWING
Accuzuur is een agressieve stof. Gevaar voor
letsel!
Het mag niet met de huid, ogen of kleding in
aanraking komen. Geen accugassen inade-
men. Buig u niet over de accu. Kinderen uit de
buurt van accu's houden. Accuvloeistof direct
met water afspoelen en zo snel mogelijk de
hulp van een arts inroepen.
HMilieu-aanwijzing
Batterijen bevatten schade-
lijke stoffen. Het is bij wet
verboden batterijen samen
met het huisvuil af te voeren.
Ze moeten afzonderlijk wor-
den ingezameld en op mili-
euvriendelijke wijze worden
afgevoerd.
Batterijen op milieuvriende-
lijke wijze afvoeren. Lege
batterijen bij een gekwalifi-
ceerde werkplaats of bij de
daarvoor bestemde plaatsen
inleveren.
!De accu regelmatig bij een gekwalifi-
ceerde werkplaats laten controleren.
De onderhoudsintervallen in het onder-
houdsboekje in acht nemen of voor meer
informatie contact opnemen met een
gekwalificeerde werkplaats.
!Werkzaamheden aan de accu's altijd
laten uitvoeren bij een gekwalificeerde
werkplaats. Als het in uitzonderingsgeval-
len beslist noodzakelijk is dat u zelf de
kabels van de 12V-accu losmaakt, er
beslist op letten dat:
Rde auto tegen wegrollen is beveiligd.
Rde motor wordt afgezet en de sleutel uit
het contactslot wordt verwijderd. Het
contact moet uitgeschakeld zijn; dit con-
troleren. Alle controlelampjes in het
instrumentenpaneel moeten gedoofd
zijn. Anders kunnen elektrische onder-
delen, bijvoorbeeld de dynamo, worden
beschadigd.
Reerst de minklem en vervolgens de plus-
klem wordt losgemaakt. In geen geval de
accuklemmen verwisselen! Anders kan
de elektronica van de auto worden
beschadigd.
Rna het losmaken van de accu de trans-
missie in stand Pgeblokkeerd is. De auto
is beveiligd tegen wegrollen. De auto kan
dan niet worden bewogen.
440 Accu (auto)
Pechhulp
De accu's en de afdekkingen van de plus-
klemmen moeten tijdens het gebruik altijd
stevig gemonteerd zijn.
Bij het werken met de accu's de veiligheids-
voorschriften en beschermende maatregelen
in acht nemen.
Explosiegevaar
Vuur, open licht en roken zijn bij
het werken aan een accu verbo-
den. Vonkvorming voorkomen.
Accuzuur is een agressieve stof.
Het mag niet met de huid, ogen of
kleding in aanraking komen.
Geschikte kleding dragen, in het
bijzonder handschoenen, schort
en gezichtsbescherming.
Zuur direct wegspoelen met
schoon water. Zo nodig naar een
arts gaan.
Een veiligheidsbril dragen.
Kinderen uit de buurt houden.
Deze handleiding lezen.
Mercedes-Benz adviseert in verband met de
veiligheid alleen accu's te gebruiken die door
Mercedes-Benz speciaal voor de auto zijn
getest en goedgekeurd. Deze accu's bieden
een verhoogde bescherming tegen eruit
lopende accuvloeistof, opdat inzittenden niet
verwond raken als een accu bij een ongeval
wordt beschadigd.
De accu van de auto moet altijd voldoende
zijn opgeladen, zodat deze de volledige
levensduur kan bereiken.
Als de auto niet wordt gebruikt kan de accu
van de auto, zoals andere accu's, gedurende
de tijd ontladen. In dit geval de accukabels bij
een gekwalificeerde werkplaats laten losma-
ken. U kunt echter ook een door Mercedes-
Benz geadviseerde acculader aansluiten, om
de lading bij te houden. Voor meer informatie
contact opnemen met een gekwalificeerde
werkplaats.
Als de auto overwegend wordt gebruikt voor
korte ritten of gedurende langere tijd buiten
bedrijf wordt gesteld, de laadtoestand van de
accu vaker laten controleren. Als de auto
gedurende langere tijd buiten gebruik wordt
gesteld, een gekwalificeerde werkplaats om
advies vragen.
iAls de auto wordt geparkeerd en geen
elektrische verbruikers benodigd zijn, de
sleutel verwijderen. De auto verbruikt dan
zeer weinig energie, waardoor de accu
wordt ontzien.
iAuto's met HYBRID technologie: De
hoogspanningsaccu kan als de laadtoe-
stand hoog genoeg is ook de 12V-accu
voorzien van energie. Dit gebeurt alleen als
de laadtoestand van de 12V-accu dit nodig
maakt, bijvoorbeeld na langdurig gebruik
van elektrische verbruikers als de motor is
afgezet. Door de permanente bewaking van
de boordnetspanning kan dit ook gebeuren
als de auto stilstaat. De laadtoestand van
de 12V-accu en de boordnetspanning wor-
den daardoor langer stabiel gehouden.
Belangrijke veiligheidsvoorschriften
hoogspanningsaccu
Alleen auto's met HYBRID technologie zijn
uitgerust met een hoogspanningsaccu.
GGEVAAR
Het hoogspanningsboordnet staat onder
hoge spanning. Als onderdelen van het hoog-
spanningsboordnet worden gewijzigd, of als
of onderdelen worden aangeraakt, kunt u een
stroomstoot krijgen. Onderdelen van het
hoogspanningsboordnet kunnen bij een onge-
Accu (auto) 441
Pechhulp
Z
val ook niet zichtbaar worden beschadigd. Er
dreigt levensgevaar!
Hoogspanningsonderdelen niet aanraken en
het hoogspanningsboordnet nooit wijzigen.
De auto na een ongeval laten wegslepen en
het hoogspanningsboordnet laten controle-
ren bij een gekwalificeerde werkplaats.
GWAARSCHUWING
Bij een autobrand kan de inwendige druk van
de hoogspanningsaccu een kritische waarde
overschrijden. In dit geval ontsnapt brand-
baar gas via een ontluchtingsventiel in de
bodemplaat. Het gas kan ontsteken. Er
bestaat gevaar voor letsel!
Direct de gevarenzone verlaten. De gevaren-
zone op voldoende afstand afzetten, rekening
houdend met de wettelijke voorschriften.
GWAARSCHUWING
Als het huis van de hoogspanningsaccu wordt
beschadigd, kan elektrolyt en kunnen gassen
ontsnappen. Deze zijn giftig en agressief. Er
bestaat gevaar voor letsel!
Het mag niet met de huid, ogen of kleding in
aanraking komen. Elektrolytspatten direct
met water afspoelen en zo snel mogelijk con-
tact opnemen met een arts.
!Zwaar ontladen, veroorzaakt door lang
stilstaan van de auto, kan de hoogspan-
ningsaccu beschadigen.
De auto bij lange standtijden elke
zes weken enkele minuten gebruiken, om
de hoogspanningsaccu op te laden.
Tijdens dit opladen niet-benodigde elektri-
sche verbruikers, bijvoorbeeld de automa-
tische temperatuurregeling of stoelverwar-
ming, uitschakelen.
Als de auto gedurende langere tijd buiten
gebruik wordt gesteld, een Mercedes-Benz-
servicewerkplaats om advies vragen.
12V-accu opladen
GWAARSCHUWING
Bij het opladen en bij de starthulp kan een
explosief gasmengsel van de accu ontsnap-
pen. Explosiegevaar!
Beslist vuur, open licht, vonkvorming en roken
vermijden. Bij het opladen en bij starthulp
voor voldoende ventilatie zorgen. Buig u niet
over een accu.
GWAARSCHUWING
Accuzuur is een agressieve stof. Gevaar voor
letsel!
Het mag niet met de huid, ogen of kleding in
aanraking komen. Geen accugassen inade-
men. Buig u niet over de accu. Kinderen uit de
buurt van accu's houden. Accuvloeistof direct
met water afspoelen en zo snel mogelijk de
hulp van een arts inroepen.
GWAARSCHUWING
Een ontladen accu kan reeds bij temperaturen
rond het vriespunt bevriezen. Als starthulp
wordt gegeven of als de accu wordt opgela-
den, kan accugas ontsnappen. Er bestaat
explosiegevaar!
Een bevroren accu altijd laten ontdooien,
alvorens deze op te laden of starthulp te
geven.
!Alleen acculaders gebruiken met een
begrenzing van de laadspanning op max.
14,8 V.
!De accu alleen opladen via het hulpstart-
punt.
Het hulpstartpunt bevindt zich in de motor-
ruimte (Ypagina 444).
XDe motorkap openen.
XDe acculader in dezelfde volgorde als de
externe accu bij de starthulp
(Ypagina 444) op plusaansluiting en mas-
sapunt aansluiten.
In geen geval de ingebouwde accu opladen,
tenzij er gebruik wordt gemaakt van een door
442 Accu (auto)
Pechhulp
Mercedes-Benz getest en goedgekeurd laad-
apparaat. Een speciaal aan auto's van
Mercedes-Benz aangepaste, door Mercedes-
Benz geteste en vrijgegeven acculader is als
accessoire verkrijgbaar. Deze acculader staat
het opladen in ingebouwde toestand toe.
Voor informatie en beschikbaarheid contact
opnemen met een Mercedes-Benz-service-
werkplaats. De handleiding van de acculader
lezen voordat u de accu gaat laden.
Als bij een lage temperatuur de controle-/
waarschuwingslampjes in het instrumenten-
paneel niet gaan branden, is de ontladen accu
met grote waarschijnlijkheid bevroren. In dit
geval mag de accu niet worden opgeladen en
de auto evenmin met starthulp worden
gestart. De levensduur van een weer ont-
dooide accu kan ingekort zijn. Het startge-
drag kan verslechteren, in het bijzonder bij
lage temperatuur. De ontdooide accu bij een
gekwalificeerde werkplaats laten controle-
ren.
iAuto's met HYBRID technologie: De
hoogspanningsaccu kan als de laadtoe-
stand hoog genoeg is ook de 12V-accu
voorzien van energie. Dit gebeurt alleen als
de laadtoestand van de 12V-accu dit nodig
maakt, bijvoorbeeld na langdurig gebruik
van elektrische verbruikers als de motor is
afgezet. Door de permanente bewaking van
de boordnetspanning kan dit ook gebeuren
als de auto stilstaat. De laadtoestand van
de 12V-accu en de boordnetspanning wor-
den daardoor langer stabiel gehouden.
Hoogspanningsaccu opladen als de
auto stilstaat
Alleen auto's met HYBRID technologie zijn
uitgerust met een hoogspanningsaccu.
GWAARSCHUWING
De motor nooit in een gesloten ruimte laten
draaien. De uitlaatgassen bevatten het giftige
koolmonoxide. Het inademen van uitlaatgas-
sen is schadelijk voor de gezondheid, kan lei-
den tot bewusteloosheid en zelfs dodelijk zijn.
!De hoogspanningsaccu alleen opladen in
de bedrijfsmodus "Opladen als de auto stil-
staat". Geen acculader op de hoogspan-
ningsaccu aansluiten. Anders kan het
hoogspanningsboordnet worden bescha-
digd.
XDe auto met draaiende verbrandingsmotor
stoppen.
De verbrandingsmotor drijft de elektromo-
tor aan. De elektromotor wordt als dynamo
gebruikt. De hoogspanningsaccu wordt
opgeladen.
iAls de hoogspanningsaccu te sterk ontla-
den is, de hoogspanningsaccu tot ten min-
ste 60% opladen. In de bedrijfsmodus
"Laden als de auto stilstaat" kan de laad-
toestand van de hoogspanningsaccu tot
maximaal 70% op het COMAND-display en
op het multifunctioneel display worden
geobserveerd (Ypagina 290).
Accu (auto) 443
Pechhulp
Z
Starthulp
Voor starthulp alleen het hulpstartpunt in de motorruimte gebruiken, dat bestaat uit een plu-
saansluiting en een massapunt.
GWAARSCHUWING
Accuzuur is een agressieve stof. Gevaar voor letsel!
Het mag niet met de huid, ogen of kleding in aanraking komen. Geen accugassen inademen. Buig
u niet over de accu. Kinderen uit de buurt van accu's houden. Accuvloeistof direct met water
afspoelen en zo snel mogelijk de hulp van een arts inroepen.
GWAARSCHUWING
Bij het opladen en bij de starthulp kan een explosief gasmengsel van de accu ontsnappen. Explo-
siegevaar!
Beslist vuur, open licht, vonkvorming en roken vermijden. Bij het opladen en bij starthulp voor
voldoende ventilatie zorgen. Buig u niet over een accu.
GWAARSCHUWING
Bij het opladen van een accu komt waterstofgas vrij. Als u een kortsluiting veroorzaakt of als er
vonkvorming optreedt, kan het waterstofgas ontsteken. Explosiegevaar!
RAltijd erop letten dat de plusklem van een aangesloten accu niet met delen van het voertuig
in aanraking komt.
RGeen metalen voorwerpen of gereedschap op een accu leggen.
RBij het losmaken en aansluiten van de accu beslist de beschreven volgorde van de accuklem-
men aanhouden.
RBij starthulp altijd erop letten dat alleen accupolen met dezelfde polariteit met elkaar verbon-
den worden.
RBij starthulp beslist de beschreven volgorde voor het vast- en losmaken van de startkabels
aanhouden.
RAls de motor draait de accuklemmen niet losdraaien of verwijderen.
GWAARSCHUWING
Een ontladen accu kan reeds bij temperaturen rond het vriespunt bevriezen. Als starthulp wordt
gegeven of als de accu wordt opgeladen, kan accugas ontsnappen. Er bestaat explosiegevaar!
Een bevroren accu altijd laten ontdooien, alvorens deze op te laden of starthulp te geven.
!Auto's met benzinemotor: Veelvuldige en langdurige startpogingen voorkomen. Anders
kan door onverbrande brandstof de motor of de katalysator worden beschadigd.
Als bij een lage temperatuur de controle-/waarschuwingslampjes in het instrumentenpaneel
niet gaan branden, is de ontladen accu met grote waarschijnlijkheid bevroren. In dit geval mag
de accu noch worden opgeladen, noch de auto met starthulp worden gestart. De levensduur
van een weer ontdooide accu kan ingekort zijn. Het startgedrag kan verslechteren, in het
bijzonder bij lage temperatuur. De ontdooide accu bij een gekwalificeerde werkplaats laten
controleren.
444 Starthulp
Pechhulp
De auto niet met behulp van een snellader starten. Als de accu ontladen is, kan een andere
auto of een externe accu met startkabels starthulp geven. Daarbij op de volgende punten
letten:
RNiet bij alle auto's is de accu bereikbaar. Wanneer de accu van de andere auto niet bereik-
baar is, vraagt u om starthulp via een externe accu of met behulp van een starthulpsysteem.
RAuto's met benzinemotor: De motor mag alleen met startkabels worden gestart als de
motor koud en het uitlaatsysteem afgekoeld is.
RDe motor niet starten als de accu bevroren is. De accu eerst laten ontdooien.
RAlleen accu's met een nominale spanning van 12V als starthulp gebruiken.
RAlleen startkabels met voldoende grote doorsnede en geïsoleerde pooltangen gebruiken.
RWanneer de accu volledig ontladen is, de starthulp-gevende accu enkele minuten aange-
sloten laten voordat een startpoging wordt ondernomen. Daardoor wordt de lege accu
enigszins opgeladen.
RErop letten dat de beide auto's elkaar niet raken.
Controleren of:
Rde startkabels onbeschadigd zijn
Rniet-geïsoleerde onderdelen van de poolklem van de startkabel niet met andere metalen
onderdelen in aanraking komen zolang de startkabels met de accu zijn verbonden
Rde startkabels bij draaiende motor geen bewegende onderdelen kunnen raken, zoals de
riempoelie of de ventilateur.
XDe auto met de elektrische parkeerrem beveiligen.
XDe transmissie in stand Pzetten.
XHet contact moet uitgeschakeld zijn (Ypagina 195). Alle controlelampjes in het instrumen-
tenpaneel moeten gedoofd zijn. Als de sleutel in het contactslot wordt gebruikt, de sleutel
in stand 0draaien en verwijderen (Ypagina 195).
XAlle elektrische verbruikers, bijvoorbeeld achterruitverwarming, verlichting enzovoort, uit-
schakelen.
XDe motorkap openen.
Afdekking van massapunt (voorbeeld auto met rechts stuur)
Starthulp 445
Pechhulp
Z
Afdekking van massapunt (voorbeeld auto met links stuur)
XDe sluitingen :een Õomwenteling draaien en verwijderen.
XAuto met rechts stuur: De afdekking verwijderen.
XAuto met links stuur: De afdekking verwijderen, daarbij dop ;van het ruitensproeier-
vloeistofreservoir omlaagdrukken.
(voorbeeld auto met links stuur)
Nummer Dduidt de opgeladen accu van de andere auto of een vergelijkbaar starthulpsys-
teem aan.
iAuto met rechts stuur: Plusaansluiting en massapunt bevinden zich aan tegenoverge-
stelde zijde in de auto.
XAfdekking Cvan plusaansluiting =in de richting van de pijl schuiven.
XPlusaansluiting =aan de eigen auto en pluspool ?van de externe accu Dmet de start-
kabel verbinden. Daarbij beginnen met plusaansluiting =van de eigen auto.
XDe motor van de andere auto stationair laten draaien.
XMinpool Avan de externe accu Den massapunt Bvan de eigen auto met de startkabel
verbinden. Daarbij met de externe accu Dbeginnen.
XDe motor starten.
446 Starthulp
Pechhulp
XAlvorens de startkabels los te maken de motoren enkele minuten laten draaien.
XDe startkabel eerst van massapunt Ben minpool Alosmaken, vervolgens van plusaan-
sluiting =en pluspool ?. Hierbij telkens beginnen bij de contacten van de eigen auto.
XNa het verwijderen van de startkabels afdekking Cvan plusaansluiting =sluiten.
XDe afdekking van het massapunt aanbrengen. Erop letten, dat alle bevestigingen voor de
sluitingen exact onder de overeenkomstige uitsparingen van de afdekking liggen.
XDe sluitingen :in de bevestigingen drukken tot ze vergrendelen.
XDe accu bij een gekwalificeerde werkplaats laten controleren.
iAuto's met HYBRID technologie: Als een auto met starthulp is gestart, kan de elektro-
aandrijving eventueel gedurende circa 30 minuten niet beschikbaar zijn.
iDe starthulp is geen normale bedrijfstoestand.
iStartkabels en meer informatie over de starthulp is verkrijgbaar bij elke gekwalificeerde
werkplaats.
Slepen en aanslepen
Belangrijke veiligheidsvoorschriften
GWAARSCHUWING
Veiligheidsrelevante functies zijn beperkt of
niet meer beschikbaar als
Rde motor niet draait
Rhet remsysteem of de stuurbekrachtiging
een storing vertoont
Rde spanningsvoorziening of het boordnet
een storing vertoont.
Als uw voertuig dan wordt gesleept, kan voor
het sturen en remmen aanzienlijk meer kracht
nodig zijn. Er bestaat gevaar voor ongevallen!
In dat geval een sleepstang gebruiken. Vóór
het slepen controleren of de besturing func-
tioneert.
GWAARSCHUWING
Als het stuurslot in aangrijping is, kan het
voertuig niet meer worden bestuurd. Er
bestaat gevaar voor ongevallen!
Bij het slepen met een sleepkabel of sleep-
stang altijd het contact inschakelen.
GWAARSCHUWING
Als het te slepen voertuig zwaarder is dan het
toegestane totaalgewicht van uw voertuig kan
Rde sleepoog afscheuren
Rde combinatie gaan slingeren en zelfs kan-
telen.
Er bestaat gevaar voor ongevallen!
Als u een ander voertuig sleept, moet erop
worden gelet dat het gewicht ervan niet hoger
is dan het toegestane totaalgewicht van uw
voertuig.
!Wanneer de DISTRONIC PLUS of de
HOLD-functie ingeschakeld zijn, remt de
auto in bepaalde situaties automatisch. Om
schade aan de auto te vermijden de
DISTRONIC PLUS en de HOLD-functie in de
volgende of vergelijkbare situaties uitscha-
kelen:
Rbij het slepen
Rin de wasstraat.
!De elektrische parkeerrem moet vrijgezet
zijn; dit controleren. Wanneer de elektri-
sche parkeerrem defect is, contact opne-
men met een gekwalificeerde werkplaats.
!De sleepkabel of sleepstang uitsluitend
aan de sleepogen of, indien aanwezig, aan
Slepen en aanslepen 447
Pechhulp
Z
de trekhaak bevestigen. Anders kan de
auto worden beschadigd.
!Bij het slepen met een sleepkabel de vol-
gende punten in acht nemen:
RDe sleepkabel indien mogelijk aan
dezelfde zijde aan beide voertuigen
bevestigen.
RIn acht nemen dat de sleepkabel niet lan-
ger dan wettelijk toegestaan is. De sleep-
