786387
574
Verklein
Vergroot
Pagina terug
1/586
Pagina verder
GEBRUIKERSHANDLEIDING
Bediening
Onderhoud
Technische gegevens
De specificaties en de beschrijvingen in deze handleiding waren cor-
rect ten tijde van druk, HYUNDAI streeft echter naar een voortduren-
de verbetering van zijn producten en behoudt zich het recht voor op
elk moment, zonder voorafgaande kennisgeving, wijzigingen In dë
specificatie en sting aan te brengen.
Deze handleiding is van toepassing op alle modellen van dit voer-
tuig en bevat beschrijvingen en uitleg van zowel de optionele als
standaarduitrusting.
Het kan derhalve voorkomen dat sommige van de behandelde
onderwerpen niet van toepassing zijn op uw voertuig.
F2
Het uitvoeren van wijzigingen kan het verlies van garantie tot gevolg hebben. Het is niet toe-
gestaan uw Hyundai op welke manier dan ook te wijzigen. Wijzigingen kunnen een zeer
nadelige invloed hebben op de veiligheid, betrouwbaarheid en de prestaties van uw HYUN-
DAI. Het wijzigen van componenten of het monteren van extra componenten hetgeen scha-
de tot gevolg heeft, vallen niet onder de garantie van de wagen.
Uw wagen is voorzien van elektronische componenten. Een onvakkundig gemonteerde ste-
reo radio kan een zeer nadelige invloed op dergelijke elektronische systemen uitoefenen.
Daarom adviseren wij u de inbouwinstructies van de fabrikant van het radiotoestel strikt op
te volgen of de montage van een radio aan uw officiële HYUNDAI dealer over te laten.
OPMERKING: WIJZIGINGEN AAN UW HYUNDAI
WAARSCHUWING M.B.T. STEREO GELUIDSINSTALLATIES
F3
In deze handleiding zult u de uitdrukkingen GEVAAR, WAARSCHUWING, OPMERKING en
AANWIJZING tegenkomen.
Hiermee wordt het volgende bedoeld.
WAARSCHUWING INZAKE VEILIGHEID EN VOERTUIG SCHADE
GEVAAR duidt op een gevaarlijke
situatie die, indien deze genegeerd
wordt, zal leiden tot de dood of een
ernstig letsel.
GEVAAR
WAARSCHUWING duidt op een
gevaarlijke situatie die, indien deze
genegeerd wordt, kan leiden tot de
dood of een ernstig letsel.
OPMERKING duidt op een gevaarlij-
ke situatie die, indien deze genege-
erd wordt, kan leiden tot licht of matig
letsel.
OPMERKING
AANWIJZING duidt op een situatie die,
indien deze genegeerd wordt, kan lei-
den tot schade aan de auto.
AANWIJZING
WAARSCHUWING
F4
INTRODUCTIE
Gefeliciteerd! Wij zijn blij dat u voor een Hyundai heeft gekozen. Welkom bij het groeiende aantal van prijsbewuste
automobilisten die tot de aanschaf van een HYUNDAI hebben besloten. We zijn erg trots op de geavanceerde tech-
niek en hoogwaardige constructie van elke HYUNDAI die we bouwen.
Deze handleiding dient ervoor om u volledig vertrouwd te maken met de bediening en het onderhoud van uw voer-
tuig. Om vertrouwd te raken met uw nieuwe HYUNDAI. Zodat u er volop kan van genieten. Lees daarom dit instruc-
tieboekje zorgvuldig door voordat u begint te rijden met uw nieuwe auto.
Dit instructieboekje bevat belangrijke informatie en instructies over de veiligheid met als bedoeling u vertrouwd te
maken met de knoppen en veiligheidsvoorzieningen, zodat u uw auto veilig kan besturen.
Dit instructieboekje bevat ook informatie over het onderhoud om de veilige werking van de auto te waarborgen.
Geadviseerd wordt om het onderhoud aan uw auto te laten uitvoeren door een officiële HYUNDAI-dealer. HYUNDAI-
dealers zijn bereid om u kwalitatief hoogwaardige service, onderhoud en alle andere diensten aan te bieden die geëist
kan worden.
Dit instructieboekje moet als een permanent onderdeel van uw auto worden gezien, en moet in de auto worden
bewaard, zodat u op elk gewenst moment informatie over uw voertuig kan nakijken. Het instructieboekje moet bij de
auto blijven als u deze verkoopt om de volgende eigenaar van belangrijke werkings-, veiligheids- en onderhoudsin-
structies te voorzien.
HYUNDAI ASSAN OTOMOTİV SAN. TİC. A. Ş.
Copyright 2019 HYUNDAI Motor Company. Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveel-
voudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand of openbaar worden gemaakt, zonder voorafgaande
schriftelijke toestemming van de HYUNDAI Motor Company.
Er kan ernstige schade ontstaan aan de motor en de transaxle als brandstoffen en smeermiddelen van
slechte kwaliteit worden gebruikt, die niet aan de HYUNDAI specificaties voldoen. Gebruik altijd brandstof-
fen en smeermiddelen van hoge kwaliteit die voldoen aan de specificaties die op bladzijde 8-6 in het hoofd-
stuk Technische gegevens van de gebruikshandleiding zijn vermeld.
OPMERKING
INSTRUCTIEBOEKJE
Wij willen u helpen om het meeste
rijplezier van uw auto te krijgen. Het
instructieboekje kan daar op vele
manieren toe bijdragen. Om een
overzicht te krijgen van de inhoud
van het instructieboekje, gebruik de
inhoudsopgave aan de voorzijde van
het instructieboekje. De eerste pagi-
na van elk hoofdstuk bevat een
gedetailleerde inhoudsopgave van
de onderwerpen in dat hoofdstuk.
Om snel informatie over uw auto te
vinden, gebruik de index aan de ach-
terzijde van het instructieboekje . Het
is een alfabetische lijst van wat er in
dit instructieboekje staat en op welke
paginanummer het kan worden
gevonden.
Uw veiligheid, en de veiligheid van
anderen, is heel belangrijk. Dit
instructieboekje voorziet u van vele
veiligheidsmaatregelen en werkings-
procedures. Deze informatie maakt u
attent op mogelijke gevaren die u of
anderen kunnen kwetsen, maar ook
schade kunnen aanbrengen aan uw
auto.
Veiligheidsberichten gevonden op
autolabels en in dit instructieboekje
beschrijven deze gevaren en wat te
doen om ze te voorkomen of de risi-
co's te verminderen.
Waarschuwingen en instructies op-
genomen in dit instructieboekje zijn
er voor uw veiligheid. Gebrekkige
opvolging van de veiligheidswaar-
schuwingen en instructies kan leiden
tot ernstig letsel of de dood.
In dit gehele instructieboekje zullen
GEVAAR, WAARSCHUWING, OP-
MERKING, AANWIJZING en het vei-
ligheidswaarschuwingssymbool wor-
den gebruikt
Dit is het veiligheidswaar-
schuwingssymbool. Het wordt
gebruikt om u te waarschuwen
voor mogelijk lichamelijk let-
sel. Volg alle veiligheidsaan-
wijzingen bij dit symbool op
om mogelijk letsel of de dood
te voorkomen. Het waarschu-
wingssymbool gaat vooraf aan
de signaalwoorden GEVAAR,
WAARSCHUWING en OP-
MERKING.
GEBRUIK VAN DIT
F5
Introductie
GEVAAR duidt op een gevaarlij-
ke situatie die, indien deze
genegeerd wordt, zal leiden tot
de dood of een ernstig letsel.
GEVAAR
VEILIGHEIDSBERICHTEN
F6
Introductie
AANWIJZING duidt op een situatie
die, indien deze genegeerd wordt,
kan leiden tot schade aan de auto.
Benzinemotor
Loodvrij
Europa
Voor optimale prestaties raden we u
aan ongelode benzine te en met een
octaangetal van RON (Research
Octane Number) 95 / AKI (Anti Klop
Index) van 91 of hoger (Gebruik ge-
en benzine welke methanol bevat.).
U kan gebruik maken van ongelode
benzine met een octaangetal (RON)
91 -94 / AKI 87-90, maar hierdoor
kunnen de prestaties van de Motor
iets minder worden.
GEBRUIK NOOIT LOODHOU-
DENDE BENZINE. Loodhoudende
benzine is schadelijk voor de kata-
lysatoren de lambdasensor van
het motorregelsysteem en zal de
emissieregeling nadelig beïnvloe-
den.
Voeg nooit brandstofadditieven
producten toe aan het brandstof-
systeem (We adviseren u voor
meer Informatie contact op te
nemen met een officiële HYUN-
DAI-dealer).
AANWIJZING
AANWIJZING Probeer de tank niet verder te
vullen nadat het vulpistool
automatisch is 'afgeslagen.
Controleer altijd of de tank-
dop goed vastgedraaid is om
morsen van brandstof in
geval van een aanrijding te
voorkomen.
WARNING
OPMERKING duidt op een
gevaarlijke situatie die, indien
deze genegeerd wordt, kan lei-
den tot licht of matig letsel.
OPMERKING
VEREISTE BRANDSTOF
WAARSCHUWING duidt op een
gevaarlijke situatie die, indien
deze genegeerd wordt, kan lei-
den tot de dood of een ernstig
letsel.
WAARSCHUWING
F7
Introductie
Benzine die alcohol en
methanol bevat
In sommige landen is naast benzine
ook gasohol verkrijgbaar. Dit is een
mengsel van benzine en ethanol of
methanol.
Gebruik dit mengsel niet met meer
dan 10% ethanol en gebruik geen
benzine of mengsel dat methanol
bevat. Deze brandstoffen kunnen rij-
problemen en schade aan het brand-
stofsysteem veroorzaken.
Gebruik gasohol niet langer wanneer
er rijproblemen optreden.
Om schade aan de motor en het
brandstofsysteem van uw auto te
voorkomen:
Gebruik nooit benzinemengsels
die methanol bevatten.
Gebruik nooit benzinemengsels
met meer dan 10% ethanol.
Gebruik nooit loodhoudende
benzine.
Schade aan het brandstofsysteem
of prestatieproblemen veroor-
zaakt door het gebruik van een
van deze brandstoffen zullen niet
worden gedekt door de garantie-
voorwaarden voor nieuwe auto's.
AANWIJZING
F8
Introductie
Gebruik van MTBE
Geadviseerd wordt geen brandstof in
uw auto te gebruiken die meer dan
15,0 volumeprocent MBTE (Methyl
Tertiair Butyl Ether) (zuurstofmassa
2,7%) bevat.
Brandstof die meer dan 15,0 volume-
procent MBTE (zuurstofmassa
2,7%) bevat kan de prestaties van de
auto in negatieve zin beïnvloeden en
damp-vorming of slecht aanslaan
veroorzaken.
Schade aan het brandstofsysteem
van uw auto of het verhelpen van
problemen met betrekking tot de
prestaties van de auto worden niet
door de garantie gedekt indien ze
veroorzaakt worden door brand-
stof die methanol bevat of brand-
stof die meer dan 15,0% volume-
procent MTBE (Methyl Tertiair
Butyl Ether) (zuurstofmassa 2,7%)
bevat.
Gebruik geen methanol
Uw auto is niet geschikt voor het
gebruik van methanol (methylalco-
hol). Dit type brandstof heeft een
negatieve invloed op de prestaties
van uw auto en kan schade aan het
brandstofsysteem veroorzaken.
Brandstofadditieven
HYUNDAI adviseert het gebruik van
kwalitatief hoogwaardige brandstof-
fen die voldoen aan de Europese
brandstofnormen (EN228) of gelijk-
waardige normen.
Klanten die niet de beschikking heb-
ben over kwalitatief hoogwaardige
benzine brandstoffen met de juiste
additieven wordt geadviseerd om
conform het onderhoudsschema een
fles additieven toe te voegen aan de
brandstoftank als er problemen zijn
met het starten of als de motor niet
soepel draait (zie hoofdstuk 7
"Normaal onderhoudsschema"). Bij
uw officiële HYUNDAI Erkend
Reparateur zijn additieven verkrijg-
baar met de daarbij behorende
gebruiks-instructies. Gebruik geen
andere additieven.
AANWIJZING
Rijden in het buitenland
Als u van plan bent om met uw auto
naar het buitenland te gaan:
Zorg ervoor dat uw auto voldoet
aan de in dat land geldende wette-
lijke voorschriften met betrekking
tot registratie en verzekering.
Informeer of de juiste brandstof
verkrijgbaar is.
U hoeft de auto niet gedurende een
bepaalde periode in te rijden. U kunt
echter door het opvolgen van een
paar eenvoudige aanwijzingen gedu-
rende de eerste 1.000 km de presta-
ties, het brandstofverbruik en de
levensduur van uw auto in positieve
zin beïnvloeden.
Voer het toerental van de motor
niet te hoog op.
Houd tijdens het rijden het motor-
toerental tussen de 2.000 - 4.000
omw/min.
Rijd niet gedurende langere tijd
met een constante snelheid. Om
de motor goed in te rijden, moet
het motortoerental worden geva-
rieerd.
Vermijd plotseling afremmen, be-
halve in noodgevallen, om de
onderdelen van het remsysteem
de gelegenheid te geven op elkaar
in te lopen.
Trek gedurende de eerste 2.000
km met uw auto geen aanhanger.
Hyundai promoot de milieuvriendelij-
ke verwerking van afgedankte voer-
tuigen. U kunt uw afgedankte voer-
tuig overlaten aan uw Hyundai-ver-
deler, in overeenstemming met de
Europese recyclagerichtlijn voor
voertuigen.
Een toelichting hierbij kunt u vinden
op uw nationale Hyundai-website.
F9
Introductie
INRIJ PROCEDURE RECYCLAGE VAN VOER-
TUIGEN (VOOR EUROPA)
1
2
3
4
5
6
7
8
I
Uw auto in één oogopslag
Veiligheidssysteem van uw auto
Handige functies van uw auto
Multimedia-systeem
Rijden met uw auto
Wat te doen in een noodgeval
Onderhoud
Specificaties & Consumenteninformatie
Index
INHOUDSOPGAVE
Uw auto in één oogopslag
1
Uw auto in één oogopslag
1
Exterieur overzicht (I)..............................................1-2
Exterieur overzicht (II).............................................1-5
Interieur overzicht.....................................................1-8
Overzicht dashboard.................................................1-9
Motorruimte ............................................................1-10
1-2
EXTERIEUR OVERZICHT (I)
Uw auto in één oogopslag
1. Motorkap ...........................................3-31
2. Koplampen ........................................7-72
3. Mistlampen/Dagrijverlichting* ............7-69
4. Banden en wielen..............................7-39
5. Buitenspiegel.....................................3-41
6. Voorruiten wisserbladen....................7-32
7. Ruiten................................................3-20
8. Parking Distance Warning-systeem
(achteruit/vooruit)*...........................3-109
* : indien van toepassing
OGB017001L
De werkelijke uitvoering kan verschillen met de afbeelding.
nVooraanzicht
• 5 Deurs
1-3
Uw auto in één oogopslag
1
1. Motorkap ...........................................3-31
2. Koplampen........................................7-72
3. Mistlampen........................................7-69
4. Banden en wielen .............................7-39
5. Buitenspiegel ....................................3-41
6. Voorruiten wisserbladen....................7-32
7. Ruiten................................................3-20
* : indien van toepassing
OGB015006
nVooraanzicht
• 3 Deurs
De werkelijke uitvoering kan verschillen met de afbeelding.
1-4
Uw auto in één oogopslag
1. Motorkap ...........................................3-31
2. Koplampen ........................................7-72
3. Mistlampen........................................7-69
4. Banden en wielen..............................7-39
5. Buitenspiegel.....................................3-41
6. Voorruiten wisserbladen....................7-32
7. Ruiten................................................3-20
* : indien van toepassing
OGB016001
nVooraanzicht
• Cross
De werkelijke uitvoering kan verschillen met de afbeelding.
1-5
Uw auto in één oogopslag
1
EXTERIEUR OVERZICHT (II)
OGB018005
1. Antenne ...............................................4-3
2. Portieren ............................................3-13
3. Tankdopklep .....................................3-32
4. Parking Distance Warning-systeem
(achteruit)* .......................................3-106
5. Derde remlicht ...................................7-81
6. Rear view monitor*...........................3-105
7. Achterruitenwisserblad* ....................7-33
8. Achterklep ........................................3-18
* : indien van toepassing
nAchteraanzicht
• 5 Deurs
De werkelijke uitvoering kan verschillen met de afbeelding.
1-6
Uw auto in één oogopslag
OGB015007
nAchteraanzicht
• 3 Deurs
De werkelijke uitvoering kan verschillen met de afbeelding.
1. Antenne ...............................................4-3
2. Portieren ............................................3-13
3. Tankdopklep .....................................3-32
4. Parking Distance Warning-systeem
(achteruit)* .......................................3-106
5. Derde remlicht ...................................7-81
6. Rear view monitor*...........................3-105
7. Achterruitenwisserblad* ....................7-33
8. Achterklep ........................................3-18
* : indien van toepassing
1-7
Uw auto in één oogopslag
1
OGB018002
1. Antenne ...............................................4-3
2. Portieren ............................................3-13
3. Tankdopklep .....................................3-32
4. Parking Distance Warning-systeem
(achteruit)* .......................................3-106
5. Derde remlicht ...................................7-81
6. Rear view monitor*...........................3-105
7. Achterruitenwisserblad* ....................7-33
8. Achterklep ........................................3-18
* : indien van toepassing
nAchteraanzicht
• Cross
De werkelijke uitvoering kan verschillen met de afbeelding.
1-8
Uw auto in één oogopslag
INTERIEUR OVERZICHT
1. Binnenste portiergreep ....................3-14
2. Toets inklapbare buitenspiegel* ........3-44
3. Schakelaar spiegelbediening* ..........3-43
4. Schakelaar ruitbediening* ................3-20
5. Blokkeertoets ruitbediening* ............3-24
6. Hendel motorkapontgrendeling ........3-31
7. Koplampverstelling ............................3-89
8. Bedieningstoets dashboard
verlichting* ......................................3-45
9. Lane Departure Warning-systeem
(LDW)* ..............................................5-80
Lane Keeping Assist-systeem
(LKA)* ..............................................5-84
10. Elektronische stabiliteitsregeling
(ESC)* ............................................5-37
11. Openen van de tankdopklep ........3-33
12. Zekeringkast ..................................7-51
13. Stuurwiel ......................................3-36
14. Stoel ................................................2-4
15. Koppelingspedaal* ..........................5-21
16. Rempedaal ....................................5-31
17. Gaspedaal
* : indien van toepassing
OGB014003
De werkelijke uitvoering kan verschillen met de afbeelding.
1-9
Uw auto in één oogopslag
1
OVERZICHT DASHBOARD
1. Schakelaar verlichting/
richtingaanwijzers ..............................3-85
2. Audioafstandsbediening* ......................4-4
3. Instrumentenpaneel ..........................3-44
4. Claxon ................................................3-38
5. Airbag bestuurder* ............................2-46
6. Schakelaar ruitenwissers
en -sproeiers ....................................3-93
7. Bedieningsschakelaar LCD-display*
Cruise control-schakelaar
(snelheidsbeperking)* ..............3-77 / 5-55
8. Startknop/Contactslot ................5-6 / 5-10
9. Handgeschakelde transmissie/
Automatische transmissie ........5-20 / 5-24
Double clutch-transmissie ..................5-31
10. Aansteke* /
12 Volt aansluiting..............3-132 / 3-135
11.Aux-, USB- en iPod®-poort ..................4-2
12.Verwarmings- en ventilatiesysteem 3-102
13.Audiosysteem* ..................................4-16
14.Schakelaar alarmknipperlichten ..........6-2
15.Centrale portiervergrendeling ............3-16
16.Airbag voorpassagier* ......................2-45
17.Dashboardkastje ............................3-129
18.Parking Distance Warning-systeem*..3-106
19.ISG (Idle Stop & Go) ........................5-44
20.Stoelverwarming* ............................2-16
21.Controlelampje airbag voorpassagier
AAN/UIT*............................................2-53
22.Schakelaar stuurwielverwarming* ......3-36
23.Waarschuwingslampje veiligheidsgordel
voorpassagiersstoel............................2-19
* : indien van toepassing
OGB018004
De werkelijke uitvoering kan verschillen met de afbeelding.
1-10
Uw auto in één oogopslag
MOTORRUIMTE
OGB076101
De werkelijke uitvoering kan verschillen met de afbeelding.
1. Expansievat koelvloeistof ................7-21
2. Radiateurdop ....................................7-18
3. Rem-/koppelingsvloeistofreservoir ..7-22
4. Luchtfilter ..........................................7-28
5. Peilstok motorolie ..............................7-15
6. Vuldop motorolie ............................7-16
7. Ruitensproeierreservoir ..................7-26
8. Zekeringkast motorruimte ................7-60
9. Accu ................................................7-35
nBenzinemotor (Kappa 1.0 T-GDI)
1-11
Uw auto in één oogopslag
1
OGB074101
De werkelijke uitvoering kan verschillen met de afbeelding.
1. Expansievat koelvloeistof ................7-21
2. Radiateurdop ....................................7-18
3. Rem-/koppelingsvloeistofreservoir ..7-22
4. Luchtfilter ..........................................7-28
5. Peilstok motorolie ..............................7-15
6. Vuldop motorolie ............................7-16
7. Ruitensproeierreservoir ..................7-26
8. Zekeringkast motorruimte ................7-60
9. Accu ................................................7-35
nBenzinemotor (Kappa 1.25 MPI)
Uw auto in één oogopslag
1-12
OGB074102
De werkelijke uitvoering kan verschillen met de afbeelding.
1. Expansievat koelvloeistof ................7-21
2. Radiateurdop ....................................7-18
3. Rem-/koppelingsvloeistofreservoir ..7-22
4. Luchtfilter ..........................................7-28
5. Peilstok motorolie ..............................7-15
6. Vuldop motorolie ............................7-16
7. Ruitensproeierreservoir ..................7-26
8. Zekeringkast motorruimte ................7-60
9. Accu ................................................7-35
10. Peilstok automatische
transmissie* ................................7-24
* : indien van toepassing
nBenzinemotor (Kappa 1.4 MPI)
2
Veiligheidssystemen van uw auto
2
Belangrijkste voorzorgsmaatregelen met
betrekking tot de veiligheid......................................2-2
Draag altijd uw veiligheidsgordel .................................2-2
Gesp ook alle kinderen vast. ..........................................2-2
Airbag gevaren ...............................................................2-2
Afleiding van de bestuurder ..........................................2-2
Beheers uw snelheid .......................................................2-3
Houd uw auto in een veilige toestand ...........................2-3
Stoelen .......................................................................2-4
Voorzorgsmaatregelen ....................................................2-5
Voorstoelen ......................................................................2-6
Achterstoelen .................................................................2-10
Hoofdsteunen ................................................................2-13
Stoelverwarming ...........................................................2-17
Veiligheidsgordels ...................................................2-19
Voorzorgsmaatregelen met betrekking tot de
veiligheidsgordels ......................................................2-19
Waarschuwingslampje veiligheidsgordel ...................2-20
Veiligheidsgordels .........................................................2-22
Aanvullende voorzorgsmaatregelen met betrekking
tot de veiligheid .........................................................2-27
Verzorging van de veiligheidsgordels .........................2-30
Kinderbeveiligingssysteem (CRS) ........................2-31
Het selecteren van een kinderzitje (CRS) ..................2-32
Het installeren van een kinderzitje (CRS) .................2-34
Aanvullend Veiligheidssysteem (SRS) ..................2-44
Waar zijn de airbags geplaatst? ..................................2-46
Werking van airbagsysteem ........................................2-50
Wat kunt u verwachten als een airbag opgeblazen
wordt ...........................................................................2-54
ON/OFF-schakelaar airbag voorpassagier ................2-55
Voorste passagierairbag waarschuwingslabel
voor Kinderbeveiligingssysteem................................2-56
Waarom werd de airbag bij een aanrijding niet
opgeblazen? ................................................................2-57
Onderhoud aan aanvullend veiligheidssysteem...2-62
Aanvullende voorzorgsmaatregelen met
betrekking tot de veiligheid.......................................2-63
Waarschuwingslabel airbags .......................................2-64
In dit hoofdstuk vindt u belangrijke informatie over hoe u uzelf en uw passagiers kunt beschermen.
Er wordt uitgelegd hoe uw zitplaatsen en veiligheidsgordels dient gebruiken, en hoe uw airbags werken.
Bovendien wordt in dit hoofdstuk uitgelegd hoe u baby's en kinderen veilig vast kunt zetten in uw auto.
U zult in dit hoofdstuk vele veilig-
heidsmaatregelen en aanbevelingen
vinden, alsook in de rest van dit
instructieboekje. De veiligheidsvoor-
schriften in deze sectie behoren tot
de belangrijkste.
Draag altijd uw
veiligheidsgordel
Een veiligheidsgordel is uw beste
bescherming in alle soorten ongeval-
len. Airbags zijn ontworpen als aan-
vulling voor veiligheidsgordels, niet
om deze te vervangen. Dus zelfs al
is uw auto uitgerust met airbags,
zorg er altijd voor dat u en uw pas-
sagiers een veiligheidsgordel dra-
gen, en draag ze correct.
Gesp ook alle kinderen vast
Alle kinderen tot 13 jaar die meerij-
den, moeten goed vastgegespt wor-
den op de achterbank. Zuigelingen
en kleine kinderen moeten worden
vastgegespt in geschikte Kinderbe-
veiligingssysteem. Grotere kinderen
mogen een zitverhoger gebruiken
met de driepuntsgordel, totdat zij de
veiligheidsgordel goed kunnen
gebruiken zonder een zitverhoger.
Airbag gevaren
Terwijl airbags levens kunnen red-
den, kunnen ze ook leiden tot ernsti-
ge of dodelijke verwondingen aan
passagiers die te dicht bij de airbag
zitten, of die niet correct vastgegespt
zitten. Zuigelingen, jonge kinderen
en korte volwassenen lopen het
grootste risico op letsels door een
airbag die opblaast. Volg alle instruc-
ties en waarschuwingen in dit
instructieboekje.
Afleiding van de bestuurder
Afleiding van de bestuurder omvat
een ernstig en potentieel dodelijk
gevaar, vooral voor onervaren
bestuurders. Veiligheid moet de eer-
ste zorg zijn wanneer je achter het
stuur zit. En de bestuurders moeten
zich bewust zijn van het brede scala
van mogelijke afleidingen zoals suf-
heid, reiken naar objecten, eten, per-
soonlijke verzorging, andere passa-
giers, en het gebruik van mobiele
telefoons.
Bestuurders kunnen afgeleid worden
wanneer hun ogen en aandacht van
de weg afglijdt of als ze hun handen
van het stuur afhalen om zich te con-
centreren op andere werkzaamhe-
den dan rijden. Om het risico van
afleiding stel en een mogelijk onge-
val te verminderen.
Hanteer uw mobiele apparaten
(bijvoorbeeld, MP3-spelers, tele-
foons, navigatiesystemen, etc.) in
ALTIJD wanneer uw auto gepar-
keerd is of veilig gestopt.
BELANGRIJKE VEILIGHEIDSMAATREGELEN
2-2
Veiligheidssystemen van uw auto
Gebruik uw mobiele apparaten
ALLEEN wanneer dit wettelijk toe-
gestaan is en de omstandigheden
veilig gebruik toelaten. Verstuur
NOOIT een sms of e-mail terwijl u
rijdt. De meeste landen hebben
wetten die bestuurders het sms'en
verbieden. Sommige landen en
steden verbieden ook het gebruik
van handenvrije telefoons door
bestuurders.
Laat het gebruik van een mobiel
apparaat u NOOIT afleiden van het
rijden. U heeft een verantwoorde-
lijkheid tegenover uw passagiers
en andere weggebruikers om altijd
veilig te rijden, met de handen aan
het stuur en uw ogen en aandacht
op de weg.
Beheers uw snelheid
Te hoge snelheid is een belangrijke
factor bij ongevallen met verwondin-
gen en dodelijke afloop. In het alge-
meen geldt, hoe hoger de snelheid,
hoe groter het risico, maar ernstige
verwondingen kunnen ook optreden
bij lagere snelheden. Rijd nooit snel-
ler dan veilig is voor de huidige
omstandigheden, ongeacht de aan-
gegeven maximale snelheid.
Houd uw auto in een veilige
toestand
Het krijgen van een klapband of een
mechanisch defect kan extreem
gevaarlijk zijn. Controleer de ban-
denspanning en conditie van de
bana vegelmatig, en voer alle regel-
matig geplande onderhoudswerk-
zaamheden uit om problemen zo
veel als mogelijk te voorkomen.
2-3
Veiligheidssystemen van uw auto
2
2-4
Veiligheidssystemen van uw auto
STOELEN
OGB036046
Voorstoelen
1. Voor- en achterwaartse, afstelling
de stoel
2. Rugleuning hoekinstelling
3. Afstelling de zittinghoogte*
4. Hoofdsteunverstelling
5. Stoelverwarming*
6. Stoel met neerklapbare leuning
(alleen 3-deurs uitvoering)
Achterstoelen
7. Neerklappen rugleuning
8. Hoofdsteunverstelling
* : indien van toepassing
De aanwezigl functie kan afwijken van de afbeelding.
Voorzorgsmaatregelen
Het aanpassen van de stoelen,
zodat u op een veilige, comfortabele
positie zit, speelt een belangrijke rol
in de veiligheid van de bestuurder en
passagier bij een ongeval, samen
met de veiligheidsgordels en air-
bags.
Airbags
U kunt maatregelen nemen om het
risico op letsel door een opgeblazen
airbag te verminderen. Te dicht bij
een airbag zitten verhoogt de kans
op letsel wanneer de airbag wordt
opgeblazen. Zet uw stoel zo ver
mogelijk naar achteren, waarbij u er
wel op moet letten dat u alle bedie-
ningsorganen nog goed kunt bedie-
nen.
2-5
Veiligheidssystemen van uw auto
2
Verminder het risico op ernstig
letsel of overlijden door een
opgeblazen airbag en houdt u
aan de volgende voorzorgs-
maatregelen:
Plaats de stoel voor de
bestuurder zo ver mogelijk
naar achteren zorg ervoor u
de volledige controle over het
voertuig heeft.
Plaats de passagiersstoel zo
ver mogelijk naar achteren.
(Vervolg)
WAARSCHUWING
(Vervolg)
Houd het stuurwiel bij de rand
met de handen vast op de
posities 9 uur en 3 uur, zodat
het risico op letsel aan uw
handen of armen verminderd
wordt.
Plaats NOOIT iets of iemand
tussen de airbag.
Zorg dat de bijrijder zijn of
haar voeten of benen niet op
het dashboard plaatst, zodat
het risico op letsel aan uw
benen verminderd wordt.
Gebruik geen zitkussen waar-
door de wrijving tussen de stoel
en de passagier verminderd
wordt. De passagier kan bij een
aanrijding of een noodstop
onder de gordel doorglijden.
Doordat de veiligheidsgordel
niet optimaal kan werken, kan
ernstig letsel ontstaan.
WAARSCHUWING
2-6
Veiligheidssystemen van uw auto
Veiligheidsgordels
Gesp uw veiligheidsgordel altijd vast
voordat u begint te rijden.
De passagiers moeten te allen tijde
rechtop zitten en goed vastgegespt
worden. Zuigelingen en kleine kinde-
ren moeten worden vastgegespt in
geschikte Kinderbeveiligingssys-
teem. Kinderen die een zitverhoger
ontgroeid zijn en volwassenen moe-
ten worden vastgegespt met behulp
van de veiligheidsgordels.
Voorstoelon
De voorsteel kan worden afgesteld
met de bedieningshendel aan de bui-
tenzijde van de zitting. Stel voor het
rijden de stoel af in de juiste stand
zodat het stuurwiel, de pedalen en de
schakelaars op het dashboard
gemakkelijk bediend kunnen worden.
Neem de volgende voorzorgs-
maatregelen bij het aanpassen
van de veiligheidsgordel:
Gebruik NOOIT een veilig-
heidsgordel voor meer dan
een persoon.
Zet voor het wegrijden de rug-
leuning altijd rechtop en
plaats de heupgordel strak en
zo laag mogelijk over de heu-
pen.
(Vervolg)
(Vervolg)
Laat NOOIT kinderen of kleine
baby's meerijden op de
schoot van een passagier.
Laat de veiligheidsgordel
nooit over de hals of over
scherpe randen lopen, en leid
de schouderriem nooit onder
uw arm door, of achter uw
vuglangs.
Zorg ervoor dat de veilig-
heidsgordel nooit ergens vast
geraakt of vastloopt.
WAARSCHUWING
Neem de volgende voorzorgs-
maatregelen bij het aanpassen
van de stoel:
Probeer de stoel nooit tijdens
het rijden te verstellen. De
stoel kan reageren op onver-
wachte bewegingen en dit kan
leiden tot verlies van controle
over de auto en een ongeval
veroorzaken.
Plaats niets onder de voor-
stoelen. Losliggende voor-
werpen in de voetenruimte
van de bestuurder kunnen de
werking van de pedalen nade-
lig beïnvloeden en een onge-
val veroorzaken.
(Vervolg)
WAARSCHUWING
2-7
Veiligheidssystemen van uw auto
2
Voor- en achterwaartse richting
Verstel de stoel als volgt naar voren
of naar achteren:
1. Houd de hendel voor de langsver-
stelling aan de voorzijde van de
stoel omhooggetrokken.
2. Schuif de stoel in de gewenste
positie.
3. Laat de hendel los en controleer
of de stoel vergrendeld is. Door
naar voren of achter te bewegen
zonder de hendel te gebruiken.
Als de stoel beweegt, dan is hij
niet goed vergrendeld.
Om letsel te voorkomen:
Pas uw stoel niet aan tijdens
het dragen van de veiligheids-
gordel. Het naar voor ver-
plaatsen van de zitting kan
grote druk op uw buik veroor-
zaken.
Let op dat uw handen of vin-
gers niet vast geraken in het
stoelmechanisme terwijl de
stoel in beweging is.
OPMERKING
(Vervolg)
Zorg ervoor dat de rugleuning
altijd in de rechtop positie kan
staan en controleer of de rug-
leuning goed vergrendeld is.
Leg geen aansteker op de
vloer of de stoel. Wanneer u
de stoel verstelt, kan er gas
uit de aansteker ontsnappen
waardoor brand kan ontstaan.
Let goed op dat er tijdens het
verstellen van de stoel geen
handen of voorwerpen in het
mechanisme bekneld raken.
Let op dat uw handen of vin-
gers niet vast geraken in het
stoelmechanisme terwijl de
stoel in beweging is.
Als er inzittenden aanwezig
zijn op de achterstoelen, wees
dan voorzichtig bij het afstel-
len van de voorstoelen.
OGB034003
2-8
Veiligheidssystemen van uw auto
Rugleuning
Om de rugleuning te verstellen:
1. Plaats uw gewicht iets naar voren
en trek de hendel voor de rugleu-
ningverstelling omhoog.
2. Leun voorzichtig terug tegen de
rugleuning en stel de leuning af in
de positie die gewenst wordt.
3. Laat de hendel los en controleer
of de leuning is vergrendeld (De
hendel MOET terugkeren in zijn
basis positie zodat de rugleuning
kan vergrendelen.)
Afstellen van de zithoogte
(bestuurdersstoel)
Duw de hendel aan de zijkant van de
zitting omhoog of omlaag om de
hoogte van de zitting te veranderen.
Duw de hendel een aantal maal
omlaag om de zitting lager af te
stellen.
Trek de hendel een aantal maal
omhoog om de zitting hoger af te
stellen.
Rugleuningzak
(indien van toepassing)
OGB034005
OGB034006 OGB034010
Plaats geen zware of scherpe
voorwerpen in de opbergvak-
ken. Bij een ongeval kunnen ze
uit de opbergvakken geslingerd
worden en inzittenden verwon-
den.
WAARSCHUWING
Zitplaats ingang achterzijde
(alleen 3-deurs uitvoering)
Om in of uit de achterbank te stap-
pen, moet de bestuurders- of bijrij-
dersstoel worden gevouwen en de
zitting vooruitgeschoven.
1. Vouw de voorste rugleuning door
aan de instaphendel te trekken en
dan de voorste zetel naar voren te
schuiven.
2. Zet de riemextensiegeleider op
zijn plaats (3).
3. Na het in- of uitstappen, schuif de
stoel achteruit terwijl u het zitkus-
sen vasthoudt en duw de rugleu-
ning naar achteren. En zet de rie-
mextensiegeleider op zijn plaats
(1) of (2).
2-9
Veiligheidssystemen van uw auto
2
OGB035047
OGB035045
OGB035045/H
nBestuurdersstoel
nStoel van de voorpassagier
2-10
Veiligheidssystemen van uw auto
Achterstoelen
Neerklapbare achterbank
De rugleuning achter kan worden
opgeklapt om het vervoer van lange-
re voorwerpen mogelijk te maken of
de bagageruimte te vergroten.
Om de achterste rugleuning: naar
beneden te klappen:
1. Zet de rugleuning zoveel mogelijk
rechtop en schuif indien nodig de
voorste stoel naar voren.
2. Zet de hoofdsteunen achter in de
laagste positie.
3. Plaats de gesp van de achterste
driepuntsgordel in de houder op
het zijpaneel. Hierdoor wordt voor-
komen dat de gordel in contact
komt met de rugleuning als deze
wordt omgeklapt.
OGB034013
Laat nooit iemand op een
neergeklapte rugleuning zit-
ten als de auto rijdt omdat dat
geen veilige positie is en
omdat dan de veiligheidsgor-
dels niet gebruikt kunnen
worden. Hierdoor kan bij een
aanrijding of een noodstop
ernstig letsel ontstaan.
Voorwerpen die op de neerge-
klapte rugleuning vervoerd
worden mogen niet boven de
bovenzijde van de voorstoe-
len uitsteken. Als dat wel het
geval is kan de lading bij een
noodstop naar voren schui-
ven en letsel of schade ver-
oorzaken.
WAARSCHUWING
2-11
Veiligheidssystemen van uw auto
2
4. Trek de vergrendelknop van de
rugleuning omhoog en klap de
rugleuning naar de voorkant van
het voertuig.
Til de rugleuning op en beweeg deze
naar achteren om de achterstoel te
kunnen gebruiken. Duw de rugleu-
ning stevig naar achteren totdat deze
vastklikt. Zorg ervoor dat de rugleu-
ning vergrendeld is.
Vergeet niet bij het omhoog klappen
van de rugleuning de schoudergor-
dels in de juiste positie te plaatsen.
Informatie
Als het u niet lukt om de veiligheids-
gordel uit de blokkeerautomaat te
trekken, trek dan krachtig aan de gor-
del en laat deze vervolgens los. U kunt
dan de gordel gemakkelijk uittrekken.
i
OGB034014
OIB034014
Bij het terugzetten van de ach-
terbank in zijn oorspronkelijke
positie nadat de bank is neerge-
klapt:
Let erop dat het materialen van
de gordel of de gesp niet
beschadigd worden. Zorg
ervoor dat de gordel of gesp
niet klem komen te zitten.
Controleer of de rugleuning
goed vergrendeld is door tegen
de bovenzijde van de rugleu-
ning te drukken. Anders kan bij
een aanrijding of noodstop de
rugleuning naar voren klappen,
waardoor de bagage in het pas-
sagierscompartiment terecht
kan komen en de inzittenden
ernstig letsel zouden kunnen
oplopen.
WAARSCHUWING
2-12
Veiligheidssystemen van uw auto
Vergeet niet bij het omhoog
klappen van de rugleuning de
schoudergordels in de juiste
positie te plaatsen.
Door de veiligheidsgordel door
de geleider te leiden wordt voor-
komen dat ze achter of onder de
achterbank bekneld raken.
AANWIJZING
Zet de motor uit en de selectie-
hendel in stand P (Park) (auto-
matische transmissie/transmis-
sie met dubbele koppeling) of
schakel de eerste versnelling of
de achteruit in (handgeschakel-
de transmissie) en trek de par-
keerrem stevig aan alvorens
bagage in of uit te laden. Het
niet opvolgen van deze stappen
kan ertoe leiden dat de auto
zich onbedoeld in beweging zet
als de selectiehendel per onge-
luk in een andere stand gezet
wordt.
WAARSCHUWING
Bagage moet altijd worden
vastgezet om te voorkomen dat
het bij een aanrijding door de
auto wordt geslingerd, waar-
door de inzittenden letsel kun-
nen oplopen. Plaats geen voor-
werpen los op de achterzitplaat-
sen, deze moeten worden vast-
gezet. Omdat ze inzittenden
voorin kunnen raken bij een
frontale aanrijding.
WAARSCHUWING
2-13
Veiligheidssystemen van uw auto
2
Hoofdsteun
De voorste en achterste zitplaatsen
van de auto hebben verstelbare
hoofdsteunen. De hoofdsteunen zor-
gen voor comfort voor de passa-
giers, maar belangrijker nog, ze zijn
ontworpen om passagiers te
beschermen tegen een whiplash en
andere nek- en ruggengraatletsels
tijdens een ongeval, vooral in een
aanrijding van achter.
Om schade te voorkomen, NOOIT
slaan op of trekken aan de hoofd-
steunen.
AANWIJZING
Neem de volgende voorzorgs-
maatregelen in acht zodat u het
risico op letsel of overlijden bij
een ernstig ongeval vermindert
bij het aanpassen van de hoofd-
steun.
Pas, voordat u het voertuig
start, altijd de hoofdsteunen
voor alle passagiers goed
aan.
Laat iemand tijdens het rijden
NOOIT zitten in een stoel
waarvan de hoofdsteun ver-
wijderd is.
(Vervolg)
(Vervolg)
Pas de hoofdsteunen zo aan
dat het midden van de hoofd-
steun op dezelfde hoogte is
als de hoogte van de boven-
kant van de ogen.
Verstel de hoofdsteun van de
bestuurder niet als de auto
rijdt.
Stel de hoofdsteun zo dicht
mogelijk bij het hoofd van de
passagier af. Gebruik geen
zitkussen waardoor de wrij-
ving tussen de stoel en de
passagier verminderd wordt.
Controleer of de hoofdsteu-
nen goed vergrendeld zijn
nadat ze goed zijn afgesteld.
WAARSCHUWING
OLF034072N
Wanneer er geen inzittenden
aanwezig zijn op de achterstoe-
len, zet dan de hoofdsteunen in
de laagste stand. De hoofdsteu-
nen van de achterstoelen kun-
nen het zicht naar achteren
belemmeren.
OPMERKING
2-14
Veiligheidssystemen van uw auto
Hoofdsteunen op de voorstoelen
De stoelen van de bestuurder en
voorpassagier zijn voor extra veilig-
heid en comfort voorzien van een
hoofdsteun.
Voor- en achterwaartse richting
De hoofdsteun kan naar voren wor-
den aangepast naar 3 posities door
de hoofdsteun naar de gewenste
positie naar voren te trekken. Om de
hoofdsteun in de volledig achterste
stand te plaatsen, trekt u deze zo ver
mogelijk naar voren en laat u hem
los.
Afstellen van de hoogte
Hoger: trek de hoofdsteun omhoog
om hem in de gewenste positie (1) te
zetten. Lager: druk de ontgrendel-
knop (2) in en laat de hoofdsteun in
de gewenste positie (3) zakken.
OIB034005OGB034007
OLMB033009
2-15
Veiligheidssystemen van uw auto
2
Als u de rugleuning naar voren
klapt met de hoofdsteun en de zit-
ting omhoog, kan de hoofdsteun
in contact komen met de zonne-
klep of andere delen van het voer-
tuig.
Verwijderen/Plaatsen
Verwijderen van de hoofdsteun:
1. Stel de rugleuning (2) af met de
afstelhendel (1).
2. Trek de hoofdsteun zo ver moge-
lijk omhoog.
3. Druk de ontgrendelknop hoofd-
steun (3) in terwijl u de hoofdsteun
naar boven (4) trekt.
Plaatsen van de hoofdsteun:
1. De rugleuning afstellen
2. Stop de pennen van de hoofdsteun
(2) in de gaten terwijl u de ontgren-
delknop (1) indrukt.
3. Stel de hoofdsteun vervolgens af
op de gewenste hoogte.
4. Stel de rugleuning (4) af met de
afstelhendel (3).
AANWIJZING
OLF034015
Laat iemand tijdens het rijden
NOOIT zitten in een stoel waar-
van de hoofdsteun verwijderd is.
WAARSCHUWING
OGB034008 OGB034009
Controleer of de hoofdsteunen
goed vergrendeld zijn nadat ze
opnieuw geplaatst zijn en of ze
goed zijn afgesteld.
WAARSCHUWING
2-16
Veiligheidssystemen van uw auto
Hoofdsteunen op de achterstoelen
De zitplaatsen achterin zijn voor
extra veiligheid en comfort van de
inzittenden voorzien van hoofdsteu-
nen.
Afstellen van de hoogte
Trek de hoofdsteun (1) omhoog om
hem hoger af te stellen. Lager: druk
de ontgrendelknop (2) in en laat de
hoofdsteun (3) zakken.
Verwijderen
Trek de hoofdsteun zo ver mogelijk
omhoog en druk vervolgens de ont-
grendelknop (1) in om de hoofdsteun
te verwijderen (2).
Stop, om de hoofdsteun terug te
plaatsen, de pennen van de hoofd-
steun (3) in de gaten terwijl u de ont-
grendelknop (1) indrukt. Stel de
hoofdsteun vervolgens af op de
gewenste hoogte.
OLMB033016
Zorg dat de hoofdsteun wordt
vergrendeld nadat deze is ver-
steld, zodat de inzittenden opti-
maal beschermd zijn.
WAARSCHUWING
OGB034011 OGB034012
2-17
Veiligheidssystemen van uw auto
2
Stoelverwarming
(indien van toepassing)
De stoelverwarming is toegepast om
de zitplaatsen te verwarmen tijdens
koud weer.
Om beschadiging van de stoelver-
warming en de stoelen te voorko-
men:
Gebruik nooit een oplosmiddel
zoals thinner, benzeen, alcohol
of benzine om de stoelen te rei-
nigen.
Plaats geen zware of scherpe
voorwerpen op stoelen die zijn
voorzien van stoelverwarming.
Wijzig de bekleding van de stoel
niet. Dit kan de stoelverwarming
beschadigen.
AANWIJZING
De stoelverwarming kan zelfs
bij lage temperaturen brand-
wonden veroorzaken, vooral als
de functie gedurende langere
tijd wordt gebruikt.
Passagiers moeten in staat zijn
om te voelen wanneer de stoel te
warm wordt, zodat ze deze kun-
nen uitzetten, als dat nodig is.
Personen die geen wijziging
van de temperatuur of pijn kun-
nen detecteren op de huid moe-
ten uiterst voorzichtig zijn, met
name de volgende soorten pas-
sagiers:
Kinderen, ouderen, gehandi-
capten en ziekenhuispatiën-
ten.
Personen met een gevoelige
huid.
(Vervolg)
WAARSCHUWING
(Vervolg)
Vermoeide personen.
Dronken personen.
Personen die onder invloed
zijn van medicijnen die het
reactievermogen verminderen
of slaap opwekken.
Plaats NOOIT iets op de zitting
dat isoleert tegen warmte wan-
neer de stoelverwarming in
gebruik is, zoals een dekentje of
zitkussen. Dit kan ertoe leiden
dat de stoelverwarming over-
verhit geraakt, waardoor
iemand brandwonden kan oplo-
pen of schade aan de zitting
veroorzaakt kan worden.
WAARSCHUWING
2-18
Veiligheidssystemen van uw auto
Terwijl de motor draait, druk op de
schakelaar om de zitplaats van de
bestuurder of de zitplaats van de pas-
sagier te verwarmen.
Laat de schakelaars in stand UIT
staan als de stoelverwarming niet
gebruikt hoeft te worden.
Elke keer dat u op de knop drukt,
wordt de temperatuurinstelling van
de zitting als volgt gewijzigd:
De standaardinstelling voor de
stoelverwarming is UIT als het
contact in stand ON wordt gezet.
Informatie
Als de schakelaars voor de stoelver-
warming in stand AAN staan, schakelt
de stoelverwarming automatisch aan
of uit, afhankelijk van de temperatuur
van de stoel.
i
OFFHOGE( )MIDDEN( )HOOG( )
OGB036015
2-19
Veiligheidssystemen van uw auto
2
Dit gedeelte beschrijft hoe de veilig-
heidsgordels correct te gebruiken.
Het beschrijft ook een aantal hande-
lingen die u niet mag doen bij het
gebruik van veiligheidsgordels.
Voorzorgsmaatregelen met
betrekking tot de veiligheids-
gordels
Draag altijd uw veiligheidsgordel en
zorg ervoor dat alle passagiers hun
veiligheidsgordels om hebben voor-
dat u aan een reis begint. Airbags
(indien van toepassing) zijn ontwor-
pen om de veiligheidsgordel aan te
vullen als een extra veiligheidsvoor-
ziening, maar ze zijn geen vervan-
ging. De meeste landen vereisen dat
alle inzittenden van een auto een
veiligheidsgordel dragen.
VEILIGHEIDSGORDELS
Veiligheidsgordels moeten wor-
den gebruikt door ALLE passa-
giers wanneer de auto in bewe-
ging is. Neem de volgende voor-
zorgsmaatregelen in acht bij het
aanpassen en het dragen van de
veiligheidsgordel:
Wij raden u sterk aan om kinde-
ren jonger dan 13 jaar ALTIJD
juist te beveiligen op de achter-
ste zitplaatsen.
Als een kind van 13 jaar of
ouder vooraan moet zitten,
plaatst u de stoel zo ver moge-
lijk naar achteren en gespt hen
correct vast.
Laat NOOIT kinderen of kleine
baby's meerijden op de schoot
van een passagier.
Gebruik NOOIT een terugge-
klapte zitting terwijl het voer-
tuig in beweging is.
Sta niet toe dat kinderen een
autostoel of veiligheidsgordel
delen.
Draag nooit de schoudergordel
onder de arm door of achter uw
rug.
(Vervolg)
WAARSCHUWING (Vervolg)
Zet breekbare voorwerpen
nooit vast met een veiligheids-
gordel. Bij krachtig remmen of
een aanrijding kunnen ze
beschadigd raken door de vei-
ligheidsgordel.
Gebruik de veiligheidsgordel
niet als deze gedraaid is. U
wordt niet afdoende beschermd
tijdens een ongeval door een
verdraaide veiligheidsgordel.
Gebruik een veiligheidsgordel
niet als de gordel of andere
delen beschadigd zijn.
Vergrendel de veiligheidsgor-
del niet in de gespen van de
andere stoelen.
Maak een veiligheidsgordel
NOOIT los tijdens het rijden.
Hierdoor kunt u de controle over
de auto verliezen waardoor een
ongeluk met ernstig letsel of
schade het gevolg kan zijn.
Zorg ervoor dat er niets in de
gesp het vergrendelingsmecha-
nisme van de veiligheidsgordel
belemmert. Dit kan voorkomen
dat de veiligheidsgordel veilig
vastgemaakt kan worden.
(Vervolg)
2-20
Veiligheidssystemen van uw auto
Waarschuwingslampje
veiligheidsgordel
Waarschuwingssysteem voor
de veiligheidsgordels
Voorstoelen
(1) Waarschuwingslampje veilig-
heids gordel bestuurdersstoel
(2) Waarschuwingslampje veilig-
heids gordel voorpassagier
Als herinnering voor bestuurder licht
telkens als het contact in de stand
ON wordt gezet het waarschuwings-
lampje van de veiligheidsgordels
gedurende 6 seconden op, ongeacht
of de gordels zijn vastgemaakt.
Wanneer de veiligheidsgordel van
de bestuurder niet vastgemaakt is
als het contact in de stand ON wordt
gezet, zal het waarschuwingslampje
gaan branden. Dit gebeurt ook als de
veiligheidsgordel weer losgemaakt
wordt als het contact in de stand ON
staat.
Als u de veiligheidsgordel nog
steeds niet draagt en de rijsnelheid
hoger wordt dan 9 km/h, zal het
brandende waarschuwingslampje
gaan knipperen totdat de rijsnelheid
weer lager wordt dan 6 km/h.
Als u door blijft rijden zonder dat u de
veiligheidsgordel draagt en sneller
gaat rijden dan 20 km/h, zal de waar-
schuwingszoemer gedurende onge-
veer 100 seconden klinken en zal
het desbetreffende waarschuwings-
lampje gaan knipperen.
Als beschadigde veiligheids-
gordels niet goed werken. Ver-
vang altijd de gordel:
Als het weefsel gaat rafelen,
of beschadigd is.
Indien de gordel beschadigd
is.
De gehele montage van de
veiligheidsgordel moet na een
ongeval vervangen worden,
zelfs als deze niet beschadigd
lijkt.
WAARSCHUWING
(Vervolg)
Er mogen geen wijzigingen aan
de gordel worden aangebracht
of hulpmiddelen worden geb-
ruikt die voorkomen dat het
gordelmechanisme de gordel
strak tegen het lichaam aan kan
trekken of die het verstellen van
de gordel onmogelijk maken.
OGB036040
2-21
Veiligheidssystemen van uw auto
2
Het waarschuwingslampje voor
de gordel voor de voorpassagier
bevindt zich in de middenconso-
le.
Ook als er geen passagier op de
stoel zit, zal het waarschuwings-
lampje gedurende 6 seconden
branden.
De waarschuwing voor de gor-
del van de voorpassagier kan in
werking treden als bagage op de
voorpassagiersstoel wordt ge-
plaatst.
Achterstoelen
Als het contactslot in de stand ON
wordt gezet (motor draait niet) en de
achterste passagiers hebben hun
gordel niet is vastgezet, gaat de bij-
behorende lamp branden, totdat de
gordel is vastgezet.
Vervolgens gaat de bijbehorende
waarschuwingslamp gedurende
ongeveer 35 seconden branden als
een van de volgende omstandighe-
den optreden:
- De motor wordt gestart als de gor-
del niet is vastgezet.
- De snelheid wordt hoger dan 9km/h
als de gordel niet is vastgezet.
- De gordel achter wordt losgemaakt,
terwijl langzamer dan 20 km/h
wordt gereden.
Als de achtergordel wordt vastgezet,
gaat de waarschuwingslamp onmid-
dellijk uit.
Als de achtergordel wordt losge-
maakt bij een snelheid hoger dan 20
km/h, gaat de bijbehorende waar-
schuwingslamp knipperen en gedu-
rende 35 seconden.
Als echter de sluiting van de
Veiligeidsgordel achter binnen 9
seconden nadat de gordel is omge-
daan wordt losgemaakt, vastge-
maakt en weer wordt losgemaakt,
wordt de bijbehorende gordel-waar-
schuwingslamp niet ingeschakeld.
AANWIJZING
Het rijden in een verkeerde zit-
positie heeft een nadelige
invloed op de werking van de
waarschuwingsfunctie voor de
veiligheidsgordel van de voor-
passagier. Het is belangrijk dat
de bestuurder de voorpassagier
de in dit instructieboekje voor-
geschreven zitpositie uitlegt.
WAARSCHUWING
OGB034041
2-22
Veiligheidssystemen van uw auto
Veiligheidsgordels
Driepuntsgordel
Vastmaken van uw gordel:
Trek de gordel uit het oprolmecha-
nisme en stop de metalen lip (1) in
de gesp (2). Wanneer de gesp in de
gordelsluiting vergrendelt, is een klik
hoorbaar.
Plaats de heupgordel (1) over uw
heupen en de schoudergordel (2)
over uw borstkast.
De veiligheidsgordel kan zich auto-
matisch tot de juiste lengte oprollen
als u eerst handmatig het heupge-
deelte van de gordel strak over uw
heupen trekt. Wanneer u langzaam
naar voren buigt, rolt de gordel af
zodat u meer bewegingsruimte hebt.
Bij een noodstop of een aanrijding
zal de gordel geblokkeerd worden.
Daarnaast zal de gordel blokkeren
wanneer u te snel naar voren buigt.
Als het u niet lukt om de veiligheids-
gordel uit de blokkeerautomaat te
trekken, trek dan krachtig aan de gor-
del en laat deze vervolgens los. U kunt
dan de gordel gemakkelijk uittrekken.
Hoogteverstelling (5 Deurs)
U kunt de hoogte van het bovenste
bevestigingspunt in vier standen
afstellen voor maximaal comfort en
een maximale veiligheid.
Het schoudergedeelte van de gordel
moet zodanig zijn aangepast dat het
over de borst en het midden van de
schouder loopt, en nooit over de nek.
AANWIJZING
ODH033055
ODH033053
Verhoog of verlaag het bovenste
bevestigingspunt van de veiligheids-
gordel tot de juiste hoogte.
Trek het bovenste bevestigingspunt
(1) omhoog om het hoger af te stellen.
Druk het bovenste bevestigingspunt
omlaag (3) en houd daarbij de knop
(2) ingedrukt om het bovenste beves-
tigingspunt lager af te stellen.
Laat de knop los om het bovenste
bevestigingspunt in de ingestelde
positie te blokkeren. Probeer het
bovenste bevestigingspunt omhoog of
omlaag te schuiven om te controleren
of het geblokkeerd is.
Geleider voor schoudergordelexten-
sie (alleen 3-deurs uitvoering)
U kunt de positie van de geleider
voor de schoudergordelextensie
aanpassen voor een betere toegang
tot de schoudergordel.
Zet de gordelextensiegeleider in
de juiste positie (1-2) bij gebruik
van de gordel.
Zet de gordelextensiegeleider in
de juiste positie (3) wanneer u in-
of uitstapt.
2-23
Veiligheidssystemen van uw auto
2
OIB034015
nVoorstoel
OLMB033025
OGB035047
Onjuist geplaatste veiligheids-
gordels kunnen ernstige letsels
veroorzaken tijdens een ongeval.
Neem de volgende voorzorgs-
maatregelen bij het aanpassen
van de veiligheidsriem:
Draag het heupgedeelte van de
veiligheidsgordel zo laag moge-
lijk over uw heupen dragen en
niet over uw middel. Hierdoor
kunnen uw sterke heupbeende-
ren de impact van de botsing
absorberen, waardoor de kans
op intern letsel afneemt.
(Vervolg)
WAARSCHUWING
2-24
Veiligheidssystemen van uw auto
Losmaken van de gordel:
Druk de ontgrendelknop (1) in van
de vergrendelingsgesp.
Als de gordel losgemaakt is, moet hij
automatisch oprollen. Controleer als
dat niet gebeurt of de gordel niet
gedraaid is en probeer het opnieuw.
Gordelspanner veiligheidsgor-
del (indien van toepassing)
Uw auto is uitgerust met een gordel-
spanners op de voorstoelen en/of de
achterbank. Het doel van de gordel-
spanner is ervoor te zorgen dat de
veiligheidsgordel strak tegen het
lichaam van de inzittende ligt bij
bepaalde frontale aanrijdingen. De
gordelspanners kunnen worden
geactiveerd als een frontale aanrij-
ding ernstig genoeg is.
Wanneer plotseling wordt afgeremd
of wanneer de inzittende te snel voor-
over probeert te buigen, wordt de
gordel door de blokkeerautomaat
vergrendeld. Bij bepaalde frontale
aanrijdingen zal de gordelspanner
echter geactiveerd worden en zal
deze de gordel strakker om het
lichaam van de inzittende trekken.
(Vervolg)
Plaats een arm onder de schou-
derriem en de andere over de
riem, zoals getoond in de
afbeelding.
Verzeker u ervan dat altijd het
schoudergordel bevestiging
punt in de juiste positie is ver-
grendeld.
Laat het schoudergedeelte van
de gordel nooit langs uw nek of
over u gezicht lopen. ODH033057
2-25
Veiligheidssystemen van uw auto
2
Draag altijd uw veiligheids-
gordel en zit correct in je
stoel.
Gebruik de veiligheidsgordel
niet wanneer deze los zit of
gedraaid is. U wordt niet
afdoende beschermd tijdens
een ongeval door een ver-
draaide of losse veiligheids-
gordel.
Plaats geen voorwerpen in de
buurt van de gesp. Dit kan een
negatieve invloed hebben op
de gesp en leiden tot het niet
goed functioneren.
Vervang altijd de gordelspan-
ners na activering of na een
ongeval.
Inspecteer, onderhoud, repa-
reer of vervang de gordel-
spanners NOOIT zelf. We
adviseren u het systeem te
laten repareren door een offi-
ciële HYUNDAI-dealer.
Sla niet op de veiligheidsgor-
del mechanismen.
WAARSCHUWING
Het gordelspannersysteem bestaat
hoofdzakelijk uit de volgende onder-
delen. De plaats hiervan wordt in de
bovenstaande afbeelding aangege-
ven:
(1) Waarschuwingslampje AIRBAG
(2) Blokkeerautomaten met gordel-
spanners
(3) Airbagmodule
OLMB033040/Q
Raak de onderdelen van het
gordel-spannersysteem niet
aan nadat ze geactiveerd zijn.
Als het gordelspannermecha-
nisme geactiveerd wordt tijdens
een aanrijding, kan de gordel-
spanner heet worden en brand-
wonden veroorzaken.
WAARSCHUWING
Het gordelsysteem kan bescha-
digd raken door de carrosserie
aan de voorzijde van de auto.
Daarom adviseren we u het sys-
teem te laten repareren door
een officiële HYUNDAI-dealer.
OPMERKING
2-26
Veiligheidssystemen van uw auto
De sensor die de SRS airbag acti-
veert, is verbonden met de gordel-
spanner. De waarschuwingslamp
op het instrumentenpaneel zal
gedurende ongeveer 6 seconden
oplichten nadat het contact in de
ON positie is gezet, waarna de
lamp uit moet gaan.
Als de gordelspanner niet goed
werkt, zal dit waarschuwings-
lampje gaan branden. Indien de
SRS air-bag waarschuwingslamp-
je niet oplicht, of blijft branden tij-
dens het rijden, raden we u aan
om het systeem te laten inspecte-
ren door een officiële HYUNDAI-
dealer.
De veiligheidsgordelspanners
van zowel de bestuurder als de
achterste passagier worden
geactiveerd in bepaalde frontale
botsingen.
De gordelspanners worden
geactiveerd, zelfs wanneer de
veiligheidsgordel niet wordt
gedragen op het ogenblik van
een botsing.
Wanneer de gordelspanners
geactiveerd worden, kan een
luide knal hoorbaar zijn en kan
er fijn stof, dat doet denken aan
rook, zichtbaar worden in het
passagierscompartiment. Dit
zijn normale verschijnselen en
het stof is niet schadelijk.
De fijne stof is normaal gespro-
ken onschadelijk, maar kan bij
personen met een gevoelige
huid irritatie veroorzaken. Was
de aan het stof blootgestelde
huid zorgvuldig na een ongeval
waarbij de gordelspanners zijn
geactiveerd.
Veiligheidsgordel midden achter
Gebruik voor het bevestigen van de
middelste veiligheidsgordel achter
de gordelsluiting met de aanduiding
CENTER.
AANWIJZING AANWIJZING
OGB034043
2-27
Veiligheidssystemen van uw auto
2
Aanvullende voorzorgsmaatre-
gelen met betrekking tot de
veiligheid
Gebruik van de veiligheidsgor-
del tijdens een zwangerschap.
De veiligheidsgordel moet ook altijd
tijdens de zwangerschap gedragen
worden. De beste manier om uw
ongeboren kind te beschermen, is
door u zelf te beschermen door altijd
de veiligheidsgordel te gebruiken.
Zwangere vrouwen moeten altijd een
driepuntsgordel gebruiken. Plaats de
driepuntsgordel over uw borst, tus-
sen uw borsten, en uit de buurt van
uw nek. Plaats de heupgordel onder
uw buik zodat deze GOED past over
uw heupen en heupbeenderen, rond
het ronde deel van de buik.
Gebruik van de veiligheidsgor-
del bij kinderen
Zuigelingen en kleine kinderen
De meeste landen hebben wetge-
ving wat betreft kinderbeveiligings-
systemen in voertuigen waarbij kin-
deren moeten reizen in goedgekeur-
de kinderstoeltjes. De leeftijd waarop
veiligheidsgordels gebruikt kunnen
worden in plaats van kinderbeveili-
gingssystemen, verschillen per land,
dus controleer de voorwaarden in uw
land voordat u op reis gaat. Kinder-
beveiligingssystemen voor kinderen
moeten correct geplaatst en geïn-
stalleerd zijn op de achterzitplaats.
Voor meer informatie, raadpleeg ook
“Kinderbeveiligingssys-teem” in dit
hoofdstuk.
Verminder het risico op ernstig
letsel of overlijden van het
ongeboren kind gedurende een
ongeval, en plaats het schoot-
gedeelte van de veiligheidsgor-
delriem NOOIT boven of over
het gedeelte van de buik waar
het kind zit.
WAARSCHUWING
Beveilig zuigelingen en jonge
kinderen ALTIJD goed in een
Kinderbeveiligingssysteem dat
aangepast is aan het gewicht en
de lengte van het kind.
Om het risico van ernstig letsel
te beperken of de dood van een
kind en de andere passagiers te
vermijden, neem nooit een kind
op uw schoot of in uw armen
wanneer de auto in beweging is.
De enorme krachten die tijdens
een ongeval ontstaan, zullen
het kind uit uw armen rukken en
tegen het interieur van de auto
laten komen.
WAARSCHUWING
2-28
Veiligheidssystemen van uw auto
Kleine kinderen zijn bij een aanrij-
ding het best beschermd als ze goed
vastgezet op de achterbank ver-
voerd worden in een wettelijk goed-
gekeurd Kinderbeveiligingssysteem.
Controleer voor de aanschaf van een
Kinderbeveiligingssysteem of het
voorzien is van een label waarop
staat dat het desbetreffende zitje
wettelijk goedgekeurd is. Het Kin-
derbeveiligingssysteem moet ge-
schikt zijn voor de lengte en het
gewicht van het kind dat er in ver-
voerd moet worden. Ook deze infor-
matie moet op het label van het
Kinderbeveiligingssysteem vermeld
staan. Raadpleeg "Kinderbeveili-
gingssysteem" in dit hoofdstuk.
Grotere kinderen
Alle kinderen onder 13 jaar die te
groot zijn voor een booster zitting
moeten altijd de achterzitplaats
gebruiken en de beschikbare veilig-
heidsgordels dragen. Een veilig-
heidsgordel moet geplaatst worden
over de bovenkant van de dijen en
goed zitten over de schouder en
borst zodat het kind veilig geplaatst
is. Controleer regelmatig of de gordel
goed aanligt. Door de bewegingen
van het kind kan de gordel niet meer
in de juiste positie komen te liggen.
Bij een aanrijding zitten kinderen het
veiligst op de achterbank als ze op
de juiste manier gebruik maken van
kinderbeveiligingssystemen en/of
veiligheidsgordels op de achterbank.
Als een groter kind (ouder dan 13)
op de voorsteel vervoerd moet wor-
den, moet het kind de driepuntsgor-
del op de juiste manier dragen en
moet de stoel zo ver mogelijk naar
achteren worden geplaatst.
Probeer het kind verder naar het
midden plaats te laten nemen wan-
neer het schoudergedeelte over de
hals of het gezicht van het kind loopt.
Maak gebruik van een kinderzitje
wanneer de schoudergordel hun
gezicht of hals nog steeds raakt.
Zorg er altijd voor dat grotere
kinderen de veiligheidsgor-
dels gebruiken en det ze goed
afgesteld zijn.
Zorg dat de schoudergordel
NOOIT contact maakt met de
nek of het gezicht van het
kind.
Zorg dat maar één kind
gebruik maakt van één veilig-
heidsgordel.
WAARSCHUWING
2-29
Veiligheidssystemen van uw auto
2
Gebruik van de veiligheidsgordel
bij mensen met letsel
Ook gehandicapten die in de auto
vervoerd worden, moeten gebruik
maken van de veiligheidsgordel.
Neem voor meer informatie contact
op met een arts.
Een persoon per
veiligheidsgordel
Een enkele gordel mag nooit gedra-
gen worden door twee personen (ook
niet door een volwassene en een
kind). Als dat wel gedaan wordt, kan
dat bij een aanrijding resulteren in ern-
stig letsel.
Zet de rugleuning niet
horizontaal
Gebruik NOOIT een teruggeklapte
zitting terwijl het voertuig in bewe-
ging is, deze kan gevaarlijk zijn.
Zelfs wanneer de veiligheitsgordels
vast gegestpt zijn, de bescherming
die de veiligheidssystemen (veilig-
heidsgordels en airbags) bieden,
neemt aanzienlijk af als de rugleu-
ning te ver horizontaal staat. De vei-
ligheidsgordel moet strak over uw
heupen en borst lopen voor een
maximale effectiviteit. U kunt tijdens
een ongeval in de zittingriem gewor-
pen worden, wat kan resulteren in
letsel aan de nek of ander letsel.
Hoe verder de rugleuning naar ach-
teren staat, hoe groter de kans is dat
de inzittende bij een aanrijding onder
het heupgedeelte van de gordel door
schiet of dat de nek in aanraking
komt met het schoudergedeelte van
de gordel.
Verzorging van de
veiligheidsgordels
Veiligheidsgordels mogen niet gede-
monteerd of gemodificeerd worden.
Verder moet er op worden gelet dat
de gordels en de onderdelen daar-
van niet beschadigd worden door de
scharnieren van de stoelen, de por-
tieren of anderszins.
Periodieke controle
Geadviseerd wordt de veiligheids-
gordels periodiek op slijtage en
beschadiging te laten controleren.
Beschadigde onderdelen dienen zo
spoedig mogelijk vervangen te wor-
den.
Gebruik NOOIT een terugge-
klapte zitting terwijl het voer-
tuig in beweging is.
Als de rugleuning te ver hori-
zontaal staat, neemt de kans
op letsel bij een aanrijding of
een noodstop aanzienlijk toe.
Bestuurder en passagiers
moeten altijd goed in hun stoel
zitten, de gordel op de juiste
manier dragen en de rugleu-
ning zo ver mogelijk rechtop
zetten.
WAARSCHUWING
2-30
Veiligheidssystemen van uw auto
Houd de gordels schoon en
droog
De veiligheidsgordels moeten
schoon en droog gehouden worden.
Als ze vuil geworden zijn, kunnen ze
worden gereinigd met een milde
zeepoplossing en warm water.
Bleekmiddelen, kleurstoffen, sterke
oplosmiddelen of reinigingsmiddelen
met schurende bestanddelen mogen
niet worden gebruikt omdat ze het
gordelmateriaal kunnen beschadi-
gen of verzwakken.
Wanneer moeten de veiligheids-
gordels vervangen worden
De veiligheidsgordels moeten in hun
geheel worden vervangen als de
auto bij een aanrijding betrokken is
geweest. Dat is ook het geval als de
veiligheidsgordels niet zichtbaar
beschadigd zijn. We adviseren u
contact op te nemen met een officië-
le HYUNDAI-dealer.
2-31
Veiligheidssystemen van uw auto
2
Alle kinderen onder de 13 jaar die in
de auto meerijden, moeten altijd op
de achterzitplaatsen zitten en moeten
altijd een-correcte zit hebben om het
risico op letsel te verminderen bij
een-ongeval, een plotselinge stop of
een-manoeuvre. Volgens ongevallen-
statistieken zijn kinderen veiliger in
een kinderzitje op de achterbank dan
in een kinderzitje op de voorstoel.
Zelfs met airbags kunnen kinderen
ernstig letsel oplopen, of overlij-
den.
De meeste landen hebben wetge-
ving wat betreft kinderen in voertui-
gen waarbij kinderen moeten reizen
in goedgekeurde kinderstoelen. De
wetgeving betreffende de leeftijd of
gewicht/hoogte beperkingen waarbij
veiligheidsgordels gebruikt kunnen
worden in plaats van andere midde-
len om kinderen te beschermen, ver-
schillen per land, dus controleer de
voorwaarden in uw land voordat u op
reis gaat.
Let er bij de aanschaf van een baby-
of kinderzitje op of het desbetreffen-
de zitje wettelijk goedgekeurd is.
Kinderzitjes zijn ontworpen om
bevestigd te worden aan de zitplaat-
sen in de auto m.b.v. met de heup-
gordel, het buikdeel van de drie-
puntsgordel of m.b.v de onderste
bevestigingen en/of ISOFIX boven-
ste bevestigingen op de achterbank
van het voertuig.
Wij raden aan:
Kinderbeschermingssysteem
(CRS) altijd op de achterbank
Peuters en jongere kinderen moeten
op de juiste manier beschermd wor-
den, met het gezicht naar achteren
of naar voren met een CRS die goed
vastgezet is aan de achterbank van
het voertuig. Lees en volg altijd de
installatie- en gebruiksvoorschriften
van de fabrikant van het kinderzitje.
KINDERZITJES (CHILD RESTRAINT SYSTEM (CRS))
Kinderen moeten altijd op de
achterbank van het voertuig zit-
ten, met een veiligheidsriem
gordel.
Kinderen van elke leeftijd zijn
veiliger als ze op de achterbank
vervoerd worden. Een kind dat
op de voorpassagiersstoel ver-
voerd wordt, kan ernstig letsel
oplopen door een airbag die
wordt geactiveerd.
WAARSCHUWING
2-32
Veiligheidssystemen van uw auto
Het selecteren van een
kinderzitje (CRS)
Let bij het kiezen van een CRS altijd
op het volgende:
Verzeker u ervan dat het gecertifi-
ceerd is en dus voldoet aan de
wettelijke eisen van uw land.
Gebruik altijd een kinderzitje dat
geschikt is voor de lengte en het
gewicht van het kind dat er in ver-
voerd moet worden. Het vereiste
label of de gebruiksinstructies
bevatten normaliter deze informa-
tie.
Kies een CRS dat past in de zitting
van het voertuig waar het gebruikt
zal worden.
Lees en volg altijd de waarschu-
wingen en installatie- en gebruiks-
voorschriften en alle waarschuwin-
gen van de fabrikant van het kin-
derzitje.
Kinderzitjes types systeem
Er zijn drie hoofd types CRS's:
gezicht naar achteren, gezicht naar
voren, en booster zittingen. Ze wor-
den ingedeeld aan de hand van de
leeftijd, de hoogte en het gewicht
van het kind.
Volg altijd de aanwijzingen
van de fabrikant voor de mon-
tage en het gebruik van het
zitje.
Zet uw kind altijd vast in de
CRS.
Gebruik nooit een kinderzitje
dat over de rugleuning van
een stoel "vasthaakt"; een
dergelijk zitje biedt mogelijk
geen adequate bescherming
bij een ongeval.
We raden aan dat u na een
ongeval een bezoek brengt
aan een HYUNDAI dealer om
het CRS, de veiligheidsgordel,
ISOFIX onderste bevestigin-
gen en de bovenste bevesti-
gingen te laten controleren.
WAARSCHUWING
2-33
Veiligheidssystemen van uw auto
2
Kinderbeveiligingssystemen waarin
het kind met het gezicht naar achte-
ren wordt vervoerd
Een (CRS) Kinderbeveiligingssys-
teem met het gezicht naar achteren
zorgt ervoor dat het zittingoppervlakte
tegen de rug van het kind vast zit. Het
harnassysteem houdt het kind vast,
en tijdens een ongeval zorgt dit kin-
derbeveilingssysteem dat het kind
blijft zitten en wordt de spanning op
de kwetsbare nek en ruggenwervel
verminderd.
Alle kinderen onder een bepaalde
leeftijd moeten met het gezicht naar
achteren geplaatst worden in het kin-
derbeveiligingssysteem. Er zijn ver-
schillende soorten CRS's voor
gebruik met het gezicht naar achte-
ren: zittingen voor babys kunnen
alleen gebruikt worden voor met het
gezicht naar achteren. Draagbare en
3-in-1 CRS's hebben normaliter hoge-
re hoogte- en gewichtsbeperkingen
voor de positie naar achteren, waar-
door u uw kind langer met het gezicht
naar achteren kunt plaatsen.
Blijf CRS's met het gezicht naar ach-
teren gebruiken zolang het kind past
binnen de hoogte- en gewichtsbeper-
kingen van de fabrikant van de CRS.
Dit is de beste manier om ze veilig te
houden. Zodra uw kind te groot is
voor een CRS met het gezicht naar
achteren, kunt u uw kind in een CRS
met het gezicht naar voren in een har-
nas plaatsen.
Kinderbeveiligingssysteem waarin
het kind met het gezicht naar voren
wordt vervoerd
Een CRS voor het gezicht naar voren
houdt het kind m.b.v harnas plaatsen.
Houd kinderen in een CRS met het
gezicht naar voren in een harnas tot-
dat ze de hoogte- en gewichtsbeper-
kingen van de fabrikant van de CRS
hebben bereikt.
Uw kind is klaar voor een booster zit-
ting zodra het kind te groot is voor een
CRS met het gezicht naar voren.
OLMB033041 OGB034031
2-34
Veiligheidssystemen van uw auto
Booster zittingen
Een booster zitting is een CRS die
ontworpen is om te passen in het
veiligheidsgordelsysteem van het
voertuig. Een booster zitting plaatst
de riem zo dat deze goed past over
de sterkere delen van het lichaam
van uw kind. Houd uw kinderen in
booster zittingen totdat ze groot
genoeg zijn om goed in de veilig-
heidsgordel te passen.
Om een veiligheidsgordel goed te
plaatsen, moet de schootriem over
de bovenste dijen geplaatst zijn com-
fortabel, niet over de buik. De schou-
dergordel moet over de schouder en
de borst geplaatst zijn comfortabel,
en niet rond de nek of het gezicht.
Kinderen onder de 13 jaar moeten
altijd goed worden beveiligd om de
kans op letsel bij een ongeval, plot-
seling remmen of een plotselinge
manoeuvre te minimaliseren.
Het installeren van een Kin-
derbeveiligingssysteem (CRS)
Nadat u een goede CRS gekoezen
heeft, en gecontroleerd heeft dat dit
goed past op de achterbank van het
voertuig, dan bent u klaar om het
CRS te installeren volgens de
instructies van de fabrikant. Er zijn
drie algemene stappen bij het correct
installeren van de CRS:
Zet de CRS goed vast aan het
voertuig. Alle CRS's moeten goed
vastgezet worden aan het voertuig
met het schootgedeelte van een
schoot-/schouderriem of met de
bovenste bevestiging en/of ISOFIX
bevestiging.
Zorg dat het CRS goed vast zit.
Na het installeren van een
Kinderbeveiligingssysteem in het
voertuig, duw en trek het
Kinderbeveiligingssysteem voor-
waarts en van links naar rechts om
te controleren of het goed is
bevestigd op de zitplaats van het
voertuig. Een CRS die met een
veiligheidsgordel is vastgezet moet
zo stevig mogelijk geïnstalleerd
worden. Enige naar de zijkanten
kan als normaal beschouwd.
Lees altijd voor de installatie
van het Kinderbeveiligingssys-
teem:
Volg altijd de instructies voor
installatie en gebruik van de
fabrikant van het Kinder-
beveiligingssysteem.
Het niet opvolgen van alle waar-
schuwingen en instructies kan
het risico op ERNSTIG LETSEL
of OVERLIJDEN tijdens een
ongeval vergroten.
WAARSCHUWING
Als de hoofdsteun het niet
mogelijk maakt om een kinder-
beveiligingssysteem correct te
plaatsen (zoals beschreven in
de handleiding voor kinderbe-
veiligingssystemen), dan zal de
hoofdsteun van de respectieve-
lijke zetel herpositioneerd of
verwijderd worden.
WAARSCHUWING
2-35
Veiligheidssystemen van uw auto
2
Bij het installeren van een Kinder-
beveiligingssysteem, stel de zit-
plaats van het voertuig in (omhoog
en omlaag, voorwaarts en achter-
waarts), zodat uw kind op een com-
fortabele manier in het Kinderbevei-
ligingssysteem past.
Zet het kind goed vast in de
CRS. Zorg dat het kind goed vast-
gegespt is in het kinderbeveili-
gingssysteem zoals vermeld in de
instructies voor kinderbeveiligings-
systemen van de fabrikant.
ISOFIX bevestigingen en
bovenste bevestigingen
(ISOFIX-systeem) voor kinderen
Het ISOFIX systeem houdt een CRS
op zjin plaats tijdens het rijden en tij-
dens ongevallen. Dit systeem is ont-
worpen om het installeren van een
CRS te vereenvoudigen en om de
kans op het onjuist installeren te ver-
minderen. Het ISOFIX systeem
maakt gebruik van bevestigingen in
het voertuig en bevestigingen op het
CRS.
Het ISOFIX systeem elimineert de
noodzaak om het CRS met veilig-
heidsgordels vast te zetten aan de
achterbank.
De onderste bevestigingen zijn
metalen haken die in het voertuig
zijn gemonteerd. Er zijn twee lagere
bevestigingen voor elke ISOFIX zit-
tingpositie waarmee u een CRS kunt
vastzetten.
U moet in het bezit zijn van een CRS
met ISOFIX bevestigingen om
gebruik te kunnen maken van ISO-
FIX in uw voertuig. (Een ISOFIX-
Kinderbeveiligingssysteem mag
alleen worden gebruikt als het speci-
fiek is goedgekeurd voor uw auto of
universeel is goedgekeurd volgens
de eisen die gesteld zijn in de
Europese norm ECE-R 44 of ECE-R
129.)
De fabrikant van het CRS zal u
instructies verstrekken over hoe u
het CRS met bevestigingen voor de
ISOFIX bevestigingen kunt gebrui-
ken.
Een CRS in een gesloten voer-
tuig kan erg heet worden. Om
brandwonden te voorkomen,
controleert u het oppervlakte en
de gespen voordat u uw kind in
het CRS plaatst.
WAARSCHUWING
2-36
Veiligheidssystemen van uw auto
De ISOFIX-bevestigingen zijn alleen
bedoeld voor de buitenste zitplaat-
sen links en rechts op de achter-
bank. Hun locaties getoond in de
afbeelding. Er zijn geen ISOFIX
bevestigingen voor de midden posi-
tie op de achterbank.
De ISOFIX-verankeringssymbolen
bevinden zich op de zitkussens van
de linker en rechter achterzitplaatsen
om de positie van de ISOFIX-veran-
keringen in uw voertuig (zie pijlen in
afbeelding) weer te geven.
OGB034023
I
IS
SO
OF
FI
IX
X
O
On
nd
de
er
rs
st
te
e
B
Be
ev
ve
es
st
ti
ig
gi
in
ng
gs
sp
pu
un
nt
te
en
n
Probeer niet om het CRS met
ISOFIX bevestigingen te gebrui-
ken in het midden van de ach-
terbank. Er zijn geen hier geen
ISOFIX bevestigingen aanwe-
zig.
Gebruik maken van de veranke-
ringen van de buitenste zitplaat-
sen voor de installatie van het
Kinderbeveiligingssysteem op
de middenste zitplaats achter-
aan, kan de verankeringen
beschadigen waardoor ze kun-
nen breken of falen bij een aan-
rijding wat kan leiden tot ernstig
letsel of de dood.
WAARSCHUWING
OLM039035
I
IS
SO
OF
FI
IX
X
O
On
nd
de
er
rs
st
te
e
B
Be
ev
ve
es
st
ti
ig
gi
in
ng
gs
sp
po
os
si
it
ti
ie
e
I
In
nd
di
ic
ca
at
to
or
r
2-37
Veiligheidssystemen van uw auto
2
Beide buitenste zitplaatsen achter
zijn uitgerust met ISOFIX-bevesti-
gingspunten en een bijbehorende
bevestiging voor de bovenste band
op de achterzijde van de rugleuning.
Het vastzetten van een
Kinderbeveiligingssysteem met
“ISOFIX systeem”
Installeren van een ISOFIX compati-
bele CRS in een van de posities op
de achterbank:
1. Houdt de gesp van de veiligheids-
gordel altijd weg van de ISOFIX
bevestigingen.
2. Hall objecten weg van de bevesti-
gingen indien deze een veilige
aansluiting tussen de CRS en de
ISOFIX bevestigingen voorko-
men.
3. Plaats de CRS op de achterbank,
bevestig de zitting vervolgens aan
de ISOFIX bevestigingen volgens
de instructies van de fabrikant van
het CRS.
4. Volg de instructies van de fabri-
kant van het Kinderbeveiligings-
systeem voor de juiste installatie
en aansluiting van de ISOFIX-
bevestigingen op het Kinderbe-
veiligingssysteem aan de ISOFIX-
verankeringen.
OGB034024
Neem de volgende voorzorgs-
maatregelen bij het ISOFIX-sys-
teem:
Lees en volg de installatie- en
gebruiksvoorschriften van de
fabrikant van het Kinderbe-vei-
ligingssysteem (CRS).
Voorkom dat het kind onge-
bruikte veiligheidsgordels kan
vastpakken en plaats alle onge-
bruikte veiligheidsgordels ach-
ter het kind. Kinderen kunnen
gewurgd worden als een
schoudergordel rond hun nek
komt te zitten en aanspant.
Monteer nooit meer dan een
Kinderbeveiligingssysteem aan
een bevestigingspunt. Hierdoor
kan de bevestiging loskomen of
breken.
Zorg dat uw ISOFIX-systeem na
een ongeval altijd door uw
HYUNDAI dealer gecontroleerd
wordt. Een ongeval kan het ISO-
FIX-systeem beschadigen en dit
kan ertoe leiden dat het Kinder-
beveiligingssysteem (CRS) niet
meer goed vastzit.
WAARSCHUWING
2-38
Veiligheidssystemen van uw auto
Monteren van een
Kinderbeveiligingssysteem met
behulp van een systeem met
bovenste bevestigingsbanden
Zet het CRS eerst vast met de ISO-
FIX bevestigingen of met de veilig-
heidsriem. Als de fabrikant van het
kinderbeveiligingssysteem het be-
vestigen van de bovenste aanbe-
veelt , bevestig en draai de bovenste
naar de bovenste ISOFIX bevesti-
ging.
De bovenste bevestigingen bevin-
den zich op de achterzijde van de
achterzitplaatsen.
De top-tether bevestiging installeren:
1. Leidt de top-tether van het Kinderbe-
veiligingssysteem over de rugleuning
van het Kinderbeveiligingssysteem.
Leid de bovenste riem onder de hoofd-
steun en tussen de pennen van de
hoofdsteun, of plaats de riem over de
bovenkant van de rug van de zitting
van het voertuig. Zorg ervoor dat de
riem niet verdraaid zit.
2. Sluit de top-tether aan op de Top-
Tether bevestiging, draai dan de top-
tether volgens de instructies van de
fabrikant van uw Kinderbeveiligings-
systeem om het Kinderbeveiligings-
systeem stevig te bevestigen aan de
zitplaats.
3. Controleer of het Kinderbeveiligings-
systeem goed vastzit aan de zitting
door hier tegen te duwen, van voren
naar achteren en vanaf de zijkanten.
Let op het volgende bij het instal-
leren van de bovenste bevesti-
ging:
Lees en volg de installatie- en
gebruiksvoorschriften van de
fabrikant van het Kinderbevei-
ligingssysteem (CRS).
Bevestig NOOIT meer dan één
Kinderbeveiligingssysteem op
een enkele top-tether bevesti-
ging. Dit zou ervoor kunnen
zorgen dat de verankering of
bevestiging los komt of breekt.
Zet de top-tether alleen vast
aan de juiste bovenste bevesti-
ging die voor de bovenste riem
bestemd is. Het werkt mis-
schien niet goed als u dit aan
iets anders bevestigt.
De bevestigingspunten zijn
alleen berekend op de belasting
die er op wordt uitgeoefend
door een juist gemonteerd
Kinderbeveiligingssysteem.
Ze mogen in geen geval worden
gebruikt voor de bevestiging
van veiligheidsgordels voor
volwassenen of voor de beves-
tiging van andere componenten
in de auto.
WAARSCHUWING
OGB034029
OBG034016
2-39
Veiligheidssystemen van uw auto
2
Geschiktheid van iedere zitplaats voor Isofix-kinderbeveiligingssystemen overeenkomstig
ECE-reglementen
IUF = Geschikt voor ISOFIX-bevestiging van naar voren gerichte, universe-
le voor deze gewichtsgroep goedgekeurde Kinderbeveiligings-sys-
teem.
IL = Geschikt voor bepaalde ISOFIX Kinderbeveiligingssysteem die zijn
opgesomd in onderstaande lijst. Al deze ISOFIX Kinderbevei-ligings-
systeem (CRS) vallen in de groepen 'voertuigspecifiek', 'universeel' of
'semi-universeel'.
X = ISOFIX bevestiging niet geschikt voor ISOFIX Kinderbevei-ligingssys-
teem in deze gewichtsgroep en/of deze grootteklasse.
