817142
610
Verklein
Vergroot
Pagina terug
1/653
Pagina verder
Disclaimer
De volgende online-versie van de handleiding
beschrijft alle modellen, standaarduitrustingen en
opties van uw auto. Landspecifieke afwijkingen in
de taalvarianten zijn mogelijk. Neem in acht dat
uw auto mogelijk niet met alle beschreven func-
ties is uitgerust. Dit betreft ook veiligheidsrele-
vante systemen en functies.
Neem alstublieft contact op met uw geautori-
seerde Mercedes-Benz-dealer om een gedrukte
handleiding voor andere modellen en modeljaren
te ontvangen. De online-handleiding is altijd de
meest actuele versie. Er kon geen rekening wor-
den gehouden met alle afwijkingen met het daad-
werkelijke voertuig, omdat Mercedes-Benz haar
voertuigen continu aanpast aan de nieuwste stand
der techniek en de vorm en uitvoering wijzigt.
Ook de gedrukte handleiding, aanvullende docu-
menten en de digitale handleiding lezen.
Auteursrecht
Alle rechten voorbehouden. Alle teksten,foto‘s en
afbeeldingen vallen onder het auteursrecht en
andere wetten ter bescherming van intellectueel
eigendom. Deze mogen niet voor handelsdoelein-
den of voor verspreiding worden gekopieerd, noch
veranderd en op andere websites worden
gebruikt.
Digitaal in de auto Map met voertuigdocumenta
tie in de auto
Digitaal op het internetDigitaal als app
De inhoud van de handleiding
direct in het multimediasysteem
van de auto (menupunt "Voer‐
tuig-info") bekijken. Start met het
snelmenu of verdiep uw kennis
met nuttige tips.
Hier vindt u alle informatie over
de bediening, de serviceverlenin‐
gen en de garantie van uw auto
in gedrukte vorm.
U vindt de handleiding op uw
Mercedes-Benz homepage. De Mercedes-Benz Guides app is
gratis beschikbaar in de gang‐
bare app-stores.
É2935843001Z107<ËÍ
2935843001Z107
Apple®iOS AndroidTM
Bestelnummer P293 0071 07 Onderdeelnummer 293 584 30 01 Z107
Uitgave NA2019-06c
EQC
Handleiding
Mercedes-Benz
Mercedes-BenzEQC
Impressum
Internet
Meer informatie over Mercedes-Benz-voertuigen
en over Daimler AG vindt u op internet onder:
http://www.mercedes-benz.com
http://www.daimler.com
Redactie
Bij vragen of suggesties ten aanzien van deze
handleiding kunt u de TechnischeRedactie op
het volgende adres bereiken:
Daimler AG, HPC: CAC, Customer Service,
70546 Stuttgart, Duitsland
©Daimler AG:Nadruk, vertaling en reproductie,
ook gedeeltelijk, is zonder schriftelijke toestem‐
ming van Daimler AG niet toegestaan.
Autofabrikant
Daimler AG
Mercedesstraße 137
D-70327 Stuttgart
Duitsland
Waarschuwing passagiersairbag
&WAARSCHUWING Gevaar voor letsel of
levensgevaar bij ingeschakelde passa‐
giersairbag
Als de passagiersairbag is ingeschakeld, kan
een kind op de passagiersstoel bij een onge‐
val door de passagiersairbag worden geraakt.
NOOIT een naar achteren gericht kinderbe‐
veiligingssysteem op een stoel met INGE‐
SCHAKELDE FRONTAIRBAG gebruiken, want
dat kanvoor het kind DODELIJKE of ERN‐
STIGE VERWONDINGEN tot gevolg hebben.
Het hoofdstuk "Kinderen in de auto" in acht
nemen.
Redactiesluiting 18.02.2019
Welkom in de wereld van Mercedes-Benz
Voor de eersterit dient u zich aan de hand van
deze handleiding vertrouwd te maken met de
auto.Voor uw eigen veiligheid en voor een lan‐
gere levensduur van de auto adviseren wij u de
volgende aanwijzingen en waarschuwingsaanwij‐
zingen in deze handleiding op te volgen. Onoplet‐
tendheid kantot schade aan de auto en tot per‐
soonlijk letsel leiden.
De uitvoering of de productbenaming van de
auto kanverschillen en is afhankelijk van de vol‐
gende factoren:
RModel
ROpdracht
RExportuitvoering
RBeschikbaarheid
De afbeeldingen in deze handleiding tonen een
auto met links stuur. Bij auto's met rechts stuur
wijkt de indeling van onderdelen en bedienings‐
elementen overeenkomstig af.
Mercedes-Benz ontwikkelt zijn voertuigen steeds
verder.
Mercedes-Benz behoudt zich daarom het recht
voor de volgende punten te wijzigen:
Rvorm
Ruitvoering
Rtechniek
Daaromkan de beschrijving in sommige gevallen
afwijken van uw auto.
De volgende documentatie is onderdeel van de
auto:
RDigitale handleiding
RGedrukte handleiding
ROnderhoudsboekje
RUitrustingsafhankelijke aanvullende handlei‐
dingen
Deze documentatie moet altijd in de auto aanwe‐
zig zijn. Alle documentatie moet bij verkoop van
de auto aan de nieuwe eigenaar worden over‐
handigd.
2935843001Z107
2935843001Z107
Symbolen ...................................................... 5
In één oogopslag .......................................... 6
Cockpit ........................................................... 6
Waarschuwings- en controlelampjes .............. 8
Bedieningspaneel dakconsole ...................... 10
Portierbedieningseenheid en stoelinstel‐
lingen ............................................................ 12
In gevalvan nood en pech ............................ 14
Digitale handleiding ................................... 16
Digitale handleiding oproepen ......................16
Algemene aanwijzingen ............................. 17
Milieubescherming ....................................... 17
Terugname van de oude auto ........................ 17
Mercedes-Benz originele onderdelen ............ 18
Handleiding ................................................... 19
Bedrijfsveiligheid ...........................................19
Conformiteitsverklaring ................................ 21
Diagnose-interface ....................................... 25
Gekwalificeerde werkplaats .......................... 26
Registratie van de auto ................................. 26
Correct gebruik van de auto ......................... 27
Informatie over de REACH-verordening ......... 27
Aansprakelijkheid voor gebreken .................. 27
QR-codes voor reddingskaart .......................27
Gegevensopslag ...........................................28
Auteursrecht .................................................30
Veiligheid voor inzittenden ........................ 31
Veiligheidssysteem ....................................... 31
Veiligheidsgordels ........................................ 33
Airbags .........................................................38
PRE-SAFE®systeem .....................................47
Kinderen veilig in de auto vervoeren .............48
Aanwijzingen met betrekking tot huisdie‐
ren in de auto ................................................ 74
Openen en sluiten ...................................... 76
Sleutel .......................................................... 76
Portieren ...................................................... 80
Bagageruimte ...............................................86
Zijruiten ........................................................ 91
Schuifdak ..................................................... 95
Rolzonneschermen ....................................... 99
Diefstalbeveiliging ........................................ 99
Stoelen en opbergen................................ 103
Correcte stand van de bestuurdersstoel ..... 103
Stoelen .......................................................104
Stuurwiel .....................................................113
In- en uitstaphulp ........................................ 114
Geheugenfunctie bedienen .........................116
Opbergmogelijkheden ................................. 117
Bekerhouder ............................................... 131
Asbak en sigarettenaansteker .....................132
Contactdozen ............................................. 134
Draadloos opladen van de mobiele tele‐
foon en koppeling met de buitenantenne .... 136
Vloermat verwijderen en aanbrengen .........137
Licht en zicht ............................................ 139
Exterieurverlichting .....................................139
Interieurverlichting .....................................145
Ruitenwissers en ruitensproeierinstalla‐
tie ...............................................................147
Spiegels ...................................................... 151
Zonnekleppen bedienen .............................154
Klimaatregeling ........................................ 155
Overzicht temperatuurregelsystemen ......... 155
2Inhoudsopgave
Temperatuurregelsysteem bedienen ........... 155
Rijden en parkeren................................... 164
Rijden .........................................................164
DYNAMIC SELECT-schakelaar ..................... 175
Transmissie .................................................179
Functie van de flexibele vierwielkoppel‐
verdeling ..................................................... 181
Hoogspanningsaccu opladen ...................... 181
Parkeren ..................................................... 195
Rij- en rijveiligheidssystemen ..................... 203
Aanhangwagenvoorziening .........................266
Functie van de fietsdrager .......................... 270
Aanwijzingen met betrekking tot het
trekken van auto's ...................................... 272
Instrumenten-display en boordcom‐
puter.......................................................... 273
Overzicht instrumentendisplay ...................273
Overzicht toetsen in het stuurwiel .............. 273
Boordcomputer bedienen ........................... 274
Functie van de weergave beschikbaar
vermogen ....................................................276
Gebied met meerdere weergaven instel‐
len ...............................................................276
Overzicht van de weergaven op het mul‐
tifunctioneel display ................................... 277
Dashboardverlichting instellen .................... 278
Menu's en submenu's ................................. 278
Head-up-display .......................................... 284
LINGUATRONIC ........................................ 286
Aanwijzingen voor de bedrijfsveiligheid ...... 286
Bediening .................................................... 287
De LINGUATRONIC effectief gebruiken .......289
Duidelijke gesproken opdrachten ................291
MBUX multimediasysteem ...................... 307
Overzicht en bediening ...............................307
Systeeminstellingen ...................................343
Fit & Healthy ...............................................353
Navigatie .................................................... 358
Telefoon ...................................................... 409
Online- en internetfuncties .........................446
Media .........................................................455
Radio .......................................................... 464
Tv ................................................................ 467
Sound ......................................................... 477
Onderhoud en verzorging ....................... 480
Weergave onderhoudsinterval ASSYST
PLUS ..........................................................480
Motorruimte ................................................ 481
Reiniging en verzorging .............................. 485
Pechhulp ................................................... 496
Noodgeval .................................................. 496
Bandenpech ...............................................498
Accu (auto) ................................................. 503
Aan- of wegslepen ...................................... 506
Elektrische zekeringen ................................ 510
Banden en velgen ..................................... 514
Aanwijzingen met betrekking totgeluids‐
ontwikkeling of ongewoon rijgedrag ............ 514
Aanwijzingen bij het regelmatig controle‐
renvan de velgen en banden ...................... 514
Aanwijzingen met betrekking tot sneeuw‐
kettingen ..................................................... 514
Bandenspanning ......................................... 515
Inhoudsopgave 3
Verwisselen van een wiel ............................ 523
Noodwiel .................................................... 533
Technische gegevens .............................. 535
Aanwijzingen voor technischegegevens ..... 535
Boordelektronica ........................................535
Voertuigtypeplaatje, FIN en motornum‐
mer .............................................................537
Bedrijfsstoffen ............................................ 539
Autogegevens ............................................. 542
Aanhangwagenvoorziening .........................544
Displaymeldingen met waarschu‐
wings- en controlelampjes ...................... 546
Displaymeldingen ....................................... 546
Waarschuwings- en controlelampjes .......... 593
Trefwoordenregister................................ 607
4Inhoudsopgave
In deze handleiding vindt u de volgende symbo‐
len:
&GEVAAR Gevaar door het niet in acht
nemen vanwaarschuwingsaanwijzingen
Waarschuwingsaanwijzingen wijzen op geva‐
ren die uw gezondheid of uw levenresp. de
gezondheid of het levenvan anderen in
gevaar kunnen brengen.
#Waarschuwingsaanwijzingen in acht
nemen.
+MILIEU-AANWIJZING Milieuschade door
het niet in acht nemen van milieu-aanwij‐
zingen
Milieu-aanwijzingen geven informatie over
milieubewust handelen of milieubewust
afvoeren.
#Milieu-aanwijzingen in acht nemen.
*AANWIJZING Materiële schade door het
niet in acht nemen van aanwijzingen
m.b.t. materiële schade
Aanwijzingen m.b.t. materiële schade wijzen
op risico's die tot schade aan de auto kunnen
leiden.
#Aanwijzingen m.b.t. materiële schade in
acht nemen.
%Nuttige aanwijzingen of andere informatie
die behulpzaam kan zijn.
XHandelingsinstructie
(Qpagina) Meer informatie over een onder‐
werp
Display Meldingen op het multifunctioneel
display/mediadisplay:
+Bovenste menuniveau, dat in het
multimediasysteem moet worden
geselecteerd
*Overeenkomstige submenu's, die
in het multimediasysteem moeten
worden geselecteerd
*Geeft een oorzaak aan
Symbolen 5
Linkse besturing
6In één oogopslag Cockpit
1Recuperatie verhogen/verlagen 167
2Combischakelaar 140
3Instrumentendisplay 273
4DIRECT SELECT-keuzehendel 179
5Mediadisplay 307
6Start-stoptoets 169
7Temperatuurregelsystemen 155
8Controlelampje PASSENGER AIR BAG 44
9Alarmknipperlichtinstallatie 141
ADashboardkastje 119
BOpbergvak 118
CDraaiknop volume en geluid in- en uitschake‐
len
307
DMBUX multimediasysteem in- en uitschakelen 307
EActieve parkeerassistent 250
FTouchpad 310
GOplaadtijden instellen 184
HPARKTRONIC-parkeerassistent 239
IDYNAMIC SELECT-schakelaar 178
JMBUX multimediasysteem toepassingen
oproepen
320
KMBUX multimediasysteem Touch-control en
bedieningsgroep
307
LStuurwiel instellen 114
Stuurwielverwarming in- en uitschakelen 114
MBedieningspaneel voor:
Boordcomputer 274
TEMPOMAT of variabele limiter 217
Actieve afstandsassistent DISTRONIC 221
NDiagnose-interface 25
OMotorkap openen 481
PElektrische parkeerrem 201
QVerlichtingsschakelaar 139
In één oogopslag Cockpit 7
Instrumentendisplay
8In één oogopslag Waarschuwings- en controlelampjes
1Snelheidsmeter 273
2#! Knipperlicht 140
3Multifunctioneel display 277
4õRijbereidheid aandrijfsysteem 169
5RMistachterlicht 140
6KGrootlicht 140
LDimlicht 139
TStandlicht 139
7ÚStoring in het systeem 605
8Weergave beschikbaar vermogen 276
9LAfstandswaarschuwing 601
AüVeiligheidsgordel niet omgegespt
BhBandenspanningscontrole 602
CÙElektrische stuurbekrachtiging vertoont
een storing
604
D!Elektrische parkeerrem (geel)
EïAanhangwagenvoorziening niet bedrijfs‐
klaar
604
F!Elektrische parkeerremgesloten (rood)
G6Veiligheidssysteem 594
HJRemmen (rood)
ILaadtoestandweergave 276
JActieradius 276
KJRemmen (geel)
L#Elektrische storing 605
MOVermogen gereduceerd 605
NäWaarschuwingslampje onderstel 601
O!ABS vertoont een storing
PåESP®OFF
÷ESP®
In één oogopslag Waarschuwings- en controlelampjes 9
10 In één oogopslag Bedieningspaneel dakconsole
1Zonnekleppen 154
2pLinker leeslampje in- en uitschakelen 145
3SAutomatische besturing van interieur‐
verlichting in- en uitschakelen
145
4SOS-toets 434
5cInterieurverlichting voorin in- en uit‐
schakelen
145
6me-toets 434
7uInterieurverlichting achterin in- en uit‐
schakelen
145
8pRechter leeslampje in- en uitschakelen 145
9Brillenvak 119
A3Schuifdak openen en sluiten 95
BBinnenspiegel 153
In één oogopslag Bedieningspaneel dakconsole 11
12 In één oogopslag Portierbedieningseenheid en stoelinstellingen
1Geheugenfunctie bedienen 116
2Stoel elektrisch instellen 107
3Stoelverwarming in- en uitschakelen 111
4Stoelventilatie in- en uitschakelen 112
5Buitenspiegels bedienen 151
6Achterklep openen en sluiten 86
7Kogelhals volledig elektrisch uit- en inklappen 266
8WRechter zijruit openen en sluiten 91
9WLinker zijruit openen en sluiten 91
AWRuit rechts achterin openen en sluiten 91
BWRuit links achterin openen en sluiten 91
CKinderslot voor zijruiten achterin 74
DPortier openen 81
E&%Auto ver- en ontgrendelen 81
FStoellengterichting instellen 104
GAlleen auto's met zitcomfortpakket: Zitting‐
diepte instellen
106
HViervoudig verstelbare lendensteun instellen 107
IStoelinstellingen met multimediasysteem 109
JHoofdsteunen instellen 107
KAlleen auto's met zitcomfortpakket: Zitting‐
hoek instellen
106
LZithoogte instellen 106
MRugleuninghoek instellen 106
In één oogopslag Portierbedieningseenheid en stoelinstellingen 13
14 In één oogopslag In gevalvan nood en pech
1QR-codes voor het bepalen van de reddings‐
kaart
27
2Veiligheidsvesten 496
3Brandblusser 497
4me-toets en SOS-toets 434
5Alarmknipperlichtinstallatie 141
6Bedrijfsstoffen controleren en bijvullen 539
7Hoogspanningsuitschakelsysteem gebruiken 165
8Slepen 506
9Bandenpech 498
AContactdoosklep met:
Informatieplaatjes voor bandenspanning 516
QR-codes voor het bepalen van de reddings‐
kaart
27
BSlepen 506
CGevarendriehoek 496
DTIREFIT-set 499
EEHBO-set 497
In één oogopslag In gevalvan nood en pech 15
Digitale handleiding oproepen
Multimediasysteem:
4©5EQ 5Handleiding 5Õ
De digitale handleiding beschrijft de werking en
bediening:
Rvan de auto
Rvan het multimediasysteem
#In de digitale handleiding een van de vol‐
gende menupunten selecteren:
RZoeken: Hier kunt u zoeken op trefwoord om
snel antwoorden te vinden op vragen over de
werking van de auto.
RSnelle start: Hier vindt u de eerstestappen
voor het instellen van uw bestuurdersplaats.
RTips: Hier krijgt u informatie om u voor te
bereiden op bepaalde alledaagse situaties
met uw auto.
RMeldingen: Hier vindt u aanvullende informa‐
tie over de meldingen op het instrumenten‐
display.
RFavorieten: Hier krijgt u toegang tot uw per‐
soonlijk opgeslagen favorieten.
RTaal: Hier kunt u de taal voor de digitale
handleiding instellen.
Sommige hoofdstukken in de digitale handlei‐
ding, zoals waarschuwingsaanwijzingen, kunnen
open- en dichtgeklapt worden.
Extra mogelijkheden om de digitale handlei‐
ding op te roepen:
Directe toegang: Door het lang indrukken van
een record in de lijst in het multimediasysteem
de overeenkomstige inhoud in de digitale hand‐
leiding openen:
Instrumentendisplay: Oproepen van beknopte
informatie over displaymeldingen in het combi-
instrument.
LINGUATRONIC: Oproepen via het spraakge‐
stuurd bedieningssysteem
Globale zoekfunctie: Oproepen van zoekresul‐
taten in de inhoud van de digitale handleiding in
het homescreen
Tijdens het rijden is de digitale handleiding om
veiligheidsredenen gedeactiveerd.
%De handleiding vindt u eveneens in de
Mercedes-Benz Guides app in de gangbare
App Stores.
16 Digitale handleiding
Milieubescherming
+MILIEU-AANWIJZING Milieuschade door
bedrijfsomstandigheden en persoonlijke
rijstijl
De auto op milieuvriendelijke wijze gebruiken
om een bijdrage te leveren aan de bescher‐
ming van het milieu. Daartoe de volgende
aanbeveling met betrekking tot de bedrijfs‐
omstandigheden en uw persoonlijke rijstijl in
acht nemen.
Bedrijfsomstandigheden:
#Zorg dragen voor een juiste banden‐
spanning.
#Geen onnodige ballast meenemen (bij‐
voorbeeld een niet meer benodigde
imperial).
#Het energieverbruik in de gaten hou‐
den.
#De onderhoudsintervallen aanhouden.
Een regelmatig onderhouden auto ont‐
ziet het milieu.
#Onderhoudswerkzaamheden altijd laten
uitvoeren bij een gekwalificeerde werk‐
plaats.
Uw persoonlijke rijstijl:
#Anticiperend rijden en voldoende
afstand houden.
#Veelvuldig en sterk accelereren en rem‐
men vermijden.
#Energiebesparend rijden. Voor een zui‐
nige rijstijl de ECO-aanduiding in acht
nemen.
+MILIEU-AANWIJZING Milieuvervuiling
door niet op milieuvriendelijke wijze
afvoeren van de hoogspanningsaccu
Een hoogspanningsaccu bevatstoffen die
schadelijk voor het milieu zijn.
#Een defecte hoogspanningsaccu bij een
gekwalificeerde werkplaats laten afvoe‐
ren.
Terugname van de oude auto
Alleen voor EU-landen:
Mercedes-Benz neemt uw oude auto weer terug
om deze overeenkomstig de richtlijn autowrak‐
kenvan de Europese Unie (EU) milieuvriendelijk
af te voeren.
Voor terugname van de oude auto staat een net‐
werk vanverzamelpunten en demontagebedrij‐
venter beschikking. Bij deze bedrijvenkunt u uw
auto gratis afgeven. Hierdoor levert u een waar‐
devolle bijdrage aan het sluiten van de recycling‐
kringloop en het ontzien van de hulpbronnen.
Meer informatie over de recycling van oude
auto's, het afvoeren en de voorwaarden voor de
terugname is verkrijgbaar op de nationale
Mercedes-Benz homepage.
Algemene aanwijzingen 17
Mercedes-Benz originele onderdelen
+MILIEU-AANWIJZING Milieuvervuiling
door niet gebruiken vangerecyclede rui‐
laggregaten
Daimler AG biedt gerecyclede ruilaggregaten
en -onderdelen met dezelfde kwaliteit als
nieuwe onderdelen. Daarbij geldt dezelfde
aansprakelijkheid voor gebreken als bij
nieuwe onderdelen.
#Gerecyclede ruilaggregaten en -onder‐
delen van Daimler AG gebruiken.
*AANWIJZING Beïnvloeding van de wer‐
king van de veiligheidssystemen door de
installatie van accessoires, reparaties of
laswerkzaamheden
In de volgende gebieden van de auto kunnen
airbags, gordelspanners en regeleenheden
en sensoren voor de veiligheidssystemen
ingebouwd zijn:
RPortieren
RPortierstijlen
RDorpels
RStoelen
RCockpit
RCombi-instrument
RMiddenconsole
RZijdelingse dakframes
#In deze gebieden geen accessoires
monteren zoals een audiosysteem.
#Geen reparaties of laswerkzaamheden
uitvoeren.
#Het naderhand aanbrengen van acces‐
soires laten uitvoeren bij een gekwalifi‐
ceerdewerkplaats.
Wanneer door Mercedes-Benz niet vrijgegeven
onderdelen, banden en velgen evenals veilig‐
heidsrelevante accessoires worden gebruikt, kan
de bedrijfsveiligheid van de auto in het geding
komen. De werking vanveiligheidsrelevante sys‐
temen, bijvoorbeeld het remsysteem, kan
gestoord worden. Uitsluitend Mercedes-Benz ori‐
ginele onderdelen of onderdelen van dezelfde
kwaliteit gebruiken. Alleen voor uw voertuigtype
goedgekeurde banden en velgen en accessoires
gebruiken.
Mercedes-Benz controleert originele onderdelen
en voor het voertuigtype goedgekeurde
ombouwdelen en accessoires op hun betrouw‐
baarheid, veiligheid en geschiktheid. Andere
onderdelen kan Mercedes-Benz, ondanks voort‐
durende marktverkenningen, niet beoordelen.
Ook als in een enkel geval een goedkeuring door
een keuringsinstantie of officiële instantie aan‐
wezig is, neemt Mercedes-Benz geen verant‐
woordelijkheid voor het gebruik in Mercedes-
Benz-auto's.
Sommige onderdelen mogen alleen worden in-
en omgebouwd als deze aan de wettelijke voor‐
schriftenvoldoen. Alle Mercedes-Benz originele
onderdelen voldoen aan de voorwaarden van de
goedkeuring. Niet goedgekeurde onderdelen
kunnen leiden tot het vervallen van de typegoed‐
keuring.
18 Algemene aanwijzingen
Dit is het geval in de volgende situaties:
RBij een wijziging van het in de typegoedkeu‐
ring aangegeven type auto.
RBij een verwacht verhoogd risico voor ver‐
keersdeelnemers.
RDe geluidsproductie verslechtert.
Bij het bestellen van Mercedes-Benz originele
onderdelen altijd het voertuigidentificatienum‐
mer (VIN) vermelden (/pagina 537).
Handleiding
Deze handleiding beschrijft alle modellen en de
standaarduitrustingen en opties van uw auto die
op het tijdstip van de redactiesluiting van deze
handleiding verkrijgbaar waren. Landspecifieke
afwijkingen zijn mogelijk. In acht nemen dat uw
auto mogelijk niet met alle beschreven functies
is uitgerust. Dit betreft ook veiligheidsrelevante
systemen en functies. Daarom kan de uitrusting
van uw auto bij sommige beschrijvingen en
afbeeldingen afwijken.
In het originele koopcontract van uw auto zijn
alle systemen in uw auto vermeld.
Bij vragen over de uitrusting en bediening kunt u
contact opnemen met iedere Mercedes-Benz-
servicewerkplaats.
De handleiding en het onderhoudsboekje zijn
belangrijke documenten en moeten in de auto
bewaard worden.
Bedrijfsveiligheid
&WAARSCHUWING Gevaar voor ongeval‐
len door storingen in de werking of sys‐
teemuitval
Als u de voorgeschreven service-/onder‐
houdswerkzaamheden of noodzakelijke repa‐
raties niet laat uitvoeren, kan dit tot storin‐
gen in de werking of systeemuitvallen leiden.
#De voorgeschreven service‑/ onder‐
houdswerkzaamheden en noodzakelijke
reparaties altijd laten uitvoeren bij een
gekwalificeerde werkplaats.
&WAARSCHUWING Gevaar voor ongeval‐
len en letsel door ondeskundige wijzigin‐
gen aan elektronische onderdelen
Wijzigingen aan elektronische onderdelen, de
software en bedrading hiervankunnen de
werking en/of de werking van andere gekop‐
pelde onderdelen nadelig beïnvloeden. Met
name kunnen ook veiligheidsrelevante syste‐
men getroffen zijn.
Daardoor kunnen deze niet meer zoals
bedoeld functioneren en/of de bedrijfsveilig‐
heid van het voertuig in gevaar brengen.
#Niet ingrijpen in de bedrading, de elek‐
tronische onderdelen en de software.
#Werkzaamheden aan elektrische en
elektronische apparaten altijd laten uit‐
voeren bij een gekwalificeerde werk‐
plaats.
Bij wijzigingen aan de voertuigelektronica vervalt
de typegoedkeuring.
Het onderwerp "Voertuigelektronica" in de
"Technische gegevens" in acht nemen.
Algemene aanwijzingen 19
*AANWIJZING Beschadiging van de auto
Met name in de volgende gevallen kan de
auto worden beschadigd:
RDe auto raakt de grond, bijvoorbeeld op
een hoge stoeprand of onverharde
wegen.
RDe auto rijdt te snel over een obstakel,
bijvoorbeeld een stoeprand, een ver‐
keersdrempel of een kuil in de weg.
REen zwaar voorwerp slaat tegen de
bodemplaat of onderdelen van het onder‐
stel.
De carrosserie, de bodemplaat, onderdelen
van het onderstel, wielen of banden kunnen
in dergelijke of vergelijkbare situaties ook
niet-zichtbaar worden beschadigd. Op deze
manier beschadigde onderdelen kunnen
onverwacht uitvallen of de bij een ongeval
optredende belastingen niet meer zoals
bedoeld opnemen.
#De auto direct bij een gekwalificeerde
werkplaats laten controleren en repare‐
ren.
of
#Als de rijveiligheid in gevaar komt als
verder wordtgereden, direct op een vei‐
lige plaats stoppen en contact opnemen
met een gekwalificeerde werkplaats.
Elektrische auto's hebben een elektromotor. De
energievoorziening voor de elektromotorkomt
via het hoogspanningsboordnet.
&GEVAAR Levensgevaar door het aanra‐
kenvan beschadigde hoogspanningson‐
derdelen
Het hoogspanningsboordnet staat onder
hoge spanning. Als u onderdelen van het
hoogspanningsboordnet verandert of
beschadigde onderdelen aanraakt, kunt u
een stroomstoot krijgen.
Onderdelen van het hoogspanningsboordnet
kunnen bij een ongeval ook niet-zichtbaar
worden beschadigd.
#Nooit wijzigingen aan het hoogspan‐
ningsboordnet uitvoeren.
#Nooit beschadigde onderdelen van het
hoogspanningsboordnet aanraken.
#Na een ongeval geen hoogspanningson‐
derdelen aanraken.
#De auto na een ongeval laten transpor‐
teren.
#Het hoogspanningsboordnet bij een
gekwalificeerde werkplaats laten con‐
troleren.
De onderdelen van het hoogspanningsboordnet
zijn met gele waarschuwingsstickers geken‐
merkt. De bedrading van het hoogspannings‐
boordnet heeft een oranje kleur.
20 Algemene aanwijzingen
Auto's met elektromotor produceren beduidend
minder rijgeluid dan auto's met verbrandingsmo‐
tor. Daaromkan uw auto in het verkeer in
bepaalde gevallen niet hoorbaar zijn voor andere
verkeersdeelnemers. Dit kan bijvoorbeeld het
geval zijn bij het inparkerenterwijl er geen zicht‐
contact bestaat. Dit vraagt van u een bijzonder
vooruitziende rijstijl, omdat rekening moet wor‐
den gehouden met mogelijke fouten van andere
verkeersdeelnemers.
Conformiteitsverklaring
Elektromagnetische verdraagzaamheid
De elektromagnetische verdraagzaamheid van
de onderdelen van het voertuig werd overeen‐
komstig de richtlijn UN R10, in de telkens actu‐
eel geldende uitgave,gecontroleerd en bewezen.
Radiografische onderdelen van de auto
Alleen voor EU- en EFTA-landen:
De volgende aanwijzing is geldig voor alle radio‐
grafische onderdelen van de auto, en de in de
auto geïntegreerde informatiesystemen en com‐
municatieapparatuur:
De radiografische onderdelen van deze auto zijn
in overeenstemming met de eisen en bepalingen
van de richtlijn 2014/53/EU. Meer informatie is
verkrijgbaar bij een Mercedes-Benz-servicewerk‐
plaats.
Hierna vindt u de adressen van de fabrikanten
van de radiografische onderdelen, waarvan het
vanwege het formaat of de aard niet mogelijk is
ze op het apparaat weer te geven.
Alleen voor Brazilië:
Aanwijzingen voor de zendapparatuur in het
voertuig:
Deze systemen worden niet beschermd tegen
schadelijke storingen en mogen geen storingen
in correct goedgekeurde systemen veroorzaken.
Sensoren voor de bandenspanningscontrole
Schrader Electronics Ltd., 11 Technology Park,
Belfast Road, Antrim BT41 1QS, Northern Ireland
Afstandsbediening
Marquardt GmbH, Schloßstraße 16,78604 Rie‐
theim, Germany
Huf Hülsbeck & Fürst GmbH & Co. KG,Steeger
Straße 17, 42551 Velbert, Germany
Hella KGaA Hueck & Co., Rixbecker Straße 75,
59552 Lippstadt, Germany
Regeleenheid van afstandsbediening
Marquardt GmbH, Schloßstraße 16,78604 Rie‐
theim, Germany
Leopold Kostal GmbH & Co. KG, Hauert 11,
44227 Dortmund, Germany
Algemene aanwijzingen 21
ContinentalAutomotive GmbH, Siemens‐
straße 12, 93055 Regensburg, Germany
Antennemodule
Hirschmann Car Communication GmbH, Stutt‐
garter Straße 45-51,72654 Neckartenzlingen,
Germany
Kathrein Automotive GmbH & Co. KG,mer‐
ring 1, 31137 Hildesheim, Germany
Portiergrepen met Near Field Communica‐
tion
Huf Hülsbeck & Fürst GmbH & Co. KG,Steeger
Straße 17, 42551 Velbert, Germany
Garagedeurbediening
GenteX Corporation, 600 North Centennial
Street, Zeeland MI 49464, USA
Sensor van de interieurbewaking
META Systems, Via Galimberti 9, 42124Reggio
Emilia, Italy
Radarsensoren
Autoliv Electronics ASP Inc., 26545 American
Drive, Southfield, MI 48034, USA
ADC Automotive Distance Control Systems
GmbH, Peter-Dornier-Straße 10, 88131 Lindau,
Germany
Robert Bosch GmbH, Daimlerstraße 6,
71229 Leonberg, Germany
Mobiele communicatie & telematica
Harman BeckerAutomotive Systems GmbH,
Postfach 2260, 76303 Karlsbad, Germany
Panasonic Automotive & Industrial Systems
Europe GmbH, Robert-Bosch-Straße 27-29,
63225 Langen, Germany
Mitsubishi Electric Corporation, 2-3-33 Miwa,
Sanda-City, 669-1513 Hyogo, Japan
Draadloze hoofdtelefoons
Harman BeckerAutomotive Systems GmbH,
Postfach 2260, 76303 Karlsbad, Germany
Afstandsbediening
Ruwido Austria GmbH, stendorferStraße 8,
5202 Neumarkt, Austria
Valeo, 43 rue Bayen, 75017Paris France
Afstandsbediening functie "extra verwar‐
men"
Digades GmbH, Äußere Weberstraße 20,
02763 Zittau, Germany
Soort radiografische toepassingen in de auto
Naast de typische frequenties voor mobiele
communicatie, maken voertuigen van Mercedes-
Benz gebruik van de volgende radiografische
toepassingen.
22 Algemene aanwijzingen
Soort radiografische toepassingen in de auto
Frequentiebereik Technologie Zendvermogen/sterkte van het magnetisch
veld
20 kHz (9 - 90 kHz) Afstandsbediening 72 dBμA/m bij 10 m
125 kHz (119 -135 kHz) Afstandsbediening 42 dBμA/m bij 10 m
13,553 13,567 MHz Near Field Communication 42 dBμA/m bij 10 m
433 MHz (433,05 434,79 MHz) Afstandsbediening, garagedeurbediening, ban‐
denspanningscontrole 10 mW e.r.p.
868 MHz (868,0 868,6 MHz) Afstandsbediening functie "extra verwarmen",
garagedeurbediening 25 mW e.r.p.
869 MHz (868,7 869,2 MHz)Afstandsbediening functie "extra verwarmen",
garagedeurbediening 25 mW e.r.p.
2,4 GHz ISM-band (2400 2483,5 MHz) Bluetooth®, Kleer, R-LAN, afstandsbedieningen,
draadloze hoofdtelefoons
100 mW e.i.r.p.
5,8 GHz UNII-3 (5725 5875 MHz) Sensor van de interieurbewaking, R-LAN≤25 mW e.i.r.p.
24,05 - 24,25 GHz* 24 GHz ISM radar 100 mW e.i.r.p.
Algemene aanwijzingen 23
Frequentiebereik Technologie Zendvermogen/sterkte van het magnetisch
veld
24,25 26,65 GHz* 24 GHz UWB radar -41,3 dBm/MHz e.i.r.p mean 0 dBm/50 MHz
e.i.r.p. peak
76 77 GHz 76 GHz radar 55 dBm peak e.i.r.p.
* Modelseries met marktintroductie voor april
2016.
Krik
Afschrift en vertaling van de originele conformi‐
teitsverklaring:
EU-conformiteitsverklaring
1.
De ondertekenaar, als vertegenwoordiger
Fabrikant:
BRANO a.s.
74741 Hradec nad Moravicí, Opavs 1000,
Tsjechië
Id.-nr.: 64-387-5933
BTW-nr.: CZ64-387-5933
verklaart op onze uitsluitende verantwoordelijk‐
heid, dat het product:
2. a)
Benaming:
Krik
Type, nummer:
A) A 164 580 02 18, A 166 580 01 18
B) A 240 580 00 18
C) A 639 580 02 18
Productiejaar: 2015
Voldoet aan alle betreffende bepalingen
Richtlijn nr. 2006/42/EG
b)
Beschrijving en gebruiksdoel:
De krik is uitsluitend bedoeld voor het omhoog‐
brengen van de aangegeven auto overeenkom‐
stig de op de krik aangebrachte gebruiksaanwij‐
zing.
3.
Referentiegegevens van de geharmoniseerde
normen of specificaties
A) ISO 4063, EN ISO 14341-A, DBL 7382.20,
MBN 10435, AS 2693
24 Algemene aanwijzingen
B) ISO 4063, ISO 14341-A, DBL 7392.10, MBN
10435
C) DBL 7392.10, DBL 8230.10
Technische documentatie van het product is in
de fabriek aanwezig. Gevolmachtigde voor de
samenstelling van de technische documentatie:
Hoofd van de technische afdeling Brano a.s.
4.
Hradec nad Moravicí
Plaats
5.
05-05-2015
Datum
Ondertekend door:
Director of Quality
TIREFIT-set
Afschrift en vertaling van de originele conformi‐
teitsverklaring:
EU-conformiteitsverklaring
Overeenkomstig EU-richtlijn 2006/42/EG
Hiermee verklaren wij, dat het product
Productbenaming: Elektrische luchtpomp
Daimler
Typeaanduiding: 0851ve, DT/UW 200046
MB-onderdeelnummer: A 000 583 8200
aan de volgende overeenkomstige bepalingen
voldoet:
2004/108/EC
Toegepaste geharmoniseerde normen, in het bij‐
zonder:
DIN EN 55014-1
DIN EN 55014-2:2009-06
Fabrikant: Dunlop Tech GmbH
Adres: Birkenhainerstrasse 77, 63450 Hanau
Gevolmachtigde: Afdeling IMS
Datum: Juni, 2015
Handtekening: IMS-AM, IMS-AE-L
Diagnose-interface
De diagnose-interface dient voor het aansluiten
van diagnoseapparaten bij een gekwalificeerde
werkplaats.
&WAARSCHUWING Gevaar voor ongeval‐
len door het aansluiten van apparaten
aan de diagnose-interface
Als apparaten op een diagnose-interface wor‐
den aangesloten, kan de werking van syste‐
men van de auto worden beïnvloed.
Daardoor kan de bedrijfsveiligheid van de
auto worden beïnvloed.
#Alleen apparaten op de diagnose-inter‐
face van de auto aansluiten die door
Mercedes-Benz voor de auto zijn vrijge‐
geven.
Algemene aanwijzingen 25
&WAARSCHUWING Gevaar voor ongeval‐
len door voorwerpen in de beenruimte
van de bestuurder
Voorwerpen in de beenruimte van de
bestuurder kunnen de slag van de pedalen
beperken en een ingedrukt pedaal blokkeren.
Hierdoor wordt de bedrijfs‑ en verkeersveilig‐
heid van de auto in gevaar gebracht.
#Alle voorwerpen in de auto veilig opber‐
gen, opdat deze niet in de beenruimte
van de bestuurder terechtkunnen
komen.
#De vloermatten altijd stevig en zoals
voorgeschreven aanbrengen, zodat
altijd voldoende vrijeruimte voor de
pedalen is gewaarborgd.
#Geen losse vloermatten gebruiken en
niet meerdere vloermatten op elkaar
leggen.
*AANWIJZING Accu-ontlading door het
gebruik van apparaten op de diagnose-
interface
Door het gebruik van de apparaten op de dia‐
gnose-interface wordt de accu belast.
#De laadtoestand van de accu controle‐
ren.
#Bij een lage laadtoestand de accu opla‐
den.
Gekwalificeerde werkplaats
Een gekwalificeerde werkplaats beschikt over de
benodigde vakkennis, uitrusting en kwalificatie
om de vereiste werkzaamheden uit te voeren. Dit
geldt in het bijzonder voor veiligheidsrelevante
werkzaamheden.
De volgende werkzaamheden aan de auto altijd
laten uitvoeren bij een gekwalificeerde werk‐
plaats:
RVeiligheidsrelevante werkzaamheden
RService‑ en onderhoudswerkzaamheden
RReparatiewerkzaamheden
RWijzigingen evenals in‑ en ombouwen
RWerkzaamheden aan elektronische onderde‐
len
Mercedes‑Benz adviseert een Mercedes‑Benz
servicewerkplaats.
Registratie van de auto
Het kanvoorkomen dat Mercedes-Benz zijn ser‐
vicewerkplaatsen de instructie geeft, aan
bepaalde auto's technische inspecties uit te voe‐
ren. Door de inspectie worden de kwaliteit en de
veiligheid van de auto verbeterd.
Alleen wanneer Mercedes-Benz uw registratiege‐
gevens heeft,kan Mercedes-Benz u over de
technische controles informeren.
In de volgende gevallen kan het zijn, dat de auto
nog niet onder uw naam is geregistreerd:
RAls de auto bij een niet-geautoriseerde dealer
is aangeschaft.
RAls de auto nog niet bij een Mercedes-Benz-
servicewerkplaats is onderzocht.
26 Algemene aanwijzingen
De auto bij voorkeur bij een Mercedes-Benz-ser‐
vicewerkplaats laten registreren.
Gaarne Mercedes-Benz zo snel mogelijk informe‐
renover een adreswijziging of wisseling van
eigenaar. Dit kunt u bijvoorbeeld doen bij een
Mercedes-Benz-servicewerkplaats.
Correct gebruik van de auto
Als waarschuwingsstickers worden verwijderd,
kunt u of kunnen anderen gevaren niet herken‐
nen. Waarschuwingsstickers op hun plaats laten.
Bij gebruik van het voertuig in het bijzonder de
volgende informatie in acht nemen:
RDe veiligheidsaanwijzingen in deze handlei‐
ding
RDe technischegegevens van de auto
RDe verkeersregels en ‑voorschriften
RDe wegenverkeerswetten en veiligheidsstan‐
daards
Informatie over de REACH-verordening
Alleen voor EU- en EFTA-landen:
De REACH-verordening (verordening (EG) nr.
1907/2006, artikel 33) omvat een informatie‐
plicht voor bijzonder zorgwekkende stoffen
(SVHC).
Daimler AG handelt naar beste weten, om de
toepassing en het gebruik van deze SVHC's te
vermijden en de klant in staat te stellen veilig
met deze stoffen om te gaan. Na navraag bij
leveranciers en interne productinformatie van
Daimler AG zijn SVHC's bekend, die zich voor
meer dan 0,1 gew.-% in afzonderlijke onderdelen
van deze auto bevinden.
Meer informatie is verkrijgbaar onder de vol‐
gende adressen:
Rhttp://www.daimler.com/reach
Rhttp://www.daimler.com/reach/en
Aansprakelijkheid voor gebreken
*AANWIJZING Schade aan de auto door
schending van de aanwijzingen in deze
handleiding
Door schending van de aanwijzingen in deze
handleiding kan schade aan uw auto ont‐
staan.
Dergelijke schade wordt noch door de
Mercedes-Benz aansprakelijkheid voor gebre‐
ken noch door de garantie op nieuwe ‑of
gebruikte auto's gedekt.
#De aanwijzingen in deze gebruikshand‐
leiding over het voorgeschreven gebruik
van uw auto en mogelijke voertuig‐
schade in acht nemen.
QR-codes voor reddingskaart
In de tankdopklep en aan de tegenovergestelde
zijde op de B-stijl zijn QR-codes bevestigd. Bij
een ongevalkunnen reddingsdiensten met
behulp van de QR-codes snel de overeenkom‐
stige reddingskaart voor de auto bepalen. De
Algemene aanwijzingen 27
actuele reddingskaart bevat in compacte vorm
de belangrijkste informatie over de auto, bijvoor‐
beeld de ligging van de elektrische bedrading.
Meer informatie vindt u onder http://
www.mercedes-benz.de/qr-code.
Gegevensopslag
Elektronische regeleenheden
In de auto zijn elektronischeregeleenheden
ingebouwd. Enkele daarvan zijn noodzakelijk
voor het veilig functioneren van de auto, enkele
ondersteunen u bij het rijden (bestuurdersassis‐
tentiesystemen). Daarnaast biedt uw auto com‐
fort- of entertainmentfuncties, die eveneens
mogelijkworden gemaakt door elektronische
regeleenheden.
Elektronischeregeleenheden zijn voorzien van
een gegevensopslag, waarin technische informa‐
tie over de toestand van de auto, het gebruik van
componenten, de onderhoudsbehoefte en tech‐
nischestoringen en fouten tijdelijk of permanent
kunnen worden opgeslagen.
Deze informatie geeft in het algemeen de toe‐
stand weer van een onderdeel, een module, een
systeem of de omgeving, zoals:
RGebruiksomstandigheden van systeemcom‐
ponenten (bijvoorbeeld niveaus, accustatus,
bandenspanning)
RStatusmeldingen van de auto of van afzon‐
derlijke onderdelen daarvan (bijvoorbeeld
wieltoerental/snelheid, langsversnelling,
dwarsversnelling, weergavevan de gesloten
veiligheidsgordels)
RStoringen en defecten in belangrijke sys‐
teemcomponenten (bijvoorbeeld verlichting,
remmen)
RInformatie overstoringen die de auto kunnen
beschadigen
RReacties van de auto in specifieke rijsituaties
(bijvoorbeeld activeren van een airbag, ingre‐
pen van de stabiliteitsregelsystemen)
ROmgevingstoestanden (bijvoorbeeld tempe‐
ratuur, regensensor)
Deze gegevens dienen, naast het uitvoeren van
de eigenlijke functies van de regeleenheid, voor
het herkennen en verhelpen vanstoringen en
voor het optimaliseren van de functies van de
auto door de fabrikant. Het grootste deel van
deze gegevens is tijdelijk en wordt alleen in de
auto zelf verwerkt. Slechts een gering deel van
de gegevens wordt in het gebeurtenis- of sto‐
ringsgeheugen opgeslagen.
Wanneer u aanspraak maakt op diensten, kan
deze technische informatie door de medewer‐
kers van het servicenetwerk (bijvoorbeeld
garage,fabrikant) of door derden (bijvoorbeeld
pechhulp) uit de auto worden uitgelezen. Dien‐
sten zijn bijvoorbeeld reparaties, onderhoud,
garantiegevallen en kwaliteitswaarborgingsmaat‐
regelen. Het uitlezen vindt plaats via de wettelijk
voorgeschreven aansluiting voor de diagnose-
interface in de auto. Het servicenetwerk of de
derde partij verkrijgt, verwerkt en gebruikt de
gegevens. Ze documenteren de technischetoe‐
stand van de auto, helpen bij het vinden vanfou‐
ten en bij de kwaliteitsverbetering en worden
eventueel doorgegeven aan de fabrikant. Daar‐
naast is de fabrikant verantwoordelijkvoor de
productaansprakelijkheid. Hiervoor heeft de
fabrikant technischegegevens van auto's nodig.
28 Algemene aanwijzingen
De storingsgeheugens in de auto kunnen in het
kader vanreparatie- of onderhoudswerkzaamhe‐
den door een servicewerkplaats worden gereset.
Ukunt in het kader van de geselecteerde uitrus‐
ting zelf gegevens invoeren in de comfort- en
infotainmentfuncties van de auto.
Daartoe horen bijvoorbeeld:
RMultimedia-gegevens, zoals muziek, films of
foto's voor de weergave in een geïntegreerd
multimediasysteem
RAdresboekgegevens om te gebruiken in com‐
binatie met een geïntegreerde handsfree-
installatie of een geïntegreerd navigatiesys‐
teem
RIngevoerde navigatiebestemmingen
RGegevens over het gebruik van internetdien‐
sten
Deze gegevens kunnen lokaal in de auto worden
opgeslagen, of ze bevinden zich op een apparaat
dat u met de auto heeft verbonden (bijvoorbeeld
smartphone, usb-stick of mp3-speler). Wanneer
deze gegevens in de auto worden opgeslagen,
kunt u ze op elk moment wissen. Doorgeven van
deze gegevens aan derden vindt uitsluitend
plaats op uw verzoek, in het bijzonder in het
kader van het gebruik van de onlinediensten
overeenkomstig de door u geselecteerde instel‐
lingen.
Ukunt comfortinstellingen/individualiseringen in
uw auto opslaan en altijd wijzigen.
Daartoe behoren, afhankelijk van de betreffende
uitrusting, bijvoorbeeld:
RInstellingen van de zit- en stuurwielposities
ROnderstel- en klimaatregelingsinstellingen
RIndividualiseringen zoals interieurverlichting
Wanneer uw auto overeenkomstig is uitgerust,
kunt u uw smartphone of een ander mobiel
apparaat met de auto verbinden. Dit kunt u dan
via de in de auto geïntegreerde bedieningsele‐
menten aansturen. Daarbij kunnen beeld en
geluid van de smartphones via het multimedia‐
systeem worden weergegeven. Tegelijkertijd
wordt bepaalde informatie doorgegeven aan uw
smartphone.
Daartoe behoort afhankelijk van de soort inte‐
gratie bijvoorbeeld:
RAlgemene informatie van de auto
RPositiegegevens
Hierdoor is gebruik van bepaalde apps van de
smartphone, zoals navigatie of muziekweergave,
mogelijk. Verdere interactie tussen smartphone
en auto, in het bijzonder actieve toegang tot de
gegevens van de auto, vindt niet plaats. De
manier waarop de gegevens verder worden ver‐
werkt, wordt bepaald door de leverancier van de
betreffende app. Of en welke instellingen u daar‐
bij kunt kiezen, is afhankelijkvan de betreffende
app en van het besturingssysteem van uw smart‐
phone.
Online-diensten
Mobiele-gegevensverbinding
Wanneer uw auto beschikt over een mobiele-
gegevensverbinding, maakt dit het uitwisselen
vangegevens tussen uw auto en verdere syste‐
men mogelijk. De mobiele-gegevensverbinding
wordt mogelijkgemaakt door een zend- en ont‐
Algemene aanwijzingen 29
vangsteenheid van de auto, of door een eigen
mobiel eindapparaat (bijvoorbeeld een smart‐
phone). Via deze mobiele-gegevensverbinding
kunnen online-functies worden gebruikt. Daaron‐
der vallen online-diensten en applicaties resp.
apps die de fabrikant of andere aanbieders
beschikbaar stellen.
Dienstenvan de fabrikant
Bij onlinediensten van de fabrikant worden de
betreffende functies op een geschikte plek (bij‐
voorbeeld handleiding, website van de fabrikant)
door de fabrikant beschreven en wordt de daar‐
mee verbonden informatie over de gegevensbe‐
scherming verstrekt. Om de onlinediensten
mogelijk te maken, kunnen persoonlijke gege‐
vens worden gebruikt. De bijbehorende gege
vensuitwisseling vindt plaats via een
beschermde verbinding, bijvoorbeeld met de
daarvoor voorziene IT-systemen van de fabri‐
kant. Het verrichten van diensten buiten het ver‐
zamelen, verwerken en gebruiken van persoons‐
gegevens vindt uitsluitend plaats op basis van
een wettelijke licentie of op basis vantoestem‐
ming.
Meestalkunt u de (gedeeltelijk betaalde) dien‐
sten en functies in- of uitschakelen. In sommige
gevallen geldt dit ook voor de gehele gegevens‐
verbinding van de auto. Een uitzondering hierop
vormen in het bijzonder wettelijkvoorgeschreven
functies en diensten.
Diensten van derden
Wanneer het mogelijk is om onlinedienstenvan
andere aanbieders te gebruiken, zijn deze dien‐
sten onderworpen aan de verantwoordelijkheid
en de algemene- en gebruiksvoorwaarden van de
betreffende aanbieder. De fabrikant heeft geen
invloed op de inhoud die hier uitgewisseld wordt.
Win daarom informatie in bij de provider over het
soort, de omvang en het doel van het verzame‐
len en het gebruiken van persoonsgegevens in
het kader van diensten door derden.
Auteursrecht
Meer informatie over de licenties van de
gebruikte vrije en open source software in uw
auto vindt u op de gegevensdrager in uw map
met voertuigdocumentatie en bijgewerkt op
internet onder:
http://www.mercedes-benz.com/opensource
30 Algemene aanwijzingen
Veiligheidssysteem
Beschermingspotentieel van het veiligheids‐
systeem
Het veiligheidssysteem omvat de volgende com‐
ponenten:
RVeiligheidsgordelsysteem
RAirbags
RKinderzitjesbevestigingssysteem
RKinderzitjebevestigingen
Het veiligheidssysteem kan bij een ongeval
mogelijk contact van de inzittenden met delen
van het interieur vermijden. Bovendien kan het
veiligheidssysteem bij een ongeval de belastin‐
genvoor de inzittenden reduceren.
Alleen een correct omgegespte veiligheidsgordel
kan adequaat beschermingspotentieel bieden.
Afhankelijkvan de herkende ongevalssituatie
vormen gordelspanners en/of airbags een aan‐
vulling op de correct omgegespte veiligheidsgor‐
del. De gordelspanners en/of airbags worden
niet bij elk ongeval geactiveerd.
Om ervoor te zorgen dat het veiligheidssysteem
zijn beschermingspotentieel kan behalen, moet
elke inzittende de volgende aanwijzingen in acht
nemen:
RDe veiligheidsgordel correct omgespen.
RZo rechtop mogelijk zitten, met de rugtegen
de rugleuning.
RIndien mogelijk zo zitten dat de voeten op de
vloer staan.
RPersonen kleiner dan 1,50 m moeten altijd in
een voor Mercedes-Benz-auto's geschikt aan‐
vullend veiligheidssysteem worden beveiligd.
Geen enkel modern systeem kan echter verwon‐
dingen en overlijden in elke ongevalssituatie vol‐
ledig uitsluiten. Zo bieden veiligheidsgordels en
airbags in het algemeen geen bescherming
tegenvoorwerpen die van buitenaf de auto bin‐
nendringen. Ook het risico vanverwondingen
door de zich ontplooiende airbag kan niet volle‐
dig worden uitgesloten.
Beperking van het beschermingspotentieel
van het veiligheidssysteem
&WAARSCHUWING Letsel‑ of levensge‐
vaar door wijzigingen aan het veiligheids‐
systeem
Door wijzigingen aan het veiligheidssysteem
kan deze niet meer zoals bedoeld functione‐
ren.
Het veiligheidssysteem kan dan de inzitten‐
den niet meer zoals bedoeld beschermen en
bijvoorbeeld bij een ongeval uitvallen of
onverwacht worden geactiveerd.
#Nooit onderdelen van het veiligheids‐
systeem wijzigen.
#Geen ingrepen aan de bedrading en
elektronische onderdelen of de soft‐
ware daarvan uitvoeren.
Wanneer de auto moet worden aangepast aan
een persoon met een lichamelijke handicap,
wendt u zich dan tot een gekwalificeerde werk‐
plaats.
Veiligheid voor inzittenden 31
Mercedes-Benz adviseert om voertuigaanpassin‐
gente gebruiken die Mercedes-Benz voor uw
auto heeft goedgekeurd.
Bedrijfsklare status van het veiligheidssys‐
teem
Bij ingeschakeld contact gaat het waarschu‐
wingslampje veiligheidssysteem 6tijdens de
zelfdiagnose branden. Deze dooft uiterlijk enkele
seconden na het startenvan de auto. De onder‐
delen van het veiligheidssysteem zijn dan gereed
voor gebruik.
Werking van het veiligheidssysteem vertoont
een storing
In de volgende gevallen is een storing van het
veiligheidssysteem aanwezig:
RBij ingeschakeld contact gaat het waarschu‐
wingslampje veiligheidssysteem 6niet
branden.
RTijdens het rijden gaat het waarschuwings‐
lampje veiligheidssysteem 6continu of
herhaaldelijk branden.
&GEVAAR Levensgevaar door storingen
van het veiligheidssysteem
Wanneer het veiligheidssysteem een storing
vertoont, kunnen onderdelen van het veilig‐
heidssysteem onbedoeld geactiveerd, of bij
een ongeval niet als voorzien geactiveerd
worden. Dat kan bijvoorbeeld gordelspanners
of airbags betreffen. Bovendien kan bij een
ongeval het hoogspanningsboordnet niet
zoals bedoeld worden uitgeschakeld.
Als beschadigde onderdelen van het hoog‐
spanningsboordnet worden aangeraakt, kunt
u een stroomstoot krijgen.
#Het veiligheidssysteem direct laten con‐
troleren en repareren bij een gekwalifi‐
ceerdewerkplaats.
#Na een ongeval direct het contact afzet‐
ten.
Werking van het veiligheidssysteem bij een
ongeval
De werking van het veiligheidssysteem is afhan‐
kelijk van de bepaalde zwaartevan de botsing en
de verwachte aard van het ongeval:
RFrontale aanrijding
RAanrijding van achteren
RAanrijding van opzij
ROver de kop slaan
De activeringsdrempels voor de onderdelen van
het veiligheidssysteem worden bepaald door het
evalueren van de sensorwaarden die op verschil‐
lende plaatsen in de auto worden gemeten. Deze
procedure heeft een anticiperend karakter. De
activering van de onderdelen van het veiligheids‐
systeem moet tijdig, aan het begin van het onge‐
val, plaatsvinden.
Factoren die pas na de aanrijding zichtbaar of
meetbaar zijn, hebben geen invloed op een air‐
bagactivering. Ze geven daarvoor ook geen indi‐
catie.
De auto kan behoorlijkworden vervormd zonder
dat een airbag wordtgeactiveerd. Dit is het geval
32 Veiligheid voor inzittenden
als alleen relatief gemakkelijk vervormbare delen
worden geraakt en geen grotevertraging van de
auto wordtgehaald. Omgekeerd kan een airbag
worden geactiveerd, hoewel de auto slechts
gering vervormd is. Wanneer bijvoorbeeld zeer
stijve onderdelen van de auto, zoals langsdra‐
gers,worden getroffen, kan de vertraging van de
auto daardoor groot genoeg zijn.
De onderdelen van het veiligheidssysteem
kunnen onafhankelijk van elkaar worden
geactiveerd:
Onderdeel Herkende active‐
ringssituatie
GordelspannersFrontale aanrijding,
aanrijding van achte‐
ren, aanrijding van
opzij, over de kop
slaan
Bestuurdersairbag,
passagiersairbag Frontale aanrijding
Kneebag Frontale aanrijding
Sidebags Aanrijding van opzij
Windowbag Aanrijding van opzij,
over de kop slaan,
frontale aanrijding
Alleen als het controlelampje PASSENGER AIR
BAG OFF gedoofd is, kan de passagiersairbag bij
een ongevalworden geactiveerd. Bij een bezette
passagiersstoel voor en ook tijdens het rijden de
correcte status van de passagiersairbag contro‐
leren (/pagina 44).
&WAARSCHUWING Gevaar voor brand‐
wonden door hete delen van de airbag
Na het activeren van een airbag zijn de delen
van de airbag heet.
#De delen van de airbag niet aanraken.
#Een geactiveerde airbag direct bij een
gekwalificeerde werkplaats laten ver‐
vangen.
Mercedes-Benz adviseert om de auto na een
ongeval naar een gekwalificeerde werkplaats te
laten slepen. Dit advies in het bijzonder opvolgen
nadat een gordelspanner of airbag is geacti‐
veerd.
Als een gordelspanner of airbag wordtgeacti‐
veerd, hoort u een knal en kan er poederstof vrij‐
komen:
RDe knal heeft over het algemeen geen nega‐
tieve gevolgen voor het gehoor.
RHet vrijkomende poederstof is in het alge‐
meen niet schadelijk voor de gezondheid,
maar kan bij personen met astma of ademha‐
lingsmoeilijkheden kortstondige ademha‐
lingsmoeilijkheden veroorzaken.
Zodra u zonder gevaar kunt uitstappen, moet
u de auto direct verlaten of een zijruit ope‐
nen om ademhalingsmoeilijkheden te voorko
men.
Veiligheidsgordels
Beschermingspotentieel van de veiligheids‐
gordel
De veiligheidsgordel voor aanvang van de rit
altijd correct omgespen. Alleen een correct
Veiligheid voor inzittenden 33
omgegespte veiligheidsgordel kan adequaat
beschermingspotentieel bieden.
&WAARSCHUWING Letsel‑ of levensge‐
vaar bij verkeerd omgegespte veiligheids‐
gordel
Wanneer de veiligheidsgordel verkeerd is
omgegespt, kan deze niet meer zoals
bedoeld beschermen.
Bovendien kan een verkeerd omgegespte vei‐
ligheidsgordel bijvoorbeeld bij een ongeval,
remmanoeuvres of abrupte richtingswijzigin‐
genverwondingen veroorzaken.
#Altijd ervoor zorgen dat alle inzittenden
de veiligheidsgordel correct hebben
omgegespt en een juiste zithouding
hebben.
Altijd de aanwijzingen met betrekking tot de cor‐
recte stand van de chauffeursstoel en het instel‐
len van de stoelen in acht nemen
(/pagina 103).
Om ervoor te zorgen dat de correct gedragen
veiligheidsgordel zijn beschermingspotentieel
kan behalen, moet elke inzittende de volgende
aanwijzingen in acht nemen:
RDe veiligheidsgordel moet strak en niet ver‐
draaid tegen het lichaam aan liggen.
RDe veiligheidsgordel moet over het midden
van de schouder en zo diep mogelijktegen
de heup aan lopen.
RDe schoudergordel mag niet de hals raken en
ook niet onder de arm of achter de rugwor‐
den doorgevoerd.
RDikke kleding vermijden, bijvoorbeeld een
winterjas.
RDe heupgordel zo diep mogelijk tegen de
heup aan drukken en met de schoudergordel
straktrekken. De heupgordel mag nooit over
buik of onderlichaam lopen.
Ook zwangere vrouwen moeten daarop let‐
ten.
RDe veiligheidsgordel mag nooit over scherpe,
spitse, schurende of breekbare voorwerpen
lopen.
RDe veiligheidsgordel altijd slechts voor één
persoon gebruiken. Nooit een baby of een
kind op de schoot van een inzittende meene‐
men.
RNooit voorwerpen samen met een persoon
vastgespen. Voor het beveiligen vanvoorwer‐
pen, bagage of lading altijd de aanwijzingen
met betrekking tot het beladen van het voer‐
tuig in acht nemen (/pagina 117).
Eveneens controleren dat zich nooit voorwer‐
pen tussen een persoon en de zitting bevin‐
den, zoals een kussen.
Als een kind in het voertuig meerijdt, ook altijd
de aanwijzingen en veiligheidsaanwijzingen bij
"Kinderen in het voertuig" in acht nemen
(/pagina 49).
34 Veiligheid voor inzittenden
Beperking van het beschermingspotentieel
van de veiligheidsgordel
&WAARSCHUWING Gevaar voor letsel of
levensgevaar door verkeerde zitpositie
Als de rugleuning niet nagenoeg rechtop
staat, biedt de veiligheidsgordel niet meer de
bedoelde beschermende werking.
In dit gevalkunt u bij een remmanoeuvre of
een ongeval onder de veiligheidsgordel door‐
glijden en daarbij bijvoorbeeld letsel aan het
onderlichaam of de hals oplopen.
#De stoel voor aanvang van de rit correct
instellen.
#Altijd erop letten dat de rugleuning
bijna rechtopstaat en dat de schouder‐
gordel over het midden van de schou‐
der loopt.
&WAARSCHUWING Letsel‑ of levensge‐
vaar zonder aanvullend veiligheidssys‐
teem voor kleine personen
Personen kleiner dan 1,50 m kunnen de vei‐
ligheidsgordel niet zonder geschikte aanvul‐
lende veiligheidssystemen correct omges‐
pen.
Wanneer de veiligheidsgordel verkeerd is
omgegespt, kan deze niet meer zoals
bedoeld beschermen. Bovendien kan een
verkeerd omgegespte veiligheidsgordel bij‐
voorbeeld bij een ongeval, remmanoeuvres of
abrupte richtingswijzigingen verwondingen
veroorzaken.
#Personen kleiner dan 1,50 m altijd in
speciaal voor hen geschikte aanvul‐
lende veiligheidssystemen beveiligen.
&WAARSCHUWING Gevaar voor letsel of
levensgevaar door beschadigde of gewij‐
zigde veiligheidsgordels
Veiligheidsgordels kunnen met name in de
volgende situaties geen bescherming bieden:
RDe veiligheidsgordel is beschadigd, gewij‐
zigd, sterk vervuild, gebleekt of gekleurd.
RHet gordelslot is beschadigd of sterk ver‐
vuild.
REr zijn wijzigingen aan gordelspanners,
gordelverankeringen of gordeloprolauto‐
maten uitgevoerd.
Veiligheidsgordels kunnen bij een ongeval
ook onzichtbaar worden beschadigd, bijvoor‐
beeld door glassplinters.
Gewijzigde of beschadigde veiligheidsgordels
kunnen scheuren of uitvallen, bijvoorbeeld bij
een ongeval.
Gewijzigde gordelspanners kunnen ongewild
worden geactiveerd of niet zoals bedoeld
werken.
Veiligheid voor inzittenden 35
#Nooit de veiligheidsgordels, gordelspan‐
ners, gordelverankeringen en gordelo‐
prolautomaten wijzigen.
#De veiligheidsgordels moeten onbe‐
schadigd, niet versleten en schoon zijn;
dit controleren.
#De veiligheidsgordels na een ongeval
direct bij een gekwalificeerde werk‐
plaats laten controleren.
Mercedes-Benz adviseert om veiligheidsgordels
te gebruiken die door Mercedes-Benz voor uw
auto zijn goedgekeurd.
&WAARSCHUWING Letsel‑ of levensge‐
vaar door pyrotechnisch geactiveerde
gordelspanners
Pyrotechnisch reeds geactiveerde gordel‐
spanners werken niet meer en kunnen
daarom niet meer zoals bedoeld bescher‐
men.
#De pyrotechnisch geactiveerde gordel‐
spanners direct bij een gekwalificeerde
werkplaats laten vervangen.
Mercedes-Benz adviseert om de auto na een
ongeval naar een gekwalificeerde werkplaats te
laten slepen.
*AANWIJZING Beschadiging door
bekneld rakenvan de veiligheidsgordel
Als een ongebruikte veiligheidsgordel niet
volledig is opgerold, kan hij in het portier of
in het stoelmechanisme bekneld raken.
#Altijd controleren of ongebruikte veilig‐
heidsgordels volledig zijn opgerold.
Middelste veiligheidsgordel achterin deblok‐
keren
Als de rugleuning van de linker zitplaats achterin
naar voren en weer terugwordtgeklapt,kan de
veiligheidsgordel van de middelste zitplaats ach‐
terin mogelijk niet worden uitgetrokken. De vei‐
ligheidsgordel moet ontgrendeld worden.
#De veiligheidsgordel bij de gordeldoorvoer‐
opening in de rugleuning circa 25 mm eruit
trekken en weer loslaten.
De veiligheidsgordel wordt naar binnen
getrokken en is gedeblokkeerd.
Veiligheidsgordel omgespen en instellen
Als de veiligheidsgordel snel of met een ruk naar
buiten wordtgetrokken, blokkeert de gordelo‐
prolautomaat. De gordelband kan niet verder
worden afgerold.
36 Veiligheid voor inzittenden
#De gordelslottong 2van de veiligheidsgor‐
del altijd in het bij de zitplaats behorende
gordelslot 1vergrendelen.
#Met de gordelgeleidingontgrendeling inge‐
drukt de gordeldoorvoeropening 3in de
gewenste stand schuiven.
#De gordelgeleidingontgrendeling loslaten en
controleren dat de gordeldoorvoeropening
3vergrendelt.
Auto's met automatische uitschakeling pas‐
sagiersairbag:
*AANWIJZING Activeren van de gordel‐
spanner en sidebags bij onbezette passa‐
giersstoel
Als de gordelslottong van de veiligheidsgor‐
del in het gordelslot van de onbezette passa‐
giersstoel is vergrendeld, kan bij een ongeval
naast de andere systemen ook de gordel‐
spanner en de sidebag worden geactiveerd.
#De veiligheidsgordel altijd slechts voor
één persoon gebruiken.
Auto's zonder automatische uitschakeling
passagiersairbag:
*AANWIJZING Activeren van de gordel‐
spanner bij onbezette passagiersstoel
Als de gordelslottong van de veiligheidsgor‐
del in het gordelslot van de onbezette passa‐
giersstoel is vergrendeld, kan bij een ongeval
naast de andere systemen ook de gordel‐
spanner worden geactiveerd.
#De veiligheidsgordel altijd slechts voor
één persoon gebruiken.
Werking van de gordelaanpassing
Auto's met PRE-SAFE®:Als de voorsteveilig‐
heidsgordel niet straktegen het lichaam aan ligt,
kan automatisch een gordelaanpassing met een
bepaalde terugtrekkracht plaatsvinden. De vei‐
ligheidsgordel daarbij niet vasthouden.
De gordelaanpassing kan via het multimediasys‐
teem worden in- of uitgeschakeld
(/pagina 38).
Veiligheidsgordel afdoen
#De ontgrendelingsknop in het gordelslot
indrukken en de veiligheidsgordel met de
gordelslottong teruggeleiden.
Veiligheid voor inzittenden 37
Gordelaanpassing via het multimediasys‐
teem in- of uitschakelen
Multimediasysteem:
4©5Instellingen 5Voertuig
#De Gordelaanpassing in- of uitschakelen.
Werking van de gordelwaarschuwing voor
bestuurder en passagier
Het waarschuwingslampje veiligheidsgordel
üop het instrumentendisplay maakt u erop
attent, dat alle inzittenden de veiligheidsgordel
correct moeten omgespen.
Bovendien kan een waarschuwingssignaal klin‐
ken.
De gordelwaarschuwing stopt zodra de bestuur‐
der en passagier de veiligheidsgordel hebben
omgegespt.
Werking van de statusindicatie veiligheids‐
gordels achterin
De statusindicatie veiligheidsgordels achterin is
alleen in bepaalde landen beschikbaar.
De statusindicatie veiligheidsgordels achterin
toont, welke veiligheidsgordel achterin niet
omgegespt is.
Met de toetsterug links in het stuurwiel kunt u
de statusindicatie veiligheidsgordel achterin
direct verbergen (/pagina 274).
Indien tijdens het rijden een inzittende achterin
de veiligheidsgordel losmaakt, wordt de statusin‐
dicatie veiligheidsgordel achterin opnieuw weer‐
gegeven.
Bovendien kan een waarschuwingssignaal klin‐
ken. In dit gevalkunt u de statusindicatie veilig‐
heidsgordel achterin niet met de toetsterug
links in het stuurwiel verbergen.
Airbags
Overzicht van de airbags
1Kneebag
2Bestuurdersairbag
3Passagiersairbag
4Windowbag
5Sidebags
De inbouwplaats van een airbag is herkenbaar
aan het opschrift AIRBAG.
Een airbag kan bij activering het beschermings‐
potentieel voor de betreffende inzittende vergro‐
ten.
38 Veiligheid voor inzittenden
Mogelijk beschermingspotentieel per airbag:
AIRBAG Mogelijk beschermings‐
potentieel voor:
Kneebag Bovenbeen, knie en
onderbeen
Bestuurdersair‐
bag, passagiers‐
airbag
Hoofd en borstkas
Windowbag Hoofd
SidebagsBorstkas
&WAARSCHUWING Gevaar voor letsel of
levensgevaar bij ingeschakelde passa‐
giersairbag
Als de passagiersairbag is ingeschakeld, kan
een kind op de passagiersstoel bij een onge‐
val door de passagiersairbag worden geraakt.
NOOIT een naar achteren gericht kinderbe‐
veiligingssysteem op een stoel met INGE‐
SCHAKELDE FRONTAIRBAG gebruiken, want
dat kanvoor het kind DODELIJKE of ERN‐
STIGE VERWONDINGEN tot gevolg hebben.
Bij montage van een kinderzitjesbevestigingssys‐
teem op de passagiersstoel de autospecifieke
aanwijzingen in acht nemen (/pagina 70).
Beslist ook de aanwijzingen met betrekking tot
naar achteren of naar vorengerichte kinderzit‐
jesbevestigingssystemen op de passagiersstoel
in acht nemen.
Auto's met automatische uitschakeling pas‐
sagiersairbag:
Alleen als het controlelampje PASSENGER AIR
BAG OFF gedoofd is, kan de passagiersairbag bij
een ongevalworden geactiveerd. Bij een bezette
passagiersstoel voor en ook tijdens het rijden de
correcte status van de passagiersairbag contro‐
leren (/pagina 44).
*AANWIJZING Bij onbezette passagiers‐
stoel beslist in acht nemen
Bij een ongeval kunnen aan passagierszijde
de onderdelen van het veiligheidssysteem
onnodig worden geactiveerd:
ROp de passagiersstoel zijn zware voor‐
werpen geplaatst.
RDe gordelslottong van de veiligheidsgor‐
del is bij onbezette passagiersstoel in het
gordelslot vergrendeld.
#Voorwerpen op een geschikte plaats
opbergen.
#De veiligheidsgordel altijd slechts voor
één persoon gebruiken.
Afhankelijk van de herkende ongevalssituatie
kan de windowbag aan passagierszijde worden
geactiveerd. Het activeren is onafhankelijk van
of de passagiersstoel wel of niet bezet is.
Veiligheid voor inzittenden 39
Beschermingspotentieel van de airbags
Afhankelijk van de ongevalssituatie kan een air‐
bag in combinatie met een correct gedragen vei‐
ligheidsgordel het beschermingspotentieel ver‐
groten.
&WAARSCHUWING Letsel‑ of levensge‐
vaar door verkeerde zitpositie
Als u niet de juiste zitpositie inneemt, kan de
airbag niet zoals bedoeld beschermen en
door het activeren zelfs extra verwondingen
veroorzaken.
Om risico's te vermijden, moet elke inzit‐
tende altijd de volgende punten in acht
nemen:
RDe veiligheidsgordel correct omgespen.
In het bijzonder erop letten, dat bij zwan‐
gere vrouwen de heupgordel nooit over
buik of onderlichaam loopt.
RDe correcte zitpositie innemen en de
grootst mogelijke afstand tot de airbags
aanhouden.
RDe volgende aanwijzingen in acht nemen.
#Altijd controleren of zich geen voorwer‐
pen tussen de airbag en de inzittende
bevinden.
Om risico's als gevolg van de in werking tre‐
dende airbag te vermijden moet elke inzittende
met name de volgende aanwijzingen in acht
nemen:
RDe stoelen voor aanvang van de rit correct
instellen, de bestuurders- en passagiersstoel
zo ver mogelijk naar achteren.
Daarbij altijd de informatie over de correcte
stand van de bestuurdersstoel in acht nemen
(/pagina 103).
RHetstuurwiel alleen aan de stuurwielrand
vasthouden. Op deze wijze kan de airbag
ongehinderd worden opgeblazen.
RTijdens het rijden altijd tegen de rugleuning
leunen. Niet naar voren buigen en niet tegen
het portier of de zijruit leunen. Anders
bevindt u zich in het ontplooiingsgebied van
de airbags.
RDe voeten moeten zich altijd op de vloer
bevinden. Uw voeten bijvoorbeeld niet op de
cockpit leggen. Anders bevinden uw voeten
zich in het ontplooiingsgebied van de airbag.
RWanneer kinderen in de auto worden meege‐
nomen, de aanvullende aanwijzingen in acht
nemen (/pagina 49).
RVoorwerpen altijd correct opbergen en bevei‐
ligen.
Voorwerpen in het interieur kunnen het correct
functioneren van een airbag in gevaar brengen.
Elke inzittende moet altijd met name de vol‐
gende punten in acht nemen:
REr mogen zich geen andere personen, dieren
of voorwerpen tussen de inzittenden en de
verschillende airbags bevinden.
REr mogen geen voorwerpen tussen de stoel
en het portier als ook de deurstijl (B-stijl) lig‐
gen.
REr mogen geen harde voorwerpen zoals kle‐
dinghangers aan handgrepen of kledinghaken
hangen.
40 Veiligheid voor inzittenden
REr mogen geen accessoires zoals mobiele
navigatiesystemen, mobiele telefoons of
bekerhouders in het ontplooiingsgebied van
een airbag zijn aangebracht, bijvoorbeeld op
de cockpit, aan portieren, zijruiten of zijbe‐
kledingen.
Bovendien mag geen aansluitkabel, span‐
band of bevestigingsriem in het ontplooiings‐
gebied van een airbag lopen of worden
bevestigd. Altijd de montagehandleiding van
de fabrikant van het accessoire in acht
nemen, in het bijzonder ook de aanwijzingen
met betrekking tot een geschikte montage‐
plaats.
REr mogen geen zware, scherpe of breekbare
voorwerpen in de zakken van uw kledingstuk‐
ken aanwezig zijn. Dergelijke voorwerpen op
een geschikte plaats opbergen.
Beperking van het beschermingspotentieel
van de airbags
&WAARSCHUWING Gevaar voor letsel
door wijzigingen aan de afdekking van
een airbag
Als de afdekking van een airbag wordtgewij‐
zigd of als voorwerpen, bijvoorbeeld ook stic‐
kers, daarop worden aangebracht, kan de air‐
bag niet meer zoals bedoeld functioneren.
#Nooit de afdekking van een airbag ver‐
anderen en geen voorwerpen erop aan‐
brengen.
De inbouwplaats van een airbag is herkenbaar
aan het opschrift AIRBAG (/pagina 38).
&WAARSCHUWING Gevaar voor letsel of
levensgevaar door ongeschikte stoelhoe‐
zen
Ongeschikte stoelhoezen kunnen het opbla‐
zen van de in de stoelen geïntegreerde air‐
bags belemmeren of zelfs verhinderen.
De airbags kunnen de inzittenden dan niet
meer zoals bedoeld beschermen. Bovendien
kan de werking van de automatische passa‐
giersairbaguitschakeling nadelig worden
beïnvloed.
#Alleen stoelhoezen gebruiken die
Mercedes-Benz voor de betreffende
stoel heeft goedgekeurd.
&WAARSCHUWING Gevaar voor letsel
door storingen in de werking van de sen‐
soren in de portierbekleding
In de portieren zijn sensoren voor de aanstu‐
ring van airbags aangebracht. Door wijzigin‐
gen of ondeskundig uitgevoerde werkzaam‐
heden aan portieren of portierbekledingen en
door beschadigde portieren kan de werking
van de sensoren nadelig worden beïnvloed.
Daardoor kunnen de airbags niet meer zoals
bedoeld functioneren.
De airbags kunnen de inzittenden dan niet
meer zoals bedoeld beschermen.
Veiligheid voor inzittenden 41
#Nooit de portieren of delen waarvan
wijzigen.
#Werkzaamheden aan portieren of por‐
tierbekledingen bij een gekwalificeerde
werkplaats laten uitvoeren.
&WAARSCHUWING Gevaar voor letsel
door een reeds geactiveerde airbag
Een reeds geactiveerde airbag biedt geen
beschermende werking meer en kan bij een
ongeval niet meer zoals bedoeld bescher‐
men.
#Om een geactiveerde airbag te vervan‐
gen, de auto naar een gekwalificeerde
werkplaats laten slepen.
Geactiveerde airbags direct laten vervangen.
Status van de passagiersairbag
Functie van de automatische uitschakeling
passagiersairbag
De automatische uitschakeling passagiersairbag
kan herkennen of een persoon op de passagiers‐
stoel zit of dat een kinderzitjesbevestigingssys‐
teem op de stoel is gemonteerd. Dienovereen‐
komstig wordt de passagiersairbag in- of uitge‐
schakeld.
Bij montage van een kinderzitjesbevestigingssys‐
teem op de passagiersstoel de volgende punten
in acht nemen:
ROp een correcte plaatsing van het kinderzit‐
jesbevestigingssysteem letten
(/pagina 55).
RAltijd de montagehandleiding van de fabri‐
kant van het kinderzitjesbevestigingssysteem
in acht nemen.
RNooit voorwerpen onder of achter het kinder‐
zitjesbevestigingssysteem leggen, zoals een
kussen.
RDe zittinghoogteverstelling in de laagste
stand zetten.
RHet draagvlak van het kinderzitjesbevesti‐
gingssysteem moet volledig op het zitvlak
van de passagiersstoel rusten.
RDe leuning van een naar vorengericht kinder‐
zitjesbevestigingssysteem moet zo volledig
mogelijk tegen de rugleuning van de passa‐
giersstoel aan liggen.
RHet kinderzitjesbevestigingssysteem mag
niet het dak raken of door de hoofdsteun
worden belast. De rugleuninghoek en de
instelling van de hoofdsteun overeenkomstig
aanpassen.
&WAARSCHUWING Letsel‑ of levensge‐
vaar door voorwerpen tussen zitvlak en
kinderzitjesbevestigingssysteem
Voorwerpen tussen de zitting en het kinder‐
zitjesbevestigingssysteem kunnen de wer‐
king van de automatische passagiersairba‐
guitschakeling verstoren.
Daardoor kan de passagiersairbag bij een
ongeval niet correct werken.
#Geen voorwerpen tussen het zitvlak en
het kinderzitjesbevestigingssysteem
leggen.
#Het draagvlak van het kinderzitjesbe‐
vestigingssysteem moet volledig op het
zitvlak van de passagiersstoel rusten.
42 Veiligheid voor inzittenden
#De leuning van een naar vorengericht
kinderzitjesbevestigingssysteem moet
zo volledig mogelijk tegen de rugleuning
van de passagiersstoel aan liggen.
#Beslist de montagehandleiding van de
fabrikant van het kinderzitjesbevesti‐
gingssysteem in acht nemen.
Een persoon op de passagiersstoel moet de vol‐
gende aanwijzingen in acht nemen:
RDe veiligheidsgordel correct omgespen
(/pagina 33).
RZo rechtop mogelijk zitten, met de rugtegen
de rugleuning.
RIndien mogelijk zo zitten dat de voeten op de
vloer staan.
Anders kan de passagiersairbag abusievelijk
worden uitgeschakeld, bijvoorbeeld in de vol‐
gende gevallen:
RDe passagier verplaatst zijn gewicht door op
de armsteun in de auto te steunen.
RDe passagier zit zodanig dat hij het zitvlak
ontlast.
&WAARSCHUWING Letsel‑ of levensge‐
vaar bij uitgeschakelde passagiersairbag
Als het controlelampje PASSENGER AIR BAG
OFF brandt, is de passagiersairbag uitge‐
schakeld. Deze wordt bij een ongeval niet
geactiveerd en kan dan niet meer zoals
bedoeld beschermen.
Een persoon op de passagiersstoel kan dan
bijvoorbeeld met delen van het interieur in
aanraking komen, in het bijzonder als hij
dicht op het dashboard zit.
Bij bezette passagiersstoel altijd ervoor zor‐
gen dat:
RDe classificatie van de persoon op de
passagiersstoel correct is en dat de pas‐
sagiersairbag overeenkomstig de persoon
op de passagiersstoel in- of uitgeschakeld
is.
RDe passagiersstoel zo ver mogelijk naar
achteren gezet is.
RDe persoon correct zit.
#Voor en ook tijdens het rijden de cor‐
recte status van de passagiersairbag
controleren.
Wanneer de passagiersstoel bezet is, vindt na de
zelfdiagnose van de automatische uitschakeling
passagiersairbag de classificatie van de persoon
of het kinderzitjesbevestigingssysteem op de
passagiersstoel plaats. De PASSENGER AIR BAG
controlelampjes geven de status van de passa‐
giersairbag weer.
Altijd de aanwijzingen met betrekking tot de wer‐
king van de controlelampjes PASSENGER AIR
BAG in acht nemen (/pagina 44).
Veiligheid voor inzittenden 43
Werking van de PASSENGER AIR BAG contro‐
lelampjes
Auto's zonder automatische uitschakeling passa‐
giersairbag hebben aan passagierszijde een spe‐
ciale sticker op de cockpit (/pagina 70).
Zelfdiagnose van de automatische uitschake‐
ling passagiersairbag
Bij ingeschakeld contact branden beide controle‐
lampjes PASSENGER AIR BAG ON en OFF tijdens
de zelfdiagnose tegelijkertijd.
Na de zelfdiagnose wordt de status van de pas‐
sagiersairbag weergegeven:
RPASSENGER AIR BAG ON brandt gedurende
60 seconden, vervolgens zijn beide controle‐
lampjes PASSENGER AIR BAG ON en OFF
gedoofd: De passagiersairbag kan tijdens
een ongeval worden geactiveerd.
RPASSENGER AIR BAG OFF brandt continu: De
passagiersairbag is uitgeschakeld. Hij wordt
bij een ongeval niet geactiveerd.
Als het controlelampje PASSENGER AIR BAG ON
gedoofd is, geeft alleen het controlelampje PAS‐
SENGER AIR BAG OFF de status van de passa‐
giersairbag aan. Het controlelampje PASSENGER
AIR BAG OFF kan continu branden of gedoofd
zijn.
Als het controlelampje PASSENGER AIR BAG
OFF en het waarschuwingslampje veiligheidssys‐
teem 6tegelijkertijd branden, mag niemand
de passagiersstoel gebruiken. In dit geval ook
geen kinderzitjesbevestigingssysteem op de pas‐
sagiersstoel monteren. De automatische uitscha‐
keling passagiersairbag direct bij een gekwalifi‐
ceerdewerkplaats laten controleren en repare‐
ren.
Statusindicatie
Bij een bezette passagiersstoel voor en ook tij‐
dens het rijden en afhankelijkvan de situatie de
correcte status van de passagiersairbag contro‐
leren.
Na montage van een naar achteren gericht
kinderzitjesbevestigingssysteem op de pas‐
sagiersstoel: PASSENGER AIR BAG OFF moet
continu branden.
&WAARSCHUWING Letsel‑ of levensge‐
vaar door gebruik van een naar achteren
gericht kinderzitjesbevestigingssysteem
bij ingeschakelde passagiersairbag
Als een kind in een naar achteren gericht kin‐
derzitjesbevestigingssysteem op de passa‐
giersstoel wordt beveiligd en het controle‐
44 Veiligheid voor inzittenden
lampje PASSENGER AIR BAG OFF is gedoofd,
kan de passagiersairbag bij een ongevalwor‐
den geactiveerd.
Het kind kan door de airbag worden getrof‐
fen.
De passagiersairbag moet uitgeschakeld zijn;
dit controleren. Het controlelampje PASSEN‐
GER AIR BAG OFF moet branden.
NOOIT een naar achteren gericht kinderbe‐
veiligingssysteem op een stoel met INGE‐
SCHAKELDE FRONTAIRBAG gebruiken, want
dat kanvoor het kind DODELIJKE of ERN‐
STIGE VERWONDINGEN tot gevolg hebben.
Bij montage van een kinderzitjesbevestigingssys‐
teem op de passagiersstoel de autospecifieke
aanwijzingen in acht nemen (/pagina 70).
Afhankelijk van het kinderzitjesbevestigingssys‐
teem en het postuur van het kind kan het contro‐
lelampje PASSENGER AIR BAG OFF gedoofd zijn.
In dit geval mag het naar achteren gerichte kin‐
derzitjesbevestigingssysteem niet op de passa‐
giersstoel worden gemonteerd.
In plaats daarvan het naar achteren gerichte kin‐
derzitjesbevestigingssysteem op een geschikte
zitplaats achterin inbouwen.
Na montage van een naar vorengericht kin‐
derzitjesbevestigingssysteem op de passa‐
giersstoel: PASSENGER AIR BAG OFF kan con‐
tinu branden of gedoofd zijn, afhankelijk van het
kinderzitjesbevestigingssysteem en het postuur
van het kind. Altijd de volgende aanwijzingen in
acht nemen.
&WAARSCHUWING Letsel‑ of levensge‐
vaar door verkeerde plaatsing van het
naar vorengerichte kinderzitjesbevesti‐
gingssysteem
Als een kind in een naar vorengericht kinder‐
zitjesbevestigingssysteem op de passagiers‐
stoel wordt beveiligd en de passagiersstoel
te dicht bij het dashboard wordtgeplaatst,
kan het kind bij een ongeval:
RBijvoorbeeld met delen van het interieur
in aanraking komen, als het controle‐
lampje PASSENGER AIR BAG OFF brandt.
RDoor de airbag wordtgeraakt, als het
controlelampje PASSENGER AIR BAG OFF
gedoofd is.
#De passagiersstoel altijd zo ver mogelijk
naar achteren plaatsen en de zitting‐
hoogteverstelling in de laagste stand
zetten. Daarbij altijd de correcte ligging
van de schoudergordelband vanaf de
gordeldoorvoeropening van de auto
naar de schoudergordelgeleiding van
het kinderzitjesbevestigingssysteem in
acht nemen. De schoudergordelband
moet vanaf de gordeldoorvoeropening
naar voren en omlaag verlopen. Indien
nodig de gordeldoorvoeropening en de
passagiersstoel overeenkomstig instel‐
len.
#Altijd de montagehandleiding van de
fabrikant van het kinderzitjesbevesti‐
gingssysteem in acht nemen.
Bij montage van een kinderzitjesbevestigingssys‐
teem op de passagiersstoel de autospecifieke
aanwijzingen in acht nemen (/pagina 70).
Veiligheid voor inzittenden 45
Er zit een persoon op de passagiersstoel:
PASSENGER AIR BAG OFF kan continu branden
of gedoofd zijn, afhankelijk van het postuur van
de persoon.
Een persoon op de passagiersstoel moet altijd
de volgende aanwijzingen in acht nemen:
RWanneer de passagiersstoel bezet is door
een volwassene of een persoon met overeen‐
komstig postuur, moet het controlelampje
PASSENGER AIR BAG OFF gedoofd zijn. Hier‐
mee wordt aangegeven dat de passagiersair‐
bag ingeschakeld is.
Als het controlelampje PASSENGER AIR BAG
OFF continu brandt, mag een volwassene of
een persoon met overeenkomstig postuur de
passagiersstoel niet gebruiken.
In plaats daarvan een zitplaats achterin
gebruiken.
RWanneer de passagiersstoel bezet is door
een persoon met een klein postuur (bijvoor‐
beeld een tiener of een kleine volwassene),
brandt het controlelampje PASSENGER AIR
BAG OFF afhankelijk van het classificatiere‐
sultaat continu of is het gedoofd.
-PASSENGER AIR BAG OFF is gedoofd: De
passagiersstoel zo ver mogelijk naar ach‐
teren zetten of voor de persoon met klein
postuur een zitplaats achterin gebruiken.
-PASSENGER AIR BAG OFF brandt continu:
De persoon met klein postuur mag de
passagiersstoel niet gebruiken.
&WAARSCHUWING Letsel‑ of levensge‐
vaar bij brandend PASSENGER AIR BAG
OFF-controlelampje
Als het controlelampje PASSENGER AIR BAG
OFF na de systeemzelftest nog steeds
brandt, is de passagiersairbag uitgeschakeld.
Deze wordt dan bij een ongeval niet geacti‐
veerd. In dit gevalkan de passagiersairbag
niet meer zoals bedoeld beschermen, als bij‐
voorbeeld een persoon op de passagiersstoel
zit.
De persoon kan bijvoorbeeld met delen van
het interieur in aanraking komen, in het bij‐
zonder als hij dicht op de cockpit zit.
Bij bezette passagiersstoel altijd het vol‐
gende controleren:
RDe classificatie van de persoon op de
passagiersstoel moet correct zijn en de
passagiersairbag moet overeenkomstig
de persoon op de passagiersstoel in- of
uitgeschakeld zijn.
RDe persoon moet correct zitten en de vei‐
ligheidsgordel correct hebben omge‐
gespt.
RDe passagiersstoel moet zo ver mogelijk
naar achteren staan.
Ook de volgende aanvullende informatie in acht
nemen:
RKinderzitjesbevestigingssysteem op de pas‐
sagiersstoel (/pagina 70).
RGeschikte plaatsing van het kinderzitjesbe‐
vestigingssysteem (/pagina 55).
46 Veiligheid voor inzittenden
PRE-SAFE®systeem
Functie van PRE-SAFE®(preventieve inzitten‐
denbescherming)
De PRE-SAFE®kan bepaalde kritieke rijsituaties
herkennen en preventieve maatregelen ter
bescherming van de inzittenden nemen.
De volgende maatregelen kunnen door de PRE-
SAFE®onafhankelijk van elkaar worden geno‐
men:
RVeiligheidsgordels van de bestuurdersstoel
en passagiersstoel voorspannen.
RZijruiten sluiten.
RAuto's met schuifdak: Het schuifdak slui‐
ten.
RAuto's met geheugenfunctie: Een gunstiger
zitpositie van de passagiersstoel instellen.
RPRE-SAFE®Sound: Kan het eigen bescher‐
mingsmechanisme van het gehoor activeren
door een kort geluidssignaal bij ingeschakeld
multimediasysteem.
*AANWIJZING Beschadiging door voor‐
werpen in de beenruimte of achter de
stoel
Door de automatische instelling van de stand
van de stoel kan de stoel en/of het voorwerp
worden beschadigd.
#Voorwerpen op een geschikte plaats
opbergen.
Maatregelen van het PRE-SAFE®-systeem
ongedaan maken
Als er geen ongeval plaatsvindt, worden de pre‐
ventieve maatregelen ongedaan gemaakt.
Bepaalde instellingen dient u zelf uit te voeren.
#Als de gordelvoorspanning niet afneemt, de
rugleuning iets naar achteren zetten.
De gordelvoorspanning neemt af.
Functie van PRE-SAFE®PLUS (preventieve
inzittendenbescherming Plus)
De PRE-SAFE®PLUS kan een dreigende aanrij‐
ding herkennen, met name een aanrijding van
achteren, en neemt preventieve maatregelen ter
bescherming van de inzittenden. Deze maatrege‐
len kunnen een dreigend ongeval niet voorko
men.
De volgende maatregelen kunnen door de PRE-
SAFE®PLUS onafhankelijk van elkaar worden
genomen:
RVeiligheidsgordels van de bestuurdersstoel
en passagiersstoel voorspannen.
RAlarmknipperlichtinstallatie achter met een
verhoogde frequentie inschakelen.
RRemdruk verhogen als de auto stilstaat. Deze
remingreep wordt bij het wegrijden automa‐
tisch beëindigd.
Als er geen ongeval plaatsvindt, worden de pre‐
ventieve maatregelen ongedaan gemaakt.
Veiligheid voor inzittenden 47
Systeemgrenzen
Het systeem neemt in de volgende situaties
geen maatregelen:
Rbij achteruitrijden
of
Rbij het rijden met een aanhangwagen en drei‐
gende aanrijding van achteren
Het systeem voert in de volgende situaties geen
remingreep uit:
Rtijdens het rijden
of
Rbij het in- of uitparkeren met de actieve par‐
keerassistent
Kinderenveilig in de auto vervoeren
Altijd in acht nemen wanneer kinderen meer‐
ijden
%Beslist ook de van de situatie afhankelijke
veiligheidsaanwijzingen in acht nemen. U
kunt zo mogelijke risico's herkennen en
gevarenvermijden wanneer kinderen meerij‐
den (/pagina 49).
Consequent zijn
Uw nalatigheid bij het beveiligen van kinderen in
kinderzitjesbevestigingssystemen kan ernstige
gevolgen hebben. Wees altijd consequent en
beveilig kinderen voor iedere rit zorgvuldig.
Mercedes-Benz adviseert voor een betere
bescherming van kinderen jonger dan 12 jaar of
kleiner dan 1,50 m, de volgende aanwijzingen
beslist in acht te nemen:
REen kind altijd beveiligen in een voor uw
Mercedes-Benz geschikt kinderzitjesbevesti‐
gingssysteem.
RHet kinderzitjesbevestigingssysteem moet
geschikt zijn voor de leeftijd, het gewicht en
de lengte.
RDe zitplaats van de auto moet geschikt zijn
voor het in te bouwen kinderzitjesbevesti‐
gingssysteem (/pagina 55).
Uit de ongevallenstatistieken blijkt, dat kinderen
die op de zitplaatsen achterin zijn beveiligd, veili‐
ger zijn dan kinderen die op de voorstoel zijn
beveiligd. Daarom adviseert Mercedes-Benz
dringend het kinderzitjesbevestigingssysteem bij
voorkeur op een zitplaats achterin te monteren.
Het overkoepelend begrip kinderzitjesbeves‐
tigingssysteem
In deze handleiding wordt het overkoepelend
begrip kinderzitjesbevestigingssysteem gebruikt.
Een kinderzitjesbevestigingssysteem is bijvoor‐
beeld:
REen babyschaal
REen naar achteren gericht kinderzitje
REen naar vorengericht kinderzitje
REen stoelverhoging met leuning en gordelge‐
leidingen
Mercedes-Benz adviseert het gebruik van
een stoelverhoging met rugleuning.
Het kinderzitjesbevestigingssysteem moet
geschikt zijn voor de leeftijd, het gewicht en de
lengte.
48 Veiligheid voor inzittenden
De wetten en voorschriften in acht nemen
Bij het gebruik van een kinderzitjesbevestigings‐
systeem in de auto altijd de wettelijke voorschrif‐
ten in acht nemen.
Het kinderzitjesbevestigingssysteem moet vol‐
gens de geldende testvoorschriften en richtlijnen
toegestaan zijn; dit controleren. Meer informatie
is verkrijgbaar in een gekwalificeerde werk‐
plaats. Mercedes-Benz adviseert een Mercedes-
Benz-servicewerkplaats.
Alleen toegestane kinderzitjesbevestigings‐
systemen gebruiken
In het voertuig mogen alleen kinderzitjesbevesti‐
gingssystemen volgens deze UNECE-normen
worden gebruikt:
RUN-R44
RUN-R129 (i-Size-kinderzitjesbevestigingssys‐
teem)
Informatie met betrekking tot de toelatingscate‐
gorieën voor kinderzitjesbevestigingssystemen
en de opgaven op het goedkeuringslabel
(/pagina 56).
Risico herkennen, gevaar vermijden
Bevestigingssystemen voor kinderzitjesbe‐
vestigingssystemen in de auto
Alleen de volgende bevestigingssystemen voor
kinderzitjesbevestigingssystemen gebruiken:
Rde ISOFIX- of i-Size bevestigingsbeugels
Rhet veiligheidsgordelsysteem van de auto
Rde TopTether-verankeringen
Bij voorkeur een ISOFIX- of i-Size-kinderzitjesbe‐
vestigingssysteem monteren.
De eenvoudige montage aan de bevestigingsbeu‐
gels van de auto kan het risico van een verkeerd
gemonteerd kinderzitjesbevestigingssysteem
reduceren.
Als het kind met de geïntegreerde veiligheidsgor‐
del van het ISOFIX- of i-Size-kinderzitjesbevesti‐
gingssysteem beveiligd is, beslist het gewicht
van het kind en het toegestaan totaalgewicht van
het kinderzitjesbevestigingssysteem in acht
nemen (/pagina 62).
Voordeel van een naar achteren gericht kin‐
derzitjesbevestigingssysteem
Een baby of een klein kind bij voorkeur in een
geschikt naar achteren gericht kinderzitjesbe‐
vestigingssysteem vervoeren. Het kind zit in dit
gevaltegengesteld aan de rijrichting en kijkt
naar achteren.
Baby's en kleine kinderen hebben relatief
zwakke nekspieren in verhouding tot de grootte
en het gewicht van hun hoofd. In een naar achte‐
rengericht kinderzitjesbevestigingssysteem kan
het gevaar voor letsel aan de nekwervelkolom bij
een ongeval gereduceerd worden.
Kinderzitjesbevestigingssysteem altijd cor‐
rect bevestigen
&WAARSCHUWING Gevaar voor letsel of
levensgevaar door verkeerde montage
van het kinderzitjesbevestigingssysteem
Als het kinderzitjesbevestigingssysteem ver‐
keerd op de daarvoor geschikte zitplaats
wordtgemonteerd, kan dit niet meer zoals
bedoeld beschermen.
Veiligheid voor inzittenden 49
Het kind kan dan bij een ongeval, remma‐
noeuvre of abrupte verandering vanrichting
niet worden tegengehouden.
#Beslist de montagehandleiding van de
fabrikant van het kinderzitjesbevesti‐
gingssysteem en de gebruiksmogelijk‐
heden in acht nemen.
#Het gehele draagvlak van het kinderzit‐
jesbevestigingssysteem moet op de zit‐
ting rusten; dit controleren.
#Nooit voorwerpen, zoals een kussen,
onder of achter het kinderzitjesbevesti‐
gingssysteem leggen.
#Kinderzitjesbevestigingssystemen
alleen met de bijgeleverde originele
hoezen gebruiken.
#Beschadigde hoezen alleen door origi‐
nele hoezen vervangen.
&WAARSCHUWING Letsel of levensge‐
vaar door onbeveiligde kinder‑zitjesbe‐
vestigingssystemen in de auto
Als het kinderzitje verkeerd gemonteerd of
niet-vastgezet is, kan dit bij een ongeval,
remmanoeuvre of abrupte verandering van
richting losraken.
Het kinderzitje kanrondslingeren en inzitten‐
den raken.
#Ook niet-gebruikte kinderzitjes altijd
correct monteren.
#Beslist de montagehandleiding van de
fabrikant van het kinderzitjesbevesti‐
gingssysteem in acht nemen.
RAltijd de montage- en gebruikshandleiding
van de fabrikant van het kinderzitjesbevesti‐
gingssysteem in acht nemen:
-ISOFIX- of i-Size-kinderzitjesbevestigings‐
systeem op de zitplaats achterin inbou‐
wen (/pagina 62).
-Kinderzitjesbevestigingssysteem met de
veiligheidsgordel op de zitplaats achterin
bevestigen (/pagina 68).
-Kinderzitjesbevestigingssysteem met de
veiligheidsgordel op de passagiersstoel
bevestigen (/pagina 71). De speci‐
fieke aanwijzingen bij naar achteren en
naar vorengerichte kinderzitjesbevesti‐
gingssystemen in acht nemen
(/pagina 70).
Bij een bezette passagiersstoel voor en
ook tijdens het rijden en afhankelijkvan
de situatie de correcte status van de pas‐
sagiersairbag controleren (/pagina 44).
RDe waarschuwingsstickers in het interieur
van de auto en op het kinderzitjesbevesti‐
gingssysteem in acht nemen.
RIndien aanwezig, TopTether tevens bevesti‐
gen.
50 Veiligheid voor inzittenden
Kinderzitjesbevestigingssysteem niet veran‐
deren
&WAARSCHUWING Gevaar voor letsel
door veranderingen aan het kinderzitjes‐
bevestigingssysteem
Wanneer u een kinderzitjesbevestigingssys‐
teem verandert of er voorwerpen op aan‐
brengt, bijv. speelgoed of ongeschikte acces‐
soires, kan het kinderzitjesbevestigingssys‐
teem niet meer zoals bedoeld functioneren.
Er bestaat verhoogd gevaar voor letsel!
Nooit een kinderzitjesbevestigingssysteem
veranderen. Brengt u alleen accessoires aan
die de fabrikant van het kinderzitjesbevesti‐
gingssysteem speciaal voor dit kinderzitjes‐
bevestigingssysteem goedgekeurd heeft.
Mercedes-Benz adviseert u voor het reinigen van
de door Mercedes-Benz geadviseerde kinderzit‐
jesbevestigingssystemen Mercedes-Benz-verzor‐
gingsmiddelen te gebruiken.
Alleen intacte kinderzitjesbevestigingssyste‐
men gebruiken
&WAARSCHUWING Gevaar voor letsel of
levensgevaar door gebruik van bescha‐
digde kinderzitjesbevestigingssystemen
Beschadigde of bij een ongeval belaste kin‐
derzitjesbevestigingssystemen of hun beves‐
tigingssystemen kunnen niet meer zoals
bedoeld beschermen.
Het kind kan dan bij een ongeval, remma‐
noeuvre of abrupte verandering vanrichting
niet worden tegengehouden.
#Beschadigde of bij een ongeval belaste
kinderzitjesbevestigingssysteem direct
vervangen.
#De bevestigingssystemen van de kin‐
derzitjesbevestigingssystemen direct bij
een gekwalificeerde werkplaats laten
controleren, voordat weer een kinderzit‐
jesbevestigingssysteem wordtgemon‐
teerd.
Directe zonnestraling vermijden
&WAARSCHUWING Gevaar voor brand‐
wonden door directe zonnestraling op
het kinderzitjesbevestigingssysteem
Wanneer het kinderzitjesbevestigingssys‐
teem aan directe zonnestraling wordt bloot‐
gesteld, kunnen delen hiervan zeer heet wor‐
den.
Kinderen kunnen zich branden aan deze
delen, in het bijzonder aan metalen delen van
het kinderzitjesbevestigingssysteem.
#Altijd erop letten dat het kinderzitjesbe‐
vestigingssysteem niet aan directe zon‐
nestraling is blootgesteld.
#Het kinderzitjesbevestigingssysteem
bijvoorbeeld met een deken bescher‐
men.
#Voordat het kind hierin wordt beveiligd
het kinderzitjesbevestigingssysteem
laten afkoelen als het aan directe zon‐
nestraling is blootgesteld geweest.
Veiligheid voor inzittenden 51
#Kinderen nooit zonder toezicht in de
auto laten.
Bij het stoppen of parkeren in acht nemen
&WAARSCHUWING Gevaar voor ongeval‐
len en letsel als kinderen zonder toezicht
in het voertuig worden achtergelaten
Wanneer kinderen zonder toezicht in het
voertuig achterblijven, kunnen ze met name:
RDeuren openen en daardoor andere per‐
sonen of verkeersdeelnemers in gevaar
brengen.
RUitstappen en door het verkeer worden
gegrepen.
RUitrustingen van het voertuig bedienen en
bijvoorbeeld bekneld raken.
Bovendien kunnen kinderen het voertuig in
beweging zetten, door bijvoorbeeld:
RDe parkeerrem vrij te zetten.
RDe transmissiestand te wijzigen.
RHet voertuig te starten.
#Kinderen nooit zonder toezicht in het
voertuig laten.
#Bij het verlaten van het voertuig altijd
de sleutel meenemen en het voertuig
vergrendelen.
#De sleutel buiten bereik van kinderen
bewaren.
Dit geldt eveneens voor de digitale voertuigsleu‐
tel, als de functie "Digitale voertuigsleutel" via
Mercedes me connect is geactiveerd.
&WAARSCHUWING Levensgevaar door
grote blootstelling aan kou of warmte in
de auto
Als personen in het bijzonder kinderen
langdurig aan extreme hitte‑ of koude wor‐
den blootgesteld, bestaatgevaar voor letsel
of zelfs levensgevaar!
#Personen in het bijzonder kinderen
nooit zonder toezicht in de auto laten.
#Dieren nooit zonder toezicht in de auto
laten.
52 Veiligheid voor inzittenden
Overzicht geadviseerde kinderzitjesbevestigingssystemen
Meer informatie over correcte kinderzitjesbevestigingssystemen is verkrijgbaar bij een gekwalificeerde werkplaats. Mercedes-Benz adviseert een
Mercedes-Benz-servicewerkplaats.
Bevestiging met ISOFIX
Gewichtsgroep
Grootteklasse
Type1
Goedkeuringsnummer
Bestelnummer2
1Fabrikant: Britax mer 2 Met kleurcode 9H95
Groep 0+:
tot 13 kg en tot circa 15 maanden
Grootteklasse E
BABY SAFE plus
E1 04 301 146
B6 6 86 8224
Groep I:
9tot 18 kg
Grootteklasse B1
DUO plus
E1 04 301 133
A 000 97017 02
Veiligheid voor inzittenden 53
Bevestiging met de veiligheidsgordel van de zitplaats
Gewichtsgroep Type1
Goedkeuringsnummer
Bestelnummer2
1Fabrikant: Britax mer 2 Met kleurcode 9H95
Groep 0:
tot 10 kg en tot circa 6 maanden
BABY SAFE plus II
E1 04 301 146
A 000 97013 02
Groep 0+:
tot 13 kg en tot circa 15 maanden
BABY SAFE plus II
E1 04 301 146
A 000 97013 02
Groep I:
9tot 18 kg en van circa 9 maanden tot 4 jaar
DUO plus
E1 04 301 133
A 000 97017 02
Groep II/III:
15 tot 36 kg en van circa 4 tot12 jaar
KIDFIX
E1 04 301 198
A 000 970 20 02
Groep II/III:
15 tot 36 kg en van circa 4 tot12 jaar
KIDFIX XP
E1 04 301 304
A 000 970 23 02
54 Veiligheid voor inzittenden
Overzicht geschikte zitplaatsen in de auto voor het aanbrengen van een kinderzitjesbevestigingssysteem
Bevestigingssystemen voor kinderzitjesbevestigingssystemen
Zitplaats
Linker/rechter zitplaats achterin Geprefereerd bevestigingssysteem:
ISOFIX-kinderzitjesverankering
(/pagina 58)
of
i-Size kinderzitjebevestiging (/pagina 61)
Indien aanwezig, TopTether tevens bevestigen
(/pagina 64)
Alternatief bevestigingssysteem:
RVeiligheidsgordel van de zitplaats (/pagina 66)
Passagiersstoel Bevestigingssysteem:
RVeiligheidsgordel van de zitplaats (/pagina 66)
Beslist in acht nemen:
RBij een bezette passagiersstoel voor en ook tij‐
dens het rijden en afhankelijkvan de situatie de
correcte status van de passagiersairbag controle‐
ren (/pagina 44).
RAanwijzingen met betrekking tot de automatische
uitschakeling passagiersairbag (/pagina 42)
Veiligheid voor inzittenden 55
Zitplaats
Middelste zitplaats achterin Bevestigingssysteem:
RVeiligheidsgordel van de zitplaats (/pagina 66)
Toelatingscategorieën voor kinderzitjesbe‐
vestigingssystemen
Alleen toegestane kinderzitjesbevestigings‐
systemen gebruiken
In het voertuig mogen alleen kinderzitjesbevesti‐
gingssystemen volgens deze UNECE-normen
worden gebruikt:
RUN-R44
RUN-R129 (i-Size-kinderzitjesbevestigingssys‐
teem)
Kenmerk op kinderzitjesbevestigingssys‐
teem
Op het goedkeuringslabel van het kinderzitjesbe‐
vestigingssysteem bevinden zich bijvoorbeeld
gegevens over de toelatingscategorie, gewichts‐
groep en het goedkeuringsnummer.
Afhankelijk van de toelatingscategorie van het
kinderzitjesbevestigingssysteem kunnen verdere
gegevens aanwezig zijn, zoals de ISOFIX-grootte‐
klasse.
Toelatingscategorieën volgens UN-R44
Voorbeeld van een goedkeuringslabel
56 Veiligheid voor inzittenden
RUniversal: Kinderzitjesbevestigingssystemen
van de categorie "Universal" zijn toegestaan
voor het inbouwen in auto's. Ze kunnen over‐
eenkomstig de overzichten met betrekking
tot de geschiktheid van de zitplaatsen voor
de bevestiging van kinderzitjesbevestigings‐
systemen op de met U, UF of IUF geken‐
merkte zitplaatsen worden gebruikt.
De kenmerking IUF heeft betrekking op
ISOFIX-kinderzitjesbevestigingsystemen van
de categorie "Universal". Deze kinderzitjes‐
bevestigingssystemen moeten bovendien
worden bevestigd met TopTether of steun‐
voet.
RSemi-Universal: Kinderzitjesbevestigings‐
systemen van de categorie "semi-universal"
mogen alleen worden gebruikt als de auto en
de zitplaats in de autotypelijst van de fabri‐
kant van het kinderzitjesbevestigingssysteem
zijn aangegeven.
RAutospecifiek: Kinderzitjesbevestigingssys‐
temen van de categorie "autospecifiek"
mogen alleen worden gebruikt als de auto en
de zitplaats in de autotypelijst van de fabri‐
kant van het kinderzitjesbevestigingssysteem
zijn aangegeven.
Toelatingscategorieën volgens UN-R129
Voorbeeld van een goedkeuringslabel
Ri‑Size: Kinderzitjesbevestigingssystemen van
de categorie "i‑Size" zijn toegestaan voor het
inbouwen in auto's met i‑Size-bevestigings‐
beugels. Ze kunnen overeenkomstig de over‐
zichten met betrekking tot de geschiktheid
van de zitplaatsen voor de bevestiging van
kinderzitjesbevestigingssystemen op de met
i‑U gekenmerkte zitplaatsen worden gebruikt.
Het kenmerk i‑U heeft betrekking op i‑Size
kinderzitjesbevestigingssystemen van de
categorie "Universal".
Geschiktheid van de zitplaatsen in acht
nemen
Afhankelijk van de toelatingscategorie zijn er
naar voren en/of naar achteren gerichte kinder‐
zitjesbevestigingssystemen. Het gebruik kan
beperkt zijn voor bepaalde zitplaatsen:
RGeschiktheid van zitplaatsen voor bevesti‐
ging van ISOFIX-kinderzitjesbevestigingsyste‐
men (/pagina 58).
RGeschiktheid van zitplaatsen voor bevesti‐
ging van i‑Size-kinderzitjesbevestigingssyste‐
men (/pagina 61).
RGeschiktheid van zitplaatsen voor de bevesti‐
ging van kinderzitjesbevestigingssystemen
die met veiligheidsgordels worden vastgezet
(/pagina 66).
Veiligheid voor inzittenden 57
Kinderzitjesbevestigingssysteem met ISOFIX of i-Size op de zitplaats achterin bevestigen
Overzicht geschiktheid van zitplaatsen voor bevestiging van ISOFIX-kinderzitjesbevestigingsystemen
ISOFIX-kenmerk
ISOFIX is een gestandaardiseerd bevestigingssysteem voor speciale kinderzitjesbevestigingssystemen.
RHet symbool geeft de geschikte zitplaatsen aan voor de bevestiging van een ISOFIX-kinderzitjesbevestigingsysteem conform UN-R44
(/pagina 56).
RAlleen kinderzitjesbevestigingssystemen bevestigen, die conform UN-R44 overeenkomstig de volgende ISOFIX-tabellen zijn goedgekeurd.
Babydraagzak
Grootteklasse:Systeem: Linker/rechter zitplaats achterin
FISO/L1 X
GISO/L2 X
X Niet geschikt voor een ISOFIX-kinderzitjesbevestigingsysteem in deze gewichtsgroep en/of grootteklasse.
58 Veiligheid voor inzittenden
Gewichtsgroep 0 (tot 10 kg en tot circa 6 maanden)
Grootteklasse: Systeem: Linker/rechter zitplaats achterin
EISO/R1IL
IL Geschikt voor ISOFIX-kinderzitjesbevestigingsystemen overeenkomstig de tabel in "Overzicht van de geadviseerde kinderzitjesbevesti‐
gingssystemen" of als de auto en de zitplaats in de autotypelijst van de fabrikant van het kinderzitjesbevestigingssysteem zijn vermeld.
Gewichtsgroep 0+ (tot 13 kg en tot circa15 maanden)
Grootteklasse:Systeem: Linker/rechter zitplaats achterin
EISO/R1IL
DISO/R2, ISO/R2X IL
CISO/R3IL (1)
IL Geschikt voor ISOFIX-kinderzitjesbevestigingsystemen overeenkomstig de tabel in "Overzicht van de geadviseerde kinderzitjesbevesti‐
gingssystemen" of als de auto en de zitplaats in de autotypelijst van de fabrikant van het kinderzitjesbevestigingssysteem zijn vermeld.
(1) Bij gebruik van een kinderzitjesbevestigingssysteem van de grootteklasse (ISO/R3) de voorstoel in de bovenste stand plaatsen. Daar‐
bij erop letten dat de rugleuning van de voorstoel niet tegen het kinderzitjesbevestigingssysteem aanligt.
Veiligheid voor inzittenden 59
Gewichtsgroep I (9–18 kg en circa 9 maanden tot 4 jaar)
Grootteklasse: Systeem: Linker/rechter zitplaats achterin
DISO/R2, ISO/R2X IL
CISO/R3IL (1)
BISO/F2 IUF
B1 ISO/F2X IUF
AISO/F3 IUF
IL Geschikt voor ISOFIX-kinderzitjesbevestigingsystemen overeenkomstig de tabel in "Overzicht van de geadviseerde kinderzitjesbevesti‐
gingssystemen" of als de auto en de zitplaats in de autotypelijst van de fabrikant van het kinderzitjesbevestigingssysteem zijn vermeld.
IUF Geschikt voor naar vorengerichte ISOFIX-kinderzitjesbevestigingsystemen van de categorie "Universal" in deze gewichtsgroep.
(1) Bij gebruik van een kinderzitjesbevestigingssysteem van de grootteklasse (ISO/R3) de voorstoel in de bovenste stand plaatsen. Daar‐
bij erop letten dat de rugleuning van de voorstoel niet tegen het kinderzitjesbevestigingssysteem aanligt.
60 Veiligheid voor inzittenden
Overzicht geschiktheid van zitplaatsen voor bevestiging van i‑Size-kinderzitjesbevestigingssystemen
i-Size-kenmerk
i‑Size is een gestandaardiseerd bevestigingssysteem voor speciale kinderzitjesbevestigingssystemen.
RHet symbool geeft de geschikte zitplaatsen aan voor de bevestiging van een i‑Size-kinderzitjesbevestigingssysteem conform UN-R129
(/pagina 56).
REr mogen kinderzitjesbevestigingssystemen worden bevestigd die zijn toegestaan conform:
-UN-R44 overeenkomstig de ISOFIX-tabellen (/pagina 58), of
-UN-R129 overeenkomstig de volgende i‑Size-tabel
Passagiersstoel Linker/rechter zitplaats achterin
i-Size-kinderzitjesbevestigings‐
systeem (ISO/R2, ISO/F2X,
ISO/B2, ISO/B3)
Xi‑U
X Niet geschikt voor een i-Size-kinderzitjesbevestigingssysteem van de categorie
"Universal".
i-U Geschikt voor een naar voren of een naar achteren gericht i-Size-kinderzitjes‐
bevestigingssysteem van de categorie "Universal".
Veiligheid voor inzittenden 61
ISOFIX- of i‑Size-kinderzitjesbevestigingssys‐
teem op de zitplaats achterin inbouwen
&WAARSCHUWING Gevaar voor ongeval‐
len door niet-vergrendelde achterbank
resp. zitplaats achterin en rugleuning
Als de achterbank resp. zitplaatsen achterin
en rugleuning niet vergrendeld zijn, kunnen
deze bijvoorbeeld bij een remmanoeuvre of
een ongeval naar voren klappen.
RDaardoor wordt de inzittende door de
achterbank/zitplaats achterin of door de
rugleuning in de veiligheidsgordel
gedrukt. De veiligheidsgordel kan niet
meer zoals bedoeld beschermen en extra
letsel veroorzaken.
RVoorwerpen of bagage in de bagage‐
ruimte kunnen niet door de rugleuning
worden tegengehouden.
#Voor iedere rit opletten dat de rugleu‐
ning en de achterbank/zitplaats ach‐
terinvergrendeld is.
Wanneer de linker en rechterrugleuning niet
vastgeklikt en vergrendeld zijn, wordt dit op het
multifunctioneel display van het combi-instru‐
ment weergegeven.
Als de middelste rugleuning niet vastgeklikt en
vergrendeld is, is de rode vergrendelingsindica‐
tor zichtbaar.
&WAARSCHUWING Gevaar voor letsel of
levensgevaar door het overschrijden van
het toegestaan totaalgewicht van kind en
kinderzitjesbevestigingssysteem
Voor ISOFIX‑ of i‑Size-kinderzitjesbevesti‐
gingssystemen waarbij het kind met de geïn‐
tegreerde veiligheidsgordel van het kinderzit‐
jesbevestigingssysteem is beveiligd,
bedraagt het toegestaan totaalgewicht van
kind en kinderzitjesbevestigingssysteem
33 kg.
Als het kind en het kinderzitjesbevestigings‐
systeem samen meer dan 33 kg wegen, is de
beschermende werking van het ISOFIX- of
het i‑Size-kinderzitjesbevestigingssysteem
met geïntegreerde veiligheidsgordel niet
meer voldoende. De ISOFIX- of i‑Size-kinder‐
zitjesbevestigingssystemen kunnen overbe‐
last raken en het kind kan bijvoorbeeld bij
een ongeval niet meer worden tegengehou‐
den.
#Als het kind en het kinderzitjesbevesti‐
gingssysteem samen meer dan 33 kg
wegen, alleen een ISOFIX- of een i‑-
Size-kinderzitjesbevestigingssysteem
gebruiken waarbij het kind met de vei‐
ligheidsgordel van de zitplaats wordt
beveiligd.
#Het kinderzitjesbevestigingssysteem
tevens, indien aanwezig, met de Top
Tether-gordel vastzetten.
Altijd de gegevens over het gewicht van het kin‐
derzitjesbevestigingssysteem in acht nemen:
Rin de montage- en gebruikshandleiding van
de fabrikant van het gebruikte kinderzitjesbe‐
vestigingssysteem
Rop een label aan het kinderzitjesbevesti‐
gingssysteem, indien aanwezig
62 Veiligheid voor inzittenden
Regelmatig controleren dat het toegestaan
totaalgewicht van kind en kinderzitjesbevesti‐
gingssysteem wordt aangehouden.
Bij de montage van een kinderzitjesbevestigings‐
systeem altijd het volgende in acht nemen:
OAltijd het toepassingsgebied en de geschikt‐
heid van zitplaatsen voor bevestiging van
een kinderzitjesbevestigingssysteem in acht
nemen.
ISOFIX-kinderzitjesverankering
(/pagina 58)
of
i‑Size-kinderzitjesverankering (/pagina 61)
OAltijd de montage- en gebruikshandleiding
van de fabrikant van het gebruikte kinderzit‐
jesbevestigingssysteem in acht nemen.
OErvoor zorgen dat de voeten van het kind de
voorstoel niet kunnen raken. Indien nodig de
voorstoel iets naar voren instellen.
®Bij de montage van een ISOFIX-kinderzit‐
jesbevestigingsysteem daarnaast ook het vol‐
gende in acht nemen:
OBij gebruik van een babyschaal van de
groepen 0/0+ en een naar achteren
gericht kinderzitjesbevestigingssysteem
vangroep I op een zitplaats achterin: De
voorstoel zo instellen, dat deze het kinder‐
zitjesbevestigingssysteem niet raakt.
OBij gebruik van een naar vorengericht
kinderzitjesbevestigingssysteem van de
groep I: Indien mogelijk de hoofdsteunen
van de betreffende stoel uitbouwen. Boven‐
dien moet de leuning van het kinderzitjesbe‐
vestigingssysteem zo volledig mogelijk
tegen de rugleuning van de zitplaats aan lig‐
gen.
Na het uitbouwen van het kinderzitjesbeves‐
tigingssysteem de hoofdsteun direct aan‐
brengen en alle hoofdsteunen correct instel‐
len.
OBij bepaalde kinderzitjesbevestigingssyste‐
men van de gewichtsgroepen II of III kan het
gebeuren dat het kinderzitjesbevestigings‐
systeem niet op de maximumgrootte kan
worden ingesteld, bijvoorbeeld door moge‐
lijk contact met het dak.
OHet kinderzitjesbevestigingssysteem mag
niet onder spanning en/of getordeerd tus‐
sen het dak en het zitvlak worden inge‐
bouwd. Indien mogelijk de zittinghoek over‐
eenkomstig instellen.
OHet kinderzitjesbevestigingssysteem mag
niet door de hoofdsteun worden belast. De
hoofdsteunen overeenkomstig instellen.
°Bij de montage van een i‑Size-kinderzitjes‐
bevestigingssysteem ook het volgende in acht
nemen:
OBij gebruik van een naar achteren
gericht kinderzitjesbevestigingssysteem:
De voorstoel zo instellen dat deze het kin‐
derzitjesbevestigingssysteem niet raakt.
OBij gebruik van een naar vorengericht
kinderzitjesbevestigingssysteem: Indien
mogelijk de hoofdsteunen van de betref‐
fende stoel uitbouwen. Bovendien moet de
leuning van het kinderzitjesbevestigingssys‐
Veiligheid voor inzittenden 63
teem zo volledig mogelijk tegen de rugleu‐
ning van de zitplaats aan liggen.
Na het uitbouwen van het kinderzitjesbeves‐
tigingssysteem de hoofdsteun direct aan‐
brengen en alle hoofdsteunen correct instel‐
len.
1ISOFIX-bevestigingsbeugels
2i‑Size-bevestigingsbeugels
Voor iedere rit beslist controleren, dat het
ISOFIX-kinderzitjesbevestigingsysteem of het
i‑Size-kinderzitjesbevestigingssysteem correct in
beide bevestigingsbeugels van de auto vergren‐
deld is.
*AANWIJZING Beschadiging van de veilig‐
heidsgordel van de middelste zitplaats bij
de montage van het kinderzitjesbevesti‐
gingssysteem
#Controleren dat de veiligheidsgordel
niet bekneld raakt.
#Het ISOFIX- of i‑Size-kinderzitjesbevesti‐
gingssysteem monteren aan beide bevesti‐
gingsbeugels van de auto.
TopTether bevestigen
&WAARSCHUWING Gevaar voor letsel of
levensgevaar bij niet vergrendelde rug‐
leuningen van de zitplaatsen achterin na
montage van de TopTether-gordels
Wanneer de rugleuningen van de zitplaatsen
achterin niet zijn vergrendeld, kunnen deze
bij een ongeval, remmanoeuvres of bij het
plotseling vanrichting wisselen naar voren
klappen.
Daardoor kunnen kinderzitjesbevestigings‐
systemen niet meer zoals bedoeld bescher‐
men. Niet vergrendelde rugleuningen van de
zitplaatsen achterin kunnen bovendien extra
letsel veroorzaken, bijvoorbeeld bij een onge‐
val.
#De rugleuningen van de zitplaatsen ach‐
terin na het monteren van de Top
Tether-gordels altijd vergrendelen.
#Beslist de vergrendelingsindicator in
acht nemen.
64 Veiligheid voor inzittenden
Wanneer de linker en rechterrugleuning niet
vastgeklikt en vergrendeld zijn, wordt dit op het
multifunctioneel display van het combi-instru‐
ment weergegeven.
Als de middelste rugleuning niet vastgeklikt en
vergrendeld is, is de rode vergrendelingsindica‐
tor zichtbaar.
¯Indien het kinderzitjesbevestigingssys‐
teem van een TopTether-gordel voorzien
is:
TopTether kan het gevaar voor letsel ver‐
minderen. De TopTether-gordel biedt de
mogelijkheid voor een extra verbinding
tussen het met ISOFIX of met i‑Size
bevestigde kinderzitjesbevestigingssys‐
teem en de auto.
#Indien nodig de hoofdsteun 1omhoog‐
schuiven (/pagina 109).
#Het ISOFIX- of i‑Size-kinderzitjesbevesti‐
gingssysteem met TopTether aanbrengen.
Daarbij de montagehandleiding van de fabri‐
kant van het kinderzitjesbevestigingssysteem
in acht nemen.
#De TopTether-gordel 5onder de hoofd‐
steun 1tussen de beide hoofdsteunstangen
doorvoeren.
#De TopTether-gordel 5tussen het dubbel‐
rolscherm 3en de rugleuning 2omlaag
doorvoeren.
#De TopTether-haak 6van de TopTether-
gordel 5zonder deze te verdraaien in de
TopTether-verankering 4bevestigen.
#De TopTether-gordel 5spannen. Daarbij de
montagehandleiding van de fabrikant van het
kinderzitjesbevestigingssysteem in acht
nemen.
#Indien nodig de hoofdsteun 1omlaagschui‐
ven (/pagina 109). Erop letten dat de Top
Tether-gordel 5niet in het verloop wordt
gehinderd.
Veiligheid voor inzittenden 65
Kinderzitjesbevestigingssysteem met de veiligheidsgordel bevestigen
Aanwijzingen met betrekking tot de geschiktheid van zitplaatsen voor de bevestiging van kinderzitjesbevestigingssystemen die met autogor‐
dels worden vastgezet
Zitplaatsen achterin
Gewichtsgroep Linker/rechter zitplaats achterin Middelste zitplaats achterin1
1 Kinderzitjesbevestigingssystemen met steunvoet zijn niet geschikt voor deze zit‐
plaats.
Groep 0: tot10 kg U, LU, L
Groep 0+: tot 13 kg U, LU, L
Groep I: 9tot 18 kg U, LU, L
Groep II: 15 tot 25 kg U, LU, L
Groep III: 22 tot 36 kg U, LU, L
U Geschikt voor kinderzitjesbevestigingssystemen van de categorie "Universal" in deze gewichtsgroep.
L Geschikt voor semi-universele kinderzitjesbevestigingssystemen overeenkomstig de tabel in "Geadviseerde kinderzitjesbevestigingssystemen", of als de auto en de
zitplaats in de autotypelijst van de fabrikant van het kinderzitjesbevestigingssysteem zijn aangegeven.
66 Veiligheid voor inzittenden
Passagiersstoel Aanwijzingen
Aanwijzingen voor kinderzitjesbevestigingssystemen op de passagiersstoel
RAls door omstandigheden een kinderzitjesbevestigingssysteem op de passagiersstoel moet worden gemonteerd, beslist de aanwijzingen voor kin‐
derzitjesbevestigingssystemen op de passagiersstoel in acht nemen (/pagina 71).
De specifieke aanwijzingen bij naar achteren en naar vorengerichte kinderzitjesbevestigingssystemen in acht nemen. Bij een bezette passagiers‐
stoel voor en ook tijdens het rijden en afhankelijkvan de situatie de correcte status van de passagiersairbag controleren (/pagina 44).
Passagiersstoel
Gewichtsgroep Passagiersairbag geactiveerd1Passagiersairbag uitgeschakeld1, 2
1 De zittinghoek zo instellen dat de voorsterandvan de zitting zich in de boven‐
ste en de achtersterandvan de zitting zich in de onderste positie bevinden.
2 De auto is uitgerust met automatische uitschakeling passagiersairbag: Het con‐
trolelampje PASSENGER AIR BAG OFF moet branden.
Groep 0: tot 10 kg XU, L
Groep 0+: tot 13 kg XU, L
Groep I: 9tot18 kg UF, LU, L
Groep II: 15 tot 25 kg UF, LU, L
Veiligheid voor inzittenden 67
Gewichtsgroep Passagiersairbag geactiveerd1Passagiersairbag uitgeschakeld1, 2
Groep III: 22 tot 36 kg UF, LU, L
X Niet geschikt voor kinderen in deze gewichtsgroep.
UF: Geschikt voor naar vorengerichte kinderzitjesbevestigingssystemen van de
categorie "Universal" in deze gewichtsgroep.
L Geschikt voor semi-universele kinderzitjesbevestigingssystemen overeenkomstig
de tabel in "Geadviseerde kinderzitjesbevestigingssystemen", of als de auto en de
zitplaats in de autotypelijst van de fabrikant van het kinderzitjesbevestigingssys‐
teem zijn aangegeven.
U Geschikt voor kinderzitjesbevestigingssystemen van de categorie "Universal" in
deze gewichtsgroep.
Kinderzitjesbevestigingssysteem met de vei‐
ligheidsgordel op de zitplaats achterin
bevestigen
&WAARSCHUWING Gevaar voor ongeval‐
len door niet-vergrendelde achterbank
resp. zitplaats achterin en rugleuning
Als de achterbank resp. zitplaatsen achterin
en rugleuning niet vergrendeld zijn, kunnen
deze bijvoorbeeld bij een remmanoeuvre of
een ongeval naar voren klappen.
RDaardoor wordt de inzittende door de
achterbank/zitplaats achterin of door de
rugleuning in de veiligheidsgordel
gedrukt. De veiligheidsgordel kan niet
meer zoals bedoeld beschermen en extra
letsel veroorzaken.
RVoorwerpen of bagage in de bagage‐
ruimte kunnen niet door de rugleuning
worden tegengehouden.
#Voor iedere rit opletten dat de rugleu‐
ning en de achterbank/zitplaats ach‐
terinvergrendeld is.
Wanneer de linker en rechterrugleuning niet
vastgeklikt en vergrendeld zijn, wordt dit op het
multifunctioneel display van het combi-instru‐
ment weergegeven.
Als de middelste rugleuning niet vastgeklikt en
vergrendeld is, is de rode vergrendelingsindica‐
tor zichtbaar.
68 Veiligheid voor inzittenden
Bij de montage van een met een gordel beves‐
tigd kinderzitjesbevestigingssysteem het vol‐
gende in acht nemen:
OAltijd de montage- en gebruikshandleiding
van de fabrikant van het gebruikte kinderzit‐
jesbevestigingssysteem in acht nemen.
OVoor een kinderzitjesbevestigingssysteem
van de categorie "Universal" of "Semi-Uni‐
versal" controleren of dit voor de zitplaats
van de auto is toegestaan.
De aanwijzingen onder "Geschiktheid van de
zitplaatsen voor de bevestiging van kinder‐
zitjesbevestigingssystemen" in acht nemen
(/pagina 66).
OBij gebruik van een babyschaal van de
groepen 0/0+ en een naar achteren
gericht kinderzitjesbevestigingssysteem
vangroep I op een zitplaats achterin: De
voorstoel zo instellen, dat deze het kinder‐
zitjesbevestigingssysteem niet raakt.
OBij gebruik van een naar vorengericht
kinderzitjesbevestigingssysteem van de
groep I: Indien mogelijk de hoofdsteunen
van de betreffende stoel uitbouwen.
Na het uitbouwen van het kinderzitjesbeves‐
tigingssysteem de hoofdsteun direct aan‐
brengen en alle hoofdsteunen correct instel‐
len.
ODe leuning van een naar vorengericht kin‐
derzitjesbevestigingssysteem moet zo volle‐
dig mogelijk tegen de rugleuning van de zit‐
plaats achterin aan liggen.
OBij bepaalde kinderzitjesbevestigingssyste‐
men van de gewichtsgroepen II of III kan het
gebeuren dat het kinderzitjesbevestigings‐
systeem niet op de maximumgrootte kan
worden ingesteld, bijvoorbeeld door moge‐
lijk contact met het dak.
OHet kinderzitjesbevestigingssysteem mag
niet onder spanning en/of getordeerd tus‐
sen het dak en het zitvlak worden inge‐
bouwd. Indien mogelijk de zittinghoek over‐
eenkomstig instellen.
OHet kinderzitjesbevestigingssysteem mag
niet door de hoofdsteun worden belast. De
hoofdsteunen overeenkomstig instellen.
OErvoor zorgen dat de voeten van het kind de
voorstoel niet kunnen raken. Indien nodig de
voorstoel iets naar voren instellen.
#Het kinderzitjesbevestigingssysteem aan‐
brengen.
Het draagvlak van het kinderzitjesbevesti‐
gingssysteem moet volledig op het zitvlak
van de zitplaats achterin rusten.
#Altijd de correcte ligging van de schoudergor‐
del vanaf de gordeldoorvoeropening van de
auto naar de schoudergordelgeleiding van
het kinderzitjesbevestigingssysteem in acht
nemen.
De schoudergordelband moet vanaf de gor‐
deldoorvoeropening naar voren en omlaag
verlopen.
Veiligheid voor inzittenden 69
Aanwijzingen voor auto's zonder automati‐
sche uitschakeling passagiersairbag
Sticker zichtbaar bij geopend passagierspor‐
tier
Auto's zonder automatische uitschakeling passa‐
giersairbag hebben aan passagierszijde een spe‐
ciale sticker op de cockpit.
Beslist de volgende aanwijzingen in acht nemen:
REen naar achteren gericht kinderzitjesbeves‐
tigingssysteem nooit op de passagiersstoel
monteren.
REen naar achteren gericht kinderzitjesbeves‐
tigingssysteem altijd op een geschikte zit‐
plaats achterin inbouwen.
-Geschiktheid van zitplaatsen voor de
bevestiging van kinderzitjesbevestigings‐
systemen die met veiligheidsgordels wor‐
den vastgezet (/pagina 66).
-Kinderzitjesbevestigingssysteem met de
veiligheidsgordel op de zitplaats achterin
bevestigen (/pagina 68).
RAanwijzingen met betrekking tot naar achte‐
ren en naar vorengerichte kinderzitjesbeves‐
tigingssystemen op de passagiersstoel
(/pagina 70).
Aanwijzingen met betrekking tot naar achte‐
ren en naar vorengerichte kinderzitjesbeves‐
tigingssystemen op de passagiersstoel
&WAARSCHUWING Letsel‑ of levensge‐
vaar door gebruik van een naar achteren
gericht kinderzitjesbevestigingssysteem
bij ingeschakelde passagiersairbag
Als een kind in een naar achteren gericht kin‐
derzitjesbevestigingssysteem op de passa‐
giersstoel wordt beveiligd en het controle‐
lampje PASSENGER AIR BAG OFF is gedoofd,
kan de passagiersairbag bij een ongeval wor‐
den geactiveerd.
Het kind kan door de airbag worden getrof‐
fen.
De passagiersairbag moet uitgeschakeld zijn;
dit controleren. Het controlelampje PASSEN‐
GER AIR BAG OFF moet branden.
NOOIT een naar achteren gericht kinderbe‐
veiligingssysteem op een stoel met INGE‐
SCHAKELDE FRONTAIRBAG gebruiken, want
dat kanvoor het kind DODELIJKE of ERN‐
STIGE VERWONDINGEN tot gevolg hebben.
70 Veiligheid voor inzittenden
De specifieke aanwijzingen bij naar achteren en
naar vorengerichte kinderzitjesbevestigingssys‐
temen in acht nemen (/pagina 71).
Waarschuwingsaanwijzingen aan de binnenzijde van
de zonneklep
Bij het controlelampje PASSENGER AIR BAG OFF
altijd de status van de passagiersairbag in acht
nemen:
RAls door omstandigheden een kinderzitjesbe‐
vestigingssysteem op de passagiersstoel
moet worden gemonteerd, beslist de aanwij‐
zingen met betrekking tot de automatische
uitschakeling passagiersairbag in acht
nemen (/pagina 42).
RBij het gebruik van een naar achteren gericht
kinderzitjesbevestigingssysteem op de pas‐
sagiersstoel moet altijd de passagiersairbag
uitgeschakeld zijn. Dit is alleen het geval als
het controlelampje PASSENGER AIR BAG OFF
continu brandt (/pagina 44).
RIndien het controlelampje PASSENGER AIR
BAG OFF niet brandt, is de passagiersairbag
geactiveerd. De passagiersairbag kan tijdens
een ongeval geactiveerd worden.
Kinderzitjesbevestigingssysteem met de vei‐
ligheidsgordel op de passagiersstoel bevesti‐
gen
Bij montage van een geschikt kinderzitjesbeves‐
tigingssysteem op de passagiersstoel altijd het
volgende in acht nemen:
ODe montage- en gebruikshandleiding van de
fabrikant van het gebruikte kinderzitjesbe‐
vestigingssysteem in acht nemen.
OVoor een kinderzitjesbevestigingssysteem
van de categorie "Universal" of "Semi-Uni‐
versal" controleren of dit voor de zitplaats
van de auto is toegestaan.
De aanwijzingen onder "Geschiktheid van de
zitplaatsen voor de bevestiging van kinder‐
zitjesbevestigingssystemen" in acht nemen
(/pagina 66).
OBij gebruik van een naar vorengericht kin‐
derzitjesbevestigingssysteem van de groep
I: Indien mogelijk de hoofdsteunen van de
betreffende stoel uitbouwen.
Na het uitbouwen van het kinderzitjesbeves‐
tigingssysteem de hoofdsteun direct aan‐
brengen en alle hoofdsteunen correct instel‐
len.
ODe leuning van een naar vorengericht kin‐
derzitjesbevestigingssysteem moet zo volle‐
dig mogelijk tegen de rugleuning van de
passagiersstoel aan liggen.
OBij bepaalde kinderzitjesbevestigingssyste‐
men van de gewichtsgroepen II of III kan het
gebeuren dat het kinderzitjesbevestigings‐
systeem niet op de maximumgrootte kan
worden ingesteld, bijvoorbeeld door moge‐
lijk contact met het dak.
OHet kinderzitjesbevestigingssysteem mag
niet onder spanning en/of getordeerd tus‐
Veiligheid voor inzittenden 71
sen het dak en het zitvlak worden inge‐
bouwd.
OHet kinderzitjesbevestigingssysteem mag
niet door de hoofdsteun worden belast. De
hoofdsteunen overeenkomstig instellen.
ONooit voorwerpen, bijvoorbeeld een kussen,
onder of achter het kinderzitjesbevesti‐
gingssysteem leggen.
#De passagiersstoel zo ver mogelijk naar ach‐
teren instellen en de stoel zo mogelijk in de
bovenste stand zetten.
#De zittinghoogteverstelling in de laagste
stand zetten.
#De zittinghoek zo instellen dat de voorste
rand van de zitting zich in de bovenste en de
achtersterand van de zitting zich in de
onderste positie bevindt.
#De rugleuning zo rechtop mogelijk instellen.
#Het kinderzitjesbevestigingssysteem aan‐
brengen.
Het draagvlak van het kinderzitjesbevesti‐
gingssysteem moet volledig op het zitvlak
van de passagiersstoel rusten.
#Altijd de correcte ligging van de schoudergor‐
del vanaf de gordeldoorvoeropening van de
auto naar de schoudergordelgeleiding van
het kinderzitjesbevestigingssysteem in acht
nemen.
De schoudergordelband moet vanaf de gor‐
deldoorvoeropening naar voren en omlaag
verlopen.
#Indien noodzakelijk de gordeldoorvoerope‐
ning en de passagiersstoel overeenkomstig
instellen.
Kinderbeveiligingen
Kinderslot voor achterportieren vergrende‐
len/ontgrendelen
&WAARSCHUWING Gevaar voor ongeval‐
len en letsel als kinderen zonder toezicht
in het voertuig worden achtergelaten
Wanneer kinderen zonder toezicht in het
voertuig achterblijven, kunnen ze met name:
RDeuren openen en daardoor andere per‐
sonen of verkeersdeelnemers in gevaar
brengen.
RUitstappen en door het verkeer worden
gegrepen.
RUitrustingen van het voertuig bedienen en
bijvoorbeeld bekneld raken.
Bovendien kunnen kinderen het voertuig in
beweging zetten, door bijvoorbeeld:
RDe parkeerrem vrij te zetten.
RDe transmissiestand te wijzigen.
RHet voertuig te starten.
72 Veiligheid voor inzittenden
#Kinderen nooit zonder toezicht in het
voertuig laten.
#Bij het verlaten van het voertuig altijd
de sleutel meenemen en het voertuig
vergrendelen.
#De sleutel buiten bereik van kinderen
bewaren.
Dit geldt eveneens voor de digitale voertuigsleu‐
tel, als de functie "Digitale voertuigsleutel" via
Mercedes me connect is geactiveerd.
&WAARSCHUWING Levensgevaar door
grote blootstelling aan kou of warmte in
de auto
Als personen in het bijzonder kinderen
langdurig aan extreme hitte‑ of koude wor‐
den blootgesteld, bestaatgevaar voor letsel
of zelfs levensgevaar!
#Personen in het bijzonder kinderen
nooit zonder toezicht in de auto laten.
#Dieren nooit zonder toezicht in de auto
laten.
&WAARSCHUWING Gevaar voor ongeval‐
len en letsel als kinderen zonder toezicht
in de auto worden achtergelaten
Wanneer kinderen meerijden, kunnen deze
met name:
RPortieren openen en daardoor andere
personen of verkeersdeelnemers in
gevaar brengen.
RUitstappen en door het verkeer worden
gegrepen.
RUitrustingen van de auto bedienen en bij‐
voorbeeld bekneld raken.
#Wanneer kinderen meerijden, altijd de
aanwezige kinderbeveiligingen active‐
ren.
#Kinderen nooit zonder toezicht in de
auto laten.
#Bij het verlaten van de auto altijd de
sleutel meenemen en de auto vergren‐
delen. Dit geldt eveneens voor de digi‐
tale voertuigsleutel, als de functie "Digi‐
tale voertuigsleutel" via Mercedes me
connect is geactiveerd.
Auto's voor het Verenigd Koninkrijk: De belang‐
rijke veiligheidsaanwijzingen in het hoofdstuk
"Aanwijzingen met betrekking tot de extra por‐
tiervergrendeling" in acht nemen.
Kindersloten zijn aanwezig voor de achterportie‐
ren en de zijruiten achterin.
Het kinderslot in de achterportieren vergrendelt
elk portier afzonderlijk. Dit kan dan niet meer
van binnenuit worden geopend.
Veiligheid voor inzittenden 73
#De hendel in de richting van de pijl 1(ver‐
grendelen) of 2(ontgrendelen) indrukken.
#Vervolgens de werking van het kinderslot
controleren.
Kinderslot voor zijruiten achterin vergrende‐
len/ontgrendelen
#Vergrendelen/ontgrendelen: De toets2
indrukken.
De zijruit achterin kan in de volgende geval‐
len worden geopend of gesloten:
RHet controlelampje 1brandt: Met de
schakelaar op het bestuurdersportier.
RHet controlelampje 1is gedoofd: Met
de schakelaar op het betreffende achter‐
portier of het bestuurdersportier.
Aanwijzingen met betrekking tot huisdieren
in de auto
&WAARSCHUWING Ongeval‑ en letselge‐
vaar door onbewaakte, niet vastgezette
dieren in de auto
Als dieren zonder toezicht of los in de auto
worden gelaten, kunnen ze bijvoorbeeld toet‐
sen of schakelaars indrukken.
Daardoor kunnen dieren:
RUitrustingen van de auto activeren en bij‐
voorbeeld bekneld raken.
RSystemen in‑ of uitschakelen en daardoor
andere verkeersdeelnemers in gevaar
brengen.
Bovendien kunnen niet-vastgezette dieren bij
een ongeval of abrupte stuur‑ en remma‐
noeuvres door de auto vliegen en daarbij
inzittenden verwonden.
74 Veiligheid voor inzittenden
#Dieren nooit zonder toezicht in de auto
laten.
#Dieren tijdens het rijden altijd goed
beveiligen, bijvoorbeeld in een
geschikte transportbox.
Veiligheid voor inzittenden 75
Sleutel
Overzicht sleutelfuncties
&WAARSCHUWING Gevaar voor ongeval‐
len en letsel als kinderen zonder toezicht
in het voertuig worden achtergelaten
Wanneer kinderen zonder toezicht in het
voertuig achterblijven, kunnen ze met name:
RDeuren openen en daardoor andere per‐
sonen of verkeersdeelnemers in gevaar
brengen.
RUitstappen en door het verkeer worden
gegrepen.
RUitrustingen van het voertuig bedienen en
bijvoorbeeld bekneld raken.
Bovendien kunnen kinderen het voertuig in
beweging zetten, door bijvoorbeeld:
RDe parkeerrem vrij te zetten.
RDe transmissiestand te wijzigen.
RHet voertuig te starten.
#Kinderen nooit zonder toezicht in het
voertuig laten.
#Bij het verlaten van het voertuig altijd
de sleutel meenemen en het voertuig
vergrendelen.
#De sleutel buiten bereik van kinderen
bewaren.
Dit geldt eveneens voor de digitale voertuigsleu‐
tel, als de functie "Digitale voertuigsleutel" via
Mercedes me connect is geactiveerd.
*AANWIJZING Beschadiging van de sleu‐
tel door magnetische velden
#Sleutels vansterke magnetisch velden
verwijderd houden.
%Afhankelijk van de uitrusting van de auto kan
de sleutel afwijken van de getoonde afbeel‐
ding.
1Vergrendelen
2Controlelampje
3Ontgrendelen
4Achterklep openen en sluiten
%Als het batterijcontrolelampje 2bij het
indrukken van de toetsÜof ßniet
gaat branden, is de batterij ontladen.
De batterij van de sleutelvervangen
(/pagina 78).
Met de sleutel worden de volgende onderdelen
ver- en ontgrendeld:
Rde portieren
Rde contactdoosklep
76 Openen en sluiten
Rde achterklep
Als de auto niet binnen circa 40 seconden na het
ontgrendelen wordtgeopend, wordt deze weer
vergrendeld. De diefstalbeveiliging wordt
opnieuw geactiveerd.
De sleutel niet bewaren bij elektronische appara‐
ten of metalen voorwerpen. Dit kan de werking
van de sleutel nadelig beïnvloeden.
Akoestisch sluitsignaal in- of uitschakelen
Multimediasysteem:
4©5Instellingen 5Voertuig
#Akoes. sluitmelding in- of uitschakelen.
%Het volgende in acht nemen:
De geselecteerde instelling van het akoes‐
tisch sluitsignaal dient in overeenstemming
te zijn met de betreffende nationale ver‐
keersregels. In sommige landen, waaronder
Duitsland, is het gebruik van het akoestisch
sluitsignaal wettelijk niet toegestaan (in
Duitsland conform §16 Abs. 1 en §30 Abs. 1
StVO). De bestuurder van de auto dient zich
aan de voorschriftente houden. In landen
waar het gebruik van deze functie niet is toe‐
gestaan, is deze functie in uw auto niet geac‐
tiveerd en mag ook niet worden geactiveerd.
Ontgrendelingsinstellingen wijzigen
Mogelijke ontgrendelingsfuncties van de sleutel:
RCentraal ontgrendelen.
RBestuurdersportier en contactdoosklep ont‐
grendelen.
#Tussen de instellingen omschakelen: De
toetsen Üen ßtegelijkertijd circa zes
seconden indrukken, tot het batterijcontrole‐
lampje tweemaal knippert.
Mogelijkheden als de ontgrendelingsfunctie
bestuurdersportier en contactdoosklep is geko
zen:
RAls de toetsÜde tweede keer wordt inge‐
drukt, wordt de auto centraal ontgrendeld.
RAuto's met KEYLESS-GO: Als de binnenzijde
van de portiergreep van het bestuurderspor‐
tier wordt aangeraakt, worden alleen het
bestuurdersportier en de contactdoosklep
ontgrendeld.
Sleutelfuncties deactiveren
Wanneer de auto of een sleutel gedurende lan‐
gere tijd niet wordtgebruikt, kan het stroomver‐
bruik van de betreffende sleutelworden vermin‐
derd. Daartoe de sleutelfuncties deactiveren.
#Deactiveren: De toetsßvan de sleutel
tweemaal kort na elkaar indrukken.
Het batterijcontrolelampje van de sleutel
gaat tweemaal kort en eenmaal lang bran‐
den.
#Activeren: Een willekeurige toetsvan de
sleutel indrukken.
%Bij het startenvan de auto met de sleutel in
het opbergvak in de middenconsole worden
de sleutelfuncties automatisch geactiveerd
(/pagina 171).
Openen en sluiten 77
Noodsleutelverwijderen en aanbrengen
#Verwijderen: De ontgrendelingsknop 1
indrukken.
De noodsleutel 2wordt iets naar buiten
geschoven.
#De noodsleutel2eruit trekken, tot deze in
de tussenstand vergrendelt.
#Opnieuw de ontgrendelingsknop 1indruk‐
ken en de noodsleutel2er helemaal uit‐
trekken.
#Aanbrengen: De ontgrendelingsknop 1
indrukken.
#De noodsleutel 2in de tussenstand of hele‐
maal aanbrengen, tot hij vergrendelt.
%Ukunt de tussenstand van de noodsleutel
2gebruiken om de sleutel aan een sleutel‐
bos te bevestigen.
Batterij van de sleutel vervangen
&GEVAAR Het inslikken van batterijen is
zeer schadelijk voor de gezondheid
Batterijen bevatten giftige en agressieve
bestanddelen. Als batterijen worden inge‐
slikt, kan dit zeer zware schade aan de
gezondheid toebrengen.
Er dreigt levensgevaar!
#Batterijen buiten bereik van kinderen
bewaren.
#Wanneer batterijen zijn ingeslikt, zo
snel mogelijk naar een arts gaan.
+MILIEU-AANWIJZING Milieuschade door
het ondeskundig afvoeren van batterijen
Batterijen bevatten schadelijke
stoffen. Het is wettelijkverboden om deze
samen met het huisvuil af te voeren.
#
Batterijen op milieuvriende‐
lijke wijze afvoeren. Ontladen batterijen
bij een gekwalificeerde werkplaats of bij
een inzamelpunt voor oude batterijen
afgeven.
Voorwaarden
REr is één 3V-knoopcel van het type CR 2032
nodig.
Mercedes-Benz adviseert de batterij te laten ver‐
vangen bij een gekwalificeerde werkplaats.
#De noodsleutel verwijderen (/pagina 78).
78 Openen en sluiten
#De ontgrendelingstoets 2volledig omlaag‐
drukken en het deksel 1in de richting van
de pijl openschuiven.
#Het deksel 1in de richting van de pijl open‐
klappen en verwijderen.
#Het batterijenvak3eruit trekken en de lege
batterij verwijderen.
#De nieuwe batterij in het batterijenvak3
aanbrengen. Daarbij de markering van de
pluspool in het batterijenvak en op de batterij
in acht nemen.
#Het batterijenvak3erin schuiven.
#Het deksel 1weer aanbrengen en dicht‐
schuiven, tot het vastklikt.
Openen en sluiten 79
Problemen met de sleutel
Probleem Mogelijke oorzaak en/of gevolg en MMoplossingen
Ukunt de auto niet meer ver- of ont‐
grendelen.
Mogelijke oorzaken:
RDe batterij van de sleutel is zwak of leeg.
REen sterke radiobron veroorzaakt een storing.
RDe sleutel is defect.
#Met het batterijcontrolelampje de batterij controleren en eventueel vervangen (/pagina 78).
#Voor het ver- of ontgrendelen de noodsleutel gebruiken (/pagina 78).
#De sleutel bij een gekwalificeerde werkplaats laten controleren.
U heeft een sleutel verloren. #De sleutel bij een gekwalificeerde werkplaats laten blokkeren.
#Zo nodig de mechanische sloten latenvervangen.
Portieren
Aanwijzingen met betrekking totextra por‐
tiervergrendeling
De extra portiervergrendeling is alleen beschik‐
baar bij auto's voor het Verenigd Koninkrijk.
&WAARSCHUWING Gevaar voor letsel
voor personen in de auto bij geacti‐
veerde extra portiervergrendeling
Wanneer de extra portiervergrendeling geac‐
tiveerd is, kunnen de portieren niet meer van
binnen uit geopend worden.
Wanneer zich dan personen in de auto bevin‐
den, kunnen ze deze in bijvoorbeeldeen
gevaarlijke situatie niet meer verlaten.
#Nooit personen, in het bijzonder kinde‐
ren, oudere mensen of hulpbehoevende
personen zonder toezicht in de auto
laten.
80 Openen en sluiten
#Wanneer zich personen in de auto
bevinden, nooit de extra portiervergren‐
deling activeren.
De extra portiervergrendeling wordt in de vol‐
gende gevallen automatisch geactiveerd:
RDe auto wordtvergrendeld met de sleutel.
RDe auto wordtvergrendeld met KEYLESS-GO.
Als de auto via Mercedes me connect is vergren‐
deld, is de extra portiervergrendeling niet actief.
Wanneer de extra portiervergrendeling geacti‐
veerd is, kunnen de portieren niet van binnenuit
geopend worden.
%Na de vergrendeling kunt u met de claxon
een signaal laten geven.
De activering van de extra portiervergrendeling
kanworden voorkomen, door voor het vergren‐
delen van de auto de interieurbeveiliging te
deactiveren (/pagina 102).
Portieren van binnenuit ontgrendelen en ope‐
nen
#Alleen voor het Verenigd Koninkrijk: De
aanwijzingen voor de extra portiervergrende‐
ling in acht nemen (/pagina 80).
#Aan de portiergreep 2trekken.
Als het portier wordt ontgrendeld, beweegt
de borgpen 1omhoog.
Auto van binnenuit centraal ver- en ontgren‐
delen
#Ontgrendelen: De toets1indrukken.
#Vergrendelen: De toets2indrukken.
De contactdoosklep wordt niet ver- en ontgren‐
deld.
Openen en sluiten 81
De auto wordt niet ontgrendeld:
RAls de auto met de sleutelvergrendeld is.
RAls de auto met KEYLESS-GO vergrendeld is.
Auto met een digitale voertuigsleutel ver- en
ontgrendelen
Voorwaarden
REen van de volgende varianten van de digi‐
tale voertuigsleutel is beschikbaar:
-Geschikte mobiele telefoon
-Digitale voertuigsleutel-sticker
RDe auto is uitgerust met de functie "Digitale
voertuigsleutel".
RDe dienst "Digitale voertuigsleutel" is via de
Mercedes me connect geactiveerd: http://
www.mercedes.me.
RDe mobiele telefoon is voldoende opgeladen.
%Ukunt controleren of uw mobiele telefoon
geschikt is door het telefoonnummer onder
http://www.mercedes.me in te voeren.
Informatie over geschikte mobiele telefoons
is verkrijgbaar bij uw Mercedes-Benz-ser‐
vicewerkplaats of via internet onder http://
www.mercedes-benz.com/connect.
%Mercedes-Benz adviseert de noodsleutel
mee te nemen, voor het geval dat functiebe‐
perkingen optreden.
%De functie is alleen in combinatie met
Mercedes me connect, en alleen in bepaalde
landen beschikbaar.
%Hoesjes om de mobiele telefoon kunnen de
functionaliteit nadelig beïnvloeden.
Wanneer de auto langer dan twee weken heeft
stilgestaan, is de NFC-antenne in de portier‐
greep gedeactiveerd.
#Aan de portiergreep trekken.
De NFC-antenne wordtgeactiveerd. #Met het gedeelte van de mobiele telefoon
waarin zich de NFC-antenne bevindt het
bereik van de NFC-antenne 1in de portier‐
greep van het bestuurdersportier aanraken.
De auto wordt afwisselend ver- en ontgren‐
deld.
Bij verlies van de mobiele telefoon de dienst
"Digitale voertuigsleutel" in Mercedes me con‐
nect deactiveren op http://www.mercedes.me.
82 Openen en sluiten
Auto met KEYLESS-GO ver- en ontgrendelen
Voorwaarden
RDe sleutel bevindt zich buiten de auto.
RDe afstand van de sleuteltot de auto is niet
meer dan 1 m.
RHet bestuurdersportier en het portier, waar‐
van de portiergreep wordt bediend, zijn
gesloten.
#Auto ontgrendelen: De binnenzijde van de
portiergreep aanraken.
#Auto vergrendelen: Het sensorvlak 1of
2aanraken.
#Comfortsluiting: Het verdiepte sensorvlak
2aanraken tot het sluitingsproces is vol‐
tooid.
%Meer informatie over de comfortsluiting
(/pagina 93).
Als de achterklep van buitenaf wordtgeopend,
wordt deze automatisch ontgrendeld.
Openen en sluiten 83
Problemen met KEYLESS-GO
Probleem Mogelijke oorzaak en/of gevolg en MMoplossingen
De auto kan niet meer met de KEY‐
LESS-GO worden ver- en ontgrendeld.
Mogelijke oorzaken:
RDe sleutelfuncties zijn gedeactiveerd (/pagina 77).
RDe batterij van de sleutel is zwak of leeg.
REen sterke radiobron veroorzaakt een storing.
RDe sleutel is defect.
#De sleutelfuncties activeren (/pagina 77).
#Met het batterijcontrolelampje de batterij controleren en eventueel vervangen (/pagina 78).
#Om te ont- en vergrendelen de noodsleutel gebruiken (/pagina 78).
#De auto en de sleutel bij een gekwalificeerde werkplaats laten controleren.
Automatischevergrendeling in- en uitschake‐
len
De auto wordt automatisch vergrendeld als het
contact is ingeschakeld en de wielen sneller dan
stapvoets draaien.
84 Openen en sluiten
#Inschakelen: De toets2circa vijf secon‐
den ingedrukt houden, tot een geluidssignaal
klinkt.
#Uitschakelen: De toets1circa vijf secon‐
den ingedrukt houden, tot een geluidssignaal
klinkt.
In de volgende situaties bestaat gevaar voor bui‐
tensluiten als de functie is ingeschakeld:
RBij het aanslepen of aanduwen van de auto.
RAls de auto zich op een rollentestbank
bevindt.
Bestuurdersportier met de noodsleutelver-
en ontgrendelen
%Wanneer de auto volledig met de noodsleutel
moet worden vergrendeld, bij geopend
bestuurdersportier eerst de toetsvoor de
vergrendeling van binnenuit indrukken. Ver‐
volgens het bestuurdersportier met de nood‐
sleutel vergrendelen.
#De noodsleuteltot de aanslag in de opening
1van de afdekkap schuiven.
#Iets aan de portiergreep trekken en deze
vasthouden.
#De afdekkap met de noodsleutel zo recht
mogelijk van de auto weg trekken, tot hij los‐
komt.
#De portiergreep loslaten.
Openen en sluiten 85
#Ontgrendelen: De noodsleutel linksom in de
stand 1draaien.
#Vergrendelen: De noodsleutel rechtsom in
de stand 1draaien.
#De afdekkapvoorzichtig op de slotcilinder
drukken, tot hij vergrendelt en vastzit.
Bagageruimte
Achterklep openen
*AANWIJZING Beschadiging van de ach‐
terklep door obstakels op de auto
De achterklep zwenkt bij het openen naar
achteren en omhoog.
#Erop letten dat er voldoende plaats ach‐
ter en boven de achterklep is.
De achterklep kan op de volgende manieren
worden geopend:
#Op de bovenzijde van de Mercedes-Benz-ster
drukken.
#Auto's met HANDS-FREE ACCESS: Met een
voet onder de bumper schoppen
(/pagina 89).
Auto's met EASY-PACK-achterklep:
#Aan de afstandsbedieningstoets 1voor de
achterklep trekken.
#De toetspvan de sleutel lang indrukken.
#Als de achterklep is ontgrendeld op de
bovenzijde van de Mercedes-Benz-ster druk‐
ken.
86 Openen en sluiten
#Als de achterklep in een tussenstand is
gestopt, de achterklep omhoogtrekken. Los‐
laten zodra deze begint te openen.
De achterklep is met een automatische obstakel‐
detectie uitgerust. Wanneer een solide object de
achterklep bij het automatisch openen hindert of
belemmert, wordt de beweging onderbroken. De
automatische obstakeldetectie is slechts een
hulpmiddel. U dient zelf altijd goed te blijven
opletten bij het openen van de achterklep.
Achterklep sluiten
&WAARSCHUWING Gevaar voor letsel
door niet-vastgezette voorwerpen in de
auto
Wanneer voorwerpen, bagage of lading niet
of onvoldoende vastgezet is, kan het ver‐
schuiven, kantelen of rondslingeren en daar‐
door inzittenden raken.
Er bestaat gevaar voor letsel, in het bijzonder
bij remmanoeuvres of plotselinge richtings‐
wijzigingen!
#Voorwerpen altijd zodanig opbergen,
dat ze niet kunnen rondslingeren.
#Voorwerpen, bagage of lading voor het
wegrijden beveiligen tegenverschuiven
of kantelen.
De aanwijzingen met betrekking tot het beladen
van de auto in acht nemen.
De achterklep kan op de volgende manieren
worden gesloten:
#De achterklep aan de handgreep omlaagtrek‐
ken en in het slot laten vallen.
Auto's met EASY-PACK-achterklep
&WAARSCHUWING Inklemgevaar bij het
automatisch sluiten van de achterklep
Bij het automatisch sluiten van de achterklep
kunnen lichaamsdelen bekneld raken. Boven‐
dien kunnen er zich personen in het sluitge‐
bied bevinden of tijdens het sluiten in het
sluitgebied komen, bijvoorbeeld kinderen.
#Tijdens de sluitprocedure erop letten
dat niemand zich in de omgeving van
het sluitgebied bevindt.
Om de sluitprocedure te stoppen, een van de
volgende mogelijkheden gebruiken:
RDe toetspin de sleutel indrukken.
RDe afstandsbedieningstoets op het
bestuurdersportier indrukken of eraan
trekken.
RDe sluit‑ of vergrendelingstoets op de
achterklep indrukken.
ROp de bovenzijde van de Mercedes-Benz
ster in de achterklep drukken.
#Auto's met HANDS-FREE ACCESS: De sluit‐
procedure kan ook met een schoppende
beweging onder de achterbumper worden
gestopt.
De achterklep kan op de volgende manieren
worden gesloten:
#De achterklep iets omlaagtrekken. Loslaten
zodra deze begint te sluiten.
Openen en sluiten 87
#De spanningsvoorziening of het contact
inschakelen.
#De afstandsbedieningstoets voor de achter‐
klep 1indrukken.
#De sluittoets 1in de achterklep indrukken.
Auto's met KEYLESS-GO
#De vergrendelingstoets2in de achterklep
indrukken.
Wanneer een sleutel buiten de auto wordt
herkend, wordt de achterklep gesloten en de
auto vergrendeld.
#De toetspvan de sleutel lang indrukken
(met sleutel in de buurt van de auto).
Auto's met HANDS-FREE ACCESS
#Met de voet een schoppende beweging
onder de bumper maken (/pagina 89).
Automatische anti-inklemfunctie van de ach‐
terklep
De achterklep is uitgerust met een automatische
objectherkenning met anti-inklemfunctie. Wan‐
neer een solide object de achterklep bij het
automatisch sluiten hindert of belemmert, wordt
deze automatisch weer iets geopend. De auto‐
matische objectherkenning met anti-inklemfunc‐
tie is slechts een hulpmiddel. U dient zelf altijd
goed te blijven opletten bij het sluiten van de
achterklep.
#Bij het sluiten controleren dat zich geen
lichaamsdelen in het sluitgebied bevinden.
88 Openen en sluiten
&WAARSCHUWING Inklemgevaar
ondanks omkeerfunctie
De anti-inklemfunctie reageert niet:
Rop zachte, lichte en dunne objecten, bij‐
voorbeeld vingers.
Rop de laatste 8 mm van de sluitweg.
De anti-inklemfunctie kan het inklemmen in
deze situaties niet voorkomen.
#Bij het sluiten controleren dat zich geen
lichaamsdelen in het sluitgebied bevin‐
den.
Wanneer iemand bekneld raakt:
RDe toetspin de sleutel indrukken, of
RDe afstandsbedieningstoets op het
bestuurdersportier indrukken of eraan
trekken, of
RDe sluit‑ of vergrendelingstoets op de
achterklep indrukken, of
ROp de bovenzijde van de Mercedes-Benz
ster in de achterklep drukken.
Functie HANDS-FREE ACCESS
Met HANDS-FREE ACCESS kunt u door een
schoppende beweging met de voet onder de
bumper de achterklep openen, sluiten of stop‐
pen.
De schoppende beweging activeert afwisselend
een openings- of sluitingsprocedure.
De aanwijzingen bij het openen (/pagina 86)
en sluiten (/pagina 87)van de achterklep.
%Tijdens het openen of sluitenvan de achter‐
klep klinken er twee waarschuwingssignalen.
*AANWIJZING Schade aan de auto door
het onbedoeld openen van de achterklep
RBij het gebruik van een wasstraat
RBij het gebruik van een hogedrukreiniger
#In deze situaties het KEYLESS-GO deac‐
tiveren of erop letten dat de sleutelten
minste 3 m van de auto verwijderd is.
Ervoor zorgen dat u bij het makenvan de schop‐
pende beweging stevig staat, anders kunt u bij‐
voorbeeld bij ijzel uw evenwicht verliezen.
De volgende aanwijzingen in acht nemen:
RDe sleutel bevindt zich achter de auto.
RBij de schoppende beweging ten minste
30 cm van de auto verwijderd blijven.
RBij de schoppende beweging niet de bumper
aanraken.
Openen en sluiten 89
RDe schoppende beweging niet te langzaam
uitvoeren.
RDe schoppende beweging moet naar de auto
toe en er vandaan plaatsvinden.
1Registratiegebied van de sensoren
Als meerdere schoppende bewegingen achter
elkaar zonder succes zijn, tien seconden wach‐
ten.
Systeemgrenzen
Het systeem kan in de volgende gevallen moge‐
lijk niet correct werken of buiten werking zijn:
RWanneer het sensorgebied bijvoorbeeld door
pekel of sneeuwophoping is vervuild.
RAls de schoppende beweging met een been‐
prothese wordt uitgevoerd.
De achterklep kan in de volgende situaties onbe‐
doeld openen of sluiten:
RAls personen armen of benen in het registra‐
tiegebied bewegen, bijvoorbeeld bij het
poetsen van de auto of bij het oprapen van
voorwerpen.
RWanneer voorwerpen achter de auto langs
worden gevoerd of neergezet, bijvoorbeeld
spanbanden of bagage.
RWanneer spanriemen, hoezen of andere
afdekkingen over de bumper worden getrok‐
ken.
RWanneer een beschermingsmat wordt
gebruikt die over de rand van de bagage
ruimte omlaag in het registratiegebied van de
sensoren hangt.
RWanneer de beschermingsmat niet correct
bevestigd is.
RBij het werken aan de aanhangwagenvoorzie‐
ning, aan aanhangwagens of achterfietsdra‐
gers.
In deze en vergelijkbare situaties de sleutelfunc‐
ties deactiveren (/pagina 77) of geen sleutel
bij u dragen.
Openingshoek van de achterklep begrenzen
Openingshoekbegrenzing inschakelen
De openingshoek van de achterklep kan in de
bovenste openingshelft tot circa 20 cm voor de
eindstand worden begrensd.
#De openingsbeweging van de achterklep in
de gewenste stand stoppen.
#De sluittoets in de achterklep ingedrukt hou‐
den, tot een kort geluidssignaal klinkt.
De openingshoekbegrenzing is ingeschakeld.
De achterklep stopt nu bij het openen in de
opgeslagen positie.
90 Openen en sluiten
Om de achterklep volledig te openen, na het
automatisch stoppen opnieuw aan het bovenste
gedeelte van de Mercedes-Benz ster in de ach‐
terklep trekken.
Openingshoekbegrenzing uitschakelen
#De sluittoets in de achterklep ingedrukt hou‐
den, tot twee kortegeluidssignalen klinken.
Achterklep met de noodsleutel ontgrendelen
#De rugleuning achterin naar voren klappen.
#De bagageruimteafdekking verwijderen
(/pagina 123).
#De noodsleutel 2in de opening in de bekle‐
ding 1schuiven en naar binnen drukken.
De achterklep wordt ontgrendeld.
Zijruiten
Zijruiten openen en sluiten
&WAARSCHUWING Inklemgevaar bij het
openen van een zijruit
Bij het openen van een zijruit kunnen
lichaamsdelen tussen de zijruit en het ruit‐
frame getrokken worden of bekneld raken.
#Bij het openen controleren dat niemand
de zijruit aanraakt.
#Wanneer iemand bekneld raakt, direct
de toets loslaten of aan de toets trek‐
ken om de zijruit weer te sluiten.
&WAARSCHUWING Inklemgevaar bij het
sluiten van een zijruit
Bij het sluitenvan een zijruit kunnen
lichaamsdelen in het sluitgebied bekneld
raken.
#Bij het sluiten controleren, of zich geen
lichaamsdelen in het sluitgebied bevin‐
den.
Openen en sluiten 91
#Wanneer iemand bekneld raakt, direct
de toets loslaten of de toets indrukken
om de zijruit weer te openen.
&WAARSCHUWING Inklemgevaar bij het
bedienen van de zijruiten door kinderen
Wanneer kinderen de zijruiten bedienen, kun‐
nen ze bekneld raken, in het bijzonder wan‐
neer ze zonder toezicht zijn.
#De kinderbeveiliging voor de zijruiten
achterin activeren.
#Bij het verlaten van de auto altijd de
sleutel meenemen en de auto vergren‐
delen.
#Kinderen nooit zonder toezicht in de
auto laten.
Voorwaarden
RDe spanningsvoorziening of het contact is
ingeschakeld.
1Sluiten
2Openen
De toetsen in het bestuurdersportier hebben
voorrang.
#Automatische beweging starten: De toets
Wtot voorbij het drukpunt drukken of er
aan trekken en weer loslaten.
#Automatische beweging onderbreken: De
toetsWopnieuw indrukken of eraan trek‐
ken.
Als de auto is geparkeerd kunnen de zijruiten
nog steeds worden bediend.
De functie is gedurende circa vijf minuten of tot
het openen van een voorportier beschikbaar.
Automatische anti-inklemfunctie van de zij‐
ruiten
Indien een object een van de zijruiten bij het slui‐
ten hindert,gaat de zijruit automatisch weer
open. De automatische anti-inklemfunctie is
slechts een hulpmiddel en is geen vervanging
van uw oplettendheid.
#Bij het sluiten controleren dat zich geen
lichaamsdelen in het sluitgebied bevinden.
&WAARSCHUWING Inklemgevaar
ondanks anti-inklemfunctie van de zijruit
De anti-inklemfunctie reageert niet:
Rop zachte, lichte en dunne objecten, bij‐
voorbeeld vingers.
92 Openen en sluiten
Rtijdens het initialiseren.
Daardoor kan de anti-inklemfunctie het
inklemmen in deze situaties niet voorkomen.
#Bij het sluiten controleren dat zich geen
lichaamsdelen in het sluitgebied bevin‐
den.
#Wanneer iemand bekneld raakt, de
toetsWindrukken om de zijruit weer
te openen.
Automatische functie van de zijruiten
In de volgende gevallen worden de zijruiten auto‐
matisch geslotenwanneer de auto is afgezet:
Rals het begint te regenen (herkenning door
regensensor in de voorruit)
Rbij extreme temperaturen
Rna zes uur
Rbij storingen in de spanningsvoorziening
De zijruiten worden geslotentot de ventilatie‐
stand.
Auto's met schuifdak: De zijruiten worden vol‐
ledig gesloten als het schuifdak is geopend.
Indien de zijruiten bij de automatische sluitpro‐
cedure worden gehinderd of belemmerd, dan
gaat de betreffende zijruit automatisch weer
open. Daarna is de automatische functie voor
het schuifdak en de zijruiten uitgeschakeld.
Comfortopening (auto voor aanvang van de
ritventileren)
&WAARSCHUWING Inklemgevaar bij het
openen van een zijruit
Bij het openen van een zijruit kunnen
lichaamsdelen tussen de zijruit en het ruit‐
frame getrokken worden of bekneld raken.
#Bij het openen controleren dat niemand
de zijruit aanraakt.
#Wanneer iemand bekneld raakt, direct
de toets loslaten.
#De toetsÜop de sleutel ingedrukt hou‐
den.
De volgende functies worden uitgevoerd:
RDe auto wordt ontgrendeld.
RDe zijruitenworden geopend.
RHet schuifdak wordtgeopend.
RDe stoelventilatie van de bestuurders‐
stoel wordt ingeschakeld.
#Comfortopening onderbreken: De toets
Üloslaten.
#Comfortopening voortzetten: De toets
Üopnieuw indrukken en ingedrukt hou‐
den.
Comfortsluiting (auto van buitenaf sluiten)
&WAARSCHUWING Inklemgevaar bij
onoplettende comfortsluiting
Bij het comfortsluiten kunnen lichaamsdelen
in het sluitgebied van de zijruiten en het
schuifdak bekneld raken.
Openen en sluiten 93
#Bij de comfortsluiting de gehele sluit‐
procedure controleren.
#Bij het sluiten controleren, of zich geen
lichaamsdelen in het sluitgebied bevin‐
den.
#De toetsßop de sleutel ingedrukt hou‐
den.
De volgende functies worden uitgevoerd:
RDe auto wordtvergrendeld.
RDe zijruitenworden gesloten.
RHet schuifdak wordtgesloten.
#Comfortsluiting onderbreken: De toets
ßloslaten.
%Het comfortsluiting kan ook met KEYLESS-
GO worden bediend (/pagina 83).
Problemen met de zijruiten
&WAARSCHUWING Inklem- of levensge‐
vaar door niet actieve anti-inklemfunctie
Bij het opnieuw sluiten van een zijruit direct
na het blokkeren, sluit de zijruit met ver‐
hoogde of maximale kracht. De anti-inklem‐
functie is daarbij niet actief.
Daarbij kunnen lichaamsdelen in het sluitge‐
bied bekneld raken.
#Erop letten, dat zich geen lichaamsde‐
len in het sluitgebied bevinden.
#Om de sluitprocedure te stoppen de
toets loslaten of de toets opnieuw
indrukken, om de zijruit weer te ope‐
nen.
Probleem Mogelijke oorzaak en/of gevolg en MMoplossingen
Een zijruit kan niet worden gesloten en
de oorzaak is niet zichtbaar.
#Controleer of er zich voorwerpen in de ruitgeleider bevinden.
#De zijruiten initialiseren.
Zijruiten initialiseren
Als een zijruit bij het sluiten wordt geblokkeerd en direct weer opent:
94 Openen en sluiten
Probleem Mogelijke oorzaak en/of gevolg en MMoplossingen
#Onmiddellijk na het blokkeren de betreffende toets opnieuw zo lang omhoogtrekken tot de zijruit geslo‐
ten is, vervolgens nog ten minste een seconde aan de toets blijven trekken (opnieuw afstellen).
De zijruit wordt zonder automatische anti-inklemfunctie gesloten.
Als de zijruit bij het sluiten opnieuw wordt geblokkeerd en direct weer opent:
#Onmiddellijk daarna de betreffende toets opnieuw zo lang omhoogtrekken tot de zijruit gesloten is, ver‐
volgens nog ten minste een seconde aan de toets blijven trekken (opnieuw afstellen).
De zijruit wordt zonder automatische anti-inklemfunctie gesloten.
De zijruitenkunnen niet via de comfort‐
opening worden geopend of gesloten.
De batterij van de sleutel is zwak of leeg.
#Met het batterijcontrolelampje de batterij controleren en eventueel vervangen (/pagina 78).
Schuifdak
Schuifdak openen en sluiten
&WAARSCHUWING Inklemgevaar bij het
openen en sluiten van het schuifdak
Bij het openen en sluitenkunnen lichaamsde‐
len in het bewegingsgebied van het schuifdak
bekneld raken.
#Bij het openen en sluiten controleren
dat zich geen lichaamsdelen in het
bewegingsgebied bevinden.
#Wanneer iemand bekneld raakt, direct
de toets loslaten.
of
#Tijdens de automatische beweging de