kabel in het midden markeren, bijvoor-
beeld met een witte lap (30 x 30 cm).
Daardoor herkennen andere verkeers-
deelnemers de sleepsituatie.
RDe sleepkabel alleen aan de sleepogen
bevestigen.
RTijdens het rijden de remlichten van het
trekkende voertuig in de gaten houden.
Altijd een dusdanige afstand aanhouden
dat de sleepkabel niet doorhangt.
RVoor het slepen geen staalkabels of ket-
tingen gebruiken. Anders kan het voer-
tuig worden beschadigd.
!Het sleepoog niet gebruiken om de auto
te bergen. Dit kan tot beschadigingen aan
de auto leiden. Bij twijfel moet de auto met
een kraan worden geborgen.
!Tijdens het slepen langzaam en zonder
schokken wegrijden. Te hoge trekkrachten
kunnen de auto's beschadigen.
!De automatische transmissie in stand N
zetten en tijdens het slepen niet het
bestuurders- of passagiersportier openen.
Anders kan het gebeuren, dat de automa-
tische transmissie wisselt naar de stand P,
wat kan leiden tot schade aan de transmis-
sie.
!De auto mag over een afstand van maxi-
maal 50 km worden gesleept. Daarbij mag
een sleepsnelheid van 50 km/h niet wor-
den overschreden.
Bij een sleepafstand van meer dan 50 km
moet de gehele auto worden opgetild en zo
getransporteerd.
!Als u een andere auto aan- of wegsleept,
moet erop worden gelet dat het gewicht
ervan niet hoger is dan het toegestaan
totaalgewicht van uw auto.
Gegevens over het toegestaan totaalgewicht
van de auto vindt u op het voertuigtypeplaatje
(Ypagina 492).
Bij het slepen de wettelijke bepalingen in het
betreffende land in acht nemen.
Aan het transporteren moet de voorkeur
boven slepen worden gegeven.
Als de auto transmissieschade heeft, de auto
op een auto-ambulance of een aanhangwa-
gen laten vervoeren.
De automatische transmissie moet bij het
slepen in stand Nstaan.
Als de automatische transmissie niet in stand
Nkan worden gezet, de auto op een auto-
ambulance of een aanhangwagen laten ver-
voeren.
De accu moet aangesloten en opgeladen zijn.
Anders kan:
Rde sleutel in het contactslot niet in stand
2worden gedraaid
Rde elektrische parkeerrem niet worden vrij-
gezet
Rde automatische transmissie niet in stand
Nworden gezet.
iVóór het slepen de automatische vergren-
deling (Ypagina 102)uitschakelen. Anders
is er bij het aanslepen of slepen van de auto
gevaar voor buitensluiten.
iVóór het slepen de wegsleepbeveiliging
(Ypagina 91) uitschakelen.
448 Slepen en aanslepen
Pechhulp
Sleepoog verwijderen en aanbrengen
Sleepoog aanbrengen
De bevestigingen voor het inschroefbare
sleepoog bevinden zich in de bumpers. Deze
bevinden zich voor en achter onder de afdek-
kingen :.
XHet sleepoog uit het boordgereedschap
resp. de opbergbak nemen (Ypagina 433).
XAfdekking :van de opening verwijderen.
XHet sleepoog rechtsom tot de aanslag naar
binnen draaien en vastzetten.
Auto's met trekhaak hebben achter geen
bevestiging voor het inschroefbare sleepoog.
De sleepkabel of -stang aan de trekhaak
bevestigen (Ypagina 301).
Sleepoog verwijderen
XHet sleepoog losdraaien en verwijderen.
XAfdekking :in de bumper aanbrengen en
vastdrukken tot deze vergrendelt.
XHet sleepoog bij het boordgereedschap
resp. in de opbergbak leggen.
Auto slepen met opgetilde achteras
Slepen met omhooggebrachte achteras is
alleen mogelijk bij auto's zonder 4MATIC.
Auto's met HYBRID technologie: Het sle-
pen met opgetilde achteras mag alleen door
een sleepbedrijf worden uitgevoerd.
!Als de auto wordt gesleept terwijl de ach-
teras is opgetild, moet het contact zijn uit-
geschakeld. Anders kan een ingreep van
het ESP®het remsysteem beschadigen.
!Auto's met 4MATIC mogen niet met opge-
tilde voor- of achteras worden gesleept,
omdat de transmissie anders wordt
beschadigd.
Auto's met 4MATIC mogen worden gesleept
met beide assen op de grond of worden
geborgen en op die manier worden vervoerd.
XDe alarmknipperlichten inschakelen
(Ypagina 155).
XEventueel de sleutel in het contactslot in
stand 0draaien en de sleutel uit het con-
tactslot verwijderen.
XDe sleutel meenemen als de auto wordt
verlaten.
Bij het slepen van de auto met opgetilde ach-
teras de belangrijke veiligheidsvoorschriften
in acht nemen (Ypagina 447).
Auto slepen met beide assen op de
grond
Auto's met HYBRID technologie:
Auto's met HYBRID technologie mogen niet
worden gesleept met beide assen op de
grond, als:
Rhet multifunctioneel display uitgevallen is
of
Rop het multifunctioneel display de display-
melding ~StoringStoring of
RdStoringStoring wordt weergegeven.
Als de auto in een gevarenzone is, mag deze
met beide assen op de grond uit de gevaren-
zone worden weggesleept. De sleepafstand
mag daarbij niet langer dan 50 m zijn en een
sleepsnelheid van 10 km/hmag niet worden
overschreden. De auto voor langere afstan-
Slepen en aanslepen 449
Pechhulp
Z
den laten opladen en vervoeren of laten sle-
pen met omhooggebrachte achteras.
Alle auto's:
Bij het slepen van de auto de belangrijke vei-
ligheidsvoorschriften in acht nemen
(Ypagina 447).
De automatische transmissie schakelt bij het
openen van het bestuurders- of passagiers-
portier of bij het verwijderen van de sleutel uit
het contactslot automatisch naar stand P.
Om ervoor te zorgen dat de automatische
transmissie bij het slepen in stand Nblijft
staan, beslist de volgende stappen in acht
nemen:
XDe sleutel moet in plaats van de start-stop-
toets worden gebruikt (Ypagina 195).
XDe auto moet stilstaan en de contactsleutel
moet in stand 0staan.
XDe sleutel in het contactslot in stand 2
draaien.
XHet rempedaal indrukken en ingedrukt
houden.
XDe automatische transmissie in stand N
zetten.
XHet rempedaal loslaten.
XDe elektrische parkeerrem vrijzetten.
XDe sleutel in het contactslot in stand 2
laten staan.
XDe alarmknipperlichten inschakelen
(Ypagina 155).
iBij het slepen met ingeschakelde alarm-
knipperlichten de combischakelaar nor-
maal gebruiken om veranderingen van de
rijrichting aan te geven. In dit geval knip-
peren alleen de richtingaanwijzers voor de
gewenste rijrichting. Na het terugzetten
van de combischakelaar beginnen de
alarmknipperlichten weer te knipperen.
Auto vervoeren
Auto's met HYBRID technologie: Het ver-
voeren van de auto mag alleen door een
sleepbedrijf worden uitgevoerd.
!De auto alleen aan de wielen vastmaken,
niet aan delen van de auto zoals onderdelen
van de assen of besturing. Anders kan de
auto worden beschadigd.
Als de auto op een aanhangwagen of een
auto-ambulance moet worden getrokken,
kunt u gebruikmaken van de trekhaak of van
de sleepogen.
XDe sleutel in het contactslot in stand 2
draaien.
XDe automatische transmissie in stand N
zetten.
Zodra de auto op de transporter staat:
XDe auto met de elektrische parkeerrem
tegen wegrollen beveiligen.
XDe automatische transmissie in stand P
zetten.
XDe sleutel in het contactslot in stand 0
draaien en verwijderen.
XDe auto vastzetten.
Aanwijzingen voor auto's met 4MATIC
!Auto's met 4MATIC mogen niet met opge-
tilde voor- of achteras worden gesleept,
omdat de transmissie anders wordt
beschadigd.
Auto's met 4MATIC mogen worden gesleept
met beide assen op de grond of worden
geborgen en op die manier worden vervoerd.
Als de auto schade aan de transmissie of aan
de voor- of achteras heeft, moet deze in
plaats van slepen op een aanhangwagen of
auto-ambulance worden vervoerd.
Bij storingen van de elektronica: Bij een
defecte accu is de automatische transmissie
geblokkeerd in stand P. Om de automatische
transmissie in stand Nte kunnen zetten,
moet het boordnet op dezelfde wijze als bij
een starthulp (Ypagina 444) van spanning
worden voorzien.
Aan het transporteren op een auto-ambu-
lance of aanhangwagen moet de voorkeur
worden gegeven.
450 Slepen en aanslepen
Pechhulp
Aanslepen (motornoodstart)
!Voertuigen met automatische transmis-
sie mogen niet door aanslepen worden
gestart. Anders kan de automatische trans-
missie worden beschadigd.
iInformatie over het onderwerp "Start-
hulp" (Ypagina 444).
Elektrische zekeringen
Belangrijke veiligheidsvoorschriften
GWaarschuwing
Als een defecte zekering wordt gemanipu-
leerd, doorverbonden of wordt vervangen
door een zekering met een hoger amperage,
kan de elektrische bedrading overbelast wor-
den. Daardoor kan brand ontstaan. Er bestaat
gevaar voor letsel en ongevallen!
Defecte zekeringen altijd vervangen door
gespecificeerde, nieuwe zekeringen met het
correcte amperage.
Doorgebrande zekeringen moeten worden
vervangen door gelijkwaardige zekeringen,
herkenbaar aan de kleur en de ampère-
waarde. De ampèrewaarden zijn te vinden in
het zekeringenaansluitschema.
Het zekeringenaansluitschema bevindt zich
in de zekeringenhouder in de bagageruimte
(Ypagina 453).
Als een nieuw aangebrachte zekering
opnieuw doorbrandt, de oorzaak laten vast-
stellen en verhelpen bij een gekwalificeerde
werkplaats.
!Alleen door Mercedes-Benz goedge-
keurde zekeringen met de voorgeschreven
ampèrewaarde voor het betreffende sys-
teem gebruiken. Anders kunnen onderde-
len of systemen beschadigd raken.
De elektronische zekeringen van de auto zor-
gen ervoor dat defecte stroomcircuits wor-
den uitgeschakeld. Als een zekering is door-
gebrand vallen de daarop aangesloten com-
ponenten en hun functies uit.
Vóór het vervangen van zekeringen
XDe auto tegen wegrollen beveiligen
(Ypagina 220).
XAlle elektrische verbruikers uitschakelen.
XHet contact moet uitgeschakeld zijn
(Ypagina 195).
of
XAls de sleutel in het contactslot wordt
gebruikt, de sleutel in stand 0draaien en
verwijderen (Ypagina 195).
Alle controlelampjes in het instrumentenpa-
neel moeten gedoofd zijn.
De elektrische zekeringen zijn over verschil-
lende zekeringenhouders verdeeld:
Rzekeringenhouder in het dashboard aan
bestuurderszijde
Rzekeringenhouder in de beenruimte van de
passagier
Rzekeringenhouder in de motorruimte in rij-
richting gezien links
Rzekeringenhouder in de bagageruimte in
rijrichting gezien rechts.
Zekeringenhouder in het dashboard
!Geen scherp voorwerp, zoals een schroe-
vendraaier, gebruiken om de afdekking in
het dashboard te openen. Het dashboard
en de afdekking kunnen dan worden
beschadigd.
!Erop letten dat bij geopende afdekking
geen vochtigheid in de zekeringenhouder
terecht kan komen.
!Er bij het sluiten van de afdekking op let-
ten, dat deze correct op de zekeringenhou-
der is geplaatst. Anders kan binnendrin-
gend vocht of vuil de werking van de zeke-
ringen beïnvloeden.
XHet bestuurdersportier openen.
Elektrische zekeringen 451
Pechhulp
Z
XOpenen: Afdekking :in de richting van de
pijl naar buiten trekken en verwijderen.
XSluiten: Afdekking :vóór in het dash-
board bevestigen.
XAfdekking :inklappen tot deze vergren-
delt.
Zekeringenhouder in de beenruimte
van de passagier
!Erop letten dat bij geopende afdekking
geen vochtigheid in de zekeringenhouder
terecht kan komen.
!Er bij het sluiten van de afdekking op let-
ten, dat deze correct op de zekeringenhou-
der is geplaatst. Anders kan binnendrin-
gend vocht of vuil de werking van de zeke-
ringen beïnvloeden.
XHet passagiersportier openen.
XAfdekking :omlaag openklappen en ver-
wijderen.
Zekeringenhouder in motorruimte
GWAARSCHUWING
Als de ruitenwissers zich in beweging zetten
als de motorkap geopend is, kunt u bekneld
raken in het mechanisme. Er bestaat gevaar
voor letsel!
Altijd de ruitenwissers en het contact uitscha-
kelen, voordat de motorkap wordt geopend.
!Erop letten dat bij geopende afdekking
geen vochtigheid in de zekeringenhouder
terecht kan komen.
!Er bij het sluiten van de afdekking op let-
ten, dat deze correct op de zekeringenhou-
der is geplaatst. Anders kan binnendrin-
gend vocht of vuil de werking van de zeke-
ringen beïnvloeden.
XDe motorkap openen.
XOpenen: De borgklemmen :losmaken en
afdekking ;verwijderen.
452 Elektrische zekeringen
Pechhulp
XMet een droge doek eventueel aanwezig
vocht van de zekeringenhouder verwijde-
ren.
XDe schroeven =van de zekeringenhouder
losdraaien.
XAfdekking ?van de zekeringenhouder
naar voren verwijderen.
XSluiten: Controleren of de afdichting cor-
rect in afdekking ?ligt.
XAfdekking ?achter aan de zekeringen-
houder in de houder aanbrengen.
XAfdekking ?van de zekeringenhouder
omlaagklappen en de schroeven =vast-
draaien.
XAfdekking ;aanbrengen en met de borg-
klemmen :bevestigen.
XDe motorkap sluiten.
Zekeringenhouder in bagageruimte
!Erop letten dat bij geopende afdekking
geen vochtigheid in de zekeringenhouder
terecht kan komen.
!Er bij het sluiten van de afdekking op let-
ten, dat deze correct op de zekeringenhou-
der is geplaatst. Anders kan binnendrin-
gend vocht of vuil de werking van de zeke-
ringen beïnvloeden.
XDe achterklep openen.
XOpenen: Afdekking :met een plat voor-
werp links- en rechtsboven losmaken.
XAfdekking :in de richting van de pijl
omlaagzwenken.
iHet zekeringenaansluitschema bevindt
zich in een uitsparing aan de zijkant van de
zekeringenhouder. De overeenkomstige
zekeringwaarde en het zekeringtype zijn te
vinden in het zekeringenaansluitschema.
Elektrische zekeringen 453
Pechhulp
Z
454
Wetenswaardigheden ....................... 456
Belangrijke veiligheidsvoorschrif-
ten ...................................................... 456
Gebruik .............................................. 456
Gebruik in de winter ......................... 458
Bandenspanning ............................... 460
Verwisselen van een wiel ................. 465
Velg-bandcombinaties ...................... 472
Noodwiel ............................................ 486
455
Banden en velgen
Wetenswaardigheden
iDeze handleiding beschrijft alle modellen
en standaard- en speciale uitrustingen van
de auto die op het tijdstip van de redactie-
sluiting van deze handleiding verkrijgbaar
waren. Landspecifieke afwijkingen zijn ook
mogelijk. In acht nemen dat de auto niet
met alle beschreven functies kan zijn uit-
gerust. Dit betreft ook veiligheidsrelevante
systemen en functies.
iDe informatie over gekwalificeerde werk-
plaatsen lezen (Ypagina 29).
Belangrijke veiligheidsvoorschriften
GWAARSCHUWING
Als banden en velgen met verkeerde afmetin-
gen zijn gemonteerd, kunnen de wielremmen
of onderdelen van de wielophanging worden
beschadigd. Er bestaat gevaar voor ongeval-
len!
Banden en velgen altijd vervangen door exem-
plaren met de specificaties van het originele
onderdeel.
Bij velgen daarbij:
Romschrijving
Ren type in acht nemen.
Bij banden daarbij:
Romschrijving
Rfabrikant
Ren type in acht nemen.
GWAARSCHUWING
Een drukloze band beïnvloedt de rij-eigen-
schappen en het stuur- en remgedrag van de
auto sterk. Er bestaat gevaar voor ongevallen!
Banden zonder noodeigenschappen:
RNiet met drukloze band rijden.
RDe drukloze band direct vervangen door het
nood- of reservewiel of contact opnemen
met een gekwalificeerde werkplaats.
Banden met noodeigenschappen:
RDe informatie en de waarschuwingsaanwij-
zingen over MOExtended banden (banden
met noodeigenschappen) in acht nemen.
Accessoires, die niet door Mercedes-Benz
voor uw auto zijn goedgekeurd, of waar niet
naar behoren mee wordt omgegaan, kunnen
de rijveiligheid nadelig beïnvloeden.
Voor de aanschaf of het gebruik van niet
goedgekeurde accessoires bij een gekwalifi-
ceerde werkplaats informatie vragen over:
Rdoelmatigheid
Rwettelijke voorschriften
Raanbevelingen af fabriek.
Informatie over de afmetingen en typen van
banden en velgen voor uw auto vindt u in het
hoofdstuk "Velg-bandcombinaties"
(Ypagina 472)(Ypagina 472).
Informatie over de bandenspanning van de
banden van uw auto vindt u:
Rop de bandenspanningstabel in de tank-
dopklep (Ypagina 214)
Ronder "Bandenspanning" (Ypagina 460)
Nabewerken van het remsysteem en de wie-
len is niet toegestaan. Het gebruik van vul-
platen en remstofplaten is niet toegestaan.
De auto voldoet dan niet meer aan de speci-
ficaties van de typegoedkeuring.
iMeer informatie over banden en velgen is
verkrijgbaar bij elke gekwalificeerde werk-
plaats.
Gebruik
Informatie bij het rijden
De bandenspanning controleren en zo nodig
corrigeren als de auto zwaar beladen is.
Tijdens het rijden letten op trillingen, geluiden
en ongewoon rijgedrag, bijvoorbeeld trekken
naar een kant. Dit kan wijzen op beschadi-
gingen aan banden of velgen. Als bandenpech
vermoed wordt de snelheid verlagen. Zo snel
mogelijk stoppen en de banden en velgen op
456 Gebruik
Banden en velgen
beschadigingen controleren. Onzichtbare
beschadigingen van de banden kunnen even-
eens de oorzaak van het ongewone rijgedrag
zijn. Als er geen beschadigingen te zien zijn,
de banden en velgen laten controleren bij een
gekwalificeerde werkplaats.
Erop letten dat de banden niet worden inge-
klemd bij het parkeren. Indien niet vermijd-
baar onder een rechte hoek en langzaam over
stoepranden, verkeersdrempels of andere
randen rijden. De banden en in het bijzonder
de flanken van de banden kunnen anders
beschadigen.
Regelmatige controle van de wielen
en banden
GWAARSCHUWING
Beschadigde banden kunnen leiden tot verlies
van bandenspanning. Daardoor kunt u de con-
trole over de auto verliezen. Er bestaat gevaar
voor ongevallen!
De banden regelmatig op beschadigingen
controleren en beschadigde banden direct
vervangen.
De banden en velgen regelmatig op bescha-
diging controleren, ten minste eenmaal per
maand en na rijden in het terrein of op slechte
wegen. Beschadigde wielen kunnen leiden tot
verlies van bandenspanning. Op beschadigin-
gen letten, zoals:
Rkerven in de band
Rsteken in de band
Rscheuren in de band
Ruitstulpingen in de band
Rverbuiging of sterke corrosie van de wielen.
De profieldiepte en de toestand van het loop-
vlak over de gehele breedte bij alle banden
regelmatig controleren (Ypagina 456). Om de
binnenzijde beter te kunnen controleren zo
nodig de voorwielen geheel naar links en
rechts draaien.
Om het ventiel tegen vuil en vochtigheid te
beschermen, moeten alle wielen over een
ventieldopje beschikken. Op het ventiel
alleen het standaard ventieldopje of andere
door Mercedes-Benz speciaal voor de auto
goedgekeurde ventieldopjes gebruiken. Geen
andere ventieldopjes en systemen, bijvoor-
beeld systemen voor de bandenspannings-
controle, gebruiken.
Regelmatig en voor aanvang van een langere
rit de bandenspanning van alle banden con-
troleren. Deze zo nodig aanpassen