* Afmetingen en bevestigingspunten ISOFIX Kinderbeveiligingssysteem
A
- I
SO/F3: Volledig Kinderbeveiligingssysteem (CRS) waarbij het kind met het
gezicht naar voren gericht zit (hoogte 720 mm)
B
- I
SO/F2: Verminderde Kinderbeveiligingssysteem (CRS) waarbij het kind met het
gezicht naar voren gericht zit (hoogte 650 mm)
B1
- I
SO/F2X: Verminderde (versie 2) waarbij het kind met het gezicht naar voren
gericht Kinderbeveiligingssysteem (CRS) (hoogte 650 mm)
C
- I
SO/R3: Volledig Kinderbeveiligingssysteem waarbij het kind met het gezicht
naar achteren gericht zit
D
- I
SO/R2: Verminderde Kinderbeveiligingssysteem waarbij het kind met het
gezicht naar achteren gericht zit
E
- I
SO/R1: Kinderbeveiligingssysteem (CRS) waarbij het kind met het gezicht naar
achteren gericht zit
F
- I
SO/L1: Reiswieg (CRS) waarbij het kind met het gezicht naar links gericht ligt
(carry-cot)
G
- I
SO/L2: Reiswieg (CRS) waarbij het kind met het gezicht naar rechts gericht ligt
(carry-cot)
Gewichtsgroep Afmetingen Bevestiging
ISOfix-posities in auto
Voorpassagier
Buitenste achter
(Bestuurderszijde)
Buitenste achter
(Passagierszijde)
Middelste
achter
Reiswieg F ISO/L1 - X X -
G ISO/L2 - X X -
0 : Tot 10 kg E ISO/R1 - IL IL -
0+ : Tot 13 kg
E ISO/R1 - IL IL -
D ISO/R2 - X X -
C ISO/R3 - X X -
I : 9 tot 18 kg
D ISO/R2 - X X -
C ISO/R3 - X X -
B ISO/F2 - IUF + IL IUF + IL -
B1 ISO/F2X - IUF + IL IUF + IL -
A ISO/F3 - IUF + IL IUF + IL -
2-40
Veiligheidssystemen van uw auto
Aanbevolen Kinderzitjes - Europe
CRS-fabrikantinformatie
Britax Römer http://www.britax.com
Gewichtsgroep
Afmetingen Bevestiging Naam Fabrikant Type bevestiging ECE-R44
goedkeuringsnr.
Groep 0-1
(0-13kg) EISO/R1 Baby Safe
Plus Britax Romer Achterwaarts geplaatst met ISOFIX-
basis E1 04301146
Groep 1
(9-18kg) B1 ISO/F2X Duo Plus Britax Romer Voorwaarts geplaatst met ISOFIX
onderste + bovenste bevestigingen E1 04301133
2-41
Veiligheidssystemen van uw auto
2
Het vastzetten van een
Kinderbeveiligingssysteem
m.b.v schoot/schoudergordel
Als u geen gebruik maakt van ISO-
FIX systemen, dan moet de CRS
met de heupgordel of het buikdeel
van een driepuntsgordel vastgezet
worden.
Bevestigen van een
Kinderbeveiligingssysteem m.b.v
een heupgordel
Volg voor het installeren van een kin-
derbeveiligingssysteem op de mid-
delste zitplaats van de achterbank
de volgende stappen:
1. Plaats het Kinderbeveiligingssys-
teem op de middenste zitplaats
achteraan en leid de heupgordel
door het Kinderbeveiligingssys-
teem, volg de instructies van de
fabrikant van het Kinderbevei-
ligingssysteem.
Zorg ervoor dat de gordel niet ver-
draaid zit.
2. Zet de gesp vast in de gordelslui-
ting. Controleer of een klikkend
geluid hoorbaar is.
3. Pas het heupgedeelte van de vei-
ligheidsgordel aan voor een
goede grip op het Kinder-beveili-
gingssysteem door aan het losse
uiteinde van de riem te trekken.
4. Trek en duw tegen het CRS om er
zeker van te zijn dat de veiligheids
gordel dit goed op de plek houdt.
Als de fabrikant van uw kinderbevei-
ligingssysteem het gebruik aanbe-
veelt van de top-tether verankering
in combinatie met de heupgordel, zie
pagina 2-37.
Om het CRS te verwijderen, drukt u
op de vrijgaveknop van de gordel-
sluiting en trekt u het schoot-/schou-
dergedeelte van de gordel van het
CRS.
OLMB033043
2-42
Veiligheidssystemen van uw auto
Bevestigen van een
Kinderbeveiligingssysteem m.b.v
een driepuntsgordel
Volg voor het installeren van een
Kinderbeveiligingssysteem op de
buitenste of zitplaats van de achter-
bank de volgende stappen:
1. Plaats het Kinderbeveiligingssys-
teem op de zitplaats achteraan en
leid de driepuntsgordel door het
Kinderbeveiligingssysteem, volg
de instructies van de fabrikant van
het Kinderbeveiligingssysteem.
Zorg ervoor dat de gordel niet ver-
draaid zit.
Informatie
Raadpleeg ook de paragraaf "Mid-
delste driepuntsgordel achter" van dit
hoofdstuk, als de middelste gordel
achter wordt gebruikt.
2. Zet de gesp vast in de gordelslui-
ting. Controleer of een klikkend
geluid hoorbaar is.
Informatie
Plaats de ontgrendelknop zo dat deze
in geval van nood gemakkelijk bereik-
baar is.
3. Verwijder zoveel mogelijk speling
van de gordel door het CRS
omlaag te duwen terwijl u de
schouderriem strak trekt.
4. Trek en duw tegen het CRS om er
zeker van te zijn dat de veiligheids
gordel dit goed op de plek houdt.
Als de fabrikant van uw kinderbeveili-
gingssysteem het gebruik aanbeveelt
van de top-tether verankering in com-
binatie met de heupgordel, zie pagina
2-37.
Om het CRS te verwijderen, drukt u
op de vrijgaveknop van de gordelslui-
ting en trekt u het schoot-/schouder-
gedeelte van de gordel van het CRS
en laat u de veiligheidsgordel volledig
terug gaan.
i
i
OLMB033044 OLMB033045 OLMB033046
2-43
Veiligheidssystemen van uw auto
2
Geschiktheid van iedere zitplaats voor de "universele" gordel categorie Kinderbeveiligingssystemen
overeenkomstig de ECE-reglementen
Gebruik een Kinderbeveiligingssystemen voor kinderen dat officieel is goedgekeurd en dat voor uw kinderen
geschikt is.
Raadpleeg de volgende tabel bij het gebruik van een kinderbeveiligingssysteem.
Leeftijd
Zitplaats
Voorpassagier Buitenste
achter
Middelste
achter
0 : Tot 10 kg
(0-9 maanden) UUU
0+ : Tot 13 kg
(0-2 jaar) UUU
I : 9 kg tot 18 kg
(9 maanden - 4 jaar) UUU
II & III : 15 kg tot 36 kg
(4-12 jaar) UUU
U : Geschikt voor de categorie "universele" zitjes, goedgekeurd voor gebruik in deze gewichtsklasse wanneer u de zetel achter-
waarts plaatst om zo de meest comfortabele positie voor het kind te krijgen.
2-44
Veiligheidssystemen van uw auto
AANVULLEND VEILIGHEIDSSYSTEEM (SRS)
Het aantal daadwerkelijke airbags aanvezig in uw voertuigkan afwijken van de afbeelding.
1. Airbag bestuurder
2. Airbag voorpassagier*
3. Zijairbag*
4. Gordijn airbag*
5. ON/OFF-schakelaar airbag voor-
passagier*
* : indien van toepassing
OGB034017/OGB034018
5
5
2-45
Veiligheidssystemen van uw auto
2
Dit voertuig is uitgerust met een
extra airbag-systeem voor de bes-
tuurdersstoel, bijrijdersstoel.
De voorste airbags zijn ontworpen
als aanvulling op de driepunts veilig-
heidsgordels. Deze airbags geven
alleen extra bescherming als de vei-
ligheidgordels altijd tijdens het rijden
gedragen wordt.
U kunt ernstig letsel oplopen, of
overlijden, tijdens een ongeval als u
de veiligheidsgordels niet draagt.
Airbags zijn ontworpen als aanvul-
ling voor veiligheidsrigordels, niet om
deze te vervangen. De air-bags zijn
niet ontworpen om te ontplooien in
elke aanrijding. Tijdens sommige
ongevallen bieden alleen de veilig-
heidsrigordels u bescherming.
VEILIGHEIDSMAATREGELEN VOOR AIRBAGS
Maak altijd gebruik van de veiligheidsgordels en, indien van toepas-
sing, van Kinderbeveiligingssystemen -iedere keer, bij iedere reis en
voor iedereen! Zelfs bij airbags kunt u ernstig letsel oplopen, of over-
lijden, tijdens een botsing als uw gordel niet goed vast zit of als u
deze niet draagt terwijl de airbag opgeblazen wordt.
Plaats nooit een kind in een kinderbeveiligingssysteem op de voor-
ste passagierszetel, tenzij de airbag is uitgeschakeld. Een airbag die
opgeblazen wordt kan een peuter of kind raken waardoor het kind
ernstig letsel oploopt of zelfs kan overlijden.
Wij raden u sterk aan om kinderen onder de 13 jaar altijd vast te ges-
pen op de achterzitplaats. Dat is de veiligste plaats voor kinderen van
alle leeftijden. Als een kind van 13 jaar of ouder op de voorpassa-
giersstoel vervoerd moet worden, moet hij of zij de veiligheidsgordel
op de juiste manier dragen en moet de stoel zover mogelijk naar ach-
teren worden gezet.
Alle inzittenden moeten rechtop zitten, met de rugleuning zo rechtop
mogelijk, midden op de zitting en met de veiligheidsgordel om, de
benen comfortabel gestrekt en de voeten op de vloer, totdat de auto
geparkeerd is en de motor is uitgeschakeld. Als een persoon in de ver-
keerde positie zit tijdens een ongeval, dan kan de airbag deze persoon
hard raken wat kan resulteren in ernstig letsel of zelfs overlijden.
De inzittenden moeten nooit onnodig dicht bij de airbags zitten of leu-
nen of leunen tegen de deur of het middenconsole. Zet uw stoel zo
ver mogelijk naar achteren, waarbij u er wel op moet letten dat u alle
bedieningsorganen nog goed kunt bedienen.
WAARSCHUWING
2-46
Veiligheidssystemen van uw auto
Waar zijn de airbags
geplaatst?
Airbag bestuurder en voorpas-
sagier (indien van toepassing)
Uw auto is uitgerust met een Aan-
vullend Veiligheidssysteem (SRS)
en driepuntsgordels voor zowel de
bestuurder als de voorpassagier.
Het aanvullend veiligheidssysteem
bestaat uit airbags die zich bevinden
in het stuurwiel en boven het dash-
boardkastje.
De airbags zijn gelabeld met de let-
ters "AIRBAG" op de kappen.
Het doel van de airbag is om de
bestuurder en de voorpassagier een
aanvullende bescherming te bieden
naast de bescherming die geboden
wordt door de veiligheidsgordel.
Verminder het risico op ernstig
letsel of overlijden door opge-
blazen airbags en houdt u aan
de volgende voorzorgsmaatre-
gelen:
Veiligheidsgordels moet en
altijd gedragen worden.
Zet uw stoel zo ver mogelijk
naar achteren, waarbij u er
wel op moet letten dat u alle
bedieningsorganen nog goed
kunt bedienen.
Leun nooit tegen de deur of
het middenconsole.
Zorg dat de bijrijder zijn of
haar voeten of benen niet op
het dashboard plaatst.
Er mogen geen voorwerpen
worden geplaatst over of
dichtbij de airbag modules op
het stuurwiel, instrumenten-
paneel en het paneel boven
het handschoenenvak van de
voor passagier.
WAARSCHUWING
OIB034019
OGB034021
nAirbag bestuurder
nAirbag voorpassagier
2-47
Veiligheidssystemen van uw auto
2
Zijairbag (indien van toepassing)
Beide voorstoelen van uw auto zijn
uitgerust met een zijairbag. Het doel
van de airbag is om de bestuurder
en de voorpassagier een aanvullen-
de bescherming te bieden naast de
bescherming geboden door de veilig
heidsgordel.
De zijairbags zijn ontworpen om
alleen tijdens bepaalde aanrijdingen
van opzij geactiveerd te worden,
afhankelijk van de ernst van de aan-
rijding, de hoek, de snelheid en de
plaats van de impact.
De zijairbags zijn niet ontworpen om
bij alle aanrijdingen van opzij opge-
blazen te worden.
OIB034021
OJK032063
(Vervolg)
Houd het stuurwiel vast op de
posities 9 uur en 3 uur, zodat
het risico op letsel aan uw
handen of armen verminderd
wordt.
Gebruik geen stoelhoezen.
Hierdoor wordt de effectiviteit
van het systeem verminderd
of voorkomen.
Plaats geen voorwerpen op de
airbag of tussen de airbag en
uzelf.
Plaats geen voorwerpen (een
paraplu, tas enz.) tussen de
deur en de stoel. De voorwer-
pen kunnen gevaarlijke pro-
jectielen worden indien de zij-
airbag geactiveerd wordt.
Plaats geen accessoires op of
in de buurt van de zijairbag.
Hang geen andere voorwer-
pen op dan kleding. Anders
kan bij een ongeval deauto
beschadigd raken of kanper-
soonlijk letsel ontstaan, inhet
bijzonder als de airbaggeacti-
veerd wordt.
(Vervolg)
Verminder het risico op ernstig
letsel of overlijden door een
opgeblazen zijairbag en houdt u
aan de volgende voorzorgs-
maatregelen:
Veiligheidsgordels moeten al-
tijd gedragen worden.
Laat passagiers niet met het
hoofd of andere delen van het
lichaam tegen het portier leu-
nen, steek de armen niet uit
het raam en plaats geen voor-
werpen tussen de stoelen en
de portieren.
(Vervolg)
WAARSCHUWING
Gordijn airbag
(indien van toepassing)
De gordijn airbags bevinden zich
langs de rand van het dak boven de
voor- en achterportieren.
Ze zijn ontworpen om bij bepaalde
aanrijdingen van opzij de hoofden
van de voorste inzittenden en de
passagiers op de buitenste zitplaat-
sen achter te beschermen.
De gordijn airbags zijn ontworpen
om alleen tijdens bepaalde aanrijdin-
gen van opzij geactiveerd te worden,
afhankelijk van de ernst van de aan-
rijding, de hoek, de snelheid en de
plaats van impact.
De gordijn airbags zijn niet ontwor-
pen om bij alle aanrijdingen van opzij
of situaties waarbij de auto over de
kop kan slaan opgeblazen te wor-
den.
2-48
Veiligheidssystemen van uw auto
(Vervolg)
Plaats geen voorwerpen op de
airbag of tussen de airbag en
uzelf. Ook, bevestig geen
enkel voorwerp rond het
gebied waar de airbag opge-
blazen wordt zoals de deur,
het glas van de zijdeur, voor-
of achterstijl.
Plaats geen enkel voorwerp
tussen het label van de zijair-
bag en het zetelkussen. Dit
kan veroorzaken als de air-
bags bij een aanrijding geacti-
veerd worden.
Sla niet op de deuren als de
motor aanstaat, hierdoor kun-
nen de airbags aan de zijkant
opgeblazen worden.
Als de stoel of de stoelbekle-
ding zijn beschadigd, advise-
ren u het systeem te laten
repareren door een officiële
HYUNDAI-dealer.
OIB034022
OJK032066
2-49
Veiligheidssystemen van uw auto
2
Verminder het risico op ernstig
letsel of overlijden door een
opgeblazen gordijn airbag en
houdt u aan de volgende voor-
zorgsmaatregelen:
Veiligheidsgordels moet en
altijd gedragen worden.
Het Kinderbeveiligingssys-
teem moet zo ver als mogelijk
van het portier worden ge-
plaatst.
Laat passagiers niet met het
hoofd of andere delen van het
lichaam tegen het portier leu-
nen, steek de armen niet uit
het raam en plaats geen voor-
werpen tussen de stoelen en
de portieren.
Open ot repareer de zij air-
bags.
(Vervolg)
WAARSCHUWING (Vervolg)
Plaats geen voorwerpen op de
airbag. Ook, bevestig geen
enkel voorwerp rond het
gebied waar de airbag opge-
blazen wordt zoals de deur,
het glas van de zijdeur, voor-
of achterstijl, zijde dakrails.
Hang geen andere voorwer-
pen zoals hangers of harde
voorwerpen op dan kleding.
Plaats ook geen zware, scher-
pe of breekbare voorwerpen
in de opbergvakken. Bij een
ongeval of wanneer de gordijn
airbags wordt opgeblazen
kunnen deze de auto bescha-
digen of persoonlijk letsel ver-
oorzaken.
Plaats ook geen zware, scher-
pe of breekbare voorwerpen
in de opbergvakken.
2-50
Veiligheidssystemen van uw auto
Werking van airbagsysteem
De onderdelen van het aanvullend
veiligheidssysteem zijn:
(1) Airbag bestuurder
(2) Airbag voorpassagier*
(3) Veiligheidsgordel met gordel-
spanner (voor/achter)*
(4) Waarschuwingslampje AIRBAG
(5) Airbagmodule (SRSCM)
(6) Airbagsensoren vóór
(7) Zijairbags*
(8) Curtain airbags*
(9) Zijairbagsensoren*
(10) Zijairbagsensoren*
(11) ON/OFF-schakelaar* -airbag
voorpassagier (enkel de stoel
van de voorpassagier)
(12) ON/OFF-indicator* -airbag voor-
passagier (enkel de stoel van de
voorpassagier)
* : indien van toepassing
De SRSCM controleert voortdurend
SRS componenten, wanneer het con-
tactslot in de positie ON staat om te
bepalen of een crash ernstig genoeg
is om de airbag op te blazen of de
gordelspanner in werking te laten tre-
den.
Waarschuwingslampje
SRS
Het waarschuwingslampje airbag op
het dashboard brandt na het in stand
ON zetten van het contact geduren-
de 6 seconden en moet vervolgens
uit gaan.
Als uw SRS fouten ver toont,
dan kan het gebeuren dat de air-
bag niet goed opgeblazen wordt
tijdens een ongeval wat kan
resulteren in ernstig letsel of
overlijden.
Als een van de volgende situ-
aties zich voordoet, zal de SRS
slecht winder goed functione-
ren.
(Vervolg)
WAARSCHUWING
OAM039049L/Q
2-51
Veiligheidssystemen van uw auto
2
Tijdens een frontale botsing zullen
sensoren en vertraging van de auto
detecteren. Als deze vertraging groot
genoeg is, dan zal airbagmodule
(SRSCM) de voorste airbags opbla-
zen, op het juiste tijdstip en met de
juiste kracht.
De voorste airbags helpen bij het
beschermen van de bestuurder en
de passagier voor in het voertuig
door te reageren op een frontale
impact waarbij de veiligheidsgordels
niet kunnen zorgen voor voldoende
weerstand. Indien noodzakelijk kun-
nen de airbags helpen bij het vers-
trekken van bescherming bij een bot-
sing aan de zijkant door uw bovenli-
chaam vanaf de zijkant te bescher-
men.
De airbags kunnen alleen worden
geactiveerd als het contact in
stand ON staat.
Airbags ontplooien in het geval van
een zware frontale of zij-aanrijding
om de inzittenden te beschermen
tegen (ernstig) fysiek letsel.
Er is geen bepaalde snelheid
waarbij de airbags worden geacti-
veerd. Of de airbags worden geac-
tiveerd, hangt voornamelijk af van
de kracht en de richting van de
aanrijding. Deze twee factoren
bepalen of de sensoren een elek-
tronisch activeringssignaal uitzen-
den.
Of de airbags al dan niet opgebla-
zen worden, is afhankelijk van een
aantal factoren, zoals de rijsnel-
heid, de hoek van de aanrijding, de
massa en de stijfheid van de bij de
aanrijding betrokken auto's of
objecten. Ook andere factoren
kunnen een rol spelen.
De airbags vóór worden direct vol-
ledig opgeblazen, waarna ze
meteen weer leeglopen. Het is vrij-
wel onmogelijk om tijdens een
ongeval waar te nemen dat de air-
bags opgeblazen worden. Het is
aannemelijker dat u de leeggelo-
pen airbags na de aanrijding uit het
stuurwiel of het dashboard ziet
hangen.
(Vervolg)
De lamp brandt gedurende
zes seconden niet als de sleu-
tel in de ON positie geplaatst
wordt.
Het lampje gaat niet na onge-
veer 6 seconden uit, maar
blijft branden.
Het lampje gaat branden tij-
dens het rijden.
Wij adviseren u om een officiële
HYUNDAI-dealer zo spoedig
mogelijk het SRS te laten ins-
pecteren als het volgende zich
voordoet.
2-52
Veiligheidssystemen van uw auto
Om bescherming te bieden, moe-
ten de airbags snel ontplooien. De
snelheid waarmee de airbag opge-
blazen wordt is het gevolg van de
extreem korte tijd waarbinnen een
aanrijding plaatsvindt en de nood-
zaak om de airbag tussen de inzit-
tende en de delen van de auto te
krijgen voordat de inzittende in
contact komt met delen van de
auto. De snelheid waarmee de air-
bags worden opgeblazen, beperkt
de kans op ernstig letsel bij een
zware aanrijding en vormt daarom
een belangrijk deel van het ont-
werp van de airbags.
Het snelle opblazen van een air-
bag kan echter ook letsel zoals
schaafwonden, blauwe plekken en
botbreuken, en soms nog ernstiger
letsel veroorzaken omdat de snel-
heid waarmee de airbags worden
opgeblazen wordt tot gevolg heeft
dat de airbags met veel kracht uit-
zetten.
Er zijn zelfs omstandigheden waar-
onder het contact met de airbag tot
ernstig letsel kan leiden, vooral
wanneer de inzittende te dicht op
het airbag zit.
U kunt stappen nemen om het risi-
co op letsel door een opgeblazen
airbag te verminderen. Het groot-
ste risico is dat u te dichtbij de air-
bag zit. Een airbag heeft ruimte
nodig om op te blazen. Het wordt
aangeraden dat er zoveel moge-
licht riunt is tussen bestuurder en
waarbij u er wel op moet letten dat
u alle bedienings organen nog
goet isunt bedienen het midden
van het stuurwiel terwijl ze de con-
trole over de auto handhaven. Als de SRSCM oordeelt dat de
kracht waaraan de voorzijde van de
auto wordt blootgesteld een bepaal-
de drempelwaarde overschrijdt, acti-
veert hij automatisch de airbags aan
de voorzijde.
OLMB033054
nAirbag bestuurder (1)
2-53
Veiligheidssystemen van uw auto
2
Als de airbags geactiveerd worden,
scheuren de afdekkappen op vooraf
bepaalde plaatsen open als gevolg
van de zich vullende airbags. Als deze
openingen groter worden, kunnen de
airbags geheel gevuld worden.
Een geheel gevulde airbag vertraagt
in combinatie met een juist gedragen
veiligheidsgordel de voorwaartse
beweging van de bestuurder of de
voorpassagier en beperkt zo de kans
op hoofdletsel en letsel aan het
bovenlichaam.
Nadat de airbag geheel gevuld is,
begint hij direct weer leeg te lopen,
waardoor de bestuurder weer zicht
op de weg krijgt en hij de auto weer
kan besturen of anderszins kan
bedienen.
OLMB033055
nAirbag bestuurder (2)
OLMB033056
nAirbag bestuurder (3)
OLMB033057
nAirbag voorpassagier
Voorkom dat objecten gevaarlij-
ke projectielen worden als de
airbag van de passagier opge-
blazen wordt.
Plaats geen accessoires (be-
kerhouder, cassettehouder)
of stickers enz. op het paneel
boven het dashboardkastje in
auto's met een airbag voor-
passagier.
Plaats geen bakje met vloei-
bare lichtverfrisser in de buurt
van het dashboard of op het
dashboard.
WAARSCHUWING
2-54
Veiligheidssystemen van uw auto
Wat kunt u verwachten als een
airbag opgeblazen wordt
Na een botsing aan de voor- of zij-
kant zal de airbag snel opblazen, en
daarna weer snel leeglopen. Een
opgeblazen airbag voorkomt niet dat
de bestuurder niet meer door de
vooruit kan kijken of niet meer kan
sturen. De gordijn airbags kunnen
gedurende een bepaalde tijd na acti-
vatie gedeeltelijk opgeblazen blijven.
Geluiden en rook van een
opgeblazen airbag.
Bij het opblazen van de airbags is
een hard geluid hoorbaar en komt er
rook en poeder vrij. Dit is normaal en
wordt veroorzaakt doordat het ont-
stekingsmechanisme van de airbag
geactiveerd wordt. Nadat de airbags
opgeblazen zijn, kunt u een poosje
last hebben bij het ademhalen omdat
uw borstkas in contact is geweest
met zowel de veiligheidsgordel als
de airbag en doordat u de rook en
het poeder hebt ingeademd. Het
poeder kan astma bij sommige men-
sen verergeren. Zoek direct medi-
sche hulp als u problemen heeft met
uw ademhaling na activering van
een airbag.
Hoewel de rook en het poeder niet
giftig zijn, kunnen deze wel huidirrita-
ties veroorzaken in de buurt van
ogen, neus en hals. Was in dat geval
de desbetreffende plek schoon en
spoel deze met koud water na.
Raadpleeg een dokter als de symp-
tomen aanhouden.
(Vervolg)
De bij het airbagsysteem
behorende onderdelen in het
stuurwiel en/of instrumenten-
paneel en/of de dakrails
boven de voor- en achterpor-
tieren kunnen zeer heet wor-
den. De onderdelen die in
contact komen met een opge-
blazen airbag kunnen erg heet
zijn.
Spoel de delen die in contact
geweest zijn met het poeder
overvloedig met koud water
en een milde zeep.
Wij adviseren u het systeem
onmiddellijk te laten vervan-
gen door een officiële HYUN-
DAI-dealer nadat de airbag is
afgegaan. Airbags kunnen
maar een keer worden geb-
ruikt.
Nadat een airbag opgeblazen is,
houdt u zich dan aan de volgen-
de voorzorgsmaatregelen:
Open uw ramen en deuren zo
snel mogelijk na de botsing
om langdurige blootstelling
aan de rook en het poeder dat
vrijkomt na het opblazen van
de airbag te voorkomen.
(Vervolg)
WAARSCHUWING
2-55
Veiligheidssystemen van uw auto
2
ON/OFF-schakelaar airbag
voorpassagier
(indien van toepassing)
Het doel van de schakelaar is het uit-
schakelen van de airbag voor de
voor passagier zodat mensen die
vanwege hun leeftijd, grootte, of
medische staat niet blootgesteld
worden aan letsel gerelateerd aan
airbags.
Om de voor airbag van de passa-
gier te deactiveren:
Steek om de airbag voorpassagier
uit te schakelen de contactsleutel of
een stevig voorwerp in de ON/OFF-
schakelaar voor de airbag en zet
deze in de stand OFF. Het controle-
lampje airbag voorpassagier OFF
( ) zal gaan branden en blijven
branden totdat de airbag weer wordt
ingeschakeld.
Om de voor airbag van de passa-
gier te heractiveren:
Steek de contact sleutel of met een
klein stevig voorwerp in de voor-air-
bag ON/OFF schakelaar aan de pas-
sagierszijde en draai het naar de ON
positie. De air-bag ON indicator ( )
van de passagier zal oplichten en
aan blijven gedurende 60 seconden.
Informatie
Het controlelampje airbag voorpassa-
gier ON/OFF brandt gedurende onge-
veer 4 s nadat de toets ENGINE
START/STOP in stand ON is gezet.
i
OGB034018
OGB036019 OGB036020
2-56
Veiligheidssystemen van uw auto
Voorste passagierairbag
waarschuwingslabel voor
Kinderbeveiligingssysteem
Plaats nooit een kinderbeveiligings-
systeem op de voorste passagiersze-
tel, tenzij de airbag is uitgeschakeld.
OYDESA2042
OLM034310
nType A
nType B
Laat nooit toe dat een volwas-
sen passagier meerijdt op de
voor ste zitplaats, wanneer de
front-air-bag OFF indicator van
de passagier verlicht is. De air-
bag zal tijdens een botsing niet
opgeblazen worden als de indi-
cator brandt. Schakel de airbag
voor de bijrijder in, of zorg dat
uw passagier op de achterbank
plaats neemt.
WAARSCHUWING
Als de ON/OFF-schakelaar van
de airbag voor de bijrijder niet
meer werkt, dan kan het volgen-
de gebeuren:
Het waarschuwingslampje ( )
op het instrumentenpaneel zal
oplichten.
De airbag OFF indicator ( )
van de passagier zal niet op-
lichten en ON indicator ( )zal
gaat branden en zal uitgaan na
ongeveer 60 seconden. De air-
bag voor de bijrijder zal opge-
blazen worden bij een botsing
van de voorkant zelfs als de
ON/OFF-schakelaar voor de
airbag voor de bijrijder is inge-
steld op de OFF-stand.
Wij adviseren u in dit geval om
een officiële HYUNDAI-dealer
zo spoedig mogelijk de ON/
OFF-schukeloop van voorste
passagiersairbag en SRS-sys-
teem te laten inspecteren.
WAARSCHUWING
2-57
Veiligheidssystemen van uw auto
2
Het opblazen van een airbag kan
een kind of een kinderbeveiligings-
systeem hard doen toeslaan met als
gevolg serieuze of fatale letsels.
Waarom werd de airbag bij een
aanrijding niet opgeblazen?
De airbags zijn niet ontworpen om te
ontplooien bij elke aanrijding.
Er zijn bepaalde soorten ongevallen
waarbij de airbag geen aanvullende
bescherming biedt. Voorbeelden
hiervoor zijn aanrijdingen van achter,
tweede en volgende aanvijdingen bij
een kettingbotsing en aanrijdingen
bij lage snelheid. Schade aan het
voertuig geeft aan dat energie geab-
sorbeerd is tijdens een botsing, maar
niet of de airbag opgeblazen had
moeten worden of niet.
Airbagsensoren
Om het risico op het onver-
wacht opblazen van een airbag
te verminderen, en dus ook het
risico op letsel of overlijden te
verminderen:
Let op dat u niet tegen plaat-
sen aanstoot waar de airbags
of airbagsensoren zijn inge-
bouwd.
(Vervolg)
WAARSCHUWING
(Vervolg)
Voer daarom geen reparaties
uit aan of in de buurt van de
airbagsensoren. Als de
inbouwpositie van de airbag-
sensoren wordt gewijzigd,
kan dit ertoe leiden dat de air-
bags worden geactiveerd in
situaties waarin dit niet nodig
is, of dat de airbags niet wor-
den geactiveerd in situaties
waar het wel nodig is.
Installeer geen bumper acces-
soires of vervang de bumper
niet door een niet-origineel
onderdeel. Dit kan een nega-
tieve invloed hebben op de
botsing en op de werking van
de airbag.
Plaats het contact in de
LOCK/OFF- of ACC-stand,
wanneer de auto wordt
gesleept om onbedoelde air-
bagwerking te voorkomen.
Wij raden aan u dat alle repa-
raties worden uitgevoerd door
een officiële HYUNDAI-dealer.
Extreem gevaar! Plaats nooit
een kinderzitje dat tegen de
rijrichting in moet worden
geplaatst op een stoel waar-
voor een airbag zit.
Plaats NOOIT een kinderzitje
dat tegen de rijrichting in
moet worden geplaatst op een
stoel waar een INGESCHA-
KELDE AIRBAG voor zit,
anders kan het kind ERNSTIG
LETSEL oplopen.
Gebruik nooit een kinderzitje
op de voorstoel. Als de airbag
voorpassagier wordt geac-
tiveerd, zou dit ernstig letsel
kunnen veroorzaken.
WARNING
2-58
Veiligheidssystemen van uw auto
1. Airbagmodule
2. Airbagsensor vóór
3. Zij druksensor (indien van toepassing)
4. Zijairbagsensor (indien van toepassing)
OGB038025/OGB034026/OGB038027/OGB034042/OGB034028
2-59
Veiligheidssystemen van uw auto
2
Voorwaarden voor activeren
airbags
Airbags vóór
De airbags voor worden geactiveerd
bij frontale aanrijdingen, waarbij
rekening wordt gehouden met de
botskracht, de rijsnelheid of hoek
waaronder de aanrijding plaatsvindt.
Zijairbags en gordijn airbags
De zijairbags en/of gordijn airbags
zijn ontworpen om geactiveerd te
worden bij een aanrijding van opzij
die gesignaleerd wordt door de zijair-
bagsensoren, waarbij rekening wordt
gehouden met de kracht van de bot-
sing, de snelheid en de hoek waar-
onder de aanrijding plaatsvindt.
Ofschoon de airbags voor bestuur-
der en voorpassagier ontworpen zijn
voor frontale aanrijdingen, kunnen
ze ook bij andere aanrijdingen, waar-
bij een bepaalde vertraging in de
lengterichting optreedt, worden
geactiveerd. De zijairbags en gordijn
airbags zijn ontworpen om alleen bij
zijdelingse aanrijdingen of situaties
waarbij de auto over de kop slaat te
worden opgeblazen, maar kunnen
ook bij andere aanrijdingen, waarbij
een bepaalde vertraging in de
dwarsrichting optreedt, worden
geactiveerd.
De airbags kunnen ook worden
geactiveerd als de auto zware stoten
ondervindt bij het rijden op zeer
slechte wegen. Rijdt voorzichtig op
onverharde wegen of op oppervlak-
tes die niet zijn bedoeld voor voer-
tuigverkeer om onbedoelde airbag
activering te voorkomen.
OGB038035
OGB034032
2-60
Veiligheidssystemen van uw auto
Voorwaarden voor activeren
van de airbags
Bij bepaalde aanrijdingen met lage
snelheden worden de airbags niet
geactiveerd. De reden daarvan is dat
de airbags in die omstandigheden
niet meer bescherming kunnen bie-
den dan de veiligheidsgordels al
doen.
De airbags voor zijn niet ontworpen
om te worden geactiveerd bij aanrij-
dingen van achter, omdat de inzit-
tenden dan door de botskracht naar
achteren worden gedrukt. In dergelij-
ke gevallen biedt het activeren van
de airbags geen extra voordelen.
De airbags voor worden bij zijdeling-
se aanrijdingen soms niet geacti-
veerd. De inzittenden bewegen altijd
in de richting van de aanrijding, waar-
door het activeren van de airbags
vóór overbodig kan zijn.
De zijairbags en gordijnairbags wor-
den geactiveerd, afhankelijk van de
kracht van de aanrijding, de rijsnel-
heid en de hoek waaronder de aanrij-
ding plaatsvindt.
OGB038035OGB034034
OGB034033
2-61
Veiligheidssystemen van uw auto
2
Bij een aanrijding op een helling of
onder een hoek kan de kracht van de
aanrijding de inzittenden in een
bepaalde richting verplaatsen, waar
de airbags geen extra bescherming
zouden bieden, dit kan ook een
reden zijn waarom de sensoren de
airbags niet activeren.
Net voor een aanrijding remmen
bestuurders vaak sterk af. Door zo
sterk af te remmen, zakt de voorzijde
van de auto in, waardoor deze
gemakkelijker onder een voertuig
met een grotere grondspeling zou
kunnen schieten. De airbags worden
in dergelijke situaties soms niet
geactiveerd omdat de deceleratie die
door de sensoren gemeten wordt,
lager is dan de deceleratie die zou
worden gemeten als de auto niet
onder de voorligger zou schuiven.
Airbags zullen meestal niet activeren
in over-de-kop aanrijdingen, omdat
activering geen extra bescherming
van de inzittenden geeft.
OGB034038 OGB034036 OGB034039
2-62
Veiligheidssystemen van uw auto
De airbags worden soms niet geacti-
veerd bij een aanrijding tegen een
boom of paal, waarbij de botskracht
zich concentreert op een gebied en
de botsingsenergie is geabsorbeerd
door de voertuig carrosserie.
Onderhoud aan aanvullend
veiligheidssysteem
Het aanvullend veiligheidssysteem is
nagenoeg onderhoudsvrij en bevat
geen onderdelen waaraan u zelf vei-
lig onderhoud kunt plegen. Als het
waarschuwingslampje van het air-
bagsysteem niet gaat branden terwijl
het contact in stand ON staat, of con-
tinu blijft branden, laat uw auto dan
onmiddellijk controleren door een
officiële HYUNDAI-dealer.
Wij raden alle werkzaamheden aan
het SRS-systeem, zoals het verwij-
deren, installeren, repareren of wat
voor werk dan ook aan het stuurwiel,
dashboard, voorstezitplaatsen en
dakrails, worden uitgevoerd door
een officiële HYUNDAI-dealer. On-
juiste behandeling van het SRS sys-
teem kan leiden tot ernstig persoon-
lijk letsel.
OGB038037
Verminder het risico op ernstig
letsel of overlijden en houdt u
aan de volgende voorzorgs-
maatregelen:
Modificaties aan onderdelen
van het aanvullend veilig-
heidssysteem of de bedra-
ding, inclusief het aanbren-
gen van stickers, enz. op
afdekkappen of modificaties
aan de carrosseriestructuur
kunnen ertoe leiden dat het
systeem niet goed werkt,
waardoor letsel kan ontstaan.
Er mogen geen voorwerpen
worden geplaatst over of
dichtbij de air-bag modules
op het stuurwiel, instrumen-
tenpaneel en het paneel
boven het handschoenenvak
van de voorpassagier.
(Vervolg)
WAARSCHUWING
2-63
Veiligheidssystemen van uw auto
2
Aanvullende
voorzorgsmaatregelen met
betrekking tot de veiligheid
De inzittenden dienen tijdens het
rijden niet uit hun stoel te komen
of van plaats te wisselen. Een inzit-
tende die zijn veiligheidsgordel niet
draagt kan tijdens een aanrijding of
een noodstop door de auto geslin-
gerd worden, tegen andere inzitten-
den aan, of zelfs uit de auto geslin-
gerd worden.
Maak geen gebruik van accessoi-
res die aan de veiligheidsgordels
bevestigd moeten worden.
Accessoires die claimen het comfort
voor de inzittenden te verbeteren of
die de gordel anders geleiden, kun-
nen de beschermende werking van
de veiligheidsgordel in negatieve zin
beïnvloeden en de kans op letsel bij
een aanrijding vergroten.
Modificeer de voorstoelen niet.
Modificatie van de voorstoelen kan
de werking van de sensoren van het
aanvullend veiligheidssysteem of
van de zijairbags in negatieve zin
beïnvloeden.
Plaats niets onder de voorstoelen.
Het plaatsen van voorwerpen onder
de voorstoelen kan de werking van
de sensoren van het aanvullend vei-
ligheidssysteem of van de bedrading
in negatieve zin beïnvloeden.
Sla niet op de portieren. Een
houde impact op de portieren meit
sleutel in de ON stand kan resulteren
in opgeblazen airbags.
Monteren van accessoires of
modificaties aan uw met een air-
bag uitgeruste auto
Als u modificaties aan het chassis,
de bumper, de voorzijde, het plaat-
werk opzij of de rijhoogte aanbrengt
of laat aanbrengen, kan dat invloed
hebben op de werking van het air-
bagsysteem van uw auto.
(Vervolg)
Reinig de afdekkappen van de
airbags alleen met een zachte,
droge doek of met een doek
die bevochtigd is met schoon
water. Oplos- en reinigings-
middelen kunnen het materi-
aal van de afdekkappen aan-
tasten en de werking van het
systeem in negatieve zin beïn-
vloeden.
We adviseren u het opgebla-
zen airbags te laten vervan-
gen door een officiële HYUN-
DAI-dealer.
Als onderdelen van het airbag-
systeem moeten worden afge-
voerd of als de auto in zijn
geheel moet worden afge-
voerd, dan moeten bepaalde
voorzorgsmaatregelen met
betrekking tot de veiligheid in
acht worden genomen. We
raden u aan een officiële
HYUNDAI-dealer te raadplegen
voor nodige informatie. Het
niet opvolgen van deze voor-
zorgsmaatregelen vergroot de
kans op persoonlijk letsel.
Waarschuwingslabel airbags
(indien van toepassing)
Het waarschuwingslabel van de air-
bags is bedoeld om de bestuurder
en passagiers te waarschuwen voor
de mogelijke gevaren van het airbag-
systeem.
Zorg ervoor dat u alle informatie over
de airbags die in uw auto geïnstal-
leerd zijn, en in dit instructieboekje
leest.
OIB034027
OGB034022
nType A
nType B
Veiligheidssystemen van uw auto
2-64
Handige functies van uw auto
Toegang tot uw auto..................................................3-3
RAfstandsbediening.........................................................3-3
Voorzorgsmaatregelen voor de afstandsbediening.......3-5
Smart Key.........................................................................3-7
Voorzorgsmaatregelen voor de Smart Key.................3-10
Startblokkeersysteem....................................................3-12
Sloten........................................................................3-13
Portiersloten van buitenaf vergrendelen/
ontgrendelen................................................................3-13
Portiersloten van binnenuit .........................................3-14
Portier vergendel/ontgrendel-functies.........................3-16
Kinderslot op portierslot achter (alleen 5 portier).....3-16
Antidiefstalsysteem..................................................3-17
Achterklep................................................................3-19
Open van de achterklep................................................3-19
Sluiten van de achterklep .............................................3-19
Ruiten.......................................................................3-21
Elektrisch bedienbare ruiten........................................3-21
Schuifdak..................................................................3-27
Zonnescherm..................................................................3-28
Open-dichtschuiven van het schuif-/kanteldak..........3-28
Kantelen van het schuif-/kanteldak.............................3-29
Sluiten van het schuif-/kanteldak.................................3-30
Resetten van het schuif-/kanteldak..............................3-30
Waarschuwing geopend schuif-/kanteldak ................3-31
Motorkap..................................................................3-32
Openen van motorkap...................................................3-32
Sluiten van motorkap....................................................3-33
Tankdopklep ............................................................3-34
Openen van de tankdopklep.........................................3-34
Sluiten van de tankdopklep..........................................3-35
Stuurwiel..................................................................3-38
Elektrische stuurbekrachtiging (EPS).........................3-38
Kantelbesturing / telescoopbesturing .........................3-39
Stuurwielverwarming....................................................3-39
Claxon.............................................................................3-40
Spiegels.....................................................................3-41
Binnenspiegel.................................................................3-41
Buitenspiegel..................................................................3-43
Instrumentenpaneel ................................................3-46
Bediening Instrumentenpaneel.....................................3-47
Bediening LCD-display ................................................3-48
Meters ............................................................................3-48
Transmissie Schakelstandindicator .............................3-51
Waarschuwings- en controlelampjes...........................3-53
Meldingen LCD-display................................................3-67
3
LCD Display ............................................................3-75
Bediening LCD-display ................................................3-75
LCD-modus....................................................................3-75
Tripcomputer modus.....................................................3-76
Informatiemodus...........................................................3-76
Modus Gebruikersinstellingen
(Instrumentenpaneel Type B)....................................3-78
Tripcomputer...........................................................3-83
Instrumentenpaneel Type A..........................................3-83
Instrumentenpaneel Type B..........................................3-87
Verlichting................................................................3-91
Exterieurverlichting......................................................3-91
Interieurverlichting.....................................................3-101
Ruitenwissers en ruitensproeiers ........................3-104
Ruitenwissers voor.......................................................3-105
Ruitensproeier voorruit ..............................................3-105
Achterruitenwisser en -sproeier.................................3-106
Bestuurder hulpsysteem.......................................3-107
Rear view monitor.......................................................3-107
Parkeer Distance Warning-systeem (achteruit) ...... 3-108
Parkeer Distance Warning-systeem
(achteruit/vooruit) ................................................... 3-111
Verwarmings- en ventilatiesysteem......................3-114
Ontwaseming ...............................................................3-114
Verwarmings- en ventilatiesysteem, handbediend ...3-115
Automatisch verwarmings- en ventilatiesysteem.....3-124
Voorruit ontdooien en ontwasemen ..........................3-135
Opbergvak..............................................................3-139
Opbergvak middenconsole ........................................3-139
Dashboardkastje .........................................................3-139
Opbergvak voor zonnebril .........................................3-140
Bagageruimtebox.........................................................3-140
Overige voorzieningen..........................................3-141
Digitale klok ................................................................3-141
Aansteker......................................................................3-142
Asbak............................................................................3-143
Bekerhouder.................................................................3-143
Zonneklep.....................................................................3-144
Smartphone-dockingstation........................................3-144
Aansluiting...................................................................3-145
USB-lader.....................................................................3-146
Kledinghaak.................................................................3-146
Tashaak.........................................................................3-147
Bevestigingspunt(en) vloermat ..................................3-147
Bagagenethouder ........................................................3-148
Afdekscherm bagageruimte........................................3-148
Exterieur ................................................................3-150
Roof rack......................................................................3-150
4
3-3
Handige functies van uw auto
3
Afstandsbediening
(indien van toepassing)
Uw HYUNDAI maakt gebruik van
een sleutel met afstandsbediening,
die u kunt gebruiken om een portier
(en de achterklep) te vergrendelen of
ontgrendelen en zelfs om de motor
te starten.
1. Portier vergrendelen
2. Portier ontgrendelen
3. Achterklep ontgrendelen
Vergrendelen
Om te vergrendelen:
1. Sluit alle portieren, de motorkap
en de achterklep.
2. Druk op de knop portiervergrende-
ling (1) op de afstandsbediening.
3. De portieren vergrendeld. De
alarmknipperlichten knipperen.
4. Controleer of de portieren op slot
zijn door het checken van de posi-
tie van de deurslotknop in de auto.
Ontgrendelen
Om te ontgrendelen:
1. Druk op de knop portier openen
(2) op de afstandsbediening.
2. De portieren ontgrendeld. De
alarmknipperlichten knipperen
twee keer.
Informatie
Na het ontgrendelen van de portieren,
zal de portieren automatisch vergren-
delen tenzij ze na 30 seconden wordt
geopend.
i
TOEGANG TOT UW AUTO
Laat kinderen NOOIT zonder
toezicht achter met de contact-
sleutel in de auto. Kinderen
zonder toezicht zouden de sleu-
tel in het contactslot kunnen
plaatsen en elektrisch bedien-
bare ramen of andere functies
kunnen bedienen, of zelfs de
wagen verplaatsen, wat kan lei-
den tot ernstig letsel of de
dood.
WAARSCHUWING
OIB034040
3-4
Handige functies van uw auto
Ontgrendelen van de achterklep
Om te ontgrendelen:
1. Druk langer dan een seconde op
de knop achterklep ontgrendelen
(3) op de afstandsbedienings-
toets.
2. De alarmknipperlichten knipperen
twee keer. Als achterklep vervol-
gens geopend en gesloten wordt,
zal deze automatisch vergrendeld
worden.
Informatie
Na het openen van de achterklep,
zal de achterklep automatisch ver-
grendelen.
Op de toets staat HOLD (ingedrukt
houden) om aan te geven dat u de
toets moet indrukken en ingedrukt
moet houden.
Starten
For detailed ınformatie refer to
“Sleutel Contactslot” in chapter 5.
Om beschadiging aan de Smart
Key te voorkomen:
Houd de Smart Key uit de buurt
van water en andere vloeistof-
fen, en van vuur. Als het binnen-
ste van de Smart Key vochtig
wordt (door vloeistof of damp)
of te heet wordt, kan er een
defect ontstaan in het interne
circuit. Dit wordt niet gedekt
door de garantie op de auto.
Vermijd het vallen van en gooien
met de Smart Key.
Bescherm de Smart Key tegen
extreme temperaturen.
Mechanische sleutel
Als de afstandsbediening niet nor-
maal werkt, kunnen de portieren met
de mechanische sleutel vergrendeld
of ontgrendeld worden.
AANWIJZING
iOED036001A/OFD047002-A
nType A nType B
3-5
Handige functies van uw auto
3
Type C
Druk de ontgrendelknop in om de
sleutel open te klappen. De sleutel
klapt dan automatisch open.
Houd om de sleutel in te klappen de
ontgrendelknop ingedrukt en klap de
sleutel handmatig in.
Klap de sleutel niet in zonder de
ontgrendelknop ingedrukt te hou-
den. Hierdoor kan de sleutel
beschadigd raken.
Voorzorgsmaatregelen voor
de afstandsbediening
Onder de volgende omstandigheden
werkt de Afstandsbediening niet:
Als de contactsleutel in het con-
tactslot zit.
Als de afstandsbediening buiten
het bereik is van de ontvanger
(ongeveer 30 m [90 feet]).
De batterij van de sleutel met
afstandsbediening is zwak.
Als het signaal wordt geblokkeerd
door andere auto's of objecten.
Als de buitentemperatuur extreem
laag is.
Als de afstandsbediening zich in de
buurt van een andere zender (bij-
voorbeeld van een radiostation of
een luchthaven) bevindt, waardoor
de normale werking van de
afstandsbediening verstoord wordt.
Vergrendel en ontgrendel de portie-
ren met de contactsleutel wanneer
de afstandsbediening niet correct
werkt. Als u een probleem hebt met
de afstandsbediening, adviseren we
u contact op te nemen met een offi-
ciële HYUNDAI-dealer.
(Vervolg)
(Vervolg)
Wanneer de sleutel met afstandsbe-
diening zich erg dicht bij uw mobiele
telefoon of smartphone bevindt, kan
het signaal van de afstandsbedie-
ning worden verstoord door het
gebruik van uw mobiele telefoon of
smartphone. Dit geldt met name tij-
dens het voeren van een telefoonge-
sprek, het ontvangen van een
oproep, het versturen van sms-
berichten en/of het versturen en ont-
vangen van e-mailberichten. Bewaar
de afstandsbediening daarom niet in
dezelfde broek- of jaszak als uw
mobiele telefoon; zorg dat er vol-
doende afstand is tussen beide
apparaten.
AANWIJZING
OIB044177
nType C
3-6
Handige functies van uw auto
Informatie
Door het aanbrengen van wijzingen en
aanpassingen waarvoor geen toestem-
ming is verleend, kunnen de rechten
van de gebruiker komen te vervallen.
Als de portier vergrendeling met
afstandsbediening door wijzigingen of
aanpassingen waarvoor geen toestem-
ming is verleend niet meer bediend
kan worden, valt dit niet onder de
fabrieksgarantie.
Houd de afstandsbediening uit de
buurt van elektromagnetische
materialen die de elektromagneti-
sche golven naar de sleutel tegen-
houden.
Vervangen van batterij
Als de sleutel met afstandsbediening
niet goed werkt, probeer de batterij
te vervangen door een nieuwe.
Type batterij: CR2032
Om de batterij te vervangen:
1. Plaats een smal stukje gereed-
schap in de opening en wrik de
deksel.
2. Verwijder de oude batterij en
plaats de nieuwe batterij. Zorg
ervoor dat de batterijpositie cor-
rect is.
3. Zet de achterklep van de af-
standsbediening terug op zijn
plaats.
Als u vermoedt dat uw sleutel met
afstandsbediening schade kan opge-
lopen hebben, of u voelt dat uw sleu-
tel met afstandsbediening niet goed
werkt, is het raadzaam contact op te
nemen met een erkende HYUNDAI-
dealer.
Informatie
Een onjuist afgevoerde batte-
rij kan schadelijk zijn voor
het milieu en voor uw gezond-
heid. Zorg ervoor dat de bat-
terij volgens de wettelijke
voorschriften wordt afge-
voerd.
AANWIJZING
i
i
OIB044180
3-7
Handige functies van uw auto
3
Smart key
(indien van toepassing)
Uw HYUNDAI maakt gebruik van
een sleutel met afstandsbediening,
die u kunt gebruiken om een portier
(en de achterklep) te vergrendelen of
ontgrendelen en zelfs om de motor
te starten.
1. Portier vergrendelen
2. Portier ontgrendelen
3. Achterklep ontgrendelen
Vergrendelen
Om te vergrendelen:
1. Sluit alle portieren, de motorkap
en de achterklep.
2. Druk op de portierhandgreepknop
of op de portiervergendelknop (1)
op de Smart Key.
3. De alarmknipperlichten knipperen.
4. Controleer of de portieren op slot
zijn door het checken van de posi-
tie van de deurslotknop in de auto.
Informatie
De toets werkt alleen als de Smart Key
zich binnen een afstand van 0.7-1 m
van de portier grepen aan de buiten-
zijde bevindt.
i
OIB044179
OGB044001
3-8
Handige functies van uw auto
Als u op de knop aan de buitenkant
van de portiergrepen drukt, zullen in
de onderstaande gevallen de portie-
ren niet worden vergrendeld en zal
de waarschuwingszoemer drie
seconden klinken:
De Smart Key bevindt zich in de
auto.
De toets Engine Start/Stop staat in
de stand ACC of ON.
Een portier geopend wordt (behal-
ve de achterklep).
Ontgrendelen
Om te ontgrendelen:
1. Neem de Smart Key mee.
2. Druk op de portierhandgreepknop
of op de portierontgrendelknop (2)
op de Smart Key.
3. De portieren ontgrendeld. De
alarmknipperlichten knipperen
twee keer.
Informatie
De toets werkt alleen als de Smart
Key zich binnen een afstand van
0.7-1 m van de portier grepen aan
de buitenzijde bevindt. Andere men-
sen kunnen ook de portieren openen
zonder de Smart Key in hun bezit te
hebben.
Na het ontgrendelen van de portie-
ren, zal de portieren automatisch
vergrendelen tenzij ze na 30 secon-
den wordt geopend.
i
Laat kinderen NOOIT zonder
toezicht achter met de Smart
Key in de auto. Kinderen zonder
toezicht zouden op de Engine
Start/Stop-knop kunnen druk-
ken en elektrisch bedienbare
ramen of andere functies kun-
nen bedienen, of zelfs de wagen
verplaatsen, wat kan leiden tot
ernstig letsel of de dood.
WAARSCHUWING OGB044001
3-9
Handige functies van uw auto
3
Ontgrendelen van de achterklep
Om te ontgrendelen:
1. Neem de smart key mee.
2. Druk langer dan een seconde op
de knop op de handgreep van de
achterklep of druk op de achter-
klep ontgrendelknop (3) op de
Smart Key.
3. De alarmknipperlichten knipperen
twee keer.
Als achterklep vervolgens geopend
en gesloten wordt, zal deze automa-
tisch vergrendeld worden.
Informatie
Na het openen van de achterklep, zal
de achterklep automatisch vergrende-
len tenzij u hem binnen 30 s opent.
Starten
U kunt de motor starten zonder de
sleutel in het contactslot te plaatsen.
Zie voor meer informatie "Engine
Start/Stop-knop" in hoofdstuk 5.
Om beschadiging aan de Smart
Key te voorkomen:
Houd de Smart Key uit de buurt
van water en andere vloeistof-
fen, en van vuur. Als het binnen-
ste van de Smart Key vochtig
wordt (door vloeistof of damp)
of te heet wordt, kan er een
defect ontstaan in het interne
circuit. Dit wordt niet gedekt
door de garantie op de auto.
Vermijd het vallen van en gooien
met de Smart Key.
Bescherm de Smart Key tegen
extreme temperaturen.
Zorg ervoor dat u altijd de Smart
Key bij u hebt als u de auto ver-
laat. Als de Smart Key in of in de
buurt van de auto achterblijft, kan
de accu van de auto ontladen
raken.
Mechanische sleutel
Als de Smart Key niet normaal werkt,
kunnen de portieren met de mecha-
nische sleutel vergrendeld of ont-
grendeld worden.
Houd de sleutelontgrendelknop (1)
ingedrukt en verwijder de mechani-
sche sleutel (2). Steek de mechani-
sche sleutel in het sleutelgat op het
portier.
Om de mechanische sleutel terug te
plaatsen moet de sleutel in de ope-
ning worden gestoken tot een klikge-
luid hoorbaar is.
AANWIJZING
AANWIJZING
i
OIB044175E
3-10
Handige functies van uw auto
Verlies van een Smart Key
Er kunnen per auto maximaal 2
Smart Keys worden geregistreerd.
Als u toevallig uw Smart Key verliest,
is het raadzaam dat u onmiddellijk
de auto en de resterende sleutel
naar uw erkende HYUNDAI-dealer
brengt of de auto sleept, indien
nodig.
Voorzorgsmaatregelen voor
de Smart Key
Onder de volgende omstandigheden
werkt de Smart Key niet:
Als de Smart Key zich in de buurt
van een andere zender (bijvoor-
beeld van een radiostation of een
luchthaven) bevindt, waardoor de
normale werking van de Smart Key
verstoord wordt.
De Smart Key bevindt zich in de
buurt van een radio met zend- en
ontvangstinstallatie of een mobiele
telefoon.
Dicht bij uw auto wordt de Smart
Key van een andere auto gebruikt.
Vergrendel en ontgrendel de portie-
ren met de contactsleutel wanneer
de Smart Key niet correct werkt. Als
u een probleem hebt met de Smart
Key, adviseren we u contact op te
nemen met een officiële HYUNDAI-
dealer.
(Vervolg)
(Vervolg)
Wanneer de Smart Key zich erg
dicht bij uw mobiele telefoon of
smartphone bevindt, kan het signaal
van de Smart Key worden verstoord
door het gebruik van uw mobiele
telefoon of smartphone. Dit geldt met
name tijdens het voeren van een
telefoongesprek, het ontvangen van
een oproep, het versturen van sms-
berichten en/of het versturen en ont-
vangen van e-mailberichten. Bewaar
de Smart Key daarom niet in dezelf-
de broek- of jaszak als uw mobiele
telefoon of smartphone; zorg dat er
voldoende afstand is tussen beide
apparaten.
3-11
Handige functies van uw auto
3
Informatie
Door het aanbrengen van wijzingen en
aanpassingen waarvoor geen toestem-
ming is verleend, kunnen de rechten
van de gebruiker komen te vervallen.
Als de portier vergrendeling met
afstandsbediening door wijzigingen of
aanpassingen waarvoor geen toestem-
ming is verleend niet meer bediend
kan worden, valt dit niet onder de
fabrieksgarantie.
Houd de Smart Key uit de buurt
van elektromagnetische materia-
len die de elektromagnetische gol-
ven naar de sleutel tegenhouden.
Vervangen van batterij
Als de Smart Key niet goed werkt,
probeer de batterij te vervangen door
een nieuwe.
Type batterij: CR2032
Om de batterij te vervangen:
1. Wrik de achterklep van de Smart
Key open.
2. Verwijder de oude batterij en
plaats de nieuwe batterij. Zorg
ervoor dat de batterijpositie cor-
rect is.
3. Plaats het deksel aan de achterzij-
de van de Smart Key.
Als u vermoedt dat uw Smart Key
schade kan opgelopen hebben, of u
voelt dat uw Smart Key niet goed
werkt, is het raadzaam contact op te
nemen met een erkende HYUNDAI-
dealer.
Informatie
Een onjuist afgevoerde batte-
rij kan schadelijk zijn voor
het milieu en voor uw gezond-
heid. Zorg ervoor dat de bat-
terij volgens de wettelijke
voorschriften wordt afge-
voerd.
AANWIJZING
i
i
OLF044008
3-12
Handige functies van uw auto
Startblokkeersysteem
(indien van toepassing)
Het startonderbrekingssysteem be-
schermt de auto tegen diefstal. Als
een onjuist gecodeerde sleutel (of
ander apparaat) wordt gebruikt,
wordt het brandstofsysteem van de
motor uitgeschakeld.
Wanneer het contactslot in de positie
AAN staat, moet de startblokkerings-
indicator kort oplichten, dan uitgaan.
Als de indicator knippert, herkent het
systeem van de codering de sleutel
niet.
Plaats het contact in stand LOCK/
OFF, plaats dan het contactslot terug
in de stand ON.
Het systeem kan de code van uw
sleutel niet herkennen als een ande-
re startonderbrekersleutel of een
ander metalen voorwerp (dwz, sleu-
telhanger) zich in de buurt van de
sleutel bevindt. Deze metalen voor-
werpen kunnen het signaal van de
transponder storen, waardoor de
motor niet kan worden gestart.
Als het systeem nog steeds de code
van de sleutel niet herkent, is het
raadzaam contact op te nemen met
uw HYUNDAI-dealer.
Probeer niet om dit systeem te wijzi-
gen of er andere apparaten aan toe
te voegen. Dit kan elektrische pro-
blemen veroorzaken die uw auto
onbruikbaar kunnen maken.
De transponder in uw contact
sleutel is een belangrijk onderdeel
van het startblokkeersysteem. Hij
is ontworpen voor jarenlang pro-
bleemloos gebruik. Let op voor
vocht, statische elektriciteit en
een ruwe behandeling. Hierdoor
kan de startblokkering defect ra-
ken.
AANWIJZING
Bewaar geen reservesleutels in
uw auto, om diefstal van uw
auto te voorkomen. Uw wacht-
woord van de startblokkering is
uniek en strikt persoonlijk.
WAARSCHUWING
3-13
Handige functies van uw auto
3
Portiersloten van buitenaf
vergrendelen/ontgrendelen
Mechanische sleutel
Draai de sleutel in de richting van de
achterzijde van de auto om het portier
te ontgrendelen en in de richting van
de voorzijde om het portier te vergren-
delen.
Als het bestuurdersportier met de sleu-
tel wordt vergrendeld/ontgrendeld, zul-
len alle overige portieren en de achter-
klep gelijktijdig vergrendeld/ontgren-
deld worden (indien uitgerust met een
centraal portiergrendelsysteem).
Trek de portiergreep na het ontgrende-
len omhoog om het portier te openen.
Druk het portier met de hand dicht om
het te sluiten. Zorg ervoor dat de por-
tieren goed dicht zitten.
Afstandsbediening
Om de portieren te vergrendelen,
druk op de knop portiervergrendeling
(1) op de sleutel met afstandsbedie-
ning.
Om de portieren te openen, druk op
de knop portierontgrendeling (2) op
de sleutel met afstandsbediening.
Trek de portiergreep na het ontgren-
delen omhoog om het portier te ope-
nen.
Druk het portier met de hand dicht
om het te sluiten. Zorg ervoor dat de
portieren goed dicht zitten.
Informatie
In een koud en nat klimaat werken
de portiervergrendeling en portier-
mechanismen mogelijk niet door
bevriezingsverschijnselen.
Als het portier een aantal keren snel
achter elkaar wordt vergrendeld en
weer ontgrendeld, ofwel met de sleu-
tel ofwel met de schakelaar portier-
vergrendeling, zal de werking van
het systeem tijdelijk worden onder-
broken om beschadiging van de
onderdelen te voorkomen.
i
SLOTEN
OIB034040
OGB044002
3-14
Handige functies van uw auto
Smart Key
1. Sloten
2. Portier ontgrendelen
3. Achterklep open
Om de portieren te vergrendelen, druk
op de knop aan de buitenkant van de
portiergrepen, terwijl u de Smart Key
bij u draagt, of druk op de portierver-
grendelknop op de Smart Key.
Om de portieren te openen, druk op
de knop aan de buitenkant van de
portiergrepen, terwijl u de Smart Key
bij u draagt, of druk op de portieront-
grendelknop op de Smart Key.
Trek de portiergreep na het ontgren-
delen omhoog om het portier te ope-
nen.
Druk het portier met de hand dicht
om het te sluiten. Zorg ervoor dat de
portieren goed dicht zitten.
Informatie
In een koud en nat klimaat werken
de portiervergrendeling en portier-
mechanismen mogelijk niet door
bevriezingsverschijnselen.
Als het portier een aantal keren snel
achter elkaar wordt vergrendeld en
weer ontgrendeld, ofwel met de sleu-
tel ofwel met de schakelaar portier-
vergrendeling, zal de werking van
het systeem tijdelijk worden onder-
broken om beschadiging van de
onderdelen te voorkomen.
Portiersloten van binnenuit
Met de portiergreep
Voorportieren
Als langs de binnenzijde aan de
portiergreep wordt getrokken (1)
als het portier op slot is, zal het
portier ontgrendelen en openen.
Achterportieren
Als langs de binnenzijde aan de
portiergreep wordt getrokken als
het portier op slot is, zal het portier
ontgrendelen.
Als opnieuw langs de binnenzijde
aan de portiergreep wordt getrok-
ken, zal het portier openen.
i
OGB044001
OLMB043003
OGB044003
Met schakelaar
portiervergrendeling
Wanneer u op de vergrendelen/ont-
grendelen-schakelaar van de portie-
ren drukt, worden alle portieren ver-
grendeld en zal het lampje op de
schakelaar ca. 60 seconden bran-
den (als de sleutel in het contactslot
zit, gaat het lampje op de schakelaar
continu branden).
Als er een portier geopend is wanneer
de schakelaar wordt ingedrukt, zullen
alle portieren niet vergrendelen.
Als er een portier geopend is, zal de
indicator van de portierslotschake-
laar knipperen. Als u op de knop
drukt wanneer de indicator knippert,
zullen alle portieren vergrendelen.
Als u nogmaals op de vergrende-
len/ontgrendelen-schakelaar van de
portieren drukt, worden alle portieren
ontgrendeld en zal het lampje op de
schakelaar niet branden.
3-15
Handige functies van uw auto
3
OGB048004
De portieren moeten tijdens het
rijden altijd volledig gesloten en
vergrendeld blijven. Als de por-
tieren ontgrendeld zijn, neemt
het risico van uit de auto te vlie-
gen bij een botsing toe.
WAARSCHUWING
Laat kinderen en huisdieren
nooit zonder toezicht achter in
de auto. Een afgesloten auto
kan binnenin erg warm worden,
waardoor achtergelaten kinde-
ren of huisdieren die niet uit de
auto kunnen komen, letsel kun-
nen oplopen. Kunnen kinderen
ernstig gewond raken door het
bedienen van bepaalde syste-
men in de auto.
WAARSCHUWING
Laat uw auto altijd veilig achter.
Uw auto onvergrendeld achterla-
ten, verhoogt het mogelijke risi-
co voor u of anderen dat iemand
zich in uw auto verstopt.
Om uw auto te beveiligen, zet
de schakelhendel in de P (Park)
stand (voor automatische trans-
missie/transmissie met dubbele
koppeling) of de eerste versnel-
ling of de R (achteruit, voor
handmatige transmissie), terwijl
u de rem ingedrukt houdt, scha-
kel de handrem in en zet het
contactslot in stand LOCK/OFF,
sluit alle ramen, vergrendel alle
portieren, en neem de sleutel
altijd mee.
WAARSCHUWING
Let bij het openen van portieren
goed op of er geen ander ver-
keer aankomt. Let bij het ope-
nen van portieren goed op of er
geen ander verkeer aankomt.
WAARSCHUWING
3-16
Handige functies van uw auto
Portier vergendel/ontgrendel-
functies
Aanrijdingsdetectie
portierontgrendelsysteem
(indien aanwezig)
Alle portieren zullen automatisch
ontgrendelen wanneer een aanrij-
ding wordt veroorzaakt waarbij dat
de airbags ontplooien.
Snelheidsafhankelijk
portiervergrendelsysteem
(indien aanwezig)
Alle portieren worden automatisch
vergrendeld als een snelheid van 15
km/h wordt bereikt.
Kinderslot op portierslot
achter (alleen 5 portieren)
Het kinderslot zorgt ervoor dat kinde-
ren de achterportieren niet per onge-
luk van binnenuit kunnen openen.
Schakel het kinderslot altijd in als u
gaat rijden met kinderen.
Het kinderslot is gelegen aan de
rand van de achterportieren. Als het
kinderslot in stand VERGRENDELD
( ) staat, kan het achterportier niet
van binnenuit worden geopend.
Om het kinderslot te vergrendelen,
plaatst u een sleutel (of schroeven-
draaier) in het gat (1) en draait deze
naar de kant van het slot ( ).
Om een achterportier te openen van
binnenuit, ontgrendel het kinderslot.
Als kinderen tijdens het rijden
per ongeluk de achterportieren
openen, kunnen ze uit de auto
vallen. Schakel het kinderslot
altijd in als u gaat rijden met
kinderen.
WAARSCHUWING
OIB044045
3-17
Handige functies van uw auto
3
Dit systeem helpt uw auto en waar-
devolle spullen te beschermen. De
claxon zal klinken en de alarmknip-
perlichten knipperen onafgebroken
als een van de volgende situaties
zich voordoet:
- De portier wordt geopend zonder
de afstandsbediening of Smart
Key.
- De achterklep wordt geopend zon-
der de afstandsbediening of Smart
Key.
- De motorkap wordt geopend.
Het alarm gaat gedurende 30 secon-
den, dan stelt het systeem zich
opnieuw in. Het systeem kan worden
uitgeschakeld door de portieren te
ontgrendelen met de afstandsbedie-
ning of Smart Key.
Het antidiefstal-alarmsysteem acti-
veert automatisch 30 seconden na
vergrendelen van de portieren en de
achterklep. Om het systeem te acti-
veren, moet u de portieren en de
achterklep van buiten de auto ver-
grendelen met de sleutel met
afstandsbediening of de Smart Key
of door te drukken op de knop op de
buitenkant van de handgrepen met
de Smart Key in uw bezit.
De alarmknipperlichten knipperen
tweemaal en zal de zoemer eenmaal
klinken om aan te geven dat het anti-
diefstalsysteem is ingeschakeld.
Zodra het beveiligingssysteem is
ingeschakeld, zal het openen van elk
portier, de achterklep of de motorkap
zonder gebruik van de sleutel met
afstandsbediening of de Smart Key
ervoor zorgen dat het alarm geacti-
veerd wordt.
Het antidiefstal-alarmsysteem zal
niet afgaan wanneer de motorkap,
de achterklep, of een portier niet vol-
ledig gesloten is. Als het systeem
niet ingeschakeld kan worden, con-
troleer dan of de motorkap, de ach-
terklep of de portieren volledig geslo-
ten zijn.
Probeer niet om dit systeem te wijzi-
gen of er andere apparaten aan toe
te voegen.
Informatie
Vergrendel de portieren niet pas in
als alle passagiers de auto verlaten
hebben. Als de resterende passagiers
de auto verlaten wanneer het sys-
teem is ingeschakeld, zal het alarm
geactiveerd worden.
Indien de auto niet wordt uitgescha-
keld met de sleutel met afstandsbe-
diening of de Smart Key, open de
portieren met behulp van de mecha-
nische sleutel en zet het contactslot
in de stand ON (voor de sleutel met
afstandsbediening) of start de motor
(voor de Smart Key) en wacht 30
seconden .
Wanneer het systeem wordt uitge-
schakeld, maar een portier of de
achterklep niet geopend wordt bin-
nen 30 seconden, zal het systeem
weer ingeschakeld worden.
i
ANTIDIEFSTALSYSTEEM (INDIEN VAN TOEPASSING)
Informatie
Auto's uitgerust met een alarmsys-
teem zullen een label dragen met de
volgende woorden:
1. WAARSCHUWING
2. BEVEILIGINGSSYSTEEM
i
3-18
Handige functies van uw auto
OIB034042
3-19
Handige functies van uw auto
3
Open van de achterklep
De achterklep wordt vergrendeld of
ontgrendeld wanneer alle portieren
worden vergrendeld of ontgrendeld
met behulp van de sleutel, de
afstandsbediening, de Smart Key
of de schakelaar voor de portier-
vergrendeling.
Indien de achterklep ontgrendeld
is, kunt u hem openen door de
hendel in te drukken en de klep
omhoog te trekken.
Informatie
In een koud en nat klimaat werken de
portiervergrendeling en portierme-
chanismen mogelijk niet door bevrie-
zingsverschijnselen.
Controleer of de achterklep geslo-
ten is voordat u met de auto gaat
rijden. Er kan schade ontstaan
aan de gasveren van de achter-
klep en de bevestigingsmateria-
len, als u de achterklep niet sluit
voordat u gaat rijden.
Sluiten van de achterklep
Trek de achterklep naar beneden en
druk hem stevig vast om hem te slui-
ten. Zorg ervoor dat de achterklep
goed vergrendeld is.
AANWIJZING
i
ACHTERKLEP
De achterklep klapt naar boven
open. Zorg dat er niemand bij
de achterzijde van de auto staat
als u de achterklep opent.
WAARSCHUWING
OIB047046
Zorg ervoor dat geen handen,
voeten of andere lichaamsdelen
bekneld kunnen raken bij het
sluiten van de achterklep.
WAARSCHUWING
Zorg dat er niets in de buurt van
de achterklepslot bevindt wan-
neer u de achterklep sluit. Dit
kan het slot van de achterklep
beschadigen.
OPMERKING
3-20
Handige functies van uw auto
Bagageruimte
Passagiers dienen niet plaats te
nemen in de bagageruimte,
waar geen veiligheidsgordels
aanwezig zijn. Om bij een aanrij-
ding of plotseling remmen let-
sel te voorkomen, dienen inzit-
tenden altijd hun veiligheids-
gordel te dragen.
WAARSCHUWING
Houd de achterklep tijdens het
rijden altijd volledig gesloten.
Als met een (gedeeltelijk) geo-
pende achterklep wordt gere-
den, kunnen schadelijke uitlaat-
gassen, die koolmonoxide (CO)
bevatten, in het interieur bin-
nendringen.
WAARSCHUWING Houdt het onderdeel dat de ach-
terklep ondersteunt (de gas-
veer) niet vast. Vervorming van
het onderdeel kan leiden tot
schade aan het voertuig en kan
de veiligheid in gevaar brengen.
WAARSCHUWING
OHYK047009
Uitlaatgas
Als u met een geopende achter-
klep rijdt, worden gevaarlijke
uitlaatgassen in het interieur
gezogen, hetgeen kan leiden tot
ernstig letsel.
Wanneer het noodzakelijk is dat
u met een geopende achterklep
rijdt, houd dan de uitstroom-
openingen en alle ruiten open,
zodat extra frisse lucht in het
interieur stroomt.
WAARSCHUWING
3-21
Handige functies van uw auto
3
Elektrisch bedienbare ruiten
3 Portier/Cross (1) Schakelaar ruitbediening
bestuurdersportier
(2) Schakelaar ruitbediening passa-
giersportier
(3) Schakelaar ruitbediening achter-
portier (Links)*
(4) Schakelaar ruitbediening achter-
portier (Rechts)*
(5) Ruiten openen en sluiten (indien
van toepassing
(6) Automatische ruitbediening*
(7) Blokkeertoets ruitbediening*
* : indien van toepassing
RUITEN
OGB044005
3-22
Handige functies van uw auto
3 Portier (1) Schakelaar ruitbediening
bestuurdersportier
(2) Schakelaar ruitbediening passa-
giersportier
(3) Ruiten openen en sluiten (indien
van toepassing
(4) Automatische ruitbediening*
* : indien van toepassing
OGB045237
3-23
Handige functies van uw auto
3
Het contactslot moet in de ON stand
staan om de ramen te kunnen ope-
nen of sluiten. Leder portier is voor-
zien van een schakelaar voor de
bediening van de desbetreffende
ruit. De bestuurder beschikt over een
blokkeerschakelaar waarmee de ruit-
bediening op de overige portieren
uitgeschakeld kan worden. De elek-
trisch bedienbare ramen zullen
ongeveer 30 seconden werken nadat
het contactslot in de ACC of LOCK/
OFF-positie is geplaatst. Wanneer
de voorportieren geopend zijn, kun-
nen de ruiten niet bediend worden,
zelfs niet binnen de periode van 30
seconden.
Informatie
In een koud en nat klimaat werken
de elektrisch bedienbare ruiten
mogelijk niet door bevriezingsver-
schijnselen.
Wanneer tijdens het rijden de ach-
terramen geopend zijn, ondervindt
u mogelijk hinderlijk windgeruis.
Dit is normaal en kan worden ver-
minderd of verholpen door het vol-
gende te doen. Wanneer windgeruis
optreedt terwijl een achterruit geo-
pend is of beide achterruiten geo-
pend zijn, kunt u beide voorruiten
een paar centimeter laten zakken.
Ruiten openen en sluiten
Druk de desbetreffende schakelaar
aan de voorzijde in of trek deze
omhoog om een ruit te openen of te
sluiten tot het eerste zware punt (5).
i
OGB044125
3-24
Handige functies van uw auto
Automatische ruitbediening
(indien van toepassing)
Door de schakelaar kortstondig in te
drukken of omhoog te trekken tot de
tweede stand (6), wordt de ruit auto-
matisch helemaal geopend of geslo-
ten, zelfs als de schakelaar wordt
losgelaten. Om de ruitbeweging te
stoppen, trekt u de schakelaar om-
hoog of drukt hem omlaag en laat
hem dan los.
Om de elektrisch bedienbare
ruiten te resetten
Als de elektrisch bedienbare ruiten
niet goed werkt, kan de elektrische
ruitbediening als volgt worden gere-
set:
1. Plaats het contact in stand ON.
2. Sluit het ruiten en blijf de schake-
laar van de ruitenbediening verder
omhoog trekken gedurende ten
minste 1 seconde.
Als de elektrische ruiten niet goed
werkt na het resetten, raden u aan
het systeem door een officiële
HYUNDAI-dealer na te laten kijken.
Klembeveiliging (indien van
toepassing)
Als het ruit een voorwerp of lichaam-
sdeel tussen de ruiten en het portier
detecteert, zal het ruiten ongeveer
30 cm zakken, zodat het voorwerp
kan worden verwijderd.
Als de ruit weerstand ondervindt ter-
wijl de schakelaar ruitbediening om-
hooggetrokken blijft, stopt de
omhooggaande beweging van de ruit
en zakt de ruit ongeveer 2,5 cm.
Als de schakelaar opnieuw omhoog
getrokken wordt binnen 5 s nadat de
ruit automatisch naar beneden is
gegaan, zal de klembeveiliging niet
werken.
OIB024001
OGB044124
3-25
Handige functies van uw auto
3
Informatie
De automatische reverse functie is
alleen actief wanneer de "auto-up"-
functie wordt gebruikt door het volle-
dig optrekken van de schakelaar tot
de tweede arretering.
Blokkeertoets ruitbediening
(indien van toepassing)
De bestuurder kan de schakelaars
van de ruitbediening voor de achter-
portieren uitschakelen door de blok-
keerschakelaar van de ruitbediening
in de stand vergrendeld te zetten
(ingedrukt).
Als de blokkeerschakelaar van de
ruitbediening ingedrukt is:
De hoofdschakelaar van de elek-
trisch bedienbare ruiten voor de
bestuurder werkt wel voor alle
elektrisch bedienbare ruiten.
Met de schakelaar voor de ruitbe-
diening van de portierruit aan voor-
passagierszijde kan de portierruit
aan voorpassagierszijde worden
bediend.
De achterpassagiers kunnen de
elektrisch bedienbare portierruiten
achter niet bedienen.
Open of sluit telkens maar één
ruit tegelijk. Anders kan de elek-
trische ruitbediening bescha-
digd raken. Hierdoor zal boven-
dien de zekering langer mee-
gaan.
Probeer nooit tegelijkertijd de
hoofdschakelaar voor de ruitbe-
diening in het bestuurderspor-
tier en de afzonderlijke schake-
laar voor de ruitbediening in
tegengestelde richting in te
drukken. In dat geval stopt de
ruit en kan deze niet meer wor-
den geopend of gesloten.
AANWIJZING
i
Zorg ervoor dat hoofden, ande-
re lichaamsdelen of andere
objecten veilig uit de weg zijn
vooraleer de ramen te sluiten
om letsel of schade aan de auto
te voorkomen. Als een voor-
werp met een diameter kleiner
dan 4 mm tussen de ruit en de
sponning terechtkomt, wordt de
extra weerstand mogelijk niet
opgemerkt, waardoor de klem-
beveiliging niet werkt.
WAARSCHUWING
OGB044006
3-26
Handige functies van uw auto
Ruiten
Laat kinderen NOOIT zonder
toezicht achter met de con-
tactsleutel in de auto als de
motor draait.
Laat een kind NOOIT zonder
toezicht achter in de auto.
Ook zeer jonge kinderen kun-
nen per ongeluk de auto in
beweging zetten, bekneld
raken tussen de portierruiten
of zichzelf of anderen letsel
toebrengen.
Controleer altijd zorgvuldig of
er zich geen armen, handen of
andere belemmeringen in de
buurt bevinden voordat een
ruit gesloten wordt.
(Vervolg)
WAARSCHUWING (Vervolg)
Laat kinderen niet met de ruit-
bediening spelen. Laat de
blokkeerschakelaar voor de
ruitbediening in de stand
VERGRENDELD (ingedrukt)
staan. Het onbedoeld bedie-
nen van een ruit kan vooral bij
kinderen tot letsel leiden.
Steek uw hoofd, armen of
lichaam niet buiten de ramen
tijdens het rijden.
3-27
Handige functies van uw auto
3
Indien uw auto is uitgerust met een
schuif-/kanteldak, kunt u dit met
behulp van de hendel in de dakcon-
sole openschuiven of kantelen.
Het schuif-/kanteldak kan elektrisch
geopend, gesloten en gekanteld wor-
den wanneer het contact in stand
ON staat.
Informatie
In een koud en nat klimaat werkt
het schuif-/kanteldak mogelijk niet
door bevriezingsver schij nselen.
Veeg na het wassen van de auto en
na een regenbui het schuif-/kantel-
dak eerst droog alvorens het te ope-
nen.
Bedien de hendel niet meer als
het schuif-/kanteldak volledig is
geopend, gesloten of gekanteld.
Hierdoor kunnen de motor en
andere onderdelen beschadigd
raken.
Zorg er bij het verlaten van uw
auto voor dat het schuif-/kantel-
dak volledig is gesloten.
Als het schuif-/kanteldak open
blijft, kan sneeuw of regen in het
interieur komen of kan de auto
worden gestolen.
Informatie
Het schuif-/kanteldak kan geopend
worden in de kantelpositie, de kantel-
functie kan niet gebruikt worden als
het dak wordt geopend of open
geschoven.
ii
AANWIJZING
SCHUIF-/KANTELDAK (INDIEN VAN TOEPASSING)
OGB044007
Verstel het schuif-/kanteldak
of het zonnescherm niet tij-
dens het rijden. Hierdoor kunt
u de controle over de auto
verliezen waardoor een onge-
luk met ernstig letsel of scha-
de het gevolg kan zijn.
Laat kinderen niet het schuif-
/kanteldak bedienen.
WAARSCHUWING
3-28
Handige functies van uw auto
Zonnescherm
Beweeg de schakelaar van het
schuif-/kanteldak naar achteren tot
de tweede klik om het zonne-
scherm te openen.
Om het zonnescherm te sluiten
wanneer het glazen schuif-/kantel-
dak gesloten is, drukt u de hendel
van het schuif-/kanteldak naar
voren.
Beweeg de hendel kort naar voren of
naar achteren om het schuiven van
het schuif-/kanteldak te stoppen.
Open-dichtschuiven van het
schuif-/kanteldak
Wanneer de zonnescherm
gesloten is
Als u de hendel van het schuif-/kan-
teldak naar achteren trekt tot de
tweede klik, zal het zonnescherm
helemaal openschuiven, daarna zal
ook het glazen schuif-/kanteldak
helemaal openschuiven. Beweeg de
hendel kort naar voren of naar ach-
teren om het schuiven van het
schuif-/kanteldak te stoppen.
Wanneer de zonnescherm is
geopend
Als u de hendel van het schuif-/kan-
teldak naar achteren trekt, zal het
glazen schuif-/kanteldak helemaal
openschuiven. Beweeg de hendel
kort naar voren of naar achteren om
het schuiven van het schuif-/kantel-
dak te stoppen.
OGB044008
OGB044126
3-29
Handige functies van uw auto
3
Kantelen van het schuif-/
kanteldak
Wanneer de zonnescherm
gesloten is
Als u de hendel van het schuif-/kan-
teldak omhoog duwt, gaat het zonne-
scherm helemaal open en zal het
glazen schuif-/kanteldak kantelen.
Beweeg de hendel kort naar voren of
naar achteren om het schuiven van
het schuif-/kanteldak te stoppen.
Wanneer de zonnescherm is
geopend
Als u de hendel van het glazen
schuif-/kanteldak omhoog duwt, zal
het glas van het glazen schuif-/kan-
teldak kantelen.
Beweeg de hendel kort naar voren of
naar achteren om het schuiven van
het schuif-/kanteldak te stoppen.
Automatisch omkeren van
bewegingsrichting
Als tijdens het automatisch sluiten
van het schuif-/kanteldak het dak
weerstand ondervindt omdat er een
voorwerp of lichaamsdeel door het
dak naar buiten is gestoken, schuift
het dak automatisch een stukje terug
en stopt het met bewegen.
De klembeveiliging werkt mogelijker-
wijs niet als er iets klem komt te zit-
ten vlak voor het schuif-/kanteldak
volledig gesloten is. Houd nooit tij-
dens het sluiten van het dak een
lichaamsdeel in de opening van het
schuif-/kanteldak om de klembeveili-
ging te testen.
OGB044009
Schuifdak
Zorg ervoor dat er geen hoof-
den, handen of andere lich-
aamsdelen tussen het schuif-
/kanteldak en de carrosserie
bekneld kunnen raken als het
schuif-/kanteldak gesloten
wordt.
Steek tijdens het rijden de
armen, het hoofd of andere
lichaamsdelen niet buiten de
auto.
Zorg ervoor dat de handen en
het gezicht zich op een veilige
afstand van het schuif-/kantel-
dak bevinden, alvorens het
schuif-/kanteldak te sluiten.
WAARSCHUWING
ODH043039
3-30
Handige functies van uw auto
Sluiten van het schuif-/
kanteldak
Om enkel het glazen schuif-
/kanteldak te sluiten
Duw de hendel van het glazen
schuif-/kanteldak naar voren naar de
eerste stand of trek de hendel naar
beneden.
Om het glazen schuif-/kanteldak
te sluiten met het zonnescherm
Duw de hendel van het schuif-/kan-
teldak naar voren in de tweede
stand. Het glazen schuif-/kanteldak
zal sluiten, daarna sluit het zonne-
scherm automatisch.
Beweeg de hendel kort naar voren of
naar achteren om het schuiven van
het schuif-/kanteldak te stoppen.
Verwijder van tijd tot tijd het vuil
dat zich verzameld heeft op de
geleiderail.
Wanneer u het schuif-/kanteldak
probeert te openen bij tempera-
turen onder het vriespunt, of als
het dak bedekt is met sneeuw of
ijs, kan het glaspaneel of de
motor beschadigd raken.
Als u het schuif-/kanteldak
gedurende langere tijd gebruikt,
dan kan het stof tussen het
schuif-/kanteldak en het dakpa-
neel een geluid maken.
Open het schuifdak regelmatig
en verwijder het stof met een
poetsdoek.
Het schuifdak is ontworpen om
te glijden samen met het zonne-
scherm. Laat het zonnescherm
niet dichtzitten als het schuif-
/kanteldak geopend is.
Resetten van het schuif-/
kanteldak
Het schuif-/kanteldak moet opnieuw
worden ingesteld als (in de volgende
gevallen)
- De accu is leeg of niet verbonden,
of de desbetreffende de zekering is
vervangen of losgekoppeld.
- De one-touch glijdende functie van
het schuif-/kanteldak werkt niet
normaal.
1. Zet het contact in stand ON en
sluit het schuif-/kanteldak volledig.
2. Laat de hendel van het schuif-
/kanteldak los.
3. Duw en houd de hendel naar
voren (gedurende meer dan 10
seconden) totdat het schuif-/kan-
teldak kantelt en lichtjes beweegt.
Laat de hendel dan los.
AANWIJZING
3-31
Handige functies van uw auto
3
4. Duw de hendel van het schuif-
/kanteldak naar voren in de rich-
ting van sluiten totdat het schuif-
/kanteldak als volgt werkt:
ZONNESCHERM OPEN KAN-
TELT OPEN SCHUIFT OPEN
SCHUIFT DICHT ZONNE-
SCHERM GESLOTEN
Laat de hendel dan los.
Hierna is het schuif-/kanteldak gere-
set.
Als het schuif-/kanteldak niet ge-
reset wordt bij het loskoppelen of
ontladen van de accu, of als een
gerelateerde zekering gesprongen
is, dan kan het voorkomen dat het
schuif-/kanteldak niet goed meer
werkt.
Waarschuwing geopend
schuifdak
(indien van toepassing)
Als de bestuurder de contactsleutel
verwijdert (Smart key : Het contact
uitschakelt) en het bestuurderspor-
tier opent terwijl het schuifdak niet
volledig is gesloten, klinkt er gedu-
rende ongeveer 7 seconden een
waarschuwingszoemer en symbool
geopend schuifdak wordt weergege-
ven op het LCD-display.
Sluit het schuifdak goed wanneer u
de auto verlaat.
AANWIJZING
OGB048240
nType B
3-32
Handige functies van uw auto
Openen van motorkap
1. Zorg ervoor dat de versnelling-
spook in stand P (Park, voor auto-
matische transmissie/transmissie
met dubbele koppeling) of de eer-
ste versnelling of R (achteruit,
voor manuele transmissie) staat
en trek de handrem aan.
2. Trek aan de ontgrendelknop om
de motorkap te ontgrendelen. De
motorkap komt iets omhoog.
3. Open aan de voorzijde van de
auto de motorkap iets, druk de
secundaire vergrendeling (1) in
het midden van de motorkap in en
plaats de motorkap (2) omhoog.
4. Trek aan de motorkapsteun.
5. Ondersteun de motorkap met de
steun.
MOTORKAP
OIB047050
OGB044010
OGB044011
Sluiten van motorkap
1. Controleer de volgende punten
alvorens de motorkap te sluiten:
Of alle vuldoppen correct terug-
geplaatst zijn.
Of er geen handschoenen, doe-
ken of andere brandbare mate-
rialen in de motorruimte zijn ach-
tergebleven.
2. Zet de steun vast in de clip om te
voorkomen dat hij gaat rammelen.
3. Laat de kap tot halfweg zakken
(opgetild tot ongeveer 30 cm van
de gesloten positie) en duw ze
naar beneden om ze veilig te ver-
grendelen. Voer daarna een dub-
bele controle uit om er zeker van
te zijn dat de kap beveiligd is.
3-33
Handige functies van uw auto
3
Pak de steun altijd vast bij het
deel dat omwikkeld is met
rubber. Het rubber voorkomt
dat u zich brandt aan het hete
metaal als de motor warm is.
De motorkapsteun moet goed
in de opening geplaatst wor-
den als u controles in de
motorruimte uitvoert. Dat
voorkomt dat de motorkap
plotseling naar beneden kan
vallen en letsel veroorzaakt.