toetskort in een willekeurige richting
drukken.
Het openen of sluitenwordtgestopt.
Openen en sluiten 95
&WAARSCHUWING Inklemgevaar bij
bediening van het schuifdak door kinde‐
ren
Wanneer kinderen het schuifdak bedienen,
kunnen deze bekneld raken, in het bijzonder
wanneer ze zonder toezicht zijn.
#Kinderen nooit zonder toezicht in de
auto laten.
#Bij het verlaten van de auto altijd de
sleutel meenemen en de auto vergren‐
delen.
*AANWIJZING Storing in de werking door
sneeuw en ijs
Sneeuw en ijskunnen leiden totstoringen in
de werking van het schuifdak.
#Het schuifdak alleen openen als er geen
sneeuw of ijs op het dak ligt.
*AANWIJZING Beschadiging door uitste‐
kende voorwerpen
Voorwerpen, die uit het schuifdak steken,
kunnen de afdichtrubbers beschadigen.
#Geen voorwerpen uit het schuifdak
laten steken.
*AANWIJZING Bij een gemonteerde dak‐
drager beslist in acht nemen
Bij een gemonteerde dakdrager kan het
omhoogbrengen of openen van het schuifdak
beperkt zijn.
#Controleren of het omhoogbrengen of
openen van het schuifdak bij een
gemonteerde dakdrager mogelijk is.
#In gevalvan twijfel het schuifdak niet
omhoogbrengen of openen.
1Omhoogkantelen
2Openen
3Sluiten/omlaagbrengen
#Controleren of het omhoogbrengen of ope‐
nen van het schuifdak bij een gemonteerde
dakdrager mogelijk is.
96 Openen en sluiten
#Automatische beweging starten: De toets
3tot voorbij het drukpunt drukken of er
aan trekken en weer loslaten.
#Automatische beweging onderbreken: De
toets3kort in een willekeurige richting
drukken.
Het openen of sluitenwordtgestopt.
Automatische anti-inklemfunctie van het
schuifdak
Wanneer een object het schuifdak tijdens de
sluitprocedure hindert, wordt het schuifdak auto‐
matisch weer geopend. De automatische anti-
inklemfunctie is slechts een hulpmiddel en is
geen vervanging van uw oplettendheid.
#Bij het sluiten controleren dat zich geen
lichaamsdelen in het sluitgebied bevinden.
&WAARSCHUWING Inklemgevaar
ondanks actieve anti-inklemfunctie
De anti-inklemfunctie reageert in het bijzon‐
der niet:
Rop zachte, lichte en dunne objecten, bij‐
voorbeeld vingers.
Rop de laatste 4 mm van de sluitweg.
Rtijdens het initialiseren.
Daardoor kan de anti-inklemfunctie het
inklemmen in deze situaties niet voorkomen.
#Bij het sluiten controleren dat zich geen
lichaamsdelen in het sluitgebied bevin‐
den.
#Wanneer iemand bekneld raakt, direct
de toets loslaten.
of
#Tijdens de automatische beweging de
toetskort in een willekeurige richting
drukken.
Het sluitenwordt onderbroken.
Automatische functies van het schuifdak
Het schuifdak wordt automatisch gesloten als de
auto is afgezet:
Rals het begint te regenen (herkenning door
regensensor in de voorruit)
Rbij extreme buitentemperaturen
Rna zes uur
Rbij storingen in de spanningsvoorziening
Vervolgens wordt het schuifdak aan de achter‐
zijde omhooggekanteld om het interieur te venti‐
leren.
Indien het schuifdak bij de automatische sluit‐
procedure worden gehinderd of belemmerd, dan
gaat het dak automatisch weer een stukje open.
Daarna is de automatische functie voor het
schuifdak en de zijruiten uitgeschakeld.
Problemen met het schuifdak
Openen en sluiten 97
Probleem Mogelijke oorzaak en/of gevolg en MMoplossingen
Het schuifdak kan niet worden gesloten
en de oorzaak is niet zichtbaar.
&WAARSCHUWING Inklem- of levensgevaar bij opnieuw sluiten van het schuifdak
Bij het opnieuw sluitenvan het schuifdak direct na het blokkeren of initialiseren, sluit het schuifdak met
verhoogde kracht.
Daarbij kunnen lichaamsdelen in het sluitgebied bekneld raken.
#Erop letten, dat zich geen lichaamsdelen in het sluitgebied bevinden.
#Wanneer iemand bekneld raakt, direct de toets loslaten.
of
#Tijdens het automatisch sluiten de toetskort in een willekeurige richting drukken.
Het sluitenwordt onderbroken.
Als het schuifdak bij het sluitenwordtgeblokkeerd en weer iets opent:
#Onmiddellijk na een automatische anti-inklemming de toets3opnieuw zo lang tot het drukpunt
omlaagtrekken, tot het schuifdak gesloten is.
Het schuifdak wordt met verhoogde sluitkracht gesloten.
Als het schuifdak bij het sluiten opnieuw wordtgeblokkeerd en weer iets opent:
#De vorige stap herhalen.
Het schuifdak wordt met nogmaals verhoogde sluitkracht gesloten.
#De toets3meerdere keren zo lang tot het drukpunt omhoog drukken, tot het schuifdak volledig
geopend is.
98 Openen en sluiten
Probleem Mogelijke oorzaak en/of gevolg en MMoplossingen
Auto's zonder panoramaschuifdak:
Het schuifdak beweegt alleen stapsge‐
wijs.
#De toets3nog een seconde ingedrukt houden.
#Het schuifdak sluiten.
Rolzonneschermen
Rolzonneschermen bij de achterste zijruiten
uitrollen
*AANWIJZING Beschadiging van de oprol‐
automaat door terugschieten
Door het plotseling terugschietenkan de
oprolautomaat worden beschadigd.
#Het zonnescherm altijd met de hand
geleiden.
#Niet met een bevestigd zonnescherm
en tegelijkertijd geopende zijruiten rij‐
den.
#Het rolzonnescherm aan lip 1uittrekken en
boven in de houders 2bevestigen.
Diefstalbeveiliging
Functie van de wegrijblokkering
De wegrijblokkering voorkomt dat de auto zon‐
der passende sleutelkanworden gestart.
De wegrijblokkering wordt automatisch inge‐
schakeld bij het uitschakelen van het contact en
uitgeschakeld bij het inschakelen van het con‐
tact.
EDW (diefstal-/inbraakalarminstallatie)
Werking van de EDW
Als de EDW is ingeschakeld, wordt in de vol‐
gende situaties een optisch en akoestisch alarm
geactiveerd:
RBij het openen van een portier
RBij het openen van de achterklep
Openen en sluiten 99
RBij het openen van de motorkap
RBij het activeren van de interieurbeveiliging
(/pagina 101)
RBij het activerenvan de wegsleepbeveiliging
(/pagina 100)
De EDW wordt in de volgende gevallen na circa
tien seconden automatisch ingeschakeld:
RNa de vergrendeling met de sleutel
RNa de vergrendeling met KEYLESS-GO
Bij ingeschakelde EDW knippert het controle‐
lampje 1.
De EDW wordt in de volgende gevallen automa‐
tisch uitgeschakeld:
RNa de ontgrendeling met de sleutel
RNa de ontgrendeling met KEYLESS-GO
RNa het indrukken van de start-stoptoets met
de sleutel in het opbergvak (/pagina 171)
%Bij een actief Mercedes‑Benz noodoproep‐
systeem wordt tijdens een alarm van meer
dan 30 seconden automatisch contact opge‐
nomen met de klantenservice
(/pagina 441).
Alarm van het EDW beëindigen
#De toetsÜ,ßof pop de sleutel
indrukken.
of
#De start-stoptoets indrukken met de sleutel
in het opbergvak (/pagina 171).
Alarm met KEYLESS-GO beëindigen:
#De buitenste portiergreep vastpakken, met
de sleutel buiten de auto.
Functie van de wegsleepbeveiliging
Als de wegsleepbeveiliging is geactiveerd en een
wijziging van de hellingshoek van de auto wordt
herkend, treedt een optisch en akoestisch alarm
in werking.
100 Openen en sluiten
De wegsleepbeveiliging wordt automatisch na
circa 60 seconden geactiveerd:
RNa de vergrendeling met de sleutel
RNa de vergrendeling met KEYLESS-GO
De wegsleepbeveiliging wordt alleen geacti‐
veerd, als de volgende onderdelen gesloten zijn:
Rde portieren
Rde achterklep
De wegsleepbeveiliging wordt automatisch
gedeactiveerd:
RNa het indrukken van de toetsÜof p
op de sleutel
RNa het indrukken van de start-stoptoets met
de sleutel in het opbergvak (/pagina 171)
RNa de ontgrendeling met KEYLESS-GO
RBij de bediening van HANDS-FREE ACCESS
Informatie over schadeherkenning bij gepar‐
keerde auto (/pagina 203).
Wegsleepbeveiliging in- of uitschakelen
Multimediasysteem:
4©5Instellingen 5Snelle toegang
#De Wegsleepbeveiliging in- of uitschakelen.
In de volgende gevallen wordt de wegsleepbevei‐
liging weer ingeschakeld:
RDe auto wordt opnieuw ontgrendeld.
REr wordt een portier geopend.
RDe auto wordtweer vergrendeld.
%Als de snelle toegang niet beschikbaar is,
kan de wegsleepbeveiliging via het submenu
Voertuig in het hoofdmenu Instellingen wor‐
den in- of uitgeschakeld.
Functie van de interieurbeveiliging
Bij ingeschakelde interieurbeveiliging wordt een
optisch en akoestisch alarm geactiveerd, wan‐
neer een beweging in het interieur wordt her‐
kend.
De interieurbeveiliging wordt automatisch na
circa tien seconden geactiveerd:
RNa de vergrendeling met de sleutel
RNa de vergrendeling met KEYLESS-GO
De interieurbeveiliging wordt alleen geactiveerd,
als de volgende onderdelen gesloten zijn:
Rde portieren
Rde achterklep
De interieurbeveiliging wordt automatisch
gedeactiveerd:
RNa het indrukken van de toetsÜof p
op de sleutel
RNa het indrukken van de start-stoptoets met
de sleutel in het opbergvak (/pagina 171)
RNa de ontgrendeling met KEYLESS-GO
RBij de bediening van HANDS-FREE ACCESS
In de volgende situaties kan een vals alarm
optreden:
RDoor beweeglijke voorwerpen, bijvoorbeeld
mascottes, in het interieur
RBij geopende zijruiten
Openen en sluiten 101
RBij geopend schuifdak
Interieurbeveiliging in- en uitschakelen
Multimediasysteem:
4©5Instellingen 5Snelle toegang
#De Interieurbeveiliging in- of uitschakelen.
In de volgende gevallen wordt de interieurbeveili‐
ging weer ingeschakeld:
RDe auto wordt opnieuw ontgrendeld.
REr wordt een portier geopend.
RDe auto wordtweer vergrendeld.
%Als de snelle toegang niet beschikbaar is,
kan de interieurbeveiliging in het menu Voer-
tuig onder Instellingen worden in- of uitge‐
schakeld.
102 Openen en sluiten
Correcte stand van de bestuurdersstoel
&WAARSCHUWING Gevaar voor ongeval‐
len door voertuiginstellingen tijdens het
rijden
Ukunt in de volgende situaties de controle
over de auto verliezen:
RWanneer tijdens het rijden de bestuur‐
dersstoel, de hoofdsteunen, het stuurwiel
of de spiegels worden ingesteld.
RWanneer tijdens het rijden de veiligheids‐
gordel wordt omgegespt.
#Voordat het aandrijfsysteem wordt
gestart: De bestuurdersstoel, de hoofd‐
steunen, het stuurwiel of de spiegels
instellen en de veiligheidsgordel omges‐
pen.
Het volgende in acht nemen bij het instellen van
stuurwiel 1,veiligheidsgordel 2en bestuur‐
dersstoel 3:
RZo ver mogelijk van de bestuurdersairbag
verwijderd zitten.
RU zit zo rechtop mogelijk.
RUw bovenbenen worden licht ondersteund
door de zitting.
RUw benen zijn niet volledig gestrekt en u kunt
de pedalen goed indrukken.
RUw achterhoofd wordt op ooghoogte door
het midden van de hoofdsteun ondersteund.
RUkunt het stuurwiel met licht gebogen
armen vastpakken.
RUkunt uw benen vrij bewegen.
RUkunt alle informatie in het combi-instru‐
ment goed aflezen.
RU hebt een goed overzicht van de verkeerssi‐
tuatie.
RUw veiligheidsgordel ligt straktegen het
lichaam aan en loopt over het midden van de
schouder en ter hoogte van het bekken zo
dicht mogelijktegen de heup aan.
Stoelen en opbergen 103
Stoelen
Voorstoel mechanisch en elektrisch instellen
(zonder zitcomfortpakket)
&WAARSCHUWING Inklemgevaar bij
instelling van de stoelen door kinderen
Wanneer kinderen de stoelen instellen, kun‐
nen ze bekneld raken, in het bijzonder als ze
zonder toezicht zijn.
#Bij het verlaten van de auto altijd de
sleutel meenemen en de auto vergren‐
delen. Dit geldt eveneens voor de digi‐
tale voertuigsleutel, als de functie “Digi‐
tale voertuigsleutel“ via Mercedes me
connect is geactiveerd.
#Kinderen nooit zonder toezicht in de
auto laten.
Ook als het contact is afgezet kunnen de stoelen
worden ingesteld.
&WAARSCHUWING Inklemgevaar bij
instelling van de stoelen
Wanneer u een stoel instelt, is het mogelijk
dat uzelf of andere inzittenden bekneld
raken, bijvoorbeeld door de geleiderail van de
stoel.
#Bij het instellen van een stoel mogen
zich geen lichaamsdelen in het bewe‐
gingsgebied van de stoel bevinden; dit
controleren.
De veiligheidsaanwijzingen met betrekking tot de
"Airbags" en "Kinderen in de auto" in acht
nemen.
&WAARSCHUWING Gevaar voor ongeval‐
len door een niet vergrendelde bestuur‐
dersstoel
Wanneer de bestuurdersstoel niet vergren‐
deld is, kan deze onverwacht bewegen tij‐
dens het rijden.
Daardoor kunt u de controle over de auto
verliezen.
#De bestuurdersstoel moet altijd ver‐
grendeld zijn voordat de auto wordt
gestart; dit controleren.
&WAARSCHUWING Gevaar voor ongeval‐
len door voertuiginstellingen tijdens het
rijden
Ukunt in de volgende situaties de controle
over de auto verliezen:
RWanneer tijdens het rijden de bestuur‐
dersstoel, de hoofdsteunen, het stuurwiel
of de spiegels worden ingesteld.
RWanneer tijdens het rijden de veiligheids‐
gordel wordt omgegespt.
#Voordat de motorwordtgestart: De
bestuurdersstoel, de hoofdsteunen, het
stuurwiel of de spiegels instellen en de
veiligheidsgordel omgespen.
104 Stoelen en opbergen
&WAARSCHUWING Inklemgevaar bij
onoplettend instellen van de zitting‐
hoogte
Bij onoplettend instellen van de zittinghoogte
kunnen uzelf of andere inzittenden bekneld
raken en daarbij letsel oplopen.
In het bijzonder kinderen kunnen de toetsen
voor de elektrische stoelinstelling onbedoeld
bedienen en bekneld raken.
#Bij het bewegenvan de stoel mogen
geen handen of andere lichaamsdelen
onder de hendels van het stoelinstel‐
lingssysteem terechtkomen; dit contro‐
leren.
&WAARSCHUWING Gevaar voor letsel
door niet aangebrachte of verkeerd inge‐
stelde hoofdsteunen
Wanneer er geen hoofdsteunen aanwezig zijn
of als deze niet correct zijn ingesteld, kunnen
ze niet zoals bedoeld beschermen.
Er is dan een verhoogd risico op letsel van
het hoofd en de nek, bijvoorbeeld bij een
ongeval of remmanoeuvre!
#Altijd met gemonteerde hoofdsteunen
rijden.
#Voor het rijden bij elke inzittende con‐
troleren, of het midden van de hoofd‐
steun het achterhoofd op ooghoogte
ondersteunt.
De hoofdsteunen van de zitplaatsen voor- en
achterin niet verwisselen. Anders kunnen de
hoogte en hoek van de hoofdsteunen niet in de
correcte positie worden ingesteld.
Met de verstelling in lengterichting voor de
hoofdsteun de hoofdsteun zo instellen, dat deze
zo dicht mogelijk bij het achterhoofd staat.
&WAARSCHUWING Gevaar voor letsel of
levensgevaar door verkeerde zitpositie
Als de rugleuning niet nagenoeg rechtop
staat, biedt de veiligheidsgordel niet meer de
bedoelde beschermende werking.
In dit gevalkunt u bij een remmanoeuvre of
een ongeval onder de veiligheidsgordel door‐
glijden en daarbij bijvoorbeeld letsel aan het
onderlichaam of de hals oplopen.
#De stoel voor aanvang van de rit correct
instellen.
#Altijd erop letten dat de rugleuning
bijna rechtopstaat en dat de schouder‐
gordel over het midden van de schou‐
der loopt.
*AANWIJZING Beschadiging van de stoe‐
len bij het terugzetten
De stoelen kunnen bij het terugzetten door
voorwerpen worden beschadigd.
#Bij het terugzetten van de stoelen
mogen zich geen voorwerpen in de
beenruimte, onder of achter de stoelen
bevinden; dit controleren.
Stoelen en opbergen 105
1Rugleuninghoek
2Zithoogte
3Stoellengterichting
#Stoellengterichting instellen: De hendel
3omhoogbrengen en de stoel in de gewen‐
ste positie schuiven.
#Zorg ervoor dat de stoel vergrendeld is.
Voorstoel mechanisch en elektrisch instellen
(met zitcomfortpakket)
1Rugleuninghoek
2Zithoogte
3Zittinghoek
4Stoellengterichting
5Zittingdiepte
#Stoellengterichting instellen: De hendel
4omhoogbrengen en de stoel in de gewen‐
ste positie schuiven.
#Zorg ervoor dat de stoel vergrendeld is.
#Zittingdiepte instellen: De hendel 5
omhoogbrengen en het voorste deel van de
zitting naar voren‑ of naar achteren schuiven.
106 Stoelen en opbergen
Voorstoel elektrisch instellen
1Hoofdsteunhoogte
2Rugleuninghoek
3Zithoogte
4Zittingdiepte
5Zittinghoek
6Stoellengterichting
#De instellingen met de geheugenfunctie
opslaan (/pagina 116).
Viervoudig verstelbare lendensteun instellen
1Hoger
2Zwakker
3Lager
4Sterker
#Met de toetsen 1tot 4de rugleuningwel‐
ving individueel aan uw wervelkolom aanpas‐
sen.
Hoofdsteunen
Hoofdsteunen van de voorstoelen mecha‐
nisch instellen
&WAARSCHUWING Gevaar voor ongeval‐
len door voertuiginstellingen tijdens het
rijden
Ukunt in de volgende situaties de controle
over de auto verliezen:
RWanneer tijdens het rijden de bestuur‐
dersstoel, de hoofdsteunen, het stuurwiel
of de spiegels worden ingesteld.
RWanneer tijdens het rijden de veiligheids‐
gordel wordt omgegespt.
#Voordat het aandrijfsysteem wordt
gestart: De bestuurdersstoel, de hoofd‐
steunen, het stuurwiel of de spiegels
Stoelen en opbergen 107
instellen en de veiligheidsgordel omges‐
pen.
&WAARSCHUWING Gevaar voor letsel
door niet aangebrachte of verkeerd inge‐
stelde hoofdsteunen
Wanneer er geen hoofdsteunen aanwezig zijn
of als deze niet correct zijn ingesteld, kunnen
ze niet zoals bedoeld beschermen.
Er is dan een verhoogd risico op letsel van
het hoofd en de nek, bijvoorbeeld bij een
ongeval of remmanoeuvre!
#Altijd met gemonteerde hoofdsteunen
rijden.
#Voor het rijden bij elke inzittende con‐
troleren, of het midden van de hoofd‐
steun het achterhoofd op ooghoogte
ondersteunt.
De hoofdsteunen van de zitplaatsen voor- en
achterin niet verwisselen. Anders kunnen de
hoogte en hoek van de hoofdsteunen niet in de
correcte positie worden ingesteld.
Met de verstelling in lengterichting voor de
hoofdsteun de hoofdsteun zo instellen, dat deze
zo dicht mogelijk bij het achterhoofd staat.
#Hoger instellen: De hoofdsteun omhoog‐
trekken.
#Lager instellen: De ontgrendelingsknop 1
in de richting van de pijl drukken en de
hoofdsteunen omlaagdrukken.
#Naar vorenverstellen: De hoofdsteun naar
voren trekken.
#Naar achteren verstellen: De ontgrende‐
lingsknop 2indrukken en ingedrukt hou‐
den.
#De hoofdsteun naar achteren drukken en de
ontgrendelingsknop 2loslaten.
108 Stoelen en opbergen
Hoofdsteunen van de zitplaatsen achterin
mechanisch instellen
#Hoger instellen: De hoofdsteun omhoog‐
trekken.
#Lager instellen: De ontgrendelingsknop 1
in de richting van de pijl drukken en de
hoofdsteunen omlaagdrukken.
Stoelinstellingen configureren
Multimediasysteem:
4©5Comfort 5Zitcomfort
Rugleuningwelving in het lendengedeelte
instellen (lendensteun)
#Lendensteun selecteren.
#De instellingen Zvan de gewenste stoel
selecteren.
#Het luchtkussen instellen.
Zijwangen vanrugleuning instellen
#Zijwangen selecteren.
#Het luchtkussen voor de gewenste stoel
instellen.
Stoelverwarmingsbalans instellen
#Stoelverwarm.balans selecteren.
#De warmteverdeling voor de gewenste stoel
instellen.
Automatischestoelaanpassing instellen
&WAARSCHUWING Inklemgevaar door
het instellen van de bestuurdersstoel na
het oproepen van een rijdersprofiel
Door het selecteren van een profiel kan de
bestuurdersstoel worden ingesteld op de bij
dat profiel opgeslagen positie. Hierdoor kun‐
nen u of andere inzittenden letsel oplopen.
#Er mogen zich geen personen of
lichaamsdelen in het verstelbereik van
de stoel bevinden tijdens de instelling
van de bestuurdersstoel via het multi‐
mediasysteem.
Wanneer een persoon ingeklemd dreigt te
raken, direct het instellen stoppen door:
#a) De waarschuwingsmelding op het
mediadisplay aan te tippen.
of
#b) Een positietoetsvan de geheugen‐
functie of een stoelinstelschakelaar in
het bestuurdersportier te bedienen.
De instelling wordt onderbroken.
Stoelen en opbergen 109
Voorwaarden voor het aan de lichaams‐
lengte aanpassen van de bestuurdersstoel‐
positie:
RDe automatische stoelaanpassing is inge‐
schakeld.
Multimediasysteem:
4©5Instellingen 5Voertuig
5Autom. stoelinstelling
Automatischestoelaanpassing in- en uit‐
schakelen
Wanneer het actievegebruikersprofiel bij stil‐
stand wordtgewijzigd, worden de bestuurders‐
stoel, de buitenspiegels en de welving van de
stoel automatisch ingesteld op de bestuurder.
#Aan of Uit selecteren.
%Deze instelling is alleen beschikbaar voor
individuele gebruikersprofielen. Voor het
gastprofiel kan de automatische stoelaan‐
passing niet worden in- of uitgeschakeld.
Meer informatie over gebruikersprofielen
(/pagina 321).
Bestuurdersstoelpositie aanpassen aan
lichaamslengte:
De auto berekent op basis van de lichaams‐
lengte van de bestuurder een geschikte bestuur‐
dersstoelpositie en stelt deze direct in.
#ZITPOSITIE selecteren.
#De maateenheid instellen: cm of ft/in
selecteren.
#De lichaamslengte instellen op de schaal.
#Positie-instelling starten selecteren.
De bestuurdersstoelpositie wordt aangepast
aan de ingestelde lichaamslengte.
%Als de door de auto berekende bestuurders‐
stoelpositie niet praktisch of comfortabel is,
kan deze op elk gewenst moment handmatig
worden aangepast met behulp van de bedie‐
ningsknoppen.
De buitenspiegels worden niet ingesteld door
deze functie, maar moeten handmatig wor‐
den ingesteld met behulp van de bedienings‐
schakelaars.
%Deze instellingen kunnen ook worden uitge‐
voerd via de Mercedes me-Portalvoor uw
gebruikersprofiel. Door de synchronisatie
van de profielen in de auto en de Mercedes
me connect profielen worden deze instellin‐
genovergenomen door uw auto. Meer infor‐
matie over het synchroniseren vangebrui‐
kersprofielen (/pagina 323).
In- en uitstaphulp instellen
#De functie in- of uitschakelen.
%Wanneer u een individueel gebruikersprofiel
gebruikt en uw lichaamslengte hebt inge‐
steld, wordt deze informatie gebruikt voor de
in- en uitstaphulp. Daardoor beweegt de
bestuurdersstoel automatisch naar de juiste
positie (/pagina 322).
Massageprogramma voor voorstoelen selec‐
teren
Multimediasysteem:
4©5Comfort 5Massage
#Golfmassage of Pulserende massage selecte‐
ren.
Het geselecteerde programma start.
110 Stoelen en opbergen
#Het programma voor de gewenste stoel star‐
ten;.
#Massage-intensiteit instellen: Hoge inten-
siteit in- of uitschakelen.
Stoelinstellingen terugzetten
Multimediasysteem:
4©5Comfort 5Zitcomfort
#Terugzetten selecteren.
#ßvoor de gewenste stoel selecteren.
De instellingen van de geselecteerde stoel
worden teruggezet.
Stoelverwarming in- of uitschakelen
&WAARSCHUWING Gevaar voor brand‐
wonden door herhaaldelijk inschakelen
van de stoelverwarming
Wanneer u de stoelverwarming herhaaldelijk
inschakelt, kunnen de zitting en de rugleu‐
ningcontouren zeer heet worden.
Bij personen met beperkte temperatuursen‐
satie of met een beperkte reactiemogelijk‐
heid op hogere temperaturen kan dit tot
gezondheidsklachten of zelfs op brandwon‐
den gelijkende verwondingen leiden.
#De stoelverwarming niet herhaaldelijk
inschakelen.
Ter bescherming tegenoververhitting kan de
stoelverwarming na herhaaldelijk opnieuw
inschakelen tijdelijk worden gedeactiveerd.
*AANWIJZING Beschadiging van de stoe‐
len door voorwerpen of zittingaccessoi‐
res bij ingeschakelde stoelverwarming
Wanneer de stoelverwarming is ingescha‐
keld, kan door voorwerpen of zittingaccessoi‐
res op de stoelen, bijvoorbeeld stoelkussens
of kinderzitjes, warmteophoping optreden.
Daardoor kan het zittingvlak worden bescha‐
digd.
#Bij ingeschakelde stoelverwarming
mogen zich geen voorwerpen of zittin‐
gaccessoires op de stoelen bevinden;
dit controleren.
Voorwaarden
RDe spanningsvoorziening is ingeschakeld.
Stoelen en opbergen 111
#Inschakelen/hogere stand: De toets1zo
vaak indrukken, tot de gewenste verwar‐
mingsstand bereikt is.
Afhankelijk van de verwarmingsstand gaan
een tot drie controlelampjes branden.
#Uitschakelen/lagere stand: De toets1zo
vaak indrukken, tot de gewenste verwar‐
mingsstand bereikt is.
Wanneer alle controlelampjes gedoofd zijn, is
de stoelverwarming uitgeschakeld.
%De stoelverwarming schakelt automatisch in
drie verwarmingsstanden in tijdsintervallen
van 8, 10 en 20 minuten terugtot het uit‐
schakelen van de stoelverwarming.
Vlakkenverwarming instellen
Multimediasysteem:
4©5Instellingen 5Voertuig
5Vlakkenverwarming
Bij ingeschakelde stoelverwarming kunnen de
armsteunen, de middelste gebieden van de por‐
tieren en de middenconsole worden verwarmd.
#De functie in- of uitschakelen voor de gewen‐
stestoelen.
Stoelventilatie in- of uitschakelen
Voorwaarden
RDe spanningsvoorziening is ingeschakeld.
#Inschakelen/hogere stand: De toets1zo
vaak indrukken, tot de gewenste aanjager‐
stand is ingesteld.
Afhankelijk van de aanjagerstand gaan een
tot drie controlelampjes branden.
112 Stoelen en opbergen
#Uitschakelen/lagere stand: De toets1zo
vaak indrukken, tot de gewenste aanjager‐
stand is ingesteld.
Wanneer alle controlelampjes gedoofd zijn, is
de stoelventilatie uitgeschakeld.
Stuurwiel
Stuurwiel mechanisch instellen
&WAARSCHUWING Gevaar voor ongeval‐
len door voertuiginstellingen tijdens het
rijden
Ukunt in de volgende situaties de controle
over de auto verliezen:
RWanneer tijdens het rijden de bestuur‐
dersstoel, de hoofdsteunen, het stuurwiel
of de spiegels worden ingesteld.
RWanneer tijdens het rijden de veiligheids‐
gordel wordt omgegespt.
#Voordat de motorwordtgestart: De
bestuurdersstoel, de hoofdsteunen, het
stuurwiel of de spiegels instellen en de
veiligheidsgordel omgespen.
&WAARSCHUWING Inklemgevaar voor
kinderen bij het instellen van het stuur‐
wiel
Wanneer kinderen het stuurwiel instellen,
kunnen ze bekneld raken.
#Kinderen nooit zonder toezicht in de
auto laten.
#Bij het verlaten van de auto altijd de
sleutel meenemen en de auto vergren‐
delen. Dit geldt eveneens voor de digi‐
tale voertuigsleutel, als de functie “Digi‐
tale voertuigsleutel“ via Mercedes me
connect is geactiveerd. #De ontgrendelingshendel 1volledig omlaag‐
klappen.
De stuurkolom is ontgrendeld.
#De hoogte 2en de afstand 3tot het stuur‐
wiel instellen.
#De ontgrendelingshendel 1volledig
omhoogklappen.
De stuurkolom is vergrendeld.
Stoelen en opbergen 113
#Door het stuurwiel te bewegen controleren of
de stuurkolom vergrendeld is.
Stuurwiel elektrisch instellen
Het stuurwiel kanworden ingesteld als de span‐
ningsvoorziening is uitgeschakeld.
1Afstand tot stuurwiel instellen
2Hoogte instellen
#De instellingen met de geheugenfunctie
opslaan (/pagina 116).
Stuurwielverwarming in- en uitschakelen
Voorwaarden
RHet contact is ingeschakeld.
#De hendel in de richting van de pijl 1of 2
draaien.
Als het controlelampje 3brandt, is de
stuurwielverwarming ingeschakeld.
Als het contact wordt uitgeschakeld wordt de
stuurwielverwarming ook uitgeschakeld.
In- en uitstaphulp
Functie van de in- en uitstaphulp
&WAARSCHUWING Gevaar voor ongeval‐
len bij wegrijden tijdens het instellen van
de uitstaphulp
Als wordtweggereden als de in‑ en uitstap‐
hulp nog een instelling uitvoert, kan de con‐
trole over de auto worden verloren.
#Alvorens wegte rijden altijd afwachten,
tot het instellen beëindigd is.
114 Stoelen en opbergen
&WAARSCHUWING Inklemgevaar bij
instellen van de in‑ en uitstaphulp
Wanneer de in‑ en uitstaphulp het stuurwiel
en de bestuurdersstoel instelt, kunt u of kun‐
nen andere inzittenden in het bijzonder kin‐
deren bekneld raken.
#Tijdens het instellen van de in‑ en uit‐
staphulp verzekeren, dat er zich geen
lichaamsdelen in het bewegingsgebied
van het stuurwiel en de bestuurders‐
stoel bevinden.
Bij gevaar voor inklemming door het stuur‐
wiel:
#De bedieningshendel van het stuurwiel
bewegen.
De instelling wordt onderbroken.
Bij gevaar voor inklemming door de bestuur‐
dersstoel:
#De schakelaar van de stoelinstelling
indrukken.
De instelling wordt onderbroken.
#Kinderen nooit zonder toezicht in de
auto laten.
#Bij het verlaten van de auto altijd de
sleutel meenemen en de auto vergren‐
delen. Dit geldt eveneens voor de digi‐
tale voertuigsleutel, als de functie “Digi‐
tale voertuigsleutel“ via Mercedes me
connect is geactiveerd.
Auto's met geheugenfunctie: Het instellen kan
wordtgestopt door het indrukken van een
geheugenplaatstoetsvan de geheugenfunctie.
&WAARSCHUWING Inklemgevaar bij acti‐
vering van de in‑ en uitstaphulp door kin‐
deren
Wanneer kinderen de in‑ en uitstaphulp acti‐
veren, kunnen zij bekneld raken, in het bij‐
zonder wanneer ze zonder toezicht zijn.
#Kinderen nooit zonder toezicht in de
auto laten.
#Bij het verlaten van de auto altijd de
sleutel meenemen en de auto vergren‐
delen.
Dit geldt eveneens voor de digitale voertuigsleu‐
tel, als de functie "Digitale voertuigsleutel" via
Mercedes me connect is geactiveerd.
Als de in- en uitstaphulp actief is, zwenkt het
stuurwiel in de volgende situaties omhoog, en
beweegt de bestuurdersstoel naar achteren:
RHet contact wordt uitgeschakeld als het
bestuurdersportier geopend is.
RBij uitgeschakeld contact wordt het bestuur‐
dersportier geopend.
%Het stuurwiel zwenkt omhoog, als dit zich
niet al in de bovenste aanslag bevindt. De
bestuurdersstoel schuift alleen naar achte‐
ren, als deze niet al in de achterstestand
staat.
Het stuurwiel en de bestuurdersstoel bewegen in
de volgende gevallen in de laatste rijstand terug:
RHet contact of de spanningsvoorziening
wordt ingeschakeld als het bestuurderspor‐
tier gesloten is.
RU sluit het bestuurdersportier terwijl het con‐
tact is ingeschakeld.
Stoelen en opbergen 115
De laatste rijstand wordt in de volgende gevallen
opgeslagen:
RU schakelt het contact uit.
RAuto's met geheugenfunctie: De stoelin‐
stellingen worden met de geheugenfunctie
opgeroepen.
RAuto's met geheugenfunctie: De stoelin‐
stelling wordt met de geheugenfunctie opge‐
slagen.
Auto's met geheugenfunctie: Wanneer een van
de positietoetsen van de geheugenfunctie wordt
ingedrukt, wordt het instellen gestopt.
Geheugenfunctie bedienen
&WAARSCHUWING Gevaar voor ongeval‐
len door gebruik van de geheugenfunctie
tijdens het rijden
Als tijdens het rijden de geheugenfunctie aan
bestuurderszijde wordtgebruikt, kan door de
instelbewegingen de controle over de auto
worden verloren.
#De geheugenfunctie aan bestuurders‐
zijde alleen gebruiken als de auto stil‐
staat.
&WAARSCHUWING Inklemgevaar bij het
instellen van de stoelen met de geheu‐
genfunctie
Wanneer de geheugenfunctie de stoel of het
stuurwiel instelt, kunt u of kunnen andere
inzittenden in het bijzonder kinderen
bekneld raken.
#Tijdens het instellen door de geheugen‐
functie waarborgen, dat niemand
lichaamsdelen in het bewegingsgebied
van de stoel of het stuurwiel heeft.
#Wanneer iemand bekneld raakt, direct
de positietoetsvan de geheugenfunctie
loslaten.
De instelling wordt onderbroken.
&WAARSCHUWING Inklemgevaar bij acti‐
vering van de geheugenfunctie door kin‐
deren
Wanneer kinderen de geheugenfunctie acti‐
veren, kunnen deze bekneld raken, in het bij‐
zonder wanneer ze zonder toezicht zijn.
#Kinderen nooit zonder toezicht in de
auto laten.
#Bij het verlaten van de auto altijd de
sleutel meenemen en de auto vergren‐
delen.
Dit geldt eveneens voor de digitale voertuigsleu‐
tel, als de functie "Digitale voertuigsleutel" via
Mercedes me connect is geactiveerd.
De geheugenfunctie kanworden gebruikt als het
contact is uitgeschakeld.
Opslaan
Met de geheugenfunctie kunnen stoelinstellingen
worden opgeslagen en opgeroepen voor maxi‐
maal drie personen.
De systemen kunnen worden ingesteld:
RZitting, leuning en hoofdsteun
116 Stoelen en opbergen
RStuurwiel
RBuitenspiegels
RHead-up-display
#De stoel, het stuurwiel, het head-up-display
en de buitenspiegels in de gewenste stand
instellen.
#De geheugentoets M indrukken en vervol‐
gens binnen drie seconden de geheugen‐
plaatstoets1, 2 of 3 indrukken.
Er klinkt een geluidssignaal. De instellingen
zijn opgeslagen.
#Oproepen: De geheugenplaatstoets1, 2 of 3
indrukken en ingedrukt houden, tot de voor‐
stoel, het stuurwiel, het head-up-display en
de buitenspiegels in de gewenste stand
staan.
%Als de geheugenplaatstoetswordt losgela‐
ten, wordt het instellen vanstoel, stuurwiel
en spiegels direct onderbroken. Het head-up-
display wordt nog steeds ingesteld.
Opbergmogelijkheden
Aanwijzingen met betrekking tot het beladen
van de auto
&WAARSCHUWING Gevaar voor letsel
door niet-vastgezette voorwerpen in de
auto
Wanneer voorwerpen, bagage of lading niet
of onvoldoende vastgezet is, kan het ver‐
schuiven, kantelen of rondslingeren en daar‐
door inzittenden raken.
Er bestaat gevaar voor letsel, in het bijzonder
bij remmanoeuvres of plotselinge richtings‐
wijzigingen!
#Voorwerpen altijd zodanig opbergen,
dat ze niet kunnen rondslingeren.
#Voorwerpen, bagage of lading voor het
wegrijden beveiligen tegenverschuiven
of kantelen.
Stoelen en opbergen 117
&WAARSCHUWING Gevaar voor letsel
door onjuist opbergen vanvoorwerpen
Als voorwerpen op ongeschikte wijze in het
interieur worden opgeborgen, kunnen ze ver‐
schuiven of rondslingeren en inzittenden
raken. Bovendien kunnen bekerhouders, geo‐
pende opbergvakken en houders voor een
mobiele telefoon bij een ongeval de daarin
aanwezige voorwerpen niet altijd tegenhou‐
den.
Er bestaat gevaar voor letsel, in het bijzonder
bij remmanoeuvres of abrupte veranderingen
vanrichting!
#Voorwerpen altijd zodanig opbergen,
dat ze in deze of vergelijkbare situaties
niet kunnen rondvliegen.
#Altijd ervoor zorgen, dat voorwerpen
niet uit opbergvakken, bagagenetten of
opbergnetten steken.
#De afsluitbare opbergvakken voor aan‐
vang van de rit sluiten.
#Zware, harde, scherpe, breekbare of te
grotevoorwerpen altijd in de bagage‐
ruimte opbergen en beveiligen.
Het rijgedragvan de auto is afhankelijk van de
verdeling van de bagage. Daarom bij het beladen
de volgende aanwijzingen in acht nemen:
RMet de lading en personen niet het toege‐
staan totaalgewicht en de toegestane asbe‐
lastingen van de auto overschrijden.
De gegevens op het voertuigtypeplaatje raad‐
plegen (/pagina 537).
RNiet tot boven de bovenzijde van de rugleu‐
ningen beladen.
RBij het transport vanvoorwerpen in de baga‐
geruimte altijd het dubbelrolscherm aanbren‐
gen (bagageruimteafdekking en scheidings‐
net).
RIndien mogelijk de bagage altijd achter de
niet-bezette stoelen plaatsen.
RDe lading aan de sjorogen beveiligen en deze
gelijkmatig belasten.
Opbergvakken in het interieur
Overzicht van de voorste opbergvakken
1Opbergvakken in de portieren
2Opbergvak in de armsteun, voorzien van
aansluitingen voor multimedia- en USB-aan‐
sluiting
3Opbergvak in de middenconsole voorin met
usb-aansluiting en lader voor het draadloos
opladen van een mobiele telefoon (niet in
alle landen beschikbaar)
4Dashboardkastje
118 Stoelen en opbergen
Dashboardkastje ver- of ontgrendelen
#De noodsleutel een kwart omwenteling
rechtsom 2(vergrendelen) of linksom 1
(ontgrendelen) draaien.
Brillenvak openen
#De toets1indrukken.
Opbergvak in de armsteun achterin openen
#De ontgrendeling 1indrukken en de afdek‐
king van de armsteun omhoogzwenken.
Doorlaadmogelijkheid achterbank
Rugleuning achterin naar voren klappen
&WAARSCHUWING Gevaar voor ongeval‐
len door niet-vergrendelde achterbank
resp. zitplaats achterin en rugleuning
Als de achterbank resp. zitplaatsen achterin
en rugleuning niet vergrendeld zijn, kunnen
deze bijvoorbeeld bij een remmanoeuvre of
een ongeval naar voren klappen.
RDaardoor wordt de inzittende door de
achterbank/zitplaats achterin of door de
rugleuning in de veiligheidsgordel
gedrukt. De veiligheidsgordel kan niet
meer zoals bedoeld beschermen en extra
letsel veroorzaken.
RVoorwerpen of bagage in de bagage‐
ruimte kunnen niet door de rugleuning
worden tegengehouden.
Stoelen en opbergen 119
#Voor iedere rit opletten dat de rugleu‐
ning en de achterbank/zitplaats ach‐
terinvergrendeld is.
Wanneer de linker en rechterrugleuning niet
vastgeklikt en vergrendeld zijn, wordt dit op het
multifunctioneel display van het combi-instru‐
ment weergegeven. Bovendien klinkt een waar‐
schuwingssignaal.
Als de middelste rugleuning niet vastgeklikt en
vergrendeld is, wordt de vergrendelingsindicator
rood.
De middelste en buitenste rugleuningen kunnen
afzonderlijk naar vorenworden geklapt.
De buitenste rugleuningen worden elektrisch
ontgrendeld. De ontgrendelingstoetsen bevinden
zich in de bagageruimte.
#De gordelslottong van de veiligheidsgordel
1in de gordelhouder 2bevestigen.
#Auto's zonder geheugenfunctie: Eventueel
de bestuurders- of de passagiersstoel naar
vorenverplaatsen.
#Auto's met geheugenfunctie: Als een of
meerdere delen van de rugleuning achterin
naar vorenworden geklapt,wordt de betref‐
fende voorstoel, indien nodig, iets naar voren
bewogen, om te voorkomen dat de stoelde‐
len elkaar raken.
120 Stoelen en opbergen
#Eventueel de hoofdsteunen van de rugleu‐
ning achterin volledig inschuiven.
#Linker en rechterrugleuning: Aan de rech‐
ter of linker ontgrendelingshendel 3trek‐
ken.
De betreffende rugleuning klapt naar voren.
#Middelste rugleuning: Trek de grendel 5
van de rugleuning 4naar voren.
#De rugleuning 4naar voren klappen.
#Eventueel de bestuurders- of de passagiers‐
stoel terugzetten.
Rugleuning achterin terugklappen
*AANWIJZING Beschadiging van de veilig‐
heidsgordel door inklemmen bij het
terugklappen van de rugleuning
De veiligheidsgordel kan bij het terugklappen
van de rugleuning bekneld raken en daardoor
worden beschadigd.
#Erop letten dat de veiligheidsgordel bij
het terugklappen van de rugleuning niet
bekneld raakt.
#Indien nodig de bestuurders- of de passa‐
giersstoel naar vorenverstellen.
#De betreffende rugleuning 1naar achteren
kantelen, tot deze vergrendelt.
Linker en rechterrugleuning: Als de rug‐
leuning niet vastgeklikt en vergrendeld is,
wordt dit op het multifunctioneel display van
het combi-instrument weergegeven.
Bovendien klinkt een waarschuwingssignaal.
Stoelen en opbergen 121
Middelste rugleuning: Als de rugleuning
niet vastgeklikt en vergrendeld is, is de rode
vergrendelingsindicator 2zichtbaar.
Ontgrendeling van de middelste rugleuning
achterin blokkeren
Voorwaarden
RDe linker en de middelste rugleuning zijn ver‐
grendeld en met elkaar verbonden.
Ukunt de bagageruimte tegen onbevoegde toe‐
gang beveiligen door de ontgrendeling van de
middelste rugleuning te blokkeren. Deze kan dan
alleen nog samen met de linker rugleuning naar
vorenworden geklapt.
#De middelste en linker rugleuning naar voren
klappen.
#Blokkeren: De schuif 1omhoogschuiven.
De ontgrendeling van de middelste rugleu‐
ning is geblokkeerd.
#Deblokkeren: De schuif 1omlaagschuiven.
Bagageruimteafdekking
Uitrollen en inrollen van de bagageruimteaf‐
dekking
&WAARSCHUWING Gevaar voor letsel of
levensgevaar door slecht vastgezette
voorwerpen
De bagageruimteafdekking alleen kangeen
zware voorwerpen en zware bagage tegen‐
houden of beveiligen.
Bij abrupte richtingswijzigingen, remmanoeu‐
vres of een ongeval kunt u geraakt worden
door niet-vastgezette bagage.
#Voorwerpen altijd zodanig opbergen,
dat ze niet kunnen rondslingeren.
#Voorwerpen en bagage ook bij gebruik
van de bagageruimteafdekking altijd
beveiligen tegenverschuiven of kante‐
len, bijvoorbeeld door deze vast te zet‐
ten.
122 Stoelen en opbergen
*AANWIJZING Beschadiging van de baga‐
geruimteafdekking bij het beladen van de
auto
Bij het beladen van de auto kan de bagage
ruimteafdekking worden beschadigd.
#Geen voorwerpen boven de onderrand
van de zijruiten of op de bagageruim‐
teafdekking neerleggen.
De bagageruimteafdekking bevindt zich achter
de rugleuning van de achterbank.
#Uitrollen: De bagageruimteafdekking 1aan
de handgreep 2naar achteren trekken en
links en rechts in de houders bevestigen.
#Oprollen: De bagageruimteafdekking 1
links en rechts uit de houders losmaken en
aan de handgreep 2naar vorengeleiden,
tot deze volledig opgerold is.
Bagageruimteafdekking uit- en inbouwen
Voorwaarden
RDe bagageruimteafdekking is opgerold.
#Uitbouwen: De eindkap van de bagageruim‐
teafdekking 1aan de rechterzijde indruk‐
ken.
#De bagageruimteafdekking 1in de tegen‐
overliggende uitsparing 2drukken.
#De bagageruimteafdekking 1naar boven
toeverwijderen.
#Inbouwen: De bagageruimteafdekking 1
aan de linkerzijde in de uitsparing 2plaat‐
sen.
#De tegenoverliggende eindkap van de baga‐
geruimteafdekking 1indrukken en de baga‐
geruimteafdekking 1in de andere uitspa‐
ring 2aanbrengen.
#De eindkap naar buiten schuiven.
Scheidingsnet bevestigen
&WAARSCHUWING Gevaar voor letsel of
levensgevaar door slecht vastgezette
voorwerpen
Het scheidingsnet alleen kangeen zware
voorwerpen en zware bagage tegenhouden of
beveiligen.
Bij abrupte richtingswijzigingen, remmanoeu‐
vres of een ongeval kunt u geraakt worden
door niet-vastgezette bagage.
Stoelen en opbergen 123
#Voorwerpen altijd zodanig opbergen,
dat ze niet kunnen rondslingeren.
#Voorwerpen en bagage ook bij gebruik
van het scheidingsnet altijd beveiligen
tegenverschuiven of kantelen, bijvoor‐
beeld. door deze vast te zetten.
Om veiligheidsredenen bij het transport van
bagage altijd een scheidingsnet gebruiken.
Beschadigde scheidingsnettenkunnen hun
beschermende functie niet meer vervullen en
moetenworden vervangen. Naar een gekwalifi‐
ceerdewerkplaats gaan.
Scheidingsnet zonder bagageruimtevergro‐
ting
#Het scheidingsnet vanaf de achterbank aan
de lus 1ver naar achteren uittrekken.
#Met de arm of de hand het scheidingsnet
naar achteren wegdrukken en tegen oprollen
vergrendelen.
#Het scheidingsnet eerst links en dan rechts
in de ogen 2bevestigen.
Scheidingsnet met bagageruimtevergroting
#Het scheidingsnet aan de lus 1naar boven
geleiden.
#Het scheidingsnet in de ogen 2bevestigen.
124 Stoelen en opbergen
Scheidingsnet bevestigen of losmaken
&WAARSCHUWING Gevaar voor letsel of
levensgevaar door slecht vastgezette
voorwerpen
Het scheidingsnet alleen kangeen zware
voorwerpen en zware bagage tegenhouden of
beveiligen.
Bij abrupte richtingswijzigingen, remmanoeu‐
vres of een ongeval kunt u geraakt worden
door niet-vastgezette bagage.
#Voorwerpen altijd zodanig opbergen,
dat ze niet kunnen rondslingeren.
#Voorwerpen en bagage ook bij gebruik
van het scheidingsnet altijd beveiligen
tegenverschuiven of kantelen, bijvoor‐
beeld. door deze vast te zetten.
Om veiligheidsredenen bij het transport van
bagage altijd een scheidingsnet gebruiken.
Beschadigde scheidingsnettenkunnen hun
beschermende functie niet meer vervullen en
moetenworden vervangen. Naar een gekwalifi‐
ceerdewerkplaats gaan.
Scheidingsnet zonder bagageruimtevergroting Scheidingsnet met bagageruimtevergroting
#Het scheidingsnet afrollen en ontvouwen.
De kruiskoppelingenvan de bovenste en de
onderstegeleidingsstang vergrendelen hoor‐
baar.
#Bevestigen: De geleidingsstang 1in het
plafond in de houders 2bevestigen.
Stoelen en opbergen 125
#De haken3in de sjorogen 4links en
rechts bevestigen.
#Aan de losse uiteinden van de sjorbanden
trekken, tot het scheidingsnet gespannen is.
#Na een korterit de spanning van het schei‐
dingsnet controleren en zo nodig naspannen.
#Losmaken: De gordelklem 5omhoogtrek‐
kentot de sjorbanden slap hangen.
#De haken3links en rechts losmaken uit de
sjorogen 4.
#De geleidingsstang1uit de houders 2los‐
maken.
#Opbergen: De rode knop op de bovenste en
onderstegeleidingsstang indrukken.
#Het scheidingsnet opvouwen en oprollen.
Overzicht van de sjorogen
De aanwijzingen met betrekking tot het beladen
van de auto in acht nemen (/pagina 117).
1Sjorogen
126 Stoelen en opbergen
Overzicht van de tashaken
&WAARSCHUWING Gevaar voor letsel bij
gebruik van de tashaken met zware voor‐
werpen
De tashaak kan zware voorwerpen of bagage
niet tegenhouden.
Bij remmanoeuvres of abrupte richtingswijzi‐
gingen kunnen voorwerpen of bagage rond‐
slingeren en daardoor inzittenden raken.
#Alleen lichte voorwerpen aan de tas‐
haak hangen.
#Nooit harde, scherpkantige of breek‐
bare voorwerpen aan de tashaak han‐
gen.
De aanwijzingen met betrekking tot het beladen
van de auto in acht nemen (/pagina 117).
De tashaken met maximaal 3 kg belasten en
geen lading eraan vastbinden.
1Tashaken
Overzicht kledinghaken aan de achterklep
De aanwijzingen met betrekking tot het beladen
van de auto in acht nemen (/pagina 117).
1Kledinghaak
Kledinghaken zijn niet geschikt voor het ophan‐
genvan zware voorwerpen, omdat in dat geval
de achterklep automatisch omlaag kangaan. De
kledinghaken alleen voor lichte voorwerpen
gebruiken, bijvoorbeeld jassen.
Stoelen en opbergen 127
EASY-PACK fixkit
Aanwijzingen met betrekking tot de insteek‐
module bagageruimte (telescoopstangen)
Met de EASY-PACK fixkit kunt u de bagageruimte
variabel gebruiken. De onderdelen ervan bevin‐
den zich in het opbergvak onder de bagageruim‐
tebodem.
1Telescoopstang met bevestigingselementen
en houders
Telescoopstang aanbrengen
&WAARSCHUWING Gevaar voor letsel
door open bagageruimtebodem
Als met geopende bagageruimtebodem
wordtgereden, kunnen voorwerpen rondslin‐
geren en daarbij inzittenden raken. Er
bestaat gevaar voor letsel, in het bijzonder bij
remmanoeuvres of plotselinge richtingswijzi‐
gingen!
#Vóór de rit altijd de bagageruimtebo‐
dem sluiten.
#De bagageruimtebodem openen
(/pagina 129).
#De houders 1in de gewenste positie aan de
zijkant in de bagageruimtebodem aanbren‐
gen.
#De bagageruimtebodem sluiten.
128 Stoelen en opbergen
#De bevestigingselementen 2in de houders
1aanbrengen.
#De telescoopstang 3uit elkaar trekken.
#De telescoopstang 3in de bevestigingsele‐
menten2aanbrengen.
#De beide bevestigingselementen 2in de
stand &draaien tot deze merkbaar ver‐
grendelen.
Opbergvak onder de bagageruimtebodem
openen of sluiten
&WAARSCHUWING Gevaar voor letsel
door open bagageruimtebodem
Als met geopende bagageruimtebodem
wordtgereden, kunnen voorwerpen rondslin‐
geren en daarbij inzittenden raken. Er
bestaat gevaar voor letsel, in het bijzonder bij
remmanoeuvres of plotselinge richtingswijzi‐
gingen!
#Vóór de rit altijd de bagageruimtebo‐
dem sluiten.
#Openen: De handgreep 1aan het gerib‐
belde gedeelte omlaagdrukken.
De handgreep 1klapt omhoog.
#De bagageruimtebodem aan de ontgrende‐
lingshendel 1omhoogklappen.
#Sluiten: De bagageruimtebodem omlaag‐
klappen en vervolgens aan de handgreep 1
omlaagdrukken, tot deze vergrendelt.
Stoelen en opbergen 129
Dakdragers bevestigen
&WAARSCHUWING Gevaar voor ongeval‐
len bij overschrijden van de maximum‐
dakbelasting
Wanneer het dak wordt beladen, wordt het
zwaartepunt van de auto verhoogd en wijzi‐
gen de gebruikelijke rij-eigenschappen en het
stuur- en het remgedrag. De auto kantelt
meer als in een bochtwordtgereden en kan
zwaarder reageren op bewegingen van het
stuurwiel.
Wanneer de maximumdakbelasting wordt
overschreden, worden de rij-eigenschappen
en het stuur‑ en remgedrag sterk nadelig
beïnvloedt.
#Beslist de maximumdakbelasting aan‐
houden en de rijstijl aanpassen.
De maximumdakbelasting vindt u in het hoofd‐
stuk "Technische gegevens".
*AANWIJZING Schade aan de auto door
niet goedgekeurde dakdragers
Bij niet voor Mercedes-Benz geteste en goed‐
gekeurde dakdragers kan schade aan de auto
ontstaan.
#Alleen voor Mercedes-Benz geteste en
goedgekeurde dakdragers gebruiken.
#Afhankelijk van de uitrusting van de
auto, bij een gemonteerde dakdrager
controleren:
Rdat het schuifdak volledig omhoog
kanworden gebracht.
Rdat de achterklep volledig kanwor‐
den geopend.
#De bagage zodanig op de dakdrager
aanbrengen dat de auto ook tijdens het
rijden niet kanworden beschadigd.
*AANWIJZING Beschadiging van de
afdekkingen
De afdekkingen kunnen bij het openen wor‐
den beschadigd en bekrast.
#Geen metalen of harde voorwerpen
gebruiken.
130 Stoelen en opbergen
#De afdekkingen 1voorzichtig in de richting
van de pijl omhoogklappen.
#De dakdrager aan de bevestigingspunten
onder de afdekkingen1bevestigen.
#De montagehandleiding van de fabrikant van
de dakdrager opvolgen.
#De bagage op de dakdrager beveiligen.
Bekerhouder
Bekerhouder in de middenconsole verwijde‐
ren en aanbrengen
&WAARSCHUWING Gevaar voor ongeval‐
len en letsel bij gebruik van de bekerhou‐
der tijdens het rijden
De bekerhouder kan tijdens het rijden geen
bekers beveiligen.
Als tijdens het rijden een bekerhouder wordt
gebruikt, kan de bekerkan en kanvloeistof
worden gemorst. Inzittenden kunnen met de
vloeistof in aanraking komen en, in het bij‐
zonder door een hete vloeistof, brandwonden
oplopen. U kunt van de verkeerssituatie wor‐
den afgeleid en de controle over de auto ver‐
liezen.
#De bekerhouder alleen gebruiken als de
auto stilstaat.
#Alleen passende bekers in de bekerhou‐
der plaatsen.
#De beker sluiten, in het bijzonder bij
hete vloeistoffen.
#Verwijderen: De vergrendeling 2naar
voren schuiven en de bekerhouder 1verwij‐
deren.
#Aanbrengen: De bekerhouder 1aanbren‐
gen en de vergrendeling 2terugschuiven.
%De rubbermat van de bekerhouder kanwor‐
den verwijderd om te worden gereinigd, bij‐
voorbeeld met helder, lauw water.
Stoelen en opbergen 131
Bekerhouder in de armsteun achterin openen
of sluiten
*AANWIJZING Beschadiging van de arm‐
steun achterin lichaamsgewicht
De uitgeklapte armsteun achterin kanwor‐
den beschadigd door lichaamsgewicht.
#Niet op de armsteun achterin zitten of
erop leunen.
*AANWIJZING Beschadiging van de
bekerhouder
De bekerhouder kan bij het terugklappen van
de armsteun achter worden beschadigd.
#De armsteun achter alleen bij gesloten
bekerhouder terugklappen.
#Openen: Op de bekerhouder 1of 2druk‐
ken.
De bekerhouder 1of 2komt vanzelf naar
buiten.
#Sluiten: De bekerhouder 1of 2naar ach‐
teren schuiven, tot deze vergrendelt.
Asbak en sigarettenaansteker
Asbak in de middenconsole voorin gebruiken
*AANWIJZING Beschadiging van het
opbergvak onder de asbak door grote
hitte
Het opbergvak onder de asbak is niet hitte‐
bestendig en kanworden beschadigd door
het neerleggen van brandende sigaretten.
#De asbak moet volledig vergrendeld
zijn.
132 Stoelen en opbergen
#Openen: Het deksel 2van de asbak aan de
rechter- of de linkerzijde omhoogdrukken.
#Binnenbakje verwijderen: Het binnenbakje
1iets naar voren drukken en naar boven
toe uitnemen.
#Binnenbakje aanbrengen: Het binnenbakje
1in de houder drukken, tot het vergrendelt.
Asbak achterin gebruiken
#Openen: De afdekking 2aan de greeprand
eruit trekken.
#Binnenbakje verwijderen: Links op het
geribbeld gedeelte 3drukken en het bin‐
nenbakje 1omhoog eruit trekken.
#Binnenbakje aanbrengen: Het binnenbakje
1van bovenaf aanbrengen en in de houder
drukken, tot het vergrendelt.
Sigarettenaansteker in de middenconsole
voorin gebruiken
&WAARSCHUWING Gevaar voor brand en
letsel door hete sigarettenaansteker
Wanneer het hete verwarmingselement van
de sigarettenaansteker of de hete fitting wor‐
den aangeraakt, kunt u zich branden.
Bovendien kunnen ontvlambare materialen
ontsteken:
Rwanneer de hete sigarettenaanstekervalt.
Rwanneer bijvoorbeeld kinderen de hete
sigarettenaanstekertegenvoorwerpen
houden.
#De sigarettenaansteker altijd aan de
handgreep vasthouden.
#Altijd ervoor zorgen dat kinderen niet
bij de sigarettenaanstekerkunnen.
#Kinderen nooit zonder toezicht in de
auto laten.
Voorwaarden
RHet contact is ingeschakeld.
#De sigarettenaansteker1indrukken.
Als de spiraal gloeit, springt de sigaretten‐
aansteker automatisch terug.
Stoelen en opbergen 133
Contactdozen
12V-aansluiting in de middenconsole voorin
gebruiken
Voorwaarden
REr zijn slechts apparaten tot maximaal 180 W
(15 A) toegestaan.
#Het deksel 1van de contactdoos openklap‐
pen.
#De stekker van het apparaat aansluiten.
Als een apparaat op de 12V-aansluiting wordt
aangesloten, het deksel van het opbergvak
geopend laten.
12V-aansluiting achterin gebruiken
Voorwaarden
REr zijn slechts apparaten tot maximaal 180 W
(15 A) aangesloten.
#De afdekking 2aan de greeprand eruit trek‐
ken.
#Het deksel van de contactdoos 1openklap‐
pen.
230V-aansluiting achterin gebruiken
&GEVAAR Levensgevaar bij beschadigde
aansluitkabel of contactdoos
Als een geschikt apparaat aangesloten is, is
er een hoge spanning aanwezig op de 230V-
contactdoos. Als de aansluitkabel of de
230V-contactdoos uit de behuizing is getrok‐
ken, beschadigd of nat is, kunt u een stroom‐
stoot krijgen.
#Alleen een droge en onbeschadigde
aansluitkabel gebruiken.
#Bij uitgeschakeld contact controleren of
de 230V-contactdoos droog is.
#Een uit de behuizing getrokken of
beschadigde 230V-contactdoos direct
laten controleren of vervangen bij een
gekwalificeerde werkplaats.
#De aansluitkabel nooit in een uit de
behuizing getrokken of beschadigde
230V-contactdoos steken.
134 Stoelen en opbergen
&GEVAAR Levensgevaar door ondeskun‐
dige omgang met de contactdoos
Ukunt een stroomstoot krijgen:
Rals u de contactdoos aan de binnenkant
aanraakt.
Rals u ongeschikte apparatuur of voorwer‐
pen in de contactdoos steekt.
#Niet de binnenkant van de contactdoos
aanraken.
#Alleen geschikte apparatuur op de con‐
tactdoos aansluiten.
Voorwaarden
RDe apparaten zijn uitgerust met een
geschikte stekker die voldoet aan de betref‐
fende landspecifieke normen.
REr wordt een apparaat tot maximaal 150W
(0,65A) gebruikt.
REr worden geen stekkerdozen gebruikt.
#De klep 3openen.
#De stekker van het apparaat in de 230V-aan‐
sluiting 1steken.
Als de boordnetspanning voldoende is gaat
het controlelampje 2branden.
12V-aansluiting in bagageruimte gebruiken
Voorwaarden
REr zijn slechts apparaten tot maximaal 180 W
(15 A) aangesloten.
#Het deksel 1van de contactdoos openklap
pen en de stekker van het apparaat aanbren‐
gen.
Stoelen en opbergen 135
Draadloos opladen van de mobiele telefoon
en koppeling met de buitenantenne
Aanwijzingen met betrekking tot het draad‐
loos opladen van de mobiele telefoon
&WAARSCHUWING Gevaar voor letsel
door ongeschikt opbergen vanvoorwer‐
pen
Als voorwerpen op ongeschikte wijze in het
interieur worden opgeborgen, kunnen ze ver‐
schuiven of rondvliegen en daardoor inzitten‐
den raken. Bovendien kunnen bekerhouders,
geopende opbergvakken en mobiele-tele‐
foonhouders bij een ongeval de daarin aan‐
wezige voorwerpen niet altijd tegenhouden.
Er bestaat gevaar voor letsel, in het bijzonder
bij remmanoeuvres of plotselinge richtings‐
wijzigingen!
#Voorwerpen altijd zodanig opbergen,
dat ze in deze of vergelijkbare situaties
niet kunnen rondvliegen.
#Altijd waarborgen dat voorwerpen niet
uit opbergvakken, bagagenetten of
opbergnetten steken.
#De afsluitbare opbergvakken voor aan‐
vang van de rit sluiten.
#Zware, harde, scherpe, breekbare of te
grotevoorwerpen altijd in de bagage‐
ruimte opbergen en beveiligen.
De aanwijzingen met betrekking tot het beladen
van de auto in acht nemen.
&WAARSCHUWING Brandgevaar door het
bewarenvan de voorwerpen in de
mobiele-telefoonhouder
Als er meer dan één mobiele telefoon in de
mobiele-telefoonhouder wordtgeplaatst, ont‐
staat er met name gevaar voor brand.
#Behalve een mobiele telefoon geen
andere voorwerpen in de mobiele-tele‐
foonhouder plaatsen, vooral geen meta‐
len voorwerpen.
*AANWIJZING Beschadiging vanvoorwer‐
pen door het bewaren in de mobiele-tele‐
foonhouder
Als voorwerpen in de houder van de mobiele
telefoon worden gelegd, kunnen ze door
elektromagnetische velden worden bescha‐
digd.
#Geen credit cards, opslagmedia of
andere gevoelig op elektromagnetische
velden reagerende voorwerpen in de
mobiele-telefoonhouder leggen.
*AANWIJZING Beschadiging van de
mobiele-telefoonhouder door vloeistoffen
Wanneer vloeistoffen in de mobiele-telefoon‐
houder terechtkomen, kan deze beschadigd
raken.
#Erop letten dat er geen vloeistoffen in
de mobiele-telefoonhouder terecht
komen.
RAfhankelijk van de uitrusting van de auto
wordt de mobiele telefoon via de oplaadmo‐
136 Stoelen en opbergen
dule verbonden met de buitenantenne van de
auto.
RAlleen als het contact is ingeschakeld zijn de
oplaadfunctie en de draadloze koppeling van
de mobiele telefoon met de buitenantenne
van de auto beschikbaar.
RKleine mobiele telefoons kunnen mogelijk
niet op elke plaats van de mobiele-telefoon‐
houder worden opgeladen.
RGrote mobiele telefoons die niet in de
mobiele-telefoonhouder liggen, kunnen
mogelijk niet worden opgeladen of worden
gekoppeld met de buitenantenne van de
auto.
RDe mobiele telefoon kan bij het opladen
warm worden. Dit kanvooral afhankelijk zijn
van de op dat moment op de achtergrond
geopende applicaties (apps).
RVoor efficiënter opladen en koppeling met de
buitenantenne van de auto de beschermhoes
van de mobiele telefoon verwijderen. Dit
geldt niet voor beschermhoezen die voor het
draadloos opladen noodzakelijk zijn.
Mobiele telefoon draadloos opladen
Voorwaarden
RDe mobiele telefoon is geschikt voor draad‐
loos opladen. Een lijst met geschikte mobiele
telefoons vindt u onder:
http://www.mercedes-benz-mobile.com
#De mobiele telefoon zo mogelijk in het mid‐
den, met het display omhoog, op de mat 1
leggen.
Wanneer in het multimediasysteem het
oplaadsymbool wordtweergegeven, wordt de
mobiele telefoon opgeladen.
Storingen bij het opladen worden weergege
ven op het mediadisplay.
%De mat kan aan de lus worden verwijderd
om te worden gereinigd, met bijvoorbeeld
helder, lauw water.
Vloermat verwijderen en aanbrengen
&WAARSCHUWING Gevaar voor ongeval‐
len door voorwerpen in de beenruimte
van de bestuurder
Voorwerpen in de beenruimte van de
bestuurder kunnen de slag van de pedalen
beperken en een ingedrukt pedaal blokkeren.
Hierdoor wordt de bedrijfs‑ en verkeersveilig‐
heid van de auto in gevaar gebracht.
#Alle voorwerpen in de auto veilig opber‐
gen, opdat deze niet in de beenruimte
van de bestuurder terechtkunnen
komen.
#De vloermatten altijd stevig en zoals
voorgeschreven aanbrengen, zodat
Stoelen en opbergen 137
altijd voldoende vrijeruimte voor de
pedalen is gewaarborgd.
#Geen losse vloermatten gebruiken en
niet meerdere vloermatten op elkaar
leggen.
#Aanbrengen: De betreffende stoel naar ach‐
teren schuiven en de vloermat in de been‐
ruimte aanbrengen.
#De drukknoppen 1op de houders 2druk‐
ken.
#De betreffende stoel instellen.
#Verwijderen: De vloermatten van de hou‐
ders 2trekken.
#De vloermat verwijderen.
138 Stoelen en opbergen
Exterieurverlichting
Aanwijzingen voor het aanpassen van de ver‐
lichting bij buitenlandse reizen
Een aanpassing van de koplampen is niet vereist.
Er wordteveneens aan de wettelijke eisen vol‐
daan in landen waarin aan de andere kant van de
wegwordtgereden.
Aanwijzingen over verlichtingssystemen en
uw verantwoordelijkheid
De verschillende verlichtingssystemen van de
auto zijn slechts hulpmiddelen. De verantwoor‐
delijkheid voor de correcte voertuigverlichting
overeenkomstig de heersende licht- en zichtom‐
standigheden, de wettelijke bepalingen en de
verkeerssituatie ligt bij de bestuurder van de
auto.
Verlichtingsschakelaar
Verlichtingsschakelaar bedienen
1WLinker parkeerlicht
2XRechter parkeerlicht
3TStandlicht en kentekenplaatverlichting
4ÃAutomatisch rijlicht (aanbevolen stand
van de verlichtingsschakelaar)
5LDimlicht en grootlicht
6RMistachterlicht in- of uitschakelen
Bij activering van het dimlichtwordt het contro‐
lelampje voor het standlicht Tgedeactiveerd
en door het controlelampje dimlicht Lver‐
vangen.
#De auto altijd overeenkomstig wettelijke
regelingen veilig en voldoende verlicht parke
ren.
*AANWIJZING Accu-ontlading door stand‐
licht
Als het standlicht gedurende meerdere uren
ingeschakeld blijft, wordt de accu belast.
#Indien mogelijk het rechterXof het
linker Wparkeerlicht inschakelen.
Bij een sterke accu-ontlading wordt het stand- of
parkeerlicht ten gunste van de volgende motor‐
start automatisch uitgeschakeld.
De exterieurverlichting (behalve stads- en par‐
keerlicht) wordt automatisch uitgeschakeld als
het bestuurdersportier wordtgeopend.
Licht en zicht 139
RDe aanwijzingen met betrekking tot de oriën‐
tatieverlichting in acht nemen
(/pagina 145).
Werking van het automatisch rijlicht
Het standlicht, het dimlicht en het dagrijlicht
worden overeenkomstig de status van het con‐
tact, het draaien van de motor en het omge‐
vingslicht automatisch geschakeld.
&WAARSCHUWING Gevaar voor ongeval‐
len door uitgeschakeld dimlicht bij zicht‐
beperkingen
Als de verlichtingsschakelaar in de stand
Ãstaat, schakelt het dimlicht bij mist,
sneeuw en andere zichtbeperkingen zoals
spatwater niet automatisch in.
#De verlichtingsschakelaar in dergelijke
situaties in de stand Ldraaien.
Het automatisch rijlicht is slechts een hulpmid‐
del. De verantwoordelijkheid voor het inschake‐
len van de verlichting ligt altijd bij de bestuurder.
Mistachterlicht in- of uitschakelen
Voorwaarden
RDe verlichtingsschakelaar bevindt zich in de
stand Lof Ã.
#De toetsRindrukken.
De landspecifieke regelingen voor gebruik van
het mistachterlicht in acht nemen.
Combischakelaar verlichting bedienen
1Grootlicht
2Knipperlichten rechts
3Lichtsignaal
4Knipperlichten links
#De betreffende functie met de combischake‐
laar bedienen.
140 Licht en zicht
Grootlicht
#Inschakelen: De verlichtingsschakelaar in de
stand Lof Ãdraaien.
#De combischakelaar in de richting van de pijl
1tot voorbij het drukpunt indrukken.
Bij activering van het grootlichtwordt het
controlelampje voor het dimlicht L
gedeactiveerd en door het controlelampje
grootlicht Kvervangen.
#Uitschakelen: De combischakelaar in de uit‐
gangspositie terugtrekken.
Lichtsignaal
#De combischakelaar in de richting van de pijl
3trekken.
Knipperlichten
#Kort knipperen: De combischakelaar kort
tot het drukpunt in de richting van de pijl 2
of 4drukken.
De betreffende knipperlichten knipperen
driemaal.
#Permanent knipperen: De combischakelaar
tot voorbij het drukpunt in de richting van de
pijl 2of 4drukken.
Auto's met actieve rijstrookwisselassistent:
RGedurende het veranderenvanrijstrook
kan het door de bestuurder geactiveerde
knippersignaal worden verlengd.
RDe knipperlichten kunnen automatisch
worden geactiveerd, wanneer de bestuur‐
der net de knipperlichten heeft bediend,
maar het wisselen vanrijstrook niet
meteen mogelijk was.
Noodknipperlichten in- of uitschakelen
#De toets1indrukken.
In de volgende situaties wordt het noodknipper‐
licht automatisch ingeschakeld:
RDe airbag is geactiveerd.
RDe auto wordtsterk, vanaf een snelheid
boven 70 km/h, afgeremd tot stilstand van
de auto.
Licht en zicht 141
Als vervolgens wordtverder gereden, wordt de
alarmknipperlichtinstallatie bij circa 10 km/h
automatisch uitgeschakeld. U kunt de alarmknip‐
perlichtinstallatie ook met de toets1uitscha‐
kelen.
Adaptieve functies MULTIBEAM LED's
Functies van het Intelligent Light System
De ACTIVE MULTIBEAM LED koplampen passen
zich aan de rij- en weersomstandigheden aan en
bieden uitgebreide functies voor een betere ver‐
lichting van de rijbaan.
Het systeem bestaat uit de volgende functies:
RActieve bochtenverlichting (/pagina 142)
RBochtenverlichting (/pagina 142)
RVerlichting voor snelwegen (/pagina 143)
RCitylicht (/pagina 143)
Systeemgrenzen
RHet systeem werkt alleen als het donker is.
Werking van de actieve bochtenverlichting
Functies van de actieve bochtenverlichting:
RDe koplampen volgen de stuurbewegingen.
RDaardoor worden relevante gebieden tijdens
het rijden beterverlicht.
De functies zijn bij ingeschakeld grootlicht actief.
Afhankelijk van de uitrusting van de auto wordt
bovendien het verloop van de eigenweghelft
geanalyseerd en de actieve bochtenverlichting
anticiperend aangestuurd.
Werking van de bochtenverlichting
De bochtenverlichting verbetert de verlichting
van de weg in de rijrichtingsverandering, zodat
bijvoorbeeld scherpe bochten overzichtelijker
worden. De bochtenverlichting kan alleen wor‐
den geactiveerd als het dimlicht ingeschakeld is.
In de volgende gevallen is de functie actief:
Rbij snelheden onder 40 km/h en ingescha‐
keld knipperlicht of er wordt aan het stuur‐
wiel gedraaid..
Rbij snelheden tussen 40 km/h en 70 km/h
en er wordt aan het stuurwiel gedraaid..
142 Licht en zicht
Rotonde- en kruisingsfunctie: De bochtenver‐
lichting wordt door de verwerking van de actuele
GPS-positie van de auto aan beide zijden geacti‐
veerd. Het blijft actief totdat de rotonde of krui‐
sing wordtverlaten.
Werking van de verlichting voor snelwegen
De verlichting voor snelwegen vergroot het
bereik en de helderheid van de lichtbundel en
maakt een verder zicht mogelijk.
De functie is actief wanneer een snelwegrit
wordt herkend:
Raan de hand van de rijsnelheid
Rvia de multifunctionele camera
Rof via het GPS
In de volgende gevallen is de functie niet actief:
Rbij snelheden onder 80 km/h
Functie van het Citylicht
Het Citylicht verbetert de verlichting van de zij‐
kant van de weg binnen de bebouwde kom door
een brede lichtverdeling.
In de volgende gevallen is de functie actief:
Rbij lage snelheden
Rin verlichte gebieden binnen de bebouwde
kom
Intelligent Light System in- of uitschakelen
Voorwaarden
RHet contact is ingeschakeld.
Multimediasysteem:
4©5Instellingen 5Verlichting
5Intelligent Light System
#De functie in- of uitschakelen.
Adaptieve grootlichtassistent Plus
Werking van de adaptieve grootlichtassistent
Plus
&WAARSCHUWING Gevaar voor ongeval‐
len ondanks adaptieve grootlichtassis‐
tent Plus
De adaptieve grootlichtassistent Plus rea‐
geert niet op de volgende verkeersdeelne‐
mers:
RVerkeersdeelnemers die geen verlichting
hebben, bijvoorbeeld voetgangers
RVerkeersdeelnemers die een zwakke ver‐
lichting hebben, bijvoorbeeld fietsers
RVerkeersdeelnemers waarvan de verlich‐
ting afgedekt is, bijvoorbeeld door een
vangrail
In zeer sporadische gevallen reageert de
adaptieve grootlichtassistent Plus niet of niet
tijdig op andere verkeersdeelnemers met
eigen verlichting.
Licht en zicht 143
Daaromwordt het automatische grootlicht in
deze of vergelijkbare situaties niet gedeacti‐
veerd of desondanks geactiveerd.
#Altijd goed de verkeerssituatie in de
gaten houden en het grootlicht tijdig
uitschakelen.
De adaptieve grootlichtassistent Plus kangeen
rekening houden met de weg- en weersomstan‐
digheden en de verkeerssituatie.
De herkenning kan in de volgende gevallen
beperkt zijn:
RBij slecht zicht, bijvoorbeeld door mist,
hevige regen of sneeuw
RBij vervuilde of afgedekte sensoren
De adaptieve grootlichtassistent Plus is slechts
een hulpmiddel. De verantwoordelijkheid voor de
correcte voertuigverlichting overeenkomstig de
heersende licht- en zichtomstandigheden en de
verkeerssituatie ligt bij u.
%De adaptieve grootlichtassistent Plus is
alleen bij auto's met Intelligent Light System
beschikbaar.
De adaptieve grootlichtassistent Plus wisselt
automatisch tussen de volgende lichttypen:
RDimlicht
RGedeeltelijk grootlicht
RGrootlicht
Het gedeeltelijk grootlicht schijnt met het groot‐
licht aan andere verkeersdeelnemers voorbij en
verblindt deze niet. De voorligger bevindt zich in
het dimlichtbereik.
Bij snelheden boven 30 km/h:
RAls geen andere verkeersdeelnemers worden
herkend, wordt automatisch het grootlicht
ingeschakeld.
RAls andere verkeersdeelnemers worden her‐
kend, wordt automatisch het gedeeltelijk
grootlicht ingeschakeld.
Bij snelheden onder 25 km/h of voldoende
straatverlichting:
RHet gedeeltelijk grootlicht schakelt automa‐
tisch uit.
RHet grootlicht schakelt automatisch uit.
Bij snelheden boven circa 50 km/h:
RDe lichtbundel van het dimlichtwordt in rela‐
tie tot de afstand tot andere verkeersdeelne‐
mers automatisch geregeld.
De optische sensor voor het systeem bevindt
zich achter de voorruit bij het bedieningspaneel
dakconsole.
144 Licht en zicht
Adaptieve grootlichtassistent Plus in- of uit‐
schakelen
#Inschakelen: De verlichtingsschakelaar in de
stand Ãdraaien.
#Het grootlicht via de combischakelaar inscha‐
kelen.
Als het grootlicht bij duisternis automatisch
wordt ingeschakeld, gaat het controle‐
lampje _op het multifunctioneel display
branden.
#Uitschakelen: Het grootlicht via de combi‐
schakelaar inschakelen.
Uitschakelvertragingstijd exterieurverlich‐
ting instellen
Voorwaarden
RDe verlichtingsschakelaar staat in de stand
Ã.
Multimediasysteem:
4©5Instellingen 5Verlichting
5Uitschakelvertr. buiten
#Een uitschakelvertragingstijd van de verlich‐
ting instellen.
Bij het afzettenvan de auto wordt de exte
rieurverlichting gedurende de ingestelde tijd
geactiveerd.
Oriëntatieverlichting in- of uitschakelen
Multimediasysteem:
4©5Instellingen 5Verlichting
5Oriëntatieverlichting
Bij actieve Oriëntatieverlichting brandt de exte
rieurverlichting gedurende 40 seconden na het
ontgrendelen van de auto. Als de auto wordt
gestart, wordt de oriëntatieverlichting gedeacti‐
veerd en het automatisch rijlichtgeactiveerd.
#De functie in- of uitschakelen.
Interieurverlichting
Interieurverlichting instellen
Bedieningspaneel dakconsole voorin
1pLeeslampje linksvoor
2|Automatische besturing van interieur‐
verlichting
3cInterieurverlichting voorin
4uInterieurverlichting achterin
5pLeeslampje rechtsvoor
#In- of uitschakelen: De betreffende toets
1-5indrukken.
Licht en zicht 145
Bedieningseenheid in handgreep
1pLeeslampje achterin
#In- of uitschakelen: De toets1indrukken.
Bedieningseenheid achterin
1pLeeslampje achterin
#In- of uitschakelen: De toets1indrukken.
Sfeerverlichting instellen
Multimediasysteem:
4©5Comfort 5Sfeerverlichting
Kleur instellen
#Kleur selecteren.
#De gewenste kleur instellen.
%Er zijn 64 kleuren beschikbaar.
Helderheid instellen
#Helderheid selecteren.
#De helderheid instellen.
Lichtsterkte van de zones activeren
#Helderheid selecteren.
#Helderheidszones selecteren.
#De functie in- of uitschakelen.
De zones ACCENT,SFEER en ROOSTERS zijn
afzonderlijk instelbaar.
Meerkleurige verlichting activeren
#Kleur selecteren.
146 Licht en zicht
#Meerkleurig selecteren.
Tien vooraf ingestelde kleurencombinaties
zijn beschikbaar.
#Een kleurencombinatie selecteren.
Meerkleurige animatie activeren
#Kleur selecteren.
#Meerkleurig geanimeerd selecteren.
De ingestelde kleurencombinatie verandert
met een vast ritme.
Begroetingsverlichting activeren
#Kleur selecteren.
#Welkom selecteren.
Bij het ontgrendelen van de auto doorloopt
de sfeerverlichting een speciaal scenario.
Afhankelijkheid van de klimaatinstellingen
activeren
#Kleur selecteren.
#Klimaatregeling selecteren.
Bij wijzigingen van de temperatuurinstelling
in de auto verandert kort de kleur van de
sfeerverlichting.
Uitschakelvertragingstijd verlichting binnen
in- en uitschakelen
Multimediasysteem:
4©5Instellingen 5Verlichting
5Uitsch.vertr. binnen
#De uitschakelvertragingstijd van de verlich‐
ting in- of uitschakelen.
Wanneer deze functie actief is, brandt de
interieurverlichting na het vergrendelen van
de auto gedurende een korte tijd verder.
Ruitenwissers en ruitensproeierinstallatie
Ruitenwissers voorruit in- of uitschakelen
1gRuitenwissers uit
2ÄIntervalwissen normaal
3ÅIntervalwissen frequent
4°Continu wissen langzaam
5¯Continu wissen snel
Licht en zicht 147
#De combischakelaar in de betreffende stand
1-5draaien.
#Eenmaal wissen/sproeien: Op de combi‐
schakelaar de toets in de richting van de pijl
1bedienen.
RíEenmaal wissen
RîWissen met ruitensproeiervloeistof
Achterruitenwisser in- of uitschakelen
1bWissen met ruitensproeiervloeistof
2°Intervalwissen inschakelen
3gIntervalwissen uitschakelen
4bWissen met ruitensproeiervloeistof
#De schakelaar 1èin de betreffende
stand 1-4draaien.
Bij ingeschakelde achterruitenwisser ver‐
schijnt in het combi-instrument het symbool
è.
Ruitenwisserbladen voorruit vervangen
&WAARSCHUWING Inklemgevaar door
ingeschakelde ruitenwissers bij het ver‐
vangen van de ruitenwisserbladen
Wanneer de ruitenwissers in beweging
komen bij het vervangen van de ruitenwisser‐
bladen, kunt u door de ruitenwisserarm
bekneld raken
#Alvorens de ruitenwisserbladen te ver‐
vangen, altijd de ruitenwissers en het
contact uitschakelen.
Ruitenwisserarmen in de vervangingsstand
zetten
#Het contact in- en direct weer uitschakelen.
148 Licht en zicht
#Binnen circa 15 seconden de toetsîop
de combischakelaar gedurende circa drie
seconden indrukken (/pagina 147).
De ruitenwisserarmen gaan naar de vervan‐
gingsstand.
Ruitenwisserbladen verwijderen
#De ruitenwisserarmen van de voorruit weg‐
klappen.
#De ruitenwisserarm met één hand vasthou‐
den. Met de andere hand het ruitenwisser‐
blad in de richting van de pijl 1tot de aan‐
slag van de ruitenwisserarm wegdraaien.
#De schuif 2in de richting van de pijl 3
schuiven, tot deze in de demontagepositie
vergrendelt.
#Het ruitenwisserblad in de richting van de pijl
4van de ruitenwisserarm verwijderen.
Ruitenwisserbladen aanbrengen
#Het nieuwe ruitenwisserblad in de richting
van de pijl 1op de ruitenwisserarm aan‐
brengen.
#De schuif 2in de richting van de pijl 3
schuiven, tot deze in de vergrendelingsposi‐
tie vergrendelt.
Licht en zicht 149
#De bevestiging van het ruitenwisserblad con‐
troleren.
#De ruitenwisserarmen weer naar de voorruit
klappen.
#Het contact inschakelen.
#Op de combischakelaar de toetsî
indrukken (/pagina 147).
De ruitenwisserarmen gaan terug naar de uit‐
gangspositie.
Onderhoudsindicatie
#De beschermfolie 1van de onderhoudsindi‐
catie bij de punt van het blad van het nieuwe
ruitenwisserblad lostrekken.
Als de kleur van de onderhoudsindicatie veran‐
dert van zwart naar geel, moeten de ruitenwis‐
serbladen worden vervangen.
%De tijd tot het veranderenvan de kleur is
afhankelijkvan de gebruiksvoorwaarden.
Ruitenwisserblad achterruit vervangen
&WAARSCHUWING Inklemgevaar door
ingeschakelde ruitenwissers bij het ver‐
vangen van de ruitenwisserbladen
Wanneer de ruitenwissers in beweging
komen bij het vervangen van de ruitenwisser‐
bladen, kunt u door de ruitenwisserarm
bekneld raken
#Alvorens de ruitenwisserbladen te ver‐
vangen, altijd de ruitenwissers en het
contact uitschakelen.
Ruitenwisserblad verwijderen
#Het contact uitschakelen.
150 Licht en zicht
#De ruitenwisserarm 2van de achterruit
wegklappen, tot deze in de vervangingsstand
vergrendelt.
#Het ruitenwisserblad 1op de ruitenwisse‐
rarm 2losmaken en in de richting van de
pijl 3verwijderen.
Ruitenwisserblad aanbrengen
#Het ruitenwisserblad 1met de beide nok‐
ken3in de houder 2van de ruitenwisse‐
rarm aanbrengen.
#Het ruitenwisserblad 1in de richting van de
pijl 4drukken, tot het in de houder 2vast‐
klikt.
#De bevestiging van het ruitenwisserblad 1
controleren.
#De ruitenwisserarm uit de vervangingsstand
terug naar de achterruit klappen.
Spiegels
Buitenspiegels bedienen
&WAARSCHUWING Gevaar voor ongeval‐
len door voertuiginstellingen tijdens het
rijden
Ukunt in de volgende situaties de controle
over de auto verliezen:
RWanneer tijdens het rijden de bestuur‐
dersstoel, de hoofdsteunen, het stuurwiel
of de spiegels worden ingesteld.
RWanneer tijdens het rijden de veiligheids‐
gordel wordt omgegespt.
#Voordat het aandrijfsysteem wordt
gestart: De bestuurdersstoel, de hoofd‐
steunen, het stuurwiel of de spiegels
Licht en zicht 151
instellen en de veiligheidsgordel omges‐
pen.
&WAARSCHUWING Gevaar voor ongeval‐
len bij gebruik van de buitenspiegel door
verkeerde inschatting van de afstand
De buitenspiegels geven een verkleind beeld.
De zichtbare objecten zijn dichterbij dan het
lijkt.
Daardoor kunt u de afstand tot achter u rij‐
dende verkeersdeelnemers verkeerd inschat‐
ten, bijvoorbeeld bij het veranderenvanrij‐
strook.
#Daarom altijd de daadwerkelijke afstand
tot andere verkeersdeelnemers inschat‐
ten door over de schouder te kijken.
Buitenspiegels in- en uitklappen
#De toets1kort indrukken.
Buitenspiegels initialiseren
%Nadat de accukabels losgemaakt zijn of als
de accu ontladen was, moeten de buiten‐
spiegels opnieuw worden geïnitialiseerd.
Alleen zo werkt het automatisch inklappen
van de spiegels.
#De toets1kort indrukken.
Buitenspiegels instellen
#Met de toetsen 3of 4de in te stellen bui‐
tenspiegel selecteren.
#Met de toets2de stand van het spiegelglas
instellen.
Buitenspiegel vergrendelen
#Auto's zonder elektrisch inklapbare bui‐
tenspiegels: De buitenspiegel met de hand
in de juiste stand drukken.
#Auto's met elektrisch inklapbare buiten‐
spiegels: De toets1ingedrukt houden.
Er is een klikkend geluid hoorbaar, gevolgd
door een klap. De buitenspiegel neemt de
correcte positie in.
152 Licht en zicht
Werking van de automatisch dimmende spie‐
gel
&WAARSCHUWING Gevaar voor letsel en
vergiftigingsgevaar door elektrolyt van de
dimmende spiegel
Wanneer het glas van een automatisch dim‐
mende spiegel breekt, kan elektrolyt naar
buiten komen.
De elektrolyt is schadelijk voor de gezond‐
heid en veroorzaakt irritaties. Het mag niet in
contact met huid, ogen, ademhalingsorganen
of kleding komen of ingeslikt worden.
#Bij contact met elektrolyt het volgende
in acht nemen:
RElektrolyt op de huid direct met
water afspoelen en zo snel mogelijk
de hulp van een arts inroepen.
RElektrolyt in de ogen direct grondig
met schoon water uitspoelen en zo
snel mogelijk de hulp van een arts
inroepen.
RWanneer elektrolyt is ingeslikt,
direct grondig de mond uitspoelen.
Geen braken opwekken. Zo snel
mogelijk naar een arts gaan.
RMet elektrolyt vervuilde kleding
direct vervangen.
RBij allergische reacties direct naar
een arts gaan.
De binnen- en buitenspiegel aan de bestuurders‐
zijde blinderen automatisch als licht op de sen‐
sor van de binnenspiegelvalt.
Systeemgrenzen
In de volgende situaties dimt het systeem niet:
RHet aandrijfsysteem is uitgeschakeld.
RDe achteruitversnelling is ingeschakeld.
RDe interieurverlichting is ingeschakeld.
Functie van de inparkeerstand van de buiten‐
spiegel aan passagierszijde
%De inparkeerstand is alleen beschikbaar bij
auto's met geheugenfunctie.
De inparkeerstand helpt u bij het inparkeren.
In de volgende situaties klapt de buitenspiegel
aan passagierszijde omlaag in de richting van
het achterwiel aan passagierszijde:
RDe inparkeerstand is opgeslagen
(/pagina 154).
RDe buitenspiegel aan passagierszijde is gese‐
lecteerd.
RDe achteruitversnelling is ingeschakeld.
De buitenspiegel aan passagierszijde wordt in de
volgende situaties teruggezet:
RU plaatst de transmissie in een andere trans‐
missiestand.
REr wordt sneller dan 15 km/h gereden.
RDe toetsvoor de buitenspiegel aan bestuur‐
derszijde wordt ingedrukt.
Licht en zicht 153
Inparkeerstand van de buitenspiegel aan
passagierszijde via de achteruitversnelling
opslaan
Opslaan
#Via de toets2de buitenspiegel aan passa‐
gierszijde selecteren.
#De achteruitversnelling inschakelen.
#Met de toets1de buitenspiegel aan passa‐
gierszijde in de gewenste inparkeerstand
brengen.
Oproepen
#Via de toets2de buitenspiegel aan passa‐
gierszijde selecteren.
#De achteruitversnelling inschakelen.
De buitenspiegel aan passagierszijde kantelt
naar de opgeslagen inparkeerstand.
Automatisch inklappen van de buitenspie‐
gels in- en uitschakelen
Multimediasysteem:
4©5Instellingen 5Voertuig
#Automatisch inklappen in- of uitschakelen.
Zonnekleppen bedienen
Enkele zonneklep bedienen
#Verblinding vanvoren: De zonneklep 1
omlaagklappen.
#Verblinding vanaf de zijkant: De zonneklep
1opzij zwenken.
154 Licht en zicht
Overzicht temperatuurregelsystemen
Aanwijzingen met betrekking tot de klimaat‐
regeling
Opdat de airconditioning, de controle op schade‐
lijke stoffen en de filtering van de lucht correct
werken, moet altijd een interieurfilter samen met
het voorfilter in de motorruimte worden
gebruikt. Erop letten dat het filter volgens de
voorschriften aangebracht is en dat het filterhuis
in de motorruimte correct en tijdens de werking
altijd goed afgeslotenwordt door het deksel.
Door Mercedes-Benz geadviseerde en vrijgege
venfilters gebruiken. Onderhoudswerkzaamhe‐
den altijd laten uitvoeren bij een gekwalificeerde
werkplaats.
Overzicht bedieningseenheid THERMOTRO‐
NIC
De controlelampjes in de toetsen geven aan dat
de betreffende functie geactiveerd is.
1wTemperatuur instellen, links
2_Luchtverdeling instellen, links
3HLuchthoeveelheid instellen of klimaat‐
regeling uitschakelen
4ÃKlimaatregeling automatisch regelen
5¬Voorruit ontwasemen
6tKlimaatmenu van het multimediasys‐
teem oproepen
7¤Achterruitverwarming in- of uitschake‐
len
8&"Directe klimaatregeling vooraf" in- of
uitschakelen(/pagina 162)
9gLuchtrecirculatie in- of uitschakelen
A_Luchtverdeling instellen, rechts
BwTemperatuur instellen, rechts
Bedieningseenheid achterin
1Temperatuur instellen
2Display
3Luchthoeveelheid instellen
Temperatuurregelsysteem bedienen
Klimaatregeling in- en uitschakelen
#Inschakelen: De luchthoeveelheid met de
toetsHin de stand 1 of hoger instellen.
Klimaatregeling 155
#Uitschakelen: De luchthoeveelheid met de
toetsHin de stand 0 instellen.
%Als de klimaatregeling is uitgeschakeld, kun‐
nen de ruiten sneller beslaan. De klimaatre‐
geling slechts kortstondig uitschakelen.
Klimaatmenu oproepen
Klimaatmenu via het multimediasysteem
oproepen
#Een van de temperatuurweergaven onder aan
het mediadisplay selecteren.
Klimaatmenu via toets in de bedieningseen‐
heid oproepen
#De toetstin de bedieningseenheid
indrukken.
%De toets in de bedieningseenheid is niet bij
alle uitvoeringsvarianten beschikbaar. In dit
gevalkan het klimaatmenu alleen via het
multimediasysteem worden opgeroepen.
A/C-functie via multimediasysteem in- of uit‐
schakelen
De A/C-functie verwarmt, koelt en droogt de
interieurlucht van de auto.
#Het klimaatmenu oproepen (/pagina 156).
#1e zitrij selecteren.
#A/C selecteren.
De functie wordt afhankelijkvan de voor‐
gaande toestand in- of uitgeschakeld.
Klimaatregeling automatisch regelen
In de automatische stand wordt de ingestelde
temperatuur door de luchttoevoer geregeld en
constant gehouden.
#De toetsÃindrukken.
#Omschakelen naar handmatige functie:
De toetsHof _indrukken.
Aircostijl
Werking van de klimaatmodus
In de automatische stand kanvoor de bestuur‐
ders- en passagierszijde worden gekozen tussen
de volgende klimaatmodussen:
RFOCUS: Grote luchthoeveelheid, iets koelere
instelling
RMEDIUM: Gemiddelde luchthoeveelheid,
standaardinstelling
RDIFFUUS: Lage luchthoeveelheid, iets war‐
mere en tochtvrije instelling
Overzicht instellingen voor de luchtverdeling
De symbolen op het display geven aan, door
welke luchtroosters de lucht wordtgestuurd:
¯Ontwasemingsroosters
PMiddelste luchtroosters en zijluchtroos‐
ters
OLuchtuitstroomopeningen in de been‐
ruimte
156 Klimaatregeling
SMiddelste luchtroosters, zijluchtroosters
en luchtuitstroomopeningen in de been‐
ruimte
aOntwasemings- en beenruimteluchtroos‐
ters
_Alle luchtroosters
bOntwasemingsroosters, middelste lucht‐
roosters en zijluchtroosters
WAutomatische luchtverdeling
Luchtverdeling instellen
#Het klimaatmenu oproepen (/pagina 156).
#1e zitrij of 2e zitrij selecteren.
#De luchtverdeling instellen: ¯,Pof
Oselecteren.
#De luchthoeveelheid instellen.
%Er kunnen meerdere luchtverdelingen tegelij‐
kertijdworden geselecteerd, om bijvoor‐
beeld de temperatuur bij de voorruit en in de
beenruimte gelijktijdig te regelen.
De klimaatregeling van de voorruit ¯kan
alleen voor de eersterij zitplaatsen worden
geselecteerd.
Synchronisatiefunctie van de klimaatrege‐
ling via het multimediasysteem in- of uit‐
schakelen
Met de synchroniseringsfunctie wordt de kli‐
maatregeling centraal geregeld. De instelling van
temperatuur, luchthoeveelheid en luchtverdeling
van de bestuurder wordt automatisch overgeno‐
men voor elke klimaatzone.
#Het klimaatmenu oproepen (/pagina 156).
#1e zitrij selecteren.
#SYNC selecteren.
De functie wordt afhankelijkvan de voor‐
gaande toestand in- of uitgeschakeld.
Condens van de ruiten verwijderen
Van binnen beslagen ruiten
#De toetsÃindrukken.
#Als de ruiten beslagen blijven: De toets¬
indrukken.
Van buiten beslagen ruiten
#De ruitenwissers inschakelen.
#De toetsÃindrukken.
Luchtrecirculatie in- of uitschakelen
#De toetsgindrukken.
De interieurlucht wordtgerecirculeerd.
Vanuit de luchtrecirculatiemodus wordt na enige
tijd automatisch overgeschakeld naar de buiten‐
luchtmodus.
%Als de luchtrecirculatie is ingeschakeld kun‐
nen de ruiten sneller beslaan. De luchtrecir
culatie slechts kortstondig inschakelen.
Ionisering in- of uitschakelen
De ionisering verbetert de kwaliteit van de interi‐
eurlucht. De ionisering van de interieurlucht zelf
is reukloos.
#Het klimaatmenu oproepen (/pagina 156).
Klimaatregeling 157
#Luchtkwaliteit selecteren.
#IONISERING selecteren.
De functie wordt afhankelijkvan de voor‐
gaande toestand in- of uitgeschakeld.
Parfumeringssysteem
Parfumeringssysteem instellen
Voorwaarden
RDe automatische airconditioning is ingescha‐
keld.
RHet dashboardkastje is gesloten.
Het parfumeringssysteem verspreidt met behulp
van een flacon in het dashboardkastje een aan‐
gename geur in het interieur.
#Het klimaatmenu oproepen (/pagina 156).
#Luchtkwaliteit selecteren.
#PARFUMERING selecteren.
De parfumering start op de hoogste intensi‐
teit.
#Net zo vaak drukken totdat de gewenste
intensiteit is bereikt.
%De intensiteit wisselt in de volgorde: Sterk -
Medium - Laag - Uit
Flacon van het parfumeringssysteem aan‐
brengen of verwijderen
&WAARSCHUWING Gevaar voor letsel
door parfumvloeistof
Wanneer kinderen de flacon openen, zouden
ze de parfumvloeistofkunnen drinken of in
de ogen kunnen krijgen.
#Kinderen niet zonder toezicht in de auto
achterlaten.
#Wanneer de parfumvloeistof is gedron‐
ken, direct naar een arts gaan.
#Wanneer parfumvloeistof in de ogen
terecht is gekomen, de ogen met
schoon water uitspoelen.
#Bij aanhoudende klachten naar een arts
gaan.
+MILIEU-AANWIJZING Milieuschade door
ondeskundige afvoer vanvolle flacons
Volle flacons mogen niet met het
huisvuil worden afgevoerd.
#
Volle flacons bij een afval
inzamelstation inleveren.
158 Klimaatregeling
#Aanbrengen: De flacon 2tot de aanslag in
de houder schuiven.
#Verwijderen: De flacon 2eruit trekken.
Wanneer niet-originele Mercedes-Benz parfums
worden gebruikt, de waarschuwing op de ver‐
pakking van de parfumvloeistof in acht nemen.
De flacon met origineel Mercedes-Benz parfum
nadat deze opgebruikt is afvoeren en niet
opnieuw vullen.
Flacon om zelf te vullen
#De dop 1van de lege flacon 2losdraaien.
#De flacon 2met maximaal 15 ml vullen.
#De dop 1op de flacon 2draaien.
De lege, zelf te vullen flacon altijd met dezelfde
parfumvloeistof vullen. Het afzonderlijke infor‐
matieblad dat bij de flacon is gevoegd in acht
nemen.
Klimaatregeling vooraf via sleutel
Werking van de klimaatregeling vooraf via
sleutel
De omgeving van de bestuurdersstoel, of het
gehele interieur, kan al voor het instappen kort‐
stondig worden voorverwarmd of -gekoeld.
Bij het voorkoelen worden de volgende functies
naar behoefte ingeschakeld:
RAutomatische airconditioning
RAanjager
RStoelventilatie
Bij het voorverwarmen worden de volgende func‐
ties naar behoefte ingeschakeld:
RAutomatische airconditioning
RAanjager
RStoelverwarming
RStuurwielverwarming
RVlakkenverwarming
RSpiegelverwarming
RAchterruitverwarming
RParfumering
RIonisering
Klimaatregeling vooraf via sleutel instellen
#Het klimaatmenu oproepen (zie het hoofd‐
stuk Klimaatregeling in de handleiding van de
auto).
#Voorklimatisering selecteren.
In- en uitschakelen
#Zselecteren.
Klimaatregeling 159
#Voorklimatisering via sleutel selecteren.
De functie wordt afhankelijkvan de voor‐
gaande toestand in- of uitgeschakeld.
Klimaatregeling vooraf via sleutel in- of uit‐
schakelen
Voorwaarden
RDe hoogspanningsaccu is voldoende opgela‐
den.
RDe functie is via het multimediasysteem
geactiveerd.
#Inschakelen: De auto ontgrendelen.
De aircofuncties worden bij het voorverwar‐
men en bij het voorkoelen maximaal vijf
minuten ingeschakeld.
De klimaatregeling vooraf via de sleutel kan niet
meer dan driemaal worden ingeschakeld als de
auto geparkeerd is.
#Uitschakelen: De toets&omhoog- of
omlaagdrukken.
De volgende functies blijven ook na het starten
van de auto ingeschakeld:
RStoelverwarming
RStoelventilatie
RVlakkenverwarming
RParfumering
RIonisering
Klimaatregeling vooraf op de vertrektijd
Werking van de klimaatregeling vooraf op de
vertrektijd
&WAARSCHUWING Levensgevaar door
grote blootstelling aan kou of warmte in
de auto
Als personen in het bijzonder kinderen
langdurig aan extreme hitte‑ of koude wor‐
den blootgesteld, bestaat gevaar voor letsel
of zelfs levensgevaar!
#Personen in het bijzonder kinderen
nooit zonder toezicht in de auto laten.
#Dieren nooit zonder toezicht in de auto
laten.
Het interieur kanworden verwarmd en gekoeld
als de auto geparkeerd is.
Als de auto is aangesloten op een stroomvoor‐
ziening, heeft het opladen van de hoogspan‐
ningsaccu tot een vastgelegde minimale laadtoe‐
stand voorrang.
Onder de volgende voorwaarden kan de draaipe‐
riode van de klimaatregeling vooraf korter wor‐
den:
RDe auto is niet op een stroomvoorziening
aangesloten.
RDe hoogspanningsaccu is niet volledig opge‐
laden.
Door de actieve klimaatregeling vooraf kan de
laadtoestand van de hoogspanningsaccu ook bij
een aangesloten laadkabelstekker teruglopen.
Bij het koelen worden de volgende functies naar
behoefte ingeschakeld:
RAutomatische airconditioning
RAanjager
RStoelventilatie
Bij het verwarmen worden de volgende functies
naar behoefte ingeschakeld:
RAutomatische airconditioning
160 Klimaatregeling
RAanjager
RStoelverwarming
RStuurwielverwarming
RVlakkenverwarming
RSpiegelverwarming
RAchterruitverwarming
RParfumering
RIonisering
Klimaatregeling vooraf op de vertrektijd
instellen
#Het klimaatmenu oproepen (zie het hoofd‐
stuk Klimaatregeling in de handleiding van de
auto).
#Voorklimatisering selecteren.
Eenmalige vertrektijd instellen
#EENMALIG selecteren.
#Een vertrektijd instellen.
Actieve vertrektijd bewerken
#Het stift-symbool naast de weergegevenver‐
trektijd selecteren.
#Een vertrektijd instellen.
Weekprofiel instellen
#WEEKPROFIEL selecteren.
#De gewenste vertrektijden instellen, bijvoor‐
beeld elke dag om 8:00 uur.
Zone selecteren
#Zselecteren.
#Alleen best.stoel selecteren.
Wanneer de instelling Alleen best.stoel
gedeactiveerd is, wordt de klimaatregeling
vooraf voor de gehele auto uitgevoerd.
Klimaatregeling vooraf op de vertrektijd in-
of uitschakelen
Voorwaarden
RDe hoogspanningsaccu is voldoende opgela‐
den.
RDe functie is via het multimediasysteem
geactiveerd.
#Inschakelen: De vertrektijd instellen
(/pagina 161).
De klimaatregeling vooraf op de vertrektijd
wordt maximaal 55 minuten voor de gekozen
vertrektijd ingeschakeld. Bij vertraging van
de vertrektijd blijft de klimaatregeling nog vijf
minuten werken.
#Uitschakelen: De toets&omhoog- of
omlaagdrukken.
De volgende functies blijven ook na het starten
van de auto ingeschakeld:
RStoelverwarming
RStoelventilatie
RVlakkenverwarming
RParfumering
RIonisering
Klimaatregeling 161
Directe klimaatregeling vooraf in- of uitscha‐
kelen
&WAARSCHUWING Levensgevaar door
grote blootstelling aan kou of warmte in
de auto
Als personen in het bijzonder kinderen
langdurig aan extreme hitte‑ of koude wor‐
den blootgesteld, bestaatgevaar voor letsel
of zelfs levensgevaar!
#Personen in het bijzonder kinderen
nooit zonder toezicht in de auto laten.
#Dieren nooit zonder toezicht in de auto
laten.
Het interieur kan, bijvoorbeeld tijdens een riton‐
derbreking, tot 50 minuten verder worden ver‐
warmd of gekoeld.
De kleuren van het controlelampje hebben de
volgende betekenis:
RBlauw: Koelen is ingeschakeld.
RRood: Verwarmen is ingeschakeld.
RGeel: Vertrektijd is voorgeselecteerd.
#De gewenste temperatuur met de toetsw
instellen.
#De toets1indrukken.
Het rode of het blauwe controlelampje in de
toets1gaat branden of dooft.
Luchtuitstroomopeningen
Luchtuitstroomopeningen ór instellen
&WAARSCHUWING Gevaar vanverbran‐
ding en bevriezing door een te geringe
afstand tot de luchtroosters
Uit de luchtroosters kan zeer hete of zeer
koude lucht stromen.
Daardoor kunnen in de directe omgeving van
de luchtroosters verbrandings- of bevrie‐
zingsverschijnselen voorkomen.
#Altijd ervoor zorgen, dat alle inzittenden
voldoende afstand houden tot de lucht‐
roosters.
#Naar behoefte de luchtstroom naar een
ander gebied van het interieur leiden.
162 Klimaatregeling
Om de toevoer van buitenlucht via de luchtuit‐
stroomopeningen naar het interieur te waarbor‐
gen, de volgende aanwijzingen in acht nemen:
RDe luchtroosters in het interieur altijd vrij‐
houden.
RDe luchtinlaat vrijhouden van afzettingen
(/pagina 484).
#Openen of sluiten: Het stelwiel 1tot de
aanslag omhoog (open) of omlaag (gesloten)
draaien.
#Luchtstroomrichting instellen: De stel‐
schuif 2omhoog, omlaag, naar links of naar
rechts drukken.
Luchtuitstroomopeningen achterin instellen
#Openen of sluiten: De draaiknop 2tot de
aanslag rechts- of linksom draaien.
#Luchtstroomrichting instellen: De luchtuit‐
stroomopeningen 1in het midden vastpak‐
ken en naar boven, beneden, links of rechts
zwenken.
Klimaatregeling 163
Rijden
Aanwijzingen met betrekking tot elektro-
modus
&WAARSCHUWING Brandwonden‑ en
vergiftigingsgevaar bij beschadigde hoog‐
spanningsaccu
Als het huis van de hoogspanningsaccu
wordt beschadigd, kunnen de elektrolyt en
gassen ontsnappen.
#Contact met de huid, ogen of kleding
voorkomen.
#Elektrolytspatten direct met water
afspoelen en zo snel mogelijk de hulp
van een arts inroepen.
&GEVAAR Explosiegevaar bij overschrij‐
den van de inwendige druk van de hoog‐
spanningsaccu
Bij een autobrand kan de inwendige druk van
de hoogspanningsaccu een kritieke waarde
overschrijden. Hierbij ontsnapt brandbaar
gas via een ontluchtingsklep in de bodem‐
plaat.
Het gaskan ontbranden.
#Bij een ongewone geurontwikkeling,
rook of brandvlekken direct het opladen
afbreken.
#Direct de gevarenzone verlaten. De
gevarenzone op voldoende afstand
beveiligen.
#Contact opnemen met de brandweer.
De volgende aanwijzingen met betrekking tot de
rijgeluiden en het akoestisch voertuigwaarschu‐
wingssysteem in acht nemen:
RDe auto beschikt over een puur elektrisch
aandrijfsysteem en produceert beduidend
minder rijgeluid dan auto's met verbrandings‐
motor.
Daarom is de auto uitgerust met een sound‐
generator als akoestisch voertuigwaarschu‐
wingssysteem (AVAS).
RDe soundgenerator genereert tot een snel‐
heid van circa 30 km/h snelheidsafhankelijk
rijgeluiden bij het vooruit- en achteruitrijden.
Andere verkeersdeelnemers, met name voet‐
gangers en fietsers, kunnen de auto op die
manier beter opmerken.
RBoven een snelheid van 20 km/h wordt het
akoestisch voertuigwaarschuwingssysteem
geleidelijk uitgeschakeld.
RDe auto wordt ondanks de soundgenerator
eventueel niet door andere verkeersdeelne‐
mers akoestisch waargenomen. Uw rijstijl
overeenkomstig aanpassen.
RDe soundgenerator is uitgeschakeld als de
auto stilstaat.
164 Rijden en parkeren
Handmatig uitschakelen van het hoogspan‐
ningsboordnet
&GEVAAR Levensgevaar door het aanra‐
kenvan beschadigde hoogspanningson‐
derdelen
Het hoogspanningsboordnet staat onder
hoge spanning. Als u onderdelen van het
hoogspanningsboordnet verandert of
beschadigde onderdelen aanraakt, kunt u
een stroomstoot krijgen.
Onderdelen van het hoogspanningsboordnet
kunnen bij een ongeval ook niet-zichtbaar
worden beschadigd.
#Nooit wijzigingen aan het hoogspan‐
ningsboordnet uitvoeren.
#Nooit beschadigde onderdelen van het
hoogspanningsboordnet aanraken.
#Na een ongeval geen hoogspanningson‐
derdelen aanraken.
#De auto na een ongeval laten transpor‐
teren.
#Het hoogspanningsboordnet bij een
gekwalificeerde werkplaats laten con‐
troleren.
Voorwaarden
RHet waarschuwingslampje veiligheidssys‐
teem 6in het combi-instrument brandt,
bijvoorbeeld na een ongeval.
RDe auto is zwaar beschadigd en onderdelen
van het veiligheidssysteem zijn niet geacti‐
veerd, bijvoorbeeld na een ongeval.
Hoogspanningsuitschakelsysteem gebruiken
Het aandrijfsysteem mag alleen in de hiervoor
genoemde situaties handmatig worden uitge‐
schakeld.
#Het contact uitschakelen.
#De transmissie in de stand jzetten.
#De elektrische parkeerrem inschakelen.
#De auto tegenwegrollen beveiligen.
#De motorkap openen.
1Markering hoogspanningsuitschakelsysteem
op de afdekking van de motorruimte
#Met beide handen in de uitsparingen van de
afdekking van de motorruimte grijpen.
#De afdekking van de motorruimte optillen en
in de richting van de pijl uit de motorruimte
trekken.
#De afdekking van de motorruimte terzijde
plaatsen.
Rijden en parkeren 165
#De ontgrendelingsnok 1in de richting van
de pijl drukken en eruit trekken.
#Het hoogspanningsuitschakelsysteem 2in
de richting van de pijl trekken, tot dit ver‐
grendelt.
Het aandrijfsysteem is uitgeschakeld.
Alle werkzaamheden aan het aandrijfsysteem -
ook na handmatig uitschakelen - mogen alleen
door een gekwalificeerde werkplaats worden uit‐
gevoerd.
Energiestroomdisplay weergeven
Multimediasysteem:
4©5EQ
#Energiestroom selecteren.
De visualisering van de energiestroom in de
auto wordtweergegeven.
Naast de energiestroom wordt ook de actuele
laadtoestand van de hoogspanningsaccu weer‐
gegeven.
Functies van het energiestroomdisplay
1Laadtoestand van de hoogspanningsaccu
2Elektromotoren (aandrijfsysteem)
3Energiestroom
4Hoogspanningsaccu
In het energiestroomdisplay worden de actieve
componenten van het aandrijfsysteem licht afge‐
beeld. De energiestroom tussen de afzonderlijke
componentenwordt gekleurd weergegeven.
Afhankelijkvan de bedrijfstoestand heeft de
energiestroom verschillende kleuren:
Rwit: Sterke acceleratie (boost-effect)
166 Rijden en parkeren
Rkoper: Rijden met constante snelheid of
gematigde acceleratie
Rblauw: Recuperatie (opladen van de hoog‐
spanningsaccu) of uitrollen
Recuperatief remsysteem
Functie van het recuperatief remsysteem
Tijdens het rijden wordt de elektromotor, afhan‐
kelijk van de geselecteerde recuperatiefase, bij
deceleratie en bij het remmen als dynamo
gebruikt om de hoogspanningsaccu op te laden.
Zodra u tijdens het rijden de voet van het gas
neemt, wordt de recuperatie bij deceleratie
geactiveerd.
Het recuperatieveremsysteem heeft de vol‐
gende eigenschappen:
ROndersteuning bij het remmen via een elek‐
tronisch geregelde rembekrachtiging
ROmzetting van de bewegingsenergie van de
auto in elektrische energie
Ukunt de mate vanrecuperatie bij deceleratie
handmatig instellen met de stuurwielschakel‐
paddles (/pagina 167).
Systeemgrenzen
Bij de recuperatie bij deceleratie is de remwer‐
king van de elektromotor in de volgende situ‐
aties slechts beperkt of helemaal niet aanwezig:
Rmet een toenemende laadtoestand van de
hoogspanningsaccu
Rals de hoogspanningsaccu nog niet op
bedrijfstemperatuur is
Rals de snelheid vrijwel nihil is
Rin de transmissiestand i
Rtijdens en na een ESP®-regeling
In deze gevallen wordt de gewenste vertraging
ingesteld via het remregelsysteem. Remt u
indien nodig tevens met de bedrijfsrem.
Recuperatieve vertraging handmatig instel‐
len
Met behulp van de stuurwielschakelpaddles kunt
u de mate vanrecuperatie bij deceleratie hand‐
matig aanpassen.
Hoe hoger de recuperatie, hoe sterker de auto
tijdens het rollen wordt afgeremd en hoe meer
elektrische energie naar de hoogspanningsaccu
wordtgeleid.
%Na het opnieuw startenvan de auto of na
het weer inschakelen van de transmissie‐
stand his automatisch de standaardinstel‐
ling ingesteld.
#Recuperatie verhogen: Kort aan de schakel‐
paddle 1trekken.
#Recuperatie verlagen: Lang aan de schakel‐
paddle 2trekken.
#hÃselecteren: Lang aan de schakel‐
paddle 1of 2trekken.
Rijden en parkeren 167
De volgende recuperatiefasen zijn beschikbaar:
RhÃIntelligente recuperatie met de ECO
assistent (/pagina 173)
Rhq Geenrecuperatie: De auto rolt uit
RhNormale recuperatie (standaardinstelling)
Rh±Versterkte recuperatie: Grotere vertra‐
ging van de auto bij deceleratie
Rh±± Maximale recuperatie: Maximale
vertraging van de auto bij deceleratie
Het multifunctioneel display toont de momenteel
ingestelde recuperatiefase 1, bijvoorbeeld
hÃ.
Spanningsvoorziening of contact inschakelen
(zonder startenvan de motor)
&WAARSCHUWING Gevaar voor ongeval‐
len en letsel als kinderen zonder toezicht
in het voertuig worden achtergelaten
Wanneer kinderen zonder toezicht in het
voertuig achterblijven, kunnen ze met name:
RDeuren openen en daardoor andere per‐
sonen of verkeersdeelnemers in gevaar
brengen.
RUitstappen en door het verkeer worden
gegrepen.
RUitrustingen van het voertuig bedienen en
bijvoorbeeld bekneld raken.
Bovendien kunnen kinderen het voertuig in
beweging zetten, door bijvoorbeeld:
RDe parkeerrem vrij te zetten.
RDe transmissiestand te wijzigen.
RHet voertuig te starten.
#Kinderen nooit zonder toezicht in het
voertuig laten.
#Bij het verlaten van het voertuig altijd
de sleutel meenemen en het voertuig
vergrendelen.
#De sleutel buiten bereik van kinderen
bewaren.
Eveneens de "Aanwijzingen met betrekking tot
huisdieren in de auto" in acht nemen.
Dit geldt eveneens voor de digitale voertuigsleu‐
tel, als de functie "Digitale voertuigsleutel" via
Mercedes me connect is geactiveerd.
Voorwaarden
RDe sleutel bevindt zich in de auto en de bat‐
terijvan de sleutel is niet leeg.
ROf: Er bevindt zich een digitale voertuigsleu‐
tel in het opbergvak (/pagina 170).
RHet rempedaal wordt niet bediend.
168 Rijden en parkeren
#Spanningsvoorziening inschakelen: De
toets1eenmaal indrukken.
Ukunt bijvoorbeeld de ruitenwissers inscha‐
kelen.
Wanneer aan de volgende voorwaarden is vol‐
daan, wordt de spanningsvoorziening weer uitge‐
schakeld:
RHet bestuurdersportier wordtgeopend.
RDe toets1wordt nog tweemaal ingedrukt.
#Contact inschakelen: De toets1twee‐
maal indrukken.
Op het combi-instrument verschijnen de con‐
trolelampjes.
Wanneer aan een van de volgende voorwaarden
is voldaan, wordt het contact weer uitgescha‐
keld:
RDe auto wordt niet binnen 15 minuten
gestart.
RDe transmissie staat in de stand jof de
elektrische parkeerrem is ingeschakeld.
RDe toets1wordt eenmaal ingedrukt.
Auto starten
Auto met start-stoptoets starten
Voorwaarden
RDe sleutel bevindt zich in de auto en de bat‐
terijvan de sleutel is niet leeg.
ROf: Er bevindt zich een digitale voertuigsleu‐
tel in het opbergvak (/pagina 170).
#De transmissie in de stand jof izetten.
#Het rempedaal indrukken en de toets1
eenmaal indrukken.
#Als de auto niet start: Niet benodigde ver‐
bruikers uitschakelen en de toets1een‐
maal indrukken.
Als de auto nog steeds niet start, verschijnt op
het multifunctioneel display een van de volgende
displaymeldingen:
#Sleutel in aangegeven bergplaats leggen zie
handleiding: De auto in het noodprogramma
starten (/pagina 171).
of
#Sleutel niet herkend Smartphone in oplaad-
schaal plaatsen: De mobiele telefoon in het
aflegvak leggen (/pagina 137).
Rijden en parkeren 169
%Ukunt het aandrijfsysteem tijdens het rijden
afzetten door gedurende circa drie seconden
de toets1in te drukken of binnen drie
seconden de toets1driemaal in te druk‐
ken. De transmissie schakelt daarbij automa‐
tisch in de neutraalstand i. Als u de toets
1opnieuw indrukt, start het aandrijfsys‐
teem weer en kunt u weer de rijstand h
inschakelen. Hiertoe beslist de veiligheids‐
aanwijzingen onder "Aanwijzingen met
betrekking tot het rijden" (/pagina 172) in
acht nemen.
Auto met een digitale voertuigsleutel starten
Voorwaarden
REen van de volgende varianten van de digi‐
tale voertuigsleutel is beschikbaar:
-Geschikte mobiele telefoon
-Digitale voertuigsleutel-sticker
RDe auto is uitgerust met de functie "Digitale
voertuigsleutel".
RDe dienst "Digitale voertuigsleutel" is via de
Mercedes me connect geactiveerd: http://
www.mercedes.me.
RDe mobiele telefoon is voldoende opgeladen.
%Ukunt controleren of uw mobiele telefoon
geschikt is door het telefoonnummer onder
http://www.mercedes.me in te voeren.
Informatie over geschikte mobiele telefoons
is verkrijgbaar bij uw Mercedes-Benz-ser‐
vicewerkplaats of via internet onder http://
www.mercedes-benz.com/connect.
%Mercedes-Benz adviseert de noodsleutel
mee te nemen, voor het geval dat functiebe‐
perkingen optreden.
%De functie is alleen in combinatie met
Mercedes me connect, en alleen in bepaalde
landen beschikbaar.
%Hoesjes om de mobiele telefoon kunnen de
functionaliteit nadelig beïnvloeden.
Eerstegebruik van de digitale voertuigsleu‐
tel
#De sleutel2deactiveren (/pagina 77).
#De sleutel 2in het opbergvak 3op het
symbool 4leggen.
#De mobiele telefoon of de digitale voertuig‐
sleutel-sticker in het opbergvak1leggen.
#De auto met de start-stoptoetsstarten.
170 Rijden en parkeren
Alle verdere starts met de digitale voertuig‐
sleutel
Voor alle verdere starts is de sleutel niet nodig.
#De mobiele telefoon of de digitale voertuig‐
sleutel-sticker in het opbergvak1leggen.
#De auto met de start-stoptoetsstarten.
Op het multifunctioneel display verschijnt de
weergave õ: De auto is rijklaar.
De dienst "Digitale voertuigsleutel" kan in
Mercedes me connect op https://
www.mercedes.me worden gedeactiveerd. Hier‐
bij wordt de werking in de mobiele telefoon via
een onlineverbinding gedeactiveerd. Als een onli‐
neverbinding niet mogelijk is, bijvoorbeeld na
diefstalvan de mobiele telefoon of de digitale
voertuigsleutel-sticker, kan de sleutelfunctie bij
een Mercedes-Benz-servicewerkplaats worden
gedeactiveerd.
Auto in het noodprogramma starten
Als de auto nog steeds niet start en op het multi‐
functioneel display de displaymelding Sleutel in
aangegeven bergplaats leggen zie handleiding
verschijnt, kan de auto in het noodprogramma
worden gestart.
#Het opbergvak 2moet leeg zijn; dit contro‐
leren.
#De sleutel 1van de sleutelbos verwijderen.
#De sleutel 1in het opbergvak 2op het
symbool 3leggen.
De auto wordt na korte tijd gestart.
Wanneer u de sleutel1uit het opbergvak
2neemt, is de auto nog steeds rijklaar. Om
de auto opnieuw te kunnen starten moet de
sleutel1echter tijdens de gehele rit in het
opbergvak2op het symbool 3liggen.
#De sleutel1bij een gekwalificeerde werk‐
plaats laten controleren.
Als de auto niet start:
#De sleutel 1in het opbergvak 2laten lig‐
gen.
#Het rempedaal indrukken en de auto met de
start-stoptoetsstarten.
%Met de start-stoptoetskan ook de span‐
ningsvoorziening of het contact worden inge‐
schakeld.
Rijden en parkeren 171
Aanwijzingen met betrekking tot het rijden
&WAARSCHUWING Gevaar voor ongeval‐
len door voorwerpen in de beenruimte
van de bestuurder
Voorwerpen in de beenruimte van de
bestuurder kunnen de slag van de pedalen
beperken en een ingedrukt pedaal blokkeren.
Hierdoor wordt de bedrijfs‑ en verkeersveilig‐
heid van de auto in gevaar gebracht.
#Alle voorwerpen in de auto veilig opber‐
gen, opdat deze niet in de beenruimte
van de bestuurder terechtkunnen
komen.
#De vloermatten altijd stevig en zoals
voorgeschreven aanbrengen, zodat
altijd voldoende vrijeruimte voor de
pedalen is gewaarborgd.
#Geen losse vloermatten gebruiken en
niet meerdere vloermatten op elkaar
leggen.
&WAARSCHUWING Gevaar voor ongeval‐
len door ongeschikte schoenen
De bediening van de pedalen kan door onge‐
schikte schoenen worden bemoeilijkt, bij‐
voorbeeld:
RSchoenen met plateauzolen
RSchoenen met hoge hakken
RPantoffels
#Tijdens het rijden altijd geschikte
schoenen dragen, om de pedalen veilig
te kunnen bedienen.
&WAARSCHUWING Gevaar voor ongeval‐
len bij uitgeschakeld contact tijdens het
rijden
Als het contact tijdens het rijden wordt uitge‐
schakeld, zijn veiligheidsrelevante functies
beperkt of niet meer beschikbaar. Dat kan
bijvoorbeeld de stuurbekrachtiging en de
rembekrachtiging betreffen.
Er is dan aanzienlijk meer kracht voor het
sturen en remmen vereist.
#Niet het contact afzetten tijdens het rij‐
den.
&WAARSCHUWING Gevaar voor ongeval‐
len door oververhit geraakt remsysteem
Als u tijdens het rijden de voet op het rempe‐
daal laat rusten, kan het remsysteem over‐
verhit raken.
Daardoor wordt de remweg langer en kan het
remsysteem zelfs uitvallen.
#Het rempedaal nooit als voetensteun
gebruiken.
#Tijdens het rijden niet tegelijkertijd het
rem- en gaspedaal indrukken.
Beperkte remwerking op wegenwaarop
gestrooid is:
RDoor een zoutlaag op de remschijven en rem‐
blokken kan de remweg aanzienlijk langer
worden of kan de auto aan één kant sterker
of zwakker remmen.
REen bovengemiddeld grote afstand tot het
voor u rijdende verkeer aanhouden.
172 Rijden en parkeren
Zoutlaag verwijderen:
RRegelmatig remmen en hierbij rekening hou‐
den met de verkeerssituatie.
RBij het einde van de rit en bij aanvang van de
volgende ritvoorzichtig het rempedaal
indrukken.
Functie van de ECO-aanduiding
De ECO-aanduiding verzamelt gegevens over het
rijgedragvan de start tot het einde van de rit en
ondersteunt een efficiënte rijstijl om de actiera‐
dius te maximaliseren.
Ukunt het energieverbruik als volgt beïnvloeden:
RAnticiperend rijden (/pagina 173)
RIn hetrijprogramma Íof ;rij‐
den(/pagina 175)
Het binnenste segment brandt en het buitenste
segment wordtgevuld bij de volgende rijstijl:
R1beheerst accelereren
R2zacht vertragen en rollen
R3gelijkmatige snelheid
Het binnenste segment brandt niet en het bui‐
tenste segment wordt leeggemaakt bij de vol‐
gende rijstijl:
R1sportief accelereren
R2sterk remmen
R3snelheidsschommelingen
De ECO-aanduiding geeft aan of u brandstofbe‐
sparend hebt gereden:
RDe drie buitenste segmenten zijn tegelijker‐
tijd volledig gevuld.
RDe ECO-aanduiding gaat branden.
Onder Bonus n. vertrk. wordt de extra actiera‐
dius weergegeven die u door uw rijstijl in verge‐
lijking met een bestuurder met een zeer spor‐
tieve rijstijl hebt bereikt. Deze actieradius komt
niet overeen met een vaste brandstofbesparing.
Functie van de ECO-assistent
%De volgende functie is niet in alle landen
beschikbaar.
De ECO-assistent is alleen actief in hÃ
(/pagina 167).
De ECO-assistent analyseert gegevens van de
geplande route van de auto. Daardoor kan het
systeem helpen om de rijstijl optimaal aan de
geplande route aan te passen en te recupereren.
Wanneer het systeem een komende situatie
heeft herkend, wordt deze weergegeven op het
multifunctioneel display.
Rijden en parkeren 173
Voor het komende weggedeelte kunnen de vol‐
gende situaties worden herkend en weergege‐
ven:
RVoorliggers
RSnelheidslimieten
RAfdaling
RKruisingen en rotondes
RBochten
1Komende situatie
2Afstand tot de komende situatie
3Verzoek "Voet van het gas"
Afhankelijk van de afstand tot de naderende situ‐
atie gaat een verschillend aantal segmenten 2
wit branden:
RWeinig segmenten: De komende situatie is
dichtbij.
RVeel segmenten: De komende situatie is ver‐
der weg.
Bij geactiveerde ECO-assistent wordt op het mul‐
tifunctioneel display in het menu Assistentie, op
het head-up-display en naast de transmissies‐
tandaanduiding het symbool "Voet van het gas"
3weergegeven.
Wanneer de auto een situatie nadert, berekent
de ECO-assistent op basis van afstand, snelheid
en helling de optimale snelheid voor een mini‐
maal energieverbruik. Op het multifunctioneel
display verschijnt het symbool "Voet van het
gas" 3.
Wanneer de voet tijdig van het gaswordtgeno‐
men, kleuren de resterende segmenten op het
scherm een voor een groen, tot de weergegeven
situatie is bereikt. De aandrijflijnwordt ingesteld
op minimaal energieverbruik. De auto recupe‐
reert automatisch en laadt op die manier de
hoogspanningsaccu op.
%Ukunt de recuperatie ook handmatig verho‐
gen of verlagen. De ECO-assistent is echter
alleen in de instelling hÃbeschikbaar
(/pagina 167).
Als niet op het verzoek "Voet van het gas" 3
wordtgereageerd, blijven de segmenten wit.
Wanneer de situatie is gepasseerd, wordt deze
nog korte tijd weergegeven.
174 Rijden en parkeren
Bij de melding "voorligger" wordt het symbool
groen weergegeven, zodra op het verzoek "voet
van het gas" 3wordtgereageerd.
Wanneer het systeem niet op de komende situ‐
atie reageert, vindt er geen indicatie plaats. Het
systeem is passief.
Systeemgrenzen
De ECO-assistent kan bij actieveroutebegelei‐
ding nog nauwkeuriger werken wanneer de route
wordtgehandhaafd. De basisfunctie functioneert
ook zonder actieve routebegeleiding. Niet op alle
verkeerstekens en verkeerssituaties kanworden
geanticipeerd. De kwaliteit is afhankelijk van het
beschikbare kaartmateriaal.
De ECO-assistent is slechts een hulpmiddel. De
bestuurder is zelf verantwoordelijkvoor de vei‐
lige afstand, de snelheid en het tijdig remmen.
De bestuurder moet altijd klaar zijn om direct te
kunnen remmen, ongeacht of het systeem wel of
niet reageert.
Het systeem kan in de volgende situaties moge‐
lijk niet correct werken of buiten werking zijn:
RBij slecht zicht, bijvoorbeeld door onvol‐
doende verlichting van de weg, bij sterk wis‐
selende schaduwen of door sneeuw, regen,
mist of veel spatwater.
RBij verblinding, bijvoorbeeld door tegemoet‐
komend verkeer, directe zonnestraling of
reflecties.
RBij vervuiling van de voorruit in het gebied
van de multifunctionele camera of als de
camera beslagen, beschadigd of afgedekt is.
RAls de verkeerstekens slecht herkenbaar zijn,
bijvoorbeeld door verontreiniging, afdekking,
sneeuw of onvoldoende verlichting.
RAls de informatie op de digitale wegenkaart
van het navigatiesysteem onjuist of niet actu‐
eel is.
RBij meerdere wegmarkeringen, bijvoorbeeld
verkeerstekens bij wegwerkzaamheden of
aangrenzende rijstroken.
ECO-assistent weergeven
Boordcomputer:
4Assistentie
#De assistentieweergavewordtweergegeven.
Functie van het haptisch gaspedaal
Het haptische gaspedaal ondersteunt u in de rij‐
programma's ;en Ímet behulp van een
extra drukpunt om zo efficiënt mogelijkte rijden.
DYNAMIC SELECT-schakelaar
Functie van de DYNAMIC SELECT-schakelaar
%De beschikbaarheid van het rijprogramma
Íis landsafhankelijk.
Met de DYNAMIC SELECT-schakelaar wordt
gewisseld tussen de volgende rijprogramma's:
=(Individual)
C(Sport)
A(Comfort)
;(Eco)
Í(MaxRange)
Afhankelijk van het geselecteerde rijprogramma
worden de volgende eigenschappen van de auto
gewijzigd:
RAandrijving
Rijden en parkeren 175
ROnderstel
RStuurinrichting
RESP®RDrukpunt in het haptisch gaspedaal
Eigenschappen per rijprogramma:
Rijprogramma Voertuigeigenschappen
=(Individual) De volgende eigenschappen van de auto zijn individueel instelbaar:
RAandrijving
ROnderstel
RStuurinrichting
C(Sport) RMaximaal beschikbaar vermogen
RSportief en dynamisch rijgedrag
A(Comfort) RComfortabel rijgedrag
RBeste compromis tussen efficiëntie en prestaties voor alle rijsituaties
176 Rijden en parkeren
Rijprogramma Voertuigeigenschappen
;(Eco) REfficiënt en zuinig rijgedrag
RDrukpunt in het haptische gaspedaal bevordert een efficiënte, zuinige rijstijl
RWanneer de route-optie Geoptimaliseerd voor EQ is ingeschakeld en de routebegeleiding actief is, geeft
een bestemmingsvlag in de snelheidsmeter de door de actieve actieradiusbewaking geadviseerde maxi‐
mumsnelheid aan (/pagina 370).
Í(MaxRange) RMaximale actieradius en verbruiksoptimalisatie
RZeer efficiënte deceleratie en in hÃmaximaal efficiënte recuperatie
RDrukpunt in het haptisch gaspedaal:
-begrenst de snelheid automatisch tot de door de verkeerstekenassistent herkende toegestane
maximumsnelheid
-begrenst de snelheid bovendien tot de door de actieve actieradiusbewaking geadviseerde maxi‐
mumsnelheid (/pagina 370).
Rgroene segmenten in de snelheidsmeter geven het snelheidsbereik tussen de actuele snelheid en de
snelheidsbegrenzing aan
Aanvullende informatie over het rijpro‐
gramma ÍÍ(MaxRange)
De functies van het rijprogramma zijn slechts
hulpmiddelen. De bestuurder is zelf verantwoor‐
delijk voor een voldoende veilige afstand, de
snelheid en het tijdig remmen.
De snelheidsbegrenzing door het drukpunt in het
haptische gaspedaal wordt in de snelheidsmeter
weergegeven. De segmenten tussen de actuele
snelheidsweergave en de snelheidsbegrenzing
branden groen. In verband met de efficiëntie
worden geringe afwijkingen van de snelheidsbe‐
grenzing toegestaan.
Rijden en parkeren 177
Wanneer u het gaspedaal totvoorbij het druk‐
punt indrukt, wordt de snelheidsbegrenzing
opgeheven.
Bij het herkennen van een voorligger wordt de
snelheid verlaagd.
Wanneer de auto een verkeerssituatie herkent
waarvoor een vertraging nodig is, wordt de auto
niet verder aangedreven en rolt deze uit. Voor
een actieve vertraging moet u het gaspedaal los‐
laten en bovendien, indien nodig, het rempedaal
indrukken.
De functie van het rijprogramma kan in de vol‐
gende situaties beperkt zijn:
RBij slecht zicht, bijvoorbeeld door onvol‐
doende verlichting van de weg, bij sterk wis‐
selende schaduwen of door sneeuw, regen,
mist of veel spatwater.
RBij verblinding, bijvoorbeeld door tegemoet‐
komend verkeer, directe zonnestraling of
reflecties.
RBij vervuiling van de voorruit in het gebied
van de multifunctionele camera of als de
camera beslagen, beschadigd of afgedekt is.
RAls de verkeerstekens slecht herkenbaar zijn,
bijvoorbeeld door verontreiniging, afdekking,
sneeuw of onvoldoende verlichting.
RBij vervuilde, afgedekte of beschadigde
radarsensoren (/pagina 203).
Rijprogramma kiezen
#De DYNAMIC SELECT-schakelaar 1naar
voren of achteren drukken.
Op het multifunctioneel display verschijnt het
geselecteerde rijprogramma.
DYNAMIC SELECT configureren (multimedia‐
systeem)
Multimediasysteem:
4©5Instellingen 5Voertuig
5DYNAMIC SELECT
Rijprogramma I instellen
#Configuratie Individual selecteren.
#Een categorie selecteren en instellen.
Herstelweergave in- en uitschakelen
#Vragen bij starten in- of uitschakelen.
Functie aan: De volgende keer dat de auto
wordtgestart, verschijnt de vraag of het laatst
actieve rijprogramma weer moet worden inge‐
steld.
178 Rijden en parkeren
%De vraag verschijnt alleen als de laatste
actieve instellingen van de standaardinstel‐
lingen afwijken.
%Deze functie moet voor elk gebruikersprofiel
afzonderlijk worden ingeschakeld. Alleen
wanneer deze functie is ingeschakeld, wordt
voor het betreffende gebruikersprofiel het rij‐
programma van de laatste rit opgeslagen.
Voertuiggegevens weergeven
Multimediasysteem:
4©5EQ
#Voertuig selecteren.
De voertuiggegevens worden weergegeven.
Verbruiksindicatie oproepen
Multimediasysteem:
4©5EQ
#Verbruik selecteren.
De actuele en gemiddelde verbruikswaarden
worden weergegeven.
Transmissie
DIRECT SELECT-keuzehendel
Functie van de DIRECT SELECT-keuzehendel
&WAARSCHUWING Gevaar voor ongeval‐
len en letsel als kinderen zonder toezicht
in het voertuig worden achtergelaten
Wanneer kinderen zonder toezicht in het
voertuig achterblijven, kunnen ze met name:
RDeuren openen en daardoor andere per‐
sonen of verkeersdeelnemers in gevaar
brengen.
RUitstappen en door het verkeer worden
gegrepen.
RUitrustingen van het voertuig bedienen en
bijvoorbeeld bekneld raken.
Bovendien kunnen kinderen het voertuig in
beweging zetten, door bijvoorbeeld:
RDe parkeerrem vrij te zetten.
RDe transmissiestand te wijzigen.
RHet voertuig te starten.
#Kinderen nooit zonder toezicht in het
voertuig laten.
#Bij het verlaten van het voertuig altijd
de sleutel meenemen en het voertuig
vergrendelen.
#De sleutel buiten bereik van kinderen
bewaren.
Dit geldt eveneens voor de digitale voertuigsleu‐
tel, als de functie "Digitale voertuigsleutel" via
Mercedes me connect is geactiveerd.
Met de DIRECT SELECT-keuzehendel wordt de
transmissiestand gewijzigd. De actuele transmis‐
siestand wordt op het multifunctioneel display
weergegeven.
Rijden en parkeren 179
jParkeerstand
kAchteruitversnelling
iNeutraalstand
hRijstand
Achteruitversnelling R inschakelen
#Het rempedaal indrukken en de DIRECT
SELECT-keuzehendel door de eersteweer‐
stand omhoogdrukken.
Op het multifunctioneel display toont de
transmissiestandaanduiding k.
Neutraalstand N inschakelen
#Het rempedaal indrukken en de DIRECT
SELECT-keuzehendel tot de eersteweerstand
omhoog- of omlaagdrukken.
Op het multifunctioneel display toont de
transmissiestandaanduiding i.
Als vervolgens het rempedaal wordt losgelaten
kan de auto vrij worden bewogen, bijvoorbeeld
om wegte duwen of te slepen.
Als de transmissie in de neutraalstand N
moet blijven, ook als het contact is uitge‐
schakeld:
#De auto starten.
#Het rempedaal indrukken en de neutraal‐
stand iinschakelen.
#Het rempedaal loslaten.
#Het contact uitschakelen.
%Wanneer de auto aansluitend wordtverlaten
en de sleutel zich in de auto bevindt, blijft de
transmissie in de neutraalstand i.
Parkeerstand P inschakelen
#De aanwijzingen met betrekking tot het afzet‐
tenvan de auto in acht nemen
(/pagina 195).
#Het rempedaal indrukken, tot de auto stil‐
staat.
#Als de auto stilstaat de toetsjindrukken.
De parkeerstand is pas ingeschakeld, als op
het multifunctioneel display de transmissies‐
tandaanduiding jverschijnt. Wanneer de
transmissiestandaanduiding jniet ver‐
schijnt, de auto tegenwegrollen beveiligen.
Als aan een van de volgende voorwaarden is vol‐
daan, wordt de parkeerstand jautomatisch
ingeschakeld:
RDe auto wordt afgezet in de transmissiestand
hof k.
RAls de auto stilstaat of met zeer geringe snel‐
heid rijdt in de transmissiestand hof k
wordt het bestuurdersportier geopend.
180 Rijden en parkeren
%Om met geopend bestuurdersportier te
manoeuvreren, opent u bij stilstand het
bestuurdersportier en schakelt u opnieuw de
transmissiestand hof kin.
%Wanneer de parkeerstand jis ingescha‐
keld of het aandrijfsysteem is afgezet en er
geen transmissiestandaanduiding wordt
weergegeven, beveilig de auto dan tegen
wegrollen (/pagina 202).
Rijstand D inschakelen
#Het rempedaal indrukken en de DIRECT
SELECT-keuzehendel door de eersteweer‐
stand omlaagdrukken.
Op het multifunctioneel display toont de
transmissiestandaanduiding h.
Functie van de flexibele vierwielkoppelver‐
deling
Door de flexibele vierwielkoppelverdeling is de
aandrijving altijd ideaal over de twee assen ver‐
deeld. Afhankelijk van de situatie kan alleen de
voor- of de achteras worden aangedreven of kan
de aandrijving traploos over beide assen worden
verdeeld.
Hierdoor kan de maximale recuperatieve vertra‐
ging worden bereikt (/pagina 167). De daar‐
door bereikte recuperatie verhoogt de actiera‐
dius van de auto.
Als een aangedreven wiel vanwege een te
geringe grip doordraait verbetert de flexibele
vierwielkoppelverdeling samen met het ESP®en
het 4ETS de grip van de auto.
De flexibele vierwielkoppelverdeling kan het
gevaar voor ongevallen als gevolg van een niet
aangepaste rijstijl niet verminderen en de
natuurkundige grenzen niet verleggen. Het sys‐
teem kangeen rekening houden met de weg- en
weersomstandigheden en de verkeerssituatie.
De flexibele vierwielkoppelverdeling is slechts
een hulpmiddel. De verantwoordelijkheid, in het
bijzonder voor een veilige afstand, de snelheid,
het tijdig remmen en het aanhouden van de rij‐
strook, ligt bij u.
%Alleen als bij een winterse staat van het weg‐
dek winterbanden (M+S-banden) worden
gebruikt, zo nodig met sneeuwkettingen,
wordt de maximale werking van de flexibele
vierwielkoppelverdeling bereikt.
Hoogspanningsaccu opladen
Aanwijzingen met betrekking tot het opladen
van de hoogspanningsaccu
*AANWIJZING Versnelde veroudering van
de hoogspanningsaccu door vaak vol
laden
Vaak helemaal vol laden (laadtoestand 100%)
van de hoogspanningsaccu, vooral zonder
direct aansluitend rijden, versnelt de verou‐
dering van de hoogspanningsaccu.
#De hoogspanningsaccu gemiddeld tot
een laadtoestand van 80% opladen.
Vanaf een laadtoestand van 80% wordt
de oplaadtijd ook excessief langer.
*AANWIJZING Beschadiging van de hoog‐
spanningsaccu door lange standtijden of
door volledige ontlading
Lange standtijden met een hoge laadtoe‐
stand kunnen leiden tot een versnelde verou‐
dering van de hoogspanningsaccu.
Rijden en parkeren 181
Door diepontlading als gevolg van langere
perioden vanstilstand kan de hoogspan‐
ningsaccu beschadigen.
#Bij langere tijden vanstilstand ervoor
zorgen dat de laadtoestand van de
hoogspanningsaccu tussen 30% en 50%
is wanneer de auto wordtgeparkeerd.
De hoogspanningsaccu daarbij niet per‐
manent aansluiten op een stroomvoor‐
ziening.
#De laadtoestand van de hoogspannings‐
accu elke twee tot drie maanden con‐
troleren.
De hoogspanningsaccu bijladen als de
laadtoestand onvoldoende is.
Als gevolg van de fundamentele eigenschappen
van de hoogspanningsaccu neemt in de loop van
de tijd de bruikbare energiehoeveelheid van de
hoogspanningsaccu af.
Daardoor reduceert de maximaal haalbare actie‐
radius van het voertuig en kunnen de maximale
prestaties (acceleratie) gereduceerd zijn.
Ukunt als volgt aan de reductie van het energie‐
verbruik van het voertuig bijdragen:
Reen vooruitziende rijstijl (/pagina 173)
Rgereduceerd gebruik van elektrischeverbrui‐
kers
Rregelmatig onderhoud van de auto
Gedurende de levensduur van een accu kan de
oplaadtijd van een hoogspanningsaccu wijzigen.
%Ukunt de laadtoestand van de hoogspan‐
ningsaccu in het multimediasysteem contro‐
leren (/pagina 166)
%Afhankelijkvan de exportuitvoering is uw
auto uitgerust met een van de volgende voer‐
tuigstekkerdozen.
Ukunt de hoogspanningsaccu zowel met wissel‐
stroom (mode 2 of 3) als met gelijkstroom (mode
4) opladen.
Voertuigstekkerdoos type Combo 1
182 Rijden en parkeren
Voertuigstekkerdoos type Combo 2
1Aansluiting wisselstroomladen
2Uitbreiding aansluiting gelijkstroomladen
%Bij gebruik van een CCS-laadkabel (Combi‐
ned Charging System) voor het gelijkstroom‐
laden worden beide delen van de voertuig‐
stekkerdoos door de laadkabelstekker
bedekt.
Oplaadmogelijkheden van de hoogspannings‐
accu (mode 2, 3 of 4):
ROpladen tijdens het rijden door recuperatie
RStationair wisselstroomladen via:
-Netcontactdoos (mode 2)
-Wallbox (mode 3)
-Laadstation (mode 3)
RStationair gelijkstroomladen via:
-Laadstation (mode 4)
De hoogspanningsaccu kanworden opgeladen
met een nominale spanning tussen 100 V en
400 V.
De hoogspanningsaccu vanwege het grotere
laadvermogen en het betere laadrendement bij
voorkeur bij een wallbox of een laadstation opla‐
den.
Systeemgrenzen
De capaciteit van de hoogspanningsaccu kan
nadelig worden beïnvloed door de volgende
invloeden:
RLage of hoge buitentemperaturen
RHet inschakelen van elektrische nevenver‐
bruikers in de auto, bijvoorbeeld het gebruik
van het klimaatregelsysteem
REen langere standtijd zonder lading
De oplaadtijd van de hoogspanningsaccu kan
langer worden door de volgende invloeden:
RLage of hoge buitentemperaturen
REen langere standtijd zonder lading
RDe maximaal beschikbare laadstroom van de
wallbox of de stroomvoorziening
RDe instellingen voor het opladen in het multi‐
mediasysteem (/pagina 184)
Rijden en parkeren 183
Werking van de laadtoestandweergave op
het multifunctioneel display
1Actuele laadtoestand
2Tijdstip accu vol
Als de auto met het stroomnet is verbonden en
het contact is uitgeschakeld, toont het multi‐
functioneel display de laadtoestandweergave
gedurende circa twee minuten.
%De weergegevenwaarden variëren afhanke‐
lijk van de instelling voor het opladen. Het is
bijvoorbeeld ook mogelijk om de ingestelde
vertrektijd te laten zien.
Instellingen voor oplaadtijden configureren
Multimediasysteem:
4©5Instellingen 5EQ
Opladen instellen
#Vertrektijd selecteren.
De volgende oplaadtijden kunnen worden inge‐
steld:
RDirect opladen (geen vertrektijd)
REenmalig (00:00)
RWeekprofiel
#Een instelling selecteren.
Eenmalige vertrektijd instellen
#Vertrektijd selecteren.
#Eenmalige tijd bewerk. selecteren.
#Een vertrektijd instellen.
Weekprofiel instellen
#Vertrektijd selecteren.
#Weekprofiel bewerken selecteren.
#De gewenste vertrektijden instellen, bijvoor‐
beeld elke dag om 8:00 uur.
Maximale laadstroom instellen
#Maximale laadstroom selecteren.
#Maximum,8 ampère of 6 ampère selecteren.
Bij het opladen van de hoogspanningsaccu
wordt de laadstroom tot het ingestelde
amperage begrensd.
%De waarde van de maximale laadstroom is
afhankelijk van de meegeleverde laadkabel
met vastewaarde.
Maximale laadtoestand instellen
#Maximale laadtoestand selecteren.
#Het gewenste percentage instellen.
De hoogspanningsaccu wordt maximaal tot
het ingestelde percentage opgeladen.
%Het percentage kan in stappen vantelkens
10%worden ingesteld.
Er wordt een maximale laadtoestand van
80% geadviseerd. Hogere maximale laadtoe‐
standen kunnen een ongunstige invloed op
de levensduur van de hoogspanningsaccu
hebben (/pagina 181).
184 Rijden en parkeren
Functies van de controlelampjes op de voer‐
tuigstekkerdoos
%Afhankelijk van de exportuitvoering is uw
auto uitgerust met een van de volgende voer‐
tuigstekkerdozen.
De contactdoosklep wordt samen met de auto
centraal ver- en ontgrendeld.
Voertuigstekkerdoos type Combo 1
1Statusindicatie
2Controlelampje opladen
3Controlelampje vergrendelingsstatus
Voertuigstekkerdoos type Combo 2
1Statusindicatie
2Controlelampje opladen
3Controlelampje vergrendelingsstatus
De statusindicatie 1knippert of brandt analoog
met de controlelampjes 2en 3.
Rijden en parkeren 185
Overzicht vergrendelingsstatus
Vergrende‐
lingsstatus
33
Melding Betekenis
%Brandt wit Voertuigstek‐
kerdoos ont‐
grendeld,
laadkabel
aansluiten of
verwijderen
%Knippert wit Storing bij
het ver- of
ontgrendelen
Overzicht status van het opladen
Status van
het opladen
22
Melding Betekenis
#Knippert
oranje Verbinding
wordt opge
bouwd
#Knippert
groen Actieve ener‐
giestroom
#Brandt oranje Laadpauze
#Brandt groen Opladen afge‐
sloten
#Knippert rood
(gedurende
circa 90 s)
Storing bij
het laden
Aanwijzingen met betrekking tot het opladen
van de hoogspanningsaccu aan de netcon‐
tactdoos (mode 2)
&GEVAAR Levensgevaar door ondeskun‐
dig gemonteerde onderdelen
Als een ondeskundig geïnstalleerde netcon‐
tactdoos of een adapter, verlengsnoer of iets
dergelijks wordtgebruikt om de laadkabel op
een netcontactdoos aan te sluiten, kan dit
leiden tot brand of een stroomstoot.
#De laadkabel alleen op een netcontact‐
doos aansluiten, die:
Rvolgens voorschriftengeïnstalleerd is en
Rdoor een elektrotechnicus is gecontro‐
leerd.
#Om veiligheidsredenen alleen laadka‐
bels gebruiken die bij de auto zijn gele‐
verd of voor deze auto zijn goedge‐
keurd.
#Geen beschadigde laadkabel gebruiken.
#Niet gebruiken:
186 Rijden en parkeren
RVerlengsnoeren
RKabelhaspels
RStekkerdozen.
#Geen stekkerdoosadaptergebruiken om
de laadkabel op de netcontactdoos aan
te sluiten. De enige uitzondering is wan‐
neer de adapter door de fabrikant is
getest en goedgekeurd voor het opla‐
den van de hoogspanningsaccu van een
elektrische auto.
#Beslist de veiligheidsaanwijzingen in de
handleiding van de stekkerdoosadapter
in acht nemen.
Alleen de volgende laadkabels mogen worden
gebruikt:
RDe bij de auto gevoegde laadkabel
REen voor de auto goedgekeurde laadkabel
Het opladen kan afhankelijkvan de stroomvoor‐
ziening verschillend zijn.
Kortere oplaadtijden kunnen op de volgende
manierenworden bereikt:
Rbij het opladen aan een wallbox
Rbij het opladen aan een laadstation
Daartoe de aanwijzingen ter plekke in acht
nemen.
Het bedieningselement van de laadkabel niet vrij
aan een netcontactdoos laten hangen.
Het bedieningselement mag niet aan de vol‐
gende onderdelen worden opgetild:
Raan de laadkabelstekker
Raan de voedingsstekker
De laadkabel kan in het meegeleverdefoedraal
in de bagageruimte van de auto worden opgebor‐
gen en vastgezet.
Overzicht laadkabel-bedieningseenheid
De laadkabel-bedieningseenheid geeft de actu‐
ele toestand van het opladen aan.
1POWER weergave netspanning
2CHARGING weergave opladen
3TEMPERATURE weergavetemperatuurbewa‐
king
4FAULT Weergave veiligheids- en controle‐
voorziening
POWER
11Weergave net‐
spanning
Betekenis
Brandt wit Netspanning is aan‐
wezig
Rijden en parkeren 187
CHARGING
22Weergave opla‐
den
Betekenis
Knippert groen Hoogspanningsaccu
wordt opgeladen
TEMPERATURE
33Weergave tem‐
peratuurbewaking
Betekenis
Brandt rood Groene LED knippert
gelijktijdig: Te hoge
temperatuur laad‐
vermogen wordtgere‐
duceerd
Groene LED knippert
niet: Te hoge tempe‐
ratuur opladen
beëindigd
Knippert rood Te hoge temperatuur
van de voedingsstek‐
ker opladen beëin‐
digd
FAULT
44Weergave veilig‐
heids- en controle‐
voorziening
Betekenis
Knippert rood Interne storing opla‐
den niet mogelijk
Brandt rood Storing van de infra‐
structuur opladen
niet mogelijk
Wanneer het bedieningselement een foutstroom
of een storing herkent, wordt het opladen onder‐
broken. Wanneer de storing verholpen is, wordt
het opladen automatisch voortgezet.
Maximaal toelaatbare laadstroom voor het
opladen aan een netcontactdoos instellen
*AANWIJZING Gevaar door een te hoge
laadstroom
Een te hoge laadstroom kantot het activeren
van de zekering of oververhitting van het
externestroomnet leiden.
#Controleren of het externestroomnet
voor de ingestelde laadstroom geschikt
is.
#De ingestelde laadstroom indien nodig
reduceren of een andere netcontact‐
doos gebruiken.
#Vóór het opladen via een netcontactdoos de
maximaal toegestane laadstroom van de
betreffende netcontactdoos of de netvoe‐
dingsinstallatie door een elektricien laten
controleren. Voor de meegeleverde laadkabel
is de maximumwaarde voor de laadstroom
landspecifiek ingesteld. Bij het opladen in het
buitenland kan de maximumwaarde de daar
toegestane waarde overschrijden. De lands‐
pecifieke regelingen bij het opladen in het
buitenland in acht nemen.
Bij vragenover de laadstroominstelling of
een storing in de werking contact opnemen
met een gekwalificeerde werkplaats.
#De maximaal toegestane laadstroom instel‐
len in het menu van het multimediasysteem
(/pagina 184).
188 Rijden en parkeren
Wanneer de exacte waarde van de maximaal toe‐
gestane laadstroom niet kanworden ingesteld,
de eerstvolgende kleinere instelbare waarde kie‐
zen.
%Wanneer de auto meer tijd dan normaal voor
het opladen van de hoogspanningsaccu
nodig heeft, de instellingen voor de maxi‐
male laadstroom in het menu van het multi‐
mediasysteem controleren.
Aanwijzingen met betrekking tot het opladen
van de hoogspanningsaccu aan een wallbox
(mode 3)
&GEVAAR Levensgevaar door ondeskun‐
dig gemonteerde onderdelen
Als een ondeskundig geïnstalleerde wallbox
of een adapter, verlengsnoer of iets derge‐
lijks wordtgebruikt om de laadkabel op de
wallbox aan te sluiten, kan dit leiden tot
brand of een stroomstoot.
#De laadkabel alleen op een wallbox aan‐
sluiten, die:
Rvolgens voorschriftengeïnstalleerd is en
Rdoor een elektrotechnicus is gecontro‐
leerd.
#Om veiligheidsredenen alleen laadka‐
bels gebruiken die door de fabrikant zijn
getest en goedgekeurd voor het opla‐
den van de hoogspanningsaccu van een
elektrische auto.
#Geen beschadigde laadkabels gebrui‐
ken.
#Laadkabels niet op een versterker aan‐
sluiten.
#Laadkabels niet verlengen.
#Geen adapters gebruiken.
#Beslist de veiligheidsaanwijzingen in de
handleiding van de wallbox in acht
nemen.
Voor het opladen aan een wallbox zonder voor‐
gemonteerde kabel de als optie verkrijgbare
laadkabel voor wallbox en laadstation (mode 3)
gebruiken. De laadkabel bevindt zich in een foe‐
draal in de bagageruimte.
Alleen laadkabels gebruiken die door de fabri‐
kant zijn gecontroleerd en goedgekeurd voor het
opladen van de hoogspanningsaccu van een
elektrische auto.
Aanwijzingen met betrekking tot het opladen
van de hoogspanningsaccu bij het laadsta‐
tion (mode 3/4)
&GEVAAR Levensgevaar door bescha‐
digde onderdelen
Als bij een laadstation een beschadigde
kabel, adapter, verlengsnoer of iets dergelijks
wordtgebruikt om de auto op het laadstation
aan te sluiten, kan dit leiden tot brand of een
stroomstoot.
#Bij laadstations met vast gemonteerde
laadkabel:
RVisuele controle van de laadpaal op
uitwendige gebreken, zoalsernstige
beschadiging van de behuizing of de
laadkabel.
#Bij laadstations zonder vast gemon‐
teerde laadkabel:
Rijden en parkeren 189
ROm veiligheidsredenen alleen laad‐
kabels gebruiken die door de fabri‐
kant zijn getest en goedgekeurd
voor het opladen van de hoogspan‐
ningsaccu van een elektrische auto.
RGeen beschadigde laadkabels
gebruiken.
RLaadkabels niet verlengen.
RGeen adapters gebruiken.
#Beslist de veiligheidsaanwijzingen op
het laadstation in acht nemen.
De meeste laadstations moetenvoor het opla‐
den worden vrijgeschakeld, bijvoorbeeld met een
RFID-kaart. Hiertoe de aanwijzingen van de aan‐
bieder van het lokale laadstation in acht nemen.
Het opladen starten
&GEVAAR Levensgevaar bij het opladen
met een beschadigde contactdoos
Het opladen gebeurt met een hoge spanning.
Als de laadkabel, de voertuigstekkerdoos of
de netcontactdoos beschadigd is, kunt u een
stroomstoot krijgen.
#Alleen een onbeschadigde laadkabel
gebruiken.
#Mechanische beschadigingen bijvoor‐
beeld door platdrukken, knikken en er
overheen rijden vermijden.
#Een beschadigde voertuigstekkerdoos
direct bij een gekwalificeerde werk‐
plaats laten vervangen.
#De laadkabel nooit in een beschadigde
voertuigstekkerdoos steken.
*AANWIJZING Te hoge spanning in het
stroomnet kan de auto beschadigen.
Daarom is de auto uitgerust met een
beschermingssysteem tegente hoge span‐
ningen in het stroomnet. Dit beschermings‐
systeem kan bij bijvoorbeeld onweer worden
ingeschakeld en leiden tot onderbreking van
de zekering van het pand en een onderbre‐
king van het opladen. Deze functies dienen
ter bescherming van de auto.
Na het weer inschakelen van de zekering van
het pand wordt de laadprocedure automa‐
tisch voortgezet.
Als het opladen wordt onderbroken zonder
dat de zekering van het pand wordtgeacti‐
veerd, kan het tot 10 minuten duren alvorens
de laadprocedure automatisch wordtvoort‐
gezet.
190 Rijden en parkeren
*AANWIJZING Warm worden van laadka‐
bel en laadkabelstekker
De laadkabel en de laadkabelstekker kunnen
tijdens het opladen binnen de toegestane
grenswaarden warm worden.
De toegestane grenswaarden worden door
de volgende factoren beïnvloed:
RDe stroomvoorziening van het stroomnet
en de laadkabel zijn intact.
RDe aanwijzingen met betrekking tot het
gebruik van de laadkabel en het bedie‐
ningselement op de laadkabel zijn in acht
genomen.
#Als de laadkabel of de laadkabelstekker
te warm wordt, de stroomvoorziening
van het stroomnet laten controleren.
*AANWIJZING Beschadiging of vervuiling
van de voertuigstekkerdoos
#Als er geen laadkabel is aangesloten,
het contactdoosdeksel en de contact‐
doosklep altijd gesloten houden. Deze
beschermen de voertuigstekkerdoos
tegenvervuiling en beschadiging.
#Vóór het sluiten van de contactdoos‐
klep controleren, of het contactdoos‐
deksel correct gesloten is. Anders kun‐
nen beschadigingen optreden en kan de
contactdoosklep niet meer worden
geopend.
Voorwaarden
RDe transmissie staat in de stand j.
RDe auto is ontgrendeld.
RHet aandrijfsysteem is niet gestart.
RDe laadkabel staat niet onder trekspanning.
%Afhankelijk van de exportuitvoering is de
auto uitgerust met een van de volgende voer‐
tuigstekkerdozen.
Voertuigstekkerdoos Combo 1
Rijden en parkeren 191
Voertuigstekkerdoos Combo 2
#Op de contactdoosklep 1drukken.
De contactdoosklep 1zwenkt open.
Het controlelampje 2%en de statusin‐
dicatie 3branden wit.
%Bij gestart aandrijfsysteem (weergave õ
op het multifunctioneel display brandt) kan
de contactdoosklep 1niet geopend wor‐
den.
#De sluiting 7naar links drukken.
Het contactdoosdeksel 5is geopend.
%Voor het opladen in mode 2/3 is alleen de
aansluiting 8nodig. In dit geval alleen het
bovenste deel van het contactdoosdeksel 5
openen.
#Opladen via netcontactdoos (mode 2): De
voedingsstekker tot de aanslag in de netcon‐
tactdoos van de externestroombron steken.
#Indien nodig de maximumlaadstroom instel‐
len.
#De laadkabelstekker tot de aanslag in de
aansluiting 8van de voertuigstekkerdoos
steken. De aansluiting 6blijft vrij en moet
door het onderste deel van het contactdoos‐
deksel 5afgedekt blijven.
Erop letten dat de aangesloten laadkabel niet
op trekspanning wordt belast.
Het controlelampje 4#en de statusin‐
dicatie 3knipperen eerst oranje en vervol‐
gens groen, zodra de hoogspanningsaccu
wordt opgeladen.
#Opladen via wallbox/laadstation (mode
3): De laadkabelstekker tot de aanslag in de
aansluiting 8van de voertuigstekkerdoos
steken. De aansluiting 6blijft vrij en moet
door het onderste deel van het contactdoos‐
deksel 5afgedekt blijven. Als de wallbox of
het laadstation niet met een aansluitkabel is
uitgerust, de stekker van de autolaadkabel
tot de aanslag in de contactdoos van de wall‐
box of het laadstation steken.
Erop letten dat de aangesloten laadkabel niet
op trekspanning wordt belast.
Het controlelampje 4#en de statusin‐
dicatie 3knipperen eerst oranje en vervol‐
gens groen, zodra de hoogspanningsaccu
wordt opgeladen.
#Opladen via laadstation (mode 4): De
CCS-laadkabelstekker tot de aanslag in de
voertuigstekkerdoos steken.
Erop letten dat de aangesloten laadkabel niet
op trekspanning wordt belast.
192 Rijden en parkeren
Het controlelampje 4#en de statusin‐
dicatie 3knipperen eerst oranje en vervol‐
gens groen, zodra de hoogspanningsaccu
wordt opgeladen.
Wanneer de laadkabel op de auto is aangesloten,
kan het aandrijfsysteem niet worden gestart en
kan niet met de auto worden gereden.
Bij het begin van het opladen wordt in het combi-
instrument de laadtoestandweergave met een
laadprognose weergegeven. De oplaadprognose
is de verwachte laadtoestand op de ingestelde
vertrektijd of het tijdstip waarop de hoogspan‐
ningsaccu volledig is opgeladen.
%Wanneer het contact ingeschakeld is, ver‐
schijnt tijdens het opladen een flits-symbool
naast de laadtoestandweergave in het
combi-instrument.
De informatie die in het combi-instrument kan
worden weergegeven in acht nemen:
RLaadtoestandweergave (/pagina 184)
RDisplaymeldingen
%Tijdens het opladen kunnen, afhankelijkvan
de temperatuur, de ventilator en het accu‐
koelsysteem hoorbaar inschakelen.
%Als de auto tijdens langdurige perioden van
stilstand op het stroomnet is aangesloten,
wordt de hoogspanningsaccu automatisch
opgeladen wanneer dat nodig is of wanneer
elektrischeverbruikers (bijvoorbeeld klimaat‐
regeling vooraf) worden geactiveerd.
Het opladen beëindigen
Voorwaarden
RDe afstand van de sleuteltot de auto is niet
meer dan 1 m.
Voertuigstekkerdoos type Combo 1
#De laadannuleringsknop 3indrukken.
of
#De auto ontgrendelen (alleen wisselstroomla‐
den mode 2/3).
Het opladen wordt beëindigd. Het controle‐
lampje %1brandt wit. De voertuigstek‐
kerdoos is ontgrendeld.
Rijden en parkeren 193
#De knop 2op de laadkabelstekker inge‐
drukt houden en de laadkabelstekker uit de
voertuigstekkerdoos trekken.
%Als u de laadkabelstekker niet kunt loskop‐
pelen, de ontgrendelingsprocedure herhalen.
Als de laadkabelstekker nog steeds geblok‐
keerd is, contact opnemen met een gekwali‐
ficeerde werkplaats.
#Het contactdoosdeksel en de contactdoos‐
klep sluiten.
#Eventueel de laadkabelstekker uit de netcon‐
tactdoos of uit de contactdoos van de wall‐
box of het laadstation trekken en de auto‐
laadkabel veilig in de auto opbergen.
Voertuigstekkerdoos type Combo 2
#De laadannuleringsknop 2indrukken.
of
#De auto ontgrendelen (alleen wisselstroomla‐
den mode 2/3).
Het opladen wordt beëindigd. Het controle‐
lampje %1brandt wit. De voertuigstek‐
kerdoos is ontgrendeld.
#Wisselstroomladen modus 2/3: De laad‐
kabelstekker binnen 30 seconden uit de
voertuigstekkerdoos losmaken.
Na afloop van de 30 seconden vergrendelt
de voertuigstekkerdoos weer en wordt het
opladen weer hervat.
%Als u de laadkabelstekker niet kunt loskop‐
pelen, de ontgrendelingsprocedure herhalen.
Als de laadkabelstekker nog steeds geblok‐
keerd is, contact opnemen met een gekwali‐
ficeerde werkplaats.
#Het contactdoosdeksel en de contactdoos‐
klep sluiten.
#Eventueel de laadkabelstekker uit de netcon‐
tactdoos of uit de contactdoos van de wall‐
box of het laadstation trekken en de auto‐
laadkabel veilig in de auto opbergen.
%Het linker controlelampje %1op de
voertuigstekkerdoos brandt na het losmaken
van de laadkabelstekker nog enige tijd en
dooft dan.
194 Rijden en parkeren
Parkeren
Auto afzetten
&WAARSCHUWING Gevaar voor ongeval‐
len en gevaar voor letsel door wegrollen
van een onvoldoende beveiligde auto.
Als de auto zonder voldoende beveiliging
wordtgeparkeerd, kan deze ook bij een lichte
helling ongecontroleerd wegrollen.
#Op de volgende manier ervoor zorgen
dat de geparkeerde auto altijd vol‐
doende is beveiligd tegenwegrollen:
ROp hellingen de voorwielen zo
draaien dat de auto in de richting
van de stoeprand rolt als deze in
beweging komt.
RDe parkeerrem bedienen.
RDe transmissie in de stand jzet‐
ten.
&WAARSCHUWING Gevaar voor ongeval‐
len en letsel als kinderen zonder toezicht
in het voertuig worden achtergelaten
Wanneer kinderen zonder toezicht in het
voertuig achterblijven, kunnen ze met name:
RDeuren openen en daardoor andere per‐
sonen of verkeersdeelnemers in gevaar
brengen.
RUitstappen en door het verkeer worden
gegrepen.
RUitrustingen van het voertuig bedienen en
bijvoorbeeld bekneld raken.
Bovendien kunnen kinderen het voertuig in
beweging zetten, door bijvoorbeeld:
RDe parkeerrem vrij te zetten.
RDe transmissiestand te wijzigen.
RHet voertuig te starten.
#Kinderen nooit zonder toezicht in het
voertuig laten.
#Bij het verlaten van het voertuig altijd
de sleutel meenemen en het voertuig
vergrendelen.
#De sleutel buiten bereik van kinderen
bewaren.
Dit geldt eveneens voor de digitale voertuigsleu‐
tel, als de functie "Digitale voertuigsleutel" via
Mercedes me connect is geactiveerd.
*AANWIJZING Beschadiging van de auto
door wegrollen
#De auto altijd tegenwegrollen beveili‐
gen.
Rijden en parkeren 195
#De auto totstilstand brengen door het rem‐
pedaal in te drukken.
#Op hellingen de voorwielen zo draaien dat de
auto in de richting van de stoeprand rolt als
deze in beweging komt.
#De elektrische parkeerrem inschakelen.
#Bij stilstaande auto en ingedrukt rempedaal
de transmissiestandjinschakelen
(/pagina 180).
#Het aandrijfsysteem uitschakelen door de
toets1in te drukken.
#De bedrijfsrem langzaam loslaten.
#Uitstappen en de auto vergrendelen.
%Als de auto wordtgeparkeerd, kunt u de zij‐
ruiten en het schuifdak nog circa vijf minu‐
ten bedienen nadat het bestuurdersportier
gesloten is.
Garagedeurbediening
Toetsen van de garagedeurbediening pro‐
grammeren
&WAARSCHUWING Gevaar voor letsel bij
het openen of sluiten van een garage
deur met de garagedeurbediening
Wanneer de garagedeur met de geïnte‐
greerde garagedeurbediening wordt bediend
of geprogrammeerd, kunnen personen in het
bewegingsgebied van de garagedeur worden
ingeklemd of worden geraakt.
#Bij het gebruiken van de geïntegreerde
garagedeurbediening altijd opletten dat
zich niemand in het bewegingsgebied
van de garagedeur bevindt.
Voorwaarden
RDe auto is buiten de garage respectievelijk
buiten het draaibereik van de garagedeur
geparkeerd.
RHet aandrijfsysteem is afgezet.
RHet contact is ingeschakeld.
%De garagedeuropeningsfunctie is altijd
mogelijk bij ingeschakeld contact.
196 Rijden en parkeren
#De in te leren toets1,2of 3indrukken
en ingedrukt houden.
Het controlelampje 4knippert geel.
%Het kantot 20 seconden duren voordat het
controlelampje geel gaat knipperen.
#De eerder ingedrukte toetsen loslaten.
Het controlelampje 4knippert verder geel.
#De afstandsbediening 5op een afstand tus‐
sen 1 cm en 8 cm op de toets1,2of 3
richten.
#De toets6van de afstandsbediening 5
indrukken en ingedrukt houden tot een van
de volgende signalen verschijnt:
RHet controlelampje 4brandt permanent
groen. De programmering is afgesloten.
RHet controlelampje 4knippert groen.
De programmering was succesvol. Boven‐
dien moet een wisselcode-synchronisatie
met het garagedeurbedieningssysteem
worden uitgevoerd.
#Als het controlelampje 4niet groen brandt
of knippert: De procedure herhalen.
#Alle toetsen loslaten.
%De afstandsbediening van de garagedeurbe‐
diening behoort niet tot de leveringsomvang
van de garagedeurbediening.
Wisselcode-synchronisatie uitvoeren
Voorwaarden
RHet deurbedieningssysteem werkt met een
wisselcode.
RUw auto bevindt zich binnen het bereik van
het garage- of het buitendeurbedieningssys‐
teem.
RDe auto evenals personen en voorwerpen
bevinden zich buiten het bewegingsgebied
van de deur.
Rijden en parkeren 197
#De programmeertoetsvan de deuraandrij‐
vingseenheid indrukken.
U hebt circa 30 seconden de tijd om de vol‐
gende stap te starten.
#Meerdere keren na elkaar de geprogram‐
meerde toets1,2of 3indrukken, totdat
de deur sluit.
Als de deur sluit, is de programmering afge‐
sloten.
%Bovendien de handleiding van de deurbedie‐
ning lezen.
Problemen bij het programmeren van de
afstandsbediening verhelpen
#Controleren of de zendfrequentie van de
afstandsbediening 5wordt ondersteund.
#De batterijen in de afstandsbediening 5ver‐
vangen.
#De afstandsbediening 5onder verschil‐
lende hoeken op een afstand tussen 1 cm en
8 cm voor de binnenspiegel houden. Daarbij
elke instelstand ten minste 25 seconden aan‐
houden.
#De afstandsbediening 5onder dezelfde
hoeken op verschillende afstanden van de
binnenspiegel houden. Daarbij elke instel‐
stand ten minste 25 seconden aanhouden.
#Bij afstandsbedieningen die slechts gedu‐
rende bepaalde tijd zenden, voor het verstrij‐
kenvan de zendtijd opnieuw de toets6van
de afstandsbediening 5indrukken.
#De antennekabel van de deurbediening op de
afstandsbediening richten.
%Ondersteuning en aanvullende informatie
voor de programmering:
RBij de HomeLink®hotline via het nummer
(0) 08000 466 354 65 of +49 (0) 6838
907-277.
ROp internet onder http://
www.homelink.com.
Garagedeur openen of sluiten
Voorwaarden
RDe betreffende toets is voor het bedienen
van de garagedeur geprogrammeerd.
198 Rijden en parkeren
#De toets1,2of 3indrukken en inge‐
drukt houden, tot de garagedeur opent of
sluit.
#Als het controlelampje 4na circa 20 secon‐
den geel knippert: Opnieuw de eerder inge‐
drukte toets indrukken en ingedrukt houden,
tot de garagedeur opent of sluit.
Geheugen van de garagedeurbediening wis‐
sen
#De toetsen 1en 3indrukken en ingedrukt
houden.
Het controlelampje 4brandt geel.
#Als het controlelampje 4groen knippert: De
toetsen 1en 3loslaten.
Het volledige geheugen is gewist.
Zendvergunningengaragedeurbediening
Zendvergunningen
Brazilië
Este equipamento opera em caráter secundário,
isto é, não tem direito à proteção contra interfe‐
ncia prejudicial, mesmo de estações do
mesmo tipo, e não pode causar interfencia a
sistemas operando em caráter primário.
Para maiores informações acessar
www.anatel.gov.br
Rijden en parkeren 199
Zendvergunningen
Land Zendvergunning
Egypte TAC.2511151293.WIR
Andorra CE
Australië R-NZ
Barbados MED1578
Chili 2488/DFRS20576/F-74
Europese
Unie CE
GibraltarCE
IJsland CE
Jordanië TRC/LPD/2015/299
CanadaIC: 4112A-MUAHL5
Koeweit CE
Liechten‐
stein CE
Land Zendvergunning
Mexico RCPGEMU15-0448
Monaco CE
Nieuw-
Zeeland R-NZ
Noorwe‐
gen CE
Russische
federatie niet nodig
Saudi-Ara‐
bië TA 10525
Zwitser‐
land CE
Zuid-
Afrika
TA-2015/1386
Turkijeniet nodig
Land Zendvergunning
Verenigde
Arabische
Emiraten
ER41849/15
Dealer No: DA35176/14
Verenigde
Staten FCC ID: NZLMUAHL5
Meer informatie over de conformiteitsverklaring
radiografische onderdelen van de auto
(/pagina 21).
200 Rijden en parkeren
Elektrische parkeerrem
Werking van de elektrische parkeerrem
(automatisch inschakelen)
&WAARSCHUWING Gevaar voor ongeval‐
len en letsel als kinderen zonder toezicht
in het voertuig worden achtergelaten
Wanneer kinderen zonder toezicht in het
voertuig achterblijven, kunnen ze met name:
RDeuren openen en daardoor andere per‐
sonen of verkeersdeelnemers in gevaar
brengen.
RUitstappen en door het verkeer worden
gegrepen.
RUitrustingen van het voertuig bedienen en
bijvoorbeeld bekneld raken.
Bovendien kunnen kinderen het voertuig in
beweging zetten, door bijvoorbeeld:
RDe parkeerrem vrij te zetten.
RDe transmissiestand te wijzigen.
RHet voertuig te starten.
#Kinderen nooit zonder toezicht in het
voertuig laten.
#Bij het verlaten van het voertuig altijd
de sleutel meenemen en het voertuig
vergrendelen.
#De sleutel buiten bereik van kinderen
bewaren.
Dit geldt eveneens voor de digitale voertuigsleu‐
tel, als de functie "Digitale voertuigsleutel" via
Mercedes me connect is geactiveerd.
De elektrische parkeerremwordt automatisch
bediend, als de transmissie in de stand jstaat
en aan een van de volgende voorwaarden is vol‐
daan:
RHet aandrijfsysteem wordt afgezet.
RDe gordelslottong steekt niet in het gordel‐
slot van de bestuurdersstoel en het bestuur‐
dersportier wordtgeopend.
%Inschakelen verhinderen: Aan de handgreep
van de elektrische parkeerrem trekken.
In de volgende situaties wordt de elektrische
parkeerrem ook vastgezet:
RDe actieve afstandsassistent DISTRONIC
brengt de auto totstilstand.
RDe HOLD-functie houdt de auto in stilstand
op zijn plaats.
RDe actieve parkeerassistent houdt de auto in
stilstand op zijn plaats.
Daartoe moet bovendien aan een van de vol‐
gende voorwaarden zijn voldaan:
RHet aandrijfsysteem wordt afgezet.
RDe gordelslottong steekt niet in het gordel‐
slot van de bestuurdersstoel en het bestuur‐
dersportier wordtgeopend.
REr treedt een systeemstoring op.
RDe spanningsvoorziening is niet voldoende.
RDe auto staat langere tijd stil.
Als de elektrische parkeerremwordt vrijgezet,
dooft in het combi-instrument het rode controle‐
lampje !.
Rijden en parkeren 201
Werking van de elektrische parkeerrem
(automatisch vrijzetten)
De elektrische parkeerremwordt vrijgezet, als
aan de volgende voorwaarden is voldaan:
RHet bestuurdersportier is gesloten.
RHet aandrijfsysteem is gestart.
RDe transmissie staat in de stand hof ken
het gaspedaal wordt ingedrukt of er wordt bij
gesloten bestuurdersportier geschakeld van
de transmissiestand jin de stand hof
k.
RAls de transmissie in de stand kstaat,
moet de achterklep gesloten zijn.
RDe gordelslottong steekt in het gordelslot
van de bestuurdersstoel.
Als de gordelslottong niet in het gordelslot van
de bestuurdersstoel steekt, moet aan de vol‐
gende voorwaarden voldaan zijn:
RDe transmissiestand jwordtverlaten, of er
is voordien sneller dan 3 km/h gereden.
RAls de transmissie in de stand kstaat,
moet de achterklep gesloten zijn.
Als de elektrische parkeerremwordt vrijgezet,
dooft in het combi-instrument het rode controle‐
lampje !.
Elektrische parkeerrem handmatig inschake‐
len of vrijzetten
Aantrekken
#Op de handgreep 1drukken.
In het combi-instrument verschijnt het rode
controlelampje !.
%Alleen wanneer het controlelampje continu
brandt, is de elektrische parkeerrem correct
ingeschakeld.
Vrijzetten
#Het contact inschakelen.
#Aan de handgreep 1trekken.
In het combi-instrument dooft het rode con‐
trolelampje !.
Noodremming uitvoeren
#De handgreep 1indrukken en ingedrukt
houden.