(Ypagina 460).
De aanwijzingen m.b.t. het noodwiel in acht
nemen (Ypagina 486).
De levensduur van een band is onder anderen
afhankelijk van de volgende factoren:
Rrijstijl
Rbandenspanning
Rafgelegde afstand.
Belangrijke veiligheidsvoorschriften
m.b.t. het bandenprofiel
GWAARSCHUWING
Als het bandenprofiel te laag is, wordt de grip
minder. Het bandenprofiel kan het water niet
meer afvoeren. Daardoor wordt bij een natte
rijbaan het gevaar van aquaplaning, in het bij-
zonder bij een niet aangepast snelheid, ver-
hoogd. Er bestaat gevaar voor ongevallen!
Bij een te hoge of een te lage bandenspanning
kunnen banden op verschillende plaatsen van
het loopvlak verschillend slijten. Daarom de
profieldiepte en de toestand van het loopvlak
over de gehele breedte bij alle banden regel-
matig controleren.
Minimumprofieldiepte bij
RZomerbanden: 3 mm
RM+S-banden: 4 mm.
Om veiligheidsredenen de banden vóór het
bereiken van de wettelijk voorgeschreven
minimumprofieldiepte laten vervangen.
Gebruik 457
Banden en velgen
Z
Selectie, montage en vervanging van
banden
RAlleen banden en velgen van dezelfde con-
structie en hetzelfde merk monteren.
Uitzondering: In geval van pech kan hiervan
worden afgeweken. Het hoofdstuk "MOEx-
tended-banden (banden met noodeigen-
schappen)" (Ypagina 435) in acht nemen.
ROp de velgen alleen passende banden mon-
teren.
RNieuwe banden de eerste 100 km met
matige snelheid inrijden. Pas dan bereiken
de nieuwe banden de volledige capaciteit.
RDe band niet te ver laten slijten. Anders
wordt de grip op natte wegen sterk nadelig
beïnvloed (aquaplaning).
RDe banden uiterlijk om de zes jaar laten
vervangen, ongeacht de slijtage.
De aanwijzingen m.b.t. het noodwiel in acht
nemen (Ypagina 486).
MOExtended banden (banden met
noodeigenschappen)
Met MOExtended banden (banden met nood-
eigenschappen) kan ook met de auto worden
gereden als één of meer banden volledig leeg
zijn.
MOExtended banden mogen alleen in combi-
natie met geactiveerde bandenspannings-
waarschuwing of bandenspanningscontrole
en alleen op speciaal door Mercedes-Benz
gecontroleerde wielen worden gebruikt.
Aanwijzingen m.b.t. het rijden met MOExten-
ded banden bij pech (Ypagina 435).
iAuto's met MOExtended-banden zijn af
fabriek niet uitgerust met een TIREFIT-set.
Als de auto wordt voorzien van banden zon-
der noodeigenschappen, bijvoorbeeld win-
terbanden, moet ook een TIREFIT-set wor-
den aangebracht. Een TIREFIT-set is ver-
krijgbaar bij een gekwalificeerde werk-
plaats.
Gebruik in de winter
Algemene aanwijzingen
Voor het begin van de winter bij een gekwa-
lificeerde werkplaats een winterinspectie
laten uitvoeren.
De aanwijzingen in het hoofdstuk "Wielen ver-
wisselen" (Ypagina 466) in acht nemen.
Met zomerbanden rijden
Zomerbanden verliezen bij temperaturen
onder +7 †duidelijk aan elasticiteit en daar-
mee aan grip en remcapaciteit. De auto uit-
rusten met M+S-banden. Bij zomerbanden
kan door gebruik bij zeer lage temperaturen
scheurvorming optreden, waardoor ze blij-
vend beschadigd raken. Mercedes-Benz kan
voor dit soort schade geen verantwoordelijk-
heid nemen.
GWAARSCHUWING
Beschadigde banden kunnen leiden tot verlies
van bandenspanning. Daardoor kunt u de con-
trole over de auto verliezen. Er bestaat gevaar
voor ongevallen!
De banden regelmatig op beschadigingen
controleren en beschadigde banden direct
vervangen.
M+S-banden
GWAARSCHUWING
M+S-banden met een profieldiepte onder
4 mm zijn niet geschikt voor gebruik in de
winter en bieden niet voldoende grip. Er
bestaat gevaar voor ongevallen!
M+S-banden met een profieldiepte van min-
der dan 4 mm altijd vervangen.
Bij temperaturen onder +7 winterbanden
of vierseizoenenbanden gebruiken. Beide zijn
met M+S gekenmerkt.
Onder winterse omstandigheden bieden
alleen winterbanden met het sneeuwvlok-
symbool inaast M+S de beste grip.
458 Gebruik in de winter
Banden en velgen
Alleen met deze banden kunnen rijveilig-
heidssystemen, zoals het ABS en het ESP®,
ook in de winter optimaal werken. Deze ban-
den zijn speciaal ontwikkeld voor het rijden in
sneeuw.
Om een veilig rijgedrag te verkrijgen moeten
op alle vier de wielen M+S-banden van het-
zelfde merk en met hetzelfde profiel worden
gemonteerd.
De toegestane maximumsnelheid van de
gemonteerde M+S-banden mag nooit worden
overschreden.
Als M+S-banden worden gemonteerd met
een lagere toegestane maximumsnelheid dan
de auto, moet in het gezichtsveld van de
bestuurder een sticker worden aangebracht.
Deze is verkrijgbaar bij een gekwalificeerde
werkplaats.
In dit geval tevens de topsnelheid met de per-
manente SPEEDTRONIC begrenzen op de
toegestane maximumsnelheid voor de
M+S-banden (Ypagina 234).
Als M+S-banden zijn gemonteerd:
XDe bandenspanning controleren
(Ypagina 460).
XDe bandenspanningswaarschuwing
opnieuw activeren (Ypagina 465).
XDe bandenspanningscontrole opnieuw
activeren (Ypagina 463).
Meer informatie over het rijden met een nood-
wiel (Ypagina 486).
Sneeuwkettingen
GWAARSCHUWING
Als sneeuwkettingen op de voorwielen wor-
den gemonteerd, kunnen de sneeuwkettin-
gen tegen de carrosserie of delen van het
onderstel schuren. Daardoor kan schade aan
de auto of aan de banden ontstaan. Er bestaat
gevaar voor ongevallen!
Om risico's te vermijden:
Rnooit sneeuwkettingen op de voorwielen
monteren
Rsneeuwkettingen op de achterwielen altijd
paarsgewijs monteren.
Mercedes-Benz adviseert om veiligheidsrede-
nen alleen de door Mercedes-Benz goedge-
keurde of sneeuwkettingen van dezelfde kwa-
liteit te gebruiken.
Bij het monteren van sneeuwkettingen op het
volgende letten:
RNiet op alle velg-bandcombinaties mogen
sneeuwkettingen worden gemonteerd.
Toegestane velg-bandcombinaties
(Ypagina 472).
RSneeuwkettingen alleen gebruiken als de
weg geheel met sneeuw bedekt is. De
sneeuwkettingen zo snel mogelijk verwij-
deren, als de weg niet meer geheel met
sneeuw bedekt is.
RPlaatselijke bepalingen kunnen het gebruik
van sneeuwkettingen beperken. De betref-
fende voorschriften in acht nemen als u
sneeuwkettingen wilt monteren.
RDe toegestane maximumsnelheid van
50 km/h niet overschrijden.
RAls sneeuwkettingen zijn gemonteerd, mag
bij auto's met AIRMATIC (Ypagina 249) of
Active Body Control (ABC) (Ypagina 247)
alleen met verhoogd niveau worden gere-
den.
Bij het wegrijden met sneeuwkettingen kan
het ESP®(Ypagina 86) worden uitgescha-
keld. Daardoor kunnen de wielen gecontro-
leerd doordraaien en een verhoogde aandrijf-
kracht genereren (freeswerking).
Meer informatie over het rijden met een nood-
wiel (Ypagina 486).
Gebruik in de winter 459
Banden en velgen
Z
Bandenspanning
Informatie over de bandenspanning
GWaarschuwing
Banden met een te lage of een te hoge ban-
denspanning leveren de volgende gevaren op:
RDe banden kunnen klappen, in het bijzon-
der bij toenemende belading en snelheid.
RDe banden kunnen overmatig en/of onge-
lijkmatig slijten, waardoor de grip sterk
nadelig wordt beïnvloed.
RDe rij-eigenschappen en het stuur- en rem-
gedrag kunnen sterk nadelig beïnvloed wor-
den.
Er bestaat gevaar voor ongevallen!
De geadviseerde bandenspanningen in acht
nemen en de bandenspanningen van alle ban-
den, inclusief het reservewiel, controleren:
Riedere dag voor aanvang van de rit
Rbij gewijzigde belading
Rvoor aanvang van een langere rit
Rbij gewijzigde gebruiksomstandigheden,
bijvoorbeeld rijden in het terrein.
De bandenspanning zo nodig aanpassen.
GWAARSCHUWING
Als ongeschikte accessoires op bandenven-
tiel worden gemonteerd, kunnen de banden-
ventielen worden overbelast en falen, waar-
door verlies van bandenspanning wordt ver-
oorzaakt. Voor montage naderhand aangebo-
den bandenspanningscontrolesystemen hou-
den het bandenventiel geopend. Dit kan
bovendien leiden tot verlies van bandenspan-
ning. Er bestaat gevaar voor ongevallen!
Alleen de standaard of de door Mercedes-
Benz speciaal voor uw auto goedgekeurde
ventieldopjes op de bandenventielen schroe-
ven.
GWAARSCHUWING
Als de bandenspanning herhaaldelijk daalt,
kunnen velg, ventiel of band beschadigd zijn.
Een te lage bandenspanning kan tot klappen
van de band leiden. Er bestaat gevaar voor
ongevallen!
RDe band controleren op binnengedrongen
voorwerpen.
RControleer of de velg of het ventiel lekkage
vertonen.
Als de beschadiging niet kan worden verhol-
pen, contact opnemen met een gekwalifi-
ceerde werkplaats.
HMilieu-aanwijzing
De bandenspanning regelmatig controleren,
echter ten minste elke 14 dagen.
Er bevindt zich aan de binnenzijde van de
tankdopklep een tabel voor de bandenspan-
ning bij verschillende gebruiksomstandighe-
den.
Rijden met noodwiel(Ypagina 486).
Rijden met een aanhangwagen: De op de
bandenspanningstabel in de tankdopklep
aangegeven waarde voor de achteras is gel-
dig.
Op de bandenspanningstabel in de tankdop-
klep kan de bandenspanning voor verschil-
lende beladingstoestanden zijn aangegeven.
Deze zijn in de tabel gekenmerkt door een
verschillend aantal personen en bagage. Het
daadwerkelijk aantal zitplaatsen kan daarvan
afwijken informatie daarover vindt u in de
autopapieren.
Als geen bandenmaat wordt aangegeven, zijn
de bandenspanningen op het bandenspan-
ningsplaatje voor alle af fabriek op deze auto
toegestane banden geldig.
460 Bandenspanning
Banden en velgen
Als een bandenmaat voor de bandenspanning
vermeld staat, dan geldt de betreffende ban-
denspanning alleen voor deze bandenmaat.
Voor het controleren van de bandenspanning
een geschikte bandenspanningsmeter
gebruiken. Het uiterlijk van een band geeft
geen uitsluitsel over de bandenspanning. De
bandenspanning kan ook via de boordcom-
puter worden opgevraagd.
De bandenspanning zo mogelijk alleen corri-
geren als de banden koud zijn
De banden zijn koud:
Rals de auto gedurende ten minste 3 uur
geparkeerd was zonder zonnestraling op de
banden, en
Rals minder dan 1,6 km met de auto gereden
is.
Afhankelijk van de buitentemperatuur, de rij-
snelheid en de belasting van de banden ver-
andert de bandentemperatuur en daarmee de
bandenspanning: Per 10 met circa
10 kPa (0,1 bar, 1,5 psi). Hier rekening mee
houden, als de bandenspanning wordt gecon-
troleerd als de banden warm zijn. De banden-
spanning alleen corrigeren, als deze voor de
actuele bedrijfsomstandigheden te laag is.
Een te lage of te hoge bandenspanning:
Rverkort de levensduur van de banden
Rzorgt voor beschadiging van de banden
Rheeft een nadelige invloed op het rijgedrag
en daarmee op de rijveiligheid (bijvoor-
beeld door aquaplaning).
iDe voor een geringe belasting aangege-
ven waarden zijn minimumwaarden waarbij
een optimaal rijcomfort wordt verkregen.
U kunt echter ook de waarden voor hogere
belasting aanhouden. Deze zijn toegestaan
en rijtechnisch gunstig.
De in de bandenspanningstabel (tankdop-
klep) aangegeven waarden voor de situatie
"gedeeltelijk beladen" en "volbeladen" gelden
voor de maximumsnelheid van de auto.
In tegenstelling tot de gegevens in de ban-
denspanningstabel kunnen de waarden voor
de toestand "gedeeltelijk beladen tot
210 km/h", zonder dat dit invloed heeft op
de rijveiligheid, als volgt worden verlaagd:
RÒ30 kPa (Ò0,3 bar, Ò4 psi) voor alle modellen
Dit geldt niet wanneer met een aanhangwa-
gen wordt gereden.
Het rijcomfort wordt verbeterd, het brand-
stofverbruik kan echter iets toenemen.
Bandenspanningscontrole
Algemene aanwijzingen
Bij de bandenspanningscontrole bevinden
zich in de wielen van de auto sensoren die de
bandenspanning in de banden bewaken. Als
de spanning van een of meerdere banden
daalt, waarschuwt de bandenspanningscon-
trole. De bandenspanningscontrole werkt
alleen als in alle wielen de overeenkomstige
sensoren zijn gemonteerd.
Informatie over de bandenspanning wordt op
het multifunctioneel display weergegeven. Na
enkele minuten rijden verschijnt op het mul-
tifunctioneel display in het menu ServiceService de
actuele bandenspanning van de afzonderlijke
wielen, zie de afbeelding (voorbeeld).
Meer informatie over het weergeven van de
melding vindt u in het hoofdstuk "Banden-
spanning elektronisch controleren"
(Ypagina 462).
Belangrijke veiligheidsvoorschriften
De bestuurder is ervoor verantwoordelijk, de
bandenspanning in te stellen op de geadvi-
seerde, voor de bedrijfsomstandigheden
Bandenspanning 461
Banden en velgen
Z
geschikte bandenspanning voor koude ban-
den (Ypagina 460). In acht nemen dat de
bandenspanningscontrole de voor de actuele
bedrijfsomstandigheden correcte banden-
spanning eerst moet inleren. De waarschu-
wingsdrempel voor de waarschuwingsmel-
ding bij een duidelijke spanningsdaling is
gebaseerd op de ingeleerde referentiewaar-
den. Nadat de bandenspanning bij koude ban-
den is ingesteld, de bandenspanningscon-
trole opnieuw starten (Ypagina 463). De
actuele spanningen worden daarbij als
nieuwe referentiewaarde opgeslagen. Daar-
mee is gewaarborgd, dat pas een waarschu-
wingsmelding wordt gegeven als de banden-
spanning duidelijk gedaald is.
De bandenspanningscontrole waarschuwt
niet voor een incorrect ingestelde banden-
spanning. De aanwijzingen m.b.t. de geadvi-
seerde bandenspanning in acht nemen
(Ypagina 460).
De bandenspanningscontrole kan geen waar-
schuwing geven voor plotselinge lekkage, bij-
voorbeeld door het binnendringen van een
voorwerp in de band. In dit geval de auto door
voorzichtig afremmen tot stilstand brengen.
Hierbij geen heftige stuurbewegingen maken.
De bandenspanningscontrole beschikt in het
instrumentenpaneel over een geel waarschu-
wingslampje voor drukverlies of een storing.
Afhankelijk van het knipperen of branden van
het waarschuwingslampje, wordt een te lage
bandenspanning of een storing van de ban-
denspanningscontrole weergegeven:
RAls het waarschuwingslampje continu
brandt, is de bandenspanning bij een of
meerdere banden duidelijk te laag. De ban-
denspanningscontrole heeft geen storing.
RAls het waarschuwingslampje circa 1
minuut knippert en dan permanent brandt,
vertoont de bandenspanningscontrole een
storing.
iNaast het waarschuwingslampje ver-
schijnt een melding op het multifunctioneel
display.
Meer informatie hierover vindt u hier
(Ypagina 360).
Bij een storing van de uitgebreide banden-
spanningscontrole kan het langer dan 10
minuten duren, voordat de storing wordt
weergegeven door circa 1 minuut knipperen
en vervolgens branden van het waarschu-
wingslampje bandenspanning. Als de storing
verholpen is, dooft het waarschuwingslampje
bandenspanning na enkele minuten rijden.
De waarden voor de bandenspanning in de
boordcomputer kunnen afwijken van de
waarden die bij het tankstation met een ban-
denspanningsmeter worden gemeten. De
door de boordcomputer weergegeven ban-
denspanningen hebben betrekking op zeeni-
veau. Op hoger gelegen locaties geven lucht-
drukmeters een hogere bandenspanning
weer dan de boordcomputer. In dit geval de
bandenspanning verlagen.
Als in de omgeving van de auto gebruik wordt
gemaakt van zendinstallaties (bijvoorbeeld
draadloze hoofdtelefoons, mobiele tele-
foons), kan de werking van de bandenspan-
ningscontrole worden beïnvloed.
Bandenspanning elektronisch controle-
ren
XDe contactsleutel moet in stand
2(Ypagina 195) staan.
XMet òin het stuurwiel de lijst van
menu's oproepen.
XMet 9of :in het stuurwiel het menu
ServiceService selecteren.
Xaindrukken.
XMet 9of :BandenspanningBandenspanning selec-
teren.
Xaindrukken.
De actuele bandenspanning van de afzon-
derlijke banden wordt op het multifunctio-
neel display weergegeven.
Als de auto langer dan 20 minuten is gepar-
keerd, verschijnt de melding Bandenspan‐Bandenspan‐
nings- indicatie verschijnt nanings- indicatie verschijnt na
enkele minuten rijdenenkele minuten rijden.
462 Bandenspanning
Banden en velgen
De bandenspanningscontrole herkent na een
inleerprocedure automatisch nieuwe wielen
of nieuwe sensoren. Zolang nog geen ondub-
belzinnige toekenning van de bandenspan-
ningswaarden bij de wielposities mogelijk is,
wordt in plaats van de bandenspanning de
displaymelding Bandenspannings- con‐Bandenspannings- con‐
trole actieftrole actief weergegeven. De banden-
spanningen worden dan reeds gecontroleerd.
iAls het noodwiel gemonteerd is, kan het
systeem gedurende enkele minuten nog de
bandenspanning van het verwijderde wiel
weergeven. Als dit voorkomt er rekening
mee houden dat de weergegeven waarde
op de plaats van het gemonteerde noodwiel
niet meteen de actuele bandenspanning
van het noodwiel hoeft te zijn.
Waarschuwingsmeldingen van de ban-
denspanningscontrole
Wanneer de bandenspanningscontrole bij
één of meer banden een drukverlies herkent,
verschijnt op het multifunctioneel display een
waarschuwingsmelding en gaat het gele
waarschuwingslampje bandenspanningscon-
trole branden.
RWanneer op het multifunctioneel display de
melding Banden-Banden- spanningspanning corrig.corrig. ver-
schijnt, is de bandenspanning van een of
meer banden te laag en moeten deze bij
gelegenheid worden opgepompt.
RWanneer op het multifunctioneel display de
melding Banden controlerenBanden controleren verschijnt,
is de bandenspanning van een of meer ban-
den sterk gedaald en moeten de banden
worden gecontroleerd.
RAls op het multifunctioneel display de mel-
ding Let op: band defectLet op: band defect verschijnt,
daalt de bandenspanning van een of meer
banden plotseling sterk en moeten de ban-
den worden gecontroleerd.
Beslist de aanwijzingen en veiligheidsvoor-
schriften bij de displaymeldingen in het
hoofdstuk "Banden" in acht nemen
(Ypagina 360).
iAls de wielen aan de auto van plaats wor-
den verwisseld, kan het gedurende korte
tijd gebeuren dat de bandenspanning op de
verkeerde plaats wordt weergegeven. Dit
wordt na enkele minuten rijden gecorri-
geerd en de bandenspanning wordt op de
correcte plaats weergegeven.
Bandenspanningscontrole opnieuw
starten
Als de bandenspanningscontrole opnieuw
wordt geactiveerd, worden alle waarschu-
wingsmeldingen gewist en dooft het waar-
schuwingslampje. De actueel ingestelde ban-
denspanningen worden als referentiewaarde
voor de controle overgenomen. In de meeste
gevallen herkent de bandenspanningscon-
trole de nieuwe referentiewaarde automa-
tisch. De referentiewaarden kunnen echter
ook, zoals hier beschreven, handmatig wor-