WAARSCHUWING
Controleer voor het sluiten
van de motorkap of er geen
zaken in de motorruimte zijn
achtergebleven die het sluiten
zouden kunnen hinderen. Als
geprobeerd wordt de motor-
kap te sluiten terwijl er nog
iets in de motorruimte is ach-
tergebleven, kan dat schade
aan de motorkap of letsel ver-
oorzaken.
Laat geen handschoenen,
doeken of andere brandbare
materialen achter in de motor-
ruimte. Deze zouden door de
hitte in brand kunnen vliegen.
Voer daarna een dubbele con-
trole uit om er zeker van te
zijn dat de kap beveiligd is.
Controleer of er geen waar-
schuwingslampje voor een
open kap oplicht of een
bericht weergegeven wordt
op het instrumentenpaneel.
(Vervolg)
WAARSCHUWING
Openen van de tankdopklep
De tankdopklep moet van binnenuit
worden geopend door aan de ont-
grendelingshendel te trekken.
1. Zet de motor uit.
2. Trek de ontgrendeling omhoog om
de tankdopklep te openen.
3. Open de tankdopklep (1) volledig.
4. Draai de tankdop (2) linksom om
deze te verwijderen. U kan een
sissend geluid horen als de druk
binnen in de tank zich egaliseert.
5. Hang de tankdop aan de klep van
de vulopening van de tank.
TANKDOPKLEP
3-34
Handige functies van uw auto
(Vervolg)
Rijden met motorkap geopend
kan veroorzaken voor de
bestuurder belemmerd wordt
en een aanrijding het gevolg
kan zijn.
Verplaats de auto niet met de
motorkap omhoog. Het uit-
zicht wordt geblokkeerd en de
motorkap kan vallen of
beschadigd raken. OIB044184
OGB044012
3-35
Handige functies van uw auto
3
Informatie
Tik zachtjes op de tankdopklep of
druk er voorzichtig tegenaan als deze
is vastgevroren om het ijs te breken en
open daarna de tankdopklep. Wrik de
tankdopklep niet los. Spuit de tankd-
opklep indien nodig in met ruitont-
dooier (gebruik geen koelvloeistof) of
zet de auto op een warme plaats om
het ijs te laten smelten.
Sluiten van de tankdopklep
1. Plaats de tankdopklep (2), terug
en draai hem rechtsom totdat
deze klikt. Dat geeft aan dat de
dop goed vastzit.
2. Sluit de tankdopklep (1) en druk
deze goed dicht.
i
Benzine is uiterst brandbaar en
explosief. Als u deze richtlijnen
niet opvolgt, kan dit leiden tot
ERNSTIG LETSEL of DE DOOD:
Lees alle waarschuwingen bij
het tankstation en neem ze in
acht.
Kijk vóór het tanken altijd of
er een noodknop voor het
afsluiten van de brandstof is
bij de brandstofpomp.
(Vervolg)
WAARSCHUWING
(Vervolg)
Voor het aanraken van het
vulpistool, moet je de poten-
tiële opbouw van statische
elektriciteit met de blote hand
elimineren door het aanraken
van een metalen deel van de
wagen, op een veilige afstand
van de vulopening, het mond-
stuk, of een andere gasbron.
Maak tijdens het tanken geen
gebruik van een mobiele tele-
foon. Elektrische stroom en/of
elektronische storing van
mobiele telefoons kan brand-
stof-dampen doen ontbran-
den.
Stap niet in de auto nadat u
begonnen bent met tanken. U
kunt statische elektriciteit
opwekken door het aanraken,
wrijven of schuiven tegen een
item of een stof die statische
elektriciteit kan produceren.
Een met statische elektriciteit
geladen jerrycan kan brand-
stof dampen doen ontbran-
den.
(Vervolg)
3-36
Handige functies van uw auto
(Vervolg)
Als u tijdens het tanken toch
terug in de auto moet stap-
pen, raak ook dan even een
metalen deel aan de voorzijde
van de auto aan om eventuele
statische elektriciteit met de
blote hand kwijt te raken.
Als u een jerrycan wilt vullen,
plaats deze dan op de grond.
Een met statische elektriciteit
geladen jerrycan kan brand-
stof dam pen doen ontbran-
den. Zodra u begint te tanken,
dient u contact tussen je blote
hand te maken met de auto tot
het tanken is voltooid.
Gebruik alleen jerrycans die
geschikt zijn voor brandstof.
(Vervolg)
(Vervolg)
Schakel, bij het tanken, de
versnellingspook altijd in de P
(Park) positie (voor automati-
sche transmissie/transmissie
met dubbele koppeling) of de
eerste versnelling of R (ach-
teruit, voor manuele transmis-
sie), zet de parkeerrem op, en
plaats het contactslot in
LOCK/OFF-positie. De elektri-
sche onderdelen van de
motor kunnen vonken produ-
ceren die brandstofdampen
kunnen doen ontbranden.
Gebruik geen lucifers of aan-
steker en rook niet. Laat ook
geen brandende sigaret ach-
ter in de auto terwijl u gaat
tanken
Vul uw autotank niet tot over
de rand, dit kan leiden tot het
morsen van benzine.
(Vervolg)
(Vervolg)
Als er tijdens het tanken
brand uitbreekt, verlaat dan
onmiddellijk de auto en breng
de manager van het tanksta-
tion, de politie en de brand-
weer op de hoogte. Volg hun
veiligheidsinstructies op.
Als de onder druk staande
brandstof naar buiten spuit,
kan deze op uw kleding of
huid terechtkomen en kan er
brandgevaar ontstaan.
Verwijder de tankdop altijd
voorzichtig en langzaam. Als
er brandstof naar buiten komt
of er een sissend geluid hoor-
baar wordt, moet u even
wachten voordat u de dop ver-
der losdraait.
Controleer altijd of de tank-
dop goed vastgedraaid is om
morsen van brandstof in
geval van een aanrijding te
voorkomen.
3-37
Handige functies van uw auto
3
Informatie
Tank alleen de brandstof die in
hoofdstuk 1 vermeld is onder
"Vereiste brandstof".
Mors geen brandstof op de buiten-
zijde van de auto. Brandstof kan de
lak aantasten.
Indien vervanging van de brand-
stofvuldop nodig is, gebruik een
originele HYUNDAI dop voor uw
voertuig. Een verkeerde tankdop
kan een ernstige storing in het
brandstofsysteem of het emissie-
regelsysteem veroorzaken.
iAANWIJZING
3-38
Handige functies van uw auto
Elektrische
Stuurbekrachtiging (EPS)
Het systeem helpt u bij het besturen
van de auto. Bij een niet-draaiende
motor of bij een defecte stuurbe-
krachtiging blijft de auto bestuurbaar,
maar is de benodigde stuurkracht
veel groter.
Indien u merkt dat onder normale
omstandigheden het sturen van de
auto zwaarder gaat dan normaal,
dan adviseren wij u de stuurbekrach-
tiging te laten controleren door een
officiële HYUNDAI-dealer.
Als de elektrische stuurbekrachti-
ging niet goed werkt, gaat het
waarschuwingslampje ( ) op het
instrumentenpaneel branden. U
mag de auto besturen, maar het
zal meer stuurinspanningen ver-
gen. Wij raden u aan om uw auto
mee te nemen naar een erkende
Hyundai-dealer om het systeem
zo snel mogelijk te laten controle-
ren.
Informatie
De volgende symptomen kunnen zich
tijdens normaal gebruik voordoen:
Het draaien aan het stuurwiel gaat
zwaarder nadat het contact in stand
ON wordt gezet.
Dit gebeurt als het systeem de EPS-
diagnose uitvoert. Als de zelfdiagno-
se voltooid is, gaat het draaien aan
het stuur weer net zo licht als anders.
Er kan een klikkend geluid hoorbaar
zijn van het EPS-relais na het in
stand ON of OFF zetten van het con-
tact.
Het geluid van de elektromotor is
mogelijk hoorbaar als de auto stil-
staat of met lage snelheid rijdt.
Wanneer u in koude weersomstandig
heden het stuurwiel verdraait, kan
een vreemd geluid te horen zijn.
Wanneer de temperatuur stijgt, zal
het geluid verdwijnen. Dit is een nor-
maal verschijnsel.
AANWIJZING i
STUURWIEL
3-39
Handige functies van uw auto
3
Kantelbesturing /
Telescoopbesturing (indien
van toepassing)
Stel het stuurwiel zo in, dat het in de
richting van je borst wijst en niet in
de richting van je gezicht. Zorg
ervoor dat u de waarschuwingslamp-
jes en meters op het dashboard kunt
zien. Controleer na het afstellen of
het stuurwiel goed vastzit. Stel de
positie van het stuurwiel altijd in
voordat u gaat rijden. De hoek en hoogte van het stuurwiel
wijzigen:
1. Trek de ontgrendelingshendel na-
ar beneden (1).
2. Stel het stuurwiel in volgens de
gewenste hoek (2) en de gewens-
te hoogte (3).
3. Trek de ontgrendelingshendel om-
hoog (4) om het stuurwiel op zijn
plaats te vergrendelen.
Informatie
Na afstelling zal de ontgrendelings-
hendel het stuur soms niet vergrende-
len. Dit duidt niet op een storing. Dit
gebeurt wanneer twee tandwielen
samenkomen. In dat geval, stel het
stuurwiel opnieuw in en vergrendel
het stuurwiel dan.
Stuurwielverwarming
(indien van toepassing)
Wanneer het contactslot in de AAN-
positie staatof wanneer de motor
draait, drukt u op de verwarmings-
stuurwielknop om het stuurwiel te
verwarmen. Het controlelampje in de
schakelaar gaat branden.
Druk nogmaals op de schakelaar om
de stuurwielverwarming uit te scha-
kelen. Het controlelampje in de scha-
kelaar dooft.
Het verwarmde stuurwiel zal na
ongeveer 30 minuten automatisch
worden uitgeschakeld.
i
OGB044013
OGB046021
Stel het stuurwiel NOOIT af tij-
dens het rijden. Hierdoor kunt u
de controle over de auto verlie-
zen waardoor een ongeluk met
ernstig letsel of schade het
gevolg kan zijn.
WAARSCHUWING
3-40
Handige functies van uw auto
Installeer geen kap of accessoire
op het stuurwiel. De kap of het
accessoire zouden schade aan
het verwarmde stuurwielsysteem
kunnen veroorzaken.
Claxon
Om te claxonneren, drukt u het
gedeelte van het stuurwiel bij het
claxonsymbool (zie afbeelding). De
claxon wordt alleen bediend wan-
neer op dit gedeelte wordt gedrukt.
Om de claxon te bedienen hoeft u
niet op het claxongedeelte te
slaan. Druk het claxongedeelte
niet in met een scherp voorwerp.
AANWIJZING
AANWIJZING
OIB044056
3-41
Handige functies van uw auto
3
Binnenspiegel
Stel de binnenspiegel zo af dat u in
het midden van de spiegel het mid-
den van de achterruit ziet voordat u
gaat rijden.
Gebruik voor het reinigen van de
spiegel een papieren doekje of
vergelijkbaar materiaal dat voch-
tig is gemaakt met glasreiniger.
Spuit niet direct glasreiniger op de
spiegel. Hierdoor kan er glasreini-
ger in de spiegelbehuizing komen.
AANWIJZING
SPIEGELS
Zorg ervoor dat de lijn van uw
zicht niet wordt belemmerd.
Plaats geen voorwerpen op de
achterzetel; de bagageruimte,
of achter de hoofdsteunen, die
het zicht door de achterruit kun-
nen belemmeren.
WAARSCHUWING
Om ernstig letsel te voorkomen
bij een ongeval of bij het opbla-
zen van de airbag, wijzig de
achteruitkijkspiegel niet en ins-
talleer geen grote spiegel.
WAARSCHUWING
Stel het spiegel NOOIT af tij-
dens het rijden. Hierdoor kunt u
de controle over de auto verlie-
zen waardoor een ongeluk met
ernstig letsel of schade het
gevolg kan zijn.
WAARSCHUWING
3-42
Handige functies van uw auto
Binnenspiegel met dag-/
nachtstand
Stel de spiegel af voordat u wegrijdt
en deze in de dag stand staat.
Trek de hendel onder aan de spiegel
naar u toe om de spiegel in de nacht-
stand te zetten om verblinding door
de koplampen van achteropkomend
verkeer te voorkomen.
Houd er rekening mee dat het beeld
in de spiegel in de nachtstand min-
der duidelijk is dan in de dagstand.
Elektronische spiegel (ECM)
(indien van toepassing)
De elektrochromatische binnenspie-
gel voorkomt automatisch verblin-
ding door achteropkomend verkeer.
Zodra de motor draait, worden de
lichtreflecties automatisch gedimd.
De sensor registreert het lichtniveau
rond de auto en dimt automatisch de
reflecties van de koplampen van
achteropkomende auto's.
Als de selectiehendel in de achteruit-
stand (R) wordt gezet, wordt de bin-
nenspiegel in de helderste stand
gezet om het uitzicht naar achteren
zo duidelijk mogelijk te maken.
Bedienen van elektrische
binnenspiegel:
Druk op de ON/OFF-knop (1) om
de automatische dimfunctie uit te
schakelen. Het spiegelcontrole-
lampje dooft.
Druk op de ON/OFF-knop (1) om
de automatische dimfunctie in te
schakelen. Het spiegelcontrole-
lampje zal gaan branden.
De standaardinstelling voor de bin-
nenspiegel is AAN als het contact
in stand ON staat.
OIB044058
Controlelampje Sensor
Achteruitrijscherm
OIB044057
Dagstand
Nachtstand
3-43
Handige functies van uw auto
3
Buitenspiegel
Stel de spiegels af voordat u gaat rij-
den.
Uw auto is uitgerust met zowel een
linker als een rechter buitenspiegel.
De spiegel kunnen elektrisch ver-
steld worden met de schakelaar.
De spiegels kunnen worden inge-
klapt om beschadigingen in een
automatische wasserette of bij het
rijden door een smalle straat te voor-
komen.
De rechter buitenspiegel is conver-
gerend. Bij uitvoeringen voor sommi-
ge landen is ook de linker buiten-
spiegel convergerend. Objecten in
de spiegel zijn daardoor dichterbij
dan ze lijken.
Gebruik uw binnen spiegel of draai
uw hoofd en kijk om de actuele
afstand tussen uzelf en wagens ach-
ter u te bepalen.
Gebruik geen krabber om de
spiegel ijsvrij te maken; hier-
door kan het spiegelglas
beschadigd raken.
Forceer de buitenspiegel niet als
deze vastgevroren is. Gebruik
een goedgekeurd ontdooiings-
product (geen radiator anti-
vries), of een spons of een zach-
te doek met zeer warm water, of
verplaats de wagen naar een
warme plaats en laat het ijs te
smelten.
Handmatig
Bedien de hendel om een buiten-
spiegel te verstellen.
AANWIJZING
Klap de buitenspiegels niet in
en verstel ze ook niet tijdens het
rijden. Hierdoor kunt u de con-
trole over de auto verliezen
waardoor een ongeluk met ern-
stig letsel of schade het gevolg
kan zijn.
WAARSCHUWING
OIB034041
3-44
Handige functies van uw auto
Elektrisch model
Het instellen van de buitenspiegels:
Verplaats de hendel (1) naar L (links)
of R (rechts) om de buitenspiegel te
selecteren die u wenst aan te pas-
sen.
Gebruik de afstellingscontrole van
de spiegel om de stand van de gese-
lecteerde spiegel, omhoog, omlaag,
naar links of naar rechts te verzetten.
Na afstelling, verplaats de hendel (1)
naar het midden om onbedoelde wij-
zigingen te voorkomen.
De spiegels stoppen hun bewe-
ging als de maximale stelhoek
bereikt is. De stelmotor blijft
echter draaien zolang de scha-
kelaar ingedrukt blijft. Houd de
schakelaar niet langer ingedrukt
dan nodig om te voorkomen dat
de stelmotor beschadigd wordt.
Probeer de buitenste buiten-
spiegels niet met de hand te
richten want dit kan de motor
beschadigen.
Buitenspiegel inklappen
Handmatig
Pak de buitenspiegel bij de behuizing
vast en klap deze naar achteren.
AANWIJZING
OGB044015
OGB044014
3-45
Handige functies van uw auto
3
Elektrisch model
Druk op de toets om de buitenspie-
gel in te klappen.
Om de achteruitkijkspiegel naar bui-
ten uit te klappen, druk nogmaals op
de knop.
Als de knop niet wordt ingedrukt, zal
de spiegel automatisch in-en uitklap-
pen wanneer de auto vergrendeld of
ontgrendeld wordt van buiten de
auto. (indien van toepassing)
Het elektrische type buitenspiegel
met in- en uitklap functie werkt
zelfs als het contactslot in de
stand OFF staat. Stel om te voor-
komen dat de accu leegraakt, de
spiegels niet langer dan noodza-
kelijk af als de motor niet loopt.
Klap een elektrisch bedienbare
buitenspiegel nooit in met de
hand. Hierdoor kan de motor
beschadigd raken.
AANWIJZING
AANWIJZING
OGB044016
3-46
Handige functies van uw auto
INSTRUMENTENPANEEL
1. Toerenteller
2. Snelheidsmeter
3. Brandstofmeter
4. Koelvloeistoftemperatuurmeter
5. Waarschuwings- en controlelampjes
6. Kilometerteller/Tripcomputer
7. LCD display (inclusief de
tripcomputer)
OGB048100/OGB048101
nType A
Het aanwezige instrumentenpaneel
kan afwijken van de afbeelding.
Zie "Meters en tellers" in dit hoofd-
stuk voor meer informatie.
nType B
3-47
Handige functies van uw auto
3
Bediening Instrumentenpaneel Instellen van de
Dashboardverlichting
(indien van toepassing)
De helderheid van het dashboard
kan gewijzigd worden door op het
bovenste of onderste deel van de
schakelaar te drukken wanneer het
contactslot in de stand ON staat.
Als de helderheid het maximale of
minimale niveau bereikt, klinkt een
geluidssignaal (indien van toepas-
sing).
Stel het instrumentenpaneel
nooit af tijdens het rijden.
Hierdoor kunt u de controle
over de auto verliezen waardoor
een ongeluk met ernstig letsel
of schade het gevolg kan zijn.
WAARSCHUWING
OIB044112
OHCR046110
nType A
nType B
OGB044017
3-48
Handige functies van uw auto
Bediening LCD-display
(indien van toepassing)
De instellingen van het LCD-display
kunnen worden gewijzigd met de
bedieningstoetsen.
(1) : Toets MODE voor het selec-
teren van modi.
(2) s, t: VERPLAATS de schake-
laar voor het wijzigen van
items.
(3) OK : SELECT/RESET knop voor
het instellen of het opnieuw
instellen van het geselec-
teerde item.
Zie "LCD-display" in dit hoofdstuk
voor de LCD-modi.
Meters
Snelheidsmeter
De snelheidsmeter geeft de snelheid
aan als de auto vooruit rijdt en is
gekalibreerd in kilometers per uur
en/of mijl per uur.
Toerenteller
De toerenteller geeft het aantal
omwentelingen per minuut
(omw/min) bij benadering weer.
Gebruik de toerenteller om de juiste
schakelmomenten te kiezen en voor-
kom dat de motor zwaar moet trek-
ken of met te hoge motortoerentallen
draait.
Zorg ervoor dat het motortoeren-
tal niet toeneemt tot in het rode
gebied. Hierdoor kan ernstige
motorschade ontstaan.
AANWIJZING
OIB044104
OIB044105
nType A
nType B
OGB044018
nBenzine
OIB044102
3-49
Handige functies van uw auto
3
Koelvloeistoftemperatuurmeter
Wanneer het contact in stand ON
staat, geeft deze meter de koelvloei-
stof-temperatuur weer.
Als de naald van de meter buiten
het normale bereik komt en in de
richting van stand “(130)” be-
weegt, duidt dit op oververhitting
van de motor, waardoor schade
aan de motor kan ontstaan.
Blijf niet rijden met een oververhit-
te motor. Raadpleeg OVERVER-
HITTING in hoofdstuk 6 wanneer
de motor oververhit raakt.
Brandstofmeter
De brandstofmeter geeft bij benade-
ring de hoeveelheid brandstof aan
die nog in de tank aanwezig is.
AANWIJZING
Verwijder de radiateurdop nooit
als de motor heet is. De koel-
vloeistof staat onder druk en
kan door verwijderen van de
radiateurdop naar buiten spui-
ten, waardoor ernstige brand-
wonden kunnen ontstaan.
Wacht totdat de motor is afge-
koeld alvorens het reservoir bij
te vullen met koelvloeistof.
WAARSCHUWING
OGB044128
OIB044107
nType A
nType B
OGB044127
OIB044109
nType A
nType B
3-50
Handige functies van uw auto
Informatie
De inhoud van de brandstoftank
staat in hoofdstuk 8.
De brandstofmeter is tevens voor-
zien van een waarschuwingslampje
laag brandstofniveau dat gaat bran-
den als de brandstoftank bijna leeg
is.
Bij hellingen en bochten beweegt
mogelijk de naald van de brandstof-
meter, knippert mogelijk het waar-
schuwingslampje laag brandstofni-
veau, of gaat het waarschuwings-
lampje laag brandstofniveau moge-
lijk branden doordat de brandstof
in de brandstoftank heen en weer
beweegt.
Voorkom rijden met een extreem
laag brandstofniveau. Het leegrij-
den van de tank kan leiden tot
overslaan van de motor en over-
belasting van de katalysator.
Kilometerteller
De kilometerteller geeft de totale
afstand aan die met de auto is gere-
den en dient ook te worden gebruikt
om te bepalen wanneer periodiek
onderhoud nodig is.
Bereik kilometerteller: 0 - 999999 km
of mijl.
Informatie
Aanpassing van de kilometerstand
van de teller is verboden. Bovendien
bent u strafbaar. De aanpassing kan
uw garantiedekking beperken.
i
AANWIJZING
i
Het is gevaarlijk als de auto
zonder brandstof komt te staan.
Vul de brandstoftank zo snel
mogelijk als het waarschu-
wingslampje gaat branden of
als de naald van de brandstof-
meter de “0 (leeg)” nadert.
WAARSCHUWING
OIB044116/OIB044115
nType A nType B
3-51
Handige functies van uw auto
3
Buitentemperatuurmeter
De buitentemperatuurmeter geeft de
actuele buitentemperatuur weer in
eenheden van 1°C (1°F).
- Temperatuurbereik:
- 40°C ~ 85°C (-40°F ~ 211°F)
De buitentemperatuur op het display
verandert mogelijk niet meteen zoals
bij een gewone thermometer om de
bestuurder niet af te leiden.
De temperatuureenheid (van °C naar
°F of van °F naar °C) kan gewijzigd
worden aan de hand van de procedu-
res hieronder (indien van toepassing).
- Gebruikersinstellingen modus op het
instumentenpaneel: U kan de tempera-
tuureenheid veranderen in de "Overige
toepassingen - Temperatuureenheid".
Transmissie
Schakelstandindicator
Schakelstandindicator
automatische transmissie
(indien van toepassing)
Deze indicator geeft weer welke
stand van de selectiehendel is gese-
lecteerd.
Parkeerstand: P
Achteruit: R
Neutraalstand: N
Rijstand: D
Modus handmatig schakelen:
1, 2, 3, 4
Transmissie met dubbele
koppeling schakelindicator
(indien van toepassing)
Deze indicator geeft weer welke
stand van de selectiehendel is gese-
lecteerd.
Parkeerstand: P
Achteruit: R
Neutraalstand: N
Rijstand: D
Modus handmatig schakelen:
D1, D2, D3, D4, D5, D6, D7
OIB044156/OIB044155
nType A nType B
OIB044118/OIB044117
nType A nType B
OIB048201
nType B
3-52
Handige functies van uw auto
Automatische transmissie /
Double clutch transmissie
schakelindicator in de modus
voor handmatig schakelen
(indien van toepassing)
Deze indicator geeft aan in welke
versnelling u het beste kunt rijden
om brandstof te besparen.
• Opschakelen: s2, s3, s4
• Terugschakelen: t1, t2, t3
Bijvoorbeeld
: Geeft aan dat opschakelen naar
de 3e versnelling wenselijk is
(de selectiehendel staat in de
2e of 1e versnelling).
: Geeft aan dat terugschakelen
naar de 3e versnelling wenselijk
is (de selectiehendel staat in de
4e versnelling).
Als het systeem niet goed werkt,
wordt de indicator niet weergegeven.
Schakelstandindicator
Handgeschakelde Transmissie
(indien van toepassing)
Deze indicator geeft aan in welke
versnelling u het beste kunt rijden
om brandstof te besparen.
Opschakelen:
s2, s3, s4, s5, s6
Terugschakelen:
t1, t2, t3, t4, t5
OIB044152/OIB044151
nType A nType B
OIB044152
nType A
OGB058071
nType B
3-53
Handige functies van uw auto
3
Bijvoorbeeld
: Geeft aan dat opschakelen naar
de 3e versnelling wenselijk is
(de selectiehendel staat in de
2e of 1e versnelling).
: Geeft aan dat terugschakelen
naar de 3e versnelling wenselijk
is (de selectiehendel staat in de
4e, 5e of 6e versnelling).
Als het systeem niet goed werkt,
wordt de indicator niet weergegeven.
Gear stand Pop-up
(indien van toepassing)
De pop-up die de huidige versnel-
lingsstand aangeeft wordt geduren-
de ongeveer 2 seconden weergege-
ven op het dashboard bij het schake-
len naar andere standen (P/R/N/D).
Waarschuwings- en
controlelampjes
Informatie
- Waarschuwingslampjes
Zorg ervoor dat alle waarschuwings-
lampjes UIT zijn na het starten van de
motor. Eventuele lampjes die nog
branden, kunnen op een storing dui-
den.
i
OIB048201
3-54
Handige functies van uw auto
Waarschuwingslampje
Air Bag
Dit waarschuwingslampje gaat
branden:
Als het contact of de Engine
Start/Stop-knop in de stand ON
wordt gezet.
- Het lampje blijft ongeveer 6 se-
conden branden en gaat dan uit.
In het geval van een storing in het
AIRBAG.
In dat geval adviseren we u de
auto te laten controleren door een
officiële HYUNDAI-dealer.
Waarschuwingslampje
veiligheidsgordel
Dit waarschuwingslampje informeert
de bestuurder dat de veiligheidsgor-
del niet is vastgemaakt.
Zie voor meer informatie "Veilig-
heidsgordels” in hoofdstuk 2.
Waarschuwingslampje
Parkeerrem en
Remvloeistofniveau
Dit waarschuwingslampje gaat
branden:
Als het contact of de Engine
Start/Stop-knop in de stand ON
wordt gezet.
- Het lampje blijft ongeveer 3
seconden
- Het blijft aan totdat de parkeer-
rem is geactiveerd.
Wanneer de parkeerrem is geacti-
veerd.
Wanneer het peil van de remvloei-
stof te laag is.
- Als het waarschuwingslampje
oplicht met de handrem in ont-
koppelde toestand, geeft dit aan
dat het peil van de remvloeistof te
laag is.
Als het peil van de remvloeistof te
laag is:
1. Rijd voorzichtig naar de kant van
de weg en breng de auto op een
veilige plaats tot stilstand.
2. Schakel de motor uit en controleer
het remvloeistofpeil direct. Vul
indien nodig remvloeistof bij (Zie
voor meer informatie "Remvloeis-
tof” in hoofdstuk 7.). Controleer
alle onderdelen van het remsys-
teem op lekkage.
Als er nog steeds een lek in het
remsysteem wordt gevonden,
wanneer het lampje blijft branden,
of wanneer deremmen niet goed
werken, rijd dan niet met de
wagen.
In dat geval adviseren we u de
auto te laten controleren door een
officiële HYUNDAI-dealer.
3-55
Handige functies van uw auto
3
Dubbel-diagonaal remsysteem
Uw auto is uitgerust met een diago-
naal gescheiden remsysteem. Dat
betekent dat als er in een van de
remcircuits een probleem optreedt, u
de auto met het overgebleven rem-
circuit tot stilstand kunt brengen.
Als er een van de remcircuits is uit-
gevallen, wordt de slag van het rem-
pedaal groter en moet er meer druk
op het rempedaal worden uitgeoe-
fend om de auto tot stilstand te bren-
gen.
Verder zal in dat geval de remweg
toenemen.
Schakel bij een defect in het remsys-
teem terug om sterker op de motor af
te kunnen remmen en breng de auto
op een veilige plaats tot stilstand.
Antiblokkeersysteem
(ABS)
Waarschuwingslampje
Dit waarschuwingslampje gaat
branden:
Als het contact of de Engine
Start/Stop-knop in de stand ON
wordt gezet.
- Het lampje blijft ongeveer 3 se-
conden branden en gaat dan uit.
In het geval van een storing in het
ABS (Het normale remsysteem
werkt in dat geval nog wel maar het
antiblokkeersysteem niet).
In dat geval adviseren we u de
auto te laten controleren door een
officiële HYUNDAI-dealer.
Waarschuwingslampje Parkeer-
rem en Remvloeistofniveau
Rijden met een auto waarvan het
waarschuwingslampje brandt, is
gevaarlijk. Als het controlelamp-
je voor de handrem & de rem-
vloeistof oplicht met de hand-
rem in ontkoppelde toestand,
geeft dit aan dat het peil van de
remvloeistof te laag is.
In dat geval adviseren we u de
auto te laten controleren door
een officiële HYUNDAI-dealer.
WAARSCHUWING
3-56
Handige functies van uw auto
Elektrische stuurbe-
krachtiging (EPS)
Waarschuwingslampje
Dit waarschuwingslampje gaat
branden:
Als het contact of de Engine
Start/Stop-knop in de stand ON
wordt gezet.
- Het blijft aan totdat de motor
wordt gestart.
In het geval van een storing in het
EPS.
In dat geval adviseren we u de
auto te laten controleren door een
officiële HYUNDAI-dealer.
Controlelampje
Motormanagement
(MIL)
Dit waarschuwingslampje gaat
branden:
Als het contact of de Engine
Start/Stop-knop in de stand ON
wordt gezet.
- Het blijft aan totdat de motor
wordt gestart.
In het geval van een storing in het
emissieregelsysteem.
In dat geval adviseren we u de
auto te laten controleren door een
officiële HYUNDAI-dealer.
- Controlelampje
Motormanagement (MIL))
Rijden met de Controlelampje
Motormanagement (MIL) aan, kan
schade berokkenen aan het sys-
teem voor emissiebeperking wat
de rijeigenschappen en/of het
brandstofverbruik kunnen beïn-
vloeden.
- Benzinemotor
Wanneer het Controlelampje Mo-
tormanagement (MIL) gaat bran-
den, kan de katalysator bescha-
digd zijn. Hierdoor kan het motor-
vermogen teruglopen.
In dat geval adviseren we u de
auto te laten zo snel mogelijk con-
troleren door een officiële HYUN-
DAI-dealer.
AANWIJZING
AANWIJZING
3-57
Handige functies van uw auto
3
Waarschuwingslampje
laadsysteem
Dit waarschuwingslampje gaat
branden:
Als het contact of de Engine
Start/Stop-knop in de stand ON
wordt gezet.
- Het blijft aan totdat de motor
wordt gestart.
Wanneer zich een storing voordoet
met betrekking tot de alternator of
het elektrische laadsysteem.
Als zich een storing voordoet met
betrekking tot de alternator of het
elektrische laadsysteem:
1. Rijd voorzichtig naar de kant van
de weg en breng de auto op een
veilige plaats tot stilstand.
2. Schakel de motor uit en controleer
of de dynamoriem onvoldoende
spanning heeft of gebroken is.
Als de dynamoriem in orde is,
bevindt het probleem zich in het
laadsysteem.
In dat geval adviseren we u de
auto te laten zo snel mogelijk con-
troleren door een officiële HYUN-
DAI-dealer.
Waarschuwingslampje
Laag Motoroliepeil
Het waarschuwingslampje motorolie-
peil gaat branden wanneer het
motoroliepeil moet worden gecontro-
leerd.
Controleer als het lampje gaat bran-
den het motoroliepeil zo snel moge-
lijk en vul indien nodig motorolie bij.
Giet de aanbevolen olie voorzichtig
in een trechter. (Hoeveelheid olie:
ongeveer 0,6 - 1,0 l)
Gebruik alleen de voorgeschreven
motorolie. (Zie "Aanbevolen smeer
middelen en hoeveelheden" in
hoofdstuk 8.)
Vul niet te veel motorolie bij. Zorg
ervoor dat het oliepeil niet boven F
(Full) op de peilstok komt.
Informatie
Als u na het bijvullen van motorolie
en het warmdraaien van de motor
ongeveer 50 ~ 100 km rijdt, gaat het
waarschuwingslampje uit.
Zet het contact binnen 10 seconden
3 keer aan en uit, het waarschu-
wingslampje gaat dan onmiddellijk
uit. Wanneer u echter het waarschu-
wingslampje uitzet zonder motoro-
lie bij te vullen, gaat het lampje
weer branden nadat u na het warm-
draaien van de motor ongeveer 50 ~
100 km hebt gereden.
i
3-58
Handige functies van uw auto
Als het lampje blijft branden nadat
u motorolie hebt bijgevuld en
ongeveer 50 -100 km hebt gereden
nadat de motor op bedrijfstem-
peratuur is gekomen, raden we u
aan het systeem na te laten kijken
door een officiële HYUNDAI-
dealer.
Zelfs als het lampje niet gaat bran-
den als de motor is gestart, moet
de motorolie regelmatig worden
gecontroleerd en bijgevuld.
Oiledruklampje
Dit waarschuwingslampje gaat
branden:
Als het contact of de Engine
Start/Stop-knop in de stand ON
wordt gezet.
- Het blijft aan totdat de motor
wordt gestart.
Wanneer de oliedruk van de motor
laag is.
Als de oliedruk van de motor laag is:
1. Rijd voorzichtig naar de kant van
de weg en breng de auto op een
veilige plaats tot stilstand.
2. Controleer het motoroliepeil wan-
neer de motor uit is (Zie voor meer
informatie "Motorolie” in hoofdstuk
7). Vul indien nodig olie bij wan-
neer het peil laag is.
Adviseren we u de auto te laten zo
snel mogelijk controleren door een
officiële HYUNDAI-dealer als het
waarschuwingslampje na het bij-
vullen blijft branden of als er geen
olie beschikbaar is.
- Oiledruklampje
Als de motor niet direct uit
wordt gezet nadat het
Oliedruklampje is gaan branden,
kan er ernstige motorschade
ontstaan.
Wanneer het waarschuwings-
lampje aan blijft terwijl de motor
loopt, dan betekent dit dat er
een groot probleem kan zijn met
de motor, schade of slechte wer-
king. In dat geval,
1. De auto zo snel mogelijk op
een veilige plaats tot stilstand
brengen.
2. Controleer het motoroliepeil
wanneer de motor uit is. Vul
indien nodig olie bij tot het
juiste niveau.
3. Start nogmaals de motor.
Wanneer het waarschuwings-
lampje aan blijft terwijl de
motor loopt, zet dan de motor
onmiddellijk uit. In dat geval
adviseren we u de auto te
laten controleren door een
officiële HYUNDAI-dealer.
AANWIJZING AANWIJZING
3-59
Handige functies van uw auto
3
Waarschuwingslampje
Lage Bandenspanning
Dit waarschuwingslampje gaat
branden:
Als het contact of de Engine Start/
Stop-knop in de stand ON wordt
gezet.
- Het lampje blijft ongeveer 3
seconden branden en gaat dan
uit.
Wanneer een of meer van uw ban-
den aanzienlijke onderspanning
hebben (De locatie van de te zacht
opgepompte banden wordt weer-
gegeven op het LCD-scherm).
Zie voor meer informatie "Waar-
schuwingslampje Lage Bandens-
panning (TPMS)” in hoofdstuk 6.
Dit waarschuwingslampje blijft
branden na ongeveer 60 seconden
knipperen of herhaalt het knippe-
ren en uitgaan met een interval van
ongeveer 3 seconden:
In het geval van een storing in het
TPMS.
In dat geval adviseren we u de
auto te laten zo snel mogelijk con-
troleren door een officiële HYUN-
DAI-dealer.
Zie voor meer informatie "Waar-
schuwingslampje Lage Banden-
spanning (TPMS)” in hoofdstuk 6.
Controlelampje ESC
(indien van toepassing)
Dit lampje gaat branden:
Als het contact of de Engine Start/
Stop-knop in de stand ON wordt
gezet.
- Het lampje blijft ongeveer 3 se-
conden branden en gaat dan uit.
In het geval van een storing in het
ESC.
In dat geval adviseren we u de
auto te laten controleren door een
officiële HYUNDAI-dealer.
Dit lampje knippert:
Terwijl het ESC in werking is.
Zie voor meer informatie "Elekt-
ronisch stabiliteitsprogramma
(ESC)" in hoofdstuk 5.
Veilig stoppen
Het TPMS waarschuwt niet
voor ernstige en plotselinge
schade aan de banden veroor-
zaakt door externe factoren.
Als de auto instabiel aanvoelt,
haal dan onmiddellijk uw voet
van het gaspedaal, trap het
rempedaal licht in en breng
uw auto op een veilige plaats
tot stilstand.
WAARSCHUWING
3-60
Handige functies van uw auto
Controlelampje ESC
OFF
(indien van toepassing)
Dit lampje gaat branden:
Als het contact of de Engine Start/
Stop-knop in de stand ON wordt
gezet.
- Het lampje blijft ongeveer 3 se-
conden branden en gaat dan uit.
Als u het ESC uitschakelt door op
de toets ESC OFF te drukken.
Zie voor meer informatie "Elekt-
ronisch stabiliteitsprogramma
(ESC)" in hoofdstuk 5.
Waarschuwingslampje
Laag Brandstofniveau
Dit waarschuwingslampje gaat
branden:
Als de brandstoftank bijna leeg is.
Als de brandstoftank bijna leeg is, ga
zo snel mogelijk tanken.
- Laag brandstofpeil
Doorrijden met een brandend
waarschuwingslampje voor een
laag brandstofniveau of een lager
brandstofniveau dan "E" op de
brandstofmeter, kan leiden tot
overslaan van de motor en
beschadiging van de katalysator
(indien van toepassing).
Lane Departure
WAARSCHUWING
(LDW) System
Controlelampje.
(indien van toepassing)
Dit lampje gaat branden:
[Groen] Wanneer u het waarschu-
wingssysteem voor het onbedoeld
verlaten van de rijstrook activeert
door op de LDW-knop te drukken.
[Geel] Wanneer zich een storing
voordoet in het waarschuwings-
systeem voor het onbedoeld verla-
ten van de rijstrook.
In dat geval adviseren we u de auto
te laten controleren door een officië-
le HYUNDAI-dealer.
Zie voor meer informatie "Waarschu-
wingssysteem voor het Onbedoeld
Verlaten van de Rijstrook (LDWS)” in
hoofdstuk 5.
AANWIJZING
3-61
Handige functies van uw auto
3
Controlelampje Lane
Keeping Assist-sys-
teem (LKA) (indien
van toepassing)
Dit lampje gaat branden:
[Groen] Er wordt aan de voorwaar-
den voor de werking van het sys-
teem voldaan.
[Wit] Er wordt niet aan de voor-
waarden voor de werking van het
systeem voldaan.
[Geel] In het geval van een storing
in het Lane Keeping Assistsys-
teem.
In dat geval adviseren we u de
auto te laten controleren door een
officiële HYUNDAI-dealer.
Zie “Forward Collision-Avoidance
Assist (FCA)” in hoofdstuk 5 voor
meer informatie.
Waarschuwingslampje
Open UB Portier
(indien van toepassing)
Dit waarschuwingslampje gaat
branden:
Wanneer een portier niet veilig afge-
sloten is.
Waarschuwingslampje
Open Achterklep
(indien van toepassing)
Dit waarschuwingslampje gaat
branden:
Wanneer de achterklep niet veilig
afgesloten is.
Hoofdwaarschuwings-
lampje
Dit waarschuwingslampje gaat
branden:
Wanneer het resterende aantal
kilometers of de resterende tijd 0 is
op het "service-Interval" op het
dashboard.
Wanneer de service-interval-instel-
ling wordt gereset, gaat het hoofd-
waarschuwingslampje uit.
Koplamp waarschu-
wingslampje
(indien van toepassing)
Dit waarschuwingslampje gaat
branden:
Dit waarschuwingslampje licht op als
zich een storing voordoet (opgebran-
de lamp behalve LED-licht of een
defect circuit) met betrekking tot de
buitenverlichting (koplamp, remlicht,
mistlamp vóór, enz.). In dat geval
adviseren we u de auto te laten con-
troleren door een officiële HYUNDAI-
dealer.
Informatie
Wanneer u de lamp vervangt, geb-
ruik een lamp van dezelfde wattage.
Zie voor meer informatie "WATTA-
GE GLOEILAMPEN" in hoofd-
stuk 8.
Als een lamp met verschillende wat-
tage geïnstalleerd is in de auto,
wordt deze waarschuwing niet
weergegeven.
i
3-62
Handige functies van uw auto
Waarschuwingslampje
uitlaatsysteem (GPF)
(benzinemotor, indien
van toepassing)
Dit waarschuwingslampje gaat
branden:
Wanneer opgeslagen roet een
bepaalde hoeveelheid bereikt.
Wanneer dit waarschuwingslampje
gaat branden, kan het mogelijk uit-
gaan indien u met de auto onder
de volgende omstandigheden gaat
rijden.
- met een snelheid van meer dan
80 km/h of
- in een hogere dan de 3e versnel-
ling met een motortoerental tus-
sen 1500 en 4000 omw/min,
gedurende een bepaalde tijd
(ongeveer 30 minuten).
Als dit waarschuwingslampje knip-
pert na het uitvoeren van de proce-
dure (op dat moment wordt op het
display een waarschuwingsmelding
weergegeven), raden we u aan het
benzineroetfiltersysteem te laten
controleren door een officiële
Hyundai-dealer.
Als u langdurig blijft doorrijden
met een knipperend GPF-waar-
schuwingslampje, kan het benzi-
neroetfiltersysteem beschadigd
raken en het brandstofverbruik
toenemen.
AANWIJZING
3-63
Handige functies van uw auto
3
Controlelampje
startblokkeer
(zonder smart key)
(indien van toepassing)
Dit lampje gaat branden:
Wanneer de auto de startonderbre-
ker in uw sleutel goed detecteert, ter-
wijl de motor is ingeschakeld.
- Op dat moment kunt u de motor
starten.
- De controlelampje gaat uit nadat
de motor aanslaat.
Dit lampje knippert:
In het geval van een storing in het
startblokkeersysteem.
In dat geval adviseren we u de auto
te laten controleren door een officië-
le HYUNDAI-dealer.
Controlelampje
Startblokkeer
(met smart key)
(indien van toepassing)
Dit controlelampje licht maximaal
30 seconden:
Wanneer de auto de Smart Key in de
auto goed detecteert, terwijl de
Engine Start/Stop knop in ACC of
ON staat.
- Op dat moment kunt u de motor
starten.
- De controlelampje gaat uit nadat
de motor aanslaat.
Dit controlelampje knippert
gedurende een paar seconden:
Wanneer de Smart Key zich niet in
de auto bevindt.
- Op dat moment kunt u de motor
niet op de normale manier starten.
Dit controlelampje licht 2 seconden
op en gaat uit:
Wanneer de auto de Smart Key die
zich in de auto bevindt niet detec-
teert, terwijl de Engine Start/Stop
knop op ON staat.
In dat geval adviseren we u de auto
te laten controleren door een officië-
le HYUNDAI-dealer.
3-64
Handige functies van uw auto
Dit lampje knippert:
Als de batterij van de Smart Key
bijna leeg is.
- Op dat moment kunt u de motor
niet op de normale manier star-
ten. U kunt de motor echter wel
starten door de Engine Start/Stop
knop met de Smart Key in te
drukken. (Zie voor meer informa-
tie "Starten van de motor" in
hoofdstuk 5).
In het geval van een storing in het
startblokkeersysteem.
In dat geval adviseren we u de
auto te laten controleren door een
officiële HYUNDAI-dealer.
Richtingaanwijzers
Dit lampje knippert:
Wanneer u de richtingaanwijzer aan-
zet.
Als een van de volgende condities
zich voordoen, geeft dit een storing
aan in het richtingaanwijzersysteem.
In dat geval adviseren we u de auto
te laten controleren door een officië-
le HYUNDAI-dealer.
- Het controlelampje knippert niet,
maar licht op.
- Dit lampje sneller knippert.
- Het controlelampje licht helemaal
niet op.
Controlelampje
Grootlicht
Dit lampje gaat branden:
Wanneer de koplampen aan en in
grootlicht stand staan.
Wanneer de hendel van de rich-
tingaanwijzer in de Flash-to-Pass
stand gezet is.
Controlelampje
Dimlicht
Dit lampje gaat branden:
Wanneer het grootlicht is ingescha-
keld.
3-65
Handige functies van uw auto
3
High Beam Assist
(HBA) Controlelampje
(indien van toepassing)
Dit waarschuwingslampje gaat
branden:
Als het grootlicht is ingeschakeld
terwijl de lichtschakelaar in de
stand AUTO staat.
Als uw auto tegenliggers of voorlig-
gers detecteert, zal het High Beam
Assist (HBA)-systeem het groot-
licht automatisch overschakelen
naar dimlicht.
Zie "High Beam Assist" in dit
hoofdstuk voor meer informatie.
Licht AAN
Indicatorlamp
Dit lampje gaat branden:
Wanneer de parkeerlicht of de kop-
lampen is ingeschakeld.
Controlelampje
Mistlampen Vóór
(indien van toepassing)
Dit lampje gaat branden:
Wanneer de mistlampen vóór is
ingeschakeld.
Controlelampje
Mistlampen Achter
Dit lampje gaat branden:
Wanneer de mistlampen achter is
ingeschakeld.
Controlelampje Cruise
(indien van toepassing)
Dit lampje gaat branden:
Wanneer het cruise control-sys-
teem is ingesteld.
Zie voor meer informatie "Cruise
Control Systeem” in hoofdstuk 5.
Controlelampje SET
Cruise
(indien van toepassing)
Dit lampje gaat branden:
Wanneer de snelheid van de crui-
se control is ingesteld.
Zie voor meer informatie "Cruise
Control Systeem” in hoofdstuk 5.
SET
3-66
Handige functies van uw auto
Controlelampje
AUTO STOP
(indien van toepassing)
Dit lampje gaat branden:
Dit controlelampje gaat branden als
de motor in de modus Idie Stop van
het ISG-systeem (Idie Stop & Go)
komt.
Als de motor automatisch wordt
gestart, gaat het controlelampje
AUTO STOP op het instrumentenpa-
neel 5 seconden knipperen.
Zie voor meer informatie “ISG
(Idie Stop & Go) in hoofdstuk 5.
Informatie
Als de motor automatisch wordt
gestart door het ISG-systeem, gaan
een aantal waarschuwingslampjes
(ABS, ESC, ESC OFF, EPS of par-
keerrem) mogelijk een paar seconden
branden.
Dit wordt veroorzaakt door de lage
accuspanning. Het betekent niet dat
er een storing in het systeem zit.
Forward Collision-
Avoidance
Assist-systeem (FCA)
Waarschuwingslampjes
(indien van toepassing)
Dit lampje gaat branden:
Als het contact of de Engine
Start/Stop-knop in de stand ON
wordt gezet.
- Het lampje blijft ongeveer 3 se-
conden branden en gaat dan uit.
In het geval van een storing in het
FCA.
In dat geval adviseren we u de auto
te laten controleren door een officië-
le HYUNDAI-dealer.
Zie “Forward Collision-Avoidance
Assist (FCA)” in hoofdstuk 5 voor
meer informatie.
Controlelampje KEY
OUT (indien van toe-
passing)
Wanneer de Engine Start/Stop knop
in stand ACC of ON staat, wordt door
het systeem gecontroleerd of de
Smart Key aanwezig is als een por-
tier open is.
Dit lampje knippert:
Wanneer de Smart Key niet in de
auto is en een portier geopend is met
het contactslot of de Engine
Start/Stop knop in de ACC of ON
stand.
- Als je op dat moment alle portieren
sluit, zal de claxon gedurende
ongeveer 5 seconden weerklinken.
- Het lampje gaat uit terwijl de auto
rijdt.
i
KEY
OUT
3-67
Handige functies van uw auto
3
Meldingen LCD-display
(indien van toepassing)
Shift to "P" position
(Schakel naar "P")
(auto's met Smart Key-systeem
en automatische transmissie/
Double clutch-transmissie)
Deze waarschuwingsmelding wordt
weergegeven als u probeert de
motor uit te schakelen zonder dat
de selectiehendel in stand P (par-
keerstand) staat.
De Engine Start/Stop-knop gaat
dan over naar de stand ACC (als u
de Engine Start/Stop-knop nog-
maals indrukt, gaat hij over naar de
stand ON).
Low Key Battery
(Batterij Smart Key bijna leeg)
(auto's met Smart Key-systeem)
Deze waarschuwing licht op wan-
neer de batterij van de Smart Key
ontladen is wanneer de Engine
Start/Stop-knop UIT geschakeld is.
Press start button while
turning wheel
(Draai stuur/Druk op start)
(auto's met Smart Key-systeem)
Deze waarschuwingsmelding wordt
weergegeven als het stuurwiel niet
normaal wordt ontgrendeld bij het
indrukken van de Engine Start/Stop-
knop.
Druk de Engine Start/Stop-knop in
terwijl u het stuurwiel naar rechts en
naar links draait.
Steering wheel not locked
(Stuur niet vergrendeld)
(auto's met Smart Key-systeem)
Deze waarschuwingsmelding wordt
weergegeven als het stuurwiel niet
wordt vergrendeld wanneer de
Engine Start/Stop-knop UIT gescha-
keld is.
Check steering wheel
lock system
(Controleer vergrendeling stuur)
(auto's met Smart Key-systeem)
Deze waarschuwingsmelding wordt
weergegeven als het stuurwiel niet
wordt vergrendeld normaal wanneer
de Engine Start/Stop-knop UIT
geschakeld is.
Press clutch pedal to
start engine
(Druk koppeling in voor starten)
(auto's met Smart Key-systeem
en handgeschakelde
transmissie)
Deze waarschuwing licht tweemaal
op wanneer de Engine Start/Stop-
knop in ACC-stand staat, door de
knop herhaaldelijk in te drukken zon-
der de koppelingspedaal in te druk-
ken.
Druk het koppelingspedaal in om de
motor te starten.
3-68
Handige functies van uw auto
3
Press brake pedal to start engine
(Druk rem in voor starten motor)
(auto's met Smart Key-systeem
en automatische transmissie/
Double clutch-transmissie)
Deze waarschuwingsmelding wordt
weergegeven als de Engine Start/
Stop-knop tweemaal naar de stand
ACC gaat doordat u herhaaldelijk
op de knop drukt zonder het rem-
pedaal in te trappen.
De melding attendeert u erop dat u
het rempedaal ingetrapt moet hou-
den om de motor te kunnen star-
ten.
Key not in vehicle
(Smart Key niet in auto)
(auto's met Smart Key-systeem)
Deze waarschuwingsmelding wordt
weergegeven als u de Engine Start/
Stop-knop indrukt terwijl de Smart
Key zich niet in de auto bevindt.
Zorg dat u altijd de Smart Key bij u
hebt.
Key not detected
(Smart Key niet gevonden)
(auto's met Smart Key-systeem)
Deze waarschuwingsmelding wordt
weergegeven als u de Engine Start/
Stop-knop indrukt terwijl de Smart
Key niet is gedetecteerd.
Press start button again
(Druk nogmaals op Start)
(auto's met Smart Key-systeem)
Deze waarschuwingsmelding wordt
weergegeven als u de Engine Start/
Stop-knop niet kunt bedienen wan-
neer er een storing is in het systeem
van de Engine Start/Stop-knop.
Start de motor door nog een keer op
de Engine Start/Stop knop te druk-
ken.
Als het waarschuwingslampje gaat
branden telkens wanneer u de En-
gine Start/Stop-knop indrukt, raden
wij u aan de auto te laten controleren
door een officiële HYUNDAI-dealer.
Press “START” button with key
(Druk op “START” met Smart
Key)
(auto's met Smart Key-systeem)
Deze waarschuwingsmelding wordt
weergegeven als u de Engine Start/
Stop-knop indrukt terwijl de melding
"Key not detected (Smart Key niet
gevonden)" wordt weergegeven.
Het controlelampje startblokkeer-
systeem gaat dan knipperen.
Check "BRAKE SWITCH" fuse
(Controleer zekering "BRAKE
SWITCH") (auto's met Smart Key-
systeem en automatische trans-
missie/double clutch-transmis-
sie)
Deze waarschuwingsmelding wordt
weergegeven als de remlichtzeke-
ring is doorgebrand.
De melding attendeert u erop dat u
de zekering moet vervangen door
een nieuwe. Als het niet mogelijk
is, kunt u de motor starten door de
toets Engine Start/Stop in stand
ACC 10 seconden ingedrukt te
houden.
3
Shift to "P" or "N" to start engine
(Kies "P" of "N" voor starten)
(auto's met Smart Key-systeem
en automatische transmissie/
Double clutch-transmissie)
Deze waarschuwingsmelding wordt
weergegeven als u probeert de
motor te starten terwijl de selectie-
hendel niet in stand P (parkeren) of
N (neutraal) staat.
Informatie
U kunt de motor starten als de selec-
tiehendel in stand N (Neutraal) staat.
Voor uw eigen veiligheid is het echter
raadzaam de motor te starten als de
selectiehendel in stand P (parkeren)
staat.
Portier open
Deze indicator geeft weer welk por-
tier open is.
Schuifdak open
(indien van toepassing)
Deze waarschuwing licht op als je de
motor uitzet wanneer het schuifdak
geopend is.
i
3-69
Handige functies van uw auto
3
OIB047144
nType B
Controleer, voordat u gaat rij-
den, of de portieren/ motorkap/
achterklep geheel gesloten zijn.
Controleer of er geen waarschu-
wingslampje voor een open por-
tier/kap/achterklep oplicht of
een bericht weergegeven wordt
op het instrumentenpaneel.
OPMERKING
OGB048240
nType B
3-70
Handige functies van uw auto
Achterklep open
Deze indicator geeft weer welk ach-
terklep open is.
Motorkap open
Deze indicator geeft weer welk
motorkap open is.
Verlichtingsmodus
Dit controlelampje geeft aan welke
verlichtingsmodus er is geselecteerd
met de lichtschakelaar.
OIB047145
nType B
OGB048253
nType B
OHCI047637
nType B
3-71
Handige functies van uw auto
3
Ruitenwisser
Dit controlelampje geeft aan welke
wissersnelheid er is geselecteerd
met de ruitenwisserschakelaar.
Stuurwielverwarming Aan
(indien van toepassing)
Deze waarschuwing licht op wan-
neer u de verwarming voor het
stuurwiel aan zet.
Zie "Stuurwielverwarming" in dit
hoofdstuk voor meer informatie.
Stuurwielverwarming Uit
(indien van toepassing)
Deze waarschuwing gaat oplichten
als u het verwarmde stuurwiel uit-
schakelt.
Zie "Stuurwielverwarming" in dit
hoofdstuk voor meer informatie.
Uitlijnen stuurwiel
(indien van toepassing)
Deze waarschuwing licht op als je de
motor start wanneer het stuurwiel 90
graden naar links of naar rechts is
gedraaid.
Draai het stuurwiel en zorg ervoor
dat de hoek van het stuurwiel kleiner
dan 30 graden is.
OHCI047375
nType B
3-72
Handige functies van uw auto
Lage spanning
(indien van toepassing)
Deze waarschuwingsmelding wordt
weergegeven als de bandenspan-
ning te laag is. Aangegeven wordt in
welke band de spanning te laag is.
Zie voor meer informatie "Waar-
schuwingslampje Lage Banden-
spanning (TPMS)” in hoofdstuk 6.
Lage Brandstof
Deze waarschuwing gaat oplichten
als de brandstoftank bijna leeg is.
- Wanneer het lage brandstofpeil
waarschuwingslampje oplicht.
- Wanneer de reiscomputer "--- km
(of mijl)" weergeeft als afstand tot
leeg.
Vul zo snel mogelijk brandstof bij.
Motor is oververhit
Het waarschuwingsmelding gaat
branden als de koelvloeistoftempe-
ratuur hoger is dan 120°C. Dit bete-
kent dat de motor oververhit is en
beschadigd kan geraken.
Schakel de ZEKERING
SCHAKELAAR in
Deze waarschuwing licht op wan-
neer de zekeringsschakelaar die
zich in de zekeringkast onder het
stuurwiel bevindt, uitgeschakeld is.
Dit betekent dat u de zekering-
schakelaar moet inschakelen.
Zie voor meer informatie "Zeke-
ringen” in hoofdstuk 7.
OGB058067
3-73
Handige functies van uw auto
3
Controleer koplamp
(indien van toepassing)
Deze waarschuwing licht op als er
zich een storing voordoet (opgebran-
de lamp uitgezonderd LED-licht of
een defect circuit) met betrekking tot
de buitenverlichting (koplamp, rem-
licht, mistlampen vóór, etc.). In dat
geval adviseren we u de auto te laten
controleren door een officiële HYUN-
DAI-dealer.
Informatie
Wanneer u de lamp vervangt, geb-
ruik een lamp van dezelfde wattage.
Zie voor meer informatie "WATTA-
GE GLOEILAMPEN" in hoofdstuk
8.
Als een lamp met verschillende wat-
tage geïnstalleerd is in de auto,
wordt deze waarschuwing niet
weergegeven.
Controleer uitlaatsysteem
(indien van toepassing)
Deze waarschuwingsmelding wordt
weergegeven wanneer zich een sto-
ring voordoet in het roetfilter- of ben-
zineroetfiltersysteem. Tevens knip-
pert het waarschuwingslampje GPF.
Laat in dit geval het roetfilter- of ben-
zineroetfiltersysteem controleren
door een officiële Hyundai-dealer.
GPF: Benzineroetfilter
Zie "Waarschuwingslampjes" in dit
hoofdstuk voor meer informatie.
Check systeem High Beam
Assist (HBA)
(indien van toepassing)
Deze waarschuwingsmelding wordt
weergegeven als er een probleem is
met de High Beam Assist (HBA).
We adviseren u de auto te laten con-
troleren door een officiële HYUNDAI-
dealer.
Zie “High Beam Assist (HBA)” in
hoofdstuk 3 voor meer informatie.
i
3-74
Handige functies van uw auto
Check Waarschuwingssysteem
voor het onbedoeld verlaten
(LDW) (indien van toepassing)
Deze waarschuwingsmelding wordt
weergegeven als er een probleem is
met de Lane Departure Warning-sys-
teem.
We adviseren u de auto te laten con-
troleren door een officiële HYUNDAI-
dealer.
Zie voor meer informatie "Waar-
schuwingssysteem voor het On-
bedoeld Verlaten van de Rijstrook
(LDW)” in hoofdstuk 5.
Check systeem waarsch.
oplettendh. best. (DAW)
(indien van toepassing)
Deze waarschuwingsmelding wordt
weergegeven als er een probleem is
met het Driver Attention Warning-
systeem (DAW).
We adviseren u de auto te laten con-
troleren door een officiële HYUNDAI-
dealer.
Zie "Driver Attention Warningsys-
teem (DAW)" in hoofdstuk 5 voor
meer informatie.
3-75
Handige functies van uw auto
3
Bediening LCD-display
(indien van toepassing)
De instellingen van het LCD-display
kunnen worden gewijzigd met de
bedieningstoetsen.
(1) : Toets MODE voor het selec-
teren van modi
(2) s, t: VERPLAATS de schake-
laar voor het wijzigen van
items
(3) OK : SELECT/RESET knop voor
het instellen of het opnieuw
instellen van het geselec-
teerde item
Zie "LCD-display" in dit hoofdstuk
voor de LCD-modi.
LCD-modus
LCD-DISPLAY (INDIEN VAN TOEPASSING)
Zie "Bediening LCD-display" in dit hoofdstuk voor het instellen van de
LCD-modi.
Modi Symbool Toelichting
Tripcomputer
Deze modus geeft rijinformatie zoals de dagteller, het
brandstofverbruik, enz. weer.
Zie "Tripcomputer" in dit hoofdstuk voor meer informatie.
Assist
(indien van
toepassing)
In deze modus wordt de status weergegeven van:
- Lane Departure Warning-systeem (LDW)
- Lane Keeping Assist-systeem (LKA)
- Driver Attention Warning-systeem (DAW)
- Forward Collision-Avoidance Assist-systeem (FCA)
Zie "Lane Departure Warning-systeem (LDW)”, "Lane
Keeping Assist-systeem (LKA)”, "Driver Attention
Warning-systeem (DAW)”, “Forward Collision-
Avoidance Assist-systeem (FCA)” in hoofdstuk 5 voor
meer informatie.
Gebruikers-
instellingen
Via deze modus kunt u instellingen met betrekking tot
de portieren, verlichting, enz. wijzigen.
Master Waar-
schuwing
Deze modus informeert over waarschuwingsberichten
met betrekking tot het voertuig wanneer één of meer
systemen niet normaal werken.
OGB044018
3-76
Handige functies van uw auto
De instellingen kunnen niet ge-
wijzigd worden tijdens het rijden
Deze waarschuwing licht op wan-
neer u probeert om tijdens het rijden
de andere gebruikersinstellingen te
selecteren.
Voor de veiligheid, verander de
gebruikersinstellingen pas na het
parkeren van de auto, gebruik de
handrem en schakel de versnelling-
spook naar N (neutraal) stand.
Snelle handleiding (Help, indien
van toepassing)
Als u op de OK-knop in de gebrui-
kersinstellingenmodus drukt en deze
ingedrukt houdt, wordt uitleg over het
geselecteerde item weergegeven op
het dashboard.
Tripcomputer modus
Deze modus geeft rijinformatie zoals
de dagteller, het brandstofverbruik,
enz. Weer.
Zie "Tripcomputer" in dit hoofd-
stuk voor meer informatie.
Informatiemodus
Onderhoudsinterval
Onderhoud over
Deze modus berekent en laat zien
wanneer uw auto weer aan periodiek
onderhoud toe is (in kilometers of in
dagen).
Vanaf het moment dat er nog 1500
km of 30 dagen resteren voordat het
onderhoudsinterval is verstreken,
wordt nadat de Engine Start/Stop -
Knop in de stand ON is gezet gedu-
rende enkele seconden de melding
"Onderhoud over" weergegeven.
Voor het instellen van het service-
interval, zie naar de "Gebruikers-
instellingenmodus" van het LCD-
scherm.
OGB048242/OGB048243
nType B
· A/T, DCT
· M/T
OGB048244
nType B
OIB044165
3-77
Handige functies van uw auto
3
Onderhoud vereist
Als u het periodieke onderhoud niet
hebt laten uitvoeren volgens het
geprogrammeerde onderhoudsinter-
val, wordt nadat de Engine Start/
Stop-knop in de stand ON is gezet
gedurende enkele seconden de mel-
ding "Onderhoud vereist" weergege-
ven.
Resetten van het onderhoudsinterval
naar het eerder geprogrammeerde
interval in km of dagen:
- Druk op de toets langer dan 1
seconden ingedrukt.
Onderhoud OFF
Wanneer het service-interval niet is
ingesteld, zal een "Service-Interval
Off" bericht worden weergegeven op
het LCD-scherm.
Informatie
Onder de volgende omstandigheden is
het mogelijk dat het aantal km of da-
gen niet correct wordt weergegeven.
- Na het losnemen en weer aansluiten
van de accukabels.
- Na het uitschakelen en weer inscha-
kelen van de zekeringschakelaar.
- Nadat de accu ontladen is geweest.
Waarschuwingsmeldinge
Als een van de volgende dingen
gebeurt, zullen waarschuwingsbe-
richten worden weergegeven op de
informatie-modus gedurende enkele
seconden.
- Lage brandstof enz.
i
OIB044166 OIB044167
3-78
Handige functies van uw auto
Modus Gebruikersinstellingen (Instrumentenpaneel Type B)
Via deze modus kunt u instellingen met betrekking tot het instrumentenpaneel, de portieren, verlichting, enz. wijzigen.
Onderwerpen Toelichting
Driver Attention Warningsysteem (DAW)
(indien van toepassing)
Instellen van de gevoeligheid van het Driver Attention Warning-systeem (DAW).
- Uit/Normale gevoeligheid/ Lage gevoeligheid
Zie "Driver Attention Warningsysteem (DAW)" in hoofdstuk 5 voor meer informatie.
Rijbaanveiligheid (indien van toepassing)
Instellen van de Lane Keeping Assist-functie (LKA).
- LKA-modus / LDW-modus
Zie "Lane Keeping Assist-systeem (LKA)" in hoofdstuk 5 voor meer informatie.
Forward Collision-Avoidance Assist (FCA)
(indien van toepassing)
In- en uitschakelen van de Forward Collision-Avoidance Assist (FCA).
Zie "Forward Collision-Avoidance Assist (FCA)" in hoofdstuk 5 voor meer informatie.
Waarschuwing kopstaartbotsing (FCA)
(indien van toepassing)
Instellen van eerste waarschuwingsmoment van de Forward Collision-Avoidance Assist (FCA).
- Vroeg / Normaal / Laat
Zie "Forward Collision-Avoidance Assist (FCA)" in hoofdstuk 5 voor meer informatie.
Bestuurdershulp
3-79
Handige functies van uw auto
3
Onderwerpen Toelichting
Automatische vergrendeling
Uitschakelen: De centrale vergrendeling wordt uitgeschakeld.
Inschakelen op snelheid: Alle portieren worden automatisch vergrendeld als een snelheid van 9.3
km/h wordt bereikt.
Inschakelen op schakelen: Alle portieren worden automatisch Vergrendeld wanneer de selectie-
hendel van de automatische transmissie/ double clutch-transmissie vanuit stand P (parkeer-
stand) in stand R (achteruit), N (neutraalstand) of D (rijstand) wordt gezet.
Auto ontgrendelen
Uitschakelen: De centrale ontgrendeling wordt uitgeschakeld.
Auto uit: Alle portieren worden automatisch ontgrendeld als de contactsleutel uit het contactslot
wordt verwijderd of als de Engýne Start/Stop-knop in de stand OFF wordt gezet.
Tijdens het schakelen naar P. Alle portieren worden automatisch ontgrendeld wanneer de selec-
tiehendel van de automatische transmissie/ double clutch-transmissie in stand P (parkeerstand)
wordt gezet.
Portier
Verlichting
Onderwerpen Toelichting
Één Druk
Richtingaanwijzerfunctie
• Off: De één druk richtingaanwijzerfunctie zal worden gedeactiveerd.
• 3, 5, 7 Flitsen: De richtingaanwijzers zullen 3, 5, of 7 keer knipperen wanneer de hendel van de
richtingaanwijzers lichtjes wordt bewogen.
Zie "Verlicthing" in dit hoofdstuk voor meer informatie.
Begeleidingslampen
• On: De koplamp follow me home-functie zal worden geactiveerd.
• Off: De koplamp follow me home-functie zal worden gedeactiveerd.
Zie "Verlicthing" in dit hoofdstuk voor meer informatie.
3-80
Handige functies van uw auto
Onderwerpen Toelichting
Welcome Light
• The welcome verlichting functie will be geactiveerd.
• Off: De welcome light-functie zal worden gedeactiveerd.
Zie "Welcome-systeem" in dit hoofdstuk voor meer informatie.
Weergave ruitenwisser/verlichting
In- en uitschakelen van de ruitenwisser/verlichtingsmodus.
Indien geactiveerd toont het LCDdisplay de geselecteerde ruitenwisser/verlichtingsmodus tel-
kens als u de modus wijzigt.
Automatische ruitenwisser achter
(indien van toepassing)
Als deze optie wordt aangevinkt, wordt de achterruitwisser automatisch geactiveerd als de de
ruitenwissers in de ON-stand staat en de schakelhendel in de stand R (achteruit) staat.
Versnellingsstand pop-up In- en uitschakelen van de pop-up voor de ingeschakelde versnelling.
Indien geactiveerd wordt de schakelstand weergegeven op het LCD-display.
Icy waarschuwıngs (indien van toepassing) Als deze optie wordt aangevinkt, wordt het Waarschuwing voor ijs op weg geactiveerd.
Convenience [Handig]
3-81
Handige functies van uw auto
3
Als het service-intervalmenu geactiveerd is en het tijdstip en de afstand ingesteld zijn, worden er meldingen weerge-
geven in de volgende situaties, elke keer als het contact in stand ON gezet wordt.
- Onderhoud over: Wordt weergegeven om de bestuurder te informeren over het aantal kilometers en het aantal
dagen totdat er onderhoud moet worden uitgevoerd.
- Onderhoud vereist: Wordt weergegeven als het aantal kilometers en het aantal dagen bereikt of verstreken zijn.
Informatie
Onder de volgende omstandigheden is het mogelijk dat het aantal km of dagen niet correct wordt weergegeven.
- Na het losnemen en weer aansluiten van de accukabels.
- Na het uitschakelen en weer inschakelen van de zekeringschakelaar.
- Nadat de accu ontladen is geweest.
i
Onderwerpen Toelichting
Onderhoudsinterval In- en uitschakelen van de onderhoudsintervalfunctie.
Stel interval in Als het service-intervalmenu geactiveerd is kunt u het tijdstip en de afstand instellen.
Resetten
U kunt de menu's resetten in de modus Gebruikersinstellingen. Alle menu's in de modus
Gebruikersinstellingen worden gereset naar de fabrieksinstellingen, met uitzondering van taal en
onderhoudsinterval.
Onderhoudsinterval
3-82
Handige functies van uw auto
Onderwerpen Toelichting
Brandstofverbruik Resetten
- Off: Het gemiddelde brandstofverbruik wordt niet na elke tankbeurt automatisch gereset.
- Na starten: Als de motor ten minste 4 uur uitgeschakeld is geweest, wordt het gemiddelde
brandstofverbruik automatisch gereset.
- Na tanken: Het gemiddelde brandstofverbruik wordt automatisch gereset nadat er ten minste 6
liter brandstof is getankt en de rijsnelheid hoger is dan 1 km/h.
Zie "Tripcomputer" in dit hoofdstuk voor meer informatie.
Brandstofverbruik Eenheid Selecteren van de eenheid voor brandstofverbruik.
- US gallon / UK gallon
Temperatuureenheid Selecteren van de eenheid voor temperatuur.
- °C / °F
Anders
Onderwerpen Toelichting
Taal Om taal te selecteren.
Taal
3-83
Handige functies van uw auto
3
Instrumentenpaneel Type A
De tripcomputer voorziet de bestuur-
der via een display van informatie
over de rit wanneer het contactslot in
de stand ON staat.
Informatie
Bepaalde rij informatie die door de
tripcomputer is opgeslagen (bijvoor-
beeld de gemiddelde rijsnelheid)
wordt gereset als de accu wordt losge-
koppeld.
Tripmodi
Druk de toets TRIP op het stuurwiel
in om de modus van de tripcomputer
te wijzigen.
i
TRIPCOMPUTER
Dagteller B
Dagteller A
Gemiddeld brandstofverbruik*
Actueel brandstofverbruik*
Gemiddelde rijsnelheid
Verstreken tijd
Digitale snelheidsmeter aan/uit
instelling
Actieradius*
* : indien van toepassing
OIB044097
3-84
Handige functies van uw auto
Actieradius (1)
(indien van toepassing)
De actieradius is de geschatte
afstand die de auto kan afleggen
met de resterende brandstof.
- Bereik:
50 ~ 1999 km of 30 ~ 1999 mi.
Als de geschatte actieradius min-
der dan 50 km is, geeft de tripcom-
puter "-" weer in plaats van de
actieradius.
En, het waarschuwingsbericht "La-
ge Brandstof" wordt weergegeven.
Informatie
Als de auto niet op een horizontaal
vlak staat of nadat de accupolen los-
genomen zijn geweest, kan het
gebeuren dat de functie actieradius
niet goed werkt.
De weergegeven actieradius is een
schatting van de afstand die met de
auto gereden kan worden en kan
dus afwijken van de werkelijke
actieradius.
Indien er minder dan 6 liter brand-
stof wordt getankt, wordt dat niet
door de tripcomputer geregistreerd.
Het brandstofverbruik en de actier-
adius zijn sterk afhankelijk van de
rijomstandigheden, de rijstijl van de
bestuurder en de staat van de auto.
Gemiddeld brandstofverbruik
(2) (indien van toepassing)
Het gemiddelde brandstofverbruik
wordt berekend op basis van de
totale gereden afstand en het tota-
le brandstofverbruik sinds het
gemiddelde brandstofverbruik voor
het laatst gereset werd.
- Bereik:
0.0 ~ 99.9 L/100km, km/L of
MPG
Het gemiddelde brandstofverbruik
kan zowel handmatig als automa-
tisch gereset worden.
Handmatig resetten
Om het gemiddelde brandstofver-
bruik handmatig te wissen, druk lan-
ger dan 1 seconde op de [RESET]
knop op het stuurwiel wanneer het
gemiddelde brandstofverbruik wordt
weergegeven.
Automatisch resetten
Om ervoor te zorgen dat het gemid-
delde brandstofverbruik automatisch
wordt gereset wanneer je gaat tan-
ken, selecteer de "Auto Reset"-mo-
dus in het Gebruiker Instellingen-
menu van het LCD-scherm.
i
OIB044159
3-85
Handige functies van uw auto
3
In de "Auto Reset" -modus wordt het
gemiddelde brandstofverbruik auto-
matisch gereset als er harder dan 1
km/h gereden wordt nadat er ten
minste 6 liter brandstof is getankt.
Informatie
Het gemiddelde brandstofverbruik
wordt niet weergegeven als sinds het
in de stand ON zetten van het contact-
slot of de Engine Start/Stop knop min-
der dan 300 meter of minder dan 10
seconden is gereden (de berekening is
dan onvoldoende nauwkeurig).
Actueel brandstofverbruik (3)
(indien van toepassing)
Deze modus geeft bij een rijsnel-
heid van ten minste 10 km/h het
brandstofverbruik over de laatste
paar seconden weer.
- Bereik: 0 ~ 30 L/100km, km/L
Dagteller A/B (1)
De dagteller geeft de totale afstand
weer die is gereden sinds de dag-
teller voor het laatst gereset werd.
- Bereik: 0,0 - 9999,9 km of mi.
Om de dagteller te resetten, druk
langer dan 1 seconde op de
[RESET] knop op het stuurwiel
wanneer de dagteller wordt weer-
gegeven.
Gemiddelde rijsnelheid (2)
De gemiddelde rijsnelheid wordt
berekend op basis van de totale
gereden afstand en reisduur sinds
de gemiddelde rijsnelheid voor het
laatst gereset werd.
- Bereik:
0~260 km/h of 0~160 mph
Om de gemiddelde snelheid van
de wagen opnieuw in te stellen,
drukt u langer dan 1 seconde, op
de knop [RESET] op het stuur
wanneer de gemiddelde snelheid
wordt weergegeven.
Informatie
De gemiddelde rijsnelheid wordt
niet weergegeven als sinds het in de
stand ON zetten van het contact of
de ENGINE START/STOP knop
minder dan 300 meter of minder
dan 10 seconden is gereden.
Zolang de motor draait, blijft de
gemiddelde snelheid doorlopen, ook
als de auto stilstaat.
i
i
OIB044158
3-86
Handige functies van uw auto
Verstreken tijd (3)
De verstreken tijd is de totale reis-
duur sinds de verstreken tijd voor
het laatst gereset werd.
- Bereik (hh:mm):
00:00 ~ 99:59
Om de verstreken tijd te resetten,
druk langer dan 1 seconde op de
[RESET] op het stuurwiel wanneer
de verstreken tijd wordt weergege-
ven.
Informatie
Zolang de motor draait, blijft de vers-
treken tijd doorlopen, ook als de auto
stilstaat.
Digitale Snelheidsmeter
Deze boodschap geeft de snelheid
van de auto aan (km/u, MPH).
De digitale wordt snelheidsmeter
weergegeven wanneer "SNELHEID"
op "ON" staat op het dashboard.
Als de “SPEED” “OFF” wordt weer-
gegeven en de RESET-knop langer
dan 1 seconde wordt ingedrukt,
wordt de digitale snelheidsmeter
weergegeven.
iOIB044160
OIB044161
3-87
Handige functies van uw auto
3
Instrumentenpaneel Type B
De boordcomputer voorziet de
bestuurder via een display van infor-
matie over de rit.
Informatie
Bepaalde rij informatie die door de
tripcomputer is opgeslagen (bijvoor-
beeld de gemiddelde rijsnelheid) wordt
gereset als de accu wordt losgekoppeld.
Tripmodi
Druk de toets “ , ” op het stuur-
wiel in om de modus van de tripcom-
puter te wijzigen.
i
Temperatuur Transmissie*1
*1: indien uitgerust met Double clutch-trans-
missie
• Dagteller
• Gemiddeld Brandstofverbruik
• Verstreken tijd
Bestuursinformatie
• Dagteller
• Gemiddeld Brandstofverbruik
• Verstreken tijd
Cumulatieve informatie
• Gemiddeld Brandstofverbruik
• Actueel Brandstofverbruik
Brandstofverbruik
Digitale Snelheidsmeter
OGB044018
3-88
Handige functies van uw auto
Brandstofverbruik
Gemiddeld brandstofverbruik (1)
Het gemiddelde brandstofverbruik
wordt berekend op basis van de
totale gereden afstand en het tota-
le brandstofverbruik sinds het
gemiddelde brandstofverbruik voor
het laatst gereset werd.
Het gemiddelde brandstofverbruik
kan zowel handmatig als automa-
tisch gereset worden.
Handmatig resetten
Om het gemiddelde brandstofver-
bruik handmatig te wissen, druk lan-
ger dan 1 seconde op de [OK] knop
op het stuurwiel wanneer het gemid-
delde brandstofverbruik wordt weer-
gegeven.
Automatisch resetten
Selecteer de modus "Na het tanken"
in het menu "Gebruikersinstellingen"
op het LCD-display om het gemid-
delde brandstofverbruik sinds het
tanken automatisch te resetten.
- Na Starten: Het gemiddelde brand-
stofverbruik wordt automatisch
gereset als er 4 uur verstreken zijn
nadat de motor UIT gezet is.
- Na tanken: Het gemiddelde brand-
stofverbruik wordt automatisch
gereset als er harder dan 1 km/h
gereden wordt nadat er ten minste
6 liter brandstof is getankt.
Informatie
Er moet minimaal 300 m met de auto
gereden zijn nadat het contact AAN
gezet is voordat het gemiddelde
brandstofverbruik opnieuw wordt
berekend.
Actueel Brandstofverbruik (2)
De onmiddellijke brandstofbesparing
wordt tijdens het rijden volgens de
staafgrafiek in het LCD-display weer-
gegeven.
i
OGB048244
3-89
Handige functies van uw auto
3
Display cumulatieve informatie
Dit display toont de totale gereden
afstand (1), het totale gemiddelde
brandstofverbruik (2) en de totale
reisduur (3).
De informatie wordt berekend vanaf
de laatste reset.
Houd om de informatie handmatig te
resetten de knop OK ingedrukt terwijl
u de cumulatieve ritinformatie bekijkt
De gereden afstand, het gemiddelde
brandstofverbruik en de totale reis-
duur worden gelijktijdig gereset.
De cumulatieve ritinformatie loopt
door als de motor draait (bijvoor-
beeld als u in de file staat of wacht bij
een verkeerslicht).
Informatie
Er moet minimaal 300 m met de auto
gereden zijn nadat het contact AAN
gezet is voordat het gemiddelde
brandstofverbruik opnieuw wordt
berekend.
Display Rij-info
Dit display toont de gereden afstand
(1), het gemiddelde brandstofver-
bruik (2) en de totale reisduur (3).
De informatie wordt berekend voor
elke ontstekingscyclus. De rij-infor-
matiegegevens worden geïnitiali-
seerd, wanneer deze 4 uur na het
UITSCHAKELEN van de motor zijn
gepasseerd. Met andere woorden,
de laatste rij-informatie is beschik-
baar 4 uur na het inschakelen van de
motor.
i
OGB048245 OGB048246
3-90
Handige functies van uw auto
Om de informatie handmatig te res-
etten, houdt u de knop OK ingedrukt
tijdens het bekijken van de rij-infor-
matie. De gereden afstand, het
gemiddelde brandstofverbruik en de
totale reisduur worden gelijktijdig
gereset.
De ritinformatie loopt door als de
motor draait (bijvoorbeeld als u in de
file staat of wacht bij een verkeers-
licht).
Informatie
Er moet minimaal 300 m met de auto
gereden zijn nadat het contact AAN
gezet is voordat het gemiddelde
brandstofverbruik opnieuw wordt
berekend.
Digitale snelheidsmeter
Deze boodschap geeft de snelheid
van de auto aan (km/u, MPH).
Temperatuur Transmissie
(indien van toepassing)
Het display van de transmissietem-
peratuurmeter toont de huidige tem-
peratuur van de double clutch-trans-
missie.
Controleer de temperatuurmeter en
onderhoud de optimale rijconditie.
Zie “Dual Clutch transmissie” in
hoofdstuk 5 voor meer informatie.
iOHCR046137
OGB048247
3-91
Handige functies van uw auto
3
VERLICHTING
Exterieurverlichting
Bediening verlichting
Draai, om de verlichting te bedienen,
de knop op het uiteinde van de com-
bischakelaar naar een van de vol-
gende standen:
(1) Stand UIT
(2) Stand automatische verlichting
(indien van toepassing)
(3) Stand parkeerlicht
(4) Stand koplampen
Stand koplampen ( )
Als de lichtschakelaar in de stand
grootlicht staat, de koplampen, de
kentekenplaatverlichting en de dash-
boardverlichting.
Informatie
Om de verlichting in te kunnen scha-
kelen moet het contact in stand ON
staan.
Stand parkeerlicht ( )
Als de lichtschakelaar in de stand
parkeerlicht staat, het parkeerlicht
(positie), de kentekenplaatverlichting
en de dashboardverlichting.
i
OGB044022
OGB044024OGB044023
3-92
Handige functies van uw auto
Stand automatische verlichting
(indien van toepassing)
Als de lichtschakelaar in stand AUTO
staat, worden het parkeerlicht (posi-
tie) en de koplampen automatisch in-
of uitgeschakeld, afhankelijk van hoe
donker het buiten is.
Zelfs met de AUTO lichtfunctie in
werking, is het raadzaam om de ver-
lichting handmatig in te schakelen bij
het rijden 's nachts of in mist, of wan-
neer u donkere gebieden inrijdt,
zoals tunnels en parkeerfaciliteiten.
Bedek of mors niets op de sen-
sor (1) op het dashboard.
Reinig de sensor niet met een
ruitenreiniger. Deze laat een
dunne laag achter op de sensor,
waardoor deze niet meer goed
werkt.
Als de voorruit van uw auto ge-
tint glas heeft of is voorzien van
een coating, functioneert de
AUTOMATISCHE verlichting mo-
gelijk niet goed.
Grootlicht
Druk de combischakelaar van u af om
het grootlicht koplamp in te schake-
len. De hendel keert terug naar zijn
oorspronkelijke stand.
Het controlelampje voor het grootlicht
gaat branden wanneer het grootlicht
wordt ingeschakeld.
Trek de hendel naar u toe om het
grootlicht uit te schakelen. Het dim-
licht is ingeschakeld zijn.
AANWIJZING
OGB044026
OGB044025
Gebruik het grootlicht niet wan-
neer er andere voertuigen in de
buurt zijn. Het gebruik van groot-
licht kan het zicht van de andere
bestuurders belemmeren.
WAARSCHUWING
3-93
Handige functies van uw auto
3
Om met de grootlicht koplampen te
knipperen, trek de hendel naar u toe,
en laat vervolgens de hendel weer
los. Het grootlicht blijft branden
zolang u de hendel naar u toe
getrokken houdt.
High Beam Assist (HBA)
(indien van toepassing)
De High Beam Assist (HBA) is een
systeem dat automatisch het kop-
lampbereik aanpast (wisselt tussen
grootlicht en dimlicht) overeenkom-
stig de helderheid van andere auto's
en wegomstandigheden.
Werking
1. Zet de lichtschakelaar in de stand
AUTO.
2. Beweeg de hendel van u af om
het grootlicht in te schakelen.
3. Het controlelampje van de High
Beam Assist (HBA) ( ) gaat bran-
den.
4. De High Beam Assist (HBA) wordt
ingeschakeld wanneer de rijsnel-
heid hoger is dan 45 km/h.
5. De details van de werking met de
lichtschakelaar terwijl de Groot-
lichtassistent aan is, staan hieron-
der.
1) Wanneer u de lichtschakelaar
van u af beweegt terwijl de High
Beam Assist (HBA) in werking is,
wordt de High Beam Assist
(HBA) uitgeschakeld en blijft het
grootlicht onafgebroken branden.
2)
W
anneer u de lichtschakelaar
naar u toe beweegt terwijl het
grootlicht is uitgeschakeld,
wordt het grootlicht ingescha-
keld zonder dat de High Beam
Assist (HBA) wordt uitgescha-
keld. Wanneer u de lichtschake-
laar loslaat, beweegt de hendel
naar het midden en wordt het
grootlicht uitgeschakeld.
3) Wanneer u de lichtschakelaar
naar u toe beweegt terwijl het
grootlicht door de High Beam
Assist (HBA) is ingeschakeld,
wordt het dimlicht ingeschakeld
en wordt de High Beam Assist
(HBA) uitgeschakeld.
OGB044027
OGB048024
3-94
Handige functies van uw auto
4) Wanneer de lichtschakelaar in de
stand koplampen wordt gezet,
wordt de High Beam Assist (HBA)
uitgeschakeld en blijft het dimlicht
onafgebroken branden.
In de volgende gevallen wordt, wan-
neer de High Beam Assist (HBA) in
werking is, van grootlicht overge-
schakeld op dimlicht.
- Wanneer de koplampen van een
tegemoetkomend voertuig worden
gesignaleerd.
- Wanneer de achterlichten van een
voorligger worden gesignaleerd.
- Wanneer de koplamp/het achter-
licht van een fiets/motorfiets wordt
gesignaleerd.
- Wanneer de omgeving helder
genoeg is, is het grootlicht niet
nodig.
- Wanneer straatlantaarns of andere
verlichting worden gesignaleerd.
- Wanneer de lichtschakelaar niet in
de stand AUTO staat.
- Wanneer de High Beam Assist
(HBA) is uitgeschakeld.
- Wanneer de rijsnelheid lager is dan
35 km/h.
Waarschuwingslampje
en -melding
Wanneer de High Beam Assist
(HBA) niet goed werkt, wordt de
waarschuwingsmelding gedurende
enkele seconden weergegeven.
Nadat de melding is verdwenen,
gaat het hoofdwaarschuwingslampje
( ) branden.
We adviseren u het systeem te laten
controleren door een officiële HYUN-
DAI -dealer.
OOS047127L
Het systeem werkt onder de vol-
gende omstandigheden mogelijk
niet goed.
uWanneer de verlichting van
een tegemoetkomend voertuig
of voorligger gedimd is
De verlichting van een tege-
moetkomend voertuig of voor-
ligger wordt niet gedetecteerd
omdat een lamp beschadigd,
verborgen enzovoort is.
De lamp(en) van een tegemoet-
komend voertuig of voorligger
is bedekt met stof, sneeuw of
water.
Wanneer de koplampen van de
voorligger uitgeschakeld, maar
de mistlampen ingeschakeld
zijn, enz.
uWanneer het beïnvloed wordt
door een externe conditie
Er is een lamp met een verge-
lijkbare vorm als de lampen van
een voorligger aanwezig.
Wanneer een koplamp niet
gerepareerd of vervangen is
door een officiële dealer.
(Vervolg)
OPMERKING
3-95
Handige functies van uw auto
3
(Vervolg)
Wanneer een koplamp niet juist
is afgesteld.
Wanneer op een smalle bochti-
ge weg of een weg met slecht
wegdek wordt gereden.
Wanneer heuvelop of -af wordt
gereden.
Wanneer slechts een deel van
de voorligger zichtbaar is op
een kruising of in een bocht.
Wanneer er een verkeerslicht,
reflecterend bord, knipperlicht
of spiegel aanwezig is.
Wanneer de wegomstandighe-
den slecht zijn, bijvoorbeeld
doordat de weg nat is of bedekt
is met sneeuw.
Wanneer de koplampen van
een tegemoetkomend voertuig
uitgeschakeld, maar de mist-
lampen ingeschakeld zijn.
Wanneer een auto plotseling
opduikt uit een bocht.
Wanneer de auto scheef hangt
door een lekke band of doordat
hij gesleept wordt.
(Vervolg)
(Vervolg)
Wanneer het waarschuwings-
lampje van het Lane Keeping
Assist-systeem (LKA) brandt.
(indien van toepassing)
Wanneer het zicht naar voren
slecht is.
Wanneer de lamp van een tege-
moetkomend voertuig of voor-
ligger is bedekt met stof,
sneeuw of water.
Wanneer de verlichting van een
tegemoetkomend voertuig of
voorligger niet wordt gesignal-
eerd door uitlaatgassen, rook,
mist, sneeuw, enz.
De voorruit is bedekt met vuil.
Het zicht is slecht door mist,
zware regenval, sneeuw, enz.
Haal de voorruitcamera niet
uit elkaar, bijvoorbeeld om de
ruit extra te tinten of coatings
of accessoires aan te bren-
gen. Als u de camera uit
elkaar hebt gehaald en weer
in elkaar hebt gezet, advise-
ren we u de kalibratie van het
systeem te laten controleren
door een officiële HYUNDAI-
dealer.