Zolang de auto nog rijdt, wordt de melding
Parkeerrem ontgrendelen weergegeven.
Wanneer de auto totstilstand is afgeremd,
wordt de elektrische parkeerrem ingescha‐
keld. In het combi-instrument verschijnt het
rode controlelampje !.
202 Rijden en parkeren
Informatie over schadeherkenning bij gepar‐
keerde auto
Wanneer bij de vergrendelde auto met ingescha‐
kelde wegsleepbeveiliging een botsing wordt
herkend, ontvangt u in het multimediasysteem
bij het inschakelen van het contact een bericht.
Hierbij ontvangt u informatie over de volgende
punten:
Rpotentieel getroffen gedeelte van de auto
Rkracht van de botsing
In de volgende situaties kan een abusievelijke
activering optreden:
RDe geparkeerde auto wordtverplaatst, bij‐
voorbeeld in een dubbel parkeersysteem.
%Om een abusievelijke activering te voorko
men, de wegsleepbeveiliging uitschakelen.
Wanneer de wegsleepbeveiliging wordt uitge‐
schakeld, wordt ook de schadeherkenning
uitgeschakeld.
Systeemgrenzen
De herkenning kan in de volgende situaties
beperkt zijn:
RBij schade zonder botsing, bijvoorbeeld bij
een afgebroken buitenspiegel of lakschade
door een sleutel.
RBij een botsing met lage snelheid.
RAls de elektrische parkeerrem niet ingescha‐
keld is.
Rij- en rijveiligheidssystemen
Rijsystemen en uw verantwoordelijkheid
Uw auto is voorzien vanrijsystemen die u onder‐
steunen bij het rijden, parkeren en manoeuvre‐
ren. De rijsystemen zijn hulpmiddelen en ont‐
slaan u niet van uw verkeersrechtelijke verant‐
woordelijkheid. Voortdurend de verkeerssituatie
in de gaten houden en indien nodig ingrijpen. De
grenzen voor een veilig gebruik in acht nemen.
Informatie overradar- en ultrasone sensoren
Sommige rijsystemen en rijveiligheidssystemen
bewaken met radarsensoren of met ultrasone
sensoren de omgeving voor, achter of naast de
auto (afhankelijk van de uitrusting van de auto).
De radarsensoren zijn afhankelijk van de uitrus‐
ting van de auto achter de bumpers en/of achter
de Mercedes-Benz ster geïntegreerd. De ultra‐
sone sensoren bevinden zich in de voor- en in de
achterbumper. Deze onderdelen vrijhouden van
vuil, ijs en aangekoekte sneeuw (/pagina 490).
De sensoren mogen niet worden afgedekt, bij‐
voorbeeld door een fietsdrager, uitstekende
bagage,stickers, wrappingfolie of steenslagfolie.
Extra kentekenplaathouders kunnend de werking
van de ultrasone sensoren eveneens nadelig
beïnvloeden. Bij een beschadiging van de bum‐
per of de radiateurgrille of na botsing tegen de
bumper of de radiateurgrille, de werking van de
sensoren laten controleren bij een gekwalifi‐
ceerdewerkplaats. Bij een beschadiging van de
sensoren kunnen enkele rijsystemen en rijveilig‐
heidssystemen niet meer correct functioneren.
Rijden en parkeren 203
Overzicht van de rijsystemen en rijveilig‐
heidssystemen
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de vol‐
gende rijsystemen en rijveiligheidssystemen:
R360°-camera (/pagina 244)
RABS (Antiblokkeersysteem) (/pagina 204)
RActieve afstandsassistent DISTRONIC
(/pagina 219)
RAdaptief remlicht (/pagina 214)
RActive Brake Assist System (/pagina 209)
RActieve spoorassistent (/pagina 263)
RATTENTION ASSIST (/pagina 254)
RBAS (Brems-Assistent-System = remassis‐
tentsysteem) (/pagina 205)
RWegrijhulp voor op hellingen (/pagina 233)
REBD (Electronic Brakeforce Distribution)
(/pagina 208)
RESP®(Elektronisch StabiliteitsProgramma)
(/pagina 205)
RESP®zijwindassistent (/pagina 207)
RESP®-aanhangwagenstabilisatie
(/pagina 208)
RSnelheidslimietassistent (/pagina 256)
RActieve snelheidslimietassistent
(/pagina 223)
RHOLD-functie (/pagina 233)
RStuurassistent STEER CONTROL
(/pagina 208)
RActieve stuurassistent met reddingsstrook‐
functie (/pagina 226)
RLimiter (/pagina 216)
RActieve noodstopassistent (/pagina 230)
RActieve parkeerassistent (/pagina 248)
RPARKTRONIC-parkeerassistent
(/pagina 235)
RAchteruitrijcamera (/pagina 241)
RActieve rijstrookwisselassistent
(/pagina 228)
RTEMPOMAT (/pagina 215)
RDodehoek- en actieve dodehoekassistent
met uitstapwaarschuwing(/pagina 260)
RVerkeerstekenassistent (/pagina 258)
Functie van het ABS (antiblokkeersysteem)
Het ABS regelt de remdruk in kritieke situaties:
RBij het remmen, bijvoorbeeld bij een nood‐
stop of onvoldoende grip van de banden,
wordt het blokkeren van de wielen voorko
men.
RBij het remmen blijft de bestuurbaarheid van
de auto gewaarborgd.
Als het ABS regelt, is pulseren van het rempe‐
daal voelbaar. Het pulserende rempedaal kan
een aanwijzing voor gevaarlijke wegomstandig‐
heden zijn en u eraan herinneren bijzonder voor‐
zichtig te rijden.
Systeemgrenzen
RHet ABS functioneert vanaf een snelheid van
circa 8 km/h.
RHet ABS kan niet correct werken of niet func‐
tioneren als een storing aanwezig is en het
gele ABS-waarschuwingslampje !in het
204 Rijden en parkeren
combi-instrument permanent brandt na het
startenvan het aandrijfsysteem.
Functie van het BAS (Brake Assist System)
&WAARSCHUWING Gevaar voor ongeval‐
len door storing in het BAS (remassisten‐
tiesysteem)
Wanneer het BAS een storing vertoont, kan
de remweg langer worden bij een noodstop.
#In noodstopsituaties het rempedaal met
volle kracht indrukken. Het ABS voor‐
komt daarbij het blokkeren van de wie‐
len.
Het BAS ondersteunt u bij een noodstop met
extra remkracht.
Wanneer het rempedaal snel wordt ingedrukt,
wordt het BASgeactiveerd:
RHet BASverhoogt automatisch de remdruk
van de rem.
RHet BASkan de remweg verkorten.
RHet ABS voorkomt daarbij het blokkeren van
de wielen.
Wanneer het rempedaal wordt losgelaten, werkt
de remweer normaal. Het BASwordtgedeacti‐
veerd.
Functie van het ESP®(elektronisch stabili‐
teitsprogramma)
&WAARSCHUWING Slipgevaar door een
storing in het ESP®
Als het ESP®is uitgeschakeld, wordt de auto
niet door het ESP®gestabiliseerd. Bovendien
zijn verdere rijveiligheidssystemen uitgescha‐
keld.
#Voorzichtig verder rijden.
#Het ESP®bij een gekwalificeerde werk‐
plaats laten controleren.
&WAARSCHUWING Slipgevaar door uit‐
geschakeld ESP®
Als het ESP®wordt uitgeschakeld, zorgt het
ESP®niet meer voor stabilisatie van de auto.
#Het ESP®alleen uitschakelen, zolang de
hieronder beschreven situaties zich
voordoen.
Het ESP®kan, binnen de natuurkundige grenzen,
de rijstabiliteit en de tractie in de volgende situ‐
aties bewaken en verbeteren:
RBij het wegrijden op een natte of gladde weg
RBij het remmen
RAuto's met aanhangwagenvoorziening: Bij
het rijden met aanhangwagen vanaf een snel‐
heid van 65 km/h, als de combinatie gaat
slingeren.
Rbij sterke zijwind, als sneller dan 80 km/h
wordtgereden.
Rijden en parkeren 205
Wanneer de auto van de door de bestuurder
gewenste koers afwijkt, kan het ESP®de auto
door de volgende ingrepen stabiliseren:
REen of meerdere wielen worden doelgericht
afgeremd.
RDe prestaties van het aandrijfsysteem wor‐
den afhankelijk van de situatie aangepast.
Wanneer in het combi-instrument het waarschu‐
wingslampje ESP®OFF åcontinu brandt, is
het ESP®uitgeschakeld:
RDe rijstabiliteit wordt niet meer verbeterd.
RAuto's met aanhangwagenvoorziening:
Het aanhangwagenstabilisatiesysteem is niet
meer actief.
RDe zijwindassistent is niet meer actief.
RDe aangedreven wielen kunnen doordraaien.
RDe tractieregeling ETS/4ETS is nog steeds
actief.
%Ook als het ESP®is uitgeschakeld, wordt u
bij het remmen nog steeds ondersteund
door het ESP®.
Als het waarschuwingslampje ESP®÷in het
combi-instrument knippert, dan hebben een of
meerdere wielen hun slipgrens bereikt:
RDe rijstijl aan de actuele verkeers- en weers‐
omstandigheden aanpassen.
RHet ESP®in geen geval uitschakelen.
RHet gaspedaal bij het wegrijden slechts zo
ver indrukken als nodig is.
Het ESP®in de volgende situaties uitschakelen
om de tractie te verbeteren:
RBij gebruik van sneeuwkettingen
RIn diepe sneeuw
ROp zand of grind
%De doordraaiende wielen zorgen door frees‐
werking voor een betere tractie.
Als het waarschuwingslampje ESP®÷perma‐
nent brandt, is het ESP®vanwege een storing
niet beschikbaar.
De volgende informatie in acht nemen:
RWaarschuwings- en controlelampjes
(/pagina 593)
RDisplaymeldingen
ETS/4ETS (elektronisch tractiesysteem)
De tractieregeling ETS/4ETS is onderdeel van
het ESP®en maakt het mogelijk wegte rijden op
een gladde ondergrond.
Het ETS/4ETS kan door de volgende ingrepen de
tractie van de auto verbeteren:
RAls de aangedreven wielen doordraaien, wor‐
den ze afzonderlijk afgeremd.
REr wordt meer aandrijfkoppel overgebracht
naar het wiel of de wielen met grip.
Invloed van de rijprogramma's op het ESP®
De rijprogramma's maken een aanpassing van
het ESP®aan verschillende weersomstandighe‐
den, de staat van het wegdek en de gewenste rij‐
stijl mogelijk. De rijprogramma's kunnen ook
worden ingesteld met de DYNAMIC SELECT-
schakelaar (/pagina 178).
206 Rijden en parkeren
ESP®eigenschappen per rijprogramma
Rijprogramma ESP®modus Eigenschappen
Í(MaxRange)
A(Comfort)
;(Eco)
ESP®-Comfort Deze rijprogramma's bieden een optimaal com‐
promis tussen grip en stabiliteit.
C(Sport) ESP®-Sport Dit rijprogramma zorgt voor een stabiel, maar
sportief georiënteerde instelling, die het de op
sportiviteit gerichte bestuurder mogelijk maakt
een actieve rijstijl aan te houden.
ESP®(elektronisch stabiliteitsprogramma)
in- of uitschakelen
Multimediasysteem:
4©5Instellingen 5Snelle toegang
%Het ESP®kan alleen via de snelle toegang
worden in- en uitgeschakeld, indien minimaal
een andere functie in de snelle toegang
beschikbaar is. Verder vindt u het ESP®in
het menu Assistentie.
#ESP selecteren.
Een bevestigingsvraag verschijnt.
#Aan of åUit selecteren.
Als in het combi-instrument het waarschuwings‐
lampje ESP®OFF åpermanent brandt, is het
ESP®uitgeschakeld.
De informatie over de waarschuwingslampjes en
de displaymeldingen die in het combi-instrument
kunnen worden weergegeven, in acht nemen.
Functie van de ESP®zijwindassistent
De ESP®zijwindassistent herkent plotseling
optredende zijwind en helpt de bestuurder om
de auto in het goede spoor te houden:
RDe ESP®zijwindassistent is actief vanaf een
snelheid van circa 80 km/h bij rechtuitrijden
of tijdens het rijden door flauwe bochten.
RDe auto wordtgestabiliseerd door een
gerichte en eenzijdige remingreep.
Rijden en parkeren 207
Functie van de ESP®aanhangwagenstabilisa‐
tie
&WAARSCHUWING Gevaar voor ongeval‐
len bij slechte verkeers‑ en weersom‐
standigheden
Bij slechte verkeers‑ en weersomstandighe‐
den kan de aanhangwagenstabilisatie slinge‐
renvan de combinatie niet voorkomen. Aan‐
hangwagens met een hoog zwaartepunt kun‐
nen kantelen voordat het ESP®dit herkent.
#De rijstijl altijd aan de actuele verkeers‑
en weersomstandigheden aanpassen.
De ESP®aanhangwagenstabilisatie kan uw auto
tijdens het rijden met een aanhangwagen stabili‐
seren, als deze gaat slingeren:
RHet ESP®aanhangwagenstabilisatie is actief
vanaf een snelheid van 65 km/h.
REen lichte slingering wordtgestabiliseerd
door een gerichte en eenzijdige remingreep.
RBij sterk slingeren wordt bovendien het ver‐
mogen van het aandrijfsysteem verminderd
en worden alle wielen afgeremd.
De ESP®aanhangwagenstabilisatie kan onder de
volgende omstandigheden beperkt of helemaal
niet werken:
RDe aanhangwagen is niet correct aangesloten
of wordt door de auto niet correct herkend.
Functie van de EBD (Electronic Brakeforce
Distribution)
De EBD heeft de volgende eigenschappen:
RBewaking en regeling van de remdruk naar
de achterwielen.
RVerbetering van de rijstabiliteit bij het rem‐
men, in het bijzonder in bochten.
Functie van de stuurassistent STEER CON‐
TROL
De stuurassistent STEER CONTROL helpt u door
met een in het stuurwiel merkbare kracht in de
voor de stabilisatie van de auto juisterichting te
sturen.
Dit stuuradvies krijgt u vooral in de volgende
situaties:
RTijdens het remmen bevinden de beide rech‐
ter of linker wielen zich op een nat of glad
wegdek.
RDe auto geraakt in een slip.
Systeemgrenzen
De stuurassistent STEER CONTROL kan in de
volgende situaties nadelig beïnvloed of buiten
werking zijn:
RHet ESP®is uitgeschakeld.
RHet ESP®vertoont een storing.
RDe stuurinrichting vertoont een storing.
Als het ESP®een storing vertoont, wordt u ver‐
der ondersteund door de elektrische stuurbe‐
krachtiging.
208 Rijden en parkeren
Functie van het Active Brake Assist System
Het Active Brake Assist System bestaat uit de
volgende functies:
RAfstandswaarschuwingsfunctie
RAutonome remfunctie
RAan de situatie aangepasteremondersteu‐
ning
RAuto's met rijassistentiepakket: Uitwijks‐
tuurassistent en afslagfunctie
Het Active Brake Assist System kan u helpen om
het aanrijdingsgevaar met voertuigen, fietsers of
voetgangers te minimaliseren of de gevolgen van
een ongeval te beperken.
Wanneer het Active Brake Assist System tijdens
het rijden het gevaar van een botsing herkent,
klinkt een waarschuwingssignaal en gaat het
waarschuwingslampje afstandswaarschuwing in
het combi-instrument Lbranden.
Auto's met PRE-SAFE®:Afhankelijk van het
land wordt bovendien een haptische waarschu‐
wing gegeven door de gordel lichtte spannen.
Als u niet op de waarschuwing reageert, kan in
kritische situaties autonoom worden afgeremd.
In bijzonder kritische situaties kan het Active
Brake Assist System ervoor zorgen dat direct
autonoom kanworden afgeremd. Het waarschu‐
wingslampje en het waarschuwingssignaal wor‐
den in dit geval samen met het remmen geacti‐
veerd.
Als u in een kritische situatie zelf remt of tijdens
het autonoom remmen het rempedaal bedient,
volgt er een aan de situatie aangepaste remon‐
dersteuning. Indien nodig wordt de remdruk ver‐
hoogd tot een noodstop.
Wanneer het systeem autonoom remt, of een
aan de situatie aangepasteremondersteuning
uitvoert, verschijnt op het multifunctioneel dis‐
play de melding 1; deze dooft na korte tijd.
Door de activering van de autonome remfunctie
of de aan de situatie aangepasteremondersteu‐
ning kunnen bovendien preventieve maatregelen
voor de veiligheid van de inzittenden (PRE-
SAFE®)worden gestart.
&WAARSCHUWING Gevaar voor ongeval‐
len bij een beperkte herkenning door het
Active Brake Assist System
Het Active Brake Assist System kan objecten
en complexe verkeerssituaties niet altijd
ondubbelzinnig herkennen.
In deze gevallen kan het Active Brake Assist
System:
Rzonder reden waarschuwen of remmen
Rniet waarschuwen of niet remmen.
#De verkeerssituatie altijd goed in de
gaten houden en niet uitsluitend op het
Active Brake Assist System vertrouwen.
Rijden en parkeren 209
Het Active Brake Assist System is
slechts een hulpmiddel. De bestuurder
is zelf verantwoordelijkvoor een vol‐
doende veilige afstand, de snelheid en
het tijdig remmen.
#Gereed zijn om te remmen en eventueel
uit te wijken.
%Als het systeem niet beschikbaar is, ver‐
schijnt de weergaveæop het multifunc‐
tioneel display.
Eveneens de systeemgrenzen van het Active
Brake Assist System in acht nemen.
De afzonderlijke deelfuncties zijn in de vol‐
gende snelheidsbereiken beschikbaar:
De afstandswaarschuwingsfunctie waarschuwt u
in de volgende situaties:
RWanneer vanaf circa 30 km/h gedurende
meerdere seconden de afstand tot de voor‐
ligger te klein is voor de gereden snelheid,
gaat het waarschuwingslampje afstandswaar‐
schuwing in het combi-instrument L
branden.
RWanneer u vanaf een snelheid van circa
7 km/h een voertuig of voetganger tot een
kritische afstand nadert, hoort u een onder‐
broken waarschuwingssignaal en gaat het
waarschuwingslampje afstandswaarschuwing
in het combi-instrument Lbranden.
Auto's met PRE-SAFE®:Afhankelijk van het
land wordt bovendien een haptische waar‐
schuwing gegeven door de gordel lichtte
spannen.
Direct remmen of uitwijkenvoor een obstakel, in
zoverre dit zonder gevaar mogelijk is en de ver‐
keerssituatie dit toelaat.
210 Rijden en parkeren
De afstandswaarschuwingsfunctie kan u in de volgende situaties met een onderbroken waarschuwingssignaal en een waarschuwingslampje
ondersteunen:
VoorliggersStilstaande
voertuigen
Kruisende
voertuigen
Bewegende
voetgangers
Stilstaande
voetgangers
Kruisende fiet‐
sers
Voorliggende
fietsers
Stilstaande
fietsers
Auto's zonder
rijassistentie‐
pakket
tot circa
250 km/h tot circa
80 km/h geen reactie tot circa
80 km/h geen reactie tot circa
60 km/h tot circa
80 km/h geen reactie
Auto's met
rijassistentie‐
pakket
tot circa
250 km/h tot circa
100 km/h tot circa
70 km/h tot circa
80 km/h tot circa
70 km/h tot circa
70 km/h tot circa
80 km/h tot circa
70 km/h
Rijden en parkeren 211
De autonome remfunctie kanvanaf een snelheid van circa 7 km/h in de volgende situaties ingrijpen:
VoorliggersStilstaande
voertuigen
Kruisende
voertuigen
Bewegende
voetgangers
Stilstaande
voetgangers
Kruisende fiet‐
sers
Voorliggende
fietsers
Stilstaande
fietsers
Auto's zonder
rijassistentie‐
pakket
tot circa
200 km/h tot circa
50 km/h geen reactie tot circa
60 km/h geen reactie tot circa
60 km/h tot circa
80 km/h geen reactie
Auto's met
rijassistentie‐
pakket
tot circa
250 km/h tot circa
100 km/h tot circa
70 km/h tot circa
70 km/h tot circa
70 km/h tot circa
70 km/h tot circa
80 km/h tot circa
70 km/h
De aan de situatie aangepaste remondersteuning kanvanaf een snelheid van circa 7 km/h in de volgende situaties ingrijpen:
VoorliggersStilstaande
voertuigen
Kruisende
voertuigen
Bewegende
voetgangers
Stilstaande
voetgangers
Kruisende fiet‐
sers
Voorliggende
fietsers
Stilstaande
fietsers
Auto's zonder
rijassistentie‐
pakket
tot circa
250 km/h tot circa
80 km/h geen reactie tot circa
60 km/h geen reactie tot circa
60 km/h tot circa
80 km/h geen reactie
Auto's met
rijassistentie‐
pakket
tot circa
250 km/h tot circa
100 km/h tot circa
70 km/h tot circa
70 km/h tot circa
70 km/h tot circa
70 km/h tot circa
80 km/h tot circa
70 km/h
212 Rijden en parkeren
Afbreken van een remingreep van het Active
Brake Assist System
Een remingreep van het Active Brake Assist Sys‐
temkunt u op elk moment als volgt beëindigen:
RDoor maximale bediening van het gaspedaal
of de kickdown
RDoor het loslaten van het rempedaal
Wanneer aan een van de volgende voorwaarden
is voldaan, kan het Active Brake Assist System
de remingreep beëindigen:
RU wijkt uit voor een obstakel door te sturen.
REr bestaat geen aanrijdingsgevaar meer.
REr wordtgeen obstakel meer in de lijn van de
auto herkend.
Uitwijkstuurassistent (alleen auto's met
rijassistentiepakket)
De uitwijkstuurassistent heeft de volgende
eigenschappen:
RHerkenning vanstilstaande en bewegende
voetgangers
RHulp bij herkende uitwijkmanoeuvres met
extra stuurondersteuning
RActivering door snelle stuurbeweging bij een
uitwijkmanoeuvre
ROndersteuning bij het uitwijken en weer in
rechte lijn brengen van de auto
RReactie vanaf een snelheid van circa
20 km/h tot een snelheid van circa 70 km/h
Ukunt de ondersteuning altijd door actief sturen
beëindigen.
Afslagfunctie (alleen auto's met rijassisten‐
tiepakket)
Als bij het afslaan over de tegemoetkomende rij‐
strook aanrijdingsgevaar door tegenliggers wordt
gedetecteerd, kan bij snelheden onder 15 km
een autonome remingreep worden uitgevoerd
voordat u de eigen rijstrook hebt verlaten.
&WAARSCHUWING Gevaar voor ongeval‐
len ondanks uitwijk-stuurassistent
De uitwijk-stuurassistent kan objecten en
complexe verkeerssituaties niet altijd ondub‐
belzinnig herkennen.
Bovendien is de stuurondersteuning van de
uitwijk-stuurassistent in de regel niet vol‐
doende om een aanrijding te vermijden.
In deze gevallen kan de uitwijk-stuurassistent
Ronbedoeld waarschuwen of ondersteunen
Rniet waarschuwen of niet ondersteunen.
#De verkeerssituatie altijd goed in de
gaten houden en niet uitsluitend op de
uitwijk-stuurassistent vertrouwen.
#Gereed zijn om te remmen en eventueel
uitwijken.
#De ondersteuning door actief sturen in
niet-kritische rijsituaties beëindigen.
#Met aangepaste snelheid rijden als zich
voetgangers in de omgeving van de auto
bevinden.
Systeemgrenzen
Na inschakelen van het contact, resp. na het
wegrijden is gedurende enkele seconden nog
niet de volledige werking van het systeem
beschikbaar.
Rijden en parkeren 213
Het systeem kan in de volgende situaties moge‐
lijk niet correct werken of buiten werking zijn:
RBij sneeuw, regen, mist, veel spatwater, ver‐
blinding, directe zonnestraling of sterk wisse‐
lende lichtomstandigheden
RWanneer de sensoren vervuild, beslagen,
beschadigd of afgedekt zijn
RWanneer de sensoren door andere radar‐
bronnen worden gehinderd, bijvoorbeeld bij
sterke radarreflectie in parkeergarages
RAls bandenspanningsverlies of een bescha‐
digde band is herkend of weergegeven
RBij complexeverkeerssituaties waarbij objec‐
ten niet altijd eenduidig kunnen worden her‐
kend
RWanneer voetgangers of voertuigen zich snel
binnen het registratiegebied van de radarsen‐
soren bewegen
RWanneer voetgangers door andere objecten
worden afgedekt
RWanneer de typische contour van een voet‐
ganger niet voldoende afwijkt van de achter‐
grond
RWanneer een voetganger niet meer als zoda‐
nig wordt herkend, bijvoorbeeld door speci‐
ale kleding of andere objecten
RIn scherpe bochten
%Na aflevering van de auto initialiseren de
sensoren van het Active Brake Assist System
zich automatisch over een bepaalde afstand.
Tijdens deze inleerprocedure is het Active
Brake Assist System niet of slechts beperkt
beschikbaar.
Active Brake Assist System instellen
Voorwaarden
RHet contact is ingeschakeld.
Multimediasysteem:
4©5Instellingen 5Assistentie
5Actieve remassistent
De volgende instellingen staan ter beschikking:
RVroeg
RGemiddeld
RLaat
#Een instelling selecteren.
De instelling blijft behouden als de motor
weer wordtgestart.
Active Brake Assist System uitschakelen
%Geadviseerd wordt om het Active Brake
Assist System altijd ingeschakeld te laten.
#Uit selecteren.
De afstandswaarschuwingsfunctie, de auto‐
nome remfunctie en de uitwijkstuurassistent
worden uitgeschakeld.
Als de auto weer wordtgestart, wordt auto‐
matisch de middelste instelling gekozen.
%Als het Active Brake Assist System uitge‐
schakeld is, verschijnt op het multifunctio‐
neel display in het statusgedeelte het sym‐
bool æ.
Functie van het adaptieve remlicht
Het adaptieve remlicht waarschuwt het achter‐
opkomend verkeer bij een noodstopsituatie door
de volgende acties:
Rknipperende remlichten
214 Rijden en parkeren
Rinschakelen van de alarmknipperlichtinstalla‐
tie
Wanneer de auto vanaf een snelheid hoger dan
50 km/h krachtig wordt afgeremd, knipperen de
remlichten snel. Daardoor wordt het achteropko
mende verkeer op zeer opvallende wijze gewaar‐
schuwd.
Als de snelheid bij het begin van het afremmen
hoger dan 70 km/h is, wordt de alarmknipper‐
lichtinstallatie ingeschakeld zodra de auto tot
stilstand is gekomen. Als vervolgens wordtver‐
der gereden, wordt de alarmknipperlichtinstalla‐
tie bij circa 10 km/h automatisch uitgeschakeld.
De alarmknipperlichtinstallatie kan ook met de
alarmknipperlichtentoets worden uitgeschakeld.
TEMPOMAT en limiter
Functie van de TEMPOMAT
De tempomat regelt de snelheid op de door de
bestuurder ingevoerde waarde af.
Als u bijvoorbeeld accelereert om in te halen,
wordt de opgeslagen snelheid niet gewist. Wan‐
neer u na de inhaalmanoeuvre de voet van het
gaspedaal neemt, regelt de TEMPOMAT de snel‐
heid weer terug naar de opgeslagen snelheid.
De TEMPOMAT wordt bediend met de overeen‐
komstige stuurwieltoetsen. Elke snelheid vanaf
20 km/h tot de maximumsnelheid, de door de
actieve actieradiusbewaking geadviseerde maxi‐
mumsnelheid of de opgeslagen winterbandenli‐
miet kanworden ingesteld.
De TEMPOMAT kan het gevaar voor ongevallen
door een niet aangepaste rijstijl niet verminde‐
ren en de natuurkundige grenzen niet verleggen.
Hij kangeen rekening houden met de weg- en
weersomstandigheden en de verkeerssituatie.
De TEMPOMAT is slechts een hulpmiddel. De
bestuurder is zelf verantwoordelijkvoor de vei‐
lige afstand, de gereden snelheid, het tijdig rem‐
men en het aanhouden van de rijstrook.
Weergaven op het multifunctioneel display
Op het multifunctioneel display wordt de status
van de TEMPOMAT en de opgeslagen snelheid
weergegeven.
1TEMPOMAT is geselecteerd
2Snelheid is opgeslagen, TEMPOMAT is
gedeactiveerd
3Snelheid is opgeslagen, TEMPOMAT is geac‐
tiveerd
%In de snelheidsmeter branden de segmenten
van de actueel opgeslagen snelheid tot het
einde van de segmentkrans of tot de inge‐
stelde winterbandenlimiet.
Systeemgrenzen
Op een helling kan het voorkomen dat de TEM‐
POMAT de snelheid niet kan aanhouden. Na het
einde van de helling wordt de opgeslagen snel‐
heid weer aangehouden.
Rijden en parkeren 215
Bij lange en steile hellingen moet de recuperatie
vroegtijdig worden verhoogd. Hier vooral op let‐
ten als de auto beladen is. Op die manier maakt
ugebruik van de remwerking van de elektromo‐
tor en laadt u de hoogspanningsaccu op. Daar‐
door wordt het remsysteem ontlast en wordt
voorkomen dat de remmen oververhit raken en
te snel slijten.
De TEMPOMAT in de volgende situaties niet
gebruiken:
RIn verkeerssituaties met veelvuldige snel‐
heidswisselingen, bijvoorbeeld bij druk ver‐
keer of op wegen met veel bochten.
ROp gladde wegen. De aangedreven wielen
kunnen bij het accelereren hun grip verliezen
en de auto kan in een slip raken.
RAls bij slecht zicht wordtgereden.
Functie van de limiter
De limiter begrenst de snelheid van de auto. Om
op de opgeslagen snelheid af te regelen, remt de
limiter automatisch.
De snelheid kan op de volgende manierenwor‐
den begrensd:
RVariabel: Voor snelheidsbeperkingen, bijvoor‐
beeld binnen de bebouwde kom
RPermanent: Voor langdurige snelheidsbeper‐
kingen, bijvoorbeeld bij gebruik van winter‐
banden
De variabele limiter wordt bediend met de over‐
eenkomstige stuurwieltoetsen. Elke snelheid
vanaf 20 km/h tot de maximumsnelheid, of de
opgeslagen winterbandenlimiet, kanworden
ingesteld. Als de auto is gestart, kunt u de instel‐
ling ook uitvoeren bij stilstaande auto.
De limiter kan het gevaar voor ongevallen door
een niet aangepaste rijstijl niet verminderen en
de natuurkundige grenzen niet verleggen. Hij kan
geen rekening houden met de weg- en weersom‐
standigheden en de verkeerssituatie. De limiter
is slechts een hulpmiddel. De bestuurder is zelf
verantwoordelijkvoor de veilige afstand, de
gereden snelheid, het tijdig remmen en het aan‐
houden van de rijstrook.
Weergaven op het multifunctioneel display
Op het multifunctioneel display wordt de status
van de limiter en de opgeslagen snelheid weer‐
gegeven.
1Variabele limiter is gekozen
2Snelheid is opgeslagen, variabele limiter is
gedeactiveerd
3Snelheid is opgeslagen, variabele limiter is
geactiveerd
%In de snelheidsmeterworden de segmenten
tot de actueel opgeslagen snelheid verlicht.
216 Rijden en parkeren
%Als de gereden snelheid hoger dan de opge‐
slagen snelheid is, knippert de aanduiding
3.
Kickdown
Als het gaspedaal tot voorbij het drukpunt wordt
ingedrukt (kickdown), wordt de variabele limiter
passief geschakeld. Op het multifunctioneel dis‐
play verschijnt de melding Limiter passief.
Als de kickdown is beëindigd, wordt de variabele
limiter in de volgende situaties opnieuw geacti‐
veerd:
RDe rijsnelheid daalt tot onder de opgeslagen
snelheid.
RDe opgeslagen snelheid wordt opgeroepen.
REen nieuwe snelheid wordt opgeslagen.
TEMPOMAT of variabele limiter bedienen
&WAARSCHUWING Gevaar voor ongeval‐
len door opgeslagen snelheid
Wanneer u de opgeslagen snelheid oproept
en deze lager is dan de actuele snelheid,
remt de auto af.
#Rekening houden met de verkeerssitua‐
tie voordat de opgeslagen snelheid
wordt opgeroepen.
Voorwaarden
TEMPOMAT
RDe TEMPOMAT is geselecteerd.
RHet ESP®is ingeschakeld, maar mag niet
regelen.
RDe rijsnelheid bedraagt minimaal 20 km/h.
RDe transmissie staat in de stand h.
Variabele Limiter
RDe auto is gestart.
RDe variabele limiter is geselecteerd.
Omschakelen tussen TEMPOMAT en varia‐
bele limiter
#TEMPOMAT selecteren: De tuimelschake
laar 1omhoogdrukken.
#Variabele limiter selecteren: De tuimel‐
schakelaar 1omlaagdrukken.
Rijden en parkeren 217
%Auto's met actieve afstandsassistent
DISTRONIC: De variabele limiter wordt via
een andere toetsgekozen (/pagina 221).
TEMPOMAT of variabele limiter activeren
#De tuimelschakelaar 2omhoog (SET+) of
omlaag (SET-) drukken.
De actueel gereden snelheid wordt opgesla‐
gen en door de auto aangehouden (TEMPO‐
MAT) of begrensd (variabele limiter).
of
#De tuimelschakelaar 3omhoogdrukken
(RES).
De laatst opgeslagen snelheid wordt opgesla‐
gen en door de auto aangehouden (TEMPO‐
MAT) of begrensd (variabele limiter).
Wanneer daarvoor de laatst opgeslagen snel‐
heid is gewist, wordt de momenteel gereden
snelheid opgeslagen.
%Als de auto wordtgeparkeerd, wordt de
laatst opgeslagen snelheid gewist.
Wanneer u de TEMPOMAT of de actieve
afstandsassistent DISTRONIC activeert,
wordt de laatst opgeslagen snelheid voor de
variabele limiter gewist.
Opgeslagen snelheid verhogen/verlagen
#De tuimelschakelaar 2tot het drukpunt
omhoog (SET+) of omlaag (SET-) drukken.
De opgeslagen snelheid wordt 1 km/h ver‐
hoogd of verlaagd.
of
#De tuimelschakelaar 2tot het drukpunt
omhoog (SET+) of omlaag (SET-) drukken en
vasthouden.
De opgeslagen snelheid wordt in stappen van
1 km/h verhoogd of verlaagd.
of
#De tuimelschakelaar 2tot voorbij het druk‐
punt omhoog (SET+) of omlaag (SET-) druk‐
ken.
De opgeslagen snelheid wordt10 km/h ver‐
hoogd of verlaagd.
of
#De tuimelschakelaar 2tot voorbij het druk‐
punt omhoog (SET+) of omlaag (SET-) druk‐
ken en vasthouden.
De opgeslagen snelheid wordt in stappen van
10 km/h verhoogd of verlaagd.
of
#De auto op de gewenste snelheid brengen.
#De tuimelschakelaar 2omhoog (SET+)
drukken.
Overname van de herkende snelheid
Wanneer de snelheidsbegrenzingsassistent of de
verkeerstekenassistent bij geactiveerde TEMPO‐
MAT/variabele limiter een verkeersteken met
een toegestane maximumsnelheid herkend heeft
en dit in het combi-instrument wordtweergege
ven, kunt u uit de twee volgende mogelijkheden
kiezen:
#De tuimelschakelaar 3omhoog (RES) druk‐
ken.
De toegestane maximumsnelheid van het
verkeersbord wordt opgeslagen en door de
auto aangehouden of overeenkomstig
begrensd.
#TEMPOMAT deactiveren: De tuimelschake‐
laar 3omlaag (CNCL) drukken.
#TEMPOMAT uitschakelen: De tuimelschake‐
laar 1omlaagdrukken.
218 Rijden en parkeren
TEMPOMAT of variabele limiter deactiveren
#De tuimelschakelaar 3omlaag (CNCL) druk‐
ken.
%Wanneer u remt, het ESP®uitschakelt of
wanneer het ESP®regelt, wordt de TEMPO‐
MAT gedeactiveerd. De variabele limiter
wordt niet gedeactiveerd.
Permanente limiter
Als de auto langdurig een bepaalde snelheid niet
mag overschrijden (bijvoorbeeld bij het gebruik
van winterbanden), kan dit met de permanente
limiter worden ingesteld.
In het multimediasysteem kunt u daartoe de
snelheid op een waarde tussen 160 km/h en
240 km/h begrenzen (/pagina 219).
Als u de snelheid begrenst op een waarde die
hoger is dan de maximumsnelheid van de auto,
heeft de permanente limiter geen effect op de
gereden snelheid. De maximumsnelheid kan
afhankelijk van het rijprogramma of de door de
actieve actieradiusbewaking geadviseerde maxi‐
mumsnelheid variëren.
Kort voor het bereiken van de ingestelde snel‐
heid verschijnt deze op het multifunctioneel dis‐
play. Als u de melding met %bevestigt, wordt
zolang de auto niet wordtgeparkeerd geen mel‐
ding meer gegeven. Een nieuwe melding ver‐
schijnt pas weer nadat de auto opnieuw is
gestart of wanneer de ingestelde snelheid wordt
gewijzigd.
Ook bij kickdown kan de permanente limiter niet
passief worden geschakeld en blijft de rijsnel‐
heid onder de ingestelde snelheid.
Snelheidsbegrenzing bij winterbanden instel‐
len
Multimediasysteem:
4©5Instellingen 5Voertuig
5Winterbanden-limiet
#Een snelheid selecteren of de functie uit‐
schakelen.
Actieve afstandsassistent DISTRONIC
Functie van de actieve afstandsassistent
DISTRONIC
De actieve afstandsassistent DISTRONIC houdt
bij een vrije doorgang de ingestelde snelheid
aan. Bij herkende voorliggers wordt de inge‐
stelde afstand aangehouden, indien nodig tot
stilstand. De auto wordt afhankelijkvan de
afstand tot de voorligger en de ingestelde snel‐
heid versneld of vertraagd. De snelheid (tussen
20 km/h en de maximumsnelheid) en de afstand
worden in het stuurwiel ingesteld en opgeslagen.
Rijden en parkeren 219
De instelbare regelsnelheid kanverschillen,
afhankelijk van de volgende factoren:
RGeselecteerd rijprogramma (/pagina 175).
RMaximumsnelheid (bijvoorbeeld winterban‐
denlimiet)(/pagina 219)
RDoor de actieve actieradiusbewaking geadvi‐
seerde maximumsnelheid (afhankelijk van
uitrusting en rijprogramma) (/pagina 371)
Verdere eigenschappen van de actieve afstands‐
assistent DISTRONIC:
RAanpassing van de rijstijl afhankelijkvan het
gekozen rijprogramma (brandstofbesparend,
comfortabel of dynamisch) (/pagina 175)
RAuto's met rijassistentiepakket: Reageert
binnen de bebouwde kom op herkende stil‐
staande voertuigen (uitgezonderd fietsen en
motorfietsen)
RInleiding van een acceleratie naar de opge
slagen snelheid wanneer de richtingaanwijzer
wordt ingeschakeld om naar de snellere rij‐
strook te wisselen
RAuto's met rijassistentiepakket: Inachtne‐
ming van eenzijdige inhaalverboden op auto‐
snelwegen of wegen met gescheiden rijbanen
en meerdere rijstroken (landsafhankelijk)
Auto's met actieve parkeerassistent en rijas‐
sistentiepakket: Wanneer de auto op wegen
met gescheiden rijbanen met meerdere rijstro‐
ken door de actieve afstandsassistent
DISTRONIC totstilstand wordt afgeremd, dan
kan de auto binnen 30 seconden automatisch de
weer wegrijdende voorligger volgen. Als bij het
wegrijden een kritieke situatie wordt herkend,
vindt een optische en akoestische overname‐
waarschuwing plaats en moet de bestuurder zelf
ingrijpen. De auto wordt niet verder versneld.
De actieve afstandsassistent DISTRONIC is
slechts een hulpmiddel. De bestuurder is zelf
verantwoordelijkvoor de veilige afstand, de snel‐
heid en het tijdig remmen.
Systeemgrenzen
Het systeem kan bijvoorbeeld in de volgende
situaties mogelijk niet correct werken of buiten
werking zijn:
RBij sneeuw, regen, mist, veel spatwater, ver‐
blinding, directe zonnestraling of sterk wisse‐
lende lichtomstandigheden
RAls de voorruit in de omgeving van de
camera vervuild, beslagen, beschadigd of
afgedekt is
RAls de radarsensoren vervuild of afgedekt
zijn
RIn parkeergarages of op wegen met steile
hellingen
RBij smalle voorliggers, zoals fietsen of motor‐
fietsen
Op gladde wegenkunnen bovendien een of
meerdere wielen door remmen of accelereren
hun grip verliezen en kan de auto in een slip
raken.
De actieve afstandsassistent DISTRONIC in deze
situaties niet gebruiken.
220 Rijden en parkeren
&WAARSCHUWING Gevaar voor ongeval‐
len door accelereren of remmen van de
actieve afstandsassistent DISTRONIC
De actieve afstandsassistent DISTRONIC kan
in bijvoorbeeld de volgende gevallen accele‐
reren of remmen:
RWanneer de actieve afstandsassistent
DISTRONIC het wegrijden regelt.
RWanneer de opgeslagen snelheid wordt
opgeroepen terwijl deze duidelijk hoger of
lager is dan de actueel gereden snelheid.
RWanneer de actieve afstandsassistent
DISTRONIC een voorligger niet meer her‐
kent of reageert op niet relevante objec‐
ten.
#De verkeerssituatie altijd goed in de
gaten houden en klaar zijn om te rem‐
men.
#Rekening houden met de verkeerssitua‐
tie voordat de opgeslagen snelheid
wordt opgeroepen.
&WAARSCHUWING Gevaar voor ongeval‐
len bij onvoldoende vertraging van de
actieve afstandsassistent DISTRONIC
De actieve afstandsassistent DISTRONIC
remt de auto met maximaal 50% van de
maximaal mogelijke vertraging af. Wanneer
deze vertraging niet voldoende is, waar‐
schuwt de actieve afstandsassistent
DISTRONIC u optisch en akoestisch.
#In deze gevallen de snelheid aanpassen
en voldoende afstand houden.
#Zelf remmen en/of uitwijken.
&WAARSCHUWING Gevaar voor ongeval‐
len door beperkte herkenning van de
actieve afstandsassistent DISTRONIC
De actieve afstandsassistent DISTRONIC rea‐
geert niet of beperkt:
Rbij het schuin achter elkaar rijden of wis‐
selen vanrijstrook
Rop voetgangers, dieren, tweewielers of
stilstaande voertuigen of onverwachte
obstakels
Rop complexe verkeerssituaties
Rop tegenliggers en kruisend verkeer
De actieve afstandsassistent DISTRONIC kan
in deze situaties niet waarschuwen of onder‐
steunend ingrijpen.
#De verkeerssituatie altijd goed in de
gaten houden en overeenkomstig reage‐
ren.
Actieve afstandsassistent DISTRONIC bedie‐
nen
Voorwaarden
RDe auto is gestart.
RDe elektrische parkeerrem is vrijgezet.
RHet ESP®is ingeschakeld en regelt niet.
RDe transmissie staat in de stand h.
RHet bestuurdersportier is gesloten.
RDe controle van het radarsensorsysteem suc‐
cesvol afgesloten.
Rijden en parkeren 221
REr wordt niet in- of uitgeparkeerd met de
PARKTRONIC-parkeerassistent.
RDe auto slipt niet.
Omschakelen tussen limiter en actieve
afstandsassistent DISTRONIC
#De toets1indrukken.
Actieve afstandsassistent DISTRONIC of vari‐
abele limiter activeren
#Activeren zonder opgeslagen snelheid: De
tuimelschakelaar 3omhoog (SET+) of
omlaag (SET-) drukken of de tuimelschake‐
laar 4omhoog (RES) drukken. De voet van
het gaspedaal nemen (actieve afstandsassis‐
tent DISTRONIC).
De actueel gereden snelheid wordt opgesla‐
gen en door de auto aangehouden (actieve
afstandsassistent DISTRONIC) of begrensd
(variabele limiter).
of
#Activeren met opgeslagen snelheid: De
tuimelschakelaar 4omhoog (RES) drukken.
De voet van het gaspedaal nemen (actieve
afstandsassistent DISTRONIC).
%Door de tuimelschakelaar 4opnieuw
omhoog te drukken wordt de in het combi-
instrument weergegeven snelheidslimiet
overgenomen door de actieve afstandsassis‐
tent DISTRONIC of door de variabele limiter.
Weergegeven snelheidslimiet bij actieve
afstandsassistent DISTRONIC of limiter over‐
nemen
#De tuimelschakelaar 4omhoogdrukken
(RES).
De in het combi-instrument weergegeven
snelheidslimiet wordt als opgeslagen snel‐
heid overgenomen. De auto past de snelheid
aan die van de voorligger aan, tot maximaal
de opgeslagen snelheid.
Wegrijden met actieve afstandsassistent
DISTRONIC
#De voet van het rempedaal nemen en de
actieve afstandsassistent DISTRONIC active‐
ren.
#De tuimelschakelaar 4omhoogdrukken
(RES).
of
#Het gaspedaal kort en duidelijk indrukken.
De functies van de actieve afstandsassistent
DISTRONIC worden verder uitgevoerd.
222 Rijden en parkeren
Actieve afstandsassistent DISTRONIC deacti‐
veren
&WAARSCHUWING Gevaar voor ongeval‐
len door ingeschakelde actieve afstands‐
assistent DISTRONIC bij het verlaten van
de bestuurdersstoel
Als de auto alleen door de actieve afstands‐
assistent DISTRONIC wordt afgeremd en de
bestuurder de bestuurdersstoel verlaat, kan
de auto wegrollen.
#De actieve afstandsassistent
DISTRONIC altijd uitschakelen en de
auto tegenwegrollen beveiligen, voor‐
dat de bestuurdersstoel wordtverlaten.
#De tuimelschakelaar 4omlaag (CNCL) druk‐
ken.
%Wanneer u remt, het ESP®uitschakelt of
wanneer het ESP®regelt, wordt de actieve
afstandsassistent DISTRONIC gedeactiveerd.
Snelheid verhogen of verlagen
#De tuimelschakelaar 3tot het drukpunt
omhoog (SET+) of omlaag (SET-) drukken.
De opgeslagen snelheid wordt 1 km/h ver‐
hoogd of verlaagd.
of
#De tuimelschakelaar 3tot het drukpunt
omhoog (SET+) of omlaag (SET-) drukken en
vasthouden.
De opgeslagen snelheid wordt in stappen van
1 km/h verhoogd of verlaagd.
of
#De tuimelschakelaar 3tot voorbij het druk‐
punt omhoog (SET+) of omlaag (SET-) druk‐
ken.
De opgeslagen snelheid wordt10 km/h ver‐
hoogd of verlaagd.
of
#De tuimelschakelaar 3tot voorbij het druk‐
punt omhoog (SET+) of omlaag (SET-) druk‐
ken en vasthouden.
De opgeslagen snelheid wordt in stappen van
10 km/h verhoogd of verlaagd.
Voorgeschreven afstand tot de voorligger
vergroten of verkleinen
#Voorgeschreven afstand vergroten: De tui‐
melschakelaar 2omlaagdrukken.
#Voorgeschreven afstand verkleinen: De
tuimelschakelaar 2omhoogdrukken.
Functie van de actieve snelheidslimietassis‐
tent
%De volgende functie is landsafhankelijk en
alleen in combinatie met het rijassistentie‐
pakket beschikbaar.
Rijden en parkeren 223
Als een gewijzigde snelheidslimiet wordt herkend
terwijl het automatisch overnemen van snel‐
heidslimieten is ingeschakeld, wordt de nieuwe
snelheid automatisch overgenomen als opgesla‐
gen snelheid (/pagina 260).
De rijsnelheid wordt uiterlijkter hoogte van de
verkeersborden aangepast. Bij plaatsnaambor‐
den wordt de snelheid overeenkomstig de in de
bebouwde komgeldende snelheid aangepast. De
weergave van de snelheidslimiet op het instru‐
mentendisplay wordt altijd geactualiseerd ter
hoogte van het verkeersbord.
Wanneer op onbegrensde wegen (bijvoorbeeld
op Duitse autosnelwegen) geen snelheidsbe‐
grenzing geldt, wordt de richtsnelheid automa‐
tisch als opgeslagen snelheid overgenomen. Het
systeem gebruikt op de onbegrensde weg de
opgeslagen snelheid als richtsnelheid. Wanneer
de opgeslagen snelheid op onbegrensde wegen
niet wordtveranderd, is de richtsnelheid
130 km/h.
Wanneer de actieve afstandsassistent
DISTRONIC door bediening van het gaspedaal
passief geschakeld is, worden alleen snelheidsli‐
mietenovergenomen die hoger zijn dan de inge‐
stelde snelheid.
De actieve snelheidslimietassistent is slechts
een hulpmiddel. De bestuurder is zelf verant‐
woordelijk voor de veilige afstand, de snelheid
en het tijdig remmen. De toegestane maximum‐
snelheid is onder andere afhankelijkvan de staat
van het wegdek en de verkeersomstandigheden.
Systeemgrenzen
Beperkte snelheidsbegrenzingen (bijvoorbeeld
tijdelijk of vanwege het weer) kunnen door het
systeem niet eenduidig worden herkend. De toe‐
gestane maximumsnelheid voor een combinatie
wordt door het systeem niet herkend. In deze
situaties moet de snelheid worden aangepast.
&WAARSCHUWING Gevaar voor ongeval‐
len door aanpassing van de snelheid
door de actieve snelheidslimietassistent
De snelheid die door de actieve snelheidsli‐
mietassistent wordtovergenomen kan in
sommige gevallen te hoog of onjuist zijn:
RBij regen of mist
RBij het rijden met een aanhangwagen
#Erop letten dat de rijsnelheid altijd over‐
eenkomt met de verkeersregels.
#De gereden snelheid aanpassen aan de
actuele verkeers- en weersomstandig‐
heden.
224 Rijden en parkeren
Functie van de routegebaseerde snelheids‐
aanpassing
%De volgende functie is landsafhankelijk en
alleen in combinatie met het rijassistentie‐
pakket beschikbaar.
Wanneer de actieve afstandsassistent
DISTRONIC geactiveerd is, wordt de rijsnelheid
aangepast aan naderende routesituaties. Een
naderende routegebeurtenis wordt, afhankelijk
van het gekozen rijprogramma, energiebespa‐
rend, comfortabel of dynamisch gereden. Is de
routegebeurtenis gepasseerd, dan accelereert
de auto weer naar de opgeslagen snelheid. Daar‐
bij worden de ingestelde afstand, herkende voor‐
ligger en naderende snelheidslimieten in acht
genomen.
De routegebaseerde snelheidsaanpassing kan in
het multimediasysteem worden geconfigureerd
(/pagina 226).
De volgende routegebeurtenissen worden in aan‐
merking genomen:
RBochten
RT-kruisingen, rotondes en tolstations
RSplitsingen en afritten
RFiles die worden genaderd (alleen met Live
Traffic (/pagina 389))
%Bij het bereikenvan het tolstation neemt de
actieve afstandsassistent DISTRONIC de
snelheid over als opgeslagen snelheid.
Daarnaast wordt de snelheid verlaagd, als bij
ingeschakelde richtingaanwijzer een van de vol‐
gende situaties wordt herkend:
RAfslaan op kruisingen
RRijden op uitvoegstroken
RRijden op rijstroken aangrenzend op uitvoeg‐
stroken
De bestuurder is altijd verantwoordelijkvoor de
keuze van een passende snelheid en voor het in
acht nemen van andere verkeersdeelnemers. Dit
geldt in het bijzonder op kruisingen, rotondes en
verkeerspleinen en bij verkeerslichtsystemen,
omdat de routegebaseerde snelheidsaanpassing
de auto niet tot stilstand afremt.
Bij actieve routebegeleiding wordt automatisch
een eerste aanpassing van de snelheid uitge‐
voerd. Met het inschakelen van de richtingaan‐
wijzer wordt de gekozen routebegeleiding beves‐
tigd en de verdere aanpassing van de snelheid
geactiveerd.
De aanpassing van de snelheid wordt in de vol‐
gende gevallen beëindigd:
Rwanneer de richtingaanwijzer voor de route‐
gebeurtenis wordt uitgeschakeld.
Rwanneer de bestuurder tijdens de procedure
het gas- of rempedaal bedient.
Systeemgrenzen
De routegebaseerde snelheidsaanpassing houdt
geen rekening met eventuele voorrangsregels.
De bestuurder is verantwoordelijkvoor het aan‐
houden van het wegenverkeersreglement en een
aangepaste snelheid.
Bij moeilijke omgevingsomstandigheden (bijvoor‐
beeld onoverzichtelijk verloop van de rijstrook,
rijstrookversmallingen, natheid, sneeuw of ijs), of
als met een aanhangwagen wordtgereden, kan
de keuze van de snelheid door het systeem niet
geschikt voor de situatie zijn. In deze situaties
moet de bestuurder zelf overeenkomstig ingrij‐
pen.
Rijden en parkeren 225
&WAARSCHUWING Gevaar voor ongeval‐
len ondanks routegebaseerde snelheids‐
aanpassing
De routegebaseerde snelheidsaanpassing
kan in de volgende situaties onjuist zijn of tij‐
delijk niet beschikbaar zijn:
RWanneer kaartgegevens niet actueel of
niet beschikbaar zijn
RWanneer de voorgestelde routegeleiding
niet gevolgd wordt
RWanneer de ingestelde route gewijzigd
wordt
RBij wegwerkzaamheden
RBij het rijden met een aanhangwagen
RBij slechte weers- en wegdekomstandig‐
heden
RWanneer het gaspedaal wordt bediend
#De snelheid aan de verkeerssituatie
aanpassen.
Routegebaseerde snelheidsaanpassing
instellen
Voorwaarden
RDe actieve afstandsassistent DISTRONIC is
ingeschakeld.
Multimediasysteem:
4©5Instellingen 5Assistentie
5Routegebaseerde snelheid
#De functie in- of uitschakelen.
Als deze functie actief is, wordt de rijsnelheid
aangepast aan een vooruitliggende routege‐
beurtenis.
%Meer informatie over de routegebaseerde
snelheidsaanpassing (/pagina 225).
Actieve stuurassistent
Functie van de actieve stuurassistent
%De volgende functie is landsafhankelijk en
alleen in combinatie met het rijassistentie‐
pakket beschikbaar.
Het systeem ondersteunt u met subtiele stuurin‐
grepen om in het midden van de rijstrook te rij‐
den. De actieve stuurassistent richt zich, afhan‐
kelijk van de gereden snelheid, op voorliggers en
rijstrookmarkeringen.
%Afhankelijk van het land kan de actieve
stuurassistent zich bij lagere snelheden ori‐
ënteren op het omringende verkeer. Indien
nodig kan de actievestuurassistent ook
ondersteunen door een decentrale positie op
de rijstrook aan te houden, bijvoorbeeld om
ruimte te maken voor hulpvoertuigen.
Bij een actief sturend systeem wordt het sym‐
bool àop het multifunctioneel display groen
weergegeven.
Wanneer de herkenning vanrijstrookmarkerin‐
gen en voorligger nadelig wordt beïnvloed, wis‐
selt de actieve stuurassistent naar de passieve
toestand. Het systeem biedt in dat gevalgeen
ondersteuning. In de overgang van de actieve
naar de passieve toestand wordt het symbool
àvergroot en knipperend weergegeven.
Wanneer de passieve toestand bereikt is, wordt
het symbool àin het multifunctioneel display
grijsweergegeven.
226 Rijden en parkeren
Stuur- en aanraakherkenning
Het is vereist dat de bestuurder het stuurwiel
voortdurend vasthoudt, zodat hij altijd kanstu‐
ren en zo koers- of spoorcorrigerend kan ingrij‐
pen. De bestuurder moet voortdurend rekening
houden met een omschakeling van de actieve
toestand naar de passieve toestand of omge‐
keerd.
Wanneer het systeem herkent dat de bestuurder
gedurende langere tijd niet zelf stuurt of de han‐
den van het stuurwiel neemt, wordt eerst
optisch gewaarschuwd. Op het multifunctioneel
display verschijnt de melding 1. Als de bestuur‐
der nog steeds niet actief stuurt of geen terug‐
melding aan het systeem geeft, klinkt naast de
optische waarschuwing herhaalt een waarschu‐
wingssignaal.
De waarschuwing vindt niet plaats of wordt
beëindigd wanneer de bestuurder een terugmel‐
ding aan het systeem geeft:
RDe bestuurder stuurt zelf.
RDe bestuurder drukt een stuurwieltoets in of
bedient de Touch-Control.
Als de actieve stuurassistent herkent dat een
systeemgrens is bereikt, wordt er een optische
waarschuwing gegeven en klinkt er een waar‐
schuwingssignaal.
De actieve stuurassistent is slechts een hulpmid‐
del. De bestuurder is zelf verantwoordelijkvoor
de veilige afstand, de gereden snelheid, het tijdig
remmen en het aanhouden van de rijstrook. Voor
het veranderenvanrijstrook moet de bestuurder
controleren of de aangrenzende rijstrook vrij is
(over de schouder kijken).
Systeemgrenzen
De actieve stuurassistent beschikt over een
begrensd stuurmoment voor de dwarsgeleiding.
De stuuringreep is mogelijk niet voldoende om
de auto in de rijstrook te houden of afritten af te
rijden.
Het systeem kan in de volgende situaties moge‐
lijk niet correct werken of buiten werking zijn:
RBij slecht zicht, bijvoorbeeld door sneeuw,
regen, mist, veel spatwater, sterk wisselende
lichtomstandigheden of schaduwen op de rij‐
baan
RAls de auto wordt verblind, bijvoorbeeld door
tegemoetkomend verkeer, directe zonnestra‐
ling of reflecties
RBij ontoereikende verlichting van de rijbaan
RAls de voorruit in de omgeving van de
camera vervuild, beslagen, beschadigd of
afgedekt is, bijvoorbeeld door een sticker
RWanneer geen of meerdere niet eenduidige
rijstrookmarkeringen voor een rijstrook aan‐
wezig zijn, of de markeringen snel verande‐
ren, bijvoorbeeld bij wegwerkzaamheden of
splitsingen
RAls de rijstrookmarkeringen versleten, donker
of bedekt zijn, bijvoorbeeld door vuil of
sneeuw
Rijden en parkeren 227
RAls de afstand tot de voorligger te klein is en
daardoor de rijstrookmarkeringen niet wor‐
den herkend
RBij zeer smalle en bochtige wegen
RBij obstakels, bijvoorbeeld geleidebakens bij
wegwerkzaamheden, die op de rijstrook
staan of over de rand van de rijstrook steken
Het systeem biedt in de volgende situaties geen
ondersteuning:
RIn krappe bochten of bij het afslaan
RBij het overstekenvan kruisingen
ROp rotondes of bij tolpoortjes
RBij het rijden met aanhangwagen
RBij het veranderenvanrijstrook of het inscha‐
kelen van de richtingaanwijzer
RBij een te lage bandenspanning
Afhankelijk van de geselecteerde voertuiginstel‐
lingen is de actieve stuurassistent niet beschik‐
baar. De statusindicatie van de actieve stuuras‐
sistent op het multifunctioneel display in acht
nemen (/pagina 231).
&WAARSCHUWING Gevaar voor ongeval‐
len door onverwachte afbreking van de
werking van de actieve stuurassistent
Wanneer de systeemgrenzen van de actieve
stuurassistent worden bereikt, is niet
gewaarborgd dat het systeem actief blijft of
dat de rijstrook gevolgd wordt.
#De handen altijd aan het stuurwiel hou‐
den en de verkeerssituatie opmerkzaam
in acht nemen.
#De auto altijd afhankelijk van het ver‐
keer en de situatie besturen.
&WAARSCHUWING Gevaar voor ongeval‐
len door onverwachte stuuringrepen
door de actieve stuurassistent
De herkenning vanrijstrookmarkeringen en
objectenkan een storing vertonen.
Dit kan onverwachte stuuringrepen veroorza‐
ken.
#Overeenkomstig de verkeerssituatie
sturen.
Actieve stuurassistent in- of uitschakelen
Voorwaarden
RHet ESP®is ingeschakeld, maar regelt niet.
RDe actieve afstandsassistent DISTRONIC is
ingeschakeld.
Multimediasysteem:
4©5Instellingen 5Snelle toegang
#aAct. stuurassist. selecteren.
Functie van de actieve rijstrookwisselassis‐
tent
%De volgende functie is landsafhankelijk en
alleen in combinatie met het rijassistentie‐
pakket beschikbaar.
De actieve rijstrookwisselassistent ondersteunt
de bestuurder bij het wisselen vanrijstrook door
stuurmomenten, wanneer de bestuurder de rich‐
tingaanwijzer bedient.
De ondersteuning bij het veranderenvanrij‐
strook vindt plaats als aan alle volgende voor‐
waarden is voldaan:
RDe auto rijdt op een autosnelweg of een weg
met meerdere rijstroken in de rijrichting.
228 Rijden en parkeren
RDe aangrenzende rijstrook is van de eigenrij‐
strook afgescheiden door een onderbroken
rijstrookmarkering.
REr wordtgeen voertuig herkend op de aan‐
grenzende rijstrook.
RDe rijsnelheid ligt tussen 80 km/h en
180 km/h.
RDe actieve rijstrookwisselassistent is in het
multimediasysteem ingeschakeld.
RDe actieve stuurassistent is ingeschakeld en
actief.
Wanneer op de aangrenzende rijstrook geen
voertuig wordt herkend en wanneer het wisselen
vanrijstrook is toegestaan, dan wordt hiermee
begonnen nadat de bestuurder de richtingaan‐
wijzer heeft geactiveerd. Dit wordt aan de
bestuurder getoond met een groene pijl 2
naast het stuurwielsymbool. Bovendien ver‐
schijnt bijvoorbeeld de melding Rijstrookwisse-
ling naar links. Als de actieve rijstrookwisselas‐
sistent met de richtingaanwijzer geactiveerd
wordt, maar het wisselen vanrijstrook niet direct
mogelijk is, verschijnt naast het nog steeds
groene stuurwielsymbool een grijze pijl 1.
Zodra de ondersteuning het wisselen vanrij‐
strook start, wordt naast de weergave in het
multifunctioneel display automatisch de richting‐
aanwijzer geactiveerd.
Wanneer bij het veranderenvanrijstrook de
assistentieweergave wordtgetoond, verschijnt
daar het wisselen vanrijstrook-weergave, een
extra pijl op de naastgelegen rijstrook
(/pagina 231).
Wanneer het wisselen vanrijstrook niet mogelijk
is, verdwijnt de pijl na enige tijd en moet het wis‐
selen vanrijstrook opnieuw worden geactiveerd.
Op gedeeltes van de autosnelweg waar geen
snelheidsbeperking is, kan het wisselen vanrij‐
strook alleen direct plaatsvinden.
Als het systeem beïnvloed wordt, kan de werking
van de actieve rijstrookwisselassistent worden
afgebroken. Als de werking wordt afgebroken,
verschijnt op het multifunctioneel display de
melding Rijstrookwisseling afgebr. en klinkt een
waarschuwingssignaal.
&WAARSCHUWING Gevaar voor ongeval‐
len door verwisselen vanrijstrook naar
bezette rijstrook
De rijstrookwisselassistent kan niet altijd
eenduidig herkennen of de naastgelegen rij‐
strook vrij is.
Het verwisselen vanrijstrook kan ondanks
bezette aangrenzende rijstrook worden inge‐
leid.
#Voor het verwisselen vanrijstrook zeker
stellen dat de aangrenzende rijstrook
vrij is en dat gevaar voor andere ver‐
keersdeelnemers uitgesloten is.
#Het verwisselen vanrijstrook controle‐
ren.
Rijden en parkeren 229
&WAARSCHUWING Gevaar voor ongeval‐
len door onverwachte afbreking van de
werking van de rijstrookwisselassistent
Wanneer de systeemgrenzen van de rijst‐
rookwisselassistent worden bereikt, is niet
gewaarborgd dat het systeem actief blijft.
De rijstrookwisselassistent biedt dan geen
ondersteunende stuurmomenten meer.
#Het verwisselen vanrijstrook altijd uit‐
voeren met de handen aan het stuur‐
wiel en controleren. De verkeerssituatie
controleren en indien nodig sturen
en/of remmen.
Systeemgrenzen
Voor de actieve rijstrookwisselassistent gelden
de systeemgrenzen van de actieve stuurassis‐
tent (/pagina 226).
Bovendien kan het systeem in de volgende situ‐
aties mogelijk niet correct werken of buiten wer‐
king zijn:
RDe sensoren in de achterbumper zijn ver‐
vuild, beschadigd of afgedekt, bijvoorbeeld
door een sticker of ijs en sneeuw.
RDe exterieurverlichting geeft een defect aan.
%Na aflevering van de auto initialiseren de
sensoren van de actieverijstrookwisselassis‐
tent zich automatisch over een bepaalde
afstand. Tijdens deze inleerprocedure is de
actieve rijstrookwisselassistent niet beschik‐
baar; wanneer de richtingaanwijzer wordt
ingeschakeld, verschijnt er geen pijl naast
het symbool van de actieve stuurassistent
Ø.
Actieve rijstrookwisselassistent in- of uit‐
schakelen
Multimediasysteem:
4©5Instellingen 5Assistentie
5Act. rijstrookwisselas.
#De functie in- of uitschakelen.
Functie van de actieve noodstopassistent
Wanneer continu niet wordtgereageerd op de
optische en akoestische waarschuwing om de
handen op het stuurwiel te plaatsen, verschijnt
op het multifunctioneel display de melding
Noodstop wordt gestart.Reageert de bestuurder
nog steeds niet, dan verlaagt de actieve
afstandsassistent DISTRONIC de snelheid. De
auto wordt trapsgewijstot stilstand afgeremd.
Landsafhankelijkwordt bij een snelheid onder
60 km/h de alarmknipperlichtinstallatie automa‐
tisch ingeschakeld.
Wanneer de auto stilstaat, worden de volgende
handelingen uitgevoerd:
RDe auto wordt met de elektrische parkeer‐
rem beveiligd.
RDe actieve afstandsassistent DISTRONIC
wordt beëindigd.
RDe auto wordt ontgrendeld.
RIndien mogelijk, wordt een noodoproep naar
de Mercedes-Benz alarmcentrale verstuurd.
De bestuurder kan de vertraging altijd afbreken
door een van de volgende handelingen:
RSturen
RRemmen of gasgeven
RStuurwieltoets indrukken
RTouch-control bedienen
RActieve afstandsassistent DISTRONIC in- of
uitschakelen
230 Rijden en parkeren
Overzicht van de weergavenvan de actieve
afstandsassistent DISTRONIC in het combi-
instrument
In het combi-instrument tonen de assistentie‐
weergave en de statusindicatie de status van de
volgende functies:
RActieve afstandsassistent DISTRONIC
RRoutegebaseerde snelheidsaanpassing
RActieve stuurassistent
Assistentieweergave
1Routegebaseerde snelheidsaanpassing:
Soort routegebeurtenissen
2Voorliggers
3Afstandsschaal
4Ingestelde voorgeschreven afstand
5Rijstrookwissel-weergavevan de actieve
rijstrookwisselassistent
Statusindicatie actieve afstandsassistent
DISTRONIC en routegebaseerde snelheids‐
aanpassing
1Actieve afstandsassistent DISTRONIC gese‐
lecteerd, ingestelde voorgeschreven afstand
(aantal segmenten onder de auto)
2Actieve afstandsassistent DISTRONIC uitge‐
schakeld, snelheid opgeslagen
Rijden en parkeren 231
3Actieve afstandsassistent DISTRONIC actief,
snelheid opgeslagen, geen voertuig herkend
(lichtgekleurd voertuigsymbool)
4Actieve afstandsassistent DISTRONIC actief,
snelheid opgeslagen, voertuig herkend
(groen voertuigsymbool)
5Actieve afstandsassistent DISTRONIC en
routegebaseerde snelheidsaanpassing actief,
snelheid opgeslagen
%Op snelwegen of autowegenwordt het
groene voertuigsymbool çcyclisch weer‐
gegeven als het systeem gereed is om weg
te rijden.
%Wanneer u het gaspedaal totvoorbij de
instelling voor de actieve afstandsassistent
DISTRONIC bedient, wordt het systeem pas‐
sief geschakeld. Op het multifunctioneel dis‐
play verschijnt de melding çpassief.
Snelheidsmeter
De opgeslagen snelheid is in de snelheidsmeter
gemarkeerd. Is de snelheid van de voorligger of
de snelheidsaanpassing op basis van de ver‐
wachte routegebeurtenis lager dan de opgesla‐
gen snelheid, dan branden de segmenten in de
snelheidsmeter. De deactivering van de actieve
afstandsassistent DISTRONIC alsmede de wijzi‐
ging van de opgeslagen snelheid vanwege de
handmatige of automatische overname van de
snelheidslimiet worden op het multifunctioneel
display als terugkoppelingsmelding op één regel
weergegeven.
Statusindicatie actieve stuurassistent
1Grijsstuurwiel: Actieve stuurassistent inge‐
schakeld en passief
2Groen stuurwiel: Actieve stuurassistent inge‐
schakeld en actief
3Knipperend stuurwiel: Verzoek om actieve
terugmelding door de bestuurder of over‐
gang van de actieve naar de passieve toe‐
stand, herkenning van systeemgrenzen
In de overgang van de actieve naar de passieve
toestand wordt het symbool 3vergroot en
knipperend weergegeven. Wanneer de passieve
toestand bereikt is, wordt het symbool 1in het
multifunctioneel display grijsweergegeven.
232 Rijden en parkeren
Functie van de wegrijhulp voor op hellingen
De wegrijhulp voor op hellingen houdt de auto
onder de volgende voorwaarden gedurende
korte tijd vast bij het wegrijden bergop:
RDe transmissie staat in de stand hof k.
RDe elektrische parkeerrem is vrijgezet.
Zo is er voldoende tijd om uw voet van het rem‐
pedaal op het gaspedaal te plaatsen en wegte
rijden zonder dat de auto terugrolt.
&WAARSCHUWING Gevaar voor ongeval‐
len en gevaar voor letsel door wegrollen
van de auto
Na korte tijd remt de wegrijhulp voor op hel‐
lingen de auto niet meer af en kan deze daar‐
door wegrollen.
#Daarom snel de voet van het rem- op
het gaspedaal zetten. Nooit proberen
de auto te verlaten, wanneer deze met
de wegrijhulp voor op hellingen wordt
tegengehouden.
HOLD-functie
HOLD-functie
De HOLD-functie houdt de auto vast zonder dat
het rempedaal moet worden ingedrukt, bijvoor‐
beeld bij het wachten in het verkeer.
De HOLD-functie is slechts een hulpmiddel. De
verantwoordelijkheid voor het veilig stil blijven
staan van de auto ligt bij de bestuurder.
Systeemgrenzen
De HOLD-functie dient uitsluitend voor de onder‐
steuning tijdens het rijden en vormtgeen vol‐
doende beveiliging van de stilstaande auto tegen
wegrollen.
RDe helling mag niet groter zijn dan 30 %.
HOLD-functie in- en uitschakelen
&WAARSCHUWING Gevaar voor ongeval‐
len door ingeschakelde HOLD-functie bij
het verlaten van de auto
Als de auto alleen door de HOLD-functie
wordt afgeremd als de auto wordtverlaten,
kan deze in de volgende situaties wegrollen:
RWanneer er een storing optreedt in het
systeem of in de spanningsvoorziening.
RWanneer de HOLD-functie door bediening
van het gaspedaal of het rempedaal
wordt uitgeschakeld, bijvoorbeeld door
een inzittende.
#De HOLD-functie altijd uitschakelen en
de auto beveiligen tegenwegrollen,
alvorens deze te verlaten.
Rijden en parkeren 233
*AANWIJZING Beschadiging door zelf‐
standig remmen
Wanneer een van de volgende functies inge‐
schakeld is, remt de auto in bepaalde situ‐
aties automatisch:
RActive Brake Assist System
RActieve afstandsassistent DISTRONIC
RHOLD-functie
RActieve parkeerassistent
Om schade aan de auto te vermijden, deze
systemen in de volgende of vergelijkbare
situaties uitschakelen:
#bij het slepen
#in de wasstraat
Voorwaarden
RDe auto staat stil.
RHet bestuurdersportier is gesloten of de vei‐
ligheidsgordel aan bestuurderszijde is omge‐
gespt.
RHet aandrijfsysteem is gestart.
RDe elektrische parkeerrem is vrijgezet.
RDe actieve afstandsassistent DISTRONIC is
uitgeschakeld.
RDe transmissie staat in de stand h,kof
i.
HOLD-functie inschakelen
#Het rempedaal indrukken en na korte tijd
snel verder indrukken, tot de melding ë
op het multifunctioneel display verschijnt.
#Het rempedaal loslaten.
HOLD-functie uitschakelen
#Om wegte rijden het gaspedaal indrukken.
of
#Het rempedaal indrukken, tot de melding
ëvan het multifunctioneel display ver‐
dwijnt.
De HOLD-functie wordt in de volgende situaties
uitgeschakeld:
RDe actieve afstandsassistent DISTRONIC
wordt ingeschakeld.
RDe transmissie wordt in de stand jgezet.
RDe auto wordt met de elektrische parkeer‐
rem beveiligd.
In de volgende situaties wordt het vastzetten van
de auto door de transmissiestand jof de elek‐
trische parkeerremgewaarborgd:
RDe veiligheidsgordel wordt losgemaakt en
het bestuurdersportier wordtgeopend.
RDe auto wordtgeparkeerd.
REr treedt een systeemstoring op of de span‐
ningsvoorziening is onvoldoende.
Functie van de intelligente kruipmodus
De intelligente kruipmodus ondersteunt u bij het
wegrijden, manoeuvreren en parkeren op hellin‐
gen. De auto rolt bij het loslaten van het rempe‐
daal in de richting van de ingeschakelde trans‐
missiestand. Het kruipkoppel wordt daarbij aan‐
gepast aan de helling.
In de recuperatiefase hÃ(/pagina 167)
ondersteunt de intelligente kruipmodus u boven‐
dien tot een snelheid van circa 20 km/h door
een voorligger met vergelijkbare snelheid te vol‐
gen.
234 Rijden en parkeren
De intelligente kruipmodus is slechts een hulp‐
middel. De verantwoordelijkheid voor voldoende
afstand tot een voorligger ligt bij de bestuurder.
Systeemgrenzen
De intelligente kruipmodus zet de auto niet auto‐
matisch stil wanneer de voorligger stopt. De
auto moet met het rempedaal tot stilstandwor‐
den gebracht.
Werking van de achteras-niveauregeling
De achteras-niveauregeling zorgt voor een con‐
stante voertuighoogte bij de achteras, ook als de
auto beladen is.
De achteras-niveauregeling bestaat uit:
RLuchtvering op de achteras
RAutomatische niveauregeling voor het com‐
penseren van de belading
PARKTRONIC-parkeerassistent
Functie van de PARKTRONIC-parkeerassis‐
tent
De PARKTRONIC-parkeerassistent is een elektro‐
nische parkeerhulp met ultrasoongeluid. Het
controleert met meerdere sensoren 1in de
voor- en achterbumper de omgeving van uw
auto. De PARKTRONIC-parkeerassistent geeft de
afstand tussen de auto en een herkend obstakel
optisch en akoestisch aan.
De PARKTRONIC-parkeerassistent is slechts een
hulpmiddel. Hij kan uw waarneming van de
omgeving niet vervangen. De bestuurder blijft
altijd verantwoordelijkvoor het veilig manoeu‐
vreren en in- en uitparkeren. Bij het manoeuvre‐
ren, in- en uitparkeren mogen zich onder andere
geen personen, dieren of voorwerpen in het
manoeuvreergebied bevinden; dit controleren.
In de standaardinstelling klinkt voor vanaf een
afstand van circa 0,3 m en achter circa 1,0 m tot
het obstakel een onderbroken waarschuwings‐
signaal. Vanaf een afstand van circa 0,2 m klinkt
een ononderbrokenwaarschuwingssignaal. In
het multimediasysteem kunt u via de instelling
Vroeg waarschuwen rondom instellen, dat de
waarschuwingssignalen voor en bij de flankbe‐
scherming al bij grotere afstanden van circa
1,0 m aan de voorzijde en 0,6 m aan de zijkan‐
ten hoorbaar zijn (/pagina 240).
%De instelling Vroeg waarschuwen rondom is
voor de achterzijde altijd actief.
Als de PARKTRONIC-parkeerassistent is uitge‐
schakeld, is ook de actieve parkeerassistent niet
beschikbaar.
Rijden en parkeren 235
Weergave van de PARKTRONIC-parkeerassis‐
tent in het multimediasysteem
Auto's met actieve parkeerassistent zonder
360°-camera
Auto's met actieve parkeerassistent en 360°-
camera
Als de actieve parkeerassistent niet ingescha‐
keld is en een obstakel in de baan van de auto
wordt herkend, wordt bij snelheden lager dan
10 km/h een popup-venstervan de PARKTRO‐
NIC-parkeerassistent 1op het multimediasys‐
teem weergegeven.
De kleur van de afzonderlijke segmenten van de
waarschuwingsmelding is afhankelijk van de
afstand tot het herkende obstakel:
RGele segmenten: Obstakels op een afstand
tussen circa 0,6 m en 1,0 m
ROranje segmenten: obstakels op een
afstand tussen circa 0,3 m en 0,6 m
RRode segmenten: obstakels op een zeer
geringe afstand van circa 0,3 m of minder
Systeemgrenzen
De PARKTRONIC-parkeerassistent houdt eventu‐
eel geen rekening met de volgende obstakels:
RObstakels onder het registratiegebied, bij‐
voorbeeld personen, dieren of voorwerpen
RObstakels boven het registratiegebied, bij‐
voorbeeld uitstekende lading, overhangen of
laadplatformsvan vrachtwagens
De sensoren moeten vrij zijn van vuil, ijs of natte
sneeuw. Anders kunnen ze niet correct functio‐
neren. Daarom moeten de sensoren regelmatig
worden gereinigd; hierbij ervoor zorgen dat er
geen krassen of beschadigingen op de sensoren
ontstaan.
Auto's met aanhangwagenvoorziening: Als de
elektrische verbinding tussen de auto en aan‐
hangwagen is aangesloten, is de PARKTRONIC-
parkeerassistent voor de achterzijde uitgescha‐
keld.
236 Rijden en parkeren
Problemen met de PARKTRONIC-parkeeras‐
sistent
Auto's zonder 360°-camera
Auto's met 360°-camera
Probleem Mogelijke oorzaak en/of gevolg en MMoplossingen
De segmenten aan de achterzijde 1of
rondom 2gaan rood branden. Het
De PARKTRONIC-parkeerassistent is vanwege een signaalstoring uitgeschakeld.
#Start de motor opnieuw.
#Controleer of de PARKTRONIC parkeerassistent op een andere plaats werkt.
Rijden en parkeren 237
Probleem Mogelijke oorzaak en/of gevolg en MMoplossingen
symbool éverschijnt op het multi‐
functioneel display.
De segmenten aan de achterzijde 1of
rondom 2gaan rood branden. Tegelij‐
kertijd klinkt iedere keer dat de motor
wordtgestart gedurende circa twee
seconden een waarschuwingssignaal.
Het symbool éverschijnt op het
multifunctioneel display.
De sensoren zijn vervuild.
#De sensoren reinigen en hierbij de aanwijzingen met betrekking tot de verzorging van onderdelen van de
auto (/pagina 490) in acht nemen.
De PARKTRONIC-parkeerassistent is vanwege een functiestoring uitgeschakeld.
#Start de motor opnieuw.
#Indien het probleem blijft bestaan contact opnemen met een gekwalificeerde werkplaats.
Functie van de passieve flankbescherming
De passieve flankbescherming breidt de PARK‐
TRONIC-parkeerassistent uit met een waarschu‐
wing tegen obstakels aan de zijkanten. De waar‐
schuwing vindt plaats bij obstakels die zich tus‐
sen het voorste en achtersteregistratiegebied
bevinden. Om een object aan de zijkant te kun‐
nen detecteren, moet dit tijdens het voorbij rij‐
den eerst door de sensoren in de voor- of achter‐
bumper worden herkend.
Bij het parkeren of manoeuvreren worden obsta‐
kel tijdens het voorbij rijden gedetecteerd. Wan‐
neer u in de richting van een gedetecteerd
obstakelstuurt en daardoor een zijdelings aanrij‐
dingsgevaar bestaat, volgt een waarschuwing.
Afhankelijk van de afstand gaan de zijdelingse
segmenten geel of rood branden.
Segmentkleur afhankelijk van de afstand
Kleur Afstand aan de zij‐
kant
Geel circa 30 - 60 cm
Rood circa < 30 cm
Om ervoor te zorgen dat segmenten aan de zij‐
kant voor of achter kunnen worden weergege‐
ven, moet de auto eerst een afstand vanten
minste een halve autolengte afleggen. Als een
238 Rijden en parkeren
afstand van een autolengte is afgelegd, kunnen
alle segmenten aan de zijkant voor en achter
worden weergegeven.
Weergavevan de PARKTRONIC-parkeerassis‐
tent: Auto's zonder 360°-camera
1Voor en achter gereed voor de meting
2Voor, achter en opzij gereed voor de meting
3Obstakels rechtsvoor (geel) en -achter (rood)
herkend
Weergavevan de PARKTRONIC-parkeerassis‐
tent: Auto's met 360°-camera
1Voor en achter gereed voor de meting
2Voor, achter en opzij gereed voor de meting
3Obstakels rechtsvoor (rood) herkend
Opgeslagen zijdelingse obstakels worden onder
andere gewist in de volgende situaties:
RU parkeert de auto en schakelt het contact
uit.
RDe portieren worden geopend.
Na het startenvan de motor moeten zijdelingse
obstakels opnieuw worden gedetecteerd voordat
een nieuwe waarschuwing kanvolgen.
Systeemgrenzen
Voor de passieve flankbescherming gelden in
principe de systeemgrenzen van de PARKTRO‐
NIC-parkeerassistent.
Onder andere de volgende objecten worden niet
herkend:
RVoetgangers die aan de zijkant van de auto
lopen
RObjecten die aan de zijkant van de auto
staan
PARKTRONIC-parkeerassistent in- of uitscha‐
kelen
*AANWIJZING Gevaar voor ongevallen
door objecten in de directe omgeving
De PARKTRONIC-parkeerassistent herkent
bepaalde objecten in de directe omgeving
mogelijk niet.
#Bij het parkeren of manoeuvreren in het
bijzonder op obstakels letten die zich
onder of boven de sensoren bevinden,
bijvoorbeeld bloembakken of aanhang‐
Rijden en parkeren 239
wagendissels. Anders kunnen de auto
of andere objecten worden beschadigd.
De PARKTRONIC-parkeerassistent is actief, als
het controlelampje 1niet brandt. Als het con‐
trolelampje brandt of op het multifunctioneel
display het symbool éwordtweergegeven, is
de PARKTRONIC-parkeerassistent niet actief.
#De toets2indrukken.
%Als de auto wordtgestart, is de PARKTRO‐
NIC-parkeerassistent automatisch ingescha‐
keld.
Waarschuwingssignalen van de PARKTRO‐
NIC-parkeerassistent instellen
Multimediasysteem:
4©5Instellingen 5Assistentie
5Camera & parkeren
5Waarsch.signalen inst.
Volume van de waarschuwingssignalen
instellen
#Volume waarsch.signalen selecteren.
#Een waarde instellen.
Toonhoogte van de waarschuwingssignalen
instellen
#Toonhoogte waarsch.signalen selecteren.
#Een waarde instellen.
Activeringsmoment van de waarschuwings‐
signalen bepalen
Ukunt vastleggen, of de waarschuwingssignalen
van de PARKTRONIC-parkeerassistent al bij een
grotere afstand tot de hindernis worden gege
ven.
#Vroeg waarschuwen rondom selecteren.
#De functie in- of uitschakelen.
Geluidsverlaging in- of uitschakelen
Ukunt vastleggen, of tijdens een waarschu‐
wingssignaal van de PARKTRONIC-parkeerassis‐
tent het volume van een mediabron in het multi‐
mediasysteem moet worden verlaagd.
#Verlaging audiovol. bij waarsch.signalen
selecteren.
#De functie in- of uitschakelen.
240 Rijden en parkeren
Achteruitrijcamera
Functie van de achteruitrijcamera
Als de functie in het multimediasysteem is geac‐
tiveerd (/pagina 247), wordt bij het inschake‐
len van de achteruitversnelling het beeld van de
achteruitrijcamera 1weergegeven op het
mediadisplay. Dynamische hulplijnen tonen het
rijspoor aan de hand van de actuele stuuruitslag.
Zo kunt u zich bij het achteruitrijden oriënteren
en obstakels vermijden.
De achteruitrijcamera is slechts een hulpmiddel.
Hij kan uw waarneming van de omgeving niet
vervangen. De bestuurder blijft altijd verant‐
woordelijk voor het veilig manoeuvreren en par‐
keren. Bij het manoeuvreren of parkeren mogen
zich onder andere geen personen, dieren of
voorwerpen in het manoeuvreergebied bevinden;
dit controleren.
De hulplijnen op het mediadisplay geven de
afstanden tot de eigen auto aan. De weergege‐
ven afstanden gelden alleen op rijbaanhoogte.
Afhankelijkvan de uitrusting kunt u kiezen tus‐
sen de volgende weergaven:
RNormale weergave
RGroothoekweergave
RAanhangwagenweergave
Het gebied achter de auto wordt net als in de
binnenspiegel in spiegelbeeld weergegeven.
Auto's zonder actieve parkeerassistent
De volgende cameraweergaven zijn beschikbaar
in het multimediasysteem:
Normale weergave
1Gele hulplijnen, breedte van de auto (vlak
waaroverwordtgereden) afhankelijk van de
momentele stuuruitslag (dynamisch)
2Gele hulplijn op circa 1,0 m afstand tot het
achtergedeelte
3Geel rijspoor van de banden bij actuele
stuuruitslag (dynamisch)
4Bumper
5Rode hulplijn op circa 0,3 m afstand tot het
achtergedeelte
Rijden en parkeren 241
Groothoekweergave
Aanhangwagenweergave (auto's met aan‐
hangwagenvoorziening)
1Gele hulplijn, richthulp
2Rode hulplijn op circa 0,3 m afstand tot de
kogelkop van de aanhangwagenvoorziening
3Kogelkop van de aanhangwagenvoorziening
Auto's met actieve parkeerassistent
De volgende cameraweergaven zijn beschikbaar
in het multimediasysteem:
Normale weergave
1Geel rijspoor van de banden bij actuele
stuuruitslag (dynamisch)
2Gele hulplijnen, breedte van de auto (vlak
waaroverwordtgereden) afhankelijk van de
momentele stuuruitslag (dynamisch)
3Rode hulplijn op circa 0,3 m afstand tot het
achtergedeelte
4Gele waarschuwingsmelding van de PARK‐
TRONIC-parkeerassistent: Obstakels op een
afstand tussen circa 0,6 m en 1,0 m)
5Rode waarschuwingsmelding van de PARK‐
TRONIC-parkeerassistent: Obstakels op zeer
geringe afstand (circa 0,3 m of minder)
6Oranje waarschuwingsmelding van de PARK‐
TRONIC-parkeerassistent: Obstakels op mid‐
dellange afstand (tussen 0,3 m en 0,6 m)
%Als het volledige systeem uitvalt, worden de
segmenten van de waarschuwingsmelding
rood afgebeeld. Het controlelampje in de
toetsvan de PARKTRONIC gaat branden en
op het multifunctioneel display verschijnt het
symbool é.
Wanneer het systeem aan de achterzijde uit‐
valt, verandert de weergave van de segmen‐
ten als volgt:
RBij het achteruitrijden worden de achter‐
ste segmenten rood weergegeven.
242 Rijden en parkeren
RBij het vooruitrijden worden de achterste
segmenten uitgeschakeld.
Als de PARKTRONIC-parkeerassistent uitge‐
schakeld is, wordt de waarschuwingsmelding
ook uitgeschakeld (/pagina 237).
Groothoekweergave
Aanhangwagenweergave (auto's met aan‐
hangwagenvoorziening)
1Gele hulplijn, richthulp
2Rode hulplijn op circa 0,3 m afstand tot de
kogelkop van de aanhangwagenvoorziening
3Kogelkop van de aanhangwagenvoorziening
Systeemgrenzen
De achteruitrijcamera werkt in onder andere de
volgende situaties slechts beperkt of helemaal
niet:
RDe achterklep is geopend.
RHet regent hard, het sneeuwt of het is mistig.
RDe lichtomstandigheden zijn slecht, bijvoor‐
beeld 's nachts.
RDe cameralens is afgedekt, vervuild of besla‐
gen. De aanwijzingen voor het reinigen van
de achteruitrijcamera in acht nemen
(/pagina 490).
RDe camera of de achterzijde van de auto is
beschadigd. In dit geval de camera, diens
stand en de afstelling laten controleren bij
een gekwalificeerde werkplaats.
%In deze situaties de achteruitrijcamera niet
gebruiken. Anders kunt u anderen bij het
parkeren verwonden of in botsing komen
met voorwerpen.
Bij zwaar beladen auto's kunnen bij het verlaten
van de standaardhoogte om technischeredenen
onnauwkeurigheden bij de hulplijnen en in de
weergave van de berekende afbeeldingen optre‐
den.
Door extra achterop de auto gemonteerde aan‐
bouwdelen (bijvoorbeeld kentekenplaathouder of
fietsdrager), kunnen het gezichtsveld en verdere
functies van de achteruitrijcamera worden
beperkt.
Rijden en parkeren 243
%Het contrast van het display kan nadelig wor‐
den beïnvloed door invallend zonlicht of
andere lichtbronnen, bijvoorbeeld als een
garage wordtverlaten. Wees in dat geval
extra voorzichtig.
%Het display bij een aanzienlijke beperking
van de bruikbaarheid, als gevolg van bijvoor‐
beeld pixelfouten, laten repareren of vervan‐
gen.
360°-camera
Functie van de 360°-camera
De 360°-camera is een systeem dat bestaat uit
vier camera's. De camera's registreren de
directe omgeving van de auto. Het systeem
ondersteunt u bijvoorbeeld bij het parkeren of bij
onoverzichtelijke uitritten.
De weergavenvan de 360°-camera zijn bij voor‐
uitrijden tot een snelheid van circa 16 km/h en
bij achteruitrijden altijd beschikbaar.
De 360°-camera is slechts een hulpmiddel en
toont mogelijkerwijs obstakels in een ander per‐
spectief, niet goed of geheel niet. Hij kan uw
waarneming van de omgeving niet vervangen. De
bestuurder blijft altijd verantwoordelijkvoor het
veilig manoeuvreren en parkeren. Bij het
manoeuvreren of parkeren mogen zich onder
andere geen personen, dieren of voorwerpen in
het manoeuvreergebied bevinden; dit controle‐
ren.
Het systeem verwerkt de beelden van de vol‐
gende camera's:
RAchteruitrijcamera
RFrontcamera
RTwee zijcamera's in de buitenspiegels
Weergavenvan de 360°-camera
Ukunt kiezen tussen verschillende weergaven:
1Groothoekweergave ór
2TopView met beeld van de frontcamera
3TopView met beeld van de zijcamera in de
buitenspiegels
4Groothoekweergave achter
5TopView met beeld van de achteruitrijca‐
mera
6TopView met aanhangwagenweergave
(auto's met aanhangwagenvoorziening)
244 Rijden en parkeren
TopView
1Rijstrook bij actuele stuuruitslag
2Waarschuwingsmelding van de PARKTRO‐
NIC-parkeerassistent
3Eigen auto van bovenaf
De kleur van de afzonderlijke segmenten van de
waarschuwingsmelding 2is afhankelijk van de
afstand tot het herkende obstakel:
RGele segmenten: Obstakels op een afstand
tussen circa 0,6 m en 1,0 m
ROranje segmenten: obstakels op een
afstand tussen circa 0,3 m en 0,6 m
RRode segmenten: obstakels op een zeer
geringe afstand van circa 0,3 m of minder
Wanneer de PARKTRONIC-parkeerassistent
gereed voor gebruik is en geen objectenworden
herkend, worden de segmenten van de waar‐
schuwingsmelding grijs afgebeeld.
%Als het volledige systeem uitvalt, worden de
segmenten van de waarschuwingsmelding
rood afgebeeld. Het controlelampje in de
toetsvan de PARKTRONIC gaat branden en
op het multifunctioneel display verschijnt het
symbool é.
Wanneer het systeem aan de achterzijde uit‐
valt, verandert de weergave van de segmen‐
ten als volgt:
RBij het achteruitrijden worden de achter‐
ste segmenten rood weergegeven.
RBij het vooruitrijden worden de achterste
segmenten uitgeschakeld.
Als de PARKTRONIC-parkeerassistent uitge‐
schakeld is, wordt de waarschuwingsmelding
ook uitgeschakeld (/pagina 237).
Hulplijnen
1Geel rijspoor van de banden bij actuele
stuuruitslag (dynamisch)
2Gele hulplijnen, breedte van de auto (vlak
waaroverwordtgereden) afhankelijk van de
momentele stuuruitslag (dynamisch)
3Rode hulplijn op circa 0,3 m afstand tot het
achtergedeelte
4Markering op een afstand van circa 1,0 m
%Als de actieve parkeerassistent is ingescha‐
keld, worden de rijstroken 1groen weerge‐
geven.
Rijden en parkeren 245
De hulplijnen op het mediadisplay geven de
afstanden tot de eigen auto aan. De afstan‐
den gelden op rijbaanhoogte.
De hulplijnen in de aanhangwagenmodus
worden ter hoogte van de aanhangwagen‐
voorziening afgebeeld.
Aanhangwagenweergave (auto's met aan‐
hangwagenvoorziening)
Wanneer u de aanhangwagenweergave selec‐
teert terwijlgeen aanhangwagen aan de auto is
gekoppeld, verschijnt het volgende beeld: 1Gele hulplijn, richthulp
2Rode hulplijn op circa 0,3 m afstand tot de
kogelkop van de aanhangwagenvoorziening
3Kogelkop van de aanhangwagenvoorziening
Wanneer de elektrischeverbinding van de auto
met de aanhangwagen tot stand is gebracht, wis‐
selt het beeld naar een aanzicht van de zijcame‐
ra's.
Dit aanzicht ondersteunt bij het manoeuvreren
met een aanhangwagen.
Zij-aanzicht van de buitenspiegelcamera's
In deze weergave kunnen de zijkanten van de
auto worden bekeken.
1Hulplijnen van de buitenmatenvan de auto
met uitgeklapte buitenspiegels
2Markering van de punten waar de wielen de
grond raken
246 Rijden en parkeren
Systeemuitval
Als geen activering van de 360°-camera moge‐
lijk is, verschijnt de volgende weergave op het
multimediasysteem:
Systeemgrenzen
De 360°-camera werkt in onder andere de vol‐
gende situaties slechts beperkt of helemaal niet:
RDe portieren zijn geopend.
RDe buitenspiegels zijn ingeklapt.
RDe achterklep is geopend.
RHet regent hard, het sneeuwt of het is mistig.
RDe lichtomstandigheden zijn slecht, bijvoor‐
beeld 's nachts.
RDe cameralens is afgedekt, vervuild of besla‐
gen.
RCamera's of onderdelen van de auto waarin
de camera's zijn ingebouwd, zijn beschadigd.
In dit geval de camera's, hun stand en afstel‐
ling laten controleren bij een gekwalificeerde
werkplaats.
%In deze situaties de 360°-camera niet
gebruiken. Anders kunt u anderen bij het
parkeren verwonden of in botsing komen
met voorwerpen.
Bij zwaar beladen auto's kunnen bij het verlaten
van de standaardhoogte om technischeredenen
onnauwkeurigheden bij de hulplijnen en in de
weergave van de berekende afbeeldingen optre‐
den.
Door op de auto gemonteerde aanbouwen (bij‐
voorbeeld kentekenplaathouder, fietsdrager)
kunnen het gezichtsveld en verdere functies van
het camerasysteem worden beperkt.
%Het contrast van het display kan door plotse‐
ling invallend zonlicht of andere lichtbronnen
nadelig worden beïnvloed, bijvoorbeeld bij
het uitrijden van een garage.Wees in dat
gevalextra voorzichtig.
%Het display bij een aanzienlijke beperking
van de bruikbaarheid, als gevolg van bijvoor‐
beeld pixelfouten, laten repareren of vervan‐
gen.
De aanwijzingen voor het reinigen van de 360°-
camera in acht nemen (/pagina 490).
Weergave van de 360°-camera selecteren
Voorwaarden
RIn het multimediasysteem is de functie Aut.
achteruitrijcam. geactiveerd (/pagina 247).
#De achteruitversnelling inschakelen.
#In het multimediasysteem de gewenste weer‐
gave selecteren (/pagina 244).
Automatische functie van de achteruitrijca‐
mera in- of uitschakelen
De achteruitrijcamera is slechts een hulpmiddel.
Hij kan uw waarneming van de omgeving niet
vervangen. De bestuurder blijft altijd verant‐
woordelijk voor het veilig manoeuvreren en in-
en uitparkeren. Erop letten dat zich geen perso‐
nen, dieren of voorwerpen in de baan van de
Rijden en parkeren 247
auto bevinden. De omgeving in de gaten houden
en altijd klaar zijn om te remmen.
Multimediasysteem:
4©5Instellingen 5Assistentie
5Camera & parkeren
#Aut. achteruitrijcam. in- of uitschakelen.
Camera-afdekking van de achteruitrijcamera
openen
Multimediasysteem:
4©5Instellingen 5Assistentie
5Camera & parkeren
#Camera-afd. openen selecteren.
%De camera-afdekking sluit na enige tijd auto‐
matisch of na het uit- en inschakelen van het
contact.
Favorieten voor camera instellen
Via de favorieteninstelling kan de cameraweer‐
gave in het multimediasysteem rechtstreeks
worden opgeroepen.
#De toetsòop de touchpad indrukken.
De hoofdfuncties worden weergegeven.
#Tweemaal omlaag navigeren.
Het menu Favorieten verschijnt.
#Nieuwe favoriet selecteren.
#Voertuig selecteren.
#Camera selecteren.
Actieve parkeerassistent
Functie van de actieve parkeerassistent
De actieve parkeerassistent is een elektronische
parkeerhulp met ultrasoongeluid die automa‐
tisch actief is tijdens het vooruitrijden. Het sys‐
teem werkt onder een snelheid van circa
35 km/h.
Wanneer aan alle voorwaarden wordtvoldaan,
verschijnt de weergave Çop het multifunctio‐
neel display. Het systeem zoekt en meet dan
zelfstandig parkeerplekken aan beide zijden van
de auto parallel aan en dwars op de rijrichting.
Heeft de actieve parkeerassistent parkeerplek‐
ken herkend, dan verschijnt de weergave È
op het multifunctioneel display. De pijlen geven
aan, aan welke zijde van de rijbaan er herkende
parkeerplekken aanwezig zijn. Deze worden ver‐
volgens weergegeven op het mediadisplay. De
parkeerplek en eventueel de parkeerrichting
kunnen vrij worden gekozen. De actieve parkeer‐
assistent berekent een geschikte baan voor de
auto, schakelt de richtingaanwijzers in en onder‐
steunt het in- en uitparkeren.
De actieve parkeerassistent ondersteunt bij het
gasgeven, remmen, sturen en schakelen.
De actieve parkeerassistent is slechts een hulp‐
middel. Hij kan uw waarneming van de omgeving
niet vervangen. De bestuurder blijft altijd verant‐
woordelijk voor het veilig manoeuvreren en in-
en uitparkeren. Erop letten dat zich geen perso‐
nen, dieren of voorwerpen in de baan van de
auto bevinden.
De actieve parkeerassistent wordt onder andere
afgebroken als een van de volgende handelingen
wordt uitgevoerd:
RU schakelt de PARKTRONIC-parkeerassistent
uit.
RU schakelt de actieve parkeerassistent uit.
REr wordtgestuurd.
RDe parkeerremwordt ingeschakeld.
248 Rijden en parkeren
RDe transmissiestand jwordt ingeschakeld.
RHet ESP®regelt.
RDe portieren of de achterklep worden tijdens
het rijden geopend.
Systeemgrenzen
Voorwerpen die zich boven of onder het registra‐
tiegebied van de actieve parkeerassistent bevin‐
den, kunnen bij het opmetenvan de parkeerplek
niet worden herkend. Hiermee wordt daarom
ook geen rekening gehouden bij het berekenen
van de parkeerprocedure. Dit geldt bijvoorbeeld
voor uitstekende lading, overhangen of laadplat‐
formsvan vrachtwagens of begrenzingen van
parkeerplekken. De actieve parkeerassistent
stuurt daarom mogelijk te vroeg de parkeerplek
in.
&WAARSCHUWING Gevaar voor ongeval‐
len door objecten boven of onder het
herkenningsgebied van de actieve par‐
keerassistent
Als zich objecten boven of onder het herken‐
ningsgebied bevinden, kunnen de volgende
situaties optreden:
RDe actieve parkeerassistent kante vroeg
insturen.
RDe auto stopt niet voor deze objecten.
Daardoor kunt u een aanrijding veroorzaken.
#De actieve parkeerassistent in deze
situaties niet gebruiken.
Sneeuw of zware regenvalkunnen ertoe leiden
dat de afmetingen van de parkeerplek niet nauw‐
keurig kunnen worden bepaald. Parkeerplekken
ór geparkeerde aanhangwagens, waarvan de
aanhangwagendissel over de rand van de par‐
keerplek steekt, worden mogelijkerwijs niet als
parkeerplek herkend of niet correct gemeten. De
actieve parkeerassistent alleen gebruiken op een
vlakke, stroeve ondergrond.
De actieve parkeerassistent in onder andere de
volgende situaties niet gebruiken:
RBij extreme weersomstandigheden, bijvoor‐
beeld ijs, sneeuw of bij zware regenval.
RAls met uw auto een lading wordtvervoerd,
die boven de auto uitsteekt.
RDe parkeerplek bevindt zich op een steile
helling.
RAls sneeuwkettingen zijn gemonteerd.
De actieve parkeerassistent kan mogelijk ook
parkeerplekken weergeven die niet voor parke
rengeschikt zijn, bijvoorbeeld:
RParkeerplekken waar parkeren niet is toege‐
staan.
RParkeerplekken op een ongeschikte onder‐
grond.
De actieve parkeerassistent ondersteunt u in
onder andere de volgende situaties niet bij par‐
keerplekken dwars op de rijrichting:
RTwee parkeerplek bevinden zich direct naast
elkaar.
Rijden en parkeren 249
RDe parkeerplek bevindt zich direct naast een
lage begrenzing, bijvoorbeeld naast een
stoeprand.
De actieve parkeerassistent ondersteunt u, in
onder andere de volgende situaties, niet bij par‐
keerplekken parallel aan of dwars op de rijrich‐
ting:
RDe parkeerplek bevindt zich op een stoep.
RDe parkeerplek wordt begrensd door een
obstakel, bijvoorbeeld een boom, paal of aan‐
hangwagen.
Met de actieve parkeerassistent inparkeren
#De toets1indrukken.
Het mediadisplay toont het aanzicht van de
actieve parkeerassistent. In het gebied 2wor‐
den de gevonden parkeerplekken 4en de baan
van de auto 3weergegeven.
%De op het mediadisplay weergegeven baan
van de auto 3kanvan de werkelijke baan
afwijken.
#Als u een parkeerplek bent gepasseerd: De
auto totstilstand brengen.
#De gewenste parkeerplek 4selecteren.
250 Rijden en parkeren
#Eventueel de parkeerrichting vooruit of ach‐
teruit selecteren.
Afhankelijkvan de gekozen parkeerplek 4
en de parkeerrichting wordt de baan van de
auto 3weergegeven.
#De gekozen parkeerplek 4bevestigen.
%De richtingaanwijzer wordt automatisch
ingeschakeld als het inparkerenwordt
gestart. Bij het schakelen naar hwordt de
richtingaanwijzer automatisch uitgeschakeld.
De verantwoordelijkheid voor het correct inscha‐
kelen van de richtingaanwijzers ligt altijd bij u.
Indien noodzakelijk de richtingaanwijzers over‐
eenkomstig gebruiken.
&WAARSCHUWING Gevaar voor ongeval‐
len door opzij bewegenvan de auto bij
het in- en uitparkeren
De auto beweegt bij het in‑ en uitparkeren
opzij en kan daarbij ook op de andere rij‐
strook komen.
Daardoor kunt u in botsing komen met
andere weggebruikers of objecten.
#Op andere verkeersdeelnemers en
objecten letten.
#Eventueel stoppen of de parkeerproce‐
dure met de actieve parkeerassistent
afbreken.
#Als op het mediadisplay bijvoorbeeld de mel‐
ding Achteruitversnelling inschakelen a.u.b.
verschijnt: De betreffende transmissiestand
inschakelen.
De auto parkeert in de geselecteerde par‐
keerplek.
Na beëindiging van het parkeren verschijnt de
melding Parkeerassistent beëindigd, auto over-
nemen. Eventueel kunnen nog manoeuvreerpro‐
cedures noodzakelijk zijn.
#Als het inparkeren is voltooid, de auto tegen
wegrollen beveiligen. Wanneer de wettelijke
voorschriften of de plaatselijke omstandighe‐
den dit vereisen: De wielen in de richting van
de stoeprand draaien.
%Ukunt de auto tijdens het inparkeren tot stil‐
stand brengen en een andere transmissie‐
stand kiezen. Daarop berekent het systeem
een nieuwe baan van de auto.Vervolgens
kan het inparkeren worden voortgezet. Als
geen nieuwe baan voor de auto beschikbaar
is, wordt opnieuw van transmissiestand
gewisseld. Wanneer de auto de parkeerplek
nog niet heeft bereikt, wordt het inparkeren
door schakelen afgebroken.
Met de actieve parkeerassistent uitparkeren
Voorwaarden
RDe auto werd met de actieve parkeerassis‐
tent ingeparkeerd.
In acht nemen dat u tijdens de gehele parkeer‐
procedure verantwoordelijk bent voor de auto en
de omgeving.
#De auto starten.
Rijden en parkeren 251
#De toets1indrukken.
Het mediadisplay toont het aanzicht van de
actieve parkeerassistent.
#Als de auto dwars op de rijrichting is ingepar‐
keerd: In het gebied 2de uitparkeerrichting
3Links of Rechts selecteren.
%De op het mediadisplay weergegeven baan
van de auto kanvan de werkelijke baan
afwijken.
#Om het uitparkerente starten, de uitparkeer‐
richting 3bevestigen.
%De richtingaanwijzer wordt automatisch
ingeschakeld als het uitparkeren wordt
gestart.
De verantwoordelijkheid voor het correct inscha‐
kelen van de richtingaanwijzers ligt altijd bij u.
Indien noodzakelijk de richtingaanwijzers over‐
eenkomstig gebruiken.
&WAARSCHUWING Gevaar voor ongeval‐
len door opzij bewegenvan de auto bij
het in- en uitparkeren
De auto beweegt bij het in‑ en uitparkeren
opzij en kan daarbij ook op de andere rij‐
strook komen.
Daardoor kunt u in botsing komen met
andere weggebruikers of objecten.
#Op andere verkeersdeelnemers en
objecten letten.
#Eventueel stoppen of de parkeerproce‐
dure met de actieve parkeerassistent
afbreken.
#Als op het mediadisplay bijvoorbeeld de mel‐
ding Vooruitversnelling inschakelen a.u.b.
verschijnt: De betreffende transmissiestand
inschakelen.
De auto rijdt uit de parkeerplek. De richting‐
aanwijzer wordt automatisch uitgeschakeld.
252 Rijden en parkeren
Na beëindiging van het uitparkeren verschijnt op
het display van het multimediasysteem de mel‐
ding Parkeerassistent beëindigd, auto overne-
men. Een waarschuwingssignaal en de melding
op het mediadisplay verzoeken u om de bestu‐
ring overte nemen:
U dient weer zelf gaste geven, te remmen, te
sturen en te schakelen.
Functie van de Drive Away Assist
De Drive Away Assist kan de ernst van een aan‐
rijding bij het wegrijden verminderen. Als een
obstakel in rijrichting wordt herkend, wordt de
rijsnelheid kortstondig begrensd tot circa
2 km/h. Wanneer een kritische situatie wordt
herkend, verschijnt het symbool Éop het
mediadisplay.
&WAARSCHUWING Gevaar voor ongeval‐
len bij beperkte herkenningsmogelijkheid
van de Drive Away Assist
De Drive Away Assist kan objecten en com‐
plexe verkeerssituaties niet altijd ondubbel‐
zinnig herkennen.
In deze gevallen kan de Drive Away Assist
Rzonder reden waarschuwen en de rijsnel‐
heid begrenzen.
Rniet waarschuwen of de rijsnelheid niet
begrenzen.
#De verkeerssituatie altijd goed in de
gaten houden en niet uitsluitend op de
Drive Away Assist vertrouwen.
#Klaar zijn om te kunnen remmen en
eventueel uit te wijken, in zoverre de
verkeerssituatie dit toelaat en uitwijken
zonder gevaar mogelijk is.
De Drive Away Assist is slechts een hulpmiddel.
Hij kan uw waarneming van de omgeving niet
vervangen. De bestuurder blijft altijd verant‐
woordelijk voor het veilig manoeuvreren en in-
en uitparkeren. Erop letten dat zich geen perso‐
nen, dieren of voorwerpen in de baan van de
auto bevinden.
In de volgende situaties kan bijvoorbeeld gevaar
voor een aanrijding ontstaan:
RHet gas- en rempedaal worden met elkaar
verward.
REr wordt een verkeerde versnelling ingescha‐
keld.
De functie Drive Away Assist is onder de vol‐
gende voorwaarden actief:
RDe PARKTRONIC-parkeerassistent is inge‐
schakeld.
RBij het schakelen naar kof hals de auto
stilstaat.
RHet herkende obstakel is minder dan circa
1,0 m verwijderd.
RDe functie manoeuvreerondersteuning is in
het multimediasysteem geactiveerd.
Systeemgrenzen
Op hellingen is het vermogen van de Drive Away
Assist beperkt.
Rijden en parkeren 253
Bij het rijden met een aanhangwagen is de Drive
Away Assist niet beschikbaar.
%Eveneens de systeemgrenzen van de PARK‐
TRONIC-parkeerassistent in acht nemen
(/pagina 235).
Functie van de Cross Traffic Alert
%Eveneens de aanwijzingen met betrekking
tot de dodehoekassistent lezen
(/pagina 260).
Auto's met dodehoekassistent: De functie
Cross Traffic Alert kan bij het achteruit uitparke‐
renwaarschuwen voor kruisend verkeer. Daartoe
bewaken de radarsensoren in de bumper het
gebied dat aan de auto grenst. Wanneer een kri‐
tische situatie wordt herkend, verschijnt het
symbool 1op het mediadisplay. Als op de
waarschuwing geen reactie van de bestuurder
volgt, kan de auto automatisch worden afge‐
remd.
Als de radarsensoren door voertuigen of andere
objecten zijn afgedekt, vindt er geen herkenning
plaats.
De functie Cross Traffic Alert is onder de vol‐
gende voorwaarden actief:
RDe dodehoekassistent is ingeschakeld.
RDe auto rijdt stapvoets achteruit.
RDe functie manoeuvreerondersteuning is in
het multimediasysteem geactiveerd.
Systeemgrenzen
Op hellingen is de functie Cross Traffic Alert niet
beschikbaar.
Bij het rijden met een aanhangwagen is de func‐
tie Cross Traffic Alert niet beschikbaar.
%Eveneens de systeemgrenzen van de actieve
dodehoekassistent in acht nemen
(/pagina 260).
Manoeuvreerondersteuning in- of uitschake‐
len
Multimediasysteem:
4©5Instellingen 5Assistentie
5Camera & parkeren
#Manoeuvreerondersteuning in- of uitschake‐
len.
%De manoeuvreerondersteuning moet voor de
werking van de Drive Away Assist
(/pagina 253) en Cross Traffic Alert
(/pagina 254) actief zijn.
ATTENTION ASSIST
Functie van de ATTENTION ASSIST
De ATTENTION ASSIST ondersteunt u bij lange,
monotone ritten op bijvoorbeeld autosnelwegen.
Indien de ATTENTION ASSIST tekenen vanver‐
moeidheid of toenemende onoplettendheid bij
de bestuurder herkent, wordt een pauze voorge
steld.
De ATTENTION ASSIST is slechts een hulpmid‐
del. Hij kanvermoeidheid of toenemende onop‐
lettendheid niet altijd tijdig herkennen. Het sys‐
254 Rijden en parkeren
teem is geen vervanging van een uitgeruste en
opmerkzame bestuurder. Bij langere ritten tijdig
en regelmatig pauzes nemen, waarbij u goed
kunt uitrusten.
Ukunt kiezen tussen twee instellingen:
RStandaard: Normale gevoeligheid van het
systeem
RGevoelig: Verhoogde gevoeligheid van het
systeem. De bestuurder wordt eerder
gewaarschuwd en de door het systeem
bepaalde alertheidstoestand (attentieniveau)
wordtovereenkomstig aangepast.
Als vermoeidheid of een toenemende onoplet‐
tendheid wordt herkend, verschijnt op het instru‐
mentendisplay de waarschuwing: Attention
Assist: pauze!. U kunt de melding bevestigen en
naar behoefte pauze nemen. Als u geen pauze
neemt en de ATTENTION ASSIST nog steeds toe‐
nemende onoplettendheid vaststelt, wordt u op
z'n vroegst na 15 minuten opnieuw gewaar‐
schuwd.
In het menu Assistentie van de boordcomputer
kan de statusinformatie voor de ATTENTION
ASSIST worden opgeroepen:
RDe ritduur sinds de laatste pauze
RDe door de ATTENTION ASSIST vastgestelde
aandachtstoestand (attentieniveau)
Wanneer de ATTENTION ASSIST geen Attention
Levelkan berekenen en zo doende geen waar‐
schuwing kangeven, verschijnt de melding Sys-
teem passief.
Als op het instrumentendisplay een waarschu‐
wing wordt gegeven, wordt in het multimediasys‐
teem voorgesteld om naar een wegrestaurant te
zoeken. U kunt een wegrestaurant selecteren en
de navigatie daarnaartoestarten. Deze functie
kan in het multimediasysteem worden in- of uit‐
geschakeld.
Als de ATTENTION ASSIST is uitgeschakeld,
toont de assistentieweergave op het instrumen‐
tendisplay bij draaiend aandrijfsysteem het sym‐
bool Û.Nadat het aandrijfsysteem opnieuw
is gestart, is de ATTENTION ASSIST automatisch
weer ingeschakeld. De laatst geselecteerde
gevoeligheid blijft opgeslagen.
Systeemgrenzen
De ATTENTION ASSIST is actief in het snelheids‐
bereik tussen 60 km/hen 200 km/h.
De ATTENTION ASSIST werkt in de volgende situ‐
aties beperkt en waarschuwingenwordtver‐
traagd of helemaal niet gegeven:
RBij een ritduur van minder dan circa 30 minu‐
ten
RBij een slechte staat van het wegdek (kuilen
en wegoneffenheden)
RBij sterke zijwind
RBij een sportieve rijstijl (hoge bochtsnelhe‐
den of krachtige acceleraties)
Rijden en parkeren 255
RBij een actieve stuurassistent van de actieve
afstandsassistent DISTRONIC
RAls de tijd verkeerd is ingesteld
RIn actieve rijsituaties, bij frequente wisseling
vanrijstrook en snelheid
In de volgende situaties wordt de vermoei‐
dheids- resp. opmerkzaamheidsanalyse van de
ATTENTION ASSIST gewist en bij verder rijden
opnieuw gestart:
RHet aandrijfsysteem wordt uitgeschakeld.
RU doet de veiligheidsgordel af en opent het
bestuurdersportier (bijvoorbeeld wisselen
van bestuurder of pauze).
ATTENTION ASSIST instellen
Multimediasysteem:
4©5Instellingen 5Assistentie
5Attention Assist
Instelmogelijkheden
#Standaard,Gevoelig of Uit selecteren.
Wegrestaurant voorstellen
#Rustplaats voorstellen selecteren.
#De functie in- of uitschakelen.
Wanneer de ATTENTION ASSIST vermoeid‐
heid of toenemende onoplettendheid bij de
bestuurder herkent, wordt een wegrestaurant
in de buurt voorgesteld.
#Het voorgestelde wegrestaurant selecteren.
Uwordt naar het gekozen wegrestaurant
genavigeerd.
Snelheidslimietassistent
Functie van de snelheidslimietassistent
%De beschikbaarheid van de volgende functie
verschilt per land.
De snelheidslimietassistent registreert snel‐
heidslimieten met een multifunctionele camera
1en toont deze in het combi-instrument en
optioneel op het head-up-display. Snelheidslimie‐
ten met een beperking op een onderbord (bij‐
voorbeeld bij nat wegdek) en stopborden worden
eveneens door de camera herkend.
De snelheidslimietassistent is slechts een hulp‐
middel. De bestuurder is zelf verantwoordelijk
voor de veilige afstand, de snelheid en het tijdig
remmen.
Waarschuwing bij overschrijding van de toe‐
gestane maximumsnelheid
Het systeem kan u waarschuwen als u per onge‐
luk de toegestane maximumsnelheid over‐
schrijdt. Daartoekunt u in het multimediasys‐
teem instellen, met welke waarde de toegestane
maximumsnelheid mag worden overschreden
voordat een waarschuwing wordtgegeven. U
kunt instellen of de waarschuwing alleen optisch
of daarnaast ook akoestisch moet plaatsvinden.
Weergave op het instrumentendisplay
%De afbeeldingen tonen het instrumentendis‐
play in de widescreen cockpit
256 Rijden en parkeren
1Toegestane snelheid
2Toegestane snelheid bij beperking
3Onderbord met beperking (bijvoorbeeld bij
nat wegdek)
De snelheidslimietassistent is niet in alle landen
verkrijgbaar. Als hij niet beschikbaar is, ver‐
schijnt de weergave1in de snelheidsmeter.
Systeemgrenzen
Het systeem kan in de volgende situaties moge‐
lijk niet correct werken of buiten werking zijn:
RBij slecht zicht, bijvoorbeeld door onvol‐
doende verlichting van de weg, bij sterk wis‐
selende schaduwen of door sneeuw, regen,
mist of veel spatwater
RBij verblinding, bijvoorbeeld door tegemoet‐
komend verkeer, directe zonnestraling of
door reflecties
RBij vervuiling van de voorruit in het gebied
van de multifunctionele camera of als de
camera beslagen, beschadigd of afgedekt is
RAls de verkeerstekens slecht herkenbaar zijn,
bijvoorbeeld door verontreiniging, afdekking,
sneeuw of onvoldoende verlichting
RNa scherpe bochten, bij het passeren van
verkeerstekens buiten het gezichtsveld van
de camera
Snelheidslimietassistent instellen
Multimediasysteem:
4©5Instellingen 5Assistentie
5Snelheidslimietassistent
Het soort waarschuwing instellen
#Optisch & Akoestisch,Optisch of Geen selec‐
teren.
Waarschuwingsdrempels instellen
Deze waarde bepaalt, vanaf welke snelheidsover‐
schrijding de waarschuwing plaatsvindt.
#Waarschuw.drempel selecteren.
#De gewenste snelheid instellen.
%Wanneer een van de volgende systemen
actief is, kan de herkende snelheid handma‐
tig als toegestane maximumsnelheid worden
overgenomen:
RActieve afstandsassistent DISTRONIC
RTEMPOMAT
RVariabele Limiter
Meer informatie (/pagina 221).
Rijden en parkeren 257
Verkeerstekenassistent
Functie van de verkeerstekenassistent
De verkeerstekenassistent herkent verkeerste‐
kens door middel van een multifunctionele
camera 1. Het systeem ondersteunt u door
herkende snelheidslimieten en inhaalverboden
op het combi-instrument en optioneel op het
head-up-display of op het centrale display weer
te geven.
Aangezien de verkeerstekenassistent ook
gebruikmaakt van de gegevens in het navigatie‐
systeem, kan de weergave in de volgende geval‐
len ook worden geactualiseerd zonder dat ver‐
keerstekens zijn herkend:
Rals vanwegwordtgewisseld, bijvoorbeeld bij
het oprijden of verlaten van een snelweg
Rals een gemeentegrens wordtgepasseerd die
in de digitale kaart is opgeslagen
Als het systeem herkent dat u op een wegge‐
deelte tegen de voorgeschrevenrijrichting rijdt,
wordt een waarschuwing gegeven.
Verkeerstekens met een beperking op een
onderbord (bijvoorbeeld bij nat wegdek) worden
eveneens door de camera herkend.
De verkeerstekenassistent is slechts een hulp‐
middel. De bestuurder is zelf verantwoordelijk
voor de veilige afstand, de snelheid en het tijdig
remmen.
Waarschuwing bij overschrijding van de toe‐
gestane maximumsnelheid
Het systeem kan u waarschuwen als u per onge‐
luk de toegestane maximumsnelheid over‐
schrijdt. Daartoekunt u in het multimediasys‐
teem instellen, met welke waarde de toegestane
maximumsnelheid mag worden overschreden
voordat een waarschuwing wordtgegeven. U
kunt instellen of de waarschuwing alleen optisch
of daarnaast ook akoestisch moet plaatsvinden.
Weergave op het instrumentendisplay
Instrumentendisplay in de widescreen cockpit
1Toegestane snelheid
2Toegestane snelheid bij beperking
3Onderbord met beperking (bijvoorbeeld bij
nat wegdek)
258 Rijden en parkeren
%Auto's met standaard instrumentendis‐
play: Een +naast een verkeersteken in het
instrumentendisplay geeft aan dat meerdere
verkeerstekens herkend zijn. Deze kunnen in
het instrumentendisplay en optioneel in het
head-up-display worden weergegeven.
De verkeerstekenassistent is niet in alle landen
verkrijgbaar. Als hij niet beschikbaar is, ver‐
schijnt de weergave1in de snelheidsmeter.
Waarschuwing bij nadering van een voetgan‐
gersoversteekplaats (auto's met rijassisten‐
tiepakket)
Het systeem kan u waarschuwen, als u met de
auto een voetgangersoversteekplaats nadert. Er
verschijnt een melding in het combi-instrument.
De waarschuwing wordt uitgegeven als overeen‐
komstige verkeerstekens of rijstrookmarkeringen
worden herkend en er zich voetgangers in de
gevarenzone bevinden.
Systeemgrenzen
Het systeem kan in de volgende situaties moge‐
lijk niet correct werken of buiten werking zijn:
RBij slecht zicht, bijvoorbeeld door onvol‐
doende verlichting van de weg, bij sterk wis‐
selende schaduwen of door regen, sneeuw,
mist of veel spatwater
RBij verblinding, bijvoorbeeld door tegemoet‐
komend verkeer, directe zonnestraling of
door reflecties
RBij vervuiling van de voorruit in het gebied
van de multifunctionele camera of als de
camera beslagen, beschadigd of afgedekt is
RAls de verkeerstekens slecht herkenbaar zijn,
bijvoorbeeld door verontreiniging, afdekking,
sneeuw of onvoldoende verlichting
RAls de informatie in de digitale wegenkaart
van het navigatiesysteem onjuist of niet actu‐
eel is
RBij meerdere wegmarkeringen, bijvoorbeeld
verkeerstekens bij wegwerkzaamheden of
aangrenzende rijstroken
Rijden en parkeren 259
RNa scherpe bochten, bij het passeren van
verkeerstekens buiten het gezichtsveld van
de camera
Verkeerstekenassistent instellen
Voorwaarden
RAlleen auto's met rijassistentiepakket:
Voor het automatisch overnemen van snel‐
heidsbegrenzingen moet de actieve afstands‐
assistent DISTRONIC ingeschakeld zijn.
Multimediasysteem:
4©5Instellingen 5Assistentie
5Verkeerstekenassistent
Automatisch overnemen van snelheidsbe‐
grenzingen in- en uitschakelen (alleen auto's
met rijassistentiepakket)
#Limiet-overname selecteren.
#De functie in- of uitschakelen.
Door de verkeerstekenassistent herkende
snelheidsbegrenzingen worden automatisch
overgenomen door de actieve afstandsassis‐
tent DISTRONIC.
%Wanneer een van de volgende systemen
actief is, kan de herkende snelheid handma‐
tig als toegestane maximumsnelheid worden
overgenomen:
RActieve afstandsassistent DISTRONIC
RTEMPOMAT
RVariabele Limiter
Meer informatie (/pagina 221).
Herkende verkeerstekens in het mediadis‐
play weergeven
#Weergave cent. displ. selecteren.
#De functie in- of uitschakelen.
Het soort waarschuwing instellen
#Optisch & Akoestisch,Optisch of Geen selec‐
teren.
Waarschuwingsdrempels instellen
Deze waarde bepaalt, vanaf welke snelheidsover‐
schrijding de waarschuwing plaatsvindt.
#Waarschuw.drempel selecteren.
#De gewenste snelheid instellen.
Dodehoek- en actieve dodehoekassistent
met uitstapwaarschuwing
Functie van de dodehoek- en actieve dode‐
hoekassistent met uitstapwaarschuwing
De dodehoekassistent en de actieve dodehoe‐
kassistent bewaken met behulp van twee zijde‐
lings naar achteren gerichte radarsensoren het
gebied tot 40 m achter en 3 m naast de auto.
Als vanaf een snelheid van circa 12 km/h een
voertuig wordt herkend dat direct daarna in het
controlegebied naast uw auto komt, gaat het
waarschuwingslampje in de buitenspiegel rood
branden.
Als een voertuig op geringe afstand opzij wordt
herkend, knippert het rode waarschuwings‐
lampje in de buitenspiegel. Als u de richtingaan‐
wijzer in de betreffende richting inschakelt,
klinkt eenmaal een waarschuwingssignaal. Als
de richtingaanwijzer ingeschakeld blijft, worden
alle overige herkende voertuigen alleen weerge‐
geven door het knipperenvan het rode waar‐
schuwingslampje.
Wanneer u een voertuig snel inhaalt, vindt er
geen waarschuwing plaats.
260 Rijden en parkeren
&WAARSCHUWING Gevaar voor ongeval‐
len ondanks de dodehoekassistent
De dodehoekassistent reageert niet op voer‐
tuigen die met een groot snelheidsverschil
naderen en u inhalen.
Daardoor kan de dodehoekassistent in deze
situaties niet waarschuwen.
#De verkeerssituatie altijd goed in de
gaten houden en voldoende zijdelingse
afstand aanhouden.
De dodehoekassistent en de actieve dodehoe‐
kassistent zijn slechts hulpmiddelen. Deze her‐
kennen mogelijk niet alle voertuigen en ontslaan
u er niet van zelf goed te blijven opletten. Altijd
voldoende zijdelingse afstand tot andere ver‐
keersdeelnemers en obstakels aanhouden.
Uitstapwaarschuwing
De uitstapwaarschuwing is een extra functie van
de dodehoekassistent en kan de inzittenden bij
het verlaten van de auto waarschuwen voor
naderende voertuigen.
&WAARSCHUWING Gevaar voor ongeval‐
len ondanks uitstapwaarschuwing
De uitstapwaarschuwing reageert niet op stil‐
staande objecten en niet op voertuigen die
met een groot snelheidsverschil naderen en
u inhalen.
Daardoor kan de uitstapwaarschuwing in
deze situaties niet waarschuwen.
#Bij het openen van de deuren altijd
goed op de verkeerssituatie en op vol‐
doende vrijeruimte letten.
Wanneer een voertuig zich in het controlegebied
bevindt, wordt dit weergegeven in de buitenspie‐
gel. Indien een inzittende het portier aan de zijde
met het dreigende gevaar opent, wordt een
waarschuwingssignaal gegeven en begint het
waarschuwingslampje in de buitenspiegel te
knipperen.
Deze extra functie is alleen beschikbaar als de
dodehoekassistent is ingeschakeld en in de eer‐
ste drie minuten na het uitschakelen van het
contact. Het einde van de beschikbaarheid van
de uitstapwaarschuwing wordt aangeduid door
het drie maal knipperenvan het waarschuwings‐
lampje in de buitenspiegel.
De uitstapwaarschuwing is slechts een hulpmid‐
del en ontslaat de inzittenden er niet van zelf
goed te blijven opletten. De inzittenden blijven
altijd verantwoordelijkvoor het zonder gevaar
openen van de portieren en het veilig verlaten
van de auto.
Systeemgrenzen
De dodehoek- en actieve dodehoekassistent
kunnen in de volgende situaties beperkt beschik‐
baar zijn:
RBij vervuilde of afgedekte sensoren
RBij slecht zicht, bijvoorbeeld door mist,
hevige regen of sneeuw
RBij smalle voertuigen, bijvoorbeeld fietsen of
motorfietsen
RBij zeer brede of smalle rijstroken
RBij sterk zijdelings versprongen rijdende voer‐
tuigen
Bij vangrails en dergelijke obstakels kunnen
ongegronde waarschuwingenworden gegeven.
Rijden en parkeren 261
Altijd voldoende zijdelingse afstand tot andere
verkeersdeelnemers en obstakels aanhouden.
Als lang naast lange voertuigen wordtgereden,
bijvoorbeeld een vrachtwagen, kan de waarschu‐
wing worden onderbroken.
Bij ingeschakelde achteruitversnelling is de
dodehoekassistent niet bedrijfsklaar.
Wanneer een aanhangwagen is aangekoppeld en
de elektrischeverbinding correct is aangesloten,
is de dodehoekassistent niet actief.
De werking van de uitstapwaarschuwing kan in
de volgende situaties beperkt zijn:
RBij sensorafschaduwing door naburige voer‐
tuigen in krappe parkeerplekken
RBij het naderen van mensen
RBij stilstaande of langzaam bewegende
objecten
Functie van de remingreep (actieve dodehoe‐
kassistent)
%De functie van de remingreep is alleen
beschikbaar voor auto's met rijassistentie‐
pakket.
Als de actieve dodehoekassistent in het contro‐
legebied een zijdelings botsingsgevaar herkent,
wordt een corrigerende remingreep uitgevoerd.
Deze moet door u worden ondersteund, om een
botsing te voorkomen.
De corrigerende remingreep is beschikbaar in
het snelheidsbereik tussen circa 30 km/h en
circa 200 km/h.
&WAARSCHUWING Gevaar voor ongeval‐
len ondanks remingreep van de actieve
dodehoekassistent
De corrigerende remingreep kan een aanrij
ding niet altijd voorkomen.
#Altijd zelf sturen, remmen of accelere‐
ren, in het bijzonder als de actieve
dodehoekassistent waarschuwt of corri‐
gerend remt.
#Altijd voldoende zijdelingse afstand
aanhouden.
&WAARSCHUWING Gevaar voor ongeval‐
len ondanks de actieve dodehoekassis‐
tent
De actieve dodehoekassistent reageert in de
volgende situaties niet:
RAls u voertuigen inhaalt met geringe zijde‐
lingse afstand en deze zich in het dode‐
hoekgebied bevinden.
RAls voertuigen met een groot snelheids‐
verschil naderen en u inhalen.
Daardoor kan de actieve dodehoekassistent
in deze situaties niet waarschuwen of ingrij‐
pen.
#De verkeerssituatie altijd goed in de
gaten houden en voldoende zijdelingse
afstand aanhouden.
262 Rijden en parkeren
Als een corrigerende remingreep plaatsvindt,
knippert het rode waarschuwingslampje in de
buitenspiegel en klinkt er een dubbel waarschu‐
wingssignaal. Bovendien verschijnt er op het
multifunctioneel display een melding 1die u
attendeert op het zijdelingse aanrijdingsgevaar.
In sporadische gevallen kan het systeem een
onjuiste remingreep uitvoeren. Deze remingreep
kunt u afbreken met lichttegensturen of gas
geven.
Systeemgrenzen
In de volgende situaties vindt er geen of een aan
de rijsituatie aangepaste corrigerende remin‐
greep plaats:
RAan beide zijden van de auto bevinden zich
voertuigen of obstakels, bijvoorbeeld van‐
grails.
REen voertuig nadert u met geringe zijdelingse
afstand.
RUrijdt sportief, met hoge bochtsnelheden.
RUremt nadrukkelijk of geeft nadrukkelijk
gas.
REen rijveiligheidssysteem grijpt in, bijvoor‐
beeld het ESP®of het Active Brake Assist
System.
RHet ESP®is uitgeschakeld.
REen bandenspanningsverlies of een bescha‐
digde band is herkend.
RUrijdt met een aanhangwagen en de elektri‐
sche verbinding met de aanhangwagenvoor‐
ziening functioneert correct.
Dodehoek- of actieve dodehoekassistent in-
of uitschakelen
Multimediasysteem:
4©5Instellingen 5Assistentie
#Dodehoekassistent in- of uitschakelen.
#Act. dodehoekassist. in- of uitschakelen.
Actieve spoorassistent
Functie van de actieve spoorassistent
De actieve spoorassistent bewaakt het gebied
ór de auto met een multifunctionele camera
1. Deze moet voorkomen dat u ongewild de rij‐
strook verlaat. Daartoekunt u door een merk‐
Rijden en parkeren 263
bare terugkoppeling van het stuurwiel worden
gewaarschuwd en door een corrigerende remin‐
greep naar uw rijstrook worden teruggevoerd.
Uwordtgewaarschuwd door een merkbare
terugkoppeling van het stuurwiel als aan de vol‐
gende voorwaarden wordtvoldaan:
RDe actieve spoorassistent herkent een rijst‐
rookmarkering.
REen voorwiel rijdt over deze rijstrookmarke‐
ring.
Bovendien wordt u door middel van een remin‐
greep naar uw rijstrook teruggevoerd als aan de
volgende voorwaarden is voldaan:
RDe actieve spoorassistent herkent rijstrook‐
markeringen aan beide randen van de rij‐
strook.
REen voorwiel rijdt over een doorgetrokken
rijstrookmarkering.
Ukunt de waarschuwing van de actieve spooras‐
sistent in- en uitschakelen.
De actieve spoorassistent kan het gevaar voor
ongevallen door een niet aangepaste rijstijl niet
verminderen en de natuurkundige grenzen niet
verleggen. Hij kangeen rekening houden met de
weg- en weersomstandigheden en de verkeerssi‐
tuatie. De actieve spoorassistent is slechts een
hulpmiddel. De bestuurder is zelf verantwoorde‐
lijk voor de veilige afstand, de gereden snelheid,
het tijdig remmen en het aanhouden van de rij‐
strook.
De actieve spoorassistent kan de auto met een
corrigerende remingreep terug naar de rijstrook
brengen. De remingreep vindt ook plaats bij een
als onderbroken herkende rijstrookmarkering,
indien een auto op de naastgelegen rijstrook
wordt herkend. Er kunnen tegenliggers worden
herkend.
Auto's met rijassistentiepakket of rijassis‐
tentiepakket plus: Bovendien kunnen inhalende
en parallel rijdende voertuigen worden herkend.
Auto's zonder rijassistentiepakket of rijassis‐
tentiepakket plus: Een corrigerende remin‐
greep vindt ook plaats, wanneer naast een
onderbroken rijstrookmarkering ook de rand van
een verharde rijbaan wordt herkend (bijvoor‐
beeld de (beplante) berm).
De actieve spoorassistent is beschikbaar in het
snelheidsbereik tussen 60 km/h en 200 km/h.
Als een corrigerende remingreep plaatsvindt,
verschijnt op het multifunctioneel display de
melding 1.
Gevoeligheid van de actieve spoorassistent
%De beschikbaarheid van de volgende functie
verschilt per land.
Bij de instelling Gevoelig vindt bovendien in de
volgende situaties een corrigerende remingreep
plaats:
RDe actieve spoorassistent herkent een door‐
getrokken rijstrookmarkering.
264 Rijden en parkeren
REen voorwiel rijdt over deze rijstrookmarke‐
ring.
Systeemgrenzen
In de volgende situaties vindt er geen corrige
rende remingreep plaats:
RAls u duidelijk actief stuurt, remt of gasgeeft
REventueel als u de richtingaanwijzer hebt
ingeschakeld (afhankelijk van de situatie)
RWanneer een rijveiligheidssysteem ingrijpt,
bijvoorbeeld het ESP®, het Active Brake
Assist System of de actieve dodehoekassis‐
tent
RAls sportief wordtgereden, bij hoge bocht‐
snelheden of snelle acceleraties
RAls het ESP®uitgeschakeld is
RAls u met een aanhangwagen rijdt en de
elektrischeverbinding met de aanhangwagen
correct functioneert
RAls bandenspanningsverlies of een bescha‐
digde band is herkend of weergegeven
Het systeem kan in de volgende situaties moge‐
lijk niet correct werken of buiten werking zijn:
RBij slecht zicht, bijvoorbeeld door onvol‐
doende verlichting van de weg, bij sterk wis‐
selende schaduwen of door regen, sneeuw,
mist of veel spatwater
RBij verblinding, bijvoorbeeld door tegemoet‐
komend verkeer, directe zonnestraling of
reflecties
RBij vervuiling van de voorruit in het gebied
van de multifunctionele camera of als de
camera beslagen, beschadigd of afgedekt is
RWanneer er geen of meerdere, niet duidelijk
herkenbare rijstrookmarkeringen aanwezig
zijn, bijvoorbeeld in de omgeving vanweg‐
werkzaamheden
RAls de rijstrookmarkeringen versleten, donker
of bedekt zijn
RAls de afstand tot de voorligger te klein is en
daardoor de rijstrookmarkeringen niet wor‐
den herkend
RWanneer rijstrookmarkeringen snel wijzigen,
bijvoorbeeld bij aftakkingen, kruisingen of
wegversmallingen
RBij zeer smalle en bochtige wegen
Auto's zonder rijassistentiepakket of rijassis‐
tentiepakket plus: De actieve spoorassistent
bewaakt verschillende gebieden rondom de auto
met radarsensoren. Als de radarsensoren in de
achterbumper vervuild of met sneeuw bedekt
zijn, kan het systeem mogelijk niet correct wer‐
ken of niet functioneren. Als een obstakel op de
eigen weghelft is herkend, vindt er geen corrige
rende remingreep plaats.
Actieve spoorassistent in- en uitschakelen
Multimediasysteem:
4©5Instellingen 5Snelle toegang
5Actieve spoorassistent
#De functie in- of uitschakelen.
Actieve spoorassistent instellen
Multimediasysteem:
4©5Instellingen 5Assistentie
5Actieve spoorassistent
Gevoeligheid instellen
%De beschikbaarheid van deze functie ver‐
schilt per land.
Rijden en parkeren 265
#Standaard,Gevoelig of Uit selecteren.
Haptische waarschuwing in- en uitschakelen
#Waarschuwing selecteren.
De functie in- of uitschakelen.
Aanhangwagenvoorziening
Aanwijzingen voor rijden met een aanhang‐
wagen
De volgende aanwijzingen met betrekking tot de
kogeldruk in acht nemen:
RDe toegestane kogeldruk niet over- of onder‐
schrijden.
RDe maximumkogeldruk zoveel mogelijk
benutten.
De volgende waarden mogen niet worden over‐
schreden:
RToegestaan aanhangwagengewicht
RToegestane achterasbelasting van de trek‐
kende auto
RToegestaan totaalgewicht van de trekkende
auto
RToegestaan totaalgewicht van de aanhangwa‐
gen
RToegestane maximumsnelheid van de aan‐
hangwagen
Voor het wegrijden het volgende controleren:
ROp de achteras van de trekkende auto is de
bandenspanning voor maximale belading
ingesteld.
RDe verlichting van de aangesloten aanhang‐
wagen functioneert.
RAuto's zonder LED-koplampen of ACTIVE
MULTIBEAM LED-koplampen: De koplam‐
pen zijn correct ingesteld.
Bij een grotere achterasbelasting mag in verband
met de typegoedkeuring met de auto met aan‐
hangwagen niet sneller dan 100 km/h worden
gereden. Dit geldt ook in landen waar voor
auto's met aanhangwagen in principe een maxi‐
mumsnelheid boven100 km/h is toegestaan.
Kogelhals volledig elektrisch uit- en inklap
pen
&WAARSCHUWING Gevaar voor ongeval‐
len door een niet vergrendelde kogelhals
Als de kogelhals niet vergrendeld is, kan de
aanhangwagen losraken.
#De kogelhals moet in de veilig vergren‐
delde positie vergrendeld zijn; dit con‐
troleren.
*AANWIJZING Schade aan de volledig
elektrische aanhangwagenvoorziening
door extra druk
De volledig elektrische aanhangwagenvoor‐
ziening kan door extra druk bij het in- en uit‐
klappen mechanisch worden beschadigd.
#Het in- en uitklappen van de kogelhals
niet door het uitoefenen vanextra druk
versnellen.
Voorwaarden
RDe auto is beveiligd tegenwegrollen.
266 Rijden en parkeren
RHet zwenkbereik is vrij.
RDe aanhangwagenkabel of adapterstekker is
verwijderd.
Kogelhals volledig elektrisch uitklappen
Toets in de achterklep
Toets in het bestuurdersportier
#Uitklappen: Aan de toets1trekken.
Het controlelampje 2knippert en op het
multifunctioneel display verschijnt de dis‐
playmelding Trekhaak zwenkt.
De kogelhals wordtvolledig elektrisch uitge‐
klapt.
#Wachtentot de kogelhals de vergrendelde
positie heeft bereikt.
De kogelhals is veilig vergrendeld wanneer
het controlelampje 2permanent brandt.
Wanneer de kogelhals niet veilig is vergren‐
deld, knippert het controlelampje 2en ver‐
schijnt op het multifunctioneel display de dis‐
playmelding Trekhaak vergrendeling control..
Kogelhals volledig elektrisch inklappen
#Aan de toets1trekken.
Het controlelampje 2knippert en op het
multifunctioneel display verschijnt de mel‐
ding Trekhaak zwenkt.
De kogelhals wordtvolledig elektrisch inge‐
klapt.
#Wachtentot de kogelhals de vergrendelde
positie heeft bereikt.
De kogelhals is veilig vergrendeld wanneer
het controlelampje 2dooft.
Wanneer de kogelhals niet veilig is vergren‐
deld, knippert het controlelampje 2en ver‐
schijnt op het multifunctioneel display de dis‐
playmelding Trekhaak vergrendeling control..
Rijden en parkeren 267
Raadpleeg de informatie over de weergaven in
het combi-instrument:
RWaarschuwings- en controlelampjes
(/pagina 593)
RDisplaymeldingen
Aanhangwagen aan- of afkoppelen
&WAARSCHUWING Gevaar voor letsel bij
een gewijzigde voertuighoogte
De voertuighoogte kan onbedoeld worden
gewijzigd, bijvoorbeeld door andere perso‐
nen. Als u ondertussen de aanhangwagen
aan‑ of afkoppelt, kunt u bekneld raken.
Bovendien kunnen lichaamsdelen van perso‐
nen bekneld raken, die zich tussen de carros‐
serie en de banden of onder de auto bevin‐
den.
Bij het aan‑ of afkoppelen het volgende in
acht nemen:
#Geen portieren of de achterklep openen
of sluiten.
#De auto niet ver‑ of ontgrendelen.
Voorwaarden
RDe kogelhals is uitgeklapt en correct vergren‐
deld in de vergrendelde positie.
Aanhangwagens met een 7-polige stekker kun‐
nen via de volgende adapters op de auto worden
aangesloten:
RAdapterstekker
RAdapterkabel
De aanhangwagenwordt alleen door de auto
herkend indien aan de volgende voorwaarden
wordtvoldaan:
RDe aanhangwagen is correct aangesloten.
RHet verlichtingssysteem van de aanhangwa‐
gen is intact.
De werking van de volgende systemen is onder
andere afhankelijk van een correct aangesloten
aanhangwagen:
RActieve spoorassistent
RESP®-aanhangwagenstabilisatie
RPARKTRONIC-parkeerassistent
RActieve parkeerassistent
RDodehoek- of actieve dodehoekassistent
RDrive Away Assist
RCross Traffic Alert
RAchteruitrijcamera
R360°-camera
Aanhangwagen aankoppelen
*AANWIJZING Beschadiging van de voer‐
tuigaccu door volledige ontlading
Door het opladen van de aanhangwagenaccu
via de spanningsvoorziening van de aanhang‐
wagenkan de accu van het voertuig bescha‐
digd raken.
#De spanningsvoorziening van het voer‐
tuig niet gebruiken om de aanhangwa‐
genaccu op te laden.
#De afdekkapvan de kogelkop verwijderen en
veilig opbergen (/pagina 117).
#De aanhangwagen horizontaal achter de auto
zetten en aankoppelen.
268 Rijden en parkeren
#De klep van de contactdoos openen.
#De stekker met nok 1in groef 3van de
contactdoos aanbrengen.
#De bajonetverbinding 2tot de aanslag
rechtsom draaien.
#Het deksel laten vergrendelen.
#De kabel met kabelbinders aan de aanhang‐
wagen bevestigen (alleen bij adapterkabels).
#Controleren of de kabel bij het rijden door
bochten vrij kan bewegen.
Ook bij een correct aangesloten aanhangwagen
kan bij de volgende voorwaarden een melding op
het multifunctioneel display verschijnen:
RHet verlichtingssysteem van de aanhangwa‐
gen is van LED's voorzien.
RDe minimumstroom (50 mA) van de aanhang‐
wagenverlichting werd onderschreden.
%Op de permanente spanningsvoorziening
kunt u accessoires aansluitentot maximaal
180 W en aan de via het contactslot gescha‐
kelde spanningsvoorziening.
Aanhangwagen afkoppelen
&WAARSCHUWING Inklemgevaar bij het
afkoppelen
Wanneer u een aanhangwagen met oploop‐
rem in geremde staat afkoppelt, kunt u met
uw hand tussen de auto en de aanhangwa‐
gendissel bekneld raken.
#De aanhangwagen niet in geremde
staat afkoppelen.
*AANWIJZING Beschadiging bij het afkop‐
pelen als de aanhangwagengeremd is
Als de aanhangwagen bij het afkoppelen
geremd is, kan de auto beschadigd raken.
#De aanhangwagen niet in geremde
staat afkoppelen.
*AANWIJZING Schade aan de achterbum‐
per door gemonteerde adapterkabel of
adapterstekker
Bij het volledig elektrisch uit- en inklappen
van de kogelhals kunnen de volgende onder‐
delen worden beschadigd:
RBumper
RAdapterkabel
RAdapterstekker
#Voor het volledig elektrisch uit- en
inklappen van de kogelhals altijd de
adapterkabel of de adapterstekker ver‐
wijderen.
Rijden en parkeren 269
#Voorkomen dat de aanhangwagen kanweg‐
rollen.
#De elektrische verbinding tussen auto en
aanhangwagen losmaken.
#De aanhangwagen afkoppelen.
#De afdekkap op de kogelkop drukken.
Functie van de fietsdrager
&WAARSCHUWING Gevaar voor ongeval‐
len bij ondeskundig omgaan met de fiets‐
drager
De fietsdrager kan in de volgende gevallen
van de auto losraken:
RHet toegestane draagvermogen van de
aanhangwagenvoorziening wordtover‐
schreden.
RDe fietsdrager wordt ondeskundig
gebruikt.
RDe fietsdrager is op de kogelhals onder
de kogelkop bevestigd.
Voor uw eigen veiligheid en die van andere
verkeersdeelnemers het volgende in acht
nemen:
RAltijd het toegestane draagvermogen van
de aanhangwagenvoorziening aanhouden.
RDe fietsdrager uitsluitend voor het ver‐
voeren vanfietsen gebruiken.
RDe fietsdrager altijd volgens de voor‐
schriften bevestigen door deze op de
kogelkop vast te klemmen en indien
mogelijk bovendien aan de geleidepen
van de kogelhals.
RVoor het vervoeren van vier fietsen altijd
een fietsdrager met extra ondersteuning
op de geleidepen van de kogelhals gebrui‐
ken.
RAlleen door Mercedes-Benz goedge‐
keurde fietsdragers gebruiken.
ROok altijd de handleiding van de fietsdra‐
ger in acht nemen.
*AANWIJZING Beschadiging of breuk van
de aanhangwagenvoorziening door onge‐
schikte of ondeskundig gebruikte fiets‐
drager
#Alleen door Mercedes-Benz goedge‐
keurde fietsdragers gebruiken.
Aanhangwagenvoorziening (voorbeeld met extra
geleidepen)
270 Rijden en parkeren
Afhankelijkvan de constructie van de fietsdrager
kunnen verschillende hoeveelheden fietsen wor‐
den vervoerd.
De volgende constructies van de fietsdrager zijn
mogelijk:
RBij bevestiging door vastklemmen op de
kogelkop 1bedraagt het maximumdraag‐
vermogen 75 kg. Er kunnen maximaal drie
fietsen worden vervoerd.
RBij bevestiging op de kogelkop 1en boven‐
dien op de geleidepen 2, bedraagt het
maximumdraagvermogen 100kg. Er kunnen
maximaal vier fietsen worden vervoerd.
Het draagvermogen wordt berekend uit het
gewicht van de fietsdrager en de belading van de
fietsdrager.
Met een fietsdrager verandert het rijgedragvan
de auto. Uw rijstijl overeenkomstig aanpassen.
Oplettend rijden en voldoende afstand aanhou‐
den.
Pas bij gebruik van een fietsdrager de banden‐
spanning aan voor een verhoogde belading van
de achteras van de auto. Meer informatie over
de bandenspanning vindt u in de bandenspan‐
ningstabel (/pagina 516).
Beladingsaanwijzingen
Hoe groter de afstand van het zwaartepunt van
de lading ten opzichte van de kogelkop, hoe
hoger de belasting op de aanhangwagenvoorzie‐
ning.
De volgende aanwijzingen in acht nemen:
RZware fietsen zo dicht mogelijk bij de auto
bevestigen.
RDe lading op de fietsdrager altijd zo symme‐
trisch mogelijk ten opzichte van de lengteas
van de auto verdelen.
Mercedes-Benz adviseert om voor het beladen
van de fietsdrager alle aanbouwdelen op de fiet‐
sen te verwijderen, bijvoorbeeld fietsmanden,
kinderzitjes of accu's. Daardoor kan de lucht‐
weerstand en het zwaartepunt van de fietsdrager
worden verbeterd.
De fietsen altijd tegenverschuiven beveiligen en
regelmatig controleren of deze nog goed vastzit‐
ten.
Geen dekzeilen of andere afdekkingen gebrui‐
ken. Het rijgedrag en het zicht naar achteren
kunnen slechter worden. Bovendien neemt de
luchtweerstand toe en daarmee de belasting op
de aanhangwagenvoorziening.
Verdeling van de lading op de fietsdrager
1Afstand van het zwaartepunt naar de kogel‐
kop in verticale richting
2Afstand van het zwaartepunt naar de kogel‐
kop naar achteren
3Zwaartepunt bevindt zich op de middenas
van de auto
Rijden en parkeren 271
Bij het beladen van de fietsdrager de vol‐
gende gegevens in acht nemen:
3fietsen 4 fietsen
Totaalgewicht
vanfietsdrager
en belading
tot 75 kg tot100kg
Max. afstand
1
420 mm 420 mm
Max. afstand
2
300 mm 400 mm
Bij het vervoer van vier fietsen of een totaalge‐
wicht tussen 75 kg en 100kg altijd een fietsdra‐
ger met een extra bevestiging op de geleidepen
van de aanhangwagenvoorziening gebruiken.
Aanwijzingen met betrekking tot het trek‐
kenvan auto's
De auto is niet geschikt voor het gebruik van
Tow-Bar-systemen, die bijvoorbeeld worden
gebruikt voor Flat Towing of Dinghy Towing. Het
aanbrengen of gebruik vanTow-Bar-systemen
kantot schade aan de auto leiden. Bij het trek‐
ken of slepen van een auto met Tow-Bar-syste‐
men is een veilig rijdynamisch gedrag van de
trekkende auto en de getrokken auto niet veilig‐
gesteld. De combinatie kangaan slingeren. De
toegestane sleepmethoden in acht nemen
(/pagina 506) en de aanwijzingen met betrek‐
king tot slepen met beide assen op de grond
(/pagina 507).
272 Rijden en parkeren
Overzicht instrumentendisplay
&WAARSCHUWING Gevaar voor ongeval‐
len bij het uitvallen van het combi-instru‐
ment
Wanneer het combi-instrument uitgevallen is
of als een storing aanwezig is, kunt u functie‐
beperkingen vanveiligheidsrelevante syste‐
men niet herkennen.
De bedrijfsveiligheid van de auto kan beperkt
zijn.
#De auto direct op een veilige plaats par‐
keren en contact opnemen met een
gekwalificeerde werkplaats.
Instrumentendisplay
1Snelheidsmeter
2Multifunctioneel display
3Gebied met meerdere weergaven (voorbeeld)
4Laadtoestandweergave
%In de weergave 3van het gebied met meer‐
dere weergavenkanverdere inhoud van het
display worden weergegeven
(/pagina 276).
De segmenten in de snelheidsmeter1geven
de status van de volgende systemen aan:
RTEMPOMAT (/pagina 215)
RLimiter (/pagina 216)
RActieve afstandsassistent DISTRONIC
(/pagina 219)
Overzicht toetsen in het stuurwiel
1¤Terug-/home-toets (lang indrukken)
boordcomputer
2Touch-Control boordcomputer
3Bedieningsgroep limiter of actieve afstands‐
assistent DISTRONIC
4Bedieningsgroep MBUX multimediasysteem:
£LINGUATRONIC
ßFavorieten weergeven
Instrumenten-display en boordcomputer 273
VOL: Draaiknop volume instellen of geluid
uitschakelen 8(indrukken)
6Gesprek voeren/aannemen
~Oproep weigeren/beëindigen
5òHomescreen oproepen
6Touch-Control multimediasysteem
7%Terugtoets
Boordcomputer bedienen
&WAARSCHUWING Gevaar voor afleiding
door informatiesystemen en communica‐
tieapparatuur
Als u tijdens het rijden in de auto geïnte‐
greerde informatiesystemen en communica‐
tieapparatuur bedient, kunt u van de ver‐
keerssituatie worden afgeleid. Bovendien
kunt u de controle over de auto verliezen.
#Deze apparatuur alleen bedienen als de
verkeerssituatie dit toelaat.
#Als dit niet kanworden gewaarborgd,
op een veilige plek stoppen en de invoe‐
ring als de auto stilstaat uitvoeren.
Bij het bedienen van de boordcomputer de wet‐
telijke bepalingen in acht nemen van het land
waarin u zich bevindt.
%De weergavenvan de boordcomputer ver‐
schijnen op het multifunctioneel display
(/pagina 277).
De boordcomputer wordt via de Touch-Control
links 2en de terug-/home-toets links 1
bediend.
Bij de bediening van de boordcomputer klinken
verschillende geluidssignalen als bevestiging van
een bediening, bijvoorbeeld wanneer het einde
van een lijst wordt bereikt of als door een lijst
wordtgescrold.
274 Instrumenten-display en boordcomputer
De volgende menu's zijn beschikbaar:
RService
RAssistentie
RReis
RRadio
RMedia
RTelefoon
RHUD
De menu's kunnen via de menulijst op het multi‐
functioneel display worden opgeroepen.
#De menulijst oproepen: De terugtoets links
1indrukken tot de menulijst wordtweerge‐
geven.
%Met de toetsòkunt u de menulijst van
de boordcomputer oproepen.
#In de menulijst bladeren: Een veegbewe‐
ging op de Touch-Control links 2naar links
of rechts maken.
#Een menu oproepen of een selectie
bevestigen: Op de Touch-Control links 2
drukken.
#Door weergaven of lijsten in het menu
wisselen: Een veegbeweging op de Touch-
Control links 2omhoog of omlaag maken.
#Een submenu oproepen of een selectie
bevestigen: Op de Touch-Control links 2
drukken.
#Een submenu verlaten: De terugtoets links
1indrukken.
Menuweergave op volledig scherm
Auto's met instrumentendisplay in de wide‐
screen cockpit: De volgende menu's kunnen op
het volledige instrumentendisplay worden weer‐
gegeven:
RAssistentie
RReis
#In het betreffende menu met de Touch-Con‐
trol links 2naar het einde van de lijst blade‐
ren.
#Op de Touch-Control links 2drukken.
Het geselecteerde menu wordt op het volle‐
dige display weergegeven.
Instrumenten-display en boordcomputer 275
Functie van de weergave beschikbaar ver‐
mogen
Rechter deel van het display
Het gebied 1-2toont het aandrijfvermogen.
Het gedeelte 3-4toont het teruggewonnen
vermogen.
Vanaf punt 4is het maximale teruggewonnen
vermogen bereikt. In deze gevallen wordt de
gewenste vertraging ingesteld via het remregel‐
systeem. Remt u indien nodig tevens met de
bedrijfsrem.
Linker deel van het display
De weergave 1toont het maximaal beschik‐
bare vermogen van het aandrijfsysteem.
Onder normale gebruiksomstandigheden bevindt
de weergave 1zich in het maximumgebied.
Het beschikbare vermogen kanvan het maxi‐
mumgebied afwijken, bij:
Rzeer hoge of lage buitentemperaturen
Rzeer hoge vermogensvraag gedurende een
langere tijd
Rzeer lage laadtoestand van de hoogspan‐
ningsaccu
Reen storing in het aandrijfsysteem
In het onderste segment 2worden de actuele
laadtoestand van de hoogspanningsaccu en de
actieradius weergegeven.
Gebied met meerdere weergaven instellen
Vermogensweergave (voorbeeld)
1Gebied met meerdere weergaven
2Indexpunten
#Display-inhoud selecteren: Maak links op
de touch-control een veegbeweging naar
rechts.
276 Instrumenten-display en boordcomputer
#Met een veegbeweging omhoog of omlaag
links op de touch-control de display-inhoud
selecteren.
Bij het selecteren van de display-inhoud
wordt het gebied met meerdere weergaven
1kortstondig geaccentueerd.
De indexpunten 2geven het geselecteerde
punt in de lijst aan.
De volgende informatie kunt u latenweergeven:
RActieradius
RECO-aanduiding
Overzicht van de weergaven op het multi‐
functioneel display
1Buitentemperatuur
2Tijd
3Weergaveveld
4Transmissiestand
5Rijprogramma
Verdere weergaven op het multifunctioneel dis‐
play:
ëActieve parkeerassistent (/pagina 250)
éPARKTRONIC-parkeerassistent uitgescha‐
keld (/pagina 239)
hTEMPOMAT (/pagina 215)
ÈLimiter (/pagina 216)
çActieve afstandsassistent DISTRONIC
(/pagina 219)
êActive Brake Assist System
(/pagina 214)
àActieve stuurassistent (/pagina 226)
ÃActieve spoorassistent (/pagina 263)
±Actieve rijstrookwisselassistent
(/pagina 228)
õRijbereidheid aandrijfsysteem
(/pagina 169)
°Haptisch gaspedaal (/pagina 175)
òSoundgenerator werkt niet
(/pagina 583)
ëHOLD-functie (/pagina 233)
Instrumenten-display en boordcomputer 277
_Adaptieve grootlichtassistent Plus
(/pagina 143)
ðMaximaal toegestane snelheid overschre‐
den (alleen voor bepaalde landen)
Auto's met snelheidslimietassistent: Her‐
kende aanwijzingen en verkeerstekens
(/pagina 256).
Auto's met verkeerstekenassistent: Herkende
aanwijzingen en verkeerstekens (/pagina 258).
Dashboardverlichting instellen
#De lichtsterkteregelaar 1omhoog- of
omlaagdraaien.
De verlichting in het instrumentendisplay en
in de bedieningselementen in het interieur
wordt ingesteld.
Menu's en submenu's
Functies in het menu Service van de boord‐
computer oproepen
Boordcomputer:
4Service
#Functie selecteren: Op de touch-control
links een veegbeweging naar boven of bene‐
den maken.
#Op de touch-control links drukken.
Functies van het menu Service:
RMeldingengeheugen (/pagina 546)
RBanden:
-Bandenspanning met bandenspannings‐
controle controleren (/pagina 518)
-Bandenspanningscontrole opnieuw star‐
ten (/pagina 518)
RASSYST PLUS: Onderhoudstermijn oproepen
(/pagina 480)
278 Instrumenten-display en boordcomputer
Weergaven in het menu Assistentie oproe‐
pen
Boordcomputer:
4Assistentie
De volgende weergaven zijn in het menu Assis‐
tentie beschikbaar:
RAssistentieweergave
RAttention Level (/pagina 254)
#Tussen de weergaven wisselen: Op de
Touch-Control links een veegbeweging naar
boven of beneden maken.
Statusindicatie in de assistentieweergave:
RÛATTENTION ASSIST uitgeschakeld
RRijstrookmarkeringen licht: Actieve spooras‐
sistent ingeschakeld
RRijstrookmarkeringen groen: Actieve spoo‐
rassistent actief
R¸Grijze radargolven naast auto: Dode‐
hoekassistent of actieve dodehoekassistent
ingeschakeld
R¸Groene radargolven naast auto: Dode‐
hoekassistent of actieve dodehoekassistent
actief
RWeergavenvan de actieve afstandsassistent
DISTRONIC (/pagina 219)
RWeergavenvan de actieverijstrookwisselas‐
sistent (/pagina 228)
Weergaven in het menu Reis oproepen
Boordcomputer:
4Reis
Standaardweergave (voorbeeld)
1Dagteller
2Kilometertotaalstand
Instrumenten-display en boordcomputer 279
Tripcomputer (voorbeeld)
1Kilometertotaalstand
2Reistijd
3Gemiddelde snelheid
4Gemiddeld elektrisch verbruik
%Ukunt de reisinformatie in het linker
gedeelte van het instrumentendisplay laten
weergeven.
#Weergave selecteren: Op de touch-control
links een veegbeweging naar boven of bene‐
den maken.
Weergaven in het menu Reis:
RStandaardweergave
RActieradius
RECO-aanduiding (/pagina 173)
RTripcomputer Na vertrek en Na reset
RDigitale snelheidsmeter
Informatie over de actieradius
RDe werkelijke actieradius kanvan de weerge
geven actieradius afwijken. Bij de berekening
van de actieradius wordtrekening gehouden
met de rijstijl in het verleden.
RFactoren zoals de buitentemperatuur of kli‐
maatregelingsinstellingen zijn rechtstreeks
van invloed op de haalbare actieradius.
RBij actieve navigatie of een actieve woon-
werk route kanextra informatie over de
komende route bij de berekening van de
actieradius worden meegenomen.
Elektrisch verbruik
RBij de verbruikswaarden Na vertrek en Na
reset wordtrekening gehouden met alle
actieve verbruikers bij rijbereidheid van het
aandrijfsysteem õ.
Waarden in het menu Reis van de boordcom‐
puter terugzetten
Boordcomputer:
4Reis
De waarden van de volgende functies kunnen
worden teruggezet:
RDagteller
RTripcomputer Na vertrek en Na reset
RECO-aanduiding (/pagina 173)
#De functie die moet worden teruggezet,
selecteren: Op de touch-control links een
veegbeweging naar boven of beneden
maken.
#Op de touch-control links drukken.
#Ja selecteren.
#Op de touch-control links drukken.
Wanneer langer op de touch-control links wordt
gedrukt, worden de waardes van de functie
direct teruggezet.
280 Instrumenten-display en boordcomputer
Navigatie-aanwijzingen in de boordcomputer
oproepen
Boordcomputer:
4Navigatie
Geen rij-aanwijzing aangekondigd (voor‐
beeld)
1Afstand tot volgende rij-aanwijzing
2Afstand tot de volgende bestemming
3Geschatte aankomsttijd op de eerstvolgende
bestemming
4Straat waarin wordtgereden
Rij-aanwijzing aangekondigd (voorbeeld)
1Afstand tot de rij-aanwijzing
2Straat waarin de rij-aanwijzing u stuurt
3Symbool rij-aanwijzing
4Aanbevolen rijstrook (wit)
5Mogelijke rijstrook
6Niet aanbevolen rijstrook (donkergrijs)
Mogelijke verdere weergaven in het menu Navi-
gatie:
RRijrichting:Weergave van de rijrichting en de
straat waarin momenteel wordtgereden.
RNieuwe route... of Route wordt berekend...:
Een nieuwe route wordt berekend.
RStraat niet opgenomen: De weg is niet
bekend, bijvoorbeeld bij een nieuw aange‐
legde weg.
RGeen route: Er kangeen route naar de geko
zen bestemming worden berekend.
RGeen kaart: De kaart voor de actuele positie
is niet beschikbaar.
RDoelgebied bereikt: U hebt de bestemming
bereikt.
RO: U heeft de bestemming of een tussenbe‐
stemming bereikt.
#Menu verlaten: De terugtoets links indruk‐
ken.
Auto's met MBUX multimediasysteem: In het
menu Navigatie kan ook de navigatie naar een
van de laatste bestemmingen worden gestart:
#Op de touch-control links drukken.
#Een bestemming selecteren: Op de touch-
control links een veegbeweging naar boven
of beneden maken.
#Op de touch-control links drukken.
De bestemmingsgeleiding wordtgestart.
Instrumenten-display en boordcomputer 281
Als vooraf al een routebegeleiding actief was,
wordt er gevraagd of de actuele routebegelei‐
ding moet worden beëindigd.
#Ja selecteren.
#Op de touch-control links drukken.
De bestemmingsgeleiding wordtgestart.
Radiozender met de boordcomputer selecte‐
ren
Boordcomputer:
4Radio
1Geheugenplaats
2Zendernaam
3Naam van de titel
4Naam van de artiest
Wanneer een zender in het zendergeheugen is
geselecteerd, verschijnt naast de zendernaam de
geheugenplaats. Wanneer een opgeslagen zen‐
der in het frequentiebereik is geselecteerd, ver‐
schijnt naast de zendernaam een ster.
#Een radiozender selecteren: Op de touch-
control links een veegbeweging naar boven
of beneden maken.
Het frequentiebereik of zendergeheugen
selecteren
#Op de touch-control links drukken.
#Het frequentiebereik/zendergeheugen
selecteren: Op de touch-control links een
veegbeweging naar boven of beneden
maken.
#Op de touch-control links drukken.
282 Instrumenten-display en boordcomputer
Mediaweergave met de boordcomputer
bedienen
Boordcomputer:
4Media
1Mediabron
2Titelnummer en actuele titel
3Naam van de artiest
4Naam van het album
#Naar de titel in een actieve mediabron
gaan: Op de touch-control links een veegbe‐
weging naar boven of beneden maken.
%Bij de mediabron TV kunt u op deze manier
een zender selecteren.
Een mediabron wisselen
#Op de touch-control links drukken.
#Een mediabron selecteren:cOp de touch-
control links een veegbeweging naar boven
of beneden maken.
#Op de touch-control links drukken.
Telefoonnummer met de boordcomputer
selecteren
&WAARSCHUWING Gevaar voor afleiding
door informatiesystemen en communica‐
tieapparatuur
Als u tijdens het rijden in de auto geïnte‐
greerde informatiesystemen en communica‐
tieapparatuur bedient, kunt u van de ver‐
keerssituatie worden afgeleid. Bovendien
kunt u de controle over de auto verliezen.
#Deze apparatuur alleen bedienen als de
verkeerssituatie dit toelaat.
#Als dit niet kanworden gewaarborgd,
op een veilige plek stoppen en de invoe‐
ring als de auto stilstaat uitvoeren.
Bij het telefoneren de wettelijke bepalingen in
acht nemen van het land waarin u zich bevindt.
Voorwaarden
RDe mobiele telefoon is met het multimedia‐
systeem verbonden.
Boordcomputer:
4Telefoon
#Een instelling selecteren: Op de touch-con‐
trol links een veegbeweging naar boven of
beneden maken.
#Op de touch-control links drukken.
Als voor de record slechts een telefoon‐
nummer opgeslagen is: Het telefoonnum‐
mer wordtgeselecteerd.
#Als voor een record meerdere telefoon‐
nummers opgeslagen zijn: Op de touch-
control links een veegbeweging naar boven
of beneden maken en het gewenste telefoon‐
nummer selecteren.
Instrumenten-display en boordcomputer 283
#Op de touch-control links drukken.
Het telefoonnummer wordtgeselecteerd.
In plaats van het geselecteerde telefoonnummer
kunnen de volgende weergavenverschijnen:
RWachten a.u.b...: De applicatie start op. Als
geen Bluetooth®verbinding met de mobiele
telefoon tot stand kanworden gebracht, ver‐
schijnt op het multimediasysteem het menu
voor het autoriseren en verbinden van een
mobiele telefoon (/pagina 412).
RGegevens worden bijgewerkt...: De oproep‐
lijst wordtgeactualiseerd.
RContacten worden geïmporteerd...: De con‐
tacten van de mobiele telefoon of van een
opslagmedium worden geïmporteerd.
Een gesprek aannemen/weigeren
Auto's met head-up-display: Wanneer u wordt
opgebeld, toont het head-up-display een melding
Binnenkomend gesprek an.
#Op de touch-control links een veegbeweging
naar boven of beneden maken en 6(aan‐
nemen) of ~(weigeren).
#Op de touch-control links drukken.
Ukunt het gesprek ook met de toetsen 6of
~in het stuurwiel aannemen of weigeren.
Head-up-display-instellingen in de boordcom‐
puter instellen
Boordcomputer:
4HUD
1Actueel geselecteerde instelling
2Digitale snelheidsmeter
3Verkeerstekenassistent
4Navigatieweergaven
De volgende instellingen van het head-up-display
kunnen worden ingesteld:
RPositie
RHelderheid
RWeerg.-inhoud
#Een instelling selecteren: Op de Touch-
Control links een veegbeweging naar boven
of beneden maken.
#Op de Touch-Control links drukken.
#Een waarde instellen: Op de Touch-Control
links een veegbeweging naar boven of bene‐
den maken.
#Op de Touch-Control links drukken.
Head-up-display
Werking van het head-up-display
Het head-up-display projecteert in het blikveld
van de bestuurder:
RInformatie van het navigatiesysteem
RInformatie van de bestuurdersassistentiesys‐
temen
284 Instrumenten-display en boordcomputer
REnkele waarschuwingsmeldingen
Weergave-inhoud
1Navigatie-aanwijzingen
2Actueel gereden snelheid
3Herkende aanwijzingen en verkeerstekens
4Ingestelde snelheid in het bestuurdersassis‐
tentiesysteem (bijvoorbeeld actieve
afstandsassistent DISTRONIC)
Wanneer u wordt opgebeld, toont het head-up-
display een melding 6Binnenk. gesprek.
In de audiofunctie worden bij actieve bediening
van de audiobron tijdelijk zendernamen of titels
weergegeven.
Systeemgrenzen
De zichtbaarheid wordt door de volgende
omstandigheden beïnvloed:
RZitpositie
RInstelling van de beeldpositie
RLichtverhoudingen
RNatwegdek
RVoorwerpen op de displayafdekking
RPolarisatie in zonnebrillen
%Bij extreme zonnestraling kunnen delen van
het display zonder kleur (bleek) worden
weergegeven. Dit kanworden hersteld door
het head-up-display uit en weer in te schake‐
len.
Head-up-display in- en uitschakelen
Multimediasysteem:
4©5Instellingen 5Snelle toegang
#HUD selecteren.
Het head-up-display wordt ingeschakeld.
Instrumenten-display en boordcomputer 285
Aanwijzingen voor de bedrijfsveiligheid
&WAARSCHUWING Gevaar voor afleiding
door informatiesystemen en communica‐
tieapparatuur
Als u tijdens het rijden in de auto geïnte‐
greerde informatiesystemen en communica‐
tieapparatuur bedient, kunt u van de ver‐
keerssituatie worden afgeleid. Bovendien
kunt u de controle over de auto verliezen.
#Deze apparatuur alleen bedienen als de
verkeerssituatie dit toelaat.
#Als dit niet kanworden gewaarborgd,
op een veilige plek stoppen en de invoe‐
ring als de auto stilstaat uitvoeren.
&WAARSCHUWING Gevaar voor ongeval‐
len door het bedienen van mobiele com‐
municatieapparatuur tijdens het rijden
Mobiele communicatieapparatuur leidt de
bestuurder af van de verkeerssituatie. Boven‐
dien kan de bestuurder de controle over de
auto verliezen.
#Als bestuurder mobiele communicatie‐
apparatuur alleen bedienen wanneer de
auto stilstaat.
#Als inzittende mobiele communicatieap‐
paratuur alleen in het daarvoor
bedoelde gebied gebruiken, bijvoor‐
beeld achterin.
&WAARSCHUWING Gevaar voor letsel
door ongeschikt opbergen vanvoorwer‐
pen
Als voorwerpen op ongeschikte wijze in het
interieur worden opgeborgen, kunnen ze ver‐
schuiven of rondvliegen en daardoor inzitten‐
den raken. Bovendien kunnen bekerhouders,
geopende opbergvakken en mobiele-tele‐
foonhouders bij een ongeval de daarin aan‐
wezige voorwerpen niet altijd tegenhouden.
Er bestaat gevaar voor letsel, in het bijzonder
bij remmanoeuvres of plotselinge richtings‐
wijzigingen!
#Voorwerpen altijd zodanig opbergen,
dat ze in deze of vergelijkbare situaties
niet kunnen rondvliegen.
#Altijd waarborgen dat voorwerpen niet
uit opbergvakken, bagagenetten of
opbergnetten steken.
#De afsluitbare opbergvakken voor aan‐
vang van de rit sluiten.
#Zware, harde, scherpe, breekbare of te
grotevoorwerpen altijd in de bagage‐
ruimte opbergen en beveiligen.
Voor uw eigen veiligheid beslist de volgende pun‐
ten in acht nemen bij de bediening van mobiele
communicatieapparatuur en met name van uw
spraakgestuurd bedieningssysteem:
RDe wettelijke bepalingen van het land waar u
zich op dat moment bevindt in acht nemen.
RDe mobiele communicatieapparatuur en uw
spraakgestuurd bedieningssysteem alleen tij‐
dens het rijden bedienen als de verkeerssi‐
tuatie dit toelaat. U kunt anders van het ver‐
keer worden afgeleid en een ongeval veroor‐
zaken en uzelf en anderen verwonden.
286 LINGUATRONIC
RAls u het spraakgestuurd bedieningssysteem
in een noodsituatie gebruikt, kan uw stem
veranderen en daardoor uw telefoongesprek,
bijvoorbeeld voor een noodoproep, vertra‐
gen.
RMaakt u zich voor het begin van de rit eerst
vertrouwd met de functies van het spraakge‐
stuurd bedieningssysteem.
RDe beladingsrichtlijnen in acht nemen
(/pagina 117).
Bediening
Overzicht bediening met het multifunctio‐
neel stuurwiel
De LINGUATRONIC is circa een halve minuut na
het inschakelen van het contact bedrijfsgereed. 1De tuimelschakelaar omhoogdrukken: £
Gesproken dialoog starten
2De draaiknop indrukken: 8Geluid uit-/
inschakelen (gesproken dialoog beëindigen)
De draaiknop omhoog-/omlaagdraaien:
Volume verhogen/verlagen
3De tuimelschakelaar omlaagdrukken: ~
Gesprek weigeren/beëindigen (gesproken
dialoog beëindigen)
Gesprekvoeren
Voor de dialoog met de LINGUATRONIC kunnen
volledige zinnen uit de spreektaal als gesproken
opdrachten worden gebruikt, bijvoorbeeld "Laat
me de lijst met de laatste gesprekken zien" of
"Hoe warm is het buiten". Het is niet nodig om
eerst naar de betreffende toepassing zoals "tele‐
foon" of "voertuigfuncties" te wisselen.
#Dialoog door sleutelwoord activeren of
voortzetten: "Hallo Mercedes" zeggen, om
de LINGUATRONIC te activeren. De spraakac‐
tivering moet in het multimediasysteem inge‐
schakeld zijn (/pagina 289). Hiervoor is het
niet nodig om de tuimelschakelaar £in
het multifunctioneel stuurwiel omhoog te
drukken.
De spraakactivering kan ook direct met een
gesproken opdracht, bijvoorbeeld "Hallo
Mercedes, hoe snel mag ik hier rijden?", wor‐
den gecombineerd.
of
LINGUATRONIC 287
#De tuimelschakelaar £in het multifunc‐
tioneel stuurwiel omhoogdrukken.
Een gesproken opdracht kan na een geluids‐
signaal worden gesproken.
#Invoer corrigeren: De gesproken opdracht
"Correctie" uitspreken.
#Record in de keuzelijst selecteren: Een
regelnummer of de inhoud uitspreken.
#In de keuzelijst bladeren: De gesproken
opdrachten "Volgende pagina" of "Vorige
pagina" uitspreken.
#Dialoog onderbreken: De gesproken
opdracht "Pauze" uitspreken.
Met de gesproken opdracht "Hallo
Mercedes" of door het naar boven indrukken
van de tuimelschakelaar £in het multi‐
functioneel stuurwiel kan de dialoog worden
voortgezet.
#Naar de vorige dialoog springen: De
gesproken opdracht "Terug" uitspreken.
#Naar het bovenste dialoogniveau terug‐
springen: De gesproken opdracht "Home"
uitspreken.
#Dialoog afbreken: De gesproken opdracht
"Sluiten" uitspreken of de toets8of ~
in het multifunctioneel stuurwiel indrukken.
#Interrumperen tijdens een gesproken aan‐
wijzingen: Tijdens een spraakdialoog al
beginnen te spreken terwijl het systeem nog
antwoordt.
De gesproken aanwijzingen worden verkort
en de bestemming wordt sneller bereikt.
%Hiertoe moet de optie Spreken tijdens
gesproken weergave in het multimediasys‐
teem ingeschakeld zijn (/pagina 289).
Overzicht van de bedienbare functies van de
LINGUATRONIC
Met het spraakgestuurd bedieningssysteem
LINGUATRONIC kunt u afhankelijkvan de uitrus‐
ting van de auto de volgende functies bedienen:
RTelefoon
RSms en e-mail
RNavigatie
RAdresboek
RRadio
RMedia
RTv
RVoertuigfuncties
RWeer
Volledige functionaliteit is alleen beschikbaar als
de online-spraakbediening is geactiveerd
(/pagina 289).
Informatie over de ingestelde taal
Ukunt de taal van de LINGUATRONIC wijzigen,
door de systeemtaal te wijzigen. Als de LINGUA‐
TRONIC de ingestelde systeemtaal niet onder‐
steund, wordt Engels geselecteerd.
De LINGUATRONIC stelt de volgende talen
beschikbaar:
RDuits
REngels
RFrans