den vastgelegd. De bandenspanningscon-
trole bewaakt dan de nieuwe bandenspan-
ningswaarden.
XMet behulp van de tabel op de tankdopklep
moet worden gecontroleerd of de banden-
spanning van alle vier banden correct is
ingesteld voor de betreffende bedrijfsom-
standigheden.
De aanwijzingen in hoofdstuk "Banden-
spanning" in acht nemen (Ypagina 460).
XDe contactsleutel moet in stand 2staan.
XMet òin het stuurwiel de lijst van
menu's oproepen.
XMet 9of :in het stuurwiel het menu
ServiceService selecteren.
Xaindrukken.
XMet 9of :BandenspanningBandenspanning selec-
teren.
Xaindrukken.
Op het multifunctioneel display wordt de
actuele bandenspanning van de afzonder-
lijke wielen of de melding Bandenspan‐Bandenspan‐
Bandenspanning 463
Banden en velgen
Z
nings- indicatie verschijnt nanings- indicatie verschijnt na
enkele minuten rijdenenkele minuten rijden weergegeven.
X:indrukken.
Op het multifunctioneel display verschijnt
de melding ActueleActuele bandenspann.bandenspann. alsals
nieuwe richtwaarde overnemennieuwe richtwaarde overnemen.
Als u het opnieuw activeren wilt bevesti-
gen:
Xaindrukken.
Op het multifunctioneel display verschijnt
de melding Bandensp. controleBandensp. controle
opnieuw gestartopnieuw gestart.
Na enkele minuten rijden controleert het
systeem of de actuele bandenspannings-
waarden binnen het geadviseerde gebied
liggen. Vervolgens worden de nieuwe ban-
denspanningswaarden als referentiewaar-
den aangenomen en bewaakt.
Als u het opnieuw activeren wilt afbreken:
X%indrukken.
De bij de laatste heractivering opgeslagen
bandenspanningswaarden worden nog
steeds gecontroleerd.
Zendvergunning voor bandenspan-
ningscontrole
Land Zendvergunning
Brazilië 1489-10-4415
Model: MRXMERCTX1
Dubai TRA, Registered-NO
0016161/08
TRA, Registered-NO
ER0076990/11
Dealer-NO: DA0047074/10
Marokko MR5526 ANRT 2010/
27/04/2010
MR6706 ANRT 2011/
17/11/2011
Filipijnen ESD-1105558C
Servië И 011 12
Land Zendvergunning
Singa-
pore
Overeenkomstig IDA standaard
N0140-09
Zuid-
Afrika
TA-2008/1068
TA-2011/1370
Bandenspanningswaarschuwing
Algemene aanwijzingen
Tijdens het rijden wordt de ingestelde ban-
denspanning door de bandenspanningswaar-
schuwing aan de hand van de wieltoerental-
len gecontroleerd. Daardoor kan het systeem
een duidelijk spanningsverlies bij een wiel
herkennen. Wanneer het wieltoerental door
een dalende bandenspanning verandert, ver-
schijnt op het multifunctioneel display een
overeenkomstige waarschuwingsaanwijzing.
De bandenspanningswaarschuwing herkent
u op het multifunctioneel display in het menu
ServiceService aan de melding Bandenspan‐Bandenspan‐
nings-nings- bewakingbewaking actiefactief OpnieuwOpnieuw star‐star‐
ten met OKten met OK. Meer informatie over het weer-
geven van de melding vindt u in het hoofdstuk
"Bandenspanningswaarschuwing opnieuw
starten" (Ypagina 465).
Belangrijke veiligheidsvoorschriften
De bandenspanningswaarschuwing waar-
schuwt niet voor een verkeerd ingestelde
bandenspanning. De aanwijzingen m.b.t. de
geadviseerde bandenspanning in acht nemen
(Ypagina 460).
De bandenspanningswaarschuwing vervangt
niet de regelmatige controle van de banden-
spanning. Een gelijkmatig spanningsverlies
bij meerdere banden kan niet door de ban-
denspanningswaarschuwing worden her-
kend.
De bandenspanningswaarschuwing kan geen
waarschuwing geven voor plotseling span-
ningsverlies, bijvoorbeeld door in de band
binnengedrongen voorwerpen. In dit geval de
464 Bandenspanning
Banden en velgen
auto door voorzichtig afremmen tot stilstand
brengen. Hierbij geen heftige stuurbewegin-
gen maken.
De bandenspanningswaarschuwing werkt
beperkt of vertraagd als:
Rsneeuwkettingen op de auto zijn gemon-
teerd
Rbij winterse wegdekomstandigheden wordt
gereden
Rop een losse ondergrond (bijvoorbeeld
zand of grind) wordt gereden
Rzeer sportief wordt gereden (met hoge
bochtsnelheden of snelle acceleratie)
Rmet een zeer zware of grote aanhangwagen
wordt gereden
Rmet dakbelasting of zware belading wordt
gereden.
Bandenspanningswaarschuwing
opnieuw starten
De bandenspanningswaarschuwing opnieuw
activeren:
Rnadat de bandenspanning is aangepast
Rna het verwisselen van de wielen of banden
Rnadat nieuwe velgen of banden zijn gemon-
teerd.
XVoordat het systeem opnieuw wordt geac-
tiveerd, moet worden gecontroleerd of de
bandenspanning van alle vier banden cor-
rect is ingesteld voor de betreffende
bedrijfsomstandigheden. De geadviseerde
bandenspanning vindt u in de tabel in de
tankdopklep.
Alleen als de correcte bandenspanning is
ingesteld, kan de bandenspanningswaar-
schuwing betrouwbaar waarschuwen. Als
een verkeerde bandenspanning is inge-
steld, wordt deze verkeerde waarde gecon-
troleerd.
XDe aanwijzingen in het hoofdstuk "Banden-
spanning" in acht nemen (Ypagina 460).
XDe contactsleutel moet in stand
2(Ypagina 195) staan.
XMet òin het stuurwiel de lijst van
menu's oproepen.
XMet 9of :in het stuurwiel het menu
ServiceService selecteren.
Xaindrukken.
XMet 9of :BandenspanningBandenspanning selec-
teren.
Xaindrukken.
Op het multifunctioneel display verschijnt
de melding Bandenspannings- bewa‐Bandenspannings- bewa‐
kingking actiefactief OpnieuwOpnieuw startenstarten metmet OKOK.
Als u het opnieuw activeren wilt bevesti-
gen:
Xaindrukken.
Op het multifunctioneel display verschijnt
de melding Bandenspanning nu OK?Bandenspanning nu OK?.
XMet 9of :JaJa selecteren.
Xaindrukken.
Op het multifunctioneel display verschijnt
de melding Bandenspannings- bewa‐Bandenspannings- bewa‐
king opnieuw gestartking opnieuw gestart.
Na een bepaalde inleerfase controleert de
bandenspanningswaarschuwing de inge-
stelde bandenspanningswaarde van alle
vier de banden.
Als u het opnieuw activeren wilt afbreken:
X%indrukken.
of
XAls de melding Bandenspanning nu OK?Bandenspanning nu OK?
verschijnt, met 9of :AfbrekenAfbreken
selecteren.
Xaindrukken.
De bij de laatste heractivering opgeslagen
bandenspanningswaarden worden nog
steeds gecontroleerd.
Verwisselen van een wiel
Bandenpech
In het hoofdstuk "Pechhulp" (Ypagina 434)
vindt u informatie over de procedure in het
geval van bandenpech. Informatie over het
Verwisselen van een wiel 465
Banden en velgen
Z
rijden met MOExtended banden in het geval
van pech vindt u onder "MOExtended-banden
(banden met noodeigenschappen)"
(Ypagina 435).
Wielen verwisselen
GWAARSCHUWING
Als bij verschillende afmetingen van banden
en velgen de voor- met de achterwielen wor-
den verwisseld, kunnen de rij-eigenschappen
sterk nadelig worden beïnvloed. Bovendien
kunnen de wielremmen of onderdelen van de
wielophanging worden beschadigd. Er
bestaat gevaar voor ongevallen!
Alleen dan de voor- met de achterwielen ver-
wisselen, als de banden en velgen identieke
maten hebben.
!Als de auto met de bandenspanningscon-
trole is uitgerust, bevinden zich elektroni-
sche onderdelen in het wiel.
Bij het ventiel mogen daarom geen monta-
gegereedschappen worden toegepast.
Hierdoor kunnen de elektronische onder-
delen worden beschadigd.
De banden alleen laten vervangen bij een
gekwalificeerde werkplaats.
Als bij verschillende afmetingen van banden
en velgen de voor- met de achterwielen wor-
den verwisseld, kan dit leiden tot verlies van
de typegoedkeuring.
Beslist de aanwijzingen en de veiligheidsvoor-
schriften in het hoofdstuk "Monteren van een
wiel" in acht nemen (Ypagina 467).
Aan de banden van de voor- en achteras vor-
men zich afhankelijk van de gebruiksomstan-
digheden verschillende slijtagepatronen. De
wielen moeten worden verwisseld voordat
zich een karakteristiek slijtagepatroon heeft
gevormd. Karakteristiek is de slijtage bij de
voorwielen aan de schouder van de band en
bij de achterwielen in het midden van het
loopvlak.
Bij auto's met dezelfde velgmaat kunnen de
wielen afhankelijk van de slijtage elke 5.000
tot 10.000 km worden verwisseld. Op de
draairichting van de wielen letten.
Bij het verwisselen van een wiel altijd de con-
tactvlakken van de velg en de remschijf rei-
nigen. De bandenspanning controleren en zo
nodig de bandenspanningswaarschuwing
(Ypagina 465) of de bandenspanningscon-
trole (Ypagina 463) opnieuw starten.
Draairichting
Banden met een voorgeschreven draairich-
ting bieden extra voordelen, bijvoorbeeld met
betrekking tot aquaplaning. Deze voordelen
zijn alleen effectief als de draairichting wordt
aangehouden.
De draairichting is met een pijl op de wang
van de band aangegeven.
Wielen opslaan
Gedemonteerde wielen koel, droog en zo
mogelijk donker bewaren. Banden tegen olie,
vet en brandstof beschermen.
Wielen reinigen
GWAARSCHUWING
De waterstraal van een roterende sproeier
(vuilfrees) kan van buitenaf niet zichtbare
schade aan de banden of onderdelen van het
onderstel veroorzaken. Dermate beschadigde
onderdelen kunnen onverwachts uitvallen. Er
bestaat gevaar voor ongevallen!
Voor de reiniging van de auto geen hogedruk-
reiniger met roterende sproeiers gebruiken.
Beschadigde banden of onderdelen van het
onderstel direct laten vervangen.
466 Verwisselen van een wiel
Banden en velgen
Monteren van een wiel
Auto voorbereiden
XDe auto op een stevige, stroeve en vlakke
ondergrond parkeren.
XDe elektrische parkeerrem handmatig
bedienen.
XDe voorwielen in de rechtuitstand draaien.
XDe transmissie in stand Pzetten.
XBij de AIRMATIC moet het niveau "Normal"
ingesteld zijn (Ypagina 249) dit controle-
ren.
XDe motor afzetten.
XHet bestuurdersportier openen.
De boordelektronica bevindt zich nu in
stand 0. Dat betekent "verwijderde sleu-
tel".
XDe start-stop-toets uit het contactslot ver-
wijderen (Ypagina 195).
Of, bij gebruik van de sleutel in het contact-
slot:
XDe sleutel uit het contactslot verwijderen.
XIndien aanwezig - afhankelijk van de uitrus-
ting - de gereedschapset voor het verwis-
selen van een wiel uit de auto verwijderen.
XDe auto tegen wegrollen beveiligen.
iAfgezien van enkele landspecifieke vari-
anten zijn de auto's niet uitgerust met een
gereedschapset voor het verwisselen van
een wiel. Enkele gereedschappen voor het
verwisselen van een wiel zijn autospecifiek.
Informeer bij een gekwalificeerde werk-
plaats, welke gereedschapset voor het ver-
wisselen van een wiel voor uw auto nodig
is.
De benodigde gereedschapset voor het
verwisselen van een wiel kan bijvoorbeeld
bevatten:
Rkrik
Rwielkeg
Rwielsleutel
Rcentreerpen.
Auto tegen wegrollen beveiligen
Als de auto is uitgerust met een wielkeg, is
deze te vinden in de gereedschapset voor het
verwisselen van een wiel (Ypagina 433).
De uitklapbare wielkeg dient tevens voor
beveiliging van de auto tegen wegrollen, bij-
voorbeeld bij het verwisselen van een wiel.
XDe beide platen omhoogklappen :.
XDe onderste plaat omhoogklappen ;.
XDe nokken van de onderste plaat volledig
in de openingen van de grondplaat steken
=.
XOp vlak terrein: Het wiel dat diagonaal
staat ten opzichte van het te verwisselen
wiel, aan de voor- en achterzijde met een
wielkeg of iets dergelijks blokkeren.
Verwisselen van een wiel 467
Banden en velgen
Z
XOp flauwe hellingen: Een wielkeg of een
ander geschikt voorwerp onder de wielen
van de voor- en achteras leggen.
Auto omhoogbrengen
GWAARSCHUWING
Als de krik niet correct bij de betreffende krik-
steunpunten wordt geplaatst, kan de krik kan-
telen als de auto omhoog is gebracht. Er
bestaat gevaar voor letsel!
De krik uitsluitend plaatsen bij de betreffende
kriksteunpunten van de auto. De voet van de
krik moet zich loodrecht onder het kriksteun-
punt van de auto bevinden.
Het volgende moet bij het opkrikken van
de auto in acht worden genomen:
RAlleen de autospecifieke, door Mercedes-
Benz gecontroleerde en goedgekeurde krik
gebruiken voor het opkrikken van de auto.
Bij ondeskundig gebruik van de krik kan de
krik kantelen als de auto omhoog is
gebracht.
RDe krik is uitsluitend bedoeld voor het kort-
stondig opkrikken van de auto bij het ver-
wisselen van een wiel. De krik is niet
geschikt voor onderhoudswerkzaamheden
onder de auto.
RVerwisselen van een wiel op hellingen ver-
mijden.
RVoor het omhoogbrengen de auto met de
parkeerrem en wielkeggen beveiligen
tegen wegrollen. De parkeerrem nooit los-
sen als de auto omhooggebracht is.
RDe ondergrond waar de krik op rust moet
stevig, vlak en stroef zijn. Op een losse
ondergrond moet een grote, vlakke en ste-
vige onderlegger worden gebruikt. Op een
gladde ondergrond moet een stroeve
onderlegger worden gebruikt, op tegels bij-
voorbeeld een rubbermat.
RGeen oprijblokken of iets dergelijks als
steun voor de krik gebruiken. Anders kan
de krik vanwege de beperkte hoogte zijn
optimale hefvermogen niet bereiken.
RErop letten, dat de afstand tussen de
onderzijde van de band en de grond maxi-
maal 3 cm mag bedragen.
RHanden en voeten nooit onder de omhoog-
gebrachte auto houden.
RNooit onder de omhooggebrachte auto
gaan liggen.
RNooit de motor starten als de auto omhoog-
gebracht is.
RGeen portier of de achterklep openen of
sluiten als de auto omhooggebracht is.
RErop letten dat bij het omhoogbrengen van
de auto zich geen personen in de auto
bevinden.
Auto's met wieldeksel: Het wieldeksel dekt
de wielbouten af. Voordat de wielbouten los
kunnen worden geschroefd, moet het wiel-
deksel worden verwijderd. Er kunnen twee
verschillende varianten gemonteerd zijn.
Auto's met kunststof wieldeksels:
468 Verwisselen van een wiel
Banden en velgen
XVerwijderen: De middenkap van wieldek-
sel :linksom draaien en deze verwijde-
ren.
XAanbrengen: Voor de montage erop let-
ten, dat wieldeksel :zich in de geopende
stand bevindt. Daartoe de middenkap
linksom draaien.
XWieldeksel :aanbrengen en de midden-
kap rechtsom draaien, tot wieldeksel :
voelbaar en hoorbaar vergrendelt.
XWieldeksel :moet vast gemonteerd zijn;
dit controleren.
Auto's met aluminium wieldeksels:
XVerwijderen: Dopsleutel ;en wielsleutel
=uit het boordgereedschap verwijderen
(Ypagina 433).
XDopsleutel ;op wieldeksel :plaatsen.
XWielsleutel =op dopsleutel ;plaatsen
en wieldeksel :linksom losdraaien.
XHet wieldeksel :verwijderen.
XAanbrengen: Voor de montage wieldek-
sel :en de omgeving van het wiel contro-
leren op vervuiling en zo nodig reinigen.
XWieldeksel :plaatsen en door verdraaien
waarborgen, dat deze in de correcte stand
staat.
XDopsleutel ;op wieldeksel :plaatsen.
XWielsleutel =op dopsleutel ;plaatsen
en wieldeksel :vastzetten.
Het aanhaalmoment moet 25 Nm bedra-
gen.
iIn acht nemen,dat het wieldeksel met
het voorgeschreven aanhaalmoment van
25 Nm moet worden aangetrokken.
Mercedes-Benz adviseert het wieldeksel bij
een gekwalificeerde werkplaats te laten
aanbrengen.
XVan het te verwisselen wiel de wielbouten
met wielsleutel =circa een omwenteling
losdraaien. De bouten niet verwijderen.
De kriksteunpunten bevinden zich achter de
voorste wielkuipen en vóór de achterste wiel-
kuipen (pijlen).
XDe ratel-ringsleutel uit het boordgereed-
schap nemen en zodanig op de zeskant van
de krik plaatsen, dat de tekst AUF zicht-
baar is.
Auto's in AMG-uitvoering en auto's met
AMG-uitrusting: De auto heeft in de langs-
dragerbekleding bij de kriksteunpunten
afdekkingen om de carrosserie te bescher-
men.
Verwisselen van een wiel 469
Banden en velgen
Z
XAuto's in AMG-uitvoering en auto's met
AMG-uitrusting: Afdekking ?omhoog-
klappen.
XKrik Bbij kriksteunpunt Aplaatsen.
XErop letten dat de voet van de krik zich
loodrecht onder het kriksteunpunt bevindt.
XRatel-ringsleutel Cdraaien, tot krik Bvol-
ledig in kriksteunpunt Azit en de voet van
de krik gelijkmatig de grond raakt.
XRatel-ringsleutel Cverder draaien, tot de
band maximaal 3 cm van de grond verwij-
derd is.
Wiel verwijderen
!Auto's in AMG-uitvoering: Bij het ver-
wijderen en aanbrengen van het wiel kan
de velg tegen de keramische remschijf
slaan en deze beschadigen. Daarom voor-
zichtig te werk gaan en u door een tweede
persoon laten helpen. Alternatief kan ook
een tweede centreerpen worden gebruikt.
!De wielbouten niet in zand of vuil wegleg-
gen. De schroefdraad van de wielbouten en
wielnaven kan anders tijdens het vast-
draaien worden beschadigd.
Tijdens de montage resp. demontage van een
wiel en zolang de wielen gedemonteerd zijn,
elke krachtinwerking op de remschijven ver-
mijden. Dit kan tot nadelige gevolgen voor het
comfort bij het remmen leiden.
XDe bovenste wielbout helemaal eruit
draaien.
XIn plaats van de wielbout, centreerpen :
in de schroefdraadboring draaien.
XDe overige wielbouten eruit schroeven.
XHet wiel verwijderen.
Nieuw wiel monteren
GWAARSCHUWING
Als wielbouten met olie of vet zijn ingesmeerd,
of als de schroefdraad van wielbouten of
naven beschadigd is, kunnen de wielbouten
loskomen. Daardoor kan tijdens het rijden
een wiel worden verloren. Er bestaat gevaar
voor ongevallen!
470 Verwisselen van een wiel
Banden en velgen
De wielbouten nooit met olie of vet insmeren.
Als schroefdraad beschadigd is contact opne-
men met een gekwalificeerde werkplaats.
Beschadigde wielbouten of beschadigd
schroefdraad in de naaf laten vervangen. Niet
verder rijden.
GWAARSCHUWING
Als de wielbouten of -moeren worden vastge-
draaid als de auto is omhooggebracht, kan de
krik kantelen. Er bestaat gevaar voor letsel!
De wielbouten of -moeren alleen vastdraaien
als de auto omlaaggebracht is.
Beslist de aanwijzingen en de veiligheidsvoor-
schriften bij "Verwisselen van een wiel" in
acht nemen (Ypagina 466).
Alleen de voor het wiel en de auto voorge-
schreven wielbouten gebruiken. Mercedes-
Benz adviseert om in verband met de veilig-
heid alleen de door Mercedes-Benz en voor
de betreffende velg goedgekeurde wielbou-
ten te gebruiken.
!Auto's in AMG-uitvoering: Bij het ver-
wijderen en aanbrengen van het wiel kan
de velg tegen de keramische remschijf
slaan en deze beschadigen. Daarom voor-
zichtig te werk gaan en u door een tweede
persoon laten helpen. Alternatief kan ook
een tweede centreerpen worden gebruikt.
XHet contactvlak van het wiel en de wielnaaf
reinigen.
XHet te monteren wiel op de centreerpen
schuiven en aandrukken.
XDe wielbouten erin draaien en licht vast-
draaien.
XDe centreerpen eruit schroeven.
XDe laatste wielbout erin draaien en licht
vastdraaien.
Auto laten zakken
GWAARSCHUWING
Als de wielbouten of -moeren niet met het
voorgeschreven aanhaalmoment zijn vastge-