Als u de voorruit of de voor-
ruitcamera hebt vervangen,
adviseren we u het systeem te
laten controleren door een
officiële HYUNDAI-dealer.
Zorg ervoor dat er geen water
in de High Beam Assist-unit
(HBA) terechtkomt en verwij-
der of beschadig de onderde-
len van het High Beam Assist-
systeem (HBA) niet.
(Vervolg)
WAARSCHUWING
3-96
Handige functies van uw auto
Richtingaanwijzers
Om aan te geven dat u gaat afslaan,
duw de hendel naar boven voor een
bocht naar rechts of naar beneden
voor een bocht naar links in positie
(A). Beweeg de combischakelaar
gedeeltelijk naar beneden of naar
boven en houd hem vast (B) om een
wisseling van rijstrook aan te geven.
De hendel zal terugkeren naar de
OFF-stand wanneer deze wordt los-
gelaten of wanneer de draai volle-
dig is.
Wanneer een controlelampje blijft
branden, niet knippert of abnormaal
knippert, kunnen één of meer lam-
pen doorgebrand zijn en dienen
deze vervangen te worden.
Impulsbediening richtingaanwijzers
bij rijstrookwisseling
(indien van toepassing)
Om de Impulsbediening van de
Richtingaanwijzers bij Rijstrookwis-
seling te activeren, beweegt u de
combischakelaar iets gedurende en
laat hem dan weer los. De richting-
aanwijzers knipperen 3, 5 of 7 keer.
U kan de Impulsbediening van de
Richtingaanwijzers bij Rijstrookwis-
seling-functie activeren/deactiveren
of het aantal keer knipperen (3, 5, of
7) kiezen via de gebruikersinstellin-
gen-modus op het LCD-scherm.
Zie "LCD Display" in dit hoofdstuk
voor meer informatie.
Wanneer de richtingaanwijzer
blijft branden en niet knippert, of
wanneer deze abnormaal knip-
pert, kan een lamp opgebrand zijn
of kan er een slechte elektrische
aansluiting zijn in het circuit. De
lamp kan aan vervanging toe zijn.
AANWIJZING
(Vervolg)
Plaats geen voorwerpen op
het dashboard die licht reflec-
teren, zoals spiegels, wit pa-
pier, enz. Het systeem werkt
mogelijk niet goed wanneer
zonlicht wordt gereflecteerd.
Soms werkt het High Beam
Assist-systeem (HBA) moge-
lijk niet goed. Het systeem
dient alleen ter vergroting van
het gebruiksgemak. Het is de
verantwoordelijkheid van de
bestuurder om veilig te rijden
en altijd de verkeerssituatie te
controleren.
Als het systeem niet normaal
werkt, wissel dan handmatig
tussen groot- en dimlicht.
OGB044028
3-97
Handige functies van uw auto
3
Mistlampen vóór
(indien van toepassing)
De mistlampen dienen voor een
beter zicht en ter voorkoming van
ongevallen onder omstandigheden
waarbij het zicht sterk verminderd
wordt door mist, regen, sneeuwval
enz.
1. Schakel de parkeerlicht aan.
2. Beweeg de lichtschakelaar (1)
naar de mistlamp vóór stand.
3. Om de mistlampen vooraan uit te
zetten, draai de lichtschakelaar
opnieuw naar de mistlamp vóór
stand of zet het parkeerlicht uit.
De mistlampen gebruiken zeer
veel stroom. Gebruik de mistlam-
pen alleen bij slecht zicht.
Mistachterlicht
Auto met mistlampen vooraan
Om de mistlampen achteraan aan te
zetten:
Plaats de lichtschakelaar in de par-
keerlicht stand, draai de lichtschake-
laar naar de mistlamp achter stand,
en draai vervolgens de lichtschake-
laar (1) naar de mistlamp achter
stand.
AANWIJZING
OGB044029
OLF044194L
3-98
Handige functies van uw auto
Auto zonder mistlampen vooraan
Om de mistlampen achteraan aan te
zetten:
Plaats de lichtschakelaar in de kop-
lamp stand, en draai vervolgens de
lichtschakelaar (1) naar de mistlamp
achter stand.
Schakel de mistachterlichten op één
van de volgende manieren uit:
Zet de koplampschakelaar af.
Zet de lichtschakelaar terug naar
de mistlamp achter stand.
Wanneer de lichtschakelaar in de
parkeerlicht stand staat, als u de
mistlampen voor uitzet, zal de mist-
lamp achter zich ook uitschakelen.
Energiebesparingsfunctie
Deze functie voorkomt dat de accu
ontladen raakt. Het systeem schakelt
automatisch de parkeerlichten uit
wanneer de contactsleutel verwij-
derd wordt of zet dan de motor uit
(voor auto's met Smart Key) en wan-
neer het portier aan bestuurderszijde
wordt geopend.
De parkeerlichten worden automa-
tisch uitgeschakeld als de auto in het
donker langs de kant van de weg
geparkeerd wordt.
Indien nodig, om de verlichtingaan te
houden wanneer de contactsleutel
wordt verwijderd of de motor wordt
uitgeschakeld (voor Smart Key) doe
het volgende:
1) Open het portier aan bestuurders-
zijde.
2) Schakel de parkeerlichten UIT en
AAN met de lichtschakelaar op de
stuurkolom.
Follow me home-functie
(indien van toepassing)
Als de sleutel uit het contactslot is
verwijderd of in de stand ACC of
LOCK/OFF is geplaatst met de kop-
lampen AAN, blijven de koplampen
(en/of de stadslichten) gedurende
ongeveer 5 minuten branden. Echter,
met de motor uit wanneer het portier
van de bestuurder wordt geopend en
gesloten, zullen de koplampen (en/of
de stadslichten) na 15 seconden uit-
geschakeld worden.
De koplampen (en/of destadslichten)
kunnen worden uitgeschakeld door
twee keer op de vergrendelknop op
de sleutel met afstandsbediening (of
op deSmart Key) te drukken of door
de lichtschakelaar in de OFF- of
AUTO-stand te draaien. Echter, als je
de lichtschakelaar in de AUTO stand
zet wanneer het buiten donker is,
zullen de koplampen niet worden uit-
geschakeld.
OLF044195L
3-99
Handige functies van uw auto
3
Als de bestuurder de auto verlaat
via een ander portier dan het
bestuurdersportier, werkt de ener-
giebesparingsfunctie niet en wor-
den de follow me home-functie
niet automatisch uitgeschakeld.
Hierdoor zal de accu ontladen
raken. Schakel in dit geval de ver-
lichting uit voordat u de auto ver-
laat.
Slim bochtenlicht
(indien van toepassing)
Wanneer je tijdens het rijden een
hoek omdraait wordt, voor uw zicht
en veiligheid, het slim bochtenlicht
automatisch ingeschakeld. Het sys-
teem zal automatisch in werking tre-
den als volgt:
Wanneer de koplamp is ingescha-
keld,
Wanneer de hoek van het stuur-
wiel groter is dan 25~35° (de hoek
van het stuurwiel is verschillend
naargelang de rijsnelheid),
Wanneer de auto vooruitrijdt of
achteruitrijdt.
Escort welcome-functie
(indien van toepassing)
Als de koplamp (lichtschakelaar in
de koplamp of AUTO stand) is inge-
schakeld en alle portieren (en de
achterklep) zijn vergrendeld en
gesloten, zullen het parkeer (positie)
licht en de koplamp gedurende 15
seconden gaan branden als/of iets
van de hieronder opgesomde zaken
is uitgevoerd.
Zonder Smart Key-systeem
- Wanneer de portierontgrendel-
knop is ingedrukt op de afstands-
bediening.
Met Smart Key-systeem
- Wanneer de portierontgrendel-
knop is ingedrukt op de smart
key.
Wanneer u op dit moment de ver-
grendel- of ontgrendelnop indrukt,
gaat het parkeerlicht (positie) en de
koplamp onmiddellijk uit.
AANWIJZING
3-100
Handige functies van uw auto
Dagrijverlichting (DRL)
(indien van toepassing)
Dagrijverlichting (DRL) kunnen
medeweggebruikers uw auto over-
dag beter zien, maar vooral in de
periode rond zonsopgang en zons-
ondergang.
Het DRL-systeem zal de aangewe-
zen lamp uitschakelen als:
1. De koplampen en mistlichten in de
AAN positie staan.
2. De motor is uitgeschakeld.
Koplampverstelling
De koplamphoogte kan worden afge-
steld en worden aangepast aan het
aantal inzittenden en de hoeveelheid
bagage in de auto door de schake-
laar voor de koplamphoogte te ver-
draaien.
Hoe hoger het nummer op de scha-
kelaar, hoe lager de hoogte van de
lichtbundel. Zorg ervoor dat de kop-
lampen niet te hoog staan om ver-
blinding van andere weggebruikers
te voorkomen.
Hieronder staan voorbeelden van
een correcte afstelling. Stel bij een
andere mate van belasting dan hier-
onder vermeld de koplampen af vol-
gens de situatie in het overzicht die
zoveel mogelijk aansluit bij de actu-
ele situatie.
Beladingstoestand Stand
schakelaar
Alleen bestuurder 0
Bestuurder + voorpassagier 0
Alle zitplaatsen bezet 1
Alle zitplaatsen bezet +
Maximaal toelaatbare belading 2
Bestuurder + Maximaal toelaat-
bare belading 3
OGB044019
3-101
Handige functies van uw auto
3
Interieurverlichting
Laat de interieurverlichting niet te
lang branden als de motor niet
draait of zal de accu ontladen
raken.
Interior lamp AUTO cut
De interieurverlichting wordt automa-
tisch na ongeveer 20 minuten uitge-
schakeld nadat het contact is uitge-
schakeld en de portieren zijn geslo-
ten. Als een portier is geopend, dooft
de verlichting na ongeveer 40 minu-
ten nadat het contact is uitgescha-
keld. Als de portieren worden ver-
grendeld en het alarm van het anti-
diefstalsysteem van de auto wordt
ingeschakeld, dooft de verlichting vijf
seconden later.
Lichten aan de voorzijde
(1) Leeslampje vóór
(2) Interieurverlichting vóór
Leeslampje vóór:
Druk op de rechter- of linkerlens om
de kaartlamp aan of uit te zetten.
Deze lamp geeft een straal die han-
dig is als het leeslampje's nachts of
als een persoonlijke lamp voor de
bestuurder en de bijrijder.
Interieurverlichting vóór:
De lampschakelaar in het voorste
compartiment activeert de voorste
en achterste compartimentverlichting
wanneer de schakelaar in elk van de
drie posities hieronder aangegeven,
wordt geplaatst:
: De voorste of achterste com-
partimentverlichting gaat
branden wanneer de voorste
of achterste portieren wor-
den geopend of de motor nu
loopt of niet. Als de deuren
met Afstandsbediening of
Smart Key worden ontgren-
deld, gaat de kaartlamp ge-
durende ongeveer 15 secon-
den branden; het licht dooft
als geen portier wordt geo-
pend. De voorste en achter-
ste interieurverlichting dim-
men na ongeveer 15 secon-
den als de portieren gesloten
zijn. Maar indien het contact-
slot in de AAN-stand staat of
wanneer alle portieren geslo-
ten zijn, zullen de voorste en
achterste lampen onmiddel-
lijk uitgeschakeld worden.
Wanneer een portier geo-
pend wordt wanneer het con-
AANWIJZING
OGC044052
Gebruik de interieurverlichting
niet wanneer u in het donker
rijdt. De interieurverlichting kan
uw zicht belemmeren en een
ongeval veroorzaken.
WAARSCHUWING
3-102
Handige functies van uw auto
tactslot in ACC-stand of
LOCK/OFF-stand staat, dan
blijven de voorste en achter-
ste lampen gedurende 20
minuten branden. Als er ech-
ter een portier wordt geo-
pend terwijl het contact in
stand ON staat, blijft het
lampje continu branden.
: Met de Voorste Comparti-
mentverlichting in deze
stand, blijven de voorste en
achterste compartimentver-
lichting te allen tijde branden.
: Met de voorste comparti-
mentverlichting in deze
stand, blijven de voorste en
achterste compartimentver-
lichting uit te allen tijde.
Informatie
Wanneer de leeslampje (1) wordt
ingeschakeld door op de lens te druk-
ken, zal de leeslampje niet uitgaan,
ook niet als de voorste interieurver-
lichting uitgeschakeld is.
Interieurverlichting
Achterportier
Verlichtingsschakelaar:
Druk op de schakelaar om Interieur-
verlichting aan of uit te schakelen.
Laat de lampschakelaars niet aan
staan gedurende een langere
periode wanneer de motor uitge-
schakeld is.
i
AANWIJZING
OIB044016
OGC044054
nType A
nType B
3-103
Handige functies van uw auto
3
Bagageruimteverlichting
(indien van toepassing)
De bagageruimteverlichting gaat
branden zodra de achterklep geo-
pend wordt.
De bagageruimteverlichting gaat
branden zodra de achterklep geo-
pend wordt Om overbodige ver-
bruik van het laadsysteem te voor-
komen, sluit veilig de achterklep
na gebruik van de bagageruimte.
Verlichting make-upspiegel
(indien van toepassing)
Druk op de schakelaar om het lamp-
je AAN of UIT te schakelen.
: De verlichting wordt inge-
schakeld.
O : De verlichting wordt uitgescha-
keld.
Om overbodige verbruik van het
laadsysteem te voorkomen, scha-
kel de lamp uit door na gebruik
van de lamp op de O-knop te druk-
ken.
AANWIJZING
AANWIJZING
OIB044017 OGC044056
3-104
Handige functies van uw auto
RUITENWISSERS EN RUITENSPROEIERS
nVoor
A : Snelheidsregelknop ruiten-
wissers
· MIST (V) – Éénmaal wissen
· OFF (O) – Off
· INT (---) – Intervalstand wissen
· AUTO – Automatisch wissen
(indien van toepas-
sing)
· LO (1) – Lage wissersnelheid
· HI (2) – Hoge wissersnelheid
B : Instelling lengte interval
C : Sproeien en kort wissen
nAchter
D : Achterruitenwisser en -
sproeier
· HI – Hoge wissersnelheid
· LO – Lage wissersnelheid
· OFF – Off
E : Sproeien en kort wissen
(indien van toepassing)
OGB044030/OGB044031/OGB044032
3-105
Handige functies van uw auto
3
Ruitenwissers voor
De werking is als volgt als het con-
tact in stand ON staat.
MIST (V) : Voor een enkele wiscy-
clus, duw de hendel naar
beneden en laat los. De
ruitenwissers zullen blij-
ven werken zolang de
schakelaar in deze stand
wordt gehouden.
OFF (O) : Ruitenwisser uitgescha-
keld.
INT (---) : De ruitenwissers werken
met regelmatige interval-
len. Beweeg de snelheids-
regeling hendel de snel-
heid te wijzigen.
AUTO : De regensensor bovenaan
op de voorruit registreert de
hoeveelheid regen en scha-
kelt de ruitenwisser automa-
tisch in met de juiste snel-
heid/intervaltijd. Hoe harder
het regent, hoe hoger de
wissersnelheid. Als het
ophoudt met regenen, wordt
de ruitenwisser automatisch
uitgeschakeld. Draai aan de
snelheidsregelknop om de
snelheid te wijzigen (B).
LO (1) : De ruitenwisser draait op
een lagere snelheid.
HI (2) : De ruitenwisser draait op een
hogere snelheid.
Informatie
Maak de ruit vrij van sneeuw en ijs
alvorens de ruitenwissers te gebruiken
of ontdooi de voorruit gedurende 10
min. Anders werken de ruitenwissers
mogelijk niet goed en kunnen ze
beschadigd raken.
Als u sneeuw en/of ijs niet verwijdert
voordat u de ruitenwisser en ruiten-
sproeier gebruikt, kan er schade ont-
staan aan het ruitenwisser- en ruiten-
sproeiersysteem.
Ruitensproeier voorruit
Trek de hendel naar voren om de rui-
tensproeier in te schakelen. Als de
ruitenwisser in stand OFF staat, zal
deze 1-3 wisslagen maken. Gebruik
deze functie om de voorruit te reini-
gen. De ruitensproeier en de ruiten-
wissers blijven werken tot u de hen-
del loslaat.
Controleer het peil van de ruiten-
sproeiervloeistof als de ruitensproei-
ers niet werken. Vul het reservoir met
een geschikte, niet schurende ruiten-
sproeiervloeistof wanneer het peil te
laag is.
De vulpijp van het reservoir bevindt
zich vooraan in de motorruimte aan
passagierszijde.
i
OGB044033
3-106
Handige functies van uw auto
Gebruik de ruitensproeiers niet
wanneer het reservoir leeg is, om
beschadiging van de ruiten-
sproeierpomp te voorkomen.
Schakel de ruitenwissers niet in
als de ruit droog is om beschadi-
ging van de wissers en de voorruit
te voorkomen.
Probeer de ruitenwissers nooit
met de hand te bewegen om
beschadiging van de ruitenwis-
serarmen en van andere onderde-
len te voorkomen.
Gebruik om mogelijke schade aan
het ruitenwisser- en ruitensproei-
ersysteem te voorkomen in de win-
ter of bij lage buitentemperaturen
speciale ruitensproeiervloeistof.
Achterruitenwisser en -sproeier
De schakelaar voor de achterruiten-
wisser en -sproeier bevindt zich aan
het uiteinde van de ruitenwisser- en
sproeierschakelaar. Zet de schake-
laar in de gewenste stand om de
achterruitenwisser en -sproeier te
bedienen.
HI (2) – Hoge wissersnelheid
LO (1) – Lage wissersnelheid
OFF (O) – Off
Druk de hendel van u af om vloeistof
op de ruit te sproeien en de achter-
ruitenwissers 1-3 cycli te laten wis-
sen. De ruitensproeier en de ruiten-
wissers blijven werken tot u de hen-
del loslaat. (indien van toepassing)
AANWIJZING
Als de buitentemperatuur zich
onder het vriespunt bevindt,
warm de voorruit ALTIJD op met
behulp van de elektrische verwar-
ming om te voorkomen dat de rui-
tensproeiervloeistof bevriest op
de voorruit en uw zicht belem-
mert, wat kan leiden tot een onge-
val en ernstig letsel of de dood.
WAARSCHUWING
OGB044034
OGB044035
3-107
Handige functies van uw auto
3
Rear view monitor
(indien van toepassing)
De Rear View Monitor wordt geacti-
veerd als het contactslot in stand ON
en de versnellingspook in de achter-
uitversnelling (R).
Wanneer het contact van de auto in
en uitgeschakeld wordt, zal de Rear
View Monitor ingeschakeld worden
wanneer de versnellingspook in R
(Reverse) wordt gezet.
Wanneer de Rear View Monitor is
ingeschakeld, kan deze worden uit-
geschakeld door de ON/OFF-knop
(1) in te drukken. Druk nogmaals op
de ON/OFF knop (1) om de Rear
view monitor in te schakelen wan-
neer de motor loopt en de selectie-
hendel in R (Reverse) staat.
Zorg er voor dat de lens van de
camera altijd schoon is. Als er vuil
op de lens aanwezig is, werkt de
camera mogelijk niet correct.
AANWIJZING
BESTUURDER HULPSYSTEEM
Vertrouw nooit uitsluitend op
de Rear View Monitor wan-
neer u achteruit rijdt.
Kijk ALTIJD rond uw voertuig
om er zeker van te zijn dat er
geen objecten of obstakels
aanwezig zijn die bij het weg-
rijden een hindernis kunnen
vormen.
Wees altijd extra voorzichtig
als u dicht langs voorwerpen
of personen, in het bijzonder
kinderen, rijdt.
WAARSCHUWING
OGB046129
OIB047019
3-108
Handige functies van uw auto
Parking Distance Warning-
systeem (achteruit)
Het Parking Distance Warningsys-
teem (achteruit) waarschuwt de
bestuurder tijdens het achteruitrijden
met een geluidssignaal zodra de
afstand tussen de auto en een voor-
werp achter de auto minder dan 120
cm wordt. Dit is een aanvullend sys-
teem dat werkt alleen in het gebied
waar de parkeersensoren zijn
geplaatst; het kan geen objecten
waarnemen in gebieden waar geen
sensoren zijn geplaatst.
Werking van de Parking
Distance Warning-systeem
(achteruit)
Werking
Het systeem wordt ingeschakeld
als de achteruitversnelling wordt
ingeschakeld en als de motor
draait.
Het bereik van de parkeersen-
soren bedraagt ongeveer 120 cm
terwijl langzamer dan 10 km/h
wordt gereden.
Als er zich meerdere voorwerpen
achter de auto bevinden, zal het
dichtstbijzijnde als eerste worden
geregistreerd.
Kijk ALTIJD rond uw voertuig
om er zeker van te zijn dat er
geen objecten of obstakels
aanwezig zijn die bij het weg-
rijden een hindernis kunnen
vormen.
Wees altijd extra voorzichtig
als u dicht langs voorwerpen
of personen, in het bijzonder
kinderen, rijdt.
Houd er rekening mee dat
sommige voorwerpen moge-
lijk niet door de sensoren wor-
den geregistreerd.
WAARSCHUWING
OIB047065
S
Se
en
ns
so
or
re
en
n
3-109
Handige functies van uw auto
3
Waarschuwingsgeluidssignalen en
Waarschuwingslampjes Als een object zich tussen de
sensoren bevindt of dicht bij
een sensor, dan kan de weerge-
geven aanduiding verschillen
van bovenstaande afbeelding.
Was de sensoren van de auto
niet met water onder hoge druk.
Wanneer u naar de R (Reverse)
stand schakelt en een of meer
van de onderstaande situaties
doen zich voor, dan kan dit dui-
den op een storing van het
Parking Distance Warningsys-
teem.
U hoort geen geluidssignaal of
de zoemer klinkt met tussenpo-
zen.
Als dit gebeurt adviseren we u
het systeem te laten controleren
door een officiële HYUNDAI-
dealer.
Gevallen waarin het Parking
Distance Warning-systeem
(achteruit) niet werkt
Het Parking Distance Warningsys-
teem (achteruit) werkt in de vol-
gende gevallen mogelijk niet goed:
Als er ijs op de sensor zit
De sensor is bedekt met vuil, zoals
sneeuw of water, of een andere
substantie of de sensorkap is
geblokkeerd.
De werking van het Parking Dis-
tance Warning-systeem (achter-
uit) wordt in de volgende omstan-
digheden mogelijk verstoord:
Bij het rijden op oneffen wegen en
op hellingen.
Zich voorwerpen die overdreven
lawaai veroorzaken zoals claxons
van auto's, motorlawaai van motor-
fietsen of luchtremmen van een
vrachtwagen kunnen interfereren
met de sensor.
Bij zware regenval of opspattend
water.
Bij de aanwezigheid van afstands
bedieningen of mobiele telefoons
de buurt van de sensor.
AANWIJZING
Afstand tot het
voorwerp
Waarschu
wings-
lampje
Waarschu-
wingsgeluid
120 cm ~
61 cm
(47 in. ~ 24 in.)
Zoemer klinkt
met
tussenpozen.
60 cm ~ 31 cm
(24 in. ~ 12
in.)
Zoemer klinkt
vaker.
Minder dan
30 cm. (12 in.)
Zoemer klinkt
onafgebroken.
(blinks)
wordt weergegeven.
(indien van toepassing)
3-110
Handige functies van uw auto
Als de sensor bedekt is met
sneeuw.
Alle apparaten of accessoires die
niet in de fabriek werden geïnstal-
leerd, of als de bumperhoogte van
de wagen of de sensorinstallatie
werd gewijzigd.
Het sensorbereik kan in de vol-
gende gevallen afnemen:
Bij extreem hoge of lage buitentem
peraturen.
Bij voorwerpen lager dan ongeveer
1 meter en smaller dan ongeveer
14 cm.
De volgende voorwerpen worden
mogelijk niet opgemerkt door de
sensoren:
Smalle voorwerpen als touwen,
kettingen enz.
Voorwerpen die de hoogfrequente
signalen van de sensor absorbe-
ren, zoals kleding, sponsachtige
materialen en sneeuw.
Informatie
Voorwerpen die kleiner zijn dan 30
cm worden mogelijk niet of niet goed
geregistreerd.
Duw, kras of sla de sensor niet
met harde voorwerpen aangezie
deze het oppervlakte van de sen-
sor kunnen beschadigen. De sen-
sor kan beschadigd raken.
i
AANWIJZING
Schade aan de auto en per-
soonlijk letsel, ontstaan vanwe-
ge het onjuist functioneren van
de parkeerhulp, vallen niet
onder de garantie. Rijd altijd
veilig en voorzichtig.
WAARSCHUWING
3-111
Handige functies van uw auto
3
Parking Distance Warning-
systeem (Achteruit/Vooruit)
(indien van toepassing)
Het Parking Distance Warningsys-
teem (achteruit/vooruit) waarschuwt
de bestuurder tijdens het rijden met
een signaal zodra de afstand tussen
de auto en een obstakel voor de auto
minder dan 100 cm of achter de auto
minder dan 120 cm wordt.
Dit is een aanvullend systeem dat
werkt alleen in het gebied waar de
parkeersensoren zijn geplaatst; het
kan geen objecten waarnemen in
gebieden waar geen sensoren zijn
geplaatst.
Werking van het Parking
Distance Warning-systeem
(achteruit/vooruit)
Werking
- Wanneer de Engine Start/Stop
knop staat in de stand ON.
- Wanneer de versnellingspook in D-
of R-stand staat.
- Wanneer de snelheid van de
wagen niet meer dan 10 km/u is.
OGB044036
OIB047065
nVoor
nAchter
Kijk ALTIJD rond uw voertuig
om er zeker van te zijn dat er
geen objecten of obstakels
aanwezig zijn die bij het weg-
rijden een hindernis kunnen
vormen.
Wees altijd extra voorzichtig
als u dicht langs voorwerpen
of personen, in het bijzonder
kinderen, rijdt.
Er rekening mee dat sommige
objecten niet zichtbaar zijn op
het scherm of worden gede-
tecteerd door de sensoren,
door de afstand tot het voor-
werp, de afmeting of het mate-
riaal. Dit alles kan de efficiën-
tie van de sensor beïnvloeden.
WAARSCHUWING
OGB044038
S
Se
en
ns
so
or
re
en
n
S
Se
en
ns
so
or
re
en
n
3-112
Handige functies van uw auto
Zet de toets de Parking Distance
Warningsysteem (achteruit/vooruit) in
de stand ON om het Parking Distance
Warningsysteem (achteruit/vooruit) in
werking te zetten. De indicator in de
knop gaat aan. Om het systeem te
annuleren, druk nogmaals op de knop.
De indicator in de knop gaat uit.
Wanneer het systeem is ingescha-
keld zal het automatisch werken tel-
kens de snelheid van de auto lager is
dan 10 km/u (6 mph).
Wanneer je de versnellingspook in
stand R zet, wanneer het systeem
uitgeschakeld is, zal het controle-
lampje in de knop oplichten en het
systeem zal automatisch in werking
treden, ongeacht de stand van de
knop. Echter, als de snelheid van de
auto bij het vooruit rijden hoger is
dan 20 km/u (12 mph), zal het con-
trolelampje in de toets doven. Het
systeem zal niet opnieuw automa-
tisch in werking treden, zelfs wan-
neer de snelheid van de auto terug-
keert naar 10 km/u (6 mph).
Druk op de toets van het Parking
Distance Warningsysteem (achter-
uit/vooruit) om het systeem in te
schakelen.
Als er zich meerdere voorwerpen ach-
ter de auto bevinden, zal het dichtstbij-
zijnde als eerste worden geregistreerd.
Waarschuwingsgeluidssignalen en Waarschuwingslampjes
cm (kogel)
Informatie
Het controlelampje kan verschillen van de afbeelding afhankelijk van de sta-
tus van de objecten of sensoren. Als knippert het controlelampje, adviseren
we u het systeem te laten controleren door een officiële HYUNDAI-dealer .
Als u geen waarschuwingsgeluid hoort of als de zoemer met tussenpozen
klinkt wanneer u de selectiehendel in stand R (achteruit) zet, zit er mogelijk
een storing in het Parking Distance Warning-systeem (achteruit/vooruit). Als
dit gebeurt adviseren we u het systeem te laten controleren door een officiële
HYUNDAI-dealer zo snel mogelijk.
i
Afstand tot het
voorwerp
Waarschuwingslampje Waarschuwings-
geluid
Wanneer de auto
vooruitrijdt
Wanneer de auto
achteruitrijden
100~61
(39 ~ 24) Voor -Zoemer klinkt met
tussenpozen
120 ~ 61
(47 ~ 24) Achter -Zoemer klinkt met
tussenpozen
60 ~ 31
(24 ~ 12)
Voor Zoemer klinkt
vaker
Achter -Zoemer klinkt
vaker
30
(12)
Voor Zoemer klinkt
onafgebroken
Achter -Zoemer klinkt
onafgebroken
3-113
Handige functies van uw auto
3
Gevallen waarin het Parking
Distance Warning-systeem
(achteruit/vooruit) niet werkt
Het Parking Distance Warning-sys-
teem (achteruit/vooruit) werkt mo-
gelijk niet goed in de volgende geval-
len:
Als er ijs op de sensor zit
De sensor is bedekt met vuil, zoals
sneeuw of water, of een andere
substantie of de sensorkap is
geblokkeerd.
De werking van het Parking Distan-
ce Warning-systeem (achteruit/voor-
uit) wordt in de volgende omstan-
digheden mogelijk verstoord:
Bij het rijden op oneffen wegen en
op hellingen.
Zich voorwerpen die overdreven
lawaai veroorzaken zoals claxons
van auto's, motorlawaai van motor-
fietsen of luchtremmen van een
vrachtwagen kunnen interfereren
met de sensor.
Bij zware regenval of opspattend
water.
Bij de aanwezigheid van afstands
bedieningen of mobiele telefoons
de buurt van de sensor.
Als de sensor bedekt is met
sneeuw.
Alle apparaten of accessoires die
niet in de fabriek werden geïnstal-
leerd, of als de bumperhoogte van
de wagen of de sensorinstallatie
werd gewijzigd.
Het sensorbereik kan in de volgen-
de gevallen afnemen:
Bij extreem hoge of lage buitentem
peraturen.
Bij voorwerpen lager dan 1 meter
en smaller dan 14 cm.
De volgende voorwerpen worden
mogelijk niet opgemerkt door de
sensoren:
Smalle voorwerpen als touwen,
kettingen enz.
Voorwerpen die de hoogfrequente
signalen van de sensor absorbe-
ren, zoals kleding, sponsachtige
materialen en sneeuw.
Informatie
Voorwerpen die kleiner zijn dan 30
cm worden mogelijk niet of niet goed
geregistreerd.
Duw, kras of sla de sensor niet
met harde voorwerpen aangezie
deze het oppervlakte van de sen-
sor kunnen beschadigen. De sen-
sor kan beschadigd raken.
AANWIJZING
i
Schade aan de auto en per-
soonlijk letsel, ontstaan vanwe-
ge het onjuist functioneren van
het Parking Distance Warning-
systeem (achteruit/vooruit), val-
len niet onder de garantie. Rijd
altijd veilig en voorzichtig.
WAARSCHUWING
3-114
Handige functies van uw auto
Ontwaseming
Gebruik om beschadiging van de
verwarmingsdraden te voorkomen
nooit scherpe voorwerpen of rei-
nigingsmiddelen met schurende
bestanddelen om de achterruit te
reinigen.
Zie "Voorruit ontdooien en ontwa-
semen" in dit hoofdstuk als u con-
dens en ijs van de voorruit wilt
verwijderen.
Achterruitverwarming
(indien van toepassing)
De achterruitverwarming ontdoet de
achterruit van rijp, condens en ijs als
de motor is gestart.
TDruk op de toets in de ventilatie-
systeem om de achterruitverwarming
in te schakelen. Het controlelampje
in de toets gaat branden wanneer de
achterruitverwarming ingeschakeld
is.
Druk de toets opnieuw in om de ach-
terruitverwarming uit te schakelen.
Informatie
Verwijder eerst eventueel aanwezige
sneeuw van de achterruit voordat de
achterruitverwarming ingeschakeld
wordt.
De achterruitverwarming schakelt
na ongeveer 20 minuten automa-
tisch uit of wanneer het contact in
stand LOCK wordt gezet.
Buitenspiegelverwarming
(indien van toepassing)
Als uw auto voorzien is van buiten-
spiegelverwarming zal deze gelijktij-
dig met de achterruitverwarming in
werking treden.
i
AANWIJZING
VERWARMINGS- EN VENTILATIESYSTEEM
OGB044108
OGB044109
nVerwarmings- en ventilatiesysteem, handbediend
nAutomatisch verwarmings- en ventilatiesysteem
3-115
Handige functies van uw auto
3
1. Temperatuurregelknop
2. Aanjagerknop
3. Luchtcirculatietoets
4. Achterruitverwarming toets (indien
van toepassing)
5. Toets A/C (Air conditioning) (indien
van toepassing)
6. Luchttoevoertoets
OGB044110
Handbediend Verwarmings- En Ventilatiesysteem (indien van toepassing)
3-116
Handige functies van uw auto
Verwarming en airconditioning
1. Start de motor.
2. Zet de luchtcirculatietoets in de
gewenste stand.
Voor een effectieve verwarming
en koeling:
- Verwarmen:
- Koelen:
3. Stel de temperatuur in op de ge-
wenste waarde.
4. Schakel de stand (frisse) buiten-
lucht of recirculatie in met de toets
luchttoevoer.
5. Zet de aanjager op de gewenste
snelheid.
6. Als u de uitstromende lucht ge-
koeld wilt hebben, kunt u het air-
conditioningssysteem aanzetten
(indien van toepassing).
OGB048039
3-117
Handige functies van uw auto
3
Luchtcirculatie
De luchtcirculatietoets regelt de cir-
culatie van de lucht door het ventila-
tiesysteem.
De luchtstroom kan worden gericht
naar de vloer, dashboard uitgangen
of voorruit. Vijf symbolen worden
gebruikt om Face, Bi-Level, Floor,
Floor-Defrost en Defrost luchtpositie
weer te geven.
Stand Face (B, D)
De lucht stroomt naar het bovenli-
chaam en het gezicht. Daarnaast
kan iedere uitstroomopening versteld
worden om de richting van de lucht-
stroom te wijzigen.
Bi-Level (B, D, C)
De lucht stroomt naar de vloer en het
gezicht.
Stand Floor (A, C, D)
De meeste lucht stroomt naar de
vloer en een klein gedeelte stroomt
door de voorruit, de zijruitontwase-
ming en de uitstroomopeningen opzij.
Stand Floor/Defrost
(A, C, D)
De meeste lucht stroomt naar de
vloer en de voorruit een klein gedeel-
te stroomt door de zijruitontwaseming
en de uitstroomopeningen opzij.
Stand Defrost (A, D)
De meeste lucht stroomt naar de
voorruit en een klein gedeelte
stroomt door de uitstroomopeningen
opzij. (A/ C & frisse modus automa-
tisch aan).
OIB044069
3-118
Handige functies van uw auto
Uitstroomopeningen dashboard
Met de hendel in de ventilatieroos-
ters kunt u de richting van de lucht-
stroom uit deze ventilatieroosters
afstellen, zoals in de afbeelding is
aangegeven.
Temperatuurregelknop
De temperatuur zal toenemen door
de knop naar rechts te draaien.
De temperatuur zal verlagen door de
knop naar links te draaien.
Luchttoevoertoets
Hiermee kan de stand buitenlucht of
de stand recirculatie worden geko-
zen.
OIB044068 OGB044111
OGB044040
3-119
Handige functies van uw auto
3
Stand recirculatie
De lamp op de knop
gaat branden als de
recirculatie is ingescha-
keld.
In de stand recirculatie
wordt de lucht uit het
passagierscompartiment
door het systeem gere-
circuleerd en, afhankelijk
van de gekozen functie,
gekoeld of verwarmd.
Stand buitenlucht
De lamp op de knop
gaat niet branden als de
toevoer van buitenlucht
is ingeschakeld.
In de stand buitenlucht
stroomt de lucht van bui-
tenaf in het passagiers-
compartiment. Deze
lucht wordt, afhankelijk
van de gekozen functie,
verwarmd of gekoeld.
Informatie
Kan de lucht in het passagierscompar-
timent extreem droog worden bij
langdurig gebruik van de airconditio-
ning in de stand recirculatie.
i
Voortgezet gebruik van de kli-
maatregeling operatie in de
circulerende lucht positie kan
sufheid of slaperigheid, dat
het verlies van controle over
het voertuig als gevolg een
ongeval kunnen veroorzaken.
Schakel daarom zo veel mo-
gelijk de stand buitenlucht in.
Voortdurend gebruik van de
klimaatregeling in de recircu-
lerende lucht stand (zonder
de airconditioning geselec-
teerd te hebben) kan de lucht-
vochtigheid in de wagen ver-
hogen waardoor de ramen
kunnen aandampen en zo de
zichtbaarheid kunnen belem-
meren.
Ga niet slapen in de auto wan-
neer het airconditioningssys-
teem of de verwarming inge-
schakeld is. Door een afname
van de zuurstofconcentratie
en/of de lichaamstemperatuur
kunnen de inzittenden letsel
oplopen.
WAARSCHUWING
3-120
Handige functies van uw auto
Aanjagerschakelaar
Draai de knop naar rechts om de
ventilatorsnelheid en de luchtstroom
te verhogen. Draai de knop naar
links om de ventilatorsnelheid en de
luchtstroom te verlagen.
Airconditioning (A/C)
(indien van toepassing)
Druk op de toets A/C om de aircon-
ditioning in te schakelen (het contro-
lelampje gaat branden). Druk nog-
maals op de toets om de airconditio-
ning uit te schakelen.
Werking systeem
Ventilatie
1. Selecteer de gezichtsniveau
modus.
2. Schakel de stand buitenlucht in
met de luchttoevoertoets.
3. Stel de temperatuur in op de
gewenste waarde.
4. Zet de aanjager op de gewenste
snelheid.
Verwarmen
1. Selecteer de vloerniveau
modus.
2. Schakel de stand buitenlucht in
met de luchttoevoertoets.
3. Stel de temperatuur in op de
gewenste waarde.
4. Zet de aanjager op de gewenste
snelheid.
5. Als u de uitstromende lucht ged-
roogd wil hebben, kunt u het air-
conditioningssysteem aanzetten
(indien van toepassing).
Selecteer de Floor & Defrost
modus of selecteer de voorruitver-
warmings modus wanneer de
voorruit aandampt.
OIB044073
OGB044112
3-121
Handige functies van uw auto
3
Tips voor het gebruik
Om te voorkomen dat stof of
onaangename geuren in het interi-
eur van de auto terechtkomen, kan
de schakelaar voor de luchttoevoer
tijdelijk in de stand recirculatie wor-
den gezet. Zet de bediening terug
in de frisse lucht stand wanneer de
belemmering verdwenen is. Frisse
lucht is beter voor de fysieke
gesteldheid van de bestuurder en
bovendien aangenamer.
Voorkom dat de voorruit beslaat
door de stand buitenlucht te selec-
teren, de aanjager in de gewenste
stand te zetten, de airconditioning
in te schakelen en de gewenste
temperatuur in te stellen.
Airconditioning
(indien van toepassing)
HYUNDAI-airconditioningssystemen
zijn gevuld met koudemiddel R-134a
of R-1234yf.
1. Start de motor.
2. Druk op toets A/C.
3. Stel de modus in op gezichtsni-
veau modus.
4. Schakel de stand recirculatie in
met de luchttoevoertoets. Een
langdurige werking van de gere-
circuleerde luchtpositie zal achter
overdreven droge lucht veroorza-
ken. Verander in dat geval de
luchtpositie.
5. Stel de aanjagersnelheid en de
temperatuur bij om een maximaal
comfort te bereiken.
Wanneer maximale koeling gewenst
is, zet de temperatuurscontrole dan
in de uiterst linkse positie en plaats
dan de snelheidscontrole van de
ventilator op de hoogste snelheid.
Informatie
Uw auto werd gevuld met R-134a of
R-1234yf in overeenstemming met de
wetgeving in uw land ten tijde van de
productie. Via het etiket aan de bin-
nenkant van de motorkap kunt u te
weten komen welk airconditioning
koelmiddel in uw auto werd gebrukt.
Bekijk hoofdstuk 8 voor de locatie van
het label met betrekking tot het koel-
middel voor de airconditioning.
Houd de temperatuurmeter nauw-
lettend in de gaten wanneer de air-
conditioning wordt gebruikt als u
lange hellingen oprijdt of als u in
druk verkeer rijdt bij hoge buiten-
temperaturen. Door het gebruik
van het airconditioningssysteem
kan de motor oververhit raken.
Blijf de aanjager gebruiken en
schakel het airconditioningssys-
teem uit wanneer de temperatuur-
meter aangeeft dat de motor over-
verhit raakt.
i
AANWIJZING
3-122
Handige functies van uw auto
Aanwijzingen voor gebruik
airconditioning
Open de ruiten een tijdje wanneer
de auto tijdens warm weer in de
volle zon geparkeerd is geweest,
zodat de warme lucht naar buiten
kan.
Schakel terug van gerecirculeerde
lucht stand naar frisse buitenlucht
stand. zdra voldoende afkoeling
werd bereikt.
Om het beslaan van de ruiten tij-
dens regenachtig weer te vermin-
deren, kunt u de vochtigheids-
graad in het interieur terugbrengen
door de airconditioning (met de rui-
ten dicht) in te schakelen.
Schakel de airconditioning iedere
maand enkele minuten in om het
systeem in een optimale staat te
houden
Als u de airconditioning overmatig
laat werken, kan het verschil in
temperatuur tussen de buitenlucht
en de voorruit damp veroorzaken
op het buitenoppervlak van de
voorruit, wat kan leiden tot vermin-
derde zichtbaarheid. Zet in dat
geval de luchtcirculatietoets of
knop in de stand en de aanja-
ger op de laagste stand.
Onderhoudssysteem
Interieurfilter
Deze filter bevindt zich achter het
handschoenkastje. Hij filtert stof of
andere vervuilende stoffen die in de
auto binnendringen via het verwar-
mings- en airconditioningssysteem.
Wij raden aan dat de luchtfilter van de
klimaatcontrole vervangen wordt door
een officiële HYUNDAI-dealer. Als er
onder ongunstige omstandig-heden
gereden wordt, bijvoorbeeld in een
stoffige omgeving of op slechte wegen,
moet het interieurfilter vaker worden
gecontroleerd en indien nodig worden
vervangen.
We adviseren u het systeem te laten
controleren door een officiële HYUN-
DAI-dealer als de luchtopbrengst plot-
seling afneemt.
1LDA5047
Buitenlucht
Gerecirculeerde
lucht
Interieurfilter
Aanjager
Kachel-
radiateur
Erdamper
3-123
Handige functies van uw auto
3
Hoeveelheid koudemiddel en
compressorolie controleren
Als er te weinig koudemiddel in het
systeem zit, neemt de koelcapaciteit
van de airconditioning af. Een teveel
aan koudemiddel heeft ook nadelige
effecten op de werking van de air-
conditioning.
Daarom adviseren we u het systeem
te laten controleren door een officië-
le HYUNDAI-dealer als het systeem
niet normaal werkt.
Informatie
Het is belangrijk het systeem bij te
vullen met de juiste soort en hoeveel-
heid olie en koudemiddel. Anders kan
er schade aan de compressor ontstaan,
waardoor het systeem niet meer goed
functioneert. Adviseren u het airconditioningssys-
teem te laten repareren door een
officiële HYUNDAI-dealer.
i
- Auto's uitgerust met R-134a
Omdat het koelmiddel
onder zeer hoge druk
staat, dient het air-
conditioningsysteem
alleen te worden onderhouden
door daarvoor opgeleide en
gecertificeerde technici. Het is
belangrijk dat het juiste type en
de exacte hoeveelheid olie en
koelmiddel gebruikt worden,
anders kan dit leiden tot bescha-
digingen van de wagen of zelfs
persoonlijke verwondingen.
WAARSCHUWING
- Auto's uitgerust met R-1234yf
Omdat het koelmiddel
onder zeer hoge druk
licht ontvlambaar is,
dient het airconditio-
ningsysteem alleen te
worden onderhouden
door daarvoor opge-
leide en gecertificeer-
de technici. Het is be-
langrijk het systeem bij te vul-
len met de juiste soort en hoe-
veelheid olie en koudemiddel.
Anders kan dit leiden tot bescha-
digingen van de wagen of zelfs
persoonlijke verwondingen.
WAARSCHUWING
3-124
Handige functies van uw auto
1. Temperatuurregelknop
2. Aanjagerknop
3. Toets AUTO (automatische regeling)
4. Toets OFF
5. Luchtcirculatietoets
6. Toets voorruitontwaseming
7. Achterruitverwarming toets
8. Luchttoevoertoets
9. A/C (Air conditioning) Toets
10. LCD-display
OGB044113
Automatisch verwarmings- en ventilatiesysteem (indien van toepassing)
3-125
Handige functies van uw auto
3
Automatische verwarming en
airconditioning
De Automatische Verwarmings- en
Ventilatiesysteem wordt bediend
door eenvoudig de gewenste tempe-
ratuur in te stellen.
1. Druk op toets AUTO.
De te gebruiken uitstroomopeningen
de aanjagersnelheid, de luchtinlaat
en de airconditioning worden auto-
matisch geregeld op basis van de
gekozen temperatuur.
2. Stel de temperatuurregelknop in
op de gewenste temperatuur. Als
de temperatuur op de laagste
stand (LO) wordt ingesteld, werkt
de airconditioning doorlopend.
Druk op een van de volgende toet-
sen om de automatische werking uit
te schakelen:
- Luchtcirculatietoets.
- Toets voorruitontwaseming (Druk
de toets nogmaals in om de voor-
ruitontwasemingsfunctie te dese-
lecteren. Het teken AUTO wordt
nogmaals op het informatie-
scherm weergegeven.)
- Toets aanjager.
De geselecteerde functie wordt
handmatig bediend terwijl de andere
functies automatisch werken.
Voor uw gemak en om de effectiviteit
van het verwarmings- en ventilatie
systeem te verbeteren kunt u de toets
AUTO gebruiken en de temperatuur
instellen op 23°C.
OGB044133
OGB044132
3-126
Handige functies van uw auto
Informatie
Plaats geen voorwerpen in de buurt
van de sensor, zodat een optimale wer-
king van het verwarmings- en aircon-
ditionings systeem gegarandeerd blijft.
Handmatig bediende verwar-
ming en airconditioning
Het verwarmings- en airconditio-
nings-systeem kan ook handmatig
geregeld worden met drukknoppen
dan de toets AUTO. In deze stand
werkt het systeem sequentieel,
afhankelijk van de gekozen knoppen.
Wanneer u een willekeurige knop
indrukt (of draait aan eender welke
knop), behalve de AUTO-knop tij-
dens het gebruik van de automati-
sche werking, zullen de niet geselec-
teerde functies automatisch gecon-
troleerd worden.
1. Start de motor.
2. Zet de luchtcirculatietoets in de
gewenste stand.
Voor een effectieve verwarming
en koeling:
- Verwarmen:
- Koelen:
3. Stel de temperatuur in op de
gewenste waarde.
4. Schakel de stand buitenlucht in
met de luchttoevoertoets.
5. Zet de aanjager op de gewenste
snelheid.
6. Als u de uitstromende lucht
gekoeld wilt hebben, kunt u het
airconditioningssysteem aanzet-
ten.
7. Druk op toets AUTO om weer over
te schakelen naar de volledig
automatische regeling.
i
OIB044080
3-127
Handige functies van uw auto
3
Luchtcirculatie
De luchtcirculatietoets regelt de cir-
culatie van de lucht door het ventila-
tiesysteem.
OGB044114
OGB048039
3-128
Handige functies van uw auto
Stand Face (B, D)
De lucht stroomt naar het bovenli-
chaam en het gezicht. Daarnaast
kan iedere uitstroomopening versteld
worden om de richting van de lucht-
stroom te wijzigen.
Stand Floor (A, C, D)
De meeste lucht stroomt naar de
vloer.
Stand Defrost (A, D)
Het grootste deel van de luchtstroom
wordt naar de voorruit geleid.
Daarnaast kunt u 2~3 standen gelijk-
tijdig selecteren om de gewenste
luchtstroom te krijgen.
- stand ventileren ( ) + verwar-
men ( )
- stand ventileren ( ) + ontwase-
men ( )
- stand verwarmen ( ) + ontwase-
men ( )
- stand ventileren ( ) + verwar-
men ( ) + ontwasemen ( )
Maximaal ontdooiingsniveau
De meeste lucht stroomt naar de vo-
orruit en een klein gedeelte stroomt
door de zijruitontwaseming. (A/C &
frisse modus automatisch aan).
OGB044115
3-129
Handige functies van uw auto
3
Uitstroomopeningen dashboard
Met de hendel in de ventilatieroos-
ters kunt u de richting van de lucht-
stroom uit deze ventilatieroosters
afstellen, zoals in de afbeelding is
aangegeven.
Temperatuurregelknop
De temperatuur zal toenemen in op
maximum (HI) door de knop naar
rechts te draaien.
De temperatuur zal verlagen aan
minimum (LO) door de knop naar
links te draaien.
Elke keer dat de toetsen worden
ingedrukt, wordt de temperatuur met
0,5°C verhoogd of verlaagd. Wan-
neer de laagst mogelijke tempera-
tuur wordt ingesteld, zal de aircondi-
tioning continu blijven werken.
Luchttoevoertoets
Hiermee kan de stand buitenlucht of
de stand recirculatie worden geko-
zen.
OGB044116OGB044132
OGB044040
3-130
Handige functies van uw auto
Stand recirculatie
De lamp op de knop
gaat branden als de
recirculatie is ingescha-
keld.
In de stand recirculatie
wordt de lucht uit het
passagierscompartiment
door het systeem gere-
circuleerd en, afhanke-
lijk van de gekozen func-
tie, gekoeld of ver-
warmd.
Stand buitenlucht
De lamp op de knop
gaat niet branden als de
toevoer van buitenlucht
is ingeschakeld.
In de stand buitenlucht
stroomt de lucht van bui-
tenaf in het passagiers-
compartiment. Deze
lucht wordt, afhankelijk
van de gekozen functie,
verwarmd of gekoeld.
Informatie
Kan de lucht in het passagierscompar-
timent extreem droog worden bij
langdurig gebruik van de airconditio-
ning in de stand recirculatie.
i
Voortgezet gebruik van de kli-
maatregeling operatie in de
circulerende lucht positie kan
sufheid of slaperigheid, dat
het verlies van controle over
het voertuig als gevolg een
ongeval kunnen veroorzaken.
Schakel daarom zo veel mo-
gelijk de stand buitenlucht in.
Voortdurend gebruik van de
klimaatregeling in de recircu-
lerende lucht stand (zonder
de airconditioning geselec-
teerd te hebben) kan de lucht-
vochtigheid in de wagen ver-
hogen waardoor de ramen
kunnen aandampen en zo de
zichtbaarheid kunnen belem-
meren.
Ga niet slapen in de auto wan-
neer het airconditioningssys-
teem of de verwarming inge-
schakeld is. Door een afname
van de zuurstofconcentratie
en/of de lichaamstemperatuur
kunnen de inzittenden letsel
oplopen.
WAARSCHUWING
3-131
Handige functies van uw auto
3
Aanjagerschakelaar
Draai de knop naar rechts om de
ventilatorsnelheid en de luchtstroom
te verhogen. Draai de knop naar
links om de ventilatorsnelheid en de
luchtstroom te verlagen.
Airconditioning
Druk op de A/C-knop om het sys-
teem handmatig aan en uit te zetten
(het controlelampje gaat branden).
Stand OFF
Druk op toets OFF om de aircondi-
tioning uit te schakelen. Het is nog
steeds mogelijk om de luchttoevoer-
toetsen te bedienen zolang het con-
tact in stand ON staat.
OGB044130 OGB044131 OGB044117
3-132
Handige functies van uw auto
Werking systeem
Ventilatie
1. Selecteer de gezichtsniveau
modus.
2. Schakel de stand BUITENLUCHT
in met de luchttoevoertoets.
3. Stel de temperatuur in op de
gewenste waarde.
4. Zet de aanjager op de gewenste
snelheid.
Verwarmen
1. Selecteer de vloerniveau
modus.
2. Schakel de stand BUITENLUCHT
in met de luchttoevoertoets.
3. Stel de temperatuur in op de
gewenste waarde.
4. Zet de aanjager op de gewenste
snelheid.
5. Als u de uitstromende lucht
gedroogd wil hebben, kunt u het
airconditioningssysteem aanzet-
ten (indien van toepassing).
Selecteer de Floor & Defrost
modus wanneer de voorruit beslaat.
Tips voor het gebruik
Om te voorkomen dat stof of
onaangename geuren in het interi-
eur van de auto terechtkomen, kan
de schakelaar voor de luchttoevoer
tijdelijk in de stand recirculatie wor-
den gezet. Zet de bediening terug
in de frisse lucht stand wanneer de
belemmering verdwenen is. Frisse
lucht is beter voor de fysieke
gesteldheid van de bestuurder en
bovendien aangenamer.
Voorkom dat de voorruit beslaat
door de stand buitenlucht te selec-
teren, de aanjager in de gewenste
stand te zetten, de airconditioning
in te schakelen en de gewenste
temperatuur in te stellen.
Airconditioning
(indien van toepassing)
HYUNDAI-airconditioningssystemen
zijn gevuld met koudemiddel R-134a
of R-1234yf.
1. Start de motor.
2. Druk op toets A/C.
3. Stel de modus in op gezichtsni-
veau modus.
4. Schakel de stand recirculatie in
met de luchttoevoertoets. Een
langdurige werking van de gere-
circuleerde luchtpositie zal achter
overdreven droge lucht veroorza-
ken. Verander in dat geval de
luchtpositie.
5. Stel de aanjagersnelheid en de
temperatuur bij om een maximaal
comfort te bereiken.
Wanneer maximale koeling gewenst
is, stel de temperatuurregeling op de
laagste stand (LO) in en stel vervol-
gens de snelheidsregeling van de
ventilator in op de hoogste snelheid.
3-133
Handige functies van uw auto
3
Informatie
Uw auto werd gevuld met R-134a of
R-1234yf in overeenstemming met de
wetgeving in uw land ten tijde van de
productie. Via het etiket aan de bin-
nenkant van de motorkap kunt u te
weten komen welk airconditioning
koelmiddel in uw auto werd gebrukt.
Bekijk hoofdstuk 8 voor de locatie van
het label met betrekking tot het koel-
middel voor de airconditioning.
Houd de temperatuurmeter nauw-
lettend in de gaten wanneer de air-
conditioning wordt gebruikt als u
lange hellingen oprijdt of als u in
druk verkeer rijdt bij hoge buiten-
temperaturen. Door het gebruik
van het airconditioningssysteem
kan de motor oververhit raken.
Blijf de aanjager gebruiken en
schakel het airconditioningssys-
teem uit wanneer de temperatuur-
meter aangeeft dat de motor over-
verhit raakt.
Aanwijzingen voor gebruik
airconditioning
Open de ruiten een tijdje wanneer
de auto tijdens warm weer in de
volle zon geparkeerd is geweest,
zodat de warme lucht naar buiten
kan.
Schakel terug van gerecirculeerde
lucht stand naar frisse buitenlucht
stand. zdra voldoende afkoeling
werd bereikt.
Om het beslaan van de ruiten tij-
dens regenachtig weer te vermin-
deren, kunt u de vochtigheids-
graad in het interieur terugbrengen
door de airconditioning (met de rui-
ten dicht) in te schakelen.
Schakel de airconditioning iedere
maand enkele minuten in om het
systeem in een optimale staat te
houden.
Als u de airconditioning overmatig
laat werken, kan het verschil in
temperatuur tussen de buitenlucht
en de voorruit damp veroorzaken
op het buitenoppervlak van de
voorruit, wat kan leiden tot vermin-
derde zichtbaarheid. Zet in dat
geval de luchtcirculatietoets of
knop in de stand en de aanja-
ger op de laagste stand.
Onderhoudssysteem
Interieurfilter
Deze filter bevindt zich achter het
handschoenkastje. Hij filtert stof of
andere vervuilende stoffen die in de
auto binnendringen via het verwar-
mings- en airconditioningssysteem.
Wij raden aan dat de luchtfilter van de
klimaatcontrole vervangen wordt door
een officiële HYUNDAI-dealer. Als er
onder ongunstige omstandig-heden
gereden wordt, bijvoorbeeld in een
stoffige omgeving of op slechte wegen,
moet het interieurfilter vaker worden
gecontroleerd en indien nodig worden
vervangen.
We adviseren u het systeem te laten
controleren door een officiële HYUN-
DAI-dealer als de luchtopbrengst plot-
seling afneemt.
i
AANWIJZING 1LDA5047
Buitenlucht
Gerecirculeerde
lucht
Interieurfilter
Aanjager
Kachel-
radiateur
Erdamper
3-134
Handige functies van uw auto
Hoeveelheid koudemiddel en
compressorolie controleren
Als er te weinig koudemiddel in het
systeem zit, neemt de koelcapaciteit
van de airconditioning af. Een teveel
aan koudemiddel heeft ook nadelige
effecten op de werking van de air-
conditioning.
Daarom adviseren we u het systeem
te laten controleren door een officië-
le HYUNDAI-dealer als het systeem
niet normaal werkt.
Informatie
Het is belangrijk het systeem bij te
vullen met de juiste soort en hoeveel-
heid olie en koudemiddel. Anders kan
er schade aan de compressor ontstaan,
waardoor het systeem niet meer goed
functioneert. Adviseren u het airconditioningssys-
teem te laten repareren door een
officiële HYUNDAI-dealer.
i
- Auto's uitgerust met R-134a
Omdat het koelmid-
del onder zeer hoge
druk staat, dient het
airconditioningsys-
teem alleen te worden onder-
houden door daarvoor opgelei-
de en gecertificeerde technici.
Het is belangrijk dat het juiste
type en de exacte hoeveelheid
olie en koelmiddel gebruikt wor-
den, anders kan dit leiden tot
beschadigingen van de wagen
of zelfs persoonlijke verwondin-
gen.
WAARSCHUWING
- Auto's uitgerust met R-1234yf
Omdat het koelmiddel
onder zeer hoge druk
licht ontvlambaar is,
dient het airconditio-
ningsysteem alleen te
worden onderhouden
door daarvoor opge-
leide en gecertificeer-
de technici. Het is be-
langrijk het systeem bij te vul-
len met de juiste soort en hoe-
veelheid olie en koudemiddel.
Anders kan dit leiden tot bescha-
digingen van de wagen of zelfs
persoonlijke verwondingen.
WAARSCHUWING
3-135
Handige functies van uw auto
3
Voorruit ontdooien en
ontwasemen
Draai de temperatuurknop volledig
naar rechts (maximaal verwarmen)
en zet de aanjagerknop op de
hoogste snelheid om maximaal te
ontdooien.
Zet de knop voor de luchtcirculatie
in stand verwarmen/ontwasemen,
wanneer tijdens het ontdooien of
ontwasemen warme lucht in de
vloer gewenst wordt.
Verwijder voor het rijden alle
sneeuw en ijs van de voorruit, de
achterruit, de buitenspiegels en
alle zijruiten.
Verwijder alle sneeuw en ijs van de
motorkap en de luchtinlaat aan de
onderkant van de voorruit.
Als de temperatuur van de motor
na het starten nog koud is, dan kan
een korte opwarmingsperiode van
de motor vereist zijn om een
warme of hete geventileerde lucht-
stroom te bekomen.
Verwarmings- en ventilatiesys-
teem, handbediend
Binnenzijde voorruit ontwasemen
1. Stel de gewenste aanjagersnel-
heid in.
2. Stel de gewenste temperatuur in.
3. Kies stand of .
4. De stand buitenlucht wordt auto-
matisch geselecteerd. Bovendien
zal de airconditioning (indien van
toepassing) automatisch werken
wanneer de modus in de of
stand staat.
Als de airconditioning en de stand
buitenlucht niet automatisch worden
ingeschakeld, druk dan op de desbe-
treffende toetsen.
Gebruik de standen of
niet in combinatie met koelen
bij een extreem hoge luchtvoch-
tigheid. Door het temperatuur-
verschil tussen de buitenlucht
en de voorruit, kan de voorruit
plotseling beslaan, waardoor
het zicht wegvalt. Zet de mo-
dusselectie in de stand en
de aanjager op de laagste
stand.
WAARSCHUWING
OIB044076
3-136
Handige functies van uw auto
Buitenzijde voorruit ontdooien
1. Zet de aanjager in de hoogste
(extreme-rechts) stand.
2. Stel de temperatuur in op maxi-
maal.
3. Kies stand .
4. Het systeem schakelt de toevoer
van buitenlucht en de airconditio-
ning (indien van toepassing) auto-
matisch in.
Automatisch verwarmings- en
ventilatiesysteem
Binnenzijde voorruit ontwasemen
1. Stel de gewenste aanjagersnel-
heid in.
2. Stel de gewenste temperatuur in.
3. Druk op de toets voorruitontwase-
ming ( ).
4. Op basis van de omgevingstem-
peratuur zal de airconditioning
automatisch worden ingeschakeld
en de stand buitenlucht en hogere
aanjagersnelheid worden geko-
zen.
Als de airconditioning en de stand
buitenlucht en hogere aanjagersnel-
heid niet automatisch worden inge-
schakeld, druk dan op de desbe-
treffende toetsen.
Als stand geselecteerd wordt,
wordt de aanjagersnelheid automa-
tisch verhoogd.
OIB044077
OGB044118
3-137
Handige functies van uw auto
3
Buitenzijde voorruit ontdooien
1. Zet de aanjager in de hoogste
stand.
2. Stel de temperatuur in op maxi-
maal (HI).
3. Druk op de toets voorruitontwase-
ming ( ).
4. Op basis van de omgevingstem-
peratuur zal de airconditioning
automatisch worden ingeschakeld
en de stand buitenlucht worden
gekozen.
Als stand Automatisch ontdampings-
systeem (indien van toepassing)
geselecteerd wordt, wordt de aanja-
gersnelheid automatisch verhoogd.
Automatisch ontdampingssys-
teem (indien van toepassing)
Automatisch ontdamping vermindert
de kans van aandamping op de bin-
nenkant van de voorruit door auto-
matische opsporing van vocht aan
de binnenkant van de voorruit.
Het automatische ontdampingssys-
teem werkt wanneer de verwarming
of airconditioning aanstaat.
Dit controlelampje licht op
wanneer het ontdam-
pingssysteem vocht regis-
treert aan de binnenkant
van de voorruit en begint
te werken.
Wanneer er meer vocht in de auto
aanwezig is, werken de hogere stap-
pen als volgt. Bijvoorbeeld wanneer
het automatische ontdampingssys-
teem de binnenkant van de voorruit
niet ontdampt bij stap 1 stand buiten-
lucht, probeert het systeem opnieuw
te ontdampen in stap 2, het blazen
van lucht naar de voorruit toe.
Stap 1: Bediening van de airconditio-
ning
Stap 2: Stand buitenlucht
Stap 3: Blazen van lucht naar de
voorruit toe
Stap 4: Het verhogen van de lucht-
stroom naar de voorruit toe
Stap 5: Het maximaliseren van de
airconditioning
OGB044119
OGB044134
3-138
Handige functies van uw auto
Als uw auto is uitgerust met het auto-
matisch ontdampingssysteem, dan
wordt dit automatisch geactiveerd
wanneer aan de voorwaarden is vol-
daan. Wanneer u echter het automa-
tisch ontdampingssysteem wilt annu-
leren, drukt u 4 keer binnen de 2
seconden op de voorste ontdooiknop
terwijl u op de AUTO knop drukt. Om
het systeem te gebruiken, herhaalt u
de bovenstaande procedure opnieuw.
Het controlelampje in de voorste ont-
dooiknop zal 3 keer knipperen om u
te waarschuwen dat het systeem
wordt uit- of ingeschakeld.
Wanneer de batterij losgekoppeld is
of leeg geraakt, keert het systeem
terug naar de automatische ontdam-
pingsstatus.
Informatie
Wanneer de A/C off handmatig gese-
lecteerd is, terwijl het automatisch
ontdampingssysteem ingeschakeld is,
zal het controlelampje van het auto-
matisch ontdampingssysteem 3 keer
knipperen om aan te geven dat de A/C
off niet geselecteerd kan worden.
Verwijder de behuizing van de
regensensor bovenaan de voor-
ruit aan bestuurderszijde niet.
Eventuele schade aan onderdelen
die hierdoor kan ontstaan, valt
niet onder de fabrieksgarantie.
Zuivere lucht
(indien van toepassing)
Wanneer het contact in de stand ON
staat, wordt de zuivere luchtfunctie
automatisch ingeschakeld.
Ook de zuivere luchtfunctie wordt
automatisch uitgeschakeld, wanneer
het contact in de stand OFF wordt
gedraaid.
AANWIJZING
i
OGB044135
3-139
Handige functies van uw auto
3
Laat geen waardevolle spullen
achter in de opbergvakken, om
diefstal te voorkomen.
Opbergvak middenconsole
Trek de hendel omhoog om het op-
bergvak in de middenconsole te ope-
nen.
Dashboardkastje
Het dashboardkastje gaat automa-
tisch als er aan de hendel getrokken
wordt. Sluit het dashboardkastje na
gebruik.
AANWIJZING
OPBERGVAK
Brandbare materialen
Bewaar geen aanstekers of
andere brandbare of explosieve
materialen in de auto. Deze kun-
nen ontploffen of vlam vatten
wanneer de auto gedurende
lange tijd blootgesteld staat aan
hoge temperaturen.
WAARSCHUWING
Houd ALTIJD de deksels van de
opbergvakken tijdens het rijden
gesloten veilig. Voorwerpen in
uw auto bewegen even snel als
de auto zelf. Als u moet stoppen
of snel draaien, of als u een on-
geval heeft, kunnen deze voor-
werpen uit het opbergvak geslin-
gerd worden en letsel veroorza-
ken wanneer ze de bestuurder of
een passagier raken.
WAARSCHUWING OGB044136 OGB074002
Sluit ALTIJD het dashboard-
kastje na gebruik.
Een open handschoenkastje
kan bij een ongeval ernstig let-
sel aan de passagier veroorza-
ken, zelfs wanneer de passagier
een veiligheidsgordel draagt.
WAARSCHUWING
3-140
Handige functies van uw auto
Opbergvak voor zonnebril
(indien van toepassing)
Druk op het afdekkapje om het
opbergvak langzaam te openen.
Plaats uw zonnebril met de glazen
naar boven gericht in het opbergvak.
Om de zonnebrilhouder te sluiten,
druk deze terug op zijn plaats. Zorg
ervoor dat de zonnebrilhouder geslo-
ten is tijdens het rijden.
Bagageruimtebox (indien van
toepassing)
U kunt een eerste hulp kit, een ref-
lector driehoek, gereedschap enz. in
het vak plaatsen voor makkelijk
bereik.
Plaats de vloerbedekking in de baga-
geruimte omhoog om de opberg-
ruimte te kunnen gebruiken.
Bewaar geen andere voorwer-
pen dan een zonnebril in het
opbergvak. Andere voorwer-
pen kunnen bij een aanrijding
of een noodstop uit het op-
bergvak worden geslingerd,
waardoor de inzittenden letsel
kunnen oplopen.
Open het opbergvak voor de
zonnebril niet als de auto rijdt.
Het openen van het opberg-
vak kan het zicht naar achte-
ren in de binnenspiegel be-
lemmeren.
Forceer de bril niet om hem in
de zonnebrilhouder te bewa-
ren. U kunt gewond raken als
u het opbergvak probeert te
openen terwijl de bril in de
houder zit vastgeklemd.
WAARSCHUWING
OGC044065 OGB044137
3-141
Handige functies van uw auto
3
OVERIGE VOORZIENINGEN
Digitale klok
(indien van toepassing)
Type A
Om de tijd in te stellen:
Het contactslot moet in de AC-stand
of deAAN-stand staan.
1. Druk op toets SETUP.
2. Selecteer "Klok" "Instellingen
klok" met behulp van de TUNE
knop.
3. Stel de klok in met behulp van de
TUNE-knop.
Type B
Als de accukabels of de bijbehoren-
de zekeringen zijn losgenomen,
moet de tijd opnieuw worden inge-
steld.
Wanneer het contact in stand ACC of
ON staat, werken de knoppen van de
klok als volgt:
• H (Uur)
Druk op de "(H)" knop om de weer-
gegeven tijd een uur vooruit te zet-
ten.
Probeer nooit de klok tijdens
het rijden te verstellen. Als u dat
wel doet, kunt u de macht over
het stuur verliezen waardoor
ongevallen en letsel veroor-
zaakt kunnen worden.
WAARSCHUWING
OGB048043 OIB044038
3-142
Handige functies van uw auto
• M (Minuut)
Druk op de "M"knop om de weerge-
geven tijd een minuut vooruit te zet-
ten.
• Conversie van de weergave
Om het 12 uur formaat naar het 24
uur formaat te wijzigen, drukt u gedu-
rende meer dan 4 seconden tegelij-
kertijd op de "H" en "M"knop.
Bijvoorbeeld, wanneer de "H" en "M"
knop ingedrukt worden wanneer de
tijd op 10:15 staat, zal het scherm
omschakelen naar 22:15.
Aansteker
(indien van toepassing)
De aansteker werkt allen met het
contact op de stand “ACC” of “AAN “
positie.
Druk de aansteker in de houder om
hem te kunnen gebruiken. Als het
element verwarmd is, springt de aan-
steker een stukje naar buiten en kan
hij uit de houder worden genomen.
We adviseren u vervangende onder-
delen te gebruiken die geleverd zijn
door een officiële HYUNDAI-dealer.
Houd de aansteker niet inge-
drukt omdat daardoor overver-
hitting kan ontstaan.
Verwijder, om oververhitting te
voorkomen, de aansteker met de
hand wanneer deze niet binnen
30 seconden naar buiten springt.
Steek geen vreemde voorwer-
pen in de fitting van de aanste-
ker. Anders raakt de aansteker
mogelijk beschadigd.
AANWIJZING
OGB046044
Hou de sigarettenaansteker niet
naar beneden terwijl deze aan het
opwarmen is. De aansteker of het
verwarmingselement kunnen over-
verhit en beschadigd geraken.
Gebruik de sigarettenaansteker
niet voor accessoires (scheerap-
paraten, draagbare stofzuigers,
en koffiepotten, enz.). Het gebruik
van de aansteker als voedings-
bron voor accessoires kan de
aanstekerbus beschadigen of
kortsluiting veroorzaken. Gebruik
hiervoor de toegankelijke stop-
contacten.
OPMERKING
3-143
Handige functies van uw auto
3
Asbak (indien van toepassing)
Open het deksel om de asbak te
gebruiken.
Trek de asbak omhoog om hem te
verwijderen en hem leeg of schoon
te kunnen maken.
Gebruik de asbak in de auto niet
voor afval.
Bekerhouder
In de bekerhouders kunnen bekers
en blikjes frisdrank worden ge-
plaatst.
OGB044045
Er kan brand ontstaan wanneer
brandende sigaretten of lucifers
in een asbak met brandbare
materialen worden gestopt.
WAARSCHUWING Plaats blikjes en flessen niet in
direct zonlicht en laat ze niet
achter in een auto waarvan het
interieur is opgewarmd. Ze kun-
nen exploderen.
WAARSCHUWING
(Vervolg)
Het verbranden van de bestu-
urder kan voor controleverlies
over de auto zorgen met een
ongeval als gevolg.
Plaats geen onbedekte of
onbeveiligde bekers, flessen,
blikjes, etc., in de bekerhou-
der die hete vloeistof bevat-
ten, terwijl de wagen in bewe-
ging is. U kunt gewond gera-
ken in geval van plotseling
remmen of van een aanrijding.
Gebruik alleen zachte bekers
in de bekerhouders. Harde
voorwerpen kunnen u ver-
wonden bij een ongeval.
Vermijd abrupt starten en
afremmen wanneer de beker-
houder in gebruik is om zo het
morsen van uw drankje te
voorkomen. Het morsen van
hete vloeistof kan brandwon-
den tot gevolg hebben.
(Vervolg)
WAARSCHUWING
OGB044046
3-144
Handige functies van uw auto
Houd uw drankjes gesloten tij-
dens het rijden om zo het mor-
sen van uw drankje te voorko-
men. Als er vloeistof gemorst is,
kan deze in de elektrische/elek-
tronische systemen van de auto
terechtkomen en de elektri-
sche/elektronische onderdelen
beschadigen.
Bij het reinigen van gemorste
vloeistoffen, droog de beker-
houder niet onder hoge tempe-
ratuur. Hierdoor kan de beker-
houder beschadigd raken.
Zonneklep
Trek de zonneklep omlaag om deze
te kunnen gebruiken.
Trek de zonneklep omlaag, neem
hem uit de steun (1) en draai hem
naar de zijruit om bescherming te
verkrijgen tegen zon van opzij.
De make-upspiegel kunt u gebruiken
door de zonneklep te openen en het
afdekkapje (2) van de spiegel op te
klappen.
Smartphone-dockingstation
(indien van toepassing)
De grootte van de smartphone die in
het smartphone dockingstation
geplaatst mag worden, is beperkt
door de wet.
- Aanbevolen smartphone modellen:
iPhone 5/6 en Galaxy S2/S3/S4/S5
- Zie de afzonderlijke handleiding
van het smartphone dockingstation
voor andere modellen.
De afzonderlijke handleiding (aan-
vulling op deze handleiding) geeft u
verdere informatie over het systeem-
gebruik van het smartphone doc-
kingsysteem, de converter specifica-
ties, de converter vervanging en
andere waarschuwingen.
AANWIJZING
Belemmer, voor uw eigen veilig-
heid, uw zicht niet wanneer u de
zonneklep gebruikt.
WAARSCHUWING
Vermijd het gebruik van uw
smartphone of het aanpassen
van het dockingstation voor
smartphones terwijl het voer-
tuig in beweging is.
Voor uw veiligheid, verwijder
de smartphone-cover, vóór het
aanbrengen van de smart-
phone in het smartphone-dock.
WAARSCHUWING
OGB046047
3-145
Handige functies van uw auto
3
Aansluiting
(indien van toepassing)
De 12 V-aansluiting is ontworpen om
mobiele telefoons en andere appara-
ten die in de auto gebruikt kunnen
worden, op te laden. Deze apparaten
mogen niet meer dan 180W (Watt)
afnemen als de motor draait.
Om schade aan de aansluiting te
voorkomen:
Gebruik de 12 V-aansluiting
alleen als de motor draait en ver-
wijder de plug van het apparaat
na gebruik uit de aansluiting.
Het gebruik van de 12 V-aanslui-
ting gedurende langere tijd als
de motor niet draait, kan ertoe
leiden dat de accu te ver ontla-
den raakt.
Alleen voor het aansluiten van
elektrische apparatuur die werkt
op 12 V en een stroomverbruik
heeft van maximaal 180W.
Zet de airconditioning of de ver-
warming in de laagste stand als
de 12 V-aansluiting gebruikt
wordt.
Plaats het afdekkapje op de aan-
sluiting wanneer deze niet wordt
gebruikt.
(Vervolg)
(Vervolg)
Sommige elektronische appara-
ten die op de 12 Vaansluiting
worden aangesloten, kunnen
storingen veroorzaken. De pro-
blemen kunnen variëren van een
slechte radio-ontvangst tot sto-
ringen in de elektronische syste-
men en apparaten in de auto.
Duw de stekker zo ver als moge-
lijk. Als er geen goed contact is
gemaakt, kan de stekker over-
verhit geraken of de interne tem-
peratuurzekering kan openen.
Steek enkel elektrische/elektro-
nische apparaten in met omge-
keerde stroombescherming. De
stroom van de batterij kan in het
elektrische/elektronische sys-
teem van de auto stromen en zo
storingen veroorzaken in het
systeem.
AANWIJZING
Vermijd elektrische schokken.
Steek geen vingers of vreemde
voorwerpen (pen, enz.) in een
12V-aansluiting en raak de aan-
sluiting niet aan met natte han-
den.
WAARSCHUWING
OGB046048
3-146
Handige functies van uw auto
USB-lader
(indien van toepassing)
De USB-lader is ontworpen om bat-
terijen van kleine elektrische appara-
ten op te laden met behulp van een
USB-kabel.
De elektrische apparaten kunnen
worden opgeladen als de startknop
in stand ACC, ON of START staat.
De oplaadstatus van de batterij kan
op het elektrische apparaat worden
gecontroleerd. Ontkoppel na gebruik
de USB-kabel van de USB-poort.
Een smartphone of een tablet-pc
wordt mogelijk warmer tijdens het
oplaadproces. Dit duidt niet op een
eventuele storing met het oplaad-
systeem.
Een smartphone of een tablet-pc,
die een andere oplaadmethode
gebruikt, kan mogelijk niet correct
opgeladen zijn. Gebruik in dit geval
een exclusieve lader van uw appa-
raat.
De oplaadterminal is alleen om
een apparaat op te laden. Gebruik
de oplaadterminal niet om ofwel
een audio in te schakelen of om
media af te spelen op de AVN.
Kledinghaak
(indien van toepassing)
Om items op te hangen, trek de han-
ger naar beneden.
Deze hangers zijn niet ontworpen
voor grote of zware voorwerpen.
OGC044075
Hang geen andere voorwerpen
op dan kleding. Bij een ongeval
kunnen deze de auto beschadi-
gen of persoonlijk letsel veroor-
zaken.
WAARSCHUWING
OGB048048
3-147
Handige functies van uw auto
3
Tashaak (indien van
toepassing)
Hang geen tas op met een gewicht
van meer dan 3 kg. Hierdoor kan
de tashaak worden beschadigd.
Bevestigingspunt (EN) vloermat
(indien van toepassing)
Gebruik ALTIJD de vloermatankers
om de voorste vloermatten aan de
auto te bevestigen. De ankers aan
het voorste vloertapijt zorgen ervoor
dat de vloermatten niet naar voren
schuiven.
AANWIJZING
OMD040195NOGB044138
Neem het volgende in acht bij
het plaatsen van vloermatten in
de auto.
Controleer of de vloermatten
zorgvuldig bevestigd zijn aan
de bevestigingspunten voor-
dat u gaat rijden.
Gebruik GEEN vloermatten
die niet goed vastgemaakt
kunnen worden aan de beves-
tigingspunten voor de vloer-
matten.
Plaats geen vloermatten op
elkaar (bv. een rubber mat
bovenop een gewone vloer-
mat). Gebruik overal slechts
één enkele vloermat.
BELANGRIJK - Uw auto is aan
bestuurderszijde uitgerust met
bevestigingspunten voor een
degelijke bevestiging van de
vloermat. Om te voorkomen dat
de vloermat de bediening van de
pedalen belemmert, adviseert
HYUNDAI vloermatten van
HYUNDAI te plaatsen die ontwor-
pen zijn voor gebruik in uw auto.
WAARSCHUWING
3-148
Handige functies van uw auto
Bagagenet (houder)
(indien van toepassing)
Om te voorkomen dat uw spullen
door de bagageruimte heen en weer
schuiven, kunt u de 4 haken in de
bagageruimte (onder de vloer panel)
gebruiken om het bagagenet vast te
zetten.
Zorg ervoor dat het bagagenet stevig
vastgemaakt is aan de houders in de
bagageruimte.
Indien nodig adviseren we u contact
op te nemen met een officiële
HYUNDAI-dealer om een bagage-
net.
Afdekscherm bagageruimte
(indien van toepassing)
Gebruik de afdekscherm om te voor-
komen dat de bagage in de bagage-
ruimte van buitenaf zichtbaar is.
Het afdekscherm kan worden opge-
rold of uitgenomen.
OGB044139
Voorkom verwondingen aan het
oog. Trek het bagagenet niet te
strak aan. Hou gezicht en
lichaam op voldoende afstand.
Gebruik het net niet als de
spanbanden zichtbare slijtage
of schade vertonen.
WAARSCHUWING
OIB044033
3-149
Handige functies van uw auto
3
Zet geen bagage op het afdek-
scherm, hierdoor kan het scherm
worden beschadigd of vervormd.
AANWIJZING
Plaats niets op de afdek-
scherm bagageruimte. Der-
gelijke voorwerpen kunnen bij
een ongeval of remmen door
de auto geslingerd worden en
inzittenden verwonden.
Laat tijdens het rijden nie-
mand in de bagageruimte zit-
ten. Deze is alleen bedoeld
voor bagage.
WAARSCHUWING
3-150
Handige functies van uw auto
Roof rack
(indien van toepassing)
Als uw auto is voorzien van een roof
rack, kunt u bagage op het dak ver-
voeren.
Informatie
Plaats als de auto is uitgerust met een
schuif-/kanteldak de lading zodanig
op het roof rack dat de werking van
het dak niet gehinderd wordt.
Neem de juiste voorzorgsmaat-
regelen om te voorkomen dat
lading op het roof rack het dak
beschadigt.
Zorg ervoor dat grote objecten
nooit aan de achterzijde of aan
de zijkant buiten de auto uitste-
ken.
i
AANWIJZING
EXTERIEUR
Hieronder wordt aangegeven
wat het maximale gewicht is
dat kan worden geladen op het
roof rack. Verdeel de lading
gelijkmatig over het roof rack
en zet de lading goed vast.
Er kan schade aan uw auto
ontstaan, als u meer dan het
toegestane gewicht op het
roof rack vervoert.
(Vervolg)
WAARSCHUWING
(Vervolg)
Het zwaartepunt van de auto
ligt hoger als er zich lading op
het roof rack bevindt. Vermijd
plotseling starten of remmen,
scherpe bochten, abrupte
manoeuvres of hoge snelhe-
den waardoor u de macht over
het stuur kunt kwijtraken of de
auto over de kop kan slaan.
Rijd altijd langzaam en neem
bochten voorzichtig als u
voorwerpen op het roof rack
vervoert. Sterke windvlagen
kunnen een opwaartse druk
aan de onderzijde van de
lading veroorzaken. Dit geldt
met name voor grote, platte
voorwerpen zoals houten pa-
nelen of matrassen. Hierdoor
kunnen voorwerpen van het
roof rack vallen en de auto of
andere auto's beschadigen.
Controleer regelmatig of de
voorwerpen op het roof rack
goed vastzitten om te voorko-
men dat de lading beschadigd
of verloren raakt.
ROOF 70 kg
RACK GELIJKMATIG VERDEELD
OGB046238
Multimediasysteem
Multimediasysteem....................................................4-3
AUX-, USB- en iPod®-aansluiting.................................4-3
Antenne.............................................................................4-4
Audiobediening op stuurwiel..........................................4-5
Audio / Video / Navigatiesysteem (AVN).......................4-6
Bluetooth®Wireless Technology handsfree...................4-6
Uitleg werking autoradio................................................4-7
Audio (Zonder Touchscreen)....................................4-9
Systeemindeling - bedieningspaneel...............................4-9
Systeemindeling - Audiobediening op stuurwiel.........4-13
Het systeem in- of uitschakelen....................................4-16
Het display in- of uitschakelen.....................................4-16
Het leren kennen van de basishandelingen ................4-17
Radio.........................................................................4-18
De radio inschakelen.....................................................4-18
De radiomodus wijzigen................................................4-18
Scannen voor beschikbare radiozenders.....................4-18
Zoeken voor radiozenders............................................4-19
Radiozenders opslaan....................................................4-19
Luisteren naar opgeslagen radiozenders.....................4-19
Mediaspeler..............................................................4-20
Gebruik van de mediaspeler.........................................4-20
Gebruik van de USB-modus.........................................4-21
Gebruik van de iPod-modus.........................................4-23
Gebruik van de AUX-modus........................................4-26
Bluetooth..................................................................4-27
Verbinding maken met Bluetooth-apparaten.............4-27
Gebruik van een Bluetoothaudioapparaat..................4-30
Gebruik van een Bluetoothtelefoon.............................4-32
Setup (Instellen).......................................................4-37
Display............................................................................4-37
Geluid..............................................................................4-37
Date/Time (datum/tijd).................................................4-38
Phone...............................................................................4-38
Taal..................................................................................4-38
Systeemstatusiconen................................................4-39
Specificaties audiosysteem......................................4-40
USB.................................................................................4-40
Bluetooth.........................................................................4-41
Audio (Zonder Touchscreen)..................................4-42
Systeemindeling - bedieningspaneel.............................4-42
Systeemindeling - Audiobediening op stuurwiel.........4-44
Het systeem in- of uitschakelen....................................4-47
Het display in- of uitschakelen.....................................4-47
Het leren kennen van de basishandelingen ................4-48
4
Radio.........................................................................4-49
De radio inschakelen.....................................................4-49
De radiomodus wijzigen................................................4-49
Scannen voor beschikbare radiozenders.....................4-50
Zoeken voor radiozenders............................................4-50
Radiozenders opslaan....................................................4-50
Luisteren naar opgeslagen radiozenders.....................4-50
Mediaspeler..............................................................4-51
Gebruik van de mediaspeler.........................................4-51
Gebruik van de USB-modus.........................................4-52
Gebruik van de iPod-modus.........................................4-54
Gebruik van de AUX-modus........................................4-57
Bluetooth..................................................................4-58
Verbinding maken met Bluetooth-apparaten.............4-58
Gebruik van een Bluetoothaudioapparaat..................4-61
Gebruik van een Bluetoothtelefoon.............................4-63
Setup (Instellen).......................................................4-69
Display............................................................................4-69
Geluid..............................................................................4-69
Date/Time (datum/tijd).................................................4-69
Bluetooth.........................................................................4-70
Systeem...........................................................................4-70
Systeemstatusiconen................................................4-71
Specificaties audiosysteem......................................4-72
USB.................................................................................4-72
Bluetooth.........................................................................4-73
Handelsmerken........................................................4-74
Verklaring van conformiteit...................................4-75
CE RED voor de EU......................................................4-75
4
4-3
Multimediasysteem
4
Als u achteraf een HID-koplamp
monteert, treden er mogelijk sto-
ringen op in het audiosysteem
en de elektronische onderdelen
van uw auto.
Algemeen Voorkom dat chemi-
caliën als parfum, cosmetische
oliën, zonnebrandcrème en
luchtverfrisser in aanraking ko-
men met onderdelen van het
interieur, omdat deze beschadi-
ging of verkleuring kunnen ver-
oorzaken.
AUX-, USB- en
iPod®-aansluiting
U kunt een AUX-poort gebruiken om
audio-apparaten aan te sluiten en
een USB-poort om een USB aan te
sluiten alsook in een iPod®-poort.
Informatie
Als er een draagbaar audioapparaat
op de elektrische aansluiting wordt
aangesloten, is er tijdens het afspelen
mogelijk ruis hoorbaar. Gebruik in
dat geval de voedingsbron van het
draagbare apparaat.
hiPod®is een handelsmerk van Apple Inc.
i
AANWIJZING
MULTIMEDIASYSTEEM
OGB046120
4-4
Multimediasysteem
Antenne
Dakantenne
Uw auto maakt gebruik van een
dakantenne om zowel AM- als FM-
signalen te ontvangen. Deze anten-
ne kan verwijderd worden. Draai de
antenne linksom om hem te verwij-
deren. Draai de antenne rechtsom
om deze te plaatsen.
Vóór het betreden van een
omgeving met een lage doorrij-
hoogte of bij een car wash, con-
troleer dat de antenne volledig
is verwijderd.
Vewijder de antenne voor het
wassen van de auto in een auto-
matische carwash, anders kan
er schade ontstaan.
Bij het terugplaatsen van de
antenne is het voor een goede
ontvangst van belang dat de
antenne goed wordt vastge-
draaid en dat de antenne recht-
op staat. Maar het kan verwij-
derd worden wanneer het voer-
tuig geparkeerd.
Installatie van een alternatieve
antenne kan leiden tot lekkage,
windgeruis, rammelen en slechte
werking van de radio. Wij raden u
aan om de antenne te gebruiken
die verkrijgbaar is bij een officiële
Hyundai-dealer.
AANWIJZINGAANWIJZING
OGB044145
4-5
Multimediasysteem
4
Audiobediening op stuurwiel
(indien van toepassing)
Het audio-schakelaarpaneel op het
stuurwiel is aanwezig om een veilige
manier van rijden mogelijk te maken.
Bedien nooit meerdere schake-
laars van het audio-schakelaarpa-
neel tegelijkertijd.
VOLUME ( / ) (1)
Beweeg de VOLUME-schakelaar
omhoog om het volume te verho-
gen.
Beweeg de VOLUME-schakelaar
omlaag om het volume te verlagen.
SEEK/PRESET ( / ) (2)
Als de SEEK/PRESET-toets geduren-
de 0,8 s of langer wordt ingedrukt,
werkt hij in elke stand als volgt.
Radiomodus
Werkt als AUTO SEEK-toets. Deze
zal blijven ZOEKEN tot u de toets
loslaat.
CDP modus
Werkt als FF/REW-toets.
Als de SEEK/PRESET-toets geduren-
de korter dan 0,8 s wordt ingedrukt,
werkt hij in elke stand als volgt.
Radiomodus
Werkt als PRESET STATION SE-
LECT toets.
CDP modus
Werkt als TRACK UP/DOWN-toets.
MODE ( ) schakelaar (3)
Druk op de MODE toets om de Ra-
dio, de CD-speler of AUX (Auxiliary,
indien van toepassing) te selecteren.
MUTE ( ) (4, indien van
toepassing)
Druk op de toets MUTE om het
geluid uit te schakelen.