RItaliaans
RNederlands
288 LINGUATRONIC
RPools
RPortugees
RRussisch
RZweeds
RSpaans
RTsjechisch
RTurks
LINGUATRONIC instellen (multimediasys‐
teem)
Voorwaarden
RVoor de online-spraakbediening: De auto
is aan uw Mercedes me gebruikersaccount
gekoppeld (/pagina 438).
REr is een internetverbinding aanwezig
(/pagina 446).
RVoor het online-gebruik van contacten: De
online-spraakbediening is geactiveerd.
Multimediasysteem:
4©5Instellingen 5Systeem
5LINGUATRONIC
Spraakactivering van de LINGUATRONIC in-
en uitschakelen
#Spraakactivering "Hallo Mercedes" selecte‐
ren.
De functie wordt afhankelijkvan de voor‐
gaande toestand in- of uitgeschakeld.
Als de functie actief is, kan door de gespro‐
ken opdracht "Hallo Mercedes" de dialoog‐
voering worden geactiveerd.
Spraakonderbreking inschakelen
#Spreken tijdens gesproken weergave selec‐
teren.
Als de functie actief is, kan tijdens een
gesproken aanwijzing van het systeem een
commando worden uitgesproken.
Online-spraakbediening in- en uitschakelen
#Online-spraakbediening inschakelen.
%De online-spraakbediening is af fabriek inge‐
schakeld.
#Online-spraakbediening-abo selecteren.
Uwordt naar de Mercedes me-Portal doorge‐
stuurd.
#De online-spraakbediening in de Mercedes
me-Portal activeren.
Contacten voor online-gebruik activeren
#Contacten voor online-gebruik selecteren.
Als de functie actief is, worden contacten
beter en gemakkelijker via de spraakinvoer
gevonden. Ook wordt de kwaliteit van de uit‐
spraak van namen van contacten door het
systeem verbeterd.
De LINGUATRONIC effectief gebruiken
Werking akoestische hulpfuncties van de
LINGUATRONIC
Via de betreffende gesproken opdrachten krijgt
u in de volgende gevallen informatie en hulp:
ROptimale bediening: De gesproken
opdracht "Inleiding spraakbediening" uitspre‐
ken of door het oproepen van de digitale
handleiding met bijvoorbeeld "Open de hand-
LINGUATRONIC 289
leiding van de LINGUATRONIC". Als de auto
stilstaat is de digitale handleiding volledig
beschikbaar. Hier vindt u ook verklarende
video's, waarop de functies van de LINGUA
TRONIC worden uitgelegd.
RActuele applicatie: De tuimelschakelaar
£in het multifunctioneel stuurwiel
omhoogdrukken en de gesproken opdracht
"Hulp" uitspreken. U ontvangt suggesties en
informatie over de bediening van de LINGUA
TRONIC voor de actuele applicatie.
RVerder dialoogverloop: De gesproken
opdracht "Hulp" uitspreken tijdens een
spraakdialoog. U ontvangt informatie die aan
elke dialoogstap is aangepast.
RBepaalde functie: De gesproken opdracht
voor de gewenste functie oproepen, bijvoor‐
beeld met "Hallo Mercedes, ik heb hulp nodig
bij het onderwerp radio" of na het omhoog‐
drukken van de tuimelschakelaar £in het
multifunctioneel stuurwiel bijvoorbeeld de
gesproken opdracht "Hulp over de telefoon"
uitspreken.
Aanwijzingen met betrekking tot optimaal
gebruik van de LINGUATRONIC
Aanwijzingen om de herkenning te verbeteren:
ROnline-spraakbediening activeren
(/pagina 289).
RDe LINGUATRONIC alleen vanaf de bestuur‐
dersstoel bedienen.
RDe gesproken opdrachten samenhangend en
duidelijk uitspreken, maar zonder te overdrij‐
ven.
RBij het invoeren van de gesproken opdrach‐
ten luide geluiden vermijden, bijvoorbeeld
door gesprekken van inzittenden achterin.
RVoor telefoon- of adresboekrecords:
-Alleen zinvolle adresboekrecords in het
systeem/de mobiele telefoon aanmaken,
bijvoorbeeld naam en voornaam in het
juiste veld.
-Geen afkortingen, onnodige spaties en
speciale tekens gebruiken.
RBij radio- of tv-zendernamen: De gesproken
opdracht "Zenderlijst voorlezen" uitspreken,
en de gewenste zendernaam uitspreken zoals
de gesproken aanwijzing deze voorleest.
%Terverbetering van de herkenning wordt bij
het startenvan de LINGUATRONIC de aanja‐
gervan de ventilatie en de verwarming,
afhankelijk van de buitentemperatuur, in een
lagere stand gezet.
Informatie over de online-spraakbediening
De online-spraakbediening maakt een betere
herkenning mogelijk en stelt dankzij externe
informatie aanvullende resultaten beschikbaar,
bijvoorbeeld informatie over speciale bestem‐
mingen en het weer. Daarom adviseren wij om
de online-spraakbediening te activeren.
Hiertoe moet u over een Mercedes me gebrui‐
kersaccount beschikken. Als u nog geen gebrui‐
kersaccount hebt, moet u dit aanmaken en aan
uw auto koppelen (/pagina 438).
Roep dan uw gebruikersaccount van Mercedes
me op. De dienstenvan Mercedes me worden
weergegeven en kunnen worden geactiveerd
(/pagina 438).
290 LINGUATRONIC
Bovendien moet de online-spraakbediening inge‐
schakeld zijn (/pagina 289).
Duidelijke gesproken opdrachten
Aanwijzingen met betrekking totgesproken
opdrachten
Naast de exacte gesproken opdrachten (zie de
kolom "gesproken opdracht" in de volgende
tabellen) voor het oproepen van een bepaalde
functie verstaat de LINGUATRONIC u in de
meeste gevallen eveneens als u uw spreektaal
gebruikt. Hiertoe zijn in de kolom "Voorbeelden
in spreektaal" een aantal voorbeelden aangege‐
ven. Voor sommige talen zijn deze voorbeelden
echter slechts beperkt aanwezig.
%Inhoud tussen vierkante haken, bijvoorbeeld
<POI> of <contact>, betreft tijdelijke aandui‐
dingenwaar u de gewenste term dient in te
vullen. De gesproken opdracht: "Stel <speci-
ale bestemming> in als tussenbestemming"
zou bijvoorbeeld zo kunnen worden ingevuld:
"Stel Amsterdam ArenA in als tussenbestem-
ming".
Overzicht gesproken omschakelopdrachten
Gesproken omschakelopdrachten kunnen voor
het openen van bepaalde applicaties worden
gebruikt.
Gesproken omschakelopdrachten
Gesproken opdracht Voorbeelden in spreektaalFunctie
Wissel naar de navigatie Open de navigatie Naar de navigatie omschakelen
Schakel naar het adresboek om Roep het adresboek op Naar het adresboek gaan
Ga naar telefoon Laat me de telefoon zien Naar de telefoon omschakelen
Ga naar sms Roep het sms-menu op Naar de sms-applicatie gaan
Schakel om naar e-mail Open het e-mail menu Naar de e-mail-applicatie omschakelen
Schakel naar de radio om Naar de radio gaan Naar de radio omschakelen
LINGUATRONIC 291
Gesproken opdracht Voorbeelden in spreektaalFunctie
Schakel naar de tv om Schakel het tv-toestel in Naar de tv omschakelen
Schakel om naar de mediaOpen de media Naar de media omschakelen
Schakel naar Comfort om Roep het comfortmenu op Naar de comfortinstellingen omschakelen
Ga naar infoToon me de autogegevens Naar de voertuiginfo omschakelen
Schakel naar instellingen om Open het instellingenmenu Naar het menu met de instellingsmogelijkheden omschakelen
%Het is niet nodig om eerst een menu op te
roepen om een daarin aanwezige functie met
de LINGUATRONIC te bedienen. U kunt de
functie rechtstreeks bedienen via spraakin‐
voer, bijvoorbeeld een contact bellen of een
bestemming invoeren voor de navigatie.
Meer informatie vindt u in de overzichtsta‐
bellen voor gesproken opdrachten.
Overzicht gesproken navigatie-opdrachten
Met de gesproken navigatie-opdrachten kunt u
speciale bestemmingen en normale adressen
invoeren of naar uw eigen contacten navigeren.
Ukunt ook belangrijke navigatie-instellingen
direct uitvoeren. De volgende lijst bevat slechts
een kleine selectie van de mogelijke gesproken
navigatie-opdrachten. Wanneer u "Hulp voor de
navigatie" uitspreekt, krijgt u meer voorstellen.
292 LINGUATRONIC
Gesproken navigatie-opdrachten
Gesproken opdracht Voorbeelden in spreektaalFunctie
Navigeer naar <adres> Breng me naar Stuttgart, naar de
Mercedesstraße 87
De routebegeleiding naar het gewenste adres starten.
Navigeer naar <contact> Rij/breng me naar het contacta-
dres van Jan Jansen
De routebegeleiding naar een contact uit het adresboek starten.
Navigeer naar <driewoordenadres> Het voorbeeld geldt voor de Duitse
taal:
Rijd naar Tapfer punt Gebäude
punt Verliehen
De routebegeleiding naar een driewoordenadres van what3words starten.
Het gesproken voorbeeld navigeert u naar de BrandenburgerTor.
De volgende informatie in acht nemen:
RDriewoordenadressen zijn taalafhankelijk.
RBestemming zoeken via het driewoordenadres invoeren is niet in alle
talen beschikbaar. Verdere informatie over driewoordenadressen van
what3words vindt u in het hoofdstuk Navigatie onder "Bestemming als
driewoordenadres invoeren“.
De BrandenburgerTor heeft bijvoorbeeld de volgende driewoordenadres‐
sen:
RDuits: tapfer.gebäude.verliehen
REngels: that.lands.winning
RFrans: posteaux.bobineur.ombrant
LINGUATRONIC 293
Gesproken opdracht Voorbeelden in spreektaalFunctie
Naar thuisadres rijden Navigeer naar huis/naar mijn
eigen adres
De routebegeleiding naar het thuisadres starten.
Navigeer naar het werk Breng mij naar kantoor De routebegeleiding naar het werk starten.
Speciale bestemming invoerenBreng mij naar een speciale
bestemming
Een speciale bestemming invoeren, bijvoorbeeld de Zaanse Schans.
Navigeer naar <POI> Start de routebegeleiding naar de
speciale bestemming Muiderslot
De routebegeleiding naar een speciale bestemming starten.
Navigeer naar de online speciale
bestemming <POI> Zoek naar de online speciale
bestemming Frans Hals Museum in
Haarlem
Op internet naar een speciale bestemming zoeken en de routebegeleiding
starten.
Routebegeleiding starten Routebegeleiding starten/naar de
bestemming rijden
De routebegeleiding naar een bestemming starten.
Routebegeleiding afbrekenIk wil de routebegeleiding stoppen De routebegeleiding afbreken.
Routebegeleiding opnieuw starten De routebegeleiding herstarten De routebegeleiding na een onderbreking voortzetten.
Stel <adres> in als tussenbestem-
ming Leg Admiraal de Ruijterweg 293,
Amsterdam vast als tussenbestem-
ming
Voor de route een tussenbestemming selecteren.
294 LINGUATRONIC
Gesproken opdracht Voorbeelden in spreektaalFunctie
Stel <contact> in als tussenbestem-
ming Voer mijn moeder in als nieuwe tus-
senstop
Voor de route een tussenbestemming uit de contacten selecteren.
Stel <speciale bestemming> in als
tussenbestemming Amsterdam ArenA als nieuwe tus-
senbestemming opslaan
Voor de route een speciale bestemming als tussenbestemming selecte‐
ren.
Adres in <land> invoerenRij me naar een adres in Frankrijk Een bestemming in een ander land selecteren.
Postcode invoeren Routebegeleiding naar een nieuwe
postcode starten
Een postcode invoeren.
Laatste bestemmingen De vorige bestemmingen aangeven Een bestemming uit de laatst ingevoerde bestemmingen kiezen.
Alternatieve routes weergeven Zoek alternatieve routes Een van de berekende route-alternatievenweergeven.
Rijaanwijzingen aanRij-aanwijzingen inschakelen De gesproken aanwijzingen voor de routebegeleiding inschakelen.
Rijaanwijzingen uit Schakel rijaanwijzingen stil De gesproken aanwijzingen voor de routebegeleiding uitschakelen.
Verkeerskaart weergeven De file weergeven De verkeersinformatie op de kaart weergeven.
Verkeerskaart verbergenDe filemeldingen uitschakelen De verkeersinformatie uitschakelen.
LINGUATRONIC 295
Gesproken opdracht Voorbeelden in spreektaalFunctie
Symbolen voor speciale bestem-
mingen weergeven Geef alle speciale bestemmingen
op de kaart weer
De symbolen voor speciale bestemmingen op de kaart weergeven.
Symbolen voor speciale bestem-
mingen verbergen Verwijder de speciale bestemmin-
gen op de kaart
De symbolen voor speciale bestemmingen verbergen.
Overzicht gesproken telefoonopdrachten
Met de gesproken telefoonopdrachten kunt u
telefoneren of het adresboek doorzoeken. De
volgende lijst bevat slechts een kleine selectie
van de mogelijke gesproken telefoonopdrachten. Wanneer u "Hulp voor de telefoon" uitspreekt,
krijgt u meer voorstellen.
Gesproken telefoonopdrachten
Gesproken opdracht Voorbeelden in spreektaalFunctie
Bel <telefoonnummer> Kies het nummer 0171xxxxxxx Direct bellen door het invoeren van het telefoonnummer.
Bel <contact>Telefoneer met Erica Jansen via de
mobiele telefoon
Direct bellen door het invoeren van een naam uit het adresboek.
Mercedes-Benz alarmcentrale bel-
len Bel de Mercedes-Benz alarmcen-
trale
Een noodoproep aan de Mercedes-Benz alarmcentrale wordtgeactiveerd.
Mercedes me bellen Waarschuw de Mercedes pechhulp De Mercedes-Benz pechhulp wordtgebeld.
296 LINGUATRONIC
Gesproken opdracht Voorbeelden in spreektaalFunctie
Gemiste oproepen Laat me de lijst met gemiste
gesprekken zien
De lijst met gemiste gesprekken wordtweergegeven.
Laatste oproepenAlle oproepen weergeven De lijst toont alle uitgaande, ontvangen en gemiste telefoongesprekken.
Ontvangen oproepen Toon de aangenomen gesprekken De lijst met ontvangen gesprekken wordtweergegeven.
Uitgaande gesprekken Laat me de lijst met uitgaande
gesprekken zien
De lijst met uitgaande gesprekken wordtweergegeven.
Zoek <contact> Open het contact van Peter Smit Opent de contactgegevens van een contact uit het adresboek.
Nummer herhalen Laatste nummer kiezen/bellen Naar het laatst gekozen telefoonnummer bellen.
Telefoon omschakelenDe andere telefoon activeren Van primaire telefoon omschakelen
Overzicht van de gesproken radio- en tv-
opdrachten
Gesproken radio- en tv-opdrachtenkunnen ook
worden gebruikt als de radio- of tv-functie op de
achtergrond actief is en op de voorgrond een
andere toepassing zichtbaar is. De volgende lijst
bevat slechts een kleine selectie van de moge‐
lijke gesproken opdrachten voor de radio of TV.
Wanneer u "Hulp voor radio" of "Hulp voor TV"
uitspreekt, krijgt u meer voorstellen.
LINGUATRONIC 297
Gesproken radio- en tv-opdrachten
Gesproken opdracht Voorbeelden in spreektaalFunctie
Radiozender <Zendernaam> Schakel om naar radiozender
Deutschlandfunk Kultur
Selecteren van de gesproken radiozender
Frequentie <frequentie> Ga naar de zender/ radiofrequen-
tie "zevenentachtig komma vijf
megahertz".
Radiofrequentie invoeren, bijvoorbeeld voor het FM-gebied
Volgende tv-zender Selecteer de volgende televisiezen-
der
De volgende tv-zender in een lijst wordt opgeroepen
Vorige radiozender Schakel de laatste radiozender in Naar de vorige radiozender omschakelen
Tv-zender opslaan Tv-zendernaam opslaan Actueel tv-zender in de favorietenlijst opslaan
Radiozender opslaan Radiozendernaam opslaan Opslaan van een zendernaam bij een radiozender
Radiozenderlijst weergeven Toon mij de radiozenderlijst Lijst van alle ontvangbare radiozenders weergeven
TV-zenderlijst voorlezen Lees de programmalijst voor Naam van alle ontvangbare tv-zenders beluisteren
Radiozenderlijst voorlezenRadioprogrammalijst beluisteren Voorlezen van de lijst met beschikbare zenders van de actueel gekozen
radiotoepassing
Verkeersinformatie aan Verkeersinformatie inschakelen Verkeersinformatie inschakelen
298 LINGUATRONIC
Gesproken opdracht Voorbeelden in spreektaalFunctie
Verkeersinformatie uit Verkeersinformatie stilschakelen Verkeersinformatie uitschakelen
Radio-informatie aan Schakel de extra radiozenderinfor-
matie in
Informatie over de actuele zender inschakelen
Radio-informatie uit De extra radioprogramma-informa-
tie uitdoen
Informatie over de actuele zender uitschakelen
Overzicht gesproken mediaspeler-opdrach‐
ten
Gesproken mediaspeler-opdrachten kunnen ook
worden gebruikt als de mediaspeler op de ach‐
tergrond actief is en op de voorgrond een andere
toepassing zichtbaar is. De volgende lijst bevat
slechts een kleine selectie van de mogelijke
gesproken opdrachten voor de mediaspeler.
Wanneer u "Hulp voor media" of "Hulp voor spe-
ler" uitspreekt, krijgt u meer voorstellen.
Gesproken mediaspeler-opdrachten
Gesproken opdracht Voorbeelden in spreektaalFunctie
<Titel/albums/artiesten/compo-
nisten/muziekstijlen> afspelen Speel "Yellow Submarine" Bij het zoeken worden de namen van alle beschikbare titels, albums,
artiesten, componisten of muziekstijlen geaccepteerd. Bij een ondubbel‐
zinnig zoekresultaat wordt de gevonden titel direct afgespeeld.
Titel <titel> spelenSpeel liedje "So What" De beschikbare titels worden afgespeeld.
LINGUATRONIC 299
Gesproken opdracht Voorbeelden in spreektaalFunctie
Album <album> afspelenUit het muziekalbum "Kind of Blue"
intro afspelen
De beschikbare albums worden afgespeeld.
Artiest <artiest> afspelen Iets van de band "Radiohead"
beluisteren
De beschikbare artiestenworden afgespeeld.
Componist <componist> afspelen Speel iets van de componist "Franz
Schubert" af
De beschikbare componistenworden afgespeeld.
Muziekstijl <muziekstijl> afspelen Iets van de muziekstijl "Bebob"
intro afspelen
De beschikbare muziekstijlen worden afgespeeld.
Titel <titel> zoeken Naar het lied "Madam George" zoe-
ken
Bij het zoeken worden de namen van alle beschikbare titels geaccepteerd.
Er verschijnt een keuzelijst, waaruit u de gewenste muziek kunt selecte‐
ren. Als u alle titels van een keuzelijst wilt afspelen, dan zegt u "Alle titels
afspelen".
Album <album> zoeken Vindt het muziekalbum "Astral
Weeks"
Bij het zoeken worden de namen van alle beschikbare albums geaccep‐
teerd. Er verschijnt een keuzelijst, waaruit u de gewenste muziek kunt
selecteren. Als u alle titels van een keuzelijst wilt afspelen, dan zegt u
"Alle titels afspelen".
300 LINGUATRONIC
Gesproken opdracht Voorbeelden in spreektaalFunctie
Artiest <artiest> zoeken Laat me de zangeres "Joni Mit-
chell" zien
Bij het zoeken worden de namen van alle beschikbare artiesten geaccep‐
teerd. Er verschijnt een keuzelijst, waaruit u de gewenste muziek kunt
selecteren. Als u alle titels van een keuzelijst wilt afspelen, dan zegt u
"Alle titels afspelen".
Componist <componist> zoeken Zoek de componiste "Vivienne
Olive"
Bij het zoeken worden de namen van alle beschikbare componisten geac‐
cepteerd. Er verschijnt een keuzelijst, waaruit u de gewenste muziek kunt
selecteren. Als u alle titels van een keuzelijst wilt afspelen, dan zegt u
"Alle titels afspelen".
Muziekstijl <muziekstijl> zoeken Naar het muziekgenre "Klassiek"
zoeken
Bij het zoeken worden de namen van alle beschikbare muziekstijlen geac‐
cepteerd. Er verschijnt een keuzelijst, waaruit u de gewenste muziek kunt
selecteren. Als u alle titels van een keuzelijst wilt afspelen, dan zegt u
"Alle titels afspelen".
Volgende titel Start volgende lied/videoclip/film De volgende titel afspelen.
Vorige titel Nog een keer de vorige song/titel/
clip afspelen
De vorige titel afspelen.
Deze titel herhalenDit muziekstuk opnieuw afspelen De actuele titel wordtvanaf het begin afgespeeld.
Speel vergelijkbare muziekSpeel vergelijkbare liederen Vergelijkbare muziektitels worden afgespeeld.
Speel willekeurige muziek Willekeurige titel afspelen Willekeurige muziektitels worden afgespeeld.
LINGUATRONIC 301
Gesproken opdracht Voorbeelden in spreektaalFunctie
Randomweergave aanSchakel de shuffle-modus in De random-weergave inschakelen.
Randomweergave uit Schakel shuffle-modus uit De random-weergave uitschakelen.
Wat hoor ik nu? Welke muziek wordt nu afgespeeld? De informatie over de actueel afgespeelde titel wordtvoorgelezen.
Overzicht gesproken berichtenopdrachten
Met de gesproken berichtenopdrachten kunnen
berichtenworden opgesteld, bewerkt en beluis‐
terd. De volgende lijst bevat slechts een kleine
selectie van de mogelijke gesproken berichten‐ opdrachten. Wanneer u "Hulp voor de radio" uit‐
spreekt, krijgt u meer voorstellen.
Gesproken berichten-opdrachten
Gesproken opdracht Voorbeelden in spreektaalFunctie
SMS aan <naam> Dicteer nieuw sms-bericht aan Jan
Jansen
Een sms-bericht opstellen. Alle namen van het adresboek zijn beschik‐
baar.
SMS aan <naam><tekst> Nieuw sms-bericht aan mevr. Erica
Jansen zakelijk opstellen: "Wan-
neer vindt de volgende meeting
plaats?"
Een sms-bericht aan de opgeroepen persoon schrijven. De tekstinhoud
kan direct worden gesproken als de online-spraakbediening is ingescha‐
keld.
Nieuwe SMS voorlezen Alle tekstberichten voorlezen De nieuwe sms voorlezen.
302 LINGUATRONIC
Gesproken opdracht Voorbeelden in spreektaalFunctie
Laatste SMS van <naam> voorlezen Laatste SMS van Erica Jansen privé
beluisteren
Het laatste sms-bericht van de opgeroepen persoon voorlezen.
E-mail aan <Name> Dicteer een nieuwe e-mail aan Tom
Mulder
Een e-mailbericht opstellen.
E-mail aan <naam><tekst> Nieuwe e-mail aan Tom: "Zie je van-
daag tijdens de lunch."
Een e-mailbericht aan de opgeroepen persoon schrijven. De tekstinhoud
kan direct worden gesproken als de online-spraakbediening is ingescha‐
keld.
E-mail doorsturen aan E-mail doorsturen naar De geselecteerde of geopende e-mail doorsturen.
Nieuwe e-mails voorlezen Lees de nieuwe e-mails voor De nieuwe e-mails voorlezen.
Laatste e-mail van <naam> voorle-
zen Lees de laatste e-mail van Peter
Snijder voor
De laatste e-mail van de opgeroepen persoon voorlezen.
E-mail in het Engels aan <naam> Schrijf een e-mail in het Engels aan
Frans Fonteyn
Een Engelstalige e-mail aan de opgeroepen persoon opstellen.
Overzicht gesproken auto-opdrachten
Met de gesproken auto-opdrachten kunt u direct
de overeenkomstige menu's voor de auto-instel‐
lingen oproepen en autofuncties bedienen. De
volgende lijst bevat slechts een kleine selectie
van de mogelijke gesproken auto-opdrachten.
Wanneer u "Hulp voor voertuiginstellingen" of
"Hulp voor voertuigfuncties" uitspreekt, krijgt u
meer voorstellen.
%Als bij stoel- of zijdegerelateerde opdrachten
geen stoel of zijde wordt genoemd, wordt de
actie automatisch uitgevoerd voor de
bestuurdersstoel.
LINGUATRONIC 303
Gesproken auto-opdrachten
Gesproken opdracht Voorbeelden in spreektaalFunctie
Temperatuur kouderAirconditioning een beetje kouder
zetten
De temperatuur van de airconditioning verlagen.
Recirculatie aan Schakel de recirculatie in De recirculatiefunctie van de airconditioning inschakelen.
Automatische temperatuurregeling
aan Activeer automatische airconditio-
ning passagierszijde
De automatische airconditioning aan de bestuurders- of passagierszijde
inschakelen.
Sfeerverlichting blauw Schakel de sfeerverlichting om
naar blauw
De sfeerverlichting omschakelen, bijvoorbeeld naar blauw.
Golvende massage bestuurder aan Schakel de golvende massage voor
de bestuurderszijde in
De golvende massage van de bestuurders- of passagiersstoel inschakelen.
Massage uit Massagefunctie bestuurdersstoel
uitschakelen
De massagefuncties van de bestuurders- of passagiersstoel uitschakelen.
Stoelverwarming bestuurder aan Schakel de stoelverwarming van
de bestuurdersstoel in
De stoelverwarming van de bestuurders- of passagiersstoel inschakelen.
Stoelverwarming op stand 2Stoelverwarming passagierszijde
naar de stand 2 verlagen/verhogen
De stoelverwarming van de bestuurders- of passagiersstoel op stand 2
zetten.
304 LINGUATRONIC
Gesproken opdracht Voorbeelden in spreektaalFunctie
Actuele snelheidslimietVertel mij de toegestane maximum-
snelheid
De actuele snelheidsbegrenzing oproepen.
Buitentemperatuur Hoe koud is het buiten? De buitentemperatuur oproepen.
Gemiddeld verbruik Wat is het actuele gemiddelde ver-
bruik?
Het gemiddeld verbruik oproepen.
Autogegevens Open de voertuiggegevens De voertuiggegevens oproepen.
Actieradius Actuele actieradius voorlezen De gegevens voor de actuele actieradius oproepen.
Vertrektijd instellen op <tijd> Stel de vertrektijd in op <tijd> uur De vertrektijd voor het opladen instellen.
Klimaatregeling vooraf aan Schakel de klimaatregeling vooraf
in
Klimaatregeling vooraf inschakelen.
AssistentiemenuToon mij de rijassistentie-instellin-
gen
De assistentie-instellingen weergeven.
Temperatuurregelingsmenu Spring naar het klimaatregelings-
menu
De klimaatregelingsinstellingen weergeven.
Lichtmenu Schakel om naar de lichtinstellin-
gen
De verlichtingsinstellingen weergeven.
LINGUATRONIC 305
Gesproken opdracht Voorbeelden in spreektaalFunctie
Stoelmenu Ga naar de stoelinstellingen De stoelinstellingen weergeven.
Massagemenu Naar de massage-instellingen gaan De massage-instellingen weergeven.
Volgende onderhoudstermijn Wanneer is de volgende onder-
houdsbeurt?
De volgende onderhoudstermijn oproepen.
Energiestroom Toon mij de energiestroom Energiestroom weergeven.
Laadinstellingen Ga naar de laadinstellingen Laadinstellingen weergeven.
306 LINGUATRONIC
Overzicht en bediening
Overzicht MBUX multimediasysteem
&WAARSCHUWING Gevaar voor afleiding
door informatiesystemen en communica‐
tieapparatuur
Als u tijdens het rijden in de auto geïnte‐
greerde informatiesystemen en communica‐
tieapparatuur bedient, kunt u van de ver‐
keerssituatie worden afgeleid. Bovendien
kunt u de controle over de auto verliezen.
#Deze apparatuur alleen bedienen als de
verkeerssituatie dit toelaat.
#Als dit niet kanworden gewaarborgd,
op een veilige plek stoppen en de invoe‐
ring als de auto stilstaat uitvoeren.
Bij het gebruik van het multimediasysteem de
wettelijke bepalingen in acht nemen van het land
waar u zich op dat moment bevindt.
1Touch-control en bedieningsgroep MBUX
multimediasysteem
MBUX staat voor Mercedes-Benz User Expe‐
rience.
Touch-control bedienen (/pagina 310)
2Mediadisplay met touch-functionaliteit
Overzicht homescreen (/pagina 309)
Touchscreen bedienen (/pagina 311)
3Bedieningspaneel met toetsen voor telefoon,
navigatie, radio/media, voertuigfuncties/
systeeminstellingen en favorieten/themawe‐
relden
Toepassingen oproepen (/pagina 320)
4Touchpad
Touchpad bedienen (/pagina 312)
5Draaiknop
Draaien: Volume instellen
Drukken: Geluid in- of uitschakelen
6ToetsÜ
MBUX multimediasysteem of mediadisplay
in- of uitschakelen
Het MBUX multimediasysteem wordt met de vol‐
gende bedieningselementen bediend:
RTouch-control1
RTouchpad 4
RMediadisplay (touchscreen) 2
%Als alternatief kunt u een spraakdialoog met
de LINGUATRONIC voeren (/pagina 287).
MBUX multimediasysteem 307
%Wanneer de auto met een gebarenbediening
is uitgerust, kunnen geselecteerde functies
van het multimediasysteem contactloos wor‐
den bediend en kan het leeslicht worden in-
of uitgeschakeld (/pagina 315).
Er zijn verschillende toepassingen, online-dien‐
sten, services en apps beschikbaar. Deze kunt u
via het homescreen of via de toetsen 3oproe‐
pen.
Uw favorieten kunt u comfortabel in het stuur‐
wiel via de tuimelschakelaar ßof in het
bedieningspaneel 3met de toetsßoproe‐
pen en toevoegen. Snelle toegangen in het
homescreen en in de toepassingen dienen voor
een snelle selectie van functies.
Indien u de leerfunctie van het multimediasys‐
teem gebruikt, worden tijdens het gebruik de
meest waarschijnlijke navigatiebestemmingen,
mediabronnen, radiozenders en contacten voor‐
gesteld. De configuratie van de adviezen vindt
plaats binnen uw profiel. Uw profiel bestaat uit
verschillende voertuiginstellingen en instellingen
van het multimediasysteem. Voor verschillende
rijsituaties kunt u themawerelden in het home‐
screen en via de tuimelschakelaar ßof de
toetsßaanmaken.
Het berichten-centerverzamelt binnenkomende
berichten, bijvoorbeeld over een beschikbare
software-update. Een bericht biedt afhankelijk
van het type verschillende acties aan. Het
berichten-centerkunt u in het homescreen en in
de menu's van de toepassingen oproepen.
Viaglobaal zoeken in de auto kunt u onboard in
een groot aantal categorieën en online op het
internet zoeken. Globaal zoeken kan in het
homescreen en in de berichtenworden gebruikt.
Diefstalbeveiliging
Dit apparaat is met technische maatregelen
tegen diefstal beveiligd. Meer informatie over de
diefstalbeveiliging is verkrijgbaar bij een gekwali‐
ficeerde werkplaats.
Aanwijzingen voor mediadisplay
De aanwijzingen met betrekking tot de verzor‐
ging van het interieur in acht nemen
(/pagina 493).
Automatischetemperatuuruitschakeling: Als
de temperatuur te hoog is, wordt eerst de hel‐
derheid automatisch gereduceerd. Vervolgens
kan het mediadisplay tijdelijk volledig worden
uitgeschakeld.
%Als u een gepolariseerde zonnebril draagt,
kan het display van het multimediasysteem
moeilijker of beperkt afleesbaar zijn.
308 MBUX multimediasysteem
Overzicht homescreen
1In het homescreen: de eerste drie toepassin‐
genweergeven
In andere weergaven: Homescreen oproepen
2Profielen oproepen
3Globaal zoeken oproepen
4De melding SOS NOT READY wordt alleen
weergegeven indien het Mercedes-Benz
noodoproepsysteem niet beschikbaar is
5Weergaven, bijvoorbeeld netwerkaanduiding,
accustatus van de verbonden mobiele tele‐
foon, veldsterkte van het mobiele-telefoon‐
net, tijd
6Berichten-center oproepen
De ster geeft nieuwe berichten aan.
7Toepassing via symbool oproepen
8Naam van de toepassing, daaronder actuele
selectie of actuele informatie
9Snelle toegang (in het voorbeeld: Bestem‐
mingsinvoer oproepen, bestemming voor
thuis invoeren)
AAantal toepassingen en actueel gekozen
weergavegedeelte
BKlimaatmenu oproepen (/pagina 156)
MBUX multimediasysteem 309
CADVIEZEN,THEMAWERELDEN en FAVORIE-
TEN oproepen
Overzicht centrale bedieningselementen
1Touch-Control
2Mediadisplay met touch-functionaliteit
3Touchpad
Touch-Control
Touch-control bedienen (MBUX multimedia‐
systeem)
1Toets©
Homescreen weergeven en toepassingen
oproepen
Adviezen, thema's en favorieten oproepen:
Wanneer het homescreen wordtweergege
ven, op de Touch-Control 2omlaagvegen.
2Touch-Control
3ToetsG
Kort indrukken: Terug naar laatste weergave
4Bedieningsgroep MBUX multimediasysteem:
Tuimelschakelaar ß
Kort omlaagdrukken: Favorieten oproepen
Lang omlaagdrukken: Favorieten en thema‐
werelden toevoegen
Draaiknop
Draaien: Volume instellen VOL
Drukken: Geluid uitschakelen 8
Tuimelschakelaar 6
Omhoogdrukken: Bellen of telefoongesprek
aannemen
Tuimelschakelaar ~
Omlaagdrukken: Telefoongesprek weigeren
of beëindigen
De navigatie in menu's en lijstengebeurt via het
aanrakingsgevoelige oppervlak van de Touch-
Control 2met een-vinger-veegbewegingen:
310 MBUX multimediasysteem
#Menupunt of invoer selecteren: Omhoog,
omlaag, naar links of naar rechts vegen.
#Op de Touch-Control 2drukken.
#Tekens invoeren: Een teken via het toetsen‐
bord invoeren.
#Digitale kaart verschuiven: In alle richtin‐
genvegen.
Gevoeligheid voor de Touch-Control instellen
Multimediasysteem:
4©5Instellingen 5Systeem
5Bedieningselem.
5Touch-Control-gevoeligheid
#Snel,Gemiddeld of Langzaam selecteren.
Akoestische bedieningsfeedback voor de
Touch-Control instellen
Multimediasysteem:
4©5Instellingen 5Systeem
5Bedieningselem.
De functie ondersteunt bij het maken van een
keuze in een lijst.
#Akoestische bedien.feedback selecteren.
#Normaal,Luid of Uit instellen.
Wanneer de functie is ingeschakeld, is bij het
scrollen in een lijst een klikgeluid te horen.
Wanneer het begin of einde van de lijst wordt
bereikt, is een ander klikgeluid te horen.
Touchscreen
Touchscreen bedienen
Aantippen
#Menupunt of item selecteren: Een symbool
of een item aantippen.
#Kaartschaal vergroten: Met een vinger kort
na elkaar tweemaal aantippen.
#Kaartschaal verkleinen: Met twee vingers
aantippen.
#Tekeninvoer via toetsenbord: Een toets
aantippen.
Een-vinger-veegbewegingen
#In menu's navigeren: Omhoog, omlaag,
naar links of naar rechts vegen.
#Digitale kaart verschuiven: In alle richtin‐
genvegen.
#Tekeninvoer via handschrift: Het teken met
een vinger op het touchscreen schrijven.
Twee-vinger-veegbewegingen
#Schaal van de kaart vergroten of verklei‐
nen: Twee vingers uit elkaar of naar elkaar
toe bewegen.
#Stuk van een website vergroten of ver‐
kleinen: Twee vingers uit elkaar of naar
elkaar toe bewegen.
#Kaart draaien: Twee vingers naar links of
rechts draaien.
Aanraken, vasthouden en slepen
#Kaart verschuiven: Het touchscreen aanra‐
ken en de vinger in een willekeurige richting
bewegen.
#Volume op een schaal instellen: Het touch‐
screen aanraken en de vinger naar links of
rechts bewegen.
MBUX multimediasysteem 311
Aanraken en vasthouden
#Bestemming op de kaart opslaan: Het
touchscreen aanraken en vasthouden, tot
een melding verschijnt.
#In toepassingen een algemeen menu
oproepen: Het touchscreen aanraken en
vasthouden, tot het menu OPTIES verschijnt.
Akoestische terugkoppelingsmelding voor
het touchscreen instellen
Multimediasysteem:
4©5Instellingen 5Systeem
5Bedieningselem.
De functie ondersteunt bij het maken van een
keuze in een lijst.
#Akoestische bedien.feedback selecteren.
#Normaal,Luid of Uit instellen.
Wanneer de functie is ingeschakeld, is bij het
scrollen in een lijst een klikgeluid te horen.
Wanneer het begin of einde van de lijst wordt
bereikt, is een ander klikgeluid te horen.
Touchpad
Touchpad bedienen
1Toets%
Kort indrukken: Terug naar laatste weergave
2Toets~
Indrukken: Het besturingsmenu van de laatst
actieve audiobron oproepen
Wanneer het besturingsmenu wordtweerge‐
geven, op de touchpad naar links of rechts
vegen.
3Toets©
Indrukken: Homescreen weergeven en toe‐
passingen oproepen
4Touchpad
%Adviezen, thema's en favorieten oproepen:
Wanneer het homescreen wordtweergege
ven, op de touchpad 4omlaagvegen.
De navigatie in menu's en lijstengebeurt via het
aanrakingsgevoelige oppervlak van de touchpad
4met een-vinger-veegbeweging:
#Menupunt of invoer selecteren: Om de
selectie te verschuiven omhoog, omlaag,
naar links of naar rechts vegen.
#Om de selectie te bevestigen op de touchpad
4drukken.
of
#Wanneer Touchpad tik is ingeschakeld, is
aantippen voldoende (/pagina 313).
312 MBUX multimediasysteem
#Symbool invoeren: Een symbool op het
toetsenbord selecteren (/pagina 336).
of
#Een symbool met de handschriftinvoer op de
touchpad schrijven.
#Digitale kaart verschuiven: Wanneer de
digitale kaart met het menu Navigatie wordt
weergegeven, met een vinger omhoog vegen.
#Op de touchpad drukken.
De digitale kaart kanworden verschoven.
#In alle richtingen vegen.
De volgende functies met twee-vinger-vee‐
gbewegingen gebruiken:
#Berichten-center oproepen: Met twee vin‐
gers omlaagvegen.
#Berichten-center sluiten: Met twee vingers
omhoogvegen.
#Besturingsmenu van de laatst actieve
audiobron oproepen: Met twee vingers
omhoogvegen.
#Schaal van de kaart vergroten of verklei‐
nen: Twee vingers uit elkaar of naar elkaar
toe bewegen.
#Stuk van een website vergroten of ver‐
kleinen: Twee vingers uit elkaar of naar
elkaar toe bewegen.
Gevoeligheid voor de touchpad instellen
Multimediasysteem:
4©5Instellingen 5Systeem
5Bedieningselem. 5Touchpad-gevoeligheid
#Snel,Gemiddeld of Langzaam selecteren.
#Drukgevoeligheid instellen: Touchpad tik
in- of uitschakelen.
Wanneer de functie is ingeschakeld, is het
aantippen van de touchpad voldoende om
een menupunt te selecteren.
Voorleesfunctie van de handschriftherken‐
ning in- en uitschakelen
Voorwaarden
RHet multimediasysteem is uitgerust met een
spraakgestuurd bedieningssysteem.
RDe voorleesfunctie is beschikbaar voor de
gekozen systeemtaal.
Multimediasysteem:
4©5Instellingen 5Systeem
5Audio 5Systeemfeedback
#Handschriftherkenning voorlezen in- of uit‐
schakelen.
Wanneer de functie ingeschakeld is, worden
tekens voorgelezen die op de touchpad wor‐
den geschreven.
Haptische bedieningsfeedback voor de
touchpad in- en uitschakelen
Multimediasysteem:
4©5Instellingen 5Systeem
5Bedieningselem.
De functie biedt ondersteuning bij het invoeren
op de touchpad en bij het selecteren van
menu's.
#Haptische bedieningsfeedback in- of uitscha‐
kelen.
Als de functie is ingeschakeld, vindt tijdens
de bediening op de touchpad een voelbare
MBUX multimediasysteem 313
terugkoppeling plaats door middel van tril‐
ling.
Akoestische bedieningsfeedback voor de
touchpad instellen
Multimediasysteem:
4©5Instellingen 5Systeem
5Bedieningselem.
De functie ondersteunt bij het maken van een
keuze in een lijst.
#Akoestische bedien.feedback selecteren.
#Normaal,Luid of Uit instellen.
Wanneer de functie is ingeschakeld, is bij het
scrollen in een lijst een klikgeluid te horen.
Wanneer het begin of einde van de lijst wordt
bereikt, is een ander klikgeluid te horen.
Zender en muziektitel met de touchpad
selecteren
#De toets~op de touchpad indrukken.
Het besturingsmenu verschijnt voor de laatst
actieve audiobron.
#Met een vinger naar links of naar rechts
vegen.
Radio: De vorige of volgende zender wordt
ingesteld.
Mediabron: De vorige of volgende muziektitel
wordtgeselecteerd.
#Besturingsmenu verbergen: De toets~
op de touchpad indrukken.
MBUX interieurassistent
Aanwijzingen met betrekking tot laser en
laserclassificatie
&WAARSCHUWING Gevaar voor letsel
door laserstralen van de camera
Dit product maakt gebruik van een lasersys‐
teem. Wanneer de behuizing geopend of
beschadigd is, kunnen ongecontroleerd
onzichtbare laserstralen vrijkomen.
Deze laserstralen kunnen uw netvlies
beschadigen.
#De behuizing niet openen.
#Onderhoudswerkzaamheden en repara‐
ties altijd bij een gekwalificeerde werk‐
plaats laten uitvoeren.
Dit apparaat is een laserproduct van klasse 1
overeenkomstig DIN EN 60825-1:2014.
&WAARSCHUWING Gevaar voor afleiding
door informatiesystemen en communica‐
tieapparatuur
Als u tijdens het rijden in de auto geïnte‐
greerde informatiesystemen en communica‐
tieapparatuur bedient, kunt u van de ver‐
keerssituatie worden afgeleid. Bovendien
kunt u de controle over de auto verliezen.
#Deze apparatuur alleen bedienen als de
verkeerssituatie dit toelaat.
#Als dit niet kanworden gewaarborgd,
op een veilige plek stoppen en de invoe‐
ring als de auto stilstaat uitvoeren.
Bij het gebruik van het multimediasysteem de
wettelijke bepalingen in acht nemen van het land
waar u zich op dat moment bevindt.
314 MBUX multimediasysteem
Overzicht MBUX interieurassistent
Wanneer de auto met de MBUX interieurassis‐
tent is uitgerust, kan de bediening vangeselec‐
teerde functies van het multimediasysteem con‐
tactloos worden uitgevoerd. Daarnaast kan het
lees- of zoeklicht contactloos worden in- of uit‐
geschakeld. De MBUX interieurassistent kan onderscheid
maken tussen interacties tussen bestuurder en
passagier.
De MBUX interieurassistent herkent bepaalde
handgebaren (poses).
De MBUX interieurassistent ondersteunt de volgende interacties:
Interactiegebied Interactie Beschrijving
Vóór het mediadisplay / boven de touchpad Nadering van het bedieningselement De MBUX interieurassistent herkent wanneer een hand een
bedieningselement nadert.
Daarbij wordt de weergave op het mediadisplay afhankelijk
van de actieve toepassing aangepast. Sommige functies
maken onderscheid tussen de bediening door de bestuurder
en passagier.
Er is geen bepaald handgebaar noodzakelijk.
Boven de middenconsole Gedefinieerde poses Met gedefinieerde poses wordt afhankelijkvan de actieve
toepassing een functie geactiveerd.
MBUX multimediasysteem 315
Interactiegebied Interactie Beschrijving
Onder de binnenspiegel Kort omhoog en omlaag bewegenDoor verticale bewegingen omhoog en omlaag onder de bin‐
nenspiegel wordt het leeslichtvoor de bestuurder of passa‐
gier in- en uitgeschakeld.
Passagiersstoel Uitstrekken van de hand op de pas‐
sagiersstoel Door het uitstrekken van de hand op de passagiersstoel
wordt het zoeklicht ingeschakeld. Wanneer de hand weer uit
dit gebied wordtweggenomen wordt het zoeklichtweer uitge‐
schakeld.
Functies door nadering met de hand van het
touchscreen en de touchpad bedienen
Voorwaarden
REen van de volgende toepassingen wordt op
het mediadisplay weergegeven:
-Stoelinstellingen met weergave bestuur‐
ders- en passagiersstoel, bijvoorbeeld Zit-
comfort
-Homescreen
-Menu radio of menu Media
-Kaart in de navigatie
-Actieve parkeerassistent
RDe herkenning gebeurt door het tot circa
10 cm naderen met de hand van de touchpad
of het touchscreen.
Stoelinstellingen door bestuurder of passa‐
gier uitvoeren
De MBUX interieurassistent herkent in het stoe‐
linstellingsmenu het naderen van de verschil‐
lende bedieningselementenvan het multimedia‐
systeem. Bovendien herkent de MBUX interieu‐
rassistent vanaf welke stoel de handeling plaats‐
vindt. Naderen van het touchscreen met de hand
316 MBUX multimediasysteem
Naderen van de touchpad met de hand
#Bij een actieve weergave van de stoelinstel‐
ling de hand in de richting van het touch‐
screen of de touchpad bewegen.
De stoel van de bediener, bestuurdersstoel of
passagiersstoel, wordt op het mediadisplay
vergroot.
De betreffende bedieningselementen zijn
automatisch voorgeselecteerd.
#Afhankelijk van de functie kan degene die de
bediening uitvoert de functie ofwel direct in-
en uitschakelen of nog andere instellingen
uitvoeren.
Toepassing in homescreen accentueren
De MBUX interieurassistent herkent, in welk
gebied de hand zich ór het touchscreen
bevindt. De weergave van displayobjectenwordt
voor een betere oriëntatie aangepast.
#De hand in de richting van het touchscreen
bewegen.
Het symbool voor de toepassing wordtver‐
groot. De snelle toegangen worden geaccen‐
tueerd.
#De bediening voortzetten en bijvoorbeeld een
snelle toegang selecteren.
%Meer informatie over het homescreen
(/pagina 309).
Cover wisselen in het menu Radio en het
menu Media activeren
De MBUX interieurassistent reduceert het aantal
bedieningsstappen.
#De hand in de richting van het touchscreen
of de touchpad bewegen.
De actuele informatie over bijvoorbeeld zen‐
der, titel en artiest wordt uitgeschakeld. De
coverwisseling wordtgeactiveerd.
#De bediening voortzetten en een cover selec‐
teren.
#Wanneer de hand van het touchscreen of van
de touchpad wegwordt bewogen, wordt de
actuele informatie weer weergegeven.
%Meer informatie over het menu Radio
(/pagina 465) en over het menu Media
(/pagina 458).
Menu Navigatie in de kaart weergeven
De MBUX interieurassistent schakelt het menu
Navigatie in.
#De hand in de richting van het touchscreen
of de touchpad bewegen.
Het menu Navigatie wordtweergegeven.
#De bediening voortzetten en een symbool
selecteren.
#Wanneer de hand van het touchscreen of van
de touchpad wegwordt bewogen, schakelt
het mediadisplay het menu Navigatie uit.
%Meer informatie over het menu Navigatie
(/pagina 358).
MBUX multimediasysteem 317
Bedieningssymbolen in het camerabeeld van
de actieve parkeerassistent weergeven
(alleen vanaf de bestuurdersstoel)
De MBUX interieurassistent stelt de bestuurder
in staat om snel toegang tot verschillende came‐
raweergavente krijgen.
#Bij een actieve weergave van de actieve par‐
keerassistent de hand in de richting van de
touchscreen bewegen.
De camerabedieningssymbolen worden
weergegeven.
#De bediening voortzetten en de gewenste
cameraweergavenvoor, achter, links en
rechts weergeven.
%Meer informatie over de werking van de
actieve parkeerassistent (/pagina 248).
Functie met favorietenpose bedienen
Voorwaarden
RVoor favorieten oproepen: Er is ten minste
één favoriet.
RHet gebied voor de herkenning van de favor‐
ieten-pose bevindt zich boven de middencon‐
sole, ter hoogte van de ventilatieroosters en
het mediadisplay. De hand moet zich op ten
minste 10 cm van het mediadisplay bevin‐
den.
RDe pose wordteventjes aangehouden.
Favorieten oproepen
Een pose roept een favoriet op.
De bestuurder en de passagier kunnen twee ver‐
schillende favorieten met de V-pose koppelen.
%Wanneer nog geen favoriet is aangemaakt en
aan de MBUX interieurassistent is gekop‐
peld, ondersteunt het multimediasysteem u
hierbij.
Uitvoering van de V-pose
#De hand boven de middenconsole en in de
richting van het mediadisplay plaatsen. De
handrug wijst omhoog. Daarbij de wijs- en
middelvinger uitstrekken en de andere vin‐
gers gebogen houden.
De favoriet wordt opgeroepen.
Leeslicht voor bestuurder en passagier met
de gebarenbediening in- en uitschakelen
Voorwaarden
RDe functie is beschikbaar in het donker.
RDe beweging wordt in het interactiegebied
uitgevoerd (onder de binnenspiegel).
Door kort met de hand op en neer te bewegen
onder de binnenspiegel wordt het leeslicht
gerichtvoor de bestuurder of passagier in- of uit‐
geschakeld.
318 MBUX multimediasysteem
Uitvoering van de bediening van het leeslicht
#De hand onder het leeslicht omhoog en
omlaag bewegen.
Het leeslicht wordt in- of uitgeschakeld.
Zoeklicht voor de bestuurder met de geba‐
renbediening in- of uitschakelen
Voorwaarden
RDe passagiersstoel is niet bezet.
RDe functie is beschikbaar in het donker.
RDe beweging wordt in het interactiegebied
uitgevoerd (passagiersstoel).
Wanneer de hand wordt uitgestokenover de
niet-bezette passagiersstoel, wordt het zoeklicht
in het donker voor de bestuurder ingeschakeld.
Wanneer de hand wordtteruggetrokken, scha‐
kelt het zoeklicht weer uit.
Grijpruimte voor bediening van zoeklicht
#Inschakelen: Met de hand de passagiers‐
stoel vastpakken.
Het zoeklicht wordtvoor de bestuurder inge‐
schakeld.
#Uitschakelen: De hand van de passagiers‐
stoel terugtrekken.
Het zoeklicht wordtweer uitgeschakeld.
Instellingen voor de MBUX interieurassistent
selecteren
Multimediasysteem:
4©5Instellingen 5Systeem
5Interieurassistent
#Volledige functionaliteit van de MBUX
interieurassistent inschakelen: Aan selec‐
teren.
De optie is geactiveerd #.
#Extra functies voor lees- en zoeklicht
inschakelen: Inclusief leeslampje selecte‐
ren.
Als de optie is ingeschakeld, is de display‐
toetsgeactiveerd.
Naast de naderingsfuncties zijn de functies
voor het lees- en zoeklicht ingeschakeld.
#MBUX interieurassistent inschakelen uit‐
schakelen: Uit selecteren.
De optie is geactiveerd #.
MBUX multimediasysteem 319
Hoofdfuncties
Toepassingen oproepen
1De toets%telefoon oproepen
2De toetsznavigatie oproepen
3De toets|radio of media oproepen
4De toetsyvoertuigfuncties oproepen
5Toetsß
Kort indrukken: Favoriet oproepen
(/pagina 329)
Lang indrukken: Een favoriet toevoegen
(/pagina 329) of een nieuwe themawereld
aanmaken (/pagina 325)
Alternatief in het homescreen: Wanneer u de
auto start, wordt op het mediadisplay het home‐
screen weergegeven.
#De toepassing door vegen en aantippen
selecteren.
of
#Bij een willekeurige weergave:De toets
©op de Touch-Control of op de touchpad
indrukken.
of
#Het symbool ©op het touchscreen aan‐
tippen.
De toepassingen worden weergegeven.
#De toepassing door vegen en aantippen
selecteren.
Plaats van de toepassingen op het home‐
screen wijzigen
#Het homescreen oproepen.
#Op het touchscreen een toepassing aanraken
en vasthouden, tot symbolen verschijnen.
#Op =of ;tippen en de toepassing in
het menu verplaatsen.
#øaantikken.
Profielen
Aanwijzingen met betrekking tot profielen
&WAARSCHUWING Inklemgevaar door
het instellen van de bestuurdersstoel na
het oproepen van een rijdersprofiel
Door het selecteren van een profiel kan de
bestuurdersstoel worden ingesteld op de bij
dat profiel opgeslagen positie. Hierdoor kun‐
nen u of andere inzittenden letsel oplopen.
#Er mogen zich geen personen of
lichaamsdelen in het verstelbereik van
de stoel bevinden tijdens de instelling
van de bestuurdersstoel via het multi‐
mediasysteem.
Wanneer een persoon ingeklemd dreigt te
raken, direct het instellen stoppen door:
#a) De waarschuwingsmelding op het
mediadisplay aan te tippen.
of
320 MBUX multimediasysteem
#b) Een positietoetsvan de geheugen‐
functie of een stoelinstelschakelaar in
het bestuurdersportier te bedienen.
De instelling wordt onderbroken.
De bestuurdersstoel is met een automatische
anti-inklemfunctie uitgerust.
Wanneer het bestuurdersportier geopend is,
wordt de bestuurdersstoel na het oproepen van
een rijdersprofiel niet ingesteld.
Overzicht profielen
Via het multimediasysteem kunnen in de auto
maximaal zeven profielen worden aangemaakt.
Profielen opslaan voor uw persoonlijke voertuig‐
instellingen en instellingen van het multimedia‐
systeem.
Als de auto door meerdere bestuurders wordt
gebruikt, kan de bestuurder zijn profiel ór de
rit selecteren, zonder dat de instellingen van
andere bestuurders worden gewijzigd.
Het profiel kanworden geselecteerd:
RBij het instappen (/pagina 324)
RVia het homescreen (/pagina 309)
De profielinstellingen worden direct na het selec‐
terenvan een profiel geactiveerd.
%Al u uw profiel tijdens het rijden oproept,
wordt de bestuurdersstoel niet ingesteld.
Het instellen kan als volgt worden afgebro‐
ken:
RDe waarschuwingsmelding Stoel en
stuurwiel worden gepositioneerd. Aantip-
pen om te onderbreken a.u.b. in het
mediadisplay aantippen.
REen van de stoelbedieningstoetsen in het
bestuurdersportier indrukken.
Profielinhoud
Afhankelijk van de uitrusting van de auto kunnen
bijvoorbeeld de volgende instellingen in uw pro‐
fiel worden opgeslagen:
RBestuurdersstoelgeheugen
RRadio (inclusief zenderlijst)
RLaatste bestemmingen
RKlimaatregeling
RSfeerverlichting
RDYNAMIC SELECT I (individueel)
RInstrumentendisplay, head-up-display en stijl
(weergavestijlvan het multimediasysteem)
RThemawerelden, adviezen en favorieten
%Instellingen voor rijassistentiesystemen kun‐
nen niet in het profiel worden opgeslagen.
Mercedes me connect profielen
Wanneer u een profiel van Mercedes me connect
gebruikt, zijn bijvoorbeeld de volgende online-
functies beschikbaar:
RUkunt de instellingen in de auto via de
Mercedes me app en het Mercedes me-Por‐
tal configureren.
RUkunt uw profiel op Mercedes me connect
met de profielen in de auto synchroniseren
(/pagina 323).
RUkunt een persoonlijke profielfoto toevoe‐
gen, die in de auto wordtweergegeven.
RUkunt uw profiel en enkele van uw instellin‐
gen in een nieuwe auto meenemen.
MBUX multimediasysteem 321
Voorwaarden voor het gebruik van Mercedes
me connect profielen
Voor de eigenaar van de auto:
RU beschikt over een Mercedes me gebrui‐
kersaccount.
RDe auto is aan het gebruikersaccount gekop‐
peld.
RDe dienst Personalisatie is geactiveerd.
Voor andere gebruikers van de auto:
RU beschikt over een Mercedes me gebrui‐
kersaccount.
RDe eigenaar van de auto heeft u uitgenodigd
om uw gebruikersaccount op Mercedes me
aan die van zijn auto te koppelen.
RU hebt de uitnodiging geaccepteerd.
Nieuw profiel aanmaken
Multimediasysteem:
4©5fProfielen
#WProfiel aanmaken selecteren.
#Een afbeeldingsfiguur selecteren.
#De naam invoeren en met abevestigen.
#Verder rselecteren.
#Actuele instellingen opslaan in het pro‐
fiel: Actuele instellingen selecteren.
#Opslaan selecteren.
of
#Fabrieksinstellingen overnemen: Fabrieks-
instellingen selecteren.
#Opslaan selecteren.
%Meer informatie over het instellen van het
gebruikersprofiel (/pagina 322).
#Bluetooth®activeren en Telefoon verbinden
selecteren om een mobiele telefoon aan het
gebruikersprofiel te koppelen
(/pagina 412).
Ukunt het aanmakenvan het gebruikersprofiel
ook voltooien zonder een mobiele telefoon te
registreren.
#Gereed selecteren.
Het gebruikersprofiel wordt aangemaakt.
Profielopties selecteren
Multimediasysteem:
4©5fProfielen
#Voor een profiel Äselecteren.
#Profiel bewerken: Profiel bewerken selecte‐
ren.
#Een afbeeldingsfiguur selecteren.
#De naam zo nodig wijzigen.
#Opslaan selecteren.
#Adviezen configureren: Instellingen Advie-
zen selecteren (/pagina 327).
#Favorieten of themawerelden terugzet‐
ten: Favorieten terugzetten naar fabrieksin-
stellingen of Themawerelden terugzetten
naar fabrieksinstelling selecteren.
#Ja selecteren.
#Profiel terugzetten: Profiel terugzetten
naar fabrieksinstellingen selecteren.
#Ja selecteren.
#Profiel wissen: Profiel wissen selecteren.
#Ja selecteren.
322 MBUX multimediasysteem
%Het gastprofiel kan niet worden gewist.
Profielinhoud beschermen
Ter bescherming van uw profielinhoud en instel‐
lingen kunt u in de Mercedes me-Portal een pin‐
code voor uw profiel aanmaken. Wanneer de pin‐
beveiliging actief is, moet u voor het selecteren
van uw profiel de pincode invoeren.
#Beveil. v. inhoud selecteren.
#Mercedes me portal selecteren.
De browser wordtgeopend en u wordt naar
de Mercedes me Portal doorgeleid.
Profiel selecteren
Multimediasysteem:
4©5fProfielen
%Het instellen kan als volgt worden afgebro‐
ken:
RDe waarschuwingsmelding Stoel en
stuurwiel worden gepositioneerd. Aantip-
pen om te onderbreken a.u.b. in het
mediadisplay aantippen.
REen van de stoelbedieningstoetsen in het
bestuurdersportier indrukken.
#Een profiel selecteren.
#De melding met abevestigen.
Het profiel wordtgeladen en geactiveerd.
%Als alternatief kan het profiel al bij het
instappen worden geselecteerd
(/pagina 324).
Profielen synchroniseren
Voorwaarden
RU beschikt over een Mercedes me gebrui‐
kersaccount.
RDe auto is aan uw Mercedes me gebruikers‐
account gekoppeld.
RDe dienst Personalisatie is op Mercedes me
connect geactiveerd.
Multimediasysteem:
4©5fProfielen
5Algemene instellingen
De synchronisatie maakt het volgende mogelijk:
RDe instellingen in de auto kunnen via de
Mercedes me app worden geconfigureerd.
RDe profielen op Mercedes me connect en de
profielen in de auto worden met elkaar afge‐
stemd (profielbeheer).
#Profielen automatisch synchroniseren
inschakelen.
Bij het in- en uitschakelen van het contact
worden de profielen in de auto automatisch
met de profielen op Mercedes me connect
afgestemd.
of
#Profielen nu synchroniseren selecteren.
De profielen in de auto worden na het selec‐
terenvan deze optie gesynchroniseerd met
de profielen op Mercedes me connect.
%Tijdens de synchronisatie zijn de profiellijst
en de profielfuncties gesperd.
%Aanwijzingen met betrekking totgege‐
vensbeveiliging: Wanneer u uw gegevens
niet met Mercedes me wilt delen, erop letten
dat de automatische synchronisatie is uitge‐
schakeld, en niet Profielen nu synchronise-
ren selecteren.
MBUX multimediasysteem 323
Profielselectie bij het instappen weergeven
Voorwaarden
REr is ten minste een profiel aangemaakt.
Multimediasysteem:
4©5fProfielen
Wanneer de optie is ingeschakeld, is het moge‐
lijk om al bij het instappen een profiel te selecte‐
ren.
#Algemene instellingen selecteren.
#Profielkeuze weergeven bij het instappen
inschakelen.
Wanneer de motorwordtgestart, toont het
mediadisplay het actieve profiel.
Thema's
Overzicht van de themawerelden
Ukunt de voertuiginstellingen naar wens confi‐
gureren en als themawereld opslaan. Een thema‐
wereld kan op elk moment via het homescreen
worden opgeroepen. Op die manier hoeven de
gewenste instellingen niet opnieuw te worden
uitgevoerd.
Er zijn voorgedefinieerde themawerelden
beschikbaar, bijvoorbeeld reis, efficiëntie en
lounge.
Voorbeeld voor het gebruik vanthemawerel‐
den
Voor steeds terugkerende rijsituaties, bijvoor‐
beeld lange ritten op de autosnelweg, kunt u uw
voorkeursinstellingen in een themawereld in de
auto opslaan.
Ukunt bijvoorbeeld de volgende instellingen in
een themawereld opslaan:
RWeergaven (bijvoorbeeld navigatiekaart of
toerenteller)
RGeprefereerde radiozender
RFavoriet rijprogramma
Deze instellingen worden bij het aanmaken van
een themawereld (/pagina 325) onder de door
ugewenste naam opgeslagen. Bij de volgende
snelwegritkunt u deze themawereld selecteren
en daarmee uw instellingen herstellen.
Inhouden van een themawereld
Afhankelijk van de uitrusting van de auto kunnen
de volgende instellingen in een themawereld
worden opgeslagen:
RInstelling van het instrumentendisplay
(/pagina 273)
RInstelling van het head-up-display
(/pagina 284)
RInstelling van de sfeerverlichting
(/pagina 146)
RActieve audiobron, bijvoorbeeld radio of USB
RStartbeeldscherm voor het mediadisplay
RVisuele stijl (/pagina 343)
RDYNAMIC SELECT rijprogramma
(/pagina 178)
RInstellingen van de navigatie
%Een themawereld bevat de momenteel
actieve instellingen in de auto.
324 MBUX multimediasysteem
Themawerelden oproepen
Multimediasysteem:
4©
#Als het homescreen wordtweergegeven,
naar bovenvegentot THEMAWERELDEN ver‐
schijnt.
#Een themawereld selecteren.
Nieuwe themawereld aanmaken
Voorwaarden
RDe instellingen die in de themawereld moe‐
tenworden opgeslagen zijn actief.
Het overzicht toont de instellingen die in een
themawereld kunnen worden opgeslagen
(/pagina 324).
Multimediasysteem:
4©5THEMAWERELDEN
#WThemawereld aanm. selecteren.
De instellingen die in de themawereld wor‐
den opgeslagen, worden weergegeven.
#Verder rselecteren.
#Extra instellingen selecteren, die in de the‐
mawereld moetenworden opgeslagen.
RAudio selecteren om de actieve audio-
instellingen in de themawereld op te
slaan.
RNavigation (Navigatie) selecteren, om de
actieve navigatie-instellingen in de thema‐
wereld op te slaan.
#Verder rselecteren.
#Een beginbeeldscherm selecteren.
#Verder rselecteren.
#Een beeld selecteren.
#De naam in het invoerveld invoeren en met
abevestigen.
#Themawerelden opslaan: Opslaanselec‐
teren.
Wanneer het maximumaantal dat kanwor‐
den opgeslagen is bereikt:
#Bij de melding aselecteren.
#Een themawereld selecteren die moet wor‐
den overschreven.
De instellingen die in de themawereld wor‐
den opgeslagen, worden weergegeven.
#Verder rselecteren.
#Extra instellingen selecteren, die in de the‐
mawereld moetenworden opgeslagen.
RAudio selecteren om de actieve audio-
instellingen in de themawereld op te
slaan.
RNavigation (Navigatie) selecteren, om de
actieve navigatie-instellingen in de thema‐
wereld op te slaan.
#Verder rselecteren.
#Een beginbeeldscherm selecteren.
#Verder rselecteren.
#Een beeld selecteren.
#De naam in het invoerveld invoeren en met
abevestigen.
#Themawerelden opslaan: Opslaanselec‐
teren.
Via de tuimelschakelaar of toetsßßaan‐
maken
#De tuimelschakelaar ßin het stuurwiel
lang omlaagdrukken.
of
MBUX multimediasysteem 325
#De toetsßnaast de touchpad lang
indrukken.
#WThemawereld aanm. selecteren.
De instellingen die in de themawereld wor‐
den opgeslagen, worden weergegeven.
#Verder rselecteren.
#Extra instellingen selecteren, die in de the‐
mawereld moetenworden opgeslagen.
RAudio selecteren om de actieve audio-
instellingen in de themawereld op te
slaan.
RNavigation (Navigatie) selecteren, om de
actieve navigatie-instellingen in de thema‐
wereld op te slaan.
#Verder rselecteren.
#Een beeld selecteren.
#De naam in het invoerveld invoeren en met
abevestigen.
#Themawerelden opslaan: Opslaanselec‐
teren.
Themawerelden bewerken
Multimediasysteem:
4©
#Als het homescreen wordtweergegeven,
naar bovenvegentot THEMAWERELDEN ver‐
schijnt.
#Een themawereld zo lang indrukken, tot het
menu OPTIES verschijnt.
#Hernoemen selecteren.
#De naam invoeren.
#Opslaanselecteren.
Themawereld verschuiven
Multimediasysteem:
4©
#Als het homescreen wordtweergegeven,
naar bovenvegentot THEMAWERELDEN ver‐
schijnt.
#Een themawereld zo lang indrukken, tot het
menu OPTIES verschijnt.
#Verplaatsen selecteren.
#=of ;aantippen.
#øaantippen.
Menu themawerelden in het homescreen ver‐
schuiven
#©selecteren.
#Omhoog vegen en Nieuwe volgorde vastleg-
gen selecteren.
#Themawerelden selecteren.
#9of :aantippen.
#øaantippen.
Themawereld wissen
Multimediasysteem:
4©
#Als het homescreen wordtweergegeven,
naar bovenvegentot THEMAWERELDEN ver‐
schijnt.
#Een themawereld zo lang indrukken, tot het
menu OPTIES verschijnt.
#Wissen selecteren.
#Ja selecteren.
326 MBUX multimediasysteem
Informatie over themawerelden weergeven
Multimediasysteem:
4©
#Als het homescreen wordtweergegeven,
naar bovenvegentot THEMAWERELDEN ver‐
schijnt.
#Een themawereld zo lang indrukken, tot het
menu OPTIES verschijnt.
#Handleiding selecteren.
Adviezen
Overzicht suggesties
De auto kan de gebruiksgewoonten van de
bestuurder leren. Op basis van de tot dan
gebruikte functies worden onder ADVIEZEN de
meest waarschijnlijke bestemmingen in het navi‐
gatiesysteem, radiozenders of contacten aange‐
boden.
Adviezen worden weergegeven als aan de vol‐
gende voorwaarden is voldaan:
REr is een profiel aangemaakt
(/pagina 322).
REr is een profiel geselecteerd.
RU hebt de gegevensregistratie geaccepteerd.
RBij het begin van het gebruik moet het multi‐
mediasysteem het gebruikersgedrag analyse‐
ren. Wanneer voldoende data beschikbaar is,
zijn de suggesties beschikbaar.
Wanneer niet aan de genoemde voorwaarden
wordt voldaan, verschijnt er in het menu ADVIE-
ZEN een vooruitblik met de beschrijving van de
functie.
Het is mogelijk om de gegevensconfiguratie te
configureren (/pagina 327) of de geregi‐
streerde suggesties te wissen (/pagina 328).
Adviezen oproepen
Voorwaarden
REr is een profiel aangemaakt en geselecteerd
(/pagina 323).
#©op het mediadisplay aantippen.
Het homescreen wordtweergegeven.
#Omhoog vegen, tot het menu ADVIEZEN ver‐
schijnt.
#Een navigatiebestemming, een mediabron,
een radiozender of een contact selecteren.
Wanneer reeds een routebegeleiding actief
is, kan een nieuwe routebegeleiding worden
gestart of een tussenbestemming voor de
berekende route worden ingesteld.
Adviezen configureren
Voorwaarden
ROm instellingen via een pincode te bevei‐
ligen: Uw profiel is aan Mercedes me gekop‐
peld en uw Mercedes me account is door
middel van een pincode beveiligd.
Multimediasysteem:
4©5fProfielen
#Voor een profiel uselecteren.
#Instellingen Adviezen selecteren.
#Weergave adviezen in- en uitschakelen:
Bestemmingsadviezen toestaan,Muziekad-
viezen toestaan en Contactadviezen toestaan
in- of uitschakelen.
Wanneer een optie is ingeschakeld, worden
adviezen voor bestemmingen in het naviga‐
MBUX multimediasysteem 327
tiesysteem, radiozenders of contacten weer‐
gegeven.
Wanneer de optie uitgeschakeld is, worden
geen adviezen weergegeven.
#Leerfunctie een dag lang uitschakelen:
Leren 24 uur deact. inschakelen.
Voor het actieve profiel worden gedurende
24 uur geen nieuwe acties aangeleerd en
geen data geregistreerd. De adviezen worden
nog welweergegeven. Naast Leren 24 uur
deact. wordt de resterende tijd weergegeven.
Voordat deze periode verstrijkt, verschijnt er
een berichtgeving, dat het multimediasys‐
teem binnenkort de leerfunctie zal voortzet
ten.
Voorbeeld: Wanneer de optie is ingeschakeld
en er een route naar een nieuwe bestemming
is berekend, wordt bij de leerfunctie geen
rekening gehouden met deze bestemming.
#Advieshistorieterugzetten: Advieshistorie
terugzetten selecteren.
%Deze procedure kan niet ongedaan worden
gemaakt.
#Ja selecteren.
#Instellingen via pincode beveiligen: PIN-
beveiliging inschakelen.
Wanneer de pinbeveiliging is ingeschakeld,
moet u de Mercedes me pincode invoeren
om de adviezen te kunnen instellen. Deze
pincode wordt in de Mercedes me-Portal
voor de dienst Personalisatie aangemaakt,
om uw persoonlijke instellingen te beveiligen.
Adviezen hernoemen
Het is alleen mogelijk om bestemmingen in het
navigatiesysteem te hernoemen.
#Het symbool ©op het mediadisplay aan‐
tippen.
Het homescreen wordtweergegeven.
#Omhoog vegen, tot het menu ADVIEZEN
wordtweergegeven.
#Een bestemming in het navigatiesysteem
markeren en zo lang ingedrukt houden, tot
het menu OPTIES verschijnt.
#Hernoemen selecteren.
#De naam invoeren.
#De invoer bevestigen: Ja selecteren.
Advies wissen
#©op het mediadisplay aantippen.
Het homescreen wordtweergegeven.
#Omhoog vegen, tot het menu ADVIEZEN
wordtweergegeven.
#Een advies markeren en zo lang ingedrukt
houden, tot het menu OPTIES verschijnt.
#Wissen selecteren.
De vraag, of u het advies slechts tijdelijk of
permanent wissen wilt, wordtweergegeven.
#Wanneer het voorstel op een later tijd‐
stip nogmaals moet worden weergege
ven: Nu niet selecteren.
#Wanneer het voorstel niet nogmaals
moet worden weergegeven: Nooit selecte‐
ren.
Favorieten
Overzicht Favorieten
Favorieten bieden een snelle toegang tot vaak
gebruikte toepassingen. Er kunnen in totaal 20
favorieten worden aangelegd.
328 MBUX multimediasysteem
Favorieten kunt u uit categorieën selecteren of
kunt u direct uit een toepassing toevoegen.
Favorieten oproepen
Op het mediadisplay
#©aantikken.
Het homescreen wordtweergegeven.
#Omhoogvegen, tot FAVORIETEN wordtweer‐
gegeven.
Op het stuurwiel of touchpad
#De tuimelschakelaar ßin het stuurwiel
omlaagdrukken.
of
#Op de toetsßnaast de touchpad druk‐
ken.
Favorieten toevoegen
Favorieten uit categorie selecteren
#©op het mediadisplay aantippen.
Het homescreen wordtweergegeven.
#Omhoogvegen, tot FAVORIETEN wordtweer‐
gegeven.
#WFavoriet aanmaken selecteren.
De categorieën worden weergegeven.
#De categorie selecteren.
De favorieten worden weergegeven.
#Een favoriet selecteren.
De favoriet wordt op de volgende vrije positie
opgeslagen.
#Alle posities in de favorieten zijn bezet:
De weergegeven melding met OK bevestigen.
Een lijst toont alle favorieten.
#Een favoriet selecteren die moet worden
overschreven.
Favorieten uit een andere toepassing toevoe‐
gen
Voorbeelden van het toevoegen uit een andere
toepassing zijn:
REen contact opslaan.
REen radiozender opslaan.
REen mediabron toevoegen.
REen navigatiebestemming opslaan.
REen ENERGIZING comfort programma toe‐
voegen (indien beschikbaar).
#Contact als algemene favoriet opslaan:
Een contact selecteren (/pagina 419).
De details worden weergegeven.
#Een telefoonnummer zo lang ingedrukt hou‐
den, tot het menu OPTIES verschijnt.
#Opslaan als favoriet selecteren.
Het contact wordt als favoriet toegevoegd.
#Radiozender als algemene favoriet
opslaan: Een radiozender instellen
(/pagina 465).
#De radiozender zo lang ingedrukt houden, tot
het menu OPTIES verschijnt.
#Opslaan als favoriet selecteren.
De radiozender wordt als favoriet toege‐
voegd.
Favorieten hernoemen
#©op het mediadisplay aantippen.
Het homescreen wordtweergegeven.
#Omhoogvegen, tot FAVORIETEN wordtweer‐
gegeven.
#Een favoriet zo lang ingedrukt houden, tot
het menu OPTIES verschijnt.
MBUX multimediasysteem 329
#Hernoemen selecteren.
#De naam invoeren.
#OK selecteren.
Favorieten verschuiven
Favorieten in het menu Favorieten verschui‐
ven
#©op het mediadisplay aantippen.
Het homescreen wordtweergegeven.
#Omhoogvegen, tot FAVORIETEN wordtweer‐
gegeven.
#Een favoriet zo lang ingedrukt houden, tot
het menu OPTIES verschijnt.
#Verplaatsen selecteren.
#De favoriet naar de nieuwe positie verschui‐
ven.
#øaantikken.
Menu Favorieten binnen de personalisatie
verschuiven
#©op het mediadisplay aantippen.
Het homescreen wordtweergegeven.
#Omhoogvegen, tot Nieuwe volgorde vastleg-
gen wordtweergegeven.
#Nieuwe volgorde vastleggen selecteren.
#Favorieten naar de nieuwe positie verschui‐
ven.
#øaantikken.
Favorieten wissen
#©op het mediadisplay aantippen.
Het homescreen wordtweergegeven.
#Omhoogvegen, tot FAVORIETEN wordtweer‐
gegeven.
#Een favoriet zo lang ingedrukt houden, tot
het menu OPTIES verschijnt.
#Wissen selecteren.
#Ja selecteren.
Berichten-center
Overzicht berichten-center
In het berichten-center worden de volgende
mededelingenverzameld:
RMededelingen die door de auto of door het
multimediasysteem worden gegenereerd.
RMededelingen die door het gebruik van dien‐
sten en services binnenkomen.
Deze typen berichten zijn beschikbaar:
RNavigeerbare bestemmingen en routes
RBerichten (SMS)
RAgenda-items en herinneringen, bijvoorbeeld
van In-Car Office
Deze functie is niet in alle landen beschik‐
baar.
RSysteeminformatie, bijvoorbeeld Belangrijke
software-update beschikbaar.
ROverige berichten, bijvoorbeeld van andere te
boeken online-services
330 MBUX multimediasysteem
Het berichten-center jvindt u in het home‐
screen, in menu's en in de navigatiekaart rechts‐
boven (/pagina 309).
Een ster in het symbool jinformeert u over
nieuwe berichten.
Berichten worden bij het binnenkomen meestal
kort weergegeven. Dat vindt plaats in nagenoeg
elke toepassing die u momenteel gebruikt. Wan‐
neer u geen actie onderneemt, worden deze in
het berichten-center opgeslagen en kunnen deze
laterworden opgeroepen.
De berichten zijn chronologisch gesorteerd. De
nieuwste berichten staan helemaal bovenaan.
Een berichttoont de volgende informatie:
REen symbool of een afbeelding 1voor de
toepassing
REen titel 2, die bijvoorbeeld de naam, een
telefoonnummer of een bestemming in het
navigatiesysteem bevat
RDe uitgevende dienst en verdere informatie
3
REen tijdstempel 5
RBij meerdere beschikbare acties een symbool
4voor het openklappen of sluiten van het
bericht.
Afhankelijkvan het soort bericht zijn maximaal
vier verschillende acties 6beschikbaar.
Voorbeelden van acties zijn:
RVoorlezen
ROpbellen
RBeantwoorden
RWebsite oproepen
RNavigeren
Enkele berichten, bijvoorbeeld een bestemming
in het navigatiesysteem, worden langer bewaard.
Daarom hoeven beschikbare acties niet direct na
het binnenkomen van het berichtte worden uit‐
gevoerd. Een routebegeleiding kan ook op een
later tijdstip worden gestart.
%In het berichten-centerkan een globale
zoekfunctie worden gestart (/pagina 333).
Berichten oproepen
Berichten-center openen
#Op de touchpad: Met twee vingers naar
beneden vegen.
of
#Op het touchscreen: Het symbool j
voor het berichten-center aantippen.
of
#Op de Touch-Control en de touchpad: Het
symbool jvoor het berichten-center door
vegen markeren.
#Op het bedieningselement drukken.
MBUX multimediasysteem 331
Bericht selecteren
#Omhoog of omlaag vegen.
#Het bedieningselement aantippen of hierop
drukken.
Oudere berichten oproepen
Wanneer berichten na vier uur nog niet worden
opgeroepen, worden deze in het archief opgesla‐
gen.
#Omhoog vegen en Archief selecteren.
#Het bericht selecteren.
Berichten-center sluiten
#Op de touchpad: Met twee vingers naar
bovenvegen.
Acties voor een bericht selecteren
De volgende mogelijkheden staan ter beschik‐
king:
RDe actie direct na het binnenkomen en weer‐
geven in een toepassing selecteren.
RDe actie later na het oproepen in het berich‐
ten-center selecteren.
#Een actie beschikbaar: De actie selecteren.
#Meerdere acties beschikbaar: Wanneer het
bericht niet is opengeklapt, het symbool
Vselecteren.
#De actie selecteren.
Het bericht is nog steeds beschikbaar.
#Als Verdere info beschikbaar is, de actie
selecteren.
Verdere informatie wordt in een venster
weergegeven als tekst, afbeelding of als tekst
en afbeelding.
#Venster sluiten: OK selecteren.
Berichten bewerken
#Het berichten-center oproepen
(/pagina 331).
#Instellingen uitvoeren: Zselecteren.
%Wanneer geen instellingen kunnen worden
uitgevoerd, verschijnt een melding.
#De dienst of de service selecteren.
#De opties in- of uitschakelen.
De volgende opties staan ter beschikking:
RNotificaties toestaan
RWeergeven in het notificatiecentrum
RNotificaties weergeven
RAkoestische notificaties
Wanneer Notificaties toestaan is uitgescha‐
keld, kunnen de andere opties niet worden
geselecteerd.
#Wissen: Een bericht op het touchscreen aan‐
raken en naar links of rechts slepen.
of
#De prullenbak selecteren.
#Wissen of Alles wissen selecteren.
Wissen wist een afzonderlijk bericht.
Alles wissen wist alle momenteel weergege
ven berichten.
#Met Ode wismodus verlaten.
Globaal zoeken
Overzicht globaal zoeken
Globaal zoekenkan in het homescreen en in de
berichtenworden gebruikt.
332 MBUX multimediasysteem
Globaal zoeken levert zoekresultaten op voor de
volgende categorieën en subcategorieën:
RNavigatie
RMedia
RTelefoon, social media, In-Car Office
In-Car Office is niet in alle landen beschik‐
baar.
RGrafische gebruikersinterface en digitale
handleiding
RInternet
Daarmee kunt u bijvoorbeeld steden, straten en
bezienswaardigheden binnen de navigatie zoe‐
ken.
%Ukunt ook naar driewoordenadressen zoe‐
ken (/pagina 366).
Wanneer u een driewoordenadres in globaal
zoeken invoert, moeten de woorden door
een spatie of een punt van elkaar worden
gescheiden.
Tijdens het invoeren worden onder het zoekveld
de meest waarschijnlijke voorstellen aangebo‐
den. Wanneer u een "S" invoert, worden bijvoor‐
beeld "Stuttgart", "Steak" en "Sandra" aangege‐
ven. Wanneer u "Stuttgart" selecteert, krijgt u
bijvoorbeeld de voorstellen "Starbucks", "Steak"
en "Schouwburg".
De zoekresultaten in de lijst worden aan de hand
van de categorieën gesorteerd weergegeven.
Naast de categorie staat het aantal treffers.Van
elke categorie worden de beste treffers weerge‐
geven. Verdere treffers vindt u na het selecteren
van de betreffende categorie.
Wanneer u een invoer met OK bevestigt, worden
alle categorieën en het aantal treffers in een
overzicht weergegeven. Na het selecteren van
een categorie kunt u de zoekresultaten binnen
de categorie selecteren. Wanneer u een zoekre‐
sultaat selecteert,wordt het detailoverzicht
geopend. In het detailoverzicht kunt u selecte‐
ren, of en welke actie u met het betreffende zoe‐
kresultaat wilt uitvoeren. U kunt bijvoorbeeld
een routebegeleiding starten of een persoon bel‐
len. De acties zijn van een overeenkomstige aan‐
duiding voorzien.
Zoeken is met de volgende invoermethodes
mogelijk:
RTijdbalk via beeldschermtoetsenbord
RInvoeren vantekens met handschriftherken‐
ning
RDicteerfunctie
Globaal zoeken gebruiken
Multimediasysteem:
4©
#ªZoeken selecteren.
of
#De berichten oproepen (/pagina 331).
#Zoeken selecteren.
#De zoekterm in het zoekveld invoeren.
Tijdens het invoeren worden onder het zoek‐
veld de drie meest waarschijnlijke voorstellen
aangeboden.
In de lijst rechts worden per categorie de
top-2-zoekresultaten weergegeven.
%De invoer vantekens gebruiken.
Als alternatief kunt u de dicteerfunctie p
voor het zoeken gebruiken.
MBUX multimediasysteem 333
#Voorstel overnemen: Het voorstel selecte‐
ren.
De drie meest waarschijnlijke voorstellen
worden aangeboden.
#Het zoeken voortzetten of een voorstel over‐
nemen.
#Top-2-zoekresultaten overnemen: Het zoe‐
kresultaat selecteren.
Er wordt een actie gestart of er verschijnt
een lijst.
#In de lijst een zoekresultaat of een actie
selecteren.
#Alle categorieën weergeven: OK selecte‐
ren.
#Zoekresultaten voor een categorie weer‐
geven: Een categorie selecteren.
#Details weergeven: Een zoekresultaat selec‐
teren.
#Actie starten: Een actie selecteren.
Na het selecteren van een actie wordt bij‐
voorbeeld een muziektitel afgespeeld of de
route naar een bestemming berekend.
Geluid in- en uitschakelen
Met het multifunctioneel stuurwiel
Op het multimediasysteem
#Uitschakelen: Op de volumeknop 1druk‐
ken.
In de statusregelvan het mediadisplay ver‐
schijnt het symbool 8.
Verkeersinformatie en gesproken rij-aanwij‐
zingen zijn ook bij uitgeschakeld geluid te
horen.
334 MBUX multimediasysteem
#Inschakelen: De volumeknop 1draaien of
van mediabron wisselen.
Volume instellen
Met draaiknop instellen
Met het multifunctioneel stuurwiel
Op het multimediasysteem
#De volumeknop 1draaien.
Het volume van de actuele radio- of media‐
bron wordt ingesteld. De volumes van andere
geluidsbronnen kunnen afzonderlijkworden
ingesteld.
De volumes in de volgende situaties aanpas‐
sen:
Rtijdens een verkeersbericht
Rtijdens een gesproken rij-aanwijzing
Het volume van de actuele mediabron wij‐
zigt afhankelijkvan het volume van de
gesproken rij-aanwijzing.
Rtijdens een telefoongesprek
Rbij het in- of uitparkeren met de actieve
parkeerassistent
In het menu instellen
#De toets©op de touchpad of op de
touch-control indrukken.
#Instellingen selecteren.
#Systeem selecteren.
#Audio selecteren.
#Een volume-instelling selecteren.
#Het volume instellen.
MBUX multimediasysteem 335
Invoeren vantekens
Tekeninvoer gebruiken
&WAARSCHUWING Gevaar voor afleiding
door informatiesystemen en communica‐
tieapparatuur
Als u tijdens het rijden in de auto geïnte‐
greerde informatiesystemen en communica‐
tieapparatuur bedient, kunt u van de ver‐
keerssituatie worden afgeleid. Bovendien
kunt u de controle over de auto verliezen.
#Deze apparatuur alleen bedienen als de
verkeerssituatie dit toelaat.
#Als dit niet kanworden gewaarborgd,
op een veilige plek stoppen en de invoe‐
ring als de auto stilstaat uitvoeren.
Bij het gebruik van het multimediasysteem de
wettelijke bepalingen in acht nemen van het land
waar u zich op dat moment bevindt.
Voorwaarden
RVoor de voorleesfunctie van de hand‐
schriftherkenning: Het multimediasysteem
is uitgerust met een spraakgestuurd bedie‐
ningssysteem.
RDe voorleesfunctie is beschikbaar voor de
gekozen systeemtaal.
RDe voorleesfunctie van de handschriftherken‐
ning is ingeschakeld.
De tekeninvoer kan met deze bedieningselemen‐
tenworden uitgevoerd:
RTouch-Control
RTouchscreen (mediadisplay)
RTouchpad
De tekeninvoer kan met het ene bedieningsele‐
ment worden gestart en met een ander worden
voortgezet.
#Wanneer het toetsenbord wordtweergege‐
ven, dan de tekens op het bedieningselement
invoeren door vegen en indrukken of door
aantikken (touchscreen).
of
#De tekens op de touchpad of het touch‐
screen schrijven.
Het invoeren vantekens via de touchpad wordt
door de volgende functies ondersteund:
RDe handschriftherkenning ondersteunt de
tekeninvoer met tekensuggesties.
RWanneer de voorleesfuncties van de hand‐
schriftherkenning is ingeschakeld, worden
ingevoerde tekens voorgelezen.
Voorbeelden voor het invoeren vantekens zijn:
REen favoriet hernoemen.
REen bestemming in de navigatie invoeren.
REen internetadres invoeren.
Tekens op de touchpad invoeren
Voorwaarden
RIndien u de tekeninvoer wilt laten voorlezen:
De voorleesfunctie van de handschriftherken‐
ning is ingeschakeld (/pagina 313).
RVoor enkele functies is een bestaande online-
verbinding noodzakelijk.
336 MBUX multimediasysteem
Viatoetsenbord
1Invoerregel
2Suggesties tijdens het invoeren weergeven
(indien beschikbaar)
3Invoer wissen
4Wissen
Door indrukken of aantippen wordt het laatst
ingevoerde tekengewist
Door indrukken en vasthouden wordt de
invoer gewist
5Invoer overnemen
6Naar handschriftinvoer wisselen
7Spaties invoeren
8Toetsenbordtaal veranderen
9Naar speciale tekens omschakelen
ANaar cijfers en andere speciale tekens
omschakelen (indien voor actuele tekenset
beschikbaar)
ABC Naar letters omschakelen (niveau 2)
BDoor indrukken of aantippen kan tussen
hoofdletters en kleine letters worden gewis‐
seld (indien voor de actuele tekenset
beschikbaar)
MBUX multimediasysteem 337
Door lang indrukken worden permanent
hoofdletters ingesteld
Indien beschikbaar maakt het symbool p
wisselen naar de spraakinvoer mogelijk.
%Wanneer Touchpad tik is ingeschakeld D,
is aantippen voldoende voor het selecteren
van een teken of een optie (/pagina 313).
#De tekeninvoer oproepen, bijvoorbeeld een
favoriet hernoemen (/pagina 329).
#Het teken door vegen en indrukken selecte‐
ren.
Het tekenwordt in de invoerregel1inge‐
voerd. Adviezen worden in 2weergeven.
#Advies selecteren: Een van de suggesties
selecteren.
#Het invoeren vantekens voortzetten.
#Alternatieve tekens invoeren: Lang op een
teken drukken.
#Het teken selecteren.
#Tekeninvoer beëindigen: Op toetsG
drukken.
%De beschikbare bewerkingsfuncties zijn
afhankelijk van de bewerkingstaak, de inge‐
stelde schrijftaal en het karakterniveau.
%De invoer via het toetsenbord kan ook op de
Touch-Control worden uitgevoerd.
338 MBUX multimediasysteem
Via handschriftinvoer
1Invoerregel
2Suggesties tijdens het invoeren weergeven
3Invoer wissen
4Wissen
Door indrukken of aantippen wordt het laatst
ingevoerde tekengewist
Door indrukken en vasthouden wordt de
invoer gewist
5Spatie invoegen
6Naar invoer via toetsenbord wisselen
7Invoer overnemen
8Teken op het tekenvlak schrijven
Indien beschikbaar maakt het symbool p
wisselen naar de spraakinvoer mogelijk.
%Wanneer Touchpad tik is ingeschakeld D,
is aantippen voldoende voor het selecteren
van een optie (/pagina 313).
#De tekeninvoer oproepen, bijvoorbeeld een
favoriet hernoemen (/pagina 329).
#Als het toetsenbord wordtweergegeven,
vselecteren.
#Het teken met een vinger op de touchpad
schrijven.
Het tekenwordt in de invoerregel1inge‐
voerd. Adviezen worden in 2weergeven.
MBUX multimediasysteem 339
#Advies selecteren: Een van de suggesties
selecteren.
#Het invoeren vantekens voortzetten. De
tekens kunnen naast elkaar of over elkaar
worden geschreven.
#Tekeninvoer beëindigen: Op toetsG
drukken.
Tekens op het touchscreen invoeren
Voorwaarden
RIndien u de tekeninvoer wilt laten voorlezen:
De voorleesfunctie van de handschriftherken‐
ning is ingeschakeld (/pagina 313).
RVoor enkele functies is een bestaande online-
verbinding noodzakelijk.
Viatoetsenbord
1Invoerregel
2Suggesties tijdens het invoeren weergeven
(indien beschikbaar)
3Invoer wissen
4Wissen
Door aantippen wordt het laatst ingevoerde
tekengewist
Door aanraken en vasthouden wordt de
invoer gewist
5Invoer overnemen
6Naar handschriftinvoer wisselen
340 MBUX multimediasysteem
7Spaties invoeren
8Toetsenbordtaal veranderen
9Naar speciale tekens omschakelen
ANaar cijfers en andere speciale tekens
omschakelen (indien voor actuele tekenset
beschikbaar)
ABC Naar letters omschakelen (niveau 2)
BDoor indrukken of aantippen kan tussen
hoofdletters en kleine letters worden gewis‐
seld (indien voor de actuele tekenset
beschikbaar)
Door lang indrukken worden permanent
hoofdletters ingesteld
Indien beschikbaar maakt het symbool p
wisselen naar de spraakinvoer mogelijk.
#De tekeninvoer oproepen, bijvoorbeeld een
favoriet hernoemen (/pagina 329).
Het toetsenbord verschijnt.
#Een teken aantippen.
Het tekenwordt in de invoerregel1inge‐
voerd. Adviezen worden in 2weergeven.
#Advies selecteren: Een van de suggesties
selecteren.
#Indien beschikbaar verdere adviezen met
qof rweergeven.
#Het invoeren vantekens voortzetten.
#Alternatieve tekens invoeren: Lang op een
teken drukken.
#Het teken selecteren.
#Tekeninvoer beëindigen: Gaantippen.
%De beschikbare bewerkingsfuncties zijn
afhankelijk van de bewerkingstaak, de inge‐
stelde schrijftaal en het karakterniveau.
MBUX multimediasysteem 341
Via handschriftinvoer
1Invoerregel
2Suggesties tijdens het invoeren weergeven
3Invoer wissen
4Wissen
Door aantippen wordt het laatst ingevoerde
tekengewist
Door aanraken en vasthouden wordt de
invoer gewist
5Spatie invoegen
6Naar invoer via toetsenbord wisselen
7Invoer overnemen
8Teken op het tekenvlak schrijven
Indien beschikbaar maakt het symbool p
wisselen naar de spraakinvoer mogelijk.
#De tekeninvoer oproepen, bijvoorbeeld een
favoriet hernoemen (/pagina 329).
#Als het toetsenbord wordtweergegeven,
vselecteren.
#Het teken met een vinger op het touchscreen
schrijven.
Het tekenwordt in de invoerregel1inge‐
voerd. Adviezen worden in 2weergeven.
#Advies selecteren: Een van de suggesties
selecteren.
342 MBUX multimediasysteem
#Indien beschikbaar verdere adviezen met
qof rweergeven.
#Het invoeren vantekens voortzetten. De
tekens kunnen naast elkaar of over elkaar
worden geschreven.
#Tekeninvoer beëindigen: Gaantippen.
Toetsenbord voor het invoeren vantekens
instellen
Multimediasysteem:
4Instellingen 5Systeem
5Bedieningselem.
5Toetsenborden en handschrift
#Toetsenborden selecteren bevestigen.
De toetsenbordtaal in de lijst selecteren.
Systeeminstellingen
Display
Display-instellingen configureren
Multimediasysteem:
4©5Instellingen 5Systeem
5Stijlen en weergave
Stijl instellen
#Stijlen selecteren.
#Klassiek,Sportief of Progressief selecteren.
De weergave van het multimediasysteem wij‐
zigt afhankelijk van de geselecteerde stijl. Bij
het terugzetten op de fabrieksinstellingen
wordt de stijlKlassiek ingesteld.
#Sfeerverlichting aan stijl aanpassen: Aan-
passing sfeerverlichting selecteren.
Deze functie past de sfeerverlichting aan de
gekozen stijlvan het display aan.
Displayhelderheid instellen
#Helderheid display selecteren.
#De lichtsterkte selecteren.
Display uit- en inschakelen
#Uit: Display uit selecteren.
#Aan: Een toets indrukken, bijvoorbeeld %.
Displaydesign selecteren
#Dag-/nachtdesign selecteren.
#Automatisch,Dagdesign of Nachtdesign
selecteren.
Temperatuurmeter in- en uitschakelen
#Temperatuurweergave selecteren.
#Buitentemp. of Koelvloeist.temp. selecteren.
De geselecteerde temperatuur wordt in het
combi-instrument weergegeven.
MBUX multimediasysteem 343
Tijd en datum
Tijd en datum automatisch instellen
Multimediasysteem:
4©5Instellingen 5Systeem
5Tijd en datum
#Handmatige tijdsinstelling uitschakelen.
De tijd en de datum worden automatisch
overeenkomstig de geselecteerde tijdzone en
zomertijdoptie ingesteld.
%De correcte tijd is voor de volgende functies
noodzakelijk:
RRoutebegeleiding met tijdafhankelijke
verkeersgeleiding
RBerekening van de geplande aankomst‐
tijd
Tijdzone instellen
Voorwaarden
RVoor de handmatige tijdzone: Automati-
sche tijdzone is uitgeschakeld.
Multimediasysteem:
4©5Instellingen 5Systeem
5Tijd en datum
Tijdzone handmatig instellen
#Tijdzone: selecteren.
De landenlijst wordtweergegeven.
%Wanneer in een land meerdere tijdzones
beschikbaar zijn, worden deze na het selec‐
terenvan het land weergegeven.
#Een land en eventueel een tijdzone selecte‐
ren.
De ingestelde tijdzone wordt achter Tijdzone:
weergegeven.
Tijdzone automatisch instellen
#Automatische tijdzone inschakelen.
Tijd- en datumformaat instellen
Multimediasysteem:
4©5Instellingen 5Systeem
5Tijd en datum 5Formaat instellen
#Datum- en tijdformaat instellen #.
Tijd en datum handmatig instellen
Voorwaarden
RDe functie Handmatige tijdsinstelling is inge‐
schakeld.
RVoor handmatige instelling van de
datum: Er is geen GPS in de auto inge‐
bouwd.
Multimediasysteem:
4©5Instellingen 5Systeem
5Tijd en datum
Tijd instellen (zonder tijdzone)
#Tijd instellen selecteren.
#Een tijd instellen.
Tijd instellen (met tijdzone)
#Tijd instellen selecteren.
Wanneer een tijdzone is ingesteld, wordt de tijd
automatisch ingesteld op basis van de tijdzone.
De tijd kan maximaal plus of min 60 minuten
worden aangepast.
#De tijd aanpassen via de schuifregelaar.
344 MBUX multimediasysteem
Datum instellen
#Datum instellen selecteren.
#Een datum instellen.
%Bij auto's met GPS kan ook bij een actieve
handmatige tijdaanpassing geen datum wor‐
den ingesteld. De datum wordt in dat geval
automatisch via de gekozen tijdzone inge‐
steld.
Verbinding
Overdracht van de positie van de auto in- en
uitschakelen
Multimediasysteem:
4©5Instellingen 5Systeem
5Wi-Fi & Bluetooth
#Positie auto doorgeven selecteren.
#De functie in- of uitschakelen.
Bluetooth®
Informatie over Bluetooth®
Bluetooth®is een techniek voor draadloze gege
vensoverdrachtoverkorte afstanden tot circa
10 m.
Via Bluetooth®kunt u bijvoorbeeld uw mobiele
telefoon met het multimediasysteem verbinden
en de volgende functies gebruiken:
RHandsfree-installatie met toegang tot de vol‐
gende opties:
-Contacten (/pagina 418)
-Nummerlijsten (/pagina 421)
-Sms (/pagina 422)
RInternetverbinding (/pagina 446)
RMuziek via Bluetooth®-audio beluisteren
(/pagina 459)
RVisitekaartjes (vCard) overbrengen naar de
auto
Bluetooth®is een geregistreerde handelsmerk
van de Bluetooth Special Interest Group (SIG)
Inc.
%Internetverbinding via Bluetooth®is niet in
alle landen beschikbaar.
Bluetooth®in- en uitschakelen
Multimediasysteem:
4©5Instellingen 5Systeem
5Wi-Fi & Bluetooth
#Bluetooth in- of uitschakelen.
Wi-Fi
Overzicht wifi-verbinding
Wifi kanworden gebruikt om een verbinding met
een wifi-netwerk tot stand te brengen en toe‐
gang tot het internet of andere netwerkappara‐
tuur te verkrijgen.
De volgende verbindingsmogelijkheden zijn
beschikbaar:
RWifi-verbinding
De WiFi-verbinding wordt met een WiFi-appa‐
raat, bijvoorbeeld de mobiele telefoon van de
klant of een tablet-PC, tot stand gebracht.
RMultimediasysteem als wifi-hotspot
MBUX multimediasysteem 345
Op deze manier kan bijvoorbeeld een tablet-
PC of notebook worden verbonden. Het ver‐
bonden apparaat kanvan het datatarief van
de auto gebruikmaken. Er kunnen maximaal
drie apparatentegelijk met de hotspot ver‐
bonden zijn.
%Het gebruik van het datatarief van de auto
door externe apparaten is niet in alle landen
mogelijk.
Voor de verbindingsopbouw kunt u deze metho‐
des gebruiken:
RWPS PIN
De verbinding met een beveiligd wifi-netwerk
vindt plaats via een pincode.
RWPS PBC
De verbinding met een beveiligd wifi-netwerk
vindt plaats met de druk op een toets (Push‐
button).
RBeveiligingssleutel
De verbinding met een beveiligd wifi-netwerk
vindt plaats via een beveiligingssleutel.
WiFi instellen
Voorwaarden
RVoor de WiFi-verbinding van het multime‐
diasysteem met nieuwe apparaten: Er is
geen communicatiemodule gemonteerd.
RHet te verbinden apparaat moet een van de
drie beschreven verbindingssoorten onder‐
steunen.
Multimediasysteem:
4©5Instellingen 5Systeem
5Wi-Fi & Bluetooth
WiFi in en uitschakelen
#Wi-Fi selecteren.
Als de WiFi is ingeschakeld kunt u het multi‐
mediasysteem met externe hotspots verbin‐
den. Als de WiFi is uitgeschakeld, is de com‐
municatie via WiFi met alle apparatuur onder‐
broken. Er kan ook geen verbinding met de
communicatiemodule worden gemaakt.
Functies zoals de dynamischeroutebegelei‐
ding met Live Traffic Information zijn dan niet
beschikbaar.
Het multimediasysteem via WiFi met een
nieuw apparaat verbinden
Als geen communicatiemodule is gemonteerd, is
deze functie beschikbaar.
Het type verbindingsopbouw moet op het multi‐
mediasysteem en op het te verbinden apparaat
zijn geselecteerd.
%Het verbindingsverloop kan afhankelijkvan
het apparaat afwijken. De aanwijzingenvol‐
gen die op de displaysworden weergegeven.
Meer informatie (zie de handleiding van de
auto).
#Internetinstellingen selecteren.
#Verbinden via Wi-Fi selecteren.
#Hotspot toevoegen selecteren.
Via beveiligingssleutel verbinden
#Opties rvan het gewenste WiFi-netwerk
selecteren.
#Verbinden via beveiligingssleutel selecteren.
#Op het te verbinden apparaat de beveiligings‐
sleutel laten weergeven (zie de handleiding
van de fabrikant).
346 MBUX multimediasysteem
#Deze beveiligingssleutel bij het multimedia‐
systeem invoeren.
#De invoer met ¡bevestigen.
%De verbindingssoort via een beveiligingssleu‐
tel ondersteunt alle apparaten.
Via WPS-PIN verbinden
#Opties rvan het gewenste WiFi-netwerk
selecteren.
#Via WPS PIN Invoer verbinden selecteren.
Het multimediasysteem genereert een pin‐
code met acht tekens.
#Deze pincode bij het te verbinden apparaat
invoeren.
#De invoer bevestigen.
Via een druk op de toetsverbinden
#Opties rvan het gewenste WiFi-netwerk
selecteren.
#Via WPS PBC verbinden selecteren.
#Bij het te verbinden apparaat in de optie "Via
WPS PBC verbinden" selecteren (zie de hand‐
leiding van de fabrikant).
#De WPS-toets op het te verbinden apparaat
indrukken.
#Op het multimediasysteem Verder selecte‐
ren.
Automatischeverbinding activeren
#Verbinden via Wi-Fi selecteren.
#Opties rvan het gewenste WiFi-netwerk
selecteren.
#Permanente internetverbinding inschakelen.
Met bekend WiFi-netwerk verbinden
#Verbinden via Wi-Fi selecteren.
#Een WiFi-netwerk selecteren.
De verbinding wordt opnieuw opgebouwd.
Wifi-hotspot instellen
Multimediasysteem:
4©5Instellingen 5Systeem
5Wi-Fi & Bluetooth
Multimediasysteem als wifi-hotspot configu‐
reren
Het type verbindingsopbouw is afhankelijk van
het te verbinden apparaat. De functie moet door
het multimediasysteem en door het te verbinden
apparaat worden ondersteund. Het type verbin‐
dingsopbouw moet op het multimediasysteem
en op het te verbinden apparaat zijn geselec‐
teerd.
#Voertuig-hotspot selecteren.
#Apparaat met hotspot in de auto verbinden
selecteren.
Via WPS PIN Generatie verbinden
#Via WPS PIN Generatie verbinden selecteren.
#De pincode die op het mediadisplay wordt
weergegeven, op het te verbinden apparaat
invoeren en bevestigen.
Via WPS PIN Invoer verbinden
#Via WPS PIN Invoer verbinden selecteren.
#De pincode die op het display van het
externe apparaat wordtweergegeven, in het
multimediasysteem invoeren.
Via een druk op de toetsverbinden
#Via WPS PBC verbinden selecteren.
MBUX multimediasysteem 347
#De pushbutton van het te verbinden apparaat
indrukken (zie de handleiding van de fabri‐
kant).
#Verder selecteren.
Via beveiligingssleutel verbinden
#Apparaat met hotspot in de auto verbinden
selecteren.
Er wordt een beveiligingssleutel weergege
ven.
#Op het te verbinden apparaat de auto selec‐
teren. Het wordtweergegeven met de net‐
werknaam MB Hotspot XXXXX.
#De beveiligingssleutel die op het mediadis‐
play wordtweergegeven, op het te verbinden
apparaat invoeren.
#De invoer bevestigen.
Via NFC verbinden
#Verbinden via NFC selecteren.
#NFC op het mobiele apparaat activeren (zie
de handleiding van de fabrikant).
#Het mobiele apparaat binnen het NFC-bereik
van de auto brengen (/pagina 415).
#Gereed selecteren.
Het mobiele apparaat is nu via NFC met de
Hotspot van het multimediasysteem verbon‐
den.
Nieuwe beveiligingssleutel genereren
#Voertuig-hotspot selecteren.
#Beveiligingssleutel aanmaken selecteren.
Voortaan wordt een verbinding met de nieuw
gegenereerde beveiligingssleutel opgebouwd.
#Beveiligingssleutel opslaan: Opslaan selec‐
teren.
Wanneer een nieuwe beveiligingssleutel
wordt opgeslagen, worden alle bestaande Wi-
Fi-verbindingen verbroken. Als opnieuw Wi-Fi-
verbindingen worden gemaakt, moet de
nieuwe beveiligingssleutel worden ingevoerd.
Systeemtaal
Aanwijzingen voor de systeemtaal
Met deze functie wordt de taal voor de menu‐
meldingen en de gesproken rij-aanwijzingen vast‐
gelegd. De taalselectie is van invloed op de
mogelijkheden voor de tekeninformatie. Niet alle
talen worden ondersteund voor de gesproken rij-
aanwijzingen. Als een taal niet wordt onder‐
steund, hoort u de gesproken rij-aanwijzingen in
het Engels.
Systeemtaal instellen
Multimediasysteem:
4©5Instellingen 5Systeem
5Taal
#De taal instellen.
%Als u gebruikmaakt van Arabisch kaartmate‐
riaal, kunt u de informatie in tekstvorm op de
navigatiekaart ook in Arabisch schrift laten
weergeven. Hiertoe als taal  uit de
talenlijst selecteren. De gesproken rij-aanwij‐
zingen worden dan eveneens in de Arabische
taal weergegeven.
Eenheid voor afstand instellen
Multimediasysteem:
4©5Instellingen 5Systeem
5Maateenheden
#km of mijl selecteren.
348 MBUX multimediasysteem
#Voor een weergave op het multifunctioneel
display van het instrumentendisplay Digitale
snelheidsmeter inschakelen.
Gegevensimport en gegevensexport
Functie voor het importeren/exporterenvan
gegevens
De volgende functies zijn mogelijk:
RGegevens van een systeem of een auto op
een ander systeem of een andere auto over‐
brengen.
REen veiligheidskopie van uw persoonlijke
gegevens aanmaken en weer laden.
RUw persoonlijke gegevens met pinbeveiliging
tegen ongewenste export beveiligen.
%In acht nemen dat het bestandssysteem
NTFS niet wordt ondersteund. Geadviseerd
wordt het bestandssysteem FAT32.
Gegevens importeren/exporteren
*AANWIJZING Gegevensverlies door te
vroeg verwijderen
#Bij het exporterenvangegevens niet de
gegevensdrager verwijderen.
Mercedes-Benz is niet aansprakelijk voor
eventueel verlies vangegevens.
Voorwaarden
RDe auto staat stil.
RHet contact is ingeschakeld.
REr is een usb-apparaat aangesloten.
Multimediasysteem:
4©5Instellingen 5Systeem
5Systeemback-up
#Gegevens importeren of Gegevens exporte-
ren selecteren.
Importeren
#Een gegevensdrager selecteren.
Er verschijnt een vraag of de actuele gege
vens werkelijk moetenworden overschreven.
Bij gegevens die van een andere auto afkom‐
stig zijn wordt dit bij het inlezen herkend.
#De vraag bevestigen.
De bestanden worden geïmporteerd. Wanneer
de gegevens geïmporteerd zijn, wordt het multi‐
mediasysteem opnieuw gestart.
%Actuele voertuiginstellingen kunnen na het
importerenveranderen.
Exporteren
Wanneer de pinbeveiliging is ingeschakeld, ver‐
schijnt het invoermenu voor de pincode.
#De viercijferige pincode invoeren.
#Een gegevensdrager selecteren.
Er verschijnt een vraag of de export werkelijk
moet worden uitgevoerd.
#De vraag bevestigen.
De gegevens worden geëxporteerd. De
export vangegevens kan enkele minuten
duren.
MBUX multimediasysteem 349
%Na een succesvolle export bevindt zich op
het opslagmedium een map met de naam
"MyMercedesBackup", waarin de geëxpor‐
teerde gegevens zijn opgeslagen.
Pincode-controle in- en uitschakelen
Voorwaarden
ROm de pincode te deblokkeren: Er is een
internetverbinding aanwezig.
REen Mercedes me account onder http://
www.mercedes.me is aanwezig.
REen individueel gebruikersprofiel is actief
(/pagina 323).
Multimediasysteem:
4©5Instellingen 5Systeem
5PIN-beveiliging
Pincode opslaan
#PIN instellen selecteren.
#Een viercijferige pincode invoeren.
#De viercijferige pincode opnieuw invoeren.
Wanneer beide pincodes overeenkomen, is
de pinbeveiliging actief.
Pincode wijzigen
#Instellingen wijzigen selecteren.
#De actuele pincode invoeren.
#PIN wijzigen selecteren.
#Een nieuwe pincode opslaan.
Pinbeveiliging voor gegevensexport active‐
ren
#Gegevensexport beveiligen selecteren.
De functie in- of uitschakelen.
PIN via Mercedes me-Portal deblokkeren
Wanneer u driemaal een verkeerde pincode
heeft ingevoerd, wordt uw pincode geblokkeerd.
Ukunt via de Mercedes me connect online por‐
tal een eenmalig wachtwoord laten toewijzen,
waarmee u de pinbeveiliging kunt terugzetten.
#PIN deblokkeren selecteren.
#Het eenmalige wachtwoord invoeren.
De pinbeveiliging wordtteruggezet en u kunt
een nieuwe pincode instellen.
Software-actualisering
Informatie met betrekking tot software-
update
Een software-update bestaat uit drie stappen:
RDownloaden of kopiëren van de voor de
installatie benodigde gegevens
RInstallatie van de update
RActivering van de update door het opnieuw
startenvan het systeem
Wanneer een update beschikbaar is, geeft het
multimediasysteem een overeenkomstige aan‐
wijzing.
Afhankelijk van de bron, kunnen verschillende
updates worden uitgevoerd:
350 MBUX multimediasysteem
Software-updates
Bron van de upda‐
tes
Type update
InternetNavigatiekaarten, sys‐
teemupdates, digitale
handleiding
Extern opslagme‐
dium, bijvoorbeeld
usb-stick
Navigatiekaarten
%De installatie kan enkele minuten duren en
kan niet worden geannuleerd. Als u de soft‐
ware-updates niet installeert, is uw auto niet
up-to-date. Individuele functies of bedie‐
ningselementen zijn tijdens de installatie niet
of slechts gedeeltelijk beschikbaar.
Voordelen van software-updates
Dankzij software-updates is uw auto up-to-date.
Om de kwaliteit van onze dienstente verbeteren,
ontvangt u in de toekomst updates voor uw mul‐
timediasysteem, de dienstenvan Mercedes me
connect en de communicatiemodule van uw
auto. Deze ontvangt u heel comfortabel via de
mobiele-telefoonverbinding van uw auto en ze
worden in de meeste gevallen automatisch uitge‐
voerd. Op de Mercedes me-Portalkunt u altijd
de status van uw updatesvolgen en informatie
over mogelijke nieuwigheden vinden.
Overzicht van de voordelen:
RSoftware-updates comfortabel via het
mobiele-telefoonnet ontvangen
RVerbetert de kwaliteit en beschikbaarheid
van de dienstenvan Mercedes me connect
RHoudt uw multimediasysteem en de commu‐
nicatiemodule up-to-date
Meer informatie over de software-updates onder
http://me.mercedes-benz.com
Software-update uitvoeren
Voorwaarden
RVoor online updates: Een internetverbinding
is beschikbaar (/pagina 446).
RVoor de automatische online update:De
auto beschikt over een vast ingebouwde
communicatiemodule.
Multimediasysteem:
4©5Instellingen 5Systeem
5Software-update
Automatisch
#Automatische online-update inschakelen.
De updates worden gedownload en geïnstal‐
leerd.
De status van de actuele stand van de upda‐
teswordt weergegeven.
Handmatig
#Automatische online-update uitschakelen.
#Een update uit de lijst selecteren en de actu‐
alisering starten.
Software-update activeren
#Het systeem opnieuw starten.
De wijzigingen van de software-update wor‐
den actief.
Functie van belangrijke systeemupdates
Voor de integriteit van de gegevens van uw mul‐
timediasysteem kunnen belangrijke systeemac‐
tualiseringen noodzakelijk zijn. Deze moeten
MBUX multimediasysteem 351
worden geïnstalleerd, omdat anders de veiligheid
van uw multimediasysteem niet meer kanwor‐
den gewaarborgd.
%Wanneer de automatische software-update
actief is, worden de systeemupdates auto‐
matisch gedownload (/pagina 351).
Zodra een update kanworden gedownload, ver‐
schijnt er een overeenkomstige melding op het
mediadisplay.
U heeft de volgende opties:
RAccepteren en installeren
De update wordt op de achtergrond gedown‐
load.
RInformatie
De informatie over de uit te voeren systeem‐
update wordtweergegeven.
RLater
De update kan op een later tijdstip handma‐
tig worden gedownload (/pagina 351).
Diepgaande systeemupdates
Diepgaande systeemupdates zijn van invloed op
voertuig- of systeeminstellingen en zijn daarom
alleen mogelijk als de auto stilstaat en het con‐
tact uitgeschakeld is.
Wanneer het downloaden van een diepgaande
systeemupdate beëindigd is en de update kan
worden geïnstalleerd, wordt u, bijvoorbeeld na
het uit- en inschakelen van het contact, hierover
geïnformeerd.
%De auto op een veilige en geschikte plaats
parkerenvoordat u met de installatie begint.
Voorwaarden voor de installatie:
RHet contact is uitgeschakeld.
RDe aanwijzingen en waarschuwingen zijn
gelezen en geaccepteerd.
RDe elektrische parkeerrem is bediend.
Wanneer aan alle voorwaarden is voldaan, wordt
de update geïnstalleerd. Tijdens de installatie
van de update kan het multimediasysteem niet
worden bediend en zijn de voertuigfuncties
beperkt.
Wanneer tijdens de installatie fouten optreden,
wordt automatisch geprobeerd om de vorige ver‐
sie weer te herstellen. Als het herstellen van de
vorige versie niet mogelijk is, verschijnt een sym‐
bool op het mediadisplay.Naar een gekwalifi‐
ceerdewerkplaats gaan om het probleem te
laten verhelpen.
Multimediasysteem terugzetten (reset-func‐
tie)
Multimediasysteem:
4©5Instellingen 5Systeem
5Terugzetten
Persoonlijke gegevens worden gewist, bijvoor‐
beeld:
RZendergeheugen
RVerbonden mobiele telefoons
RIndividueel gebruikersprofiel
%Het gastprofiel wordt bij het resetten op de
fabrieksinstellingen teruggezet.
Er verschijnt opnieuw een vraag of het terugzet‐
tenwerkelijk moet worden uitgevoerd.
#Ja selecteren.
Het multimediasysteem wordt in de afleve‐
ringstoestand teruggezet. Als u een pincode
352 MBUX multimediasysteem
voor uw systeem hebt ingesteld, wordt deze
eveneens teruggezet.
Fit & Healthy
ENERGIZING-stoelkinematica instellen
Voorwaarden
%Deze functies zijn alleen beschikbaar voor
volledig elektrisch instelbare stoelen met
geheugenfunctie.
Multimediasysteem:
4©5Comfort 5Zitcomfort
#Zitkinematica selecteren.
De ENERGIZING-stoelkinematica kan de gezond
heid van de rug ondersteunen door het verande‐
renvan de zithouding tijdens het rijden. Daarbij
worden door kleine bewegingen van het kussen
en de leuning de spieren en de gewrichten
steeds belast en ontlast.
Stoelkinematica starten
#Ìvoor de gewenste stoel selecteren.
#Het programma is actief gedurende de inge‐
stelde duur.
Stoelkinematica configureren
#Zvoor de gewenste stoel selecteren.
#Rugleuning of Rugleuning en zitting selecte‐
ren.
#De gewenste instelling selecteren.
Auto's met multicontourstoel:
Naast de rugleuning en de zitting kan ook de len‐
densteun deel uitmaken van de functie.
#Inclusief lendensteun in- of uitschakelen.
Duur instellen
#Zvoor de gewenste stoel selecteren
De volgende activeringsperioden zijn beschik‐
baar:
RKort (16 minuten)
RGemiddeld (32 minuten)
RLang (96 minuten)
#Een activeringsperiode selecteren.
Het geselecteerde programma start.
MBUX multimediasysteem 353
ENERGIZING COMFORT
Overzicht van ENERGIZING Comfort programma's
Programma-overzicht
Programma's Werking
Frisheid Kan door een gerichte wijziging van het klimaat in het interieur voor verkoeling van de inzittenden zorgen.
Door koelende luchtstromen en door ionisering wordt de luchtgereinigd. Het interieur wordt met koele
kleuren verlicht en de stoel wordtgeventileerd.
Warmte Kan het welzijn van de inzittenden verhogen. De vlakken-, stoel- en stuurwielverwarming zorgen daarbij
voor een weldadige warmte. De luchtwordt door de ionisering gereinigd en er komt een aangename geur
vrij. Het interieur wordtwarm verlicht.
Vitaliteit Kanvermoeidheid in monotone rijsituaties tegengaan. De activerende stimulatie van de inzittenden vindt
plaats door muziek met een snel ritme en een verkwikkende massage. De lucht wordt door de ionisering
gereinigd en er komt een aangename geur vrij. Het interieur wordt met opwekkende kleuren verlicht en de
stoel wordtgeventileerd.
Plezier Kanvoor een positieve stemming van de inzittenden zorgen. Dit gebeurt door middel vangematigd snelle
muziek en de activering van een massageprogramma. De lucht wordt door de ionisering gereinigd en er
komt een aangename geur vrij. Het interieur wordt met een vriendelijke kleur verlicht.
354 MBUX multimediasysteem
Programma's Werking
Behaaglijkheid Kan een lichamelijke en mentale ontspanning van de inzittenden ondersteunen. De ontspanning vindt
plaats via een rugmassage, in combinatie met lokale warmte. De luchtwordt door de ionisering gereinigd
en er komt een aangename geur vrij. De audioplayer speelt daarbij ontspannen muzieknummers en het
interieur wordt met aangename kleuren verlicht.
PowerNap Het programma bestaat uit drie fasen:
RInslaapfase
Hierbij wordt ontspannen muziek afgespeeld, waarbij de stoel verwarmt en decent masseert.
RSlaapfase
De actieve functies worden zoveel mogelijk uitgeschakeld of beperkt.
ROntwaakfase
In deze fase wordt licht activerende muziek afgespeeld, de lucht door ionisering gereinigd en geparfu‐
meerd. De stoel wordtgeventileerd. Het interieur wordt activerend verlicht.
Trainingen Kan optredende spierspanningen, ingeslapen ledematen of stress tegengaan door gerichte ontspannings-
of activeringsoefeningen. De oefeningen worden op korte video's gedemonstreerd. De lucht wordt door de
ionisering gereinigd en er komt een aangename geur vrij. Het interieur wordt met een bij de oefeningen
passende kleur verlicht.
%In acht nemen dat de beschikbare program‐
ma's en de betreffende functies van de uit‐
rusting van uw auto afhankelijk zijn. Afhanke‐
lijk van de uitrusting kunnen minder functies
beschikbaar zijn.
MBUX multimediasysteem 355
ENERGIZING comfort programma starten
&WAARSCHUWING Verhoogd gevaar voor
ongevallen bij gebruik van de ENERGI‐
ZING comfort programma's Tips en Trai-
ningen
Wanneer u tijdens het rijden de ENERGIZING
comfort programma's Tips en Trainingen
gebruikt, kunt u van de verkeerssituatie wor‐
den afgeleid.
#Oefeningen alleen uitvoeren als de ver‐
keerssituatie dit toelaat.
#Er bij het luisteren naar de tips op let‐
ten, dat u te allen tijde de verkeerssi‐
tuatie om u heen waarneemt.
Voorwaarden
RHet contact is ingeschakeld.
Multimediasysteem:
4Comfort 5ENERGIZING COMFORT
Stoel selecteren
#STOELEN selecteren.
#Een of meerdere stoelen selecteren.
Programma starten
#Frisheid,Warmte,Vitaliteit,Welbehagen of
Behaaglijkheid selecteren.
Het geselecteerde programma duurt tien minu‐
ten.
Programma's configureren
#Verdere opties rvan het gewenste pro‐
gramma selecteren.
#De aan het programma deelnemende func‐
ties in- of uitschakelen.
PowerNapstarten
#Power Nap selecteren.
Om Power Nap voor de bestuurdersstoel te kun‐
nen starten, moet aan de volgende voorwaarden
voldaan zijn:
RDe motor is afgezet.
RDe portieren zijn gesloten.
Bij de start vanPowerNapworden voor de
bestuurdersstoel automatisch de volgende
acties uitgevoerd:
RDe rolzonneschermen worden uitgerold.
RDe portieren worden vergrendeld.
RDe ruiten en het schuifdak worden gesloten.
%Voor de passagiersstoel en zitplaatsen ach‐
terin moet er, als de auto stilstaat, zelf op
worden gelet dat de auto tegen bijvoorbeeld
wegrollen, toegang van buitenaf of tegen het
binnendringen vanregen is beveiligd.
Duur vanPowerNap instellen
#Meer opties rvanPower Nap oproepen.
#Duur XX Min selecteren.
#De gewenste duur instellen.
Het programma duurt afhankelijk van de instel‐
ling tussen de 15 en 30 minuten.
Trainingsprogramma starten
#Trainingen selecteren.
356 MBUX multimediasysteem
De volgende instellingen staan ter beschikking:
RSpieractivatie
RSpierontspan.
RBalans
#Een programma selecteren.
De trainingsvideo wordtgestart in de media‐
speler.
%Meer informatie over het afspelen van vide‐
o's (/pagina 460).
ENERGIZING COACH
Functie van de ENERGIZING COACH
Voorwaarden
RDe dienst ENERGIZING COACH (ENERGIZING
COACH) is in de Mercedes me-Portal of de
Mercedes me app geactiveerd.
De ENERGIZING COACH zorgt voor analysevan
de rij- en bestuurderssituatie. Afhankelijk van de
situatie biedt de dienst aanbevelingen voor het
startenvan een geschikt ENERGIZING COMFORT
programma.
De volgende programma's kunnen worden gead‐
viseerd:
RVitaliteit
Als verkwikkend programma in bijvoorbeeld
monotone rijsituaties of bij het rijden over
lange afstanden.
Voor informatie over het programma Vitali‐
teit, zie (/pagina 354).
RWelbehagen
Als compenserend programma in veelei‐
sende rijsituaties.
Voor informatie over het programma Welbe‐
hagen, zie (/pagina 354).
Door het aansluiten van een GARMIN fitness
tracker, zoals de GARMIN vosmart®3, kan
extra informatie worden opgenomen in de ana‐
lyse voor het aanbevelen van een ENERGIZING
COMFORT programma. De extra informatie
omvat onder andere het stressniveau dat wordt
berekend door de fitness tracker. Het stressni‐
veau is voornamelijk gebaseerd op de polsslag.
Voorwaarden voor de integratie vanverdere
informatie door een GARMIN fitness tracker:
RUw fitness tracker is gekoppeld aan uw GAR‐
MIN-account.
RUw GARMIN-account is gekoppeld aan uw
Mercedes me-account.
Als u uw GARMIN fitness tracker ook 's nachts
draagt, worden de slaapgegevens meegenomen
in de analyse van de ENERGIZING COACH.
Voorwaarde voor de integratie van de slaapgege‐
vens:
RDe GARMIN fitness trackerwordtvoor aan‐
vang van de ritgesynchroniseerd met het
GARMIN-account.
%Als de ATTENTION ASSIST een te groot
gebrek aan aandacht constateert, worden
door de ENERGIZING COACHgeen adviezen
meer gegeven. Meer informatie over de
ATTENTION ASSIST (/pagina 256).
MBUX multimediasysteem 357
ENERGIZING COACHweergave oproepen
Multimediasysteem:
4©5Comfort
#ENERGIZING COACH selecteren.
Uw actuele polsslag en een evaluatie van uw
polsslag gedurende de laatste 30 minuten rij‐
tijd worden weergegeven.
Als er geen mobiele telefoon is verbonden of
gedurende langere tijd geen polsslag naar
het systeem kanworden verzonden, ver‐
schijnt er een overeenkomstige storingsmel‐
ding.
%Polsslagwaarden worden op het mediadis‐
play alleen in het bereik van 30‑140 bpm
weergegeven. De polsslagwaarden hebben
geen medische geldigheid, maar alleen een
informatief karakter en daarom kan er geen
aanspraak op juistheid worden gemaakt.
#In gevalvan een storingsmelding dient u te
controleren of aan de volgende voorwaarden
is voldaan:
RDe fitness tracker is gekoppeld aan uw
GARMIN-account.
RUw GARMIN-account is gekoppeld aan uw
Mercedes me-account op uw mobiele
telefoon.
RDe mobiele telefoon is als primaire tele‐
foon met het multimediasysteem verbon‐
den (/pagina 412).
Navigatie
Navigatie inschakelen
Multimediasysteem:
4©5Navigation (Navigatie)
#Alternatief: De toetszindrukken.
De kaart verschijnt. De actuele positie van de
auto wordtweergegeven. Het menu Navigatie
wordtweergegeven.
Wanneer een routebegeleiding actief is,
wordt het menu Navigatie verborgen.
Menu Navigatie in- en uitschakelen
4©5Navigatie
Als er geen routebegeleiding actief is, verschijnt
de kaart. Het menu Navigatie wordtweergege
ven.
Wanneer een routebegeleiding actief is, wordt
het menu Navigatie verborgen.
#Weergeven: Het touchscreen aantippen.
of
#Op de Touch-Control of de touchpad druk‐
ken.
#Verbergen: Het menu Navigatie wordt auto‐
matisch verborgen.
358 MBUX multimediasysteem
Overzicht navigatie
Digitale kaart met menu Navigatie (voor‐
beeld)
1Speciale bestemming of adres invoeren en
verdere bestemmingsinvoermogelijkheden
2Routebegeleiding afbreken (indien routebe‐
geleiding actief)
3Gesproken rij-aanwijzingen herhalen en
gesproken rij-aanwijzingen in- of uitschake
len
4Menu ONDERWEG oproepen
Routeoverzicht weergeven
Alternatieve routes selecteren
Verkeershinder melden (Car-to-X)
Menu VERKEER oproepen
Verkeersberichten weergeven
Gebiedsmeldingen weergeven
Live Traffic Abonnement Info weergeven
Routelijst weergeven
Menu POSITIE oproepen
Positie opslaan
MBUX multimediasysteem 359
Kompas weergeven
Qibla weergeven (in bepaalde landen
beschikbaar)
5Snelle toegangen en instellingen
Verkeer weergeven
Parkeren weergeven
Actieradius weergeven
ViaAanvullend opties voor Weergave,Mel-
dingen en Route gebruiken
Onder Route de optie Geoptimaliseerd voor
EQ inschakelen en instellingen voor laadsta‐
tions uitvoeren.
%De opties zijn niet in alle landen beschikbaar.
%Driewoordenadressen kunt u invoeren in de
online-zoekfunctie (/pagina 366). De optie
is niet in alle landen beschikbaar.
Bestemmingsinvoer
Aanwijzingen over bestemmingsinvoer
&WAARSCHUWING Gevaar voor afleiding
door het bedienen van de geïntegreerde
communicatieapparatuur tijdens het rij‐
den
Als u tijdens het rijden in de auto geïnte‐
greerde communicatieapparatuur bedient,
kunt u van de verkeerssituatie worden afge‐
leid. Bovendien kunt u de controle over de
auto verliezen.
#Deze apparatuur alleen bedienen als de
verkeerssituatie dit toelaat.
#Als dit niet kanworden gewaarborgd,
op een veilige plek stoppen en de invoe‐
ring als de auto stilstaat uitvoeren.
Bij het gebruik van het multimediasysteem de
wettelijke bepalingen in acht nemen van het land
waar u zich op dat moment bevindt.
Speciale bestemming of adres invoeren
&WAARSCHUWING Gevaar voor afleiding
door informatiesystemen en communica‐
tieapparatuur
Als u tijdens het rijden in de auto geïnte‐
greerde informatiesystemen en communica‐
tieapparatuur bedient, kunt u van de ver‐
keerssituatie worden afgeleid. Bovendien
kunt u de controle over de auto verliezen.
#Deze apparatuur alleen bedienen als de
verkeerssituatie dit toelaat.
#Als dit niet kanworden gewaarborgd,
op een veilige plek stoppen en de invoe‐
ring als de auto stilstaat uitvoeren.
Bij het gebruik van het multimediasysteem de
wettelijke bepalingen in acht nemen van het land
waar u zich op dat moment bevindt.
Voorwaarden
RVoor het online-zoeken: Mercedes me con‐
nect is beschikbaar.
RU hebt een gebruikersaccount op de
Mercedes me-Portal aangemaakt.
360 MBUX multimediasysteem
RDe auto is voor het gebruik van Mercedes me
connect vrijgeschakeld en u hebt de
gebruiksvoorwaarden voor de dienst geac‐
cepteerd.
Meer informatie vindt u onder: http://
www.mercedes.me
RDe dienst is geactiveerd.
Multimediasysteem:
4©5Navigatie 5ªWaarheen?
Onboard-zoeken met toetsenbord
De bestemmingsinvoer maakt voor het onboard-
zoeken gebruik van de data die in het multime‐
diasysteem is opgeslagen.
Het land waarin de auto zich bevindt, is ingesteld
1.
#De speciale bestemming of het adres via het
toetsenbord (afgebeeld) of via de hand‐
schriftherkenning 6in de invoerregel2
invoeren. Het invoeren kan in willekeurige
volgorde worden uitgevoerd.
Tijdens de bestemmingsinvoer geeft het mul‐
timediasysteem adviezen in 3. De bestem‐
ming kanworden gekozen in de lijst 3of
met 5a.
MBUX multimediasysteem 361
Ukunt bijvoorbeeld de volgende gegevens
invoeren:
RStad, straat, huisnummer
RStraat, stad
RPostcode
RNaam van de speciale bestemming
RSpeciale-bestemmingencategorie, bijvoor‐
beeld Parkeren
RStad, naam speciale bestemming
RTelefoonnummer, indien beschikbaar voor
de speciale bestemming
RContactnaam
Voorbeelden van een snelle adresinvoer:
RWanneer u bijvoorbeeld op zoek bent
naar de nigsstraße in Stuttgart,kunt u
STUT en N invoeren.
RWanneer u bijvoorbeeld op zoek bent
naar een speciale bestemming in Groot-
Brittannië, kunt u THE SHARD invoeren.
Indien u beide voorbeelden wilt proberen,
moet u zo nodig het land wijzigen.
#Als alternatief de spraakinvoer 8gebruiken.
#Omschakelen op handschriftherkenning:
6selecteren.
#Het teken op de touchpad schrijven. De
tekens kunnen naast elkaar of over elkaar
worden geschreven (/pagina 336).
#Terug naar invoer via toetsenbord: _
selecteren.
of
#Op de touchpad drukken.
#Invoer wissen: 4selecteren.
De tekens worden een voor een gewist.
of
#Wanneer tekens in 2zijn ingevoerd, £
naast de invoerregel selecteren.
De invoer wordtvolledig gewist.
#Naar hoofdletters of kleine letters
omschakelen: Bselecteren.
#Naar cijfers, speciale tekens en symbo‐
len omschakelen: Aselecteren.
123 verandert in ABC.
De weergave Bwisselt naar #+=.
#Bselecteren en op andere speciale tekens
omschakelen.
#Spatie invoegen: 7selecteren.
#Schrijftaal instellen: 9selecteren.
#De schrijftaal selecteren.
%Deze functie is zinvolvoor landen waarin
meerdere tekensets worden ondersteund.
Een voorbeeld is Rusland met het cyrillische
en Latijnse schrift.
#Land wijzigen: De landcode 1selecteren.
#De landcode invoeren, bijvoorbeeld Fvoor
Frankrijk.
De lijst wordtgefilterd.
#Het land in de lijst 3selecteren.
De bestemming kanworden ingevoerd.
#Bestemming overnemen: De bestemming
in de lijst 3selecteren.
#Indien de bestemming niet eenduidig is, de
bestemming in de lijst selecteren.
De bestemmingsinformatie wordtweergege‐
ven. De route kanworden berekend.
362 MBUX multimediasysteem
Online-zoeken gebruiken
%Voorwaarden: Het mediadisplay toont in de
statusregel een internetverbinding met een
symbool met een dubbele pijl.
Het online zoeken is niet in alle landen beschik‐
baar.
De bestemmingsinvoer maakt gebruik van
online-kaartdiensten. Wanneer het onboard-zoe‐
kengeen passende bestemmingen vindt of wan‐
neer van land wordtgewisseld, is het online-zoe‐
ken beschikbaar.
Als bestemming kunt u een adres, een speciale
bestemming of een driewoordenadres invoeren.
%Een driewoordenadres invoeren
(/pagina 366).
#De landcode 1selecteren.
#De aanbieder voor de online-dienst in de lan‐
denlijst selecteren.
of
#Wanneer het onboard-zoeken geen zoekre‐
sultaten oplevert, de bestemming in de
invoerregel invoeren. De volgorde is hierbij
willekeurig, bijvoorbeeld straat en stad. De
voor het onboard-zoeken beschreven func‐
ties gebruiken.
De zoekresultaten worden weergegeven.
#De bestemming in de lijst selecteren.
Het detailoverzicht van de route wordtweer‐
gegeven.
Laatste bestemmingen selecteren
Voorwaarden
RLaatste bestemmingen zijn opgeslagen.
RVoor bestemmingsadviezen: U hebt een
profiel aangemaakt (/pagina 322).
RDe optie Bestemmingsadviezen toestaan is
ingeschakeld (/pagina 327).
RHet multimediasysteem heeft reeds vol‐
doende gegevens verzameld om bestem‐
mingsadviezen weer te geven.
Multimediasysteem:
4©5Navigatie 5ªWaarheen?
5LAATSTE BESTEM.
De volgende items kunnen bij de laatste bestem‐
mingen worden geselecteerd:
RBestemmingsadviezen (/pagina 388)
RBestemmingen
RRoutes
#De bestemming of de route selecteren.
De bestemmingsinformatie wordtweergege
ven. De route kanworden berekend.
%Ukunt een laatste bestemming of een
bestemmingsadvies als favoriet opslaan
(/pagina 388).
Via de favorieten kunt u snel toegang krijgen
tot de bestemmingen (/pagina 367).
Speciale bestemming selecteren
Voorwaarden
RVoor het gebruik van persoonlijke speci‐
ale bestemmingen: Een usb-apparaat is met
het multimediasysteem verbonden.
ROp het usb-apparaat zijn persoonlijke speci‐
ale bestemmingen in het bestandsformaat
GPS Exchange Format (.gpx) in de map "Per‐
sonalPOI" opgeslagen.
MBUX multimediasysteem 363
Multimediasysteem:
4©5Navigatie 5ªWaarheen?
5SPEC. BESTEMMINGEN
Via categorieën zoeken (geen routebegelei‐
ding)
#De categorie selecteren.
of
#Alle categorieën selecteren.
#De categorie en de subcategorie (indien
beschikbaar) selecteren.
Het zoeken vindt plaats in de omgeving van
de actuele positie van de auto. De zoekresul‐
taten zijn gesorteerd op oplopende afstand.
De speciale bestemmingen tonen de vol‐
gende informatie:
RRechtstreekserichting naar speciale
bestemming (pijl)
RNaam van de speciale bestemming
RHemelsbrede afstand naar speciale
bestemming
#Op categorieën of in zoekresultaten fil‐
teren: In het tekstveld ªZoeken een
zoekterm invoeren.
#Een speciale bestemming in de lijst selecte‐
ren.
De bestemmingsinformatie wordtweergege
ven. De route kanworden berekend.
Via categorieën zoeken (routebegeleiding
actief)
#De categorie selecteren.
of
#Alle categorieën selecteren.
#De categorie en de subcategorie (indien
beschikbaar) selecteren.
#Op categorieën of in zoekresultaten fil‐
teren: In het tekstveld ªZoeken een
zoekterm invoeren.
#Een van de zoekposities In de omgeving,In
omgeving van bestemming of Langs de route
selecteren.
#Wanneer er tussenbestemmingen zijn en In
omgeving van bestemming is geselecteerd,
de zoekpositie in het routeoverzicht selecte‐
ren.
#Een speciale bestemming in de lijst selecte‐
ren.
De bestemmingsinformatie wordtweergege
ven. De route kanworden berekend.
Naar persoonlijke speciale bestemmingen
zoeken
#Persoonlijke speciale bestemmingen selecte‐
ren.
#Een categorie selecteren.
#Als een routebegeleiding actief is, een van de
zoekposities In de omgeving In omgeving
van bestemming of Langs de route selecte‐
ren.
#Een persoonlijke speciale bestemming selec‐
teren.
De bestemmingsinformatie wordtweergege
ven. De route kanworden berekend.
of
#In het zoekvenster een zoekterm invoeren en
de lijst filteren.
364 MBUX multimediasysteem
#Een persoonlijke speciale bestemming selec‐
teren.
Persoonlijke speciale bestemmingencatego‐
rie bewerken
#In de lijst een persoonlijke speciale bestem‐
mingencategorie selecteren s.
Een menu verschijnt.
#Naam wijzigen: Naam wijzigen selecteren.
#De naam invoeren.
#aselecteren.
#Symbool wijzigen: Icoon wijzigen selecte‐
ren.
#Een symbool selecteren.
#Persoonlijke speciale bestemmingencate‐
gorie wissen: Wissen selecteren.
#Ja selecteren.
Categorie voor snelle toegang configureren
Voor snelle toegang kunt u categorieën configu‐
reren.
Wanneer u bijvoorbeeld een route berekent, zijn
de eerste drie van deze categorieën beschikbaar
als symbolen.
#Alle categorieën selecteren.
#De categorie en de subcategorie (indien
beschikbaar) selecteren.
#fof ßselecteren.
fvoegt de categorie toe.
ßverwijdert de categorie.
#Als alle beschikbare snelle toegangen bezet
zijn, de categorie selecteren die moet wor‐
den vervangen.
Contact voor de bestemmingsinvoer selecte‐
ren
Voorwaarden
REen mobiele telefoon is met het multimedia‐
systeem verbonden (/pagina 412).
Multimediasysteem:
4©5Navigatie 5ªWaarheen?
5CONTACTEN
Via contactlijst
#Een contact selecteren.
De contactgegevens worden weergegeven.
#Het adres selecteren.
Via zoekinvoer
#In het zoekvenster bijvoorbeeld de naam of
het telefoonnummer invoeren.
#aselecteren.
#Het contact selecteren.
#Het adres selecteren.
De bestemmingsinformatie wordtweergege
ven. De route kanworden berekend.
%De routebegeleiding naar het contactadres is
in de volgende gevallen betrouwbaar:
RHet contactadres is volledig.
RDe contactgegevens komen met de
kaartgegevens van de digitale kaart over‐
een.
Geo-coördinaten invoeren
Multimediasysteem:
4©5Navigatie 5ªWaarheen?
5GEO-COÖRDINATEN
#Breedte of Lengte selecteren.
#De geo-coördinaten als breedte- en lengte‐
graden altijd in graden, minuten en seconden
MBUX multimediasysteem 365
selecteren. Hiertoe omhoog of omlaag
vegen.
De kaart geeft de positie weer.
#De invoer met abevestigen.
#Bestemming instellen: ¥of ¦selec‐
teren.
#De route berekenen (/pagina 368).
Bestemming als driewoordenadres invoeren
Voorwaarden
RBestemming zoeken via het driewoorden‐
adres is mogelijk in het online zoeken
(/pagina 360).
RHet mediadisplay toont in de statusregel een
internetverbinding met een symbool met een
dubbele pijl.
%Bestemming zoeken via het driewoorden‐
adres invoeren is niet in alle talen beschik‐
baar.
Multimediasysteem:
4©5Navigatie 5ªWaarheen?
#De landcode selecteren.
#De aanbieder voor de online-dienst in de lan‐
denlijst selecteren.
of
#Wanneer de Onboard-zoekfunctie geen zoe‐
kresultaten oplevert, de bestemming als drie‐
woordenadres invoeren. De woorden telkens
door een punt van elkaar scheiden.
De zoekresultaten worden weergegeven.
#De bestemming in de lijst selecteren.
De bestemmingsinformatie wordtweergege
ven. De route kanworden berekend.
%Driewoordenadressen van what3words zijn
een alternatief adresseringssysteem voor het
meertalig georefereren van alle locaties op
aarde, die daarbij in hokjes van drie bij drie
meterworden ingedeeld. Door deze raste‐
ring worden eveneens plaatsen op het aard‐
oppervlak afgedekt die geen gebouwadres,
zoals een straat en huisnummer, hebben.
De Brandenburger Tor heeft het volgende
taalafhankelijke driewoordenadres:
RDuits: tapfer.gebäude.verliehen
REngels: that.lands.winning
RFrans: posteaux.bobineur.ombrant
Driewoordenadres zijn ondubbelzinnig,
gemakkelijk te onthouden en geschikt voor
de meeste alledaagse toepassingen.
Adressen kunnen naar driewoordenadressen
worden geconverteerd en andersom:
Rop de website http://what3words.com
Rin de apps van what3words
Bestemming op de kaart selecteren
Multimediasysteem:
4©5Navigatie
#De kaart verschuiven (/pagina 397).
#Op het touchscreen: Het touchscreen lang
indrukken.
De bestemmingsinformatie wordtweergege
ven.
Wanneer meerdere bestemmingen op de
geselecteerde positie liggen, toont een lijst
beschikbare straten en speciale bestemmin‐
gen.
#De bestemming in de lijst selecteren.
De bestemmingsinformatie wordtweergege
ven. De route kanworden berekend.
366 MBUX multimediasysteem
#Op de touchpad: Wanneer het vizier de
bestemming markeert, lang op de touchpad
drukken.
De bestemmingsinformatie wordtweergege
ven.
Wanneer meerdere bestemmingen in de
omgeving van het vizier liggen, toont een lijst
beschikbare speciale bestemmingen en stra‐
ten.
#De bestemming in de lijst selecteren.
De bestemmingsinformatie wordtweergege
ven. De route kanworden berekend.
Speciale bestemmingen in omgeving weerge
ven
Wanneer meerdere bestemmingen in de omge‐
ving van het vizier liggen, is de functie beschik‐
baar.
#Äselecteren.
#Spec. best. in de omgeving selecteren.
De kaart verschijnt.
#Op het bedieningselement naar links of
rechts vegen.
De vorige of volgende speciale bestemming
wordt op de kaart gemarkeerd. De naam of
het adres wordtweergegeven.
#Het symbool voor speciale bestemming
selecteren.
of
#Weergave filteren op speciale-bestemmin‐
gencategorie: Op het bedieningselement
scrollen.
#De speciale-bestemmingencategorie selecte‐
ren.
Bestemming uit favorieten selecteren
Voorwaarden
RBestemmingen zijn als favorieten opgeslagen.
Een laatste bestemming of een bestem‐
mingsadvies als favoriet opslaan
(/pagina 388).
Multimediasysteem:
4©5Navigatie 5ªWaarheen?
5FAVORIETEN
#Een favoriet selecteren.
De bestemmingsinformatie wordtweergege
ven. De route kanworden berekend.
De volgende opties staan ter beschikking in het
menu Favorieten:
RAdressen voor thuis en werk opslaan
RFavorieten aanmaken
RFavorieten wissen
#Noggeen adressen voor thuis en werk
opgeslagen: Thuis of Werk selecteren.
#De vraag met Ja bevestigen.
#De favoriet als speciale bestemming of adres
invoeren (/pagina 360).
#Favoriet aanmaken: Favoriet toevoegen
selecteren.
#De favoriet als speciale bestemming of adres
invoeren (/pagina 360).
of
MBUX multimediasysteem 367
#Wanneer alle posities in de favoriet zijn opge‐
slagen, eerst een favorieten selecteren die
moet worden overschreven (/pagina 329).
#De instructies opvolgen.
#Favoriet wissen: Voor een bestemming
Vselecteren.
#Wissen selecteren.
of
#Een favoriet zo lang ingedrukt houden, tot
het menu OPTIES verschijnt.
#Wissen selecteren.
Ontvangen bestemmingen selecteren
Voorwaarden
REr is een internetverbinding aanwezig.
REr zijn bestemmingen aan de auto verzonden.
Multimediasysteem:
4©5Navigatie 5ªWaarheen?
5ONTVANGEN BESTEM.
De auto kan bestemmingen ontvangen van dien‐
sten, services of apps.
#Een bestemming selecteren.
De bestemmingsinformatie wordtweergege‐
ven. De route kanworden berekend.
%Een ontvangbare bestemming kunt u in de
favorieten opslaan (/pagina 388).
Via de favorieten kunt u snel toegang krijgen
tot de bestemmingen (/pagina 367).
Ontvangen bestemming wissen
#Bestemming wissen: Voor een bestemming
Vselecteren.
#Wissen selecteren.
#Ja selecteren.
#Alle bestemmingen wissen: Äselecte‐
ren.
#Alles wissen selecteren.
#Ja selecteren.
Route
Route berekenen
Voorwaarden
RDe bestemming is ingevoerd.
RDe bestemmingsinformatie wordtweergege‐
ven.
RVoor een voor EQ geoptimaliseerde
route: Mercedes me connect is beschikbaar.
RU beschikt over een gebruikersaccount op
Mercedes me connect en de auto is aan het
account gekoppeld.
RDe dienst “EQ Remote- & navigatieservi‐
ces“ is in de Mercedes me-Portal beschik‐
baar en activeerbaar.
Tot de omvang behoren de diensten “Geopti‐
maliseerde EQ navigatie“ en “Weergave van
laadstations“.
RDe route-optie Geoptimaliseerd voor EQ is
ingeschakeld (/pagina 371).
%De route-optie Geoptimaliseerd voor EQ is
landsafhankelijk.
368 MBUX multimediasysteem
1¥Er is nog geen route
¦Er is reeds een route
#¥selecteren.
De voor EQ geoptimaliseerde route wordt
automatisch en intelligent tot aan de bestem‐
ming berekend. Deze wordt tijdens de route‐
begeleiding geactualiseerd. De voor EQ geop‐
timaliseerde route bevat de noodzakelijke
laadstations als tussenbestemmingen. De
laadstations worden met inachtneming van
de afstand en de geschatte laadtijden
bepaald.
De kaart geeft de route weer. Daarna start
de routebegeleiding.
of
#¦selecteren.
Als er reeds een route is, verschijnt er een
vraag.
#Als tussenbest. instellen selecteren.
De geselecteerde bestemming wordt inge‐
steld als volgende tussenbestemming. De
routebegeleiding begint.
Wanneer reeds alle posities voor tussenbe‐
stemming vergeven zijn, vraagt het multime‐
diasysteem of een tussenbestemming moet
worden gewist. De vraag met Ja bevestigen.
Een door het multimediasysteem ingesteld
laadstation wordt niet gewist.
of
#Nieuwe routebeg. starten selecteren.
De geselecteerde bestemming wordt inge‐
steld als nieuwe bestemming. De vorige
bestemming en de tussenbestemmingen
worden gewist. De routebegeleiding naar de
nieuwe bestemming wordtgestart. Indien
noodzakelijk stelt het multimediasysteem
laadstations als tussenbestemming in.
Speciale bestemmingen in de omgeving van
de aangegeven bestemming zoeken
%De symbolen voor speciale bestemmingen
rechts naast Spec. best. in omgeving tonen
de eerste drie categorieën voor snelle toe‐
gang. Deze categorieën kunt u configureren
(/pagina 363).
#Een symbool voor een speciale bestemming
selecteren.
De zoekresultatenworden weergegeven.
#Een speciale bestemming selecteren.
De bestemmingsinformatie wordtweergege
ven. De route kanworden berekend.
of
#Spec. best. in omgeving rselecteren.
#Via categorieën zoeken, een zoekterm invoe‐
ren of naar persoonlijke speciale bestemmin‐
gen zoeken (/pagina 363).
#Een speciale bestemming selecteren.
De bestemmingsinformatie wordtweergege
ven. De route kanworden berekend.
MBUX multimediasysteem 369
Overige menufuncties
#Bestemming in geheugen opslaan: f
selecteren.
#Een optie selecteren.
De volgende opties staan ter beschikking:
ROpslaan in "Laatste bestemm."
ROpslaan als favoriet
RAls "Thuis" opslaan
RAls "Werk" opslaan
#Op de bestemming bellen: Wanneer een
telefoonnummer beschikbaar is, Bellen selec‐
teren.
#Bestemming via NFC of QR-code delen:
Delen via NFC of QR-code selecteren.
#Het NFC-gedeelte van de mobiele telefoon
(zie de handleiding van de fabrikant) bij de
mat houden of de mobiele telefoon erop leg‐
gen (/pagina 415).
of
#De mobiele telefoon bij het multimediasys‐
teem houden en de QR-code scannen.
#Internetadres oproepen: Wanneer een
internetadres beschikbaar is, www selecte‐
ren.
#Weergeven op de kaart: Op de kaart weer-
geven selecteren.
Overzicht: Voor EQ geoptimaliseerde route
Wanneer de route-optie Geoptimaliseerd voor
EQ ingeschakeld is, vindt de routeberekening
voor een voor EQ geoptimaliseerde route plaats.
Deze bevat de noodzakelijke laadstations als tus‐
senbestemmingen voor de routebegeleiding. De
laadstations worden met inachtneming van
afstand en laadtijden bepaald.
De voor EQ geoptimaliseerde route maakt
gebruik van de volgende gegevens:
ROnline-route
De routeberekening bepaalt een online-route.
De online-route wordt tijdens het rijden con‐
tinu geactualiseerd, bijvoorbeeld als ver‐
keersinformatie beschikbaar is.
REQ-specifieke voertuiginformatie
Er wordt bijvoorbeeld rekening gehouden met
de actuele laadtoestand van de hoogspan‐
ningsaccu en het elektrischeverbruik.
RLaadstations
Deze worden als tussenbestemming voor de
online-route beschikbaar gesteld.
Het multimediasysteem geeft tijdens de routebe‐
geleiding aanbevelingen voor een optimale rij‐
stijl.
%Wanneer de actieve actieradiusbewaking een
lagere rijsnelheid heeft berekend, kan deze
in de snelheidsmeter worden weergegeven .
Bij de weergave van de rijsnelheid kunnen
afhankelijkvan de rijsituatie en rijomstandig‐
heden afwijkingen optreden.
De geadviseerde rijsnelheid wordt afhanke
lijk van de volgende voertuigfuncties ingere‐
geld:
RRijprogramma's (/pagina 175)
RDISTRONIC (/pagina 219)
RTEMPOMAT (/pagina 215) en limiter
(/pagina 216)
370 MBUX multimediasysteem
%De volgende voertuigfuncties ondersteunen
u bij een geoptimaliseerde EQ rijstijl:
RRijprogramma Í(MaxRange)
(/pagina 175)
RRijprogramma ;(Eco)
(/pagina 175)
RBeide rijprogramma's omvatten de func‐
tie haptisch gaspedaal (/pagina 175).
Route-opties voor een voor EQ geoptimali‐
seerde route inschakelen
Multimediasysteem:
4©5Navigatie 5Z
5Aanvullend 5Route
#De route-optie Geoptimaliseerd voor EQ
inschakelen.
De displaytoets is geactiveerd. De actieve
actieradiusbewaking is ingeschakeld.
Wanneer de route wordt berekend en de
laadtoestand van de hoogspanningsaccu niet
voldoende is om de bestemming te kunnen
bereiken, worden automatisch laadstations
als tussenbestemmingen ingesteld.
Het multimediasysteem geeft tijdens de rou‐
tebegeleiding aanbevelingen voor een opti‐
male rijstijl.
Instellingen voor laadstations op de voor EQ
geoptimaliseerde route selecteren
Voorwaarden
RDe dienst “EQ Remote- & navigatieservi‐
ces“ is in de Mercedes me-Portal beschik‐
baar en activeerbaar.
Tot de omvang behoren de diensten “Geopti‐
maliseerde EQ navigatie“ en “Weergave van
laadstations“.
RDe dienst Mercedes me Charge is in de
Mercedes me-Portal beschikbaar en geboekt.
Multimediasysteem:
4©5Navigatie 5Z
5Aanvullend 5Route 5Laadstations
%De instellingen voor de laadstations zijn niet
in alle landen beschikbaar.
#Instellingen voor laadstations selecteren:
Voorklimatisering in- of uitschakelen.
Wanneer de optie is ingeschakeld, is het inte‐
rieur bij elk laadstation van de voor EQ geop‐
timaliseerde route al op temperatuur
gebracht.
#Laadtoestand van de hoogspanningsaccu
instellen: De laadtoestand in procenten (%)
selecteren waarmee de bestemming of het
laadstation langs de route kanworden
bereikt.
#Aanbieder selecteren: Mercedes me
Charge in- of uitschakelen.
Wanneer de optie ingeschakeld is, vinden de
toegang en de betaling en afrekening van uit‐
gevoerde laadprocedures plaats via de dienst
Mercedes me Charge.
of
#Allen inschakelen.
Ongeacht het betaaltype wordt bij het bere‐
kenen van een voor EQ geoptimaliseerde
route met alle bij de navigatie bekende laad‐
stations rekening gehouden.
MBUX multimediasysteem 371
Laadstations op de kaart weergeven
Voorwaarden
RMercedes me connect is beschikbaar.
RU beschikt over een gebruikersaccount op
Mercedes me connect en de auto is aan het
account gekoppeld.
RDe dienst "EQ Remote- & navigatieservices"
is in de Mercedes me-Portal beschikbaar en
activeerbaar.
Tot de omvang behoren de diensten "Geopti‐
maliseerde EQ navigatie" en "Weergavevan
laadstations".
Multimediasysteem:
4©5Navigatie 5Z
5Aanvullend 5Route
#Geoptimaliseerd voor EQ inschakelen.
De displaytoets is geactiveerd. De Range
Assistant is ingeschakeld.
De laadstations uit de online kaartinhoud
worden in de omgeving van de actuele posi‐
tie van de auto weergegeven.
Opladen op een voor EQ geoptimaliseerde
route met Mercedes me Charge betalen
Voorwaarden
RDe service Mercedes me Charge is in de
Mercedes me-Portal beschikbaar en geboekt.
RU hebt zich bij een provider geregistreerd en
de diensten "EQ Remote- en navigatieservi‐
ces" en "Mercedes me Charge" zijn geacti‐
veerd.
RVoor de selectie van een laadstation: De
optie Geoptimaliseerd voor EQ is in het multi‐
mediasysteem ingeschakeld.
RVoor de authentificatie aan het laadsta‐
tion: U hebt zich in de Mercedes me-Portal
bij de betreffende contractpartners met uw
betalingsgegevens voor het betalen van het
opladen geregistreerd.
RDe Mercedes me App is op het externe appa‐
raat, bijvoorbeeld een tablet of smartphone,
geïnstalleerd.
RVoor laadstations zonder toegang op afstand
heeft u een RFID-kaart bij de contractpartner
aangeschaft.
Multimediasysteem:
4©5Navigatie
%De volgende informatie in acht nemen:
RDe aanwijzingen met betrekking tot het
opladen van de hoogspanningsaccu lezen
(/pagina 181).
RDe aanwijzingen met betrekking tot het
opladen van de hoogspanningsaccu op
het laadstation lezen (/pagina 189).
RVoor de selectie van een laadstation:
De gegevens van de laadstations zijn
gebaseerd op de online informatie die
door de betreffende derde aanbieder is
verstrekt.
RAltijd de lokale informatie en omstandig‐
heden in acht nemen.
#Laadstation selecteren: In de kaart een
symbool voor een laadstation of een sym‐
boolgroep voor meerdere laadstations aan‐
tippen.
#Wanneer een symboolgroep wordtgeselec‐
teerd, het laadstation in de lijst selecteren.
372 MBUX multimediasysteem
De volgende informatie wordtweergegeven
(indien beschikbaar):
RNaam van de aanbieder van het laadstation
RAdresvan het laadstation
RStekker met beschikbaarheid en informatie
over het laadvermogen
ROpeningstijden
RNaam van het laadstation
RTijd en afstandvan het laadstation tot de
auto
RAuthentificatiemethode
RBetalingsmethode
RContactinformatie van de aanbieder van het
laadstation
RAlgemene kosten en laadkosten
RGeschatte laadkosten en, indien beschikbaar,
uw beschikbare gecontracteerde volume
#De route berekenen (/pagina 368).
%Indien de functie beschikbaar is, kan het
starten en stoppen van het opladen worden
geselecteerd.
#Toegang op afstand tot het laadstation
(starten en stoppen): In de app een laadsta‐
tion in het kaartenmenu selecteren.
#De details over de widget (programmasym‐
bool) weergeven.
#Opladen starten selecteren.
Het opladen start. Bovendien wordt de door
de derde aanbieder gedeponeerde betaal‐
overeenkomst geautoriseerd.
%Voor enkele laadstations is de toegang op
afstand niet beschikbaar. Gebruik in dit geval
uw RFID-kaart om het opladen te activeren
(indien beschikbaar).
#Indien noodzakelijk de pincode voor de per‐
sonalisatie invoeren.
#De actie bevestigen.
#Indien noodzakelijk de stekker-ID uit de
weergegeven lijst selecteren.
De geselecteerde laadstekker wordt ontgren‐
deld.
#Het opladen starten.
De start van het opladen wordtweergegeven.
#In de app de displaytoetsOpladen stoppen
selecteren.
Het opladen wordt beëindigd.
De betaling vindt automatisch plaats.
Als gegevens van derde aanbieders beschik‐
baar zijn, ontvangt u deze informatie:
ROverzicht bij het opladen
RGeschatte kosten
%Bij de opgesomde kosten kunnen er afwijkin‐
gen zijn bij de verrekende kosten.
Routetype selecteren
Voorwaarden
RVoor de berekening van een voor EQ geopti‐
maliseerde route moet de optie Geoptimali-
seerd voor EQ ingeschakeld zijn
(/pagina 371).
Multimediasysteem:
4©5Navigatie 5Z
5Aanvullend 5Route 5Routetype
#Het routetype selecteren.
Als er nog geen route is, vindt de volgende
routeberekening met dit routetype plaats.
MBUX multimediasysteem 373
Wanneer er reeds een route is, wordt de
route met het nieuwe routetype berekend.
%Voor de routetypen wordt bij de routebereke‐
ning geen rekening gehouden met laadstati‐
ons.
De volgende routetypes zijn beschikbaar:
RSnel
Deze route wordt met kortst mogelijke reis‐
tijd berekend.
RKort
Deze route wordt met kortst mogelijke
afstand berekend.
REco
Er wordt een economische route berekend.
Deze reistijd kan iets langer zijn dan bij de
snelle route.
RAanhang.
De optie is beschikbaar, wanneer een aan‐
hangwagen aan de auto is gekoppeld.
In het multimediasysteem wordt een bevesti‐
gingsvraag weergegeven. De vraag bevesti‐
gen.
De route wordtgeoptimaliseerd voor het rij‐
den met aanhangwagen.
Voor deze routetypen kunnen de volgende
opties worden geselecteerd:
#Dyn. routebegeleiding rselecteren.
#Automatisch,Na bevestigingsvraag of Uit
selecteren.
Verklaring van de opties:
RAutomatisch
De route wordt met het actueel ingestelde
routetype berekend.
Er wordtrekening gehouden met verkeersin‐
formatie van Live Traffic Information of FM
RDS-TMC (/pagina 389).
Live Traffic Information en FM RDS-TMC zijn
niet in alle landen beschikbaar.
RNa bevestigingsvraag
Wanneer op basis vanverkeersinformatie
een nieuwe route met een kortere reistijd
wordt bepaald, verschijnt er een vraag. In dat
gevalkunt u de actuele route verder gebrui‐
ken of de dynamischeroute overnemen
(/pagina 374).
RUit
Voor de route wordtgeen rekening gehouden
met verkeersmeldingen.
Alternatieve routes berekenen
%Wanneer Geoptimaliseerd voor EQ voor de
routeberekening ingeschakeld is, worden
geen alternatieve routes berekend
(/pagina 371).
#Alternatief voorstellen inschakelen.
De displaytoets is geactiveerd. Voor elke
route worden alternatieve routes berekend.
#Een alternatieve routes selecteren
(/pagina 378).
Omleidingsadvies na vraag overnemen
Voorwaarden
RIn het menu DYN. ROUTEBEGELEIDING is Na
bevestigingsvraag ingeschakeld
(/pagina 373).
RDe routebegeleiding is actief.
374 MBUX multimediasysteem
REr zijn verkeersmeldingen voor de actueel
route aanwezig.
Wanneer een nieuwe route met een kortere reis‐
tijd wordt bepaald, worden de actuele en de
nieuwe route weergegeven.
In een andere toepassing wordt een berichtge‐
ving weergegeven. De berichtgeving bevestigen.
#Nieuwe route overnemen: Omleidingsad-
vies overnemen selecteren.
#Actuele route aanhouden: Actuele route
blijven volgen selecteren.
Route-opties selecteren
Multimediasysteem:
4©5Navigatie 5Z
5Aanvullend 5Route
Te vermijden gebieden
#Te vermijden-opties selecteren.
#Gebieden vermijden selecteren
(/pagina 400).
Autosnelwegen, veerboten, tunnels, autotrei‐
nen, onverharde wegenvermijden of gebrui‐
ken
#Te vermijden-opties selecteren.
#De vermijd-opties in- of uitschakelen.
Vermijden: De displaytoets is geactiveerd.
De route vermijdt bijvoorbeeld autosnelwe‐
gen.
Gebruiken: De displaytoets is uitgeschakeld.
De route houdt rekening met bijvoorbeeld
autosnelwegen.
Deze route-opties zijn niet in alle landen
beschikbaar.
Met de geselecteerde route-opties kan niet
altijd rekening worden gehouden. Een route
kan bijvoorbeeld een veerboot bevatten, hoe‐
wel de vermijd-optie Veerboten vermijden
ingeschakeld is. Dan verschijnt een melding
en hoort u een gesproken aanwijzing.
Tolwegen vermijden of gebruiken
#Te vermijden-opties selecteren.
#Tolwegen selecteren.
#Alles vermijden in- of uitschakelen.
Vermijden: De displaytoets is geactiveerd.
De route vermijdt alle tolwegen.
Gebruiken: De displaytoets is uitgeschakeld.
De route houdt rekening met alle wegen,
waarvoor een gebruiksafhankelijke vergoe‐
ding (tol) moet worden betaald.
of
#Vermijden van een betaaloptie: Vermijden
selecteren.
De route vermijdt alle tolwegen met de gese‐
lecteerde betaaloptie.
#Gebruiken van een betaaloptie: Gebruiken
selecteren.
De route houdt rekening met alle tolwegen
met de geselecteerde betaaloptie.
Deze route-opties zijn niet in alle landen beschik‐
baar.
Vignetwegen vermijden of gebruiken
#Te vermijden-opties selecteren.
#Vignetwegen selecteren.
#Alles in- of uitschakelen.
of
MBUX multimediasysteem 375
#De landen in- of uitschakelen.
Vermijden: De displaytoets is geactiveerd.
De route vermijdt vignetwegen in de geselec‐
teerde landen.
Gebruiken: De displaytoets is uitgeschakeld.
De route houdt rekening met wegen in het
geselecteerde land, waarvoor een tijdgebon‐
den vergoeding (vignet) moet worden
betaald. Met een vignet kangedurende een
bepaalde periode gebruik worden gemaakt
van het wegennet.
%Deze route-opties zijn niet in alle landen
beschikbaar.
Meldingen voor de route selecteren
Voorwaarden
RVoor een akoestische aanwijzing bij nade‐
ring van een persoonlijke speciale
bestemming: Het usb-apparaat bevat per‐
soonlijke speciale bestemmingen.
RHet usb-apparaat is met het multimediasys‐
teem verbonden.
RDe categorie die bij de persoonlijke speciale
bestemming behoort is ingeschakeld.
Multimediasysteem:
4©5Navigatie 5Z
5Aanvullend 5Meldingen
#Geen rij-aanwijzingen in- of uitschakelen.
Als de displaytoets ingeschakeld is, worden
er geen gesproken rij-aanwijzingen gegeven.
#Gesproken rij-aanwijzingen selecteren:
Onder de rubriek RIJ-AANWIJZINGEN een
optie selecteren #.
De volgende opties staan ter beschikking:
RAlleen geluidssignaal
In plaats van de gesproken rij-aanwijzin‐
gen hoort u een gong. De gong kondigt
een rij-aanwijzing aan en klinkt bij de rij-
aanwijzing zelf.
RGereduceerde rij-aanw.
Wanneer een gesproken rij-aanwijzing
beschikbaar is, hoort u een korte aankon‐
diging, bijvoorbeeld "rechts afslaan".
RGedetailleerde rij-aanw.
Wanneer een gesproken rij-aanwijzing
beschikbaar is en de optie Straatnamen
voorlezen ingeschakeld is, hoort u een
volledige aankondiging, bijvoorbeeld
"Over 200 m aan het einde van de weg
rechtsaf de Bloemstraat inslaan".
#Straatnamen bij de rij-aanwijzing noe‐
men: Straatnamen voorlezen inschakelen.
#Gereduceerde rij-aanw. of Gedetailleerde rij-
aanw. selecteren.
De naam van de straat waarin moet worden
afgeslagen, wordt uitgesproken.
%De opties onder de rubriek RIJ-AANWIJZIN-
GEN zijn niet in alle landen en in alle talen
beschikbaar.
Meldingen voor VERKEER selecteren
#Een melding inschakelen.
De displaytoets is geactiveerd.
De volgende opties staan ter beschikking:
RVerkeersincidenten
Er worden verkeersincidentenweergege
ven, bijvoorbeeld wegwerkzaamheden en
afgeslotenwegen.
376 MBUX multimediasysteem
Deze functie is niet in alle landen en talen
beschikbaar.
RWaarschuwingen voorlez.
Waarschuwingsmeldingenworden aange‐
kondigd, bijvoorbeeld voor een gevaarlijke
opdoemende file (indien beschikbaar).
Deze functie is niet in alle landen en talen
beschikbaar.
Akoestische aanwijzing bij nadering van een
persoonlijke speciale bestemming
#Onder de rubriek AANWIJZINGEN de optie
Persoonl. spec. bestem. selecteren.
#Een categorie inschakelen.
De displaytoets is geactiveerd. Bij het nade‐
renvan een persoonlijke speciale bestem‐
ming van deze categoriewordt een akoesti‐
sche aanwijzing gegeven.
Bestemmingsinformatie voor de route weer‐
geven
Voorwaarden
RDe bestemming is ingevoerd.
Multimediasysteem:
4©5Navigatie 5¡
#Routeoverzicht selecteren.
Wanneer de routebegeleiding actief is, wor‐
den de bestemming en tussenbestemmingen
weergegeven, indien deze nog niet gepas‐
seerd zijn. Tussenbestemmingen kunnen wor‐
den ingevoerd of worden door het multime‐
diasysteem voor een voor EQ geoptimali‐
seerde route ingesteld.
Laadstations die door het multimediasys‐
teem zijn ingesteld kunnen niet worden
gewijzigd.
#Een bestemming of tussenbestemming selec‐
teren.
De volgende informatie wordtweergegeven:
RResterende afstand
RAankomsttijd
RResterende reistijd
RNaam, bestemming
RTelefoonnummer (indien beschikbaar)
RInternetadressen (indien beschikbaar)
Route plannen
Multimediasysteem:
4©5Navigatie
5¡5Routeoverzicht
#Tussenbestemming instellen selecteren.
#De tussenbestemming bijvoorbeeld als speci‐
ale bestemming of adres invoeren
(/pagina 360).
#De tussenbestemming selecteren.
Na selectie van een tussenbestemming
wordt het routeoverzicht weer weergegeven.
#De route met tussenbestemmingen bereke‐
nen (/pagina 378).
%Als er reeds negen tussenbestemmingen
zijn, een tussenbestemming wissen
(/pagina 378).
MBUX multimediasysteem 377
Route met tussenbestemmingen bewerken
Multimediasysteem:
4©5Navigatie
5¡5Routeoverzicht
%De opties zijn niet beschikbaar voor laadsta‐
tions die automatisch voor een voor EQ
geoptimaliseerde route zijn ingesteld.
#Volgorde van de bestemmingen wijzigen:
Voor een bestemming Vselecteren.
Een menu verschijnt.
#Verplaatsen selecteren.
øis gemarkeerd.
#De tussenbestemming of de bestemming
met 4of snaar de gewenste positie
verschuiven.
#øaantikken.
#Bestemming wissen: Voor een tussenbe‐
stemming of een bestemming Vselecte‐
ren.
#Wissen selecteren.
De bestemming is gewist.
Route met tussenbestemmingen berekenen
Voorwaarden
RDe bestemming en ten minste één tussenbe‐
stemming zijn ingevoerd.
Multimediasysteem:
4©5Navigatie
5¡5Routeoverzicht
#Routebegeleiding starten selecteren.
of
#Wanneer de route is bewerkt, Naar Navigatie
Gselecteren.
#De vraag met Ja bevestigen.
De route wordt berekend. De routebegelei‐
ding begint.
Routelijst weergeven
Multimediasysteem:
4©5Navigatie 5¡
#Routelijst selecteren.
De routegedeeltenworden weergegeven. De
actuele positie van de auto wordt op de kaart
gemarkeerd.
De actuele positie van de auto wordt met de
volgende informatie weergegeven:
RHet symbool avoor de actuele positie
van de auto wordtweergegeven.
RDe naam van de wegwaarop wordtgere‐
den wordtweergegeven.
RHet wegnummer van de wegwaarop
wordtgereden wordtweergegeven.
De routelijst wordt tijdens het rijden geactua‐
liseerd.
#Routegedeelten weergeven: Op het bedie‐
ningselement omhoog of omlaag vegen.
Het routegedeelte wordt op de kaart weerge
geven.
Alternatieve route selecteren
Voorwaarden
RDe optie Alternatief voorstellen is ingescha‐
keld (/pagina 373).
378 MBUX multimediasysteem
Multimediasysteem:
4©5Navigatie 5¡
#Alternatieve routes selecteren.
Deze routes worden overeenkomstig de
instelling in de route-instellingen weergege‐
ven.
De routes zijn genummerd.
#De alternatieve route selecteren.
#Route op de kaart weergeven: Op de kaart
weergeven selecteren.
#De kaart verschuiven (/pagina 397).
#De schaal van de kaart instellen
(/pagina 397).
#Route-opties vermijden of gebruiken:
Äselecteren.
#De route-opties, bijvoorbeeld Snelwegen, in-
of uitschakelen.
Vermijden: De displaytoets is geactiveerd.
De alternatieve route vermijdt autosnelwe‐
gen.
Gebruiken: De displaytoets is uitgeschakeld.
De alternatieve route houdt rekening met
autosnelwegen.
Woon-werk route activeren
Voorwaarden
RU heeft een profiel aangemaakt
(/pagina 322).
RDe optie Bestemmingsadviezen toestaan is
ingeschakeld (/pagina 327).
RDe optie Woon-werk route activeren is inge‐
schakeld.
RHet multimediasysteem heeft voldoende
gegevens verzameld om bestemmingsadvie‐
zen weer te geven.
RVoor deze bestemmingsadviezen zijn routes
ingeleerd.
%De woon-werk route is niet in alle landen
verkrijgbaar.
Multimediasysteem:
4©5Navigatie 5Z
5Aanvullend 5Route
#Woon-werk route activeren inschakelen.
De displaytoets is geactiveerd. De navigatie
herkent automatisch, dat de auto zich op een
woon-werk route bevindt. Deze start automa‐
tisch een routebegeleiding zonder gesproken
aanwijzingen.
Voor de dagelijkse woon-werk route worden
ook tijdens het rijden zonder actieve routebe‐
geleiding verkeersincidenten op de route
gemeld.
Automatisch naar een wegrestaurant zoeken
starten
Voorwaarden
RDe ATTENTION ASSIST en de functie Rust-
plaats voorstellen zijn ingeschakeld
(/pagina 256).
RWegrestaurants bevinden zich langs het
komende weggedeelte.
MBUX multimediasysteem 379
Rijsituatie
Op het mediadisplay wordt het volgende bericht
weergegevenATTENTION ASSIST Hier aantip-
pen om naar rustplaatsen te zoeken.
#De berichtgeving bevestigen.
Het zoeken naar een wegrestaurant start. De
beschikbare wegrestaurants worden langs de
route en in de omgeving van de actuele posi‐
tie van de auto weergegeven.
#Een wegrestaurant selecteren.
Het adres van het wegrestaurant wordtweer‐
gegeven.
#De route berekenen (/pagina 368).
Het wegrestaurant wordt ingesteld als
bestemming of als volgende tussenbestem‐
ming.
#Als er reeds vier tussenbestemmingen
zijn: Op de vraag Ja selecteren.
Het wegrestaurant wordt in het routeover‐
zicht vermeld. Tussenbestemming 4 wordt
gewist. De routebegeleiding begint.
Opgeslagenroute op de kaart weergeven
Voorwaarden
REen usb-apparaat met opgeslagenroutes is
met het multimediasysteem verbonden
(/pagina 459).
RDe route is opgeslagen in het bestandsfor‐
maat GPS Exchange Format (.gpx) in de map
"Routes".
Multimediasysteem:
4©5Navigatie 5ªWaarheen?
5OPGESLAGEN ROUTES
#Een route selecteren.
#Op de kaart weergeven selecteren.
#De kaart verschuiven (/pagina 397).
Opgeslagenroute starten
Voorwaarden
REen usb-apparaat met opgeslagenroutes is
met het multimediasysteem verbonden
(/pagina 459).
RDe route is opgeslagen in het bestandsfor‐
maat GPS Exchange Format (.gpx) in de map
"Routes".
Multimediasysteem:
4©5Navigatie 5ªWaarheen?
5OPGESLAGEN ROUTES
#Een route selecteren.
#Routebegeleiding starten vanaf begin route
of Routebegeleiding starten vanaf act. positie
selecteren.
De routebegeleiding begint.
%In het menu kan de route met fworden
opgeslagen (/pagina 368).
Route registreren
Voorwaarden
REen usb-apparaat is met het multimediasys‐
teem verbonden (/pagina 459).
Multimediasysteem:
4©5Navigatie 5ªWaarheen?
5OPGESLAGEN ROUTES
#Opname starten: Registratie van een
nieuwe route starten selecteren.
Er wordt een rood opnamesymbool weerge
geven.
380 MBUX multimediasysteem
De route wordt op het usb-apparaat opgesla‐
gen.
#Opname stoppen: Registratie beëindigen
selecteren.
Geregistreerderoute opslaan
Voorwaarden
REen usb-apparaat is met het multimediasys‐
teem verbonden (/pagina 459).
Multimediasysteem:
4©5Navigatie 5ªWaarheen?
5OPGESLAGEN ROUTES
#Een route selecteren.
#fselecteren.
#Opslaan in "Laatste bestemm." selecteren.
De route is in het geheugen "Laatst bestem‐
mingen" opgeslagen en kan hier voor de rou‐
tebegeleiding worden opgeroepen.
Opgeslagen route bewerken
Voorwaarden
REen usb-apparaat met opgeslagenroutes is
met het multimediasysteem verbonden
(/pagina 459).
Multimediasysteem:
4©5Navigatie 5ªWaarheen?
5OPGESLAGEN ROUTES
#Een route met Vselecteren.
#Naam invoeren: Naam wijzigen selecteren.
#De naam invoeren.
#OK selecteren.
of
#Wanneer de naam is gewijzigd, op de toets
Gdrukken.
#Ja selecteren.
#Route wissen: Wissen selecteren.
#Ja selecteren.
Routebegeleiding
Aanwijzing met betrekking totroutebegelei‐
ding
&WAARSCHUWING Gevaar voor afleiding
door het bedienen van de geïntegreerde
communicatieapparatuur tijdens het rij‐
den
Als u tijdens het rijden in de auto geïnte‐
greerde communicatieapparatuur bedient,
kunt u van de verkeerssituatie worden afge‐
leid. Bovendien kunt u de controle over de