zet, kunnen de wielen loskomen. Er bestaat
gevaar voor ongevallen!
Na het verwisselen van een wiel het aanhaal-
moment direct laten controleren bij een
gekwalificeerde werkplaats.
XDe ratel-ringsleutel zodanig op de zeskant
van de krik steken, dat de tekst AB zicht-
baar is.
XDe ratel-ringsleutel zo lang draaien, tot de
auto weer stevig op de grond staat.
XDe krik terzijde leggen.
XDe wielbouten in de aangegeven volg-
orde :tot Akruiselings en gelijkmatig
vastdraaien. Het aanhaalmoment moet
150 Nm bedragen.
XDe krik in de uitgangsstand terugdraaien.
XDe krik en de rest van de gereedschapset
voor het verwisselen van een wiel weer in
de bagageruimte opbergen.
Verwisselen van een wiel 471
Banden en velgen
Z
XAuto's in AMG-uitvoering en auto's met
AMG-uitrusting: De afdekking van de
langsdragerbekleding aanbrengen.
XDe bandenspanning van het nieuwe wiel
controleren en naar behoefte aanpassen.
Daarbij de geadviseerde bandenspanning
in acht nemen (Ypagina 460).
iAuto's met bandenspanningscontrole:
Alle gemonteerde wielen moeten zijn uit-
gerust met functionerende sensoren.
Velg-bandcombinaties
Algemene aanwijzingen
!Mercedes-Benz adviseert om veiligheids-
redenen alleen banden, velgen en acces-
soires te gebruiken die door Mercedes-
Benz speciaal voor de auto zijn goedge-
keurd.
Deze banden zijn speciaal op de regelsys-
temen zoals het ABS of het ESP®afge-
stemd en als volgt gekenmerkt:
RMO = Mercedes-Benz Original.
RMOE = Mercedes-Benz Original Extended
(band met noodeigenschappen)
RMO1 = Mercedes-Benz Original (alleen
bepaalde AMG-banden).
Mercedes-Benz Original Extended-banden
mogen alleen op speciaal door Mercedes-
Benz gecontroleerde velgen worden
gebruikt.
Alleen de door Mercedes-Benz geteste en
geadviseerde banden, velgen en accessoi-
res gebruiken. Anders kunnen bepaalde
eigenschappen, zoals rijgedrag, rijgeluid,
verbruik enzovoort nadelig worden beïn-
vloed. Bovendien kunnen andere banden-
maten onder belasting leiden tot het aan-
lopen van de band tegen de carrosserie en
delen van de wielophanging. Beschadiging
van de band of de auto kan hiervan het
gevolg zijn.
Mercedes-Benz is niet aansprakelijk voor
schade die door het gebruik van andere dan
de geteste en geadviseerde banden, velgen
en accessoires ontstaat.
Informatie over banden, wielen en toege-
stane combinaties is verkrijgbaar bij elke
gekwalificeerde werkplaats.
!Gecoverde banden worden door
Mercedes-Benz niet getest en geadviseerd,
omdat bij het coveren beschadigingen niet
altijd kunnen worden herkend. Hierdoor
kan Mercedes-Benz de rijveiligheid niet
garanderen. Gebruikte banden waarvan de
voorgeschiedenis niet bekend is niet
gebruiken.
!Grote wielen: Hoe geringer bij een
bepaalde wielgrootte de doorsnede van de
banden is, hoe slechter het rijcomfort op
slechte straten is. Het afrol- en dempings-
comfort nemen af en het gevaar dat bij het
rijden over obstakels de wielen of banden
worden beschadigd neemt toe.
Afkortingsoverzicht voor de volgende tabel-
len "Banden":
RBA: Beide assen
RVA: Vooras
RAA: Achteras.
Er bevindt zich aan de binnenzijde van de
tankdopklep een tabel voor de bandenspan-
ningen bij verschillende gebruiksomstandig-
heden. Meer informatie over de bandenspan-
ning (Ypagina 460). De bandenspanning
regelmatig controleren en uitsluitend als de
banden koud zijn.
Aanwijzingen m.b.t. uitrusting van de auto: De
auto:
Raltijd met wielen van dezelfde maat op een
as uitrusten (links/rechts)
Raltijd met dezelfde uitvoering uitrusten
(zomerbanden, MOExtended banden, win-
terbanden).
Uitzondering: In geval van pech kan hiervan
worden afgeweken. Het hoofdstuk "MOEx-
tended-banden (banden met noodeigen-
schappen)" (Ypagina 435) in acht nemen.
472 Velg-bandcombinaties
Banden en velgen
Auto's met MOExtended-banden zijn af
fabriek niet uitgerust met een TIREFIT-set. Als
de auto wordt voorzien van banden zonder
noodeigenschappen, bijvoorbeeld winterban-
den, moet ook een TIREFIT-set worden aan-
gebracht. Een TIREFIT-set is verkrijgbaar bij
een gekwalificeerde werkplaats.
iNiet alle velg-bandcombinaties zijn af
fabriek voor alle landen verkrijgbaar.
Velg-bandcombinaties 473
Banden en velgen
Z
Banden
S 350 BlueTEC
Zomerbanden
R 17
Banden Lichtmetalen velgen
BA: 245/55 R17 102 W1BA: 8,0 J x 17 H2 ET 41
R 18
Banden Lichtmetalen velgen
BA: 245/50 R18 100 W BA: 8,0 J x 18 H2 ET 41
BA: 245/50 R18 100 W MOExtended BA: 8,0 J x 18 H2 ET 41
VA: 245/50 R18 100 W
AA: 275/45 R18 103 W
VA: 8,0 J x 18 H2 ET 41
AA: 9,5 J x 18 H2 ET 43,5
VA: 245/50 R18 100 W MOExtended
AA: 275/45 R18 103 W MOExtended
VA: 8,0 J x 18 H2 ET 41
AA: 9,5 J x 18 H2 ET 43,5
R 19
Banden Lichtmetalen velgen
VA: 245/45 R19 102 Y XL
AA: 275/40 R19 101 Y
VA: 8,5 J x 19 H2 ET 36
AA: 9,5 J x 19 H2 ET 43,5
VA: 245/45 R19 102 Y XL MOExtended
AA: 275/40 R19 101 Y MOExtended
VA: 8,5 J x 19 H2 ET 36
AA: 9,5 J x 19 H2 ET 43,5
VA: 245/45 R19 102 Y XL2
AA: 275/40 R19 101 Y2
VA: 8,5 J x 19 H2 ET 38
AA: 9,5 J x 19 H2 ET 38
VA: 245/45 R19 102 Y XL MOExtended2
AA: 275/40 R19 101 Y MOExtended2
VA: 8,5 J x 19 H2 ET 38
AA: 9,5 J x 19 H2 ET 38
1Niet in combinatie met AMG Sportpakket code 950.
2Alleen in combinatie met AMG Sportpakket code 950.
474 Velg-bandcombinaties
Banden en velgen
R 20
Banden Lichtmetalen velgen
VA: 245/40 R20 99 Y XL MOExtended
AA: 275/35 R20 102 Y XL MOExtended
VA: 8,5 J x 20 H2 ET 36
AA: 9,5 J x 20 H2 ET 43,5
VA: 245/40 R20 99 Y XL MOExtended2
AA: 275/35 R20 102 Y XL MOExtended2
VA: 8,5 J x 20 H2 ET 38
AA: 9,5 J x 20 H2 ET 38
Winterbanden
R 17
Banden Lichtmetalen velgen
BA: 245/55 R17 102V M+S i1BA: 8,0 J x 17 H2 ET 41
R 18
Banden Lichtmetalen velgen
BA: 245/50 R18 104 V XL M+S iBA: 8,0 J x 18 H2 ET 41
BA: 245/50 R18 104 V XL M+SiMOExtended BA: 8,0 J x 18 H2 ET 41
R 19
Banden Lichtmetalen velgen
BA: 245/45 R19 102 V XL M+SiMOExtended BA: 8,5 J x 19 H2 ET 36
BA: 245/45 R19 102 V XL M+SiMOExtended BA: 8,5 J x 19 H2 ET 38
S 350 CDI
Zomerbanden
R 17
Banden Lichtmetalen velgen
BA: 245/55 R17 102 W1BA: 8,0 J x 17 H2 ET 41
R 18
Banden Lichtmetalen velgen
BA: 245/50 R18 100 W BA: 8,0 J x 18 H2 ET 41
BA: 245/50 R18 100 W MOExtended BA: 8,0 J x 18 H2 ET 41
2Alleen in combinatie met AMG Sportpakket code 950.
1Niet in combinatie met AMG Sportpakket code 950.
Velg-bandcombinaties 475
Banden en velgen
Z
Banden Lichtmetalen velgen
VA: 245/50 R18 100 W
AA: 275/45 R18 103 W
VA: 8,0 J x 18 H2 ET 41
AA: 9,5 J x 18 H2 ET 43,5
VA: 245/50 R18 100 W MOExtended
AA: 275/45 R18 103 W MOExtended
VA: 8,0 J x 18 H2 ET 41
AA: 9,5 J x 18 H2 ET 43,5
R 19
Banden Lichtmetalen velgen
VA: 245/45 R19 102 Y XL
AA: 275/40 R19 101 Y
VA: 8,5 J x 19 H2 ET 36
AA: 9,5 J x 19 H2 ET 43,5
VA: 245/45 R19 102 Y XL MOExtended
AA: 275/40 R19 101 Y MOExtended
VA: 8,5 J x 19 H2 ET 36
AA: 9,5 J x 19 H2 ET 43,5
VA: 245/45 R19 102 Y XL2
AA: 275/40 R19 101 Y2
VA: 8,5 J x 19 H2 ET 38
AA: 9,5 J x 19 H2 ET 38
VA: 245/45 R19 102 Y XL MOExtended2
AA: 275/40 R19 101 Y MOExtended2
VA: 8,5 J x 19 H2 ET 38
AA: 9,5 J x 19 H2 ET 38
R 20
Banden Lichtmetalen velgen
VA: 245/40 R20 99 Y XL MOExtended
AA: 275/35 R20 102 Y XL MOExtended
VA: 8,5 J x 20 H2 ET 36
AA: 9,5 J x 20 H2 ET 43,5
VA: 245/40 R20 99 Y XL MOExtended2
AA: 275/35 R20 102 Y XL MOExtended2
VA: 8,5 J x 20 H2 ET 38
AA: 9,5 J x 20 H2 ET 38
Winterbanden
R 17
Banden Lichtmetalen velgen
BA: 245/55 R17 102V M+S i1BA: 8,0 J x 17 H2 ET 41
2Alleen in combinatie met AMG Sportpakket code 950.
1Niet in combinatie met AMG Sportpakket code 950.
476 Velg-bandcombinaties
Banden en velgen
R 18
Banden Lichtmetalen velgen
BA: 245/50 R18 104 V XL M+S iBA: 8,0 J x 18 H2 ET 41
BA: 245/50 R18 104 V XL M+SiMOExtended BA: 8,0 J x 18 H2 ET 41
R 19
Banden Lichtmetalen velgen
BA: 245/45 R19 102 V XL M+SiMOExtended BA: 8,5 J x 19 H2 ET 36
BA: 245/45 R19 102 V XL M+SiMOExtended BA: 8,5 J x 19 H2 ET 38
S 400
Zomerbanden
R 18
Banden Lichtmetalen velgen
BA: 245/50 R18 100 W BA: 8,0 J x 18 H2 ET 41
BA: 245/50 R18 100 W MOExtended BA: 8,0 J x 18 H2 ET 41
VA: 245/50 R18 100 W
AA: 275/45 R18 103 W
VA: 8,0 J x 18 H2 ET 41
AA: 9,5 J x 18 H2 ET 43,5
VA: 245/50 R18 100 W MOExtended
AA: 275/45 R18 103 W MOExtended
VA: 8,0 J x 18 H2 ET 41
AA: 9,5 J x 18 H2 ET 43,5
R 19
Banden Lichtmetalen velgen
VA: 245/45 R19 102 Y XL
AA: 275/40 R19 101 Y
VA: 8,5 J x 19 H2 ET 36
AA: 9,5 J x 19 H2 ET 43,5
VA: 245/45 R19 102 Y XL MOExtended
AA: 275/40 R19 101 Y MOExtended
VA: 8,5 J x 19 H2 ET 36
AA: 9,5 J x 19 H2 ET 43,5
VA: 245/45 R19 102 Y XL2
AA: 275/40 R19 101 Y2
VA: 8,5 J x 19 H2 ET 38
AA: 9,5 J x 19 H2 ET 38
2Alleen in combinatie met AMG Sportpakket code 950.
Velg-bandcombinaties 477
Banden en velgen
Z
R 20
Banden Lichtmetalen velgen
VA: 245/40 R20 99 Y XL MOExtended
AA: 275/35 R20 102 Y XL MOExtended
VA: 8,5 J x 20 H2 ET 36
AA: 9,5 J x 20 H2 ET 43,5
VA: 245/40 R20 99 Y XL MOExtended
AA: 275/35 R20 102 Y XL MOExtended
VA: 8,5 J x 20 H2 ET 36,5
AA: 9,5 J x 20 H2 ET 44
VA: 245/40 R20 99 Y XL MOExtended2
AA: 275/35 R20 102 Y XL MOExtended2
VA: 8,5 J x 20 H2 ET 38
AA: 9,5 J x 20 H2 ET 38
Winterbanden
R 18
Banden Lichtmetalen velgen
BA: 245/50 R18 104 V XL M+S iBA: 8,0 J x 18 H2 ET 41
BA: 245/50 R18 104 V XL M+SiMOExtended BA: 8,0 J x 18 H2 ET 41
R 19
Banden Lichtmetalen velgen
BA: 245/45 R19 102 V XL M+SiMOExtended BA: 8,5 J x 19 H2 ET 36
BA: 245/45 R19 102 V XL M+SiMOExtended BA: 8,5 J x 19 H2 ET 38
S 400 HYBRID
Zomerbanden
R 17
Banden Lichtmetalen velgen
BA: 245/55 R17 102 W1BA: 8,0 J x 17 H2 ET 41
R 18
Banden Lichtmetalen velgen
BA: 245/50 R18 100 W BA: 8,0 J x 18 H2 ET 41
BA: 245/50 R18 100 W MOExtended BA: 8,0 J x 18 H2 ET 41
2Alleen in combinatie met AMG Sportpakket code 950.
1Niet in combinatie met AMG Sportpakket code 950.
478 Velg-bandcombinaties
Banden en velgen
Banden Lichtmetalen velgen
VA: 245/50 R18 100 W
AA: 275/45 R18 103 W
VA: 8,0 J x 18 H2 ET 41
AA: 9,5 J x 18 H2 ET 43,5
VA: 245/50 R18 100 W MOExtended
AA: 275/45 R18 103 W MOExtended
VA: 8,0 J x 18 H2 ET 41
AA: 9,5 J x 18 H2 ET 43,5
R 19
Banden Lichtmetalen velgen
VA: 245/45 R19 102 Y XL
AA: 275/40 R19 101 Y
VA: 8,5 J x 19 H2 ET 36
AA: 9,5 J x 19 H2 ET 43,5
VA: 245/45 R19 102 Y XL MOExtended
AA: 275/40 R19 101 Y MOExtended
VA: 8,5 J x 19 H2 ET 36
AA: 9,5 J x 19 H2 ET 43,5
VA: 245/45 R19 102 Y XL2
AA: 275/40 R19 101 Y2
VA: 8,5 J x 19 H2 ET 38
AA: 9,5 J x 19 H2 ET 38
VA: 245/45 R19 102 Y XL MOExtended2
AA: 275/40 R19 101 Y MOExtended2
VA: 8,5 J x 19 H2 ET 38
AA: 9,5 J x 19 H2 ET 38
R 20
Banden Lichtmetalen velgen
VA: 245/40 R20 99 Y XL MOExtended
AA: 275/35 R20 102 Y XL MOExtended
VA: 8,5 J x 20 H2 ET 36
AA: 9,5 J x 20 H2 ET 43,5
VA: 245/40 R20 99 Y XL MOExtended2
AA: 275/35 R20 102 Y XL MOExtended2
VA: 8,5 J x 20 H2 ET 38
AA: 9,5 J x 20 H2 ET 38
Winterbanden
R 17
Banden Lichtmetalen velgen
BA: 245/55 R17 102V M+S i1BA: 8,0 J x 17 H2 ET 41
2Alleen in combinatie met AMG Sportpakket code 950.
1Niet in combinatie met AMG Sportpakket code 950.
Velg-bandcombinaties 479
Banden en velgen
Z
R 18
Banden Lichtmetalen velgen
BA: 245/50 R18 104 V XL M+S iBA: 8,0 J x 18 H2 ET 41
BA: 245/50 R18 104 V XL M+SiMOExtended BA: 8,0 J x 18 H2 ET 41
R 19
Banden Lichtmetalen velgen
BA: 245/45 R19 102 V XL M+SiMOExtended BA: 8,5 J x 19 H2 ET 36
BA: 245/45 R19 102 V XL M+SiMOExtended BA: 8,5 J x 19 H2 ET 38
S 500
Zomerbanden
R 18
Banden Lichtmetalen velgen
BA: 245/50 R18 100 W BA: 8,0 J x 18 H2 ET 41
BA: 245/50 R18 100 W MOExtended BA: 8,0 J x 18 H2 ET 41
VA: 245/50 R18 100 W
AA: 275/45 R18 103 W
VA: 8,0 J x 18 H2 ET 41
AA: 9,5 J x 18 H2 ET 43,5
VA: 245/50 R18 100 W MOExtended
AA: 275/45 R18 103 W MOExtended
VA: 8,0 J x 18 H2 ET 41
AA: 9,5 J x 18 H2 ET 43,5
R 19
Banden Lichtmetalen velgen
VA: 245/45 R19 102 Y XL
AA: 275/40 R19 101 Y
VA: 8,5 J x 19 H2 ET 36
AA: 9,5 J x 19 H2 ET 43,5
VA: 245/45 R19 102 Y XL MOExtended
AA: 275/40 R19 101 Y MOExtended
VA: 8,5 J x 19 H2 ET 36
AA: 9,5 J x 19 H2 ET 43,5
VA: 245/45 R19 102 Y XL2
AA: 275/40 R19 101 Y2
VA: 8,5 J x 19 H2 ET 38
AA: 9,5 J x 19 H2 ET 38
VA: 245/45 R19 102 Y XL MOExtended2
AA: 275/40 R19 101 Y MOExtended2
VA: 8,5 J x 19 H2 ET 38
AA: 9,5 J x 19 H2 ET 38
2Alleen in combinatie met AMG Sportpakket code 950.
480 Velg-bandcombinaties
Banden en velgen
R 20
Banden Lichtmetalen velgen
VA: 245/40 R20 99 Y XL MOExtended
AA: 275/35 R20 102 Y XL MOExtended
VA: 8,5 J x 20 H2 ET 36
AA: 9,5 J x 20 H2 ET 43,5
VA: 245/40 R20 99 Y XL MOExtended
AA: 275/35 R20 102 Y XL MOExtended
VA: 8,5 J x 20 H2 ET 36,5
AA: 9,5 J x 20 H2 ET 44
VA: 245/40 R20 99 Y XL MOExtended2
AA: 275/35 R20 102 Y XL MOExtended2
VA: 8,5 J x 20 H2 ET 38
AA: 9,5 J x 20 H2 ET 38
Winterbanden
R 18
Banden Lichtmetalen velgen
BA: 245/50 R18 104 V XL M+S iBA: 8,0J x 18 H2 ET 41
BA: 245/50 R18 104 V XL M+SiMOExtended BA: 8,0J x 18 H2 ET 41
R 19
Banden Lichtmetalen velgen
BA: 245/45 R19 102 V XL M+SiMOExtended BA: 8,5 J x 19 H2 ET 36
BA: 245/45 R19 102 V XL M+SiMOExtended BA: 8,5 J x 19 H2 ET 38
S 500 4MATIC
Zomerbanden
R 18
Banden Lichtmetalen velgen
BA: 245/50 R18 100 W BA: 8,0 J x 18 H2 ET 41
BA: 245/50 R18 100 W MOExtended BA: 8,0 J x 18 H2 ET 41
VA: 245/50 R18 100 W
AA: 275/45 R18 103 W
VA: 8,0 J x 18 H2 ET 41
AA: 9,5 J x 18 H2 ET 43,5
VA: 245/50 R18 100 W MOExtended
AA: 275/45 R18 103 W MOExtended
VA: 8,0 J x 18 H2 ET 41
AA: 9,5 J x 18 H2 ET 43,5
2Alleen in combinatie met AMG Sportpakket code 950.
Velg-bandcombinaties 481
Banden en velgen
Z
R 19
Banden Lichtmetalen velgen
VA: 245/45 R19 102 Y XL
AA: 275/40 R19 101 Y
VA: 8,5 J x 19 H2 ET 36
AA: 9,5 J x 19 H2 ET 43,5
VA: 245/45 R19 102 Y XL MOExtended
AA: 275/40 R19 101 Y MOExtended
VA: 8,5 J x 19 H2 ET 36
AA: 9,5 J x 19 H2 ET 43,5
VA: 245/45 R19 102 Y XL2
AA: 275/40 R19 101 Y2
VA: 8,5 J x 19 H2 ET 38
AA: 9,5 J x 19 H2 ET 38
VA: 245/45 R19 102 Y XL MOExtended2
AA: 275/40 R19 101 Y MOExtended2
VA: 8,5 J x 19 H2 ET 38
AA: 9,5 J x 19 H2 ET 38
R 20
Banden Lichtmetalen velgen
VA: 245/40 R20 99 Y XL MOExtended
AA: 275/35 R20 102 Y XL MOExtended
VA: 8,5 J x 20 H2 ET 36
AA: 9,5 J x 20 H2 ET 43,5
VA: 245/40 R20 99 Y XL MOExtended
AA: 275/35 R20 102 Y XL MOExtended
VA: 8,5 J x 20 H2 ET 36,5
AA: 9,5 J x 20 H2 ET 44
VA: 245/40 R20 99 Y XL MOExtended2
AA: 275/35 R20 102 Y XL MOExtended2
VA: 8,5 J x 20 H2 ET 38
AA: 9,5 J x 20 H2 ET 38
Winterbanden
R 18
Banden Lichtmetalen velgen
BA: 245/50 R18 104 V XL M+S iBA: 8,0J x 18 H2 ET 41
BA: 245/50 R18 104 V XL M+SiMOExtended BA: 8,0J x 18 H2 ET 41
R 19
Banden Lichtmetalen velgen
BA: 245/45 R19 102 V XL M+SiMOExtended BA: 8,5 J x 19 H2 ET 36
BA: 245/45 R19 102 V XL M+SiMOExtended BA: 8,5 J x 19 H2 ET 38
2Alleen in combinatie met AMG Sportpakket code 950.
482 Velg-bandcombinaties
Banden en velgen
S 63 AMG
Zomerbanden
Alleen voor bepaalde landen.
R 19
Banden Lichtmetalen velgen
VA: 255/45 ZR19 (104 Y) XL3
AA: 285/40 ZR19 (107 Y) XL3, 4
VA: 8,5 J x 19 H2 ET 38
AA: 9,5 J x 19 H2 ET 38
VA: 255/45 ZR19 (104 Y) XL3
AA: 285/40 ZR19 (107 Y) XL3, 4
VA: 8,5 J x 19 H2 ET 39
AA: 9,5 J x 19 H2 ET 39
R 20
Banden Lichtmetalen velgen
VA: 255/40 ZR20 (101 Y) XL5
AA: 285/35 ZR20 (104 Y) XL4, 5
VA: 8,5 J x 20 H2 ET 38
AA: 9,5 J x 20 H2 ET 38
VA: 255/40 ZR20 (101 Y) XL5
AA: 285/35 ZR20 (104 Y) XL4, 5
VA: 8,5 J x 20 H2 ET 39
AA: 9,5 J x 20 H2 ET 39
Winterbanden
Alleen voor bepaalde landen.
R 19
Banden Lichtmetalen velgen
BA: 255/45 R19 104 V XL M+Si3BA: 8,5 J x 19 H2 ET 38
BA: 255/45 R19 104 V XL M+Si3BA: 8,5 J x 19 H2 ET 39
R 20
Banden Lichtmetalen velgen
BA: 255/40 R20 101 V XL M+Si5BA: 8,5 J x 20 H2 ET 38
BA: 255/40 R20 101 V XL M+Si5BA: 8,5 J x 20 H2 ET 39
3Niet in combinatie met keramisch remsysteem.
4Gebruik van sneeuwkettingen is niet toegestaan. De aanwijzingen in het hoofdstuk "Sneeuwkettingen" in
acht nemen.
5De aanwijzingen m.b.t. "Grote wielen" in het hoofdstuk "Velg-bandcombinaties" in acht nemen.
Velg-bandcombinaties 483
Banden en velgen
Z
Banden Lichtmetalen velgen
VA: 255/40 R20 101 V XL M+Si5
AA: 285/35 R20 104 V XL M+Si4, 5
VA: 8,5 J x 20 H2 ET 38
AA: 9,5 J x 20 H2 ET 38
VA: 255/40 R20 101 V XL M+Si5
AA: 285/35 R20 104 V XL M+Si4, 5
VA: 8,5 J x 20 H2 ET 39
AA: 9,5 J x 20 H2 ET 39
S 63 AMG 4MATIC
Zomerbanden
Alleen voor bepaalde landen.
R 19
Banden Lichtmetalen velgen
VA: 255/45 ZR19 (104 Y) XL3
AA: 285/40 ZR19 (107 Y) XL3, 4
VA: 8,5 J x 19 H2 ET 38
AA: 9,5 J x 19 H2 ET 38
VA: 255/45 ZR19 (104 Y) XL3
AA: 285/40 ZR19 (107 Y) XL3, 4
VA: 8,5 J x 19 H2 ET 39
AA: 9,5 J x 19 H2 ET 39
R 20
Banden Lichtmetalen velgen
VA: 255/40 ZR20 (101 Y) XL5
AA: 285/35 ZR20 (104 Y) XL4, 5
VA: 8,5 J x 20 H2 ET 38
AA: 9,5 J x 20 H2 ET 38
VA: 255/40 ZR20 (101 Y) XL5
AA: 285/35 ZR20 (104 Y) XL4, 5
VA: 8,5 J x 20 H2 ET 39
AA: 9,5 J x 20 H2 ET 39
Winterbanden
Alleen voor bepaalde landen.
R 19
Banden Lichtmetalen velgen
BA: 255/45 R19 104 V XL M+Si3BA: 8,5 J x 19 H2 ET 38
BA: 255/45 R19 104 V XL M+Si3BA: 8,5 J x 19 H2 ET 39
5De aanwijzingen m.b.t. "Grote wielen" in het hoofdstuk "Velg-bandcombinaties" in acht nemen.
4Gebruik van sneeuwkettingen is niet toegestaan. De aanwijzingen in het hoofdstuk "Sneeuwkettingen" in
acht nemen.
3Niet in combinatie met keramisch remsysteem.
484 Velg-bandcombinaties
Banden en velgen
R 20
Banden Lichtmetalen velgen
BA: 255/40 R20 101 V XL M+Si5BA: 8,5 J x 20 H2 ET 38
BA: 255/40 R20 101 V XL M+Si5BA: 8,5 J x 20 H2 ET 39
VA: 255/40 R20 101 V XL M+Si5
AA: 285/35 R20 104 V XL M+Si4, 5
VA: 8,5 J x 20 H2 ET 38
AA: 9,5 J x 20 H2 ET 38
VA: 255/40 R20 101 V XL M+Si5
AA: 285/35 R20 104 V XL M+Si4, 5
VA: 8,5 J x 20 H2 ET 39
AA: 9,5 J x 20 H2 ET 39
S 63 AMG
Zomerbanden
Alleen voor bepaalde landen: Voor auto's met een maximumsnelheid van 250 km/h zijn de
volgende Velg-bandcombinaties toegestaan.
R 20
Banden Lichtmetalen velgen
VA: 245/40 R20 99 Y XL MOExtended5
AA: 275/35 R20 102 Y XL MOExtended4, 5
VA: 8,5 J x 20 H2 ET 38
AA: 9,5 J x 20 H2 ET 38
S 63 AMG 4MATIC
Zomerbanden
Alleen voor bepaalde landen: Voor auto's met een maximumsnelheid van 250 km/h zijn de
volgende Velg-bandcombinaties toegestaan.
R 20
Banden Lichtmetalen velgen
VA: 245/40 R20 99 Y XL MOExtended5
AA: 275/35 R20 102 Y XL MOExtended4, 5
VA: 8,5 J x 20 H2 ET 38
AA: 9,5 J x 20 H2 ET 38
5De aanwijzingen m.b.t. "Grote wielen" in het hoofdstuk "Velg-bandcombinaties" in acht nemen.
4Gebruik van sneeuwkettingen is niet toegestaan. De aanwijzingen in het hoofdstuk "Sneeuwkettingen" in