Druk op de knop om de microfoon
uit te schakelen tijdens een tele-
foongesprek.
Informatie
Meer informatie over de bedienings-
toetsen van het audiosysteem vindt u
op de volgende bladzijden in dit
hoofdstuk.
AANWIJZING
i
OGB044121
4-6
Multimediasysteem
Audio / Video /
Navigatiesysteem (AVN)
(indien van toepassing)
Gedetailleerde informatie over het
AVN-systeem kunt u vinden in een
apart bijgeleverd instructieboekje.
Bluetooth®Wireless Technology
hands-free
(indien van toepassing)
U kunt de telefoon draadloos gebrui-
ken met behulp van de
Bluetooth®
draadloze technologie.
(1) Bel / beantwoord-knop
(2) Toets gesprek beëindigen
(3) Microfoon
Audio: Zie "AUDIO" in dit hoofdstuk
voor meer informatie.
AVN: Gedetailleerde informatie
over de
Bluetooth®
Wireless Tech-
nology handsfree kunt u vinden in
het apart bijgeleverde instructie-
boekje.
OGB047122
OGB044123
4-7
Multimediasysteem
4
De werking van een autoradio
AM en FM radiosignalen worden
door het radiostation uitgezonden.
Deze signalen worden ontvangen
door de radioantenne op het spat-
scherm van uw wagen. Dit signaal
wordt dan verwerkt door de radio en
doorgestuurd naar de luidsprekers.
Als een krachtig radiosignaal uw
wagen bereikt zorgt de moderne
techniek van uw geluidsinstallatie
voor een hoge kwaliteit van de
geluidsweergave. In sommige geval-
len is het ontvangen signaal echter
niet krachtig en helder.
Dit kan worden veroorzaakt door bij-
voorbeeld de afstand tot het radio-
station, andere krachtige stations of
de aanwezigheid van gebouwen,
bruggen of grotere obstakels in het
desbetreffende gebied.
In het algemeen is de ontvangst van
AM signalen beter dan van FM sig-
nalen. Dit komt doordat AM radiogol-
ven met een lage frequentie worden
uitgezonden. Deze lange afstands,
laagfrequente radiogolven kunnen
de kromming van de aarde volgen in
plaats van recht te reizen. Bovendien
ontwijken ze obstakels zodat over
het algemeen een betere signaal
weergave het gevolg is.
ȻȹȺ
JBM001
FM-ontvangst
IONOSPHERE
ȻȹȺ
ȻȹȺ
JBM002
AM-ontvangst
IONOSPHERE
4-8
Multimediasysteem
FM signalen worden met een hoge
frequentie uitgezonden en volgen
hierbij niet het aardoppervlak.
Daarom ontstaat bij FM uitzendingen
op een relatief korte afstand van het
radiostation vervorming. Bovendien
ondervinden FM signalen nadelige
invloeden door gebouwen, bergen en
obstakels. Dit kan leiden tot onge-
wenste of onaangename luistersitu-
aties die ertoe kunnen leiden dat u
denkt dat er een probleem is met uw
radio. De volgende condities zijn nor-
maal en duiden niet op een storing:
Vervorming - Tijdens het rijden kan
de afstand ten opzichte van het
radiostation gewijzigd worden, het
signaal wordt zwakker en er treedt
vervorming op. In een dergelijk geval
adviseren wij u op een ander en
krachtiger station af te stemmen.
Flutter - Zwakke FM signalen of
grote obstakels tussen de zenden en
de radio vervormen het signaal
waardoor er flutter ontstaat. Deze
storing kan iets worden onderdrukt
door de hoge tonen te verminderen.
Radiostation wisselen - Bij het
zwakker worden van het FM signaal
is het mogelijk dat het signaal van
een nabij gelegen, krachtige zender
op dezelfde frequentie wordt ont-
vangen. Dit komt omdat uw radio is
ontworpen om op het sterkste sig-
naal af te stemmen. In dit geval
adviseren wij u een andere zender
op te zoeken.
Multi-Path Annulering - Als radiosig-
nalen vanuit diverse richtingen wor-
den ontvangen heeft dit vervorming
tot gevolg. Dit kan worden veroor-
zaakt door een direct en een gere-
flecteerd signaal van hetzelfde sta-
tion of door signalen van twee sta-
tions met dicht bij elkaar liggende fre-
quenties. In dit geval adviseren wij u
op een andere zender af te stemmen.
JBM003
FM radiostation
JBM004 JBM005
Bergen
Gebouwen Onbelemmerd
gebied
Station 2
88.1 Mhz
Station 2
88.3 Mhz
Ijzeren bruggen
4-9
Multimediasysteem
4
AUDIO (ZONDER TOUCHSCREEN)
(1) Toets RADIO
Indrukken om de radio in te schakelen.
Tijdens het luisteren naar de radio,
drukt u op de knop om de radiomodus
te wijzigen.
(2) Toets MEDIA
Druk op de knop om inhoud van een
media-opslagapparaat af te spelen.
Druk herhaaldelijk op de knop om te
schakelen tussen de modi USB (iPod)
en AUX.
(3) DISP
Het display in- of uitschakelen.
(4) Toets SEEK/TRACK
Wijzig de zender/nummer/bestand (uit-
gezonderd voor de AUX-modus).
Tijdens het luisteren naar de radio, druk
en houd de knop ingedrukt om naar
een zender te zoeken.
Tijdens het afspelen van media, druk
en houd de knop ingedrukt om terug- of
snel vooruit te spoelen (uitgezonderd
voor de AUX-modus).
(5) Toets POWER/knop VOL
Indrukken om het systeem in of uit te
schakelen.
Draai de knop naar links of rechts om
het volume van het systeemgeluid aan
te passen.
Systeemindeling - bedieningspaneel
nType A nType B
hDe aanwezigl functies kan afwijken van de afbeelding.
4-10
Multimediasysteem
(6) Toets MENU
Druk op de knop om naar het menu-
scherm voor de huidige modus te gaan.
(7) Toets SETUP/CLOCK
Druk op de knop om naar het instel-
lingsscherm te gaan.
Druk en houd de knop ingedrukt om
naar het tijdinstellingsscherm te gaan.
(8) Toets BACK
Indrukken om terug te keren naar het
vorige scherm.
(9) Toets FOLDER
In de USB-modus, drukt u op de knop
om naar de mappenlijst te gaan.
(10) Cijfertoetsen (1 RPT~ 6)
Tijdens het luisteren naar de radio,
drukt u op de knop om te luisteren naar
een radiozender.
Tijdens het luisteren naar de radio, druk
en houd de knop ingedrukt om het hui-
dige radiostation in de voorprogramma-
tie op te slaan.
In de USB-/iPod-modus, drukt u op de
knop [1 RPT] om de modus herhaald
afspelen te wijzigen. Druk op de knop
[2 SHFL] om de willekeurige afspeel-
modus te wijzigen.
(11) Knop TUNE/FILE/ENTER
Tijdens het luisteren naar de radio,
draai aan de knop om de frequentie
aan te passen.
Tijdens het afspelen van media, draai
aan de knop om een nummer/bestand
te zoeken (uitgezonderd voor de AUX-
modus).
Tijdens het zoeken, drukt u op de knop
om het huidige nummer/bestand te
selecteren.
nType A nType B
hDe aanwezigl functies kan afwijken van de afbeelding.
4-11
Multimediasysteem
4
(Met Bluetooth®Wireless Technology)
(1) Toets RADIO
Indrukken om de radio in te schakelen.
Tijdens het luisteren naar de radio,
drukt u op de knop om de radiomodus
te wijzigen.
(2) Toets MEDIA
Druk op de knop om inhoud van een
media-opslagapparaat af te spelen.
Druk herhaaldelijk op de knop om te
schakelen tussen de modi USB (iPod),
Bluetooth-audio, en AUX.
(3) Toets PHONE
Druk op de knop om het verbinden van
een mobiele telefoon via Bluetooth te
starten.
Nadat een Bluetooth-telefoonverbin-
ding tot stand is gebracht, drukt u op de
knop voor toegang tot het Bluetooth-
telefoonmenu.
(4) Toets SEEK/TRACK
Wijzig de zender/nummer/bestand (uit-
gezonderd voor de AUX-modus).
Tijdens het luisteren naar de radio, druk
en houd de knop ingedrukt om naar
een zender te zoeken.
Tijdens het afspelen van media, druk
en houd de knop ingedrukt om terug- of
snel vooruit te spoelen (uitgezonderd
voor de AUX- en Bluetooth-audiomodi).
(5) Toets POWER/knop VOL
Indrukken om het systeem in of uit te
schakelen.
Draai de knop naar links of rechts om
het volume van het systeemgeluid aan
te passen.
nType C nType D
hDe aanwezigl functies kan afwijken van de afbeelding.
4-12
Multimediasysteem
(Met Bluetooth®Wireless Technology)
(6) Toets MENU
Druk op de knop om naar het menu-
scherm voor de huidige modus te gaan.
(7) Toets SETUP/CLOCK
Druk op de knop om naar het instel-
lingsscherm te gaan.
Druk en houd de knop ingedrukt om
naar het tijdinstellingsscherm te gaan.
(8) Toets BACK
Indrukken om terug te keren naar het
vorige scherm.
(9) Toets FOLDER
In de USB-modus, drukt u op de knop
om naar de mappenlijst te gaan.
(10) Cijfertoetsen (1 RPT~ 6)
Tijdens het luisteren naar de radio,
drukt u op de knop om te luisteren naar
een radiozender.
Tijdens het luisteren naar de radio, druk
en houd de knop ingedrukt om het hui-
dige radiostation in de voorprogramma-
tie op te slaan.
In de USB-/iPod-modus, drukt u op de
knop [1 RPT] om de modus herhaald
afspelen te wijzigen. Druk op de knop
[2 SHFL] om de willekeurige afspeel-
modus te wijzigen.
(11) Knop TUNE/FILE/ENTER
Tijdens het luisteren naar de radio,
draai aan de knop om de frequentie
aan te passen.
Tijdens het afspelen van media, draai
aan de knop om een nummer/bestand
te zoeken (uitgezonderd voor de AUX-
en Bluetooth-audiomodi).
Tijdens het zoeken, drukt u op de knop
om het huidige nummer/bestand te
selecteren.
nType C nType D
hDe aanwezigl functies kan afwijken van de afbeelding.
4-13
Multimediasysteem
4
Systeemindeling -
Audiobediening op stuurwiel
(Bluetooth®compatibele modellen)
hDe aanwezigl functies kan afwij-
ken van de afbeelding.
(1) Toets MODE
Druk op de knop om te schakelen
tussen radio- en mediamodi.
Druk en houd de knop ingedrukt
om het systeem in of uit te schake-
len. (indien van toepassing)
(2) Volumeschakelaar
Duw omhoog of omlaag om het
volume aan te passen.
(3) Omhoog-/omlaagschakelaar
Wijzig de zender/nummer/bestand
(uitgezonderd voor de AUX-
modus).
Tijdens het luisteren naar de radio,
drukt u op de knop om te luisteren
naar de vorige/volgende opgesla-
gen radiozender.
Tijdens het luisteren naar de radio,
druk en houd de knop ingedrukt
om naar een zender te zoeken.
Tijdens het afspelen van media,
druk en houd de knop ingedrukt
om terug- of snel vooruit te spoe-
len (uitgezonderd voor de AUX- en
Bluetooth-audiomodi).
(4) Toets MUTE
Druk op de knop om het systeem
te dempen of op te heffen.
Tijdens een telefoongesprek in-
drukken om de microfoon uit of
weer in te schakelen.
Tijdens het afspelen van media,
drukt u op de knop om het afspelen
te pauzeren of te hervatten (uitge-
zonderd voor de iPod-modus).
(5) Toets bellen/beantwoorden
Druk op de knop om het verbinden
van een mobiele telefoon via
Bluetooth te starten.
Nadat een Bluetooth-telefoonver-
binding tot stand is gebracht, druk
en houd de knop ingedrukt om het
meest recente telefoonnummer te
bellen. Wanneer een oproep bin-
nenkomt, drukt u op de knop om
de oproep te beantwoorden.
Tijdens een gesprek, drukt u op de
knop op om te schakelen tussen
het actieve gesprek en het gesprek
in wacht. Druk en houd de knop
ingedrukt om het gesprek te scha-
kelen tussen het systeem en de
mobiele telefoon.
(6) Knop om het gesprek te beëin-
digen
4-14
Multimediasysteem
Bedien het systeem niet tij-
dens het rijden. Rijden terwijl
u afgeleid bent, kan leiden tot
verlies van controle over het
voertuig, wat kan leiden tot
een ongeval, ernstig persoon-
lijk letsel of de dood. De pri-
maire verantwoordelijkheid
van de bestuurder is de veili-
ge en legale bediening van
een voertuig, en alle handap-
paraten, apparaten of voer-
tuigsystemen die de aandacht
van de bestuurder afleiden
van deze verantwoordelijk-
heid, mogen nooit tijdens het
gebruik van het voertuig wor-
den gebruikt.
(Vervolg)
WAARSCHUWING
- Over rijden
(Vervolg)
Kijk niet tijdens het rijden
naar het scherm. Rijden ter-
wijl u wordt afgeleid, kan lei-
den tot een verkeersongeval.
Stop uw voertuig op een veili-
ge locatie voordat u functies
gebruikt die meerdere bewer-
kingen vereisen.
Stop eerst uw voertuig voor-
dat u uw mobiele telefoon
gebruikt. Het gebruik van een
mobiele telefoon tijdens het
rijden kan leiden tot een ver-
keersongeval. Gebruik indien
nodig de Bluetooth Hands-
free-functie om te bellen en
houd de oproep zo kort mo-
gelijk.
Houd het volume laag genoeg
om externe geluiden te horen.
Rijden zonder de mogelijk-
heid om externe geluiden te
horen kan leiden tot een ver-
keersongeval. Langdurig naar
een luid volume luisteren kan
gehoorbeschadiging veroor-
zaken.
Demonteer het systeem niet en
breng geen wijzigingen aan.
Als u dit wel doet, kan dat re-
sulteren in een ongeluk, brand
of een elektrische schok.
Laat geen vloeistoffen of
vreemde stoffen in het sys-
teem komen. Vloeistoffen of
vreemde stoffen kunnen scha-
delijke dampen, een brand of
systeemstoringen veroorza-
ken.
Stop met het gebruik van het
systeem als het niet goed
functioneert, zoals geen
audio-uitvoer of weergave.
Als u het systeem blijft
gebruiken wanneer het niet
goed functioneert, kan dit lei-
den tot een brand, elektrische
schok of systeemstoring.
Raak tijdens onweer of blik-
sem de antenne niet aan,
omdat dit kan leiden tot een
elektrische schok.
WAARSCHUWING
- Over het omgaan met het systeem
4-15
Multimediasysteem
4
Informatie
- Over het bedienen van het
systeem
Gebruik het systeem terwijl de mo-
tor draait. Als u het systeem lange
tijd gebruikt terwijl de motor is
gestopt, kan de accu ontladen wor-
den.
Installeer geen niet-goedgekeurde
producten. Het gebruik van niet-
goedgekeurde producten kan een
fout veroorzaken tijdens het geb-
ruik van het systeem. Systeemfouten
die worden veroorzaakt door het
installeren van niet-goedgekeurde
producten vallen niet onder de
garantie.
Informatie
- Over het omgaan met het
systeem
Oefen geen overmatige kracht uit op
het systeem. Overmatige druk op
het scherm kan het LCD-paneel of
het aanraakpaneel beschadigen.
Zorg ervoor dat u bij het reinigen
van het scherm of het knoppenpa-
neel de motor afzet en een zachte,
droge doek gebruikt. Als u het
scherm of de knoppen afveegt met
een ruwe doek of met oplosmiddelen
(alcohol, benzeen, verfverdunner,
enz.), kan het oppervlak krassen
bezorgen of chemisch beschadigen.
Als u een luchtverfrisser van een
vloeibaar type op het ventilatieroos-
ter bevestigt, kan het oppervlak van
het rooster vervormd raken door de
stromende lucht.
Als u het geplaatste apparaat op een
andere positie wilt installeren, infor-
meer dan bij uw leverancier of ser-
vicecentrum. Technische expertise is
vereist om het apparaat te installe-
ren of te demonteren.
Als u problemen ondervindt met
het systeem, neemt dan contact
op met het verkooppunt of de
verdeler.
Wanneer het audiosysteem in
een elektromagnetische omge-
ving wordt geplaatst, ontstaat
mogelijk ruis.
AANWIJZING
ii
4-16
Multimediasysteem
Het systeem in- of
uitschakelen
Start de motor om de radio in te
schakelen.
Als u het systeem tijdens het rijden
niet wilt gebruiken, kunt u het sys-
teem uitschakelen door op de knop
[POWER] op het bedieningspaneel
te drukken. Om het systeem op-
nieuw te gebruiken, drukt u nog-
maals op de knop [POWER].
Het systeem wordt uitgeschakeld als
u de motor afzet (ACC Uit).
Wanneer u het systeem weer
inschakelt, zullen de vorige modus
en instellingen intact blijven.
Informatie
U kunt het systeem inschakelen wan-
neer de contactsleutel in de stand
"ACC" of "AAN" geplaatst is. Als u
het systeem gedurende langere tijd
gebruikt zonder dat de motor draait,
loopt de batterij af. Als u van plan
bent om het systeem lange tijd te
gebruiken, start u de motor.
Het display in- of uitschakelen
Om verblinding te voorkomen, kunt u
het scherm uitschakelen. Het scherm
kan alleen worden uitgeschakeld als
het systeem is ingeschakeld.
1. Op het bedieningspaneel, drukt u
op de gewenste [SETUP/CLOCK]
toets.
2. Draai de knop [TUNE] om de
Display uit te selecteren en druk
vervolgens de knop in.
Druk op één van de knoppen op
het bedieningspaneel om het
scherm weer in te schakelen.
i
Sommige functies kunnen om
veiligheidsredenen worden
uitgeschakeld terwijl het voer-
tuig in beweging is. Ze werken
alleen wanneer het voertuig
stopt. Parkeer uw voertuig op
een veilige locatie voordat u
één van deze gebruikt.
Stop met het gebruik van het
systeem als het niet goed func-
tioneert, zoals geen audio-uit-
voer of weergave. Als u het
systeem blijft gebruiken wan-
neer het niet goed functio-
neert, kan dit leiden tot een
brand, elektrische schok of
systeemstoring.
WAARSCHUWING
4-17
Multimediasysteem
4
Het leren kennen van de
basishandelingen
U kunt een item selecteren of de
instellingen aanpassen met behulp
van de nummerknoppen en de knop
[TUNE] op het bedieningspaneel.
Selecteer een item
Genummerde items
Druk de bijbehorende cijfertoets in.
Ongenummerde items
Draai de knop [TUNE] om het
gewenste item te selecteren en druk
vervolgens de knop in.
De instellingen wijzigen
Draai aan de knop [TUNE] om de
waarde aan te passen en druk ver-
volgens op de knop om de wijzigin-
gen op te slaan.
Draai de knop [TUNE] naar rechts
om de waarde te verhogen en draai
de knop [TUNE] naar links om de
waarde te verlagen.
4-18
Multimediasysteem
RADIO
De radio inschakelen
1. Op het bedieningspaneel, drukt u
op de gewenste [RADIO] toets.
2. Wanneer het modus selectie ven-
ster wordt weergegeven, draai de
knop [TUNE] om de gewenste
radio modus te selecteren en druk
vervolgens de knop in.
FM / AM-modus
(1) Ingeschakelde radiomodus
(2) Informatie over de radiozender
Druk op de knop [MENU] op het
bedieningspaneel voor toegang tot
de volgende menuoptie:
Verkeersinformatie: Activeren of
deactiveren van verkeersberich-
ten.
Aankondigingen en programma's
zullen automatisch ontvangen wor-
den indien ze beschikbaar zijn.
Presets: Weergave van de voor-
keuzelijst.
Automatisch opslaan: Radiozen-
ders opslaan in de voorkeuzelijst.
Scan: Het systeem zoekt naar
radiozenders met sterke radiosig-
nalen en speelt elke radiozender
gedurende ongeveer vijf seconden
af.
Geluidsinstellingen: Aanpassen
van de geluidsinstellingen van het
systeem.
De radiomodus wijzigen
Op het bedieningspaneel, drukt u op
de gewenste [RADIO] toets.
Als het modusselectievenster wordt
weergegeven, draait u aan de knop
[TUNE] om de gewenste radiomodus
te selecteren en drukt u vervolgens
op de knop of drukt u op de over-
eenkomstige nummerknop om de
gewenste radiomodus te selecteren.
Scannen voor beschikbare
radiozenders
U kunt een paar seconden naar elke
radiozender luisteren om de ont-
vangst te testen en degene die u
wenst te selecteren.
1. Vanuit het radioscherm, drukt u op
de knop [MENU] op het bedie-
ningspaneel.
2. Draai de knop [TUNE] om de
Scan te selecteren en druk vervol-
gens de knop in.
Het systeem zoekt naar radio-
zenders met sterke radiosigna-
len en speelt elke radiozender
gedurende ongeveer vijf secon-
den af.
3. Druk op de knop [TUNE] wanneer
u de radiozender hebt gevonden
waarnaar u wilt luisteren.
U kunt doorgaan met luisteren
naar de geselecteerde zender.
4-19
Multimediasysteem
4
Zoeken voor radiozenders
Om naar de vorige of volgende
beschikbare radiozender te zoeken,
drukt u op de knop [SEEK/TRACK
] op het bedieningspaneel.
U kunt ook drukken en de knop [
SEEK/TRACK ] ingedrukt hou-
den en om snel naar frequenties te
zoeken. Wanneer u de knop
loslaat, wordt automatisch een
radiozender met een sterk signaal
geselecteerd.
Als u de exacte frequentie kent van
de radiozender die u wilt beluisteren,
draai dan aan de knop [TUNE] op
het bedieningspaneel om de fre-
quentie te wijzigen.
Radiozenders opslaan
U kunt uw favoriete radiozenders
opslaan en ernaar luisteren door ze
te selecteren uit de lijst met voorkeu-
zenummers.
De huidige radiozender opslaan
Tijdens het luisteren naar de radio,
drukt en houd u de gewenste num-
merknop op het bedieningspaneel
ingedrukt.
De radiozender waarnaar u luis-
tert, wordt toegevoegd aan het
geselecteerde nummer.
U kunt tot maximaal 6 radiozen-
ders opslaan in elke modus.
Als een zender al op het gese-
lecteerde voorkeuzenummer is
opgeslagen, zal de zender ver-
vangen worden door de zender
waarnaar u luistert.
De automatische opslagfunctie
gebruiken
U kunt naar radiozenders in uw regio
zoeken waar een sterk signaal aan-
wezig is. De resultaten van uw zoek-
opdracht kunnen automatisch in de
voorkeuzelijst worden opgeslagen.
1. Vanuit het radioscherm, drukt u op
de knop [MENU] op het bedie-
ningspaneel.
2. Draai de knop [TUNE] om de
Automatisch opslaan te selecte-
ren en druk vervolgens de knop in.
Luisteren naar opgeslagen
radiozenders
FM / AM-modus
1. Vanuit het radioscherm, drukt u op
de knop [MENU] op het bedie-
ningspaneel.
2. Draai de knop [TUNE] om de
Voorkeuzen te selecteren en druk
vervolgens de knop in.
3. Op het bedieningspaneel, drukt u
op de gewenste nummerknop.
AANWIJZING
4-20
Multimediasysteem
Using the mediaspeler
U kunt muziek afspelen die is opge-
slagen op verschillende media-
opslagapparaten, zoals USB-opslag-
apparaten, smartphones en iPod's.
1. Verbind een apparaat met de
USB-poort of de AUX-poort van
uw voertuig.
Het afspelen kan onmiddellijk
starten, afhankelijk van het
apparaat dat u met het systeem
verbindt.
2. Op het bedieningspaneel, drukt u
op de gewenste [MEDIA] toets.
3. Wanneer het modus selectie ven-
ster wordt weergegeven, draai de
knop [TUNE] om de gewenste
mediamodus te selecteren en
druk vervolgens de knop in.
Wanneer u een Apple-apparaat
verbindt, start het afspelen niet
automatisch. Om de mediaspeler
in de iPod-modus te starten,
drukt u op de knop [MEDIA] op
het bedieningspaneel. Wanneer
het modus selectie venster wordt
weergegeven, draai de knop
[TUNE] om de iPod te selecteren
en druk vervolgens de knop in.
U kunt de modus ook wijzigen
door herhaaldelijk op de knop
[MODE] op het stuurwiel te druk-
ken.
Zorg ervoor dat u externe USB-
apparaten aansluit en loskoppelt
terwijl het systeem is uitgescha-
keld.
Afhankelijk van de voertuigmo-
dellen en specificaties, kunnen
de beschikbare knoppen of het
uiterlijk en de indeling van de
USB/AUX-poorten in uw voertuig
variëren.
(Vervolg)
(Vervolg)
Verbind een smartphone of een
MP3-apparaat niet simultaan met
het systeem via meerdere metho-
den zoals USB, Bluetooth en
AUX. Anders kan het geluid ver-
vormen of een systeemstoring
ontstaan.
Wanneer de equalizerfunctie van
het verbonden apparaat en de
Equalizer (Toon) -instellingen van
het systeem beide worden geacti-
veerd, kunnen de effecten elkaar
beïnvloeden en kan dit tot gelu-
idsverlies of vervorming leiden.
Deactiveer indien mogelijk de
equalizerfunctie van het apparaat.
Er kan sprake zijn van ruis wan-
neer er een Apple-apparaat of
een AUX-apparaat wordt aange-
sloten. Wanneer dergelijke appa-
raten niet worden gebruikt, kop-
pelt u het apparaat los en bergt u
het op.
Wanneer de Appleapparaat of het
AUX-apparaat is aangesloten op
de aansluiting voor de voeding,
kan er ruis optreden als er
muziek van het externe apparaat
wordt afgespeeld. Koppel in der-
gelijke gevallen voor gebruik van
het apparaat de voeding los.
AANWIJZING
MEDIASPELER
4-21
Multimediasysteem
4
Gebruik van de USB-modus
U kunt mediabestanden afspelen die
zijn opgeslagen op draagbare appa-
raten, zoals USB-opslagapparaten
en MP3-spelers. Controleer compa-
tibele USB-opslagapparaten en
bestandsspecificaties voordat u de
USB-modus gebruikt.
Verbind uw USB-apparaat met de
USB-poort in het voertuig.
Het afspelen start onmiddellijk.
Als er reeds een USB-apparaat aan
het systeem is verbonden, drukt u
op de knop [MEDIA]. Wanneer het
modus selectie venster wordt weer-
gegeven, draai de knop [TUNE] om
de USB te selecteren en druk ver-
volgens de knop in.
(1) Huidig bestandsnummer en totaal
aantal bestanden
(2) Afspeeltijd
(3) Informatie over het liedje dat
momenteel wordt afgespeeld
Druk op de knop [MENU] op het
bedieningspaneel voor toegang tot
de volgende menuoptie:
List: Toegang tot de lijst met
bestanden.
Informatie: Informatie weergeven
over het muziekstuk dat op dat
moment wordt afgespeeld.
Geluidsinstellingen: Aanpassen
van de geluidsinstellingen van het
systeem.
Terugspoelen/Vooruitspoelen
Houd de toets [SEEK/TRACK ]
op het bedieningspaneel ingedrukt
U kunt ook op de hendel Omhoog/
Omlaag op het stuurwiel drukken
en hem ingedrukt houden.
Herstarten van het huidige
afspelen
Druk de toets [SEEK/TRACK] op
het bedieningspaneel ingedrukt.
U kunt ook de omlaagschakelaar
op het stuurwiel indrukken.
Afspelen van het vorige of vol-
gende liedje
Om het vorige liedje af te spelen,
drukt u tweemaal op de knop
[SEEK/TRACK] op het bediening-
spaneel. Om het volgende liedje af te
spelen, drukt u op de knop [TRACK
] op het bedieningspaneel.
U kunt ook de omhoog-/ omlaag-
schakelaar op het stuurwiel geb-
ruiken.
Op het bedieningspaneel, draai
aan de knop [BESTAND] om het
gewenste liedje te zoeken en druk
op de knop om het bestand af te
spelen.
AANWIJZING
4-22
Multimediasysteem
Herhaaldelijk afspelen
Op het bedieningspaneel, drukt u op
de gewenste [1 RPT] toets. De
modus herhaald afspelen verandert
tekens wanneer u erop drukt. Zal het
overeenkomstige moduspictogram
op het scherm worden weergegeven.
In willekeurige volgorde
afspelen
Op het bedieningspaneel, drukt u op
de gewenste [2 SHFL] toets. De
modus willekeurig afspelen wordt
geactiveerd of gedeactiveerd tekens
wanneer u erop drukt. Wanneer u de
modus willekeurig afspelen activeert,
zal het overeenkomstige moduspic-
togram op het scherm worden weer-
gegeven.
Naar mappen zoeken
Op het bedieningspaneel, drukt u op
de knop [FOLDER ] om naar de
gewenste map te navigeren, en drukt
u vervolgens op de knop [TUNE].
Het eerste muziekstuk in de geselec-
teerde map wordt afgespeeld.
Informatie
Start de motor van uw voertuig
voordat u een USB-apparaat met
uw systeem verbindt. Het starten
van de motor met een USB-appa-
raat verbonden aan het systeem kan
het USB-apparaat beschadigen.
Pas op voor statische elektriciteit
wanneer u een USB-apparaat aan-
sluit of loskoppelt. Een statische
ontlading kan een systeemstoring
veroorzaken.
Zorg ervoor dat uw lichaam of
externe objecten niet in contact
komen met de USB-poort. Als u dit
wel doet, kan dit een ongeluk of sys-
teemstoring veroorzaken.
Sluit een USB-connector niet her-
haaldelijk aan en af binnen korte
tijd. Als u dit wel doet, kan dit een
fout in het apparaat of een systeem-
storing veroorzaken.
Gebruik het USB-apparaat niet
voor andere doeleinden dan het
afspelen van muziekbestanden. Het
gebruik van USB-accessoires voor
opladen of verwarmen kan slechte
prestaties of een systeemstoring ver-
oorzaken.
Gebruik geen verlengkabel wan-
neer u een USB-opslagapparaat
verbindt. Verbind het rechtst-
reeks met de USB-poort. Als u
een USB-hub of verlengkabel
gebruikt, wordt het apparaat
mogelijk niet herkend.
Steek een USB-connector volle-
dig in de USB-poort. Als u dit
niet doet, kan dit een communi-
catiefout veroorzaken.
Wanneer u een USB-opslagap-
paraat ontkoppelt, kan er een
vervormd geluid optreden.
Het systeem kan alleen bestan-
den afspelen die zijn gecodeerd
in een standaardformaat.
De volgende types van USB-
apparaten worden mogelijk niet
herkend of werken niet correct:
- Versleutelde MP3-spelers,
- USB-apparaten worden niet
herkend als verwisselbare
schijven.
Afhankelijk van zijn toestand
wordt een USB-apparaat moge-
lijk niet herkend.
(Vervolg)
AANWIJZING
i
4-23
Multimediasysteem
4
(Vervolg)
Sommige USB-apparaten zijn
mogelijk niet compatibel met uw
systeem.
Afhankelijk van het type, de ca-
paciteit of het bestandsformaat
van het USB-apparaat, kan de
USB-herkenningstijd langer zijn.
Het weergeven van afbeeldingen
en het afspelen van video's
wordt niet ondersteund.
Gebruik van de iPod-modus
U kunt luisteren naar muziek die is
opgeslagen op uw Apple-apparaten,
zoals een iPod of een iPhone.
1. Verbind uw Apple-apparaat met
de USB-poort in uw voertuig met
behulp van de kabel die bij het
Apple-apparaat is geleverd.
Eens verbonden zal het appa-
raat beginnen opladen. Het
afspelen van muziek zal niet
automatisch starten.
2. Op het bedieningspaneel, drukt u
op de gewenste [MEDIA] toets.
3. Wanneer het modus selectie ven-
ster wordt weergegeven, draai de
knop [TUNE] om de iPod te se-
lecteren en druk vervolgens de
knop in.
(1) Huidig bestandsnummer en totaal
aantal bestanden
(2) Afspeeltijd
(3) Informatie over het liedje dat
momenteel wordt afgespeeld
Druk op de knop [MENU] op het
bedieningspaneel voor toegang tot
de volgende menuoptie:
List: Toegang tot de lijst met
bestanden.
Informatie: Informatie weergeven
over het muziekstuk dat op dat
moment wordt afgespeeld.
Geluidsinstellingen: Aanpassen
van de geluidsinstellingen van het
systeem.
4-24
Multimediasysteem
Terugspoelen/Vooruitspoelen
Houd de toets [SEEK/TRACK ]
op het bedieningspaneel ingedrukt.
U kunt ook op de hendel Omhoog/
Omlaag op het stuurwiel drukken
en hem ingedrukt houden.
Herstarten van het huidige
afspelen
Druk de toets [SEEK/TRACK] op
het bedieningspaneel ingedrukt.
U kunt ook de omlaagschakelaar
op het stuurwiel indrukken.
Afspelen van het vorige of
volgende liedje
Om het vorige liedje af te spelen,
drukt u tweemaal op de knop [
SEEK/TRACK] op het bediening-
spaneel. Om het volgende liedje af te
spelen, drukt u op de knop [TRACK
] op het bedieningspaneel.
U kunt ook de omhoog-/ omlaag-
schakelaar op het stuurwiel geb-
ruiken.
Op het bedieningspaneel, draai
aan de knop [BESTAND] om het
gewenste liedje te zoeken en druk
op de knop om het bestand af te
spelen.
Herhaaldelijk afspelen
Op het bedieningspaneel, drukt u op
de gewenste [1 RPT] toets. De
modus herhaald afspelen verandert
tekens wanneer u erop drukt. Zal het
overeenkomstige moduspictogram
op het scherm worden weergegeven.
In willekeurige volgorde
afspelen
Op het bedieningspaneel, drukt u op
de gewenste [2 SHFL] toets. De
modus willekeurig afspelen wordt
geactiveerd of gedeactiveerd tekens
wanneer u erop drukt. Wanneer u de
modus willekeurig afspelen activeert,
zal het overeenkomstige moduspic-
togram op het scherm worden weer-
gegeven.
Informatie
Zorg ervoor dat u de motor start
voordat u apparaten met het sys-
teem verbindt. Het apparaat kan
beschadigd raken als de motor
wordt gestart terwijl het apparaat is
verbonden.
Sluit een USB-connector niet her-
haaldelijk aan en af binnen korte
tijd. Als u dit wel doet, kan dit een
fout in het apparaat of een systeem-
storing veroorzaken.
i
AANWIJZING
4-25
Multimediasysteem
4
Opmerkingen over het verbinden
van Apple-apparaten
Zorg ervoor dat iOS en firmware
van uw apparaat up-to-date zijn
voordat u het met uw systeem ver-
bindt. Verouderde apparaten kun-
nen een systeemfout veroorzaken.
Als de batterij van uw apparaat
bijna leeg is, kan het apparaat
mogelijk niet herkend worden.
Controleer het batterijniveau en
laad indien nodig de batterij op
voordat u het apparaat met uw
systeem verbindt.
Gebruik een door Apple goedge-
keurde kabel. Het gebruik van een
niet-goedgekeurde kabel kan een
verstoord geluid of een fout veroor-
zaken tijdens het afspelen.
Gebruik een kabel die korter is dan
1 meter, zoals de kabel die oor-
spronkelijk wordt geleverd bij een
nieuw Apple-apparaat. Langere
kabels kunnen ertoe leiden dat het
audiosysteem het Apple-apparaat
niet herkent.
Steek een USB-connector volledig
in de USB-poort. Als u dit niet doet,
kan dit een communicatiefout ver-
oorzaken.
Wanneer uw apparaat tegelijkertijd
is verbonden op de USB-poort en
de AUX-poort, wordt dit herkend in
de AUX-modus. Het apparaat blijft
in de AUX-modus, zelfs als de
AUX-kabel niet met het systeem is
verbonden. Als u muziek wilt
afspelen in de iPod-modus, koppelt
u de AUX-kabel los van het appa-
raat of wijzigt u de audio-uitvoer
van het apparaat naar "Dock".
Als u uw apparaat met het systeem
verbindt terwijl het afspelen bezig
is op het apparaat, hoort u net na
het verbinden mogelijk een hoog
piepgeluid. Verbind het apparaat
na het stoppen of pauzeren van
het afspelen.
Als u uw apparaat verbindt tijdens
een download of synchronisatie
met iTunes, kan er een fout veroor-
zaken. Sluit het apparaat aan
nadat het downloaden of synchro-
niseren is voltooid.
Als u een iPod nano (uitgezonderd
voor de 6e generatie) of een iPod
classic verbindt, zal het merklogo
weergegeven worden op het
scherm van het apparaat. Voor een
iPhone en een iPod touch zal het
logo niet weergegeven worden.
Opmerkingen over het afspelen van
Apple-apparaten
Afhankelijk van het model wordt
uw apparaat mogelijk niet herkend
vanwege niet-ondersteunde com-
municatieprotocollen.
De volgorde van de liedjes die op
het systeem worden afgespeeld of
weergegeven, kunnen verschillen
van de volgorde van de liedjes die
op uw apparaat zijn opgeslagen.
Op een iPhone kan de audiostre-
amfunctie en bediening van de
iPod-modus conflicteren. Als er
een fout optreedt, ontkoppelt en
verbindt u de USB-kabel opnieuw.
Wanneer u een iPhone of een iPod
touch gebruikt, mag u het apparaat
niet bedienen terwijl het met uw
systeem is verbonden. Er kan een
fout optreden.
Als u een gesprek aangaat of ont-
vangt tijdens het afspelen via een
iPhone, kan de muziek gepauzeerd
blijven nadat u het gesprek heeft
beëindigd. Als u de muziek niet
hoort na het beëindigen van een
gesprek, controleert u het apparaat
om te zien of de muziek is gepau-
zeerd.
4-26
Multimediasysteem
Dupliceer een liedje niet in meer-
dere mappen. Eén liedje opgesla-
gen in me-erdere mappen kan een
fout veroorzaken met zoek- en
afspeelfuncties.
Als u een mediabedieningsfunctie
uitvoert, zoals stoppen of herhalen,
net voordat een liedje eindigt, kan
het zijn dat de op het scherm weer-
gegeven liedjesinformatie mogelijk
niet overeen komt met het liedje
dat momenteel wordt afgespeeld.
Dit is geen systeemfout. Herstart
de iPod-modus op het systeem of
pauzeer en hervat het afspelen op
uw apparaat.
Afhankelijk van de eigenschappen
van uw Apple-apparaat kunnen er
bestanden worden overgeslagen
of onjuist worden afgespeeld.
Als het Apple-apparaat niet goed
functioneert door een defect in het
Apple-apparaat, reset dan het
Apple-apparaat en probeer het
opnieuw. (Raadpleeg de handlei-
ding van uw Appleapparaat voor
meer informatie.)
Gebruik van de AUX-modus
U kunt naar audio luisteren via de
luidsprekers van uw voertuig door
externe apparaten te verbinden,
zoals smartphones en MP3-spelers.
Verbindt een extern apparaat met de
AUX-poort van uw voertuig met
behulp van een AUX-kabel.
De AUX-modus start automatisch
en het geluid is hoorbaar via de
luidsprekers van uw voertuig.
Als er reeds een extern apparaat
aan het systeem is verbonden,
drukt u herhaaldelijk op de knop
[MEDIA] totdat de AUX-modus is
geselecteerd. Wanneer het modus
selectie venster wordt weergege-
ven, draai de knop [TUNE] om de
AUX te selecteren en druk vervol-
gens de knop in.
Druk op de knop [MENU] op het
bedieningspaneel voor toegang tot
de volgende menuoptie:
Geluidsinstellingen: Aanpassen
van de geluidsinstellingen van het
systeem.
Omdat het systeem werkt als een
uitvoerapparaat van het verbon-
den externe apparaat in de AUX-
modus, kunt u geen andere bedie-
ningselementen dan de volumere-
gelaar gebruiken. Gebruik de be-
dieningselementen op het externe
apparaat om het afspelen te
bedienen.
Het geluidsvolume voor de AUX-
modus wordt afzonderlijk van de
andere modi aangepast.
Afhankelijk van het apparaattype
kan het gebruik van een extern
apparaat met de stroomkabel ver-
bonden aan de voedingsaanslui-
ting een vervormd geluid veroor-
zaken.
Als de AUX-kabel is verbonden
met het systeem zonder een extern
apparaat, kan er een vervormd ge-
luid optreden. Verwijder de AUX-
kabel van de AUX-poort als er geen
extern apparaat is verbonden.
AANWIJZING
4-27
Multimediasysteem
4
Verbinding maken met
Bluetooth-apparaten
Bluetooth is een draadloze netwerk-
technologie met een kort bereik. Via
Bluetooth kunt u draadloze appara-
ten in de buurt draadloos verbinden
om gegevens tussen verbonden
apparaten te verzenden en te ont-
vangen. Dit stelt u in staat om uw
apparaten effectief te gebruiken.
Om Bluetooth te gebruiken, moet u
eerst een geschikt Bluetooth-appa-
raat met uw systeem verbinden,
zoals een mobiele telefoon of een
MP3-speler. Zorg ervoor dat het
apparaat dat u wilt verbinden
Bluetooth ondersteunt.
Op uw systeem kunt u alleen de
functies Bluetooth Handsfree en
Audio gebruiken. Verbind een
mobiel apparaat dat beide func-
ties ondersteunt.
Sommige Bluetooth-apparaten
kunnen storingen in het audio-
systeem veroorzaken of interfe-
rentiegeluiden maken. Het pro-
bleem kan in dit geval mogelijk
worden verholpen door het
apparaat te verplaatsen.
Als het systeem niet stabiel is
vanwege een communicatiefout
in het voertuig Bluetooth-appa-
raat, verwijdert u de gekoppelde
apparaten en verbindt u de
Bluetooth-apparaten opnieuw.
(Vervolg)
(Vervolg)
Als de Bluetooth-verbinding niet
stabiel is, volgt u deze stappen
om het opnieuw te proberen.
1. Deactiveer Bluetooth en reac-
tiveer het op het apparaat.
Verbindt vervolgens het appa-
raat opnieuw.
2. Schakel het apparaat uit en
weer in. Maak opnieuw ver-
binding.
3. Verwijder de batterij uit het
apparaat en installeer deze
opnieuw. Schakel het appa-
raat vervolgens in en verbind
het opnieuw.
4. Maak de registratie van de
Bluetooth-koppeling op zowel
het systeem als het apparaat
ongedaan en registreer u
opnieuw en verbind ze.
AANWIJZING
BLUETOOTH (INDIEN VAN TOEPASSING)
Parkeer uw voertuig op een
veilige locatie voordat u Blue-
tooth-apparaten verbindt. Af-
geleid rijden kan een ver-
keersongeval veroorzaken en
leiden tot persoonlijk letsel of
de dood.
WAARSCHUWING
4-28
Multimediasysteem
Apparaten koppelen met uw
systeem
Voor Bluetooth-aansluitingen, kop-
pelt u eerst uw apparaat met uw sys-
teem om het toe te voegen aan de
lijst met Bluetooth-apparaten van het
systeem. U kunt tot maximaal vijf
apparaten registreren.
1. Vanuit het bedieningspaneel,
drukt u op de knop [SETUP/
CLOCK] en selecteert u vervol-
gens Telefoon uNieuw appa-
raat toevoegen.
Als u voor de eerste keer een
apparaat met uw systeem kop-
pelt, kunt u ook op de knop
[PHONE] op het bedieningspa-
neel of op de knop Bellen/
Beantwoorden op het stuurwiel
drukken.
2. Op het Bluetooth-apparaat dat u
wilt verbinden, activeert u Blue-
tooth, zoekt u naar het systeem
van uw voertuig en selecteert u
het vervolgens.
Controleer de Bluetooth-naam
van het systeem, die wordt
weergegeven in het nieuwe pop-
upvenster voor registratie op het
systeemscherm.
3. Voer het wachtwoord in of beves-
tig om de aansluiting te bevesti-
gen.
Als het invoerscherm voor de
wachtwoordsleutel wordt weer-
gegeven op het scherm van het
Bluetooth-apparaat, voert u het
wachtwoord "0000" in dat op het
systeemscherm wordt weerge-
geven.
Als de zescijferige wachtwoord-
sleutel op het scherm van het
Bluetooth-apparaat wordt weer-
gegeven, moet u ervoor zorgen
dat de Bluetooth-wachtwoord-
sleutel weergegeven op het Blue-
tooth-apparaat hetzelfde is als de
wachtwoordsleutel op het sys-
teemscherm en de aansluiting
van het apparaat is bevestigd.
4. Kies of u het Bluetooth-apparaat
al dan niet met uw systeem wilt
verbinden voordat u andere appa-
raten gebruikt.
Als u prioriteit verleent aan het
Bluetooth-apparaat, zal het
automatisch verbonden worden
met het systeem wanneer u het
systeem inschakelt.
De schermafbeelding in deze
handleiding is een voorbeeld.
Controleer uw systeemscherm
op de exacte voertuignaam en
de Bluetooth-apparaatnaam.
De standaard wachtwoordsleu-
tel is "0000".
Het kan even duren voordat het
systeem aansluiting maakt met
het apparaat nadat u toestem-
ming heeft gegeven voor toe-
gang tot het apparaat. Wanneer
een verbinding tot stand is
gebracht, verschijnt het Blue-
tooth-statuspictogram aan de
bovenkant van het scherm.
U kunt de toestemminginstellin-
gen wijzigen via het Bluetooth-
instellingenmenu van de mobiele
telefoon. Raadpleeg voor meer
informatie de gebruikershandlei-
ding van uw mobiele telefoon.
(Vervolg)
AANWIJZING
4-29
Multimediasysteem
4
(Vervolg)
Om een nieuw apparaat te regis-
treren, herhaalen de stappen 1
tot en met 4.
Wanneer een apparaat via
Bluetooth met het systeem is
verbonden, kunt u geen ander
apparaat koppelen.
Als u de automatische Blue-
tooth-verbindingsfunctie gebru-
ikt, kan een gesprek worden
doorgeschakeld naar de handsf-
ree van het voertuig wanneer u
de telefoon in de buurt van het
voertuig opneemt terwijl de
motor van het voertuig aan
staat. Als u niet wilt dat het sys-
teem automatisch verbinding
maakt met het apparaat, deacti-
veert u de Bluetooth op uw
apparaat.
Wanneer een apparaat via Blue-
tooth met het systeem is ver-
bonden, raakt de batterij van het
apparaat mogelijk sneller leeg.
Verbinding maken met een
gekoppeld apparaat
Om een Bluetooth-apparaat op uw
systeem te gebruiken, verbindt u het
gekoppelde apparaat op het sys-
teem. Uw systeem kan slechts met
één apparaat tegelijk worden ver-
bonden.
1. Vanuit het bedieningspaneel, drukt
u op de knop [SETUP/CLOCK] en
selecteert u vervolgens Telefoon
uGekoppeld apparaten.
Als er geen verbonden apparaat
is, drukt u op de knop [PHONE]
op het bedieningspaneel of op
de knop Bellen/Beantwoorden
op het stuurwiel.
2. Draai de knop [TUNE] om het
apparaat te selecteren waar u ver-
binding mee wilt maken en druk
vervolgens de knop in.
Als een ander apparaat al met
uw systeem is verbonden, kop-
pelt u het los. Selecteer het ver-
bonden apparaat om los te kop-
pelen.
Als een verbinding eindigt omdat
een apparaat buiten het verbin-
dingsbereik is of als er een appa-
raatfout optreedt, wordt de aan-
sluiting automatisch hersteld
wanneer het apparaat het verbin-
dingsbereik binnengaat of wan-
neer de fout wordt gewist.
De Bluetooth-verbinding is niet
beschikbaar wanneer de Blue-
tooth-functie van het apparaat is
uitgeschakeld. Zorg ervoor dat
de Bluetoothfunctie van het
apparaat is ingeschakeld.
De verbinding met een apparaat
verbreken
Als u het gebruik van een Bluetooth-
apparaat wilt stoppen of een ander
apparaat wilt verbinden, koppelt u het
momenteel verbonden apparaat los.
1. Vanuit het bedieningspaneel, drukt
u op de knop [SETUP/CLOCK] en
selecteert u vervolgens Telefoon
uGekoppeld apparaten.
2. Draai de knop [TUNE] om het
apparaat te selecteren waarmee u
de verbinding wilt verbreken en
druk vervolgens de knop in.
3. Druk op de knop [1 RPT] om Ja te
selecteren.
AANWIJZING
4-30
Multimediasysteem
Gekoppelde apparaten
verwijderen
Als u niet langer wilt dat een
Bluetooth-apparaat wordt gekoppeld
of als u een nieuw apparaat wilt ver-
binden wanneer de lijst met Blue-
tooth-apparaten vol is, verwijdert u
gekoppelde apparaten.
1. Vanuit het bedieningspaneel, drukt
u op de knop [SETUP/CLOCK] en
selecteert u vervolgens Telefoon
uVerwijder apparaten.
2. Draai de knop [TUNE] om het
apparaat te selecteren dat u wilt
verwijderen en druk vervolgens de
knop in.
3. Druk op de knop [1 RPT] om Ja te
selecteren.
Wanneer u een gekoppeld appa-
raat verwijdert, worden ook de
oproepgeschiedenis en de con-
tacten die in het systeem zijn
opgeslagen, verwijderd.
Als u een verwijderd apparaat
opnieuw wilt gebruiken, moet u
het apparaat weer koppelen.
Gebruik van een
Bluetoothaudioapparaat
U kunt via de luidsprekers van uw
voertuig naar muziek luisteren die is
opgeslagen op het verbonden
Bluetooth-audioapparaat.
1. Op het bedieningspaneel, drukt u
op de gewenste [MEDIA] toets.
Wanneer het modus selectie ven-
ster wordt weergegeven, draai de
knop [TUNE] om de BT Audio te
selecteren en druk vervolgens de
knop in.
(1) Informatie over het liedje dat
momenteel wordt afgespeeld
Druk op de knop [MENU] op het
bedieningspaneel voor toegang tot
de volgende menuoptie:
Geluidsinstellingen: Aanpassen
van de geluidsinstellingen van het
systeem.
Afspelen Pauzeren/Hervatten
Om het afspelen te pauzeren, drukt
u op de knop [TUNE] op het bedie-
ningspaneel. Om het afspelen te her-
vatten, drukt u nogmaals op de knop
[TUNE].
Herstarten van het huidige
afspelen
Druk de toets [SEEK/TRACK] op
het bedieningspaneel ingedrukt.
U kunt ook de omlaagschakelaar
op het stuurwiel indrukken.
Afspelen van het vorige of
volgende liedje
Om het vorige liedje af te spelen,
drukt u tweemaal op de knop [
SEEK/TRACK] op het bediening-
spaneel. Om het volgende liedje af te
spelen, drukt u op de knop [SEEK/
TRACK ] op het bedieningspaneel.
U kunt ook de omhoog-/ omlaag-
schakelaar op het stuurwiel gebrui-
ken.
AANWIJZING
4-31
Multimediasysteem
4
Herhaaldelijk afspelen
Op het bedieningspaneel, drukt u op
de gewenste [1 RPT] toets. De
modus herhaald afspelen verandert
tekens wanneer u erop drukt. Zal het
overeenkomstige moduspictogram
op het scherm worden weergegeven.
In willekeurige volgorde
afspelen
Op het bedieningspaneel, drukt u op
de gewenste [2 SHFL] toets. De
modus willekeurig afspelen wordt
geactiveerd of gedeactiveerd tekens
wanneer u erop drukt. Wanneer u de
modus willekeurig afspelen activeert,
zal het overeenkomstige moduspic-
togram op het scherm worden weer-
gegeven.
Afhankelijk van het verbonden
Bluetooth-apparaat of mobiele
telefoon, kan het afspelen van het
vorige/volgende liedje mogelijk
niet ondersteund worden.
Afhankelijk van het verbonden
Bluetooth-apparaat, mobiele
telefoon of de muziekspeler die
u gebruikt, kunnen de bedie-
ningselementen voor afspelen
verschillen.
Afhankelijk van de muziekspeler
die u gebruikt, wordt streaming
mogelijk niet ondersteund.
Afhankelijk van het verbonden
Bluetooth-apparaat of mobiele
telefoon, worden sommige func-
ties mogelijk niet ondersteund.
Als u tegelijkertijd een Blue-
tooth-apparaat of mobiele tele-
foon verbindt op uw systeem via
USB en Bluetooth, wordt de
Bluetooth-modus gedeactiveerd
en wordt de muziek afgespeeld
in de USB- of iPod-modus. Als u
naar muziek wilt luisteren die
wordt gestreamd via Bluetooth,
verwijdert u het USB-apparaat.
Als een telefoon met Bluetooth
wordt gebruikt om muziek af te
spelen en deze een telefoonge-
sprek ontvangt of voert, zal de
muziek stoppen.
(Vervolg)
(Vervolg)
Als u een oproep ontvangt of
zelf belt terwijl er Bluetooth-
audio wordt afgespeeld, kan het
gesprek worden verstoord door
muziek.
Als u de Bluetooth-telefoonmo-
dus gebruikt terwijl u Bluetooth-
audio gebruikt, wordt het afspe-
len afhankelijk van de verbon-
den mobiele telefoon mogelijk
niet automatisch hervat nadat u
het gesprek heeft beëindigd.
Als u tijdens het afspelen van
Bluetooth-audio naar boven of
beneden in de lijst met muziek-
stukken scrolt, kunnen er in
sommige mobiele telefoons
plopgeluiden te horen zijn.
De functie voor het terugspoe-
len/vooruitspoelen wordt niet
ondersteund in de Bluetooth-
audiomodus.
De afspeellijstfunctie wordt niet
ondersteund in de Bluetooth-
audiomodus.
Als het Bluetooth-apparaat is
losgekoppeld, zal de Bluetooth-
audiomodus beëindigd worden.
AANWIJZING
AANWIJZING
4-32
Multimediasysteem
Gebruik van een
Bluetoothtelefoon
U kunt Bluetooth gebruiken om
handsfree over de telefoon te praten.
Bekijk oproepinformatie op het sys-
teemscherm en maak of ontvang vei-
lig en gemakkelijk gesprekken via de
ingebouwde microfoon en luidspre-
kers van het voertuig.
U heeft geen toegang tot het
telefoonscherm als er geen ver-
bonden mobiele telefoon is. Om
de Bluetooth-telefoonfunctie te
gebruiken, verbind u een mobie-
le telefoon met het systeem.
De Bluetooth Handsfree-functie
werkt mogelijk niet wanneer u
het dekkingsgebied van de
mobiele service verlaat, bijvoor-
beeld wanneer u zich in een tun-
nel, ondergronds of in een berg-
achtig gebied bevindt.
De gesprekskwaliteit kan in de
volgende omgevingen verslech-
teren:
- De ontvangst van de mobiele
telefoon slecht is,
- Het is lawaaiig in de auto,
- De mobiele telefoon zich be-
vindt in de buurt van metalen
voorwerpen, zoals een drank-
blikje.
Afhankelijk van de verbonden
mobiele telefoon, kunnen het
volume en de geluidskwaliteit
van de Bluetooth-handsfreefunc-
tie verschillen.
Bellen
Als uw mobiele telefoon met het sys-
teem is verbonden, kunt u een
gesprek aangaan door een naam uit
uw oproepgeschiedenis of contac-
tenlijst te selecteren.
1. Op het bedieningspaneel, drukt u
op de gewenste [PHONE] toets.
U kunt ook op de toets Bellen/
Beantwoorden op het stuurwiel
drukken.
2. Als u meerdere gekoppelde
mobiele apparaten heeft, selec-
teert u een mobiele telefoon uit uw
lijst met gekoppelde apparaten.
AANWIJZING
Parkeer uw voertuig op een vei-
lige locatie voordat u Bluetooth-
apparaten verbindt. Afgeleid rij-
den kan een verkeersongeval
veroorzaken en leiden tot per-
soonlijk letsel of de dood.
Nooit een telefoonnummer bel-
len of uw mobiele telefoon opne-
men tijdens het rijden. Het
gebruik van een mobiele tele-
foon kan uw aandacht afleiden,
waardoor het moeilijk wordt om
externe omstandigheden te her-
kennen en het vermogen om
onverwachte situaties te verwer-
ken vermindert, wat kan leiden
tot een ongeval. Gebruik indien
nodig de Bluetooth Handsfree-
functie om te bellen en houd de
oproep zo kort mogelijk.
WAARSCHUWING
4-33
Multimediasysteem
4
3. Selecteer een telefoonnummer.
Om een telefoonnummer uit uw
favorietenlijst te selecteren, se-
lecteert u Favorieten.
Om een telefoonnummer uit uw
oproepgeschiedenis te selecte-
ren, selecteert u Oproepge-
schiedenis.
Om een telefoonnummer uit uw
lijst met contactpersonen te
selecteren die u heeft gedownlo-
ad van de verbonden mobiele
telefoon, selecteert u Contact-
personen.
4. Om een oproep te beëindigen,
druk op de toets [2 SHFL] op het
bedieningspaneel.
U kunt ook op de toets gesprek
beëindigen op het stuurwiel
drukken.
Gebruik van de lijst met favorieten
1. Vanop het telefoonscherm draait u
aan de knop [TUNE] op het bedie-
ningspaneel om Favorieten te
selecteren, en vervolgens drukt u
op de knop.
2. Draai de knop [TUNE] om het
gewenste contact te selecteren en
druk vervolgens de knop in om te
bellen.
Druk op de knop [MENU] op het
bedieningspaneel voor toegang tot
de volgende menuoptie:
Voeg een nieuwe favorieten toe:
Voeg een vaak gebruikt telefoon-
nummer toe aan favorieten.
Delete (verwijderen items): Ver-
wijder een geselecteerd favorieten
item.
Delete (verwijderen alles): Ver-
wijder alle favorieten items.
U kunt tot maximaal 20 favorie-
ten registreren voor elk appa-
raat.
U moet eerst de contactperso-
nen naar het systeem downlo-
aden om favorieten te registre-
ren.
De favorietenlijst die op de
mobiele telefoon is opgeslagen,
wordt niet gedownload naar het
systeem.
Zelfs als de contactinformatie
op de mobiele telefoon zijn
bewerkt, worden de favorieten
op het systeem niet automatisch
bewerkt. Verwijder en voeg het
item opnieuw toe aan favorieten.
Wanneer u verbinding maakt
met een nieuwe mobiele tele-
foon, zullen uw favorieten inge-
steld voor de vorige mobiele
telefoon niet weergegeven wor-
den, maar zullen ze in uw sys-
teem blijven totdat u de vorige
telefoon uit de apparatenlijst
verwijdert.
AANWIJZING
4-34
Multimediasysteem
Gebruik van uw oproepgeschiedenis
1. Vanop het telefoonscherm draait u
aan de knop [TUNE] op het bedie-
ningspaneel om Oproepge-
schiedenis te selecteren, en ver-
volgens drukt u op de knop.
2. Draai de knop [TUNE] om de
gewenste vermelding te selecte-
ren en druk vervolgens de knop in
om te bellen.
Druk op de knop [MENU] op het
bedieningspaneel voor toegang tot
de volgende menuoptie:
Download: Download uw oproep-
geschiedenis.
All calls (alle oproepen): Bekijk
alle oproeprecords.
Gebelde oproepen: Bekijk alleen
de gebelde oproepen.
Ontvangen oproepen: Bekijk al-
leen de ontvangen oproepen.
Gemiste oproepen: Bekijk alleen
de gemiste oproepen.
De downloadfunctie wordt door
sommige mobiele telefoons mo-
gelijk niet ondersteund.
De oproepgeschiedenis is alleen
toegankelijk als de mobiele tele-
foon met het systeem is verbon-
den.
Oproepen van beperkte ID's wor-
den niet opgeslagen in de opro-
epgeschiedenislijst.
Tot maximaal 50 oproeprecords
worden gedownload per individu-
ele lijst.
De gespreksduur en tijdinforma-
tie zullen niet weergegeven wor-
den op het systeemscherm.
Toestemming is vereist om uw
oproepgeschiedenis vanuit de
mobiele telefoon te downloaden.
Wanneer u probeert gegevens te
downloaden, moet u mogelijk de
download op de mobiele telefoon
toestaan. Als de download mislukt,
controleer dan het scherm van de
mobiele telefoon op een eventuele
melding of de toestemmingsinstel-
ling van de mobiele telefoon.
Wanneer u uw oproepgeschiede-
nis downloadt, zullen alle oude
gegevens verwijderd worden.
Gebruik van de lijst met contacten
1. Vanop het telefoonscherm draait u
aan de knop [TUNE] op het bedie-
ningspaneel om Contactpersonen
te selecteren, en vervolgens drukt
u op de knop.
2. Draait u aan de knop [TUNE] om
de gewenste groep met alfanume-
rieke tekens te selecteren en druk
vervolgens de knop in.
3. Draai de knop [TUNE] om het
gewenste contact te selecteren en
druk vervolgens de knop in om te
bellen.
Druk op de knop [MENU] op het
bedieningspaneel voor toegang tot
de volgende menuoptie:
Download: Download de contact-
personen uw mobiele telefoon.
AANWIJZING
4-35
Multimediasysteem
4
Contactpersonen kunnen alleen
worden bekeken als het Blue-
tooth-apparaat is verbonden.
Alleen contactpersonen in het
ondersteunde formaat kunnen
gedownload en weergegeven wor-
den vanaf het Bluetooth-apparaat.
Contactpersonen vanuit sommige
applicaties zullen niet opgenomen
worden.
Er kunnen tot maximaal 2000 con-
tactpersonen vanuit uw apparaat
worden gedownload.
De downloadfunctie wordt door
sommige mobiele telefoons mo-
gelijk niet ondersteund.
Afhankelijk van de specificaties
van het systeem, kunnen sommi-
ge gedownloade contactpersonen
verloren gaan.
Contactpersonen die zowel in de
telefoon als op de SIM-kaart zijn op-
geslagen, worden gedownload. Bij
sommige mobiele telefoons worden
contactpersonen op de SIM-kaart
mogelijk niet gedownload.
Speciale tekens en cijfers die in
de naam van de contactpersoon
worden gebruikt, worden mogelijk
niet correct weergegeven.
(Vervolg)
Toestemming is vereist om uw
Contactpersonen vanuit de
mobiele telefoon te downloaden.
Wanneer u probeert gegevens te
downloaden, moet u mogelijk de
download op de mobiele telefoon
toestaan. Als de download mis-
lukt, controleer dan het scherm
van de mobiele telefoon op een
eventuele melding of de toestem-
mingsinstelling van de mobiele
telefoon.
Afhankelijk van het type of de sta-
tus van de mobiele telefoon kan
het downloaden langer duren.
Bij het downloaden van uw con-
tacten worden eventuele oude
gegevens verwijderd.
U kunt uw contactpersonen op het
systeem niet bewerken of verwij-
deren.
Wanneer u verbinding maakt met
een nieuwe mobiele telefoon, wor-
den de contacten die vanaf de
vorige mobiele telefoon waren
gedownload niet weergegeven,
maar blijven ze wel in uw systeem
staan totdat u de vorige telefoon
uit de apparatenlijst verwijdert.
Oproepen beantwoorden
Wanneer een oproep binnenkomt,
verschijnt een pop-upvenster met
meldingen van de inkomende
oproep op het systeemscherm.
Om een oproep te beantwoorden,
drukt u op de knop [1 RPT] op het
bedieningspaneel.
U kunt ook op de toets Bellen/
Beantwoorden op het stuurwiel
drukken.
Om een oproep te weigeren, drukt u
op de knop [2 SHFL] op het bedie-
ningspaneel.
U kunt ook op de toets gesprek
beëindigen op het stuurwiel druk-
ken.
AANWIJZING
4-36
Multimediasysteem
Afhankelijk van het type mobiele
telefoon wordt afwijzing van
oproepen mogelijk niet onder-
steund.
Zodra uw mobiele telefoon met
het systeem is verbonden, kan
het oproepgeluid via de luid-
sprekers van het voertuig wor-
den uitgevoerd, zelfs nadat u het
voertuig hebt verlaten als de
telefoon zich binnen het verbin-
dingsbereik bevindt. Om de ver-
binding te beëindigen, koppelt u
het apparaat los van het sys-
teem of deactiveert u Bluetooth
op het apparaat.
Gebruik van opties tijdens een
telefoongesprek
Tijdens een gesprek zult u het
oproepscherm dat hieronder wordt
weergegeven zien. Druk op een
knop om de gewenste functie uit te
voeren.
Om een oproep door te schakelen
naar uw mobiele telefoon, drukt u op
de knop [1 RPT] op het bediening-
spaneel.
U kunt ook de toets Bellen/Beant-
woorden op het stuurwiel ingedrukt
houden.
Om een oproep te beëindigen, druk
op de toets [2 SHFL] op het bedie-
ningspaneel.
U kunt ook op de toets gesprek beë-
indigen op het stuurwiel drukken.
Druk op de knop [MENU] op het
bedieningspaneel voor toegang tot
de volgende menuoptie:
Volume Microfoon (Uitgangsvolu-
me): Pas het microfoonvolume aan
of schakel de microfoon uit zodat de
andere partij u niet kan horen.
Als de bellerinformatie in uw lijst
met contactpersonen is opgesla-
gen, zal de naam en het telefoon-
nummer van de beller weergege-
ven worden. Wanneer de informa-
tie over de beller niet in uw lijst
met contacten is opgeslagen,
wordt alleen het telefoonnummer
van de beller weergegeven.
Tijdens een Bluetooth-gesprek
kunt u niet overschakelen naar een
ander scherm, zoals het audio-
scherm of het instellingen scherm.
Afhankelijk van het type mobiele
telefoon, kan de kwaliteit van het
telefoongesprek verschillen. Op
sommige telefoons is uw stem
mogelijk minder hoorbaar voor de
andere partij.
Afhankelijk van het type mobiele
telefoon wordt het telefoonnum-
mer mogelijk niet weergegeven.
Afhankelijk van het type mobiele
telefoon wordt de functie voor het
wisselen van gesprekken mogelijk
niet ondersteund.
AANWIJZING
AANWIJZING
4-37
Multimediasysteem
4
Display
U kunt de instellingen met betrekking
tot het display van het systeem wijzi-
gen.
1. Op het bedieningspaneel, drukt u
op de gewenste [SETUP/CLOCK]
toets.
2. Draai de knop [TUNE] om de
Display te selecteren en druk ver-
volgens de knop in.
Informatie over het muziekstuk
(Media Display): Selecteer infor-
matie om weer te geven bij het
afspelen van MP3-bestanden.
Pop-up modus: Stel in om het
selectievenster voor de modus
weer te geven wanneer op de knop
[RADIO] of [MEDIA] op het bedie-
ningspaneel wordt gedrukt.
Scrollen van tekst (tekst scrol-
len) (indien uitgerust): Stel in om
te scrollen als de informatietekst te
lang is om alles op het scherm
weer te geven.
De tekst-scrollfunctie (indien uit-
gerust) is alleen beschikbaar in de
volgende situatie:
Bij het weergeven van titels in
de USB-/iPod-/Bluetooth-audio-
modi.
Bij het weergeven van items in
de favorieten/oproepgeschiede-
nis/lijst met contactpersonen.
Bij het weergeven van apparaat-
namen op de Gekoppelde appa-
raten/Apparaten verwijderen/
Prioriteitslijst verbindingen in
de telefooninstellingen.
Geluid
U kunt de instellingen met betrekking
tot geluiden wijzigen, zoals de locatie
waar het geluid wordt geconcen-
treerd en het uitvoerniveau voor elk
bereik.
1. Op het bedieningspaneel, drukt u
op de gewenste [SETUP/CLOCK]
toets.
2. Draai de knop [TUNE] om de
Geluid te selecteren en druk ver-
volgens de knop in.
Stand: Selecteer een locatie waar
het geluid in het voertuig gecon-
centreerd zal worden. Selecteer
Fade (Fader) of Balance (Balans),
draai de knop [TUNE] om de
gewenste positie te selecteren en
druk vervolgens de knop in. Se-
lecteer Standaard om het geluid in
te stellen dat in het voertuig moet
worden gecentreerd.
Equalizer (Toon): Pas het uitvoer-
niveau aan voor elke geluidstoon
modus.
Snelheidsafhankelijke volume-
regeling: Stel het volume in dat
automatisch moet worden aange-
past aan uw rijsnelheid.
AANWIJZING
SETUP
4-38
Multimediasysteem
Afhankelijk van de voertuigmo-
dellen of specificaties, kunnen
de beschikbare opties variëren.
Afhankelijk van de systeem- of
versterkerspecificaties die op
uw voertuig worden toegepast,
kunnen de beschikbare opties
variëren.
Date/Time (Datum/Tijd)
U kunt de datum en tijd wijzigen die
worden weergegeven op het display
van het systeem.
1. Op het bedieningspaneel, drukt u
op de gewenste [SETUP/CLOCK]
toets.
2. Draai de knop [TUNE] om de
Datum/Tijd te selecteren en druk
vervolgens de knop in.
Datum Instellen: Stel de datum in
die moet worden weergegeven op
het display van het systeem.
Tijd Instellen: Stel de tijd in die
moet worden weergegeven op het
display van het systeem.
Tijdsweergave: Selecteer om de
tijd weer te geven in het 12-uurs-
formaat of het 24-uursformaat.
Display (Aan/uit-knop Off): Stel
de klok in die moet worden weer-
gegeven wanneer het systeem is
uitgeschakeld.
Phone
U kunt de instellingen voor Blue-
tooth-verbindingen wijzigen.
1. Op het bedieningspaneel, drukt u
op de gewenste [SETUP/CLOCK]
toets.
2. Draai de knop [TUNE] om de
Telefoon te selecteren en druk
vervolgens de knop in.
Nieuw apparaat toevoegen: Kop-
pel nieuwe Bluetooth-apparaten
met uw systeem.
Gekoppeld apparaten: Verbind of
ontkoppel een gekoppeld appa-
raat.
Verwijder apparaten: Verwijder
gekoppelde apparaten.
Connection priority (Prioriteit
verbinding): Selecteer een gekop-
peld apparaat om automatisch ver-
binding te maken met uw systeem
wanneer dit wordt ingeschakeld.
Taal
U kunt de taal van het display wijzi-
gen.
1. Op het bedieningspaneel, drukt u
op de gewenste [SETUP/CLOCK]
toets.
2. Draai de knop [TUNE] om de Taal
te selecteren en druk vervolgens
de knop in.
3. Selecteer een taal.
AANWIJZING
4-39
Multimediasysteem
4
SYSTEEMSTATUS PICTOGRAMMEN
Statuspictogrammen verschijnen
aan de bovenkant van het scherm
om de huidige systeemstatus weer
te geven.
Maak uzelf vertrouwd met de status-
pictogrammen die verschijnen wan-
neer u bepaalde acties of functies en
hun betekenis uitvoert.
Bluetooth
Signaalsterkte
Het batterijniveau weergegeven
op het scherm kan afwijken van
het batterijniveau dat wordt
weergegeven op het verbonden
apparaat.
De signaalsterkte weergegeven
op het scherm kan afwijken van
de signaalsterkte die wordt
weergegeven op de verbonden
mobiele telefoon.
Afhankelijk van voertuigmodel-
len en specificaties worden
sommige statuspictogrammen
mogelijk niet weergegeven.
AANWIJZING
Batterijniveau van het verbonden
Bluetooth-apparaat
BeschrijvingIcoon
Mobiele telefoon of audioapparaat
verbonden via Bluetooth
Bezig met Bluetooth-gesprek
Microfoon uitgeschakeld tijdens
Bluetooth-gesprek
Oproepgeschiedenis downloaden van
een mobiele telefoon die via Bluetooth is
verbonden met het systeem
Contactpersonen downloaden van een
mobiele telefoon die via Bluetooth is ver-
bonden met het systeem
Signaalsterkte van de mobiele tele-
foon verbonden via Bluetooth
BeschrijvingIcoon
4-40
Multimediasysteem
USB
Ondersteunde audio-indelingen
Audiobestand specificaties
- WAVeform-audioformaat
- MPEG1/2/2.5 Audio Layer3
- Windows Media Audio Ver
7.X/8.X
Bitsnelheid
- MPEG1 (Layer3):
32/40/48/56/64/80/96/112/128/
160/192/224/256/320 kbps
- MPEG2 (Layer3):
8/16/24/32/40/48/56/64/80/96/
112/128/144/160 kbps
- MPEG2.5 (Layer3):
8/16/24/32/40/48/56/64/80/96/
112/128/144/160 kbps
- WMA (High Range):
48/64/80/96/128/160/192 kbps
Bits Per Sample
- WAV (PCM(Stereo)): 24 bit
- WAV (IMA ADPCM): 4 bit
- WAV (MS ADPCM): 4 bit
Samplefrequenties
- MPEG1: 44100/48000/32000 Hz
- MPEG2: 22050/24000/16000 Hz
- MPEG2.5: 11025/12000/8000 Hz
- WMA: 32000/44100/48000 Hz
- WAV: 44100/48000 Hz
Maximale lengte van map-
/bestandsnamen (gebaseerd op
Unicode): 40 Engelse of
Koreaanse tekens
Ondersteunde tekens voor map-
/bestandsnamen (Unicode-onder-
steuning): 2.604 Koreaanse
tekens, 94 alfanumerieke tekens,
4.888 Chinese tekens in algemeen
gebruik, 986 speciale tekens
Maximum aantal mappen: 1,000
Maximum aantal bestanden: 5,000
Bestanden die niet in een onder-
steund formaat zijn, worden
mogelijk niet herkend of afge-
speeld, of informatie over hen,
zoals de bestandsnaam, wordt
mogelijk niet correct weergege-
ven.
Alleen bestanden met extensies
.mp3/.wma/.wav kunnen door
het systeem worden herkend.
Als het bestand niet in een on-
dersteund formaat is, wijzigt u
het bestandsformaat met behulp
van de nieuwste coderingssoft-
ware.
Het apparaat ondersteunt geen
bestanden die met behulp van
DRM (Digital Rights Manage-
ment) zijn vergrendeld.
Bij MP3/WMA compressiebe-
standen en WAVbestanden ko-
men verschillen voor in de
geluidskwaliteit, afhankelijk van
de bitrate. (Muziekbestanden
met een hogere bitsnelheid heb-
ben een betere geluidskwaliteit.)
Japanse of vereenvoudigde
Chinese tekens in map- of
bestandsnamen worden moge-
lijk niet correct weergegeven.
AANWIJZING
AUDIOSYSTEEM SPECIFICATIES
4-41
Multimediasysteem
4
Ondersteunde USB-opslagappa-
raten
Byte/Sector: 64 kbyte of minder
Formaatsysteem: FAT12 / 16/32
(aanbevolen)
Maximale apparaatgrootte: 32 GB
De werking is alleen gegaran-
deerd voor een USB-opslagap-
paraat met een metalen cover
met een stekkeraansluiting.
- USB-opslagapparaten met een
plastic stekker worden moge-
lijk niet herkend.
- USB-opslagapparaten van
typen geheugenkaarten, zoals
CF-kaarten of SD-kaarten, wor-
den mogelijk niet herkend.
USB-harde schijven worden
mogelijk niet herkend.
Wanneer u een USB-opslagap-
paraat met grote capaciteit
gebruikt met meerdere logische
stations, worden alleen bestan-
den die op het eerste station zijn
opgeslagen herkend.
(Vervolg)
(Vervolg)
Als een toepassingsprogramma
op een USB-opslagapparaat is
geladen, worden de bijbehoren-
de mediabestanden mogelijk
niet afgespeeld.
Gebruik USB 2.0-apparaten voor
betere compatibiliteit.
Bluetooth
Bluetooth Vermogenklasse 2: - 6 to
4 dBm
Antennevermogen: Max 3 mW
Frequentiebereik: 2400 - 2483,5
MHz
Bluetooth-patch RAM-softwarever-
sie: 1
AANWIJZING
4-42
Multimediasysteem
Systeemindeling - bedieningspaneel
(Met Bluetooth®Wireless Technology)
(1) Toets RADIO
Indrukken om de radio in te schakelen.
Tijdens het luisteren naar de radio,
drukt u op de knop om de radiomodus
te wijzigen.
(2) Toets MEDIA
Druk op de knop om inhoud van een
media-opslagapparaat af te spelen.
Druk herhaaldelijk op de knop om te
schakelen tussen de modi USB (iPod),
Bluetooth-audio, en AUX.
Als u meerdere media-opslagappara-
ten heeft, selecteert u er één in het
media selectie venster.
(3) Toets PHONE
Druk op de knop om het verbinden van
een mobiele telefoon via Bluetooth te
starten.
Nadat een Bluetooth-telefoonverbin-
ding tot stand is gebracht, drukt u op de
knop voor toegang tot het Bluetooth-
telefoonmenu.
(4) Toets SEEK/TRACK
Wijzig de zender/nummer/bestand (uit-
gezonderd voor de AUX-modus).
Tijdens het luisteren naar de radio, druk
en houd de knop ingedrukt om naar
een zender te zoeken.
Tijdens het afspelen van media, druk
en houd de knop ingedrukt om terug- of
snel vooruit te spoelen (uitgezonderd
voor de AUX- en Bluetooth-audiomodi).
(5) Toets POWER/knop VOL
Indrukken om het systeem in of uit te
schakelen.
Draai de knop naar links of rechts om
het volume van het systeemgeluid aan
te passen.
(6) Resettoets
AUDIO (Zonder Touchscreen)
hDe aanwezigl functies kan afwijken van de afbeelding.
nType E
4-43
Multimediasysteem
4
(Met Bluetooth®Wireless Technology)
(7) Toets MENU
Druk op de knop om naar het menu-
scherm voor de huidige modus te gaan.
(8) Toets SETUP/CLOCK
Druk op de knop om naar het instel-
lingsscherm te gaan.
Druk en houd de knop ingedrukt om
naar het tijdinstellingsscherm te gaan.
(9) Toets BACK
Indrukken om terug te keren naar het
vorige scherm.
(10) Toets PRESET
Tijdens het luisteren naar de radio,
drukt u op de knop om naar de vorige
of volgende pagina van de voorkeuze-
lijst te gaan.
(11) Cijfertoetsen (1-6)
Tijdens het luisteren naar de radio,
drukt u op de knop om te luisteren naar
een radiozender.
Tijdens het luisteren naar de radio, druk
en houd de knop ingedrukt om het hui-
dige radiostation in de voorprogramma-
tie op te slaan.
Druk op de overeenkomstige nummer-
knop om een item te selecteren.
(12) Knop TUNE/FILE/ENTER
Tijdens het luisteren naar de radio,
draai aan de knop om de frequentie
aan te passen.
Tijdens het afspelen van media, draai
aan de knop om een nummer/bestand
te zoeken (uitgezonderd voor de AUX-
en Bluetooth-audiomodi).
Tijdens het zoeken, drukt u op de knop
om het huidige nummer/bestand te
selecteren.
hDe aanwezigl functies kan afwijken van de afbeelding.
nType E
4-44
Multimediasysteem
Systeemindeling -
Audiobediening op stuurwiel
(Bluetooth® compatibele modellen)
hDe aanwezigl functies kan afwij-
ken van de afbeelding.
(1) Toets MUTE
Druk op de knop om het systeem
te dempen of op te heffen.
Tijdens een telefoongesprek in-
drukken om de microfoon uit of
weer in te schakelen.
Tijdens het afspelen van media,
drukt u op de knop om het afspelen
te pauzeren of te hervatten (uitge-
zonderd voor de iPod-modus).
(2) Toets MODE
Druk op de knop om te schakelen
tussen radio- en mediamodi.
(3) Volumeschakelaar
Duw omhoog of omlaag om het
volume aan te passen.
(4) Omhoog-/omlaagschakelaar
Wijzig de zender/nummer/bestand
(uitgezonderd voor de AUX-
modus).
Tijdens het luisteren naar de radio,
drukt u op de knop om te luisteren
naar de vorige/volgende opgesla-
gen radiozender.
Tijdens het luisteren naar de radio,
druk en houd de knop ingedrukt
om naar een zender te zoeken.
Tijdens het afspelen van media,
druk en houd de knop ingedrukt
om terug- of snel vooruit te spoe-
len (uitgezonderd voor de AUX- en
Bluetooth-audiomodi).
(5) Toets bellen/beantwoorden
Druk op de knop om het verbinden
van een mobiele telefoon via
Bluetooth te starten.
Nadat een Bluetooth-telefoonver-
binding tot stand is gebracht, opent
u het Bluetooth-telefoonscherm.
Druk op de knop en houd hem
ingedrukt om het meest recente
telefoonnummer te bellen. Wan-
neer een oproep binnenkomt, drukt
u op de knop om de oproep te
beantwoorden.
Tijdens een gesprek, drukt u op de
knop op om te schakelen tussen
het actieve gesprek en het gesprek
in wacht. Druk en houd de knop
ingedrukt om het gesprek te scha-
kelen tussen het systeem en de
mobiele telefoon.
(6) Knop om het gesprek te beëin-
digen
4-45
Multimediasysteem
4
Bedien het systeem niet tij-
dens het rijden. Rijden terwijl
u afgeleid bent, kan leiden tot
verlies van controle over het
voertuig, wat kan leiden tot
een ongeval, ernstig persoon-
lijk letsel of de dood. De pri-
maire verantwoordelijkheid
van de bestuurder is de veili-
ge en legale bediening van
een voertuig, en alle handap-
paraten, apparaten of voer-
tuigsystemen die de aandacht
van de bestuurder afleiden
van deze verantwoordelijk-
heid, mogen nooit tijdens het
gebruik van het voertuig wor-
den gebruikt.
(Vervolg)
WAARSCHUWING
- Over rijden
(Vervolg)
Kijk niet tijdens het rijden
naar het scherm. Rijden ter-
wijl u wordt afgeleid, kan lei-
den tot een verkeersongeval.
Stop uw voertuig op een veili-
ge locatie voordat u functies
gebruikt die meerdere bewer-
kingen vereisen.
Stop eerst uw voertuig voor-
dat u uw mobiele telefoon
gebruikt. Het gebruik van een
mobiele telefoon tijdens het
rijden kan leiden tot een ver-
keersongeval. Gebruik indien
nodig de Bluetooth Hands-
free-functie om te bellen en
houd de oproep zo kort moge-
lijk.
Houd het volume laag genoeg
om externe geluiden te horen.
Rijden zonder de mogelijk-
heid om externe geluiden te
horen kan leiden tot een ver-
keersongeval. Langdurig naar
een luid volume luisteren kan
gehoorbeschadiging veroor-
zaken.
Demonteer het systeem niet
en breng geen wijzigingen
aan. Als u dit wel doet, kan dat
resulteren in een ongeluk,
brand of een elektrische
schok.
Laat geen vloeistoffen of
vreemde stoffen in het sys-
teem komen. Vloeistoffen of
vreemde stoffen kunnen
schadelijke dampen, een
brand of systeemstoringen
veroorzaken.
Stop met het gebruik van het
systeem als het niet goed
functioneert, zoals geen
audio-uitvoer of weergave.
Als u het systeem blijft
gebruiken wanneer het niet
goed functioneert, kan dit lei-
den tot een brand, elektrische
schok of systeemstoring.
Raak tijdens onweer of blik-
sem de antenne niet aan,
omdat dit kan leiden tot een
elektrische schok.
WAARSCHUWING
- Over het omgaan met het systeem
Informatie
- Over het bedienen van het
systeem
Gebruik het systeem terwijl de
motor draait. Als u het systeem
lange tijd gebruikt terwijl de motor
is gestopt, kan de accu ontladen
worden.
Installeer geen niet-goedgekeurde
producten. Het gebruik van niet-
goedgekeurde producten kan een
fout veroorzaken tijdens het
gebruik van het systeem.
Systeemfouten die worden veroor-
zaakt door het installeren van niet-
goedgekeurde producten vallen niet
onder de garantie.
Informatie
- Over het omgaan met het
systeem
Oefen geen overmatige kracht uit op
het systeem. Overmatige druk op
het scherm kan het LCD-paneel of
het aanraakpaneel beschadigen.
Zorg ervoor dat u bij het reinigen
van het scherm of het knoppenpa-
neel de motor afzet en een zachte,
droge doek gebruikt. Als u het
scherm of de knoppen afveegt met
een ruwe doek of met oplosmiddelen
(alcohol, benzeen, verfverdunner,
enz.), kan het oppervlak krassen
bezorgen of chemisch beschadigen.
Als u een luchtverfrisser van een
vloeibaar type op het ventilatieroos-
ter bevestigt, kan het oppervlak van
het rooster vervormd raken door de
stromende lucht.
Als u het geplaatste apparaat op een
andere positie wilt installeren, infor-
meer dan bij uw leverancier of ser-
vicecentrum. Technische expertise is
vereist om het apparaat te installe-
ren of te demonteren.
Als u problemen ondervindt met
het systeem, neemt dan contact
op met het verkooppunt of de
verdeler.
Wanneer het audiosysteem in
een elektromagnetische omge-
ving wordt geplaatst, ontstaat
mogelijk ruis.
AANWIJZING
ii
4-46
Multimediasysteem
Het systeem in- of
uitschakelen
Start de motor om de radio in te
schakelen.
Als u het systeem tijdens het rijden
niet wilt gebruiken, kunt u het sys-
teem uitschakelen door op de knop
[POWER] op het bedieningspaneel
te drukken. Om het systeem
opnieuw te gebruiken, drukt u nog-
maals op de knop [POWER].
Het systeem wordt uitgeschakeld als
u de motor afzet (ACC Uit).
Wanneer u het systeem weer
inschakelt, zullen de vorige modus
en instellingen intact blijven.
Informatie
U kunt het systeem inschakelen wan-
neer de contactsleutel in de stand
"ACC" of "AAN" geplaatst is. Als u
het systeem gedurende langere tijd
gebruikt zonder dat de motor draait,
loopt de batterij af. Als u van plan
bent om het systeem lange tijd te
gebruiken, start u de motor.
Het display in- of uitschakelen
Om verblinding te voorkomen, kunt u
het scherm uitschakelen. Het
scherm kan alleen worden uitge-
schakeld als het systeem is inge-
schakeld.
1. Op het bedieningspaneel, drukt u
op de gewenste [SETUP/CLOCK]
toets.
2. Druk op de toets [6] op het bedie-
ningspaneel om Display Off
(Display Uit) te selecteren.
Druk op één van de knoppen op
het bedieningspaneel om het
scherm weer in te schakelen.
i
Sommige functies kunnen om
veiligheidsredenen worden
uitgeschakeld terwijl het voer-
tuig in beweging is. Ze werken
alleen wanneer het voertuig
stopt. Parkeer uw voertuig op
een veilige locatie voordat u
één van deze gebruikt.
Stop met het gebruik van het
systeem als het niet goed
functioneert, zoals geen
audio-uitvoer of weergave.
Als u het systeem blijft geb-
ruiken wanneer het niet goed
functioneert, kan dit leiden tot
een brand, elektrische schok
of systeemstoring.
WAARSCHUWING
4-47
Multimediasysteem
4
4-48
Multimediasysteem
Het leren kennen van de
basishandelingen
U kunt een item selecteren of de
instellingen aanpassen met behulp
van de nummerknoppen en de knop
[TUNE] op het bedieningspaneel.
Selecteer een item
Genummerde items
Druk de bijbehorende cijfertoets in.
Ongenummerde items
Draai de knop [TUNE] om het
gewenste item te selecteren en druk
vervolgens de knop in.
De instellingen wijzigen
Draai aan de knop [TUNE] om de
waarde aan te passen en druk ver-
volgens op de knop om de wijzigin-
gen op te slaan.
Draai de knop [TUNE] naar rechts
om de waarde te verhogen en draai
de knop [TUNE] naar links om de
waarde te verlagen.
4-49
Multimediasysteem
4
De radio inschakelen
Op het bedieningspaneel, drukt u op
de gewenste [RADIO] toets.
FM / AM-modus
(1) Ingeschakelde radiomodus
(2) Informatie over de radiozender
(3) Voorkeuzelijst
Druk op de knop [MENU] op het
bedieningspaneel voor toegang tot
de volgende menuoptie:
List: Geef alle beschikbare radio-
zenders weer.
Verkeersinformatie (TA - Traffic
Announcement) (indien van toe-
passing): Activeren of deactiveren
van verkeersberichten.
Aankondigingen en programma's
zullen automatisch ontvangen wor-
den indien ze beschikbaar zijn.
Scan: Het systeem zoekt naar ra-
diozenders met sterke radiosigna-
len en speelt elke radiozender ge-
durende ongeveer vijf seconden af.
Geluidsinstellingen: Aanpassen
van de geluidsinstellingen van het
systeem.
DAB / FM-modus (Met DAB)
(1) Ingeschakelde radiomodus
(2) Informatie over de radiozender
(3) Voorkeuzelijst
Druk op de knop [MENU] op het
bedieningspaneel voor toegang tot
de volgende menuoptie:
List: Geef alle beschikbare radio-
zenders weer.
Verkeersinformatie (TA - Traffic
Announcement): Activeren of
deactiveren van verkeersberich-
ten. Aankondigingen en program-
ma's zullen automatisch ontvangen
worden indien ze beschikbaar zijn.
Regio: Schakel automatisch in en
uit tussen regionale zenders.
Geluidsinstellingen: Aanpassen
van de geluidsinstellingen van het
systeem.
Scan: Het systeem zoekt naar
radiozenders met sterke radiosig-
nalen en speelt elke radiozender
gedurende ongeveer vijf seconden
af.