auto verliezen.
#Deze apparatuur alleen bedienen als de
verkeerssituatie dit toelaat.
#Als dit niet kanworden gewaarborgd,
op een veilige plek stoppen en de invoe‐
ring als de auto stilstaat uitvoeren.
Bij het gebruik van het multimediasysteem de
wettelijke bepalingen in acht nemen van het land
waar u zich op dat moment bevindt.
De routebegeleiding begint nadat een route is
berekend.
MBUX multimediasysteem 381
Verkeersregelingen hebben altijd voorrang op de
gesproken rij-aanwijzingen van het multimedia‐
systeem.
Rij-aanwijzingen zijn:
RGesproken rij-aanwijzingen
RRoutebegeleidingsweergaven
RRijstrookadviezen
Als u de rij-aanwijzingen niet opvolgt of de bere‐
kende route verlaat, wordt automatisch een
nieuwe route berekend.
Rij-aanwijzingen kunnen van de daadwerkelijke
verkeerssituatie afwijken:
RHet traject is gewijzigd.
RDe richting van een eenrichtingsstraat is
omgekeerd.
Tijdens het rijden daarom zelf op de betreffende
verkeersregelingen en de actuele verkeerssitua‐
tie letten.
In de volgende situaties kan de route van de ide‐
ale route afwijken:
RWegwerkzaamheden
ROnvolledige digitale kaartgegevens
Aanwijzing met betrekking tot gps-ontvangst
Het correct functioneren van het navigatiesys‐
teem is onder meer ook afhankelijk van de gps-
ontvangst. In bepaalde situaties kan de gps-ont‐
vangst beperkt zijn, een storing vertonen of zelfs
onmogelijk zijn, bijvoorbeeld in tunnels of in par‐
keergarages.
Overzicht rij-aanwijzingen
Rij-aanwijzingen worden in de volgende weerga‐
ven afgebeeld:
RGedetailleerde weergavevan de kruising
De weergave verschijnt bij het rijden op krui‐
singen.
R3D-beeld
De weergaveverschijnt bij het rijden op krui‐
singsvrij aangelegde wegen, bijvoorbeeld bij
snelwegafritten en splitsingen van snelwe‐
gen.
Gedetailleerdeweergave van de kruising
1Momentele afstand tot de rij-aanwijzing
2Rij-aanwijzing
3Actuele positie van auto
4Rij-aanwijzing
382 MBUX multimediasysteem
3D-beeld
1Momentele afstand tot de rij-aanwijzing
2Rij-aanwijzing
3Actuele positie van auto
4Rij-aanwijzing
De rij-aanwijzing bestaat uit drie fasen:
RVoorbereidingsfase
Wanneer voldoende tijd tussen de rij-aanwij‐
zingen bestaat, bereidt het multimediasys‐
teem u op de volgende rij-aanwijzing voor.
Een gesproken rij-aanwijzing wordtgegeven,
afhankelijkvan de instellingen voor de rijad‐
viezen, bijvoorbeeld "Zo meteen rechts
afslaan".
Gesprokenrij-aanwijzing voor rijadviezen
selecteren (/pagina 376).
De kaart verschijnt in een volledig beeld‐
scherm.
In de statusregelwordtweergegeven: de
richtingsinformatie of de straatnaam waar‐
naar moet worden afgeslagen en de afstand
tot de rij-aanwijzing.
RAankondigingsfase
Het multimediasysteem kondigt de eerstvol‐
gende rij-aanwijzing aan, afhankelijkvan de
instellingen voor de rijadviezen, bijvoorbeeld
met de gesproken aanwijzing < Over 200 m
aan het einde van de wegrechtsaf de Bloem‐
straat inslaan".
De aanwijzing is in tweeën gedeeld. Links is
de kaart afgebeeld, rechts verschijnt een
gedetailleerde weergavevan de kruising of
een 3D-beeld van de eerstvolgende rij-aan‐
wijzing.
RRij-aanwijzingsfase
Het multimediasysteem kondigt de actuele
rij-aanwijzing aan, afhankelijkvan de instel‐
lingen voor de rijadviezen, bijvoorbeeld met
de gesproken aanwijzing "Nu rechts afslaan".
De aanwijzing is in tweeën gedeeld.
De rij-aanwijzing vindt plaats als de afstand
tot de rij-aanwijzing 4met 0 m wordt aan‐
geven en het symbool voor de actuele positie
van de auto 3de rij-aanwijzing 4heeft
bereikt.
Als de rij-aanwijzing is beëindigd, verschijnt
de kaart weer in de volledige schermweer‐
gave.
%Rij-aanwijzingen worden ook in het instru‐
mentendisplay weergegeven.
Overzicht rijstrookadviezen
De aanwijzing geschiedt bij wegen met meerdere
rijstroken.
Als de digitale kaart overeenkomstige gegevens
bevat, kan het multimediasysteem rijstrookad‐
viezen weergeven.
MBUX multimediasysteem 383
1Geadviseerde rijstrook (witte pijl, blauwe
achtergrond)
2Mogelijke rijstroken (witte pijlen)
3Niet-geadviseerderijstroken (grijze pijlen)
Verklaring van de getoonde rijstroken:
RGeadviseerderijstrook 1
Op deze rijstrook is het mogelijk om de vol‐
gende en de daaropvolgende rij-aanwijzing
uit te voeren.
RMogelijke rijstrook 2
Op deze rijstrook is het mogelijk om de vol‐
gende rij-aanwijzing uit te voeren.
RNiet-geadviseerde rijstrook 3
Op deze rijstrook is het niet mogelijk de vol‐
gende rij-aanwijzing zonder veranderenvan
rijstrook uit te voeren.
Tijdens het verloop van een rij-aanwijzing kunnen
er extra rijstroken bijkomen.
Busbanen worden eveneens weergegeven.
%Rijstrookadviezen kunnen ook in het instru‐
mentendisplay en op het head-up-display
worden weergegeven.
Snelweginformatie gebruiken
Voorwaarden
RDe optie Snelweginformatie is ingeschakeld
(/pagina 399).
Tijdens de snelwegrit worden de vooruitliggende
snelwegvoorzieningen 1en de beschikbare ser‐
vicevoorzieningen2in het overzicht weergege‐
ven. Dat zijn bijvoorbeeld parkeerplaatsen, weg‐
restaurants of snelwegafritten.
#Weergave openklappen: rselecteren.
De items zijn gesorteerd in oplopende volg‐
orde van afstand tot de actuele positie van
de auto.
#Weergave dichtklappen: De kaart aantip‐
pen.
of
#Snelweginformatie gebruiken: Een item
selecteren.
#Als er meerdere servicevoorzieningen
beschikbaar zijn, een servicevoorziening in
de lijst selecteren.
De bestemming en de kaartpositie worden
weergegeven.
#De route berekenen (/pagina 368).
of
#Een speciale bestemming in de omgeving
zoeken.
384 MBUX multimediasysteem
of
#Verdere functies gebruiken, bijvoorbeeld het
bestemmingsadresvan het servicepunt
opslaan.
Snelle toegang tot bestemmingsinformatie,
alternatieve routes en speciale bestemmin‐
gengebruiken
Voorwaarden
RDe speciale-bestemmingencategorieën voor
snelle toegang zijn geconfigureerd
(/pagina 363).
#Wanneer een routebegeleiding is gestart, op
de kaart de weergave £met de aan‐
komsttijd en de afstand tot de bestemming
selecteren.
Het adres van de bestemming of van de vol‐
gende tussenbestemming wordtweergege
ven. Wanneer de volgende tussenbestem‐
ming een laadstation is, worden de energie‐
toestand van de hoogspanningsaccu bij aan‐
komst en de oplaadtijd weergegeven.
Alternatieve route gebruiken
#Alternatieve route selecteren.
Deze routes worden overeenkomstig de
instelling in de route-instellingen weergege‐
ven.
De routes zijn genummerd.
#De alternatieve route selecteren.
Speciale bestemming als tussenbestemming
instellen
#Een categoriesymbool selecteren, bijvoor‐
beeld Bvoor parkeerplek.
#Een speciale bestemming in de lijst selecte‐
ren.
De selectie vindt plaats langs de route. De
bestemmingsinformatie wordtweergegeven.
De route kanworden berekend.
#Speciale-bestemmingencategorieën voor
snelle toegang worden gebruikt: Een van
de zoekposities In de omgeving,In omgeving
van bestemming of Langs de route selecte‐
ren.
#Een speciale bestemming in de lijst selecte‐
ren.
of
#In het zoekvenster een zoekterm invoeren en
de lijst filteren.
#Een speciale bestemming in de lijst selecte‐
ren.
De bestemmingsinformatie wordtweergege
ven. De route kanworden berekend.
Actuele positie van auto opslaan
#Positie opslaan selecteren.
De actuele positie van de auto is in het
geheugen "Laatste bestemming" opgeslagen.
Bestemming bereikt
Als de bestemming is bereikt, ziet u de bestem‐
mingsvlag Í. De routebegeleiding is beëin
digd. Het menu Navigatie wordtweergegeven.
Als een tussenbestemming is bereikt, verschijnt
de tussenbestemmingsvlag met het nummer van
de tussenbestemming Î. De routebegelei‐
ding gaat verder.
MBUX multimediasysteem 385
Gesproken rij-aanwijzing in- en uitschakelen
#Uitschakelen: Tijdens een gesproken rij-aan‐
wijzing op de volumeknop op het stuurwiel of
naast de touchpad drukken (/pagina 334).
De melding De gesproken rij-aanwijzingen
zijn uitgeschakeld. verschijnt.
of
#Het menu Navigatie weergeven
(/pagina 358).
#!selecteren.
Het symbool wisselt naar #.
#Inschakelen: #selecteren.
De actuele gesproken rij-aanwijzing wordt
weergegeven.
Het symbool wisselt naar !.
%Deze functie kan in de favorieten binnen de
categorie navigatie worden toegevoegd en
worden opgeroepen.
Gesproken rij-aanwijzingen bij telefoonge‐
sprekken in- en uitschakelen
#De toets©op het stuurwiel of op de
touchpad indrukken.
of
#©op het mediadisplay aantippen.
#Instellingen selecteren.
#Systeem selecteren.
#Audio selecteren.
#Navigatie- en verkeersinformatie selecteren.
#Rij-aanwijzingen tijdens telefoongesprek in-
of uitschakelen.
Als de optie is ingeschakeld, is de display‐
toetsgeactiveerd.
#Menu verlaten: qselecteren.
Volume van de gesproken rij-aanwijzingen
instellen
Multimediasysteem:
4©5Instellingen 5Systeem
5Audio 5Navigatie- en verkeersinformatie
#Volume rij-aanwijzingen selecteren.
#Het volume instellen.
#Menu verlaten: qselecteren.
Routebegeleiding is actief
#Tijdens een gesproken rij-aanwijzing aan de
volumeknop op het stuurwiel of naast de
touchpad draaien.
Geluidsverlaging tijdens gesproken rij-aan‐
wijzingen in- of uitschakelen
#De toets©op het stuurwiel of op de
touchpad indrukken.
of
#©op het mediadisplay aantippen.
#Instellingen selecteren.
#Systeem selecteren.
#Audio selecteren.
#Verlaging audiovolume in- of uitschakelen.
Als de optie is ingeschakeld, is de display‐
toetsgeactiveerd.
#Menu verlaten: qselecteren.
Gesproken rij-aanwijzingen herhalen
Voorwaarden
REr is een route.
RDe routebegeleiding is actief.
386 MBUX multimediasysteem
Multimediasysteem:
4Navigation (Navigatie)
#!selecteren.
##selecteren.
De actuele gesproken rij-aanwijzing wordt
herhaald.
%Deze functie kan in de favorieten binnen de
categorie navigatie worden toegevoegd en
worden opgeroepen.
Routebegeleiding afbreken
Voorwaarden
REr is een route.
RDe routebegeleiding is actief.
#Het menu Navigatie weergeven.
#¤in het menu Navigatie selecteren
(/pagina 359).
Overzicht routebegeleiding naar een Offroad-
bestemming
Een Offroad-bestemming ligt binnen de digitale
kaart. De kaart bevatgeen straat die naar de
bestemming voert.
Ukunt Offroad-bestemmingen op de kaart, via
geo-coördinaten of via een driewoordenadres
invoeren. De routebegeleiding geschiedt zo lang
mogelijk met gesproken rij-aanwijzingen en rou‐
tebegeleidingsweergaven op wegen, die in het
multimediasysteem bekend zijn.
Kort voor het bereiken van de laatst bekende
positie op de kaart hoort u een gesproken aan‐
wijzing, bijvoorbeeld "Volg de richtingspijl". In de
weergave verschijnt een richtingspijl met de
rechtstreekse afstand tot de bestemming.
Overzicht routebegeleiding van Offroad-posi‐
tie naar bestemming
Bij een Offroad-positie bevindt de actuele positie
van de auto zich binnen de digitale kaart buiten
de beschikbare straten.
De volgende aanwijzingen verschijnen bij het
begin van de routebegeleiding:
REen melding verschijnt, dat de straat niet is
opgenomen.
REen richtingspijlgeeft de rechtstreekserich‐
ting naar de bestemming aan.
Wanneer de auto weer op een in het multimedia‐
systeem bekende wegrijdt, wordt de routebege‐
leiding weer op de gebruikelijke wijze voortgezet.
Overzicht offroad tijdens de routebegelei‐
ding
Het daadwerkelijke wegverloop kanvan de gege‐
vens in de digitale kaart afwijken, bijvoorbeeld
als gevolg vanwegwerkzaamheden. In dergelijke
gevallen kan het multimediasysteem de actuele
positie van de auto tijdelijk niet in de digitale
kaart plaatsen. De auto is Offroad.
Als de auto Offroad is, verschijnen de volgende
gegevens:
REen melding verschijnt, dat de straat niet is
opgenomen.
REen richtingspijlgeeft de rechtstreekserich‐
ting naar de bestemming aan.
Wanneer de auto weer op een in het multimedia‐
systeem bekende wegrijdt, wordt de routebege‐
leiding weer op de gebruikelijke wijze voortgezet.
MBUX multimediasysteem 387
Bestemming
Actuele positie van auto opslaan
Multimediasysteem:
4©5Navigatie 5¡5Positie
#Positie opslaan selecteren.
De actuele positie van de auto wordt in het
geheugen "Laatste bestemmingen" opgesla‐
gen.
Via snelle toegang
#Wanneer een routebegeleiding is gestart, 1
selecteren.
Het adresvan de bestemming wordtweerge‐
geven.
#Positie opslaan selecteren.
Laatste bestemmingen bewerken
Voorwaarden
RVoor de bewerking van bestemmingsadvie‐
zen: De optie Bestemmingsadviezen toestaan
is ingeschakeld (/pagina 327).
RHet multimediasysteem heeft voldoende
gegevens verzameld om bestemmingsadvie‐
zen weer te geven.
Multimediasysteem:
4©5Navigatie 5ªWaarheen?
5LAATSTE BESTEM.
De volgende items kunnen worden bewerkt:
RBestemmingsadviezen
RBestemmingen
RRoutes
#Bestemmingsadvies niet meer aangeven
Voor een bestemmingsadvies Vselecte‐
ren.
#Niet meer voorstellen selecteren.
Laatste bestemming als favoriet opslaan
%De bestemming kan na het opslaan via de
favorieten worden opgeroepen
(/pagina 329).
#Voor een bestemming Vselecteren.
#fOpslaan als favoriet selecteren.
#Als favoriet opslaan: Opslaan als favoriet
selecteren.
#Als adres voor thuis opslaan: Als "Thuis"
opslaan selecteren.
#Als werkadres opslaan: Als "Werk" opslaan
selecteren.
Laatste bestemming wissen
#Bestemming wissen: Voor een bestemming
Vselecteren.
#Wissen selecteren.
#Ja selecteren.
#Alle bestemmingen wissen: Äselecte‐
ren.
#Alles wissen selecteren.
#Ja selecteren.
388 MBUX multimediasysteem
Externe bestemmingen en routes gebruiken
Externe bestemmingen en routes kunnen bij‐
voorbeeld van de volgende bronnen worden ont‐
vangen:
RMercedes-Benz apps
RDeur tot deur navigatie
Op het mediadisplay verschijnt een vraag. Ont‐
vangen bestemmingen en routes worden in de
laatste bestemming opgeslagen.
#Er werd een bestemming ontvangen: Ja
selecteren.
#De route berekenen.
#Als al een routebegeleiding actief is, Als tus-
senbest. instellen of Nieuwe routebeg. star-
ten selecteren.
of
#Wanneer een bestemming met beeldinforma‐
tie werd ontvangen, Routebegeleiding starten
selecteren.
#De route berekenen.
of
#Wanneer een bestemming van een app werd
ontvangen, Details selecteren.
#De route berekenen.
#Er is een route ontvangen: Ja selecteren.
#Routebegeleiding starten vanaf begin route
of Routebegeleiding starten vanaf act. positie
selecteren.
De routebegeleiding begint bij de geselec‐
teerde positie.
Routebegeleiding met actuele verkeersinfor‐
matie
Overzicht verkeersinformatie
%De diensten zijn niet in alle landen beschik‐
baar.
Verkeersinformatie wordt met de volgende dien‐
sten ontvangen:
RLive Traffic Information
RFM RDS-TMC
Het gelijktijdig gebruik van beide diensten is
niet mogelijk.
Live Traffic Information of FM RDS-TMC wor‐
den met een symbool weergegeven.
%Gevarenmeldingen worden via de dienst Car-
to-X ontvangen.
%Afwijkingen tussen de ontvangen verkeersin‐
formatie en de daadwerkelijke verkeerssitua‐
tie zijn mogelijk.
Wetenswaardigheden via Live Traffic Informa‐
tion:
RActuele verkeersinformatie wordt via de
internetverbinding (voor geselecteerde lan‐
den) ontvangen.
RDe verkeerssituatie wordt in korte, regelma‐
tige tijdsintervallen geactualiseerd.
RDe abonnementsdienst is in geselecteerde
landen vanaf de productiedatum drie jaar
gratis.
Informatie van de serviceprovider kanwor‐
den weergegeven (/pagina 390).
Registratie van Live Traffic Information:
RDe dienst moet op Mercedes me worden
geregistreerd (/pagina 390).
MBUX multimediasysteem 389
Daarmee wordt de gratis gebruiksperiode
van drie jaar gewaarborgd.
Regelmatig wordt de positie van de auto naar
Daimler AG gezonden. Die gegevens worden
door Daimler AG direct geanonimiseerd en door‐
gestuurd naar de verkeersinformatie-provider.
Met behulp van deze gegevens wordt de ver‐
keersinformatie naar de auto gestuurd, die voor
de positie van de auto van belang zijn. De auto is
tegelijkertijd sensor voor de verkeersstroom en
helpt om de kwaliteit van de verkeersinformatie
te verbeteren.
Wanneer u geen posities van de auto wilt verstu‐
ren, heeft u de volgende mogelijkheden:
RU deactiveert de dienst op de Mercedes me-
Portal.
RU laat de dienst bij een Mercedes-Benz-ser‐
vicewerkplaats deactiveren.
Wetenswaardigheden via FM RDS-TMC:
REen FM RDS-TMC-radiozender zendt naast
het radioprogramma verkeersinformatie uit.
RFM RDS-TMC is niet in alle landen beschik‐
baar.
Providerinformatie voor Live Traffic Informa‐
tion weergeven
Voorwaarden
RDe auto is met Live Traffic Information uitge‐
rust.
Multimediasysteem:
4©5Navigatie 5¡5Verkeer
#Providerinformatie selecteren.
Het logo voor de provider voor Live Traffic
Information wordtweergegeven.
Wanneer het abonnement voor Live Traffic
Information afgelopen is, dan is in geselec‐
teerde landen FM RDS-TMC beschikbaar.
%Meer informatie over Live Traffic Information
kunt u op het homescreen via Mercedes me
& Apps oproepen (/pagina 438).
Live Traffic Information registreren
Voorwaarden
RDe auto is met Live Traffic Information uitge‐
rust.
RU beschikt over een gebruikersaccount op de
website van Mercedes me.
De dienst Live Traffic Information moet worden
geregistreerd. Daarmee wordt de volledige
gebruiksperiode van drie jaar gewaarborgd.
#Een gebruikersaccount voor Mercedes me
maken, onder: http://www.mercedes.me.
Daartoe is een geldig e-mailadres vereist.
#De auto met het voertuigidentificatienummer
(VIN) aanmaken.
#Registratie zelf uitvoeren: De auto aan uw
Mercedes me gebruikersaccount in de
Mercedes me portalkoppelen.
Er wordt een code aan het multimediasys‐
teem verzonden.
#De code in het multimediasysteem invoeren.
#De algemene en bijzondere gebruiksvoor‐
waarden bevestigen.
#Registratie bij de Mercedes-Benz-service‐
werkplaats: De koppeling bij een Mercedes-
Benz-servicewerkplaats laten uitvoeren.
Abonnement op Live Traffic Information ver‐
lengen
Voorwaarden
390 MBUX multimediasysteem
RDe auto is met Live Traffic Information uitge‐
rust.
RU beschikt over een gebruikersaccount op de
website van Mercedes me.
#De website van Mercedes me oproepen.
#Het Mercedes me gebruikersaccount oproe‐
pen.
#Via de gekoppelde auto naar de Online Store
van Mercedes me connect gaan.
#De dienst Live Traffic Information selecteren.
#De verlengingsduur selecteren.
#Het product in het winkelmandje plaatsen.
#De algemene en bijzondere gebruiksvoor‐
waarden bevestigen.
Live Traffic Information is gedurende de
geselecteerde verlengingsduur geactiveerd.
De datum van de verlenging is het begin van
de gebruiksperiode.
Verkeersinformatie weergeven
Voorwaarden
RDe weergave Verkeer is ingeschakeld
(/pagina 392).
RDe volgende verkeersweergaven zijn inge‐
schakeld (/pagina 392):
Verkeersincidenten
Vrije verkeersstroom
Vertraging
Multimediasysteem:
4©
#Navigatie selecteren.
De kaart toont de volgende verkeersinformatie:
RVerkeersincidenten, bijvoorbeeld:
-Wegwerkzaamheden
-Afgeslotenwegen
-Waarschuwingsmeldingen
De symbolen voor verkeersincidentenwor‐
den bij actieve routebegeleiding gekleurd op
de route afgebeeld. Naast de route zijn deze
grijs.
RWaarschuwingsmeldingsymbolen:
-Symbool d
-Verkeersveiligheidsaanwijzingen, bijvoor‐
beeld bij het naderen van een file
Wanneer de auto een gevaarlijk punt op
de route nadert, wordt een waarschu‐
wingsmelding op de kaart weergegeven.
Bovendien kan een akoestische gevaren‐
melding worden gegeven.
RVerkeersstroominformatie:
-File (rode lijn)
-Langzaamrijdend verkeer (oranje
gekleurde pijl)
-Druk verkeer (gele lijn)
-Vrij verkeer (groene lijn)
RWeergave vanverkeersvertragingen op de
route langer dan een minuut
Verkeersincidenten weergeven
Voorwaarden
RDe weergave Verkeershinder is ingeschakeld
(/pagina 392).
MBUX multimediasysteem 391
Multimediasysteem:
4©5Navigatie 5¡5Verkeer
#Verkeersberichten selecteren.
Als er verkeersinformatie is, verschijnt er een
lijst. Verkeersinformatie betreft bijvoorbeeld
ongevallen en andere verkeerssituaties. De
lijst is gesorteerd op afstand en toont de ont‐
vangen verkeersinformatie op de route en
naast de route.
Een verkeersmelding toont de volgende infor‐
matie:
RWegnummer
RVerkeersincidentsymbool
Op de route: gekleurd
Naast de route: grijs
ROorzaak
RStratensymbool voor verkeersincident op
de route
RAfstand vanaf de actuele positie van de
auto
#Verkeersinformatie selecteren r.
De detailinformatie wordtweergegeven, bij‐
voorbeeld het routegedeelte.
Verkeersincidenten in de omgeving weerge‐
ven
#Een verkeersincidentsymbool op de kaart
selecteren.
De details van het verkeersincident worden
weergegeven.
#Äselecteren.
#Verkeershinder in omgeving selecteren.
De kaart toont de verkeersincidentsymbolen
in de omgeving.
Informatie met betrekking tot het verkeersin‐
cident wordt in de statusregelweergegeven:
RVerkeersincidentsymbool
ROorzaak van het verkeersincident, bij‐
voorbeeld wegwerkzaamheden
RWaarschuwingsmelding (op een rode ach‐
tergrond)
#Verkeersincidentsymbool selecteren:
qof rselecteren.
#Kaartsectie selecteren: Het touchscreen
aantippen.
of
#Op de Touch-Control of de touchpad druk‐
ken.
#De kaart verschuiven.
#Terug naar de navigatiekaart: Gaantip‐
pen.
of
#De toetsGop de Touch-Control of op de
touchpad indrukken.
Weergave verkeersinformatie inschakelen
Multimediasysteem:
4©5Navigatie 5Z
#Verkeer inschakelen.
De displaytoets is geactiveerd.
Verkeersincident, vrij baan en verkeersver‐
traging inschakelen
#Aanvullend selecteren.
#Weergave selecteren.
#Kaartelementen selecteren.
392 MBUX multimediasysteem
#In de rubriek VERKEER de items Verkeersin-
cidenten,Vrije verkeersstroom en Vertraging
inschakelen.
De displaytoetsen zijn geactiveerd.
Als verkeersinformatie wordt ontvangen, wor‐
den verkeersincidentenweergegeven, bij‐
voorbeeld wegwerkzaamheden, afgesloten
wegen, gebiedsmeldingen (bijvoorbeeld mist)
en waarschuwingsmeldingen.
De verkeersvertraging wordtvoor de actuele
route weergegeven. Er wordtrekening gehou‐
den met vertragingen vanaf de duur van een
minuut.
Gebiedsmeldingen aangeven
Multimediasysteem:
4©5Navigatie 5¡5Verkeer
#Gebiedsmeldingen selecteren.
Gebiedsmeldingen worden weergegeven, bij‐
voorbeeld mist of zware regen.
#Een gebiedsmelding selecteren.
De details worden weergegeven.
Car-to-X-Communication
Overzicht Car-to-X-Communication
Voor het gebruik van Car-to-X-Communication
gelden de volgende voorwaarden:
RDe auto is uitgerust met een multimediasys‐
teem met navigatie en een communicatiemo‐
dule met geactiveerde, geïntegreerde sim‐
kaart.
RDe dienst Car-to-X-Communication is geacti‐
veerd.
%Car-to-X-Communication is beschikbaar in
geselecteerde landen.
De communicatiemodule brengt na het inscha‐
kelen van het contact automatisch een internet‐
verbinding totstand. Als er gevarenmeldingen
aanwezig zijn, worden deze kort daarna doorge‐
geven. De beschikbaarstelling van de mobiele
telefonieverbinding volgt tussen een seconde tot
één minuut.
Voordelen van Car-to-X-Communication:
RGevarenworden op de achtergrond door de
auto automatisch herkend of kunnen door de
bestuurder worden gemeld. Deze informatie
wordtvervolgens naar voertuigen met Car-to-
X-Communication in de nabije omgeving
gestuurd.
RIndien beschikbaar wordt actuele informatie
ontvangen overgevaarlijke punten in de
omgeving van de actuele positie van de auto.
Daarmee kan de rijstijl tijdig aan de verkeers‐
situatie worden aangepast.
Voor het gebruik van Car-to-X-Communication is
het noodzakelijk, dat er regelmatig voertuiggege‐
vens naar Daimler AG worden verzonden. De
gegevens worden door Daimler AG direct geano‐
nimiseerd. De voertuiggegevens worden na een
redelijke termijn (enkele weken) gewist, deze
worden niet permanent opgeslagen.
%Gegevens die dienen voor de identificatie
worden vervangen bij de anonimisering.
Daarmee wordt uw identiteit beschermd
tegentoegang door onbevoegde derden.
MBUX multimediasysteem 393
Gevarenmeldingen weergeven
Multimediasysteem:
4©5Navigation (Navigatie)
Wanneer gevarenmeldingen beschikbaar zijn,
kunnen deze als symbolen op de kaart worden
weergegeven. De weergave is afhankelijk van de
instellingen van de opties Verkeer en Verkeersin-
cidenten.
#De opties instellen (/pagina 392).
De volgende weergavenstaan ter beschikking:
Ralle symbolen weergeven
De opties Verkeer en Verkeersincidenten zijn
ingeschakeld.
Ralleen symbolen op de verwachte route weer‐
geven
De optie Verkeer is uitgeschakeld, de optie
Verkeersincidenten is ingeschakeld.
Rgeen symbolen weergeven
De optie Verkeersincidenten is uitgescha‐
keld.
De volgende gevarenmeldingen worden op de
kaart weergegeven:
RStilgevallen voertuigen (pech)
ROngevallen
RWeersgevaren
RAlgemeen gevaar
RNoodknipperlicht, indien ingeschakeld
RZijwindwaarschuwing
RWegwerkzaamheden
De weergave is niet in alle landen en regio's
beschikbaar.
De weergave is in Duitsland actueel in de
deelstaat Hessen beschikbaar.
%De gesproken aanwijzing "Verkeersincident
ór u" volgt vanaf een snelheid vanten min‐
ste 60 km/h bij nadering van een gevaarlijk
punt.
De gesproken aanwijzing volgt niet bij weers‐
gevaren.
Gevarenmeldingen verzenden
Automatisch herkende gevarenmeldingen wor‐
den verzonden door de auto.
#Gevarenmeldingen zelf versturen: Wan‐
neer de kaart wordtweergegeven, het media‐
display aantippen.
Het menu Navigatie wordtweergegeven.
#¡selecteren.
#Verkeershinder melden selecteren.
Een bevestigingsvraag wordtweergegeven.
#Ja selecteren.
De melding Dank voor uw hulp bij het voor-
komen van ongevallen! verschijnt.
Routebegeleiding met augmented reality
Overzicht routebegeleiding met augmented
reality
&WAARSCHUWING Gevaar voor ongeval‐
len en letsel door afleiding, verkeerde
weergave resp. verkeerde interpretatie
van de weergave
De afstand tot andere verkeersdeelnemers of
tot informatie, bijvoorbeeld verkeerslichten,
kan in het camerabeeld verkeerd worden
394 MBUX multimediasysteem
ingeschat. Niet uitsluitend op het camera‐
beeld van de Augmented-Reality-weergave
vertrouwen.
#Voortdurend de werkelijke verkeerssi‐
tuatie in de gaten houden. Slechts een
zeer korte blik op het camerabeeld wer‐
pen.
#In acht nemen dat er afhankelijk van de
rijsituatie ook gevarenkunnen optreden
die niet in het camerabeeld worden
weergegeven, bijvoorbeeld bij het
afslaan. Niet langdurig naar het camera‐
beeld kijken.
Tijdens de routebegeleiding met augmented rea‐
lity wordtór een afslagmanoeuvre op het
mediadisplay een camerabeeld van de werkelijke
rijsituatie weergegeven.
1Straatnaam
2Huisnummer
3Rij-aanwijzingspijlen
De routebegeleiding met augmented reality is
niet in alle landen beschikbaar.
De routebegeleiding met augmented reality is
momenteel niet op autosnelwegen beschikbaar.
Het camerabeeld kan de volgende extra informa‐
tie bevatten:
RRij-aanwijzingspijlen
RStraatnaam
RHuisnummers
Routebegeleiding met augmented reality
activeren
&WAARSCHUWING Gevaar voor ongeval‐
len en letsel door onjuiste plaatsing van
de extra informatie
De extra informatie van de Augmented-Rea‐
lity-weergavekan op een verkeerde plaats in
het camerabeeld worden weergegeven. Daar‐
mee kan het camerabeeld niet het in de
gaten houden van de werkelijke rijsituatie
vervangen.
#Bij alle rijmanoeuvres altijd de daadwer‐
kelijke rijsituatie in het blikveld houden,
bijvoorbeeld bij het afslaan en bij het
veranderenvanrijstrook.
Voorwaarden
REr is een routebegeleiding bezig.
MBUX multimediasysteem 395
Multimediasysteem:
4©5Navigatie
#Wanneer tijdens de routebegeleiding de
gedetailleerde kruisingsweergave wordt
weergegeven, het camerasymbool aantippen.
De displaytoets is geactiveerd. Op het display
wordt het mediadisplay afhankelijkvan de
situatie weergegeven.
Het camerabeeld wordtvoor een afslagma‐
noeuvre in plaats van de navigatiekaart weer‐
gegeven en toont extra informatie.
#Terug naar de navigatiekaart: opnieuw het
camerasymbool aantippen.
De displaytoets is gedeactiveerd.
Straatnamen voor de routebegeleiding met
augmented reality weergeven
Voorwaarden
RAugmented reality is geactiveerd
(/pagina 395).
Multimediasysteem:
4©5Navigatie 5Z
5Aanvullend 5Augmented Reality
#Straatnamen en Huisnummers inschakelen.
De displaytoetsen zijn geactiveerd. Tijdens
de routebegeleiding worden straatnamen en
huisnummers als extra informatie in het
camerabeeld weergegeven.
Weergave vanverkeerslichten voor de route‐
begeleiding met augmented reality inschake‐
len
Voorwaarden
RAugmented reality is geactiveerd
(/pagina 395).
RDe optie Verkeersl.-indicatie zoom is inge‐
schakeld.
Wanneer de auto bij een kruising vooraan staat,
wordt het camerabeeld voor de verkeerslicht-
weergavevergroot weergegeven.
%Wanneer de auto wegrijdt, wordt de naviga‐
tiekaart weer getoond.
Multimediasysteem:
4©5Navigatie 5Z
5Aanvullend 5Augmented Reality
#Verkeersl.-indicatie zoom inschakelen.
De displaytoets is geactiveerd.
#Onder VERKEERSLICHTWEERGAVE een van
de opties Uit,Na bevestigingsvraag of Auto-
matisch selecteren.
Wanneer Na bevestigingsvraag is ingesteld,
wordt de melding Verkeerslicht-indicatie
beschikbaar weergegeven. Na bevestiging
van de melding verschijnt het camerabeeld.
Wanneer Automatisch is ingesteld, wordt het
camerabeeld automatisch weergegeven als
de verkeerslicht-weergave beschikbaar is.
#Terug naar de navigatiekaart: De toets
Gindrukken.
396 MBUX multimediasysteem
Kaart en kompas
Schaal instellen
Multimediasysteem:
4©5Navigatie
Inzoomen
#Wanneer de kaart wordtweergegeven, met
een vinger tweemaal kort na elkaar het
mediadisplay of de touchpad aantippen.
of
#Op het mediadisplay of de touchpad twee
vingers uit elkaar bewegen.
Verkleinen
#Het mediadisplay of de touchpad met twee
vingers aantippen.
of
#Op het mediadisplay of de touchpad twee
vingers naar elkaar toe bewegen.
%De maateenheid voor de schaal kanworden
ingesteld (/pagina 348).
Kaart verschuiven
Multimediasysteem:
4©5Navigatie
#Op de touchscreen: wanneer de kaart
wordtweergegeven, de vinger in een wille‐
keurige richting bewegen.
#Op de touchpad: Het menu Navigatie door
indrukken oproepen.
#Met de vinger naar bovenvegen.
#Op de touchpad drukken.
Het vizier 1verschijnt. De kaart kanworden
verschoven.
#De touchpad aanraken en de vinger in een
willekeurige richting bewegen.
De kaart beweegt zich onder het vizier 1in
de tegengestelde richting.
Wanneer de kaart is verschoven, verschijnt in de
statusregel bijvoorbeeld de volgende informatie:
RDe afstand 2t.o.v. de actuele positie van
de auto wordtweergegeven.
RInformatie over de actuele kaartpositie wordt
weergegeven, bijvoorbeeld de straatnaam.
De volgende functies zijn beschikbaar:
REen bestemming in de kaart selecteren
(/pagina 366).
REen speciale bestemming selecteren
(/pagina 363).
RVerkeersincidenten op de kaart weergeven
(/pagina 391).
#Kaart op actuele positie van de auto
terugzetten: 3selecteren.
MBUX multimediasysteem 397
Kaart draaien
#Op het mediadisplay of de touchpad twee
vingers naar links of rechts draaien.
Kaartoriëntatie selecteren
Multimediasysteem:
4©5Navigatie 5Z
5Aanvullend
#Weergave selecteren.
#Kaartoriëntatie selecteren.
#Een optie selecteren.
De punt #geeft de actuele instelling aan.
De volgende opties staan ter beschikking:
ROptie 2D Rijrichting: De kaart is in 2D en
in de rijrichting gericht.
ROptie 2D Noorden boven: De kaart is in
2D en naar het noorden gericht.
ROptie 3D: De kaart is in 3D en in de rij‐
richting gericht.
of
#Via snelle toegang: In de kaart het kompas‐
symbool Äherhaaldelijk aantippen.
De weergave wisselt in de volgorde 3D,2D
Rijrichting naar 2D Noorden boven.
Wanneer de kaart wordtverschoven, kan tus‐
sen 3D en 2D Noorden boven worden gewis‐
seld.
Symbolen voor speciale bestemmingenvoor
de kaartweergave selecteren
Multimediasysteem:
4©5Navigatie 5Z
Speciale bestemmingen zijn bijvoorbeeld restau‐
rants en hotels. Deze kunnen als symbolen op
de kaart worden aangegeven. Niet alle speciale
bestemmingen zijn overal beschikbaar.
Persoonlijke speciale bestemmingen zijn
bestemmingen die u bijvoorbeeld op een usb-
apparaat hebt opgeslagen.
%De weergave van symbolen voor speciale
bestemmingen in de kaart kunt u als favoriet
in- of uitschakelen.
#Via snelle toegang in- en uitschakelen:
Indien beschikbaar, Symbolen speciale
bestemmingen in- of uitschakelen.
De symbolen voor speciale bestemmingen
worden op de kaart weergegevenovereen‐
komstig de geselecteerde categorieën.
of
#In het menu in- en uitschakelen: Aanvul-
lend selecteren.
#Weergave selecteren.
#Kaartelementen selecteren.
#Symbolen spec. bestem. rselecteren.
Het menu SYMBOLEN SPEC. BESTEM. wordt
weergegeven.
#Spec. bestem. weergeven in- of uitschakelen.
Categorieën selecteren
#In het menu SYMBOLEN SPEC. BESTEM. Alle
categorieën rselecteren.
#Alles weergeven in- of uitschakelen.
Als de optie ingeschakeld is, worden de sym‐
bolen voor speciale bestemmingen van alle
categorieën op de kaart weergegeven.
398 MBUX multimediasysteem
of
#De categorieën en subcategorieën (indien
beschikbaar) rselecteren.
#De categorieën in- of uitschakelen.
De symbolen voor speciale bestemmingen
van de geselecteerde categorieën worden op
de kaart weergegeven.
Categorieën persoonlijke speciale bestem‐
mingen selecteren
#In het menu SYMBOLEN SPEC. BESTEM. Per-
soonl. spec. bestem. rselecteren.
#Een categorie rselecteren.
#Op kaart weergeven in- of uitschakelen.
Wanneer de weergave is ingeschakeld en de
auto een persoonlijke speciale bestemming
van deze categorie nadert, kan een optische
en akoestische aanwijzing worden gegeven.
#Aanwijzingen bij nadering: Een categorie of
een persoonlijke speciale bestemming selec‐
terenV.
#Optische aanwijzing en Akoestisch signaal in-
of uitschakelen.
Weergave van categorieën voor snelle toe‐
gang in- of uitschakelen
#In het menu SYMBOLEN SPEC. BESTEM. een
categorie in- of uitschakelen.
Weergave van de symbolen voor speciale
bestemmingenterugzetten
#In het menu SYMBOLEN SPEC. BESTEM.
Spec. bestem. terugzetten selecteren.
De instellingen worden op standaardinstellin‐
genteruggezet.
Informatie in tekstvorm voor de weergave op
de kaart selecteren
Multimediasysteem:
4©5Navigatie 5Z
5Aanvullend
#Weergave selecteren.
#Tekstinformatie selecteren.
#Onder de rubriek VOETREGEL een optie
selecteren.
De punt #geeft de actuele instelling aan.
De volgende opties staan ter beschikking:
ROptie Huidige straat
De straat waarin wordtgereden wordt in de
voetregelweergegeven.
Wanneer de kaart wordtverschoven, ver‐
schijnt onder het vizier de straatnaam, de
naam van de speciale bestemming of de
gebiedsnaam.
ROptie Geo-coördinaten toont de volgende
informatie in de voetregel:
-Breedte- en lengtegraad
-Hoogtevermelding
De hoogtevermelding kanvan de werke‐
lijke waarde afwijken.
ROptie Geen
Het mediadisplay toont geen informatie in
tekstvorm in de voetregel.
Snelweginformatie in- en uitschakelen
Multimediasysteem:
4©5Navigatie 5Z
#Via snelle toegang: Snelweginformatie in- of
uitschakelen.
De displaytoets is geactiveerd of uitgescha‐
keld.
MBUX multimediasysteem 399
of
#Via menu: Aanvullend selecteren.
#Weergave selecteren.
#Tekstinformatie selecteren.
#Snelweginformatie in- of uitschakelen.
Wanneer de displaytoets is geactiveerd, ver‐
schijnt er tijdens de snelwegrit aanvullende
informatie over de vooruitliggende snelweg‐
voorzieningen. Dat zijn bijvoorbeeld parkeer‐
plaatsen, wegrestaurants of snelwegafritten.
Volgende dwarsstraat aangeven
Voorwaarden
RDe routebegeleiding is niet actief.
Multimediasysteem:
4©5Navigatie 5Z
5Aanvullend
#Weergave selecteren.
#Tekstinformatie selecteren.
#Volgende dwarsstraat inschakelen.
De displaytoets is geactiveerd. Wanneer de
optie ingeschakeld is en de rit zonder route‐
begeleiding plaatsvindt, wordt bij de boven‐
ste displayrand de naam van de volgende
kruisende wegweergegeven.
Kaartversie weergeven
Multimediasysteem:
4©5Navigatie 5Z
5Aanvullend
#Weergave selecteren.
#Kaartversie selecteren.
De detailinformatie wordtweergegeven.
%Met de dienst online kaartupdate van
Mercedes me connect kunt u de kaartgege‐
vens actualiseren (/pagina 401).
Als een nieuwe kaartversie beschikbaar is,
wordt er een melding weergegeven op het
mediadisplay.
%Informatie over nieuwe versies van de digi‐
tale kaart is verkrijgbaar bij een Mercedes-
Benz-servicewerkplaats.
Overzicht gebied voor de route vermijden
Ukunt voor een route gebieden mijden, waar u
niet wilt rijden.
Bij de route wordtrekening gehouden met auto‐
snelwegen of meerbaans snelwegen die door
een te mijden gebied voeren.
Nieuw gebied voor de route vermijden
Multimediasysteem:
4©5Navigatie 5Z
5Aanvullend 5Route
5Te vermijden-opties 5Gebieden vermijden
#Nieuw gebied mijden selecteren.
#Starten op de kaart: Via kaart selecteren.
#De kaart verschuiven (/pagina 397).
#Starten via bestemming zoeken: Via adres-
invoer selecteren.
#Het adres invoeren (/pagina 360).
#De bestemming in de lijst selecteren of met
aovernemen.
De kaart verschijnt.
#Gebied aangeven: Het bedieningselement
aantippen of hierop drukken.
Een rode rechthoek verschijnt. Deze mar‐
keert het gebied, dat moet worden gemeden.
400 MBUX multimediasysteem
#Schaal wijzigen: Op het mediadisplay of de
touchpad twee vingers uit elkaar of naar
elkaar toe bewegen.
De schaal wordtverkleind of vergroot.
#Een gebied selecteren: aselecteren.
De melding Het te mijden gebied is opgesla-
gen. verschijnt. Het gebied is in de lijst opge‐
slagen.
Te vermijden gebied wijzigen
Multimediasysteem:
4©5Navigatie 5Z
5Aanvullend 5Route
5Te vermijden-opties 5Gebieden vermijden
#Een gebied in de lijst selecteren.
#Bewerken selecteren.
#Gebied op de kaart verschuiven: Op het
bedieningselement in een willekeurige rich‐
ting vegen.
#Grootte van het gebied wijzigen: Het
bedieningselement aantippen of hierop druk‐
ken.
#Op het bedieningselement omhoog of
omlaag vegen.
#aselecteren.
De melding Het te mijden gebied is opgesla-
gen. verschijnt. Het gebied is in de lijst opge‐
slagen.
#Gebied voor de route in acht nemen: Een
gebied in de lijst selecteren.
#Gebied vermijden inschakelen.
De displaytoets is geactiveerd.
Als de routebegeleiding actief is, wordt een
nieuwe route berekend.
Als er nog geen route is, wordt de instelling
voor de volgende routebegeleiding overgeno‐
men.
De route kan in de volgende gevallen een te
vermijden gebied bevatten:
RDe bestemming ligt in een te vermijden
gebied.
RDe route bevat autosnelwegen of meer‐
baans snelwegen die door een te mijden
gebied voeren.
REr is geen zinvolle alternatieve route.
Gebied wissen
Multimediasysteem:
4©5Navigatie 5Z
5Aanvullend 5Route
5Te vermijden-opties 5Gebieden vermijden
#Gebied wissen: Een gebied in de lijst selec‐
teren.
#Wissen selecteren.
#De vraag met Ja bevestigen.
#Alle gebieden wissen: Wanneer ten minste
twee te vermijden gebieden zijn ingesteld,
Alles wissen selecteren.
#De vraag met Ja bevestigen.
Overzicht update van de kaartgegevens
De update bij een Mercedes-Benz-service‐
werkplaats laten uitvoeren
Net zoals conventionele autokaartenverouderen
de digitale kaartgegevens. Een optimale routebe‐
geleiding door de navigatie wordt alleen bereikt
met actuele kaartgegevens. Informatie over
nieuwe versies van de digitale kaart is verkrijg‐
baar bij een Mercedes-Benz-servicewerkplaats.
MBUX multimediasysteem 401
Daar kunt u de actualisering van de digitale
kaart laten uitvoeren.
Online kaartupdate
Met de dienst online kaartupdate van Mercedes
me connect worden de kaartgegevens geactuali‐
seerd.
%De dienst Online kaartupdate is niet in alle
landen beschikbaar.
De volgende mogelijkheden staan ter beschik‐
king voor de actualisering:
Rvoor een regio (automatische kaartupdate)
Voor de automatische kaartupdate moet de
systeeminstelling Automatische online-
update zijn ingeschakeld (/pagina 351).
Rvoor meerdere of alle regio's (handmatige
kaartupdate)
De kaartgegevens wordt eerstgedownload
naar een opslagmedium en vervolgens geïn‐
stalleerd op het multimediasysteem.
Meer informatie over de online kaartupdate vindt
u hier:
RBij een Mercedes-Benz-servicewerkplaats
ROp de http://www.mercedes.me
Meer informatie over de update vindt u op:
http://manuals.daimler.com/baix/cars/
connectme/nl_NL/index.html.
Overzicht kaartgegevens
Uw auto wordt af fabriek met kaartgegevens
afgeleverd. Afhankelijkvan het land zijn de kaart‐
gegevens voor uw regio opgeslagen of zijn de
kaartgegevens op een gegevensdrager bij de
auto aanwezig.
Indien al kaartgegevens in de auto geïnstalleerd
zijn geweest en deze opnieuw moetenworden
geïnstalleerd, hoeft geen vrijschakelcode te wor‐
den ingevoerd.
Voor kaartgegevens, die u als gegevensdrager
hebt aangeschaft, moet u de bijgevoegde vrij‐
schakelcode invoeren.
%Wanneer u kaartgegevens met de dienst
online kaartupdate op een gegevensdrager
opslaat, hoeft u niets in te voeren. De vrij‐
schakelcode wordt bij het downloaden op de
gegevensdrager opgeslagen.
Bij het invoeren van de vrijschakelcode op het
volgende letten:
RDe vrijschakelcode is voor één auto bruik‐
baar.
RDe vrijschakelcode is niet overdraagbaar.
RDe vrijschakelcode is zescijferig.
Bij de volgende problemen naar een Mercedes-
Benz-servicewerkplaats gaan:
RHet multimediasysteem accepteert de vrij
schakelcode niet.
RU heeft de vrijschakelcode verloren.
Kompas weergeven
Multimediasysteem:
4©5Navigatie 5¡5Positie
#Kompas selecteren.
De kompasweergave toont de volgende infor‐
matie:
RActuele rijrichting met richtingshoek
(360-graden formaat) en windstreek
RLengte en breedtegraad coördinaten in
graden, minuten en seconden
402 MBUX multimediasysteem
RHoogte (afgerond)
RAantal ontvangen satellieten
De informatie is niet in alle landen beschikbaar.
Qibla weergaven
Multimediasysteem:
4©5Navigatie 5¡5Positie
#Qibla selecteren.
De pijl op het kompas geeft de richting naar
Mekka ten opzichte van de actuele rijrichting
aan.
Het aantal ontvangen satellietenwordtweer‐
gegeven.
%Deze functie is niet in alle landen beschik‐
baar.
Schaal automatisch instellen
Multimediasysteem:
4©5Navigatie 5Z
5Aanvullend
#Weergave selecteren.
#Kaartoriëntatie selecteren.
#Autozoom inschakelen.
De displaytoets is geactiveerd. De schaal
wordt afhankelijkvan de rijsnelheid en het
wegtype automatisch ingesteld.
%De automatisch ingestelde schaal kan hand‐
matig worden gewijzigd. Deze wordt na
enkele seconden weer automatisch inge‐
steld.
Satellietkaart weergeven
Multimediasysteem:
4©5Navigatie 5Z
5Aanvullend
#Weergave selecteren.
#Kaartelementen selecteren.
#Satellietkaart in- of uitschakelen.
Als de displaytoets is geactiveerd, worden
satellietkaarten in schalen vanaf 2 km weer‐
gegeven.
Als de displaytoets niet is geactiveerd, wor‐
den geen satellietkaarten in schalen van
2 km tot 20 km weergegeven.
%De satellietkaartenvoor deze schalen zijn
niet in alle landen verkrijgbaar.
Actieradius weergeven
Voorwaarden
RHet multimediasysteem ondersteunt de func‐
tie.
Multimediasysteem:
4©5Navigatie 5Z
5Aanvullend
#Weergave selecteren.
#Kaartelementen selecteren.
#Actieradius inschakelen.
De displaytoets is geactiveerd.
De elektrische actieradius wordt op de kaart
met de kleur Zero Emission Green weergege
ven.
%De weergave van de actieradius op de kaart
is niet in alle landen beschikbaar.
Weersinformatie en andere kaartinhoud
weergeven
Voorwaarden
RMercedes me connect is beschikbaar.
RU hebt een gebruikersaccount op de
Mercedes me-Portal.
MBUX multimediasysteem 403
RDe dienst is beschikbaar.
RDe dienst is vrijgeschakeld.
Multimediasysteem:
4©5Navigatie 5Z
5Aanvullend
#Weergave selecteren.
#Kaartelementen selecteren.
#Omhoog scrollen en de rubriek ONLINE
KAARTINHOUD weergeven.
De beschikbare dienstenworden weergege‐
ven. De dienstenworden door Mercedes me
connect geleverd.
#Een dienst inschakelen, bijvoorbeeld Weer.
Op de navigatiekaart wordt actuele weersin‐
formatie weergegeven, bijvoorbeeld tempera‐
tuur of bewolking. De informatie van de dien‐
sten, bijvoorbeeld weersymbolen, wordt niet
in alle schalen van de kaart weergegeven.
Meer informatie over beschikbare diensten en
over de weergavevan informatie in de schalen
van de kaart vindt u onder: http://
www.mercedes.me
%Weersinformatie is niet in alle landen
beschikbaar.
Kaartperspectief op het multifunctioneel dis‐
play van het combi-instrument weergeven
Multimediasysteem:
4©5Navigatie 5Z
5Aanvullend
#Weergave selecteren.
#Kaartoriëntatie selecteren.
#Omhoog scrollen en de rubriek WEERGAVE
COMBI-INSTRUM. weergeven.
#Schaal automatisch instellen: Autozoom
inschakelen.
De displaytoets is geactiveerd. De schaal
wordt afhankelijkvan de rijsnelheid en het
wegtype automatisch ingesteld.
#Kaartoriëntatie selecteren: Een optie
selecteren.
De punt #geeft de actuele selectie aan.
De volgende opties staan ter beschikking:
ROptie 2D Rijrichting: De kaart is in 2D en
in de rijrichting gericht.
ROptie 2D Noorden boven: De kaart is in
2D en naar het noorden gericht.
ROptie 3D: De kaart is in 3D en in de rij‐
richting gericht.
Service parkeren
Aanwijzingen met betrekking tot de service
parkeren
&WAARSCHUWING Gevaar voor ongeval‐
len en letsel als de maximaal toegestane
inrijhoogte niet in acht wordtgenomen
Wanneer de hoogte van de auto de maximaal
toegestane inrijhoogte voor parkeergarages
overschrijdt, kunnen het dak van de auto en
andere onderdelen van de auto worden
beschadigd.
Er kangevaar voor letsel van de inzittenden
bestaan.
#Vóór het inrijden van een parkeergarage
de ter plekke aangegeven inrijhoogte in
acht nemen.
404 MBUX multimediasysteem
#Indien de hoogte van het voertuig de
maximaal toegestane inrijhoogte inclu‐
sief aanwezige extra opbouwen over‐
schrijdt, de parkeergarage niet binnen‐
rijden.
De service is niet in alle landen beschikbaar.
Parkeermogelijkheid selecteren
*AANWIJZING Voor het selecteren van de
parkeermogelijkheid
De gegevens zijn gebaseerd op de informatie
die door de betreffende dienstenaanbieder is
verstrekt.
Mercedes-Benz aanvaardt geen garantie voor
de juistheid van de verstrekte informatie met
betrekking tot de parkeergarage of de par‐
keerplek.
#Altijd de lokale informatie en omstan‐
digheden in acht nemen.
Voorwaarden
RDe service navigatieservices is in de
Mercedes me-Portal beschikbaar, geboekt en
geactiveerd.
RTot de omvang van de navigatieservices
behoort de service Parkeren.
RParkeren is ingeschakeld (/pagina 406).
Multimediasysteem:
4©5Navigatie
#In de kaart jaantikken.
#Een parkeermogelijkheid selecteren.
De kaart toont de parkeermogelijkheden in
de omgeving.
De volgende informatie wordtweergegeven
(indien beschikbaar):
RBestemming, afstand vanaf de actuele
positie van de auto en aankomsttijd
RInformatie over de parkeergarage/
parkeerplek
Bijvoorbeeld openingstijden, parkeertarie‐
ven, actuele bezetting, max. parkeerduur,
maximale inrijhoogte
De door de service parkeren weergege
ven maximale inrijhoogte vervangt niet
het zelf in de gaten houden van de daad‐
werkelijke omstandigheden.
RBeschikbare betalingsmogelijkheden
(Mercedes pay, muntgeld, bankbiljetten,
kaart)
RDetails over de parkeertarieven
RAantal vrije parkeerplekken
RSoort betaling (bijvoorbeeld bij de auto‐
maat)
RServices resp. voorzieningenvan de par‐
keermogelijkheid
RTelefoonnummer
#De route berekenen (/pagina 368).
De volgende functies kunnen bovendien worden
geselecteerd (indien beschikbaar):
RSpeciale bestemmingen in de omgeving zoe‐
ken.
RDe bestemming opslaan.
RBestemming bellen.
RDe bestemming via NFC of QR-code delen.
MBUX multimediasysteem 405
RHet webadres oproepen.
RDe bestemming op de kaart weergeven.
Parkeermogelijkheden in de kaart weergeven
Voorwaarden
RDe service navigatieservices is in de
Mercedes me-Portal beschikbaar, geboekt en
geactiveerd.
RTot de omvang van de navigatieservices
behoort de service Parkeren.
Multimediasysteem:
4©5Navigatie 5Z
#Parkeren inschakelen.
De displaytoets is geactiveerd. De parkeer‐
mogelijkheden in de omgeving van de actu‐
ele positie van de auto worden weergegeven.
Parkeertarief betalen
Voorwaarden
RDe service navigatieservices is in de
Mercedes me-Portal beschikbaar en geacti‐
veerd.
Tot de omvang van de navigatieservices
behoort de service Parkeren.
RU hebt zich in de Mercedes me-Portal bij
Mercedes Pay en de betreffende contract‐
partners met uw betalingsgegevens voor het
betalen van parkeren geregistreerd.
RParkeren is ingeschakeld (/pagina 406).
Multimediasysteem:
4©5Navigatie
De optie is niet in alle landen beschikbaar.
#Op de kaart een parkeermogelijkheid selec‐
teren.
#Wanneer een betaalbare parkeerplaats is
geselecteerd, in de parkeerdetails omlaag‐
scrollen.
#Betalen selecteren.
of
#Als de auto een parkeerstand met betalings‐
functie heeft bereikt en het contact is uitge‐
schakeld, verschijnt een melding.
Via deze melding kunt u vanuit de auto beta‐
len en de betaalprocedure starten.
#Betaalprocedure starten: de melding
bevestigen.
#De aangegeven maximale parkeerduur en,
indien aanwezig, andere beperkingen in acht
nemen. Indien nodig informeert een melding
over het noodzakelijke neerleggen van het
bewijs voor de online-betaling van de par‐
keerplek.
#De betaalprocedure starten selecteren.
#Indien noodzakelijk de personalisatie-PIN
invoeren.
#Met abevestigen.
De succesvolle start van uw parkeertransac‐
tie wordt aangegeven.
#De reservering met OK afsluiten.
#Afbreken van de reservering: Na ontvangst
van het bevestigingsbericht Annuleren selec‐
teren.
Hierbij kunnen minimumkosten in rekening
worden gebracht.
#Einde van de reservering: De actieve trans‐
actie via de Mercedes me App stoppen.
U ontvangt een samenvatting van de proce‐
dure en van de kosten.
406 MBUX multimediasysteem
Wanneer bij het doorrijden een actieve par‐
keerprocedure voor uw auto wordt herkend,
krijgt u een melding of u deze parkeerproce‐
dure wilt beëindigen.
#De melding bevestigen.
Wanneer de parkeerprocedure succesvol is
gestopt, ontvangt u nog een melding in de
auto met de details over uw beëindigde par‐
keerprocedure.
Dashcam
Usb-apparaat voor een video-opname met de
dashcam selecteren
Voorwaarden
RDe dashcam is in combinatie met de functie
Augmented Reality in de navigatie beschik‐
baar.
RTen minste een usb-apparaat is met het mul‐
timediasysteem verbonden (/pagina 459).
%De bediening en het gebruik van de functies
van de dashcam is wettelijkgezien uw ver‐
antwoordelijkheid. De wettelijke regelingen
voor de bediening en het gebruik van de
dashcam kunnen verschillen per land waarin
de dashcam wordtgebruikt. Daarom de wet‐
telijke regelingen in acht nemen, in het bij‐
zonder de voorschriftenvoor gegevensbe‐
scherming in uw land.
Voordat u de dashcam gebruikt dient u zich
daarom te informeren over de inhoud van
deze voorschriften in het land vangebruik.
De functie is niet in alle landen toegestaan. De
landspecifieke regelingen in acht nemen.
Multimediasysteem:
4©5Mercedes me & Apps
5Dashcam
#Het usb-apparaat selecteren.
Video-opname met de dashcam starten/
stoppen
Voorwaarden
REen usb-apparaat is met het multimediasys‐
teem verbonden (/pagina 459).
RHet contact is ingeschakeld.
%De bediening en het gebruik van de functies
van de dashcam is wettelijkgezien uw ver‐
antwoordelijkheid. De wettelijke regelingen
voor de bediening en het gebruik van de
dashcam kunnen verschillen per land waarin
de dashcam wordtgebruikt. Daarom de wet‐
telijke regelingen in acht nemen, in het bij‐
zonder de voorschriftenvoor gegevensbe‐
scherming in uw land.
Voordat u de dashcam gebruikt dient u zich
daarom te informeren over de inhoud van
deze voorschriften in het land vangebruik.
De functie is niet in alle landen toegestaan.
Multimediasysteem:
4©5Mercedes me & Apps
5Dashcam
#Als er meerdere usb-apparaten met het mul‐
timediasysteem verbonden zijn, het betref‐
fende usb-apparaat selecteren
(/pagina 407).
#Opnamemodus selecteren: Enkele opname
of Lusopname selecteren.
Als Enkele opname is geselecteerd en het
geheugen vol is, stopt de opname. Een
enkele opname is beveiligd tegen automa‐
tisch overschrijven.
MBUX multimediasysteem 407
Wanneer Lusopname is geselecteerd, worden
meerdere korte videobestanden opgenomen.
Bij het bereiken van de geheugenlimiet wordt
het oudste videobestand gewist en wordt de
registratie automatisch voortgezet.
#Starten: Registratie starten selecteren.
De opnameduur wordtweergegeven. De mel‐
ding Opslagmedium niet verwijderen a.u.b.
verschijnt. Het videobestand wordt opgesla‐
gen op het usb-apparaat.
#Beëindigen: Registratie beëindigen selecte‐
ren.
In de volgende gevallen kan een melding ver‐
schijnen:
RVoor de opnamemodus Enkele opname: Het
geheugen is vol of er zijn nog maar een paar
minuten opnametijd beschikbaar. De video-
opname stopt of stopt binnenkort.
Een ander usb-apparaat kiezen of een video‐
bestand wissen.
RWanneer een video-opname is gestart en een
grensovergang wordt herkend, verschijnt het
berichtLandgrens gepasseerd. Landspeci-
fieke voorschriften voor video-opnames in
acht nemen a.u.b.
Deze functie is niet in alle landen beschik‐
baar.
RDe camera werkt niet, de melding Camera
niet beschikbaar verschijnt.
De camera bij een Mercedes-Benz-service‐
werkplaats laten controleren.
Video-opname van de dashcam wissen
Voorwaarden
REen usb-apparaat met video-opnamen is met
het multimediasysteem verbonden
(/pagina 459).
%De bediening en het gebruik van de functies
van de dashcam is wettelijkgezien uw ver‐
antwoordelijkheid. De wettelijke regelingen
voor de bediening en het gebruik van de
dashcam kunnen verschillen per land waarin
de dashcam wordtgebruikt. Daarom de wet‐
telijke regelingen in acht nemen, in het bij‐
zonder de voorschriftenvoor gegevensbe‐
scherming in uw land.
Voordat u de dashcam gebruikt dient u zich
daarom te informeren over de inhoud van
deze voorschriften in het land vangebruik.
De functie is niet in alle landen toegestaan.
Multimediasysteem:
4©5Mercedes me & Apps
5Dashcam
#Het symbool pselecteren.
Het menu OPNAMEN verschijnt.
#Voor een videobestand Vselecteren.
#Wissen selecteren.
#Ja selecteren.
#Alle videobestanden wissen: Äselecte‐
ren.
#Alle items wissen selecteren.
Instellingen van de dashcam configureren
Voorwaarden
REen usb-apparaat is met het multimediasys‐
teem verbonden (/pagina 459).
408 MBUX multimediasysteem
%De bediening en het gebruik van de functies
van de dashcam is wettelijkgezien uw ver‐
antwoordelijkheid. De wettelijke regelingen
voor de bediening en het gebruik van de
dashcam kunnen verschillen per land waarin
de dashcam wordtgebruikt. Daarom de wet‐
telijke regelingen in acht nemen, in het bij‐
zonder de voorschriftenvoor gegevensbe‐
scherming in uw land.
Voordat u de dashcam gebruikt dient u zich
daarom te informeren over de inhoud van
deze voorschriften in het land vangebruik.
De functie is niet in alle landen toegestaan.
Multimediasysteem:
4©5Mercedes me & Apps
5Dashcam
#Zselecteren.
#Bericht na passeren van een grensover‐
gang weergeven: Landgrens-melding
inschakelen.
De displaytoets is geactiveerd.
Een bericht verschijnt onder de volgende
voorwaarden:
REr is een video-opname actief.
RDe auto is een grensovergang gepas‐
seerd.
%Deze functie is niet in alle landen beschik‐
baar.
#Automatische video-opname starten:
Automatische videoregistratie selecteren.
#Automatische videoregistratie inschakelen.
De displaytoets is geactiveerd. Wanneer de
auto wordtgestart, start de video-opname
automatisch.
%Deze functie is niet in alle landen beschik‐
baar.
Telefoon
Telefoneren
Aanwijzingen voor het telefoneren
&WAARSCHUWING Gevaar voor afleiding
door het bedienen van de geïntegreerde
communicatieapparatuur tijdens het rij‐
den
Als u tijdens het rijden in de auto geïnte‐
greerde communicatieapparatuur bedient,
kunt u van de verkeerssituatie worden afge‐
leid. Bovendien kunt u de controle over de
auto verliezen.
#Deze apparatuur alleen bedienen als de
verkeerssituatie dit toelaat.
#Als dit niet kanworden gewaarborgd,
op een veilige plek stoppen en de invoe‐
ring als de auto stilstaat uitvoeren.
MBUX multimediasysteem 409
&WAARSCHUWING Gevaar voor ongeval‐
len door het bedienen van mobiele com‐
municatieapparatuur tijdens het rijden
Mobiele communicatieapparatuur leidt de
bestuurder af van de verkeerssituatie. Boven‐
dien kan de bestuurder de controle over de
auto verliezen.
#Als bestuurder mobiele communicatie‐
apparatuur alleen bedienen wanneer de
auto stilstaat.
#Als inzittende mobiele communicatieap‐
paratuur alleen in het daarvoor
bedoelde gebied gebruiken, bijvoor‐
beeld achterin.
Bij het gebruik van mobiele communicatieappa‐
ratuur in de auto de wettelijke voorschriften in
acht nemen van het land waarin u zich bevindt.
&WAARSCHUWING Gevaar voor letsel
door ongeschikt opbergen vanvoorwer‐
pen
Als voorwerpen op ongeschikte wijze in het
interieur worden opgeborgen, kunnen ze ver‐
schuiven of rondvliegen en daardoor inzitten‐
den raken. Bovendien kunnen bekerhouders,
geopende opbergvakken en mobiele-tele‐
foonhouders bij een ongeval de daarin aan‐
wezige voorwerpen niet altijd tegenhouden.
Er bestaat gevaar voor letsel, in het bijzonder
bij remmanoeuvres of plotselinge richtings‐
wijzigingen!
#Voorwerpen altijd zodanig opbergen,
dat ze in deze of vergelijkbare situaties
niet kunnen rondvliegen.
#Altijd waarborgen dat voorwerpen niet
uit opbergvakken, bagagenetten of
opbergnetten steken.
#De afsluitbare opbergvakken voor aan‐
vang van de rit sluiten.
#Zware, harde, scherpe, breekbare of te
grotevoorwerpen altijd in de bagage‐
ruimte opbergen en beveiligen.
De verdere aanwijzingen met betrekking tot het
correct opbergenvan mobiele communicatieap‐
paratuur in acht nemen:
RBeladen van de auto(/pagina 117)
Meer informatie is verkrijgbaar bij een
Mercedes-Benz-servicewerkplaats of onder:
http://www.mercedes-benz.com/connect
410 MBUX multimediasysteem
Overzicht telefoonmenu
1Bluetooth®-apparaatnaam van de momen‐
teel verbonden mobiele telefoon(s)
2Bluetooth®-apparaatnaam van de momen‐
teel verbonden mobiele telefoon(s) (tweede
telefoonfunctie)
3Batterijstatus van de verbonden mobiele
telefoon
4Veldsterkte van het mobiele-telefoonnet
5Opties
6Apparatenmanager
7Berichten
8Cijferblok
9Contact zoeken
Overzicht Bluetooth®profielen
Bluetooth®-profiel
van de mobiele tele‐
foon
Functie
PBAP (Phone Book
Access Profile)
Contacten worden
automatisch weerge‐
MBUX multimediasysteem 411
Bluetooth®-profiel
van de mobiele tele‐
foon
Functie
geven op het multi‐
mediasysteem
MAP (Message
Access Profile)
Berichtenfuncties
kunnen worden
gebruikt
Overzicht telefoonfuncties
Afhankelijk van de uitrusting zijn de volgende
telefoonfuncties beschikbaar:
REen mobiele telefoon is via Bluetooth®met
het multimediasysteem verbonden
(/pagina 412).
RTwee mobiele telefoons zijn via Bluetooth®
met het multimediasysteem verbonden
(tweede telefoonfunctie) (/pagina 413).
-Met de mobiele telefoon op de voorgrond
kunnen alle functies van het multimedia‐
systeem worden gebruikt.
-Met de mobiele telefoon op de achter‐
grond kunnen binnenkomende gesprek‐
kenworden aangenomen en berichten
worden ontvangen.
De mobiele telefoons op de voor- en ach‐
tergrond kunnen op elk moment worden
verwisseld (/pagina 413).
%De Bluetooth®-audio-functionaliteit kan onaf‐
hankelijk hiervan met een willekeurige
mobiele telefoon worden gebruikt
(/pagina 459).
Informatie overtelefonie
In de volgende situaties kunnen gesprekken tij‐
dens het rijden worden onderbroken:
RIn een gebied is er onvoldoende netwerkdek‐
king beschikbaar.
RU wisselt van het ene naar het andere zend-
en ontvangststation en in de nieuwe cel is
geen gesprekskanaal vrij.
RDe gebruikte simkaart is niet compatibel met
het beschikbare netwerk.
REen mobiele telefoon met Twin Card is met
de tweede simkaart tegelijkertijd in het net‐
werk aangemeld.
Het multimediasysteem ondersteunt voor een
betere spraakkwaliteit gesprekken in HD Voice®.
Daarvoor moeten de mobiele telefoons en de
mobiele-telefoonaanbieder van de gesprekspart‐
ner HD Voice®ondersteunen.
De spraakkwaliteit kan wijzigen afhankelijkvan
de kwaliteit van de verbinding.
Mobiele telefoon aanmelden
Voorwaarden
RBluetooth®op de mobiele telefoon is inge‐
schakeld (zie de handleiding van de fabri‐
kant).
RBluetooth®op multimediasysteem is inge‐
schakeld (/pagina 345).
Multimediasysteem:
4©5Telefoon
Mobiele telefoon zoeken
#íselecteren.
412 MBUX multimediasysteem
#Nw. apparaat verbinden selecteren.
Mobiele telefoon verbinden (autorisatie via
Secure Simple Pairing)
#Een mobiele telefoon selecteren.
#Op het multimediasysteem en op de mobiele
telefoon verschijnt een code.
#Codes komen overeen: Op de mobiele tele‐
foon bevestigen.
%Bij oudere mobiele telefoons voor de autori‐
satie een 1- tot 16-cijferige code in de
mobiele telefoon en in het multimediasys‐
teem invoeren.
%Er kunnen tot vijftien mobiele telefoons bij
het multimediasysteem worden geautori‐
seerd.
Geautoriseerde mobiele telefoons worden
automatisch opnieuw aangemeld.
%De verbonden mobiele telefoon kan ook als
Bluetooth®audioapparaat worden gebruikt
(/pagina 459).
Tweede mobiele telefoon koppelen (tweede
telefoonfunctie)
Voorwaarden
REr is ten minste al één mobiele telefoon via
Bluetooth®met het multimediasysteem ver‐
bonden.
Multimediasysteem:
4©5Telefoon
#íselecteren.
#Nw. apparaat verbinden selecteren.
#De mobiele telefoon selecteren.
#Apparaatnaam 1 + Apparaatnaam 2 selecte‐
ren.
De geselecteerde mobiele telefoon wordt
verbonden met het multimediasysteem.
Functies van de mobiele telefoon bij tweede
telefoonfunctie
Overzicht functies
Mobiele telefoon op
de voorgrond
Mobiele telefoon op
de achtergrond
Volledige functie-
omvang Binnenkomende
gesprekken en berich‐
ten
Van mobiele telefoon wisselen (tweede tele‐
foonfunctie)
Multimediasysteem:
4©5Telefoon
De twee mobiele telefoons worden afzonderlijk
weergegeven in verschillende tabbladen.
#Het tabblad met de gewenste mobiele tele‐
foon selecteren.
De mobiele telefoon in het geselecteerde
tabblad is de mobiele telefoon op de voor‐
grond.
De submenu's in het menu Telefoon, met uit‐
zondering van de telefooninstellingen, heb‐
ben betrekking op de mobiele telefoon op de
MBUX multimediasysteem 413
voorgrond. In de telefooninstellingen kunnen
instellingen voor beide mobiele telefoons
worden uitgevoerd.
Functie van een mobiele telefoon wijzigen
Voorwaarden
RMinstens één mobiele telefoon is via Blue‐
tooth®met het multimediasysteem verbon‐
den (/pagina 412).
Multimediasysteem:
4©5Telefoon
Functie activeren
#De apparatenmanager íselecteren.
#In de regelvan een mobiele telefoon een grijs
symbool selecteren.
De betreffende functie wordtgeactiveerd.
Functie deactiveren
#De apparatenmanager íselecteren.
#Een functie is actief: In de regelvan een
mobiele telefoon het gekleurde symbool
selecteren.
De mobiele telefoon wordt losgekoppeld van
het multimediasysteem.
#Meerdere functies zijn actief: In de regel
van een mobiele telefoon een gekleurd sym‐
bool selecteren.
De betreffende functie wordtgedeactiveerd.
Mobiele telefoons vervangen
Multimediasysteem:
4©5Telefoon
#íselecteren.
#Geen geautoriseerde mobiele telefoon
aanwezig: Nw. apparaat verbinden selecte‐
ren.
#Een mobiele telefoon selecteren.
#Nieuw geautoriseerde mobiele telefoon:
De cijfercode op de mobiele telefoon bevesti‐
gen.
Gebruik in de single-telefoonmodus
#Apparaatnaam selecteren.
Een nieuw geautoriseerde mobiele telefoon
wordt in de single-telefoonmodus verbonden.
Wanneer de mobiele telefoon reeds geautori‐
seerd en in de single-telefoonmodus verbon‐
den was, wordt deze weer in de single-tele‐
foonmodus verbonden.
Wanneer een mobiele telefoon reeds geauto‐
riseerd was en in de tweede telefoonfunctie
met een andere mobiele telefoon verbonden
was, wordt deze voortaan in de single-tele‐
foonmodus verbonden.
Gebruik in de tweede telefoonfunctie
#Apparaatnaam 1 + Apparaatnaam 2 selecte‐
ren.
Een nieuw geautoriseerde mobiele telefoon
wordt met de geselecteerde mobiele telefoon
in de tweede telefoonfunctie verbonden.
Wanneer de mobiele telefoon reeds geautori‐
seerd was en in de single-telefoonmodus ver‐
bonden was, wordt deze voortaan samen
414 MBUX multimediasysteem
met de geselecteerde mobiele telefoon in de
tweede telefoonfunctie verbonden.
Wanneer de mobiele telefoon eerder met een
andere mobiele telefoon verbonden was,
wordt deze verbinding gewist.
Mobiele telefoon loskoppelen/deautoriseren
Multimediasysteem:
4©5Telefoon
#íselecteren.
#In de regelvan de mobiele telefoon Ä
selecteren.
#Loskoppelen: Verbreken selecteren.
Als de auto weer wordtgestart, wordt de
mobiele telefoon zo nodig automatisch
opnieuw verbonden.
#Deautoriseren: Deautoriseren selecteren.
Informatie overNear Field Communication
(NFC)
Met NFC kunt u gegevens contactloos uitwisse‐
len overkorte afstanden of een mobiele telefoon
(opnieuw) verbinden met het multimediasys‐
teem.
De volgende functies zijn zonder autorisatie van
een mobiele telefoon beschikbaar:
ROverdracht van een URL of een contact voor
weergave in het multimediasysteem (zie de
handleiding van de fabrikant)
RInstellen van de Wi-Fi-toegangsgegevens van
de auto via de systeeminstellingen
(/pagina 347)
Meer informatie vindt u onder: http://
www.mercedes-benz.com/connect
Mobiele telefoon via Near Field Communica‐
tion (NFC) gebruiken
Voorwaarden
RNFC op de mobiele telefoon is ingeschakeld
(zie de handleiding van de fabrikant).
RHet beeldscherm van de mobiele telefoon is
ingeschakeld en ontgrendeld (zie de handlei‐
ding van de fabrikant).
#Mobiele telefoon verbinden: Het NFC-
gedeelte van de mobiele telefoon (zie de
handleiding van de fabrikant) bij de mat 1
houden of de mobiele telefoon erop leggen.
#De verdere aanwijzingen op het mediadisplay
volgen voor het verbinden van de mobiele
telefoon. Mobiele telefoon in de single-tele‐
foonmodus verbinden (/pagina 412).
Mobiele telefoon in de tweede telefoonfunc‐
tie verbinden (/pagina 413).
#Mobiele telefoon vervangen: Het NFC-
gedeelte van de mobiele telefoon (zie de
handleiding van de fabrikant) bij de mat 1
houden of de mobiele telefoon erop leggen.
MBUX multimediasysteem 415
#De verdere aanwijzingen op het mediadisplay
volgen voor het vervangen van de mobiele
telefoon in de single- of tweede telefoonfunc‐
tie (/pagina 413).
#Eventueel aanwijzingen op uw mobiele tele‐
foon bevestigen (zie de handleiding van de
fabrikant).
%Wanneer uw mobiele telefoon draadloos
laden ondersteunt, dan wordt deze na het
aansluiten of vervangen via NFC automatisch
opgeladen. Voorwaarde is, dat de mobiele
telefoon op de oplaadmat ligt
(/pagina 137).
Wanneer u een mobiele telefoon wilt opladen
zonder deze met het multimediasysteem te ver‐
binden, legt u deze op de mat, zonder eerst het
beeldscherm te ontgrendelen.
Meer informatie vindt u op: http://
www.mercedes-benz.com/connect
Ontvangst- en overdrachtsvolume instellen
Voorwaarden
REr is een mobiele telefoon verbonden
(/pagina 412).
Multimediasysteem:
4©5Telefoon 5<Apparaatnaam>
5Z
Deze functie maakt een optimale spraakkwaliteit
mogelijk.
%In acht nemen dat de betreffende mobiele
telefoon moet worden geselecteerd om het
ontvangst- en overdrachtsvolume aan te pas‐
sen.
#Volume selecteren.
#Het ontvangst- en overdrachtsvolume via
Ontvangst en Overdracht instellen.
Meer over het geadviseerde ontvangst- en over‐
drachtsvolume: http://www.mercedes-
benz.com/connect
Beltoon instellen
Multimediasysteem:
4©5Telefoon 5<Apparaatnaam>
5Z
#Beltonen selecteren.
#De beltoon instellen.
%Als de mobiele telefoon de overdrachtvan
de beltoon ondersteunt, hoort u de beltoon
van de mobiele telefoon in plaats van die van
de auto.
Spraakherkenning van de mobiele telefoon
starten/stoppen
Voorwaarden
RDe mobiele telefoon op de voorgrond is met
het multimediasysteem verbonden
(/pagina 412).
Spraakherkenning van de mobiele telefoon
starten
#In het multifunctioneel stuurwiel de toets
£langer dan een seconde indrukken.
De spraakherkenning van de mobiele tele‐
foon kanworden gebruikt.
Spraakherkenning van de mobiele telefoon
stoppen
#De toets8of ~op het multifunctio‐
neel stuurwiel indrukken.
416 MBUX multimediasysteem
%Wanneer een mobiele telefoon via de smart‐
phone-integratie is verbonden, wordt de
spraakherkenning van deze mobiele telefoon
gestart of gestopt.
Gesprekken
Telefoneren
Multimediasysteem:
4©5Telefoon
Bellen via nummerinvoer
#_selecteren.
#Een nummer invoeren.
#Rselecteren.
Het gesprek wordttot stand gebracht.
Gesprek aannemen
#RAannemen selecteren.
Gesprek weigeren
#kWeigeren selecteren.
Gesprek beëindigen
#kselecteren.
Functies tijdens gesprek activeren
De volgende functies zijn beschikbaar tijdens het
bellen:
kGesprek beëindigen
mMicrofoon uit
_Cijferblok (weergevenvoor het verzenden
vanDTMF-tonen)
WGesprek toevoegen
hNaar telefoon omschakelen (gesprek
wordtvanuit de handsfree-modus aan de
telefoon doorgegeven)
#Een functie selecteren.
Gesprek met meerdere deelnemers voeren
Voorwaarden
REr is een actief gesprek aanwezig
(/pagina 417).
REr is nog een gesprek tot stand gebracht.
Tussen de gesprekken heen en weer schake‐
len
#Het contact selecteren.
Het geselecteerde gesprek is actief. Het
andere gesprek wordt in de wachtgezet.
In de wachtgezet gesprek activeren
#Het contact van het in de wachtgezette
gesprek selecteren.
Conferentiegesprek voeren
#Conferentie opzetteniselecteren.
De nieuwe gespreksdeelnemer wordt opge‐
nomen in de conferentie.
Actief gesprek beëindigen
#Gesprek beëindigenkselecteren.
%Bij sommige mobiele telefoons wordt het
vastgehouden gesprek direct na het beëindi‐
genvan het actieve gesprek geactiveerd.
Wisselgesprek aannemen/weigeren
Voorwaarden
REr is een actief gesprek aanwezig
(/pagina 417).
MBUX multimediasysteem 417
Wanneer tijdens een gesprek een ander gesprek
wordt ontvangen, verschijnt er een aanwijzing.
Afhankelijkvan de mobiele telefoon en provider
hoort u een wisselgesprek-geluid.
Bovendien hoort u bij het gebruik van twee tele‐
foons een geluidssignaal, wanneer het gesprek
bij de andere (nog niet actieve) mobiele telefoon
binnenkomt.
#RAannemen selecteren.
Het binnenkomende gesprek is actief.
Wanneer slechts één mobiele telefoon met
het multimediasysteem is verbonden, wordt
het vorige gesprek vastgehouden.
Als u bij het gebruik van twee telefoons tij‐
dens een gesprek een oproep op de andere
mobiele telefoon beantwoordt, wordt het
bestaande gesprek beëindigd.
#kWeigeren selecteren.
%De functie en het gedrag zijn afhankelijk van
de provider van het mobiele netwerk en de
mobiele telefoon (zie de handleiding van de
fabrikant).
Contacten
Informatie over het menu Contacten
Het contacten-menu bevat alle contacten uit de
aanwezige gegevensbronnen, zoals de mobiele
telefoon of de gegevensdrager.
Afhankelijkvan de gegevensbron kan het vol‐
gende aantal contacten worden opgeslagen/
geladen:
Rpermanent opgeslagen contacten: 3000
records
RVan de mobiele telefoon gedownloade con‐
tacten: 5000 records per mobiele telefoon
Vanuit het menu Contacten kunnen de volgende
acties worden uitgevoerd:
RTelefoneren bijvoorbeeld Contact bellen
(/pagina 420)
RNavigeren (/pagina 365)
RBerichten opstellen (/pagina 423)
ROverige opties(/pagina 420)
De contactenvan de mobiele telefoon worden
automatisch weergegevenwanneer een mobiele
telefoon met het multimediasysteem verbonden
(/pagina 412) en automatisch ophalen
(/pagina 418) ingeschakeld is.
Het multimediasysteem kan op basis vanvaak
gebruikte contacten en binnenkomende en uit‐
gaande gesprekken adviezen weergeven
(/pagina 327). Deze worden bovenaan in de
contactlijst weergegeven.
Contacten van de mobiele telefoon downloa‐
den
Multimediasysteem:
4©5Telefoon 5<Apparaatnaam>
5Z
#Contacten & Oproeplijst selecteren.
Automatisch
#Indien de functie Contacten automatisch
synchroniseren niet actief is: De functie door
eenmalig drukken activeren.
Handmatig
#Indien de functie Contacten automatisch
synchroniseren actief is: De functie door
eenmalig drukken deactiveren.
#Contacten synchroniseren selecteren.
418 MBUX multimediasysteem
Of de functie actief is kan aan de stand van de
regelaar rechts naast de displaytekst Contacten
automatisch synchroniseren worden herkend.
Contact oproepen
Multimediasysteem:
4©5Telefoon 5g
De volgende mogelijkheden zijn beschikbaar
voor het zoeken naar contacten:
RZoeken naar initialen
RZoeken op naam
RZoeken naar telefoonnummer
#De tekens in het zoekveld invoeren.
#Het contact selecteren.
Een contact kan de volgende gegevens bevatten:
RTelefoonnummers
RNavigatie-adressen
RCoördinaten
RInternetadres
RE-mailadressen
RVoice Tag (indien ingesteld)
RRelation (indien ingesteld)
Naamformaat van de contacten wijzigen
Multimediasysteem:
4©5Telefoon 5Z
#Algemeen selecteren.
#Naamformaat selecteren.
De volgende opties staan ter beschikking:
RAchternaam, voornaam
RAchternaam voornaam
RVoornaam achternaam
#Een optie selecteren.
Overzicht voor het importerenvan contacten
Contacten uit verschillende bronnen
Bron Voorwaarden
òUsb-apparaat Het usb-apparaat is
op de usb-aansluiting
aangesloten.
ñBluetooth®-ver‐
binding
Als het versturen van
vCards via Bluetooth®
wordt ondersteund,
kunnen vCards bij‐
voorbeeld via mobiele
telefoons of netbooks
worden ontvangen.
Bluetooth®is op het
multimediasysteem
en op het betreffende
apparaat geactiveerd
(zie de handleiding
van de fabrikant).
MBUX multimediasysteem 419
Contacten in het contacten-menu importeren
Multimediasysteem:
4©5Telefoon 5Z5Algemeen
5Contacten importeren
#Een mobiele telefoon <apparaatnaam> selec‐
teren, waarvandaan de contacten moeten
worden geïmporteerd.
#Een optie selecteren.
Contact van de mobiele telefoon opslaan
Multimediasysteem:
4©5Telefoon 5g
#In de regelvan het contact van de mobiele
telefoon (ó)rselecteren.
#Äselecteren.
#Opslaan in de auto selecteren.
#Ja selecteren.
Het in het multimediasysteem opgeslagen
contact wordt aangeduid met het symbool
q.
Contact bellen
Multimediasysteem:
4©5Telefoon 5g
#ªContact zoeken selecteren.
#De tekens in het zoekveld invoeren.
#Het contact selecteren.
#Het telefoonnummer selecteren.
Het nummer wordt gekozen.
Overige opties in het contacten-menu selec‐
teren
Multimediasysteem:
4©5Telefoon 5g
#In de regelvan het contact rselecteren.
#Äselecteren.
Afhankelijkvan de opgeslagen gegevens zijn de
volgende opties beschikbaar:
RSpraakinvoer toevoegen/Spraakinvoer wis-
sen
RRelatie vastleggen/Relatie verwijderen
RDTMF-tonen verzenden (bij een nummer met
DTMF-tonen)
De functie is bij een actieve oproep beschik‐
baar.
#Een optie selecteren.
Opties voor suggesties in het contacten-
menu selecteren
Voorwaarden
REr is een profiel aangemaakt
(/pagina 322).
RDe instelling Contactadviezen toestaan is
ingeschakeld (/pagina 327).
Multimediasysteem:
4©5Telefoon
#+Oproeplijst selecteren.
#In de regelvan een gesuggereerd contact
Vselecteren.
De volgende opties staan ter beschikking:
ROpslaan als favoriet
De suggesties worden als globale favorie‐
ten opgeslagen en verschijnen niet op het
homescreen.
RNiet meer voorstellen
420 MBUX multimediasysteem
#Een optie selecteren.
Contacten wissen
Voorwaarden
RDe contacten zijn in de auto opgeslagen.
RVoor het wissen van een afzonderlijk contact
werd dit handmatig in de auto ingevoerd.
Multimediasysteem:
4©5Telefoon
Alle contacten wissen
#Zselecteren.
#Algemeen selecteren.
#Contacten wissen selecteren.
#Een optie selecteren.
Een contact wissen
#gselecteren.
#In de regelvan het contact rselecteren.
#Äselecteren.
#Contact wissen selecteren.
#Ja selecteren.
Contact als favoriet opslaan
Multimediasysteem:
4©5Telefoon
5fFavoriet toevoegen
#Een contact selecteren.
#In de regelvan het contact rselecteren.
#Het telefoonnummer selecteren.
Het contact wordt als favoriet in het over‐
zicht van het telefoonmenu opgeslagen.
Favorieten in het overzicht van het telefoon‐
menu wissen
Multimediasysteem:
4©
#Een favoriet in het overzicht van het telefoon‐
menu selecteren (/pagina 421).
#Lang op de favoriet drukken.
#Wissen selecteren.
#Ja selecteren.
Alle favorieten wissen
#©op het mediadisplay aantippen.
#Telefoon selecteren.
#Zselecteren.
#De verbonden telefoon selecteren.
#Contacten & Oproeplijst selecteren.
#Alle favorieten wissen selecteren.
Er verschijnt een pop-upvenster:Wilt u alle
favorieten wissen?
#Ja selecteren.
Oproeplijst
Overzicht van de oproeplijst
Afhankelijk van of uw mobiele telefoon het Blue‐
tooth®profiel PBAP wel of niet ondersteunt, kan
deze verschillende effecten op de weergave en
functies van de oproeplijst hebben.
Wanneer het Bluetooth®profiel PBAP wordt
ondersteund, heeft dit onderstaande gevolgen:
RDe oproeplijstenvan de mobiele telefoon
worden op het multimediasysteem weergege‐
ven.
RBij het verbinden van de mobiele telefoon
moet de verbinding voor het Bluetooth®pro‐
fiel PBAP eventueel worden bevestigd.
MBUX multimediasysteem 421
Wanneer het Bluetooth®profiel PBAP niet wordt
ondersteund, heeft dit onderstaande gevolgen:
RHet multimediasysteem genereert zelf een
oproeplijst, zodra gesprekken in de auto wor‐
den gevoerd.
RDe oproeplijst is niet synchroon met de
oproeplijsten op uw mobiele telefoon.
Het multimediasysteem kan op basis vanvaak
gebruikte contacten en binnenkomende en uit‐
gaande gesprekken adviezen weergeven
(/pagina 327). Deze worden bovenaan in de
oproeplijst weergegeven.
Gesprek uit oproeplijst voeren
Multimediasysteem:
4©5Telefoon
#+Oproeplijst selecteren.
#Een item selecteren.
Het gesprek wordttot stand gebracht.
Overige opties in de oproeplijst oproepen
Multimediasysteem:
4©5Telefoon
#+Oproeplijst selecteren.
#Bij reeds opgeslagen contacten: In de regel
van de record rselecteren.
De opties worden weergegeven.
#Bij niet opgeslagen contacten: iselecte‐
ren.
Opties voor adviezen in de oproeplijst selec‐
teren
Voorwaarden
REr is een profiel aangemaakt
(/pagina 322).
RDe instelling Contactadviezen toestaan is
ingeschakeld (/pagina 327).
Multimediasysteem:
4©5Telefoon
#+Oproeplijst selecteren.
#In de regelvan een gesuggereerde record
Vselecteren.
De volgende opties staan ter beschikking:
ROpslaan als favoriet
RNiet meer voorstellen
#Een optie selecteren.
Nummerlijst wissen
Multimediasysteem:
4©5Telefoon 5<Apparaatnaam>
5Z
#Contacten & Oproeplijst selecteren.
#Oproeplijst wissen selecteren.
#Ja selecteren.
%Deze functie is alleen beschikbaar als uw
mobiele telefoon het Bluetooth®profiel
PBAP niet ondersteunt.
Sms
Overzicht van de berichten-functies
In het berichten-menu kunnen sms-berichten
worden ontvangen en verstuurd.
422 MBUX multimediasysteem
Als de verbonden mobiele telefoon het Blue‐
tooth®profiel MAP ondersteunt, kunnen op het
multimediasysteem de berichten-functies wor‐
den gebruikt.
Meer informatie over instellingen en onder‐
steunde functies vanvoor Bluetooth®geschikte
mobiele telefoons is verkrijgbaar bij een
Mercedes-Benz-servicewerkplaats of via: http://
www.mercedes-benz.com/connect
Bij sommige mobiele telefoons zijn na de verbin‐
ding met het multimediasysteem verdere instel‐
lingen nodig (zie de handleiding van de fabri‐
kant).
Berichtenweergave instellen
Multimediasysteem:
4©5Telefoon 5<Apparaatnaam>
5Z
#Berichtenweergave selecteren.
De volgende opties staan ter beschikking:
RAlle berichten
RNieuwe en ongelezen berichten
RBerichten tijdens het rijden
RUit (De berichtenfunctie is niet meer
beschikbaar.)
#Een instelling selecteren.
Bericht lezen
Multimediasysteem:
4©5Telefoon 5<Apparaatnaam>
5l
Voorleesfunctie gebruiken
#Een contact selecteren.
#Om voor te lezen ¬selecteren.
Het berichtwordtvoorgelezen.
Nieuw bericht dicteren en versturen
Voorwaarden
REr is een internetverbinding aanwezig.
Multimediasysteem:
4©5Telefoon 5<Apparaatnaam>
5l
#Nieuw bericht via rselecteren.
Ontvanger toevoegen
#fselecteren.
#Een contact selecteren.
Tekst dicteren
#pselecteren.
De dicteerfunctie wordtgestart.
#Het bericht inspreken.
Na verwerking van het gesproken bericht
wordt dit als tekstweergegeven.
Bericht verzenden
#Verzenden selecteren.
%Als de auto stilstaat, kun u het toetsenbord
gebruiken om een bericht op te stellen. Voor
het gebruik van het toetsenbord is geen
internetverbinding nodig.
Een bericht in de berichtengeschiedenis
beantwoorden
Multimediasysteem:
4©5Telefoon 5<Apparaatnaam>
5l
Er wordt een berichtenlijst weergegeven.
MBUX multimediasysteem 423
#rnaast een contact selecteren.
De berichtgeschiedenis van het contact
wordtgeopend.
#pselecteren.
De dicteerfunctie wordtgestart.
#Het bericht inspreken.
Na verwerking van het gesproken bericht
wordt dit als tekstweergegeven.
#Verzenden selecteren.
Template voor berichten gebruiken
Multimediasysteem:
4©5Telefoon 5<Apparaatnaam>
5l
Template als nieuw bericht gebruiken
#Een nieuw bericht schrijvenrselecteren.
#Een ontvanger toevoegen met f.
#Een template 0selecteren.
Bericht met template beantwoorden
#Een berichtengeschiedenis met een contact
selecteren.
#Templates ªselecteren.
#Een template 0selecteren.
Bericht doorsturen
Multimediasysteem:
4©5Telefoon 5<Apparaatnaam>
5l
Er wordt een berichtenlijst weergegeven.
#rnaast een contact selecteren.
De berichtgeschiedenis van het contact
wordtgeopend.
#Lang op een bericht drukken.
#Bericht doorsturen: Doorsturen selecteren.
Afzender van een bericht bellen
Multimediasysteem:
4©5Telefoon 5<Apparaatnaam>
5l
Er wordt een berichtenlijst weergegeven.
#rnaast een contact selecteren.
De berichtgeschiedenis van het contact
wordtgeopend.
#Äselecteren.
#Bellen selecteren.
Telefoonnummer of URL uit een sms gebrui‐
ken
Voorwaarden
RVoor het oproepen van een URL is een inter‐
netverbinding aanwezig.
Multimediasysteem:
4©5Telefoon 5<Apparaatnaam>
5l
Er wordt een berichtenlijst weergegeven.
#rnaast een contact selecteren.
De berichtgeschiedenis van het contact
wordtgeopend.
#Een telefoonnummer of een URL in het
bericht selecteren.
Bij het selecteren van een URL wordt de web‐
browser geopend.
Bij het selecteren van een telefoonnummer
zijn de volgende opties beschikbaar:
RBellen
RNieuwe sms schrijven
#Een optie selecteren.
424 MBUX multimediasysteem
Bericht wissen
Multimediasysteem:
4©5Telefoon 5<Apparaatnaam>
5l
#Een contact selecteren.
#Lang op een bericht drukken.
#Bericht wissen: Wissen selecteren.
In-Car Office
Functies van In-Car Office
Met In-Car Office kunt u uw online-diensten met
het multimediasysteem verbinden.
De volgende functies staan ter beschikking:
RWeergavevan de aanstaande afspraak in de
agenda
RNavigatie starten naar een afspraak. Voor‐
waarde is dat de afspraak een navigeerbare
bestemming als locatie bevat.
RWeergavevan de afspraken
RWeergave en selectie van de uit te voeren
taken en telefoongesprekken
%In acht nemen dat bepaalde functies alleen
beschikbaar zijn als de auto stilstaat.
In-Car Office oproepen
Voorwaarden
REen mobiele telefoon is als primaire telefoon
met het multimediasysteem verbonden.
RU beschikt over een gebruikersaccount in de
Mercedes me-Portal: https://
me.secure.mercedes-benz.com
RIn de Mercedes me-Portal is de dienst In-Car
Office geactiveerd.
RU beschikt over een gebruikersaccount bij
een online-dienst, bijvoorbeeld bij Office
365, en heeft deze via de Mercedes me-Por‐
tal met In-Car Office verbonden.
Multimediasysteem:
4©5Mercedes me & Apps
#In-Car Office selecteren.
U ziet een overzicht van de afspraken voor de
huidige dag.
In het afsprakenoverzicht kunt u de volgende
weergaven aantreffen:
RAfspraken die de hele dag duren: Hele
dag
RAfspraken met een beperkte duur, bij‐
voorbeeld afspraak van vier uur met start-
en eindtijden.
Functies van een kalenderitem in In-Car
Office selecteren
Multimediasysteem:
4©5Mercedes me & Apps
5In-Car Office 5Agenda
#Een afspraak selecteren.
De volgende functies zijn beschikbaar:
Voorlezen
RBellen
ZNavigeren
Wissen
#Een functie selecteren.
MBUX multimediasysteem 425
%Sommige functies zijn alleen beschikbaar
wanneer aanvullende gegevens over de
afspraak aangegeven zijn. Niet beschikbare
functies worden niet weergegeven.
De functie Bellen is alleen beschikbaar als
een nummer bij de afspraak is opgeslagen.
De functie Navigeren is alleen beschikbaar
als in het bijbehorende online account een
navigeerbare locatie is toegevoegd aan de
afspraak.
Functies vanTaken & Gesprekken selecteren
Multimediasysteem:
4©5Mercedes me & Apps
5In-Car Office 5Taken & Gesprekken
#Een item selecteren.
De volgende functies zijn beschikbaar:
RVoorlezen
RBellen
Deze optie is alleen beschikbaar voor
taken, als een telefoonnummer is opge‐
slagen.
RWissen
#Een optie selecteren.
Invoer in Taken & Gesprekken als afgehan‐
deld markeren
Multimediasysteem:
4©5Mercedes me & Apps
5In-Car Office 5Taken & Gesprekken
#Symbool Taken & Gesprekken selecteren.
Een overzicht van de taken en gesprekken
verschijnt.
#Afzonderlijke taken of gesprekken: De
geselecteerde record als afgehandeld marke
renO.
Binnenkomend gesprek noteren
Wanneer een gesprek binnenkomt, verschijnt de
vraag of het gesprek moet worden aangenomen,
geweigerd of genoteerd.
#Noteren selecteren.
Het gesprek wordtgeweigerd en automatisch
toegevoegd aan Taken & Gesprekken van In-
Car Office.
E-mails beheren
Multimediasysteem:
4©5Mercedes me & Apps
5In-Car Office 5Mail
E-mail tonen/lezen
#Een e-mail selecteren.
De e-mail wordtgeopend.
Verdere functies zijn beschikbaar:
RE-mail opstellen (/pagina 426)
RE-mail beantwoorden (/pagina 427)
RE-mail doorsturen (/pagina 427)
Nieuwe e-mail schrijven
Voorwaarden
REr is reeds een mobiele telefoon met e-mail‐
contacten via Bluetooth®met het multime‐
diasysteem verbonden.
426 MBUX multimediasysteem
Multimediasysteem:
4©5Mercedes me & Apps
5In-Car Office 5Mail
Via het toetsenbord
#Wselecteren.
#Ontvanger toevoegen via f.
#Het onderwerp en de tekstvan de e-mail in
de betreffende velden invoeren via het toets‐
enbord.
#Verzenden selecteren.
Via de dicteerfunctie
%De dicteerfunctie is niet overal en onbeperkt
beschikbaar. De initiële activering van de
functie door het selecteren van de gebruiks‐
voorwaarden in de Mercedes me-Portal kan
noodzakelijk zijn.
#pselecteren.
De dicteerfunctie wordtgestart.
#Het onderwerp en de tekstvan de e-mail
inspreken.
Na verwerking van de spraakinvoer wordt dit
als tekstweergegeven.
#Verzenden selecteren.
Via de spraakbediening
#De gesproken opdracht "Stel een e-mail op"
van de LINGUATRONIC gebruiken.
Uwordt door de dialoog geleid.
%Meer informatie over de bediening van de
LINGUATRONIC (/pagina 287).
E-mails beantwoorden
Voorwaarden
REen mobiele telefoon met e-mailcontacten is
via Bluetooth®met het multimediasysteem
verbonden.
Multimediasysteem:
4©5Mercedes me & Apps
5In-Car Office 5Mail
Via het toetsenbord
#Een e-mail selecteren.
#Beantwoorden selecteren.
#De tekstvan de e-mail in het betreffende veld
invoeren.
#Verzenden selecteren.
Via de dicteerfunctie
%De dicteerfunctie is niet overal en onbeperkt
beschikbaar. De initiële activering van de
functie door het selecteren van de gebruiks‐
voorwaarden in de Mercedes me-Portal kan
noodzakelijk zijn.
#Een e-mail selecteren.
#Beantwoorden selecteren.
#pselecteren.
De dicteerfunctie wordtgestart.
#De tekstvan de e-mail inspreken.
Na verwerking van de spraakinvoer wordt dit
als tekstweergegeven.
#Verzenden selecteren.
Via de spraakbediening
#De gesproken opdracht "Antwoord op e-mail"
van de LINGUATRONIC gebruiken.
Uwordt door de dialoog geleid.
%Meer informatie over de bediening van de
LINGUATRONIC (/pagina 287).
E-mail doorsturen
Voorwaarden
MBUX multimediasysteem 427
REen mobiele telefoon met e-mailcontacten is
via Bluetooth®met het multimediasysteem
verbonden.
Multimediasysteem:
4©5Mercedes me & Apps
5In-Car Office 5Mail
Via het toetsenbord
#Een e-mail selecteren.
#Doorsturen selecteren.
#Met bijlage doorsturen: Doorsturen met bij-
lage selecteren.
#Zonder bijlage doorsturen: Doorsturen zon-
der bijlagen selecteren.
#De tekstvan de e-mail in het betreffende veld
invoeren via het toetsenbord.
#Verzenden selecteren.
Mercedes-Benz Link
Overzicht Mercedes-Benz Link
&WAARSCHUWING Gevaar voor afleiding
door informatiesystemen en communica‐
tieapparatuur
Als u tijdens het rijden in de auto geïnte‐
greerde informatiesystemen en communica‐
tieapparatuur bedient, kunt u van de ver‐
keerssituatie worden afgeleid. Bovendien
kunt u de controle over de auto verliezen.
#Deze apparatuur alleen bedienen als de
verkeerssituatie dit toelaat.
#Als dit niet kanworden gewaarborgd,
op een veilige plek stoppen en de invoe‐
ring als de auto stilstaat uitvoeren.
Bij het gebruik van het multimediasysteem de
wettelijke bepalingen in acht nemen van het land
waar u zich op dat moment bevindt.
Met Mercedes-Benz Link kunnen functies van
mobiele telefoons via het multimediasysteem
worden gebruikt. De bediening geschiedt via het
touchscreen of spraakbediening. Het activeren
van de spraakbediening gebeurt door het lang
indrukken van de toets£in het multifunctio‐
neel stuurwiel.
Bij het gebruik van Mercedes-Benz Link via de
spraakbediening kan het multimediasysteem ver‐
der via de LINGUATRONIC (/pagina 287) wor‐
den bediend.
U hebt daarvoor als extra uitrusting de regeleen‐
heid Mercedes-Benz Link nodig. Deze is verkrijg‐
baar bij een Mercedes-Benz-servicewerkplaats.
Er kan altijd maar één mobiele telefoon via
Mercedes-Benz Link met het multimediasysteem
verbonden zijn.
Wanneer een mobiele telefoon met Mercedes-
Benz Link verbonden is, kan ook bij gebruik van
twee telefoons slechts één andere mobiele tele‐
foon via Bluetooth®met het multimediasysteem
verbonden zijn.
%De regeleenheid Mercedes-Benz Link maakt
gebruik van het Android-besturingssysteem.
%Voor de apps en de daarmee verbonden
diensten en inhouden is de betreffende pro‐
vider verantwoordelijk.
428 MBUX multimediasysteem
Informatie over Mercedes-Benz Link
Als een mobiele telefoon met Mercedes-Benz
Link wordtgebruikt, is de usb-toegang via het
menu Media voor deze mobiele telefoon moge‐
lijk.
%Er kan altijd slechts één routebegeleiding
actief zijn. Wanneer op de mobiele telefoon
een routebegeleiding wordt gestart terwijl er
op het multimediasysteem een routebegelei‐
ding actief is, wordt deze beëindigd.
Mercedes-Benz Link met het multimediasys‐
teem verbinden
Voorwaarden
RDe auto is uitgerust met de regeleenheid
Mercedes-Benz Link.
ROp de mobiele telefoon is de Mercedes-Benz
Link app geïnstalleerd.
RDe mobiele telefoon is ingeschakeld.
RMercedes-Benz Link is via een geschikte
kabel met de usb-aansluiting çvan het
multimediasysteem verbonden
(/pagina 459).
%De eerste activering van Mercedes-Benz Link
via het multimediasysteem moet om veilig‐
heidsredenen worden uitgevoerd als de auto
stilstaat.
Multimediasysteem:
4©5Mercedes me & Apps
5Smartphone 5Mercedes-Benz Link
5Mercedes-Benz Link starten
Gegevensbeveiligingsbepalingen accepte‐
ren/weigeren
Als de applicatie de eerstekeer wordtgestart: Er
verschijnt een bericht met het privacybeleid.
#Accepteren & starten selecteren.
Mercedes-Benz Link verlaten
#De toetsòindrukken.
%Mercedes-Benz Link start automatisch zodra
deze via een kabel met het systeem wordt
verbonden. Indien Mercedes-Benz Link ór
de laatste loskoppeling niet op de voorgrond
werd weergegeven, start de applicatie weer
op de achtergrond als opnieuw verbinding
wordtgemaakt. U kunt Mercedes-Benz Link
oproepen via het hoofdmenu.
Meer informatie vindt u in de handleiding van de
regeleenheid Mercedes-Benz Link.
Klankinstellingen van Mercedes-Benz Link
oproepen
Multimediasysteem:
4©5Mercedes me & Apps
5Smartphone 5Mercedes-Benz Link
5Z
#Klankinstellingen selecteren.
Mercedes-Benz Link beëindigen
#De verbinding via de aansluitkabel tussen
Mercedes-Benz Link en het multimediasys‐
teem verbreken.
%Mercedes-Benz adviseert, de verbinding via
een aansluitkabel alleen los te maken als de
auto stilstaat.
MBUX multimediasysteem 429
Apple CarPlay®
Overzicht Apple CarPlay®
&WAARSCHUWING Gevaar voor afleiding
door informatiesystemen en communica‐
tieapparatuur
Als u tijdens het rijden in de auto geïnte‐
greerde informatiesystemen en communica‐
tieapparatuur bedient, kunt u van de ver‐
keerssituatie worden afgeleid. Bovendien
kunt u de controle over de auto verliezen.
#Deze apparatuur alleen bedienen als de
verkeerssituatie dit toelaat.
#Als dit niet kanworden gewaarborgd,
op een veilige plek stoppen en de invoe‐
ring als de auto stilstaat uitvoeren.
Bij het gebruik van het multimediasysteem de
wettelijke bepalingen in acht nemen van het land
waar u zich op dat moment bevindt.
Met Apple CarPlay®kunnen iPhone®-functies via
het multimediasysteem worden gebruikt. De
bediening gebeurt per touchscreen, touchpad,
Touch-Control of spraakbediening Siri®. De
spraakbediening kanworden geactiveerd door
het lang indrukken van de toets£in het mul‐
tifunctioneel stuurwiel.
Bij het gebruik van Apple CarPlay®via de spraak‐
bediening kan het multimediasysteem verder via
de LINGUATRONIC (/pagina 287) worden
bediend.
Er kan altijd maar één iPhone®via Apple Car‐
Play®met het multimediasysteem verbonden
zijn.
Ook bij de tweede telefoonfunctie kan bij het
gebruik van Apple CarPlay®slechts één andere
mobiele telefoon via Bluetooth®met het multi‐
mediasysteem verbonden zijn.
De beschikbaarheid van Apple CarPlay®kan per
land variëren.
Voor de applicatie en de daarmee verbonden
diensten en inhouden is de betreffende provider
verantwoordelijk.
Apple CarPlay®is een geregistreerd handels‐
merk van Apple Inc.
Informatie over Apple CarPlay®
Tijdens het gebruik van Apple CarPlay®is voor
de gebruikte iPhone®de mediabron iPod®niet
beschikbaar.
Er kan altijd slechts één routebegeleiding actief
zijn. Wanneer op de mobiele telefoon een route‐
begeleiding wordtgestart terwijl er op het multi‐
mediasysteem een routebegeleiding actief is,
wordt deze beëindigd.
iPhone®via Apple CarPlay®verbinden (kabel)
Voorwaarden
RDe actuele besturingssysteem-versie van uw
apparaat wordtgebruikt (zie de handleiding
van de fabrikant).
RVoor de volledige functionaliteit van Apple
CarPlay®is een internetverbinding aanwezig.
RDe iPhone®is via een geschikte kabel met de
usb-aansluiting çop het multimediasys‐
teem verbonden (/pagina 459).
430 MBUX multimediasysteem
Multimediasysteem:
4©5Mercedes me & Apps
5Smartphone 5Apple CarPlay
5Apple CarPlay starten
#Alternatief: Als een toepassing van Apple
CarPlay®actief is (bijvoorbeeld wanneer
muziek wordt afgespeeld of de routebegelei‐
ding actief is), kunt u de actieve toepassing
via de applicatietoets|,zof %
oproepen (/pagina 320).
%Ukunt de aansturing via applicatietoetsen
in- of uitschakelen (/pagina 431).
Gegevensbeveiligingsbepalingen accepte‐
ren/weigeren
Als de applicatie de eerstekeer wordtgestart: Er
verschijnt een bericht met het privacybeleid.
#Accepteren & starten selecteren.
Apple CarPlay®verlaten
#De toetsòindrukken.
%Apple CarPlay®start automatisch nadat de
iPhone®via een kabel met het systeem
wordtverbonden. Indien Apple CarPlay®
ór de laatste loskoppeling niet op de voor‐
grond werd weergegeven, start de applicatie
weer op de achtergrond als opnieuw verbin‐
ding wordtgemaakt. Apple CarPlay®kan via
het hoofdmenu worden opgeroepen.
Klankinstellingen van Apple CarPlay®oproe‐
pen
Multimediasysteem:
4©5Mercedes me & Apps
5Smartphone 5Apple CarPlay 5Z
#Klankinstellingen selecteren.
Aansturing via applicatietoetsen instellen
(Apple CarPlay®)
Multimediasysteem:
4©5Mercedes me & Apps
5Smartphone 5Apple CarPlay 5Z
5Algemeen
#Aansturing via applicatietoetsen inschakelen:
de displaytoets activeren.
#Aansturing via applicatietoetsen uitschake‐
len: De displaytoets deactiveren.
Apple CarPlay®beëindigen
#De Apple CarPlay verbinding®(met kabel)
beëindigen: De verbinding via de aansluitka‐
bel tussen de mobiele telefoon en het multi‐
mediasysteem verbreken.
%Mercedes-Benz adviseert, de verbinding via
een aansluitkabel alleen los te maken als de
auto stilstaat.
Android Auto
Overzicht Android Auto
&WAARSCHUWING Gevaar voor afleiding
door informatiesystemen en communica‐
tieapparatuur
Als u tijdens het rijden in de auto geïnte‐
greerde informatiesystemen en communica‐
tieapparatuur bedient, kunt u van de ver‐
keerssituatie worden afgeleid. Bovendien
kunt u de controle over de auto verliezen.
#Deze apparatuur alleen bedienen als de
verkeerssituatie dit toelaat.
MBUX multimediasysteem 431
#Als dit niet kanworden gewaarborgd,
op een veilige plek stoppen en de invoe‐
ring als de auto stilstaat uitvoeren.
Bij het gebruik van het multimediasysteem de
wettelijke bepalingen in acht nemen van het land
waar u zich op dat moment bevindt.
Met Android Auto kunnen functies van mobiele
telefoons met Android-besturingssysteem via het
multimediasysteem worden gebruikt. De bedie‐
ning geschiedt via het touchscreen of spraakbe‐
diening. Het activeren van de spraakbediening
gebeurt door het lang indrukken van de toets
£in het multifunctioneel stuurwiel.
Bij het gebruik van Android Auto via de spraak‐
bediening kan het multimediasysteem verder via
de LINGUATRONIC (/pagina 287) worden
bediend.
Er kan altijd maar één mobiele telefoon via
Android Auto met het multimediasysteem ver‐
bonden zijn.
Ook bij tweede telefoonfunctie kan bij het
gebruik van Android Auto slechts één andere
mobiele telefoon via Bluetooth®met het multi‐
mediasysteem verbonden zijn.
De beschikbaarheid van Android Auto en
Android Auto apps kan landafhankelijkvariëren.
Voor de applicatie en de daarmee verbonden
diensten en inhouden is de betreffende provider
verantwoordelijk.
Informatie over Android Auto
Als een mobiele telefoon met Android Auto
wordtgebruikt, is de usb-toegang via het menu
Media voor deze mobiele telefoon niet mogelijk.
Er kan altijd slechts één routebegeleiding actief
zijn. Wanneer op de mobiele telefoon een route‐
begeleiding wordtgestart terwijl er op het multi‐
mediasysteem een routebegeleiding actief is,
wordt deze beëindigd.
Mobiele telefoon via Android Auto verbinden
(kabel)
Voorwaarden
RDe mobiele telefoon ondersteunt Android
Auto vanaf Android 5.0.
ROp de mobiele telefoon is de Android Auto
app geïnstalleerd.
RVoor de telefoonfuncties is de mobiele tele‐
foon via Bluetooth®met het multimediasys‐
teem verbonden (/pagina 412).
Als tot dan toegeen verbinding aanwezig is
geweest, wordt deze bij het gebruik van de
mobiele telefoon met Android Auto totstand
gebracht.
RDe mobiele telefoon is via een geschikte
kabel met de usb-aansluiting çop het
multimediasysteem verbonden
(/pagina 459).
RVoor de volledige functionaliteit van Android
Auto is een internetverbinding aanwezig.
Multimediasysteem:
4©5Mercedes me & Apps
5Smartphone 5Android Auto
5Android Auto starten
#Alternatief: Als een toepassing van Android
Auto actief is (bijvoorbeeld wanneer muziek
wordt afgespeeld of de routebegeleiding
actief is), kunt u de actieve toepassing via de
applicatietoetsen |,zof %oproe‐
pen (/pagina 320).
432 MBUX multimediasysteem
%Ukunt de aansturing via applicatietoetsen
in- of uitschakelen (/pagina 433).
%De eerste activering van Android Auto via
het multimediasysteem moet om veiligheids‐
redenen worden uitgevoerd als de auto stil‐
staat.
Gegevensbeveiligingsbepalingen accepte‐
ren/weigeren
Als de applicatie de eerstekeer wordtgestart: Er
verschijnt een bericht met het privacybeleid.
#Accepteren & starten selecteren.
Android Auto verlaten
#De toetsòindrukken.
%Android Auto start automatisch zodra de
mobiele telefoon via een kabel met het sys‐
teem wordtverbonden. Indien Android Auto
ór de laatste loskoppeling niet op de voor‐
grond werd weergegeven, start de applicatie
weer op de achtergrond als opnieuw verbin‐
ding wordtgemaakt. Android Auto kan via
het hoofdmenu worden opgeroepen.
Klankinstellingen van Android Auto oproepen
Multimediasysteem:
4©5Mercedes me & Apps
5Smartphone 5Android Auto 5Z
#Klankinstellingen selecteren.
Aansturing via applicatietoetsen instellen
(Android Auto)
Multimediasysteem:
4©5Mercedes me & Apps
5Smartphone 5Android Auto 5Z
5Algemeen
#Aansturing via applicatietoetsen inschakelen:
De displaytoets activeren.
#Aansturing via applicatietoetsen uitschake‐
len: De displaytoets deactiveren.
Android Auto beëindigen
#De Android Auto verbinding (met kabel)
beëindigen: De verbinding via de aansluitka‐
bel tussen de mobiele telefoon en het multi‐
mediasysteem verbreken.
%Mercedes-Benz adviseert, de verbinding via
een aansluitkabel alleen los te maken als de
auto stilstaat.
Verzonden autogegevens bij Android Auto en
Apple CarPlay®
Overzicht van de overgebrachte voertuigge‐
gevens
Bij het gebruik van Android Auto of Apple Car‐
Play®worden bepaalde voertuiggegevens door‐
gegeven aan de mobiele telefoon. Hierdoor is
optimaal gebruik vangeselecteerde dienstenvan
de mobiele telefoon mogelijk. Er vindt geen
actieve toegang tot voertuiggegevens plaats.
De volgende systeeminformatie wordtverstuurd:
RSoftwareversie van het multimediasysteem
RSystem ID (geanonimiseerd)
De overdracht van deze gegevens dient ertoe, de
communicatie tussen auto en mobiele telefoon
te optimaliseren.
Hiertoe, en voor het toekennen van meerdere
auto's op de mobiele telefoon, wordt een voer‐
MBUX multimediasysteem 433
tuigcode voor de auto op willekeurige manier
gegenereerd.
Deze hangt samen met het voertuigidentificatie‐
nummer (VIN) en wordtgewist bij het resetten
van het multimediasysteem (/pagina 352).
De volgende rijtoestandsgegevens worden ver‐
stuurd:
RIngeschakelde transmissiestand
ROnderscheid tussen parkeren, stilstaan, rol‐
len en rijden
RDag-/nachtmodus van het combi-instrument
De overdracht van deze gegevens dient ertoe, de
weergave van deze inhoud aan te passen aan de
rijsituatie.
De volgende positiegegevens worden verstuurd:
RCoördinaten
RSnelheid
RKompasrichting
RVersnellingsrichting
Deze gegevens worden alleen overgedragen als
de navigatie actief is, teneinde deze te verbete‐
ren (als bijvoorbeeld in een tunnel wordtgere‐
den).
Mercedes me oproepen
Gesprekken via het bedieningspaneel dak‐
console voeren
%Mercedes me gesprekken zijn niet in elk land
mogelijk. Bij een Mercedes-Benz service‐
werkplaats informeren of deze functies in uw
land beschikbaar zijn.
1me-toets voor service-, persoonlijke assis‐
tentie- of informatieoproep
2Afdekking van de SOS-toets
3SOS-toets (noodoproepsysteem)
#Mercedes me oproep activeren: De me-
toets1indrukken.
#Noodoproep activeren:De afdekking van de
SOS-toets 2om te openen kort indrukken.
434 MBUX multimediasysteem
#De SOS-toets 3ten minste één seconde
lang indrukken.
Wanneer een Mercedes me oproep actief is, kan
toch een noodoproep worden geactiveerd. Deze
heeft voorrang boven alle andere actieve oproe‐
pen.
Informatie over de Mercedes me-oproep via
de me-toets
Er heeft een oproep via de me-toets naar de
Mercedes-Benz klantenservice via het bedie‐
ningspaneel dakconsole of het multimediasys‐
teem plaatsgevonden (/pagina 434).
Het spraakdialoogsysteem brengt u bij de
gewenste service:
RPersoonlijke assistentie-service (indien
dienst is geactiveerd)
ROngevals- en pechmanagement
(/pagina 437)
RMercedes-Benz klantenservice voor alge‐
mene informatie rondom de auto
U ontvangt onder andere over de volgende
onderwerpen informatie:
RActivering van Mercedes me connect
RBediening van de auto
RDichtstbijzijnde Mercedes-Benz servicewerk‐
plaats
RAndere producten en dienstenvan
Mercedes-Benz
Tijdens de verbinding met de Mercedes-Benz
klantenservice worden gegevens overgebracht
(/pagina 436).
Mercedes-Benz klantenservice via multime‐
diasysteem bellen
Voorwaarden
REr is toegang tot een gsm-netwerk beschik‐
baar.
RIn de betreffende regio is een gsm-netwerk‐
dekking van de provider beschikbaar.
RVoor het automatisch verzenden vanvoer‐
tuiggegevens moet het contact ingeschakeld
zijn.
Multimediasysteem:
4©5Telefoon 5g
#Mercedes me connect bellen.
Met uw toestemming verzendt het multime‐
diasysteem de benodigde autogegevens. De
gegevensoverdrachtwordtweergegeven op
het mediadisplay.
Vervolgens kunt u een service selecteren en
wordt u verbonden met een contactpersoon van
de Mercedes-Benz klantenservice.
Meer informatie over Mercedes me connect, de
aangeboden serviceomvang en over de bedie‐
ning vindt u onder: http://
manuals.daimler.com/baix/cars/connectme/
nl_NL/index.html#emotions/Startseite.html
Onderhoudstermijn via Mercedes me oproep
afspreken
Als de dienst onderhoudsmanagement geacti‐
veerd is, worden automatisch de relevante voer‐
tuiggegevens verzonden aan de Mercedes-Benz
klantenservice. Daardoor verkrijgt u individuele
aanbevelingen voor het onderhoud van de auto.
MBUX multimediasysteem 435
Ongeacht of u hebt ingestemd met het onder‐
houdsmanagement, herinnert het multimedia‐
systeem u na een bepaalde periode aan een
noodzakelijke onderhoudsbeurt. Er verschijnt
een vraag of u een afspraak wilt maken.
#Onderhoudstermijn afspreken: Bellen
selecteren.
De voertuiggegevens worden na uw toestem‐
ming verstuurd en een medewerker van de
Mercedes-Benz klantenservice maakt een
onderhoudsafspraak met u. De informatie
wordt aan de door u gewenste servicewerk‐
plaats doorgegeven.
Deze neemt contact met u op om de
afspraak te bevestigen en, indien nodig,
gedetailleerde afspraken te maken.
%Wanneer u na het verschijnen van de onder‐
houdsmelding Later selecteert,verdwijnt de
melding en verschijnt na een bepaalde tijd
opnieuw.
Toestemming voor gegevensoverdracht bij
Mercedes me oproep geven
Voorwaarden
REr is een actieve Mercedes me oproep via
het multimediasysteem of de me-toets in het
bedieningspaneel dakconsole tot stand
gebracht.
%De vraag ter bevestiging van de gegevens‐
overdrachtverschijnt niet in alle landen.
Als de diensten ongeval- & pechmanagement en
Mercedes me connect Persoonlijke assistentie
service niet geactiveerd zijn op Mercedes me,
verschijnt de melding Wilt u voor een betere
afhandeling van uw aanvraag gegevens en posi-
tie van de auto naar de Mercedes-Benz Klanten-
service versturen?.
#Ja selecteren.
Relevante identificatiegegevens worden auto‐
matisch doorgegeven.
Meer informatie over Mercedes me: http://
www.mercedes.me
Verstuurde gegevens tijdens een Mercedes
me oproep
De bij de Mercedes me oproep verstuurde gege
vens zijn afhankelijkvanwelke service in het
spraakdialoogsysteem is geselecteerd en of er
Mercedes me connect-diensten zijn geactiveerd.
De volgende gegevens worden verzonden als
geen Mercedes me connect-diensten zijn geacti‐
veerd en de gegevensbeveiligingsvraag is beves‐
tigd:
RVoertuigidentificatienummer
RMercedes me klanten-identificatienummer
RReden voor activering van de oproep
RIngestelde multimediasysteem-taal
RBevestiging vangegevensbeveiligingsvraag
De volgende gegevens kunnen worden verzon‐
den als een oproep voor het afspreken van een
onderhoudstermijn via de onderhoudsherinne‐
ring heeft plaatsgevonden:
RActuele kilometerstand en onderhoudsgege‐
vens
Verzending is mogelijk als de noodzakelijke
gegevensoverdrachttechnologie door de pro‐
vider wordt ondersteund en de kwaliteit van
de mobiele verbinding voldoende is.
436 MBUX multimediasysteem
Wanneer via het spraakdialoogsysteem de selec‐
tie ongeval- en pechmanagement is geselecteerd
en geen dienst is geactiveerd, maar wel de gege‐
vensbeveiligingsvraag is bevestigd, kunnen de
volgende gegevens door de Mercedes-Benz klan‐
tenservice van de auto worden opgevraagd:
RMomentele locatie van de auto
%Op het tijdstip van het ter perse gaan is deze
functie technisch nog niet beschikbaar, maar
deze kan in de toekomst welworden onder‐
steund.
Als de gegevensbeveiligingsvraag is geweigerd,
worden de volgende gegevens verzonden:
RReden voor activering van de oproep
RWeigering van de gegevensbeveiligingsvraag
Mercedes me connect
Informatie over Mercedes me connect
%Mercedes me connect is niet in elk land
beschikbaar. Bij een Mercedes-Benz service‐
werkplaats informeren of deze functies in uw
land beschikbaar zijn.
Mercedes me connect bestaat uit een veelvoud
aan diensten.
Via het multimediasysteem en het bedieningspa‐
neel dakconsole kunt u bijvoorbeeld de volgende
dienstengebruiken, afhankelijk van de activering
en uitrusting van de auto:
ROngeval- en pechmanagement (me-toets)
RAls de dienst geactiveerd is: Concierge-
service (me-toets)
RMercedes-Benz noodoproepsysteem (auto‐
matische noodoproep resp. SOS-toets)
Het Mercedes me connect Ongeval- en pechma‐
nagement, de Mercedes me connect-concierge
service (indien dienst geactiveerd) en de
Mercedes-Benz alarmcentrale zijn 24 uur per
dag voor u beschikbaar.
De me-toets en de SOS-toetskunt u vinden in de
bedieningspaneel dakconsole van de auto
(/pagina 434).
De Mercedes-Benz klantenservice kan ook via
het multimediasysteem worden gebeld
(/pagina 435).
Houd er alstublieft rekening mee, dat Mercedes
me connect een service van Mercedes-Benz is.
In noodgevallen beslist het bekende landelijke
alarmnummer bellen. In gevalvan nood kunt u
ook het Mercedes-Benz noodoproepsysteem
(/pagina 441) gebruiken.
De gebruiksvoorwaarden voor Mercedes me
connect en andere diensten in acht nemen. Deze
zijn beschikbaar in de Mercedes me-Portal:
https://me.secure.mercedes-benz.com
Meer informatie over Mercedes me connect, de
aangeboden serviceomvang en over de bedie‐
ning vindt u onder: http://
manuals.daimler.com/baix/cars/connectme/
nl_NL/index.html
Informatie over het Mercedes me connect
ongeval- en pechmanagement
Het ongevals- en pechmanagement kan onder
andere de volgende functies omvatten:
RAanvulling op het Mercedes-Benz noodop‐
roepsysteem (/pagina 441)
Indien nodig stuurt de gesprekspartner van
de Mercedes-Benz alarmcentrale de oproep
door aan het Mercedes me connect pech- en
MBUX multimediasysteem 437
ongevalmanagement. Het doorsturen van de
oproep is echter niet in alle landen mogelijk.
RPechhulp door een technisch specialist ter
plaatse en/of slepen van de auto naar de
dichtstbijzijnde Mercedes-Benz-servicewerk‐
plaats
Voor deze dienstverlening kunnen kosten
worden berekend.
Meer informatie over Mercedes me connect
diensten vindt u in de Mercedes me-Portal:
https://me.secure.mercedes-benz.com
Verstuurde gegevens bij de Mercedes me
connect beldiensten
De bij de Mercedes me connect oproep ver‐
stuurde gegevens zijn afhankelijkvan de reden
voor activering van de oproep, welke service in
het spraakdialoogsysteem is geselecteerd en
welke Mercedes me connect-diensten zijn geac‐
tiveerd.
Welke gegevens bij de dienstenworden ver‐
stuurd kunt u in de actueel geldige gebruiksvoor‐
waarden vinden. Deze zijn beschikbaar in de
Mercedes me-Portal: https://
me.secure.mercedes-benz.com
Mercedes me & apps
Informatie over Mercedes me
Wanneer u met een gebruikersaccount in de
Mercedes me-Portal bent aangemeld, kunt u
over dienstverleningen en aanbiedingen van
Mercedes-Benz beschikken.
De beschikbaarheid is landsafhankelijk.
Voor meer informatie hieroverkunt u zich tot
een Mercedes-Benz-servicewerkplaats wenden
of de Mercedes me-Portal: http://
me.secure.mercedes-benz.com bezoeken
%Houd de Mercedes me apps altijd up-to-
date.
Mercedes me gebruikersaccount oproepen
Multimediasysteem:
4©5Mercedes me & Apps
Auto is aan gebruikersaccount gekoppeld
#Mercedes me selecteren.
Er verschijnt informatie over het gekoppelde
gebruikersaccount.
Auto is nog niet aan het gebruikersaccount
gekoppeld
#Mercedes me selecteren.
#De aanwijzingen op het mediadisplay volgen
om een gebruikersaccount aan te maken en
de auto hieraan te koppelen.
%Wanneer op een mobiele telefoon de
Mercedes me app aanwezig is, kan de kop‐
peling van de auto via de weergegeven QR-
code plaatsvinden.
Diensten van Mercedes me oproepen
Voorwaarden
RDe auto is aan het gebruikersaccount gekop‐
peld.
Multimediasysteem:
4©5Mercedes me & Apps
#Services selecteren.
Binnen de verschillende categorieën ziet u de
dienstenvan Mercedes me die u reeds hebt
aangeschaft en de diensten die u daarnaast
nog kunt aanschaffen.
438 MBUX multimediasysteem
Voor het activeren of deactiveren van de
diensten moet u zich met uw gebruikersac‐
count in de Mercedes me-Portal aanmelden.
Koppeling tussen gebruikersaccount en auto
wissen
Voorwaarden
RHet (auto-)profiel van de gebruikersaccount,
die oorspronkelijk aan de auto is gekoppeld,
is geselecteerd.
RHet profiel is gesynchroniseerd
(/pagina 323).
REr is een pincode opgeslagen.
Multimediasysteem:
4©5Mercedes me & Apps
5Mercedes me
#Voertuigtoewijzing wissen selecteren.
#De pincode van het gekoppelde gebruikers‐
account invoeren.
%Alleen de gebruiker, waarvan de gebruikers‐
account oorspronkelijk aan de auto is gekop‐
peld, kan de koppeling tussen alle gebrui‐
kersaccounts en de auto ongedaan maken.
Mercedes-Benz noodoproepsysteem
Informatie over beschikbare noodoproepsys‐
temen
In de auto zijn twee soorten noodoproepsyste‐
men beschikbaar:
RMercedes-Benz noodoproepsysteem
R112-noodoproepsysteem (EU eCall)
Voor beide noodoproepsystemen geldt het vol‐
gende:
RVoor de correcte werking van beide noodop‐
roepsystemen moeten bepaalde gegevens
kunnen worden verzonden. Deze worden in
het hoofdstuk "Gegevensoverdracht" uitge‐
legd (/pagina 442).
RBeide noodoproepsystemen behoren tot de
standaarduitrusting van uw auto en zijn af
fabriek geactiveerd.
RHet gebruik van beide noodoproepsystemen
is gratis.
RBeide noodoproepsystemen werken alleen in
gebieden waarin de providers van het
mobiele netwerk mobiele communicatie aan‐
bieden.
Bij beide systemen kan een onvoldoende net‐
werkdekking door de providers ertoe leiden
dat een noodoproep niet wordtverstuurd.
MBUX multimediasysteem 439
Verschillen tussen het Mercedes-Benz noodoproepsysteem en het 112-noodoproepsysteem (EU eCall)
Mercedes-Benz noodoproepsysteem 112-noodoproepsysteem (EU eCall)
RHet Mercedes-Benz noodoproepsysteem is permanent bij het mobiele-
telefoonnet aangemeld.
RAutomatische en handmatige Mercedes-Benz noodoproepen worden
naar een Mercedes-Benz alarmcentrale verstuurd.
Als de alarmcentrale van het Mercedes-Benz noodoproepsysteem niet
kanworden bereikt (bijvoorbeeld als gevolg van een ontbrekende net‐
werkdekking), wordt automatisch de 112-noodoproep uitgevoerd.
RAls u alleen voor gebruik van het 112-noodoproepsysteem (EU eCall)
kiest, dan meldt het systeem zich pas na activering van een handma‐
tige of automatische noodoproep bij het mobiele-telefoonnet aan.
RHet 112-noodoproepsysteem (EU eCall) stuurt automatische en hand‐
matige noodoproepen rechtstreeks naar openbare alarmcentrales.
%Het 112-noodoproepsysteem (EU eCall) in
uw auto voldoet aan de gedelegeerde veror‐
dening EU 2017/79. De correcte en volle‐
dige werking van het 112-noodoproepsys‐
teem (EU eCall) is afhankelijk van omstandig‐
heden die buiten de invloedssfeer van
Daimler AG liggen. Hieronder vallen onder
andere de mobiele-telefoonnetwerkdekking
en de technische uitrusting van de openbare
ontvangstcentrales in de betreffende landen.
%Houd er rekening mee dat bij reparaties de
originele Mercedes-Benz batterijen moeten
worden gebruikt, die zijn gecertificeerd als
onderdeel van de Gedelegeerde Verordening
EU 2017/79 (bijlage I). Andere fabrikanten
zijn ook toegestaan, op voorwaarde dat hun
accu's zijn gecertificeerd volgens Gedele‐
geerde Verordening (EU) 2017/79.
Informatie over de regionale beschikbaarheid
van het Mercedes-Benz noodoproepsysteem is
verkrijgbaar onder: http://www.mercedes-
benz.com/connect_ecall
Het is echter mogelijk om het Mercedes-Benz
noodoproepsysteem te deactiveren en uitslui‐
tend het 112-noodoproepsysteem (EU eCall) te
gebruiken. Deactiveringsverzoeken voor het
Mercedes-Benz noodoproepsysteem kunnen bij
de lokale dealers in behandeling worden geno‐
men.
Mercedes-Benz adviseert de activering van het
Mercedes-Benz noodoproepsysteem om de vol‐
gende redenen:
RBij noodgevallen in het buitenland kunt u ook
ondersteuning in een van de door u gespro‐
kentalen krijgen.
REr worden meerdere overdrachtstechnolo‐
gieën gebruikt om de overdrachtvan de
440 MBUX multimediasysteem
ongevalsgegevens te waarborgen en de
betrouwbaarheid van de overdrachtte ver‐
groten.
RHet Mercedes-Benz noodoproepsysteem is
permanent bij het mobiele-telefoonnet aan‐
gemeld, watvoor een snelle opbouw van de
noodoproep en een snellere overdrachtvan
de ongevalsgegevens zorgt.
Op deze manier kunnen zo snel mogelijk
maatregelen voor de redding, berging of het
wegslepen in gang worden gezet.
RBij een Mercedes-Benz noodoproep worden
de ongevalsgegevens alleen met toestem‐
ming van de klant aan de openbare alarm‐
centrale doorgegeven.
Bij een automatisch geactiveerde noodop‐
roep waarbij geen spraakcontact aanwezig is,
worden de ongevalsgegevens direct naar de
openbare alarmcentrale gestuurd.
RMocht de Mercedes-Benz alarmcentrale niet
bereikbaar zijn, dan wordt automatisch de
112-noodoproep uitgevoerd.
Overzicht van de noodoproepsystemen
Zowel het Mercedes-Benz noodoproepsysteem
als het 112-noodoproepsysteem (EU eCall) kan
belangrijke ondersteuning bieden bij het verkor‐
tenvan de tijd tussen het moment van het onge‐
val en het arriverenvan de reddingsdiensten op
de plaats van het ongeval. Ze ondersteunen de
locatiebepaling bij een moeilijk te omschrijven
ongevalsplaats.
Beide noodoproepsystemen kunnen een noodop‐
roep automatisch (/pagina 441) of handmatig
activeren.
Een noodoproep alleen activeren voor het red‐
den van uzelf of anderen. Geen noodoproep bij
pech of iets dergelijks activeren.
Melding op het display
De volgende meldingenworden bij beide nood‐
oproepsystemen weergegeven op het mediadis‐
play:
RSOS NOT READY: Het contact is niet inge‐
schakeld of er is een storing van het noodop‐
roepsysteem aanwezig. Dit betekent niet
noodzakelijk een totale uitval van het nood‐
oproepsysteem. Noodoproepen kunnen nog
steeds worden verzonden.
De melding heeft alleen betrekking op de
auto en houdt geen rekening met de beschik‐
baarheid van mobiele-telefoonnetten en de
Mercedes-Benz alarmcentrale.
De bedrijfsklare status van het noodoproep‐
systeem van de auto is hieraan te herkennen,
dat de melding SOS NOT READY na het
Inschakelen van het contact verdwijnt.
RG: De melding verschijnt op het display
tijdens een actieve noodoproep.
%Wanneer een storing van het noodoproep‐
systeem aanwezig is (bijvoorbeeld een
defect van de luidspreker, de microfoon, een
airbag, de SOS-toets), verschijnt op het mul‐
tifunctioneel display van het combi-instru‐
ment een overeenkomstige melding.
Automatische noodoproep activeren
Voorwaarden
RHet contact is ingeschakeld.
RDe startaccu is voldoende opgeladen.
MBUX multimediasysteem 441
Zowel het Mercedes-Benz noodoproepsysteem
als het 112-noodoproepsysteem (EU eCall) acti‐
veert in de volgende gevallen automatisch een
noodoproep:
Rna de activering van de veiligheidssystemen
zoals airbag of gordelspanner na een ongeval
Rna een automatisch geactiveerde noodstop
door de actieve noodstopassistent
De noodoproep is geactiveerd:
REr wordt een spraakverbinding met de alarm‐
centrale opgebouwd.
REr wordt een sms met ongevalsgegevens aan
de alarmcentrale gestuurd.
De SOS-toets in het bedieningspaneel dakcon‐
sole knippert tot de noodoproep afgesloten is.
Wanneer ook geen verbinding met de openbare
alarmcentrale kanworden gemaakt, verschijnt
een overeenkomstige melding op het display.
#Het alarmnummer 112 of het betreffende
lokale alarmnummer op de mobiele telefoon
invoeren.
Als een noodoproep wordtgeactiveerd:
RIndien de verkeerssituatie dit toelaat, zolang
in de auto blijven, tot de spraakverbinding
met de alarmcentrale is opgebouwd.
RDe alarmcentrale bepaalt aan de hand van de
opname van het ongeval of een ambulance
en/of de politie op de plaats van het ongeval
noodzakelijk is.
RWanneer geen inzittende antwoordt, wordt
direct een ambulance naar de auto gestuurd.
Handmatige noodoproep activeren
#Via de SOS-toets in het bedieningspaneel
dakconsole: De SOS-toets ten minste een
seconde lang indrukken (/pagina 434).
#Via de spraakbediening: De gesproken
opdrachten van de LINGUATRONIC gebruiken
(/pagina 296).
De noodoproep is geactiveerd:
REr wordt een spraakverbinding met een
alarmcentrale opgebouwd.
RIndien de verkeerssituatie dit toelaat, zolang
in de auto blijven, tot de spraakverbinding
met de alarmcentrale is opgebouwd.
RDe alarmcentrale bepaalt aan de hand van de
opname van het ongeval, of een ambulance
en de politie op de plaats van het ongeval
noodzakelijk is.
REr wordt een sms met ongevalsgegevens aan
de alarmcentrale gestuurd.
Wanneer ook geen verbinding met de openbare
alarmcentrale kanworden gemaakt, verschijnt
een overeenkomstige melding op het mediadis‐
play.
#Het alarmnummer 112 of het betreffende
lokale alarmnummer op de mobiele telefoon
invoeren.
Gegevensoverdracht noodoproepsysteem
Zowel bij het Mercedes-Benz noodoproepsys‐
teem als bij het 112-noodoproepsysteem (EU
eCall) worden gegevens naar de Mercedes-Benz
alarmcentrale of de openbare alarmcentrale ver‐
stuurd.
Afhankelijk van het geactiveerde noodoproepsys‐
teem (/pagina 439) worden verschillende
gegevens naar de betreffende alarmcentrale ver‐
stuurd.
442 MBUX multimediasysteem
Verstuurde gegevens afhankelijke van het geactiveerde noodoproepsysteem:
Mercedes-Benz noodoproep 112-noodoproep
RGPS-positiegegevens van de auto
RGPS-positiegegevens van de rijroute (enkele 100 meterór het onge‐
val)
RRijrichting
RVoertuigidentificatienummer
RSoort aandrijving van de auto (bijvoorbeeld benzine, diesel, CNG, LPG,
elektrisch, waterstof)
RHet herkende aantal personen in de auto
RHandmatig of automatisch geactiveerde noodoproep
RHet tijdstip van het ongeval
RSpraakinstelling bij het multimediasysteem
RMercedes me connect beschikbaar of niet
Daarvan hangt het af of het gesprek indien nodig aan de Mercedes-
Benz klantenservice kanworden doorgegeven.
RDe GPS-positiegegevens van de auto
RDe GPS-positiegegevens van de rijroute (enkele 100 m ór het onge‐
val)
RRijrichting
RVoertuigidentificatienummer
RSoort aandrijving van de auto (bijvoorbeeld benzine, diesel, CNG, LPG,
elektrisch, waterstof)
RHet herkende aantal personen in de auto
RHandmatig of automatisch geactiveerde noodoproep
RHet tijdstip van het ongeval
%Wanneer in de auto alleen het 112-noodop‐
roepsysteem (EU eCall) geactiveerd is, wor‐
den de ongevalsgegevens direct aan de
openbare alarmcentrale doorgegeven.
MBUX multimediasysteem 443
Voor meer informatie over het verloop van het
ongevalkunnen tot een uur na het activeren van
de noodoproep de volgende maatregelen worden
genomen:
RDe actuele positie van de auto kanworden
opgeroepen.
REen spraakverbinding met de inzittenden kan
worden opgebouwd.
RDe hierboven aangegeven noodoproepgege‐
vens kunnen worden opgeroepen.
%Voor Rusland: Tot twee uur na een ver‐
stuurde noodoproep kunnen verschillende
functies, bijvoorbeeld het ontvangen vanver‐
keersinformatie, niet worden gebruikt.
Functie van de zelfdiagnose van het noodop‐
roepsysteem (Rusland)
Uw auto controleert de werking van het noodop‐
roepsysteem elke keer als het contact wordt
ingeschakeld. Bij uitval van het systeem wordt u
via een tekstbericht op het combi-instrument en
de rode melding SOS NOT READY op het media‐
display geïnformeerd.
Controleer alstublieft of gedurende 30 seconden
na het inschakelen van het contact de rode mel‐
ding SOS NOT READY in de rechter bovenhoek
van het display van het mediadisplay uitgescha‐
keld is. Dit betekent dat het noodoproepsysteem
de diagnose met succes doorstaan heeft. Scha‐
keleventueel het mediadisplay in, als dit voor‐
dien was uitgeschakeld.
Testmodus ERA-GLONASS starten/stoppen
(Rusland)
Voorwaarden
RDe startaccu is voldoende opgeladen.
RHet contact is ingeschakeld.
RDe auto staat ten minste een minuut stil.
#Testmodus starten: De toets~in het
multifunctioneel stuurwiel ten minste vijf
seconden lang indrukken.
De testmodus wordtgestart en beëindigt
automatisch na het doorlopen van de taal‐
test.
#Testmodus handmatig stoppen: Het con‐
tact uitschakelen.
De testmodus wordt onderbroken.
Informatie over de gegevensverwerking
Verwerking van persoonsgegevens via het
Mercedes-Benz noodoproepsysteem
Elke verwerking van persoonsgegevens door het
Mercedes-Benz noodoproepsysteem voldoet aan
de voorschriftenvan de EU-verordening
2016/679 "betreffende de bescherming van
natuurlijke personen in verband met de verwer‐
king van persoonsgegevens" (DS-GVO).
De gegevens worden uitsluitend door het
Mercedes-Benz noodoproepsysteem voor de
redding en berging bij een ongeval gebruikt.
De eigenaar van een auto die naast het 112-
noodoproepsysteem (EU eCall) met een
Mercedes-Benz noodoproepsysteem is uitgerust,
heeft het recht om het 112-noodoproepsysteem
in plaats van het Mercedes-Benz noodoproep‐
systeem te gebruiken.
Deactiveringsverzoeken voor het Mercedes-Benz
noodoproepsysteem kunnen bij de lokale dealers
in behandeling worden genomen.
444 MBUX multimediasysteem
Verwerking persoonsgegevens via het 112-
noodoproepsysteem (EU eCall)
Elke verwerking van persoonsgegevens via het
112-noodoproepsysteem (EU eCall) voldoet aan
de voorschriftenvan de EU-verordening
2016/679 "betreffende de bescherming van
natuurlijke personen in verband met de verwer‐
king van persoonsgegevens (DS-GVO)" en berust
in het bijzonder op de noodzaak van het waar‐
borgenvan vitale belangen van de betreffende
persoon conform artikel 6 par.1 letter d DS-GVO.
De verwerking van dergelijke gegevens is strikt
beperkttot het verwerkenvan noodoproepen
aan het uniforme Europese alarmnummer 112.
Ontvangers vangegevens
De ontvangers vangegevens die via het 112-
noodoproepsysteem (EU eCall) worden verwerkt
zijn de betreffende alarmcentrales die door de
autoriteiten van het land waarin u zich bevindt
zijn aangewezen om noodoproepen aan het uni‐
forme alarmnummer 112 als eerste aan te
nemen en te verwerken.
Organisatie van de gegevensverwerking
Beide noodoproepsystemen zijn zo opgezet dat
aan de volgende eisen wordtvoldaan:
RBuiten het systeem is het niet mogelijk om
met de in het systeemgeheugen aanwezige
gegevens een noodoproep te activeren.
RBeide noodoproepsystemen zijn niet traceer‐
baar en tijdens het normale gebruik vindt
geen permanente tracering plaats.
RDe gegevens in het interne geheugen van het
systeem worden automatisch en continu
gewist.
RDe gegevens over de locatie van de auto in
het interne geheugen van het systeem wor‐
den continu overschreven, zodat altijd ten
hoogste de drie laatste actuele locaties van
de auto, die voor de normale werking van het
systeem noodzakelijk zijn, beschikbaar zijn.
RHet protocol van de werkgegevens van de
beide noodoproepsystemen wordt uiterlijk zo
lang bewaard als noodzakelijk is om aan de
doelstelling voor de handhaving van de nood‐
oproep te kunnen voldoen, en in geen geval
langer dan 13 uur na het tijdstip waarop een
noodoproep werd geactiveerd.
Rechtenvan de door de gegevensverwerking
getroffen personen
De door de gegevensverwerking getroffen per‐
soon (de autobezitter) heeft het recht op toe‐
gang tot de gegevens en kaneventueel het corri‐
geren, wissen of blokkeren verlangen vangege‐
vens die hem of haar betreffen en waarvan de
verwerking niet aan de voorschriftenvan de DS-
GVOvoldoet. Elke conform deze verordening uit‐
gevoerde correctie, wissing of blokkering moet
derden waaraan de gegevens werden verstuurd
worden medegedeeld, voor zover dit niet onmo‐
gelijk is en geen onevenredige inspanningen ver‐
eist.
De door de gegevensverwerking getroffen per‐
soon heeft het recht om bij de verantwoordelijke
instantie een klacht in te dienen wanneer deze
van mening is dat door de verwerking van zijn
persoonsgegevens zijn rechten zijn aangetast.
Het bevoegd contactpunt voor de verwerking
vantoegangsrechten: Gevolmachtigde voor de
MBUX multimediasysteem 445
gegevensbeveiliging, Daimler AG, HPC G353,
D-70546 Stuttgart, Duitsland
Online- en internetfuncties
Internetverbinding
Informatie over internetverbinding
&WAARSCHUWING Gevaar voor afleiding
door informatiesystemen en communica‐
tieapparatuur
Als u tijdens het rijden in de auto geïnte‐
greerde informatiesystemen en communica‐
tieapparatuur bedient, kunt u van de ver‐
keerssituatie worden afgeleid. Bovendien
kunt u de controle over de auto verliezen.
#Deze apparatuur alleen bedienen als de
verkeerssituatie dit toelaat.
#Als dit niet kanworden gewaarborgd,
op een veilige plek stoppen en de invoe‐
ring als de auto stilstaat uitvoeren.
Bij het gebruik van het multimediasysteem de
wettelijke bepalingen in acht nemen van het land
waar u zich op dat moment bevindt.
&WAARSCHUWING Gevaar voor ongeval‐
len door het bedienen van mobiele com‐
municatieapparatuur tijdens het rijden
Mobiele communicatieapparatuur leidt de
bestuurder af van de verkeerssituatie. Boven‐
dien kan de bestuurder de controle over de
auto verliezen.
#Als bestuurder mobiele communicatie‐
apparatuur alleen bedienen wanneer de
auto stilstaat.
#Als inzittende mobiele communicatieap‐
paratuur alleen in het daarvoor
bedoelde gebied gebruiken, bijvoor‐
beeld achterin.
Bij het gebruik van mobiele communicatieappa‐
ratuur in de auto de wettelijke voorschriften in
acht nemen van het land waarin u zich bevindt.
Afhankelijk van de uitrusting van de auto zijn er
de volgende mogelijkheden om een internetver‐
binding tot stand te brengen:
RAuto met communicatiemodule: Internet‐
toegang inclusief Mercedes me connect dien‐
sten en gegevensroaming (/pagina 446).
RAuto's zonder communicatiemodule::
-ViaWiFi met voor data geschikte mobiele
telefoon (/pagina 447)
-Via Bluetooth®met voor data geschikte
mobiele telefoon (/pagina 447)
Tijdens het rijden zijn de internetfuncties
beperkt bruikbaar.
Functie van de communicatiemodule
Bij auto's met een vast geïnstalleerde communi‐
catiemodule wordt de internetverbinding ver‐
zorgd via een vast ingebouwde simkaart.
Om de internettoegang via de communicatiemo‐
dule te kunnen gebruiken, moet aan de volgende
voorwaarden voldaan zijn:
RMercedes me connect is geactiveerd en inge‐
schakeld.
446 MBUX multimediasysteem
RMercedes me connect is voor de internettoe‐
gang geactiveerd.
RIn sommige landen: Datavolume via
Mercedes me connect is aanwezig.
In sommige landen: Als uw gegevenslimiet wordt
bereikt, zijn de Mercedes me connect-diensten
nog slechts beperkt beschikbaar. De gegevens‐
opslag kan via Mercedes me connect worden
aangeschaft.
%Vraag bij een Mercedes-Benz-servicewerk‐
plaats na of het in uw land mogelijk is om
datavolume te kopen.
Internetverbinding via Wi-Fi instellen
Voorwaarden
RDe functie WiFi is op het multimediasysteem
geactiveerd (/pagina 346).
RDe functie WiFi is op de mobiele telefoon
geactiveerd (zie de handleiding van de fabri‐
kant).
RDe internetvrijgave via WiFi is geactiveerd
(zie de handleiding van de fabrikant).
De internetverbinding via WiFi vertoont een sto‐
ring of functioneert niet:
RDe mobiele telefoon is uitgeschakeld.
RIn de mobiele telefoon is het gebruik van
mobiele-telefoondata gedeactiveerd.
ROp het multimediasysteem is de functie WiFi
uitgeschakeld.
ROp de mobiele telefoon is de functie WiFi uit‐
geschakeld.
ROp de mobiele telefoon is de internetvrijgave
via WiFi gedeactiveerd.
Multimediasysteem:
4©5Instellingen 5Systeem
5Wi-Fi & Bluetooth 5Internetinstellingen
5Verbinden via Wi-Fi
#Het netwerk selecteren.
#Bij Wi-Fi-netwerk aanmelden
(/pagina 346).
Internetverbinding via Bluetooth®instellen
Voorwaarden
RDe mobiele telefoon ondersteunt het Blue‐
tooth®-profiel PAN (Personal AreaNetwork).
RDe mobiele telefoon is via Bluetooth®met
het multimediasysteem verbonden
(/pagina 412).
Wanneer een mobiele telefoon voor het eerst
via Bluetooth®met het multimediasysteem
wordtverbonden, leidt een assistent u door
het instellen van de internetverbinding.
Als alternatief kan de internetverbinding
handmatig worden ingesteld.
Multimediasysteem:
4©5Instellingen 5Systeem
5Wi-Fi & Bluetooth 5Internetinstellingen
5Verbinden via Bluetooth
#De mobiele telefoon selecteren.
De internetverbinding is ingesteld.
De internetverbinding via Bluetooth®vertoont in
de volgende gevallen een storing of functioneert
niet:
RDe mobiele telefoon is uitgeschakeld.
MBUX multimediasysteem 447
RDe mobiele telefoon is als extra mobiele tele‐
foon verbonden.
REr is niet voldoende mobiele-telefoonnet‐
werkdekking beschikbaar.
RIn de mobiele telefoon is het gebruik van
mobiele-telefoondata gedeactiveerd.
RDe functie Bluetooth®is op het multimedia‐
systeem uitgeschakeld en de mobiele tele‐
foon moet via Bluetooth®worden verbonden.
RDe functie Bluetooth®is op de mobiele tele‐
foon uitgeschakeld en de mobiele telefoon
moet via Bluetooth®worden verbonden.
RHet mobiele-telefoonnet of de mobiele tele‐
foon voorkomen dat er gelijktijdig een tele‐
foon- en internetverbinding is.
ROp de mobiele telefoon is gedeeld internet
via Bluetooth®niet vrijgegeven.
Automatische internetverbinding totstand
brengen
Multimediasysteem:
4©5Instellingen 5Systeem
5Wi-Fi & Bluetooth 5Internetinstellingen
#De mobiele telefoon markeren.
#rselecteren.
#Permanente internetverbinding inschakelen
D.
Vrijgave van een mobiele telefoon voor inter‐
nettoegang annuleren
Multimediasysteem:
4©5Instellingen 5Systeem
5Wi-Fi & Bluetooth 5Internetinstellingen
#In de regelvan de mobiele telefoon r
selecteren.
#Configuratie wissen selecteren.
#Ja selecteren.
Details van de mobiele telefoon weergeven
Multimediasysteem:
4©5Instellingen 5Systeem
5Wi-Fi & Bluetooth 5Internetinstellingen
#In de regelvan de mobiele telefoon r
selecteren.
#Details selecteren.
Internetverbinding opbouwen
Multimediasysteem:
4©5Mercedes me & Apps
#Bijvoorbeeld zBrowser selecteren.
%Het multimediasysteem bouwt in de regel de
internetverbinding automatisch op. Wanneer
het multimediasysteem niet met internet ver‐
bonden is, wordt de internetverbinding opge‐
bouwd bij gebruik van een internettoepas‐
sing.
%De beschikbaarheid van de functie is lands‐
afhankelijk.
448 MBUX multimediasysteem
Automatisch verbreken van de internetver‐
binding instellen
Multimediasysteem:
4©5Instellingen 5Systeem
5Wi-Fi & Bluetooth 5Internetinstellingen
#In de regelvan de mobiele telefoon r
selecteren.
#Verbreken bij inactiviteit selecteren.
De volgende opties staan ter beschikking:
R5 minuten
R10 minuten
R20 minuten
ROnbegrensd
#Een optie selecteren.
Verbindingsstatus
Overzicht verbindingsstatus
1Weergavevan de bestaande verbinding (dub‐
bele pijl) en de ontvangststerkte van de com‐
municatiemodule of van het verbonden Blue‐
tooth®-apparaat
%De functie is landafhankelijk.
Verbindingsstatus weergeven
Multimediasysteem:
4©5Instellingen 5Systeem
5Wi-Fi & Bluetooth
#Internetstatus selecteren.
RBij een verbinding via WiFi of een Bluetooth®-
apparaat wordt het globaal verstuurdegege
vensvolume weergegeven. De juistewaarde
kunt u bij uw provider mobiel netwerk opvra‐
gen.
RBij een verbinding via de communicatiemo‐
dule wordt de volgende statusinformatie
weergegeven:
-Netwerktype
-Status online/offline
MBUX multimediasysteem 449
Webbrowser
Website oproepen
&WAARSCHUWING Gevaar voor afleiding
door informatiesystemen en communica‐
tieapparatuur
Als u tijdens het rijden in de auto geïnte‐
greerde informatiesystemen en communica‐
tieapparatuur bedient, kunt u van de ver‐
keerssituatie worden afgeleid. Bovendien
kunt u de controle over de auto verliezen.
#Deze apparatuur alleen bedienen als de
verkeerssituatie dit toelaat.
#Als dit niet kanworden gewaarborgd,
op een veilige plek stoppen en de invoe‐
ring als de auto stilstaat uitvoeren.
Bij het gebruik van het multimediasysteem de
wettelijke bepalingen in acht nemen van het land
waar u zich op dat moment bevindt.
Multimediasysteem:
4©5Mercedes me & Apps
5zBrowser
Nieuwe website oproepen
#äselecteren.
#Een internetadres invoeren.
#¬selecteren.
%De functie is landafhankelijk.
%Tijdens het rijden kunnen geen websites wor‐
den weergegeven.
Website uit geschiedenis oproepen
#De vorige of volgende pagina uit de geschie‐
denis oproepen: Xof Yselecteren.
450 MBUX multimediasysteem
Overzicht webbrowser
1URL-invoerveld
2Leestekens
3Website achteruit
4Website vooruit
5actualiseren/afbreken
6Opties
Webbrowseropties oproepen
Multimediasysteem:
4©5Mercedes me & Apps
5zBrowser 5Z
De volgende functies zijn beschikbaar:
RBladwijzers
ROpties met de instellingen:
-Browserinstellingen
-Browsergegevens wissen
#Een optie selecteren.
#De instellingen uitvoeren.
MBUX multimediasysteem 451
Webbrowserinstellingen oproepen
Multimediasysteem:
4©5Mercedes me & Apps
5zBrowser 5Z
5Browserinstellingen
De volgende functies zijn beschikbaar:
RPopups blokkeren
RJavascript activeren
RCookies toestaan
#Een functie inschakelen: De displaytoets
activeren.
#Een functie uitschakelen: De displaytoets
deactiveren.
Internetgeschiedenis wissen
Multimediasysteem:
4©5Mercedes me & Apps
5zBrowser 5Z
5Browsergegevens wissen
De volgende opties staan ter beschikking:
RAlles
RCache
RCookies
RHistorie
RIngevoerde URL's
RFormuliergegevens
#Een optie selecteren.
#Ja selecteren.
Favorieten beheren
Multimediasysteem:
4©5Mercedes me & Apps
5zBrowser
#?selecteren.
Favoriet selecteren
#Een item selecteren.
Favoriet aanmaken
#Actuele website toevoegen aan bladwijzers
selecteren.
De favoriet wordt aangemaakt.
Favoriet bewerken
#rachter een favoriet selecteren.
#Bewerken selecteren.
#De naam invoeren.
#aselecteren.
Favoriet wissen
#rachter een favoriet selecteren.
#Wissen selecteren.
#Ja selecteren.
Webbrowser afsluiten
Multimediasysteem:
4©5Mercedes me & Apps
5zBrowser
#©selecteren.
TuneIn radio
TuneIn Radio oproepen
Voorwaarden
REr is een account onder http://
www.mercedes.me aanwezig.
RDe dienst TuneIn Radio is geactiveerd.
RGegevensvolume is aanwezig.
452 MBUX multimediasysteem
Afhankelijkvan het betreffende land moet dit
worden aangekocht.
REr is een snelle internetverbinding voor een
storingsvrijeoverdracht aanwezig.
%De functies en diensten zijn afhankelijkvan
het betreffende land. Voor meer informatie
hierover contact opnemen met een
Mercedes-Benz-servicewerkplaats.
Multimediasysteem:
4©5Radio
#TuneIn Radio selecteren.
Het TuneIn menu verschijnt. U hoort de laatst
ingestelde zender.
%De verbindingskwaliteit is afhankelijk van de
plaatselijke ontvangst van het mobiele-tele‐
foonnet.
MBUX multimediasysteem 453
Overzicht TuneIn Radio
1Extra informatie van de actuele zender
2Weergave indien met privé gebruikersac‐
count verbonden
3Gegevensoverdrachtsnelheid
4Opties
5Favorieten
6Starten/stoppen
7Browsen
8Zoeken
9Geselecteerde categorie
AInternetradio provider
TuneIn Radio-zender selecteren en verbinden
Multimediasysteem:
4©5Radio 5TuneIn Radio
#=selecteren.
#Een categorie selecteren.
454 MBUX multimediasysteem
#Een zender selecteren.
De verbinding wordt automatisch opge‐
bouwd.
of
#Het zoekveld selecteren.
#Een zendernaam invoeren.
%Bij het gebruik vanTuneIn Radio kunnen
grote hoeveelheden data worden overge‐
bracht.
TuneIn Radio-zender als favoriet opslaan/
wissen
Multimediasysteem:
4©5Radio 5TuneIn Radio
#Een zender selecteren.
#ßselecteren.
De favorietenlijst met alle opgeslagen zen‐
ders verschijnt.
#Voeg toe aan Favorieten selecteren.
of
#Een account bij de online-aanbieder (TuneIn
Radio) aanmaken en vervolgens bij het multi‐
mediasysteem aanmelden.
Uw favorieten worden op het multimediasys‐
teem opgeslagen.
Favorieten wissen
#Een zender selecteren.
#ßselecteren.
#Favoriet wissen selecteren.
Opties vanTuneIn Radio instellen
Multimediasysteem:
4©5Radio 5TuneIn Radio 5Z
5TuneIn Radio
De volgende opties staan ter beschikking:
RStream selecteren: Selecteren van de
streamkwaliteit.
RTuneIn account aanmelden: Aanmelden van
uw TuneIn gebruikersaccount.
RAccount afmelden: Afmelden van uw TuneIn
gebruikersaccount.
#Een optie selecteren.
Zenderlijst van de laatst geselecteerde cate‐
gorie weergeven
Multimediasysteem:
4©5Radio 5TuneIn Radio
#Op de covervan de actuele zender drukken.
Afhankelijkvan hoe de zender is geselec‐
teerd, wordt een zenderlijst weergegeven.
Media
Informatie over de mediafunctie
Informatie over ondersteunde formaten en
gegevensdragers
&WAARSCHUWING Gevaar voor afleiding
door bediening vangegevensdragers
Wanneer u tijdens het rijden gegevensdra‐
gers bedient, kunt u van de verkeerssituatie
worden afgeleid. Bovendien kunt u de con‐
trole over de auto verliezen.
#Gegevensdragers alleen bedienen als
de auto stilstaat.
MBUX multimediasysteem 455
Het multimediasysteem ondersteunt de vol‐
gende formaten en gegevensdragers:
Toegestane
gegevenssys‐
temen
FAT32, exFAT, NTFS
Toegestane
gegevensdra‐
gers
Usb-apparatuur, iPod®/
iPhone®, MTP-apparatuur,
Bluetooth®audioapparatuur
Onder‐
steunde
audioforma‐
ten
MP3, WMA, AAC, WAV, FLAC,
ALAC
Onder‐
steunde vide‐
oformaten
MPEG, AVI, DivX, MKV, MP4,
M4V, WMV
%De volgende aanwijzingen in acht nemen:
RHet multimediasysteem beheert in totaal
tot 50000 ondersteunde bestanden.
REr worden gegevensdragers tot 2 TB
ondersteund (32‑bit-architectuur).
RVanwege de groteverscheidenheid aan
beschikbare muziek- en videobestanden
op het gebied van encoders, bemonste‐
ringsfrequenties en datasnelheden kan
het afspelen niet worden gewaarborgd.
RDoor de grote hoeveelheid verschillende
usb-apparaten op de markt kan het
afspelen van alle usb-apparaten niet wor‐
den gegarandeerd.
RVideo's worden tot FullHD (1920x1080)
ondersteund.
RKopieerbeveiligde muziek- en videobe‐
standen of met DRM (Digital Rights
Management) gecodeerde bestanden
kunnen niet worden afgespeeld.
RMp3-spelers moeten het Media Transfer
Protocol (MTP) ondersteunen.
Informatie over auteursrecht en merksymbo‐
len
Zelfgemaakte audiobestanden (bijvoorbeeld zelf‐
gemaakte kopieën vangegevensdragers) vallen
onder het auteursrecht. In veel landen mogen
zonder toestemming van de rechthebbende geen
kopieën, ook niet voor privé-doeleinden, worden
gemaakt. Zorg ervoor dat u met de geldende
voorschriften met betrekking tot het auteurs‐
recht bekend bent en deze in acht neemt.
Onder licentie van Dolby Laboratories geprodu‐
ceerd. Dolby, Dolby Audio en het dubbel-D-sym‐
bool zijn handelsmerkenvan Dolby Laboratories.
456 MBUX multimediasysteem
Gracenote, MusicID, Playlist Plus, het Gracenote-
logo en het opschrift "Powered by Gracenote"
zijn geregistreerde merknamen of merknamen
van Gracenote, Inc. in de USA en/of andere lan‐
den.
TIDAL en het TIDAL logo zijn in de Europese Unie
en in andere landen geregistreerde handelsmer‐
kenvan Aspiro AB.
Zie voor DTS patenten http://patents.dts.com.
Geproduceerd onder licentie vanDTS Licensing
Limited. DTS, het symbool en DTS samen met
het symbool zijn geregistreerde handelsmerken,
en DTSTruVolume is een handelsmerk vanDTS,
Inc.©DTS, Inc. Alle rechtenvoorbehouden.
MBUX multimediasysteem 457
Overzicht menu Media
1Vorige titel of snel terugspoelen
2Volgende titel of snel vooruitspoelen
3Albumcover
4Actieve mediabron
5Titel en artiest
6Actueel titelnummer/titel in weergavelijst en
actieve gegevensdrager
7Herhaling
8Instellingen
9Overige opties
AWeergaveregelen
BTijdbalk
CCategorieën
DMuziekzoeken
ERandomweergave
458 MBUX multimediasysteem
Gegevensdrager met het multimediasysteem
verbinden
Usb-apparaten aansluiten
*AANWIJZING Schade bij hoge tempera‐
turen
Hoge temperaturen kunnen usb-apparaten
beschadigen.
#Sd-apparaten na gebruik verwijderen en
uit de auto nemen.
De multimedia-aansluiteenheid bevindt zich in
het opbergvak onder de armsteun en beschikt
over twee usb-aansluitingen van het type C.
Afhankelijkvan de uitrusting van de auto bevin‐
den zich nog andere usb-aansluitingen in het
opbergvak van de middenconsole voorin of in
het klapvak achterin.
#Het usb-apparaat met de usb-aansluiting ver‐
binden.
%Wanneer u meerdere Apple®-apparaten tege‐
lijkertijd aansluit, dient u te letten op de
volgorde waarin u deze aansluit. Het multi‐
mediasysteem maakt alleen verbinding met
het apparaat dat als eerstewordt aangeslo‐
ten. De andere tegelijkertijd aangesloten
Apple®-apparatenworden alleen van span‐
ning voorzien.
Bluetooth®audioapparatuur zoeken en auto‐
riseren
Voorwaarden
ROp het multimediasysteem en op de audioap‐
paratuur is Bluetooth®ingeschakeld.
RDe audioapparatuur ondersteunt de Blue‐
tooth®audioprofielen A2DP en AVRCP.
RDe audioapparatuur is voor andere appara‐
tuur "zichtbaar".
MBUX multimediasysteem 459
Multimediasysteem:
4©5Media 5Bluetooth 5ª
Nieuwe Bluetooth®-audioapparatuur autori‐
seren
#Nw. apparaat verbinden selecteren.
De gevonden apparatuur wordt in de appara‐
tenlijst weergegeven.
#Audioapparatuur selecteren.
De autorisatie wordtgestart. Op het multime‐
diasysteem en op de mobiele telefoon ver‐
schijnt een code.
#Wanneer de codes identiek zijn, dit op de
audioapparatuur bevestigen.
#Alleen als Bluetooth Audio-apparaat selecte‐
ren.
De Bluetooth®-audioapparatuur wordt met
het multimediasysteem verbonden.
Al geautoriseerde Bluetooth®-audioappara‐
tuur verbinden
#Bluetooth®audioapparatuur uit de lijst selec
teren.
De verbinding wordt opgebouwd.
Mediaweergave starten
Voorwaarden
REen gegevensdrager is met het multimedia‐
systeem verbonden.
Multimediasysteem:
4©5Media
#USB of Bluetooth als mediabron selecteren.
Mediaweergave aansturen
Multimediasysteem:
4©5Media
#Weergave pauzeren: 8selecteren.
#Weergave voortzetten: 6selecteren.
#Titel herhalen: :selecteren.
Voor het herhalen bestaan de volgende
instellingen:
REenmaal selecteren: De actieve playlist
wordt herhaald.
RTweemaal selecteren: De actuele titel
wordt herhaald.
RDriemaal selecteren: De herhaling
wordtgedeactiveerd.
#Titel in willekeurige volgorde afspelen:
9selecteren.
#Titelvooruit- of terugspoelen: de tijdbalk
op de gewenste plaats aantippen.
#Volgende titel selecteren: üselecteren.
#Vorige titel selecteren: ûselecteren.
#Titel snel doorspoelen: ûof üinge‐
drukt houden.
#Actuele titellijst weergeven: De weergege‐
ven titelafbeelding selecteren.
Overige opties voor de mediaweergave
instellen
Multimediasysteem:
4©5Media
Meer opties oproepen
#ßselecteren.
De verdere opties worden weergegeven.
460 MBUX multimediasysteem
De volgende opties staan ter beschikking:
RVergelijkbare titels afspelen
Gedurende de weergave een titel selecteren,
om een weergavelijst met vergelijkbare titels
aan te maken.
RVerrassingsmix
Er wordt een weergavelijst met toevallig
gekozen titels aangemaakt.
RAan Lievelingsnummers toev.
De actuele titel wordt aan de favoriete liedjes
toegevoegd.
RUit Lievelingsnummers verw.
De actuele titel wordt uit de favoriete liedjes
verwijderd.
#Een optie selecteren.
Online-muziek
Online-muziek oproepen
Voorwaarden
REr is een account voor de muziekstreaming‐
dienst aanwezig.
REr is een abonnement voor de muziekstrea‐
mingdienst afgesloten.
RGegevensvolume is aanwezig.
Afhankelijk van het betreffende land moet dit
worden aangekocht.
REr is een snelle internetverbinding voor een
storingsvrijeoverdracht aanwezig.
%De functies en diensten zijn afhankelijkvan
het betreffende land. Voor meer informatie
hierover contact opnemen met een
Mercedes-Benz-servicewerkplaats.
Multimediasysteem:
4©5Media
#Online muziek selecteren.
Met Online muziek kan muziek via een stra‐
mingdienst worden beluisterd.
De muziekweergave kanworden geregeld met de
touch-control, de touchscreen, de touchpad of
via de media-applicatie.
Muziek in online-muziek zoeken
Multimediasysteem:
4©5Media 5Online muziek
Op categorieën zoeken in online-muziek
In het zoeken op categorieën kun de media-
inhoud van de streaming-provider worden door‐
zocht. De beschikbare categorieën zijn afhanke‐
lijk van de streaming-provider.
#5selecteren.
Een lijst met beschikbare categorieën ver‐
schijnt.
#Een categorie selecteren.
Op trefwoorden zoeken in online-muziek
Via zoeken op trefwoord kan door vrijetekstin‐
voer naar inhoud worden gezocht.
#ªselecteren.
Er verschijnt een toetsenbord voor het invoe‐
renvantekens.
#Het gezochte begrip invoeren.
MBUX multimediasysteem 461
%Het zoeken begint vanaf de eerste drie inge‐
voerde tekens. Des te meer tekens worden
ingevoerd, des te concreter worden de zoe‐
kresultaten.
#Het gewenste item uit de lijst met treffers
selecteren.
Indien het geselecteerde item een album,
lied of een weergavelijst is, wordt de weer‐
gave gestart. Is het geselecteerde item een
nieuwe categorie, dan wordt deze in de zoek‐
functie geopend.
Online-muziek opties configureren
Multimediasysteem:
4©5Media 5Online muziek
#Bij de mediaweergave in het menu op Media
ßdrukken.
Er verschijnen drie opties:
Rhet nummer toevoegen aan uw eigen
favorieten
Rhet nummer toevoegen aan een afspeel‐
lijst
Rde optie Titel-radio
#Eén van de drie opties selecteren.
%Wanneer Titel-radio wordtgeselecteerd,
wordt een afspeellijst samengesteld met ver‐
gelijkbare muziektitels.
De beschikbare opties zijn afhankelijk van
het aanbod van de streaming-provider.
Mediazoeken
Informatie over zoeken in categorieën
Onder 5kunnen alle beschikbare mediabe‐
standen worden doorzocht. Hiervoor zijn ver‐
schillende categorieën beschikbaar. De weerge
geven categorieën zijn afhankelijk van het ver‐
bonden apparaat en bestandsformaat.
Beschikbare categorieën bij Bluetooth®-audio:
RActuele titellijst
De mappen en categorieën van het verbon‐
den apparaat worden weergegeven.
Beschikbare categorieën bij audiobestanden:
RActuele titellijst
RWeergavelijsten
RMap
RAlbums
RArtiest
RTitels
RLievelingsnummers
RVaak afgespeeld
RRecent toegevoegd
RStemming (/pagina 463)
RMuziekrichtingen
RJaar
RComponisten
RSelectie op cover
RPodcasts (Apple®-apparatuur)
RGesproken boeken (Apple®-apparatuur)
Beschikbare categorieën bij videobestanden:
RMap
RVideo's
%De categorieën zijn beschikbaar, zodra de
gehele inhoud van het medium gelezen en
geanalyseerd is.
462 MBUX multimediasysteem
Zoeken in categorieën starten
Multimediasysteem:
4©5Media 55
#Een categorie selecteren.
#ªselecteren en zoekbegrip invoeren.
Weergegevenresultaten sorteren of alle
gevonden media afspelen
#Äselecteren.
#Alle gevonden treffers van de categorie
afspelen: Alles afspelen selecteren.
Indien bijvoorbeeld de categorie Albums
actief is, worden alle gevonden albums van
de gezochte artiest afgespeeld.
#Resultaten alfabetisch sorteren: Sorteren
van A-Z selecteren.
#Resultaten omgekeerd alfabetisch sorte‐
ren: Sorteren van Z-A selecteren.
%De beschikbare opties zijn afhankelijk van de
geselecteerde categorie en het verbonden
apparaat.
Zoeken op trefwoord gebruiken
Multimediasysteem:
4©5Media
Via zoeken op trefwoord kan door vrijetekstin‐
voer naar inhoud worden gezocht.
#ªselecteren.
Er verschijnt een toetsenbord voor het invoe‐
renvantekens.
#Het gezochte begrip invoeren.
%Het zoeken begint met het eerst ingevoerde
teken. Des te meer tekens worden inge‐
voerd, des te concreter worden de zoekre‐
sultaten.
#Het gewenste item uit de lijst met treffers
selecteren.
Indien het geselecteerde item een album,
lied of een weergavelijst is, wordt de weer‐
gave gestart. Is het geselecteerde item een
nieuwe categorie, dan wordt deze in de zoek‐
functie geopend.
Titel op stemming zoeken
Multimediasysteem:
4©5Media 55
Via de categoriezoekfunctie kunnen muziektitels
worden gezocht die bij een stemming passen.
#Stemming selecteren.
Een raster met de volgende stemmingen ver‐
schijnt:
RPositief
RRustig
RDonker
REnergiek
#De regelaar in de gewenste stand trekken.
Er wordtgezocht op titels die passen bij de
aangegevenstemming.
Video-instellingen uitvoeren
Multimediasysteem:
4©5Media 5Z5Algemeen
#Video-instellingen selecteren.
#Een hoogte-breedte-verhouding selecteren.
MBUX multimediasysteem 463
Volledig scherm instellen
#Gselecteren.
Radio
Radio inschakelen
Multimediasysteem:
4©5Radio
#Alternatief: De toets|indrukken.
De radioweergave verschijnt. U hoort de
laatst ingestelde zender in de laatst inge‐
stelde frequentieband.
464 MBUX multimediasysteem
Overzicht radio
1Actieve frequentieband
2Zendernaam of ingestelde frequentie
3Artiest, titel, album en radiotekst
4Opties
5Volledig scherm/DAB Slideshow
6Geluidsuitschakelfunctie
7Zenderlijst
8Zoeken
Frequentieband instellen
Multimediasysteem:
4©5Radio
#Een frequentieband selecteren.
Radiozender instellen
Multimediasysteem:
4©5Radio
#Op het bedieningselement naar links of
rechts vegen.
MBUX multimediasysteem 465
Radiozenderlijst oproepen
Multimediasysteem:
4©5Radio
#
selecteren.
De zenderlijst verschijnt.
#Een zender selecteren.
Radiozender via zendernaam of frequentie-
invoer zoeken
Multimediasysteem:
4©5Radio
#èselecteren.
#Een zendernaam of een frequentie invoeren.
#Een zender selecteren.
Radiozender opslaan
Multimediasysteem:
4©5Radio
#Een radiozender selecteren.
Vrijegeheugenplaats in het zendergeheugen
aanwezig
#fselecteren.
of
#De radiozender lang indrukken.
Record in het zendergeheugen vervangen
#Een record in het zendergeheugen lang
indrukken.
#Ja selecteren.
Zendergeheugen bewerken
Multimediasysteem:
4©5Radio
Zender verschuiven
#Een opgeslagen zender lang indrukken.
#Verplaatsen selecteren.
#De zender op de nieuwe plaats schuiven.
Zenders wissen
#Een zender lang indrukken.
#Wissen selecteren.
Zender vervangen
#Een zender lang indrukken.
#Van radiozender wisselen selecteren.
Slideshow oproepen (FM/DAB-radiofunctie)
Multimediasysteem:
4©5Radio
De slideshow geeft aanvullende informatie van
de zender grafisch weer. Deze kunnen bijvoor‐
beeld logo's, albumcovers, muziektitels, pro‐
gramma's, berichten of onderhoudsinformatie
omvatten.
#
selecteren.
466 MBUX multimediasysteem
Functie frequentie vastzetten in- of uitscha‐
kelen
Multimediasysteem:
4©5Radio 5Z5Algemeen
#Frequentie vast in- of uitschakelen.
Als de functie is ingeschakeld, wordt
dezelfde frequentie vastgehouden, ook als de
ontvangst slecht is.
Verkeersinformatie in- en uitschakelen
Multimediasysteem:
4©5Radio 5Z5Algemeen
#Verkeersinfo (TA) in- of uitschakelen.
Volumeverhoging verkeersinformatie instel‐
len
Multimediasysteem:
4©5Instellingen 5Audio
#Navigatie- en verkeersinformatie selecteren.
#Volumeverhog. verkeersinfo selecteren.
#Een waarde tussen 0 en 10 instellen.
#De waarde met qovernemen.
Radiotekstweergeven
Multimediasysteem:
4©5Radio 5Z5Algemeen
#Radiotekstinformatie in- of uitschakelen.
Tv
Informatie over de tv-functie
Informatie over auteursrecht en merksymbo‐
len
Ubiquitous DTCP-IP
Copyright®2015 Ubiquitous Corp.