acht nemen.
Velg-bandcombinaties 485
Banden en velgen
Z
Noodwiel
Belangrijke veiligheidsvoorschriften
GWAARSCHUWING
De velg- en bandenmaten en het bandentype
van het nood- of het reservewiel kunnen afwij-
ken van die van het te vervangen wiel. Als het
nood- of reservewiel wordt gemonteerd, kun-
nen de rij-eigenschappen sterk worden beïn-
vloed. Er bestaat gevaar voor ongevallen!
Om risico's te vermijden:
Ruw rijstijl aanpassen en voorzichtig rijden
Rnooit meer dan één noodwiel of reservewiel
monteren met een andere maat dan het te
vervangen wiel
Reen noodwiel of een reservewiel met een
andere maat dan het te vervangen wiel
slechts kortstondig gebruiken
Rhet ESP®niet uitschakelen
Reen noodwiel of het reservewiel met een
andere maat zo snel mogelijk bij een
gekwalificeerde werkplaats laten vervan-
gen. Beslist de correcte maat en het cor-
recte bandentype in acht nemen.
Bij gebruik van een noodwiel of een reserve-
wiel met verschillende afmetingen mag de
maximumsnelheid van 80 km/h niet over-
schreden worden.
Op noodwielen mogen geen sneeuwkettin-
gen worden gemonteerd.
Algemene aanwijzingen
Regelmatig en voor aanvang van een langere
rit ook de bandenspanning van het noodwiel
controleren en deze zo nodig aanpassen
(Ypagina 460). De op de band resp. in het
hoofdstuk "Technische gegevens" aangege-
ven waarde is geldig (Ypagina 487).
Een noodwiel mag ook tegengesteld aan de
draairichting worden gemonteerd. De
gebruiksvoorwaarden m.b.t. de op het nood-
wiel aangegeven maximumafstand en maxi-
mumsnelheid in acht nemen.
De banden uiterlijk om de zes jaar laten ver-
vangen, ongeacht de slijtage. Dit geldt ook
voor het noodwiel.
iZolang met een noodwiel wordt gereden,
kan de bandenspanningswaarschuwing of
de bandenspanningscontrole niet betrouw-
baar functioneren. De bandenspannings-
waarschuwing resp. bandenspanningscon-
trole pas opnieuw starten wanneer het
defecte wiel door een nieuw wiel vervangen
is.
Auto's met bandenspanningscontrole:
Bij gemonteerd noodwiel kan het systeem
nog enkele minuten de bandenspanning
van het verwijderde wiel weergeven. De
weergegeven waarde op de plaats van het
gemonteerde noodwiel is dan niet de actu-
ele bandenspanning van het noodwiel.
Noodwiel verwijderen
Het noodwiel is in het noodwielfoedraal :in
de bagageruimte bevestigd.
XDe bagageruimte openen.
XBevestigingsriem ;losmaken.
XDe karabijnhaken =van bevestigings-
riem ;loshaken uit de ogen.
XNoodwielfoedraal :met het noodwiel ver-
wijderen.
XNoodwielfoedraal :openen en het nood-
wiel eruit nemen.
Beslist de aanwijzingen en de veiligheidsvoor-
schriften in het hoofdstuk "Monteren van een
wiel" in acht nemen (Ypagina 467).
486 Noodwiel
Banden en velgen
Technische gegevens
Drukloos noodwiel
Banden Lichtmetalen velgen
T 185/55D20 100 P
Bandenspanning: 350 kPa (3,5 bar, 51 psi)
6 B x 20 H2 ET 36
Noodwiel 487
Banden en velgen
Z
488
Wetenswaardigheden ....................... 490
Informatie over technische gege-
vens .................................................... 490
Elektronische installatie van de
auto .................................................... 490
Typeplaatjes ...................................... 492
Bedrijfsstoffen en inhouden ............ 492
Autogegevens ................................... 500
Trekhaak ............................................ 502
489
Technische gegevens
Wetenswaardigheden
iDeze handleiding beschrijft alle modellen
en standaard- en speciale uitrustingen van
de auto die op het tijdstip van de redactie-
sluiting van deze handleiding verkrijgbaar
waren. Landspecifieke afwijkingen zijn ook
mogelijk. In acht nemen dat de auto niet
met alle beschreven functies kan zijn uit-
gerust. Dit betreft ook veiligheidsrelevante
systemen en functies.
iDe informatie over gekwalificeerde werk-
plaatsen lezen (Ypagina 29).
Informatie over technische gegevens
Actuele technische gegevens vindt u op inter-
net: http://www.mercedes-benz.com
iDe technische gegevens worden volgens
EG-richtlijnen bepaald. Alle gegevens gel-
den voor auto's in de standaarduitvoering.
Daarom kunnen deze bij auto's met opties
afwijken. Meer informatie is verkrijgbaar bij
een Mercedes-Benz-servicewerkplaats.
Elektronische installatie van de auto
Ingrepen in de motorelektronica
!De motorelektronica en de bijbehorende
onderdelen, zoals regeleenheden, senso-
ren of verbindingsbedrading, alleen laten
onderhouden bij een gekwalificeerde werk-
plaats. Anders bestaat er een verhoogde
kans op slijtage en kan de typegoedkeuring
van de auto komen te vervallen.
Inbouwen van mobilofoons en
mobiele telefoons (RF-zenders)
GWAARSCHUWING
Als RF-zenders worden gemanipuleerd of niet
vakkundig worden gemonteerd, kan de elek-
tromagnetische straling hiervan de elektroni-
sche installatie van de auto storen. Daardoor
kunt u de bedrijfsveiligheid van de auto in
gevaar brengen. Er bestaat gevaar voor onge-
vallen!
Werkzaamheden aan elektrische en elektro-
nische apparatuur altijd laten uitvoeren bij
een gekwalificeerde werkplaats.
GWaarschuwing
Wanneer in het voertuig RF-zenders ondes-
kundig worden gebruikt, kan de elektromag-
netische straling hiervan de elektronische
installatie van het voertuig storen, bijvoor-
beeld als:
Rde RF-zender niet op een buitenantenne is
aangesloten
Rde buitenantenne verkeerd gemonteerd of
niet reflectiearm is.
Daardoor kan de bedrijfszekerheid van het
voertuig in gevaar komen. Er bestaat gevaar
voor ongevallen!
De reflectiearme buitenantenne bij een
gekwalificeerde werkplaats laten inbouwen.
De RF-zender bij gebruik in het voertuig altijd
op de reflectiearme buitenantenne aanslui-
ten.
!Als de installatie- en gebruiksvoorwaar-
den voor RF-zenders niet in acht worden
genomen, kan dit leiden tot verlies van de
typegoedkeuring.
Aan de volgende voorwaarden moet in het
bijzonder worden voldaan:
Ruitsluitend gebruikmaken van goedge-
keurde frequentiebanden
Rinachtneming van het maximaal toege-
stane uitgangsvermogen in deze fre-
quentiebanden
Ruitsluitend gebruikmaken van goedge-
keurde antenneposities.
De verhoogde elektromagnetische straling
kan gevaarlijk zijn voor uw gezondheid en die
van anderen. Door het gebruik van een bui-
tenantenne wordt rekening gehouden met de
in de wetenschap bediscussieerde mogelijke
490 Elektronische installatie van de auto
Technische gegevens
gezondheidsrisico's door elektromagneti-
sche velden.
Goedgekeurde antenneposities
:Voorzijde van het dak
;Achterzijde van het dak
=Achterspatbord
?Achterklep
iBij auto's met panoramaschuifdak is
inbouwen van een antenne in het voorste
en achterste dakgedeelte niet toegestaan.
Bij de achterspatschermen wordt geadvi-
seerd de antenne te monteren aan de zijde
van de auto die naar het midden van de
straat wijst.
Voor het naderhand inbouwen van RF-zen-
ders moet de technische richtlijn ISO/TS
21609ISO/TS: (Road Vehicles EMC guide-
lines for installation of aftermarket radio fre-
quency transmitting equipment) worden aan-
gehouden. De wettelijke bepalingen voor aan-
bouwdelen moeten worden aangehouden.
Als de auto met een mobilofoon is uitgerust,
moeten de in de voorbereiding aanwezige
spanningsvoorziening- resp. antenne-aanslui-
ting worden gebruikt. Bij het monteren beslist
de aanvullende handleiding van de fabrikant
in acht nemen.
Afwijkingen van frequentiebanden, maximaal
zendvermogen of antenneposities moeten
door Mercedes-Benz zijn goedgekeurd.
Het maximale zendvermogen (PEAK) bij de
voetpunt van de antenne mag de volgende
waarden niet overschrijden:
Frequentieband Maximaal
zendvermo-
gen
Korte golf
3 - 54 MHz
100W
4-m-band
74 - 78 MHz
30W
2-m-band
144 - 174 MHz
50W
Bundelnet/Tetra
380 - 460 MHz
10W
70-cm-band
400 - 460 MHz
35W
GSM/DCS/PCS
850/900/1800/1900
10W
UMTS/LTE 10W
Zonder beperkingen kunnen in de auto wor-
den gebruikt:
RRF-zenders met een maximaal zendvermo-
gen tot 100 mW
RMobiele telefoons (GSM/DCS/PCS/
UMTS/LTE).
Voor de volgende frequentiebanden is er
geen beperking voor de antennepositie aan
de buitenzijde van de auto:
RBundelnet/Tetra
R70-cm-band
RGSM/DCS/PCS
RUMTS/LTE.
Elektronische installatie van de auto 491
Technische gegevens
Z
Typeplaatjes
Voertuigtypeplaatje met voertuig-
identificatienummer (VIN)
XHet rechter voorportier openen.
U ziet voertuigtypeplaatje :.
Voorbeeld auto's met trekhaak
:Voertuigtypeplaatje
;Autofabrikant (Daimler AG)
=EG-typegoedkeuringsnummer (alleen
voor bepaalde landen)
?VIN
AToegestaan totaalgewicht (kg)
BToegestaan totaaltreingewicht (kg)
CToegestane voorasbelasting (kg)
DToegestane achterasbelasting (kg)
ELakcode
iDe gegevens op het voertuigtypeplaatje
zijn voorbeelden. Deze gegevens zijn voor
elke auto anders en kunnen afwijken van
de hier getoonde gegevens. De voor uw
auto geldende gegevens vindt u op het
typeplaatje van uw auto.
VIN
XHet rechter voorportier openen.
XAfdekking :omlaag openklappen en ver-
wijderen.
U ziet het VIN.
Bovendien is het VIN af te lezen van het voer-
tuigtypeplaatje (Ypagina 492).
Motornummer
Het motornummer is in het motorblok inge-
slagen. Meer informatie is verkrijgbaar bij
elke gekwalificeerde werkplaats.
Bedrijfsstoffen en inhouden
Belangrijke veiligheidsvoorschriften
GWAARSCHUWING
Bij het werken met alle bedrijfsstoffen als-
mede bij het opslaan en afvoeren hiervan de
betreffende voorschriften opvolgen, anders
kan dit gevaar voor uzelf en voor anderen
opleveren.
Bedrijfsstoffen uit de buurt van kinderen hou-
den.
Om gezondheidsredenen direct contact van
bedrijfsstoffen met ogen of open wonden ver-
mijden. Als een bedrijfsstof ingeslikt is, direct
naar een arts gaan.
HMilieu-aanwijzing
Bedrijfsstoffen op milieuvriendelijke wijze
afvoeren!
492 Bedrijfsstoffen en inhouden
Technische gegevens
Bedrijfsstoffen zijn:
Rbrandstoffen
Rtoevoegingen voor uitlaatgasnabehande-
ling, bijvoorbeeld AdBlue®
Rsmeermiddelen (bijvoorbeeld motorolie,
transmissievloeistof)
Rkoelvloeistof
Rremvloeistof
Rruitensproeiervloeistof
Rkoelmiddel van het temperatuurregelsys-
teem.
Autocomponenten en bedrijfsstoffen moeten
op elkaar afgestemd zijn. Mercedes-Benz
adviseert om alleen door Mercedes-Benz
geteste en goedgekeurde producten te
gebruiken. Deze producten zijn in deze
Mercedes-Benz handleiding onder de betref-
fende hoofdstukken opgenomen.
De door Mercedes-Benz goedgekeurde
bedrijfsstoffen zijn te herkennen aan het vol-
gende opschrift op de verpakking:
RMB-Freigabe (bijvoorbeeld MB-Freigabe
229.51)
RMB-Approval (bijvoorbeeld MB-Approval
229.51)
Andere keurmerken en aanbevelingen wijzen
op een kwaliteitsniveau of een specificatie
overeenkomstig een MB-bladnummer (bij-
voorbeeld MB 229.5). Deze zijn niet dwingend
door Mercedes-Benz goedgekeurd.
Meer informatie is verkrijgbaar bij elke
Mercedes-Benz-servicewerkplaats of op
internet onder
http://bevo.mercedes-benz.com.
Brandstof
Belangrijke veiligheidsvoorschriften
GWAARSCHUWING
Brandstoffen zijn licht ontvlambaar. Bij
ondeskundig werken met brandstof bestaat
brand- en explosiegevaar!
Beslist vuur, open licht, roken en vonkvorming
vermijden. Voor het tanken de motor afzetten
en indien aanwezig de interieurvoorverwar-
ming uitschakelen.
GWAARSCHUWING
Brandstoffen zijn giftig en schadelijk voor de
gezondheid. Gevaar voor letsel!
Beslist vermijden dat brandstof met huid,
ogen of kleding in aanraking komt of ingeslikt
wordt. De brandstofdampen niet inademen.
Brandstof uit de buurt van kinderen houden.
Wanneer iemand met brandstof in aanraking
is gekomen, de volgende punten in acht
nemen:
RBrandstof op de huid direct met water en
zeep afspoelen.
RAls brandstof met de ogen in aanraking
gekomen is, de ogen direct grondig met
schoon water spoelen. Zo snel mogelijk
contact opnemen met een arts.
RAls brandstof is ingeslikt, direct contact
opnemen met een arts. Geen braken
opwekken!
RMet brandstof vervuilde kleding meteen
verwisselen.
Tankinhoud
Model Totale inhoud
S 500
S 500 4MATIC
80,0 l
Alle andere modellen 70,0 l
Model Waarvan
reserve
Auto's in AMG-uitvoe-
ring
Circa 14,0 l
Alle andere modellen Circa 8,0 l
Bedrijfsstoffen en inhouden 493
Technische gegevens
Z
Benzine (EN 228, E DIN 51626-1)
Brandstofkwaliteit
!Geen dieselbrandstof in een auto met
benzinemotor tanken. Als abusievelijk de
verkeerde brandstof is getankt, het contact
niet inschakelen. Anders kan de brandstof
in het brandstofsysteem terecht komen. Al
een kleine hoeveelheid van de verkeerde
brandstof kan tot schade aan het brand-
stofsysteem en de motor leiden. Contact
opnemen met een gekwalificeerde werk-
plaats en de brandstoftank en de brand-
stofleidingen volledig laten aftappen.
!Alleen loodvrije superbenzine tanken met
ten minste 95 RON of 85 MON, die voldoet
aan de Europese norm EN 228 of E DIN
51626–1 of gelijkwaardig is.
Brandstof met deze specificatie kan maxi-
maal 10% ethanol bevatten.
Brandstof, die niet aan EN 228 of E DIN
51626–1 voldoet, kan leiden tot hogere
slijtage en tot schade aan de motor en het
uitlaatsysteem.
!Alleen de geadviseerde brandstof tanken.
Bij gebruik van andere brandstoffen kan
schade aan de motor optreden.
!Niet tanken met:
RE85 (benzine met 85% ethanol)
RE100 (100%ethanol)
RM15 (benzine met 15% methanol)
RM30 (benzine met 30% methanol)
RM85 (benzine met 85% methanol)
RM100 (100% methanol)
Rbenzine met metaalhoudende additieven
Rdieselbrandstof.
Deze brandstoffen niet mengen met de
voor uw auto geadviseerde brandstof.
Geen additieven gebruiken. Anders kan de
motor beschadigd raken. Uitgezonderd zijn
reinigingsadditieven voor het verwijderen
en voorkomen van aanslag. Aan benzine
mogen alleen door Mercedes-Benz geadvi-
seerde reinigingsadditieven worden toege-
voegd, zie "Additieven". Meer informatie
daarover is verkrijgbaar bij elke Mercedes-
Benz-servicewerkplaats.
Informatie over de brandstofkwaliteit staat
doorgaans op de pompzuil van het tanksta-
tion. Als het keurmerk niet op de pompzuil
van het tankstation te vinden is, kunt u het
personeel van het tankstation raadplegen.
iAan E10-brandstof is 10% bio-ethanol toe-
gevoegd. Uw auto is geschikt voor E10. U
kunt met uw auto E10-brandstof tanken.
iAls de geadviseerde brandstof niet
beschikbaar is, kan tijdelijk ook loodvrije
benzine, 91 RON of 82 MON worden
gebruikt. Daardoor kan het vermogen lager
zijn en het benzineverbruik hoger. Rijden
met volgas en sterk accelereren vermijden.
In geen geval benzine met een lagere RON/
MON waarde tanken.
iIn sommige landen kan het voorkomen
dat de beschikbare benzine niet voldoende
ontzwaveld is. Hierdoor kan tijdelijk geur-
vorming optreden, in het bijzonder tijdens
korte ritten. De geurvorming verdwijnt
zodra weer zwavelvrije brandstof (zwavel-
gehalte < 10 ppm) wordt getankt.
Informatie over tanken (Ypagina 214).
Auto's in AMG-uitvoering
!Alleen loodvrije superplusbenzine tanken
met ten minste 98 RON of 88 MON, die
voldoet aan de Europese norm EN 228 of
gelijkwaardig is.
Anders levert de motor minder vermogen
of wordt de motor beschadigd.
!Als de geadviseerde brandstof niet
beschikbaar is, kan tijdelijk ook loodvrije
superbenzine 95 RON of 85 MON worden
gebruikt. Daardoor kan het vermogen lager
zijn en het benzineverbruik hoger. Het rij-
den met vol gas beslist vermijden.
!Als de geadviseerde brandstof niet
beschikbaar is, kan bij wijze van uitzonde-
494 Bedrijfsstoffen en inhouden
Technische gegevens
ring ook loodvrije normale benzine van
91 RON of 82,5 MON worden gebruikt.
Hierdoor kan het vermogen minder en het
brandstofverbruik hoger worden. Het rij-
den met vol gas vermijden.
Als gedurende langere tijd uitsluitend nor-
male benzine van 91 RON of 82,5 MON of
slechter beschikbaar is, moet de auto bij
een gekwalificeerde werkplaats aan deze
brandstof worden aangepast.
iAan E10-brandstof is 10% bio-ethanol toe-
gevoegd. Uw auto is geschikt voor E10. U
kunt met uw auto E10-brandstof tanken.
Additieven
!Gebruik van de motor met naderhand toe-
gevoegde brandstofadditieven kan leiden
tot motorschade. Daarom geen brandstof-
additieven met de brandstof mengen. Uit-
gezonderd zijn additieven voor het verwij-
deren en voorkomen van aanslag. Aan ben-
zine mogen alleen door Mercedes-Benz
geadviseerde additieven worden toege-
voegd. De gebruiksvoorschriften uit de pro-
ductomschrijvingen aanhouden. Meer
informatie over geadviseerde additieven is
verkrijgbaar bij elke Mercedes-Benz-ser-
vicewerkplaats.
Mercedes-Benz adviseert merkbrandstoffen
met additieven te gebruiken.
In sommige landen kan het voorkomen dat de
beschikbare brandstofkwaliteit niet vol-
doende is. Hierdoor kan aanslag in het
inspuitsysteem ontstaan. In dit geval moet, in
overleg met een Mercedes-Benz-service-
werkplaats, het door Mercedes-Benz geadvi-
seerde reinigingsadditief aan de brandstof
worden toegevoegd. Beslist de op de verpak-
king aangegeven aanwijzingen en mengver-
houdingen in acht nemen.
Dieselbrandstof (EN 590)
Brandstofkwaliteit
GWAARSCHUWING
Als dieselbrandstof met benzine wordt
gemengd, is het vlampunt van het brandstof-
mengsel lager dan dat van zuivere diesel-
brandstof. Als de motor draait kunnen onder-
delen van het uitlaatsysteem onbemerkt over-
verhit raken. Brandgevaar!
Nooit benzine tanken. Nooit benzine aan de
dieselbrandstof toevoegen.
!Alleen dieselbrandstof tanken, die vol-
doet aan de Europese norm EN 590 of
gelijkwaardig is. Brandstof, die niet aan EN
590 voldoet, kan leiden tot hogere slijtage
en tot schade aan de motor en het uitlaat-
systeem.
!Niet tanken met:
Rmarinediesel
Rhuisbrandolie
Rbiodiesel
Rplantaardige olie
Rbenzine
Rpetroleum
Rkerosine.
Bovengenoemde brandstoffen niet met die-
selbrandstof mengen en geen additieven
gebruiken. Anders kan de motor bescha-
digd raken.
!Auto's met dieselroetfilter: In landen
buiten de EU alleen zwavelarme eurodiesel
tanken met een zwavelgehalte lager dan
50 ppm. Anders kan het uitlaatgasreini-
gingssysteem beschadigd raken.
!Auto's zonder dieselroetfilter: In lan-
den waar dieselbrandstof met een hoger
zwavelgehalte wordt geleverd, wordt de
olieverversing van de auto met kortere
intervallen uitgevoerd. Meer informatie
over het olieverversingsinterval is verkrijg-
baar bij elke gekwalificeerde werkplaats.
Bedrijfsstoffen en inhouden 495
Technische gegevens
Z