Handmatig FM afstemmen: Stem
de radiofrequentie handmatig af.
De radiomodus wijzigen
Als alternatief, drukt u op de knop
[RADIO] op het bedieningspaneel of
op de knop [MODE] op het stuurwiel.
Elke keer dat u op de knop drukt,
schakelt de radiomodus over.
RADIO
4-50
Multimediasysteem
Scannen voor beschikbare
radiozenders
U kunt een paar seconden naar elke
radiozender luisteren om de ont-
vangst te testen en degene die u
wenst te selecteren.
1. Vanuit het radioscherm, drukt u op
de knop [MENU] op het bedie-
ningspaneel.
2. Draai de knop [TUNE] om de
Scan te selecteren en druk vervol-
gens de knop in.
Het systeem zoekt naar radio-
zenders met sterke radiosigna-
len en speelt elke radiozender
gedurende ongeveer vijf secon-
den af.
3. Druk op de knop [TUNE] wanneer
u de radiozender hebt gevonden
waarnaar u wilt luisteren.
U kunt doorgaan met luisteren
naar de geselecteerde zender.
Zoeken voor radiozenders
Om naar de vorige of volgende
beschikbare radiozender te zoeken,
drukt u op de knop [SEEK/TRACK
] op het bedieningspaneel.
U kunt ook drukken en de knop [
SEEK/TRACK ] ingedrukt houden
en om snel naar frequenties te zoe-
ken. Wanneer u de knop loslaat,
wordt automatisch een radiozender
met een sterk signaal geselecteerd.
(indien van toepassing)
Als u de exacte frequentie kent van
de radiozender die u wilt beluisteren,
draai dan aan de knop [TUNE] op
het bedieningspaneel om de fre-
quentie te wijzigen.
Radiozenders opslaan
U kunt uw favoriete radiozenders
opslaan en ernaar luisteren door ze
te selecteren uit de lijst met voorkeu-
zenummers.
Tijdens het luisteren naar de radio,
drukt u op de nummerknop voor een
leeg voorkeuzeslot op het radio-
scherm.
De radiozender waarnaar u luis-
tert, wordt toegevoegd aan het
geselecteerde nummer.
U kunt tot maximaal 36 radio-
zenders opslaan.
Als de voorkeuzelijst vol is, kunt
u een van uw favoriete zenders
vervangen door de zender waar
u op dat moment naar luistert.
Houd de gewenste cijfertoets op
het bedieningspaneel ingedrukt.
Luisteren naar opgeslagen
radiozenders
1. Bevestig het voorkeuzenummer
voor de radiozender waarnaar u
wilt luisteren.
2. Op het bedieningspaneel, drukt u
op de gewenste nummerknop.
U kunt ook de omhoog-/ om-
laagschakelaar op het stuurwiel
indrukken om de zender te wijzi-
gen.
AANWIJZING
4-51
Multimediasysteem
4
Using the mediaspeler
U kunt muziek afspelen die is opge-
slagen op verschillende media-
opslagapparaten, zoals USB-opslag-
apparaten, smartphones en iPod's.
1. Verbind een apparaat met de
USB-poort of de AUX-poort van
uw voertuig
Het afspelen kan onmiddellijk
starten, afhankelijk van het
apparaat dat u met het systeem
verbindt.
2. Op het bedieningspaneel, drukt u
op de gewenste [MEDIA] toets.
Als u meerdere media-opslag-
apparaten heeft, drukt u nog-
maals op de knop [MEDIA] en
drukt u op de overeenkomstige
nummerknop om de gewenste
modus te selecteren.
Wanneer u een Apple-apparaat
verbindt, start het afspelen niet
automatisch. Om de mediaspe-
ler in de iPod-modus te starten,
drukt u op de knop [MEDIA] op
het bedieningspaneel.
U kunt de modus ook wijzigen
door herhaaldelijk op de knop
[MODE] op het stuurwiel te druk-
ken.
Zorg ervoor dat u externe USB-
apparaten aansluit en loskop-
pelt terwijl het systeem is uitge-
schakeld.
Afhankelijk van de voertuigmo-
dellen en specificaties, kunnen
de beschikbare knoppen of het
uiterlijk en de indeling van de
USB/AUX-poorten in uw voer-
tuig variëren.
Verbind een smartphone of een
MP3-apparaat niet simultaan
met het systeem via meerdere
methoden zoals USB, Bluetooth
en AUX. Anders kan het geluid
vervormen of een systeemsto-
ring ontstaan.
(Vervolg)
(Vervolg)
Wanneer de equalizerfunctie
van het verbonden apparaat en
de Equalizer (Toon) -instellingen
van het systeem beide worden
geactiveerd, kunnen de effecten
elkaar beïnvloeden en kan dit tot
geluidsverlies of vervorming lei-
den. Deactiveer indien mogelijk
de equalizerfunctie van het
apparaat.
Er kan sprake zijn van ruis wan-
neer er een Apple-apparaat of
een AUX-apparaat wordt aange-
sloten. Wanneer dergelijke
apparaten niet worden gebruikt,
koppelt u het apparaat los en
bergt u het op.
Wanneer de Appleapparaat of
het AUX-apparaat is aangeslo-
ten op de aansluiting voor de
voeding, kan er ruis optreden
als er muziek van het externe
apparaat wordt afgespeeld.
Koppel in dergelijke gevallen
voor gebruik van het apparaat
de voeding los.
AANWIJZING
MEDIASPELER
4-52
Multimediasysteem
Gebruik van de USB-modus
U kunt mediabestanden afspelen die
zijn opgeslagen op draagbare appa-
raten, zoals USB-opslagapparaten
en MP3-spelers. Controleer compati-
bele USB-opslagapparaten en
bestandsspecificaties voordat u de
USB-modus gebruikt.
Verbind uw USB-apparaat met de
USB-poort in het voertuig.
Het afspelen start onmiddellijk.
Als er reeds een USB-apparaat op
het systeem is verbonden, drukt u
op de knop [MEDIA] en drukt u op
de knop [1] om USB te selecteren
in het media selectie venster.
(1) Modus herhaald afspelen
(2) Huidig bestandsnummer en totaal
aantal bestanden
(3) Informatie over het liedje dat
momenteel wordt afgespeeld
(4) Afspeeltijd en afspeelpositie
Druk op de knop [MENU] op het
bedieningspaneel voor toegang tot
de volgende menuoptie:
Informatie: Informatie weergeven
over het muziekstuk dat op dat
moment wordt afgespeeld.
Geluidsinstellingen: Aanpassen
van de geluidsinstellingen van het
systeem.
Terugspoelen/Vooruitspoelen
Houd de toets [SEEK/TRACK ]
op het bedieningspaneel ingedrukt.
U kunt ook op de hendel Omhoog/
Omlaag op het stuurwiel drukken
en hem ingedrukt houden.
Herstarten van het huidige
afspelen
Druk de toets [SEEK/TRACK] op
het bedieningspaneel ingedrukt.
U kunt ook de omlaagschakelaar
op het stuurwiel indrukken.
Afspelen van het vorige of
volgende liedje
Om het vorige liedje af te spelen,
drukt u tweemaal op de knop [
SEEK/TRACK] op het bediening-
spaneel. Om het volgende liedje af te
spelen, drukt u op de knop [SEEK/
TRACK ] op het bedieningspaneel.
U kunt ook de Omhoog-/Omlaag-
schakelaar op het stuurwiel geb-
ruiken.
4-53
Multimediasysteem
4
Draai de knop [FILE] op het
bedieningspaneel om het
gewenste muziekstuk te vinden
en druk binnen vijf seconden op
de knop om het bestand af te
spelen.
Als binnen vijf seconden geen
bedieningselement wordt gede-
tecteerd, wordt het zoeken gean-
nuleerd en wordt op het scherm
informatie weergegeven over
het nummer dat momenteel
wordt afgespeeld.
Herhaaldelijk afspelen
Op het bedieningspaneel, drukt u op
de gewenste [1] toets. De modus
herhaald afspelen verandert tekens
wanneer u erop drukt. Zal het over-
eenkomstige moduspictogram op het
scherm worden weergegeven.
In willekeurige volgorde
afspelen
Op het bedieningspaneel, drukt u op
de gewenste [2] toets. De modus wil-
lekeurig afspelen wordt geactiveerd
of gedeactiveerd tekens wanneer u
erop drukt. Wanneer u de modus wil-
lekeurig afspelen activeert, zal het
overeenkomstige moduspictogram
op het scherm worden weergegeven.
Zoeken naar muziekbestanden
in een bestandslijst
1. Druk op de toets [3] op het bedie-
ningspaneel om List (Lijst) te
selecteren.
2. Draai de knop [TUNE] om de ge-
wenste categorie en het gewenste
bestand te selecteren en druk ver-
volgens de knop in om het mu-
ziekbestand af te spelen.
Informatie
Start de motor van uw voertuig
voordat u een USB-apparaat met
uw systeem verbindt. Het starten
van de motor met een USB-appa-
raat verbonden aan het systeem kan
het USB-apparaat beschadigen.
Pas op voor statische elektriciteit
wanneer u een USB-apparaat aan-
sluit of loskoppelt. Een statische
ontlading kan een systeemstoring
veroorzaken.
Zorg ervoor dat uw lichaam of
externe objecten niet in contact
komen met de USB-poort. Als u dit
wel doet, kan dit een ongeluk of sys-
teemstoring veroorzaken.
Sluit een USB-connector niet her-
haaldelijk aan en af binnen korte
tijd. Als u dit wel doet, kan dit een
fout in het apparaat of een systeem-
storing veroorzaken.
Gebruik het USB-apparaat niet
voor andere doeleinden dan het
afspelen van muziekbestanden. Het
gebruik van USB-accessoires voor
opladen of verwarmen kan slechte
prestaties of een systeemstoring ver-
oorzaken.
AANWIJZING i
4-54
Multimediasysteem
Gebruik geen verlengkabel wan-
neer u een USB-opslagapparaat
verbindt. Verbind het rechtst-
reeks met de USB-poort. Als u
een USB-hub of verlengkabel
gebruikt, wordt het apparaat
mogelijk niet herkend.
Steek een USB-connector volle-
dig in de USB-poort. Als u dit
niet doet, kan dit een communi-
catiefout veroorzaken.
Wanneer u een USB-opslagap-
paraat ontkoppelt, kan er een
vervormd geluid optreden.
Het systeem kan alleen bestan-
den afspelen die zijn gecodeerd
in een standaardformaat.
De volgende types van USB-
apparaten worden mogelijk niet
herkend of werken niet correct:
- Versleutelde MP3-spelers
- USB-apparaten worden niet
herkend als verwisselbare
schijven
Afhankelijk van zijn toestand
wordt een USB-apparaat moge-
lijk niet herkend.
(Vervolg)
(Vervolg)
Sommige USB-apparaten zijn
mogelijk niet compatibel met uw
systeem.
Afhankelijk van het type, de ca-
paciteit of het bestandsformaat
van het USB-apparaat, kan de
USB-herkenningstijd langer zijn.
Het weergeven van afbeeldingen
en het afspelen van video's
wordt niet ondersteund.
Gebruik van de iPod-modus
U kunt luisteren naar muziek die is
opgeslagen op uw Apple-apparaten,
zoals een iPod of een iPhone.
1. Verbind uw Apple-apparaat met
de USB-poort in uw voertuig met
behulp van de kabel die bij het
Apple-apparaat is geleverd.
Eens verbonden zal het appa-
raat beginnen opladen. Het
afspelen van muziek zal niet
automatisch starten.
2. Op het bedieningspaneel, drukt u
op de gewenste [MEDIA] toets.
Als er meerdere apparaten op
het systeem zijn verbonden,
drukt u op de knop [MEDIA] en
drukt u op de knop [1] om de
iPod te selecteren in het media
selectie venster.
(1) Modus herhaald afspelen
(2) Huidig bestandsnummer en totaal
aantal bestanden
(3) Informatie over het liedje dat
momenteel wordt afgespeeld
(4) Afspeeltijd en afspeelpositie
Druk op de knop [MENU] op het
bedieningspaneel voor toegang tot
de volgende menuoptie:
Informatie: Informatie weergeven
over het muziekstuk dat op dat
moment wordt afgespeeld.
Geluidsinstellingen: Aanpassen
van de geluidsinstellingen van het
systeem.
AANWIJZING
4-55
Multimediasysteem
4
Terugspoelen/Vooruitspoelen
Houd de toets [SEEK/TRACK ]
op het bedieningspaneel ingedrukt.
U kunt ook op de hendel Omhoog/
Omlaag op het stuurwiel drukken
en hem ingedrukt houden.
Herstarten van het huidige
afspelen
Druk de toets [SEEK/TRACK] op
het bedieningspaneel ingedrukt.
U kunt ook de omlaagschakelaar
op het stuurwiel indrukken.
Afspelen van het vorige of
volgende liedje
Om het vorige liedje af te spelen,
drukt u tweemaal op de knop [
SEEK/TRACK] op het bediening-
spaneel. Om het volgende liedje af te
spelen, drukt u op de knop [SEEK/
TRACK ] op het bedieningspaneel.
U kunt ook de Omhoog-/Omlaag-
schakelaar op het stuurwiel geb-
ruiken.
Draai de knop [FILE] op het be-
dieningspaneel om het gewenste
muziekstuk te vinden en druk
binnen vijf seconden op de knop
om het bestand af te spelen.
Als binnen vijf seconden geen
bedieningselement wordt gede-
tecteerd, wordt het zoeken gean-
nuleerd en wordt op het scherm
informatie weergegeven over
het nummer dat momenteel
wordt afgespeeld.
Herhaaldelijk afspelen
Op het bedieningspaneel, drukt u op
de gewenste [1] toets. De modus
herhaald afspelen verandert tekens
wanneer u erop drukt. Zal het over-
eenkomstige moduspictogram op het
scherm worden weergegeven.
In willekeurige volgorde afspelen
Op het bedieningspaneel, drukt u op
de gewenste [2] toets. De modus wil-
lekeurig afspelen wordt geactiveerd
of gedeactiveerd tekens wanneer u
erop drukt. Wanneer u de modus wil-
lekeurig afspelen activeert, zal het
overeenkomstige moduspictogram
op het scherm worden weergegeven.
Zoeken naar muziekbestanden
in een bestandslijst
1. Druk op de toets [3] op het bedie-
ningspaneel om List (Lijst) te se-
lecteren.
2. Draai de knop [TUNE] om de ge-
wenste categorie en het gewenste
bestand te selecteren en druk ver-
volgens de knop in om het mu-
ziekbestand af te spelen.
Informatie
Zorg ervoor dat u de motor start
voordat u apparaten met het sys-
teem verbindt. Het apparaat kan
beschadigd raken als de motor
wordt gestart terwijl het apparaat is
verbonden.
Sluit een USB-connector niet her-
haaldelijk aan en af binnen korte
tijd. Als u dit wel doet, kan dit een
fout in het apparaat of een systeem-
storing veroorzaken.
i
AANWIJZING
4-56
Multimediasysteem
Opmerkingen over het verbinden
van Apple-apparaten
Zorg ervoor dat iOS en firmware
van uw apparaat up-to-date zijn
voordat u het met uw systeem ver-
bindt. Verouderde apparaten kun-
nen een systeemfout veroorzaken.
Als de batterij van uw apparaat
bijna leeg is, kan het apparaat
mogelijk niet herkend worden.
Controleer het batterijniveau en
laad indien nodig de batterij op
voordat u het apparaat met uw
systeem verbindt.
Gebruik een door Apple goedge-
keurde kabel. Het gebruik van een
niet-goedgekeurde kabel kan een
verstoord geluid of een fout veroor-
zaken tijdens het afspelen.
Gebruik een kabel die korter is dan
1 meter, zoals de kabel die oor-
spronkelijk wordt geleverd bij een
nieuw Apple-apparaat. Langere
kabels kunnen ertoe leiden dat het
audiosysteem het Apple-apparaat
niet herkent.
Steek een USB-connector volledig
in de USB-poort. Als u dit niet doet,
kan dit een communicatiefout ver-
oorzaken.
Wanneer uw apparaat tegelijkertijd
is verbonden op de USB-poort en
de AUX-poort, wordt dit herkend in
de AUX-modus. Het apparaat blijft
in de AUX-modus, zelfs als de
AUX-kabel niet met het systeem is
verbonden. Als u muziek wilt
afspelen in de iPod-modus, koppelt
u de AUX-kabel los van het appa-
raat of wijzigt u de audio-uitvoer
van het apparaat naar "Dock".
Als u uw apparaat met het systeem
verbindt terwijl het afspelen bezig
is op het apparaat, hoort u net na
het verbinden mogelijk een hoog
piepgeluid. Verbind het apparaat
na het stoppen of pauzeren van
het afspelen.
Als u uw apparaat verbindt tijdens
een download of synchronisatie
met iTunes, kan er een fout veroor-
zaken. Sluit het apparaat aan
nadat het downloaden of synchro-
niseren is voltooid.
Als u een iPod nano (uitgezonderd
voor de 6e generatie) of een iPod
classic verbindt, zal het merklogo
weergegeven worden op het
scherm van het apparaat. Voor een
iPhone en een iPod touch zal het
logo niet weergegeven worden.
Opmerkingen over het afspelen van
Apple-apparaten
Afhankelijk van het model wordt
uw apparaat mogelijk niet herkend
vanwege niet-ondersteunde com-
municatieprotocollen.
De volgorde van de liedjes die op
het systeem worden afgespeeld of
weergegeven, kunnen verschillen
van de volgorde van de liedjes die
op uw apparaat zijn opgeslagen.
Afhankelijk van de muziekspeler-
toepassing die u gebruikt, kan de
informatie die op het systeem
wordt weergegeven, verschillen.
Op een iPhone kan de audiostre-
amfunctie en bediening van de
iPod-modus conflicteren. Als er
een fout optreedt, ontkoppelt en
verbindt u de USB-kabel opnieuw.
Wanneer u een iPhone of een iPod
touch gebruikt, mag u het apparaat
niet bedienen terwijl het met uw
systeem is verbonden. Er kan een
fout optreden.
Als u een gesprek aangaat of ont-
vangt tijdens het afspelen via een
iPhone, kan de muziek gepauzeerd
blijven nadat u het gesprek heeft
beëindigd. Als u de muziek niet ho-
ort na het beëindigen van een ge-
sprek, controleert u het apparaat om
te zien of de muziek is gepauzeerd.
4-57
Multimediasysteem
4
Dupliceer een liedje niet in meer-
dere mappen. Eén liedje opgesla-
gen in meerdere mappen kan een
fout veroorzaken met zoek- en
afspeelfuncties.
Als u een mediabedieningsfunctie
uitvoert, zoals stoppen of herhalen,
net voordat een liedje eindigt, kan
het zijn dat de op het scherm weer-
gegeven liedjesinformatie mogelijk
niet overeen komt met het liedje
dat momenteel wordt afgespeeld.
Dit is geen systeemfout. Herstart
de iPod-modus op het systeem of
pauzeer en hervat het afspelen op
uw apparaat.
Afhankelijk van de eigenschappen
van uw Apple-apparaat kunnen er
bestanden worden overgeslagen
of onjuist worden afgespeeld.
Als het Apple-apparaat niet goed
functioneert door een defect in het
Apple-apparaat, reset dan het
Apple-apparaat en probeer het
opnieuw. (Raadpleeg de handlei-
ding van uw Appleapparaat voor
meer informatie.)
Gebruik van de AUX-modus
U kunt naar audio luisteren via de
luidsprekers van uw voertuig door
externe apparaten te verbinden,
zoals smartphones en MP3-spelers.
Verbindt een extern apparaat met de
AUX-poort van uw voertuig met
behulp van een AUX-kabel.
De AUX-modus start automatisch
en het geluid is hoorbaar via de
luidsprekers van uw voertuig.
Als er reeds een externe-apparaat
op het systeem is verbonden, drukt
u op de knop [MEDIA] en drukt u
op de knop [3] om USB te selecte-
ren.
Druk op de knop [MENU] op het
bedieningspaneel voor toegang tot
de volgende menuoptie:
Geluidsinstellingen: Aanpassen
van de geluidsinstellingen van het
systeem.
Omdat het systeem werkt als
een uitvoerapparaat van het ver-
bonden externe apparaat in de
AUX-modus, kunt u geen andere
bedieningselementen dan de
volumeregelaar gebruiken.
Gebruik de bedieningselemen-
ten op het externe apparaat om
het afspelen te bedienen.
Het geluidsvolume voor de AUX-
modus wordt afzonderlijk van de
andere modi aangepast.
Afhankelijk van het apparaatty-
pe kan het gebruik van een
extern apparaat met de stroom-
kabel verbonden aan de voe-
dingsaansluiting een vervormd
geluid veroorzaken.
Als de AUX-kabel is verbonden
met het systeem zonder een
extern apparaat, kan er een ver-
vormd geluid optreden. Ver-wij-
der de AUX-kabel van de AUX-
poort als er geen extern appa-
raat is verbonden.
AANWIJZING
4-58
Multimediasysteem
Verbinding maken met
Bluetooth-apparaten
Bluetooth is een draadloze netwerk-
technologie met een kort bereik. Via
Bluetooth kunt u draadloze appara-
ten in de buurt draadloos verbinden
om gegevens tussen verbonden
apparaten te verzenden en te ont-
vangen. Dit stelt u in staat om uw
apparaten effectief te gebruiken.
Om Bluetooth te gebruiken, moet u
eerst een geschikt Bluetooth-appa-
raat met uw systeem verbinden,
zoals een mobiele telefoon of een
MP3-speler. Zorg ervoor dat het
apparaat dat u wilt verbinden Blue-
tooth ondersteunt.
Op uw systeem kunt u alleen de
functies Bluetooth Handsfree en
Audio gebruiken. Verbind een
mobiel apparaat dat beide func-
ties ondersteunt.
Sommige Bluetooth-apparaten
kunnen storingen in het audio-
systeem veroorzaken of interfe-
rentiegeluiden maken. Het pro-
bleem kan in dit geval mogelijk
worden verholpen door het
apparaat te verplaatsen.
Afhankelijk van het verbonden
Bluetooth-apparaat of mobiele
telefoon, worden sommige func-
ties mogelijk niet ondersteund.
Als het systeem niet stabiel is
vanwege een communicatiefout
in het voertuig Bluetooth-appa-
raat, verwijdert u de gekoppelde
apparaten en verbindt u de
Bluetooth-apparaten opnieuw.
(Vervolg)
(Vervolg)
Als de Bluetooth-verbinding niet
stabiel is, volgt u deze stappen
om het opnieuw te proberen.
1. Deactiveer Bluetooth en reac-
tiveer het op het apparaat.
Verbindt vervolgens het appa-
raat opnieuw.
2. Schakel het apparaat uit en
weer in. Maak opnieuw ver-
binding.
3. Verwijder de batterij uit het
apparaat en installeer deze
opnieuw. Schakel het appa-
raat vervolgens in en verbind
het opnieuw.
4. Maak de registratie van de
Bluetooth-koppeling op zowel
het systeem als het apparaat
ongedaan en registreer u
opnieuw en verbind ze.
AANWIJZING
BLUETOOTH
Parkeer uw voertuig op een vei-
lige locatie voordat u Bluetooth-
apparaten verbindt. Afgeleid rij-
den kan een verkeersongeval
veroorzaken en leiden tot per-
soonlijk letsel of de dood.
WAARSCHUWING
4-59
Multimediasysteem
4
Apparaten koppelen met uw
systeem
Voor Bluetooth-aansluitingen, kop-
pelt u eerst uw apparaat met uw sys-
teem om het toe te voegen aan de
lijst met Bluetooth-apparaten van het
systeem. U kunt tot maximaal vijf
apparaten registreren.
1. Druk op de toets [SETUP/
CLOCK] op het bedieningspaneel
en selecteer vervolgens Blue-
tooth uConnections (Verbin-
dingen).
Als u voor de eerste keer een
apparaat met uw systeem kop-
pelt, kunt u ook op de knop
[PHONE] op het bedieningspa-
neel of op de knop Bellen/
Beantwoorden op het stuurwiel
drukken.
2. Op het Bluetooth-apparaat dat u
wilt verbinden, activeert u Blue-
tooth, zoekt u naar het systeem
van uw voertuig en selecteert u
het vervolgens.
Controleer de Bluetooth-naam
van het systeem, die wordt
weergegeven in het nieuwe pop-
upvenster voor registratie op het
systeemscherm.
3. Voer het wachtwoord in of beves-
tig om de aansluiting te bevesti-
gen.
Als het invoerscherm voor de
wachtwoordsleutel wordt weer-
gegeven op het scherm van het
Bluetooth-apparaat, voert u het
wachtwoord "0000" in dat op het
systeemscherm wordt weerge-
geven.
Als de zescijferige wachtwoord-
sleutel op het scherm van het
Bluetooth-apparaat wordt weer-
gegeven, moet u ervoor zorgen
dat de Bluetooth-wachtwoord-
sleutel weergegeven op het
Bluetooth-apparaat hetzelfde is
als de wachtwoordsleutel op het
systeemscherm en de aanslui-
ting van het apparaat is beves-
tigd.
4. Kies of u het Bluetooth-apparaat
al dan niet met uw systeem wilt
verbinden voordat u andere appa-
raten gebruikt.
Als u prioriteit verleent aan het
Bluetooth-apparaat, zal het
automatisch verbonden worden
met het systeem wanneer u het
systeem inschakelt.
De schermafbeelding in deze
handleiding is een voorbeeld.
Controleer uw systeemscherm
op de exacte voertuignaam en
de Bluetooth-apparaatnaam.
De standaard wachtwoordsleu-
tel is "0000".
Het kan even duren voordat het
systeem aansluiting maakt met
het apparaat nadat u toestem-
ming heeft gegeven voor toe-
gang tot het apparaat. Wanneer
een verbinding tot stand is
gebracht, verschijnt het Blue-
tooth-statuspictogram aan de
bovenkant van het scherm.
(Vervolg)
AANWIJZING
4-60
Multimediasysteem
(Vervolg)
U kunt de toestemminginstellin-
gen wijzigen via het Bluetooth-
instellingenmenu van de mobie-
le telefoon. Raadpleeg voor
meer informatie de gebruikers-
handleiding van uw mobiele
telefoon.
Om een nieuw apparaat te regis-
treren, herhaalen de stappen 1
tot en met 4.
Wanneer een apparaat via
Bluetooth met het systeem is
verbonden, kunt u geen ander
apparaat koppelen.
Als u de automatische Blue-
tooth-verbindingsfunctie geb-
ruikt, kan een gesprek worden
doorgeschakeld naar de handsf-
ree van het voertuig wanneer u
de telefoon in de buurt van het
voertuig opneemt terwijl de
motor van het voertuig aan staat.
Als u niet wilt dat het systeem
automatisch verbinding maakt
met het apparaat, deactiveert u
de Bluetooth op uw apparaat.
Wanneer een apparaat via Blue-
tooth met het systeem is ver-
bonden, raakt de batterij van het
apparaat mogelijk sneller leeg.
Verbinding maken met een
gekoppeld apparaat
Om een Bluetooth-apparaat op uw
systeem te gebruiken, verbindt u het
gekoppelde apparaat op het sys-
teem. Uw systeem kan slechts met
één apparaat tegelijk worden ver-
bonden.
1. Druk op de toets [SETUP/
CLOCK] op het bedieningspaneel
en selecteer vervolgens Blue-
tooth uConnections (Verbin-
dingen).
Als er geen verbonden apparaat
is, drukt u op de knop [PHONE]
op het bedieningspaneel of op
de knop Bellen/Beantwoorden
op het stuurwiel.
2. Draai de knop [TUNE] om het
apparaat te selecteren waar u ver-
binding mee wilt maken en druk
vervolgens de knop in.
Als een ander apparaat al met
uw systeem is verbonden, kop-
pelt u het los. Selecteer het ver-
bonden apparaat om los te kop-
pelen.
3. Draai de knop [TUNE] om de
Connect te selecteren en druk
vervolgens de knop in.
Als een verbinding eindigt om-
dat een apparaat buiten het ver-
bindingsbereik is of als er een
apparaatfout optreedt, wordt de
aansluiting automatisch her-
steld wanneer het apparaat het
verbindingsbereik binnengaat of
wanneer de fout wordt gewist.
De Bluetooth-verbinding is niet
beschikbaar wanneer de Blue-
tooth-functie van het apparaat is
uitgeschakeld. Zorg ervoor dat
de Bluetoothfunctie van het
apparaat is ingeschakeld.
Afhankelijk van de prioriteit van
de automatische verbinding,
kan het enige tijd duren voordat
de verbinding met een apparaat
tot stand is gebracht.
AANWIJZING
4-61
Multimediasysteem
4
De verbinding met een apparaat
verbreken
Als u het gebruik van een Bluetooth-
apparaat wilt stoppen of een ander
apparaat wilt verbinden, koppelt u
het momenteel verbonden apparaat
los.
1. Druk op de toets [SETUP/
CLOCK] op het bedieningspaneel
en selecteer vervolgens Blue-
tooth uConnections (Verbin-
dingen).
2. Draai de knop [TUNE] om het
apparaat te selecteren waarmee u
de verbinding wilt verbreken en
druk vervolgens de knop in.
3. Draai de knop [TUNE] om de
Disconnect te selecteren en druk
vervolgens de knop in.
Gekoppelde apparaten
verwijderen
Als u niet langer wilt dat een
Bluetooth-apparaat wordt gekoppeld
of als u een nieuw apparaat wilt ver-
binden wanneer de lijst met
Bluetooth-apparaten vol is, verwij-
dert u gekoppelde apparaten.
1. Druk op de toets [SETUP/
CLOCK] op het bedieningspaneel
en selecteer vervolgens Blue-
tooth uConnections (Verbin-
dingen).
2. Draai de knop [TUNE] om het
apparaat te selecteren dat u wilt
verwijderen en druk vervolgens de
knop in.
3. Draai de knop [TUNE] om de
Verwijderente selecteren en druk
vervolgens de knop in.
Wanneer u een gekoppeld appa-
raat verwijdert, worden ook de
oproepgeschiedenis en de con-
tacten die in het systeem zijn
opgeslagen, verwijderd.
Als u een verwijderd apparaat
opnieuw wilt gebruiken, moet u
het apparaat weer koppelen.
Gebruik van een
Bluetoothaudioapparaat
U kunt via de luidsprekers van uw
voertuig naar muziek luisteren die is
opgeslagen op het verbonden Blue-
tooth-audioapparaat.
Op het bedieningspaneel, drukt u op
de gewenste [MEDIA] toets.
Als u meerdere media-opslagap-
paraten heeft, drukt u op de knop
[MEDIA] en drukt u op de knop [2]
om de BT-Audio te selecteren.
(1) Modus herhaald afspelen
(2) Informatie over het liedje dat mo-
menteel wordt afgespeeld
AANWIJZING
4-62
Multimediasysteem
Druk op de knop [MENU] op het
bedieningspaneel voor toegang tot
de volgende menuoptie:
Verbindingen: Stel de Bluetooth-
verbinding in.
Geluidsinstellingen: Aanpassen
van de geluidsinstellingen van het
systeem.
Afspelen Pauzeren/Hervatten
Om het afspelen te pauzeren, drukt
u op de knop [3] op het bediening-
spaneel. Om het afspelen te hervat-
ten, drukt u nogmaals op de knop [3].
Herstarten van het huidige
afspelen
Druk de toets [SEEK/TRACK] op
het bedieningspaneel ingedrukt.
U kunt ook de omlaagschakelaar
op het stuurwiel indrukken.
Afspelen van het vorige of
volgende liedje
Om het vorige liedje af te spelen,
drukt u tweemaal op de knop [
SEEK/TRACK] op het bediening-
spaneel. Om het volgende liedje af te
spelen, drukt u op de knop [SEEK/
TRACK ] op het bedieningspaneel.
U kunt ook de Omhoog-/Omlaag-
schakelaar op het stuurwiel geb-
ruiken.
Afhankelijk van het verbonden
Bluetooth-apparaat of mobiele
telefoon, kan het afspelen van het
vorige/volgende liedje mogelijk
niet ondersteund worden.
Herhaaldelijk afspelen
Op het bedieningspaneel, drukt u op
de gewenste [1] toets. De modus
herhaald afspelen verandert tekens
wanneer u erop drukt. Zal het over-
eenkomstige moduspictogram op het
scherm worden weergegeven.
In willekeurige volgorde
afspelen
Op het bedieningspaneel, drukt u op
de gewenste [2] toets. De modus wil-
lekeurig afspelen wordt geactiveerd
of gedeactiveerd tekens wanneer u
erop drukt. Wanneer u de modus wil-
lekeurig afspelen activeert, zal het
overeenkomstige moduspictogram
op het scherm worden weergegeven.
AANWIJZING
Multimediasysteem
4
Afhankelijk van het verbonden
Bluetooth-apparaat, mobiele
telefoon of de muziekspeler die
u gebruikt, kunnen de bedie-
ningselementen voor afspelen
verschillen.
Afhankelijk van de muziekspeler
die u gebruikt, wordt streaming
mogelijk niet ondersteund.
Afhankelijk van het verbonden
Bluetooth-apparaat of mobiele
telefoon, worden sommige func-
ties mogelijk niet ondersteund.
Als u tegelijkertijd een Blue-
tooth-apparaat of mobiele tele-
foon verbindt op uw systeem via
USB en Bluetooth, wordt de
Bluetooth-modus gedeactiveerd
en wordt de muziek afgespeeld
in de USB- of iPod-modus. Als u
naar muziek wilt luisteren die
wordt gestreamd via Bluetooth,
verwijdert u het USB-apparaat.
Als een telefoon met Bluetooth
wordt gebruikt om muziek af te
spelen en deze een telefoonge-
sprek ontvangt of voert, zal de
muziek stoppen.
(Vervolg)
(Vervolg)
Als u een oproep ontvangt of
zelf belt terwijl er Bluetooth-
audio wordt afgespeeld, kan het
gesprek worden verstoord door
muziek.
Als u de Bluetooth-telefoonmo-
dus gebruikt terwijl u Bluetooth-
audio gebruikt, wordt het afspe-
len afhankelijk van de verbon-
den mobiele telefoon mogelijk
niet automatisch hervat nadat u
het gesprek heeft beëindigd.
Als u tijdens het afspelen van
Bluetooth-audio naar boven of
beneden in de lijst met muziek-
stukken scrolt, kunnen er in
sommige mobiele telefoons
plopgeluiden te horen zijn.
De functie voor het terugspoe-
len/vooruitspoelen wordt niet
ondersteund in de Bluetooth-
audiomodus.
De afspeellijstfunctie wordt niet
ondersteund in de Bluetooth-
audiomodus.
Als het Bluetooth-apparaat is
losgekoppeld, zal de Bluetooth-
audiomodus beëindigd worden.
Gebruik van een
Bluetoothtelefoon
U kunt Bluetooth gebruiken om handsf-
ree over de telefoon te praten. Bekijk
oproepinformatie op het systeem-
scherm en maak of ontvang veilig en
gemakkelijk gesprekken via de inge-
bouwde microfoon en luidsprekers van
het voertuig.
AANWIJZING
Parkeer uw voertuig op een vei-
lige locatie voordat u Blue-
tooth-apparaten verbindt. Afge-
leid rijden kan een verkeerson-
geval veroorzaken en leiden tot
persoonlijk letsel of de dood.
Nooit een telefoonnummer bel-
len of uw mobiele telefoon opne-
men tijdens het rijden. Het
gebruik van een mobiele tele-
foon kan uw aandacht afleiden,
waardoor het moeilijk wordt om
externe omstandigheden te her-
kennen en het vermogen om
onverwachte situaties te verwer-
ken vermindert, wat kan leiden
tot een ongeval. Gebruik indien
nodig de Bluetooth Handsfree-
functie om te bellen en houd de
oproep zo kort mogelijk.
WAARSCHUWING
4-63
4-64
Multimediasysteem
U heeft geen toegang tot het
telefoonscherm als er geen ver-
bonden mobiele telefoon is. Om
de Bluetooth-telefoonfunctie te
gebruiken, verbind u een mobie-
le telefoon met het systeem.
De Bluetooth Handsfree-functie
werkt mogelijk niet wanneer u
het dekkingsgebied van de
mobiele service verlaat, bijvoor-
beeld wanneer u zich in een tun-
nel, ondergronds of in een berg-
achtig gebied bevindt.
De gesprekskwaliteit kan in de
volgende omgevingen verslech-
teren:
- De ontvangst van de mobiele
telefoon slecht is
- Het is lawaaiig in de auto
- De mobiele telefoon zich be-
vindt in de buurt van metalen
voorwerpen, zoals een drank-
blikje
Afhankelijk van de verbonden
mobiele telefoon, kunnen het
volume en de geluidskwaliteit
van de Bluetooth-handsfree-
functie verschillen.
Bellen
Als uw mobiele telefoon met het sys-
teem is verbonden, kunt u een
gesprek aangaan door een naam uit
uw oproepgeschiedenis of contac-
tenlijst te selecteren.
1. Op het bedieningspaneel, drukt u
op de gewenste [PHONE] toets.
U kunt ook op de toets Bellen/
Beantwoorden op het stuurwiel
drukken.
2. Als u meerdere gekoppelde
mobiele apparaten heeft, selec-
teert u een mobiele telefoon uit uw
lijst met gekoppelde apparaten.
3. Selecteer een telefoonnummer.
Om een telefoonnummer uit uw
favorietenlijst te selecteren,
selecteert u Favorieten.
Om een telefoonnummer uit uw
oproepgeschiedenis te selecte-
ren, selecteert u Oproepge-
schiedenis.
Om een telefoonnummer uit uw
lijst met contactpersonen te
selecteren die u heeft gedownlo-
ad van de verbonden mobiele
telefoon, selecteert u Contact-
personen.
4. Om een oproep te beëindigen,
drukt u op de knop [2] op het
bedieningspaneel om Beëindigen
te selecteren.
U kunt ook op de toets gesprek
beëindigen op het stuurwiel
drukken.
AANWIJZING
4-65
Multimediasysteem
4
Gebruik van de lijst met favorieten
1 Vanuit het telefoonscherm, drukt u
op de knop [1] om Favorieten te
selecteren.
2. Draai de knop [TUNE] om het
gewenste contact te selecteren en
druk vervolgens de knop in om te
bellen.
Druk op de knop [MENU] op het
bedieningspaneel voor toegang tot
de volgende menuoptie:
Delete (Verwijderen): Verwijder
favorieten items.
U kunt tot maximaal 20 favorie-
ten registreren voor elk appa-
raat.
U moet eerst de contactperso-
nen naar het systeem downlo-
aden om favorieten te registre-
ren.
De favorietenlijst die op de
mobiele telefoon is opgeslagen,
wordt niet gedownload naar het
systeem.
Zelfs als de contactinformatie
op de mobiele telefoon zijn
bewerkt, worden de favorieten
op het systeem niet automatisch
bewerkt. Verwijder en voeg het
item opnieuw toe aan favorieten.
Wanneer u verbinding maakt
met een nieuwe mobiele tele-
foon, zullen uw favorieten inge-
steld voor de vorige mobiele
telefoon niet weergegeven wor-
den, maar zullen ze in uw sys-
teem blijven totdat u de vorige
telefoon uit de apparatenlijst
verwijdert.
Gebruik van uw oproepgeschiedenis
1. Vanuit het telefoonscherm, drukt u
op de knop [2] om Oproepge-
schiedenis te selecteren.
2. Draai de knop [TUNE] om de
gewenste vermelding te selecte-
ren en druk vervolgens de knop in
om te bellen.
Druk op de knop [MENU] op het
bedieningspaneel voor toegang tot
de volgende menuoptie:
All calls (Alle Aproepen): Bekijk
alle oproeprecords.
Gemiste oproepen: Bekijk alleen
de gemiste oproepen.
Gebelde oproepen: Bekijk alleen
de gebelde oproepen.
Ontvangen oproepen: Bekijk
alleen de ontvangen oproepen.
Download: Download uw oproep-
geschiedenis.
AANWIJZING
4-66
Multimediasysteem
De downloadfunctie wordt door
sommige mobiele telefoons
mogelijk niet ondersteund.
De oproepgeschiedenis is alleen
toegankelijk als de mobiele tele-
foon met het systeem is verbon-
den.
Oproepen van beperkte ID's wor-
den niet opgeslagen in de oproep-
geschiedenislijst.
Tot maximaal 50 oproeprecords
worden gedownload per individu-
ele lijst.
De gespreksduur en tijdinformatie
zullen niet weergegeven worden
op het systeemscherm.
Toestemming is vereist om uw
oproepgeschiedenis vanuit de
mobiele telefoon te downloaden.
Wanneer u probeert gegevens te
downloaden, moet u mogelijk de
download op de mobiele telefoon
toestaan. Als de download mislukt,
controleer dan het scherm van de
mobiele telefoon op een eventuele
melding of de toestemmingsinstel-
ling van de mobiele telefoon.
Wanneer u uw oproepgeschiede-
nis downloadt, zullen alle oude
gegevens verwijderd worden.
Gebruik van de lijst met contacten
1. Vanuit het telefoonscherm, drukt u
op de knop [3] om Contactper-
sonen te selecteren.
2. Draait u aan de knop [TUNE] om
de gewenste groep met alfanume-
rieke tekens te selecteren en druk
vervolgens de knop in.
3. Draai de knop [TUNE] om het
gewenste contact te selecteren en
druk vervolgens de knop in om te
bellen.
Druk op de knop [MENU] op het
bedieningspaneel voor toegang tot
de volgende menuoptie:
Download: Download de contact-
personen uw mobiele telefoon.
Contactpersonen kunnen alleen
worden gedownload vanuit het
Bluetooth-apparaat dat momen-
teel verbonden is.
Contactpersonen kunnen alleen
worden bekeken als het Blue-
tooth-apparaat is verbonden.
Alleen contactpersonen in het on-
dersteunde formaat kunnen ge-
download en weergegeven wor-
den vanaf het Bluetooth-apparaat.
Contactpersonen vanuit sommige
applicaties zullen niet opgenomen
worden.
Er kunnen tot maximaal 2000 con-
tactpersonen vanuit uw apparaat
worden gedownload.
De downloadfunctie wordt door
sommige mobiele telefoons mo-
gelijk niet ondersteund.
Afhankelijk van de specificaties
van het systeem, kunnen sommi-
ge gedownloade contactpersonen
verloren gaan.
Contactpersonen die zowel in de
telefoon als op de SIM-kaart zijn
opgeslagen, worden gedownload.
Bij sommige mobiele telefoons
worden contactpersonen op de
SIM-kaart mogelijk niet gedownlo-
ad.
AANWIJZING AANWIJZING
4-67
Multimediasysteem
4
(Vervolg)
Speciale tekens en cijfers die in
de naam van de contactpersoon
worden gebruikt, worden mogelijk
niet correct weergegeven.
Toestemming is vereist om uw
Contactpersonen vanuit de mobie-
le telefoon te downloaden. Wan-
neer u probeert gegevens te down-
loaden, moet u mogelijk de down-
load op de mobiele telefoon toe-
staan. Als de download mislukt,
controleer dan het scherm van de
mobiele telefoon op een eventuele
melding of de toestemmingsinstel-
ling van de mobiele telefoon.
Afhankelijk van het type of de sta-
tus van de mobiele telefoon kan
het downloaden langer duren.
Bij het downloaden van uw con-
tacten worden eventuele oude
gegevens verwijderd.
U kunt uw contactpersonen op het
systeem niet bewerken of verwij-
deren.
Wanneer u verbinding maakt met
een nieuwe mobiele telefoon, wor-
den de contacten die vanaf de
vorige mobiele telefoon waren
gedownload niet weergegeven,
maar blijven ze wel in uw systeem
staan totdat u de vorige telefoon
uit de apparatenlijst verwijdert.
Oproepen beantwoorden
Wanneer een oproep binnenkomt,
verschijnt een pop-upvenster met
meldingen van de inkomende
oproep op het systeemscherm.
Om een oproep te beantwoorden,
drukt u op de knop [1] op het bedie-
ningspaneel om Aanvaarden te
selecteren.
U kunt ook op de toets Bellen/
Beantwoorden op het stuurwiel
drukken.
Om een oproep te weigeren, drukt u
op de knop [2] op het bedieningspa-
neel om Weigeren te selecteren.
U kunt ook op de toets gesprek
beëindigen op het stuurwiel druk-
ken.
Afhankelijk van het type mobiele
telefoon wordt afwijzing van
oproepen mogelijk niet onder-
steund.
Zodra uw mobiele telefoon met
het systeem is verbonden, kan
het oproepgeluid via de luid-
sprekers van het voertuig wor-
den uitgevoerd, zelfs nadat u het
voertuig hebt verlaten als de
telefoon zich binnen het verbin-
dingsbereik bevindt. Om de ver-
binding te beëindigen, koppelt u
het apparaat los van het sys-
teem of deactiveert u Bluetooth
op het apparaat.
AANWIJZING
4-68
Multimediasysteem
Gebruik van opties tijdens een
telefoongesprek
Tijdens een gesprek zult u het
oproepscherm dat hieronder wordt
weergegeven zien. Druk op een
knop om de gewenste functie uit te
voeren.
Om een oproep door te schakelen
naar uw mobiele telefoon, drukt u op
de knop [1] op het bedieningspaneel
om Privé te selecteren.
U kunt ook de toets Bellen/
Beantwoorden op het stuurwiel
ingedrukt houden.
Om een oproep te beëindigen, drukt
u op de knop [2] op het bediening-
spaneel om Beëindigen te selecte-
ren.
U kunt ook op de toets gesprek
beëindigen op het stuurwiel druk-
ken.
Druk op de knop [MENU] op het
bedieningspaneel voor toegang tot
de volgende menuoptie:
Microphone Volume (Outgoing
Volume) [Volume microfoon
(Uitgangsvolume)]: Pas het mic-
rofoonvolume aan of schakel de
microfoon uit zodat de andere par-
tij u niet kan horen.
Als de bellerinformatie in uw
lijst met contactpersonen is
opgeslagen, zal de naam en het
telefoonnummer van de beller
weergegeven worden. Wanneer
de informatie over de beller niet
in uw lijst met contacten is
opgeslagen, wordt alleen het
telefoonnummer van de beller
weergegeven.
Tijdens een Bluetooth-gesprek
kunt u niet overschakelen naar
een ander scherm, zoals het
audioscherm of het instellingen-
scherm.
(Vervolg)
(Vervolg)
Afhankelijk van het type mobiele
telefoon, kan de kwaliteit van
het telefoongesprek verschillen.
Op sommige telefoons is uw
stem mogelijk minder hoorbaar
voor de andere partij.
Afhankelijk van het type mobiele
telefoon wordt het telefoonnum-
mer mogelijk niet weergegeven.
Afhankelijk van het type mobiele
telefoon wordt de functie voor
het wisselen van gesprekken
mogelijk niet ondersteund.
AANWIJZING
4-69
Multimediasysteem
4
Display
U kunt de instellingen met betrekking
tot het display van het systeem wijzi-
gen.
Druk op de toets [SETUP/CLOCK]
u[1] op het bedieningspaneel om
Display te selecteren.
Dimmodus: Stel de helderheid
van het scherm automatisch in op
basis van het gebruik van de kop-
lamp of stel het scherm in om con-
tinu helder of donker te blijven.
Helderheid: Pas de helderheid
voor de dag- of nachtmodus aan
volgens uw instelling in de optie
Dimmodus.
Schermbeveiliging: Selecteer
een schermbeveiligingsoptie die
moet worden weergegeven wan-
neer het systeem is uitgeschakeld.
Geluid
U kunt de instellingen met betrekking
tot geluiden wijzigen, zoals de locatie
waar het geluid wordt geconcentreerd
en het uitvoerniveau voor elk bereik.
Druk op de toets [SETUP/CLOCK]
u[2] op het bedieningspaneel om
Geluid te selecteren.
Stand: Selecteer een locatie waar
het geluid in het voertuig geconcen-
treerd zal worden. Selecteer Fade
of Balance (balans), draai de knop
[TUNE] om de gewenste positie te
selecteren en druk vervolgens de
knop in. Selecteer Centre om het
geluid in te stellen dat in het voer-
tuig moet worden gecentreerd.
Equalizer: Pas het uitvoerniveau
aan voor elke geluidstoon modus.
Snelheidsafhankelijke volume-
regeling: Stel het volume in dat
automatisch moet worden aange-
past aan uw rijsnelheid.
Prioriteit aan parkeersensoren
achter (Prioriteit waarschuwing
achteruitrijden): Stel het in om
het audiovolume te verlagen om
een omgekeerde waarschuwing te
horen voorafgaand aan andere
geluiden tijdens het achteruitrijden
van uw voertuig.
Afhankelijk van de voertuigmo-
dellen of specificaties, kunnen
de beschikbare opties variëren.
Afhankelijk van de systeem- of
versterkerspecificaties die op
uw voertuig worden toegepast,
kunnen de beschikbare opties
variëren.
Date/Time (Datum/Tijd)
U kunt de datum en tijd wijzigen die
worden weergegeven op het display
van het systeem.
Druk op de toets [SETUP/CLOCK]
u[3] op het bedieningspaneel om
Date/Time (Datum/Tijd) te selec-
teren.
Set time (Tijd Instellen): Stel de
tijd in die moet worden weergege-
ven op het display van het sys-
teem.
Tijdsweergave: Selecteer om de
tijd weer te geven in het 12-uurs-
formaat of het 24-uursformaat.
Set date (Datum Instellen): Stel
de datum in die moet worden
weergegeven op het display van
het systeem.
AANWIJZING
SETUP
4-70
Multimediasysteem
Bluetooth
U kunt de instellingen voor Blue-
tooth-verbindingen wijzigen.
Druk op de toets [SETUP/CLOCK]
u[4] op het bedieningspaneel om
Bluetooth te selecteren.
Verbindingen: Koppel nieuwe
Bluetooth-apparaten met uw sys-
teem of koppel of ontkoppel een
gekoppeld apparaat. U kunt ook
gekoppelde apparaten verwijde-
ren.
Auto connection priority (Prio-
riteit Automatische Verbinding):
Selecteer een gekoppeld apparaat
om automatisch verbinding te
maken met uw systeem wanneer
dit wordt ingeschakeld.
Contactpersonen bijwerken:
Download de lijst met contactper-
sonen vanuit de verbonden mobie-
le telefoon.
Bluetooth stembegeleiding:
Schakel de stembegeleiding in of
uit voor Bluetooth-koppeling, -ver-
binding en -fouten.
Als er geen Bluetooth-apparaat
is verbonden, is het menu
Contactpersonen Bijwerken uit-
geschakeld.
Als de systeemtaal is geselec-
teerd voor Slowaaks of Hon-
gaars, is het menu Bluetooth-
stembegeleiding uitgeschakeld.
Systeem
U kunt de displaytaal wijzigen of sys-
teeminstellingen initialiseren.
Druk op de toets [SETUP/CLOCK]
u[5] op het bedieningspaneel om
System te selecteren.
Taal: De displaytaal wijzigen.
Default: Reset uw systeeminstel-
lingen naar de standaardwaarden.
Alle gebruikersgegevens die in het
systeem zijn opgeslagen, zullen
ook verwijderd worden.
AANWIJZING
4-71
Multimediasysteem
4
SYSTEEMSTATUS PICTOGRAMMEN
Statuspictogrammen verschijnen
aan de bovenkant van het scherm
om de huidige systeemstatus weer
te geven.
Maak uzelf vertrouwd met de status-
pictogrammen die verschijnen wan-
neer u bepaalde acties of functies en
hun betekenis uitvoert.
Mute
Bluetooth Signaalsterkte
Het batterijniveau weergegeven
op het scherm kan afwijken van
het batterijniveau dat wordt
weergegeven op het verbonden
apparaat.
De signaalsterkte weergegeven
op het scherm kan afwijken van
de signaalsterkte die wordt
weergegeven op de verbonden
mobiele telefoon.
Afhankelijk van voertuigmodel-
len en specificaties worden
sommige statuspictogrammen
mogelijk niet weergegeven.
AANWIJZING
Geluid gedempt
BeschrijvingIcoon
Signaalsterkte van de mobiele tele-
foon verbonden via Bluetooth
BeschrijvingIcoon
Batterijniveau van het verbonden
Bluetooth-apparaat
BeschrijvingIcoon
Bezig met Bluetooth-gesprek
Microfoon uitgeschakeld tijdens
Bluetooth-gesprek
Oproepgeschiedenis downloaden van
een mobiele telefoon die via Bluetooth
is verbonden met het systeem
Contactpersonen downloaden van een
mobiele telefoon die via Bluetooth is ver-
bonden met het systeem
Mobiele telefoon verbonden via
Bluetooth
Audioapparaat verbonden via
Bluetooth
Mobiele telefoon en audioapparaat
verbonden via Bluetooth
4-72
Multimediasysteem
USB
Ondersteunde audio-indelingen
Audiobestand specificaties
- WAVeform-audioformaat
- MPEG1/2/2.5 Audio Layer3
- Windows Media Audio Ver
7.X/8.X
Bitsnelheid
- MPEG1 (Layer3):
32/40/48/56/64/80/96/112/128/
160/192/224/256/320 kbps
- MPEG2 (Layer3):
8/16/24/32/40/48/56/64/80/96/
112/128/144/160 kbps
- MPEG2.5 (Layer3):
8/16/24/32/40/48/56/64/80/96/
112/128/144/160 kbps
- WMA (High Range):
48/64/80/96/128/160/192 kbps
Bits Per Sample
- WAV (PCM(Stereo)): 24 bit
- WAV (IMA ADPCM): 4 bit
- WAV (MS ADPCM): 4 bit
Samplefrequenties
- MPEG1: 44100/48000/32000 Hz
- MPEG2: 22050/24000/16000 Hz
- MPEG2.5: 11025/12000/8000 Hz
- WMA: 32000/44100/48000 Hz
- WAV: 44100/48000 Hz
Maximum aantal directorylagen:
Geen beperking
Maximale lengte van mapnamen
(gebaseerd op Unicode): 31
Engelse of Koreaanse tekens
Maximale lengte van bestandsna-
men (gebaseerd op Unicode): 63
Engelse of Koreaanse tekens
Ondersteunde tekens voor map-
/bestandsnamen (Unicode-onder-
steuning): 2.604 Koreaanse
tekens, 94 alfanumerieke tekens,
4.888 Chinese tekens in algemeen
gebruik, 986 speciale tekens
Maximum aantal mappen: 2,000
Maximum aantal bestanden: 6,000
Bestanden die niet in een onder-
steund formaat zijn, worden
mogelijk niet herkend of afge-
speeld, of informatie over hen,
zoals de bestandsnaam, wordt
mogelijk niet correct weergege-
ven.
Alleen bestanden met extensies
.mp3/.wma/.wav kunnen door het
systeem worden herkend. Als het
bestand niet in een ondersteund
formaat is, wijzigt u het bestands-
formaat met behulp van de nieuw-
ste coderingssoftware.
Het apparaat ondersteunt geen
bestanden die met behulp van
DRM (Digital Rights Management)
zijn vergrendeld.
Bij MP3/WMA compressiebestan-
den en WAVbestanden komen
verschillen voor in de geluidskwa-
liteit, afhankelijk van de bitrate.
(Muziekbestanden met een hogere
bitsnelheid hebben een betere
geluidskwaliteit.)
Japanse of vereenvoudigde
Chinese tekens in map- of
bestandsnamen worden mogelijk
niet correct weergegeven.
AANWIJZING
AUDIOSYSTEEM SPECIFICATIES
4-73
Multimediasysteem
4
Ondersteunde
USB-opslagapparaten
Byte/Sector: 64 kbyte of minder
Formaatsysteem: FAT12 / 16/32
(aanbevolen)
Maximale apparaatgrootte: 32 GB
De werking is alleen gegaran-
deerd voor een USB-opslagap-
paraat met een metalen cover
met een stekkeraansluiting.
- USB-opslagapparaten met een
plastic stekker worden moge-
lijk niet herkend.
- USB-opslagapparaten van
typen geheugenkaarten, zoals
CF-kaarten of SD-kaarten, wor-
den mogelijk niet herkend.
USB-harde schijven worden
mogelijk niet herkend.
(Vervolg)
(Vervolg)
Wanneer u een USB-opslagap-
paraat met grote capaciteit
gebruikt met meerdere logische
stations, worden alleen bestan-
den die op het eerste station zijn
opgeslagen herkend.
Als een toepassingsprogramma
op een USB-opslagapparaat is
geladen, worden de bijbehoren-
de mediabestanden mogelijk
niet afgespeeld.
Gebruik USB 2.0-apparaten voor
betere compatibiliteit.
Bluetooth
Bluetooth Vermogenklasse 2:
-6 to 4 dBm
Antennevermogen: Max 3 mW
Frequentiebereik:
2400 - 2483,5 MHz
Bluetooth-patch RAM-softwarever-
sie: 1
AANWIJZING
4-74
Multimediasysteem
HANDELSMERKEN
Andere handelsmerken en handelsnamen zijn eigendom
van de respectievelijke eigenaren.
Het woord Bluetooth®en de logo's
zijn geregistreerde handelsmerken
van Bluetooth SIG, Inc. en elk
gebruik hiervan door HYUNDAI is
toegestaan onder licentie.
Apple®, iPad®, iPad mini™, iPhone®, iPod®, iPod clas-
sic®, iPod nano®, iPod touch®en iTunes®zijn een gere-
gistreerd handelsmerk van Apple Inc.
4-75
Multimediasysteem
4
VERKLARING VAN CONFORMITEIT
CE RED voor de EU
Rijden met uw auto
5
Vóór het rijden .........................................................5-4
Vóór het instappen .........................................................5-4
Vóór het starten ..............................................................5-4
Contactslot ................................................................5-6
Sleutel contactslot ...........................................................5-6
Toets Engine Start/Stop ...............................................5-10
Handgeschakelde transmissie ...............................5-20
Bediening handgeschakelde transmissie ....................5-20
Goed rijgedrag ..............................................................5-22
Automatische transmissie ......................................5-24
Bediening automatische transmissie ...........................5-24
Parkeren.........................................................................5-29
Goed rijgedrag ..............................................................5-29
Double clutch-transmissie .....................................5-31
Bediening double clutch-transmissie ..........................5-31
LCD-display voor transmissietemperatuur en waarschu-
wingsberichten...................................................................5-33
Parkeren.........................................................................5-41
Goed rijgedrag ..............................................................5-41
Remsysteem ............................................................5-43
Rembekrachtiging ........................................................5-43
Remblokslijtage-indicatoren .......................................5-44
Trommelremmen achter ..............................................5-44
Parkeerrem ...................................................................5-44
Antiblokkeersysteem (ABS) .........................................5-46
Elektronische stabiliteitsregeling (ESC) .....................5-48
Vehicle Stability Management .....................................5-52
Hill-start Assist Control (HAC) ..................................5-53
Noodstopsignaal (ESS - Emergency stop signal) .......5-54
Goed remgedrag ...........................................................5-54
ISG-systeem (Idle Stop & Go) ..............................5-55
Activeren van het ISG-systeem....................................5-55
Deactiveren van het ISG-systeem ...............................5-59
Storing ISG-systeem......................................................5-59
Deactiveren van accusensor..........................................5-60
Cruisecontrol ..........................................................5-61
Werking van de cruise control.....................................5-61
Snelheidsbegrenzingsysteem .................................5-66
Werking van de Snelheidsbegrenzingysteem..............5-66
5
Forward Collision-Avoidance Assist-systeem (FCA) -
camera type..............................................................5-68
Systeeminstelling en -activering...................................5-68
FCA-waarschuwingsmelding en systeemregeling .....5-70
FCA sensor.....................................................................5-72
Storing systeem..............................................................5-74
Beperkingen van het systeem ......................................5-75
Lane departure waarschuwing-systeem (LDW) .5-80
LDW-werking ...............................................................5-81
Waarschuwingslicht en boodschap .............................5-82
Lane Keeping Assist-systeem (LKA) ....................5-84
Werking LKA ................................................................5-85
Waarschuwingslicht en boodschap .............................5-89
Beperkingen van het systeem ......................................5-90
Wijzigen functie LKA-systeem ....................................5-91
Driver Attention Waarschuwingsysteem (DAW) 5-92
Systeeminstelling en -activering [1].............................5-68
Resetten van het systeem .............................................5-94
Systeem standby ...........................................................5-94
Storing systeem..............................................................5-95
Rijden onder speciale rijomstandigheden.............5-97
Rijden onder moeilijke omstandigheden.....................5-97
Op eigen kracht lostrekken van de auto ....................5-97
Rijden in het donker ....................................................5-98
Vloeiend nemen van bochten .......................................5-98
Rijden in de regen ........................................................5-98
Doorwaden van water...................................................5-99
Rijden in de winter................................................5-100
Sneeuw en ijs................................................................5-100
Voorzorgsmaatregelen voor de winter ......................5-102
Rijden met een aanhanger (Europe) ..................5-104
Als u gaat rijden met een aanhanger?.......................5-105
Trekhaken ....................................................................5-107
Rijden met een aanhanger .........................................5-108
Onderhoud bij het rijden met een aanhanger..........5-112
Massa van de auto ................................................5-113
Overbelading ...............................................................5-113
5-3
Rijden met uw auto
5
Koolmonoxide (CO) gas is giftig. Het inademen van CO kan bewusteloosheid en overlijden veroorzaken.
De uitlaatgassen van de motor bevatte koolmonixide die u niet kunt zien of ruiken.
Inhaleer uitlaatgassen niet.
Draai onmiddellijk de ruiten open als u in de auto uitlaatgas ruikt. Blootstelling aan CO kan bewusteloosheid en
overlijden door verstikking veroorzaken.
Controleer of het uitlaatsysteem niet lekt.
Het uitlaatsysteem moet elke keer dat de auto op de brug staat voor olieverversen of voor andere reparaties wor-
den gecontroleerd. We adviseren u het uitlaatsysteem te laten controleren door een officiële HYUNDAI-dealer zo
snel mogelijk als u merkt dat het geluid van de uitlaat verandert of als u over iets heen gereden bent dat de onder-
zijde van de auto heeft geraakt.
Laat de motor niet draaien in een afgesloten ruimte.
Het is gevaarlijk de motor van uw auto in de garage te laten draaien, ook al staat de garagedeur open. Laat de
motor niet langer draaien in uw garage dan de tijd die u na het starten nodig heeft om de garage uit te rijden.
Voorkom langdurig stationair draaien als er mensen in de auto zitten.
Als het noodzakelijk is de auto gedurende langere tijd stationair te laten draaien terwijl er mensen in de auto aan-
wezig zijn, doe dat dan alleen in een open ruimte, zet de luchttoevoer op BUITENLUCHT en schakel een van de
hogere ventilatorsnelheden in zodat er frisse lucht naar het interieur wordt toegevoerd.
Houd de luchtingangen vrij.
Voor een goede werking van het ventilatiesysteem is het noodzakelijk dat de luchtinlaat onder de voorruit vrij blijft
van sneeuw, ijs, bladeren en andere obstructies.
Als u moet met een geopende achterklep rijdt:
Sluit alle ruiten.
Open de luchtopeningen in het dashboard.
Zet de luchttoevoer op BUITENLUCHT, kies voor de luchtregeling VERWARMEN of VENTILEREN en zet de aan-
jager in een van de hogere standen.
WAARSCHUWING
5-4
Rijden met uw auto
Vóór het instappen
Zorg ervoor dat alle ruiten, buiten-
spiegel(s) en lampen schoon zijn en
onbelemmerd.
Verwijder vorst, sneeuw of ijs.
Visuele controleer de banden op
ongelijkmatige slijtage en bescha-
digingen.
Controleer of er geen sporen van
lekkage onder de auto te zien zijn.
Controleer of er zich geen obsta-
kels achter de auto bevinden wan-
neer u achteruit wilt rijden.
Vóór het starten
Controleer dan de motorkap, de
achterklep of de portieren volledig
gesloten en vergrendeld zijn.
Stel de positie van de zitting en het
stuurwiel aan.
Stel de binnen- en buitenspiegels
af.
Controleer of alle verlichting werkt.
Vastmaken uw gordel. Controleer
of alle passagiers hun veiligheids-
gordel hebben bevestigd.
Controleer de meters en indicato-
ren op het dashboard en de berich-
ten op het instrumentenscherm
zodra de ontsteking in de ON
stand staat.
Controleer of voorwerpen die u
vervoerd goed opgeborgen of goed
vastgezet zijn.
VOOR HET RIJDEN
Om Verminder het risico op
ERNSTIG LETSEL of OVERLIJ-
DEN door, houdt u aan de vol-
gende voorzorgsmaatregelen:
Draag ALTIJD uw veiligheids-
gordel. Alle inzittenden moe-
ten tijdens het rijden de veilig-
heidsgordel op de juiste
manier dragen. Zie voor meer
informatie "Veiligheidsgor-
dels” in hoofdstuk 2.
Rijd altijd defensief. Houd er
rekening mee dat andere
bestuurders of voetgangers
onzorgvuldig kunnen zijn en
fouten maken.
Blijf gefocust op het rijden.
Afleiden van de bestuurder
kan ongelukken veroorzaken.
Bewaar altijd een veilige
afstand tot de auto voor u.
WAARSCHUWING
5-5
Rijden met uw auto
5
Ga NOOIT rijden onder invloed
van alcohol of drugs.
Rijden onder invloed is gevaar-
lijk en waardoor een ongeval
zou kunnen ontstaan en tot
ERNSTIG LETSEL of OVERLIJ-
DEN.
Rijden onder invloed is de be-
langrijkste doodsoorzaak in het
verkeer. Zelfs een geringe hoe-
veelheid alcohol zal het reactie,
waarnemings en beoordelings-
vermogen verminderen. Maar
één drankje kan uw reactiever-
mogen op wijzigende omstan-
digheden en noodsituaties ver-
minderen, en uw reactietijd
wordt steeds slechter naarmate
u meer drinkt.
Rijden onder invloed van drugs
is minstens even gevaarlijk als
rijden onder invloed van al-
cohol.
(Vervolg)
(Vervolg)
De kans op een ernstig ongeval
is vele malen groter als u gaat
rijden onder invloed van alco-
hol of drugs. Ga niet rijden als u
gedronken heeft of drugs heeft
gebruikt. Rijd ook niet mee met
een bestuurder die onder in-
vloed van alcohol of drugs is.
Bepaal van tevoren wie er rijdt
of neem een taxi.
WAARSCHUWING
5-6
Rijden met uw auto
Sleutel contactslot
(indien van toepassing)
CONTACTSLOT
OIB054010
Om Verminder het risico op
ERNSTIG LETSEL of OVERLIJ-
DEN door, houdt u aan de vol-
gende voorzorgsmaatregelen:
Laat kinderen of anderen die
niet vertrouwd zijn met de
auto nooit het contactslot of
aanverwante onderdelen aan-
raken. Onverwachte en plot-
selinge beweging van de
wagen kan voorkomen.
Steek NOOIT tijdens het rijden
uw hand door het stuurwiel
om de contactsleutel of ande-
re bedieningsorganen te
bedienen. Hierdoor kunt u de
controle over de auto verlie-
zen, wat kan leiden tot een
ongeval en ernstig letsel.
WAARSCHUWING
NOOIT draai de sleutel in het
contactslot naar LOCK en
ACC, vooral tijdens het rijden
behalve in een noodgeval.
Hierdoor wordt de motor uitge-
schakeld en verliezen stuur-
en remsystemen hun voeding.
(Vervolg)
(Vervolg)
Hierdoor kunt u de controle
over de auto verliezen en
neemt de rem kracht af, wat
tot een ongeval kan leiden.
Activeer altijd de parkeerrem
en zet de versnellingspook in
de 1e versnelling (handge-
schakelde transmissie) of zet
de selectiehendel in stand P
(automatische transmissie/
double clutch-transmissie) en
het contact eerst in stand
LOCK voordat u de auto ver-
laat.
Als deze voorzorgsmaatrege-
len niet worden opgevolgd,
kan de auto onverwacht in
beweging komen.
WAARSCHUWING
5-7
Rijden met uw auto
5
Standen contactslot
Stand
schakelaar Actie Aanwijzing
LOCK De contactsleutel kan uit het contact worden verwijderd als het con-
tact in stand LOCK staat.
Het stuurslot beschermt tegen diefstal.
(indien van toepassing)
ACC
Elektrische accessoires zijn bruikbaar. Het stuurwiel wordt ontgrendeld.
Draai het stuurwiel iets naar links en naar
rechts om het contact gemakkelijker in stand
ACC te kunnen zetten als het verdraaien
van de contactsleutel moeilijk gaat.
ON
Dit is de normale positie van de sleutel nadat de motor aanslaat.
Alle functies en accessoires zijn bruikbaar.
De waarschuwingslampjes kunnen worden gecontroleerd wanneer
u het contactslot van ACC naar ON draait.
Laat het contact niet in de ON positie als de
motor niet draait, dit om ontlading van de
batterij te voorkomen.
START Om de motor starten, zet het contact in stand START.
De schakelaar blijft in de ON stand als u de sleutel los laat.
De motor wordt aangezwengeld tot u de sleu-
tel loslaat.
5-8
Rijden met uw auto
Motor starten Starten van de benzinemotor
Auto met handgeschakelde trans-
missie:
1. Controleer of de parkeerrem is
geactiveerd.
2. Zorg ervoor dat de versnelling-
spook in neutraal staat.
3. Trapt u het koppelingspedaal en
het rempedaal in.
4. Zet het contact in stand START.
Houdt het sleutel (maximum 10
seconden) totdat de motor aans-
laat en laat dan de sleutel.
Auto met automatische transmis-
sie/double clutch-transmissie
1. Controleer of de parkeerrem is
geactiveerd.
2. Zorg ervoor dat de versnelling-
spook in P (Parkeren) staat.
3. Trap het rempedaal in.
4. Zet het contact in stand START.
Houdt het sleutel (maximum 10
seconden) totdat de motor aans-
laat en laat dan de sleutel.
Draag altijd geschikte schoe-
nen tijdens het rijden. Onge-
schikt schoeisel, zoals hoge
hakken, skibotten, sandalen,
teenslippers, etc., kunnen het
gebruik van rem-, gas, en ont-
koppelingspedaal belemme-
ren
Start de auto niet terwijl het
gaspedaal wordt ingetrapt. De
auto kan in beweging komen,
wat kan leiden tot een onge-
val.
Wacht totdat het motortoeren-
tal normaal is. De auto kan
plotseling in beweging komen
als het rempedaal wordt los-
gelaten bij een hoog toerental.
WAARSCHUWING
5-9
Rijden met uw auto
5
Informatie
Breng de motor niet op bedrijfstem-
peratuur door hem stationair te
laten draaien.
Ga rijden met gematigde motortoe-
rentallen. (Vermijd krachtig accele-
reren en decelereren.)
Start de auto altijd met de voet op
het rempedaal. Start de auto niet
terwijl het gaspedaal wordt inge-
trapt. Voer het toerental van de
motor niet te hoog op als de motor
nog aan het opwarmen is.
Starten en afzetten van een motor
met turbo/intercooler
1. Voer het toerental van de motor
niet te hoog op en accelereer niet
direct na het starten van de motor.
Laat een koude motor enkele
seconden stationair draaien voor-
dat u wegrijdt om ervoor te zorgen
dat de turbocompressor voldoen-
de smering krijgt.
2. Na het rijden met hoge snelheid of
een lange rit met een zware
motorbelasting dient de motor
voor het afzetten ongeveer 1 min
stationair te draaien.
Door de motor stationair te laten
draaien zal de turbo afkoelen
voordat de motor wordt afgezet.
Zet de motor nooit direct af nadat
hij zwaar belast is geweest. Dit
kan zware schade veroorzaken
aan de motor of de turbocompres-
sor. Controlelampje voorgloeien
Om beschadigingen aan uw auto
te voorkomen:
Houd de ontstekingssleutel niet
langer dan 10 seconden in de
START stand. Wacht 5 tot 10
seconden voordat u het
opnieuw probeert.
Zet het contact niet in stand
START terwijl de motor draait.
Anders raakt de startmotor
mogelijk beschadigd.
Als het veilig is met het oog op
het overige verkeer, kunt u de
selectiehendel tijdens het rijden
in stand N zetten en kunt u de
motor opnieuw proberen te star-
ten door het contact in stand
START te draaien.
Probeer de auto niet aan te sle-
pen of aan te duwen om de
motor te starten.
i
AANWIJZING
AANWIJZING
5-10
Rijden met uw auto
Toets Engine Start/Stop
(indien van toepassing)
Wanneer het voorportier wordt geo-
pend, gaat de verlichting van de
toets Engine Start/Stop branden en
gaat ongeveer 30 seconden nadat
het portier gesloten is uit.
OGB054001
Om zet de motor uit in een
noodgeval:
Houd de Motor Start/Stop knop
langer dan twee seconden inge-
drukt OF druk snel drie keer
achter elkaar op de Motor Start/
Stop knop (binnen drie secon-
den).
Als de auto nog rijdt, kunt u de
motor opnieuw starten zonder
dat u het rempedaal ingetrapt
houdt door de Engine Start/
Stop knop in te drukken met de
selectiehendel in stand N (vrij-
stand).
WAARSCHUWING
Om het risico van ernstig letsel
te beperken of de dood, laat kin-
deren of anderen die niet ver-
trouwd zijn met de auto nooit de
Engine Start/Stop knop of aan-
verwante onderdelen aanraken.
Onverwachte en plotselinge be-
weging van de wagen kan voor-
komen.
WAARSCHUWING
5-11
Rijden met uw auto
5
Druk NOOIT de Engine Start/
Stop knop in terwijl de auto
rijdt behalve in een noodge-
val. Hierdoor wordt de motor
uitgeschakeld en verliezen
stuur- en remsystemen hun
voeding.
Hierdoor kunt u de controle
over de auto verliezen en
neemt de rem kracht af, wat
tot een ongeval kan leiden.
Voordat u de bestuurders-
stoel verlaat, moet u controle-
ren of de schakelpook in P
(parkeren) staat; stel de par-
keerrem volledig in, druk de
start-/stop knop van de motor
in de positie van de OFF, en
zorg ervoor dat u de Smart
Key bij hebt. Als deze voor-
zorgsmaatregelen niet wor-
den opgevolgd, kan de auto
onverwacht in beweging ko-
men.
(Vervolg)
WAARSCHUWING (Vervolg)
Steek nooit tijdens het rijden
uw hand door het stuurwiel
om de Engine Start/Stop knop
of andere bedieningsorganen
te bedienen. Hierdoor kunt u
de controle over de auto ver-
liezen, wat kan leiden tot een
ongeval en ernstig letsel.
5-12
Rijden met uw auto
Positie van de Engine Start/Stop knop
- Auto met handgeschakelde transmissie
Positie van de knop Actie Aanwijzing
OFF Om de motor uit te schakelen, brengt u de
auto tot stilstand en drukt u op de Engine
Start/Stop knop.
Het stuurslot beschermt tegen diefstal.
Als het stuurwiel niet correct vergrendeld is
wanneer u het bestuurdersportier opent, zal er
een waarschuwingszoemer klinken.
Niet verlicht
ACC Druk de Engine Start/Stop knop als deze in
stand OFF staat in zonder het koppelings-
pedaal in te trappen.
Elektrische accessoires zijn bruikbaar.
Het stuurwiel wordt ontgrendeld.
Als de Engine Start/Stop knop van de motor
in de stand ACC staat gedurende meer dan
1 uur, schakelt de motor automatisch uit om
ontladen van de batterij te vermijden.
Als het stuurwiel niet correct wordt ontgren-
deld, zal de Engine Start/Stop knop niet wer-
ken. Druk de Engine Start/Stop knop in ter-
wijl u het stuurwiel naar rechts en naar links
draait.
Oranje indicator
5-13
Rijden met uw auto
5
Positie van de knop Actie Aanwijzing
ON Druk de Engine Start/Stop knop als deze in
stand ACC staat in zonder het koppelings-
pedaal in te trappen.
Voordat de motor wordt gestart, gaan de
waarschuwingslampjes ter controle bran-
den.
Laat de Engine Start/Stop knop niet in de ON
positie als de motor niet draait, dit om ontla-
ding van de batterij te voorkomen.
Blauw controlelampje
START Om de motor te starten trapt u het koppe-
lingspedaal en het rempedaal in en drukt u
de Engine Start/Stop knop in met de selec-
tiehendel in stand N (vrijstand).
Wanneer u de Engine Start/Stop-knop induwt,
zonder het koppelingspedaal in te drukken, zal
de motor niet starten an zal de Engine
Start/Stop-knop als volgt wijzigen:
OFF ACC ON OFF
Niet verlicht
- Auto met handgeschakelde transmissie
5-14
Rijden met uw auto
Positie van de Engine Start/Stop knop
- Auto met automatische transmissie/double clutch-transmissie
Positie van de knop Actie Aanwijzing
OFF Om de motor uit te schakelen, drukt u op de
motor start/stop-knop met versnellingspook
in P (Park).
Wanneer u op de Engine Start/Stop-knop
drukt, zonder de versnellingspook in P
(Park), kan de Engine Start/Stop-knop niet
naar de UIT-stand gedraaid worden, maar
wel in de ACC-stand.
Het stuurslot beschermt tegen diefstal.
Als het stuurwiel niet correct vergrendeld is
wanneer u het bestuurdersportier opent, zal er
een waarschuwingszoemer klinken.
Niet verlicht
ACC Druk de Engine Start/Stop knop als deze in
stand OFF staat in zonder het rempedaal in
te trappen.
Elektrische accessoires zijn bruikbaar.
Het stuurwiel wordt ontgrendeld.
Als de Engine Start/Stop knop van de motor
in de stand ACC staat gedurende meer dan
1 uur, schakelt de motor automatisch uit om
ontladen van de batterij te vermijden.
Als het stuurwiel niet correct wordt ontgren-
deld, zal de Engine Start/Stop knop niet wer-
ken. Druk de Engine Start/Stop knop in ter-
wijl u het stuurwiel naar rechts en naar links
draait.
Oranje indicator
5-15
Rijden met uw auto
5
- Auto met automatische transmissie/double clutch-transmissie
Positie van de knop Actie Aanwijzing
ON Druk de Engine Start/Stop knop als deze in
stand ACC staat in zonder het rempedaal in
te trappen.
Voordat de motor wordt gestart, gaan de
waarschuwingslampjes ter controle branden.
Laat de Engine Start/Stop knop niet in de ON
positie als de motor niet draait, dit om ontla-
ding van de batterij te voorkomen.
Blauw controlelampje
START Om de motor te starten trapt u het rempedaal
in drukt u de Engine Start/Stop-knop in met
de selectiehendel in stand P (parkeren) of N
(vrijstand).
Start de motor, voor uw eigen veiligheid, met
de selectiehendel in stand P (parkeren).
Wanneer u de Engine Start/Stop-knop induwt,
zonder het rempedaal in te drukken, zal de
motor niet starten an zal de Engine Start/Stop-
knop als volgt wijzigen:
OFF ACC ON OFF
Niet verlicht
5-16
Rijden met uw auto
Motor starten Informatie
De motor zal alleen starten door te
drukken op de Motor Start/Stop
knop wanneer de Smart Key zich in
de auto bevindt.
Zelfs als de Smart Key zich in de
auto bevindt, maar op enige afstand
van de bestuurder, zal de motor
mogelijk niet aanslaan.
Wanneer de Engine Start/Stop knop
in stand ACC of ON staat, wordt
door het systeem gecontroleerd of
de Smart Key aanwezig is als een
portier open is. Als de Smart Key
zich niet in de auto bevindt, gaat het
lampje " " knipperen en de
waarschuwing "Key not in vehicle"
gaat branden en als alle portieren
zijn gesloten, klinkt de zoemer ook
gedurende ongeveer 5 seconden. Het
lampje gaat uit terwijl de auto rijdt.
Houd de smart key in het voertuig
als u de ACC positie gebruikt of als
de motor ON is.
Starten van de benzinemotor
Auto met handgeschakelde trans-
missie:
1. Zorg dat u altijd de Smart Key bij u
dragen.
2. Controleer of de parkeerrem is
geactiveerd.
3. Zorg ervoor dat de versnelling-
spook in neutraal staat.
4. Trapt u het koppelingspedaal en
het rempedaal in.
5. Druk de Engine Start/Stop knop
in.
i
Draag altijd geschikte schoe-
nen tijdens het rijden. Onge-
schikt schoeisel, zoals hoge
hakken, skibotten, sandalen,
teenslippers, etc., kunnen het
gebruik van rem-, gas, en ont-
koppelingspedaal belemme-
ren
Start de auto niet terwijl het
gaspedaal wordt ingetrapt. De
auto kan in beweging komen,
wat kan leiden tot een onge-
val.
Wacht totdat het motortoeren-
tal normaal is. De auto kan
plotseling in beweging komen
als het rempedaal wordt los-
gelaten bij een hoog toerental.
WAARSCHUWING
5-17
Rijden met uw auto
5
Auto met automatische transmis-
sie/double clutch-transmissie
1. Zorg dat u altijd de Smart Key bij u
dragen.
2. Controleer of de parkeerrem is
geactiveerd.
3. Zorg ervoor dat de versnelling-
spook in P (Parkeren) staat.
4. Trap het rempedaal in.
5. Druk de Engine Start/Stop knop
in.
Informatie
Breng de motor niet op bedrijfstem-
peratuur door hem stationair te
laten draaien.
Ga rijden met gematigde motortoe-
rentallen. (Vermijd krachtig accele-
reren en decelereren.)
Start de auto altijd met de voet op
het rempedaal. Start de auto niet
terwijl het gaspedaal wordt inge-
trapt. Voer het toerental van de
motor niet te hoog op als de motor
nog aan het opwarmen is.
i
5-18
Rijden met uw auto
Starten en afzetten van een motor
met turbo/intercooler
1. Voer het toerental van de motor
niet te hoog op en accelereer niet
direct na het starten van de motor.
Laat een koude motor enkele
seconden stationair draaien voor-
dat u wegrijdt om ervoor te zorgen
dat de turbocompressor voldoen-
de smering krijgt.
2. Na het rijden met hoge snelheid of
een lange rit met een zware
motorbelasting dient de motor
voor het afzetten ongeveer 1 min
stationair te draaien. Door de
motor stationair te laten draaien
zal de turbo afkoelen voordat de
motor wordt afgezet.
Zet de motor nooit direct af nadat
hij zwaar belast is geweest. Dit
kan zware schade veroorzaken
aan de motor of de turbocompres-
sor. Controlelampje voorgloeien.
Om beschadigingen aan uw auto
te voorkomen:
Probeer de selectiehendel niet
in stand P te zetten wanneer de
motor tijdens het rijden afslaat.
Als de verkeersomstandigheden
het toelaten kunt u de selectie-
hendel in stand N (vrijstand) zet-
ten terwijl de auto nog rijdt en
vervolgens de Engine Start/
Stop-knop indrukken om te pro-
beren de motor opnieuw te star-
ten.
Probeer de auto niet aan te sle-
pen of aan te duwen om de
motor te starten.
Om beschadigingen aan uw auto
te voorkomen:
Wanneer de stoplichtzekering is
doorgebrand, kunt u de motor niet
normaal starten. Vervang de zeke-
ring door een nieuwe. Als het niet
mogelijk is, kunt u de motor star-
ten door de Engine Start/Stop
knop in stand ACC 10 seconden
ingedrukt te houden.
Druk de Engine Start/Stop knop
nooit langer dan 10 seconden in,
behalve wanneer de stoplichtze-
kering is doorgebrand.
Trap voor uw eigen veiligheid ech-
ter altijd het koppelingspedaal
en/of het rempedaal in voordat u
de motor start.
AANWIJZING AANWIJZING
AANWIJZING
5-19
Rijden met uw auto
5
Informatie
Als de Smart Key batterij bijna leeg is
of de Smart Key niet goed werkt, kunt
u de motor starten door de Engine
Start/Stop knop direct met de Smart
Key in te drukken in de richting van
de bovenstaande afbeelding.
i
OGB054002
5-20
Rijden met uw auto
Bediening handgeschakelde
transmissie
De handgeschakelde transmissie
heeft vijf (of zes) versnellingen voor-
uit. Alle vooruitversnellingen zijn vol-
ledig gesynchroniseerd zodat het
schakelen naar een hogere of lagere
versnelling soepel verloopt.
Om naar R (Achteruit) te schakelen,
zorgt u dat het voertuig volledig
gestopt is en plaatst u de versnel-
lingspook vervolgens naar neutraal
voordat u naar R (Achteruit) gaat.
Als u volledig gestopt bent, en het is
moeilijk om de versnellingspook te
plaatsen in de 1e versnelling of in R
(Achteruit):
1. Laats de versnellingspook naar
neutraal en laat de koppelingspe-
daal los.
2. Trap het koppelingspedaal weer in
en schakel vervolgens de 1 e ver-
snelling of de (R) achteruit in.
Informatie
Bij zeer lage buitentemperaturen kan
het schakelen wat moeizamer gaan
zolang de transmissieolie nog koud is.
i
HANDGESCHAKELDE TRANSMISSIE (INDIEN VAN TOEPASSING)
OIB054009/OIB054001
De selectiehendel kan worden verplaatst
zonder de knop (1) in te drukken.å
De knop (1) moet worden ingedrukt als
de selectiehendel wordt verplaatst.
Zorg dat u, voordat u de bes-
tuurdersstoel verlaat, zet de
transmissie in de 1e versnelling
als de auto op een vlakke onder-
grond of opwaartse helling
staat, of schakel de (R) achter-
uitversnelling in als de auto op
een neerwaartse helling staat,
zet de parkeerrem op, en plaats
het contactslot in LOCK/OFF-
positie. Als deze voorzorgs-
maatregelen niet worden opge-
volgd, kan de auto onverwacht
in beweging komen.
WAARSCHUWING
nType A
nType B
5-21
Rijden met uw auto
5
Bedienen van de koppeling
(indien van toepassing)
Het koppelingspedaal moet geheel
worden ingetrapt alvorens:
- Motor starten
De motor niet zal aanslaan zonder
dat het rempedaal ingetrapt wordt.
- Motor stoppen
Breng de auto op een veilige plaats
tot stilstand en trap het rempedaal
en het koppelingspedaal in.
Schakel vervolgens stand N (neu-
traal) in en zet de motor uit.
Laat de koppelingpedal langzaam
opkomen. Het koppelingspedaal
moet tijdens het rijden altijd zijn los-
gelaten.
Voorkom onnodige slijtage of
schade aan de koppelingpedal:
Laat tijdens het rijden uw voet
niet op het koppelingspedaal
rusten.
Gebruik de koppeling ook niet
om de auto stil te laten staan op
een helling (bijvoorbeeld bij een
verkeerslicht, enz.)
Druk de koppelingspedaal altijd
volledig in om lawaai of schade
te voorkomen.
Start niet in de 2e (tweede) ver-
snelling, behalve wanneer u
start op een glad wegdek.
Rijd niet met de auto als deze
zwaarder is beladen dan toege-
staan.
Houd het koppelingspedaal
ingetrapt totdat de motor volle-
dig is gestart. Als u het koppe-
lingspedaal loslaat, voordat de
motor volledig is gestart, slaat
de motor mogelijk weer af.
Terugschakelen
U moet terug schakelen als u bij veel
verkeer moet vertragen of als u een
steile helling op rijdt zodat u voor-
komt dat u de motor belast.
Ook, door terug te schakelen wordt
de kans op afslaan beperkt en kan
beter worden geaccelereerd wan-
neer u uw snelheid weer op moet
voeren.
Als de auto op een steile helling naar
beneden rijdt, kan door terug te
schakelen een veilige snelheid wor-
den gehandhaafd en wordt boven-
dien de levensduur van de remmen
verlengd.
AANWIJZING
Als de auto niet is voorzien
van een contactslot, komt hij
mogelijk in beweging als de
motor onder de volgende om-
standigheden wordt gestart.
- de parkeerrem wordt gede-
activeerd.
- de selectiehendel staat niet
in stand N (neutraal).
- het koppelingspedaal is niet
volledig ingetrapt.
WAARSCHUWING
5-22
Rijden met uw auto
Om schade aan de motor, koppe-
ling en transmissie te voorkomen:
Bij het terugschakelen van de
vijfde naar de vierde versnelling
moet erop worden gelet dat de
versnellingspook niet zo ver
opzij wordt gedrukt dat per
ongeluk de tweede versnelling
wordt ingeschakeld. Hierdoor
zou het motortoerental zo hoog
kunnen oplopen dat de naald
van de toerenteller in het rode
gebied terecht zou kunnen
komen.
Schakel niet meer dan 2 versnel-
lingen tegelijk terug en schakel
niet terug als de motor met een
hoog toerental draait (5.000 om
w/min). Dergelijke een terug-
schakelen kan schade aan de
motor, koppeling en transmissie
veroorzaken.
Goed rijgedrag
Laat de auto nooit in zijn vrij een
helling af rijden. Dit is bijzonder
gevaarlijk.
Houd het rempedaal niet langdurig
achter elkaar ingetrapt. Hierdoor
kunnen de remmen en aanverwan-
te onderdelen oververhit raken.
Schakel bij het afrijden van een
lange helling terug naar een lagere
versnelling. Hierdoor remt de auto
af op de motor. Vertraag de snel-
heid voordat u terugschakelt.
Hiermee voorkomt u dat de motor
met een te hoog toerental gaat
draaien, hetgeen schadelijk kan
zijn voor de motor.
Verlaag uw snelheid ook als u
geconfronteerd wordt met zijwind.
Dan kunt u de auto beter onder
controle houden.