DVB en de DVB logo's zijn gedeponeerde han‐
delsmerkenvanDVB Project.
De tv-tuner maakt de ontvangst van digitale zen‐
ders volgens de volgende standaards mogelijk:
RDVB-T
RDVB-T2
De standaards zijn in veel landen niet of niet vol‐
ledig dekkend beschikbaar.
Voor het decoderen van HD-programma's vol‐
gens de Cl+-standaard dient een CI+-module
(Common-Interface-module), die niet tot de leve‐
ringsomvang behoort. In enkele landen is tevens
een Smart Card noodzakelijk, die in de CI+-
module wordtgestoken (zie handleiding van de
fabrikant).
De CI+-module wordt in de CI+-box in het dash‐
boardkastje aangebracht.
%De CI+-box is ontwikkeld voor een bedrijfs‐
temperatuur tussen 0 °C en 65 °C. Bij een
te hoge of te lage bedrijfstemperatuur ver‐
schijnt een melding in het multimediasys‐
teem en wordt de CI+-module automatisch
uitgeschakeld. Als de CI+-module uitgescha‐
keld is, kunnen geen gecodeerde zenders
meer worden ontvangen.
MBUX multimediasysteem 467
*AANWIJZING Beschadiging van de CI+-
module en de Smart Card
De CI+-module is voor thuistoepassingen
ontworpen. De CI+-module kan bij aanhou‐
dend hoge buitentemperaturen oververhit en
beschadigd raken.
#Erop letten dat de CI+-module niet lang
aan aanhoudende hoge temperaturen
wordt blootgesteld.
Als de CI+-module beschadigd is, kun‐
nen geen gecodeerde zenders meer
worden ontvangen.
De tv-tuner kan programma's in Dolby Digital
Plus ontvangen. Onder licentie van Dolby Laboratories geprodu‐
ceerd. Dolby, Dolby Audio en het dubbel-D-sym‐
bool zijn handelsmerkenvan Dolby Laboratories.
De tv-tuner stelt de tv-norm automatisch in.
De tv-ontvangst is afhankelijk van de volgende
factoren:
RSnelheid
RZendeigenschappen van de ingestelde tv-zen‐
ders
De tv-ontvangst kan door de volgende factoren
beïnvloed worden:
RElektronische apparaten die in de auto wor‐
den meegenomen, kunnen de tv-ontvangst
storen.
RDe ontvangstomstandigheden kunnen tijdens
het rijden variëren.
Slechte ontvangstomstandigheden kunnen het
volgende veroorzaken:
RDe tv-tuner schakelt naar beterte ontvangen
alternatieve digitale zenders met dezelfde
programma-inhoud.
RDe tv-tuner schakelt het geluid stom en
bevriest het beeld of laat het verdwijnen. Op
het display verschijnt het symbool t.
468 MBUX multimediasysteem
Tv-functie inschakelen
Multimediasysteem:
4©5Media
#TV selecteren.
Het tv-beeld verschijnt. Indien beschikbaar
wordt de zender- en programma-informatie
weergegeven.
Als sneller dan 5 km/h wordtgereden, is het
tv-beeld voor de bestuurder uitgeschakeld.
Indien beschikbaar wordt de zender- en pro‐
gramma-informatie continu weergegeven.
#TV-programma met volledig scherm weer‐
geven: Het vooruitblikscherm aantippen.
MBUX multimediasysteem 469
Overzicht tv-functie
1Vorige tv-zender in de zenderlijst instellen
2Volgende tv-zender in de zenderlijst instellen
3Vooruitblikscherm, volledig scherm oproe‐
pen
4Zendernaam
5Programma-informatie
6Kenmerkenvan de tv-zender en van het
actuele programma
7Opties oproepen
8Volledig scherm oproepen
9Elektronisch programma-overzicht (EPG)
aangeven
AZenderlijst oproepen
BTv-zender zoeken
CBegin- en eindtijd van het actuele pro‐
gramma, grafiek toont resterende zendtijd
470 MBUX multimediasysteem
Overzicht symbolen
1Tv-standaard
2Zender vastzetten ingeschakeld
3Audiotalen beschikbaar
4Ondertiteling beschikbaar
5Tv-zender is versleuteld
Open slot: tv-zender kan met de actueel aan‐
gebrachte CI+-module worden gedecodeerd
Volledig scherm weergeven of verbergen
#Weergeven: In het menu 8of het vooruit‐
blikscherm 3selecteren .
#Uitschakelen: De toetsGindrukken.
Het tv-menu verschijnt.
Tv-zender instellen
Tv-zender in het menu instellen
Multimediasysteem:
4©5Media 5TV
#qof rselecteren.
De tv-tuner stelt de vorige of volgende zen‐
der uit de zenderlijst in.
Het besturingsmenu wordtgedurende circa
twaalf seconden weergegeven. Daarnaver‐
schijnt het volledige scherm.
#In het volledig scherm: Op de touchpad
over de toets~naar links of rechts
vegen.
Tv-zender in de zenderlijst instellen
Multimediasysteem:
4©5Media 5TV
#
In het menu selecteren.
#Een tv-zender selecteren.
De tv-tuner stelt de zender uit de zenderlijst
in.
#De miniatuurafbeelding aantippen en het vol‐
ledig scherm weergeven.
#Tv-zender zoeken: In het menu de zoekbalk
naast ªselecteren .
#De eerstetekens invoeren.
#De tv-zender in de zenderlijst selecteren.
%Meer informatie over de zenderlijst
(/pagina 473).
Tv-zender in het zendergeheugen en in de
favorieten instellen
Voorwaarden
RDe tv-zender is in het zendergeheugen en in
de favorieten opgeslagen.
Multimediasysteem:
4©5Media 5TV
#
In het menu selecteren .
#Zendergeheugen selecteren.
MBUX multimediasysteem 471
#De tv-zender selecteren.
In favorieten instellen
#De tuimelschakelaar ßin het stuurwiel
kort omlaagdrukken.
#De tv-zender selecteren.
Tv-zender op de achtergrond instellen
Voorwaarden
RDe navigatie is bijvoorbeeld actief.
ROp de achtergrond is de tv-functie ingescha‐
keld en is het geluid van de ingestelde tv-zen‐
der hoorbaar.
#Op de touchpad over de toets~naar
links of rechts vegen.
De vorige of volgende tv-zender wordt inge‐
steld.
of
#Via besturingsmenu: Op de touchpad de
toets~indrukken.
#qof rselecteren.
De vorige of volgende tv-zender wordt inge‐
steld.
Actuele programma-informatie voor de inge‐
stelde zender weergeven (EPG)
Multimediasysteem:
4©5Media 5TV 5Õ
EPG toont de volgende informatie (indien
beschikbaar):
RUitzendtijden
RProgrammanamen van de actuele en het vol‐
gende programma
#Een programmanaam met rselecteren.
De programma-informatie wordtweergege‐
ven.
#Bladeren: Omhoog- of omlaagvegen.
#Weergave van de programma-informatie
verlaten: qselecteren.
of
#GNaar TV selecteren.
Werking van de instelling zender vastzetten
Zender vastzetten is ingeschakeld
Het kanaal wordt niet gewisseld. Dit is bijvoor‐
beeld zinvol in gevallen waarbij met de auto door
ontvangstgebieden wordtgereden die elkaar
overlappen. Daarmee wordt frequent heen en
weer schakelen tussen de kanalen vermeden.
De indicator FIX wordt achter de naam van een
tv-zender weergegeven.
Zender vastzetten is uitgeschakeld
De tv-tuner schakelt afhankelijk van de ont‐
vangstsituatie automatisch om naar alternatieve,
beterte ontvangen zenders met dezelfde pro‐
gramma-inhoud. Daarmee kan bij elke ont‐
vangstsituatie het best mogelijke tv-beeld wor‐
den weergegeven.
Zender vast in- of uitschakelen
Multimediasysteem:
4©5Media 5TV 5Z
5Algemeen
#Algemene instellingen selecteren.
#Zender vast in- of uitschakelen.
Als de optie is ingeschakeld, is de display‐
toetsgeactiveerd.
472 MBUX multimediasysteem
Landspecifieke tekenset voor de tv-zender
in- of uitschakelen
Multimediasysteem:
4©5Media 5TV 5Z
5Algemeen
#Algemene instellingen selecteren.
#Landsspecifieke tekenset in- of uitschakelen.
Wanneer de optie is ingeschakeld, wordtvoor
de weergave een landspecifieke tekenset
gebruikt.
Wanneer de optie is uitgeschakeld, wordt
voor de weergave de tekenset gebruikt die
door de actueel ingestelde tv-zender wordt
meegestuurd.
Voor de overdracht van de zenderafhanke‐
lijke tekenset is de betreffende tv-zender ver‐
antwoordelijk.
Overzicht zenderlijst
De tv-tuner geeft het actuele programma van de
momenteel te ontvangen digitale tv- of radiozen‐
der in eigen zenderlijstenweer.
Zenderlijsten zijn alfabetisch of landspecifiek
gesorteerd.
Voor de actualisering van de informatie heeft de
tv-tuner een enige tijd nodig.
De zenderlijstentonen de volgende informatie:
ROntvangbare zendernamen
RProgrammatitel
De informatie wordt onder de volgende voor‐
waarden weergegeven:
RDe digitale zenders zenden dit uit.
RDe ontvangtstomstandigheden zijn vol‐
doende.
Favorieten
Overzicht tv-zenders (favorieten)
Er kunnen in totaal 40 digitale tv-zenders als
favorieten worden ingesteld.
Tv-zender opslaan
Multimediasysteem:
4©5Media 5TV
#
In het menu selecteren .
#Zendergeheugen selecteren.
#Actuele zender opslaan in het zendergeheu-
gen selecteren.
of
#In het hoofdmenu van de tv-weergave de
miniatuurafbeelding zo lang indrukken, tot
het menu OPTIES verschijnt .
#Opslaan in geheugen selecteren.
De actuele tv-zender wordt in het zenderge‐
heugen op de volgende vrije positie opgesla‐
gen.
Wanneer alle geheugenplaatsen bezet zijn,
moet een geheugenplaats worden geselec‐
teerd die moet worden overschreven.
Wanneer de tv-zender is opgeslagen, wordt
het geheugenplaatsnummer in de miniatuur‐
afbeelding en in het besturingsmenu weerge‐
geven.
MBUX multimediasysteem 473
#Tv-zender in het zendergeheugen ver‐
schuiven: Wanneer ten minste twee tv-zen‐
ders zijn opgeslagen, voor een tv-zender
Vselecteren.
#Verplaatsen selecteren.
#De tv-zender met 4of snaar de
nieuwe plaats verschuiven.
#øaantippen.
#Tv-zender in de favorieten opslaan: Voor
een tv-zender Vselecteren.
#Opslaan als favoriet selecteren.
of
#In het menu de miniatuurafbeelding 3zo
lang indrukken, tot het menu OPTIES ver‐
schijnt .
#Opslaan als favoriet selecteren.
Een melding verschijnt.
#Tv-zender wissen: Actuele zender uit het
zendergeheugen verwijderen selecteren.
of
#Voor een tv-zender Vselecteren.
#Wissen selecteren.
#Ja selecteren.
Tv-uitzending
Audiotaal in de tv instellen
Multimediasysteem:
4©5Media 5TV 5Z
5Algemeen
#Audio/ondertiteling selecteren.
#Onder de rubriek AUDIO-TAAL een van de
beschikbare audiotalen rselecteren.
#Voor de geselecteerde audiotaal een van de
beschikbare opties selecteren.
De geselecteerde audiotaal, bijvoorbeeld
Frans, blijft zo lang behouden tot het multi‐
mediasysteem wordt uitgeschakeld.
Wanneer u het multimediasysteem opnieuw
inschakelt, wordt als audiotaal de systeem‐
taal geladen. Als deze niet beschikbaar is,
wordt de audiotaal geladen die aan het begin
van de lijst verschijnt.
Ondertiteling in de tv instellen
Multimediasysteem:
4©5Media 5TV 5Z
5Algemeen
#Audio/ondertiteling selecteren.
#Onder de rubriek ONDERTITELING een van
de beschikbare talen rselecteren.
#Voor de geselecteerde taal een van de
beschikbare opties selecteren.
De geselecteerde taal, bijvoorbeeld Frans,
blijft zo lang behouden tot het multimedia‐
systeem wordt uitgeschakeld.
Wanneer u het multimediasysteem opnieuw
inschakelt, wordt als taal de systeemtaal
geladen. Als deze niet beschikbaar is, wordt
de taal geladen die aan het begin van de lijst
verschijnt.
#Geen ondertiteling weergeven: Activeren
uitschakelen.
474 MBUX multimediasysteem
Teletekst
Overzicht teletekst
De teletekstpagina's bevinden zich tussen
pagina 100tot pagina 899.
Een dynamische teletekstpagina bestaat uit
meerdere subpagina's.
De weergave van de subpagina's wisselt automa‐
tisch of kan met de pijltoetsen worden opgeroe‐
pen.
Informatie over digitale teletekst MHEG-5:
RDigitale teletekst is slechts in enkele landen
beschikbaar, bijvoorbeeld in Groot-Brittannië
en Nieuw-Zeeland.
RInteractieve multimedia-toepassingen, bij‐
voorbeeld weerberichten, nieuws, sportuit‐
slagen enz., zijn beschikbaar.
RHet kan enige tijd durenvoordat alle pagina's
geladen zijn.
Videotekstweergeven
Multimediasysteem:
4©5Media 5TV 5Z
5Algemeen 5Teletekst
#Paginakeuze omschakelen: Met Íen
123 tussen cijferinvoer en selectie via pijl‐
toetsen omschakelen.
#Pagina oproepen: De cijfers kort na elkaar
invoeren.
of
#De pijltoetsen selecteren.
#Naar tv-uitzending terugkeren: TV selecte‐
ren.
Digitale teletekst MHEG-5
Naast de hierboven beschreven functies kunnen
nog meer opties worden gebruikt.
#Gegevensinhoud via kleuren oproepen:
Een kleur selecteren.
#Een niveau teruggaan: Een lijstsymbool
selecteren.
Beeldinstellingen
Beeldinstellingen voor de tv selecteren
Multimediasysteem:
4©5Media 5TV 5Z
5Algemeen 5Video-instellingen
#Beeldformaat instellen: Een van de display‐
toetsen Automatisch,4:3,8:3,16:9,21:9 of
Zoom activeren.
De helderheid wordt automatisch ingesteld.
HD-programma
Gecodeerde HD-programma's ontvangen
*AANWIJZING Beschadiging van de CI+-
module en de Smart Card
De CI+-module is voor thuistoepassingen
ontworpen. De CI+-module kan bij aanhou‐
dend hoge buitentemperaturen oververhit en
beschadigd raken.
MBUX multimediasysteem 475
#Erop letten dat de CI+-module niet lang
aan aanhoudende hoge temperaturen
wordt blootgesteld.
Als de CI+-module beschadigd is, kun‐
nen geen gecodeerde zenders meer
worden ontvangen.
Voor het decoderen van HD-programma's vol‐
gens de Cl+-standaard dient een CI+-module
(Common-Interface-module), die niet tot de leve‐
ringsomvang behoort.
In enkele landen is tevens een Smart Card nood‐
zakelijk, die in de CI+-module wordtgestoken
(zie handleiding van de fabrikant).
De CI+-module wordt in de CI+-box in het dash‐
boardkastje aangebracht.
#Smart Card in de CI+-module aanbren‐
gen: Indien nodig (landafhankelijk), de Smart
Card in de schacht van de CI+-module aan‐
brengen.
Versleutelde HD-programma's kunnen vol‐
gens de CI+ standaard worden ontvangen.
%De CI+-box is ontwikkeld voor een bedrijfs‐
temperatuur tussen 0 °C en 65 °C. Bij een
te hoge of te lage bedrijfstemperatuur ver‐
schijnt een melding in het multimediasys‐
teem en wordt de CI+-module automatisch
uitgeschakeld. Als de CI+-module uitgescha‐
keld is, kunnen geen gecodeerde zenders
meer worden ontvangen.
%Wanneer een CI+-module aangesloten is,
Herinnering voor kaartstatus ingeschakeld is
(/pagina 476) en het contact uitgescha‐
keld wordt, verschijnt de melding Aanwij-
zing: De CI+-kaart bevindt zich nog in de
auto. op het mediadisplay.
Menu voor de CI+-module oproepen
Multimediasysteem:
4©5Media 5TV 5Z
5Algemeen 5CI+-module
#CI+-menu oproepen: Menu openen selecte‐
ren.
In het menu kan bijvoorbeeld het abonne‐
mentsnummer worden weergegeven. De
inhoud van het menu is afhankelijkvan de
fabrikant van de CI+-module.
%Het abonnementsnummer is bijvoorbeeld
nodig om het abonnement te kunnen verlen‐
gen.
Meer informatie vindt u in de handleiding
van de fabrikant.
#Versienummer weergeven: Vers. weerge-
ven selecteren.
#CI+-module opnieuw starten: Wanneer de
weergave stoort, kunt u via CI+ herstarten
proberen om het probleem te verhelpen.
#Herinnering aan een aangesloten CI+-
module in- of uitschakelen: Zselecte‐
ren.
#Algemene instellingen selecteren.
#De optie Herinnering voor kaartstatus in- of
uitschakelen.
#Tv-tuner terugzetten: TV terugzetten selec‐
teren.
476 MBUX multimediasysteem
Sound
Klankinstellingen
Informatie over het sound system
Het sound system beschikt over een totaalver‐
mogen van125watt en is uitgerust met vijf luid‐
sprekers. Het is beschikbaar voor alle radio- en
mediafuncties.
Geluidsmenu oproepen
Multimediasysteem:
4©5Media 5Z5Geluid
De volgende functies zijn beschikbaar:
REqualizer
RBalans en Fader
RVolume
#Een functie selecteren.
Hoge, midden en lage tonen instellen
Multimediasysteem:
4©5Media 5Z5Geluid
5Equalizer
#TREBLE,MIDDLE of BASS instellen.
Volumeaanpassing in- en uitschakelen
Multimediasysteem:
4©5Media 5Z5Geluid
5Volume
De automatische volumeaanpassing compen‐
seert volumeverschillen bij wisseling tussen
audiobronnen en binnen een audiobron.
#Automatische aanpassing in- of uitschakelen.
Balans/fader instellen
Multimediasysteem:
4©5Media 5Z5Geluid
5Balans en Fader
Balans instellen
#In het weergegevenraster de volumeverde‐
ling tussen de rechter- en linkerzijde van de
auto verschuiven.
Het volume wordtverdeeld tussen de linker
en rechter luidsprekers in de auto.
Fader instellen
#In het weergegevenraster de volumeverde‐
ling tussen het voorste en achterste deel van
de auto verschuiven.
Het volume wordtverdeeld tussen de voorste
en achterste luidsprekers in de auto.
Burmester®surround sound system
Informatie over het Burmester®surround
sound system
Het Burmester®-surround sound system
beschikt over een totaalvermogen van 590 watt
en is uitgerust met 13 luidsprekers. Het is
beschikbaar voor alle radio- en mediafuncties.
Geluidsmenu in Burmester®-surround sound
system oproepen
Multimediasysteem:
4©5Media 5Z5Burmester
De volgende functies zijn beschikbaar:
REqualizer
RBalans en Fader
RGeluidsfocus
MBUX multimediasysteem 477
RGeluidsprofielen
RVolume
#Een functie selecteren.
Hoge tonen, middentonen en lage tonen in
het Burmester®surround sound system
instellen
Multimediasysteem:
4©5Media 5Z5Burmester
5Equalizer
#TREBLE,MIDDLE of BASS instellen.
Volumeaanpassing in het Burmester®sur‐
round sound system in- en uitschakelen
Multimediasysteem:
4©5Media 5Z5Burmester
5Volume
De automatische volumeaanpassing compen‐
seert volumeverschillen bij wisseling tussen
audiobronnen en binnen een audiobron.
#Automatische aanpassing in- of uitschakelen.
Balans/fader in het Burmester®-surround
sound system instellen
Multimediasysteem:
4©5Media 5Z5Burmester
5Balans en Fader
Balans instellen
#In het weergegevenraster de volumeverde‐
ling tussen de rechter- en linkerzijde van de
auto verschuiven.
Het volume wordtverdeeld tussen de linker
en rechter luidsprekers in de auto.
Fader instellen
#In het weergegevenraster de volumeverde‐
ling tussen het voorste en achterste deel van
de auto verschuiven.
Het volume wordtverdeeld tussen de voorste
en achterste luidsprekers in de auto.
Geluidsprofiel in Burmester®Surround
sound system selecteren
Multimediasysteem:
4©5Media 5Z5Burmester
5Geluidsprofielen
De volgende profielen zijn beschikbaar:
RPure
RSurround
#Een geluidsprofiel selecteren.
Geluidsfocus in het Burmester®-surround
sound system instellen
Multimediasysteem:
4©5Media 5Z5Burmester
5Geluidsfocus
#Een positie voor de geluidsfocus of Alle zit-
plaatsen selecteren.
Advanced sound system
Informatie over het advanced sound system
Het advanced sound system beschikt over een
totaalvermogen van 225 watt en is uitgerust
478 MBUX multimediasysteem
met negen luidsprekers. Het is beschikbaar voor
alle radio- en mediafuncties.
Geluidsmenu in het advanced sound system
oproepen
Multimediasysteem:
4©5Media 5Z5Geluid
De volgende functies zijn beschikbaar:
REqualizer
RBalans en Fader
RVolume
#Een functie selecteren.
Hoge, midden en lage tonen in het advanced
sound system instellen
Multimediasysteem:
4©5Media 5Z5Geluid
5Equalizer
#TREBLE,MIDDLE of BASS instellen.
Volumeaanpassing in het advanced sound
system in- en uitschakelen
Multimediasysteem:
4©5Media 5Z5Geluid
5Volume
De automatische volumeaanpassing compen‐
seert volumeverschillen bij wisseling tussen
audiobronnen en binnen een audiobron.
#Automatische aanpassing in- of uitschakelen.
Balans/fader in het advanced sound system
instellen
Multimediasysteem:
4©5Media 5Z5Geluid
5Balans en Fader
Balans instellen
#In het weergegevenraster de volumeverde‐
ling tussen de rechter- en linkerzijde van de
auto verschuiven.
Het volume wordtverdeeld tussen de linker
en rechter luidsprekers in de auto.
Fader instellen
#In het weergegevenraster de volumeverde‐
ling tussen het voorste en achterste deel van
de auto verschuiven.
Het volume wordtverdeeld tussen de voorste
en achterste luidsprekers in de auto.
MBUX multimediasysteem 479
Weergave onderhoudsinterval ASSYST
PLUS
Werking van de weergave onderhoudsinter‐
val ASSYST PLUS
De weergave van het onderhoudsinterval
ASSYST PLUS informeert u in het instrumenten‐
display over de volgende onderhoudstermijn.
Afhankelijkvan de gebruiksomstandigheden van
de auto wordt de resterende tijd of de reste‐
rende afstand tot de onderhoudstermijnweerge
geven.
Met de terugtoets links in het stuurwiel kunt u
de onderhoudsindicator verbergen.
Informatie met betrekking tot het onderhoud van
uw auto is verkrijgbaar bij een gekwalificeerde
werkplaats, bijvoorbeeld een Mercedes-Benz-
servicewerkplaats.
Onderhoudstermijnweergeven
Boordcomputer:
4Service 5ASSYST PLUS
De volgende onderhoudstermijnwordtweerge
geven.
#Weergave verlaten: De terugtoets links in
het stuurwiel indrukken.
Ook beslist de volgende uitgebreide informatie
lezen:
RDe boordcomputer bedienen
(/pagina 274).
Informatie over het regelmatig uitvoeren van
onderhoudswerkzaamheden
*AANWIJZING Voortijdige slijtage door
niet-aangehouden onderhoudstermijn
Niet tijdig of onvolledig uitgevoerde onder‐
houdswerkzaamheden kunnen leiden tot ver‐
hoogde slijtage en schade aan de auto.
#De voorgeschreven onderhoudsinterval‐
len altijd aanhouden.
#De voorgeschreven onderhoudswerk‐
zaamheden bij een gekwalificeerde
werkplaats laten uitvoeren.
Aanwijzingen met betrekking tot bijzondere
onderhoudsmaatregelen
Het voorgeschreven onderhoudsinterval is afge‐
stemd op normale bedrijfsomstandigheden van
de auto. Bij zwaardere bedrijfsomstandigheden
of zwaardere belasting van de auto moeten
onderhoudswerkzaamheden vaker dan voorge‐
schrevenworden uitgevoerd. Dat is bijvoorbeeld
het geval bij veelvuldig gebruik in bergachtig
gebied of op slechtere straten.
Bij deze of vergelijkbare bedrijfsomstandigheden
bijvoorbeeld het interieurfilter vaker laten ver‐
vangen. Bij een zwaardere belasting moeten de
banden worden gecontroleerd. Meer informatie
is verkrijgbaar in een gekwalificeerde werk‐
plaats.
480 Onderhoud en verzorging
De weergave van het onderhoudsinterval
ASSYST PLUS is slechts een hulpmiddel. De
bestuurder van de auto is zelf verantwoordelijk
voor het eventueel vaker laten uitvoeren van
voorgeschreven onderhoudswerkzaamheden als
de bedrijfsomstandigheden en/of belastingen
daartoe aanleiding geven.
Standtijd met accukabels losgemaakt
De weergave van het onderhoudsinterval
ASSYST PLUS berekent de onderhoudster‐
mijn alleen als de accukabels aangesloten
zijn.
#Voor het losmaken van de accukabels de
onderhoudstermijn op het instrumentendis‐
play oproepen en noteren (/pagina 480).
Motorruimte
Motorkap openen en sluiten
&WAARSCHUWING Gevaar voor ongeval‐
len door ontgrendelde motorkap tijdens
het rijden
Een ontgrendelde motorkap kan tijdens het
rijden opengaan en het zicht belemmeren.
#Nooit de motorkap ontgrendelen tijdens
het rijden.
#Voor iedere rit controleren dat de
motorkap vergrendeld is.
&WAARSCHUWING Gevaar voor ongeval‐
len en letsel bij het openen en sluiten
van de motorkap
De motorkap kan bij het openen en sluiten
plotseling in de eindstand vallen.
Voor personen die zich in het draaibereik van
de motorkap bevinden bestaat gevaar voor
letsel!
#De motorkap alleen openen en sluiten
als zich geen persoon in het draaibereik
bevindt.
&WAARSCHUWING Gevaar voor brand‐
wonden bij het openen van de motorkap
Wanneer bij een oververhit aandrijfsysteem
of bij brand in de motorruimte de motorkap
wordtgeopend, kunt u in contact komen met
hete gassen of andere ontsnappende
bedrijfsstoffen.
#De oververhitte onderdelen laten afkoe‐
len alvorens de motorkap te openen.
#Bij brand in de motorruimte de motor‐
kapgesloten houden en contact opne‐
men met de brandweer.
&WAARSCHUWING Gevaar voor letsel
door bewegende delen
Bepaalde componenten in de motorruimte
kunnen ook bij uitgeschakeld contact blijven
werken of plotseling in werking treden, bij‐
voorbeeld de ventilator van de radiateur.
Onderhoud en verzorging 481
Voordat werkzaamheden in de motorruimte
worden uitgevoerd het volgende in acht
nemen:
#Het contact uitschakelen.
#Nooit in de gevarenzone van bewe‐
gende onderdelen, bijvoorbeeld het
draaibereik van de ventilator, reiken.
#Sierraden en horloges afdoen.
#Kledingstukken en haren uit de buurt
van bewegende delen houden.
&WAARSCHUWING Gevaar voor letsel
door het gebruik van de ruitenwissers bij
geopende motorkap
Als de ruitenwissers zich in beweging zetten
als de motorkap geopend is, kunt u bekneld
raken in het mechanisme.
#Alvorens de motorkap te openen, altijd
de ruitenwissers en het contact uitscha‐
kelen.
#Openen: Om de motorkap te ontgrendelen
aan de handgreep 1trekken.
#De handgreep 1van de motorkapslot
omhoogdrukken en de motorkap circa 40 cm
optillen.
#Sluiten: De motorkap omlaagbrengen en
vanaf een hoogte van circa 20 cm latenval‐
len.
#Wanneer de motorkap nog iets kanworden
opgetild, de motorkap opnieuw openen en
482 Onderhoud en verzorging
met iets meer snelheid laten dichtvallen, tot
hij correct vergrendelt.
Koelvloeistofniveau controleren
&WAARSCHUWING Gevaar voor letsel
door oververhit aandrijfsysteem
Wanneer bij een oververhit aandrijfsysteem
of bij brand in de motorruimte de motorkap
wordtgeopend, kunt u in contact komen met
hete gassen of andere ontsnappende
bedrijfsstoffen.
#Het oververhitte aandrijfsysteem laten
afkoelen alvorens de motorkap te ope‐
nen.
#Bij brand in de motorruimte de motor‐
kapgesloten houden en contact opne‐
men met de brandweer.
&WAARSCHUWING Gevaar voor verbran‐
ding door hete koelvloeistof
Bij een bedrijfswarm aandrijfsysteem staat
het koelsysteem onder druk. Als de afsluit‐
dop wordtgeopend is er gevaar voor verbran‐
ding door de eruit spuitende hete koelvloei‐
stof.
#Het aandrijfsysteem laten afkoelen alvo‐
rens de afsluitdop te openen.
#Bij het openen veiligheidshandschoenen
en een veiligheidsbril dragen.
#De afsluitdop langzaam openen, om de
druk te laten ontsnappen.
#De auto op een horizontaal vlak parkeren.
#De koelvloeistoftemperatuurmeter in het
combi-instrument controleren
(/pagina 343).
De koelvloeistoftemperatuur moet lager dan
40 °C zijn.
#De afsluitdop 1langzaam linksom draaien
en de overdruk laten ontsnappen.
Onderhoud en verzorging 483
#De afsluitdop 1verder linksom draaien en
verwijderen.
#Wanneer het koelvloeistofniveau onder de
markeringsrand 2staat, contact opnemen
met een gekwalificeerde werkplaats, bijvoor‐
beeld een Mercedes-Benz-servicewerkplaats.
De koelvloeistof alleen bij een gekwalifi‐
ceerdewerkplaats laten controleren of bijvul‐
len.
Ruitensproeierinstallatie bijvullen
&WAARSCHUWING Gevaar voor brand‐
wonden door hete onderdelen in de
motorruimte
Bepaalde onderdelen in de motorruimte kun‐
nen zeer heet zijn, bijvoorbeeld het aandrijf‐
systeem en de radiateur.
#Het aandrijfsysteem laten afkoelen en
alleen de hierna beschreven onderdelen
aanraken.
&WAARSCHUWING Gevaar voor letsel
door oververhit aandrijfsysteem
Wanneer bij een oververhit aandrijfsysteem
of bij brand in de motorruimte de motorkap
wordtgeopend, kunt u in contact komen met
hete gassen of andere ontsnappende
bedrijfsstoffen.
#Het oververhitte aandrijfsysteem laten
afkoelen alvorens de motorkap te ope‐
nen.
#Bij brand in de motorruimte de motor‐
kapgesloten houden en contact opne‐
men met de brandweer.
&WAARSCHUWING Gevaar voor brand en
letsel door ruitensproeiervloeistofcon‐
centraat
Ruitensproeiervloeistofconcentraat is licht
ontvlambaar.
#Vuur, open licht, roken en vonkvorming
vermijden bij het werken met het ruiten‐
sproeiervloeistofconcentraat.
#De afsluitdop 1aan de lip lostrekken.
#Ruitensproeiervloeistof bijvullen.
Lucht-waterkanaal vrijhouden
#Het gebied tussen de motorkap en de voor‐
ruit vrijhouden van afzettingen, bijvoorbeeld
ijs, sneeuw of bladeren.
484 Onderhoud en verzorging
Reiniging en verzorging
Aanwijzingen met betrekking tot het auto
wassen in een wasstraat
&WAARSCHUWING Gevaar voor ongeval‐
len door verminderde remwerking na het
auto wassen
Nadat de auto is gewassen, hebben de rem‐
men een verminderde remwerking.
#Nadat de auto is gewassen, rekening
houdend met de verkeerssituatie, voor‐
zichtig afremmen tot de volledige rem‐
werking weer aanwezig is.
*AANWIJZING Beschadigingen als gevolg
van ongeschikte wasstraat
#Voor het inrijden van een wasstraat
controleren of de wasstraat geschikt is
voor de afmetingen van de auto.
#Erop letten dat er voldoende bodemvrij‐
heid tussen de bodemplaat en de gelei‐
derails van de wasstraat aanwezig is.
#Erop letten dat de doorgangsbreedte
van de wasstraat, met name de breedte
van de geleiderails, voldoende is.
Om schade aan de auto te vermijden, het vol‐
gende in acht nemen bij gebruik van een was‐
straat:
RDe actieve afstandsassistent DISTRONIC en
de HOLD-functie zijn uitgeschakeld.
RDe 360°-camera of de achteruitrijcamera is
uitgeschakeld.
RDe zijruiten en het schuifdak zijn volledig
gesloten.
RDe aanjager van de ventilatie en de verwar‐
ming is uitgeschakeld.
RDe schakelaar van de ruitenwissers staat in
de stand g.
RDe sleutel is ten minste 3 m van de auto ver‐
wijderd, anders kan de achterklep onbedoeld
opengaan.
RBij wasstraten met sleepinstallatie: De neu‐
traalstand iis ingeschakeld.
%Bij wasstraten met sleepinstallatie: Wanneer
ugedurende het wassen de auto wilt verla‐
ten, erop letten dat de sleutel zich in de auto
bevindt. Anders wordt de parkeerstand j
automatisch ingeschakeld.
%Door na het auto wassen de waxvan de
voorruit en de ruitenwisserrubbers te verwij‐
deren, wordtstreepvorming voorkomen en
worden wisgeluiden gereduceerd.
Aanwijzingen met betrekking tot het gebruik
van een hogedrukreiniger
&WAARSCHUWING Gevaar voor ongeval‐
len bij gebruik van een hogedrukreiniger
met rondstraalsproeier
De waterstraal van een rondstraalsproeier
(vuilfrees) kanvan buitenaf niet zichtbare
beschadigingen aan de banden of aan onder‐
delen van het onderstel veroorzaken.
Daardoor beschadigde onderdelen kunnen
onverwachts uitval.
Onderhoud en verzorging 485
#Voor de reiniging van de auto geen
hogedrukreiniger met rondstraals‐
proeier gebruiken.
#Beschadigde banden of onderdelen van
het onderstel direct laten vervangen.
Om schade aan de auto te vermijden, het vol‐
gende in acht nemen bij gebruik van een hoge‐
drukreiniger:
RDe sleutel op een minimumafstand van 3 m
van de auto opbergen. Anders kan de achter‐
klep onbedoeld opengaan.
REen minimale afstand van 30 cm tot de auto
aanhouden.
RAuto's met decorfolie: Onderdelen van de
auto zijn bedekt met een decorfolie. Een
minimale afstand van 70 cm tussen de met
folie bedekte delen van de auto en de sproei‐
ermond van de hogedrukreiniger aanhouden.
De sproeier van de hogedrukreiniger tijdens
de reiniging bewegen. De watertemperatuur
van de hogedrukreiniger mag niet hoger zijn
dan 60 °C.
RDe opgavenover de correcte afstand in de
handleiding van de fabrikant van de hoge‐
drukreiniger in acht nemen.
RDe sproeier van de hogedrukreiniger niet
direct richten op gevoelige onderdelen, zoals
banden, kieren, elektrische onderdelen,
accu's, lichtbronnen en ventilatieopeningen.
Auto met de hand wassen
De wettelijke bepalingen in acht nemen, in som‐
mige landen is het met de hand wassen bijvoor‐
beeld alleen toegestaan bij speciale wasplaat‐
sen.
#Een mild schoonmaakmiddel, bijvoorbeeld
autoshampoo, gebruiken.
#De auto met lauw water en een zachte auto‐
spons wassen. De auto daarbij niet aan
directe zonnestraling blootstellen.
#De auto voorzichtig met water afspoelen en
met een zeem afdrogen. De waterstraal niet
direct in de luchtinlaatroosters onder de
motorkap richten.
486 Onderhoud en verzorging
Aanwijzingen met betrekking tot de verzorging van lak en matte lak
De volgende aanwijzingen in acht nemen:
Reiniging en verzorging Voorkomen van beschadigingen van de lak
Lak RDode insecten: Met insectenverwijderaar inweken en ver‐
volgens afspoelen.
RVogeluitwerpselen: Met water inweken en vervolgens
afspoelen.
RBoomhars, olie, brandstof en vet: met een in wasbenzine
of aanstekervloeistofgedrenkte doek door licht wrijven
verwijderen.
RKoelvloeistof en remvloeistof: Met een vochtige doek en
schoon waterverwijderen.
RTeerspatten: Teerverwijderingsmiddel gebruiken.
RWax: Siliconenverwijderaar gebruiken.
RGeen stickers,folie of iets dergelijks aanbrengen.
RVervuiling indien mogelijk direct verwijderen.
Onderhoud en verzorging 487
Reiniging en verzorging Voorkomen van beschadigingen van de lak
Matte lak Alleen voor Mercedes-Benz goedgekeurde verzorgingsmidde‐
len gebruiken.
RDe auto en de lichtmetalen velgen niet poetsen.
RUitsluitend wasstraten gebruiken die voldoen aan de hui‐
dige stand van de techniek.
RIn wasstraten geen wasprogramma's met een aanslui‐
tende behandeling met hete waxgebruiken.
RGeen cleaner, schuur-/poetsproducten, glansconserve
ringsmiddel, bijvoorbeeld wax, gebruiken.
RLakwerkzaamheden uitsluitend laten uitvoeren bij een
gekwalificeerde werkplaats.
Aanwijzingen met betrekking tot het reinigen
van decorfolie
De aanwijzingen met betrekking tot de verzor‐
ging van matte lak in het hoofdstuk "Aanwijzin‐
gen met betrekking tot de verzorging van lak en
matte lak" (/pagina 487) in acht nemen. Deze
aanwijzingen gelden ook voor matte decorfolie.
488 Onderhoud en verzorging
De volgende aanwijzingen in acht nemen:
Reiniging Schade aan de decorfolie vermijden
RVoor het reinigen veel water en een mild reinigingsmiddel zonder
toevoegingen of schurende stoffengebruiken, bijvoorbeeld een voor
Mercedes-Benz goedgekeurde autoshampoo.
RVervuiling indien mogelijk direct verwijderen. Daarbij sterk wrijven
vermijden. De decorfolie kan anders onherstelbaar worden bescha‐
digd.
RBij vervuiling in het oppervlak of een doffe decorfolie: Het voor
Mercedes-Benz geadviseerde en vrijgegevenreinigingsmiddel Paint
Cleaner gebruiken.
RDode insecten: Met insectenverwijderaar inweken en vervolgens
afspoelen.
RVogeluitwerpselen: Met water inweken en vervolgens afspoelen.
ROm watervlekken te vermijden, een auto die vanfolie is voorzien na
het wassen altijd met een zachte, goed absorberende doek drogen.
RDe levensduur en de kleurechtheid van decorfolie kan door de volgende
zaken worden beïnvloed:
-Zonnestraling
-Temperatuur, bijvoorbeeld door de aanjager
-Weersomstandigheden
-Steenslag en vervuiling
-Chemische reinigingsmiddelen
-Vethoudende stoffen
RGeen poetsmiddelen op matte decorfolie gebruiken. Poetsen leidt ertoe
dat het oppervlak gaat glanzen.
RMatte decorfolie of structuurfolie niet met wax behandelen. Hierdoor
kunnen vlekken ontstaan die niet kunnen worden verwijderd.
Krassen, agressieve aanslag, vlekken door
invloeden van buitenaf en beschadigingen die
ontstaan zijn door ondeskundige verzorging kun‐
nen niet altijd worden hersteld. In dit geval con‐
tact opnemen met een gekwalificeerde werk‐
plaats.
Informatie over speciale verzorgings- en reini‐
gingsmiddelen is verkrijgbaar bij de fabrikant.
Bij met folie bedekte oppervlakken kunnen na
het verwijderen van decorfolie optische verschil‐
len optreden met de oppervlakken die niet door
decorfolie beschermd waren.
Onderhoud en verzorging 489
%Werkzaamheden of reparaties aan decorfolie
bij een gekwalificeerde werkplaats laten uit‐
voeren, bijvoorbeeld een Mercedes-Benz-ser‐
vicewerkplaats.
Aanwijzingen met betrekking tot de verzor‐
ging van onderdelen van de auto
&WAARSCHUWING Inklemgevaar door
ingeschakelde ruitenwissers bij het reini‐
genvan de voorruit
Als de ruitenwissers zich tijdens het reinigen
van de voorruit of van de ruitenwisserbladen
in beweging zetten, kunt u bekneld raken.
#Alvorens de voorruit of de ruitenwisser‐
bladen te reinigen, altijd de ruitenwis‐
sers en het contact uitschakelen.
De volgende aanwijzingen in acht nemen:
Aanwijzingen met betrekking totreiniging en verzorging Vermijden vanvoertuigschade
Wielen/velgen Water en een zuurvrijevelgenreiniger gebruiken. RVoor het verwijderen vanremstofgeen zuurhoudende vel‐
genreiniger gebruiken. Anders kunnen de wielbouten en
onderdelen van de remmen worden beschadigd.
RTervermijding van corrosievorming op de remschijven en
remblokken na het reinigen enkele minuten rijden en de
auto dan pas parkeren. De remschijven en remblokken
worden warm en drogen.
Ruiten De ruiten aan de binnen- en buitenzijde met een vochtige
doek en een door Mercedes-Benz geadviseerd reinigingsmid‐
del reinigen.
Voor het reinigen van de binnenzijde geen droge doeken,
schuurmiddelen of oplosmiddelen bevattende reinigingsmid‐
delen gebruiken.
490 Onderhoud en verzorging
Aanwijzingen met betrekking totreiniging en verzorging Vermijden vanvoertuigschade
Ruitenwisserbladen De weggeklapte ruitenwisserbladen met een vochtige doek
reinigen. Ruitenwisserbladen niet te vaak reinigen.
Exterieurverlichting De lampglazen met een natte spons en een mild reinigings‐
middel, bijvoorbeeld autoshampoo, reinigen. Alleen voor kunststofglas geschikte reinigingsmiddelen of
doeken gebruiken.
Voertuigstekker‐
doos (hoogspan‐
ningsaccu)
De voertuigstekkerdoos met schoon water en een zachte
doek reinigen. Geen hogedrukreiniger en geen schoonmaakmiddelen (bij‐
voorbeeld zeep) gebruiken.
Sensoren De sensoren in de voor- en achterbumper en in de radiateur‐
grille met een zachte doek en autoshampoo reinigen. Bij het gebruik van een hogedrukreiniger een minimumaf‐
stand van 30 cm aanhouden.
Onderhoud en verzorging 491
Aanwijzingen met betrekking totreiniging en verzorging Vermijden vanvoertuigschade
Achteruitrijcamera
en 360°-camera
RDe afdekking van de camera met het multimediasysteem
openen (/pagina 248).
RDe cameralens met schoon water en een zachte doek rei‐
nigen.
Geen hogedrukreiniger gebruiken.
Aanhangwagenvoor‐
ziening
RBeginnende roest op de kogel met bijvoorbeeld een staal‐
borstel verwijderen.
RVuil met een pluisvrije doek verwijderen.
RNa reiniging van de kogelkop deze dun met olie of met vet
insmeren.
RDe verzorgingstips in de handleiding van de fabrikant van
de aanhangwagenvoorziening in acht nemen.
De kogelhals niet met een hogedrukreiniger of oplosmiddel
reinigen.
492 Onderhoud en verzorging
Aanwijzingen met betrekking tot de verzor‐
ging van het interieur
&WAARSCHUWING Gevaar voor letsel
door het losraken vankunststof delen na
het gebruik van oplosmiddelhoudende
verzorgingsmiddelen
Door oplosmiddelhoudende verzorgings‑ en
reinigingsmiddelen kunnen de oppervlakken
in de cockpit poreus worden.
Wanneer de airbags dan worden geactiveerd,
kunnen kunststof delen losraken.
#Voor de reiniging van de cockpit geen
oplosmiddelhoudende verzorgings‑ en
reinigingsmiddelen gebruiken.
&WAARSCHUWING Gevaar voor letsel of
levensgevaar door gebleekte veiligheids‐
gordels
Veiligheidsgordels kunnen door bleken of
kleuren aanzienlijk verzwakken.
Daardoor kunnen de veiligheidsgordels bij‐
voorbeeld bij een ongeval scheuren of uitval‐
len.
#Veiligheidsgordels nooit bleken en kleu‐
ren.
De volgende aanwijzingen in acht nemen:
Reiniging en verzorging Vermijden vanvoertuigschade
Veiligheidsgordels Met lauw water en een zeepoplossing reinigen. RGeen chemische reinigingsmiddelen gebruiken.
RVeiligheidsgordels niet door verwarming boven 80 °C of
directe zonnestraling drogen.
Display Het oppervlak voorzichtig met een microvezeldoek en een
geschikt display-verzorgingsmiddel (TFT/LCD) reinigen.
RDisplay afzetten en laten afkoelen.
RGeen andere middelen gebruiken.
Onderhoud en verzorging 493
Reiniging en verzorging Vermijden vanvoertuigschade
Kunststof bekleding RMet een vochtige microvezeldoek reinigen.
RBij sterke vervuiling: Door Mercedes-Benz geadviseerd
verzorgingsmiddel gebruiken.
RGeen stickers,folie of iets dergelijks aanbrengen.
RNiet in contact latenkomen met cosmetica, insectenspray
en zonnebrandcrème.
Echt hout/sierdelen RMet een microvezeldoek reinigen.
RPianolaklook zwart: Met een vochtige doek en een zeep‐
oplossing reinigen.
RBij sterke vervuiling: Door Mercedes-Benz geadviseerd
verzorgingsmiddel gebruiken.
Geen oplosmiddelhoudende reinigingsmiddelen, poetsmidde‐
len of waxgebruiken.
Interieurhemel Met een borstel of droogshampoo reinigen.
Vloerbedekking Voor Mercedes-Benz geadviseerd tapijt- en textielreinigings‐
middel gebruiken.
Stoelhoezen van
echt leder
RMet een vochtige doek reinigen en met een droge doek
nawissen.
RLederverzorging: Door Mercedes-Benz geadviseerd leder‐
verzorgingsmiddel gebruiken.
RHet leder niet te nat reinigen.
RGeen microvezeldoek gebruiken.
Stoelhoezen van
DINAMICA
Met een vochtige doek reinigen. Geen microvezeldoek gebruiken.
494 Onderhoud en verzorging
Reiniging en verzorging Vermijden vanvoertuigschade
Stoelhoezen van
kunstleder
Met een vochtige doek en een 1%-zeepoplossing reinigen. Geen microvezeldoek gebruiken.
Stoelhoezen van
stof
Met een vochtige microvezeldoek en een 1%-zeepoplossing
reinigen en laten drogen.
Onderhoud en verzorging 495
Noodgeval
Veiligheidsvest uitnemen
De veiligheidsvesten bevinden zich in de veilig‐
heidsvestvakken in de portieropbergvakken van
het bestuurders- en passagiersportier.
#Uitnemen: Het veiligheidsvestfoedraal 1
aan de lus 2eruit trekken.
#Het veiligheidsvestfoedraal 1openen en het
veiligheidsvest eruit nemen.
%In de portieropbergvakken van de achterpor‐
tieren zijn eveneens veiligheidsvestvakken
aangebracht waarin veiligheidsvestenkun‐
nen worden opgeborgen.
1Maximum aantal wasbeurten
2Maximale wastemperatuur
3Niet bleken
4Niet strijken
5Geen wasdroger gebruiken
6Niet chemisch reinigen
7Veiligheidsvest klasse 2
Aan de in de wettelijke norm vastgelegde eisen
kan alleen worden voldaan als het veiligheids‐
vest de juiste maat heeft en volledig gesloten is.
In de volgende gevallen de veiligheidsvestenver‐
vangen:
RDe reflecterende strepen zijn beschadigd of
vervuild.
RHet is te vaak gewassen.
RDe fluorescerende eigenschappen nemen af.
Gevarendriehoek
Gevarendriehoek uitnemen
496 Pechhulp
#De bagageruimtebodem 1openen.
#De gevarendriehoek 2uitnemen.
Gevarendriehoek uitklappen
#De reflectoren aan de zijkant 1tot een drie‐
hoeksvorm omhoogtrekken en met de boven‐
ste drukknop 2verbinden.
#De poten3zijdelings naar onderen uitklap‐
pen.
Overzicht EHBO-set
De EHBO-set 1bevindt zich links in de bagage‐
ruimte in het opbergnet.
Brandblusser uitnemen
&WAARSCHUWING Gevaar voor ongeval‐
len door een niet correct bevestigde
brandblusser in de beenruimte van de
chauffeur
Een brandblusser in de beenruimte van de
chauffeur kan de slag van de pedalen beper‐
ken of een ingedrukt pedaal blokkeren.
Hierdoor wordt de bedrijfs‑ en verkeersveilig‐
heid van het voertuig in gevaar gebracht.
Bovendien kan de brandblusser in de been‐
ruimte van de chauffeur gaan rondslingeren
en de chauffeur of andere inzittenden ver‐
wonden.
#De brandblusser altijd correct in de
houder opbergen en bevestigen.
#De brandblusser tijdens het rijden niet
verwijderen.
Pechhulp 497
#Auto met linkse besturing: De lip 1
omhoogtrekken.
#De brandblusser 2uitnemen.
Bandenpech
Aanwijzingen met betrekking tot bandenpech
&WAARSCHUWING Gevaar voor ongeval‐
len door drukloze banden
Een drukloze band beïnvloedt de rij-eigen‐
schappen en het stuur‑ en remgedrag van het
voertuig sterk.
#Niet met drukloze band rijden.
#De drukloze band vervangen door het
reservewiel of contact opnemen met
een gekwalificeerde werkplaats.
Afhankelijk van de uitrusting van de auto hebt u
in gevalvan bandenpech over de volgende moge‐
lijkheden:
RAuto's met Mercedes me connect: Ukunt
in gevalvan pech een pechoproep starten
met het bedieningspaneel dakconsole
(/pagina 434).
RAlle auto's: Het wiel vervangen
(/pagina 527).
%Een noodwiel is alleen in bepaalde landen
verkrijgbaar.
Opbergplaats TIREFIT-set
De TIREFIT-set bevindt zich onder de bagage‐
ruimtebodem.
1Bandenvulcompressor
2Fles bandenafdichtmiddel
%De informatie over de vermogensklasse (LK)
en/of de elektrische gegevens vindt u aan
de achterzijde van de bandenvulcompressor:
RLK2 12 V/15 A, 180W, 0,8 kg
498 Pechhulp
Op een afstand van circa 1 m tot de banden‐
vulcompressor en circa 1,6 m boven de
grond geldt het volgende geluidsniveau:
RGeluidsemissieniveau LPA 83 dB (A)
RGeluidsvermogensniveau LWA 91 dB (A)
De bandenvulcompressor is onderhoudsvrij.
Bij een storing in de werking contact opne‐
men met een gekwalificeerde werkplaats.
TIREFIT-set gebruiken
Voorwaarden
RFles bandenafdichtmiddel en bandenvulcom‐
pressor (/pagina 498).
RSticker TIREFIT
RHandschoenen (afhankelijk van de uitrusting
van de auto)
Met het bandenplakmiddel TIREFIT kunnen
kleine perforaties tot 4 mm, in het bijzonder in
het loopvlak van de band, worden afgedicht.
TIREFIT is bruikbaar bij een buitentemperatuur
tot circa -20 °C.
&WAARSCHUWING Gevaar voor ongeval‐
len bij gebruik van bandenplakmiddel
Met name in de volgende gevallen kan het
bandenplakmiddel niet voor voldoende pech‐
hulp zorgen, omdat de band niet kanworden
afgedicht, bij:
Rinsnijdingen of perforaties in de band die
groter zijn dan bovengenoemd.
Rschade aan het velgbed.
Rbeschadigingen door het rijden met een
zeer lage bandenspanning of een lege
band.
#Niet verder rijden.
#Contact opnemen met een gekwalifi‐
ceerdewerkplaats.
&WAARSCHUWING Gevaar voor letsel en
vergiftigingsgevaar door bandenplakmid‐
del
Het bandenplakmiddel is schadelijk voor de
gezondheid en veroorzaakt irritaties. Het
mag niet in contact met huid, ogen of kleding
komen of ingeslikt worden. De dampen niet
inademen. Bandenplakmiddel uit de buurt
van kinderen houden.
Bij contact met het bandenplakmiddel het
volgende in acht nemen:
#Bandenplakmiddel op de huid direct
met water afspoelen.
#Bandenplakmiddel in de ogen direct
grondig met schoon water uitspoelen.
#Als het bandenplakmiddel ingeslikt is,
direct de mond grondig uitspoelen en
veel water drinken. Geen braken opwek‐
ken en zo snel mogelijk naar een arts
gaan!
#Met bandenplakmiddel vervuilde kle‐
ding direct vervangen.
#Bij allergische reacties direct naar een
arts gaan.
Pechhulp 499
*AANWIJZING Oververhitting door te
lange looptijd van de bandenvulcompres‐
sor
#De bandenvulcompressor niet langer
dan tien minuten zonder onderbreking
gebruiken.
De veiligheidsaanwijzingen van de fabrikant op
de stickervan de bandenvulcompressor in acht
nemen.
De fles bandenafdichtmiddel elke vijf jaar laten
vervangen bij een gekwalificeerde werkplaats.
#De binnengedrongen voorwerpen in de band
laten zitten.
#Deel 1van de TIREFIT-sticker in het
gezichtsveld van de bestuurder op het combi-
instrument plakken.
#Deel 2van de TIREFIT-sticker in de buurt
van het ventiel op de velg van het wiel met
de lekke band plakken. #De stekker 4met de kabel en de slang 5
uit het huis van de bandenvulcompressor
trekken.
#De stekker van de slang 5in de flens 6
van de fles bandenafdichtmiddel 1schui‐
ven, tot de stekker vergrendelt.
#De fles bandenafdichtmiddel 1met de
bovenzijde naar beneden in de uitsparing 2
van de bandenvulcompressor steken.
500 Pechhulp
#Het ventieldopje van het ventiel 7van de
lekke band draaien.
#De vulslang 8op het ventiel 7schroeven.
#De stekker 4in een 12V aansluiting van de
auto steken.
#Het contact inschakelen.
#De in- en uitschakelknop 3op de banden‐
vulcompressor indrukken.
De bandenvulcompressor is ingeschakeld. De
band wordt opgepompt. Eerst wordt het ban‐
denplakmiddel in de band gepompt. Daarbij
kan de druk kortstondig naar circa 500 kPa
(5 bar, 73 psi) stijgen.
De bandenvulcompressor tijdens deze fase
niet uitschakelen!
#De bandenvulcompressor maximaal tien
minuten laten draaien.
Vervolgens moet een bandenspanning van
ten minste 200 kPa (2,0 bar, 29 psi) bereikt
zijn.
Wanneer bandenplakmiddel weggelekt is, de
getroffen plaatsen zo snel mogelijkreinigen. Bij
voorkeur schoon watergebruiken.
Als uw kleding met bandenplakmiddel is ver‐
vuild, deze zo snel mogelijk bij een stomerij met
perchloorethyleen laten reinigen.
Wanneer na tien minuten de bandenspan‐
ning van 200 kPa (2,0 bar, 29 psi) niet wordt
bereikt:
#De bandenvulcompressor uitschakelen.
#De vulslang losdraaien van het ventiel van de
lekke band.
In acht nemen dat bij het losdraaien van de vul‐
slang eventueel bandenplakmiddel kan ontsnap‐
pen.
#Met de auto zeer langzaam circa 10 mvoor‐
uit- of achteruitrijden.
#De band opnieuw oppompen.
Na maximaal tien minuten moet de banden‐
spanning ten minste 200 kPa (2,0 bar,
29 psi) bedragen.
&WAARSCHUWING Gevaar voor ongeval‐
len door niet bereikte bandenspanning
Als de aangegeven bandenspanning na de
aangegeven tijd niet wordt bereikt, is de
band te zwaar beschadigd. Het bandenplak‐
middel kan hier geen pechhulp bieden.
Beschadigde banden en een te lage banden‐
spanning kunnen het remgedrag en de rij-
eigenschappen sterk nadelig beïnvloeden.
#Niet verder rijden.
#Contact opnemen met een gekwalifi‐
ceerdewerkplaats.
Pechhulp 501
Wanneer na tien minuten de bandenspan‐
ning van 200 kPa (2,0 bar, 29 psi) wordt
bereikt:
#De bandenvulcompressor uitschakelen.
#De vulslang losdraaien van het ventiel van de
lekke band.
&WAARSCHUWING Gevaar voor ongeval‐
len tijdens het rijden met afgedichte ban‐
den
Een met bandenplakmiddel tijdelijk afge‐
dichte band beïnvloedt de rij-eigenschappen
en is niet geschikt voor hogere snelheden.
#De rijstijl overeenkomstig aanpassen en
voorzichtig rijden.
#De toegestane maximumsnelheid voor
een met bandenplakmiddel afgedichte
band in acht nemen.
#De toegestane maximumsnelheid voor een
met bandenplakmiddel afgedichte band van
80 km/h in acht nemen.
#Het bovenste gedeelte van de TIREFIT-sticker
op het combi-instrument in het blikveld van
de bestuurder bevestigen.
*AANWIJZING Vlekvorming door uitlo‐
pend bandenplakmiddel
Resten bandenplakmiddel kunnen na het
gebruik uit de vulslang lopen.
#De vulslang in de plastic zak van de
TIREFIT-set leggen.
+MILIEU-AANWIJZING Milieuvervuiling
door verkeerde afvoer
Bandenplakmiddel bevat schadelijke stoffen.
#De gebruikte fles bandenafdichtmiddel
vakkundig afvoeren, bijvoorbeeld bij
een Mercedes-Benz-servicewerkplaats.
#De fles bandenafdichtmiddel, de bandenvul‐
compressor en de gevarendriehoek opber‐
gen.
#Meteen wegrijden.
#Na circa tien minutenstoppen en de banden‐
spanning controleren met de bandenvulcom‐
pressor.
De bandenspanning moet nu ten minste
130 kPa (1,3 bar, 19 psi) bedragen.
&WAARSCHUWING Gevaar voor ongeval‐
len door niet bereikte bandenspanning
Als de aangegeven bandenspanning na de
korterit niet wordt bereikt, is de band te
zwaar beschadigd. Het bandenplakmiddel
kan hier geen pechhulp bieden.
Beschadigde banden en een te lage banden‐
spanning kunnen het remgedrag en de rij-
eigenschappen sterk nadelig beïnvloeden.
#Niet verder rijden.
#Contact opnemen met een gekwalifi‐
ceerdewerkplaats.
Landen met Mercedes-Benz Service24h: Een
sticker met het telefoonnummer van Mercedes-
BenzService24h bevindt zich bijvoorbeeld op de
B‑stijl aan bestuurderszijde.
502 Pechhulp
#De bandenspanning corrigeren, wanneer
deze nog ten minste 130 kPa (1,3 bar, 19 psi)
bedraagt. Zie voor de waarden de banden‐
spanningstabel in de contactdoosklep.
#Bandenspanning verhogen: De bandenvul‐
compressor inschakelen.
#Bandenspanning verlagen: De afblaasknop
1naast de manometer2indrukken.
#Als de bandenspanning correct is, de vul‐
slang losdraaien van het ventiel van de gere‐
pareerde band.
#Het ventieldopje op het ventiel van de gere‐
pareerde band draaien.
#De fles bandenafdichtmiddel uit de banden‐
vulcompressor trekken.
De vulslang blijft op de fles bandenafdicht‐
middel.
#Naar de dichtstbijzijnde gekwalificeerde
werkplaats rijden en de band, de fles bande‐
nafdichtmiddel en de vulslang laten vervan‐
gen.
Accu (auto)
Aanwijzingen met betrekking tot de 12‑V‑-
accu
&WAARSCHUWING Gevaar voor ongeval‐
len door ondeskundig uitgevoerde werk‐
zaamheden aan de accu
Ondeskundig uitgevoerde werkzaamheden
aan de accu kunnen bijvoorbeeld tot kortslui‐
ting leiden. Dat kan leiden tot functiebeper‐
kingen vanveiligheidsrelevante systemen,
zoals het verlichtingssysteem, het ABS (anti‐
blokkeersysteem) of het ESP®(elektronisch
stabiliteitsprogramma). De bedrijfsveiligheid
van de auto kan beperkt zijn.
Ukunt in de volgende situaties de controle
over de auto verliezen:
Rbij het remmen
Rbij abrupte stuurbewegingen en/of niet-
aangepaste snelheid
#Bij kortsluiting of een gelijkwaardige
storing direct contact opnemen met
een gekwalificeerde werkplaats.
#Niet verder rijden.
#Werkzaamheden aan de accu altijd bij
een gekwalificeerde werkplaats laten
uitvoeren.
RMeer informatie over het ABS
(/pagina 204)
RMeer informatie over het ESP®
(/pagina 205)
Mercedes-Benz adviseert in verband met de vei‐
ligheid alleen accu's te gebruiken die door
Mercedes-Benz speciaal voor de auto zijn getest
en goedgekeurd. Deze accu's bieden een ver‐
Pechhulp 503
hoogde bescherming tegen eruit lopende accu‐
vloeistof, opdat inzittenden niet verwond raken
als een accu bij een ongevalwordt beschadigd.
&WAARSCHUWING Explosiegevaar door
elektrostatische oplading
Elektrostatische oplading kantot vonkvor‐
ming leiden en daardoor het zeer explosieve
gasmengsel van een accu ontsteken.
#Om aanwezige elektrostatische opla‐
ding af te bouwen, de metalen carros‐
serie aanraken voordat de accu wordt
vastgepakt.
Het zeer explosieve gasmengsel ontstaat bij het
opladen van de accu en tijdens de starthulp.
&WAARSCHUWING Gevaar voor brand‐
wonden door accuzuur
Accuzuur is een agressieve stof.
#Contact met de huid, ogen of kleding
voorkomen.
#Niet over de accu buigen.
#Geen accugassen inademen.
#Kinderen van de accu verwijderd hou‐
den.
#Accuzuur direct grondig met veel
schoon water afspoelen en direct de
hulp van een arts inroepen.
+MILIEU-AANWIJZING Milieuschade door
het ondeskundig afvoeren van batterijen
Batterijen bevatten schadelijke
stoffen. Het is wettelijkverboden om deze
samen met het huisvuil af te voeren.
#
Batterijen op milieuvriende‐
lijke wijze afvoeren. Ontladen batterijen
bij een gekwalificeerde werkplaats of bij
een inzamelpunt voor oude batterijen
afgeven.
Wanneer de 12‑volt‑accu moet worden aangeslo‐
ten, neemt u dan contact op met een gekwalifi‐
ceerdewerkplaats.
Bij het werken met de accu's de veiligheidsaan‐
wijzingen en beschermende maatregelen in acht
nemen.
Explosiegevaar
Vuur, open licht en roken zijn bij het
werken aan de accu verboden. Vonk‐
vorming voorkomen.
Elektrolyt of accuzuur is agressief.
Het mag niet met de huid, ogen of
kleding in aanraking komen.
Geschikte beschermende kleding dra‐
gen, in het bijzonder handschoenen,
schort en gezichtsbescherming. Elek‐
trolyt- of zuurspatten direct wegspoe‐
len met schoon water. Zo nodig naar
een arts gaan.
504 Pechhulp
Een veiligheidsbril dragen.
Kinderen uit de buurt houden.
Deze handleiding lezen.
Als u de auto gedurende een langere periode
niet wilt gebruiken, vraagt u advies bij een
gekwalificeerde werkplaats.
Aanwijzingen met betrekking tot de hoog‐
spanningsaccu
&GEVAAR Explosiegevaar bij overschrij‐
den van de inwendige druk van de hoog‐
spanningsaccu
Bij een autobrand kan de inwendige druk van
de hoogspanningsaccu een kritieke waarde
overschrijden. Hierbij ontsnapt brandbaar
gas via een ontluchtingsklep in de bodem‐
plaat.
Het gaskan ontbranden.
#Bij een ongewone geurontwikkeling,
rook of brandvlekken direct het opladen
afbreken.
#Direct de gevarenzone verlaten. De
gevarenzone op voldoende afstand
beveiligen.
#Contact opnemen met de brandweer.
De hoogspanningsaccu moet altijd voldoende
opgeladen zijn, zodat de maximale levensduur
kanworden bereikt. Wanneer de auto voor lan‐
gere tijd buiten bedrijfwordtgesteld, de laadtoe‐
stand van de accu laten controleren. Door diep‐
ontlading als gevolg van lang stilstaan van de
auto kan de hoogspanningsaccu beschadigd
raken. Wanneer de auto langere tijd stilstaat, de
auto elke vier wekengedurende enkele minuten
in gebruik nemen, om de hoogspanningsaccu te
laden.
Explosiegevaar
Vuur, open licht en roken zijn bij het
werken aan de accu verboden. Vonk‐
vorming voorkomen.
Elektrolyt of accuzuur is agressief.
Het mag niet met de huid, ogen of
kleding in aanraking komen.
Geschikte beschermende kleding dra‐
gen, in het bijzonder handschoenen,
schort en gezichtsbescherming. Elek‐
trolyt- of zuurspatten direct wegspoe‐
len met schoon water. Zo nodig naar
een arts gaan.
Pechhulp 505
Een veiligheidsbril dragen.
Kinderen uit de buurt houden.
Deze handleiding lezen.
Meer informatie over het opladen van de hoog‐
spanningsaccu (/pagina 181).
Starthulp en 12‑V‑-accu opladen
#De starthulp alleen laten uitvoeren bij een
gekwalificeerde werkplaats, bijvoorbeeld een
Mercedes-Benz-servicewerkplaats.
#De accu alleen laten opladen bij een gekwali‐
ficeerde werkplaats, bijvoorbeeld een
Mercedes-Benz-servicewerkplaats.
12‑V‑accu vervangen
#De accu alleen laten controleren bij een
gekwalificeerde werkplaats, bijvoorbeeld bij
een Mercedes-Benz-servicewerkplaats.
Aan- of wegslepen
Toegestane sleepmethoden
Mercedes-Benz adviseert om de auto bij pech te
transporteren in plaats vante slepen.
Bij het slepen met beiden assen op de grond een
sleepkabel of een sleepstang gebruiken. Geen
triangelsystemen gebruiken.
Wanneer u ziet dat de auto koelvloeistof heeft
verloren, de auto niet laten wegslepen. De auto
in plaats daarvan laten transporteren.
*AANWIJZING Schade aan de auto door
ondeskundig slepen
#De aanwijzingen voor het slepen in acht
nemen.
506 Pechhulp
Toegestane sleepmethoden
Beide assen op de grond Vooras opgetild
Ja, maximaal 50 km met 50 km/hJa, maximaal 50 km met 50 km/h
Auto slepen met beide assen op de grond
#De aanwijzingen met betrekking tot de toege‐
stane sleepmethoden in acht nemen
(/pagina 506).
#Controleren of de accu aangesloten en opge‐
laden is.
Wanneer de accu ontladen is, de volgende pun‐
ten in acht nemen:
RHet aandrijfsysteem kan niet worden gestart.
RDe elektrische parkeerremkan niet worden
uit- of ingeschakeld.
RDe transmissie kan niet in de stand iof j
worden gezet.
%Alleen in de volgende gevallen is transport
toegestaan:
RWanneer de transmissie niet in de stand
ikanworden gezet.
RWanneer het multifunctioneel display in
het combi-instrument is uitgevallen.
RIndien de displaymelding áWegsle-
pen verboden Zie handleiding weergege
venwordt.
De auto vervoeren (/pagina 509).
Voor het transport van de auto is een sleep‐
wagen met hefinrichting nodig.
*AANWIJZING Beschadiging door te snel
of te ver slepen
Door te snel of te ver slepen kan de aandrijf‐
lijn beschadigd raken.
#Een sleepsnelheid van 50 km/h niet
overschrijden.
#Een sleepafstand van 50 km niet over‐
schrijden.
Pechhulp 507
&WAARSCHUWING Gevaar voor ongeval‐
len bij het slepen van een auto met een
te hoog gewicht
Wanneer‑ de te slepen auto zwaarder is dan
het toegestaan totaalgewicht van uw auto,
kunnen de volgende situaties zich voordoen:
RHet sleepoog breekt af.
RDe combinatie kangaan slingeren en
zelfs kantelen.
#Als u een andere auto aansleept‑ of
sleept, moet erop worden gelet dat het
gewicht ervan niet hoger is dan het toe‐
gestaan totaalgewicht van uw auto.
Als een auto moet worden weggesleept of aan‐
gesleept, mag het toegestaan totaalgewicht
daarvan het toegestaan totaalgewicht van het
trekkende voertuig niet overschrijden.
#De gegevens over het toegestaan totaalge‐
wicht van de betreffende auto vindt u op het
voertuigtypeplaatje (/pagina 537).
#Het bestuurders- of passagiersportier niet
openen, omdat anders de transmissie auto‐
matisch in de stand jwordtgezet.
#Het sleepoog aanbrengen (/pagina 510).
#De sleepkabel of -stang bevestigen.
*AANWIJZING Beschadiging door ver‐
keerde bevestiging van de sleepkabel of -
stang
#De sleepkabel of sleepstang alleen aan
de sleepogen bevestigen.
#De automatische vergrendeling uitschakelen
(/pagina 84).
#De HOLD-functie niet activeren.
#De wegsleepbeveiliging uitschakelen
(/pagina 101).
#HetActive Brake Assist System uitschakelen
(/pagina 214).
#De transmissie in de stand izetten.
#De elektrische parkeerrem vrijzetten.
&WAARSCHUWING Gevaar voor ongeval‐
len door beperkte veiligheidsrelevante
functies bij het slepen
Veiligheidsrelevante functies zijn in de vol‐
gende situaties beperkt of niet meer beschik‐
baar:
RHet contact is uitgeschakeld.
RHet remsysteem of de stuurbekrachtiging
vertoont een storing.
RDe energievoorziening of het boordnet
vertoont een storing.
Als uw auto dan wordtgesleept, kanvoor het
sturen en remmen aanzienlijk meer kracht
nodig zijn.
#Een sleepstang gebruiken.
#Voor het slepen controleren of de stuur‐
inrichting vrij kan bewegen.
*AANWIJZING Beschadiging door te hoge
trekkrachten
Plotseling wegrijden kan door hoge trek‐
krachten de auto's beschadigen.
508 Pechhulp
#Langzaam en niet plotseling wegrijden.
Auto voor transport opladen
#De aanwijzingen met betrekking tot het sle‐
pen in acht nemen (/pagina 506).
#Om de auto op te laden de sleepkabel of -
stang aan het sleepoog bevestigen.
#De transmissie in de stand izetten.
%Bij storingen aan de elektronica kan de
transmissie in de stand jgeblokkeerd zijn.
Om iin te schakelen het boordnet van
spanning voorzien (/pagina 506).
#De auto op de transporter zetten.
#De transmissie in de stand jzetten.
#De auto met de elektrische parkeerremtegen
wegrollen beveiligen.
#De auto alleen bij de wielen vastzetten.
#Erop letten dat de voor- en achteras op het‐
zelfde transportvoertuig komen te staan.
*AANWIJZING Schade aan de aandrijflijn
door verkeerde plaatsing
#Het voertuig niet boven het verbindings‐
punt van het transportvoertuig plaat‐
sen.
Opbergplaats sleepoog
Het sleepoog 1bevindt zich onder de bagage‐
ruimtebodem.
Pechhulp 509
Sleepoog aanbrengen
#De afdekking 1bij de markering naar bin‐
nen drukken en verwijderen.
#Het sleepoog rechtsom tot de aanslag erin
draaien en vastzetten.
Auto's met aanhangwagenvoorziening: Achter
aan de auto bevindt zich geen bevestiging voor
het inschroefbare sleepoog. De sleepkabel of -
stang aan de aanhangwagenvoorziening bevesti‐
gen.
%Bij het verwijderen van het sleepoog erop
letten dat de afdekking 1bij het aanbren‐
gen in de bumper vergrendelt.
*AANWIJZING Beschadiging van de auto
door verkeerd gebruik van het sleepoog
Bij het bergen van de auto door het lostrek‐
ken met behulp van het sleepoog kan de auto
beschadigd raken.
#Het sleepoog alleen gebruiken voor het
slepen of aanslepen van de auto.
Auto aanslepen
#Als het aandrijfsysteem niet start, de auto
naar een gekwalificeerde servicewerkplaats
laten transporteren, bijvoorbeeld een
Mercedes-Benz-servicewerkplaats.
#Het aandrijfsysteem kan niet worden gestart
door middel van aanslepen. Geen pogingen
tot aanslepen ondernemen.
Elektrische zekeringen
Aanwijzingen met betrekking tot elektrische
zekeringen
&WAARSCHUWING Gevaar voor ongeval‐
len en letsel door overbelaste bedrading
Wanneer een defecte zekering wordtgemani‐
puleerd, overbrugd of door een zekering met
een hoger amperage wordtvervangen, kan
de elektrische bedrading overbelast worden.
Hierdoor kan brand ontstaan.
#Defecte zekeringen altijd door gespecifi‐
ceerde nieuwe zekeringen met het cor‐
recte amperage vervangen.
*AANWIJZING Beschadiging door ver‐
keerde zekeringen
Door verkeerde zekeringen kunnen elektri‐
sche componenten of systemen worden
beschadigd of aanzienlijk beperkt worden in
hun werking.
510 Pechhulp
#Alleen door Mercedes-Benz vrijgegeven
zekeringen met het aangegeven ampe‐
rage gebruiken.
Doorgebrande zekeringen moetenworden ver‐
vangen door gelijkwaardige zekeringen, herken‐
baar aan de kleur en de ampèrewaarde. De
ampèrewaarden en verdere in acht te nemen
informatie is te vinden in het zekeringaansluit‐
schema.
Zekeringaansluitschema: Op de zekeringen‐
kast in de bagageruimte (/pagina 513).
*AANWIJZING Beschadiging of functie‐
storing door vochtigheid
Door vochtigheid kunnen functiestoringen of
beschadigingen aan de elektrische installatie
ontstaan.
#Bij een geopende zekeringenkast erop
letten dat geen vochtigheid in de zeke‐
ringenkastenkan binnendringen.
#Bij het sluitenvan de zekeringenkast
erop letten dat de afdichting van het
deksel correct op de zekeringenkast is
aangebracht.
Als een nieuw aangebrachte zekering opnieuw
doorbrandt, de oorzaak latenvaststellen en ver‐
helpen bij een gekwalificeerde werkplaats.
Voor het vervangen van zekeringen het volgende
controleren:
RDe auto is beveiligd tegenwegrollen.
RAlle elektrische verbruikers zijn uitgescha‐
keld.
RHet contact is uitgeschakeld.
De elektrische zekeringen zijn oververschillende
zekeringenkastenverdeeld:
RZekeringenkast in de motorruimte aan
bestuurderszijde (/pagina 511)
RZekeringenkast in de cockpit aan bestuur‐
derszijde (/pagina 512)
RZekeringenkast in de beenruimte van de pas‐
sagier (/pagina 512)
RZekeringenkast in de bagageruimte in rijrich‐
ting rechts (/pagina 513)
Zekeringenkast in de motorruimte openen en
sluiten
Voorwaarden
REen droge doek en een schroevendraaier zijn
beschikbaar.
De aanwijzingen met betrekking tot elektrische
zekeringen in acht nemen (/pagina 510).
Openen
&WAARSCHUWING Gevaar voor letsel
door het gebruik van de ruitenwissers bij
geopende motorkap
Als de ruitenwissers zich in beweging zetten
als de motorkap geopend is, kunt u bekneld
raken in het mechanisme.
#Alvorens de motorkap te openen, altijd
de ruitenwissers en het contact uitscha‐
kelen.
Pechhulp 511
#De klemmen 2op de afdekking 1een
kwart slag linksom draaien.
#De afdekking 1in de richting van de pijl
omhoogklappen.
#Met een droge doek eventueel aanwezig
vochtvan de zekeringenkast verwijderen.
#De bouten 3losdraaien en het deksel 4
van de zekeringenkast naar boventoeverwij‐
deren.
Sluiten
#Controleren of de afdichting correct tegen
het deksel 4aanligt.
#Het deksel 4achter aan de zekeringenkast
in de houder aanbrengen.
#Het deksel 4van de zekeringenkast
omlaagklappen en de schroeven3vast‐
draaien.
#De afdekking 1omlaagklappen.
#De klemmen 2op de afdekking 1een
kwart slag rechtsom draaien.
#De motorkap sluiten.
Zekeringenkast op de cockpit openen en slui‐
ten
De zekeringenkast bevindt zich aan de zijkant
van de cockpit onder een afdekking.
#Voor meer informatie naar een Mercedes-
Benz-servicewerkplaats gaan.
Zekeringenkast in de beenruimte van de pas‐
sagier openen en sluiten
De aanwijzingen met betrekking tot elektrische
zekeringen in acht nemen (/pagina 510).
512 Pechhulp
#De afdekking 1in de richting van de pijl
openklappen en verwijderen.
Zekeringenkast in de bagageruimte openen
en sluiten
De aanwijzingen met betrekking tot elektrische
zekeringen in acht nemen (/pagina 510).
#De bagageruimtebodem openen
(/pagina 129).
#De afdekking 1in de richting van de pijl
omhoogklappen.
Het zekeringaansluitschema bevindt zich aan de
zijkant op de zekeringenkast.
Pechhulp 513
Aanwijzingen met betrekking totgeluids‐
ontwikkeling of ongewoon rijgedrag
Tijdens het rijden letten op trillingen, geluiden en
ongewoon rijgedrag, bijvoorbeeld trekken naar
een kant. Dit kan wijzen op beschadigingen aan
banden of velgen. Als bandenpech vermoed
wordt de snelheid verlagen. Zo snel mogelijk
stoppen en de banden en velgen op beschadigin‐
gen controleren. Onzichtbare beschadigingen
van de banden kunnen eveneens de oorzaak van
het ongewone rijgedrag zijn. Als er geen bescha‐
digingen te zien zijn, de banden en velgen laten
controleren bij een gekwalificeerde werkplaats.
Aanwijzingen bij het regelmatig controleren
van de velgen en banden
&WAARSCHUWING Gevaar voor ongeval‐
len door beschadigde banden
Beschadigde banden kunnen verlies van ban‐
denspanning veroorzaken.
Daardoor kunt u de controle over de auto
verliezen.
#Banden regelmatig op schade controle‐
ren en beschadigde banden direct ver‐
vangen.
De volgende controles regelmatig, ten minste
eenmaal per maand of indien nodig, bijvoorbeeld
voor een langere rit of rijden in het terrein, aan
alle wielen uitvoeren:
RControle van de bandenspanning
(/pagina 515).
RVisuele controle van de banden en velgen op
beschadigingen
RControle van de ventieldopjes
De ventielen moeten met de door Mercedes-
Benz speciaal voor uw auto goedgekeurde
ventieldopjes tegenvocht en vuil beschermd
zijn.
RVisuele controle van de profieldiepte en het
loopvlak over de gehele breedte.
De minimumprofieldiepte bedraagt bij zomer‐
banden 3 mm en bij winterbanden 4 mm.
Aanwijzingen met betrekking tot sneeuw‐
kettingen
*AANWIJZING Beschadiging van onderde‐
len van de carrosserie of het onderstel
door gemonteerde sneeuwkettingen
Wanneer bij auto's met 4MATIC sneeuwket
tingen op de voorwielen worden gemonteerd,
kunnen ze onderdelen van de carrosserie of
het onderstel beschadigen.
#Bij auto's met 4MATIC nooit sneeuwket‐
tingen op de achterwielen monteren.
Bij het gebruik maken van sneeuwkettingen het
volgende in acht nemen:
RSneeuwkettingen zijn slechts voor bepaalde
velg-bandcombinatie toegestaan. Informatie
hierover is verkrijgbaar bij een Mercedes-
Benz-servicewerkplaats.
ROm veiligheidsredenen alleen de voor
Mercedes-Benz goedgekeurde sneeuwkettin‐
gen of sneeuwkettingen met dezelfde kwali‐
teitsstandaard gebruiken.
514 Banden en velgen
RDe toegestane maximumsnelheid met
gemonteerde sneeuwkettingen is 50 km/h.
RAuto's met actieve parkeerassistent: Met
gemonteerde sneeuwkettingen niet de
actieve parkeerassistent gebruiken.
%De maximumsnelheid van de auto kanvoor
het rijden met winterbanden permanent wor‐
den begrensd (/pagina 219).
%Het ESP®kanvoor het wegrijden worden uit‐
geschakeld (/pagina 207). Zo kunnen de
wielen doordraaien en een hogere aandrijf‐
kracht opwekken.
Bandenspanning
Aanwijzingen met betrekking tot de banden‐
spanning
&WAARSCHUWING Gevaar voor ongeval‐
len door te lage of te hoge bandenspan‐
ning
Banden met een te lage of een te hoge ban‐
denspanning vormen de volgende gevaren:
RDe banden kunnen klappen, in het bijzon‐
der bij toenemende belading en snelheid.
RDe banden kunnen overmatig en/of
ongelijkmatig slijten, hetgeen de grip
sterk nadelig beïnvloedt.
RDe rij-eigenschappen en het stuur‑ en
remgedrag kunnen sterk nadelig beïn‐
vloed worden.
#Geadviseerde bandenspanningen in
acht nemen en de bandenspanning van
alle banden inclusief het reservewiel
controleren:
Rten minste maandelijks
Rbij veranderde belading
Rvoor aanvang van een langere rit
Rbij veranderdegebruiksomstandigheden,
bijv. rijden in het terrein
#Indien nodig de bandenspanning aan‐
passen.
Een te lage of te hoge bandenspanning heeft de
volgende gevolgen:
RDe levensduur van de band wordtverkort.
RBeschadiging van de banden wordt in de
hand gewerkt.
RHet rijgedrag en daarmee de rijveiligheid
worden nadelig beïnvloed, bijvoorbeeld door
aquaplaning.
Banden en velgen 515
&WAARSCHUWING Gevaar voor ongeval‐
len bij herhaaldelijk drukverlies in de
band
Wanneer de bandenspanning herhaaldelijk
daalt, kunnen velg, ventiel of band bescha‐
digd zijn.
Een te lage bandenspanning kantot een
klapband leiden.
#Banden op binnengedrongen voorwer‐
pen onderzoeken.
#Controleren of de velg of het ventiel lek
is.
#Als de schade niet verholpen worden
kan, contact opnemen met een gekwali‐
ficeerde werkplaats.
Gegevens over de geadviseerde bandenspanning
voor de af fabriek op uw auto gemonteerde ban‐
den vindt u in de bandenspanningstabel aan de
binnenzijde van de contactdoosklep
(/pagina 516).
Voor het controleren van de bandenspanning
een geschikte bandenspanningsmetergebruiken.
Het uiterlijk van een band geeft geen uitsluitsel
over de bandenspanning.
Auto's met bandenspanningscontrole: De
bandenspanning kan ook via de boordcomputer
worden gecontroleerd.
De bandenspanning alleen corrigeren als de ban‐
den koud zijn. Voorwaarden voor koude banden:
RDe auto wasten minste drie uur geparkeerd
zonder zonnestraling op de band.
RDe auto heeft minder dan 1,6 km gereden.
Een stijging van de bandentemperatuur van
10 °C verhoogt de bandenspanning circa 10 kPa
(0,1 bar, 1,5 psi). Hier rekening mee houden, als
de bandenspanning wordtgecontroleerd als de
banden warm zijn.
Aanwijzingen voor rijden met een aanhang‐
wagen
Voor de banden van de achteras geldt uitsluitend
de in de bandenspanningstabel geadviseerde
bandenspanning voor een verhoogde belading.
Bandenspanningstabel
De bandenspanningstabel bevindt zich aan de
binnenzijde van de contactdoosklep.
De bandenspanningstabel toont de geadviseerde
bandenspanning voor alle af fabriek voor deze
auto goedgekeurde banden. De geadviseerde
bandenspanningen gelden voor banden in koude
516 Banden en velgen
toestand bij verschillende bedrijfsomstandighe‐
den van belading en/of snelheid van de auto.
Als bij de bandenspanningen een of meerdere
bandenmaten worden vermeld, dan geldt de
betreffende bandenspanning alleen voor deze
bandenmaten.
Als de bandenmaten vergezeld gaan van het
symbool +, dan is de betreffende banden‐
spanning een alternatieve bandenspanning.
Deze bandenspanningenkunnen het afrolcom‐
fort van de auto verbeteren. Het energieverbruik
kan dan iets toenemen.
De beladingstoestanden "gedeeltelijk beladen"
of "volledig beladen" worden in de tabel weerge
geven door een verschillend aantal personen en
bagage. Het daadwerkelijke aantal zitplaatsen
kan daarvan afwijken.
Ook de volgende aanvullende informatie in acht
nemen:
RAanwijzingen met betrekking tot de banden‐
spanning (/pagina 515)
Bandenspanningscontrole
Werking van de bandenspanningscontrole
Het systeem controleert met behulp van banden‐
spanningsensoren de bandenspanning en de
bandentemperatuur van de op de auto gemon‐
teerde banden.
Nieuwe bandenspanningsensoren, bijvoorbeeld
in winterbanden, worden bij de eersterit auto‐
matisch ingeleerd.
De bandenspanning en de bandentemperatuur
worden op het multifunctioneel display weerge‐
geven (/pagina 518).
Bij een duidelijk drukverlies of een te hoge tem‐
peratuur van de banden wordt u op de volgende
manierengewaarschuwd:
Rdoor displaymeldingen (/pagina 571)
Rdoor het waarschuwingslampje hin het
combi-instrument (/pagina 602)
De bandenspanningscontrole is slechts een
hulpmiddel. De bestuurder is ervoor verantwoor‐
delijk, de bandenspanning in te stellen op de
geadviseerde, voor de bedrijfsomstandigheden
geschikte bandenspanning voor koude banden.
De bandenspanning met een bandenspannings‐
meter instellen als de banden koud zijn. In acht
nemen dat de bandenspanningscontrole de voor
de actuele bedrijfsomstandigheden correcte
bandenspanning eerst moet inleren.
In de meeste gevallen actualiseert de banden‐
spanningscontrole de nieuwe referentiewaarde
automatisch, nadat de bandenspanning is gewij‐
zigd. De referentiewaarden kunnen echter ook
worden geactualiseerd door de bandenspan‐
ningscontrole handmatig opnieuw op te starten
(/pagina 518).
Systeemgrenzen
Het systeem kan in de volgende situaties moge‐
lijk niet correct werken of buiten werking zijn:
RDe bandenspanning is verkeerd ingesteld.
REr treedt een plotseling drukverlies op, bij‐
voorbeeld veroorzaakt door een binnenge‐
drongen voorwerp.
REr treedt een storing door een andere radio‐
bron op.
Banden en velgen 517
Ook beslist de volgende uitgebreide informatie
lezen:
RAanwijzingen met betrekking tot de banden‐
spanning (/pagina 515)
Bandenspanning met bandenspanningscon‐
trole controleren
Voorwaarden
RHet contact is ingeschakeld.
Boordcomputer:
4Service 5Banden
Een van de volgende weergaveverschijnt:
RActuele bandenspanning en bandentempera‐
tuur van de afzonderlijke wielen:
RBandenspanningsindicatie verschijnt na
enkele minuten rijden
RBandenspanningscontrole actief: De inleer‐
procedure van het systeem is nog niet afge‐
sloten. De bandenspanningen worden dan
reeds gecontroleerd.
#De bandenspanning vergelijken met de voor
de actuele bedrijfstoestand geadviseerde
bandenspanning (/pagina 516). Daarbij de
aanwijzingen met betrekking tot de banden‐
temperatuur in acht nemen (/pagina 515).
%De op het multifunctioneel display weergege‐
venwaarden kunnen afwijkenvan de waar‐
den van de bandenspanningsmeter, die gel‐
den voor zeeniveau. Op hoger gelegen loca‐
ties geven luchtdrukmeters een hogere ban‐
denspanning weer dan de boordcomputer. In
dit geval de bandenspanning verlagen.
Ook beslist de volgende uitgebreide informatie
lezen:
RAanwijzingen met betrekking tot de banden‐
spanning (/pagina 515)
Bandenspanningscontrole opnieuw starten
Voorwaarden
RDe geadviseerde bandenspanning is bij alle
vier de banden correct ingesteld voor de
betreffende bedrijfstoestand (/pagina 515).
De bandenspanningscontrole in de volgende
situaties opnieuw starten:
RDe bandenspanning is gewijzigd.
RDe banden of de wielen zijn gewisseld of
nieuw gemonteerd.
Boordcomputer:
4Service 5Banden
#Een veegbeweging omlaag maken op de
touch-control links op het stuurwiel.
Het multifunctioneel display toont de mel‐
ding Act. bandenspanningen als nieuwe
richtwaarden overnemen?.
#Op de touch-control links in het stuurwiel
drukken om het systeem opnieuw te starten.
Het multifunctioneel display toont de mel‐
ding Bandensp.controle opnieuw gestart.
518 Banden en velgen
Actuele waarschuwingsmeldingenworden
gewist en het gele waarschuwingslampje
hdooft.
Na enkele minuten rijden controleert het sys‐
teem of de actuele bandenspanningswaarden
binnen het geadviseerde gebied liggen. Ver‐
volgens worden de actuele bandenspan‐
ningswaarden als nieuwe referentiewaarden
aangenomen en bewaakt.
Ook beslist de volgende uitgebreide informatie
lezen:
RAanwijzingen met betrekking tot de banden‐
spanning (/pagina 515)
Zendvergunning bandenspanningscontrole
Zendvergunningen
Land Zendvergunning
ArgentiniëSchrader GG4T
Numero de Registro CNC
H-20495
Schrader DG6W2D4
Numero de Registro CNC:
H-20959
Land Zendvergunning
Brazilië
MODELO: GG4T
ANATEL: 07827-17-08001
MODELO:DG6W2D4
ANATEL: 01455-18-08001
Este equipamento opera em cará‐
ter secundário, isto é, não tem
direito à proteção contrainterfe‐
ncia prejudicial, mesmo de
estações do mesmo tipo e não
pode causar interfencia a siste‐
mas operando em caráter primá‐
rio.
Banden en velgen 519
Land Zendvergunning
Europese
Unie
Hereby, Schrader Electronics Ltd
declares that theradio equi‐
pment type "GG4T", "DG6W2D4"
is in compliance with Directive
2014/53/EU.
The full text of the EU declaration
of conformity is available at the
following internet address:
http://www.tpmseuro‐
shop.com/documents/declara‐
tion_conformities
GG4T: 433.92MHz; Maximum
effective radiated power < 10mw
(e.r.p)
DG6W2D4: 433.92MHz; Maxi‐
mum effective radiated power <
10mw (e.r.p)
Land Zendvergunning
Schrader Electronics Ltd. 11
Technology Park,
Belfast Road, Antrim BT41 1QS,
Northern Ireland United Kingdom
Ghana NCA Approved: 1R3-1M-7E1-10D
NCA Approved: BR3-1M-GE2-X73
Indonesië GG4T:
54083/SDPPI/2017
PLG3612
DG6W2D4
57058/SDPPI/2018
PLG3612
MC34MA4:
25626/ISDPPI/2015
PLG3612
Land Zendvergunning
JordaniëKingdom of Jordan Type approval
forTyre Pressure sensor.
Manufacturer: Schrader Electro‐
nics Ltd.
Model: GG4T
Type Approval Number:
TRC/LDP/2017/456
Model: DG6W2D4
Type Approval Number:
TRC/LPD/2018/139
Model: MC34MA4
Type Approval Number:
TRC/LPD/2011 /158
520 Banden en velgen
Land Zendvergunning
MarokkoAGREE PAR L'ANRT MAROC
Numero d'agreement: MR 14777
ANRT 2017
Date d'agrement: 20/09/17
Numero d'agrement: MR 16355
ANRT 2018
Date d'agrement: 19/04/2018
Numero d'agrement: MR 6706
ANRT 2011
Date d'agrement: 17/11/2011
Mexico IFT: RLVSCGG17-1665
IFETEL: RLVSCDG18-04
IFT: RCPSCMR14-062
Land Zendvergunning
Moldavië
024
1024
Pakistan
Land Zendvergunning
Filipijnen
NTC Type Approved
No: ESD-1306871C
No: ESD-1715977C
No: ESD-1817081C
Banden en velgen 521
Land Zendvergunning
Servië GG4T
И005 17
DG6W2D4
И005 18
MC34MA4
И01111
Land Zendvergunning
Singapore Complies with
IMDA Standards
NO524-13
DA105282
Zuid-
Afrika
TA-2017/3884 Approved
TA-2017/2933 Approved
TA-2011 /1370 Approved
Land Zendvergunning
Oekraïne GG4T
UK.TF
DG6W2D4
UA. TR.028
Corax 3
109
522 Banden en velgen
Land Zendvergunning
Verenigde
Arabische
Emiraten
TRA
REGISTERED NO: ER57985/17
REGISTERED NO: ER960528
DEALER NO: DA0047074
REGISTERED NO: ER37066/15
DEALER NO: DA0047074/10
Vietnam
Schrader Electronics Ltd.
Model: GG4T
No: C0170191017AF04A2
Model: DG6S2D4
No: C0078070518AF04A2
Verwisselen van een wiel
Aanwijzingen over de selectie, montage en
vervanging van banden
Informatie over de toegestanevelg-bandcombi‐
naties kunt u verkrijgen bij een Mercedes-Benz-
servicewerkplaats.
&WAARSCHUWING Gevaar voor ongeval‐
len door verkeerde afmetingen van de
banden en velgen
Als banden en velgen met verkeerde afmetin‐
gen zijn gemonteerd, kunnen de wielremmen
of onderdelen van de wielophanging worden
beschadigd.
#Banden en velgen altijd vervangen door
banden en velgen die aan de specifica‐
ties van de originele onderdelen vol‐
doen.
Daarbij bij velgen het volgende in acht
nemen:
ROmschrijving
RType
Daarbij bij banden het volgende in acht
nemen:
ROmschrijving
RFabrikant
RType
&WAARSCHUWING Gevaar voor ongeval‐
len door overschrijden van het draagver‐
mogen van de band of de toegestane
snelheidsindex
Het overschrijden van het aangegeven draag‐
vermogen van de band of de toegestane
snelheidsindex kan leiden tot beschadiging
van de banden of tot klappen van de banden.
#Alleen voor het voertuigtype goedge‐
keurde bandentypes en -maten gebrui‐
ken.
#Het voor uw auto noodzakelijke draag‐
vermogen van de band en de snelheids‐
index in acht nemen.
Banden en velgen 523
*AANWIJZING Schade aan de auto en de
banden door niet goedgekeurde banden‐
typen en -maten
Om veiligheidsredenen alleen banden, velgen
en accessoires gebruiken, die Mercedes-
Benz speciaal voor uw auto goedgekeurd
heeft.
Deze banden zijn speciaal op de regelsyste‐
men, zoals het ABS, het ESP®en de 4MATIC,
afgestemd:
RMO = Originele Mercedes-Benz-onderde‐
len
RMOE = Mercedes-Benz Original Extended
(banden met noodloopeigenschappen
alleen voor bepaalde wielen)
RMO1 = Mercedes-Benz Original (alleen
bepaalde AMG banden)
Anders kunnen bepaalde eigenschappen,
zoals rijgedrag, rijgeluid, verbruik enzovoort
nadelig worden beïnvloed. Bovendien kunnen
banden met andere maten onder belasting
tegen de carrosserie en delen van de wielop‐
hanging aanlopen. Beschadiging aan de ban‐
den of de auto kunnen het gevolg zijn.
Alleen de door Mercedes-Benz gecontro‐
leerde en geadviseerde banden, velgen en
accessoires gebruiken.
*AANWIJZING Negatieve invloed op de
rijveiligheid door gecoverde banden
Gecoverde banden worden door Mercedes-
Benz niet getest en geadviseerd, omdat bij
het coveren beschadigingen niet altijd her‐
kend worden.
De rijveiligheid kan daarom niet gewaarborgd
worden.
#Geen gebruikte banden gebruiken,
waarvan het eerdere gebruik onbekend
is.
*AANWIJZING Mogelijke beschadiging
van de velgen en banden bij het rijden
over obstakels
Om grotevelgen zitten banden met een
lagere verhouding tussen de hoogte en de
breedte. Met een lagere hoogte/breedtever‐
houding neemt het gevaar, dat bij het rijden
over obstakels de velgen en banden bescha‐
digd raken, toe.
#Obstakels vermijden of zeer voorzich‐
ting oprijden.
*AANWIJZING Beschadiging van elektro‐
nische onderdelen door het gebruik van
montagegereedschap
Auto's met bandenspanningscontrole: In
het wiel bevinden zich elektronische onder‐
delen. Bij het ventiel mag geen montagege‐
reedschap worden aangebracht.
Anders kunnen de elektronische onderdelen
worden beschadigd.
524 Banden en velgen
#Banden alleen bij een gekwalificeerde
werkplaats laten vervangen.
*AANWIJZING Schade aan zomerbanden
bij lage omgevingstemperaturen
Bij lage omgevingstemperaturen kunnen tij‐
dens het rijden scheuren in zomerbanden
ontstaan, die de banden permanent bescha‐
digen.
#Bij temperaturen onder 7 °C M+S-ban‐
den gebruiken.
Accessoires die niet door Mercedes-Benz voor
uw auto zijn goedgekeurd, of waar niet vakkun‐
dig mee wordt omgegaan, kunnen de rijveiligheid
nadelig beïnvloeden.
Voor de aanschaf of het gebruik van niet goedge‐
keurde accessoires bij een gekwalificeerde werk‐
plaats informatie vragen over:
Rdoelmatigheid
Rwettelijke voorschriften
Raanbevelingen af fabriek
&WAARSCHUWING Gevaar voor ongeval‐
len bij sportbanden
Door het speciale bandenprofiel in combina‐
tie met de geoptimaliseerde rubbercom‐
pound bestaat op vochtige of natte rijbaan
een verhoogd risico op slippen en aquapla‐
ning.
Bovendien neemt de grip van de banden bij
een lage buitentemperatuur en bandentem‐
peratuur duidelijk af.
#ESP®inschakelen en rijstijl aanpassen.
#Bij buitentemperaturen onder 10 °C
M+S‑ banden gebruiken.
Bij het kiezen, monteren en vervangen van ban‐
den het volgende in acht nemen:
RLandspecifieke goedkeuringseisen voor ban‐
den, die een bepaald bandentype voor uw
auto vastleggen.
Daarnaast kanvoor bepaalde regio's en toe‐
passingen het gebruik van bepaalde banden‐
typen worden aanbevolen.
RAlleen banden en velgen volgens dezelfde
constructie, dezelfde uitvoering (zomerban‐
den, winterbanden, MOExtended-banden) en
van hetzelfde merk gebruiken.
ROp een as alleen wielen van dezelfde afme‐
tingen monteren (links en rechts).
Uitsluitend in gevalvan pech mag voor het
rijden naar de werkplaats hiervanworden
afgeweken.
ROp de velgen alleen passende banden mon‐
teren.
RGeen nabewerking aan het remsysteem, de
velgen en de banden uitvoeren.
Het gebruik van vulplaten en remstofplaten is
niet toegestaan en leidt tot het verlies van de
typegoedkeuring.
RAuto's met bandenspanningscontrole: Alle
gemonteerde wielen moeten zijn uitgerust
met functionerende sensoren voor de ban‐
denspanningscontrole.
RBij temperaturen onder 7 °C winterbanden of
all-seasonbanden met het M+S-keurmerk op
alle wielen gebruiken.
Banden en velgen 525
Onder winterse omstandigheden bieden win‐
terbanden met het sneeuwvloksymbool i
naast de M+S markering de beste grip.
RBij M+S-banden alleen banden met hetzelfde
profiel gebruiken.
RDe toegestane maximumsnelheid van de
gemonteerde M+S-banden in acht nemen.
Wanneer deze lager is dan die van de auto,
moet een sticker in het gezichtsveld van de
bestuurder hiervoor waarschuwen.
RNieuwe banden tijdens de eerste100 km
met matige snelheid inrijden.
RDe banden uiterlijk om de zes jaar laten ver‐
vangen, ongeacht de slijtage.
Voor meer informatie over banden en velgen
contact opnemen met een gekwalificeerde werk‐
plaats.
Ook de volgende aanvullende informatie in acht
nemen:
RAanwijzingen met betrekking tot de banden‐
spanning (/pagina 515)
RBandenspanningstabel (/pagina 516)
RAanwijzingen met betrekking tot het nood‐
wiel (/pagina 533)
Aanwijzingen met betrekking tot het verwis‐
selen van wielen
&WAARSCHUWING Gevaar voor ongeval‐
len door verschillende wielafmetingen
Wanneer bij verschillende afmetingenvan
velgen of banden de voor‑ met de achterwie‐
len worden uitgewisseld, kunnen de rij-eigen‐
schappen sterk nadelig worden beïnvloed.
Bovendien kunnen de schijfremmen of onder‐
delen van de wielophanging worden bescha‐
digd.
#De voor‑ en achterwielen uitsluitend uit‐
wisselen, wanneer banden en velgen
identieke afmetingen hebben.
Als bij verschillende afmetingenvan banden en
velgen de voor- met de achterwielen worden ver‐
wisseld, kan dit leiden tot verlies van de type‐
goedkeuring.
Voor- en achterwielen slijten verschillend:
RVoorwielen sterker op de schouder van de
band
RAchterwielen sterker in het midden van de
band
Verwissel bij auto's met dezelfde wielmaat
afhankelijk van de slijtagegraad de wielen elke
5000 tot 10000 km. Op de draairichting van de
wielen letten.
Daarbij de aanwijzingen en de veiligheidsaanwij‐
zingen bij "Verwisselen van een wiel" in acht
nemen (/pagina 527).
Aanwijzingen met betrekking tot het opslaan
van wielen
Bij het opslaan van wielen de volgende aanwij‐
zingen opvolgen:
RGedemonteerde wielen koel, droog en zo
mogelijk donker bewaren.
RDe banden tegen olie, vet en brandstof
beschermen.
526 Banden en velgen
Overzicht wielwisselgereedschap
Afgezien van enkele landspecifieke varianten zijn
de auto's niet uitgerust met wielwisselgereed‐
schap. Informeer bij een gekwalificeerde werk‐
plaats welk wielwisselgereedschap voor het ver‐
wisselen van een wiel aan de auto nodig en
goedgekeurd is.
Voor het verwisselen van een wiel zijn bijvoor‐
beeld de volgende gereedschappen nodig:
RKrik
RWielkeg
RWielsleutel
RCentreerpen
%De krik heeft een gewicht van circa 3,4 kg.
Het maximumdraagvermogen van de krik
vindt u op de sticker op de krik.
De krik is onderhoudsvrij. Bij een storing in
de werking contact opnemen met een
gekwalificeerde werkplaats.
Het wielwisselgereedschap bevindt zich onder
de bagageruimtebodem.
1Krik
2Ratelvoor krik
3Uitklapbare wielkeg
4Wielsleutel
5Centreerpen
6Dopsleutel voor ratel
Uitklapbare wielkeg opzetten
Auto voorbereiden op het verwisselen van
een wiel
Voorwaarden
RHet noodzakelijke gereedschap voor het ver‐
wisselen van een wiel is aanwezig. Wanneer
uw auto niet met gereedschap voor het ver‐
Banden en velgen 527
wisselen van een wiel is uitgerust, informeert
u dan bij een gekwalificeerde werkplaats
naar passend gereedschap.
RDe auto bevindt zich niet op een helling.
RDe auto staat op een stevige, stroeve en
vlakke ondergrond.
#De elektrische parkeerrem handmatig bedie‐
nen.
#De voorwielen in de rechtuitstand draaien.
#De transmissie in de stand jzetten.
#Het aandrijfsysteem afzetten.
#Zorg ervoor dat het aandrijfsysteem niet kan
worden gestart.
#Het wiel dat diagonaal staat ten opzichte van
het te verwisselen wiel, aan de voor- en ach‐
terzijde met een wielkeg of iets dergelijks
blokkeren.
#De auto opkrikken (/pagina 528).
Auto bij het verwisselen van een wiel opkrik‐
ken
Voorwaarden
REr bevinden zich geen personen in de auto.
RDe auto is voorbereid voor het verwisselen
van een wiel (/pagina 527).
Belangrijke aanwijzingen met betrekking tot het
gebruik van de krik:
RAlleen de autospecifieke, door Mercedes-
Benz goedgekeurde krik gebruiken voor het
opkrikken van de auto.
RDe krik is uitsluitend geschikt voor het kort‐
stondig opkrikken van de auto en niet voor
onderhoudswerkzaamheden onder de auto.
RDe ondergrond waar de krik op rust moet
stevig, vlak en stroef zijn. Indien nodig een
grote, vlakke, stevige en stroeve ondergrond
gebruiken.
RDe voet van de krik moet zich loodrecht
onder het kriksteunpunt bevinden.
Veiligheidsregels bij opgekrikte auto:
RNooit handen of voeten onder de auto hou‐
den.
RNooit onder de auto gaan liggen.
RHet aandrijfsysteem niet starten en de elek‐
trische parkeerrem niet vrijzetten.
RGeen portieren of achterklep openen of slui‐
ten.
528 Banden en velgen
#Van het te verwisselen wiel de wielbouten
met de wielsleutel circa een omwenteling
losdraaien. De bouten niet verwijderen.
Plaats van de kriksteunpunten
Afdekking van de kriksteunpunten
Vóór het aanbrengen van de krik moet u de
afdekkingen voor de kriksteunpunten verwijde‐
ren.
#Verwijderen: De bevestigingsklem 1op de
afdekking een kwart slag draaien en verwij‐
deren.
#De afdekking bij de handgreep 2omlaag‐
trekken, zodat de afdekking boven bij de
langsdragerbekleding loskomt.
#De afdekking verwijderen.
Afdekking van de kriksteunpunten
Banden en velgen 529
#Monteren: De lippen 3van de afdekking in
de uitsparingen van de langsdragerbekleding
aanbrengen en de afdekkingen terugdrukken.
#De bevestigingsklem 1zoals afgebeeld in
de afdekking aanbrengen, tot deze hoorbaar
in de vloerhuls vastklikt.
Erop letten dat de vloerhuls in de auto cor‐
rect ten opzichte van de afdekking is uitge‐
richt.
&WAARSCHUWING Gevaar voor letsel
door verkeerd plaatsen van de krik
Als de krik niet correct bij de betreffende
kriksteunpunten wordtgeplaatst, kan de krik
kantelen als de auto omhoog is gebracht.
#De krik uitsluitend plaatsen bij de
betreffende kriksteunpunten van de
auto. De voet van de krik moet zich
loodrecht onder het kriksteunpunt van
de auto bevinden.
*AANWIJZING Voertuigschade door krik
Wanneer u de krik niet op de daarvoor
bedoelde kriksteunpunten aanbrengt, kunt u
uw auto beschadigen.
#De krik alleen op de daarvoor bedoelde
kriksteunpunten aanbrengen.
#De ratel uit het wielwisselgereedschap zoda‐
nig op de zeskant van de krik steken, dat de
tekst "AUF" zichtbaar is.
#De krik 5bij het kriksteunpunt 4plaatsen.
#De ratel6rechtsom draaien, tot de krik 5
volledig in het kriksteunpunt 4zit en de
voet van de krik gelijkmatig de grond raakt.
#De ratel6draaien, tot de band maximaal
3 cm van de grond verwijderd is.
#Het wiel losmaken en verwijderen
(/pagina 531).
530 Banden en velgen
Wiel verwijderen
Voorwaarden
RDe auto is opgekrikt (/pagina 528).
Bij het verwisselen van een wiel elke vorm van
krachtinwerking op de remschijven voorkomen,
omdat deze tot comfortklachten bij het remmen
zouden kunnen leiden.
*AANWIJZING Beschadiging van de
schroefdraad door vervuilde wielbouten
#De wielbouten niet in zand of vuil leg‐
gen.
#De bovenste wielbout helemaal eruit draaien.
#In plaats van de wielbout, de centreerpen 1
in het schroefdraad schroeven.
#De overige wielbouten eruit schroeven.
#Het wiel verwijderen.
#Het nieuwe wiel monteren (/pagina 531).
Nieuw wiel monteren
Voorwaarden
RHet wiel is verwijderd (/pagina 531).
&WAARSCHUWING Gevaar voor ongeval‐
len door verliezen van een wiel
Als wielbouten met olie of vet zijn inge‐
smeerd, of als de schroefdraad van wielbou‐
ten‑ of naven beschadigd is, kunnen de wiel‐
bouten loskomen.
Daardoor kan tijdens het rijden een wiel wor‐
den verloren.
#Nooit de wielbouten met olie of vet
insmeren.
#Als schroefdraad beschadigd is, direct
contact opnemen met een gekwalifi‐
ceerdewerkplaats.
#Beschadigde wielbouten of beschadigde
schroefdraad in de naaf laten vervan‐
gen.
#Niet verder rijden.
#De aanwijzingen met betrekking tot de selec‐
tie van banden in acht nemen
(/pagina 523).
Banden en velgen 531
Bij banden met voorgeschreven draairichting
markeert een pijl op de wang de draairichting
van de band. Bij de montage op de draairichting
van de wielen letten.
#Het te monteren wiel op de centreerpen
schuiven en aandrukken.
&WAARSCHUWING Gevaar voor letsel bij
het vastdraaien van wielbouten en ‑moe‐
ren
Als de wielbouten of wielmoerenworden
vastgedraaid als de auto omhooggebracht is,
kan de krik kantelen.
#Wielbouten of wielmoeren alleen vast‐
draaien met het wiel op de grond.
#Beslist de aanwijzingen en de veiligheidsaan‐
wijzingen bij "Verwisselen van een wiel" in
acht nemen (/pagina 523).
#Om veiligheidsredenen alleen de voor
Mercedes-Benz en het betreffende wiel goed‐
gekeurde wielbouten gebruiken.
#De wielbouten erin draaien en in de aangege‐
venvolgorde kruiselings gelijkmatig licht aan‐
draaien.
#De centreerpen eruit schroeven.
#De laatste wielbout erin draaien en licht vast‐
draaien.
#De auto laten zakken (/pagina 532).
Auto na verwisselen van een wiel laten zak‐
ken
Voorwaarden
RHet nieuwe wiel is gemonteerd
(/pagina 531).
#De ratel zodanig op de zeskant van de krik
steken, dat de tekst "AB" zichtbaar is.
#Auto laten zakken: De ratelvan de krik
linksom draaien.
#De wielbouten in de aangegevenvolgorde 1
tot 5diagonaal en gelijkmatig met maxi‐
maal 80 Nm vastzetten.
#De wielbouten vervolgens in de aangegeven
volgorde 1tot 5kruiselings en gelijkmatig
met het voorgeschreven aanhaalmoment van
150 Nm vastzetten.
&WAARSCHUWING Gevaar voor ongeval‐
len door onjuist aanhaalmoment
Als de wielbouten of -moeren niet met het
voorgeschreven aanhaalmoment zijn vastge‐
zet, kunnen de wielen loskomen.
532 Banden en velgen
#De wielbouten of -moeren moeten met
het voorgeschreven aanhaalmoment
aangetrokken zijn; dit controleren.
#Als u dit niet zeker weet, de auto niet
verplaatsen. Contact opnemen met een
gekwalificeerde werkplaats en het aan‐
haalmoment direct laten controleren.
#De bandenspanning van het nieuwe wiel con‐
troleren en naar behoefte aanpassen.
#Auto's met bandenspanningscontrole: De
bandenspanningscontrole opnieuw starten
(/pagina 518).
Uitzondering: Het nieuwe wiel is een nood‐
wiel.
Ook beslist de volgende uitgebreide informatie
lezen:
RAanwijzingen met betrekking tot de banden‐
spanning (/pagina 515)
Noodwiel
Aanwijzingen met betrekking tot het nood‐
wiel
&WAARSCHUWING Gevaar voor ongeval‐
len door verkeerde wiel- en bandenma‐
ten
De wiel‑ en bandenmaten en het bandentype
van het nood‑ of reservewiel en het te ver‐
wisselen wiel kunnen verschillend zijn. Als
het nood‑ of reservewiel wordtgemonteerd,
kunnen de rij-eigenschappen sterk worden
beïnvloed.
Om risico's te vermijden, de volgende punten
in acht nemen:
#De rijstijl aanpassen en voorzichtig rij‐
den.
#Nooit meer dan een noodwiel of reser‐
vewiel monteren dat afwijkt van het te
verwisselen wiel.
#Een noodwiel of reservewiel dat afwijkt
van het te verwisselen wiel, slechts
kortstondig gebruiken.
#Het ESP®niet uitschakelen.
#Een noodwiel of reservewiel met ver‐
schillende afmetingen bij de eerstvol‐
gende gekwalificeerde werkplaats laten
vervangen. Beslist op de correcte wiel‑
en bandenmaten en het bandentype let‐
ten.
De bandenspanning van het gemonteerde nood‐
wiel controleren. Deze eventueel aanpassen.
De toegestane maximumsnelheid met gemon‐
teerd noodwiel is 80 km/h.
Geen sneeuwkettingen op het noodwiel aanbren‐
gen.
Het noodwiel uiterlijk om de zes jaar latenver‐
vangen, ongeacht de slijtage.
%Auto's met bandenspanningscontrole: Bij
een gemonteerd noodwiel kan de banden‐
spanningscontrole niet betrouwbaar werken.
De bandenspanning van het verwijderde wiel
kan nog enkele minutenworden aangegeven.
Deze pas opnieuw starten nadat het nood‐
wiel door een nieuw wiel is vervangen.
Banden en velgen 533
Ook de volgende aanvullende informatie in acht
nemen:
RAanwijzingen met betrekking tot de banden‐
spanning (/pagina 515)
RBandenspanningstabel (/pagina 516)
Noodwiel verwijderen
Het noodwiel is in het noodwielfoedraal in de
bagageruimte bevestigd.
#De aanwijzingen met betrekking tot de mon‐
tage van banden in acht nemen
(/pagina 523).
#De achterklep openen.
#De bevestigingsriemen losmaken.
#De karabijnhaken van de bevestigingsriemen
van de houders losmaken.
#Het noodwielfoedraal met het noodwiel uit‐
nemen.
#Het noodwielfoedraal openen en het nood‐
wiel uitnemen.
534 Banden en velgen
Aanwijzingen voor technische gegevens
De technischegegevens worden volgens EU-
richtlijnen bepaald. De genoemde gegevens gel‐
den alleen voor auto's met standaarduitrusting.
Meer informatie is verkrijgbaar bij een
Mercedes-Benz-servicewerkplaats.
Alleen voor bepaalde landen: De autospeci‐
fieke autogegevens kunt u in de COC-documen‐
ten (EC-CERTIFICATE OF CONFORMITY) vinden.
Deze documenten ontvangt u bij aflevering van
de auto.
Boordelektronica
Aanwijzingen bij ingrepen in de motorelek‐
tronica
*AANWIJZING Vroegtijdige slijtage door
ondeskundig onderhoud
Door ondeskundig onderhoud kunnen onder‐
delen van de auto sneller slijten; dit kan lei‐
den tot verlies van de typegoedkeuring.
#De motorelektronica en de bijbeho‐
rende onderdelen alleen bij een gekwa‐
lificeerde werkplaats laten onderhou‐
den.
Mobilofoons
Aanwijzingen met betrekking tot het inbou‐
wenvan mobilofoons
&WAARSCHUWING Gevaar voor ongeval‐
len door ondeskundige werkzaamheden
aan mobilofoons
Wanneer mobilofoons worden gemanipuleerd
of niet vakkundig wordt ingebouwd, kan de
elektromagnetische straling ervan de elektro‐
nische installatie storen.
Daardoor kan de bedrijfsveiligheid van de
auto in gevaar komen.
#Werkzaamheden aan elektrische en
elektronische apparaten altijd laten uit‐
voeren bij een gekwalificeerde werk‐
plaats.
&WAARSCHUWING Gevaar voor ongeval‐
len door ondeskundig gebruik van mobi‐
lofoons
Als in de auto op ondeskundige wijze gebruik
wordtgemaakt van een mobilofoon, kan de
elektromagnetische straling daarvan de elek‐
tronische installatie van de auto storen, bij‐
voorbeeldwanneer:
Rde mobilofoon niet op een buitenantenne
is aangesloten
Rde buitenantenne verkeerd gemonteerd
of niet reflectiearm is.
Daardoor kan de bedrijfsveiligheid van de
auto in gevaar komen.
#De reflectiearme buitenantenne laten
inbouwen bij een gekwalificeerde werk‐
plaats.
#De mobilofoon bij gebruik in de auto
altijd aansluiten op de reflectiearme
buitenantenne.
Technischegegevens 535
*AANWIJZING Vervallen van de typegoed‐
keuring door het niet in acht nemen van
installatie- en gebruiksvoorwaarden
Wanneer de installatie- en gebruiksvoorwaar‐
den voor mobilofoons niet in acht worden
genomen, kan de typegoedkeuring vervallen.
#Alleen vrijgegeven frequentiebanden
gebruiken.
#Het maximaal toegestane uitgangsver‐
mogen in deze frequentiebanden in
acht nemen.
#Alleen vrijgegeven antenneposities
gebruiken.
1Voorste dakgedeelte
2Achterzijde van het dak
3C-stijl
Er wordtgeadviseerd de antenne te monteren op
de C-stijl aan de zijde van de auto die naar het
midden van de straat wijst.
Voor het naderhand inbouwen van mobilofoons
moet de technischerichtlijn ISO/TS 21609
(Road Vehicles EMC guidelines for installation
of aftermarketradio frequency transmitting equi‐
pment) worden aangehouden. De wettelijke
bepalingen voor aanbouwdelen moetenworden
aangehouden.
Als de auto met een mobilofoon is uitgerust,
moeten de in de voorbereiding aanwezige span‐
ningsvoorziening- en antenne-aansluiting worden
gebruikt. Bij het monteren beslist de aanvullende
handleiding van de fabrikant in acht nemen.
Zendvermogen mobilofoons
Het maximale zendvermogen (PEAK) bij de voet
punt van de antenne mag de waarden in de vol‐
gende tabel niet overschrijden.
Frequentieband en maximaal zendvermogen
Frequentieband Maximaal zendver‐
mogen
Korte golf
3 - 54 MHz
100 W
4–m–band
74 - 88 MHz
30 W
536 Technischegegevens
Frequentieband Maximaal zendver‐
mogen
2–m–band
144 - 174 MHz
50 W
Bundelnet/Tetra
380 - 460 MHz
10 W
70–cm–band
420 - 450 MHz
35 W
Mobiele telefoon
(2G/3G/4G) 10 W
De volgende onderdelen kunnen zonder beper‐
kingen in de auto worden gebruikt:
RMobilofoons met een maximaal zendvermo‐
gentot100 mW
RRF-zenders met zendfrequenties in de fre‐
quentieband 380 - 410 MHz en een maximaal
zendvermogen tot 2 W (bundelnet/Tetra)
RMobiele telefoon (2G/3G/4G)
Voor sommige frequentiebanden is er geen
beperking voor de antennepositie aan de buiten‐
zijde van de auto.
Dit geldt voor de volgende frequentiebanden:
RBundelnet/Tetra
R70–cm–band
R2G/3G/4G
Voertuigtypeplaatje, FIN en motornummer
Voertuigtypeplaatje
Technischegegevens 537
Voertuigtypeplaatje (voorbeeld - Koeweit)
1Autofabrikant
2Fabricageplaats
3Productiedatum
4Voertuigtype
5FIN
Voertuigtypeplaatje (voorbeeld - alle andere
landen)
1Autofabrikant
2EG-typegoedkeuringsnummer (alleen voor
bepaalde landen)
3FIN (voertuigidentificatienummer)
4Toegestaan totaalgewicht (kg)
5Toegestaan totaalgewicht (kg) (alleen voor
bepaalde landen)
6Toegestane voorasbelasting (kg)
7Toegestane achterasbelasting (kg)
8Lakcode
%De gegevens in de afbeelding zijn voorbeel‐
den.
538 Technischegegevens
FIN voor de rechtervoorstoel
1Ingeslagen FIN (voertuigidentificatienummer)
2Vloerbekleding
FIN bij de ondersterand van de voorruit
1FIN (voertuigidentificatienummer) als label
Het FIN als label op de ondersterand van de
voorruit is alleen voor bepaalde landen beschik‐
baar.
Motornummer
De motornummers van de beide elektromotoren
van de voor- en van de achteras bevinden zich
op de betreffende motorbehuizing. Meer infor‐
matie is verkrijgbaar in een gekwalificeerde
werkplaats.
Bedrijfsstoffen
Aanwijzingen met betrekking tot bedrijfsstof‐
fen
&WAARSCHUWING Gevaar voor letsel
door voor de gezondheid schadelijke
bedrijfsstoffen
Bedrijfsstoffenkunnen giftig en schadelijk
voor de gezondheid zijn.
#Bij het gebruik, de opslag en de afvoer
van de bedrijfsstoffen de opdrukken
van de originele verpakking in acht
nemen.
#Bedrijfsstoffen altijd in de afgesloten
originele verpakking bewaren.
#Kinderen altijd op afstand van bedrijfs‐
stoffen houden.
Technischegegevens 539
+MILIEU-AANWIJZING Milieuvervuiling
door niet op milieuvriendelijke wijze
afvoeren
#Bedrijfsstoffen op milieuvriendelijke
wijze afvoeren.
Bedrijfsstoffen zijn:
RSmeermiddelen
RKoelvloeistof
RRemvloeistof
RRuitreinigingsmiddel
RKoelmiddel van het temperatuurregelsysteem
Alleen door Mercedes-Benz goedgekeurde pro‐
ducten gebruiken. Schade die aan de auto is ont‐
staan door het gebruik van niet-goedgekeurde
producten, valt niet onder de Mercedes-Benz
garantie en coulance.
De door Mercedes-Benz goedgekeurde bedrijfs‐
stoffen zijn te herkennen aan het volgende
opschrift op de verpakking:
RMB-Freigabe (bijvoorbeeldMB-Freigabe
229.51)
RMB-Approval (bijvoorbeeldMB-Approval
229.51)
Meer informatie over goedgekeurde bedrijfsstof‐
fen is te vinden:
RIn de Mercedes-Benz-bedrijfsstoffenvoor‐
schriften onder vermelding van de specifica‐
tie
-Op internet http://bevo.mercedes-
benz.com
-In de Mercedes-Benz BeVo App
RBij een gekwalificeerde werkplaats
Aanwijzingen met betrekking totremvloei‐
stof
De aanwijzingen met betrekking tot de bedrijfs‐
stoffen in acht nemen (/pagina 539).
&WAARSCHUWING Gevaar voor ongeval‐
len door vorming van dampbellen in het
remsysteem
De remvloeistof neemt voortdurend vocht uit
de atmosfeer op. Daardoor daalt het kook‐
punt van de remvloeistof. Wanneer het kook‐
punt te laag wordt, kunnen zich bij een hoge
belasting van de remmen dampbellen in het
remsysteem vormen.
Daardoor wordt de remwerking nadelig beïn‐
vloedt.
#De remvloeistof met het voorgeschre‐
ven interval laten verversen.
De remvloeistofregelmatig laten verversen bij
een gekwalificeerde werkplaats.
Alleen door Mercedes-Benz goedgekeurde rem‐
vloeistofvolgens MB-Freigabe of MB-Approval
331.0gebruiken.
Meer informatie over de remvloeistof vindt u op
de volgende plaatsen:
Rin het Mercedes-Benz bedrijfsstoffenvoor‐
schriften
-Op internet http://bevo.mercedes-
benz.com
-In de Mercedes-Benz BeVo App
RBij een gekwalificeerde werkplaats
540 Technischegegevens
Koelvloeistof
Aanwijzingen met betrekking totkoelvloei‐
stof
De aanwijzingen met betrekking tot de bedrijfs‐
stoffen in acht nemen (/pagina 539).
&WAARSCHUWING Gevaar voor brand en
letsel door antivriesmiddel
Wanneer antivriesmiddel op hete onderdelen
in de motorruimte terechtkomt, kan het ont‐
steken.
#Het aandrijfsysteem laten afkoelen alvo‐
rens antivriesmiddel bij te vullen.
#Ervoor zorgen dat er geen antivriesmid‐
del naast de vulopening terechtkomt.
#Alvorens de auto te starten de met anti‐
vriesmiddel vervuilde onderdelen gron‐
dig reinigen.
*AANWIJZING Beschadiging door ver‐
keerde koelvloeistof
#Alleen voorgemengde koelvloeistof met
de gewenste vorstbescherming bijvul‐
len.
Informatie overkoelvloeistof is te vinden:
Rin de Mercedes-Benz-bedrijfsstoffenvoor‐
schriften310.1
-op internet http://bevo.mercedes-
benz.com
-in de Mercedes-Benz BeVo App
RBij een gekwalificeerde werkplaats
*AANWIJZING Oververhitting bij hoge
buitentemperaturen
Wanneer een niet geschikte koelvloeistof
wordtgebruikt, is het motorkoelsysteem bij
hoge buitentemperaturen niet voldoende
beschermd tegenoververhitting en corrosie.
#Altijd een door Mercedes-Benz goedge‐
keurde koelvloeistofgebruiken.
#De aanwijzingen in het Mercedes-Benz
bedrijfsstoffenvoorschrift 310.1 in acht
nemen.
De koelvloeistofregelmatig laten verversen bij
een gekwalificeerde werkplaats.
Het aandeel anticorrosie- en antivriesmiddel in
het motorkoelsysteem ligt tussen de volgende
waarden:
Rten minste 50% (vorstbescherming tot circa
-37 °C)
Rmaximaal 55% (vorstbescherming tot -45 °C)
Aanwijzingen met betrekking totruitrein‐
igingsmiddel
De aanwijzingen met betrekking tot de bedrijfs‐
stoffen in acht nemen (/pagina 539).
Technischegegevens 541
&WAARSCHUWING Gevaar voor brand‑
en letsel door ruitensproeiervloeistofcon‐
centraat
Ruitensproeiervloeistofconcentraat is licht
ontvlambaar. Wanneer het op hete onderde‐
len in de motorruimte terechtkomt, kan het
ontsteken.
#Ervoor zorgen dat er geen ruitensproei‐
ervloeistofconcentraat naast de vulope‐
ning terechtkomt.
*AANWIJZING Beschadigingen aan de
exterieurverlichting door ongeschikt rui‐
treinigingsmiddel
Ongeschikte ruitreinigingsmiddelen kunnen
het kunststof oppervlak van de exterieurver‐
lichting beschadigen.
#Alleen ruitreinigingsmiddel gebruiken
dat ook geschikt is voor kunststof
oppervlakken, bijvoorbeeld MB Sum‐
merFit of MB WinterFit.
*AANWIJZING Verstopte sproeiers door
menging vanruitensproeiervloeistoffen
#MB SummerFit en MB WinterFit niet
met andere ruitensproeiervloeistoffen
mengen.
Geen gedestilleerd of gedemineraliseerd water
gebruiken, anders kan de niveausensor een
onjuist niveau detecteren.
Geadviseerd ruitreinigingsmiddel:
RBoven het vriespunt: Bijvoorbeeld MB Sum‐
merFit
ROnder het vriespunt: Bijvoorbeeld MB Winter‐
Fit
De correcte mengverhouding is te vinden in de
gegevens op de verpakking.
Ruitensproeiervloeistof het hele jaar door men‐
gen met ruitreinigingsmiddel.
Autogegevens
Voertuigmaten
De aangegeven hoogten kunnen in verband met
de volgende factoren variëren:
RBanden
RBelading
RToestand van het onderstel
ROpties
542 Technischegegevens
Zwenkhoogte
Model 11
Zwenk‐
hoogte
22Sta‐
hoogte
EQC 400 4MATIC 2113 mm 1971 mm
Voertuigmaten
EQC 400 4MATIC
Lengte4761 mm
Breedte over buitenspiegels2096 mm
Breedte zonder buitenspiegels1884 mm
Hoogte1623 mm
Wielbasis 2873 mm
Gewichten en belastingen
Met betrekking tot de aangegeven autogegevens
de volgende aanwijzingen in acht nemen:
ROpties verhogen het ledig gewicht, waardoor
het nuttig laadvermogen wordtverlaagd.
RSpecifieke gewichtsaanduidingen vindt u op
het voertuigtypeplaatje (/pagina 537).
Dakbelasting
EQC 400 4MATIC
Maximumdakbelas‐
ting 75 kg
Technische gegevens met betrekking tot de
hoogspanningsaccu
Ontbrekende waarden waren bij de redactieslui‐
ting nog niet beschikbaar.
Hoogspanningsaccu
EQC 400 4MATIC
Type Lithium-ion
Energie-inhoud accu (NEDC) 80 kWh
Actieradius
EQC 400 4MATIC
Oplaadtijd mode 4
met circa 110 kW Peak laad‐
vermogen
circa 40 min
Oplaadtijd mode 3
met 7,4 kW laadvermogen
circa 11 h
Oplaadtijd mode 2
met 3,7 kW laadvermogen
circa 21 h
30 min
Oplaadtijd mode 2
met 2,3 kW laadvermogen
circa 40 h
45 min
Oplaadtijd mode 2
met 1,8 kW laadvermogen
circa 53 h
15 min
De oplaadtijden mode 2 en 3 gelden voor het
wisselstroomladen van10 %tot 100 % van de
bruikbare accucapaciteit.
De oplaadtijd mode 4 geldt voor het gelijk‐
stroomladen van10 %tot 80 % van de bruikbare
accucapaciteit.
Technischegegevens 543
Naast de accutoestand en de omgevingstempe‐
ratuur bepaalt het laadvermogen de oplaadtijd.
Het laadvermogen is afhankelijk van de netspan‐
ning, de stroomsterkte en het type netaanslui‐
ting.
Aanhangwagenvoorziening
Algemene aanwijzingen over de aanhangwa‐
genvoorziening
Afhankelijk van het voertuigtype zijn wijzigingen
aan het motorkoelsysteem noodzakelijk. Het
naderhand inbouwen van een aanhangwagen‐
voorziening is alleen toegestaan, als in de voer‐
tuigdocumentatie een aanhangwagengewicht is
ingevoerd.
Meer informatie is verkrijgbaar in een gekwalifi‐
ceerdewerkplaats.
Inbouwmaten van de aanhangwagenvoorzie‐
ning
1Bevestigingspunten
2Achteroverbouw
3Hartlijn achteras
De achteroverbouw en de bevestigingspunten
gelden voor een af fabriek gemonteerde aan‐
hangwagenvoorziening.
Ontbrekende waarden waren bij de redactieslui‐
ting nog niet beschikbaar.
Model 22Achter‐
overbouw
EQC 400 4MATIC
544 Technischegegevens
Toegestaan aanhangwagengewicht
De kogeldruk is niet bij het aanhangwagenge‐
wicht inbegrepen.
Toegestane aanhangwagengewichten
EQC 400 4MATIC
geremd (bij minimaal klimver‐
mogen bij wegrijden van 8%) 1800 kg
geremd (bij minimaal klimver‐
mogen bij wegrijden van12%) 1800 kg
ongeremd 750kg
Maximumkogeldruk
*AANWIJZING Beschadiging door het los‐
rakenvan de aanhangwagen
Bij een te geringe kogeldruk kan de aanhang‐
wagen losraken.
#Een kogeldruk van 50 kg niet overschrij‐
den.
#De maximaal toegestane kogeldruk
indien mogelijk benutten.
Kogeldruk
EQC 400 4MATIC
Maximumkogeldruk 72 kg
Toegestane asbelasting van de achteras bij
rijden met aanhangwagen
Toegestane asbelasting
EQC 400 4MATIC
Asbelasting1700 kg
Technischegegevens 545
Displaymeldingen
Inleiding
Aanwijzingen met betrekking tot displaymel‐
dingen
Er verschijnen displaymeldingen op het multi‐
functioneel display.
Displaymeldingen met grafische weergavenkun‐
nen in de handleiding vereenvoudigd zijn afge‐
beeld en afwijken van de weergave op het multi‐
functioneel display. Het multifunctioneel display
geeft displaymeldingen met hoge prioriteit rood
weer. Bij bepaalde displaymeldingen klinkt
bovendien een waarschuwingssignaal.
De betreffende displaymeldingen opvolgen en de
extra aanwijzingen in deze handleiding in acht
nemen.
Bij enkele displaymeldingen worden bovendien
symbolen weergegeven:
RÕMeer informatie
R¨Displaymelding verbergen
Bij de Touch-Control links kan met een veegbe‐
weging naar links of rechts het betreffende sym‐
bool worden geselecteerd. Door te drukken op
Õwordt meer informatie op het multifunctio‐
neel display weergegeven. Door te drukken op
¨verdwijnt de displaymelding.
Displaymeldingen met een lage prioriteit kunnen
worden verwijderd door indrukken van de toets
¤, of op de Touch-Control links. Daarbij wor‐
den de displaymeldingen in het meldingengeheu‐
gen opgeslagen.
De oorzaak van een displaymelding zo snel
mogelijk verhelpen.
Displaymeldingen met hoge prioriteit kunnen
niet worden bevestigd. Het multifunctioneel dis‐
play toont deze displaymeldingen permanent, tot
de oorzaak van de displaymelding verholpen is.
Opgeslagen displaymeldingen oproepen
Boordcomputer:
4Service 51 melding
Wanneer geen displaymeldingen aanwezig zijn,
verschijnt op het multifunctioneel display Geen
meldingen aanwezig.
#Met een veegbeweging omhoog of omlaag op
de Touch-Control links door de displaymel‐
dingen bladeren.
#Het meldingengeheugen verlaten: De toets
¤indrukken.
546 Displaymeldingen met waarschuwings- en controlelampjes
Veiligheidssystemen
Displaymeldingen Mogelijke oorzaak en/of gevolg en MMoplossingen
!
÷
nu niet beschikbaar zie
handleiding
*Het ABS en het ESP®zijn tijdelijk niet beschikbaar.
Ook andere rijsystemen en rijveiligheidssystemen kunnen tijdelijk niet beschikbaar zijn.
Het remsysteem werktverder op normale wijze. De remweg kan bij een noodstop langer worden.
&WAARSCHUWING Slipgevaar bij storing van het ABS en het ESP®
Wanneer het ABS en het ESP®een storing vertonen, kunnen de wielen bij het remmen blokkeren en wordt de
auto niet door het ESP®gestabiliseerd.
Daardoor zijn de bestuurbaarheid en het remgedrag sterk nadelig beïnvloed. De remweg kan bij een noodstop
langer worden. Bovendien zijn verdere rijveiligheidssystemen uitgeschakeld.
#Voorzichtig verder rijden.
#Het ABS en het ESP®direct bij een gekwalificeerde werkplaats laten controleren.
#Voorzichtig een korteroute met watflauwe bochten rijden met een snelheid boven 30 km/h.
#Wanneer de displaymelding niet verdwijnt, direct naar een gekwalificeerde werkplaats gaan. Daarbij voorzichtig
rijden.
Displaymeldingen met waarschuwings- en controlelampjes 547
Displaymeldingen Mogelijke oorzaak en/of gevolg en MMoplossingen
!
÷
functioneren niet zie hand-
leiding
*Het ABS en het ESP®vertonen een storing.
Ook andere rijsystemen en rijveiligheidssystemen kunnen een storing vertonen.
Het remsysteem werktverder op normale wijze. De remweg kan bij een noodstop langer worden.
&WAARSCHUWING Slipgevaar bij storing van het ABS en het ESP®
Wanneer het ABS en het ESP®een storing vertonen, kunnen de wielen bij het remmen blokkeren en wordt de
auto niet door het ESP®gestabiliseerd.
Daardoor zijn de bestuurbaarheid en het remgedrag sterk nadelig beïnvloed. De remweg kan bij een noodstop
langer worden. Bovendien zijn verdere rijveiligheidssystemen uitgeschakeld.
#Voorzichtig verder rijden.
#Het ABS en het ESP®direct bij een gekwalificeerde werkplaats laten controleren.
#Voorzichtig verder rijden.
#Meteen naar een gekwalificeerde werkplaats gaan.
÷
nu niet beschikbaar Zie
handleiding
*Het ESP®is tijdelijk niet beschikbaar.
Ook andere rijsystemen en rijveiligheidssystemen kunnen een storing vertonen.
548 Displaymeldingen met waarschuwings- en controlelampjes
Displaymeldingen Mogelijke oorzaak en/of gevolg en MMoplossingen
&WAARSCHUWING Slipgevaar door een storing in het ESP®
Als het ESP®is uitgeschakeld, wordt de auto niet door het ESP®gestabiliseerd. Bovendien zijn verdere rijveilig‐
heidssystemen uitgeschakeld.
#Voorzichtig verder rijden.
#Het ESP®bij een gekwalificeerde werkplaats laten controleren.
#Voorzichtig een korteroute met watflauwe bochten rijden met een snelheid boven 30 km/h.
#Wanneer de displaymelding niet verdwijnt, direct naar een gekwalificeerde werkplaats gaan. Daarbij voorzichtig
rijden.
÷
functioneert niet zie hand-
leiding
*Het ESP®vertoont een storing.
Ook andere rijsystemen en rijveiligheidssystemen kunnen een storing vertonen.
Het remsysteem werktverder op normale wijze. De remwegkan bij een noodstop langer worden.
&WAARSCHUWING Slipgevaar door een storing in het ESP®
Als het ESP®is uitgeschakeld, wordt de auto niet door het ESP®gestabiliseerd. Bovendien zijn verdere rijveilig‐
heidssystemen uitgeschakeld.
#Voorzichtig verder rijden.
#Het ESP®bij een gekwalificeerde werkplaats laten controleren.
Displaymeldingen met waarschuwings- en controlelampjes 549
Displaymeldingen Mogelijke oorzaak en/of gevolg en MMoplossingen
#Voorzichtig verder rijden.
#Meteen naar een gekwalificeerde werkplaats gaan.
T
!
÷
functioneren niet zie hand-
leiding
*Het EBD, het ABS en het ESP®vertonen een storing.
Ook andere rijsystemen en rijveiligheidssystemen kunnen een storing vertonen.
&WAARSCHUWING Slipgevaar bij storing van het EBD, het ABS en het ESP®
Wanneer het EBD, het ABS en het ESP®een storing vertonen, kunnen de wielen bij het remmen blokkeren en
wordt de auto niet door het ESP®gestabiliseerd.
Daardoor zijn de bestuurbaarheid en het remgedrag sterk nadelig beïnvloed. De remweg kan bij een noodstop
langer worden. Bovendien zijn verdere rijveiligheidssystemen uitgeschakeld.
#Voorzichtig verder rijden.
#Het remsysteem direct bij een gekwalificeerde werkplaats laten controleren.
#Voorzichtig verder rijden.
#Meteen naar een gekwalificeerde werkplaats gaan.
550 Displaymeldingen met waarschuwings- en controlelampjes
Displaymeldingen Mogelijke oorzaak en/of gevolg en MMoplossingen
!
Parkeerrem Om te ontgren-
delen contact AAN
*Het rode controlelampje !brandt.
Als de elektrische parkeerremwordtgelost is het contact uitgeschakeld.
#Het contact inschakelen.
!
Parkeerrem ontgrendelen
*Het rode controlelampje !knippert.
De elektrische parkeerrem is vastgezet tijdens het rijden:
RAan een voorwaarde voor het automatisch vrijzetten van de elektrische parkeerrem is niet voldaan
(/pagina 202).
RUvoert een noodremming uit met de elektrische parkeerrem (/pagina 202).
#De voorwaarden voor het automatisch vrijzetten van de elektrische parkeerrem controleren.
#De elektrische parkeerrem handmatig vrijzetten.
!
Parkeerrem zie handleiding
*Het gele controlelampje !brandt. De elektrische parkeerremvertoont een storing.
Om in te schakelen:
#Het contact uit- en weer inschakelen.
#De elektrische parkeerrem handmatig bedienen (/pagina 202).
Als de elektrische parkeerrem niet kanworden ingeschakeld:
#Naar een gekwalificeerde werkplaats gaan.
Displaymeldingen met waarschuwings- en controlelampjes 551
Displaymeldingen Mogelijke oorzaak en/of gevolg en MMoplossingen
#Bij het parkeren de auto naar behoefte bovendien tegenwegrollen beveiligen.
*Het gele controlelampje !en het rode controlelampje !branden. De elektrische parkeerremvertoont een
storing.
Om vrij te zetten:
#Het contact uit- en weer inschakelen.
#De elektrische parkeerrem handmatig vrijzetten (/pagina 202).
of
#De elektrische parkeerrem automatisch vrijzetten (/pagina 202).
Als de elektrische parkeerremvervolgens niet kanworden vrijgezet:
#Niet verder rijden! Contact opnemen met een gekwalificeerde werkplaats.
*Het gele controlelampje !brandt en het rode controlelampje !knippert. De elektrische parkeerremver‐
toont een storing.
De elektrische parkeerremkan niet worden vastgezet of gelost.
#Het contact uit- en weer inschakelen.
Om in te schakelen:
#De elektrische parkeerrem handmatig vrijzetten en vervolgens weer bedienen (/pagina 202).
Om vrij te zetten:
#De elektrische parkeerrem handmatig bedienen en vervolgens weer vrijzetten.
552 Displaymeldingen met waarschuwings- en controlelampjes
Displaymeldingen Mogelijke oorzaak en/of gevolg en MMoplossingen
Als de elektrische parkeerrem nog steeds niet kanworden vastgezet, of als het rode controlelampje !nog
steeds knippert:
#Niet verder rijden! Contact opnemen met een gekwalificeerde werkplaats.
#Bij het parkeren de auto naar behoefte bovendien tegenwegrollen beveiligen.
*Het gele controlelampje !knippert en het rode controlelampje !knippert gedurende circa tien seconden
na het inschakelen of vrijzetten van de elektrische parkeerrem. Vervolgens blijft het branden of het dooft. De elek‐
trische parkeerremvertoont een storing.
Als de laadtoestand te laag is:
#De accu opladen.
Om in te schakelen:
#Het contact uitschakelen.
De elektrische parkeerremwordt automatisch ingeschakeld.
Als de elektrische parkeerrem niet moet worden ingeschakeld, bijvoorbeeld in de wasstraat of bij het slepen, het
contact ingeschakeld laten. Een uitzondering vormt het slepen met omhooggebrachte achteras.
Als de elektrische parkeerrem niet automatisch wordt ingeschakeld:
#Het contact uit- en weer inschakelen.
#De elektrische parkeerrem handmatig vrijzetten en vervolgens weer bedienen (/pagina 202).
Als de elektrische parkeerremvervolgens niet kanworden ingeschakeld:
Displaymeldingen met waarschuwings- en controlelampjes 553
Displaymeldingen Mogelijke oorzaak en/of gevolg en MMoplossingen
#Naar een gekwalificeerde werkplaats gaan.
#Bij het parkeren de auto naar behoefte bovendien tegenwegrollen beveiligen.
Om vrij te zetten:
#Als is voldaan aan de voorwaarden voor het automatisch vrijzetten, en de elektrische parkeerremwordt niet
automatisch vrijgezet, de elektrische parkeerrem handmatig vrijzetten (/pagina 202).
Als de elektrische parkeerremvervolgens niet kanworden vrijgezet:
#Niet verder rijden! Contact opnemen met een gekwalificeerde werkplaats.
J
Remvloeistofpeil controle-
ren
*Er bevindt zich te weinig remvloeistof in het remvloeistofreservoir.
&WAARSCHUWING Gevaar voor ongevallen bij een te laag remvloeistofniveau
Wanneer het remvloeistofniveau te laag is, kan de remwerking en daarmee het remgedrag nadelig beïnvloed
zijn.
#Direct op een veilige plaats stoppen. Niet verder rijden!
#Contact opnemen met een gekwalificeerde werkplaats.
#Geen remvloeistof bijvullen.
#Direct op een veilige plaats stoppen. Niet verder rijden!
#Geen remvloeistof bijvullen.
554 Displaymeldingen met waarschuwings- en controlelampjes
Displaymeldingen Mogelijke oorzaak en/of gevolg en MMoplossingen
#Contact opnemen met een gekwalificeerde werkplaats.
Remblokken controleren
zie handleiding
*Deremvoeringen hebben de slijtagegrens bereikt.
&WAARSCHUWING Gevaar voor ongevallen door beïnvloed remvermogen
Wanneer de remvoeringen de slijtagegrens hebben bereikt, kan het remvermogen negatief beïnvloed worden.
#Voorzichtig verder rijden.
#Het remsysteem direct bij een gekwalificeerde werkplaats laten controleren.
#Naar een gekwalificeerde werkplaats gaan.
6
Veiligheidssysteem Storing
Werkplaats opzoeken
*Het veiligheidssysteem vertoont een storing (/pagina 32).
&GEVAAR Levensgevaar door storingen van het veiligheidssysteem
Wanneer het veiligheidssysteem een storing vertoont, kunnen onderdelen van het veiligheidssysteem onbedoeld
geactiveerd, of bij een ongeval niet als voorzien geactiveerd worden. Dat kan bijvoorbeeld gordelspanners of
airbags betreffen. Bovendien kan bij een ongeval het hoogspanningsboordnet niet zoals bedoeld worden uitge‐
schakeld.
Als beschadigde onderdelen van het hoogspanningsboordnet worden aangeraakt, kunt u een stroomstoot krij
gen.
#Het veiligheidssysteem direct laten controleren en repareren bij een gekwalificeerde werkplaats.
#Na een ongeval direct het contact afzetten.
Displaymeldingen met waarschuwings- en controlelampjes 555
Displaymeldingen Mogelijke oorzaak en/of gevolg en MMoplossingen
Herkenning van een storing van het veiligheidssysteem:
RBij ingeschakeld contact gaat het waarschuwingslampje veiligheidssysteem 6niet branden.
RTijdens het rijden gaat het waarschuwingslampje veiligheidssysteem 6continu of herhaaldelijk branden.
#Meteen naar een gekwalificeerde werkplaats gaan.
6
Linksvoor Storing Werk-
plaats opzoeken (voor‐
beeld)
*Het betreffende veiligheidssysteem vertoont een storing (/pagina 32).
&GEVAAR Levensgevaar door storingen van het veiligheidssysteem
Wanneer het veiligheidssysteem een storing vertoont, kunnen onderdelen van het veiligheidssysteem onbedoeld
geactiveerd, of bij een ongeval niet als voorzien geactiveerd worden. Dat kan bijvoorbeeld gordelspanners of
airbags betreffen. Bovendien kan bij een ongeval het hoogspanningsboordnet niet zoals bedoeld worden uitge‐
schakeld.
Als beschadigde onderdelen van het hoogspanningsboordnet worden aangeraakt, kunt u een stroomstoot krij
gen.
#Het veiligheidssysteem direct laten controleren en repareren bij een gekwalificeerde werkplaats.
#Na een ongeval direct het contact afzetten.
Herkenning van een storing van het veiligheidssysteem:
RBij ingeschakeld contact gaat het waarschuwingslampje veiligheidssysteem 6niet branden.
RTijdens het rijden gaat het waarschuwingslampje veiligheidssysteem 6continu of herhaaldelijk branden.
#Meteen naar een gekwalificeerde werkplaats gaan.
556 Displaymeldingen met waarschuwings- en controlelampjes
Displaymeldingen Mogelijke oorzaak en/of gevolg en MMoplossingen
6
Windowbag links Storing
Werkplaats opzoeken (voor‐
beeld)
*De betreffende windowbag vertoont een storing (/pagina 32).
&WAARSCHUWING Gevaar voor letsel‑ of levensgevaar door storingen in de werking van de windowbag
Als de windowbag een storing vertoont, kan deze onbedoeld worden geactiveerd of bij een ongeval met grote
vertraging van de auto niet worden geactiveerd.
#De windowbag direct bij een gekwalificeerde werkplaats laten controleren en repareren.
#Meteen naar een gekwalificeerde werkplaats gaan.
Voorpass.-airbag uitgescha-
keld zie handleiding
*De passagiersairbag is gedeactiveerd, hoewel een volwassen persoon of een persoon met een overeenkomstig pos‐
tuur op de passagiersstoel zit. Wanneer extra krachten op de stoel worden uitgeoefend, kan het systeem een te
gering gewicht meten.
&WAARSCHUWING Gevaar voor letsel of levensgevaar bij uitgeschakelde passagiersairbag
Wanneer de passagiersairbag uitgeschakeld is, wordt deze bij een ongeval niet geactiveerd en kan deze dan niet
meer zoals bedoeld beschermen.
Een persoon op de passagiersstoel kan dan bijvoorbeeld met onderdelen van het interieur in contact komen, in
het bijzonder als deze dicht op het dashboard zit.
#Voor en ook tijdens het rijden de correcte status van de passagiersairbag controleren.
#Onmiddellijk, rekening houdend met het verkeer, stoppen.
#Status van de automatische uitschakeling passagiersairbag controleren (/pagina 44).
Displaymeldingen met waarschuwings- en controlelampjes 557
Displaymeldingen Mogelijke oorzaak en/of gevolg en MMoplossingen
#Indien nodig meteen naar een gekwalificeerde werkplaats gaan.
Voorpass.-airbag ingescha-
keld zie handleiding
*De passagiersairbag is tijdens het rijden geactiveerd:
RHoewel zich een kind, een klein persoon of een voorwerp met een gewicht beneden de grenswaarde van het
systeem op de passagiersstoel bevindt.
RHoewel de passagiersstoel leeg is.
Het systeem herkent eventueel extra gewicht door voorwerpen op de stoel of krachten die op de stoel werken.
&WAARSCHUWING Gevaar voor letsel of levensgevaar door gebruik van een kinderzitjesbevestigingssys‐
teem bij ingeschakelde passagiersairbag
Als een kind in een kinderzitjesbevestigingssysteem op de passagiersstoel wordt beveiligd en de passagiersair‐
bag ingeschakeld is, kan de passagiersairbag bij een ongeval worden geactiveerd.
Het kind kan door de airbag worden getroffen.
#Voor en ook tijdens het rijden de correcte status van de passagiersairbag controleren.
Gebruik NOOIT een naar achteren gericht kinderbeveiligingssysteem op een stoel die door een frontale ACTIEVE
AIRBAG wordt beveiligd, want dat kanvoor het kind DODELIJKE of ERNSTIGE VERWONDINGEN tot gevolg heb‐
ben.
#Onmiddellijk, rekening houdend met het verkeer, stoppen.
#Status van de automatische uitschakeling passagiersairbag controleren (/pagina 44).
#Indien nodig meteen naar een gekwalificeerde werkplaats gaan.
558 Displaymeldingen met waarschuwings- en controlelampjes
Displaymeldingen Mogelijke oorzaak en/of gevolg en MMoplossingen
Actieve remassistent Func-
tie nu beperkt beschikbaar
Zie handleiding
*Auto's met rijassistentiepakket: Het Active Brake Assist System met kruisingsfunctie, de uitwijkstuurassistent of
de PRE‑SAFE®PLUS zijn tijdelijk niet of slechts ten dele beschikbaar.
Auto's zonder rijassistentiepakket: Het Active Brake Assist System is tijdelijk niet of slechts ten dele beschik‐
baar.
De omgevingsomstandigheden liggen buiten de systeemgrenzen (/pagina 209).
#Verder rijden.
Het systeem is weer beschikbaar wanneer de omgevingsomstandigheden binnen de systeemgrenzen liggen.
#Wanneer de displaymelding niet verdwijnt, op een veilige plaats stoppen en het aandrijfsysteem opnieuw star‐
ten.
Actieve remassistent Func-
tie beperkt beschikbaar Zie
handleiding
*Auto's met rijassistentiepakket: Het Active Brake Assist System met kruisingsfunctie, de uitwijkstuurassistent of
de PRE‑SAFE®PLUS vertoont een storing.
Auto's zonder rijassistentiepakket: Het Active Brake Assist System vertoont een storing.
#Naar een gekwalificeerde werkplaats gaan.
PRE-SAFE functioneert niet
zie handleiding
*De PRE‑SAFE®functies vertonen een storing.
#Naar een gekwalificeerde werkplaats gaan.
Mercedes me connect
Diensten beperkt Zie hand-
leiding
*De service is beperkt.
Een of meerdere hoofdfuncties van het Mercedes me connect systeem vertonen een storing.
#De aanwijzingen met betrekking tot de diagnose-interface in acht nemen (/pagina 25).
#Naar een gekwalificeerde werkplaats gaan.
Displaymeldingen met waarschuwings- en controlelampjes 559
Displaymeldingen Mogelijke oorzaak en/of gevolg en MMoplossingen
G
functioneert niet
*Een of meerdere hoofdfuncties van het systeem Mercedes me connect of het SOS-noodoproepsysteem vertonen
een storing.
#Naar een gekwalificeerde werkplaats gaan.
Radarsensoren vervuild zie
handleiding
*Het radarsensorsysteem vertonen een storing. Mogelijke oorzaken:
RSensoren vervuild
RHevige neerslag
RLange ritten buiten de bebouwde kom zonder doorstromend verkeer, bijvoorbeeld in de woestijn
Rijsystemen en rijveiligheidssystemen kunnen een storing vertonen of tijdelijk niet beschikbaar zijn.
De rijsystemen en rijveiligheidssystemen zijn weer beschikbaar als de oorzaken niet meer vantoepassing zijn.
Indien de displaymelding niet verdwijnt:
#Stoppen; daarbij op de verkeerssituatie letten.
#Alle sensoren reinigen (/pagina 490).
#Het aandrijfsysteem opnieuw starten.
560 Displaymeldingen met waarschuwings- en controlelampjes
Rijsystemen
Displaymeldingen Mogelijke oorzaak en/of gevolg en MMoplossingen
é
Attention Assist functio-
neert niet
*DeATTENTION ASSIST vertoont een storing.
#Naar een gekwalificeerde werkplaats gaan.
é
Attention Assist: pauze!
*DeATTENTION ASSIST heeft vermoeidheid of een toenemende onoplettendheid bij de bestuurder vastgesteld
(/pagina 254).
#Zo nodig pauze nemen.
Actieve parkeerassistent
en PARKTRONIC functione-
ren niet Zie handleiding
*De actieve parkeerassistent en de PARKTRONIC-parkeerassistent vertonen een storing.
#Veilig stoppen en het aandrijfsysteem opnieuw starten.
#Wanneer de displaymelding nog steeds verschijnt, naar een gekwalificeerde werkplaats gaan.
Storing Maximaal 80 km/h
rijden
*De niveauregeling van de achteras vertoont een storing. Het rijgedragkan daardoor worden beïnvloed.
#Niet sneller dan 80 km/h rijden.
#Naar een gekwalificeerde werkplaats gaan.
Displaymeldingen met waarschuwings- en controlelampjes 561
Displaymeldingen Mogelijke oorzaak en/of gevolg en MMoplossingen
Actieve stuurassistent nu
niet beschikbaar Zie hand-
leiding
*De actieve stuurassistent is tijdelijk niet beschikbaar.
De omgevingsomstandigheden liggen buiten de systeemgrenzen (/pagina 226).
#Verder rijden.
Het systeem is weer beschikbaar wanneer de omgevingsomstandigheden binnen de systeemgrenzen liggen.
#Indien nodig de voorruit in het blikveld van de camera reinigen.
#Indien nodig de bandenspanning controleren.
Actieve stuurassistent func-
tioneert niet
*De actieve stuurassistent vertoont een storing. De actieve afstandsassistent DISTRONIC blijft beschikbaar.
#Naar een gekwalificeerde werkplaats gaan.
Ø*De actieve stuurassistent heeft de systeemgrens bereikt (/pagina 226).
U hebt al geruime tijd niet zelf gestuurd.
#De besturing overnemen en op veilige wijze verder rijden.
Noodstop wordt gestart *Uhebt de handen niet aan het stuurwiel. De noodstopwordtgestart (/pagina 230).
#De handen weer aan het stuurwiel.
Ukunt de vertraging altijd afbreken door een van de volgende handelingen:
RSturen
RRemmen of gasgeven
RStuurwieltoets indrukken
RTouch-control bedienen
562 Displaymeldingen met waarschuwings- en controlelampjes
Displaymeldingen Mogelijke oorzaak en/of gevolg en MMoplossingen
RActieve afstandsassistent DISTRONIC uitschakelen
Actieve stuurassistent
momenteel niet beschik-
baar wegens meerdere
noodstops
*De actieve stuurassistent is vanwege meerdere noodstops tijdelijk niet beschikbaar.
#De besturing overnemen en op veilige wijze stoppen.
#Het contact uit- en weer inschakelen.
De actieve stuurassistent is weer beschikbaar.
Actieve spoorassistent nu
niet beschikbaar zie hand-
leiding
*De actieve spoorassistent is tijdelijk niet beschikbaar.
De omgevingsomstandigheden liggen buiten de systeemgrenzen (/pagina 263).
Auto's met actieve stuurassistent: Het camerabeeld door de voorruit kan beperkt zijn.
#Verder rijden.
Het systeem is weer beschikbaar wanneer de omgevingsomstandigheden binnen de systeemgrenzen liggen.
Auto's met actieve stuurassistent: Wanner de displaymelding niet verdwijnt:
#Stoppen; daarbij op de verkeerssituatie letten.
#De voorruit reinigen.
Actieve spoorassistent
functioneert niet
*De actieve spoorassistent vertoont een storing.
#Naar een gekwalificeerde werkplaats gaan.
Dodehoekassistent nu niet
beschikbaar zie handleiding
*De dodehoekassistent is tijdelijk niet beschikbaar.
De systeemgrenzen zijn bereikt (/pagina 260).
Displaymeldingen met waarschuwings- en controlelampjes 563
Displaymeldingen Mogelijke oorzaak en/of gevolg en MMoplossingen
#Verder rijden.
Het systeem is weer beschikbaar als de oorzaken niet meer aanwezig zijn.
of
#Wanneer de displaymelding niet verdwijnt, op een veilige plaats stoppen en het aandrijfsysteem opnieuw star‐
ten.
#Indien nodig de achterbumper reinigen. Als de bumper sterk vervuild is, kunnen de sensoren in de bumper een
storing vertonen.
Dodehoekassistent functio-
neert niet
*De dodehoekassistent vertoont een storing.
#Naar een gekwalificeerde werkplaats gaan.
Dodehoekassistent met
aanhangwagen niet
beschikbaar zie handleiding
*Wanneer de elektrische verbinding met de aanhangwagen wordtgemaakt, is de dodehoekassistent niet beschik‐
baar.
#Op de Touch-Control links drukken en de displaymelding bevestigen.
Actieve dodehoekassistent
nu niet beschikbaar zie
handleiding
*De actieve dodehoekassistent is tijdelijk niet beschikbaar.
De systeemgrenzen zijn bereikt (/pagina 260).
#Verder rijden.
Het systeem is weer beschikbaar als de oorzaken niet meer aanwezig zijn.
of
#Wanneer de displaymelding niet verdwijnt, op een veilige plaats stoppen en het aandrijfsysteem opnieuw star‐
ten.
564 Displaymeldingen met waarschuwings- en controlelampjes
Displaymeldingen Mogelijke oorzaak en/of gevolg en MMoplossingen
Actieve dodehoekassistent
functioneert niet
*De actieve dodehoekassistent vertoont een storing.
#Naar een gekwalificeerde werkplaats gaan.
Act. dodehoekassistent
met aanhangwagen niet
beschikbaar Zie handleiding
*Wanneer de elektrische verbinding met de aanhangwagen wordtgemaakt, is de actieve dodehoekassistent niet
beschikbaar.
#Op de Touch-Control links drukken en de displaymelding bevestigen.
Verkeerstekenassistent nu
niet beschikbaar zie hand-
leiding
*Deverkeerstekenassistent is tijdelijk niet beschikbaar.
#Verder rijden.
Het systeem is weer beschikbaar als de oorzaken niet meer aanwezig zijn.
Verkeerstekenassistent
functioneert niet
*Deverkeerstekenassistent vertoont een storing.
#Veilig stoppen en het aandrijfsysteem opnieuw starten.
#Wanneer de displaymelding nog steeds verschijnt, naar een gekwalificeerde werkplaats gaan.
Snelheidslimietassistent nu
niet beschikbaar zie hand-
leiding
*De snelheidslimietassistent is tijdelijk niet beschikbaar.
#Verder rijden.
Het systeem is weer beschikbaar als de oorzaken niet meer aanwezig zijn.
Snelheidslimietassistent
functioneert niet
*De snelheidslimietassistent vertoont een functiestoring.
#Naar een gekwalificeerde werkplaats gaan.
Displaymeldingen met waarschuwings- en controlelampjes 565
Displaymeldingen Mogelijke oorzaak en/of gevolg en MMoplossingen
ë
Uit
*De HOLD-functie is uitgeschakeld, omdat de auto slipt of omdat niet is voldaan aan een inschakelvoorwaarde.
#De HOLD-functie later weer inschakelen of de inschakelvoorwaarden van de HOLD-functie controleren
(/pagina 233).
ç
- - - km/h
*De actieve afstandsassistent DISTRONIC kan niet worden ingeschakeld, omdat niet aan alle inschakelvoorwaarden
voldaan is.
#De inschakelvoorwaarden van de actieve afstandsassistent DISTRONIC in acht nemen (/pagina 221).
ç
passief
*Wanneer u het gaspedaal totvoorbij de instelling voor de actieve afstandsassistent DISTRONIC bedient, wordt het
systeem passief geschakeld (/pagina 231).
ç
Uit
*De actieve afstandsassistent DISTRONIC is gedeactiveerd. Wanneer bovendien een waarschuwingssignaal klinkt, is
de actieve afstandsassistent DISTRONIC automatisch gedeactiveerd (/pagina 221).
566 Displaymeldingen met waarschuwings- en controlelampjes
Displaymeldingen Mogelijke oorzaak en/of gevolg en MMoplossingen
Actieve afstandsassistent
nu niet beschikbaar Zie
handleiding
*De actieve afstandsassistent DISTRONIC is tijdelijk niet beschikbaar.
De omgevingsomstandigheden liggen buiten de systeemgrenzen (/pagina 219).
#Verder rijden.
Het systeem is weer beschikbaar wanneer de omgevingsomstandigheden binnen de systeemgrenzen liggen.
Actieve afstandsassistent
functioneert niet
*De actieve afstandsassistent DISTRONIC vertoont een storing.
Ook andere rijsystemen en rijveiligheidssystemen kunnen een storing vertonen.
#Naar een gekwalificeerde werkplaats gaan.
Actieve afstandsassistent
weer beschikbaar
*De actieve afstandsassistent DISTRONIC is weer gereed voor gebruik en kanworden ingeschakeld (/pagina 221).
¯
- - - km/h
*De TEMPOMAT kan niet worden ingeschakeld, omdat niet aan alle inschakelvoorwaarden voldaan is.
#De inschakelvoorwaarden van de TEMPOMAT controleren (/pagina 217).
TEMPOMAT functioneert
niet
*De TEMPOMAT vertoont een storing.
#Naar een gekwalificeerde werkplaats gaan.
TEMPOMAT en limiter func-
tioneren niet
*De TEMPOMAT en de limiter vertonen een storing.
#Naar een gekwalificeerde werkplaats gaan.
Displaymeldingen met waarschuwings- en controlelampjes 567
Displaymeldingen Mogelijke oorzaak en/of gevolg en MMoplossingen
TEMPOMAT Uit *De TEMPOMAT is uitgeschakeld.
Wanneer bovendien een waarschuwingssignaal klinkt, is de TEMPOMAT automatisch uitgeschakeld (/pagina 215).
Limiter passief *Wanneer het gaspedaal totvoorbij het drukpunt wordt ingedrukt (kickdown), wordt de limiter passief geschakeld
(/pagina 217).
È
- - - km/h
*De limiter kan niet worden ingeschakeld, omdat niet aan alle inschakelvoorwaarden voldaan is.
#De inschakelvoorwaarden van de limiter in acht nemen (/pagina 217).
Limiter functioneert niet *De limiter vertoont een storing.
#Naar een gekwalificeerde werkplaats gaan.
Snelheidsbegrenzing (win-
terbanden) XXX km/h
*Uheeft de voor winterbanden opgeslagen topsnelheid bereikt. Deze snelheid kan niet worden overschreden.
ð
Maximum snelheid over-
schreden
*De maximum toegestane snelheid is overschreden (alleen bepaalde landen).
#Langzamer rijden.
568 Displaymeldingen met waarschuwings- en controlelampjes
Transmissie
Displaymeldingen Mogelijke oorzaak en/of gevolg en MMoplossingen
Voor verlaten van schakel-
stand P rem bedienen
*U hebt geprobeerd om vanuit de parkeerstand jeen andere transmissiestand in te schakelen.
#Het rempedaal indrukken.
#De transmissiestand h,kof de neutraalstand iinschakelen.
Voor verlaten van schakel-
stand P of N rem bedienen
en motor starten
*U hebt geprobeerd om vanuit de parkeerstand jof de neutraalstand ieen andere transmissiestand in te scha‐
kelen.
#Het rempedaal indrukken.
#Het aandrijfsysteem starten.
Wegrolgevaar Portier open
en transmissie niet in P
*Het bestuurdersportier is niet volledig gesloten en de transmissiestand hof kof de neutraalstand iis inge‐
schakeld.
#Bij het parkerenvan de auto de parkeerstand jinschakelen.
Stand N permanent geacti-
veerd Wegrolgevaar
*Terwijl de auto rolt of rijdt is de neutraalstand iingeschakeld.
#Om te stoppen het rempedaal indrukken.
#Als de auto stilstaat de transmissie in de parkeerstand jzetten.
#Om verder te rijden de transmissiestand hof kinschakelen.
Schakelstand P alleen bij
stilstaand voertuig
*De parkeerstand jkan alleen worden ingeschakeld als de auto stilstaat.
#Om te stoppen het rempedaal indrukken.
#Als de auto stilstaat de transmissie in de parkeerstand jzetten.
Displaymeldingen met waarschuwings- en controlelampjes 569
Displaymeldingen Mogelijke oorzaak en/of gevolg en MMoplossingen
Voor inschakelen van scha-
kelstand R eerst rem bedie-
nen
*U hebt geprobeerd om de transmissiestand kin te schakelen.
#Het rempedaal indrukken.
#De transmissiestandkinschakelen.
Zonder schakelen Werk-
plaats opzoeken
*Het aandrijfsysteem vertoont een storing. De ingeschakelde transmissiestandkan niet meer worden gewisseld.
#Wanneer de transmissiestand his ingeschakeld, de transmissiestand niet meer wijzigen en naar een gekwalifi‐
ceerdewerkplaats gaan.
#Bij alle andere transmissiestanden de auto op een veilige plaats parkeren.
#Contact opnemen met een gekwalificeerde werkplaats.
Achteruit rijden niet moge-
lijk Werkplaats opzoeken
*De transmissie vertoont een storing. De transmissiestand kkan niet meer worden ingeschakeld.
#Naar een gekwalificeerde werkplaats gaan.
Transmissie Storing Stop-
pen
*De transmissie vertoont een storing. De transmissie schakelt automatisch in de neutraalstand i.
#Onmiddellijk, rekening houdend met het verkeer, stoppen.
#Het rempedaal indrukken.
#De parkeerstand jinschakelen.
#Contact opnemen met een gekwalificeerde werkplaats.
570 Displaymeldingen met waarschuwings- en controlelampjes
Banden
Displaymeldingen Mogelijke oorzaak en/of gevolg en MMoplossingen
Bandenspanningscontrole
nu niet beschikbaar
*Een sterke radiobron veroorzaakt een storing. Daardoor worden geen signalen van de bandenspanningsensoren
ontvangen. De bandenspanningscontrole is tijdelijk niet beschikbaar.
#Verder rijden.
Zodra de oorzaak is verholpen, start de bandenspanningscontrole vanzelf weer.
Bandensp.contr. functio-
neert niet
*De bandenspanningscontrole vertoont een storing.
&WAARSCHUWING Gevaar voor ongevallen bij storing van de bandenspanningscontrole
Wanneer de bandenspanningscontrole een storing vertoont, kan deze niet meer zoals bedoeld waarschuwen bij
drukverlies bij één of meer banden.
Band met een te lage bandenspanning kunnen bijvoorbeeld het stuur- en remgedrag nadelig beïnvloeden.
#De bandenspanningscontrole bij een gekwalificeerde werkplaats laten controleren.
#Naar een gekwalificeerde werkplaats gaan.
Bandensp.contr. functio-
neert niet Geen wielsenso-
ren
*Degemonteerde wielen hebben geen geschikte bandenspanningsensoren. De bandenspanningscontrole is uitge‐
schakeld.
#Wielen met geschikte bandenspanningsensoren monteren.
Displaymeldingen met waarschuwings- en controlelampjes 571
Displaymeldingen Mogelijke oorzaak en/of gevolg en MMoplossingen
h
Wielsensor(en) niet
beschikbaar
*Van een of meerdere wielen ontbreekt het signaal van de bandenspanningsensor. Bij de betreffende band wordt
geen bandenspanningswaarde weergegeven.
#De defecte bandenspanningsensor latenvervangen bij een gekwalificeerde werkplaats.
h
Banden controleren
*Van één of meerdere banden is de bandenspanning sterk gedaald. De wielpositie wordtweergegeven.
&WAARSCHUWING Gevaar voor ongevallen door een te lage bandenspanning
Banden met een te lage bandenspanning leveren de volgende gevaren op:
RDe banden kunnen klappen, in het bijzonder bij toenemende belading en snelheid.
RDe banden kunnen overmatig en/of ongelijkmatig slijten, hetgeen de grip sterk nadelig beïnvloedt.
R De rij-eigenschappen en het stuur- en remgedrag kunnen sterk nadelig beïnvloed worden.
Ukunt dan de controle over de auto verliezen.
#De geadviseerde bandenspanningen in acht nemen.
#Indien noodzakelijk de bandenspanning aanpassen.
#De auto op een veilige plaats stoppen.
#De bandenspanning (/pagina 515) en de banden controleren.
572 Displaymeldingen met waarschuwings- en controlelampjes
Displaymeldingen Mogelijke oorzaak en/of gevolg en MMoplossingen
h
Bandenspanning corrigeren
*Ten minste één band heeft een te lage bandenspanning, of de bandenspanningen van de afzonderlijke banden wij‐
kente sterk van elkaar af.
#De bandenspanning controleren en eventueel lucht bijvullen.
#Bij een correct ingestelde bandenspanning de bandenspanningscontrole opnieuw activeren (/pagina 518).
h
Let op: band defect
*Van één of meerdere banden daalt de bandenspanning plotseling. De wielpositie wordtweergegeven.
&WAARSCHUWING Gevaar voor ongevallen tijdens het rijden met drukloze banden
Drukloze band hebben de volgende gevaren:
RDe banden kunnen overmatig verwarmen en tot brand leiden.
R De rij-eigenschappen en het stuur- en remgedrag kunnen sterk nadelig beïnvloed worden.
Ukunt dan de controle over de auto verliezen.
#Niet met drukloze band rijden.
#De aanwijzingen m.b.t. bandenpech in acht nemen.
Aanwijzingen met betrekking tot bandenpech (/pagina 498).
#De auto op een veilige plaats stoppen.
#De banden controleren.
Banden oververhit *Ten minste een band is oververhit. De betroffen banden worden rood afgebeeld. Bij een temperatuur dicht bij de
grenswaarde worden de banden geel afgebeeld.
Displaymeldingen met waarschuwings- en controlelampjes 573
Displaymeldingen Mogelijke oorzaak en/of gevolg en MMoplossingen
#Langzamer rijden.
Snelheid verlagen *Ten minste een band is oververhit. De betroffen banden worden rood afgebeeld. Bij een temperatuur dicht bij de
grenswaarde worden de banden geel afgebeeld.
&WAARSCHUWING Gevaar voor ongevallen tijdens het rijden met oververhitte banden
Oververhitte banden kunnen uit elkaar spatten, in het bijzonder bij hoge snelheid.
#De snelheid verlagen, opdat de banden afkoelen.
#De snelheid verlagen, opdat de banden afkoelen.
Sleutel
Displaymeldingen Mogelijke oorzaak en/of gevolg en MMoplossingen
À
Sleutel vervangen Zie hand-
leiding
*Auto's met digitale voertuigsleutel-sticker: Er zijn slechts weinig of geen toestemmingen voor het startenvan
het aandrijfsysteem beschikbaar.
#Controleer dat door bepaalde instellingen in de mobiele telefoon de internetverbinding niet wordt beperkt.
#Mercedes me connect http://www.mercedes.me openen en de dienst "Digitale voertuigsleutel" oproepen.
#De dienst eerst deactiveren en dan weer opnieuw activeren.
#Als de displaymelding weer verschijnt, contact opnemen met het Mercedes-Benz Customer Assistance Center
(CAC).
574 Displaymeldingen met waarschuwings- en controlelampjes
Displaymeldingen Mogelijke oorzaak en/of gevolg en MMoplossingen
*Auto's met digitale voertuigsleutel-sticker: Er zijn slechts weinig of geen toestemmingen voor het startenvan
het aandrijfsysteem beschikbaar.
#Bij een Mercedes-Benz-servicewerkplaats of op de http://www.mercedes-benz.com/connect kunt u een
nieuwe digitale voertuigsleutel-sticker bestellen.
Á
Sleutel vervangen
*De sleutel moet worden vervangen.
#Naar een gekwalificeerde werkplaats gaan.
Á
Batterij sleutel vervangen
*De batterij van de sleutel is leeg.
#De batterij vervangen (/pagina 78).
Á
Sleutel niet herkend (witte
displaymelding)
*De sleutel wordt momenteel niet herkend.
#De plaats van de sleutel in de auto veranderen.
#Wanneer de sleutel nog steeds niet wordt herkend, de sleutel in het opbergvak voor het starten met de sleutel
plaatsen (/pagina 171).
Displaymeldingen met waarschuwings- en controlelampjes 575
Displaymeldingen Mogelijke oorzaak en/of gevolg en MMoplossingen
Á
Sleutel niet herkend (rode
displaymelding)
*De sleutel wordt niet herkend en is eventueel niet meer in de auto aanwezig.
De sleutel bevindt zich niet meer in de auto is en u zet het aandrijfsysteem af:
RUkunt het aandrijfsysteem niet meer starten.
RUkunt de auto niet centraal vergrendelen.
#De sleutel moet zich in de auto bevinden.
Wanneer de herkenning van de sleutelvanwege een sterke radiobron wordtgestoord:
#Onmiddellijk, rekening houdend met het verkeer, stoppen.
#De sleutel in het opbergvak voor het starten met de sleutel plaatsen (/pagina 171).
Sleutel in aangegeven berg-
plaats leggen zie handlei-
ding
*De herkenning van de sleutelvertoont een storing.
#De plaats van de sleutel in de auto veranderen.
#De sleutel in het opbergvak voor het starten met de sleutel plaatsen (/pagina 171).
576 Displaymeldingen met waarschuwings- en controlelampjes
Auto
Displaymeldingen Mogelijke oorzaak en/of gevolg en MMoplossingen
d
Voertuig klaar om te rijden
Voor het verlaten contact
uitschakelen
*Uwilt de auto in rijklare toestand verlaten.
#Bij het verlaten van de auto het contact uitschakelen, de auto tegenwegrollen beveiligen en de sleutel meene‐
men.
#Wanneer de auto niet wordtverlaten, de elektrische verbruikers, bijvoorbeeld de stoelverwarming, uitschakelen.
Anders kan de 12V‑accu ontladen en kan de auto alleen met behulp van een externe accu (starthulp) worden
gestart.
ï
Trekhaak zwenkt
*Dekogelhals zwenkt in- of uit.
De zwenkprocedure niet met de hand, de voet of andere hulpmiddelen versnellen, vertragen of forceren als de
kogelkop niet beweegt. Tijdens de zwenkprocedure geen aanhangwagen aankoppelen.
De displaymelding verdwijnt als de kogelhals zich in een bedrijfsklare positie bevindt.
ï
Trekhaak vergrendeling
control. (witte displaymel‐
ding)
*De aanhangwagenvoorziening is niet klaar voor gebruik tijdens het rijden met een aanhangwagen.
#Rekening houdend met de verkeerssituatie zo snel mogelijk stoppen en het aandrijfsysteem afzetten.
#De aanhangwagen afkoppelen en voorkomen dat deze kanwegrollen.
#Om een nieuwe inklapprocedure te starten, aan de toets in de achterklep trekken en vasthouden tot de kogel‐
hals onder de bumper vergrendelt (/pagina 266).
#Als de displaymelding is verdwenen de aanhangwagen weer aankoppelen en verder rijden.
Displaymeldingen met waarschuwings- en controlelampjes 577
Displaymeldingen Mogelijke oorzaak en/of gevolg en MMoplossingen
&WAARSCHUWING Gevaar voor ongevallen door niet vergrendelde kogelkop
Als de kogelkop niet vergrendeld is, kan de aanhangwagen losraken.
#Direct op een veilige plaats stoppen. Niet verder rijden!
#De aanhangwagen afkoppelen en voorkomen dat deze kanwegrollen.
#Opnieuw in- en uitklappen en de aanhangwagen pas weer aankoppelen als de displaymelding verdwijnt.
Als de displaymelding niet verdwijnt, vertoont de aanhangwagenvoorziening een storing en is de kogelhals niet ver‐
grendeld.
#De aanhangwagen niet aankoppelen en verder rijden zonder aanhangwagen. Daarbij letten op de beperkte
bodemvrijheid door de niet vergrendelde kogelhals.
#Naar een gekwalificeerde werkplaats gaan.
*De aanhangwagenvoorziening is bij stilstand niet klaar voor gebruik.
#De aangekoppelde aanhangwagen afkoppelen en voorkomen dat deze kanwegrollen.
#Als de kogelhals is ingeklapt: Aan de toets in de achterklep trekken en vasthouden tot de kogelhals in de
vergrendelde positie verticaal vergrendelt en vervolgens onder de bumper vergrendelt (/pagina 266).
#Als de kogelhals is uitgeklapt: Aan de toets in de achterklep trekken en blijven trekken tot de kogelhals onder
de bumper vergrendelt.
Als de displaymelding niet verdwijnt, vertoont de aanhangwagenvoorziening een storing en is de kogelhals niet ver‐
grendeld.
578 Displaymeldingen met waarschuwings- en controlelampjes
Displaymeldingen Mogelijke oorzaak en/of gevolg en MMoplossingen
#De aanhangwagen niet aankoppelen en verder rijden zonder aanhangwagen. Daarbij letten op de beperkte
bodemvrijheid door de niet vergrendelde kogelhals.
#Naar een gekwalificeerde werkplaats gaan.
ï
Bediening alleen in trans-
missiestand P
*De kogelhals zwenkt niet, omdat de transmissiestand h,kof de neutraalstand iis ingeschakeld.
#Het rempedaal indrukken.
#De parkeerstand jinschakelen.
Ù
Storing besturing Meer
kracht vereist Zie handlei-
ding
*De bekrachtiging van de stuurinrichting vertoont een storing.
&WAARSCHUWING Gevaar voor ongevallen door gewijzigd stuurgedrag
Wanneer de bekrachtiging van de stuurinrichting gedeeltelijk of geheel uitvalt, is er meer kracht nodig om te
sturen.
#Als veilig kanworden gestuurd, voorzichtig verder rijden.
#Direct naar een gekwalificeerde werkplaats gaan of contact opnemen met een gekwalificeerde werkplaats.
#Als veilig kanworden gestuurd, voorzichtig verder rijden.
#Direct naar een gekwalificeerde werkplaats gaan of contact opnemen met een gekwalificeerde werkplaats.
Displaymeldingen met waarschuwings- en controlelampjes 579
Displaymeldingen Mogelijke oorzaak en/of gevolg en MMoplossingen
Ù
Storing besturing Direct
stoppen Zie handleiding
*Destuurinrichting vertoont een storing. De bestuurbaarheid is sterk nadelig beïnvloed.
&WAARSCHUWING Gevaar voor ongevallen bij beperkte bestuurbaarheid
Wanneer de stuurinrichting niet meer zoals bedoeld functioneert, is de bedrijfsveiligheid van de auto in gevaar.
#Direct op een veilige plaats stoppen. Niet verder rijden!
#Contact opnemen met een gekwalificeerde werkplaats.
#Onmiddellijk, rekening houdend met het verkeer, stoppen. Niet verder rijden!
#Contact opnemen met een gekwalificeerde werkplaats.
C*Ten minste een portier is geopend.
#Alle portieren sluiten.
?*De motorkap is geopend.
&WAARSCHUWING Gevaar voor ongevallen door ontgrendelde motorkap tijdens het rijden
Een ontgrendelde motorkap kan tijdens het rijden opengaan en het zicht belemmeren.
#Nooit de motorkap ontgrendelen tijdens het rijden.
#Voor iedere rit controleren dat de motorkap vergrendeld is.