Informatie over de brandstofkwaliteit staat
doorgaans op de pompzuil van het tanksta-
tion. Als het keurmerk niet op de pompzuil
van het tankstation te vinden is, kunt u het
personeel van het tankstation raadplegen.
Informatie over tanken (Ypagina 214).
Lage buitentemperaturen
Gedurende de wintermaanden wordt diesel-
brandstof met betere vloeibaarheid bij een
lage temperatuur geleverd. In Europa zijn in
de norm EN 590 verschillende klimaatafhan-
kelijke koudeklassen gedefinieerd. Door het
tanken van dieselbrandstof die voldoet aan
de klimaatafhankelijke eisen van EN 590,
kunnen storingen worden voorkomen. Bij
extreem lage buitentemperaturen kan het
gebeuren, dat de vloeibaarheid van de diesel-
brandstof onvoldoende is. Dat geldt ook voor
dieselbrandstof uit warmere gebieden, die
niet voldoet aan de klimatologische vloei-
baarheid.
iMeer informatie over de landspecifieke
brandstofeigenschappen en in het bijzon-
der koudebestendige brandstofsoorten is
verkrijgbaar bij vertegenwoordigers van
oliemaatschappijen, bijvoorbeeld bij tank-
stations.
Informatie over het brandstofverbruik
HMilieu-aanwijzing
CO2(kooldioxide) is het gas dat volgens de
huidige stand van de wetenschap voorname-
lijk verantwoordelijk is voor de opwarming
van de atmosfeer (broeikaseffect). De CO2-
emissie van de auto varieert met het brand-
stofverbruik en is daardoor afhankelijk van:
Rhet efficiënte gebruik van de brandstof door
de motor
Rde rijstijl van de bestuurder
Randere niet-technische factoren, zoals
milieu-invloeden, staat van het wegdek of
verkeersstroom.
Door een beheerste rijstijl en regelmatig
onderhoud van uw auto kunt u meewerken
aan de vermindering van de CO2-emissie.
Onder de volgende omstandigheden ver-
bruikt de auto meer brandstof dan gewoon-
lijk:
Rbij zeer lage buitentemperaturen
Rbij het rijden in de stad
Rbij korte ritten
Rbij het rijden in de bergen
Rbij het rijden met een aanhangwagen.
iAlleen voor bepaalde landen: De actuele
verbruiks- en emissiewaarden van uw auto
vindt u in de COC-papieren (EG-CERTIFI-
CATE OF CONFORMITY). Deze documenten
ontvangt u bij aflevering van de auto.
De brandstofverbruikscijfers zijn conform
de huidige richtlijnen vastgesteld:
Rvoor auto's tot en met EURO4-norm vol-
gens de EG-richtlijn RL 80 /1268 /EWG
Rvoor auto's vanaf de EURO5-norm vol-
gens de verordening (EG) nr. 715/2007.
In werkelijkheid kunnen deze waarden
afwijken.
AdBlue®
Belangrijke veiligheidsvoorschriften
AdBlue®is een in water oplosbare vloeistof
voor de uitlaatgasnabehandeling bij diesel-
motoren. Het is:
Rniet-giftig
Rkleur- en reukloos
Rniet-brandbaar.
Als de AdBlue®-tank wordt geopend, kan een
kleine hoeveelheid ammoniakdamp vrijko-
men.
Ammoniakdampen hebben een prikkelende
geur en irriteren vooral de huid, de slijmvlie-
zen en de ogen. Daardoor kan een brandend
gevoel in de neus, de keel en de ogen ont-
496 Bedrijfsstoffen en inhouden
Technische gegevens
staan. Hoesten en tranende ogen zijn moge-
lijk.
Adem vrijkomende ammoniakdampen niet in.
De AdBlue®-tank alleen bijvullen in goed
geventileerde ruimtes.
Lage buitentemperatuur
AdBlue®bevriest bij een temperatuur van
circa -11 †. De auto is af fabriek uitgerust
met een AdBlue®-voorverwarmingssysteem.
Het rijden in de winter is zodoende ook bij
temperaturen onder -11 gewaarborgd.
Additieven
!Alleen AdBlue®overeenkomstig ISO
22241 gebruiken. Geen additieven aan
AdBlue®toevoegen en AdBlue®niet met
water verdunnen. Daardoor kan de
BlueTec-uitlaatgasnabehandeling defect
raken.
Zuiverheid
!Verontreinigingen van AdBlue&, bijvoor-
beeld door andere bedrijfsstoffen, reini-
gingsmiddelen of stof, leiden tot:
Rverhoogde emissiewaarden
Rkatalysatorschade
Rmotorschade
Rstoringen in de werking van de BlueTEC
uitlaatgasnabehandeling.
Om storingen in de werking van de BlueTEC-
uitlaatgasnabehandeling te vermijden, is de
zuiverheid van AdBlue®zeer belangrijk.
Wanneer AdBlue®, bijvoorbeeld bij een repa-
ratie, uit de AdBlue®-tank wordt gepompt,
mag dit niet meer worden teruggepompt. De
zuiverheid van de vloeistof is niet meer
gewaarborgd.
Inhoud
Model Totale inhoud
S 350 BlueTEC 25,5 l
Motorolie
Algemene aanwijzingen
Bij de omgang met motorolie de belangrijke
veiligheidsvoorschriften over bedrijfsstoffen
in acht nemen (Ypagina 492).
Voor de functie en levensduur van een motor
is de kwaliteit van de motorolie van doorslag-
gevend belang. Op basis van uitgebreid
onderzoek geeft Mercedes-Benz voortdurend
motoroliën overeenkomstig de actuele tech-
nische stand vrij.
In Mercedes-Benz motoren mag daarom
alleen door Mercedes-Benz goedgekeurde
motorolie worden gebruikt.
Meer informatie over gecontroleerde en
goedgekeurde motorolie is verkrijgbaar bij
elke Mercedes-Benz-servicewerkplaats.
Mercedes-Benz adviseert, het verversen van
de olie bij een gekwalificeerde werkplaats uit
te laten voeren. De Mercedes-Benz vrijgave
op de verpakking is te herkennen aan het
opschrift "MB-Freigabe" en de bijbehorende
specificaties, bijvoorbeeld MB-Freigabe
229.51.
Een overzicht van de goedgekeurde motoro-
liën vindt u op internet:
http://bevo.mercedes-benz.com onder ver-
melding van de specificaties, bijvoorbeeld
229.5.
In de tabel is te lezen, welke motoroliën voor
uw auto goedgekeurd zijn.
Benzinemotor: Voor bepaalde landen
bestaat de mogelijkheid in combinatie met
gereduceerde onderhoudsintervallen andere
motorolie te gebruiken. Voor meer informatie
contact opnemen met een gekwalificeerde
werkplaats. Ontbrekende waarden waren bij
de redactiesluiting nog niet beschikbaar.
Benzinemotor MB-vrijgave
Alle modellen 229.5
Bedrijfsstoffen en inhouden 497
Technische gegevens
Z
Dieselmotoren zonder
dieselroetfilter
MB-vrijgave
S 350 CDI 228.31, 228.5,
228.51, 229.3,
229.31, 229.5,
229.51, 229.52
Dieselmotoren met
dieselroetfilter
MB-vrijgave
S 350 BlueTEC 228.51,
229.31,
229.51, 229.52
S 350 CDI 228.51,
229.31,
229.51, 229.52
iWanneer de in de tabel vermelde moto-
roliën niet beschikbaar zijn, mogen tot de
volgende olieverversing de volgende moto-
roliën worden bijgevuld:
RBenzinemotoren: MB-vrijgave 229.1,
229.3 of ACEA A3
RDieselmotoren: MB-vrijgave 229.1,
229.3, 229.5 of ACEA C3
Daarbij mag de eenmalige bij te vullen hoe-
veelheid maximaal 1,0 l bedragen.
Inhoud
De volgenden waarden hebben betrekking op
een olieverversing inclusief oliefilter.
Model Verversingshoe-
veelheid
S 400
S 400 HYBRID
6,5 l
Auto's in AMG-uit-
voering
Zonder externe olie-
koeler: 8,5 l
Alle andere model-
len
8,0 l
Additieven
!Geen extra additieven in de motorolie
gebruiken. Dit kan de motor beschadigen.
Viscositeit van motorolie
De viscositeit kenmerkt de vloeibaarheid van
een vloeistof. Bij motorolie is een hoge vis-
cositeit gelijk aan dikvloeibaarheid, een lage
viscositeit aan dunvloeibaarheid.
De motorolie afhankelijk van de betreffende
buitentemperatuur overeenkomstig de SAE-
klasse (viscositeit) selecteren. De tabel toont
de te gebruiken SAE-klasses. Door bijvoor-
beeld veroudering en vermenging met roet en
brandstof kunnen de eigenschappen bij lage
temperaturen van motoroliën duidelijk ver-
slechteren. Een regelmatige olieverversing
met een vrijgegeven motorolie in de
geschikte SAE-klasse wordt daarom dringend
geadviseerd.
Remvloeistof
GWAARSCHUWING
In de loop de jaren neemt remvloeistof vocht
uit de atmosfeer op. Daardoor daalt het kook-
punt.
Als het kookpunt van de remvloeistof te laag
is, kunnen er bij hoge belasting van de rem-
men (bijvoorbeeld bij bergafwaarts rijden)
dampbellen in het remsysteem ontstaan.
Hierdoor wordt de remwerking negatief beïn-
vloed.
498 Bedrijfsstoffen en inhouden
Technische gegevens
Remvloeistof regelmatig laten verversen. De
intervallen voor de verversen van de remvloei-
stof vindt u in het onderhoudsboekje.
Alleen de door Mercedes-Benz goedgekeurde
remvloeistof volgens MB-vrijgave 331.0
gebruiken.
Informatie over goedgekeurde remvloeistof is
verkrijgbaar bij elke gekwalificeerde werk-
plaats of op internet onder
http://bevo.mercedes-benz.com.
iDe remvloeistof regelmatig laten verver-
sen bij een gekwalificeerde werkplaats.
Koelvloeistof
Belangrijke veiligheidsvoorschriften
GWAARSCHUWING
Als antivriesmiddel op hete onderdelen in de
motorruimte terecht komt, kan deze ontste-
ken. Er bestaat gevaar voor brand en letsel!
De motor laten afkoelen, voordat bijvullen
wordt bijgevuld. Er mag geen antivriesmiddel
naast de vulopening terecht komen; dit con-
troleren. Met antivriesmiddel vervuilde onder-
delen grondig reinigen, voordat de motor
wordt gestart.
!Alleen voorgemengde koelvloeistof bijvul-
len met de gewenste bescherming tegen
bevriezen. Anders is er gevaar voor schade
aan de motor.
Meer aanwijzingen over koelvloeistof staat
in de Mercedes-Benz-bedrijfsstoffenvoor-
schriften, MB-BeVo 310.1, bijvoorbeeld op
internet:
http://bevo.mercedes-benz.com. Of
neem contact op met een gekwalificeerde
werkplaats.
!Altijd een geschikte koelvloeistof gebrui-
ken - ook in landen met hoge temperaturen!
Anders is het motorkoelsysteem niet vol-
doende beschermd tegen corrosie en over-
verhitting.
iDe koelvloeistof regelmatig laten verver-
sen bij een gekwalificeerde werkplaats en
dit in het onderhoudsboekje laten bevesti-
gen.
De koelvloeistof is een mengsel van water en
een anticorrosie- en antivriesmiddel. Dit zorgt
voor:
Rbescherming tegen corrosie
Rbescherming tegen bevriezen
Rverhoging van het kookpunt.
Als de koelvloeistof bestaat uit het voorge-
schreven mengsel van anticorrosie- en anti-
vriesmiddel, ligt het kookpunt van de koel-
vloeistof tijdens de werking op circa 130 †.
Het percentage anticorrosie- en antivriesmid-
del in het motorkoelsysteem moet:
Rten minste 50% bedragen. Daarmee is het
motorkoelsysteem tot circa -37 tegen
bevriezing beschermd.
R55% (bescherming tegen bevriezen tot
-45 †) niet overschrijden. Anders wordt de
warmte slechter afgevoerd.
Mercedes-Benz adviseert een anticorrosie-
en antivriesmiddelconcentraat volgens
MB BeVo 310.1.
iBij de eerste aflevering van de auto is het
koelsysteem gevuld met een koelvloeistof
die bescherming biedt tegen vorst en cor-
rosie.
iDe koelvloeistof wordt bij elk onder-
houdsinterval bij een gekwalificeerde werk-
plaats gecontroleerd.
Ruitensproeierinstallatie
Belangrijke veiligheidsvoorschriften
GWAARSCHUWING
Ruitensproeiervloeistofconcentraat is licht
ontvlambaar. Als dit op hete onderdelen van
de motor of het uitlaatsysteem komt, kan het
ontbranden. Er bestaat gevaar voor brand en
letsel!
Bedrijfsstoffen en inhouden 499
Technische gegevens
Z
Erop letten dat geen ruitensproeiervloeistof-
concentraat naast de vulopening terecht-
komt.
!Geen gedistilleerd of gedemineraliseerd
water in het ruitensproeiervloeistofreser-
voir gebruiken. Anders kan de niveausen-
sor worden beschadigd.
!Alleen de ruitensproeiervloeistoffen MB
SummerFit en MB WinterFit zijn onderling
mengbaar. Anders kunnen de ruitensproei-
ers verstopt raken.
Bij temperaturen boven het vriespunt:
XHet ruitensproeiervloeistofreservoir vullen
met een mengsel van water en ruiten-
sproeiervloeistof, bijvoorbeeld MB Sum-
merFit.
1 deel MB SummerFit met 100 delen water
mengen.
Bij temperaturen onder het vriespunt:
XHet ruitensproeiervloeistofreservoir vullen
met een mengsel van water en ruiten-
sproeiervloeistof, bijvoorbeeld MB Winter-
Fit.
De mengverhouding aanpassen aan de bui-
tentemperatuur.
RTot Ò10 †: 1 deel MB WinterFit met 2 delen
water mengen.
RTot Ò20 †: 1 deel MB WinterFit met 1 deel
water mengen.
RTot Ò29 †: 2 delen MB WinterFit met 1 deel
water mengen.
iRuitensproeiervloeistof het gehele jaar
door mengen met ruitensproeiervloeistof,
bijvoorbeeld met MB SummerFit of MB
WinterFit.
Autogegevens
Algemene aanwijzingen
Met betrekking tot de aangegeven autogege-
vens het volgende in acht nemen:
RDe aangegeven hoogten kunnen fluctueren
in verband met:
-banden
-belading
-toestand van het onderstel
-opties.
ROpties verminderen het nuttig laadvermo-
gen.
RSpecifieke gewichtsaanduidingen vindt u
op het voertuigtypeplaatje (Ypagina 492).
RAlleen voor bepaalde landen: De autospe-
cifieke autogegevens kunt u in de COC-
documenten (EC-CERTIFICATE OF CON-
FORMITY) vinden. Deze documenten ont-
vangt u bij aflevering van de auto.
Maten en gewichten
Model ::Zwenkhoogte
S 350 BlueTEC
S 400 HYBRID
1800 mm
Auto's in AMG-uit-
voering
1799 mm -
1834 mm
Alle andere model-
len
1803 mm
500 Autogegevens
Technische gegevens
Modellen met korte wielbasis
Auto's in AMG-uitvoering
Lengte 5157 mm
Breedte over buitenspie-
gels
2130 mm
Breedte zonder buiten-
spiegels
1914 mm
Wielbasis 3035 mm
Maximumdakbelasting 100 kg
Maximumbagageruimte-
belading
100 kg
Alle andere modellen
Lengte 5116 mm
Breedte over buitenspie-
gels
2130 mm
Breedte zonder buiten-
spiegels
1899 mm
Wielbasis 3035 mm
Maximumdakbelasting 100 kg
Maximumbagageruimte-
belading
100 kg
Model Hoogte
S 350 BlueTEC
S 400 HYBRID
1493 mm
Auto's in AMG-uitvoering 1501 mm -
1546 mm
Alle andere modellen 1496 mm
Modellen met lange wielbasis
Auto's in AMG-uitvoering
Lengte 5287 mm
Breedte over buitenspie-
gels
2130 mm
Breedte zonder buiten-
spiegels
1914 mm
Wielbasis 3165 mm
Maximumdakbelasting 100 kg
Maximumbagageruimte-
belading
100 kg
Alle andere modellen
Lengte 5246 mm
Breedte over buitenspie-
gels
2130 mm
Breedte zonder buiten-
spiegels
1899 mm
Wielbasis 3165 mm
Maximumdakbelasting 100 kg
Maximumbagageruimte-
belading
100 kg
Model Hoogte
S 350 BlueTEC
S 400 HYBRID
1491 mm
Auto's in AMG-uitvoering 1501 mm -
1546 mm
Alle andere modellen 1494 mm
Autogegevens 501
Technische gegevens
Z
Trekhaak
Inbouwmaten
!Auto's met HYBRID technologie: Het
naderhand monteren van een trekhaak is
niet toegestaan.
!Alle auto's (behalve auto's met
HYBRID technologie): Afhankelijk van het
type auto zijn bij het achteraf inbouwen van
een trekhaak wijzigingen aan het motor-
koelsysteem noodzakelijk.
Bij inbouw van een trekhaak achteraf op de
bevestigingspunten aan het onderstel let-
ten.
:Bevestigingspunten trekhaak
;Achteroverbouw
=Hartlijn achteras
Alle modellen (behalve S 350 CDI,
S 400 HYBRID, S 400, S 63 AMG en
S 63 AMG 4MATIC): Bij een af fabriek
gemonteerde trekhaak bedraagt de achter-
overbouw inclusief afdekkap 1294 mm.
Ontbrekende waarden voor het model
S 350 CDI waren bij de redactiesluiting nog
niet beschikbaar.
Bij de volgende modellen is rijden met een
aanhangwagen niet mogelijk:
RS 400 HYBRID
RS 400
RS 63 AMG
RS 63 AMG 4MATIC
502 Trekhaak
Technische gegevens
Aanhangwagengewichten
!Wij adviseren gebruik te maken van de maximaal toegestane kogeldruk. Een minimum
kogeldruk van 50 kg niet onderschrijden, anders kan de combinatie instabiel worden. Er
rekening mee houden dat de werkelijke kogeldruk bij de belading en de achterasbelasting
moet worden opgeteld.
Bij de volgende modellen is rijden met een aanhangwagen niet mogelijk:
RS 400 HYBRID
RS 400
RS 63 AMG
RS 63 AMG 4MATIC
Ontbrekende waarden voor het model S 350 CDI waren bij de redactiesluiting nog niet
beschikbaar.
Alle modellen (behalve
S 350 CDI, S 400 HYBRID,
S 400, S 63 AMG en
S 63 AMG 4MATIC)
Toegestaan aanhangwagengewicht, ongeremd 750 kg
Toegestaan aanhangwagengewicht, geremd (bij hel-
lingspercentage van 8%
2100 kg
Toegestaan aanhangwagengewicht, geremd (bij hel-
lingspercentage van 12%
2100 kg
Maximumkogeldruk (de kogeldruk is niet bij het aan-
hangwagengewicht inbegrepen)
85 kg
De daadwerkelijke kogeldruk mag echter niet hoger zijn dan de waarde die op de typeplaatjes
van de trekhaak is aangegeven. Bovendien moet verschil worden gemaakt tussen rijden met
een aanhangwagen en het gebruik van dragersystemen op de kogelkop van de trekhaak.
Er rekening mee houden dat de belading en de achterasbelasting de daadwerkelijke kogeldruk
verlagen.
Er kunnen dragersystemen, bijvoorbeeld een fietsdrager of ladingrek, op de kogelkop worden
gemonteerd. Bij gebruik van een dragersysteem op de kogelkop bedraagt de maximumko-
geldruk 75 kg.
Toegestane achterasbelasting bij rijden met een aanhangwagen
Bij de volgende modellen is rijden met een aanhangwagen niet mogelijk:
RS 400 HYBRID
RS 400
RS 63 AMG
RS 63 AMG 4MATIC
Trekhaak 503
Technische gegevens
Z
Ontbrekende waarden waren bij de redactiesluiting nog niet beschikbaar.
Korte wielbasis Lange wielbasis
S 500 1570 kg 1580 kg
S 350 BlueTEC 1565 kg 1575 kg
S 350 CDI
S 500 4MATIC
504 Trekhaak
Technische gegevens
Impressum
Internet
Meer informatie over Mercedes-Benz-auto's
en over Daimler AG vindt u op internet:
http://www.mercedes-benz.com
http://www.daimler.com
Redactie
Bij vragen of suggesties ten aanzien van deze
handleiding kunt u de Technische Redactie op
het volgende adres bereiken:
Daimler AG, HPC: CAC, Customer Service,
70546 Stuttgart, Deutschland
©Daimler AG: Nadruk, vertaling en reproduc-
tie, ook gedeeltelijk, is zonder schriftelijke
toestemming van Daimler AG niet toege-
staan.
Fabrikant
Daimler AG
Mercedesstraße 137
D-70327 Stuttgart
Duitsland
Symbolen
In deze handleiding vindt u de volgende sym-
bolen:
GWAARSCHUWING
Waarschuwingsaanwijzingen wijzen op geva-
ren die uw gezondheid of uw leven resp. de
gezondheid of het leven van anderen in gevaar
kunnen brengen.
HMilieu-aanwijzing
Milieu-aanwijzingen geven informatie over
milieubewust handelen of milieubewust
afvoeren.
!De aanwijzingen m.b.t. schade maken u
opmerkzaam op risico's die de auto kunnen
beschadigen.
iNuttige informatie of aanwijzingen die
behulpzaam kunnen zijn.
XDit symbool wijst op een hande-
lingsinstructie die moet worden
opgevolgd.
XMeerdere van dergelijke, op
elkaar volgende symbolen geven
een aanwijzing met meerdere
handelingen aan.
(Ypagina) Dit symbool geeft aan waar meer
informatie over een onderwerp
te vinden is.
YY Dit symbool geeft een waarschu-
wing of handelingsinstructie aan,
die op de volgende pagina wordt
voortgezet.
DisplayDisplay Dit lettertype geeft een melding
op het multifunctioneel display
resp. het COMAND-display weer.
Delen van de software in de auto zijn van een
Copyright ©2005 The FreeType Project
http://www.freetype.org voorzien. Alle rech-
ten voorbehouden.
Redactiesluiting 03.06.2013
S-Klasse
Handleiding
Bestelnummer 6515 2485 07 Onderdeelnummer 222 584 47 01 Z107 Uitgave NA2013-05d2
É2225844701Z107jËÍ
2225844701Z107
S-Klasse Handleiding
506