De auto moet volledig stilstaan
voordat u probeert te schakelen
naar de R (Achteruit) versnelling,
de versnellingsbak kan anders
schade oplopen.
AANWIJZING
Trap het koppelingspedaal
voor zover mogelijk in. Houd
er rekening mee dat het
pedaal niet wordt ingedrukt
voordat het terugkeert naar
zijn normale positie, het kop-
pelingssysteem kan worden
beschadigd.
Overbelast het voertuig niet.
Starten of besturen van een
voertuig in veel wrijvings-
warmte naar de koppelings-
schijf waardoor het koppe-
lingsdeksel en de schijf kun-
nen worden beschadigd.
Als u het voertuig start of ach-
teruitrijdt, kan het te snel los-
laten van het koppelingspe-
daal na het schakelen van de
hendel de motor afzetten en
een ongeluk veroorzaken.
WAARSCHUWING
5-23
Rijden met uw auto
5
Wees vooral voorzichtig bij het rij-
den op een gladde ondergrond. Let
in dat geval vooral op bij het rem-
men, gasgeven en schakelen. Op
een glad wegdek kan een abrupte
snelheidsverandering leiden tot
verlies van grip van de aangedre-
ven wielen, waardoor u de contro-
le over uw auto kunt verliezen.
Informatie - Kickdown
Mechanisme
Gebruik het kickdown-mechanisme
voor maximale acceleratie. Trap het
gaspedaal in tot voorbij het drukpunt.
De automatische transmissie ver-
schuift naar een lagere versnelling,
afhankelijk van het motortoerental.
i
Om Verminder het risico op
ERNSTIG LETSEL of OVERLIJ-
DEN door:
Draag ALTIJD uw veiligheids-
gordel Bij een aanrijding lopen
inzittenden die hun veilig-
heidsgordel niet dragen een
veel grotere kans op ernstig
letsel dan inzittenden die hun
veiligheidsgordel wel dragen.
Pas uw snelheid aan voordat
u een bocht aansnijdt of gaat
keren.
Maak geen plotselinge stuur-
bewegingen bij het wisselen
van rijbaan of bij het nemen
van snelle, scherpe bochten.
De kans dat de auto over de
kop slaat wanneer u de macht
over het stuur verliest, is veel
groter bij hogere snelheden.
Meestal verliest de bestuurder
de macht over de auto wan-
neer twee of meer wielen van
de weg raken en de bestuur-
der het stuur omgooit om de
auto weer de weg op te sturen.
(Vervolg)
(Vervolg)
Gooi het stuur niet om wan-
neer uw auto van de weg
raakt. Minder in plaats daar-
van snelheid voordat u de
auto terug de weg op stuurt.
HYUNDAI raadt altijd aan dat
u alle aanwezige snelheidsli-
mieten opvolgt.
WAARSCHUWING
Rem op een glad wegdek niet
snel af op de motor (schakelen
vanuit een hoge naar een lage
versnelling). Anders kan de
auto in een slip raken en een
ongeval veroorzaken.
WAARSCHUWING
5-24
Rijden met uw auto
Bediening automatische
transmissie
De automatische transmissie heeft 4
versnellingen vooruit en 1 versnelling
achteruit.
De individuele snelheden worden
automatisch geselecteerd in de D
(Rijden) stand.
AUTOMATISCHE TRANSMISSIE (INDIEN VAN TOEPASSING)
OGB054003
Verzet de selectiehendel.
Laat het rempedaal los, druk op de schakelknop en verplaats de versnellingspook.
Druk op de schakelknop en verplaats de versnellingspook.
5-25
Rijden met uw auto
5
De schakelstandindicator in het ins-
trumentenpaneel geeft, als het con-
tact in stand ON staat, aan in welke
stand de selectiehendel staat.
P (Parkeren)
Zorg ervoor dat de auto volledig tot
stilstand is gekomen voordat stand P
(Parkeren) wordt ingeschakeld.
Om van P (Parkeren) te wisselen,
moet u eerst het rempedaal goed
indrukken en zorgen dat u voet niet
rust op het gaspedaal.
Als je al het bovenstaande hebt
gedaan en nog steeds de hendel van
P (Parkeren) niet kunt verplaatsen,
kijk dan naar "Shift-Lock Release" op
pagina 5-28.
De versnellingspook moet in P
(Parkeren) staan voordat u de motor
uitschakelt.
Verminder het risico op ernstig
letsel of overlijden:
Controleer ALTIJD de omge-
ving rond de auto op de aan-
wezigheid van anderen, in het
bijzonder kinderen, alvorens
u de transmissie in stand D
(Rijden) of R (Achteruit) zet.
Controleer altijd of stand P is
ingeschakeld, trek de parkeer-
rem volledig aan en zet dan
het contact in stand LOCK/
OFF voordat u de auto verlaat.
Als deze voorzorgsmaatrege-
len niet worden op-gevolgd,
kan de auto onverwacht en
plotseling in beweging ko-
men.
Rem op een glad wegdek niet
snel af op de motor (schake-
len vanuit een hoge naar een
lage versnelling). Anders kan
de auto in een slip raken en
een ongeval veroorzaken.
WAARSCHUWING
Als wordt geschakeld in P
(Parkeren) terwijl het voertuig
in beweging is, kan de contro-
le over het voertuig verloren
worden.
Controleer altijd of stand P is
ingeschakeld, trek de parkeer-
rem volledig aan en zet de
motor uit voordat u de auto
verlaat.
Gebruik stand P niet in plaats
van de parkeerrem.
WAARSCHUWING
5-26
Rijden met uw auto
R (achteruit)
Gebruik deze stand om de auto ach-
teruit te rijden.
Laat de auto helemaal tot stilstand
komen alvorens de selectiehen-
del in of uit stand R te zetten.
Anders zou de transmissie kun-
nen beschadigen.
N (neutraal)
De wielen en de transmissie zijn niet
geblokkeerd.
Gebruik N (Neutraal) als u een uitge-
vallen motor opnieuw wilt starten, of
als het noodzakelijk is om de motor
AAN te laten. Plaats de versnelling-
spook in P (Parkeren) als u uw voer-
tuig om welke reden ook moet verla-
ten.
Trap het rempedaal altijd in als u wis-
selt van N (Neutraal) naar een ande-
re versnelling.
Stand D (Rijden)
Dit is de normale stand voor het rij-
den in richting. De transmissie scha-
kelt automatisch tussen de 4 ver-
snellingen vooruit voor een zo laag
mogelijk brandstofverbruik bij opti-
male prestaties.
Druk voor extra vermogen tijdens
inhaalmanoeuvres of het beklimmen
van een steile helling het gaspedaal
volledig in. Hierdoor zal de automati-
sche transmissie automatisch een
lagere versnelling kiezen.
AANWIJZING
Plaats niet in een versnelling
als uw voet niet op het rempe-
daal geplaatst is. Het in versnel-
ling plaatsen terwijl de motor op
hoge snelheid loopt kan ervoor
zorgen dat het voertuig erg snel
gaat. U kunt de controle verlie-
zen en mensen of voorwerpen
raken.
WAARSCHUWING
5-27
Rijden met uw auto
5
Sportstand
De sportstand kan vanuit stilstand of
tijdens het rijden worden ingescha-
keld door de selectiehendel vanuit
stand D (Rijden) naar rechts te
bewegen. Druk de selectiehendel
terug naar links om stand D (Rijden)
weer in te schakelen.
In de Sportstand, verplaats de ver-
snellingspook naar achteren en naar
voren om de gewenste versnellingen
voor de huidige rijdomstandigheden
te selecteren.
+ (Opschakelen): Druk de selectie-
hendel één keer
naar voren om één
versnelling op te
schakelen.
- (Terugschakelen): Trek de selectie-
hendel één keer
naar achteren
om één versnel-
ling terug te
schakelen.
Informatie
Kunnen alleen de vier (4) versnellin-
gen vooruit gekozen worden. Zet de
selectiehendel in stand R of P om de
auto respectievelijk achteruit te rij-
den of te blokkeren bij het parke-
ren.
In de sportstand wordt automatisch
teruggeschakeld wanneer de auto
snelheid mindert. Als de auto tot
stilstand komt, wordt automatisch
de eerste versnelling ingeschakeld.
(Vervolg)
(Vervolg)
Het motortoerental in het rode
gebied raakt, schakelt de transmis-
sie automatisch op.
Als de bestuurder de pook naar +
(Opschakelen) of -
(Terugschakelen)
plaatst, dan zal de transas de
gevraagde wijziging van versnelling
niet doorvoeren als de volgende ver-
snelling buiten het toegestane toe-
rental ligt. De bestuurder moet
vooruit schakelen volgens de
omstandigheden op de weg, en erop
letten dat het toerental niet in de
rode zone belandt.
Druk de selectiehendel naar voren +
(Opschakelen) bij het vanuit stil-
stand accelereren op een glad weg-
dek. Hierdoor schakelt de transmis-
sie naar de 2e versnelling, die beter
geschikt is voor het soepel wegrijden
op een gladde ondergrond. Trek de
selectiehendel naar achteren -
(Terugschakelen) om de eerste ver-
snelling weer in te schakelen.
i
OGB054004
5-28
Rijden met uw auto
Schakelblokkeersysteem
De automatische transmissie heeft
een schakelblokkeersysteem dat
voorkomt dat de selectiehendel uit
de stand van P (Parkeren) naar R
(Achteruit) kan worden gezet zonder
dat het rempedaal is ingetrapt.
In stand R (Achteruit) zetten van de
automatische transmissie uit stand P
(Park):
1. Houd het rempedaal ingetrapt.
2. Start de motor of zet het contact in
stand ON.
3. Verzet de selectiehendel.
Schakelblokkeersysteem
Uitschakelen van schakelblokkeer-
systeem Als de selectiehendel niet
vanuit stand P (Parkeren) in een
stand R (Achteruit) kan worden
gezet met het rempedaal ingetrapt,
voer dan de volgende handelingen
uit:
1. Druk op de ontgrendelknop van de
schakelblokkering.
2. Druk en houd de ontgrendelknop
op de versnellingspook in.
3. Verzet de selectiehendel.
Wij raden u aan uw auto te laten
nakijken door een officiële HYUN-
DAI-dealer.
OGB054005
5-29
Rijden met uw auto
5
Parkeren
Stop altijd volledig en blijf op het
rempedaal drukken. Activeer de par-
keerrem en zet de selectiehendel in
stand P, en plaats het contactslot in
LOCK/OFF-positie. Neem de sleutel
mee als u het voertuig verlaat.
Goed rijgedrag
Houd het gaspedaal nooit ingetrapt
als de selectiehendel van stand P of
N in een andere stand wordt gezet.
Zet de selectiehendel nooit in stand
P (Parkeren) als de auto nog niet
volledig tot stilstand is gekomen.
Zorg ervoor dat de auto volledig tot
stilstand is gekomen voordat stand
R (Achteruit) of D (Rijden) wordt
ingeschakeld.
Verplaats de versnellingspook tij-
dens het rijden niet in de N
(Neutraal) stand. Dit kan resulteren
in een ongeval omdat de motor niet
meer kan remmen en de transas
beschadigd kan worden.
Laat tijdens het rijden uw voet niet
op het rempedaal rusten. Zelfs lich-
te, constante druk op het rempedaal
kan ertoe leiden dat de remmen
oververhit raken, de remmen slijten
en mogelijk zelfs uitvallen.
Gelijktijdig indrukken van gaspe-
daal en rempedaal kan leiden tot
reductie van het motorvermogen
om de auto te doen vertragen.
Acceleratie wordt hervat nadat het
rempedaal wordt losgelaten.
In de sportstand, vertraag de snel-
heid voordat u terugschakelt. Ook
kan de lagere versnelling niet
gekoppeld zijn als het toerental
van de motor buiten het toegesta-
ne bereik valt.
Trek de handrem van het voertuig
altijd aan als u het voertuig verlaat.
Vertrouw niet uitsluitend op stand
P van de transmissie om de auto
op zijn plaats te houden.
Wees vooral voorzichtig bij het rij-
den op een gladde ondergrond. Let
in dat geval vooral op bij het rem-
men, gasgeven en schakelen. Op
een glad wegdek kan een abrupte
snelheidsverandering leiden tot
verlies van grip van de aangedre-
ven wielen, waardoor u de contro-
le over uw auto kunt verliezen.
Voor de beste prestaties en een zo
laag mogelijk brandstofverbruik
moet het gaspedaal met een gelijk-
matige beweging worden ingetrapt
en worden losgelaten.
Wanneer je verblijf in het voer-
tuig met draaiende motor, zorg
er dan voor dat het gaspedaal
niet langdurig wordt ingetrapt.
Anders kan de motor of het uit-
laatsysteem oververhit raken en
brand ontstaan.
Het uitlaatgassen en het uitlaat-
systeem zijn zeer heet. Blijf uit
de buurt van de onderdelen van
het uitlaatsysteem.
Rijd niet, parkeer niet of laat de
motor niet stationair draaien
boven ontvlambare materialen,
zoals gras, droge planten,
papier, bladeren enz. Deze kun-
nen ontbranden en brand ver-
oorzaken.
WAARSCHUWING
5-30
Rijden met uw auto
Om Verminder het risico op
ERNSTIG LETSEL of OVERLIJ-
DEN door:
Draag ALTIJD uw veiligheids-
gordel. Bij een aanrijding
lopen inzittenden die hun vei-
ligheidsgordel niet dragen
een veel grotere kans op ern-
stig letsel dan inzittenden die
hun veiligheidsgordel wel dra-
gen.
Pas uw snelheid aan voordat
u een bocht aansnijdt of gaat
keren.
Maak geen plotselinge stuur-
bewegingen bij het wisselen
van rijbaan of bij het nemen
van snelle, scherpe bochten.
De kans dat de auto over de
kop slaat wanneer u de macht
over het stuur verliest, is veel
groter bij hogere snelheden.
(Vervolg)
(Vervolg)
Meestal verliest de bestuurder
de macht over de auto wan-
neer twee of meer wielen van
de weg raken en de bestuur-
der het stuur omgooit om de
auto weer de weg op te stu-
ren.
Gooi het stuur niet om wan-
neer uw auto van de weg
raakt. Minder in plaats daar-
van snelheid voordat u de
auto terug de weg op stuurt.
HYUNDAI raadt altijd aan dat
u alle aanwezige snelheidsli-
mieten opvolgt.
WAARSCHUWING
De Double clutch-transmissie is in
feite een handgeschakelde trans-
missie die automatisch schakelt.
Deze transmissie geeft tijdens het
rijden hetzelfde gevoel als een
handgeschakelde transmissie,
maar biedt het gemak van een vol-
ledig automatische transmissie.
Wanneer stand D (Rijden) is gese-
lecteerd, schakelt de transmissie
automatisch van de ene naar de
andere versnelling, net als bij een
conventionele automatische trans-
missie. In tegenstelling tot een con-
ventionele automatische transmis-
sie is het schakelen soms voelbaar
en hoorbaar wanneer de servo's
de koppelingen bedienen en de
versnelling wordt geselecteerd.
De transmissie met dubbele koppe-
ling neemt een dubbele koppeling
van het droge type aan, die anders
is dan de koppelomvormer van de
automatische transmissie. Het toont
betere acceleratieprestaties en ver-
hoogde brandstofefficiëntie tijdens
het rijden, maar de eerste start kan
iets langzamer zijn dan bij de auto-
matische transmissie.
DOUBLE CLUTCH-TRANSMISSIE SCHAKELINDICATOR (INDIEN VAN TOEPASSING)
5-31
Rijden met uw auto
5
OGB058034
De selectiehendel kan ongehinderd bewegen.
Trap het rempedaal in en druk de schakelknop in bij het verplaatsen van de selectiehendel.
Druk de schakelknop in bij het verplaatsen van de selectiehendel.
Bediening double clutch-transmissie
De double clutch-transmissie heeft zeven versnellingen vooruit en 1 versnel-
ling achteruit. De individuele snelheden worden automatisch geselecteerd in
de D (Rijden) stand.
Selectiehendel
5-32
Rijden met uw auto
Hierdoor is het schakelen soms
duidelijker merkbaar en kan een
lichte trilling worden gevoeld wan-
neer het toerental van de transmis-
sieas wordt afgestemd op het toe-
rental van de motoras. Dit is nor-
maal bij een Double clutchtrans-
missie.
Een droge koppeling brengt het
koppel directer over en zorgt voor
een direct gevoel dat anders kan
zijn dan bij een conventionele
automatische transmissie. Dit valt
mogelijk meer op wanneer u vanuit
stilstand wegrijdt of bij het rijden
met lage snelheden waarbij u
regelmatig stilstaat.
Bij snel accelereren met een lage
voertuigsnelheid kan het motortoe-
rental sterk toenemen, afhankelijk
van de rijomstandigheden van het
voertuig.
Voor een soepele bergopwaartse
start, druk het gaspedaal soepel in,
afhankelijk van de huidige omstan-
digheden.
Als u uw voet van het gaspedaal
haalt bij lage voertuigsnelheid,
kunt u mogelijk een sterke motor-
rem voelen, welke vergelijkbaar is
met handgeschakelde transmissie.
Als u op een neerwaartse helling
rijdt, kunt u de selectiehendel in de
modus voor handmatig schakelen
zetten en terugschakelen om uw
snelheid onder controle te houden
zonder het rempedaal overmatig te
gebruiken.
Als u het contact aan en uit zet,
kunt u een klikkend geluid horen.
Dit wordt veroorzaakt door de zelf-
test die het systeem uitvoert. Dit is
een normaal geluid bij de double
clutch-transmissie.
Gedurende de eerste 1.500 km lijkt
de auto mogelijk bij lage snelheid
niet zo soepel te accelereren.
Tijdens het inrijden worden de
schakelkwaliteit en de prestaties
van uw nieuwe auto continu geop-
timaliseerd.
Verminder het risico op ernstig
letsel of overlijden:
Controleer ALTIJD de omge-
ving rond de auto op de aan-
wezigheid van anderen, in het
bijzonder kinderen, alvorens
u de transmissie in stand D
(Rijden) of R (Achteruit) zet.
Controleer altijd of stand P is
ingeschakeld, trek de parkeer-
rem volledig aan en zet dan
het contact in stand
LOCK/OFF voordat u de auto
verlaat. Als deze voorzorgs-
maatregelen niet worden
opgevolgd, kan de auto
onverwacht en plotseling in
beweging komen.
Rem op een glad wegdek niet
snel af op de motor (schake-
len vanuit een hoge naar een
lage versnelling). Hierdoor
kunnen de wielen gaan slip-
pen, wat tot een ongeval zou
kunnen leiden.
(Vervolg)
WAARSCHUWING
Laat de auto helemaal tot stil-
stand komen alvorens de selec-
tiehendel in of stand D (Rijden)
of R (Achteruit) te zetten.
Zet de selectiehendel tijdens het
rijden niet in stand N (neutraal).
LCD-display voor
transmissietemperatuur en
waarschuwingsberichten
Transmissietemperatuurmeter
Selecteer de tripcomputer-modus
op het LCD-display en ga naar het
temperatuurscherm van de trans-
missie om de temperatuur van de
transmissie met dubbele koppeling
te bekijken.
Probeer zo te rijden dat de tempe-
ratuurmeter niet hoog/oververhit
aangeeft. Wanneer de transmissie
oververhit is, zal er een waarschu-
wingsbericht op het LCD-scherm
weergegeven worden. Volg het
weergegeven bericht.
AANWIJZING
5-33
Rijden met uw auto
5
Door een storing in de trans-
missie kunt u mogelijk niet ver-
der rijden en zal de schakel-
standindicator (D, P) in het ins-
trumentenpaneel gaan knippe-
ren. We adviseren u contact op
te nemen met officiële HYUN-
DAI-dealer te wenden om het
systeem te laten controleren.
WAARSCHUWING
(Vervolg)
Geef, om schade aan de
transmissie te voorkomen,
geen gas wanneer stand R of
een van de vooruitversnellin-
gen is ingeschakeld en het
rempedaal ingetrapt is.
Houd de auto bij stilstaan op
een helling nooit op zijn
plaats door gas te geven.
Gebruik de bedrijfsrem of de
parkeerrem.
OGB048247/OGB048249
Normaal (onder markering 10)
Om de optimale schakelprestaties
te behouden, moet u zo rijden dat
de temperatuurmeter onder het
punt is (onder markering10).
Informatie
De temperatuurmeter kan snel stijgen
als de slip van de koppeling te groot
wordt als gevolg van herhaaldelijk
stoppen en rijden op steile hellingen
en wanneer Hill Hold lange tijd wordt
aangehouden. Om te hoge temperatu-
ren te voorkomen, gebruikt u de rem
tijdens rijden op lage snelheid of wan-
neer u de auto op een heuvel stopt.
Voor het invoeren van Hoog/Overver-
hitting (van markering 10 tot 14)
Deze zone toont aan dat de dubbe-
le koppelingstemperatuur van de
DCT is vóór het betreden van de
hoge/oververhittingszone. Wanneer
de koppelingstemperatuur zich bin-
nen deze zone bevindt (van marke-
ring 10 tot 14), stuur dan het mini-
maliseren van de koppelingsslip
zodat de temperatuurmeter onder
het punt ligt (markering 10).
Als de temperatuur van de dubbe-
le koppeling blijft verhogen en de
markering 14 bereikt, klinkt het
waarschuwingsalarm en verschijnt
de temperatuurmeter op het clus-
ter. Het DCT-waarschuwingsbe-
richt wordt niet weergegeven.
i
5-34
Rijden met uw auto
Verhoging (hoge tempera-
tuur) van de transmissietem-
peratuurmeter verschijnt me-
estal op een helling wanneer
het voertuig voor een lange
tijd met het gaspedaal inge-
drukt wordt gestopt, zonder
het rempedaal in te drukken.
OPMERKING
OGB048247 OGB048254
Hoog/Oververhitting
(van markering 15 tot 16)
Deze zone toont aan dat de dub-
bele koppelingstemperatuur van
de DCT is binnengetrden in de
hoge/oververhittingszone. Het
DCT-waarschuwingsalarm klinkt,
het waarschuwingsbericht wordt
weergegeven op het cluster en de
temperatuurmeter verdwijnt uit het
cluster. Volg het weergegeven
waarschuwingsbericht.
Als u de temperatuurstatus van de
dubbele koppeling wilt controleren
wanneer deze oververhit raakt,
gaat u naar het scherm van de
temperatuurmeter door de boord-
computermodus te selecteren.
Vervolgens kunt u de tempera-
tuurstatus van de dubbele koppe-
ling controleren.
Waarschuwingsmeldingen DCT
Deze waarschuwingsmelding wordt
weergegeven als de auto langzaam
op een helling rijdt en de auto detec-
teert dat het rempedaal niet is inge-
trapt.
Steile helling
Helling op rijden of rijden op een stei-
le helling:
Gebruik de voetrem of de parkeer-
rem om de auto op een helling op
zijn plaats te houden.
Laat bij filerijden op een helling wat
ruimte ontstaan tussen uw auto en
de voorligger alvorens vooruit te rij-
den. Gebruik vervolgens het rem-
pedaal om de auto op de helling op
zijn plaats te houden.
Als de auto op een helling met het
gaspedaal op zijn plaats wordt
gehouden of vooruit kruipt, kunnen
de transmissie en de koppeling
oververhit raken wat tot schade
kan leiden. Op dat moment wordt
een waarschuwingsmelding weer-
gegeven op het LCD-display.
Als op het LCD-display een waar-
schuwing wordt weergegeven,
moet het rempedaal worden inge-
trapt.
Het negeren van de waarschuwin-
gen kan leiden tot beschadiging
van de transmissie.
5-35
Rijden met uw auto
5
OGB048255
OTLE055019
Hoge temperatuur transmissie
Onder bepaalde omstandigheden,
zoals bij herhaaldelijk vanuit stil-
stand wegrijden op een steile hel-
ling, abrupt wegrijden, plotseling
accelereren of andere zware rijom-
standigheden kan de temperatuur
van de koppeling in de transmissie
te sterk stijgen. Uiteindelijk zou de
koppeling in de transmissie over-
verhit kunnen raken.
Wanneer de koppeling oververhit
is, wordt de veilige beschermings-
modus ingeschakeld en knippert
de versnellingspositie-indicator op
het cluster met een gong. Op dit
moment, is de "transmissietempe-
ratuur hoog"! Veilig stoppen" weer-
gegeven op het LCD-display, klinkt
er een zoemer en schakelt de
transmissie mogelijk niet soepel.
Als dit gebeurt, zet de auto dan stil
op een veilige plaats, laat de motor
draaien, trap het rempedaal in en
zet de transmissie in stand P (par-
keren) zodat deze kan afkoelen.
Als u deze waarschuwing negeert,
verslechtert het rijgedrag mogelijk.
De transmissie gaat dan mogelijk
abrupt schakelen, te vaak schake-
len of stotend schakelen. Om terug
te keren naar de normale rijom-
standigheden, stopt u het voertuig
en gebruikt u de voetrem of scha-
kelt u over naar P (Parkeren). Laat
vervolgens de transmissie een
paar minuten afkoelen met de
motor aan, voordat u wegrijdt.
Probeer indien mogelijk soepel te
rijden.
Transmissie oververhit
5-36
Rijden met uw auto
OGB048247/OGB048248
OGB048251/OGB048250
OGB048252
Als wordt doorgereden met de auto
en de temperatuur van de koppe-
ling de maximale limiet bereikt,
wordt de waarschuwingsmelding
"Transmission hot! Park with engi-
ne On (Transmissie oververhit, zet
de auto met draaiende motor stil)"
weergegeven. Als dit gebeurt,
wordt de koppeling geblokkeerd
totdat hij is afgekoeld tot normale
temperaturen.
De waarschuwingsmelding geeft
aan hoe lang u moet wachten om
de transmissie te laten afkoelen.
Als dit gebeurt, zet de auto dan stil
op een veilige plaats, laat de motor
draaien, trap het rempedaal in en
zet de transmissie in stand P (par-
keren) zodat deze kan afkoelen.
Wanneer de melding "Trans cool-
ed. Resume driving (Transmissie
afgekoeld, rij verder)" wordt weer-
gegeven, kunt u weer verder rijden.
Probeer indien mogelijk soepel te
rijden.
Neem voor uw veiligheid contact op
met een officiële Hyundai-dealer als
een waarschuwingsmelding op het
LCD-display blijft knipperen en laat
het systeem controleren.
Standen selectiehendel
De schakelstandindicator in het ins-
trumentenpaneel geeft, als het con-
tact in stand ON staat, aan in welke
stand de selectiehendel staat.
P (Parkeren)
Zorg ervoor dat de auto volledig tot
stilstand is gekomen voordat stand P
(Parkeren) wordt ingeschakeld.
Om van P (Parkeren) te wisselen,
moet u eerst het rempedaal goed
indrukken en zorgen dat u voet niet
rust op het gaspedaal.
Als je al het bovenstaande hebt
gedaan en nog steeds de hendel
van P (Parkeren) niet kunt ver-
plaatsen, kijk dan naar "Shift-Lock
Release" in dit hoofdstuk.
De versnellingspook moet in P
(Parkeren) staan voordat u de motor
uitschakelt.
5-37
Rijden met uw auto
5
Als wordt geschakeld in P
(Parkeren) terwijl het voertuig
in beweging is, kan de contro-
le over het voertuig verloren
worden.
Controleer altijd of stand P is
ingeschakeld, trek de parkeer-
rem volledig aan en zet de
motor uit voordat u de auto
verlaat.
Leg blokken voor de wielen
om te voorkomen dat de auto
wegrolt wanneer u op een hel-
ling parkeert.
Activeer uit veiligheidsover-
wegingen altijd de parkeerrem
en zet de selectiehendel in
stand P (parkeren), behalve
als u in een noodsituatie moet
parkeren.
Gebruik stand P niet in plaats
van de parkeerrem.
WAARSCHUWING
R (achteruit)
Gebruik deze stand om de auto ach-
teruit te rijden.
Laat de auto helemaal tot stilstand
komen alvorens de selectiehendel
in of uit stand R (achteruit) te zet-
ten. Anders zou de transmissie
kunnen beschadigen.
N (neutraal)
De wielen en de transmissie zijn niet
geblokkeerd.
Gebruik N (Neutraal) als u een uitge-
vallen motor opnieuw wilt starten, of
als het noodzakelijk is om de motor
AAN te laten. Plaats de versnelling-
spook in P (Parkeren) als u uw voer-
tuig om welke reden ook moet verla-
ten.
Trap het rempedaal altijd in als u wis-
selt van N (Neutraal) naar een ande-
re versnelling.
Stand D (Rijden)
Dit is de normale stand voor het rij-
den in richting. De transmissie scha-
kelt automatisch tussen de 7 ver-
snellingen vooruit voor een zo laag
mogelijk brandstofverbruik bij opti-
male prestaties.
Druk voor extra vermogen tijdens
inhaalmanoeuvres of het beklimmen
van een steile helling het gaspedaal
volledig in. Hierdoor zal de transmis-
sie automatisch terugschakelen naar
een lagere versnelling (of lagere ver-
snellingen, indien nodig).
Zorg er altijd voor dat het voertuig
stilstaat, tot volledige stilstand
komt, voordat u D (Rijden) selec-
teert.
AANWIJZING
AANWIJZING
5-38
Rijden met uw auto
Plaats niet in een versnelling
als uw voet niet op het rempe-
daal geplaatst is. Het in ver-
snelling plaatsen terwijl de
motor op hoge snelheid loopt
kan ervoor zorgen dat het
voertuig erg snel gaat. U kunt
de controle over het voertuig
verliezen en ongelukken ver-
oorzaken.
Rijd niet met de selectiehen-
del in stand N (neutraal). Het
afremmen op de motor werkt
dan niet, wat kan leiden tot
een ongeval.
WAARSCHUWING
Modus handmatig schakelen
De modus voor handmatig schake-
lenkan vanuit stilstand of tijdens het
rijden worden ingeschakeld door de
selectiehendel vanuit stand D
(Rijden) naar rechts te bewegen.
Druk de selectiehendel terug naar
links om stand D (Rijden) weer in te
schakelen.
In de modus voor handmatig schake-
len, verplaats de versnellingspook
naar achteren en naar voren om de
gewenste versnellingen voor de hui-
dige rijdomstandigheden te selecte-
ren.
Opschakelen (+): Druk de selectie-
hendel één keer naar voren om één
versnelling op te schakelen.
Terugschakelen (-): Trek de selectie-
hendel één keer naar achteren om
één versnelling terug te schakelen.
Informatie
Kunnen alleen de zeven (7) versnel-
lingen vooruit gekozen worden. Zet
de selectiehendel in stand R of P om
de auto respectievelijk achteruit te
rijden of te blokkeren bij het par-
keren.
In de sportstand wordt automatisch
teruggeschakeld wanneer de auto
snelheid mindert. Als de auto tot
stilstand komt, wordt automatisch
de eerste versnelling ingeschakeld.
Het motortoerental in het rode
gebied raakt, schakelt de transmis-
sie automatisch op.
Als de bestuurder de pook naar +
(Opschakelen) of - (Terugschakelen)
plaatst, dan zal de transas de
gevraagde wijziging van versnelling
niet doorvoeren als de volgende ver-
snelling buiten het toegestane toe-
rental ligt. De bestuurder moet
vooruit schakelen volgens de
omstandigheden op de weg, en erop
letten dat het toerental niet in de
rode zone belandt.
DS-modus (Sportief Rijden)
DS-modus ondersteunt de presta-
tiemodus voor de bestuurder. Om
te schakelen naar de DS-modus,
verplaatst u de schakelhendel van
D (Rijden) naar het midden van de
handbediende schakelmodus. De
transmissieschakeling wordt auto-
matisch geoptimaliseerd voor een
sportief rijgevoel.
In de DS-modus wordt tijdens het
bergafwaarts rijden het remmen op
de motor niet ondersteund.
Terwijl u het voertuig tot stilstand
brengt door de parkeerrem in de
D-versnelling te plaatsen, kan het
voertuig mogelijk niet bewegen
als u de parkeerrem loslaat. In dit
geval kunt u het voertuig besturen
door de voetrem in te schakelen
en los te laten te gebruiken, het
gaspedaal te gebruiken of de hen-
del te verschuiven (D N D).
i
AANWIJZING
5-39
Rijden met uw auto
5
OGB058035
+ OPSCHAKELEN (+) :
- TERUGSCHAKELEN (-):
Schakelblokkeersysteem
De double clutch-transmissie heeft
een schakelblokkeersysteem dat
voorkomt dat de selectiehendel uit
de stand van P (Parkeren) naar R
(Achteruit) kan worden gezet zonder
dat het rempedaal is ingetrapt.
In stand R (Achteruit) zetten van de
automatische transmissie uit stand P
(Park):
1. Houd het rempedaal ingetrapt.
2. Start de motor of zet het contact in
stand ON.
3. Verzet de selectiehendel.
Schakelblokkeersysteem
Uitschakelen van schakelblokkeer-
systeem Als de selectiehendel niet
vanuit stand P (Parkeren) in een
stand R (Achteruit) kan worden ge-
zet met het rempedaal ingetrapt, vo-
er dan de volgende handelingen uit:
1. Activeer de zet het contact in
stand LOCK/OFF.
2. Activeren van de parkeerrem.
3. Verwijder voorzichtig het afdek-
kapje (1) van de opening voor het
uitschakelen van de schakelblok-
kering.
4. Steek een schroevendraaier in de
opening en druk de schroeven-
draaier naar beneden.
5. Beweeg de selectiehendel terwijl
de schroevendraaier naar bene-
den gedrukt wordt.
6. Verwijder het gereedschap uit de
opening voor het uitschakelen van
de schakelblokkering en plaats
het afdekkapje.
7. Trap het rempedaal in en start
vervolgens de motor.
We adviseren u het systeem direct te
laten controleren door een officiële
HYUNDAI-dealer als u de schakel-
blokkering ongedaan heeft moeten
maken.
Sleutelblokkeersysteem (indien
van toepassing)
De sleutel kan alleen uit het contact
worden genomen als de selectiehen-
del in stand P staat.
5-40
Rijden met uw auto
OGB058036
Parkeren
Stop altijd volledig en blijf op het
rempedaal drukken. Activeer de par-
keerrem en zet de selectiehendel in
stand P, en plaats het contactslot in
LOCK/OFF-positie. Neem de sleutel
mee als u het voertuig verlaat.
Goed rijgedrag
Houd het gaspedaal nooit ingetrapt
als de selectiehendel van stand P
of N in een andere stand wordt
gezet.
Zet de selectiehendel nooit in
stand P (Parkeren) als de auto nog
niet volledig tot stilstand is geko-
men.
Zorg ervoor dat de auto volledig tot
stilstand is gekomen voordat stand
R (Achteruit) of D (Rijden) wordt
ingeschakeld.
Verplaats de versnellingspook tij-
dens het rijden niet in de N
(Neutraal) stand. Dit kan resulteren
in een ongeval omdat de motor niet
meer kan remmen en de transmis-
sie beschadigd kan worden.
Laat tijdens het rijden uw voet niet
op het rempedaal rusten. Zelfs
lichte, constante druk op het rem-
pedaal kan ertoe leiden dat de
remmen oververhit raken, de rem-
men slijten en mogelijk zelfs uit-
vallen.
In de modus handmatig schakelen,
vertraag de snelheid voordat u
terugschakelt. Ook kan de lagere
versnelling niet gekoppeld zijn als
het toerental van de motor buiten
het toegestane bereik valt.
Trek de handrem van het voertuig
altijd aan als u het voertuig verlaat.
Vertrouw niet uitsluitend op stand
P van de transmissie om de auto
op zijn plaats te houden.
Wees vooral voorzichtig bij het rij-
den op een gladde ondergrond. Let
in dat geval vooral op bij het rem-
men, gasgeven en schakelen. Op
een glad wegdek kan een abrupte
snelheidsverandering leiden tot
verlies van grip van de aangedre-
ven wielen, waardoor u de contro-
le over uw auto kunt verliezen.
Voor de beste prestaties en een zo
laag mogelijk brandstofverbruik
moet het gaspedaal met een gelijk-
matige beweging worden ingetrapt
en worden losgelaten.
5-41
Rijden met uw auto
5
Wanneer je verblijf in het voer-
tuig met draaiende motor, zorg
er dan voor dat het gaspedaal
niet langdurig wordt ingetrapt.
Anders kan de motor of het uit-
laatsysteem oververhit raken en
brand ontstaan.
Het uitlaatgassen en het uitlaat-
systeem zijn zeer heet. Blijf uit
de buurt van de onderdelen van
het uitlaatsysteem.
Rijd niet, parkeer niet of laat de
motor niet stationair draaien
boven ontvlambare materialen,
zoals gras, droge planten,
papier, bladeren enz. Deze kun-
nen ontbranden en brand ver-
oorzaken.
WAARSCHUWING
Informatie - Kickdown
Mechanisme (indien van toe-
passing)
Gebruik het kickdown-mechanisme
voor maximale acceleratie. Trap het
gaspedaal in tot voorbij het drukpunt.
De double clutch-transmissie ver-
schuift naar een lagere versnelling,
afhankelijk van het motortoerental.
i
5-42
Rijden met uw auto
(Vervolg)
Meestal verliest de bestuurder
de macht over de auto wan-
neer twee of meer wielen van
de weg raken en de bestuur-
der het stuur omgooit om de
auto weer de weg op te stu-
ren.
Gooi het stuur niet om wan-
neer uw auto van de weg
raakt. Minder in plaats daar-
van snelheid voordat u de
auto terug de weg op stuurt.
HYUNDAI raadt altijd aan dat
u alle aanwezige snelheidsli-
mieten opvolgt.
Als uw voertuig vastzit in
sneeuw, modder, zand, enz.,
Kunt u proberen het voertuig te
bevrijden door het naar voor en
naar achter te rijden. Doe dat
echter niet als er mensen of
obstakels in de directe nabij-
heid van de auto aanwezig zijn.
De auto kan plotseling naar
voren of naar achteren bewe-
gen als de aangedreven wielen
weer grip krijgen, waardoor per-
sonen letsel kunnen oplopen of
schade kan ontstaan.
WAARSCHUWING
Om Verminder het risico op
ERNSTIG LETSEL of OVERLIJ-
DEN door:
Draag ALTIJD uw veiligheids-
gordel. Bij een aanrijding
lopen inzittenden die hun vei-
ligheidsgordel niet dragen
een veel grotere kans op ern-
stig letsel dan inzittenden die
hun veiligheidsgordel wel dra-
gen.
Pas uw snelheid aan voordat
u een bocht aansnijdt of gaat
keren.
Maak geen plotselinge stuur-
bewegingen bij het wisselen
van rijbaan of bij het nemen
van snelle, scherpe bochten.
De kans dat de auto over de
kop slaat wanneer u de macht
over het stuur verliest, is veel
groter bij hogere snelheden.
(Vervolg)
WAARSCHUWING
5-43
Rijden met uw auto
5
Rembekrachtiging
Uw auto is voorzien van bekrachtig-
de remmen die bij normaal gebruik
automatisch afgesteld worden.
Als de motor tijdens het rijden niet
loopt, of uitgeschakeld is, dan zal de
vermogensassistentie voor de rem-
men niet werken. Voorkom zoveel
als mogelijk is het blokkeren van de
remmen. Geblokkeerde wielen zijn
onbestuurbaar en de remweg is lan-
ger.
Als de motor niet draait, wordt de
mate van bekrachtiging steeds min-
der naarmate u vaker het rempedaal
indrukt.
Als de rembekrachtiging uitvalt, pro-
beer dan niet "pompend" te remmen.
Rem alleen "pompend" als de wielen
dreigen te blokkeren.
REMSYSTEEM
Neem de volgende voorzorgs-
maatregelen:
Laat tijdens het rijden uw voet
niet op het rempedaal rusten.
Hierdoor kan de temperatuur
van de remmen abnormaal
hoog worden, kunnen de rem-
blokken en -schoenen over-
matig slijten en kan de rem-
weg vergroot worden.
Schakel bij het afrijden van
een lange of een steile helling
een lagere versnelling in en
vermijd langdurig achter
elkaar remmen. Door langdu-
rig achter elkaar te remmen,
zullen de remmen oververhit
raken en kan een tijdelijk ver-
lies van remprestaties het
gevolg zijn.
(Vervolg)
(Vervolg)
Als de remmen nat zijn, remt
de auto minder dan normaal
en kan de auto naar één kant
trekken tijdens het remmen.
Door het rempedaal licht in te
trappen, kunt u controleren of
het remvermogen door het nat
worden is verminderd. Cont-
roleer uw remmen altijd op
deze manier nadat u door
waterplassen bent gereden.
Druk voor het drogen van de
remmen het rempedaal licht in
terwijl u met een lage snelheid
rijdt, totdat het remvermogen
weer op het normale niveau
is. Vermijd het rijden op hoge
snelheid totdat de remmen
weer correct werken.
WAARSCHUWING
5-44
Rijden met uw auto
Remblokslijtage-indicatoren
Wanneer de remblokken vóór of ach-
ter versleten zijn, hoort u als waar-
schuwing een piepend geluid van de
remmen. Dit geluid kan af en toe
hoorbaar zijn of op het moment dat u
het rempedaal intrapt.
Onder sommige rijomstandigheden
of bij sommige klimaten kunnen de
remmen piepen wanneer u het rem-
pedaal voor de eerste keer of lichtjes
intrapt. Dit is normaal en duidt niet
op een probleem met de remmen.
Blijf, om kostbare reparaties aan
de remmen te voorkomen, niet rij-
den met versleten remblokken.
Informatie
Vervang de remblokken van één as
altijd gelijktijdig.
Achter trommelremmen
(indien van toepassing)
Trommelremmen hebben geen slijta-
ge indicatoren. Laat daarom de ach-
terste remvoeringen inspecteren
wanneer u een wrijvend geluid hoort
bij uw achterste rem. Alleen daarom
al is noodzakelijk dat het remsys-
teem regelmatig (bij het onderhoud)
wordt gecontroleerd. Let op dat de
auto volgens de onderhoudsvoor-
schriften wordt onderhouden, alleen
dan kan de auto optimaal functio-
neren.
Parkeerrem
Trek de handrem van het voertuig
altijd aan als u het voertuig verlaat:
Druk stevig het rempedaal in. Trek
de handrem hendel voor zover
mogelijk.
i
AANWIJZING
OGB054006
Vermijd het risico op ERNSTIG
LETSEL of OVERLIJDEN, en
gebruik de handrem niet als het
voertuig beweegt tenzij in een
noodsituatie. Het remsysteem
kan beschadigd worden en dit
kan resulteren in ongevallen.
WAARSCHUWING
5-45
Rijden met uw auto
5
Vrijgeven:
Druk stevig het rempedaal in.
Trek de handrem hendel iets.
Laat de handrem (2) zakken terwijl u
op de vrijgaveknop (1) drukt.
Als de parkeerrem niet of niet hele-
maal in de vrijstand terugkeert,
raden we u aan het systeem door
een officiële HYUNDAI-dealer te
laten controleren.
Druk het gaspedaal niet als de
handrem gekoppeld is. Als u het
gaspedaal indrukt terwijl de
handrem aangetrokken is, dan
zal er een waarschuwingsgeluid
te horen zijn. De handrem kan zo
beschadigd worden.
Rijden met de handrem aange-
trokken kan resulteren in een
oververhit remsysteem en kan
vroegtijdige slijtage van of scha-
de aan de remonderdelen ver-
oorzaken. Voor het wegrijden,
controleer of de parkeerrem vol-
ledig is losgezet en de waar-
schuwingslamp uit is.
AANWIJZING
OGB054007
Stop altijd volledig en blijf op
het rempedaal drukken als u
het voertuig verlaat of par-
keert. Verplaats de versnel-
lingspook staat naar P (Par-
keren, automatische trans-
missie/double clutch trans-
missie) of 1e versnelling
(handgeschakelde transmis-
sie); stel de parkeerrem en
plaats het contact in de
LOCK/OFF stand.
Indien de parkeerrem niet is
aangetrokken, kan de auto
onbedoeld in beweging ko-
men waardoor u of anderen
letsel kunnen oplopen.
Laat kinderen en personen die
niet bekend zijn met de auto
niet aan de parkeerrem ko-
men. Als de parkeerrem per
ongeluk wordt gedeactiveerd,
kan er ernstig letsel ontstaan.
Geef de handrem pas vrij als u
in het voertuig zit met uw voet
op het rempedaal.
WAARSCHUWING
5-46
Rijden met uw auto
Controleer de werking
van de Waarschuwing-
slampje Parkeerrem
door het contact in de
ON positie te zetten
(start de motor niet).
Dit lampje gaat branden wanneer het
contact in stand START of ON wordt
gezet en de parkeerrem is geacti-
veerd.
Zorg ervoor dat de parkeerrem voor
het wegrijden vrij is en controleer of
het waarschuwingslampje van het
remsysteem niet brandt.
Als het Waarschuwingslampje van
het Remsysteem blijft branden nadat
de parkeerrem vrij is en de motor
draait, kan er een storing in het rem-
systeem zijn. Laat dit direct contro-
leren.
Breng de auto indien mogelijk direct
tot stilstand.
Als dat niet mogelijk is, rijdt dan erg
voorzichtig door naar een plaats
waar u wel kunt stoppen.
Antiblokkeersysteem (ABS)
ABS is een elektronisch remsysteem
dat slippen tijdens het remmen helpt
te voorkomen. ABS maak het moge-
lijk dat de bestuurder tegelijkertijd
kan sturen en remmen.
Antiblokkeersysteem (ABS) kan
geen ongelukken voorkomen
die het gevolg zijn van gevaar-
lijk rijgedrag. Hoewel de auto bij
een noodstop beter onder con-
trole gehouden kan worden, is
het toch noodzakelijk voldoen-
de afstand tot uw voorligger te
bewaren. U moet uw rijsnelheid
altijd aanpassen aan de
omstandigheden en zo nodig
uw snelheid verlagen. De rem-
weg van auto's met ABS kan in
de volgende situaties langer
zijn dan van auto's zonder een
dergelijk systeem.
(Vervolg)
WAARSCHUWING
(Vervolg)
Rijd in dergelijke situaties met
een gereduceerde snelheid:
Op slechte wegen, wegen met
steenslag of wegen die met
sneeuw bedekt zijn.
Op wegen met kuilen of met
hoogteversch i I len.
Sneeuwkettingen zijn in uw
voertuig geïnstalleerd.
Probeer de werking van het
ABS van uw auto niet uit bij
hoge snelheden of tijdens het
nemen van een bocht. Hiermee
kunt u zichzelf en anderen in
gevaar brengen.
5-47
Rijden met uw auto
5
Gebruik van ABS
Om in een noodsituatie het maxima-
le rendement uit het ABS te halen,
dient u niet zelf "pompend" te gaan
remmen. Trap het rempedaal zo
hard mogelijk in. In dat geval is een
tikkend geluid hoorbaar in het rem-
systeem en kan het rempedaal gaan
trillen.
Dit is normaal. Het betekent dat het
ABS in werking is getreden. ABS
vermindert niet de tijd of afstand die
nodig is om het voertuig te stoppen.
Bewaar altijd een veilige afstand tot
de auto voor u.
ABS voorkomt niet dat slippen kan
resulteren in plotseling richtingwijzi-
gingen zoals proberen om een hoek
te snel om te gaan of bij het plotse-
ling veranderen van rijbaan. Rijd
altijd met een veilige snelheid voor
de weg- en weersomstandigheden.
ABS kan niet stabiliteitsverlies voor-
komen. Stuur altijd gematigd als u
hard moet remmen. Plotseling of
harde stuurbewegingen kunnen er
nog steeds toe leiden dat uw voer-
tuig op de verkeerde baan terecht
komt of van de weg raakt.
Op wegen met los grind of wegen die
niet vlak zijn kan het antiblokkeer-
systeem voor een langere remweg
zorgen dan bij auto's zonder anti-
blokkeersysteem.
Het waarschuwingslampje ABS ( )
zal voor enkele seconden aan blijven
nadat het contact op de ON positie is.
Het ABS voert dan een zelfdiagnose
uit en het lampje zal doven wanneer
alles in orde is. Wanneer het lampje
blijft branden, is er mogelijk een pro-
bleem aanwezig in het ABS. We advi-
seren u contact op te nemen met een
officiële HYUNDAI-dealer zo snel
mogelijk.
Wanneer het waarschuwings-
lampje ( ) ABS brandt en blijft
branden, is er mogelijk een pro-
bleem aanwezig in het ABS. Het
remsysteem normaal werken.
Verminder het risico op ernstig
letsel of overlijden, wij raden
aan om op te nemen zo snel
mogelijk een officiële HYUN-
DAI-dealer.
WAARSCHUWING
5-48
Rijden met uw auto
Informatie
Als u de auto met een hulpaccu moet
starten doordat de accu is leegge-
raakt, kan het waarschuwingslampje
ABS gaan branden ( ). Dit komt
door de lage accuspanning. Het bete-
kent niet dat er een storing in het ABS
is. Laat de accu bijladen voordat u
wegrijdt.
Elektronische
stabiliteitsregeling (ESC)
(indien van toepassing)
De elektronische stabiliteitsregeling
(ESC) is ontworpen om de stabiliteit
van de auto in bochten te verbete-
ren.
Het ESC controleert in welke richting
u stuurt en in welke richting de auto
daadwerkelijk beweegt. De ESC
remt de wielen gericht af en grijpt in
in het motormanagementsysteem
om de bestuurder te helpen de auto
op de gewenste koers te houden.
Het systeem is geen vervanging voor
een veilig rijgedrag. Pas uw snelheid
en rijgedrag altijd aan aan de weg-
omstandigheden.
i
Als u op een weg rijdt waar erg
weinig grip is, bijvoorbeeld bij
vorst, en voortdurend de rem-
men bedient, is het ABS voortdu-
rend in werking en kan het waar-
schuwingslampje ABS ( )
gaan branden. Zet de auto stil op
een veilige plaats en zet de
motor uit.
Start de motor opnieuw. Als het
waarschuwingslampje ABS
dooft, is het ABS in orde.
Anders is er mogelijk een sto-
ring in het ABS. We adviseren u
contact op te nemen met een
officiële HYUNDAI-dealer zo
snel mogelijk.
OPMERKING
OGB054008
Rijd niet harder dan de toestand
van de weg toelaat en neem
bochten niet met een te hoge
snelheid. Elektronische stabili-
teits regeling (ESC) kan geen
ongelukken voorkomen.
Te hoge bochtensnelheden,
abrupte uitwijkmanoeuvres en
aquaplaning op een nat wegdek
kunnen nog steeds leiden tot
ernstige ongelukken.
WAARSCHUWING
5-49
Rijden met uw auto
5
Bediening voertuigstabiliteits
regeleing (ESC)
Voertuigstabiliteitsregeling (ESC)
ingeschakeld
Als het contact in stand ON wordt
gezet, gaan de controlelampjes ESC
en ESC OFF gedurende ongeveer 3
seconden branden, waarna de elek-
tronische stabiliteits-regeling wordt
ingeschakeld.
In werking
Als de elektronische stabili-
teitsregeling (ESC) in wer-
king treedt, gaat het contro-
lelampje ESC knipperen:
In dat geval is een tikkend geluid
hoorbaar in het remsysteem en
kan het rempedaal gaan trillen. Dit
is normaal. Het betekent dat het
ESC in werking is getreden.
Als ESC geactiveerd wordt, dan
kan het voorkomen dat de motor
niet reageert op het gaspedaal
zoals dit normaal het geval is.
Als de cruisecontrol in gebruik was
toen de ESC geactiveerd werd,
schakelt de cruisecontrol automa-
tisch uit. De cruisecontrol kan
terug worden ingeschakeld wan-
neer de toestand van de wegen dit
toelaat. Zie "Cruisecontrol Sys-
teem" verder in dit hoofdstuk.
(indien van toepassing)
Tijdens het wegrijden op een glad-
de weg neemt het motortoerental
mogelijk niet toe, ondanks dat u
het gaspedaal intrapt. Dit om de
stabiliteit en tractie van het voer-
tuig te voorkomen, dit is geen pro-
bleem.
ESC OFF conditie
ESC -bewerking om te annuleren :
Status 1
Druk kort op de ESC/OFF-knop, de
ESC/OFF-indicator zal oplichten en
een boodschap weergeven. In deze
modus werkt het motorregelsysteem
niet. Met andere woorden, de tractie-
controlefunctie werkt niet, maar
enkel de remcontrolefunctie werkt.
OGB058037
nType B
5-50
Rijden met uw auto
• Status 2
Houd de ESC OFF knop langer dan
3 seconden ingedrukt. ESC OFF
indicatielampje en boodschap wor-
den verlicht met een ESC OFF waar-
schuwingssignaal. In deze modus
werken het motorregelsysteem en
de remfunctie-regeling niet.
Met andere woorden, de Vehicle
Stability Controlefunctie werkt niet
meer.
Indien het contact op de LOCK/UIT
positie is wanneer ESC uit is, blijft
ESC uit. Pas wanneer de motor
opnieuw wordt gestart, zal de voer-
tuigstabiliteits regeling automatisch
weer worden ingeschakeld.
Controlelampjes
Als het contact in stand ON wordt
gezet, gaat het controlelampje ESC
branden. Als het systeem in orde is
dooft het lampje na enige tijd weer.
De ESC-lampje knippert als het ESC
actief is.
Indien de ESC-lampje aan blijft, er
een fout optreedt met het ESC sys-
teem. Wanneer dit waarschuwings-
lampje oplicht, adviseren we u het
systeem te laten controleren door
een officiële HYUNDAI-dealer zo
snel mogelijk.
Het controlelampje ESC OFF gaat
branden als het ESC wordt uitge-
schakeld met de schakelaar.
OGB058038
nType B
nControlelampje ESC (knippert)
n Controlelampje ESC OFF (gaat branden)
5-51
Rijden met uw auto
5
Als er banden en/of velgen met
een verschillende maat onder de
auto gemonteerd zijn, kan dat de
werking van het ESC in negatieve
zin beïnvloeden. Zorg er daarom
voor dat als de banden onder uw
auto vervangen moeten worden,
banden worden gebruikt die
dezelfde maat hebben als de origi-
nele banden.
Voertuigstabiliteitsregeling
(ESC) uitschakelen
Tijdens het rijden
De ESC OFT stand mag alleen kort
gebruikt worden als het voertuig
vast zit in sneeuw of modder, zodat
het ESC systeem tijdelijk gestopt
wordt met als doel de wielen te laten
draaien.
Schakel de elektronische stabiliteits-
regeling tijdens het rijden alleen uit
als u op een vlakke weg rijdt.
Voorkom schade aan het versnel-
lingsbak:
Laat wiel(en) van één as niet
excessief draaien als de waar-
schuwingslampen van ESC,
ABS en de remmen branden. De
reparaties vallen niet onder de
voertuiggarantie. Vermiinder het
vermogen van de motor en laat
de wiel(en) niet excessief draai-
en als deze lampen branden.
Schakel de elektronische stabili-
teitsregeling uit (controlelampje
ESC OFF brandt) als de auto op
een rollenbank getest wordt.
Informatie
Het uitschakelen van de elektronische
stabiliteitsregeling heeft geen gevolgen
voor een correcte werking van het
ABS en het standaard remsysteem.
i
AANWIJZING
AANWIJZING
De ESC is actief als ESC knip-
pert:
Rij langzaam en probeer niet
om te versnellen. Druk NOOIT
op de ESC OFF knop terwijl de
ESC indicatorlamp knippert, u
kunt namelijk de controle over
het voertuig verliezen wat kan
resulteren in een ongeval.
WAARSCHUWING
5-52
Rijden met uw auto
Vehicle Stability Management
(indien van toepassing)
VSM (Voertuig Stabiliteit Manage-
ment) helpt te garanderen dat het
voertuig stabiel blijft bij het acceleren
of plotseling remmen op natte, glad-
de en ongelijke wegen waarbij de
tractie van de vier banden plotseling
ongelijk wordt.
Werking VSM
VSM ON conditie
Het VSM werkt bij:
Elektronische Stabiliteitscontrole
(ESC) aan staat.
De voertuigsnelheid ligt op onge-
veer 15 km/h (9 mph) op bochtige
wegen.
De voertuigsnelheid ligt ongeveer
op 20 km/h (18 mph) als het voer-
tuig remt op ongelijke wegen.
In werking
Wanneer de remmen worden
gebruikt onder condities die de ESC
kunnen blokeren, kunt u geluid van
de remmen horen of een gelijksoor-
tig gevoel in het rempedaal hebben.
Dit is normaal en het betekent dat
het VSM actief is.
Het VSM werkt niet wanneer:
Het rijden op een glooiing, zoals
hellende of dalende weg.
Achteruit wordt gereden.
ESC OFF indicator lampje aan
staat.
EPS (Elektrische Stuurbekrach-
tiging) waarschuwingslampje
( ) aan staat.
AANWIJZING
Neem de volgende voorzorgs-
maategelen bij het gebruik van
VSM (Voertuig Stabiliteit Mana-
gement):
Het is aan de bestuurder om
zijn snelheid en de afstand tot
de wagen voor hem altijd te
controleren. VSM is geen ver-
vanging voor een veilig rijge-
drag.
Pas altijd de snelheid aan aan
de rijomstandigheden. De
VSM-systeem zal geen onge-
vallen voorkomen. Overma-
tige snelheid bij het draaien,
abrupte manoeuvers of nat
wegdek kan nog steeds leiden
tot ernstige ongevallen.
WAARSCHUWING
5-53
Rijden met uw auto
5
VSM OFF conditie
Om de ESC werking te annuleren,
druk op de ESC OFF knop. Het con-
trolelampje ESC OFF ( ) zal gaan
branden.
Druk nogmaals op de knop ESC
OFF, om de VSM te draaien. Het con-
trolelampje ESC OFF dooft.
Als er banden en/of velgen met een
verschillende maat onder de auto
gemonteerd zijn, kan dat de wer-
king van het ESC in negatieve zin
beïnvloeden. Zorg er daarom voor
dat als de banden onder uw auto
vervangen moeten worden, banden
worden gebruikt die dezelfde maat
hebben als de originele banden.
Hill-Start Assist Control (HAC)
(indien van toepassing)
De HAC (Helling Start Assistentie-
controle) voorkomt dat het voertuig
terug rolt als het voertuig gestart
wordt vanuit een stop op een helling.
Het systeem bedient de remmen
automatisch gedurende ongeveer 2
seconden en laat de rem los als het
gaspedaal wordt ingedrukt, of na 2
seconden.
De HAC werkt niet wanneer de
selectiehendel in stand P
(Parkeren) of N (Neutraal) staat.
De HAC wordt wel geactiveerd
wanneer het ESC-systeem
(Elektronische Stabiliteitsrege-
ling) uitgeschakeld is, maar niet
wanneer er een storing in het
ESC-systeem is opgetreden.
AANWIJZING
AANWIJZING
Indien de ESC-lampje ( ) of
EPS-lampje ( ) aan blijft, er
een fout optreedt met het VSM
systeem. Wanneer de waar-
schuwingslamp brandt, het
wordt aanbevolen het voertuig
wordt gecontroleerd door een
officiële HYUNDAI Verdeler.
WAARSCHUWING
Wees altijd klaar om het gaspe-
daal in te drukken als u op een
helling start. De HAC is alleen
gedurende 2 seconden geacti-
veerd.
WAARSCHUWING
5-54
Rijden met uw auto
Noodstopsignaal (ESS -
Emergency stop signal)
(indien van toepassing)
Het Noodstopsignaal systeem waar-
schuwt de bestuurder door de stop
lamp te laten knipperen als het voer-
tuig hard remt.
Het systeem wordt geactiveerd als:
Het voertuig stopt plotseling (voer-
tuigsnelheid is hoger dan 55km/h
(34mph) en de vertraging van het
voertuig is groter dan 7m/s2).
ABS wordt geactiveerd.
Het remlicht dooft weer wanneer de
rijsnelheid lager is dan 40 km/h en
het ABS wordt gedeactiveerd of de
auto niet meer sterk afremt. In plaats
daarvan gaan de alarmknipperlich-
ten automatisch branden. De alarm-
knipperlichten doven wanneer de rij-
snelheid hoger is dan 10 km/h zodra
de auto weer begint te rijden. De
alarmknipperlichten doven ook wan-
neer de auto langere tijd met een
lage snelheid rijdt. U kunt de lichten
uitschakelen door de schakelaar van
de alarmknipperlichten in te drukken.
Goed remgedrag
Het rijden met natte remmen kan
gevaarlijk zijn! De remmen kunnen
nat zijn als het voertuig door stil-
staand water heeft gereden of na het
wassen. De remweg van uw auto
wordt langer als de remmen nat zijn.
Ook kan de auto tijdens het remmen
naar één kant trekken als de rem-
men nat zijn.
U kunt de remmen drogen door het
rempedaal tijdens het rijden licht in
te trappen. Als de remmen droog
zijn, werkt het remsysteem weer nor-
maal. Als het remsysteem niet weer
normaal werkt, breng dan de auto op
een veilige plaats tot stilstand en
neem voor hulp contact op met een
officiële HYUNDAI-dealer.
Laat tijdens het rijden uw voet NIET
op het rempedaal rusten. Zelfs lichte,
constante druk op het rempedaal
kan ertoe leiden dat de remmen
oververhit raken, de remmen slijten
en mogelijk een band lek gaat zelfs
uitvallen.
Trap het rempedaal geleidelijk in en
verlaag uw snelheid terwijl u rechtuit
blijft rijden als u tijdens het rijden een
lekke band krijgt. Ga van de weg en
stop op een veilige plaats om het
wiel te wisselen.
Om het “kruipen” te vermijden, hou
de voet op het rempedaal wanneer
de auto is gestopt of stil moet staan.
Stop altijd volledig en blijf op het
rempedaal drukken als u het
voertuig verlaat of parkeert.
Verplaats de versnellingspook
staat naar P (Parkeren, automati-
sche transmissie/double clutch
transmissie) of 1e versnelling
(handgeschakelde transmissie);
stel de parkeerrem en plaats het
contact in de LOCK/OFF stand.
Indien de parkeerrem niet is
aangetrokken, kan de auto
onbedoeld in beweging komen
waardoor u of anderen letsel
kunnen oplopen.
WAARSCHUWING
5-55
Rijden met uw auto
5
Het ISG-systeem dient om brandstof
te besparen door de motor automa-
tisch uit te zetten als de auto stilstaat
(bijvoorbeeld voor een rood ver-
keerslicht, door een stopteken of in
een file).
De motor wordt automatisch gestart
als aan de startvoorwaarden voldaan
is.
Het ISG-systeem is altijd actief als
de motor draait.
Informatie
Als de motor automatisch gestart
wordt door het ISG-systeem kunnen
sommige waarschuwingslampjes (bij-
voorbeeld ABS, ESC, ESC OFF, EPS
en het waarschuwingslampje van het
parkeerremsysteem) enkele seconden
gaan branden als gevolg van een lage
accuspanning. Dat wijst echter niet
op een storing in het ISGsysteem.
Activeren van het ISG-systeem
Voorwaarden voor activeren
Het ISG-systeem werkt in de volgen-
de situaties:
- De veiligheidsgordel van de
bestuurder is vastgemaakt.
- Het bestuurdersportier en de
motorkap zijn gesloten.
- De remdruk is toereikend.
- De accu is voldoende geladen.
- De buitentemperatuur ligt tussen -
20 °C en 35 °C (-4 °F en 95 °F).
- De koelvloeistoftemperatuur is niet
te laag.
- Het systeem staat niet in de diag-
nosemodus.
- De auto rijdt op een steile helling
(auto met Double clutchtransmis-
sie).
- De auto rijdt op een steile helling
(auto met Double clutchtransmis-
sie).
Informatie
Het ISG-systeem wordt niet geacti-
veerd als niet voldaan is aan de
voorwaarden voor activeren. In dat
geval gaat het controlelampje in de
toets ISG OFF branden en gaat het
controlelampje AUTO STOP ( )
in het instrumentenpaneel geel
branden.
Als het bovenstaande controlelamp-
je blijft branden in het instrumen-
tenpaneel, raden we u aan het ISG-
systeem te laten controleren door
een officiële Hyundai-dealer.
i
i
ISG (IDLE STOP & GO) (INDIEN VAN TOEPASSING)
OGB054009
5-56
Rijden met uw auto
Automatisch uitzetten
Om de motor te stoppen in de onbe-
laste modus.
Voor auto met manuele transmissie
1. Verlaag de snelheid tot 5 km/h.
2. Zet de versnelling in stand N
(neutraal).
3. Haal uw voet van het koppelings-
pedaal.
Het Auto Stop-controlelampje ( )
in het instrumentenpaneel brandt
groen als de motor uit wordt gezet
Informatie
Nadat de motor automatisch uitgezet
is, moet de snelheid van de auto weer
minstens 10 km/h bedragen om de
motor weer uit te kunnen zetten in de
Idle Stop-modus.
Auto met automatische transmissie/
double clutch-transmissie
1. Verlaag de snelheid tot 0 km/h.
2. Trap het rempedaal in terwijl de
selectiehendel in stand D (Rijden)
of N (Neutraal) staat.
Het Auto Stop-controlelampje ( )
in het instrumentenpaneel brandt
groen als de motor uit wordt gezet
Informatie
Nadat de motor automatisch uitgezet
is, moet de snelheid van de auto weer
minstens 8 km/h bedragen om de
motor weer uit te kunnen zetten in de
Idle Stop-modus.
Wanneer de bestuurder in de Auto
Stop-modus de motorkap opent,
wordt het ISG-systeem gedeacti-
veerd.
Wanneer het systeem wordt gedeac-
tiveerd:
Het controlelampje in de toets ISG
OFF gaat branden.
i
i
OGB054012
OGB058073
5-57
Rijden met uw auto
5
De melding "Auto Stop deactivated.
Start manually (Auto Stop gedeacti-
veerd. Start handmatig)" verschijnt
op het LCD-display en er klinkt een
piepsignaal.
Op dat moment kunt u de auto als
volgt opnieuw starten:
Auto met handgeschakelde
transmissie
Trap het koppelingspedaal en het
rempedaal in terwijl de transmissie in
stand N (neutraal) staat.
Auto met automatische transmissie/
double clutch-transmissie
Trap het rempedaal in terwijl de selec-
tiehendel in stand P (parkeren) of N
(neutraal) staat. Start de auto, voor uw
eigen veiligheid, echter met de selec-
tiehendel in stand P (parkeren).
Automatisch starten
Starten van de motor in de Auto
Stop-modus
Auto met handgeschakelde transmis-
sie
Trap het koppelingspedaal in met
de transmissie in stand N (neu-
traal).
Het Auto Stop-controlelampje ( )
in het instrumentenpaneel gaat UIT
als de motor opnieuw gestart wordt
Auto met automatische transmissie/
double clutch-transmissie
Laat het rempedaal los.
Als de Auto Hold-functie is inge-
schakeld, start de motor niet wan-
neer u het rempedaal loslaat. Maar
als u het gaspedaal intrapt, zal de
motor weer starten.
Het Auto Stop-controlelampje ( )
in het instrumentenpaneel gaat UIT
als de motor opnieuw gestart wordt
De motor wordt automatisch
opnieuw gestart in de volgende
situaties.
- De aanjagersnelheid van het hand-
bediende verwarmings- en ventila-
tiesysteem staat in een hogere
stand dan stand 3 terwijl de aircon-
ditioning is ingeschakeld.
- De aanjagersnelheid van het auto-
matisch verwarmings- en ventila-
tiesysteem staat in een hogere
stand dan stand 6 terwijl de aircon-
ditioning is ingeschakeld.
- Er is een bepaalde periode vers-
treken terwijl de airconditioning is
ingeschakeld.
- De achterruitverwarming is inge-
schakeld.
- De remdruk is te laag.
- De accuspanning is laag.
- De rijsnelheid wordt hoger dan 5
km/h. (auto met Double clutch-
transmissie)
- De rijsnelheid wordt hoger dan 2
km/h. (auto met Double clutch-
transmissie)
- De transmissie wordt in stand P
(parkeren) of R (achteruit) gezet
terwijl het rempedaal wordt inge-
trapt.
OGB054014/OGB058039
nType A nType B
5-58
Rijden met uw auto
- Het portier wordt geopend of de
veiligheidsgordel wordt losge-
maakt terwijl het rempedaal wordt
ingetrapt.
Het controlelampje AUTO STOP
( ) in het instrumentenpaneel
knippert gedurende 5 seconden
groen en er verschijnt een melding
“Auto Start” op het LCD-display.
In de volgende gevallen wordt het
automatisch starten tijdelijk uitge-
schakeld.
Auto met handgeschakelde
transmissie
Wanneer de selectiehendel in een
andere stand wordt gezet zonder dat
het koppelingspedaal wordt inge-
trapt. Er verschijnt een melding
"Press Clutch Pedal for Auto Start"
(Druk het koppelingspedaal in voor
Automatisch starten) op de LCD-dis-
play. Zet de selectiehendel in stand
N (neutraal) en trap het koppelings-
pedaal in om het automatisch starten
in te schakelen.
Auto met automatische transmissie/
double clutch-transmissie
Wanneer de selectiehendel vanuit
stand N (Neutraal) in stand R
(Achteruit), stand D (Rijden) of in de
modus voor handmatig schakelen
wordt gezet zonder dat het rempe-
daal wordt ingetrapt. Er verschijnt
een melding "Press Brake Pedal for
Auto Start" (Druk het rempedaal in
voor Automatisch starten) op de
LCD-display. Trap het rempedaal in
om het automatisch starten in te
schakelen.
OGB054013 OGB058040
nType B
5-59
Rijden met uw auto
5
Deactiveren van het ISG-
systeem
Druk op de ISG OFF-knop om het
ISG-systeem te deactiveren. Dan
gaat het controlelampje in de ISG
OFF-knop branden en wordt de
melding "Auto Stop uit” weergege-
ven in het LCD-display.
Druk nogmaals op de ISG OFF-
knop om het ISG-systeem weer te
activeren. Dan gaat het controle-
lampje in de ISG OFF-knop UIT
Storing ISG-systeem
Het ISG-systeem werkt mogelijk
niet:
Als er een storing is in de ISG-sen-
soren of het ISG-systeem.
Het volgende gebeurt als er een sto-
ring is in het ISG-systeem:
Het controlelampje AUTO STOP
( ) in het instrumentenpaneel
knippert geel.
Het lampje in de ISG OFF-knop
gaat branden.
Informatie
Als u het controlelampje in de ISG
OFF-knop niet UIT kunt zetten
door op de ISG OFF-knop te druk-
ken of als de storing in het
ISGsysteem blijft bestaan, advise-
ren we u contact op te nemen met
een officiële HYUNDAI-dealer.
U kunt het controlelampje in de
toets ISG OFF UIT zetten door 2
uur lang met een snelheid van meer
dan 80 km/h te rijden met de aanja-
gersnelheid in een lagere stand dan
stand 2. Als het controlelampje in de
toets ISG OFF blijft branden, advi-
seren we u contact op te nemen met
een officiël HYUNDAI-dealer.
i
Als de motor in de Auto
Stopmodus staat, kan de motor
mogelijk opnieuw gestart wor-
den. Zet de motor uit alvorens
de auto te verlaten of de motor-
ruimte te gaan controleren door
het contact in stand LOCK/OFF
te zetten of door de contact-
sleutel te verwijderen.
WAARSCHUWING
5-60
Rijden met uw auto
Deactiveren van accusensor
[A] : Accusensor
De accusensor wordt gedeactiveerd
als voor onderhoudswerkzaamhe-
den de minkabel van de accu is los-
genomen.
In dat geval werkt het ISG-systeem
beperkt omdat de accusensor is
gedeactiveerd. Daarom moet de
bestuurder de volgende procedures
volgen om de accusensor te reacti-
veren na het losnemen van de accu-
kabel.
Voorwaarden voor reactiveren
van de accusensor
Laat de motor gedurende 4 uur UIT
staan en probeer daarna 3 tot 4 keer
de motor te starten om de accusen-
sor te reactiveren.
Sluit in geen geval een accessoire
(bijvoorbeeld navigatiesysteem en
black box) aan op de auto als de
motor UIT staat. Als u dat wel doet,
wordt de accusensor mogelijk niet
gereactiveerd.
Informatie
Het ISG-systeem werkt in de volgende
situaties mogelijk niet.
- Er is een storing aanwezig in het
ISG-systeem.
- De accuspanning is laag.
- De remdruk is te laag.
In dat geval, adviseren we u het ISG-
systeem te laten controleren door een
officiële HYUNDAI-dealer.
Gebruik voor vervanging uit-
sluitend een originele HYUNDAI
ISG-accu Als u dat niet doet,
werkt het ISG-systeem mogelijk
niet goed.
Laad de ISG-accu niet op met
een universele acculader. Als u
dat wel doet, kan er schade ont-
staan aan de ISG-accu of kan
deze exploderen.
Verwijder de accudoppen niet.
Als u dat wel doet kan er elek-
trolyt uit de accu lekken, dat
schadelijk is voor de gezond-
heid.
i
AANWIJZING
OGB078112
5-61
Rijden met uw auto
5
Werking van de cruise control
1. Controlelampje CRUISE
2. Controlelampje SET
Het cruise control systeem stelt u in
staat om harder te rijden dan 30
km/h zonder dat u het rempedaal
hoeft aan te raken.
CRUISE CONTROL (INDIEN VAN TOEPASSING)
OGB054016
Neem de volgende voorzorgs-
maatregelen:
Als het systeem niet wordt uit-
geschakeld (controlelampje
CRUISE blijft branden) kan de
cruise control mogelijk onbe-
doeld worden geactiveerd. Zet
het systeem uit ( controle-
lampje CRUISE UIT) wanneer
de cruise control niet gebruikt
wordt.
Gebruik het Cruise Control-
systeem alleen indien de ver-
keersdrukte en de weersom-
standigheden dat toelaten.
Houd bij het gebruik van het
cruise control-systeem de rij-
omstandigheden extra in
acht.
(Vervolg)
(Vervolg)
Gebruik de cruise control
nooit wanneer niet veilig met
een constante snelheid gere-
den kan worden:
- Als wordt gereden in druk
verkeer of wanneer het door
de verkeersomstandigheden
moeilijk is om met een con-
stante snelheid te rijden.
- Als wordt gereden op natte
of met ijs of sneeuw bedekte
wegen.
- Als wordt gereden op heu-
velachtige of bochtige we-
gen.
- Als wordt gereden in gebie-
den met veel wind.
- Als wordt rijden met een
aanhanger.
WAARSCHUWING
5-62
Rijden met uw auto
Cruise control-schakelaar
: Schakelt het cruise control sys-
teem in of uit. (ON CANCEL
OFF)
: Verandert de modus tussen
cruisecontrol-systeem en snel-
heidsbeperkingssysteem.
RES+: Hervatten of verhogen van de
snelheid van de cruise con-
trol.
SET-: Instellen of verlagen van de
snelheid van de cruise control.
Rijsnelheid instellen
1. Druk op de toets op het stuur-
wiel om de cruise control in te
schakelen. Het controlelampje
zal gaan branden.
2. Accelereer naar de gewenste
snelheid, die hoger moet zijn dan
30 km/h.
Informatie
Bij voertuigen met manuele transaxles
moet u het rempedaal minimum een
maal indrukken om de cruise control
in te stellen na het starten van de
motor.
3. Duw de hendel (1) naar beneden
(SET-) en laat hem los. Het SET
controlelampje zal gaan branden.
4. Haal uw voet van het gaspedaal.
Informatie
De wagen kan zacht vertragen of ver-
snellen wanneer het bergopwaarts of
bergafwaarts rijdt.
i
i
OGB054018
OGB054021
OGB054032
5-63
Rijden met uw auto
5
Rijsnelheid verhogen
Duw de hendel (1) naar boven
(RES+) en houd deze vast, terwijl u
toezicht houdt op de ingestelde
snelheid op het dashboard. Laat de
hendel los wanneer de gewenste
snelheid wordt weergegeven en de
auto zal versnellen tot die snelheid.
Duw de hendel (1) naar boven
(RES+) en laat hem onmiddellijk
los. De rijsnelheid zal iedere keer
als u de combischakelaar op deze
manier omhoog beweegt (naar
RES+) met 2,0 km/h toenemen.
Trap het gaspedaal in. Wanneer de
auto de gewenste snelheid bereikt,
duw de hendel (1) naar beneden
(SET-).
Rijsnelheid verlagen
Duw de hendel (1) naar beneden
(SET-) en houd deze vast. De auto
mindert geleidelijk snelheid. Laat
de schakelaar los op het moment
dat de gewenste snelheid is
bereikt.
Duw de hendel (1) naar beneden
(SET-) en laat hem onmiddellijk
los. De kruissnelheid zal 2.0 km/h
afnemen telkens wanneer de hen-
del op deze manier bediend wordt.
Tik zacht tegen het rempedaal.
Wanneer de auto de gewenste
snelheid bereikt, duw de hendel (1)
naar beneden (SET-).
Tijdelijk accelereren met
ingeschakelde cruise control
Trap het gaspedaal in. Wanneer u
uw voet van het gaspedaal haalt, zal
de auto terugkeren naar de eerder
ingestelde snelheid.
Als u de hendel naar beneden (SET-
) duwt op de verhoogde snelheid, zal
de cruisecontrol de verhoogde snel-
heid behouden.
OGB054018OGB054019
5-64
Rijden met uw auto
Het systeem wordt in de volgende
situaties uitgeschakeld:
Intrappen van het rempedaal.
Intrappen van het koppelingspe-
daal. (voor auto met manuele
transmissie)
Indrukken van de knop op het
stuurwiel.
Indrukken van de knop.
Zowel de indicator als de SET-
indicator gaan uit.
De versnellingspook in N (neu-
traal) zetten (auto met automati-
sche transmissie/double clutch-
transmissie).
Het verlagen van de snelheid tot
een snelheid die lager is dan onge-
veer 25 km/h.
Het Elektronische stabiliteitsrege-
ling (ESC) in werking is.
Informatie
Ieder van boven acties wordt de wer-
king van de cruise control onderbro-
ken (het controlelampje SET op het
instrumentenpaneel gaat uit), maar
alleen indrukken op de knop gaat
het systeem uit. Om de cruise control
weer te activeren beweegt u de combi-
schakelaar op het stuurwiel omhoog
(naar RES+). U zult terugkeren naar
de vorige ingestelde snelheid, tenzij
het systeem werd uitgeschakeld via de
cruise knop.
Om de vooraf ingestelde
kruissnelheid te hervatten
Duw de hendel (1) naar boven
(RES+) . Als de snelheid van de auto
hoger ligt dan 30 km/h, zal de auto
de ingestelde snelheid hervatten.
i
OGB054019OGB054021
5-65
Rijden met uw auto
5
Om de Cruise Control uit te
schakelen
Drukt u op de knop (het CRUI-
SE licht zal uitgaan).
Schakel de motor UIT.
OGB054021
5-66
Rijden met uw auto
Werking van de
Snelheidsbegrenzingysteem
U kunt de snelheidslimiet instellen
als u niet hoger dan een specifieke
snelheid wilt rijden.
Als u sneller rijdt dan de vooringe-
stelde snelheidsbeperking werkt het
waarschuwingsysteem (ingestelde
snelheidsbeperking knippert en geeft
een geluidsignaal weer) tot de snel-
heid van het voertuig terugkeert bin-
nen de snelheidslimiet.
Informatie
Tijdens de werking van de snelheids-
beperking controle kan het cruise con-
trol systeem niet worden ingescha-
keld.
Control schakelaar voor de
snelheidsbeperking
: Schakelt het Snelheidsbeper-
kingssysteem in of uit. (ON
CANCEL OFF)
: Verandert de modus tussen
cruisecontrol-systeem en snel-
heidsbeperkingssysteem.
RES+: Hervatten of verhogen van de
regelsnelheid voor de snel-
heidsbeperking.
SET-: Instellen of verlagen van de
regelsnelheid voor de snel-
heidsbeperking.
De snelheidsbeperking instellen
1. Drukt u op de knop op het
stuurwiel, en druk dan op de
knop om het systeem aan te zet-
ten. Het controlelampje van de
snelheidsbeperking in het instru-
mentenpaneel gaat branden.
i
SNELHEIDSBEPERKINGSSYSTEEM (INDIEN VAN TOEPASSING)
OGB054032
OGB054021
OGB054017
5-67
Rijden met uw auto
5
2. Duw de hendel naar beneden
(SET-).
3. Duw de hendel omhoog (RES+) of
omlaag(SET-), en laat hem los op
de gewenste snelheid. Duw de
hendel omhoog (RES +) of
omlaag (SET-) en houd deze vast.
De snelheid verhoogt of verlaagt
met 5 km/uur.
De ingestelde snelheidsbeperking
verschijnt op de instrument clus-
ter.
Als u sneller wilt rijden dan de voor-
ingestelde snelheidslimiet wanneer u
het gaspedaal minder dan 50%
indrukt, wordt de snelheid van het
voertuig gehandhaafd binnen de
snelheidsbeperking.
Hoewel, als u het gaspedaal meer
dan ca. 70% indrukt, kunt u sneller
rijden dan de snelheidsbeperking.
Daarna knippert de ingestelde snel-
heidsbeperking en een geluidsignaal
weerklinkt tot het voertuig terugkeert
binnen de snelheidsbeperking.
Om de controle van de
snelheidsbeperking uit te
schakelen, voert u een van de
volgende stappen uit:
Druk op de toets .
Druk op de toets . Het Cruise
Control System is ingeschakeld
zijn.
OGB054021
OGB054020
(INDIEN VAN TOEPASSING)
Het Forward Collision-Avoidance
Assist-systeem (FCA) is ontworpen
om door middel van cameraherken-
ning de voorligger te signaleren en in
de gaten te houden om de bestuur-
der te waarschuwen dat een aanrij-
ding zeer waarschijnlijk is en om,
indien nodig, een noodstop uit te
voeren.
hHet FCA-systeem signaleert geen
voetgangers.
Systeeminstelling en -
activering
Systeeminstelling
De bestuurder kan de FCA active-
ren door het contact in stand ON te
zetten en het volgende te selecte-
ren:
"Gebruikersinstellingen Bestu-
urdersassistentie Voorwaartse
veiligheid"
Het FCA-systeem wordt gedeacti-
veerd wanneer de bestuurder de
systeeminstelling annuleert
FORWARD COLLISION-AVOIDANCE ASSIST (FCA)- TYPE MET CAMERA
5-68
Rijden met uw auto
Neem bij het gebruik van de
Forward Collision-Avoidance
Assist (FCA) altijd de volgende
voorzorgsmaatregelen in acht:
Het systeem dient slechts als
hulpmiddel en vermindert niet
de noodzaak om voorzichtig
te rijden. Het bereik van de
parkeersensoren is beperkt
en niet alle objecten worden
even goed opgemerkt. Let te
allen tijde op de wegomstan-
digheden.
Rijd NOOIT harder dan de
wegomstandigheden of de
bochten toelaten.
Rijd altijd voorzichtig om
onverwachte en plotselinge
situaties te voorkomen. FCA
brengt de auto niet volledig
tot stilstand en voorkomt
geen aanrijdingen
WAARSCHUWING
Het waarschuwingslamp-
je gaat branden op het
LCD-display wanneer u
het FCA-systeem annu-
leert. De bestuurder kan de
AAN/UIT-status van de FCA aflezen
op het LCD-display. Het waarschu-
wingslampje gaat ook branden als
de ESC (Electronic Stability Control)
is uitgeschakeld. Als het waarschu-
wingslampje AAN blijft terwijl de FCA
geactiveerd is, adviseren we u het
systeem te laten nakijken door een
officiële Hyundaidealer.
De bestuurder kan op het
LCDscherm de waarschuwingstijd
instellen.
Ga naar "Gebruikersinstellingen
Bestuurdersassistentie Waar-
schuwingstijdstip Vroeg/Nor-
maal/Te laat".
Dit zijn de opties voor Forward
Collision Warning:
- Vroeg waarschuwing:
Bij deze keuze wordt Forward
Collision Warning eerder geacti-
veerd dan normaal. Deze instelling
hanteert een maximale afstand
tussen het voorgaande voertuig of
een voetganger voordat de eerste
waarschuwing wordt geactiveerd.
Hoewel 'Vroeg waarschuwing' is
geselecteerd, lijkt de aanvankelijke
waarschuwings-activeringstijd
mogelijk niet snel wanneer uw
voorligger plotseling stopt.
Als u vindt dat de waarschuwing te
vroeg gegeven wordt, stelt u dan
de Forward Collision Warning in op
"Normal".
- Normal [Normaal]:
Bij deze keuze wordt Forward
Collision Warning op de stan-
daardwijze geactiveerd. Deze
instelling hanteert een standaard-
afstand tussen het voorgaande
voertuig of een voetganger voor-
dat de eerste waarschuwing wordt
geactiveerd.
- Laat:
Bij deze keuze wordt het Forward
Collision Warning later geactiveerd
dan normaal. Deze instelling han-
teert een geringere afstand tussen
het voorgaande voertuig of een
voetganger voordat de eerste
waarschuwing wordt geactiveerd.
Selecteer 'Late waarschuwing'
wanneer er weinig verkeer is en
wanneer de rijsnelheid laag is.
Voorwaarden voor activeren
De FCA kan worden geactiveerd als
FCA is geselecteerd in het
LCDdisplay en als aan de volgende
voorwaarden is voldaan.
- De ESC (Electronic Stability
Control) is ingeschakeld.
De rijsnelheid is hoger dan 10
km/h. (De FCA wordt uitsluitend
geactiveerd binnen een bepaald
snelheidsbereik.)
- Het systeem signaleert een voor-
ligger die u mogelijk zal raken. (De
FCA wordt mogelijk niet geacti-
veerd of er klinkt mogelijk een
waarschuwingsgeluid overeen-
komstig de rijsituatie of de toe-
stand van de auto.)
5-69
Rijden met uw auto
5
FCA-waarschuwingsmelding
en systeemregeling
De FCA geeft waarschuwingsmel-
dingen en waarschuwingsalarmen
overeenkomstig het risico op een
aanrijding, zoals bij het plotseling
stoppen van de auto vóór u of een te
korte remafstand. Verder regelt het
systeem het remsysteem overeen-
komstig het risico op een aanrijding.
De bestuurder kan in de Gebrui-
kersinstellingen op het LCDscherm
de waarschuwingstijd instellen. De
opties voor de waarschuwingstijd
voor de Forward Collision Warning
zijn Vroeg waarschuwing, Normaal
en Late waarschuwing.
Botsing waarsch.
(Eerste waarschuwing)
Deze eerste waarschuwingsmelding
verschijnt op het LCD-display en er
klinkt een waarschuwingszoemer.
5-70
Rijden met uw auto
Breng de auto op een veilige
plaats volledig tot stilstand
voordat u de schakelaar op
het stuurwiel bedient om het
FCAsysteem in/uit te schake-
len.
De FCA wordt automatisch
geactiveerd nadat de start-
knop in stand ON is gezet. De
bestuurder kan de FCA deac-
tiveren door de systeemin-
stelling in het LCDdisplay uit
te schakelen. De FCA wordt
automatisch gedeactiveerd
als de ESC (elektronische sta-
biliteitsregeling) wordt uitge-
schakeld.
Als de ESC is uitgeschakeld,
kan de FCA niet worden geac-
tiveerd in het LCD-display.
Het waarschuwingslampje
FCA gaat branden. Dit is nor-
maal.
WAARSCHUWING
OGB058061
Botsing waarsch.
(tweede waarschuwing)
Deze waarschuwingsmelding ver-
schijnt op het LCD-display en er
klinkt een waarschuwingszoemer.
Daarnaast grijpt het motormanage-
mentsysteem in in sommige voer-
tuigsystemen om de auto te helpen
decelereren.
- Uw rijsnelheid neemt mogelijk
enigszins af.
- Het FCA-systeem regelt de rem-
men in beperkte mate om pre-
ventief de impact van een aanrij-
ding te beperken.
Noodremmen
(derde waarschuwing)
Deze waarschuwingsmelding ver-
schijnt op het LCD-display en er
klinkt een waarschuwingszoemer.
Daarnaast grijpt het motormanage-
mentsysteem in in sommige voer-
tuigsystemen om de auto te helpen
decelereren.
- Het FCA-systeem regelt de rem-
men in beperkte mate om pre-
ventief de impact van een aanrij-
ding te beperken. Net voor een
aanrijding wordt de remregeling
gemaximaliseerd.
Werking remsysteem
In een noodsituatie bereidt het
remsysteem zich voor op een
directe reactie zodra de bestuurder
het rempedaal intrapt.
De FCA zorgt voor extra remver-
mogen voor een maximale remver-
traging zodra de bestuurder het
rempedaal intrapt.
De regeling van het remsysteem
wordt automatisch gedeactiveerd
als de bestuurder het gaspedaal
sterk intrapt of het stuurwiel abrupt
verdraait.
De FCA-remregeling wordt auto-
matisch uitgeschakeld als de risi-
cofactoren verdwijnen.
5-71
Rijden met uw auto
5
OGB058061 OGB058062
De bestuurder dient altijd
uiterst voorzichtig te zijn bij het
bedienen van de auto, ongeacht
of het FCA-systeem ervoor
zorgt dat er een waarschu-
wingsmelding wordt weergege-
ven of een alarm klinkt.
OPMERKING
FCA sensor
Om ervoor te zorgen dat het
AEBsysteem goed werkt, moet de
behuizing van de sensor en de sen-
sor zelf schoon zijn en vrij zijn van
vuil, sneeuw enz.