580 Displaymeldingen met waarschuwings- en controlelampjes
Displaymeldingen Mogelijke oorzaak en/of gevolg en MMoplossingen
#De auto direct op een veilige plaats stoppen.
#De motorkap sluiten.
A*De achterklep is geopend.
#De achterklep sluiten.
_
Rugleuning achterbank
links niet vergrendeld (voor‐
beeld)
*Derugleuning van de betreffende stoel is niet vergrendeld.
#De rugleuning terugklappen tot deze vergrendelt.
¥
Ruitensproeiervloeistof bij-
vullen
*Het ruitensproeiervloeistofniveau in het ruitensproeiervloeistofreservoir is tot onder het minimum gedaald.
#Ruitensproeiervloeistof bijvullen (/pagina 484).
Displaymeldingen met waarschuwings- en controlelampjes 581
Klimaatregeling
Displaymeldingen Mogelijke oorzaak en/of gevolg en MMoplossingen
&
functioneert niet Opladen
van HV-accu niet afgesloten
*De hoogspanningsaccu wordt opgeladen. De klimaatregeling vooraf kan niet worden ingeschakeld.
#Wachtentot het laadproces een minimale laadtoestand heeft bereikt.
&
functioneert niet HV-accu
opladen
*De spanning van de hoogspanningsaccu is te laag. De klimaatregeling vooraf kan niet worden ingeschakeld.
#De hoogspanningsaccu opladen.
&
Voorklimatisering via sleu-
tel na starten van de motor
weer beschikbaar
*Uhebt bij een geparkeerde auto meer dan driemaal geprobeerd de klimaatregeling vooraf in te schakelen.
#Het aandrijfsysteem gedurende tien seconden laten draaien.
De klimaatregeling vooraf kanweer worden ingeschakeld.
582 Displaymeldingen met waarschuwings- en controlelampjes
Displaymeldingen Mogelijke oorzaak en/of gevolg en MMoplossingen
&
Voorklimatisering via sleu-
tel functioneert niet HV-
accu zwak
*De spanning van de hoogspanningsaccu is te laag. De klimaatregeling vooraf kan niet worden ingeschakeld.
#De hoogspanningsaccu opladen.
Wanneer de hoogspanningsaccu voldoende opgeladen is, is de klimaatregeling vooraf weer ingeschakeld.
Aandrijfsysteem
Displaymeldingen Mogelijke oorzaak en/of gevolg en MMoplossingen
Om de motor af te zetten
de start-stop-toets gedu-
rende min. 3 sec. of 3 keer
indrukken
*Uhebt tijdens het rijden de start-stoptoets ingedrukt.
#Om het aandrijfsysteem tijdens het rijden af te zetten, zie (/pagina 169).
+
Koelvloeistof bijvullen zie
handleiding
*Het koelvloeistofniveau is te laag.
*AANWIJZING Motorschade door te weinig koelvloeistof
#Langere ritten met te weinig koelvloeistofvermijden.
#Het koelsysteem bij een gekwalificeerde werkplaats laten controleren.
Displaymeldingen met waarschuwings- en controlelampjes 583
Displaymeldingen Mogelijke oorzaak en/of gevolg en MMoplossingen
?*Deventilatormotor is defect.
#Zonder hoge motorbelasting naar de dichtstbijzijnde gekwalificeerde werkplaats verder rijden.
Auto wordt momenteel niet
opgeladen Storing van het
laadstation
*Er is een storing van het laadstation opgetreden of de RFID-kaart wordt niet herkend.
#Het opladen bij een ander laadstation starten.
of
#De werking van de RFID-kaart laten controleren.
Laadmodus momenteel
niet beschikbaar Opnieuw
proberen of andere laadmo-
dus kiezen
*Er is een tijdelijke storing van het laadstation opgetreden.
#Wachtentot de storing voorbij is.
of
#Het opladen bij een ander laadstation starten.
Laadstoring Andere laad-
modus kiezen a.u.b. Zie
handleiding
*Het opladen kanvanwege een storing niet worden gestart.
#Naar een gekwalificeerde werkplaats gaan.
Laadkabel ontgrendelen
niet mogelijk Zie handlei-
ding
*De laadkabelstekker kan niet uit de contactdoos van het laadstation worden getrokken.
#De NOOD-UIT-schakelaar op het laadstation indrukken.
Wanneer de laadkabelstekker vervolgens niet kanworden verwijderd:
584 Displaymeldingen met waarschuwings- en controlelampjes
Displaymeldingen Mogelijke oorzaak en/of gevolg en MMoplossingen
#Bij de aanbieder van het laadstation via de op het laadstation aangebrachte noodoproeptoets of het alarmnum‐
mer om servicepersoneel verzoeken.
è
Laadkabel aangesloten
*Erkan niet worden weggereden zo lang de laadkabel is aangesloten.
á
Wegslepen verboden Zie
handleiding
*Het aandrijfsysteem vertoont een storing.
#De auto alleen vervoeren op een auto-ambulance of een aanhangwagen (/pagina 506).
ò
Akoestische omgevingsbe-
scherming functioneert niet
*De soundgenerator (akoestisch voertuigwaarschuwingssysteem) vertoont een storing. Er worden geen rijgeluiden
gegenereerd. Daaromkan de auto in bepaalde gevallen niet hoorbaar zijn voor andere verkeersdeelnemers.
#In het bijzonder anticiperend rijden.
#Naar een gekwalificeerde werkplaats gaan.
Displaymeldingen met waarschuwings- en controlelampjes 585
Displaymeldingen Mogelijke oorzaak en/of gevolg en MMoplossingen
Û
Hoogsp.accu oververhit
Stop, iedereen uitstappen!
Liefst in de openlucht
*De hoogspanningsaccu is oververhit. Brandgevaar!
#Onmiddellijk, rekening houdend met het verkeer, stoppen.
#Indien mogelijk de auto buiten parkeren en alle inzittenden laten uitstappen.
#Niet verder rijden.
#Bij rookontwikkeling de gevarenzone verlaten en onmiddellijk contact opnemen met de brandweer.
#Ook zonder dat tekenen voor een brand aanwezig zijn, contact opnemen met een gekwalificeerde werkplaats.
Û
Storing
*Het aandrijfsysteem vertoont een storing. Bovendien klinkt een waarschuwingssignaal.
#Naar een gekwalificeerde werkplaats gaan.
*Wanneer de displaymelding en het waarschuwingssignaal met korte intervallen worden herhaald, is een ernstige
storing aanwezig. De auto moet direct op een veilige plaats worden geparkeerd, omdat het aandrijfsysteem auto‐
matisch wordtgedeactiveerd.
#Onmiddellijk, rekening houdend met het verkeer, stoppen.
#Het contact uitschakelen en contact opnemen met een gekwalificeerde werkplaats.
d
Aandrijfvermogen geredu-
ceerd Zie handleiding
*Detemperatuur van het aandrijfsysteem ligt buiten het bedrijfstemperatuurgebied, bijvoorbeeld vanwege extreme
buitentemperaturen.
Het vermogen van het aandrijfsysteem is gereduceerd. Het gele waarschuwingslampje vermogen gereduceerd
Obrandt.
#Voorzichtig verder rijden.
Wanneer de bedrijfsomstandigheden weer normaal worden, is het volledige aandrijfvermogen weer beschikbaar.
586 Displaymeldingen met waarschuwings- en controlelampjes
Displaymeldingen Mogelijke oorzaak en/of gevolg en MMoplossingen
*De hoogspanningsaccu is niet voldoende opgeladen.
Het vermogen van het aandrijfsysteem is gereduceerd. Het gele waarschuwingslampje vermogen gereduceerd
Obrandt.
#Voorzichtig verder rijden.
#De hoogspanningsaccu direct opladen.
*Wanneer het vermogen van het aandrijfsysteem daarna nog steeds gereduceerd is, is er een storing in het aandrijf‐
systeem aanwezig.
#Voorzichtig verder rijden.
#Naar een gekwalificeerde werkplaats gaan.
Û
Storing Werkplaats opzoe-
ken
*Het aandrijfsysteem vertoont een storing.
#Naar een gekwalificeerde werkplaats gaan.
Û
Zonder opnieuw te starten
Werkplaats opzoeken
*Het aandrijfsysteem kanvanwege een storing niet opnieuw worden gestart.
#Zonder het aandrijfsysteem af te zetten tot de volgende gekwalificeerde werkplaats verder rijden.
Displaymeldingen met waarschuwings- en controlelampjes 587
Displaymeldingen Mogelijke oorzaak en/of gevolg en MMoplossingen
Ý
Accureserve Hoogspan-
ningsaccu opladen
*De laadtoestand van de hoogspanningsaccu heeft het reservegebied bereikt.
#De hoogspanningsaccu opladen (/pagina 181).
Û
Direct stoppen Aandrijving
wordt uitgesch.
Hoogsp.accu opladen
*De laadtoestand van de hoogspanningsaccu is zo laag, dat rijden niet meer mogelijk is. Het aandrijfsysteem kan
dan niet meer worden gestart.
Wanneer het aandrijfsysteem opnieuw wordtgestart, verschijnt opnieuw de melding Direct stoppen Aandrijving
wordt uitgesch. Hoogsp.accu opladen.
#De hoogspanningsaccu opladen (/pagina 181).
#
12V-accu Zie handleiding
*Het aandrijfsysteem is afgezet en de laadtoestand is te laag.
#Niet benodigde elektrische verbruikers uitschakelen.
Om de accu op te laden:
#De accu stationair opladen.
588 Displaymeldingen met waarschuwings- en controlelampjes
Displaymeldingen Mogelijke oorzaak en/of gevolg en MMoplossingen
d
Storing
*Het aandrijfsysteem vertoont een storing. Het aandrijfvermogen van de auto kan beperkt zijn.
#Naar een gekwalificeerde werkplaats gaan.
d
Stoppen Motor uit
*Het aandrijfsysteem vertoont een storing.
#Onmiddellijk, rekening houdend met het verkeer, stoppen. Niet verder rijden!
#Contact opnemen met een gekwalificeerde werkplaats.
d
Storing Werkplaats opzoe-
ken
*Het aandrijfsysteem vertoont een storing.
#Naar een gekwalificeerde werkplaats gaan.
Displaymeldingen met waarschuwings- en controlelampjes 589
Verlichting
Displaymeldingen Mogelijke oorzaak en/of gevolg en MMoplossingen
b
Dimlicht links (voorbeeld)
*De betreffende lichtbron is defect.
#Voorzichtig verder rijden.
#Meteen naar een gekwalificeerde werkplaats gaan.
%LED-lichtbron: Alleen wanneer alle lichtdiodes defect zijn, verschijnt de displaymelding voor de betreffende ver‐
lichting.
b
Storing Zie handleiding
*Deexterieurverlichting vertoont een storing.
#Naar een gekwalificeerde werkplaats gaan.
*Auto's met aanhangwagenvoorziening: Een zekering kan doorgebrand zijn.
#Stoppen; daarbij op de verkeerssituatie letten.
#De zekeringen controleren en eventueel vervangen (/pagina 510).
b
AUTO-verlichting buiten
werking
*De lichtsensor vertoont een storing.
#Naar een gekwalificeerde werkplaats gaan.
590 Displaymeldingen met waarschuwings- en controlelampjes
Displaymeldingen Mogelijke oorzaak en/of gevolg en MMoplossingen
b
Verlichting inschakelen
*Urijdt zonder dimlicht.
#De verlichtingsschakelaar in de stand Lof Ãdraaien.
b
Licht uitschakelen
*De auto wordtverlaten en de verlichting is nog ingeschakeld.
#De verlichtingsschakelaar in de stand Ãdraaien.
b
Intelligent Light System
functioneert niet
*Het Intelligent Light System vertoont een storing. Het verlichtingssysteem werktverder zonder de functies van het
Intelligent Light System.
#Naar een gekwalificeerde werkplaats gaan.
b
Act. bochtverlicht. functio-
neert niet
*De actieve bochtenverlichting vertoont een storing.
#Naar een gekwalificeerde werkplaats gaan.
Displaymeldingen met waarschuwings- en controlelampjes 591
Displaymeldingen Mogelijke oorzaak en/of gevolg en MMoplossingen
Adaptieve grootlichtassis-
tent Plus nu niet beschik-
baar Zie handleiding
*De adaptieve grootlichtassistent Plus is tijdelijk niet beschikbaar.
De systeemgrenzen zijn bereikt (/pagina 143).
#Verder rijden.
Het systeem is weer beschikbaar als de oorzaken niet meer aanwezig zijn. De displaymelding Adaptieve groot-
lichtassistent Plus weer beschikbaar verschijnt.
Adaptieve grootlichtassis-
tent Plus functioneert niet
*De adaptieve grootlichtassistent Plus vertoont een storing.
#Naar een gekwalificeerde werkplaats gaan.
Alarmknipperlichten Storing *De alarmknipperlichtenschakelaar vertoont een storing.
#Naar een gekwalificeerde werkplaats gaan.
Adaptieve grootlichtassis-
tent plus Camerazicht gere-
duceerd zie handleiding
*Het zicht van de camera is gereduceerd. Mogelijke oorzaken:
RVervuiling van de voorruit in het blikveld van de camera
RZware neerslag of mist
Rijsystemen en rijveiligheidssystemen kunnen een storing vertonen of tijdelijk niet beschikbaar zijn.
De rijsystemen en rijveiligheidssystemen zijn weer beschikbaar als de oorzaken niet meer vantoepassing zijn.
Indien de displaymelding niet verdwijnt:
#Stoppen; daarbij op de verkeerssituatie letten.
#De voorruit reinigen.
592 Displaymeldingen met waarschuwings- en controlelampjes
Waarschuwings- en controlelampjes
Overzicht waarschuwings- en controlelamp‐
jes
Als het contact wordt ingeschakeld, voeren ver‐
schillende systemen een zelfdiagnose uit. Enkele
waarschuwings- en controlelampjes kunnen
daarbij tijdelijk branden of knipperen. Dit gedrag
is niet kritisch. Pas als deze waarschuwings- en
controlelampjes na het startenvan het aandrijf‐
systeem of tijdens het rijden gaan branden of
knipperen, geven ze een storing aan.
Instrumentendisplay
De posities van de controlelampjes in het instru‐
mentendisplay kunnen, afhankelijkvan de instel‐
ling van het display, afwijken van het voorbeeld.
Waarschuwings- en controlelampjes:
LDimlicht (/pagina 139)
TStandlicht (/pagina 139)
KGrootlicht (/pagina 140)
#! Knipperlicht (/pagina 140)
RMistachterlicht (/pagina 139)
6Veiligheidssysteem (/pagina 594)
üVeiligheidsgordel niet omgegespt
JRemmen (geel)
JRemmen (rood)
!Elektrische parkeerrem (geel)
!Elektrische parkeerrem (rood)
!ABS vertoont een storing
÷ESP®
åESP®OFF
LAfstandswaarschuwing
(/pagina 601)
ÙElektrische stuurbekrachtiging ver‐
toont een storing (/pagina 604)
äNiveauregeling achteras vertoont
een storing (/pagina 601)
èLaadkabel aangesloten
(/pagina 583)
òSoundgeneratorwerkt niet
(/pagina 583)
#Elektrischestoring(/pagina 605)
ÚStoring in het systeem
(/pagina 605)
OVermogen gereduceerd
(/pagina 605)
hBandenspanningscontrole
(/pagina 602)
ïAanhangwagenvoorziening niet
bedrijfsklaar of beweegt
(/pagina 604)
Displaymeldingen met waarschuwings- en controlelampjes 593
Veiligheidssystemen
Waarschuwings-/contro‐
lelampje
Mogelijke oorzaak en/of gevolg en MMoplossingen
!
ABS-waarschuwingslampje
Het gele waarschuwingslampje ABS brandt terwijl het aandrijfsysteem ingeschakeld is.
*Het ABS vertoont een storing.
Als bovendien een waarschuwingssignaal klinkt, vertoont de EBD een storing.
Ook andere rijsystemen en rijveiligheidssystemen kunnen een storing vertonen.
&WAARSCHUWING Slipgevaar bij storing van de EBD of het ABS
Als de EBD of het ABS een storing vertoont, kunnen de wielen blokkeren bij het remmen.
Daardoor zijn de bestuurbaarheid en het remgedrag sterk nadelig beïnvloed. De remweg kan bij een noodstop
langer worden. Bovendien zijn verdere rijveiligheidssystemen uitgeschakeld.
#Voorzichtig verder rijden.
#Het remsysteem direct bij een gekwalificeerde werkplaats laten controleren.
#Voorzichtig verder rijden.
#De meldingen op het multifunctioneel display in acht nemen.
#Naar een gekwalificeerde werkplaats gaan.
594 Displaymeldingen met waarschuwings- en controlelampjes
Waarschuwings-/contro‐
lelampje
Mogelijke oorzaak en/of gevolg en MMoplossingen
÷
Waarschuwingslampje
ESP®knippert
Het gele ESP®-waarschuwingslampje knippert tijdens het rijden.
*Een of meerdere wielen hebben hun slipgrens bereikt (/pagina 205).
#De rijstijl aan de weersomstandigheden en de toestand van het wegdek aanpassen.
÷
Waarschuwingslampje
ESP®brandt
Het gele waarschuwingslampje ESP®brandt terwijl het aandrijfsysteem ingeschakeld is.
*Het ESP®vertoont een storing.
Ook andere rijsystemen en rijveiligheidssystemen kunnen een storing vertonen.
&WAARSCHUWING Slipgevaar door een storing in het ESP®
Als het ESP®is uitgeschakeld, wordt de auto niet door het ESP®gestabiliseerd. Bovendien zijn verdere rijveilig‐
heidssystemen uitgeschakeld.
#Voorzichtig verder rijden.
#Het ESP®bij een gekwalificeerde werkplaats laten controleren.
#Voorzichtig verder rijden.
#De meldingen op het multifunctioneel display in acht nemen.
#Naar een gekwalificeerde werkplaats gaan.
Displaymeldingen met waarschuwings- en controlelampjes 595
Waarschuwings-/contro‐
lelampje
Mogelijke oorzaak en/of gevolg en MMoplossingen
å
Waarschuwingslampje
ESP®OFF
Het gele waarschuwingslampje ESP®OFF brandt terwijl het aandrijfsysteem ingeschakeld is.
*Het ESP®is uitgeschakeld.
&WAARSCHUWING Slipgevaar tijdens het rijden met uitgeschakeld ESP®
Als het ESP®is uitgeschakeld, wordt de auto niet door het ESP®gestabiliseerd. Bovendien zijn verder rijveilig‐
heidssystemen slechts beperkt beschikbaar.
#Voorzichtig verder rijden.
#Het ESP®slechts zo lang uitschakelen als de situatie het vraagt.
Als het ESP®niet kanworden ingeschakeld, vertoont het ESP®een storing.
#Het ESP®direct bij een gekwalificeerde werkplaats laten controleren.
#De aanwijzingen met betrekking tot het uitschakelen van het ESP®in acht nemen (/pagina 205).
J
Remwaarschuwingslampje
(geel)
Het gele waarschuwingslampje remmen brandt terwijl het aandrijfsysteem ingeschakeld is.
*&WAARSCHUWING Gevaar voor ongevallen bij storing van het remsysteem
Wanneer het remsysteem een storing vertoont, kan het remgedrag nadelig beïnvloed zijn.
#Voorzichtig verder rijden.
#Het remsysteem direct bij een gekwalificeerde werkplaats laten controleren.
596 Displaymeldingen met waarschuwings- en controlelampjes
Waarschuwings-/contro‐
lelampje
Mogelijke oorzaak en/of gevolg en MMoplossingen
#Voorzichtig met aangepaste snelheid en voldoende afstand tot voorliggers verder rijden.
#Wanneer het multifunctioneel display een displaymelding weergeeft, deze in acht nemen.
#Naar een gekwalificeerde werkplaats gaan.
J
Waarschuwingslampje rem‐
men (rood)
Het rode waarschuwingslampje remmen brandt terwijl het aandrijfsysteem ingeschakeld is.
*Mogelijke oorzaken:
RDe rembekrachtiging vertoont een storing en het remgedrag kanveranderen.
REr bevindt zich te weinig remvloeistof in het remvloeistofreservoir.
&WAARSCHUWING Gevaar voor ongevallen en letsel bij storing van de rembekrachtiging
Wanneer de rembekrachtiging een storing vertoont, is het mogelijk dat er meer kracht op het rempedaal moet
worden uitgeoefend tijdens het remmen. Het remgedrag kan nadelig zijn beïnvloed. De remweg kan bij een nood‐
stop langer worden.
#Direct op een veilige plaats stoppen. Niet verder rijden!
#Contact opnemen met een gekwalificeerde werkplaats.
&WAARSCHUWING Gevaar voor ongevallen bij een te laag remvloeistofniveau
Wanneer het remvloeistofniveau te laag is, kan de remwerking en daarmee het remgedrag nadelig beïnvloed zijn.
#Direct op een veilige plaats stoppen. Niet verder rijden!
Displaymeldingen met waarschuwings- en controlelampjes 597
Waarschuwings-/contro‐
lelampje
Mogelijke oorzaak en/of gevolg en MMoplossingen
#Contact opnemen met een gekwalificeerde werkplaats.
#Geen remvloeistof bijvullen.
#Direct op een veilige plaats stoppen. Niet verder rijden!
#De meldingen op het multifunctioneel display in acht nemen.
#Contact opnemen met een gekwalificeerde werkplaats.
!
Rood controlelampje elek‐
trische parkeerrem bediend
!
Geel controlelampje elektri‐
sche parkeerremvertoont
een storing
Het rode controlelampje elektrische parkeerrem knippert of brandt. Het gele controlelampje brandt bovendien bij een
storing van de elektrische parkeerrem.
*#De meldingen op het multifunctioneel display in acht nemen.
598 Displaymeldingen met waarschuwings- en controlelampjes
Waarschuwings-/contro‐
lelampje
Mogelijke oorzaak en/of gevolg en MMoplossingen
6
Waarschuwingslampje vei‐
ligheidssysteem
Het rode waarschuwingslampje veiligheidssysteem brandt terwijl het aandrijfsysteem draait.
*Het veiligheidssysteem vertoont een storing (/pagina 32).
&GEVAAR Levensgevaar door storingen van het veiligheidssysteem
Wanneer het veiligheidssysteem een storing vertoont, kunnen onderdelen van het veiligheidssysteem onbedoeld
geactiveerd, of bij een ongeval niet als voorzien geactiveerd worden. Dat kan bijvoorbeeld gordelspanners of air‐
bags betreffen. Bovendien kan bij een ongeval het hoogspanningsboordnet niet zoals bedoeld worden uitgescha‐
keld.
Als beschadigde onderdelen van het hoogspanningsboordnet worden aangeraakt, kunt u een stroomstoot krijgen.
#Het veiligheidssysteem direct laten controleren en repareren bij een gekwalificeerde werkplaats.
#Na een ongeval direct het contact afzetten.
#Voorzichtig verder rijden.
#De meldingen op het multifunctioneel display in acht nemen.
#Meteen naar een gekwalificeerde werkplaats gaan.
Displaymeldingen met waarschuwings- en controlelampjes 599
Veiligheidsgordel
Waarschuwings-/contro‐
lelampje
Mogelijke oorzaak en/of gevolg en MMoplossingen
7
Waarschuwingslampje vei‐
ligheidsgordel brandt
Het rode waarschuwingslampje veiligheidsgordel gaat na het startenvan het aandrijfsysteem branden.
Bovendien kan een waarschuwingssignaal klinken.
*Het waarschuwingslampje veiligheidsgordels herinnert bestuurder en passagier eraan de gordel om te gespen.
#De veiligheidsgordel omgespen (/pagina 36).
Voorwerpen op de passagiersstoel kunnen ervoor zorgen dat het waarschuwingslampje veiligheidsgordel niet dooft.
7
Waarschuwingslampje vei‐
ligheidsgordel knippert
Het rode waarschuwingslampje veiligheidsgordels knippert en er klinkt een onderbroken waarschuwingssignaal.
*De bestuurder of de passagier hebben hun gordel niet omgegespt tijdens het rijden.
#De veiligheidsgordel omgespen (/pagina 36).
*Er liggenvoorwerpen op de passagiersstoel.
#De voorwerpen van de passagiersstoel verwijderen.
600 Displaymeldingen met waarschuwings- en controlelampjes
Rijsystemen
Waarschuwings-/contro‐
lelampje
Mogelijke oorzaak en/of gevolg en MMoplossingen
ä
Waarschuwingslampje
onderstel
Het gele waarschuwingslampje niveauregeling achteras brandt.
*Er is een storing van de niveauregeling achteras aanwezig.
#De meldingen op het multifunctioneel display in acht nemen.
L
Waarschuwingslampje
afstandswaarschuwing
Het rode waarschuwingslampje afstandswaarschuwing brandt tijdens het rijden.
*De afstand tot de voorligger is voor de gekozen snelheid te gering.
Als bovendien het waarschuwingssignaal klinkt, wordt een obstakel met een te hoge snelheid genaderd.
#Klaar zijn om direct te kunnen remmen.
#De afstand vergroten.
Functie van het Active Brake Assist System (/pagina 209).
Displaymeldingen met waarschuwings- en controlelampjes 601
Banden
Waarschuwings-/contro‐
lelampje
Mogelijke oorzaak en/of gevolg en MMoplossingen
h
Waarschuwingslampje ban‐
denspanningscontrole
brandt
Het gele waarschuwingslampje bandenspanningscontrole (drukverlies/storing) brandt.
*De bandenspanningscontrole heeft bandenspanningsverlies bij ten minste één band geconstateerd.
&WAARSCHUWING Gevaar voor ongevallen door een te lage bandenspanning
Banden met een te lage bandenspanning leveren de volgende gevaren op:
RDe banden kunnen klappen, in het bijzonder bij toenemende belading en snelheid.
RDe banden kunnen overmatig en/of ongelijkmatig slijten, hetgeen de grip sterk nadelig beïnvloedt.
R De rij-eigenschappen en het stuur- en remgedrag kunnen sterk nadelig beïnvloed worden.
Ukunt dan de controle over de auto verliezen.
#De geadviseerde bandenspanningen in acht nemen.
#Indien noodzakelijk de bandenspanning aanpassen.
#De auto op een veilige plaats stoppen.
#De bandenspanning en de banden controleren.
602 Displaymeldingen met waarschuwings- en controlelampjes
Waarschuwings-/contro‐
lelampje
Mogelijke oorzaak en/of gevolg en MMoplossingen
h
Waarschuwingslampje ban‐
denspanningscontrole knip‐
pert
Het gele waarschuwingslampje bandenspanningscontrole (drukverlies/storing) knippert circa één minuut lang en
brandt dan permanent.
*De bandenspanningscontrole vertoont een storing.
&WAARSCHUWING Gevaar voor ongevallen bij storing van de bandenspanningscontrole
Wanneer de bandenspanningscontrole een storing vertoont, kan deze niet meer zoals bedoeld waarschuwen bij
drukverlies bij één of meer banden.
Band met een te lage bandenspanning kunnen bijvoorbeeld het stuur- en remgedrag nadelig beïnvloeden.
#De bandenspanningscontrole bij een gekwalificeerde werkplaats laten controleren.
#Naar een gekwalificeerde werkplaats gaan.
Displaymeldingen met waarschuwings- en controlelampjes 603
Auto
Waarschuwings-/contro‐
lelampje
Mogelijke oorzaak en/of gevolg en MMoplossingen
ï
Waarschuwingslampje aan‐
hangwagenvoorziening
Het rode waarschuwingslampje aanhangwagenvoorziening brandt.
*De aanhangwagenvoorziening is niet klaar voor gebruik of zwenkt.
&WAARSCHUWING Gevaar voor ongevallen door niet vergrendelde kogelkop
Als de kogelkop niet vergrendeld is, kan de aanhangwagen losraken.
#Direct op een veilige plaats stoppen. Niet verder rijden!
#De aanhangwagen afkoppelen en voorkomen dat deze kanwegrollen.
#Opnieuw in- en uitklappen en de aanhangwagen pas weer aankoppelen als de displaymelding verdwijnt.
#De meldingen op het multifunctioneel display in acht nemen.
Als de aanhangwagenvoorziening zwenkt:
#Wachtentot de kogelhals de bedrijfsklare positie heeft bereikt.
Ù
Waarschuwingslampje elek‐
trische stuurbekrachtiging
Het rode waarschuwingslampje elektrische stuurbekrachtiging brandt terwijl het aandrijfsysteem ingeschakeld is.
*De stuurbekrachtiging of de stuurinrichting zelf vertoont een storing.
&WAARSCHUWING Gevaar voor ongevallen bij beperkte bestuurbaarheid
Wanneer de stuurinrichting niet meer zoals bedoeld functioneert, is de bedrijfsveiligheid van de auto in gevaar.
604 Displaymeldingen met waarschuwings- en controlelampjes
Waarschuwings-/contro‐
lelampje
Mogelijke oorzaak en/of gevolg en MMoplossingen
#Direct op een veilige plaats stoppen. Niet verder rijden!
#Contact opnemen met een gekwalificeerde werkplaats.
#De meldingen op het multifunctioneel display in acht nemen.
Aandrijfsysteem
Waarschuwings-/contro‐
lelampje
Mogelijke oorzaak en/of gevolg en MMoplossingen
O
Waarschuwingslampje ver‐
mogen gereduceerd
Het gele waarschuwingslampje vermogen gereduceerd brandt.
*Het vermogen van het aandrijfsysteem is gereduceerd.
#De meldingen op het multifunctioneel display in acht nemen.
Ú
Waarschuwingslampje sto‐
ring in het systeem
Het rode waarschuwingslampje storing in het systeem brandt.
*Er is een storing in het aandrijfsysteem aanwezig.
#De meldingen op het multifunctioneel display in acht nemen.
Displaymeldingen met waarschuwings- en controlelampjes 605
Waarschuwings-/contro‐
lelampje
Mogelijke oorzaak en/of gevolg en MMoplossingen
#
Waarschuwingslampje elek‐
trische storing
Het rode waarschuwingslampje elektrische storing brandt.
*Er is een storing in de elektronica aanwezig.
#De meldingen op het multifunctioneel display in acht nemen.
606 Displaymeldingen met waarschuwings- en controlelampjes
1, 2, 3 ...
12‑V‑accu
Zie Accu (auto)
12V-aansluiting
Zie Contactdoos (12V)
230V-aansluiting
Zie Contactdoos (230V)
360°-camera ............................................ 244
Automatische functie in- en uitscha‐
kelen (achteruitrijcamera) .................... 247
Camera-afdekking openen (achter‐
uitrijcamera) ........................................ 248
Favorieten instellen .............................248
Functie ................................................ 244
Verzorging ...........................................490
Weergave selecteren ........................... 247
A
A/C-functie
In- en uitschakelen (multimediasys‐
teem) ................................................... 156
Aandrijfsysteem
Handmatig uitschakelen ...................... 165
Aanduiding rijprogramma .......................178
Aanhangwagenstabilisatie
Werking en aanwijzingen .....................208
Aanhangwagenvoorziening
Aanhangwagen aan- of afkoppelen ...... 268
Aanhangwagengewicht ........................ 545
Aanwijzingen ....................................... 266
Achteroverbouw .................................. 544
Algemene aanwijzingen ....................... 544
Asbelasting .......................................... 545
Bevestigingspunten .............................544
Contactdoos ........................................ 268
Fietsdrager .......................................... 270
Inbouwmaten ......................................544
Kogeldruk ............................................ 545
Kogelhals uit- en inklappen .................266
Verzorging ...........................................490
Aanrijdingsbeveiliging
Zie Drive Away Assist
Aanslepen .................................................510
Aansprakelijkheid voor gebreken
Auto ....................................................... 27
ABS (antiblokkeersysteem) .................... 204
Accu
Sleutel ...................................................78
Accu
Zie Hoogspanningsaccu
Accu (auto).............................................. 506
Aanwijzing ...........................................503
Opladen ............................................... 506
Starthulp .............................................506
Vervangen ...........................................506
Accu (hoogspanningsboordnet)
Zie Hoogspanningsaccu
Accu geladen
Zie Hoogspanningsboordnet
Accu opladen
Laadtoestandweergave ........................ 184
Maximale laadstroom instellen ............ 184
Voor de vertrektijd ...............................184
Weekprofiel ......................................... 184
Achteras-niveauregeling .........................235
Achterklep .................................................86
HANDS-FREE ACCESS ...........................89
Ontgrendelen (noodsleutel) ...................91
Openen .................................................. 86
Trefwoordenregister 607
Openingshoek begrenzen ......................90
Openingsmaat .....................................542
Sluiten ................................................... 87
Achterklep
Zie Achterklep
Achterportier (kinderbeveiliging) .............72
Achterruit
Ruitenwisserblad vervangen ................ 150
Achterruitenwisser
In- en uitschakelen .............................. 148
Achteruitkijkspiegel
Zie Buitenspiegels
Achteruitrijcamera .................................. 241
Automatische functie in- en uitscha‐
kelen (360°-camera) ............................ 247
Camera-afdekking openen (360°-
camera) ...............................................248
Favoriet instellen (360°-camera) .........248
Functie ................................................. 241
Verzorging ...........................................490
Achteruitversnelling
Inschakelen ......................................... 180
Achterzitplaats
Zie Stoel
Actief onderhoudssysteem PLUS
Zie ASSYST PLUS
Actieradius
Weergeven ........................................... 279
Actieve afstandsassistent DISTRONIC ... 219
Actieve noodstopassistent .................. 230
Actieve rijstrookwisselassistent ..........228
Functie ................................................. 219
Inschakelen/activeren ......................... 221
Routegebaseerde snelheidsaanpas‐
sing .....................................................225
Selecteren ...........................................221
Snelheid oproepen .............................. 221
Snelheid opslaan ................................. 221
Snelheid verhogen/verlagen ............... 221
Stuurwieltoetsen .................................221
Systeemgrenzen .................................. 219
Uitschakelen/deactiveren ...................221
Voorwaarden .......................................221
Weergaven in het instrumentendis‐
play ...................................................... 231
Actieve bochtenverlichting .....................142
Actieve dodehoekassistent .................... 260
Functie ................................................ 260
In- en uitschakelen .............................. 263
Remingreep .........................................262
Rijden met een aanhangwagen ............ 262
Systeemgrenzen .................................. 260
Actieve noodstopassistent .....................230
Actieve parkeerassistent ........................ 248
Cross Traffic Alert ............................... 254
Drive Away Assist ................................ 253
Functie ................................................ 248
Inparkeren ........................................... 250
Manoeuvreerondersteuning ................ 254
Systeemgrenzen .................................. 248
Uitparkeren .......................................... 251
Actieve rijstrookwisselassistent ...........228
Functie ................................................ 228
In- en uitschakelen .............................. 230
Actieve snelheidslimietassistent ........... 223
Displayweergave ................................. 223
Functie ................................................ 223
Actieve spoorassistent ........................... 263
Functie ................................................ 263
Gevoeligheid instellen .........................265
608 Trefwoordenregister
In- en uitschakelen .............................. 265
Rijden met een aanhangwagen ............ 263
Systeemgrenzen .................................. 263
Waarschuwing in- en uitschakelen .......265
Actieve stuurassistent ............................226
Actieve noodstopassistent .................. 230
Actieve rijstrookwisselassistent ..........228
Functie ................................................ 226
In- en uitschakelen .............................. 228
Systeemgrenzen .................................. 226
Weergaven in het instrumentendis‐
play ...................................................... 231
Active Brake Assist System
Instellen ............................................... 214
Werking en aanwijzingen .....................209
ACTIVE MULTIBEAM LED
Zie Intelligent Light System
Adaptief remlicht..................................... 214
Adaptieve functies ACTIVE MULTI‐
BEAM LED's
Zie Intelligent Light System
Adaptieve grootlichtassistent Plus
Functie ................................................ 143
In- en uitschakelen .............................. 145
Adaptieve snelheidsregeling
Zie Actieve afstandsassistent DISTRONIC
Adresboek
Zie Contacten
Advanced sound system
Balans/fader instellen .........................479
Geluidsmenu oproepen ....................... 479
Hoge, midden en lage tonen instellen
.............................................................479
Informatie ............................................ 478
Volumeaanpassing in- en uitschake‐
len .......................................................479
Adviezen ................................................... 327
Configureren ....................................... 327
Hernoemen ......................................... 328
Oproepen ............................................ 327
Overzicht ............................................. 327
Wissen ................................................ 328
Afmetingen ..............................................542
Afstandsregeling
Zie Actieve afstandsassistent DISTRONIC
Afstandsregeltempomaat
Zie Actieve afstandsassistent DISTRONIC
Airbag ......................................................... 38
Activering .............................................. 32
Beschermingspotentieel ........................ 40
Beschermingspotentieel beperkt ........... 41
Controlelampje PASSENGER AIR BAG ...44
Frontairbag (bestuurder, passagier) .......38
Inbouwplaatsen .....................................38
Kneebag ................................................ 38
Overzicht ............................................... 38
Sidebags ............................................... 38
Windowbag ............................................ 38
Akoestisch sluitsignaal
In- en uitschakelen ................................ 77
Akoestische omgevingsbeveiliging
(soundgenerator)
Aanwijzingen .......................................164
Alarmknipperlichtinstallatie ...................141
Alarmsysteem
Zie EDW (diefstal-/inbraakalarminstallatie)
Alertheidsassistent
Zie ATTENTION ASSIST
Alternatieve route
Zie Route
Trefwoordenregister 609
Android Auto ............................................ 431
Aansturing via applicatietoetsen ......... 433
Aanwijzing ...........................................432
Klankinstellingen .................................433
Mobiele telefoon aanmelden ...............432
Overgebrachte voertuiggegevens ........ 433
Overzicht ............................................. 431
Stop ..................................................... 433
Antiblokkeersysteem
Zie ABS (antiblokkeersysteem)
Antislipkettingen
Zie Sneeuwkettingen
Apple CarPlay®........................................ 430
Aansturing via applicatietoetsen ..........431
Aanwijzingen ....................................... 430
iPhone®aanmelden ............................. 430
Klankinstellingen .................................431
Overgebrachte voertuiggegevens ........ 433
Overzicht ............................................. 430
Stop ..................................................... 431
Asbak
Achterin ............................................... 133
Middenconsole voorin .........................132
Asbelasting
Rijden met een aanhangwagen ............ 545
Toegestane .......................................... 537
Assistentie
Menu (boordcomputer) ........................ 279
Assistentiesystemen
Zie Rijveiligheidssysteem
ASSYST PLUS ........................................... 480
Bijzonder onderhoud ...........................480
Onderhoudstermijnweergeven ........... 480
Regelmatige onderhoudswerkzaam‐
heden .................................................. 480
Standtijd met accukabels losge‐
maakt .................................................. 481
Werking en aanwijzingen .....................480
ATTENTION ASSIST ......................... 254, 256
Functie ................................................ 254
Instellen .............................................. 256
Systeemgrenzen .................................. 254
Augmented reality
Zie Routebegeleiding met augmented reality
Auteursrecht .............................................. 30
Auto .......................................................... 171
Aansprakelijkheid voor gebreken ...........27
Afzetten (start-stoptoets) ..................... 195
Correct gebruik .....................................27
Diagnose-interface ................................ 25
Extra portiervergrendeling ..................... 80
Gegevensopslag .................................... 28
Gegevensregistratie ............................... 28
Gekwalificeerde werkplaats .................. 26
Gesproken opdrachten (LINGUA‐
TRONIC) .............................................. 303
Laten zakken .......................................532
Omhoogkantelen ................................. 528
Ontgrendelen (digitale voertuigsleu‐
tel-sticker) ............................................. 82
Ontgrendelen (KEYLESS-GO) ................. 83
Ontgrendelen (mobiele telefoon) ...........82
Ontgrendelen (van binnenuit) ................81
QR-code reddingskaart .......................... 27
REACH-verordening ............................... 27
Registratie ............................................. 26
Schadeherkenning (parkeren) ............. 203
Starten (digitale voertuigsleutel-stic‐
ker) ...................................................... 170
Starten (mobiele telefoon) ...................170
Starten (noodprogramma) ................... 171
610 Trefwoordenregister
Starten (start-stoptoets) ......................169
Uitvoering .............................................. 19
Ventileren (comfortopening) .................. 93
Ver- en ontgrendelen (noodsleutel) .......85
Vergrendelen (automatisch) .................. 84
Vergrendelen (digitale voertuigsleu‐
tel-sticker) ............................................. 82
Vergrendelen (KEYLESS-GO) ................. 83
Vergrendelen (mobiele telefoon) ...........82
Vergrendelen (van binnenuit) ................. 81
Auto wassen
Zie Verzorging
Automatisch inklappen van de buiten‐
spiegels
In- en uitschakelen .............................. 154
Automatisch rijlicht................................ 140
Automatische afstandsregeling
Zie Actieve afstandsassistent DISTRONIC
Automatische passagiersairbaguit‐
schakeling ............................................ 42, 44
Controlelampje PASSENGER AIR BAG ...44
Werking van de passagiersairbaguit‐
schakeling .............................................42
Automatischestoelaanpassing
Instellen ...............................................109
Automatische transmissie
Neutraalstand inschakelen .................. 180
B
Bagage
Beveiligen .............................................117
Bagageruimteafdekking
Uit- en inrollen ..................................... 122
Verwijderen en aanbrengen .................123
Bagageruimtebodem
Openen en sluiten ............................... 129
Balans/fader instellen
Advanced sound system ......................479
Burmester®surround sound system ....478
Banden
Aanwijzingen met betrekking tot
montage ..............................................523
Bandenpech ........................................ 498
Bandenspanning (aanwijzingen) ........... 515
Bandenspanning controleren (ban‐
denspanningscontrole) ........................ 518
Bandenspanningscontrole (werking) .... 517
Bandenspanningscontrole opnieuw
starten ................................................. 518
Bandenspanningstabel .........................516
Bandentemperatuur controleren
(bandenspanningscontrole) .................. 518
Controleren .......................................... 514
Geluidsontwikkeling .............................514
Monteren ............................................. 531
Ongebruikelijk rijgedrag ....................... 514
Opslaan ............................................... 526
Selectie ............................................... 523
Sneeuwkettingen ................................. 514
TIREFIT-set .......................................... 499
Vervanging .......................................... 523
Verwijderen .........................................531
Verwisselen .................................526, 527
Bandenpech ............................................. 498
Aanwijzingen ....................................... 498
TIREFIT-set .......................................... 499
Verwisselen van een wiel ..................... 527
Bandenprofiel ...........................................514
Bandenspanning ...................................... 516
Aanwijzingen ........................................ 515
Bandenspanningscontrole (werking) .... 517
Trefwoordenregister 611
Bandenspanningscontrole opnieuw
starten ................................................. 518
Bandenspanningstabel .........................516
Controleren (bandenspanningscon‐
trole) .................................................... 518
TIREFIT-set .......................................... 499
Bandenspanningscontrole ......................519
Bandenspanning controleren ............... 518
Bandentemperatuur controleren .......... 518
Functie ................................................. 517
Opnieuw starten .................................. 518
Bandenspanningstabel ............................ 516
Bandentemperatuur
Bandenspanningscontrole (werking) .... 517
Controleren (bandenspanningscon‐
trole) .................................................... 518
Bandenvulcompressor
Zie TIREFIT-set
BAS (Brake Assist System) .....................205
Bedieningspaneel dakconsole
Overzicht ............................................... 10
Bedieningssysteem
Zie Boordcomputer
Bedrijfsstoffen
Aanwijzingen .......................................539
Koelvloeistof (motor) ............................ 541
Remvloeistof ....................................... 540
Ruitreinigingsmiddel ............................ 541
Bedrijfsveiligheid
Conformiteitsverklaring (elektromag‐
netische verdraagzaamheid) .................. 21
Conformiteitsverklaring (krik) ................ 24
Conformiteitsverklaring (radiogra‐
fische onderdelen van de auto) .............. 21
Conformiteitsverklaring (TIREFIT-set) .... 25
Informatie .............................................. 19
Bekerhouder ............................................. 131
Aanbrengen en verwijderen (midden‐
console) ...............................................131
Achterin ............................................... 132
Bekerhouders
Zie Bekerhouder
Beladen .................................................... 126
Aanwijzingen ........................................ 117
Dakdragers .......................................... 130
Opbergvak onder bagageruimtebo‐
dem ..................................................... 129
Sjorogen .............................................. 126
Tashaken ............................................. 127
Beladen
Zie EASY-PACK fixkit
Belading
Verankeren ........................................... 117
Beladingsrichtlijnen ................................. 117
Berichten ................................................. 422
Afzender opbellen ................................ 424
Beantwoorden ..................................... 423
Doorsturen .......................................... 424
Gesproken opdrachten (LINGUA‐
TRONIC) .............................................. 302
Instellen vanweergegeven sms-
berichten ............................................. 423
Nummer/URL gebruiken .....................424
Opstellen .............................................423
Overzicht ............................................. 422
Template gebruiken .............................424
Verzenden ...........................................423
Voorlezen ............................................ 423
Wissen ................................................ 425
Berichten-center..................................... 330
Acties voor een bericht selecteren ...... 332
612 Trefwoordenregister
Bericht bewerken ................................ 332
Bericht oproepen ................................. 331
Globaal zoeken (overzicht) .................. 332
Globaal zoeken gebruiken ...................333
Overzicht ............................................. 330
Typen berichten ...................................330
Bestemming .............................................388
Als algemene favoriet opslaan .............388
Extern ..................................................389
Laatste bestemmingen bewerken ........ 388
Opslaan (actuele positie van de auto)
............................................................. 388
Snelle toegang tot bestemmingsin‐
formatie ...............................................385
Tussenbestemmingen bewerken ..........378
Bestemmingsinvoer ................................ 360
Aanwijzing ...........................................360
Contact selecteren .............................. 365
Driewoordenadres invoeren ................366
Geo-coördinaten invoeren ...................365
Laatste bestemmingen selecteren ....... 363
Ontvangen bestemming selecteren ..... 368
Op de kaart selecteren ........................ 366
Speciale bestemming of adres invoe‐
ren ....................................................... 360
Speciale bestemming selecteren ......... 363
Tussenbestemming invoeren ............... 377
Uit Favorieten selecteren ..................... 367
Bestuurdersstoel
Zie Stoel
Bluetooth®............................................... 345
In- en uitschakelen .............................. 345
Informatie ............................................ 345
Internetverbinding instellen .................447
Bochtenverlichting .................................. 142
Boordcomputer........................................ 274
Bedienen .............................................. 274
ECO-assistent weergeven .................... 175
Menu Assistentie ................................. 279
Menu Head-up-display .........................284
Menu Media ........................................283
Menu Navigatie .................................... 281
Menu Radio .........................................282
Menu Reis ...........................................279
Menu Service ...................................... 278
Menu Telefoon .....................................283
Menu's overzicht .................................274
Multifunctioneel display ......................277
Onderhoudstermijnweergeven ........... 480
Boordelektronica
Aanwijzingen ....................................... 535
Mobilofoons ........................................535
Motorelektronica ................................. 535
Boordgereedschap .................................. 498
Sleepoog .............................................509
TIREFIT-set .......................................... 498
Bouwserie
Zie Voertuigtypeplaatje
Brake Assist System
Zie BAS (Brake Assist System)
Brandblusser ...........................................497
Brillenvak ..................................................119
Buitenlandse reis
Symmetrisch dimlicht .......................... 139
Buitenspiegels ................................. 151, 153
Automatisch inklappen van de bui‐
tenspiegels .......................................... 154
Dimmen (automatisch) ........................ 153
Geheugenfunctie bedienen .................. 116
In- en uitklappen .................................. 151
Inparkeerstand .................................... 153
Instellen ...............................................151
Trefwoordenregister 613
Burmester®surround sound system .....477
Automatische volumeaanpassing ........ 478
Balans/fader instellen .........................478
Geluidsfocus instellen .......................... 478
Geluidsmenu oproepen .......................477
Geluidsprofiel selecteren ..................... 478
Hoge, midden en lage tonen instellen
.............................................................478
Informatie ............................................477
C
Camera
Zie 360°-camera
Zie Achteruitrijcamera
Car-to-X-Communication
Gevarenmeldingen verzenden .............394
Gevarenmeldingen weergeven ............. 394
Overzicht ............................................. 393
CI+-module ............................................... 476
Menu oproepen ................................... 476
CI+-module (TV)
Smart Card aanbrengen .......................475
Citylicht .................................................... 143
Cockpit .........................................................6
Overzicht .................................................6
Combi-instrument
Zie Instrumentendisplay
Combischakelaar .....................................140
Comfortopening ........................................ 93
Comfortsluiting ......................................... 93
Computer
Zie Boordcomputer
Conformiteitsverklaring
Elektromagnetische verdraagzaam‐
heid .......................................................21
Krik ........................................................24
Radiografische onderdelen van de
auto ....................................................... 21
TIREFIT-set ............................................ 25
Contact
Inschakelen (start-stoptoets) ............... 168
Contactdoos (12V) ...................................134
Achterin ............................................... 134
Bagageruimte ...................................... 135
Middenconsole voorin .........................134
Contactdoos (230V) ................................ 134
Achterin ............................................... 134
Contacten .................................................418
Als favoriet opslaan ............................. 421
Bellen .................................................. 420
Downloaden (van de mobiele tele‐
foon) ....................................................418
Favorieten wissen ................................ 421
Importeren (overzicht) .........................419
Informatie ............................................ 418
Naamformaat .......................................419
Oproepen ............................................. 419
Opslaan ............................................... 420
Opties .................................................. 420
Opties voor suggesties selecteren .......420
Wissen .................................................421
Worden geïmporteerd .......................... 420
Contactsleutel
Zie Sleutel
Controlelampje
Zie Waarschuwings- en controlelampje
Cross Traffic Alert ...................................254
614 Trefwoordenregister
D
Dagteller .................................................. 279
Terugzetten ......................................... 280
Weergeven ........................................... 279
Dagteller
Zie Dagteller
Dakbelasting ............................................ 543
Dakdragers
Beladen ...............................................130
Bevestigen ...........................................130
Dashboard
Zie Cockpit
Dashboardkastje
Ver- en ontgrendelen ............................119
Dashboardverlichting .............................. 278
Dashcam
Instellingen configureren ..................... 408
Usb-apparaat selecteren ..................... 407
Video-opname starten/stoppen .......... 407
Video-opname wissen .........................408
Datum
Datum en tijd automatisch instellen .... 344
Datumformaat instellen .........................344
Decorfolie (reinigingsaanwijzigingen) ... 488
Diagnose-interface ....................................25
Diefstal-/inbraakalarminstallatie
Zie EDW (diefstal-/inbraakalarminstallatie)
Diefstalbeveiliging
Extra portiervergrendeling ..................... 80
Wegrijblokkering .................................... 99
Diefstalbeveiliging
Zie EDW (diefstal-/inbraakalarminstallatie)
Dieren
Huisdieren in de auto .............................74
Digitale handleiding .................................. 16
Digitale snelheidsmeter .........................279
Digitale tv
Zie Tv
Digitale voertuigsleutel-sticker
Auto ontgrendelen ................................. 82
Auto starten ........................................ 170
Auto vergrendelen ................................. 82
Dimlicht
In- en uitschakelen .............................. 139
Symmetrisch dimlicht .......................... 139
Dinghy Towing
Zie Tow-Bar-systeem
DIRECT SELECT-keuzehendel .................. 179
Achteruitversnelling inschakelen ......... 180
Functie ................................................ 179
Neutraalstand inschakelen .................. 180
Parkeerstand automatisch inschake‐
len .......................................................180
Parkeerstand inschakelen .................... 180
Rijstand inschakelen ............................ 181
Directe klimaatregeling vooraf .............. 162
Display
Verzorging ...........................................493
Display (boordcomputer)
Weergaven op het multifunctioneel
display ................................................. 277
Display (multimediasysteem) .................311
Akoestische bedieningsfeedback
instellen ...............................................312
Bedienen .............................................. 311
Homescreen ........................................ 309
Instellingen .......................................... 343
Trefwoordenregister 615
Display-inhoud
Gebied met meerdere weergaven
instellen ...............................................276
Displaymelding ........................................ 546
Aanwijzingen ....................................... 546
Oproepen (boordcomputer) ................. 546
Displaymeldingen
¯- - - km/h .................................... 567
ç- - - km/h ...................................566
È- - - km/h ................................... 568
#12V-accu Zie handleiding ...........588
dAandrijfvermogen gereduceerd
Zie handleiding .................................... 586
ÝAccureserve Hoogspannings‐
accu opladen ....................................... 588
bAct. bochtverlicht. functioneert
niet ...................................................... 591
òAkoestische omgevingsbe‐
scherming functioneert niet ................ 585
éAttention Assist functioneert
niet ...................................................... 561
éAttention Assist: pauze! .............. 561
bAUTO-verlichting buiten wer‐
king ..................................................... 590
hBanden controleren .................... 572
hBandenspanning corrigeren........ 573
ÁBatterij sleutel vervangen ...........575
ïBediening alleen in transmis‐
siestand P ............................................ 579
bDimlicht links (voorbeeld) ........... 590
ÛDirect stoppen Aandrijving
wordt uitgesch. Hoogsp.accu opla‐
den ...................................................... 588
&functioneert niet HV-accu opla‐
den ...................................................... 582
&functioneert niet Opladen van
HV-accu niet afgesloten ......................582
÷functioneert niet zie handlei‐
ding ..................................................... 549
Gfunctioneert niet ........................ 560
!functioneren niet zie handlei‐
ding ..................................................... 548
Tfunctioneren niet zie handlei‐
ding ..................................................... 550
ÛHoogsp.accu oververhit Stop,
iedereen uitstappen! Liefst in de
openlucht ............................................ 586
bIntelligent Light System func‐
tioneert niet ......................................... 591
+Koelvloeistof bijvullen zie hand‐
leiding .................................................583
èLaadkabel aangesloten............... 585
hLet op: band defect .................... 573
bLicht uitschakelen ...................... 591
6Linksvoor Storing Werkplaats
opzoeken (voorbeeld) .......................... 556
ðMaximum snelheid overschre‐
den ...................................................... 568
!nu niet beschikbaar zie hand‐
leiding .................................................. 547
616 Trefwoordenregister
÷nu niet beschikbaar Zie hand‐
leiding ................................................. 548
!Parkeerrem Om te ontgrende‐
len contact AAN ................................... 551
!Parkeerrem ontgrendelen ...........551
!Parkeerrem zie handleiding ........ 551
çpassief ....................................... 566
JRemvloeistofpeil controleren ...... 554
_Rugleuning achterbank links
niet vergrendeld (voorbeeld) ................ 581
¥Ruitensproeiervloeistof bijvul‐
len .......................................................581
ÁSleutel niet herkend (rode dis‐
playmelding) ........................................ 576
ÁSleutel niet herkend (witte
displaymelding) ....................................575
ÀSleutel vervangen Zie handlei‐
ding ...................................................... 574
ÁSleutel vervangen .......................575
dStoppen Motor uit ...................... 589
ÙStoring besturing Direct stop‐
pen Zie handleiding ............................. 580
ÙStoring besturing Meer kracht
vereist Zie handleiding .........................579
dStoring Werkplaats opzoeken .....589
ÛStoring Werkplaats opzoeken .....587
bStoring Zie handleiding ............... 590
dStoring ....................................... 589
ÛStoring ....................................... 586
ïTrekhaak vergrendeling con‐
trol. (witte displaymelding) ................577
ïTrekhaak zwenkt ........................ 577
çUit .............................................. 566
ëUit .............................................. 566
6Veiligheidssysteem Storing
Werkplaats opzoeken .......................... 555
bVerlichting inschakelen ...............591
dVoertuig klaar om te rijden
Voor het verlaten contact uitschake‐
len .......................................................577
&Voorklimatisering via sleutel
functioneert niet HV-accu zwak ..........583
&Voorklimatisering via sleutel na
startenvan de motorweer beschik‐
baar ..................................................... 582
áWegslepen verboden Zie hand‐
leiding ................................................. 585
hWielsensor(en) niet beschik‐
baar ..................................................... 572
6Windowbag links Storing Werk‐
plaats opzoeken (voorbeeld) ................ 557
ÛZonder opnieuw te starten
Werkplaats opzoeken .......................... 587
Achteruit rijden niet mogelijkWerk‐
plaats opzoeken .................................. 570
Act. dodehoekassistent met aan‐
hangwagen niet beschikbaar Zie
handleiding .......................................... 565
Actieve afstandsassistent functio‐
neert niet ............................................. 567
Trefwoordenregister 617
Actieve afstandsassistent nu niet
beschikbaar Zie handleiding ................ 567
Actieve afstandsassistent weer
beschikbaar ......................................... 567
Actieve dodehoekassistent functio‐
neert niet ............................................ 565
Actieve dodehoekassistent nu niet
beschikbaar zie handleiding ................ 564
Actieve parkeerassistent en PARK‐
TRONIC functioneren niet Zie hand‐
leiding .................................................. 561
Actieve remassistent Functie beperkt
beschikbaar Zie handleiding ................ 559
Actieve remassistent Functie nu
beperkt beschikbaar Zie handleiding ... 559
Actieve spoorassistent functioneert
niet ...................................................... 563
Actieve spoorassistent nu niet
beschikbaar zie handleiding ................ 563
Actieve stuurassistent functioneert
niet ...................................................... 562
Actieve stuurassistent momenteel
niet beschikbaar wegens meerdere
noodstops ...........................................563
Actieve stuurassistent nu niet
beschikbaar Zie handleiding ................ 562
Adaptieve grootlichtassistent plus
Camerazichtgereduceerd zie hand‐
leiding .................................................592
Adaptieve grootlichtassistent Plus
functioneert niet .................................. 592
Adaptieve grootlichtassistent Plus nu
niet beschikbaar Zie handleiding ......... 592
Alarmknipperlichten Storing ................592
Auto wordt momenteel niet opgela‐
den Storing van het laadstation ...........584
Banden oververhit ...............................573
Bandensp.contr. functioneert niet ....... 571
Bandensp.contr. functioneert niet
Geen wielsensoren .............................. 571
Bandenspanningscontrole nu niet
beschikbaar .........................................571
Dodehoekassistent functioneert niet .. 564
Dodehoekassistent met aanhangwa‐
gen niet beschikbaar zie handleiding ... 564
Dodehoekassistent nu niet beschik‐
baar zie handleiding ............................ 563
Laadkabel ontgrendelen niet moge‐
lijk Zie handleiding .............................. 584
Laadmodus momenteel niet beschik‐
baar Opnieuw proberen of andere
laadmodus kiezen ...............................584
Laadstoring Andere laadmodus kie‐
zen a.u.b. Zie handleiding .................... 584
Limiter functioneert niet ......................568
Limiter passief .....................................568
Mercedes me connect Diensten
beperkt Zie handleiding .......................559
618 Trefwoordenregister
Noodstopwordtgestart ...................... 562
Om de motor af te zetten de start-
stop-toets gedurende min. 3 sec. of
3keer indrukken ................................. 583
PRE-SAFE functioneert niet zie hand‐
leiding .................................................559
Radarsensoren vervuild zie handlei‐
ding .....................................................560
Remblokken controleren zie handlei‐
ding ..................................................... 555
Schakelstand P alleen bij stilstaand
voertuig ............................................... 569
Sleutel in aangegeven bergplaats leg‐
gen zie handleiding .............................. 576
Snelheid verlagen ................................ 574
Snelheidsbegrenzing (winterbanden)
XXX km/h ........................................... 568
Snelheidslimietassistent functioneert
niet ...................................................... 565
Snelheidslimietassistent nu niet
beschikbaar zie handleiding ................ 565
Stand N permanent geactiveerd
Wegrolgevaar .......................................569
Storing Maximaal 80 km/h rijden ........ 561
TEMPOMAT en limiter functioneren
niet ...................................................... 567
TEMPOMAT functioneert niet ............... 567
TEMPOMAT Uit .................................... 568
Transmissie Storing Stoppen ............... 570
Verkeerstekenassistent functioneert
niet ...................................................... 565
Verkeerstekenassistent nu niet
beschikbaar zie handleiding ................ 565
Voor inschakelen van schakelstand R
eerstrem bedienen ............................. 570
Voor verlaten van schakelstand P of
Nrem bedienen en motorstarten....... 569
Voor verlaten van schakelstand P
rem bedienen ...................................... 569
Voorpass.-airbag ingeschakeld zie
handleiding .......................................... 558
Voorpass.-airbag uitgeschakeld zie
handleiding .......................................... 557
Wegrolgevaar Portier open en trans‐
missie niet in P .................................... 569
Zonder schakelen Werkplaats opzoe‐
ken...................................................... 570
DISTRONIC
Zie Actieve afstandsassistent DISTRONIC
Dodehoekassistent ................................. 260
Functie ................................................ 260
In- en uitschakelen .............................. 263
Systeemgrenzen .................................. 260
Doorlaadmogelijkheid
Zie Stoel
Draadloos opladen
Mobiele telefoon .................................. 137
Werking en aanwijzingen .....................136
Drive Away Assist .................................... 253
DYNAMIC SELECT ....................................175
Aanduiding rijprogramma .................... 178
Trefwoordenregister 619
Bedienen (DYNAMIC SELECT-schake‐
laar) ..................................................... 178
Functie ................................................. 175
Rijprogramma I configureren ............... 178
Rijprogramma kiezen ...........................178
Rijprogramma's ...................................175
Voertuiggegevens weergeven .............. 179
E
E-mails
Zie In-Car Office
EASY-PACKfixkit ...................................... 128
Aanwijzingen ....................................... 128
Telescoopstang aanbrengen en ver‐
wijderen ............................................... 128
EBD (Electronic Brakeforce Distribu‐
tion)
Werking en aanwijzingen .....................208
Echt hout (verzorging) ............................ 493
ECO-aanduiding
Functie ................................................. 173
Terugzetten ......................................... 280
ECO-assistent
Weergeven ........................................... 175
Werking en aanwijzingen .....................173
EDW (diefstal-/inbraakalarminstalla‐
tie) .............................................................. 99
Functie .................................................. 99
Het alarm beëindigen .......................... 100
Interieurbeveiliging functie .................. 101
Interieurbeveiliging in- en uitschake‐
len .......................................................102
Wegsleepbeveiliging functie ................ 100
Wegsleepbeveiliging in- en uitschake‐
len .......................................................101
Eenheid voor afstand instellen .............. 348
EG-typegoedkeuringsnummer ............... 537
EHBO-set .................................................. 497
Elektrisch verbruik
Boordcomputer ................................... 279
Elektrische parkeerrem.......................... 201
Automatisch bedienen ......................... 201
Automatisch vrijzetten ......................... 202
Handmatig inschakelen of vrijzetten .... 202
Noodremming uitvoeren ...................... 202
Elektrische zekeringen
Zie Zekeringen
Elektro-modus
Aanwijzingen ....................................... 164
Elektromagnetische verdraagzaam‐
heid
Conformiteitsverklaring ......................... 21
Elektronisch stabiliteitsprogramma
Zie ESP®(elektronisch stabiliteits‐
programma)
Energiestroomdisplay
Weergeven ........................................... 166
Werking en aanwijzingen .....................166
ENERGIZING Coach
Functie ................................................ 357
Oproepen ............................................ 358
ENERGIZING COMFORT ...........................353
Overzicht van programma's ................. 354
Programma starten ............................. 356
ENERGIZING-stoelinstellingen
Instellen .............................................. 353
ENERGIZING-stoelinstellingen
Zie ENERGIZING COMFORT
ERA-GLONASS testmodus
Starten/stoppen .................................444
620 Trefwoordenregister
ESC (Electronic Stability Control)
Zie ESP®(elektronisch stabiliteits‐
programma)
ESP®
Aanhangwagenstabilisatie ...................208
Zijwindassistent ................................... 207
ESP®(elektronisch stabiliteitspro‐
gramma) ................................................... 205
In- en uitschakelen .............................. 207
Werking en aanwijzingen .....................205
Exterieurverlichting
Verzorging ...........................................490
Exterieurverlichting
Zie Verlichting
Extra portiervergrendeling ....................... 80
F
Favorieten
Adresthuis .......................................... 367
Adreswerkzaamheden ........................ 367
Bestemming toevoegen ....................... 367
Hernoemen ......................................... 329
Oproepen ............................................ 329
Overzicht ............................................. 328
Toevoegen ...........................................329
Verschuiven .........................................330
Wissen ................................................ 330
Fietsdrager
Rijden met een aanhangwagen ............ 270
FIN ............................................................ 537
Stoel ....................................................537
Typeplaatje .......................................... 537
Voorruit ...............................................537
Flacon
Aanbrengen/verwijderen .................... 158
Flankbescherming .................................. 238
Flat Towing
Zie Tow-Bar-systeem
Frequentieband
Selecteren (boordcomputer) ...............282
Frequenties
Mobiele telefoon .................................536
Mobilofoon .......................................... 536
Frontairbag (bestuurder, passagier) ........ 38
Functionele stoel
Zie Portierbedieningseenheid
G
Garagedeurbediening
Garagedeur openen of sluiten .............198
Geheugen wissen ................................ 199
Problemen verhelpen ........................... 198
Toetsen programmeren ....................... 196
Wisselcode-synchronisatie uitvoeren ... 197
Zendvergunningen ...............................199
Garantie ...................................................... 27
Gaspedaal
Zie Haptisch gaspedaal
Gebied met meerdere weergaven
Instellen (display-inhoud) .....................276
Gebruikersprofielen
Zie Profielen
Gegevensopslag
Auto ....................................................... 28
Elektronischeregeleenheden ................ 28
Online-diensten .....................................29
Gegevensregistratie
Auto ....................................................... 28
Geheugenfunctie
Bedienen .............................................. 116
Trefwoordenregister 621
Buitenspiegels Geheugen oproe‐
pen .......................................................116
Buitenspiegels Instellingen opslaan .. 116
Stoel Geheugen oproepen ................116
Stoel Instellingen opslaan .................116
Stuurwiel Geheugen oproepen .......... 116
Stuurwiel Instellingen opslaan ..........116
Gekwalificeerde werkplaats ..................... 26
Geluid
Banden en velgen .................................514
PRE-SAFE®Sound ................................. 47
Geluidsfocus instellen
Burmester®surround sound system ....478
Geluidsmenu oproepen
Advanced sound system ......................479
Burmester®surround sound system ....477
Geluidsprofiel selecteren
Burmester®surround sound system ....478
Gereedschap
Zie Boordgereedschap
Gesprekken ..............................................417
Aannemen ............................................ 417
Binnenkomend gesprek tijdens een
gesprek ................................................ 417
Functies tijdens gesprek activeren .......417
Gesprek beëindigen .............................417
Gesprek met meerdere deelnemers .....417
Mercedes me ...................................... 434
Voeren .................................................417
Weigeren .............................................. 417
Gesproken rij-aanwijzingen
Geluidsverlaging in- en uitschakelen ...386
Herhalen ............................................. 386
In- en uitschakelen .............................. 386
Volume instellen .................................. 386
Gevarendriehoek
Opklappen ...........................................497
Uitnemen ............................................ 496
Giek
Zie Tow-Bar-systeem
Globaal zoeken
Functie ................................................ 333
Overzicht ............................................. 332
Gordel
Zie Veiligheidsgordel
Gordelaanpassing
Functie ..................................................37
In- en uitschakelen ................................ 38
Gordelspanners
Activering .............................................. 32
Gordelwaarschuwing
Zie Veiligheidsgordel
Grootlicht
Adaptieve grootlichtassistent Plus ....... 143
In- en uitschakelen .............................. 140
H
Handleiding
Uitrusting van de auto ........................... 19
Handleiding (digitaal) ................................ 16
Handrem
Zie Elektrische parkeerrem
HANDS-FREE ACCESS ................................ 89
Haptisch gaspedaal ................................. 175
HD-programma
Zie CI+-module
622 Trefwoordenregister
Head-up-display ....................................... 284
Functie ................................................ 284
Helderheid instellen (boordcompu‐
ter) ...................................................... 284
In- en uitschakelen .............................. 285
Menu (boordcomputer) ....................... 284
Positie instellen (boordcomputer) ........ 284
Weergave-inhoud instellen (boord‐
computer) ............................................ 284
Het alarm beëindigen (EDW) .................. 100
Hoge, midden en lage tonen instellen
Advanced sound system ......................479
Burmester®surround sound system ....478
Hogedrukreiniger (verzorging) ............... 485
HOLD-functie ...........................................233
In- en uitschakelen .............................. 233
Werking en aanwijzingen .....................233
Homescreen (mediadisplay)
Overzicht ............................................. 309
Hoofdsteun
Achteraan (instellen) ...........................109
Voorste (mechanisch instellen) ............ 107
Hoogspanningsaccu ................ 181, 505, 543
Aanwijzingen/opladen ......................... 181
De actieradius ..................................... 543
Laadduur ............................................. 543
Maximaal mogelijke laadstroom
instellen ...............................................188
Type .....................................................543
Werking en aanwijzingen .....................505
Hoogspanningsaccu geladen
Het opladen beëindigen .......................193
Hoogspanningsaccu geladen
Zie Hoogspanningsboordnet
Hoogspanningsaccu opladen
Het opladen starten ............................. 190
Laadstation (mode 3/4) ...................... 189
Netcontactdoos (mode 2) .................... 186
Wallbox (mode 3) .................................189
Hoogspanningsboordnet ................ 165, 193
Aanwijzingen met betrekking tot het
opladen van de hoogspanningsaccu .... 181
Controlelampjes voertuigstekker‐
doos .................................................... 185
Handmatig uitschakelen ...................... 165
Het opladen beëindigen ....................... 193
Het opladen starten ............................. 190
Hoogspanningsaccu opladen aan de
netcontactdoos (mode 2) .................... 186
Hoogspanningsaccu opladen aan de
wallbox (mode 3) .................................189
Hoogspanningsaccu opladen bij het
laadstation (mode 3/4) .......................189
Laadkabel-bedieningseenheid ............. 187
Maximaal mogelijke laadstroom
instellen ...............................................188
Uitschakelsysteem .............................. 165
Hotspot
Instellen (wifi) ...................................... 347
Huisdieren in de auto ................................ 74
I
i-Size kinderzitjebevestiging
Geschikte zitplaatsen voor de beves‐
tiging ...................................................... 61
Monteren ............................................... 62
Importeren/exporterenvangegevens
...................................................................349
Im-/exporteren ................................... 349
Werking en aanwijzingen .....................349
Trefwoordenregister 623
In geval van nood
EHBO-set ............................................. 497
Gevarendriehoek uitklappen ................ 497
Overzicht van de hulp ............................ 14
Veiligheidsvest .................................... 496
In- en uitstaphulp
Werking en aanwijzingen ...................... 114
In-Car Office .................................... 425, 426
Binnenkomend gesprek noteren .......... 426
E-mail doorsturen ................................ 427
E-mail opstellen ...................................426
E-mails beantwoorden ......................... 427
E-mails beheren ................................... 426
Functies .............................................. 425
Functies selecteren (agenda-item) ...... 425
Functies selecteren (Taken &
Gesprekken) ........................................ 426
Oproepen ............................................ 425
Taak als afgehandeld markeren ........... 426
Individueel rijprogramma
Configureren ........................................ 178
Selecteren ........................................... 178
Inparkeerstand
Buitenspiegel aan passagierszijde
opslaan via de achteruitversnelling ...... 154
Buitenspiegels ..................................... 153
Inspectie
Zie ASSYST PLUS
Instrumentendisplay ...............................273
Combi-instrument .................................... 8
Gebied met meerdere weergaven
instellen ...............................................276
Overzicht ............................................. 273
Verlichting instellen .............................278
Waarschuwings- en controlelampjes ...593
Werking en aanwijzingen .....................273
Instrumentenverlichting
Zie Dashboardverlichting
Intelligent Light System .......................... 142
Actieve bochtenverlichting .................. 142
Adaptieve grootlichtassistent Plus ....... 143
Bochtenverlichting ...............................142
Citylicht ............................................... 143
In- en uitschakelen .............................. 143
Overzicht ............................................. 142
Verlichting voor snelwegen .................. 143
Interieurbeveiliging
Functie ................................................. 101
In- en uitschakelen .............................. 102
Interieurhemel (verzorging) ...................493
Interieurverlichting .................................145
Instellen ...............................................145
Leeslampje .......................................... 145
Sfeerverlichting ...................................146
Uitschakelvertragingstijd verlichting .... 147
Internet
Bladwijzers beheren ............................ 452
Bladwijzers wissen .............................. 452
Geschiedenis wissen ...........................452
Webbrowser afsluiten .......................... 452
Website oproepen ...............................450
Internetverbinding
Automatisch maken ............................. 448
Automatisch verbreken van de ver‐
binding instellen .................................. 449
Beperkingen ........................................ 446
Details van de mobiele telefoon .......... 448
Functie communicatiemodule ............. 446
Informatie ............................................ 446
Instellen (Bluetooth®) .......................... 447
624 Trefwoordenregister
Instellen (Wi-Fi) .................................... 447
Opbouwen ...........................................448
Toegangsgegevens instellen (Blue‐
tooth®) ................................................ 447
Verbindingsstatus ................................ 449
Verbindingsstatus weergeven .............. 449
Vrijgave annuleren (mobiele telefoon)
.............................................................448
Invoeren vantekens ................................ 336
Op de touchpad ...................................336
Op het touchscreen (mediadisplay) ..... 340
Toetsenbord instellen .......................... 343
Werking en aanwijzingen .....................336
Ionisering
In- en uitschakelen (multimediasys‐
teem) ................................................... 157
iPhone®
Zie Apple CarPlay®
Zie Mercedes-Benz Link
ISOFIX-kinderzitjesbevestiging
Monteren ...............................................62
ISOFIX-kinderzitjesverankering
Geschikte zitplaatsen voor de beves‐
tiging ..................................................... 58
K
Kaart ................................................. 391, 397
Actieradius weergeven ........................ 403
Actualisering ........................................ 401
Gebied mijden ..................................... 400
Gebied mijden (overzicht) .................... 400
Gebied wijzigen ...................................401
Gebied wissen .....................................401
Informatie in tekstvorm selecteren ...... 399
Kaartgegevens ..................................... 402
Kaartoriëntatie selecteren ...................398
Kaartversie weergeven ........................ 400
Kompas weergeven ............................. 402
Laadstations ........................................ 372
Op het multifunctioneel display van
het combi-instrument weergeven ........ 404
Qibla weergaven .................................. 403
Satellietkaart weergeven ..................... 403
Schaal automatisch instellen ...............403
Schaal instellen ...................................397
Snelweginformatie in- en uitschake‐
len .......................................................399
Symbolen voor speciale bestemmin‐
gen selecteren ..................................... 398
Verkeerskaart weergeven .................... 391
Verschuiven .........................................397
Volgende dwarsstraat aangeven .......... 400
Weersinformatie weergeven ................ 403
Keg
Zie Wielkeg
Keuzehendel
Zie DIRECT SELECT-keuzehendel
KEYLESS-GO
Auto ontgrendelen ................................. 83
Auto vergrendelen ................................. 83
Ontgrendelingsinstelling ........................ 77
Probleem ............................................... 84
Kilometerteller
Zie Kilometertotaalstand
Kilometertotaalstand .............................. 279
Weergeven ........................................... 279
Kinderbeveiliging
Achterportier ......................................... 72
Zijruiten achterin ...................................74
Kinderen
Algemene aanwijzingen .........................48
Gevaren in de auto vermijden ................ 49
Trefwoordenregister 625
Kinderzitje
Aanbevelingen voor kinderzitjesbe‐
vestigingssystemen ...............................53
Aanwijzingen met betrekking tot risi‐
co's en gevaren ..................................... 49
Algemene aanwijzingen ......................... 48
Bevestiging (aanwijzingen) .....................55
Goedkeuringscategorieën ...................... 56
ISOFIX/i-Size (montage) ........................ 62
Op de passagiersstoel met een gor‐
del bevestigen .......................................71
Op de zitplaats achterin met een gor‐
del bevestigen .......................................68
Passagiersstoel (aanwijzingen) .............. 70
Passagiersstoel (zonder automati‐
sche airbaguitschakeling) ......................70
TopTether ..............................................64
Zitplaatsen geschikt voor i-Size-kin‐
derzitjesbevestigingssysteem ................61
Zitplaatsen geschikt voor ISOFIX-kin‐
derzitjesbevestigingsystemen ............... 58
Zitplaatsen geschikt voor met een
gordel bevestigde kinderzitjesbeves‐
tigingssystemen .................................... 66
Klankinstellingen .....................................477
Automatische volumeaanpassing ........ 477
Balans/fader instellen .........................477
Geluidsmenu oproepen .......................477
Hoge, midden en lage tonen instellen
.............................................................477
Informatie ............................................ 477
Klantenservice
Zie ASSYST PLUS
Kledinghakenaan de achterklep .............127
Klimaatmenu
Oproepen ............................................ 156
Klimaatmodus
Functie ................................................ 156
Klimaatregeling
A/C-functie in- en uitschakelen (mul‐
timediasysteem) ..................................156
Aanwijzing ...........................................155
Auto ventileren (comfortopening) .......... 93
Automatisch regelen ............................ 156
Bedieningseenheid achterin ................ 155
Bedieningseenheid THERMOTRONIC ... 155
Condens van de ruiten verwijderen .....157
Directe klimaatregeling vooraf .............162
Flacon aanbrengen/verwijderen
(parfumeringssysteem) ........................ 158
In- en uitschakelen .............................. 155
Instellen (multimediasysteem) .............156
Instellingen voor de luchtverdeling ...... 156
Ionisering .............................................157
Klimaatmenu oproepen ....................... 156
Klimaatmodus functie ..........................156
Klimaatregeling vooraf op de vertrek‐
tijd ....................................................... 160
Klimaatregeling vooraf via sleutel ........ 159
Luchtrecirculatie .................................. 157
Luchtuitstroomopeningen achter ......... 163
Luchtuitstroomopeningen ór ............ 162
Parfumeringssysteem instellen ............ 158
Synchroniseringsfunctie in- en uit‐
schakelen (multimediasysteem) ........... 157
Klimaatregeling vooraf (directe) ............ 162
Klimaatregeling vooraf op de vertrek‐
tijd
Functie ................................................ 160
In- en uitschakelen ............................... 161
Instellen ...............................................161
Klimaatregeling vooraf via sleutel
Functie ................................................ 159
626 Trefwoordenregister
In- en uitschakelen .............................. 160
Instellen ...............................................159
Kneebag ..................................................... 38
Knipperlichten ......................................... 140
In- en uitschakelen .............................. 140
Koelvloeistof (motor)
Aanwijzingen ........................................ 541
Peil controleren ...................................483
Kofferdeksel
Zie Achterklep
Koffiekop-symbool
Zie ATTENTION ASSIST
Kogeldruk .................................................545
Kogelhals
Uit- en inklappen .................................266
Kompas .................................................... 402
Krik
Conformiteitsverklaring ......................... 24
Opbergplaats ....................................... 527
Kruipfunctie ............................................. 234
Functie/aanwijzing .............................. 234
Kunststof bekleding (verzorging) .......... 493
L
Laadkabel losmaken
Zie Hoogspanningsboordnet
Laadkabel-bedieningseenheid
Werking en aanwijzingen .....................187
Laadstations
Op de kaart weergeven ........................ 372
Laatste bestemmingen
Selecteren ........................................... 363
Lak (reinigingsaanwijzingen) .................. 487
Lakcode .................................................... 537
Lamp
Zie Interieurverlichting
Lampje (instrumentendisplay)
Zie Waarschuwings- en controlelampje
LED-licht
Zie Intelligent Light System
Leeslampje
Zie Interieurverlichting
Leesverlichting
Door poses in- en uitschakelen ............ 318
Lendensteun
Zie Lendensteun (4-weg)
Lendensteun (4-weg) ...............................107
Lichtsignaal .............................................140
Limiter...................................................... 216
Functie .................................................216
Inschakelen ..........................................217
Passief .................................................216
Permanente instelling .......................... 219
Selecteren ........................................... 217
Snelheid instellen ................................ 217
Snelheid oproepen ............................... 217
Snelheid opslaan ................................. 217
Systeemgrenzen .................................. 216
Toetsen ................................................ 217
Uitschakelen ........................................217
Voorwaarden .......................................217
LINGUATRONIC ........................................ 287
Aanwijzingen met betrekking tot
gesproken opdrachten .........................291
Akoestische hulp .................................289
Bedienbare functies ............................ 288
Bedrijfsveiligheid .................................286
Dialoogvoering ....................................287
Trefwoordenregister 627
Gesproken auto-opdrachten ................ 303
Gesproken berichten-opdrachten ........ 302
Gesproken mediaspeler-opdrachten ....299
Gesproken navigatie-opdrachten ......... 292
Gesproken omschakelopdrachten ....... 291
Gesproken opdrachten voor de radio .. 297
Gesproken opdrachten voor tv ............ 297
Gesproken sms-commando's .............. 302
Instellen (multimediasysteem) .............289
Multifunctioneel stuurwiel (bedie‐
ning) .................................................... 287
Online-spraakbediening .......................290
Spraakkwaliteit verbeteren .................. 290
Taalinstelling ........................................ 288
Telefooncommando .............................296
Live Traffic Information
Abonnement verlengen ....................... 390
Gebiedsmeldingen aangeven ............... 393
Op Mercedes me registreren ............... 390
Providerinformatie ...............................390
Verkeerskaart weergeven .................... 391
Verkeerssituatie weergeven ................. 391
Weergave verkeersinformatie inscha‐
kelen ...................................................392
Lucht-waterkanaal ..................................484
Vrijhouden ...........................................484
Luchtdruk
Zie Bandenspanning
Luchtinlaat
Zie Lucht-waterkanaal
Luchtrecirculatie ..................................... 157
Luchtroosters
Zie Luchtuitstroomopeningen
Luchtuitstroomopeningen ...................... 162
Instellen (achterin) ...............................163
Instellen (vóór) .....................................162
Luchtverdeling
Instellen (multimediasysteem) .............157
M
Maateenheden
Instellen .............................................. 348
Massage-instellingen
Terugzetten .......................................... 111
Massageprogramma's
Instellingen terugzetten ........................ 111
Voorstoelen selecteren ........................ 110
Matte lak (reinigingsaanwijzingen) ........ 487
Maximumsnelheid
Zie Limiter
MBUX interieurassistent (multimedia‐
systeem) ...................................................315
Aanwijzingen ........................................ 314
Functie met favorietenpose bedienen .. 318
Functies door nadering met de hand
bedienen .............................................. 316
Instellingen selecteren .........................319
Leeslichtvoor bestuurder en passa‐
gier in- en uitschakelen ........................ 318
Overzicht ............................................. 315
Zoeklicht voor bestuurder in- of uit‐
schakelen ............................................. 319
Media
Menu (boordcomputer) ....................... 283
Mediabron
Selecteren (boordcomputer) ............... 283
Mediadisplay
Aanwijzingen ....................................... 308
Mediafunctie
Auteursrecht en merksymbolen .......... 456
628 Trefwoordenregister
Bluetooth®-audioapparatuur verbin‐
den ...................................................... 459
Favoriete lied toevoegen ......................460
Favoriete lied verwijderen ...................460
Informatie over zoeken in catego‐
rieën ....................................................462
Mediaweergave aansturen ...................460
Mediaweergavestarten ....................... 460
Muziektitel op stemming zoeken ......... 463
Ondersteunde formaten en gege
vensdragers ......................................... 455
Overzicht menu Media ........................ 458
Usb-apparaten aansluiten ................... 459
Vergelijkbare muziektitels afspelen ..... 460
Verrassingsmix .................................... 460
Video-instellingen uitvoeren ................463
Zoeken in categorieën starten ............. 463
Zoeken op trefwoord gebruiken ...........463
Mediaweergave
Bedienen (boordcomputer) .................. 283
Mekka ....................................................... 403
Melding (multifunctioneel display)
Zie Displaymelding
Meldingengeheugen ................................ 546
Menu (boordcomputer)
Assistentie ........................................... 279
Head-up-display .................................. 284
Media .................................................. 283
Navigatie ............................................. 281
Overzicht ............................................. 274
Radio ...................................................282
Reis .....................................................279
Service ................................................ 278
Telefoon ...............................................283
Mercedes me apps
Diensten oproepen .............................. 438
Gebruikersaccount oproepen .............. 438
Informatie ............................................ 438
Koppeling vangebruikersaccount
verbreken ............................................ 439
Mercedes me Charge
Opladen betalen .................................. 372
Mercedes me connect
Informatie ............................................ 437
Ongevals- en pechmanagement .......... 437
Verstuurdegegevens ...........................438
Mercedes me oproepen
Gesprekken via het bedieningspa‐
neel dakconsole voeren ....................... 434
Informatie ............................................ 435
Instemming met gegevensoverdracht
............................................................. 436
Mercedes-Benz klantenservice bel‐
len .......................................................435
Onderhoudstermijn afspreken ............. 435
Verstuurdegegevens ........................... 436
Mercedes-Benz Link ................................ 428
Aanwijzing ........................................... 429
Klankinstellingen .................................429
Overzicht ............................................. 428
Stop ..................................................... 429
Verbinden ............................................ 429
Mercedes-Benz noodoproepsysteem .... 439
Automatische noodoproep ................... 441
Handmatige noodoproep ..................... 442
Informatie ............................................ 439
Informatie overgegevensoverdracht
..................................................... 442, 444
Overzicht ............................................. 441
Testmodus ERA GLONASS starten/
stoppen ............................................... 444
Trefwoordenregister 629
Zelfdiagnose (Rusland) ........................ 444
Mercedes-Benz-servicewerkplaats
Zie Gekwalificeerde werkplaats
Met de hand wassen (verzorging) ..........486
Milieubescherming
Aanwijzingen .......................................... 17
Terugname van de oude auto ................. 17
Mistachterlicht
In- en uitschakelen .............................. 140
Mobiele telefoon
Auto ontgrendelen ................................. 82
Auto starten ........................................ 170
Auto vergrendelen ................................. 82
Draadloos opladen ...............................137
Frequenties ......................................... 536
Schadeherkenning (geparkeerde
auto) ....................................................203
Vrijgavevoor internetverbinding
opheffen .............................................. 448
Zendvermogen (maximaal) .................. 536
Mobiele telefoon
Zie Android Auto
Zie Apple CarPlay®
Zie Mercedes-Benz Link
Zie Telefoon
Zie Tweede telefoon
Mobilofoons
Aanwijzingen met betrekking tot het
inbouwen ............................................. 535
Frequenties ......................................... 536
Zendvermogen (maximaal) .................. 536
Moeheidsherkenning
Zie ATTENTION ASSIST
Motor
Afzetten (start-stoptoets) ..................... 195
Motornummer .....................................537
Starten (digitale voertuigsleutel-stic‐
ker) ...................................................... 170
Starten (mobiele telefoon) ...................170
Starten (noodprogramma) ................... 171
Starten (start-stoptoets) ......................169
Starthulp .............................................506
Motorelektronica
Aanwijzingen .......................................535
Motorkap
Openen en sluiten ............................... 481
Motornummer .......................................... 537
Multifunctioneel display
Overzicht van de weergeven ................ 277
Multifunctioneel stuurwiel
Overzicht toetsen ................................ 273
Multifunctioneel stuurwiel
Zie Stuurwiel
Multimediasysteem
Centrale bedieningselementen ............ 310
Displayinstellingen configureren ..........343
ENERGIZING comfort programma
starten ................................................ 356
ENERGIZING Comfort programma's
(overzicht) ...........................................354
ENERGIZING-stoelinstellingen .............353
Favorieten ...........................................328
Geluid in- en uitschakelen ................... 334
Hoofdfuncties ...................................... 320
MBUX interieurassistent (aanwijzin‐
gen) ..................................................... 314
Op fabrieksinstellingen terugzetten ..... 352
Overzicht ............................................. 307
Rijprogramma I configureren ............... 178
Volume instellen .................................. 335
630 Trefwoordenregister
Multimediasysteem
Zie Adviezen
Zie Berichten-center
Zie Display (multimediasysteem)
Zie Invoeren vantekens
Zie MBUX interieurassistent (multi‐
mediasysteem)
Zie Profielen
Zie Themawerelden
Zie Touch-Control
Zie Touchpad
N
Navigatie
Actualisering vankaartgegevens ......... 401
Gesproken opdrachten (LINGUA‐
TRONIC) ..............................................292
Inschakelen ......................................... 358
Menu (boordcomputer) ........................ 281
Menu in- en uitschakelen .................... 358
Overzicht ............................................. 359
Navigatie
Zie Bestemming
Zie Bestemmingsinvoer
Zie Kaart
Zie Route
Zie Routebegeleiding
Zie Service parkeren
Zie Verkeersinformatie
Navigatie-aanwijzingen
Boordcomputer .................................... 281
Near Field Communication (NFC) ...........415
Algemene informatie ............................ 415
Auto ontgrendelen (digitale voertuig‐
sleutel-sticker) ....................................... 82
Auto ontgrendelen (mobiele telefoon) ...82
Auto starten (digitale voertuigsleutel-
sticker) ................................................ 170
Auto starten (mobiele telefoon) ...........170
Auto vergrendelen (digitale voertuig‐
sleutel-sticker) ....................................... 82
Auto vergrendelen (mobiele telefoon) .... 82
Mobiele telefoon gebruiken .................. 415
Mobiele telefoon met het multime‐
diasysteem verbinden ..........................415
Van mobiele telefoon wisselen .............415
Neutraalstand
Inschakelen ......................................... 180
NFC
Zie Near Field Communication (NFC)
Noodgeval
Brandblusser ....................................... 497
Gevarendriehoek uitnemen ................. 496
Noodoproepsysteem
Zie Mercedes-Benz noodoproepsysteem
Noodprogramma
Auto starten ......................................... 171
Noodremming .......................................... 202
Noodremming
Zie BAS (Brake Assist System)
Noodsleutel
Achterklep ontgrendelen ....................... 91
Portier ontgrendelen .............................85
Portier vergrendelen .............................. 85
Verwijderen/aanbrengen ...................... 78
Noodstart (aandrijfsysteem) .................. 510
Nooduitschakeling
Zie Hoogspanningsboordnet
Noodwiel .................................................. 533
Aanwijzing ...........................................533
Verwijderen .........................................534
Trefwoordenregister 631
O
Omschakeling licht
Buitenlandse reis (symmetrisch dim‐
licht) .................................................... 139
Onboard-diagnose-interface
Zie Diagnose-interface
Onderhoud
Zie ASSYST PLUS
Onderstel
Luchtvering ......................................... 235
Niveauregeling .....................................235
Ongevals- en pechmanagement
Mercedes me connect ......................... 437
Online-diensten
Gegevensopslag .................................... 29
Online-diensten
Zie In-Car Office
Online-muziek
Oproepen ............................................. 461
Opties configureren ............................. 462
Zoekfunctie .......................................... 461
Onoplettendheidsherkenning
Zie ATTENTION ASSIST
Ontgrendelingsinstelling .......................... 77
Opbergmogelijkheden
Zie Beladen
Zie Opbergvak
Opbergvak ................................................ 118
Armsteun .............................................118
Armsteun achterin ...............................119
Brillenvak ............................................. 119
Dashboardkastje .................................. 118
Middenconsole .................................... 118
Portier .................................................. 118
Opbergvak onder bagageruimtebo‐
dem ........................................................... 129
Opbergvakken
Zie Beladen
Zie Opbergvak
Open Source software .............................. 30
Opening van de achterklep met de
voet
Zie HANDS-FREE ACCESS
Openingshoek begrenzen (achterklep) ... 90
Opladen ....................................................188
Aanwijzingen met betrekking tot de
hoogspanningsaccu .............................505
Aanwijzingen met betrekking tot het
opladen van de hoogspanningsaccu .... 181
Accu (auto) .......................................... 506
Betalen ................................................ 372
Controlelampjes voertuigstekker‐
doos .................................................... 185
Het opladen beëindigen ....................... 193
Het opladen starten ............................. 190
Laadkabel-bedieningseenheid .............187
Laadstation (mode 3/4) ...................... 189
Laadtoestandweergave ........................ 184
Maximaal mogelijke laadstroom
instellen ...............................................188
Netcontactdoos (mode 2) .................... 186
Voertuigstekkerdoos ........................... 185
Wallbox (mode 3) .................................189
Oproeplijst
Bellen ..................................................422
Opties selecteren ................................ 422
Opties voor suggesties selecteren .......422
Overzicht ............................................. 421
Wissen ................................................ 422
632 Trefwoordenregister
Oriëntatieverlichting
In- en uitschakelen .............................. 145
Originele onderdelen ................................. 18
Overgebrachte voertuiggegevens
Android Auto ....................................... 433
Apple CarPlay®.................................... 433
Overzicht
Voor EQ geoptimaliseerde route .......... 370
P
Paravan
Zie Lucht-waterkanaal
Parfum
Zie Parfumeringssysteem
Parfumering
Zie Parfumeringssysteem
Parfumeringssysteem .............................158
Flacon aanbrengen/verwijderen ......... 158
Instellen ...............................................158
Parfumeringssysteem
Zie Parfumeringssysteem
Parfumflacon
Zie Parfumeringssysteem
Parkeerhulp
Zie Actieve parkeerassistent
Zie PARKTRONIC-parkeerassistent
Parkeerlicht .............................................139
Parkeermogelijkheid
Zie Service parkeren
Parkeerrem
Zie Elektrische parkeerrem
Parkeerstand
Automatisch inschakelen .....................180
Inschakelen ......................................... 180
Parkeren
Zie Elektrische parkeerrem
PARKTRONIC
Functiestoring .....................................237
Storing .................................................237
PARKTRONIC-parkeerassistent .............. 235
Flankbescherming ...............................238
Functie ................................................ 235
Inschakelen .........................................239
Problemen ...........................................237
Systeemgrenzen .................................. 235
Uitschakelen .......................................239
Waarschuwingssignalen instellen ........ 240
Passagiersairbaguitschakeling
Zie Automatische passagiersairba‐
guitschakeling
Passagiersstoel
Zie Stoel
Pech
Aanslepen ............................................ 510
Auto vervoeren .................................... 509
Overzicht van de hulp ............................ 14
Slepen ................................................. 507
Verwisselen van een wiel ..................... 527
Pech
Zie Bandenpech
Pinbeveiliging
In- en uitschakelen .............................. 350
Portier
Extra portiervergrendeling ..................... 80
Kinderbeveiliging (achterportier) ...........72
Ontgrendelen (noodsleutel) ...................85
Ontgrendelen (van binnenuit) ................ 81
Openen (van binnenuit) .......................... 81
Vergrendelen (noodsleutel) ...................85
Trefwoordenregister 633
Portierbedieningseenheid ........................ 12
Positie van de auto
Overdracht in- en uitschakelen ............ 345
PRE-SAFE®(preventieve inzittenden‐
bescherming) ............................................. 47
Functie ..................................................47
Maatregelen ongedaan maken ............... 47
PRE-SAFE®Sound ................................. 47
PRE-SAFE®PLUS (preventieve inzit‐
tendenbescherming Plus) .........................47
Functie ..................................................47
Maatregelen ongedaan maken ............... 47
Preventief inzittendenbeschermings‐
systeem
Zie PRE-SAFE®(preventieve inzitten‐
denbescherming)
Preventieve inzittendenbescherming
Zie PRE-SAFE®(preventieve inzitten‐
denbescherming)
Zie PRE-SAFE®PLUS (preventieve
inzittendenbescherming Plus)
Profielen ...........................................320, 321
Aanwijzingen ....................................... 320
Maximum aantal profielen ................... 321
Nieuw profiel aanmaken ......................322
Overzicht ............................................. 321
Profiel selecteren ................................ 323
Profielopties selecteren ....................... 322
Profielselectie bij het instappen
weergeven ........................................... 324
Synchroniseren ................................... 323
Programma-informatie
Tv-zender ............................................. 472
Q
Qibla ......................................................... 403
QR-code
Reddingskaart .......................................27
R
Radar- en ultrasone sensoren
Beschadiging ....................................... 203
Radio
Direct frequentie-invoer ......................466
Frequentie fixeren ............................... 467
Frequentieband instellen .....................465
Gesproken opdrachten (LINGUA‐
TRONIC) ..............................................297
Informatie weergeven .......................... 467
Inschakelen .........................................464
Menu (boordcomputer) ....................... 282
Overzicht ............................................. 465
Radiotekst in- en uitschakelen .............467
Radiotekstweergeven .......................... 467
Slideshow oproepen ............................466
Verkeersinformatie in- en uitschake‐
len .......................................................467
Volumeverhoging verkeersinformatie
instellen ...............................................467
Zender instellen ...................................465
Zender opslaan ....................................466
Zender verschuiven .............................466
Zender volgen instellen ........................ 467
Zender zoeken .....................................466
Zendergeheugen bewerken ................. 466
Zenderlijst oproepen ........................... 466
Zenders wissen ................................... 466
Radiografische onderdelen van de
auto
Conformiteitsverklaring .........................21
634 Trefwoordenregister
Radiozender
Selecteren (boordcomputer) ............... 282
REACH-verordening ................................... 27
Recuperatie
Functie ................................................. 167
Instellen ...............................................167
Recycling
Zie Terugname van de oude auto
Reddingskaart ........................................... 27
Regensluiting
Schuifdak ..............................................97
Zijruiten .................................................93
Registratie
Auto ....................................................... 26
Reiniging
Zie Verzorging
Reis
Menu (boordcomputer) ........................ 279
Rem
ABS (antiblokkeersysteem) ................. 204
Active Brake Assist System ................. 209
Adaptief remlicht ................................. 214
BAS (Brake Assist System) .................. 205
Beperkte remwerking (met zout
gestrooide wegen) ............................... 172
EBD (Electronic Brakeforce Distribu‐
tion) ..................................................... 208
HOLD-functie ...................................... 233
Recuperatie ......................................... 167
Rijtips .................................................. 172
Remhulp
Zie BAS (Brake Assist System)
Remkrachtverdeling
EBD (Electronic Brakeforce Distribu‐
tion) ..................................................... 208
Remvloeistof
Aanwijzingen ....................................... 540
Reservewiel
Zie Noodwiel
Reset-functie (multimediasysteem) ...... 352
Richtingaanwijzers
Zie Knipperlichten
Rijden in de winter
Sneeuwkettingen ................................. 514
Rijden met een aanhangwagen
Aanhangwagen aan- of afkoppelen ...... 268
Aanwijzingen ....................................... 266
Actieve dodehoekassistent .................. 262
Actieve spoorassistent ........................ 263
Contactdoos ........................................ 268
Fietsdrager .......................................... 270
Kogelhals uit- en inklappen .................266
Rijdynamische regeling
Zie ESP®(elektronisch stabiliteits‐
programma)
Rijgedrag (ongebruikelijk) ....................... 514
Rijlicht
Zie Automatisch rijlicht
Rijprogramma's
Zie DYNAMIC SELECT
Rijstand
Inschakelen .......................................... 181
Rijstrookherkenning (automatisch)
Zie Actieve spoorassistent
Rijsysteem
Zie 360°-camera
Zie Achteruitrijcamera
Zie Actieve afstandsassistent DISTRONIC
Zie Actieve dodehoekassistent
Trefwoordenregister 635
Zie Actieve noodstopassistent
Zie Actieve parkeerassistent
Zie Actieve rijstrookwisselassistent
Zie Actieve snelheidslimietassistent
Zie Actieve spoorassistent
Zie Actieve stuurassistent
Zie ATTENTION ASSIST
Zie Dodehoekassistent
Zie HOLD-functie
Zie Kruipfunctie
Zie Limiter
Zie PARKTRONIC-parkeerassistent
Zie Rijveiligheidssysteem
Zie Snelheidslimietassistent
Zie TEMPOMAT
Zie Verkeerstekenassistent
Rijtips
Algemene rijtips ................................... 172
Buitenlandse reis (symmetrisch dim‐
licht) .................................................... 139
Rijveiligheidssysteem .............................203
ABS (antiblokkeersysteem) ................. 204
Active Brake Assist System ................. 209
Adaptief remlicht ................................. 214
BAS (Brake Assist System) .................. 205
EBD (Electronic Brakeforce Distribu‐
tion) ..................................................... 208
ESP®zijwindassistent .......................... 207
ESP®-aanhangwagenstabilisatie .......... 208
Overzicht .............................................204
Radar- en ultrasone sensoren .............. 203
Stuurassistent STEER CONTROL ......... 208
Verantwoordelijkheid ........................... 203
Ritregistratie
Zie Dagteller
Rolzonnescherm ........................................ 99
Zijruiten .................................................99
Route ........................................ 368, 371, 378
Alternatieve route (snelle toegang) ...... 385
Alternatieve route selecteren .............. 378
Automatisch naar een wegrestaurant
zoeken starten ..................................... 379
Berekenen ........................................... 368
Bestemmingsinformatie weergeven ..... 377
Extern .................................................. 389
Geregistreerde route opslaan .............. 381
Instellingen voor laadstations selec‐
teren (voor EQ geoptimaliseerde
route) ...................................................371
Meldingen selecteren .......................... 376
Met tussenbestemmingen berekenen
.............................................................378
Omleidingsadvies na vraag overne‐
men ..................................................... 374
Opgeslagen route bewerken ................381
Opgeslagen route op de kaart weer‐
geven ................................................... 380
Opgeslagen route starten .................... 380
Opties selecteren ................................ 375
Plannen ............................................... 377
Route registreren ................................ 380
Route-opties voor EQ geoptimali‐
seerde route inschakelen .....................371
Routelijst weergeven ........................... 378
Type selecteren ...................................373
Woon-werk route activeren .................. 379
Routebegeleiding .....................................381
Aanwijzingen ........................................ 381
Afbreken .............................................. 387
Bestemming bereikt ............................ 385
Naar Offroad-bestemming ................... 387
Offroad ................................................ 387
Rijstrookadviezen ................................ 383
Routewijziging ..................................... 382
636 Trefwoordenregister
Snelweginformatie .............................. 384
Tussenbestemming bereikt ................. 385
Van een Offroad-positie ....................... 387
Routebegeleiding met augmented
reality ....................................................... 394
Activeren .............................................395
Overzicht ............................................. 394
Straatnamen en huisnummers weer‐
geven ...................................................396
Weergave vanverkeerslichten
inschakelen ......................................... 396
Routegebaseerde snelheidsaanpas‐
sing
Functie ................................................ 225
Instellen .............................................. 226
Weergaven in het instrumentendis‐
play ...................................................... 231
Ruitbediening
Zie Zijruiten
Ruiten
Zie Zijruiten
Ruiten (verzorging) .................................. 490
Ruitensproeierinstallatie
Bijvullen ...............................................484
Ruitensproeiervloeistof
Zie Ruitreinigingsmiddel
Ruitenwisserbladen
Verwisselen .........................................148
Verzorging ...........................................490
Ruitenwissers
In- en uitschakelen ...............................147
Ruitenwisserbladen vervangen ............ 148
Ruitreinigingsmiddel ...............................541
Aanwijzingen ........................................ 541
S
Satellietkaart ...........................................403
Schaal instellen
Zie Kaart
Schadeherkenning (geparkeerde
auto) .........................................................203
Scheidingsnet
Bevestigen ...................................123, 125
Schuifdak
Automatische functies ........................... 97
Met sleutel openen ................................ 93
Openen .................................................. 95
Probleem ............................................... 97
Regensluiting ......................................... 97
Sluiten ................................................... 95
Sluiten met de sleutel ............................ 93
Sensoren (verzorging) ............................. 490
Service
Menu (boordcomputer) ........................ 278
Service
Zie ASSYST PLUS
Service parkeren.....................................404
Aanwijzingen ....................................... 404
Parkeermogelijkheden in de kaart
weergeven ........................................... 406
Parkeermogelijkheid selecteren ..........405
Parkeertarief betalen ...........................406
Servicewerkplaats
Zie Gekwalificeerde werkplaats
Sfeerverlichting
Instellen (multimediasysteem) .............146
Sidebags .................................................... 38
Sierdeel (verzorging) ...............................493
Sigarettenaansteker
Middenconsole voorin .........................133
Trefwoordenregister 637
Sjorogen ................................................... 126
Sleepmethoden .......................................506
Sleepoog
Aanbrengen ......................................... 510
Opbergplaats ....................................... 509
Slepen ...................................................... 507
Sleutel ........................................................ 76
Accu ...................................................... 78
Akoestisch sluitsignaal .......................... 77
Functies ................................................. 76
Noodsleutel ...........................................78
Ontgrendelingsinstelling ........................ 77
Overzicht ............................................... 76
Probleem ............................................... 80
Sleutelbosbevestiging ............................ 78
Stroomverbruik ...................................... 77
Sleutel
Zie Sleutel
Sleutelfuncties
Deactiveren ...........................................77
Smart Card
Aanbrengen ......................................... 475
Smartphone
Auto ontgrendelen ................................. 82
Auto vergrendelen ................................. 82
Smartphone
Zie Android Auto
Zie Apple CarPlay®
Zie Mercedes-Benz Link
Zie Telefoon
Sms
Gesproken opdrachten (LINGUA‐
TRONIC) .............................................. 302
Sms
Zie Berichten
Sneeuwkettingen.....................................514
Snel opladen
Zie Opladen
Snelheid begrenzen
Zie Limiter
Snelheid instellen
Zie TEMPOMAT
Snelheidsbegrenzing winterbanden
Instellen ...............................................219
Snelheidslimietassistent ........................ 256
Instellen ...............................................257
Systeemgrenzen ..................................256
Werking en aanwijzingen .....................256
Snelheidsmeter
Digitaal ................................................ 279
Software-actualisering ........................... 350
Belangrijke systeemactualiseringen ..... 351
Informatie ............................................ 350
Uitvoeren ............................................. 351
Sound
Zie Burmester®surround sound system
Zie Klankinstellingen
Spanningsvoorziening
Inschakelen (start-stoptoets) ............... 168
Speciale bestemming
Selecteren ........................................... 363
Snelle toegang .................................... 385
Specialist
Zie Gekwalificeerde werkplaats
Spiegels
Zie Buitenspiegels
638 Trefwoordenregister
Spoorassistent
Zie Actieve spoorassistent
Spraakdialoogsysteem
Zie LINGUATRONIC
Spraakgestuurd bedieningssysteem
Zie LINGUATRONIC
Spraakherkenning mobiele telefoon
Starten ................................................. 416
Stoppen ............................................... 416
Standlicht................................................. 139
Start-stoptoets
Auto afzetten ....................................... 195
Auto starten ........................................ 169
Spanningsvoorziening of contact
inschakelen ......................................... 168
Startaccu
Zie Accu (auto)
Starten
Zie Auto
Starthulp
Zie Starthulpaansluiting
Starthulpaansluiting ...............................506
Statusindicatie PASSENGER AIR BAG
Zie Automatische passagiersairba‐
guitschakeling
Statusindicatie veiligheidsgordels
achterin ...................................................... 38
Stoel .......................................... 103, 104, 119
Automatische stoelaanpassing ............ 109
Correcte stand van de bestuurders‐
stoel ....................................................103
ENERGIZING-stoelinstellingen .............353
Geheugenfunctie bedienen .................. 116
Instellen (elektrisch) ............................107
Instellen (mechanisch en elektrisch) ... 104
Instellen (zitcomfort) ...........................106
Instellingen configureren ..................... 109
Instellingen terugzetten ........................ 111
Instelmogelijkheden ...............................12
Leuning (achter) blokkeren .................. 122
Leuning (achter) naar voren klappen .... 119
Leuning (achter) terugklappen .............121
Viervoudig verstelbare lendensteun ..... 107
Vlakkenverwarming .............................. 112
Stoelhoes (verzorging) ............................ 493
Stoelkinematica
Instellen ..............................................353
Stoelkinematica
Zie ENERGIZING COMFORT
Stoelontgrendeling
Werking en aanwijzingen ...................... 114
Stoelventilatie
In- en uitschakelen ...............................112
Stoelverwarming
In- en uitschakelen ............................... 111
Storing
PARKTRONIC-parkeerassistent ............ 237
Veiligheidssysteem ................................ 32
Storingsmelding
Zie Displaymelding
Stuurassistent STEER CONTROL
Werking en aanwijzingen .....................208
Stuurwiel .................................................. 273
Geheugenfunctie bedienen .................. 116
Instellen (elektrisch) ............................. 114
Instellen (mechanisch) .........................113
Stuurwielverwarming ...........................114
Toetsen ................................................ 273
Trefwoordenregister 639
Stuurwielverwarming
In- en uitschakelen ...............................114
Surround View
Zie 360°-camera
SVHC (bijzonder zorgwekkende stof‐
fen) .............................................................27
Symbolen voor speciale bestemmin‐
gen
Selecteren ........................................... 398
Synchroniseringsfunctie
In- en uitschakelen (multimediasys‐
teem) ................................................... 157
Systeeminstellingen
Datum en tijd automatisch instellen .... 344
Eenheid voor afstand instellen ............ 348
Overdracht van de positie van de
auto in- en uitschakelen ...................... 345
Pincode-controle in- en uitschakelen ...350
Reset-functie (multimediasysteem) ..... 352
Tijd- en datumformaat instellen ...........344
Tijdzone instellen ................................ 344
Systeeminstellingen
Zie Bluetooth®
Zie Importeren/exporteren vangegevens
Zie Software-actualisering
Zie Taal
Zie Wi-Fi
T
Taal ........................................................... 348
Aanwijzingen ....................................... 348
Instellen .............................................. 348
Tashaken .................................................. 127
Technische gegevens
Aanhangwagengewicht (rijden met
aanhangwagen) ...................................545
Aanwijzingen (aanhangwagenvoorzie‐
ning) ....................................................544
Achteroverbouw (aanhangwagen‐
voorziening) ......................................... 544
Asbelasting (rijden met aanhangwa‐
gen) ..................................................... 545
Bevestigingspunten (aanhangwagen‐
voorziening) ......................................... 544
Inbouwmaten (aanhangwagenvoor‐
ziening) ................................................ 544
Informatie ............................................ 535
Kogeldruk ............................................ 545
Voertuigtypeplaatje ............................. 537
Tekstberichten
Zie Berichten
Telefoneren
Zie Gesprekken
Telefoon ............................................ 283, 411
Aanwijzingen ....................................... 409
Auto ontgrendelen (mobiele telefoon) ...82
Auto starten (mobiele telefoon) ...........170
Auto vergrendelen (mobiele telefoon) .... 82
Bedrijfsstanden .................................... 412
Beltoon instellen .................................. 416
Binnenkomend gesprek tijdens een
gesprek ................................................ 417
Contacten importeren (overzicht) ........ 419
Contacten worden geïmporteerd ......... 420
Draadloos opladen (mobiele tele‐
foon) ....................................................137
Functie wijzigen ................................... 414
Functies tijdens gesprek activeren .......417
Gesprek met meerdere deelnemers .....417
Gesproken opdrachten (LINGUA‐
TRONIC) .............................................. 296
Informatie ............................................ 412
Menu (boordcomputer) ....................... 283
640 Trefwoordenregister
Mobiele telefoon aanmelden (Near
Field Communication (NFC)) ................ 415
Mobiele telefoon loskoppelen .............. 415
Mobiele telefoon verbinden (passkey)
............................................................. 412
Mobiele telefoon verbinden (Secure
Simple Pairing) .....................................412
Mobiele telefoon vervangen .................414
Near Field Communication (NFC)
gebruiken .............................................415
Ontvangst- en overdrachtsvolume ........ 416
Overzicht telefoonmenu .......................411
Spraakherkenning mobiele telefoon .....416
Telefoneren .......................................... 417
Van mobiele telefoon wisselen .............413
Van mobiele telefoon wisselen (Near
Field Communication (NFC)) ................ 415
Telefoonboek
Zie Contacten
Telefoonfuncties
Autotelefoon ........................................412
Bluetooth®telefonie .............................412
Telefoonfuncties
Zie Tweede telefoon
Telefoonnummer
Selecteren (boordcomputer) ............... 283
Teletekst
Overzicht ............................................. 475
Televisie
Zie Tv
TEMPOMAT ............................................... 215
Functie ................................................. 215
Inschakelen ..........................................217
Selecteren ........................................... 217
Snelheid instellen ................................ 217
Snelheid oproepen ............................... 217
Snelheid opslaan ................................. 217
Systeemgrenzen .................................. 215
Toetsen ................................................ 217
Uitschakelen ........................................217
Voorwaarden .......................................217
Terugname van de oude auto ...................17
Milieubescherming ................................ 17
Terugzetten (fabrieksinstelling)
Zie Reset-functie (multimediasysteem)
Themawerelden .......................................324
Bewerkt ............................................... 326
Informatie weergeven (DIBA) ............... 327
Omgespen ........................................... 325
Oproepen ............................................ 325
Overzicht ............................................. 324
Verschuiven .........................................326
Wissen ................................................ 326
Tijd
Handmatige tijdinstelling .....................344
Tijd en datum automatisch instellen .... 344
Tijd- en datumformaat instellen ...........344
Tijdzone instellen ................................ 344
TIREFIT-set ...............................................498
Conformiteitsverklaring ......................... 25
Gebruiken ............................................ 499
Opbergplaats .......................................498
Toegangsgegevens
Instellen (Bluetooth®) .......................... 447
Toegestaan totaalgewicht ...................... 537
Toegestane asbelasting .......................... 537
Toegestane sleepmethoden ...................506
Toetsen
Stuurwiel .............................................273
TopTether .................................................. 64
Totaalgewicht .......................................... 537
Trefwoordenregister 641
Touch-Control ...........................................310
Akoestische bedieningsfeedback
instellen ...............................................311
Bedienen .............................................. 310
Boordcomputer ....................................274
Gevoeligheid instellen .......................... 311
Touchpad .................................................. 312
Akoestische bedieningsfeedback
instellen ...............................................314
Bedienen .............................................. 312
Gevoeligheid instellen .......................... 313
Handschriftherkenning voorlezen ........ 313
Haptische bedieningsfeedback in- en
uitschakelen ........................................ 313
Zender en muziektitel selecteren ......... 314
Touchscreen (mediadisplay)
Akoestische bedieningsfeedback
instellen ...............................................312
Bedienen .............................................. 311
Invoeren vantekens ............................ 340
Tow-Bar-systeem .....................................272
Transmissie
Aanduiding rijprogramma .................... 178
Achteruitversnelling inschakelen ......... 180
DIRECT SELECT-keuzehendel ...............179
DYNAMIC SELECT-schakelaar .............. 175
Kruipfunctie .........................................234
Parkeerstand inschakelen .................... 180
Rijprogramma's ...................................175
Rijstand inschakelen ............................ 181
Transmissiestandaanduiding ................ 179
Transmissiestanden ............................. 179
Transmissiestandaanduiding ................. 179
Tripcomputer
Terugzetten ......................................... 280
Weergeven ........................................... 279
TuneIn
Aanmelden .......................................... 455
Afmelden ............................................. 455
Gebruiksvoorwaarden .........................455
Oproepen ............................................ 452
Opties instellen ...................................455
Overzicht ............................................. 454
Stream selecteren ............................... 455
Zender opslaan .................................... 455
Zender selecteren en verbinden .......... 454
Zender wissen ..................................... 455
Zenderlijst oproepen (laatst geselec‐
teerde categorie) ................................. 455
Tussenbestemming
Automatisch naar een wegrestaurant
zoeken starten ..................................... 379
Bewerkt ............................................... 378
Invoeren ..............................................377
Route met tussenbestemmingen
berekenen ........................................... 378
Tv .............................................................. 297
Audiotaal instellen ...............................474
Beeldinstellingen .................................475
Gesproken opdrachten (LINGUA‐
TRONIC) .............................................. 297
Helderheid instellen .............................475
Informatie ............................................ 467
Inschakelen ......................................... 469
Menu oproepen (CI+-module) .............. 476
Ondertiteling instellen .......................... 474
Overzicht ............................................. 470
Overzicht teletekst ............................... 475
Videotekstweergeven .......................... 475
Volledig scherm in-/uitschakelen: .......471
Tv-zender
EPG (elektronische programmagids) .... 472
In besturingsmenu instellen .................471
In de zenderlijst instellen .....................471
642 Trefwoordenregister
In favorieten instellen ...........................471
Landspecifieke tekenset ...................... 473
Op de achtergrond instellen ................ 472
Opslaan ............................................... 473
Overzicht Favorieten ............................473
Overzicht zenderlijst ............................473
Zender vast in- en uitschakelen ...........472
Zender vastzetten ................................ 472
Tweede telefoon .......................................413
Functies ............................................... 413
Verbinden ............................................ 413
Typegoedkeuringsnummer (EG) ............. 537
Typeplaatje
Auto ..................................................... 537
Motor .................................................. 537
U
Uitschakelsysteem .................................. 165
Uitschakelvertragingstijd verlichting
Binnen .................................................147
Buiten .................................................. 145
V
Veiligheid voor inzittenden
Huisdieren in de auto ............................. 74
Veiligheid voor inzittenden
Zie Airbag
Zie Automatische passagiersairba‐
guitschakeling
Zie PRE-SAFE®(preventieve inzitten‐
denbescherming)
Zie PRE-SAFE®PLUS (preventieve
inzittendenbescherming Plus)
Zie Veiligheidsgordel
Zie Veiligheidssysteem
Veiligheidsgordel ................................ 33, 38
Afdoen ...................................................37
Beschermingspotentieel ........................ 33
Beschermingspotentieel beperkt ........... 35
Gordelaanpassing (werking) .................. 37
Gordelaanpassing in- en uitschakelen ...38
Hoogte instellen .................................... 36
Middelste zitplaats achterin (deblok‐
keren) ....................................................36
Omgespen ............................................. 36
Statusindicatie veiligheidsgordels
achterin .................................................38
Verzorging ...........................................493
Waarschuwingslampje ...........................38
Veiligheidsgordel achterin
Statusindicatie ...................................... 38
Veiligheidssysteem ...................................31
Algemene aanwijzingen voor kinderen ... 48
Bedrijfsklare status ...............................32
Beschermingspotentieel ........................ 31
Beschermingspotentieel beperkt ........... 31
Storing ................................................... 32
Waarschuwingslampje ...........................32
Werking bij een ongeval .........................32
Zelfdiagnose .......................................... 32
Veiligheidssystemen
Zie Rijveiligheidssysteem
Veiligheidsvest ........................................ 496
Velgen (verzorging) .................................490
Ventileren
Comfortopening .................................... 93
Ver- en ontgrendeling
Achterklep openen ................................ 86
Trefwoordenregister 643
Automatische vergrendeling in- en
uitschakelen .......................................... 84
Digitale voertuigsleutel-sticker .............. 82
Extra portiervergrendeling ..................... 80
KEYLESS-GO .......................................... 83
Mobiele telefoon ...................................82
Noodsleutel ...........................................85
Portieren van binnenuit ontgrendelen
en openen .............................................. 81
Smartphone .......................................... 82
Verbinding
Overdracht van de positie van de
auto in- en uitschakelen ...................... 345
Verbindingsstatus
Overzicht ............................................. 449
Weergeven .......................................... 449
Verbruiksindicatie
Oproepen ............................................ 179
Verkeersinformatie .................................389
Car-to-X-Communication ..................... 393
In- en uitschakelen .............................. 467
Live Traffic Information ....................... 390
Live Traffic Information abonnement
verlengen ............................................ 390
Live Traffic Information registreren ..... 390
Overzicht ............................................. 389
Verkeerskaart weergeven .................... 391
Verkeerssituatie weergeven ................. 391
Weergave inschakelen .........................392
Verkeerskaart
Zie Kaart
Verkeerstekenassistent .......................... 258
Instellen .............................................. 260
Systeemgrenzen .................................. 258
Werking en aanwijzingen .....................258
Verlichting ................................................ 139
Actieve bochtenverlichting .................. 142
Adaptieve grootlichtassistent Plus ....... 143
Automatisch rijlicht ............................. 140
Bochtenverlichting ...............................142
Buitenlandse reis (symmetrisch dim‐
licht) .................................................... 139
Citylicht ...............................................143
Combischakelaar ................................. 140
Dashboardverlichting instellen ............ 278
Dimlicht ............................................... 139
Grootlicht ............................................ 140
Intelligent Light System ....................... 142
Knipperlichten ..................................... 140
Lichtsignaal ......................................... 140
Mistachterlicht .................................... 139
Noodknipperlichten ............................. 141
Oriëntatieverlichting in- en uitscha‐
kelen .................................................... 145
Parkeerlicht ......................................... 139
Standlicht ............................................ 139
Uitschakelvertragingstijd buitenver‐
lichting instellen .................................. 145
Verantwoordelijkheid voor verlich‐
tingssystemen .....................................139
Verlichting voor snelwegen .................. 143
Verlichtingsschakelaar .........................139
Verlichting
Zie Interieurverlichting
Zie Verlichting
Verlichting voor snelwegen .................... 143
Verlichtingsschakelaar
Overzicht .............................................139
Vermoeidheidsherkenning
Zie ATTENTION ASSIST
Vervoeren
Auto .................................................... 509
644 Trefwoordenregister
Verwisselen van een wiel ....................... 526
Auto laten zakken ................................ 532
Auto omhoogbrengen .......................... 528
Nieuw wiel monteren ........................... 531
Voorbereiden ....................................... 527
Wiel verwijderen .................................. 531
Verwisselen van een wiel
Zie Noodwiel
Verzorging ................................................ 493
Aanhangwagenvoorziening .................. 490
Achteruitrijcamera/360°-camera ....... 490
Decorfolie ............................................ 488
Display ................................................ 493
Echt hout/sierdelen ............................ 493
Exterieurverlichting .............................490
Hogedrukreiniger ................................. 485
Interieurhemel .....................................493
Kunststof bekleding ............................. 493
Lak ...................................................... 487
Lucht-waterkanaal ............................... 484
Matte lak ............................................. 487
Met de hand wassen ........................... 486
Ruitenwisserbladen .............................490
Sensoren ............................................. 490
Stoelhoes ............................................ 493
Veiligheidsgordel .................................493
Vloerbedekking ................................... 493
Voertuigstekkerdoos van de hoog‐
spanningsaccu .................................... 490
Wasstraat ............................................ 485
Wielen/velgen .....................................490
Zijruiten ............................................... 490
Vestiging
Zie Gekwalificeerde werkplaats
Videotekst
Weergeven ........................................... 475
Vierwielaandrijving
Functie ................................................. 181
Vierwielkoppelverdeling
Functie ................................................. 181
Vlakkenverwarming
Instellen ...............................................112
Vloerbedekking (verzorging) .................. 493
Vloermat ................................................... 137
Voertuig
Trekken ................................................ 272
Voertuiggegevens
Breedte ............................................... 542
Dakbelasting ....................................... 543
Hoogte ................................................ 542
Lengte ................................................. 542
Versturen naar Android Auto ............... 433
Versturen naar Apple CarPlay®........... 433
Weergeven (DYNAMIC SELECT) ........... 179
Wielbasis ............................................. 542
Voertuigidentificatienummer
Zie FIN
Voertuigonderhoud
Zie ASSYST PLUS
Voertuigsleutel
Zie Sleutel
Voertuigstekkerdoos
Controlelampjes .................................. 185
Voertuigstekkerdoos van de hoog‐
spanningsaccu (onderhoud) ...................490
Voertuigtypeplaatje ................................ 537
EG-typegoedkeuringsnummer .............537
FIN ...................................................... 537
Lakcode ............................................... 537
Toegestaan totaalgewicht .................... 537
Toegestane asbelasting .......................537
Trefwoordenregister 645
Volumeaanpassing in- en uitschake‐
len
Advanced sound system ......................479
Burmester®surround sound system ....478
Volumeverhoging verkeersinformatie
Instellen ............................................... 467
Voor EQ geoptimaliseerde route
Overzicht ............................................. 370
Voor EQ geoptimaliseerde route
Zie Route
Voorruit .................................................... 148
Ruitenwisserbladen vervangen ............ 148
Voorruit
Zie Voorruit
Vrije software ............................................ 30
W
Waarschuwings- en controlelampje ...... 593
Overzicht ............................................. 593
PASSENGER AIR BAG ............................ 44
Waarschuwings-/controlelampje
!ABS-waarschuwingslampje ........ 594
!Geel controlelampje elektri‐
sche parkeerremvertoont een sto‐
ring ...................................................... 598
JRemwaarschuwingslampje
(geel) ...................................................596
!Rood controlelampje elektri‐
sche parkeerrem bediend .................... 598
ïWaarschuwingslampje aan‐
hangwagenvoorziening ........................ 604
LWaarschuwingslampje
afstandswaarschuwing ........................ 601
hWaarschuwingslampje banden‐
spanningscontrole brandt ...................602
hWaarschuwingslampje banden‐
spanningscontrole knippert .................603
#Waarschuwingslampje elektri‐
sche storing ........................................606
ÙWaarschuwingslampje elektri‐
sche stuurbekrachtiging ...................... 604
÷Waarschuwingslampje ESP®
brandt .................................................595
÷Waarschuwingslampje ESP®
knippert ...............................................595
åWaarschuwingslampje ESP®
OFF .....................................................596
äWaarschuwingslampje onder‐
stel ...................................................... 601
JWaarschuwingslampje remmen
(rood) .................................................. 597
ÚWaarschuwingslampje storing
in het systeem .....................................605
7Waarschuwingslampje veilig‐
heidsgordel brandt .............................. 600
7Waarschuwingslampje veilig‐
heidsgordel knippert ........................... 600
6Waarschuwingslampje veilig‐
heidssysteem ...................................... 599
OWaarschuwingslampje vermo‐
gengereduceerd .................................605
646 Trefwoordenregister
Waarschuwingslampje
Zie Waarschuwings- en controlelampje
Waarschuwingssysteem
Zie EDW (diefstal-/inbraakalarminstallatie)
Wasstraat (verzorging) ........................... 485
Webbrowser
Bladwijzers beheren ............................452
Bladwijzers wissen .............................. 452
Instellingen oproepen .......................... 452
Internetgeschiedenis wissen ...............452
Opties oproepen .................................. 451
Overzicht ............................................. 451
Stop ..................................................... 452
Website oproepen ...............................450
Website
Oproepen ............................................ 450
Weergave beschikbaar vermogen
Werking en aanwijzingen .....................276
Weergave in de voorruit
Zie Head-up-display
Weergave onderhoudsinterval
Zie ASSYST PLUS
Weersinformatie ...................................... 403
Wegrijblokkering ....................................... 99
Wegrijhulp
Zie Wegrijhulp voor op hellingen
Wegrijhulp voor op hellingen .................233
Wegrolbeveiliging
Zie HOLD-functie
Wegsleepbeveiliging
Functie ................................................ 100
In- en uitschakelen ............................... 101
Wi-Fi .........................................................345
Instellen .............................................. 346
Internetverbinding instellen .................447
Overzicht ............................................. 345
Wielen
Aanwijzingen met betrekking tot
montage ..............................................523
Bandenpech ........................................ 498
Bandenspanning (aanwijzingen) ........... 515
Bandenspanning controleren (ban‐
denspanningscontrole) ........................ 518
Bandenspanningscontrole (werking) .... 517
Bandenspanningscontrole opnieuw
starten ................................................. 518
Bandenspanningstabel .........................516
Bandentemperatuur controleren
(bandenspanningscontrole) .................. 518
Controleren .......................................... 514
Geluidsontwikkeling .............................514
Monteren ............................................. 531
Ongebruikelijk rijgedrag ....................... 514
Opslaan ............................................... 526
Selectie ............................................... 523
Sneeuwkettingen ................................. 514
TIREFIT-set .......................................... 499
Vervanging .......................................... 523
Verwijderen .........................................531
Verwisselen .................................526, 527
Verzorging ...........................................490
Wielkeg .................................................... 527
Opbergplaats .......................................527
Wielwisselgereedschap
Overzicht .............................................527
Wifi
Hotspot instellen .................................347
Windowbag ................................................ 38
Winterbanden
Permanente snelheidsbegrenzing
instellen ...............................................219
Trefwoordenregister 647
Wrappen
Radar- en ultrasone sensoren .............. 203
Z
Zekeringen ................................................ 510
Aansluitschema ................................... 510
Aanwijzingen ........................................ 510
Voor het vervangen .............................. 510
Zekeringenkast in de bagageruimte .....513
Zekeringenkast in de beenruimte van
de passagier ........................................ 512
Zekeringenkast in de cockpit ...............512
Zekeringenkast in motorruimte ............ 511
Zelfdiagnose
Automatische passagiersairbaguit‐
schakeling ............................................. 44
Zender
Direct frequentie-invoer ......................466
Frequentie fixeren ............................... 467
Instellen .............................................. 465
Opslaan ...............................................466
Verschuiven .........................................466
Wissen ................................................ 466
Zoeken ................................................ 466
Zender volgen
Instellen ...............................................467
Zendergeheugen
Bewerkt ............................................... 466
Zenderlijst
Oproepen ............................................ 466
Zicht
Condens van de ruiten verwijderen .....157
Zijruiten ...................................................... 91
Automatische functie ............................ 93
Comfortopening .................................... 93
Comfortsluiting ...................................... 93
Kinderbeveiliging achterin ...................... 74
Met sleutel openen ................................ 93
Openen .................................................. 91
Probleem ............................................... 94
Regensluiting ......................................... 93
Rolzonnescherm .................................... 99
Sluiten ................................................... 91
Sluiten met de sleutel ............................ 93
Zijruiten
Zie Zijruiten
Zijwindassistent
Werking en aanwijzingen .....................207
Zitplaats achterin
Zie Stoel
Zoeken naar wegrestaurant
Automatisch zoeken starten ................ 379
Zoeklicht
Door poses in- en uitschakelen ............ 319
Zonneklep
Bedienen ............................................. 154
648 Trefwoordenregister
Impressum
Internet
Meer informatie over Mercedes-Benz-voertuigen
en over Daimler AG vindt u op internet onder:
http://www.mercedes-benz.com
http://www.daimler.com
Redactie
Bij vragen of suggesties ten aanzien van deze
handleiding kunt u de TechnischeRedactie op
het volgende adres bereiken:
Daimler AG, HPC: CAC, Customer Service,
70546 Stuttgart, Duitsland
©Daimler AG:Nadruk, vertaling en reproductie,
ook gedeeltelijk, is zonder schriftelijke toestem‐
ming van Daimler AG niet toegestaan.
Autofabrikant
Daimler AG
Mercedesstraße 137
D-70327 Stuttgart
Duitsland
Waarschuwing passagiersairbag
&WAARSCHUWING Gevaar voor letsel of
levensgevaar bij ingeschakelde passa‐
giersairbag
Als de passagiersairbag is ingeschakeld, kan
een kind op de passagiersstoel bij een onge‐
val door de passagiersairbag worden geraakt.
NOOIT een naar achteren gericht kinderbe‐
veiligingssysteem op een stoel met INGE‐
SCHAKELDE FRONTAIRBAG gebruiken, want
dat kanvoor het kind DODELIJKE of ERN‐
STIGE VERWONDINGEN tot gevolg hebben.
Het hoofdstuk "Kinderen in de auto" in acht
nemen.
Redactiesluiting 18.02.2019
Digitaal in de auto Map met voertuigdocumenta‐
tie in de auto
Digitaal op het internetDigitaal als app
De inhoud van de handleiding
direct in het multimediasysteem
van de auto (menupunt "Voer‐
tuig-info") bekijken. Start met het
snelmenu of verdiep uw kennis
met nuttige tips.
Hier vindt u alle informatie over
de bediening, de serviceverlenin‐
gen en de garantie van uw auto
in gedrukte vorm.
U vindt de handleiding op uw
Mercedes-Benz homepage. De Mercedes-Benz Guides app is
gratis beschikbaar in de gang‐
bare app-stores.
É2935843001Z107<ËÍ
2935843001Z107
Apple®iOS AndroidTM
Bestelnummer P293 0071 07 Onderdeelnummer 293 584 30 01 Z107
Uitgave NA2019-06c
EQC
Handleiding
Mercedes-Benz
Mercedes-BenzEQC
610