Hulp nodig? Stel uw vraag in het forum

Spelregels

Misbruik melden

Gebruikershandleiding.com neemt misbruik van zijn services uitermate serieus. U kunt hieronder aangeven waarom deze vraag ongepast is. Wij controleren de vraag en zonodig wordt deze verwijderd.

Product:

Bijvoorbeeld antisemitische inhoud, racistische inhoud, of materiaal dat gewelddadige fysieke handelingen tot gevolg kan hebben.

Bijvoorbeeld een creditcardnummer, een persoonlijk identificatienummer, of een geheim adres. E-mailadressen en volledige namen worden niet als privégegevens beschouwd.

Spelregels forum

Om tot zinvolle vragen te komen hanteren wij de volgende spelregels:

Belangrijk! Als er een antwoord wordt gegeven op uw vraag, dan is het voor de gever van het antwoord nuttig om te weten als u er wel (of niet) mee geholpen bent! Wij vragen u dus ook te reageren op een antwoord.

Belangrijk! Antwoorden worden ook per e-mail naar abonnees gestuurd. Laat uw emailadres achter op deze site, zodat u op de hoogte blijft. U krijgt dan ook andere vragen en antwoorden te zien.

Abonneren

Abonneer u voor het ontvangen van emails voor uw Mercedes S-Klasse Limousine 2013 bij:


U ontvangt een email met instructies om u voor één of beide opties in te schrijven.


Ontvang uw handleiding per email

Vul uw emailadres in en ontvang de handleiding van Mercedes S-Klasse Limousine 2013 in de taal/talen: Nederlands als bijlage per email.

De handleiding is 19.66 mb groot.

 

U ontvangt de handleiding per email binnen enkele minuten. Als u geen email heeft ontvangen, dan heeft u waarschijnlijk een verkeerd emailadres ingevuld of is uw mailbox te vol. Daarnaast kan het zijn dat uw internetprovider een maximum heeft aan de grootte per email. Omdat hier een handleiding wordt meegestuurd, kan het voorkomen dat de email groter is dan toegestaan bij uw provider.

Stel vragen via chat aan uw handleiding

Stel uw vraag over deze PDF

Uw handleiding is per email verstuurd. Controleer uw email

Als u niet binnen een kwartier uw email met handleiding ontvangen heeft, kan het zijn dat u een verkeerd emailadres heeft ingevuld of dat uw emailprovider een maximum grootte per email heeft ingesteld die kleiner is dan de grootte van de handleiding.

Er is een email naar u verstuurd om uw inschrijving definitief te maken.

Controleer uw email en volg de aanwijzingen op om uw inschrijving definitief te maken

U heeft geen emailadres opgegeven

Als u de handleiding per email wilt ontvangen, vul dan een geldig emailadres in.

Uw vraag is op deze pagina toegevoegd

Wilt u een email ontvangen bij een antwoord en/of nieuwe vragen? Vul dan hier uw emailadres in.



Info