Hulp nodig? Stel uw vraag in het forum

Spelregels

Misbruik melden

Gebruikershandleiding.com neemt misbruik van zijn services uitermate serieus. U kunt hieronder aangeven waarom deze vraag ongepast is. Wij controleren de vraag en zonodig wordt deze verwijderd.

Product:

Bijvoorbeeld antisemitische inhoud, racistische inhoud, of materiaal dat gewelddadige fysieke handelingen tot gevolg kan hebben.

Bijvoorbeeld een creditcardnummer, een persoonlijk identificatienummer, of een geheim adres. E-mailadressen en volledige namen worden niet als privégegevens beschouwd.

Spelregels forum

Om tot zinvolle vragen te komen hanteren wij de volgende spelregels:

Belangrijk! Als er een antwoord wordt gegeven op uw vraag, dan is het voor de gever van het antwoord nuttig om te weten als u er wel (of niet) mee geholpen bent! Wij vragen u dus ook te reageren op een antwoord.

Belangrijk! Antwoorden worden ook per e-mail naar abonnees gestuurd. Laat uw emailadres achter op deze site, zodat u op de hoogte blijft. U krijgt dan ook andere vragen en antwoorden te zien.

Abonneren

Abonneer u voor het ontvangen van emails voor uw Mercedes EQC 2019 - SUV bij:


U ontvangt een email met instructies om u voor één of beide opties in te schrijven.


Ontvang uw handleiding per email

Vul uw emailadres in en ontvang de handleiding van Mercedes EQC 2019 - SUV in de taal/talen: Nederlands als bijlage per email.

De handleiding is 10.91 mb groot.

 

U ontvangt de handleiding per email binnen enkele minuten. Als u geen email heeft ontvangen, dan heeft u waarschijnlijk een verkeerd emailadres ingevuld of is uw mailbox te vol. Daarnaast kan het zijn dat uw internetprovider een maximum heeft aan de grootte per email. Omdat hier een handleiding wordt meegestuurd, kan het voorkomen dat de email groter is dan toegestaan bij uw provider.

Stel vragen via chat aan uw handleiding

Stel uw vraag over deze PDF

Uw handleiding is per email verstuurd. Controleer uw email

Als u niet binnen een kwartier uw email met handleiding ontvangen heeft, kan het zijn dat u een verkeerd emailadres heeft ingevuld of dat uw emailprovider een maximum grootte per email heeft ingesteld die kleiner is dan de grootte van de handleiding.

Er is een email naar u verstuurd om uw inschrijving definitief te maken.

Controleer uw email en volg de aanwijzingen op om uw inschrijving definitief te maken

U heeft geen emailadres opgegeven

Als u de handleiding per email wilt ontvangen, vul dan een geldig emailadres in.

Uw vraag is op deze pagina toegevoegd

Wilt u een email ontvangen bij een antwoord en/of nieuwe vragen? Vul dan hier uw emailadres in.



Info