Vuil, sneeuw e.d. op de behuizing
van de lens zelf kan de prestaties
van de sensor negatief beïnvloeden.
Plaats GEEN accessoires of sti-
ckers op de voorruit en breng
geen getinte coating aan op de
voorruit.
Plaats GEEN reflecterende objec-
ten (bijv. wit papier, spiegel) op
het dashboard. Iedere vorm van
lichtreflectie kan een storing in
het systeem veroorzaken.
Voorkom met de grootste zorg-
vuldigheid dat de camera in aan-
raking komt met water.
Probeer de camera NOOIT zelf te
demonteren en stel de camera
niet bloot aan schokken.
Als de sensor met kracht uit zijn
juiste positie wordt bewogen,
werkt het FCA-systeem mogelijk
niet goed. In dit geval wordt er
mogelijk geen waarschuwings-
melding weergegeven. We advi-
seren u de auto te laten contro-
leren door een officiële HYUN-
DAI-dealer.
Als het volume van het audio-
systeem van de auto hoog is,
zijn de waarschuwingssignalen
van het systeem mogelijk niet
hoorbaar.
AANWIJZING
5-72
Rijden met uw auto
Rijd nooit opzettelijk gevaarlijk
om het systeem in te schakelen.
WAARSCHUWING
Het FCA-systeem werkt binnen
bepaalde parameters, zoals de
afstand tot de voorligger, de
snelheid van de voorligger en
de rijsnelheid. Bepaalde
omstandigheden zoals slecht
weer en de wegomstandighe-
den hebben mogelijk een nega-
tieve invloed op de werking van
het FCA-systeem.
WAARSCHUWING
OGB058022
De regeling van het remsys-
teem kan de auto niet volledig
tot stilstand brengen noch alle
aanrijdingen voorkomen. De
bestuurder blijft zelf verant-
woordelijk voor het veilig rijden
en het bedienen van de auto.
WAARSCHUWING
Informatie
We adviseren u het ISG-systeem te
laten controleren door een officiële
HYUNDAI-dealer.
De voorruit is vervangen.
Waarschuwingsmelding en
waarschuwingslampje
Syst. Voor hulp bij vermijden kop-
staartbotsing (FCA) uitgeschakeld.
Camera is geblokkeerd.
Wanneer de behuizing van de lens
van de sensor wordt geblokkeerd
door vuil, sneeuw, e.d., wordt de wer-
king van het FCA-systeem mogelijk
tijdelijk uitgeschakeld. Als dit
gebeurt, wordt er een waarschu-
wingsmelding weergegeven op het
LCD-display.
Het systeem werkt normaal wanneer
vuil, sneeuw, e.d. is verwijderd.
Verwijder het eventueel aanwezige
vuil, sneeuw e.d en reinig de behui-
zing van de lens van de radarsensor
voordat u het FCAsysteem gebruikt.
De FCA werkt mogelijk niet goed in
een gebied (bijvoorbeeld een open
terrein) waar objecten niet worden
gesignaleerd nadat het contact in
stand ON is gezet.
i
5-73
Rijden met uw auto
5
OGB058066
Storing in het systeem
Controleer Forward Collision-
Avoidance Assist (FCA) (syst. voor
hulp bij vermijden kop-staartbotsing)
Als de FCA niet goed werkt, gaat
het waarschuwingslampje FCA
( ) branden en verschijnt er
gedurende enkele seconden een
waarschuwingsmelding. Nadat de
melding is verdwenen, gaat het
hoofdwaarschuwingslampje ( )
branden. In dat geval adviseren we
u de auto te laten controleren door
een officiële HYUNDAI-dealer.
Als de FCA -waarschuwingsmel-
ding wordt weergegeven, gaat
mogelijk ook het waarschuwings-
lampje ESC (elektronische stabili-
teitsregeling) branden.
5-74
Rijden met uw auto
De FCA is een aanvullend
systeem dat het gebruiksge-
mak voor de bestuurder ver-
groot. De bestuurder blijft zelf
verantwoordelijk voor het
bedienen van de auto.
Vertrouw niet blindelings op
het FCA-systeem. Bewaar
altijd voldoende afstand tot de
voorligger, zodat u de auto
veilig tot stilstand kunt bren-
gen en trap indien nodig het
rempedaal in om de rijsnel-
heid te verlagen.
In bepaalde gevallen en onder
bepaalde rijomstandigheden
wordt het FCA-systeem mo-
gelijk onbedoeld geactiveerd.
Deze eerste waarschuwings-
melding verschijnt op het
LCD-display en er klinkt een
waarschuwingszoemer.
Ook wordt in bepaalde geval-
len de voorligger mogelijk niet
gesignaleerd door de radar-
sensor voor of het cameraher-
kenningssysteem.
(Vervolg)
(Vervolg)
Het FCA-systeem wordt mo-
gelijk niet geactiveerd en de
waarschuwingsmelding wordt
niet weergegeven.
Zelfs als er een probleem is
met de remregelfunctie van
het FCA-systeem, werkt het
remsysteem in basis normaal.
De remregelfunctie voor het
vermijden van een aanrijding
wordt echter niet geactiveerd.
Als zich een storing voordoet
in het FCA-systeem, wordt de
Forward Collision-Avoidance
Assist niet geactiveerd, ook al
werkt het remsysteem nor-
maal.
Het FCA-systeem kan geacti-
veerd worden tijdens het rem-
men en de auto kan plotseling
tot stilstand worden gebracht,
waardoor losse objecten naar
de passagiers kunnen schui-
ven. Zet losse objecten altijd
goed vast.
(Vervolg)
WAARSCHUWING
OGB058064
Beperkingen van het systeem
De Forward Collision-Avoidance
Assist (FCA) is ontworpen om de
voorligger op de weg te signaleren
door middel van radarsignalen en
cameraherkenning. De bestuurder
wordt gewaarschuwd dat een aanrij-
ding zeer waarschijnlijk is en, indien
nodig, wordt een noodstop uitge-
voerd.
In bepaalde gevallen wordt de voor-
ligger mogelijk niet gesignaleerd
door de camera. In deze gevallen
werkt het FCA -systeem mogelijk niet
goed. In de volgende situaties wordt
de werking van de FCA mogelijk
beperkt en moet de bestuurder zeer
goed opletten.
5-75
Rijden met uw auto
5
(Vervolg)
Het FCA-systeem wordt mo-
gelijk niet geactiveerd als de
bestuurder het rempedaal
intrapt om een aanrijding te
voorkomen.
De remregeling kan onvol-
doende zijn, met mogelijk een
aanrijding tot gevolg, als een
voorligger plotseling stopt.
Let altijd zeer goed op.
Inzittenden kunnen letsel
oplopen als de auto plotseling
stopt doordat het FCA-sys-
teem geactiveerd is. Let zeer
goed op.
Het FCA-systeem werkt alleen
om voorliggers voor de auto
te signaleren.
Het FCA-systeem werkt niet
wanneer de auto achteruit-
rijdt.
Het FCA-systeem is niet ont-
worpen om andere objecten,
zoals dieren, op de weg te sig-
naleren.
Het FCA-systeem detecteert
vóór het voertuig geen voet-
gangers.
Het FCA-systeem signaleert
geen auto's in de naastgele-
gen rijstrook.
Het FCA-systeem signaleert
geen naderend verkeer van
links en rechts.
Wanneer de bestuurder de zij-
kant van een geparkeerde
auto (bijvoorbeeld in een
doodlopende straat) nadert,
kan dit niet door het FCA-sys-
teem worden gesignaleerd.
Bewaar in deze gevallen altijd
voldoende afstand tot de voor-
ligger, zodat u de auto veilig tot
stilstand kunt brengen en trap
indien nodig het rempedaal in
om de rijsnelheid te verlagen.
WAARSCHUWING
Signaleren van voertuigen
De werking van de sensor wordt
mogelijk in de volgende gevallen
beperkt:
De camera wordt geblokkeerd
door een vreemd voorwerp o.i.d.
De lens van de camera wordt
gehinderd door een getinte of
gecoate voorruit, een beschadigde
voorruit of verontreinigingen (sti-
cker, insect, enz.) op de voorruit
Slecht weer, zoals hevige regen of
sneeuw, hinderen het blikveld van
de camera
Elektromagnetische golven zorgen
voor interferentie
De herkenning door de camera is
beperkt
De voorligger is te smal om te wor-
den gesignaleerd (bijvoorbeeld
een motorfiets, een voetganger,
fiets, enz.).
De voorligger is te breed om door het
cameraherkenningssysteem te wor-
den gesignaleerd (bijvoorbeeld de
aanhanger van een trekker, enz.).
Het zichtveld van de bestuurder is
niet goed verlicht (te donker, te veel
reflectie of te veel tegenlicht waar-
door het zichtveld wordt gehinderd).
De voorligger heeft de achterlich-
ten niet ingeschakeld.
De helderheid van het omgevings-
licht verandert plotseling, bijvoor-
beeld wanneer u een tunnel in- of
uitrijdt.
Wanneer licht van een straatlan-
taarn of tegemoetkomende auto op
een nat wegdek of een plas op de
weg wordt gereflecteerd.
Het blikveld voor wordt gehinderd
door de schittering van de zon
De voorruit is beslagen; een helder
zicht op de weg is niet mogelijk.
De voorligger rijdt onregelmatig.
De auto rijdt op een onverharde of
slechte weg of op een weg met
plotselinge veranderingen in hel-
lingshoek.
Als er met de auto gereden wordt
in de buurt van gebieden met
metalen constructies, zoals bij
wegwerkzaamheden, spoorwegen,
enz.
De auto rijdt in een gebouw, zoals
een parkeergarage.
Slechte wegomstandigheden zor-
gen voor overmatige trillingen tij-
dens het rijden.
De herkenning door de sensor wij-
zigt plotseling wanneer over een
verkeersdrempel wordt gereden.
De auto voor nadert de rijrichting
van opzij.
De auto voor staat dwars op de rij-
richting stil.
De voorligger rijdt naar u toe of rijdt
achteruit.
U zich op een rotonde bevindt en
er een auto voor u rijdt.
De camera herkent het volledige
voorgaande voertuig niet.
De camera is beschadigd.
De helderheid van het omgevings-
licht is te laag, zoals wanneer de
koplampen in het donker uitge-
schakeld zijn of als de auto door
een tunnel rijdt.
Er valt dankzij een middenberm,
bomen, enz. een schaduw over de
rijstrookmarkering.
Het voertuig rijdt door een tolpoort.
De voorruit is beslagen; een helder
zicht op de weg is niet mogelijk.
Het achterste deel van het voor-
gaande voertuig is normaal niet
zichtbaar (het voertuig draait in
een andere richting of het voertuig
is volledig gedraaid).
5-76
Rijden met uw auto
- Rijden in bochten
De prestaties van het FCA-systeem
worden mogelijk beperkt bij het rij-
den op een bochtige weg.
Op bochtige wegen wordt de andere
auto op dezelfde rijstrook niet her-
kend en presteert het FCAsysteem
mogelijk minder goed. Mogelijk wordt
hierdoor onnodig alarm geslagen of
geremd of wordt er geen alarm
geslagen of niet geremd wanneer dit
nodig is.
Ook wordt in bepaalde gevallen op
een bochtige weg de voorligger
mogelijk niet gesignaleerd door de
radarsensor voor of het cameraher-
kenningssysteem.
Bewaar in deze gevallen altijd vol-
doende afstand tot de voorligger,
zodat u de auto veilig tot stilstand
kunt brengen en trap indien nodig
het rempedaal in om de rijsnelheid te
verlagen.
Mogelijk herkent het FCA-systeem
bij het rijden op een bochtige weg
een voertuig op de andere rijstrook.
In dit geval alarmeert het systeem de
bestuurder mogelijk onnodig en
wordt onnodig geremd.
Let tijdens het rijden altijd op de
wegen rijomstandigheden. Trap
indien nodig het rempedaal in om de
rijsnelheid te verlagen en een veilige
tussenafstand te bewaren.
Trap daarnaast indien nodig het gas-
pedaal in om te voorkomen dat de
auto onnodig door het systeem
decelereert.
Controleer of de wegomstandighe-
den een veilige werking van de FCA
mogelijk maken.
5-77
Rijden met uw auto
5
OOSEV058110N OOSEV058111N
- Rijden op een helling
De prestaties van de FCA nemen af
bij het op- of afrijden van een helling
omdat het systeem een voorligger op
dezelfde rijstrook mogelijk niet her-
kent. De FCA kan onnodig een waar-
schuwingsmelding of waarschuwing-
salarm geven of helemaal geen waar-
schuwingsmelding of waarschuwing-
salarm geven.
Als de FCA na de top plotseling een
voorligger signaleert, kan er sterk
gedecelereerd worden.
Kijk altijd voor u tijdens het op- of afrij-
den van een helling en trap indien
nodig het rempedaal in om uw rijsnel-
heid te reduceren en een veilige tus-
senafstand te houden.
- Wisselen van rijstrook.
Wanneer een voorligger van rijstrook
wisselt, wordt de auto mogelijk niet
direct door het FCA-systeem gesig-
naleerd, met name wanneer de auto
plotseling van rijstrook wisselt.
Bewaar in dit geval altijd voldoende
afstand tot de voorligger, zodat u de
auto veilig tot stilstand kunt brengen
en trap indien nodig het rempedaal
in om uw rijsnelheid te verlagen.
Wanneer u in langzaam rijdend en
stilstaand verkeer rijdt en een voor-
ligger de rijstrook verlaat, wordt uw
nieuwe voorligger mogelijk niet direct
door het FCA-systeem herkend.
Bewaar in dit geval altijd voldoende
afstand tot de voorligger, zodat u de
auto veilig tot stilstand kunt brengen
en trap indien nodig het rempedaal
in om uw rijsnelheid te verlagen.
5-78
Rijden met uw auto
OOSEV058112N OTM058119OGB058069
- Uw voorligger signaleren
Als uw voorligger een grote, naar
achteren uitstekende lading heeft of
een grotere bodemvrijheid heeft dan
uw auto, moet u extra goed opletten.
Mogelijk wordt de naar achteren uit-
stekende lading niet door het
FCAsysteem gesignaleerd. Bewaar
in deze gevallen altijd voldoende
afstand tot het object dat het dichtst
voor u is, zodat u de auto veilig tot
stilstand kunt brengen en trap indien
nodig het rempedaal in om uw rij-
snelheid te verlagen.
Informatie
In sommige gevallen wordt het
FCAsysteem mogelijk uitgeschakeld
wanneer het systeem wordt blootge-
steld aan elektromagnetische interfe-
rentie.
i
5-79
Rijden met uw auto
5
OGB058070
(Vervolg)
Probeer nooit de werking van
het FCA -systeem te testen.
Anders kunt u ernstig letsel
oplopen.
Als de voorruit of de voorruit-
camera vervangen of gerepa-
reerd is, adviseren we u de
auto te laten controleren door
een officiële Hyundai-dealer.
Gebruik de Forward Collision-
Avoidance Assist (FCA) niet
tijdens het slepen van een
auto. Het gebruik van het
FCAsysteem tijdens het sle-
pen kan de veiligheid van uw
auto of de auto die wordt
gesleept negatief beïnvloe-
den.
Wees uiterst voorzichtig als
uw voorligger een grote, naar
achteren uitstekende lading
heeft of een grotere bodem-
vrijheid heeft dan uw auto.
Het FCA -systeem is ontwor-
pen om de voorligger te sig-
naleren en in de gaten te hou-
den door middel van radarsig-
nalen en cameraherkenning.
Het is niet ontworpen om een
voetganger, om fietsen, mo-
torfietsen of kleinere objecten
op wielen, zoals bagagetas-
sen, winkelwagens of kinder-
wagens te signaleren.
(Vervolg)
WAARSCHUWING
5-80
Rijden met uw auto
Het waarschuwingssysteem voor het
onbedoeld verlaten van de rijbaan
herkent de rijbaan met de voorruitca-
mera op de voorruit en waarschuwt u
wanneer uw auto afwijkt van de rij-
baan.
LANE DEPARTURE WARNING-SYSTEEM (LDW) (INDIEN VAN TOEPASSING)
OGB058022
Neem de volgende voorzorgs-
maatregelen bij Waarschu-
wingssysteem Voor Het Onbe-
doeld Verlaten (LDW):
Check ALTIJD de toestand
van de wegen.
Het LDW zorgt er niet voor dat
de auto van rijbaan verandert
of op de rijbaan blijft.
Draai niet plots aan het stuur-
wiel als de LDW waarschuwt
dat uw auto de rijbaan verlaat.
Als de voorruitcamera de rij-
baan niet kan detecteren of
als de snelheid van de auto
geen 60 km/u (38 mph) over-
schrijdt, zal de LDW niet in
staat zijn om u te waarschu-
wen als de auto de rijbaan
verlaat.
Haal de voorruitcamera niet
uit elkaar, bijvoorbeeld om de
ruit extra te tinten of coatings
of accessoires aan te bren-
gen.
(Vervolg)
(Vervolg)
Als u de camera uit elkaar hebt
gehaald en weer in elkaar hebt
gezet, adviseren we u de kali-
bratie van het systeem te laten
controleren door een officiële
Hyundai-dealer.
Als u de voorruit of de voor-
ruitcamera hebt vervangen,
adviseren we u de kalibratie
van het systeem te laten con-
troleren door een officiële
Hyundai-dealer.
Zorg ervoor dat voorruitcame-
ra niet in contact komt met
water of vloeistof. Het kan
anders gebeuren dat de came-
ra wordt beschadigd.
Probeer de LDW-onderdelen
niet te verwijderen en becha-
dig de camera niet door een
sterke impact.
Plaats geen voorwerpen die
licht reflecteren op het crash-
pad.
Het waarschuwingssignaal van
het LDW-systeem is mogelijk
niet hoorbaar als het geluids-
volume van het audiosysteem
te hoog is ingesteld.
WAARSCHUWING
Het Lane Departure Warning-
systeem (LDW) is geen vervan-
ging voor een veilig rijgedrag,
maar dient slechts als hulpmid-
del. Het is de verantwoordelijk-
heid van de bestuurder om
altijd de omgeving in de gaten
te houden en het stuurwiel te
bedienen.
WAARSCHUWING
5-81
Rijden met uw auto
5
LDW-werking
In-/uitschakelen van het
LDWsysteem:
Druk met het contact in stand ON op
de toets van het LDW-systeem op het
dashboard, links van het stuurwiel.
Het controlelampje in het instrumen-
tenpaneel zal in eerste instantie wit
branden.
Wanneer het controlelampje (wit) tij-
dens de vorige contactcyclus is
geactiveerd, wordt het systeem inge-
schakeld zonder extra regeling.
Als u nogmaals op de knop drukt, de
indicator op het instrumentenpaneel
zal uitgaan.
De kleur van het contro-
lelampje is afhankelijk
van de status van het
LDW-systeem
- Wit: De sensor signaleert geen rij-
strookmarkeringen of de rijsnelheid
is lager dan 60 km/h.
- Groen kleur: Sensor detecteert de
rijstrookmarkering.
Als de auto de rijstrook verlaat wan-
neer de LDW ingeschakeld is en de
snelheid van de auto hoger is dan 60
km/h, werkt het waarschuwingssys-
teem als volgt:
OGB054023
OGB058047
OGB058044
nLijnen rijstrook gedetecteerd
nLijnen rijstrook niet gedetecteerd
5-82
Rijden met uw auto
1. Visuele waarschuwing
Als het voertuig de rijstrook verlaat,
knipperen de rijstrookmarkeringsindi-
cator van uitrijdrichting en de waar-
schuwingsindicator op het LCD-
scherm minder dan 3 seconden.
2. Auditieve waarschuwing
Als het voertuig de rijstrook verlaat,
het waarschuwingssignaal wordt
minder dan 3 seconden gegeven.
Waarschuwingslicht en
boodschap
Controleer LDW
Bij een storing in het systeem ver-
schijnt er gedurende enkele secon-
den een melding. Als het probleem
blijft bestaan, gaat het controlelamp-
je storing LDW-systeem branden.
Controlelampje storing
LDW-systeem
De LDW-storingsindica-
tor (geel) zal gaan bran-
den als het LDW niet cor-
rect werkt. Adviseren we
u de auto te laten controleren door
een officiële HYUNDAI-dealer.
Het LDW werkt niet wanneer:
De bestuurder zet de richtingaan-
wijzer aan om van rijstrook te ver-
anderen of zet de alarmknipper-
lichten op.
Rijden op de rijstrookmarkering.
hGebruik de richtingaanwijzer altijd
voor je van rijstrook wisselt.
OGB058046/OGB058045
nLinks nRechts
Terwijl andere piepjes zoals het
waarschuwingsgeluid voor de
veiligheidsgordel in werking zijn
en het LDW-alarmeringssysteem
wordt genegeerd, is het mogelijk
dat er geen LDW-pieptonen opt-
reden.
OPMERKING
OGB058048
Beperkingen van het systeem
De LDW mag u niet waarschuwen,
zelfs als de auto de rijstrook verlaat,
of u waarschuwen zelfs als de auto
de rijstrook niet verlaat wanneer her-
kenning van de rijstrookmarkering is
slecht of beperkt:
Als de rijstrook- en wegcondities
slecht zijn
- Het is moeilijk om de rijstrookmar-
kering van de weg te onderschei-
den wanneer de rijstrookmarkering
is bedekt met stof, zand of andere
factoren.
- De kleur van de rijstrookmarkering
is lastig te onderscheiden ten
opzichte van het wegdek.
- Er is iets dat op een rijstrookmar-
kering lijkt.
- De rijstrookmarkering beschadigd
of onduidelijk is.
- Het aantal rijstroken neemt toe of af
of de rijstrookmarkeringen lopen do-
or elkaar heen. De rijstrookmarke-
ring gaat op in een andere of splitst
zich (bijvoorbeeld bij een tolpoort).
- Er meer dan twee rijstrookmarke-
ringen zijn.
- De rijstrookmarkering is zeer breed
of smal.
- De rijstrookmarkering niet zicht-
baar is ten gevolge van sneeuw,
regen, een vlek, een plas of ande-
re factoren.
- Er valt dankzij een middenberm,
guardrail, geluidsschermen en
anderen een schaduw over de rij-
strookmarkering.
- Wanneer de rijstrookmarkeringen
gecompliceerd zijn of een structuur
in de plaats komt van de rijstroken
zoals een constructiezone.
- Er zijn zebrapadmarkeringen of
andere symbolen op het wegdek
aangebracht.
- De rijstrook houdt plotseling op,
zoals op een kruising.
- De rijstrookmarkering in een tunnel
is bedekt met vuil of olie en enz.
Als externe condities wijzigen:
- De helderheid van het omgevings-
licht verandert plotseling, bijvoor-
beeld wanneer u een tunnel in of
uit rijdt of onder een brug door rijdt.
- De koplampen 's nachts niet zijn
ingeschakeld of in een tunnel, of bij
slechte verlichting.
- Er is een grensstructuur in de rij-
baan.
- Wanneer licht van een straatlan-
taarn of tegemoetkomende auto op
een nat wegdek of een plas op de
weg wordt gereflecteerd.
- Wanneer het licht helder in de
omgekeerde richting schijnt dan
waarin u rijdt.
- De afstand tot de voorligger erg
kort is of de voorligger over de
markering van de rijstrook rijdt.
- U op een steile helling rijdt of een
scherpe bocht.
- De auto zwaar trilt.
- De temperatuur in de buurt van de
binnenspiegel is zeer hoog door
direct zonlicht en enz.
Wanneer het zicht naar voren
slecht is:
- De lens of de voorruit bedekt is
met vreemde stoffen.
- De sensor kan de rijstrook niet
waarnemen als gevolg van mist,
zware regenval of sneeuw.
- De voorruit aangedampt is door de
vochtige lucht in de auto.
- Lets op het crashpad en enz zet-
ten.
s
s
s
5-83
Rijden met uw auto
5
Het Lane Keeping Assist-systeem
(LKA) signaleert met behulp van een
camera bij de voorruit rijstrookmar-
keringen op de weg en assisteert de
bestuurder bij het besturen van de
auto om de auto op de rijstrook te
houden.
Als het systeem signaleert dat de
auto zijn rijstrook dreigt te verlaten,
wordt de bestuurder zichtbaar en
hoorbaar gewaarschuwd, terwijl
tegelijkertijd een lichte tegenstuur-
kracht wordt uitgeoefend, om te pro-
beren te voorkomen dat de auto bui-
ten de rijstrook terechtkomt.
LANE KEEPING ASSIST-SYSTEEM (LKA)
5-84
Rijden met uw auto
OGB058022
Het Lane Keeping Assistsysteem
(LKA) is geen vervanging voor
een veilig rijgedrag, maar dient
slechts als hulpmiddel. Het is de
verantwoordelijkheid van de bes-
tuurder om altijd de omgeving in
de gaten te houden en het stuur-
wiel te bedienen.
WAARSCHUWING
Neem bij het gebruik van het
Lane Keeping Assist-systeem
(LKA) altijd de volgende voor-
zorgsmaatregelen in acht:
Draai het stuurwiel niet plotse-
ling wanneer het stuurwiel
mede wordt bediend door het
systeem.
Het LKA-systeem voorkomt dat
de bestuurder onbedoeld de rij-
strook verlaat door de bestu-
ring te ondersteunen. De bes-
tuurder dient echter niet volle-
dig op het systeem te vertrou-
wen, maar altijd zelf controle te
houden over het stuurwiel om
op de rijstrook te blijven.
(Vervolg)
WAARSCHUWING
(Vervolg)
Door rijomstandigheden of
omgevingsfactoren kan het
LKA-systeem worden uitge-
schakeld of niet goed werken.
Wees altijd voorzichtig tijdens
het rijden.
Haal de camera van het LKA-
systeem niet uit elkaar, bijvoor-
beeld om de ruit extra te tinten
of coatings of accessoires aan
te brengen. Als u de camera uit
elkaar hebt gehaald en weer in
elkaar hebt gezet, adviseren we
u de kalibratie van het systeem
te laten controleren door een
officiële Hyundai-dealer.
Als u de voorruit, de camera
van het LKA-systeem of bijbe-
horende delen van het stuur-
wiel hebt vervangen, adviseren
we u de kalibratie van het sys-
teem te laten controleren door
een officiële Hyundai-dealer.
Het systeem herkent rijstrook-
markeringen via een camera en
bedient het stuurwiel. Als de rij-
strookmarkeringen moeilijk te
herkennen zijn, werkt het sys-
teem daardoor mogelijk niet
goed.
(Vervolg)
Werking LKA
In-/uitschakelen van het LKA-sys-
teem:
Druk met het contact in stand ON op
de toets van het LKA-systeem op het
dashboard, links van het stuurwiel.
Het controlelampje in het instrumen-
tenpaneel zal in eerste instantie wit
branden.
Dit geeft aan dat het LKA-systeem in
de status READY (gereed) en NOT
ENABLED (niet ingeschakeld) staat.
5-85
Rijden met uw auto
5
(Vervolg)
Raadpleeg “Beperkingen van
het systeem”.
Verwijder of beschadig geen
onderdelen die gerelateerd zijn
aan het LKA-systeem.
Het waarschuwingssignaal van
het LKA-systeem is mogelijk
niet hoorbaar als het geluidsvo-
lume van het audiosysteem te
hoog is ingesteld.
Terwijl andere piepjes zoals het
waarschuwingsgeluid voor de
veiligheidsgordel in werking
zijn en het LKA-alarmerings-
systeem wordt genegeerd, is
het mogelijk dat er geen LKA-
pieptonen optreden.
Plaats geen voorwerpen op het
dashboard die licht reflecteren,
zoals spiegels, wit papier, enz.
Het systeem werkt mogelijk niet
goed wanneer zonlicht wordt
gereflecteerd.
Houd het stuurwiel altijd vast
wanneer het LKA-systeem is
ingeschakeld.
(Vervolg)
(Vervolg)
Als u blijft rijden terwijl u het
stuurwiel niet vasthoudt nadat
de waarschuwing "Houd uw
handen op het stuur" is gege-
ven, wordt het systeem auto-
matisch uitgeschakeld. Als de
bestuurder echter zijn handen
weer op het stuurwiel heeft
gelegd, wordt het stuurwiel
weer door het systeem
bediend.
Het stuurwiel wordt niet conti-
nu bediend; als de rijsnelheid te
hoog is wanneer u van rijstrook
wisselt, wordt de auto mogelijk
niet door het systeem bediend.
De bestuurder moet zich altijd
aan de snelheidslimiet houden
als het systeem gebruikt wordt.
Als u objecten aan het stuur-
wiel bevestigt, assisteert het
systeem de besturing mogelijk
niet goed of werkt de waarschu-
wing handen van het stuur
mogelijk niet goed.
Als met een aanhanger rijdt
moet u het LKA-systeem uit-
schakelen.
OGB054023
Onthoud dat de rijsnelheid ten min-
ste ongeveer 60 km/h moet zijn om
de status van het LKA-systeem te
laten overschakelen naar ENABLE
(inschakelen). Het controlelampje in
het instrumentenpaneel gaat groen
branden.
De kleur van het contro-
lelampje is afhankelijk
van de status van het
LKA-systeem.
- Wit: De sensor signaleert geen rij-
strookmarkeringen of de rij-
snelheid is lager dan 60 km/h.
- Groen: De sensor detecteert rij-
strookmarkeringen en het
systeem is in staat de
besturing van de auto te
bedienen.
Informatie
Wanneer het controlelampje (wit) tij-
dens de vorige contactcyclus is geacti-
veerd, wordt het systeem ingeschakeld
zonder extra regeling. Als u nogmaals
op de knop drukt, de indicator op het
instrumentenpaneel zal uitgaan.
Activeren van het LKA-systeem
Om het scherm van het LKA-sys-
teem op het LCD-display van het
instrumentenpaneel weer te ge-
ven, selecteert u de modus
ASSIST ( ). (Zie "LCD-modus”
in hoofdstuk 3 voor meer informa-
tie.)
i
5-86
Rijden met uw auto
OGB058052
Het Lane Keeping Assist-sys-
teem (LKA) is een systeem dat
moet voorkomen dat de bes-
tuurder onbedoeld zijn rijstrook
verlaat. De bestuurder moet
echter niet uitsluitend op het
systeem vertrouwen maar tij-
dens het rijden altijd op de rij-
omstandigheden letten.
WAARSCHUWING
Als de rijsnelheid hoger is dan 60
km/h en het systeem rijstrookmar-
keringen signaleert, verandert de
kleur van grijs naar wit.
Als het systeem de linker rijstrook-
markering signaleert, verandert de
kleur van de linker rijstrookmarke-
ring van grijs naar wit.
Als het systeem de rechter rij-
strookmarkering signaleert, veran-
dert de kleur van de rechter rij-
strookmarkering van grijs naar wit.
Beide rijstrookmarkeringen moeten
worden gesignaleerd om het sys-
teem volledig te activeren.
Als de rijsnelheid hoger is dan 60
km/h en de toets van het
LKAsysteem is ingedrukt, is het
systeem ingeschakeld. Als uw auto
de rijstrook verlaat, werkt het LKA-
systeem als volgt:
Er verschijnt een visuele waarschu-
wing op het LCD-display in het ins-
trumentenpaneel. De linker of rech-
ter rijstrookmarkering op het
LCDdisplay in het instrumentenpa-
neel gaat knipperen, afhankelijk van
welke kant de auto opgaat.
Houd uw handen op het stuur
Als de bestuurder gedurende enkele
seconden de handen van het stuur-
wiel neemt terwijl het LKAsysteem is
geactiveerd, waarschuwt het sys-
teem de bestuurder.
Informatie
Als het stuurwiel heel lichtjes wordt
vastgehouden, kan de melding ook
worden weergegeven, aangezien het
LKA-systeem in dat geval niet her-
kent dat de bestuurder het stuurwiel
vasthoudt.
i
5-87
Rijden met uw auto
5
nRijstrookmarkering niet
gesignaleerd
nRijstrookmarkering
gesignaleerd
OGB058049/OGB058052
nRijstrookmarkering
links gesignaleerd nRijstrookmarkering
rechts gesignaleerd
OGB058051/OGB058050 OGB058053
Handen bestuurder niet gedetec-
teerd.
LKA-systeem wordt tijdelijk uitge-
schakeld
Als de bestuurder zijn handen niet
op het stuurwiel heeft gelegd nadat
de melding Houd uw handen aan het
stuurwiel is verschenen, wordt het
stuurwiel niet door het systeem
bediend en wordt de bestuurder
alleen gewaarschuwd wanneer de
bestuurder de rijstrookmarkering
overschrijdt.
Als de bestuurder echter zijn handen
weer op het stuurwiel heeft gelegd,
wordt het stuurwiel weer door het
systeem bediend.
Informatie
Hoewel het stuurwiel door het sys-
teem wordt bediend, kan de
bestuurder ook zelf het stuurwiel
bedienen.
Het stuurwiel kan zwaarder aanvoe-
len wanneer de besturing door het
systeem wordt ondersteund.
i
5-88
Rijden met uw auto
OGB058054
De waarschuwingsmelding kan
later worden weergegeven, dat
is afhankelijk van de wegcondi-
ties. Houd het stuurwiel daarom
tijdens het rijden altijd met
beide handen vast.
WAARSCHUWING
De bestuurder is zelf verant-
woordelijk voor een nauwkeu-
rige besturing.
Schakel in onderstaande situ-
aties het systeem uit en
bedien de auto zelf.
- Bij slecht weer
- Onder slechte wegomstan-
digheden
- Wanneer het stuurwiel dik-
wijls door de bestuurder
moet worden gedraaid.
WAARSCHUWING
Waarschuwingslicht en
boodschap
Controleer LKA-systeem
Bij een storing in het systeem ver-
schijnt er gedurende enkele secon-
den een melding. Als het probleem
blijft bestaan, gaat het controlelamp-
je storing LKA-systeem branden.
Controlelampje storing LKA-
systeem
Het controlelampje sto-
ring LKA-systeem (geel)
zal gaan branden als het
LKA-systeem niet goed
werkt. We raden u aan
het systeem door een
officiële HYUNDAI-dealer
na te laten kijken.
Handel bij een probleem met het
systeem als volgt:
Zet de motor uit en vervolgens
weer aan en schakel het systeem
in.
Controleer of het contact in stand
ON staat.
Controleer of het systeem wordt
beïnvloed door het weer (mist,
zware regenval, enz.).
Controleer of de lens van de came-
ra vuil is.
Is het probleem niet opgelost, dan
raden we u aan het systeem door
een officiële HYUNDAI-dealer na te
laten kijken.
In de volgende gevallen zal het
LKA-systeem zich niet in de status
ENABLED (ingeschakeld) bevinden
en wordt het stuurwiel niet bediend:
De richtingaanwijzer is aan voordat
er van rijstrook gewisseld wordt.
Als u van rijstrook wisselt zonder de
richtingaanwijzer te gebruiken, wordt
het stuurwiel mogelijk bediend.
Er wordt niet in het midden van de
rijstrook gereden wanneer het sys-
teem is ingeschakeld of direct na
het wisselen van rijstrook.
De ESC (elektronische stabiliteits-
regeling) of het VSM (Vehicle
Stability Management) is geacti-
veerd.
De auto maakt een scherpe bocht.
De rijsnelheid is lager dan 60 km/h
of hoger dan 200 km/h.
De auto wisselt abrupt van rijstrook.
De auto remt plotseling af.
Er is slechts één rijstrookmarkering
gesignaleerd.
De rijstrook erg breed of smal is.
Er zijn meer dan twee rijstrookmar-
keringen op de weg voor u. (bijv.
wegwerkzaamheden)
De auto rijdt op een steile helling.
Er wordt plotseling aan het stuur-
wiel gedraaid.
5-89
Rijden met uw auto
5
OGB058055
Beperkingen van het systeem
Het LKA-systeem treedt mogelijk
vroegtijdig in werking, ook al verlaat
de auto de rijstrook niet OF het
LKAsysteem waarschuwt u mogelijk
niet als de auto de rijstrook onder de
volgende omstandigheden verlaat:
Als de rijstrook- en wegcondities
slecht zijn
De rijstrookmarkering is lastig te
onderscheiden ten opzichte van
het wegdek of de rijstrookmarke-
ring is vervaagd of onduidelijk.
Het moeilijk is om de kleur van de
markering van de weg of de rij-
strook te onderscheiden is.
Er bevinden zich markeringen op
het wegdek die lijken op een rij-
strookmarkering. Deze worden
onbedoeld door de camera gesig-
naleerd.
De rijstrookmarkering gaat op in
een andere of splitst zich (bijvoor-
beeld bij een tolpoort).
Het aantal rijstroken neemt toe of
af of de rijstrookmarkeringen lopen
door elkaar heen.
Er zijn meer dan twee rijstrookmar-
keringen op de weg voor u.
De rijstrookmarkering is zeer breed
of smal.
De rijstroken voor de auto zijn niet
zichtbaar als gevolg van regen,
sneeuw, water op de weg, een
beschadigd of vuil wegdek, enz.
Er valt dankzij een middenberm,
bomen, enz. een schaduw over de
rijstrookmarkering.
De rijstroken zijn incompleet of er
zijn wegwerkzaamheden.
Er zijn zebrapadmarkeringen of
andere symbolen op het wegdek
aangebracht.
De rijstrookmarkering in een tunnel
is vervuild door olie, enz.
De rijstrook houdt plotseling op,
zoals op een kruising.
Als externe condities wijzigen:
De helderheid van het omgevings-
licht verandert plotseling, bijvoor-
beeld wanneer u een tunnel in of
uit rijdt of onder een brug door rijdt.
De helderheid van het omgevings-
licht is te laag, zoals wanneer de
koplampen in het donker uitge-
schakeld zijn of als de auto door
een tunnel rijdt.
Er bevindt zich een rijstrookafba-
kening, zoals betonblokken, een
geleiderail en reflectorpaal op de
weg, die onbedoeld door de came-
ra wordt gesignaleerd.
Wanneer licht van een straatlan-
taarn of tegemoetkomende auto op
een nat wegdek of een plas op de
weg wordt gereflecteerd.
Het blikveld voor wordt gehinderd
door de schittering van de zon.
Er is onvoldoende ruimte tussen u
en uw voorligger om de rijstrook-
markering te kunnen signaleren of
de voorligger rijdt op de rijstrook-
markering.
5-90
Rijden met uw auto
U rijdt op een steile helling, over
een heuvel of op een bochtige
weg.
Slechte wegomstandigheden zor-
gen voor overmatige trillingen tij-
dens het rijden.
De omgevingstemperatuur van de
achteruitkijkspiegel hoog is, te wij-
ten aan direct zonlicht, enz.
Wanneer het zicht naar voren
slecht is
De voorruitcamera lens wordt
geblokkeerd door vuil e.d.
De voorruit is beslagen; een helder
zicht op de weg is niet mogelijk.
Door het plaatsen van objecten op
het dashboard, enz.
De sensor kan de rijstrook niet
waarnemen als gevolg van mist,
zware regenval of sneeuw.
Wijzigen functie LKA-systeem
De bestuurder kan overschakelen
van het LKA-systeem naar het Lane
Departure Warning-systeem (LDW)
op het LCD-display.
Ga naar "Gebruikersinstellingen
Bestuurdersassistentie Rijst-rook-
veiligheid LKA-modus/LDW-mo-
dus".
LDW-modus
Het LDW-systeem waarschuwt de
bestuurder zichtbaar en hoorbaar als
het systeem signaleert dat de auto
de rijstrook verlaat. Het stuurwiel
wordt niet bediend.
LKA-modus
De LKA-modus helpt de bestuurder
de auto op de rijstrook te houden.
Het bedient nagenoeg nooit het
stuurwiel als de auto goed op de rij-
strook rijdt. Als de auto de rijstrook
dreigt te verlaten, begint het het
stuurwiel echter wel te bedienen.
5-91
Rijden met uw auto
5
Het Lane Keeping Assist-sys-
teem (LKA) is een systeem dat
moet voorkomen dat de
bestuurder onbedoeld zijn rij-
strook verlaat. De bestuurder
moet echter niet uitsluitend op
het systeem vertrouwen maar
tijdens het rijden altijd op de rij-
omstandigheden letten.
WAARSCHUWING
5-92
Rijden met uw auto
Het Driver Attention Warning-sys-
teem (DAW) geeft weer of de
bestuurder moe is of niet oplet.
Systeeminstelling en -
activering
Systeeminstelling
Start de motor en selecteer "Geb-
ruikersinstellingen Bestuurder-
shulp DAW (Waarschuwing
oplettendheid bestuurder) Ho-
gegevoeligheid /Normale gevoelig-
heid" op het LCD-display om het
Driver Attention Warningsysteem
(DAW) in te schakelen.
De bestuurder kan de modus
Driver Attention Warning-systeem
(DAW) selecteren.
- Uit: Het Driver Attention Warning-
systeem (DAW) is gedeactiveerd.
- Normale gevoeligheid: Het Driver
Attention Warning-systeem (DAW)
waarschuwt de bestuurder over
de mate van vermoeidheid of
onoplettend rijgedrag.
- Hoge gevoeligheid: Het Driver At-
tention Warning-systeem (DAW)
waarschuwt de bestuurder over
de mate van vermoeidheid of
onoplettend rijgedrag in een eer-
der stadium dan in de modus
Normal.
De geselecteerde instelling van het
Driver Attention Warning-systeem
(DAW) blijft bewaard als de motor
opnieuw wordt gestart.
Weergave van aandachtsniveau
bestuurder
DRIVER ATTENTION WARNING-SYSTEEM (DAW) (INDIEN VAN TOEPASSING)
OGB058056
nSysteem uit
OIK057130L
nOplettend rijgedrag
5-93
Rijden met uw auto
5
De bestuurder kan zijn rijgedrag
bekijken op het LCD-display.
Het DAW-scherm verschijnt als u
de tab ASSIST-modus ( ) selec-
teert op het LCD-display als het
systeem geactiveerd is. (Zie
"LCD-modus” in hoofdstuk 3
voor meer informatie.)
Het aandachtsniveau van de
bestuurder wordt weergegeven op
een schaal van 1 - 5. Hoe lager het
niveau, hoe onoplettender de
bestuurder is.
Het niveau wordt lager als de
bestuurder gedurende een bepa-
alde periode geen pauze neemt.
Het niveau wordt hoger als de
bestuurder gedurende een bepa-
alde periode oplettend rijdt.
Als de bestuurder het systeem
inschakelt tijdens het rijden, wor-
den "Vorige pauze" en het niveau
weergegeven.
Neem een pauze
De melding "Neem een pauze"
verschijnt op het LCD-display en er
klinkt een waarschuwingssignaal
om de bestuurder voor te stellen
een pauze te nemen als het aan-
dachtsniveau van de bestuurder
lager is dan 1.
Het Driver Attention Warningsys-
teem (DAW) stelt de bestuurder
niet voor een pauze te nemen als
de totale reisduur korter is dan 10
minuten.
OIK057132L
OGB058058
nOnoplettend rijgedrag
5-94
Rijden met uw auto
Resetten van het systeem
Het laatste pauzetijdstip wordt
ingesteld op 00:00 en het aan-
dachtsniveau van de bestuurder
wordt ingesteld op 5 (zeer oplet-
tend) als de bestuurder het Driver
Attention Warningsysteem (DAW)
reset.
Het Driver Attention Warningsys-
teem (DAW) reset het laatste pau-
zetijdstip op 00:00 en het aan-
dachtsniveau van de bestuurder
op 5 in de volgende situaties.
- De motor is uitgeschakeld.
- De bestuurder maakt zijn veilig-
heidsgordel los en opent vervol-
gens het bestuurdersportier.
- De auto staat gedurende ten min-
ste.
Het Driver Attention Warningsys-
teem (DAW) gaat weer werken als
de bestuurder weer gaat rijden.
Systeem standby
Het Driver Attention Warningsys-
teem (DAW) gaat naar de stand
gereed en geeft het scherm
'Uitgeschakeld' weer in de volgende
situaties.
- De camera signaleert geen rijstro-
ken.
- De rijsnelheid blijft lager dan 60
km/h of hoger dan 200 km/h.
OGB058059
Terwijl andere piepjes zoals het
waarschuwingsgeluid voor de
veiligheidsgordel in werking
zijn en het DAW-alarmerings-
systeem wordt genegeerd, is
het mogelijk dat er geen DAW-
pieptonen optreden.
OPMERKING
5-95
Rijden met uw auto
5
Storing in het systeem
Controleer Driver Attention
Warningsysteem (DAW)
Als de waarschuwingsmelding "Check
systeem waarsch. oplettendh. best.
(DAW)" wordt weergegeven, werkt het
systeem niet goed. In dat geval advi-
seren we u de auto te laten controle-
ren door een officiële HYUNDAI-
dealer.
Het Driver Attention Warningsys-
teem (DAW) maakt gebruik van de
camerasensor op de voorruit. Om
de camerasensor in de beste staat
te houden, moet u het volgende in
acht nemen:
Plaats GEEN accessoires of sti-
ckers op de voorruit en breng
geen getinte coating aan op de
voorruit.
Plaats GEEN reflecterende ob-
jecten (bijv. wit papier, spiegel)
op het dashboard. Elke lichtre-
flectie kan een storing in het
Driver Attention Warningsys-
teem (DAW) veroorzaken.
Voorkom met de grootste zorg-
vuldigheid dat de camerasensor
in aanraking komt met water
Probeer de camera NOOIT zelf te
demonteren en stel de camera
niet bloot aan schokken.
AANWIJZING
OGB058060
Het Driver Attention Warning-
systeem (DAW) is geen ver-
vanging voor een veilig rijge-
drag, maar dient slechts als
hulpmiddel. Het is de verant-
woordelijkheid van de bes-
tuurder altijd voorzichtig te rij-
den om onverwachte en plot-
selinge situaties te voorko-
men. Let te allen tijde op de
wegomstandigheden.
Het systeem kan een pauze
voorstellen naar aanleiding
van het rijgedrag van de
bestuurder, ook al voelt de
bestuurder zich niet ver-
moeid.
Een bestuurder die zich ver-
moeid voelt zou een pauze
moeten nemen, ook al wordt
er door het Driver Attention
Warning-systeem (DAW) niet
voorgesteld een pauze te
nemen.
WAARSCHUWING
5-96
Rijden met uw auto
Haal de camera niet uit elkaar,
bijvoorbeeld om de ruit extra te
tinten of coatings of accessoires
aan te brengen. Als u de camera
uit elkaar hebt gehaald en weer
in elkaar hebt gezet, adviseren
we u de kalibratie van het sys-
teem te laten controleren door
een officiële Hyundai-dealer.
Het Driver Attention Warning-
systeem (DAW) werkt mogelijk
niet goed en waarschuwt in
beperkte mate onder de volgen-
de omstandigheden:
De rijstrook wordt slecht her-
kend. (Zie "Lane Keeping
Assist-systeem (LKA)" in dit
hoofdstuk voor meer informa-
tie.)
Er wordt wild met de auto
gereden of er wordt abrupt om
een obstakel heen gestuurd
(bijv. wegwerkzaamheden,
andere voertuigen, gevallen
objecten, slechte wegen).
(Vervolg)
OPMERKING
(Vervolg)
Het rijgedrag van de auto in
voorwaartse richting laat ern-
stig te wensen over (door een
groot verschil in banden-
spanning, ongelijkmatige
bandenslijtage, onjuist toe-
spoor/uitspoor).
De auto rijdt op een slechte
weg.
De auto rijdt op een slingeren-
de weg.
De auto rijdt door een gebied
waarin het hard waait.
De volgende rijbegeleidings-
systemen zijn actief:
- Lane Keeping Assist-sys-
teem (LKA)
- Forward Collision-Avoidan-
ce Assist-systeem (FCA)
Als het volume van het audio-
systeem van de auto hoog is,
zijn de waarschuwingssignalen
van het Driver Attention War-
ningsysteem (DAW) mogelijk
niet hoorbaar.
OPMERKING
5-97
Rijden met uw auto
5
RIJDEN ONDER SPECIALE RIJOMSTANDIGHEDEN
Rijden onder moeilijke
omstandigheden
Neem de volgende raadgevingen in
acht als ten gevolge van zware
regenval, sneeuw, ijzel, modder of
zand het rijden bemoeilijkt wordt:
Rijd voorzichtig en bewaar extra
afstand tot het overige verkeer.
Vermijd abrupt remmen of sturen.
Probeer weg te rijden in de tweede
versnelling als de auto vastzit in
sneeuw, modder of zand. Geef voor-
zichtig gas om te voorkomen dat de
wielen doorslippen.
Gebruik zand, pekel, of ander anti-
slipmateriaal onder de aangedreven
wielen als de auto vast is komen te
zitten in ijs, sneeuw of modder.
Op eigen kracht lostrekken
van de auto
Verdraai eerst het stuurwiel een aan-
tal keren naar rechts en naar links
om de voorwielen vrij te maken wan-
neer de auto vastzit in ijs, modder of
sneeuw en het nodig is de auto heen
en weer te schommelen om te pro-
beren hem los te trekken. Schakel
dan heen en weer tussen 1e en R
(Achteruit, handgeschakelde trans-
missie) of R (Achteruit) en voor-
waartse versnelling (voor automati-
sche transmissie/double clutch
transmissie). Probeer het draaien
van de wielen te voorkomen, en voer
het toerental van de motor niet te
hoog op.
Om te voorkomen dat de transas
slijt, wacht u totdat de wielen niet
meer draaien voordat u van versnel-
ling verandert. Laat het gaspedaal
los tijdens schakelen, en druk licht
op het gaspedaal totdat de transas
gekoppeld is. Laat de wielen lang-
zaam naar voren en naar achteren
rollen, dit veroorzaakt een schom-
melende beweging die het voertuig
weer vrij kan geven.
Als de banden op hoge snelheid
draaien, dan kunnen de banden
ontploffen, en u of anderen kun-
nen gewond raken. Doe dat echter
niet als er mensen of obstakels in
de directe nabijheid van de auto
aanwezig zijn.
Het voertuig kan oververhit raken
waardoor een motorafdeling
brand kan vatten of andere scha-
de kan ontstaan. Laat de wielen zo
min mogelijk draaien en voorkom
dat de wielen spinnen bij snelhe-
den hoger dan 56 km/h (35 mph),
zoals aangegeven op de snel-
heidsmeter.
Als de auto na enkele pogingen
nog vastzit, dient u de auto los te
laten trekken om oververhitting van
de motor en beschadiging van de
transmissie en banden te voorko-
men. Zie “Slepen” in hoofdstuk 6.
AANWIJZING
AANWIJZING
Op een glad wegdek terugscha-
kelen bij een automatische
transmissie/double clutch-
transmissie kan ongelukken
veroorzaken. Door de plotselin-
ge verandering in wielsnelheid
kunnen de banden slippen.
Wees voorzichtig met het terug-
schakelen op een glad wegdek.
WAARSCHUWING
5-98
Rijden met uw auto
Rijden in het donker
Pas uw snelheid zo aan dat u in
bochten niet hoeft te remmen of te
schakelen, vooral op een nat weg-
dek. Het beste is licht accelererend
de bocht uit te rijden.
Vloeiend nemen van bochten
Nachtsrijden geeft meer risico's dan
rijden bij daglicht. Volgen hier een
aantal belangrijke tips om te onthou-
den:
Rijd langzamer en houd meer
afstand tussen u en uw voorliggers
omdat het zicht in het donker
beperkter is, vooral in gebieden
waar geen straatverlichting is.
Stel uw spiegels bij om schittering
door de koplampen van andere
auto's te beperken.
Houd de verlichting schoon en juist
afgesteld. Vuile of verkeerd afge-
stelde koplampen beperken het
zicht in het donker.
Kijk niet rechtstreeks in de koplam-
pen van tegemoetkomende auto's.
U kunt daardoor tijdelijk verblind
raken en het duurt enkele secon-
den voordat uw ogen weer aan de
duisternis gewend zijn.
Rijden in de regen
Regen en natte wegen kunnen het
rijden gevaarlijk maken. Hier volgen
een aantal aandachtspunten voor
het rijden in de regen en natte
wegen:
Rijd voorzichtig en bewaar extra
afstand tot het overige verkeer.
Door hevige regenval zal het zicht
beperkt worden en de remafstand
groter worden. Matig daarom uw
snelheid.
Vervang de ruitenwisserbladen als
ze strepen achterlaten of bepaalde
stukken overslaan.
Zorg ervoor dat de banden in
goede staat verkeren. Wanneer de
banden niet in een goede staat
verkeren, kunnen de wielen bij een
noodstop op een nat wegdek gaan
slippen, waardoor een ongeluk kan
ontstaan. Zie "Bandloopvlak" in
hoofdstuk 7.
Schakel uw verlichting in zodat
anderen u beter kunnen zien.
5-99
Rijden met uw auto
5
Te snel door grote waterplassen rij-
den kan uw remmen aantasten.
Als u door plassen moet rijden,
probeer dit dan langzaam te doen.
Trap het rempedaal tijdens het rij-
den licht in totdat de remmen weer
normaal werken wanneer u ver-
moed dat uw remmen nat gewor-
den zijn.
Aquaplanning
Uw voertuig maakt nog maar weinig
contact met de weg, en rijdt eigenlijk
op het water, als er veel water op de
weg is en u snel genoeg hiervoor
gaat. Het beste advies is om LANG-
ZAMER te gaan rijden als de weg
nat is. Het risico op aquaplanning
neemt toe als de diepte van de band-
groeven afneemt, zie "Bandloopvlak"
in hoofdstuk 7.
Doorwaden van water
Vermijd het doorwaden van water
tenzij u er zeker van bent dat het
water niet hoger komt dan de onder-
zijde van de wielnaven. Rijd altijd
langzaam bij het doorwaden van
water.
Bewaar voldoende remafstand
omdat het remvermogen verminderd
kan zijn. Droog de remmen door na
het doorwaden bij lage snelheid het
rempedaal een aantal malen voor-
zichtig in te trappen.
5-100
Rijden met uw auto
Sneeuw en ijs
Bewaar voldoende afstand tot uw
voorligger.
Gebruik de remmen voorzichtig. Zijn
hoge snelheden, plotseling remmen
en het nemen van scherpe bochten
potentieel gevaarlijke situaties.
Probeer bij het afremmen zoveel
mogelijk op de motor af te remmen.
Door plotseling te remmen op een
met sneeuw of ijs bedekte weg kan
de auto in een slip raken.
Om met uw auto op een besneeuwd
wegdek te kunnen rijden, kan het
noodzakelijk zijn gebruik te maken
van winterbanden of sneeuwkettin-
gen onder uw auto te monteren.
Neem de benodigde uitrusting voor
noodgevallen mee. Onder deze
zaken vallen bijvoorbeeld sneeuw-
kettingen, een sleepkabel of -ketting,
een zaklantaarn, een alarmknipper-
licht, zand, een schep, hulpstartka-
bels, een ruitenkrabber, handschoe-
nen, een stuk zeil of een kleed, een
deken, enz.
Winterbanden
Als u winterbanden op uw auto laat
monteren, controleer dan of deze
dezelfde maat en beladingsindex
hebben als de originele banden.
Monteer sneeuwbanden op alle vier
de wielen, voor een optimale weglig-
ging onder alle weersomstandighe-
den. Houd er rekening mee dat de
grip op een droog wegdek met win-
terbanden iets lager is dan met de
originele banden. Raadpleeg uw
bandenleverancier voor de maxi-
mum snelheid van de banden.
Informatie
Monteer geen banden met spikes zon-
der eerst na te gaan of het gebruik
hiervan niet wettelijk verboden is.
i
RIJDEN IN DE WINTER
De maat en het type van de win-
terbanden moeten gelijk zijn
aan die van de standaard
gemonteerde banden. Anders
kan de veiligheid en het rijge-
drag van uw auto negatief beïn-
vloed worden.
WAARSCHUWING
5-101
Rijden met uw auto
5
Sneeuwkettingen
Omdat de wangen van een radiaal-
band vrij dun zijn, kunnen ze door
sommige typen sneeuwkettingen
beschadigd raken. Daarom wordt
aanbevolen om winterbanden te
gebruiken in plaats van sneeuwkettin-
gen. Monteer geen sneeuwkettingen
op auto's met lichtmetalen velgen;
indien onvermijdelijk moet een draad
soort ketting. Als het gebruik van ban-
denkettingen verplicht is, raden we
aan om gebruik te maken van origine-
le HYUNDAI onderdelen en om de
bandenketting te installeren nadat u
de instructies hierover gelezen hebt.
Schade aan uw auto die het gevolg is
van het gebruik van ongeschikte
sneeuwkettingen valt niet onder de
fabrieksgarantie van uw auto.
Informatie
Installeer sneeuwkettingen op de
voorste banden. Het monteren van
sneeuwkettingen zorgt wel voor een
betere grip maar kan niet voorko-
men dat de auto in een slip raakt.
Monteer geen sneeuwkettingen zon-
der eerst na te gaan of het gebruik
hiervan niet wettelijk verboden is.
Aanbrengen van sneeuwkettingen
Volg voor het plaatsen van de kettin-
gen de aanwijzingen van de fabri-
kant en trek de kettingen zo strak
mogelijk aan. Pas de snelheid aan
met de gemonteerde kettingen (min-
der dan 30 km/ uur). Als u de kettin-
gen tegen de carrosserie of het
chassis hoort slaan, stop dan
meteen en trek de kettingen aan. Als
ze daarna nog tegen de auto slaan,
matig uw snelheid dan totdat dit niet
meer gebeurt.
Verwijder de sneeuwkettingen zodra
u weer op een schone weg rijdt.
Parkeer de auto op een vlakke
ondergrond en uit de buurt van het
overige verkeer voor het monteren
van de sneeuwkettingen. Zet de
Alarmknipperlichten aan en plaats
(indien mogelijk) een gevarendrie-
hoek achter de auto. Zet de trans-
missie in stand P (Parkeren), acti-
veer de parkeerrem en zet de motor
af alvorens de sneeuwkettingen te
monteren.
i
OED050200
Het rijgedrag van de auto kan
door het gebruik van sneeuw-
kettingen negatief beïnvloed
worden:
Rijd nooit sneller dan 30 km/h
of sneller dan de door de
fabrikant aanbevolen snel-
heid. Houd de laagste snel-
heid aan.
Rijd voorzichtig en vermijd
oneffenheden, gaten, scherpe
bochten en andere situaties
waardoor de auto plotseling
zou kunnen uitveren.
Vermijd het maken van scher-
pe bochten en het remmen
met geblokkeerde wielen.
WAARSCHUWING
5-102
Rijden met uw auto
Wanneer u sneeuwkettingen
gebruikt:
Kettingen die een verkeerde ma-
at hebben of niet goed gemon-
teerd zijn, kunnen de remleidin-
gen, wielophanging, carrosse-
rie, en velgen van uw auto
beschadigen.
Gebruik uitsluitend sneeuwket-
tingen van SAE-klasse S.
Als u lawaai hoort veroorzaakt
door contact van de kettingen
met de behuizing, zet dan de
ketting verder vast zodat con-
tact met de carrosserie van de
auto voorkomen wordt.
Voorkom schade aan de carros-
serie, en zet de kettingen opni-
euw vast na ongeveer 0.5~1.0
km (0.3~0.6 mijl).
Monteer geen sneeuwkettingen
op auto's met lichtmetalen vel-
gen.
Indien onvermijdelijk moet een
draad soort ketting.
Gebruik sneeuwkettingen die
minder breed zijn dan 15 mm
(0.59 in) om schade aan de ket-
tingaansluiting te voorkomen.
Voorzorgsmaatregelen voor
de winter
Gebruik hoogwaardige
ethyleenglycol koelvloeistof
Uw auto wordt afgeleverd met een
koelsysteem dat gevuld is met hoog-
waardige ethyleenglycol koelvloei-
stof. Alleen dit type koelvloeistof helpt
corrosie in het koelsysteem te voor-
komen, smeert de waterpomp
afdoende en voorkomt bevriezing
van het koelsysteem. Vervang de
koelvloeistof periodiek en vul het op
de juiste manier bij. Zie hiervoor het
onderhoudsschema in hoofdstuk 7.
Laat voor de winter controleren of de
koelvloeistof voldoende bescherming
tegen bevriezing biedt voor de te ver-
wachten winterse temperaturen.
Controleer de accu en de
accukabels
In de winter krijgt de accu het extra
zwaar. Controleer de accu en de
accukabels en -klemmen visueel
zoals beschreven staat in hoofdstuk
7. Het laadniveau in uw batterij kan
gecontroleerd worden door een offi-
ciële HYUNDAI-dealer.
Laat de motor indien nodig
vullen met een speciale
"winterolie"
In sommige landen wordt geadvi-
seerd in de winter speciale winterolie
te gebruiken met een lagere viscosi-
teit. Zie hoofdstuk 8 voor meer infor-
matie. Als u niet weet wat voor soort
olie u moet gebruiken, neem dan
contact op met een officiële HYUN-
DAI-dealer.
Controleer de bougies en het
ontstekingssysteem
Controleer de bougies zoals
beschreven staat in hoofdstuk 7 en
vervang ze indien nodig. Controleer
ook de bedrading en de onderdelen
van het ontstekingssysteem op
scheuren, slijtage en andere vormen
van beschadiging.
AANWIJZING
5-103
Rijden met uw auto
5
Voorkom bevriezing van de
sloten
Spuit een goedgekeurde slotontdooi-
er of glycerine in het sleutelgat om
bevriezing van de sloten te voorko-
men. Verwijder het ijs van een bevro-
ren slot door het in te spuiten met
een goedgekeurde slotontdooier.
Een inwendig bevroren slot kunt u
proberen te ontdooien met behulp
van een verwarmde sleutel. Zorg
ervoor dat u zich niet brandt aan de
verwarmde sleutel.
Gebruik goedgekeurde
ruitensproeiervloeistof
Vul het ruitensproeierreservoir met
ruitensproeierantivries volgens de
aanwijzingen op de verpakking om
bevriezing van het ruitensproeier
systeem te voorkomen. Ruiten-
sproeierantivries is verkrijgbaar bij
een officiële HYUNDAI-dealer en de
meeste automaterialenzaken. Geb-
ruik geen koelvloeistof of andere
middelen omdat deze de lak kunnen
beschadigen.
Voorkom vastvriezen van de
parkeerrem
Onder bepaalde omstandigheden
kan de parkeerrem in geactiveerde
toestand vastvriezen. De kans daar
op is het grootst als er rond de ach-
terremmen sprake is van een opeen-
hoping van sneeuw of ijs of als de
remmen nat zijn. Als de kans bestaat
dat de parkeerrem vast gaat vriezen,
gebruik hem dan alleen maar tijdelijk
tijdens het in stand P zetten van de
transmissie (automatische transmis-
sie/double clutch-transmissie) of in
de 1e versnelling of achteruit zetten
(handgeschakelde transmissie) en
het blokkeren van de wielen.
Deactiveer daarna de parkeerrem.
Voorkom dat ijs en sneeuw zich
ophopen aan de onderzijde van
de auto
In sommige gevallen kunnen sneeuw
en ijs zich ophopen onder de scher-
men en de bewegingen van de stuur-
inrichting belemmeren. Controleer
regelmatig of de onderdelen van de
stuurinrichting vrij kunnen bewegen
als u in omstandig heden rijdt waarin
opeenhoping van sneeuw of ijs het
geval zou kunnen zijn.
5-104
Rijden met uw auto
Stel u voordat u met uw auto een
aanhanger gaat trekken eerst op de
hoogte van de wettelijke voorschrif-
ten. Dat is noodzakelijk omdat de
voorschriften met betrekking tot de
aanhanger, de auto en dergelijke per
land kunnen verschillen. Voor een
goed advies vraag een Erkend
HYUNDAI Reparateur.
Let op dat rijden met een aanhanger
anders is dan rijden zonder aanhan-
ger. Bij rijden met een aanhanger is
de besturing anders en nemen slijta-
ge en brandstofverbruik toe. Voor
goed en veilig rijden met een aan-
hanger is het belangrijk dat de aan-
hanger technisch in orde is en op de
juiste manier aan de auto is gekop-
peld. Schade aan uw auto die het
gevolg is van het gebruik van onge-
schikte aanhangwagen valt niet on-
der de fabrieksgarantie van uw auto.
In dit hoofdstuk worden een aantal
belangrijke aanwijzingen en veilig-
heidsregels genoemd. Veel van deze
hebben betrekking op uw eigen vei-
ligheid en die van uw passagiers.
Lees dit hoofdstuk daarom zorgvul-
dig door voordat u gaat rijden met
een aanhanger.
Informatie
De technisch toegestane maximale
belasting van de achteras(sen) mag
met niet meer dan 15% worden
overschreden en het technisch toe-
gestane maximale laadgewicht van
de auto mag met niet meer dan 10%
of 100 kg worden overschreden, de
laagste waarde is van toepassing. In
dit geval dient u niet harder te rij-
den dan 100 km/h met een auto van
de categorie Ml of 80 km/h met een
auto van de categorie N1.
Als een auto een aanhanger trekt,
zal de extra belasting bij de aanhan-
gerkoppeling de maximale belas-
tingswaarden mogelijk te hoog laten
worden, maar deze overschrijding
mag niet meer zijn dan 15%. Rijd in
dit geval niet harder dan 100 km/h
(62,1 mph) en verhoog de banden-
spanning met ten minste 0,2 bar.
(bijv. zonder aanhanger).
i
RIJDEN MET EEN AANHANGER (EUROPE)
Neem de volgende voorzorgs-
maatregelen:
Bij verkeerd gebruik van de
aanhanger kunt u de controle
over de auto verliezen.
Wanneer bijvoorbeeld, de
aanhangwagen te zwaar is,
kan de remwerking worden
verminderd. U en uw passa-
giers kunnen in dat geval ern-
stig letsel oplopen. Ga alleen
rijden met een aanhanger als
u de volgende aanwijzingen
hebt opgevolgd.
Zorg er voordat u gaat rijden
met een aanhanger voor dat u
het GCW (Maximale Totale
Aanhangergewicht), het GVW
(Maximaal Toelaatbare Totaal-
gewicht), het GAW (Maximaal
Toelaatbare Voertuiggewicht)
en de maximale kogeldruk
niet overschrijdt.
WAARSCHUWING
5-105
Rijden met uw auto
5
Als u gaat rijden met een
aanhanger
Let op de volgende punten als u gaat
rijden met een aanhanger:
Overweeg de aanschaf van stabili-
satorkoppeling. Raadpleeg de
leverancier van de trekhaak voor
meer informatie.
Trek tijdens de inrijperiode van uw
auto, gedurende de eerste 2.000
km geen aanhanger. Als u dat wel
doet, kan schade aan de motor of
de transmissie ontstaan.
Wanneer u van plan bent met uw
auto een aanhanger te gaan trek-
ken, raden we u aan contact op te
nemen met een officiële HYUN-
DAI-dealer over de benodigde
zaken als een trekhaak, enz.
Rijd altijd aan een gematigde snel-
heid met uw wagen (minder dan
100 km/u) of aan de weergegeven
snelheidslimiet voor wagens met
een aanhangwagen.
Rijd bij het oprijden van een lange
helling niet harder dan 70 km/h of
de voorgeschreven maximum snel-
heid.
Houd u aan de gewichts- en belas-
tingbeperkingen op de volgende
pagina's.
Aanhangergewicht
Het aanhangwagengewicht mag
nooit meer wegen dan het maximale
aanhangwagengewicht opgegeven
in de tabel. Hij mag nooit meer
wegen dan het maximale aanhang-
ergewicht voor een geremde aan-
hanger. Maar dit kan al te zwaar zijn.
Dat hangt af van de manier waarop
de aanhanger wordt gebruikt. Zo zijn
onder andere de rijsnelheid, de
hoogte, hellingshoek, buitentempe-
ratuur en ervaring belangrijke facto-
ren. Het maximale aanhangerge-
wicht is ook afhankelijk van eventu-
ele voorzieningen die op de auto zijn
aangebracht.
Kogeldruk
Bij het trekken van een aanhanger
zijn de kogeldruk en het maximaal
toelaatbaar totaalgewicht (GVW) van
belang. De kogeldruk mag maximaal
10% van het totale aanhangerge-
wicht bedragen. De informatie vindt
u bij de specificaties en op het type-
plaatje.
Controleer na het beladen van de
aanhanger of de kogeldruk in orde is.
Als dat niet het geval is, kan deze wor-
den aangepast door de belading van
de aanhanger anders te verdelen.
OLMB053047
Kogeldruk Totaal aanhangerge-
wicht
OLMB053048
Maximale asbelasting
Maximaal toelaatbaar
voertuiggewicht
5-106
Rijden met uw auto
Neem de volgende voorzorgs-
maatregelen:
Zorg ervoor dat de aanhanger
aan de voorzijde altijd zwaar-
der is dan aan de achterzijde.
De verhouding tussen de
belading voor en achter dient
ongeveer 60/40 te zijn.
Belaad de aanhanger niet
zwaarder dan volgens de
fabrikant van de aanhanger
c.q. trekhaak is toegestaan.
Een verkeerde belading kan
beschadiging van de auto
en/of persoonlijk letsel tot
gevolg hebben Controleer het
aanhangergewicht met een
geschikte weegschaal of op
een weegbrug.
WAARSCHUWING
M/T : Handgeschakelde transmissie
A/T : Automatische transmissie
DCT: Double clutch-transmissie
Let op gewicht en afstand als u een een aanhangwagen trekt.
Motor
Onderwerp
Kappa 1.0 T-GDI Kappa 1.25 MPI Kappa
1.4 MPI
5 M/T 6 M/T 7 DCT 5 M/T 6 M/T 4 A/T
Maximaal
aanhang-
ergewicht
kg (Ibs.)
Geremd
1,000
(2,205) 1,110
(2,447) 800
(1,764) 910 (2,006) 1,000
(2,205) 800
(1,764)
Ongeremd 450
(992) 450
(992) 450
(992) 450 (992) 450
(992) 450
(992)
Maximale kogeldruk
kg (Ibs.) 75 (165)
Aanbevolen afstand hart
achterwiel
mm (inch)
3 Portier : 760 (29.9)
5 Portier : 750 (29.5)
Cross : 725 (28.5)
5-107
Rijden met uw auto
5
Trekhaken
Trekhaak
Een goede trekhaak is zéér belang-
rijk. Zijwind, rukwinden door passe-
rende vrachtwagens en hobbelige
wegen vormen een zware belasting
voor de trekhaak. Neem de volgende
regels in acht:
Moeten er voor het bevestigen van
de trekhaak gaten worden geboord
in het chassis? Zorg er in dat geval
voor dat, wanneer de trekhaak
weer wordt verwijderd, deze gaten
weer worden afgedicht. Als dat niet
gebeurt, zouden koolmonoxide
(CO) uit de uitlaat, alsmede stof en
water in het interieur terecht kun-
nen komen.
De bumper is niet geschikt voor
het monteren van een trekhaak.
Monteer nooit een trekhaak los op
de bumper. Gebruik alleen een
trekhaak die op het chassis moet
worden bevestigd.
HYUNDAI trekhaken en toebeho-
ren zijn verkrijgbaar bij de officiële
HYUNDAI-dealer.
Losbreekvoorziening
Bevestig altijd een stalen kabel of
ketting tussen de aanhanger en de
auto. Laat de kabel onder de koppe-
ling doorlopen, zodat bij het losraken
van de originele koppeling de dissel
de grond niet kan raken. Mogelijk
worden door de fabrikant van de
trekhaak of aanhanger ook instruc-
ties met betrekking tot de losbreek-
voorziening geleverd. Volg de
instructies van de fabrikant altijd op
bij het bevestigen van een losbreek-
voorziening. Bevestig de kabel of
ketting niet te strak, zodat de aan-
hanger vrij kan bewegen in bochten.
Laat de kabel of ketting niet over de
grond slepen.
OGB058033
5-108
Rijden met uw auto
Remsysteem aanhanger
Controleer of uw aanhanger voldoet
aan de wettelijke voorschriften als
uw aanhanger is uitgerust met een
remsysteem.
Als uw aanhanger zwaarder is dan
het maximaal toegestane ongerem-
de aanhangergewicht moet de aan-
hanger zijn voorzien van een eigen
remsysteem. Volg de instructies van
de fabrikant voor het gebruiken,
afstellen en onderhouden van het
remsysteem van de aanhanger.
Zeker niet te aanboren het remsys-
teem van uw auto.
Rijden met een aanhanger
Voor het rijden met een aanhanger is
enige ervaring vereist. Ga, voordat u
zich op de openbare weg begeeft,
eerst oefenen met het rijden met een
aanhanger. Probeer vertrouwd te
raken met het gewijzigde stuur- en
remgedrag. Houd altijd in gedachten
dat de auto met aanhanger langer is
en minder snel reageert.
Controleer voordat u gaat rijden de
bevestiging van de koppeling en de
losbreekvoorziening, de elektrische
aansluiting, de verlichting, de banden
en remmen.
Controleer tijdens het rijden af en toe
of de lading nog goed vastzit en of
de verlichting en de remmen nog
werken.
Afstand
Houd tenminste tweemaal zo veel
afstand als tijdens het rijden zonder
aanhanger. Hierdoor kunt u plotselin-
ge remacties en uitwijkmanoeuvres
voorkomen.
Inhalen
Het inhalen met een aanhanger
neemt meer tijd in beslag. Bovendien
moet u door de extra lengte de in te
halen auto verder voorbij voordat u
weer terug kunt keren naar de oor-
spronkelijke rijbaan.
Ga niet rijden met een aanhan-
ger met eigen remsysteem
voordat dit systeem goed is
afgesteld. Voor het afstellen is
specifieke vakkennis benodigd.
Laat dit daarom uitvoeren bij
een gespecialiseerd bedrijf.
WAARSCHUWING
5-109
Rijden met uw auto
5
Achteruitrijden
Houd het stuurwiel aan de onderzij-
de vast met één hand. Beweeg uw
hand naar links om de aanhanger
naar links te laten gaan. Beweeg uw
hand naar rechts om de aanhanger
naar rechts te laten gaan. Rijd altijd
langzaam achteruit en laat u indien
mogelijk door iemand anders bege-
leiden
Rijden in bochten
Rijd met een aanhanger ruimer door
bochten dan normaal. Anders kan de
aanhanger te veel naar binnen
komen en stoepranden, verkeersbor-
den, bomen enz. raken. Voorkom
schokkerige en plotselinge manoeu-
vres. Geen ruim van tevoren richting
aan.
Richtingaanwijzers
De aanhanger dient te zijn voorzien
van richtingaanwijzers. Als u de rich-
tingaanwijzers inschakelt, gaan de
groene pijlen in het instrumentenpa-
neel knipperen. De richtingaanwijzers
van de aanhanger dienen gelijktijdig
mee te knipperen. Ook als de rich-
tingaanwijzers van de aanhanger niet
werken, zullen de groene pijlen in het
instrumentenpaneel knipperen.
Zodoende kunt u denken dat achter-
opkomende bestuurders zien dat u
richting aangeeft, terwijl dit niet het
geval is. Daarom is het belangrijk om
af en toe te controleren of de rich-
tingaanwijzers van de aanhanger
nog werken. Controleer steeds na
het opnieuw aankoppelen van de
aanhanger of de verlichting en de
richtingaanwijzers werken.
Sluit de verlichting van de aan-
hanger niet rechtstreeks aan op
de verlichting van de auto.
Gebruik hiervoor speciale
goedgekeurde bedrading.
Het niet gebruiken van een
goed-gekeurd kabelset voor
aanhangwagens kan leiden tot
schade aan het elektrische sys-
teem van het voertuig en/of per-
soonlijk letsel.
Raadpleeg een geautoriseerde
HYUNDAI verdeler voor meer
informatie.
WAARSCHUWING
5-110
Rijden met uw auto
Op hellingen rijden
Verminder snelheid en schakel naar
een lagere versnelling voordat u een
lange of steile helling afrijdt.
Wanneer u niet terugschakelt, moet
u misschien uw remmen zo intensief
gebruiken dat ze overhit geraken en
niet meer efficiënt werken.
Schakel bij het oprijden van een
lange helling terug en verminder
snelheid tot ongeveer 70 km/h
Hierdoor wordt voorkomen dat de
motor en de transmissie oververhit
raken.
Rijd in stand D wanneer de auto uit-
gerust is met een automatische
transmissie/double clutch-transmis-
sie en u met een aanhanger rijdt die
meer weegt dan het maximaal toe-
gestane ongeremde aanhangerge-
wicht. Wanneer u in stand D (Rijden)
met een aanhanger wordt de levens-
duur van de transmissie door een
lagere bedrijfstemperatuur verlengd.
Voorkom dat de motor en/of de
transmissie oververhit raken:
Houd de motortemperatuur
goed in de gaten als u met een
aanhanger een steile helling
(meer dan 6%) oprijdt. Hierdoor
kan de motor oververhit raken.
Als de koelvloeistoftempera-
tuurmeter aangeeft “H” (HOT)
dat de motor oververhit dreigt te
raken, breng de auto dan op een
veilige plaats tot stilstand om de
motor af te laten koelen. Zodra
de motor voldoende is afge-
koeld, kunt u uw weg vervolgen.
U moet de rijsnelheid kiezen,
afhankelijk van het aanhangwa-
gengewicht en opwaartse hel-
ling.
Parkeren op een helling
Als u een aanhanger achter de auto
hebt gekoppeld is het niet verstandig
om uw auto op een helling te parke-
ren.
Is het niet anders mogelijk dan de
auto op een helling te parkeren, doe
dit dan als volgt:
1. Zet de auto op de parkeerplaats.
Draai het stuurwiel in de richting
van de stoeprand (rechtsom als u
parkeert op een aflopende helling,
linksom op een stijgende helling).
2. Verplaats de schakelpook in P
(Parkeren, voor auto met automa-
tische transmisie/double clutch-
transmissie) of in N staat (Neutra-
al, handgeschakelde transmisie).
3. Trek de parkeerrem aan en sluit
de auto af.
4. Plaats blokken voor de wielen van
de aanhanger in de richting van de
aflopende helling.
AANWIJZING
5-111
Rijden met uw auto
5
5. Start de auto, houd de rem inge-
trapt, schakel in de vrijstand, zet
de parkeerrem los en laat het rem-
pedaal langzaam opkomen tot de
blokken het gewicht van de aan-
hanger tegenhouden.
6. Pas de remmen en de handrem-
men weer toe.
7. Verplaats de pook naar P
(Parkeren, bij automatische trans-
missie/double clutch-transmissie)
of 1e versnelling indien het voer-
tuig bergop geparkeerd is en in R
(Achteruit) bij bergaf (bij handge-
schakelde transmissie).
8. Zet de motor af en laat het rempe-
daal los, maar laat de parkeerrem
aangetrokken blijven.
Wegrijden na het parkeren op
een helling
1. Met de schakelpook in P (Par-
keren, voor auto met automati-
sche transmissie/double clutch-
transmissie) of in N staat (Neut-
raal, handgeschakelde transmisie)
en houdt het rempedaal ingetrapt
terwijl:
Start de motor.
Zet de transmissie in de eerste
versnelling of in stand D.
• Ontgrendel de parkeerrem.
2. Laat het rempedaal langzaam los.
3. Rijd langzaam vooruit tot de aan-
hanger los komt van de blokken.
4. Stop en laat de blokken door
iemand oprapen en opbergen.
Om ernstig of dodelijk letsel te
voorkomen:
Stap niet uit het voertuig als de
handrem niet goed aangetrok-
ken is. Als u de motor laat draai-
en, kan de auto plotseling in
beweging komen. Uzelf en
andere mensen kunnen hier-
door ernstig letsel oplopen.
WAARSCHUWING
5-112
Rijden met uw auto
Onderhoud bij het rijden met
een aanhanger
Uw auto heeft vaker onderhoud
nodig wanneer u regelmatig met een
aanhanger rijdt. Belangrijke zaken
die speciale aandacht verdienen zijn:
de motorolie, de automatische-trans-
missie/double clutch-transmissie-
vloeistof, de smering van de aandrijf-
assen en de koelvloeistof. De toe-
stand van de remmen moet ook
regelmatig gecontroleerd worden.
Het is verstandig deze gedeeltes te
lezen voordat u met een aanhanger
op pad gaat. Vergeet ook niet de
aanhanger en de trekhaak te onder-
houden. Volg het onderhoudssche-
ma van de aanhanger en controleer
de aanhanger regelmatig. Voer de
controle bij voorkeur ieder keer uit
wanneer u gaat rijden. Het is van het
grootste belang dat de trekhaakmoe-
ren en -bouten vastzitten.
Om schade aan de auto te voorko-
men:
Vanwege de hogere belasting tij-
dens het rijden met een aanhan-
ger, kan bij warm weer of bij
bergop rijden de motor overver-
hit raken. Als de koelvloeistof-
temperatuurmeter aangeeft dat
de motor oververhit dreigt te
raken, schakel dan de aircondi-
tioning uit en breng de auto op
een veilige plaats tot stilstand
om de motor af te laten koelen.
Als met de auto een aanhanger
getrokken wordt, moet de auto-
matische transmissie/double
clutch-transmissie vloeistof
vaker worden gecontroleerd.
Als uw auto niet is uitgerust met
een airconditioning, moet u een
extra ventilator laten monteren
om de koeling van de motor te
optimaliseren als u een aanhan-
ger trekt.
AANWIJZING
5-113
Rijden met uw auto
5
Twee labels op de deur van de
bestuurder tonen hoeveel gewicht
uw voertuig mag trekken: het band
en lading informatielabel en het cer-
tificaatlabel.
Zorg ervoor dat u, voordat u uw auto
gaat beladen, weet wat de volgende
termen betekenen, zodat u uw auto,
met of zonder aanhanger, op de juis-
te manier kunt beladen.
Rijklaar gewicht
Dit is het gewicht van de auto met
een volle brandstoftank en de com-
plete standaarduitrusting. Dit gewicht
is zonder passagiers, lading en extra
uitrusting.
Leeggewicht
Dit is het gewicht van de auto bij afle-
vering plus het gewicht van de ach-
teraf gemonteerde uitrusting.
Belading
Dit getal heeft betrekking op al het
gewicht dat opgeteld wordt bij het rij-
klaar gewicht, dus het gewicht van
de lading en de extra uitrusting.
GAW (maximale asbelasting)
Dit is het totaalgewicht op elke as
(voor en achter) - opgebouwd uit het
rijklaar gewicht en de totale belas-
ting.
GAWR (maximale toelaatbare
asbelasting)
Dit is de maximale toegestane belas-
ting op een enkele as (voor of ach-
ter). Deze cijfers staan op het type-
plaatje. De totale belasting op een as
mag de GAWR nooit overschrijden.
GVW (maximaal toelaatbaar
totaalgewicht)
Dit is het rijklaar gewicht plus het
gewicht van de lading en van de pas-
sagiers.
GVWR (maximale massa
voertuig)
Dit is het maximaal toelaatbaar
gewicht van de volledig belaste auto
(inclusief opties, uitrusting, passa-
giers en lading). De GVWR wordt
getoond op de certificeringsetiket
geplaatst op de bestuurders- deur-
drempel.
Overbelading
MASSA VAN DE AUTO
De Maximale Asbelasting
(GAWR) en de Maximale Massa
(GVWR) van het voertuig staan
vermeld op het typeplaatje
bevestigd aan het bestuurder-
sportier (of voorpassagierspor-
tier). Het overschrijden van
deze waardes kan een ongeval
of schade aan de auto veroorza-
ken. U kunt het gewicht van uw
lading berekenen door de voor-
werpen (en personen) vooraf te
wegen. Wees voorzichtig uw
auto niet te overbeladen.
WAARSCHUWING
Wat te doen in een noodgeval
Waarschuwingssignalen............................................6-2
Alarmknipperlichten.......................................................6-2
Wat te doen in een noodgeval tijdens het rijden....6-3
Als de motor afslaat tijdens het rijden..........................6-3
Als de motor afslaat op een kruispunt of splitsing.......6-3
Als u tijdens het rijden een lekke band krijgt..............6-3
Als de motor niet gestart kan worden.....................6-4
Als de motor niet of langzaam ronddraait....................6-4
Als de motor normaal ronddraait maar niet
aanslaat..........................................................................6-4
Starten met een hulpaccu.........................................6-5
Starten met een hulpaccu ...............................................6-5
Als de motor oververhit raakt.................................6-7
Lekke band (met reservewiel)..................................6-9
Krik en gereedschap........................................................6-9
Reservewiel verwijderen en opbergen.........................6-10
Wielen verwisselen.........................................................6-11
Kriklabel.........................................................................6-17
EU conformiteitsverklaring voor krik.........................6-18
Lekke band (met TireMobilityKit)........................6-19
Introductie......................................................................6-19
Aanwijzingen voor een veilig gebruik van de
Tire Mobility Kit ........................................................6-20
Onderdelen van de TireMobilityKit............................6-21
Afdichtingsmiddel verdelen..........................................6-23
Controleren van de bandenspanning ..........................6-24
Controlesysteem lage bandenspanning (TPMS)
(TypeA).....................................................................6-25
Waarschuwingslampje lage bandenspanning.............6-26
Controlelampje storing TPMS (controlesysteem
lage bandenspanning)................................................6-27
Een wiel wisselen met TPMS........................................6-28
Controlesysteem lage bandenspanning
(TPMS) (Type B).....................................................6-31
Waarschuwingslampje lage bandenspanning.............6-32
Waarschuwingslampje positie lage
bandenspanning..........................................................6-32
Controlelampje storing TPMS (controlesysteem
lage bandenspanning)................................................6-34
Een wiel wisselen met TPMS........................................6-34
Slepen........................................................................6-37
Slepen..............................................................................6-37
Sleepoog (voor)...............................................................6-38
Slepen in een noodgeval................................................6-39
Nooduitrusting.........................................................6-42
Brandblusser..................................................................6-42
Eerstehulpset..................................................................6-42
Gevarendriehoek ...........................................................6-42
Bandenspanningsmeter.................................................6-42
6
WAARSCHUWINGSSIGNALEN
Alarmknipperlichten
De alarmknipperlichten dienen
ervoor om de overige weggebruikers
te waarschuwen om extra voorzich-
tigheid in acht te nemen bij het nade-
ren, inhalen of passeren van uw
auto.
Ze dienen te worden gebruikt in
noodsituaties of als de auto aan de
kant van de weg tot stilstand is geko-
men.
Druk de schakelaar van de alarm-
knipperlichten in met het contact in
een willekeurige stand. De schake-
laar alarmknipperlichten bevindt zich
in het dashboard. De schakelaar
zorgt ervoor dat alle knipperlichten
geactiveerd worden.
De alarmknipperlichten werken
ongeacht of de motor draait of niet.
De richtingaanwijzers werken niet
wanneer de alarmknipperlichten
ingeschakeld zijn.
Wees voorzichtig bij het gebruiken
van de alarmknipperlichten wan-
neer de auto gesleept wordt.
6-2
Wat te doen in een noodgeval
OGB064001
WAT TE DOEN IN EEN NOODGEVAL TIJDENS HET RIJDEN
Als de motor afslaat tijdens
het rijden
1. Laat de auto geleidelijk uitrollen
en blijf daarbij rechtuit rijden.
Probeer de auto op een veilige
plaats tot stilstand te brengen.
2. Schakel de alarmknipperlichten in.
3. Probeer nogmaals de motor te
starten. We adviseren u contact
op te nemen met een officiële
HYUNDAI-dealer als de motor niet
start.
Als de motor afslaat op een
kruispunt of splitsing
Zet de selectiehendel in stand N
als de motor afslaat op een krui-
sing of kruispunt en duw de auto
naar een veilige plek.
Als uw auto is uitgerust met een
handgeschakelde transmissie en
niet is voorzien van een contact-
slot, kan de auto naar voren bewe-
gen wanneer u naar de tweede of
derde versnelling schakelt en ver-
volgens de startmotor inschakelt
zonder het koppelingspedaal in te
trappen.
Als u tijdens het rijden een
lekke band krijgt
Als tijdens het rijden een band leeg-
loopt:
1. Laat het gaspedaal los en vermin-
der vaart terwijl u rechtuit blijft rij-
den. Trap niet direct het rempe-
daal in en probeer ook niet direct
naar de kant van de weg te sturen
omdat u hierdoor de controle over
de auto zou kunnen verliezen.
Rem voorzichtig zodra de snel-
heid zo laag is dat u dat veilig kunt
doen en zet de auto aan de kant
van de weg. Zet de auto zoveel
mogelijk aan de kant van de weg
en parkeer op een stevige, vlakke
ondergrond. Parkeer niet in de
middenberm als u op een snelweg
rijdt met gescheiden rijbanen.
2. Zet als de auto stilstaat de alarm-
knipperlichten aan, activeer de
parkeerrem en zet de transmissie
in stand P (automatische trans-
missie) of in de achteruit (handge-
schakelde transmissie).
3. Laat alle inzittenden uitstappen.
Laat iedereen uitstappen aan die
zijde van de auto die van het
langsrijdende verkeer afgewend
is.
4. Volg bij het vervangen van een
lekke band de aanwijzingen in dit
hoofdstuk.
6-3
Wat te doen in een noodgeval
6
ALS DE MOTOR NIET GESTART KAN WORDEN
6-4
Wat te doen in een noodgeval
Als de motor niet of langzaam
ronddraait
Zet de selectiehendel in stand N
(neutraal) of stand P (parkeren) als
de auto is uitgerust met een au-
tomatische transmissie/Double
clutch-transmissie De motor start
alleen als de selectiehendel in
stand N (Neutraal) of stand P
(Parkeren) staat.
Controleer of de accuklemmen
schoon zijn en goed vastzitten.
Schakel de interieurverlichting
aan. Als de interieurverlichting
zwakker gaat branden of uitgaat
als u de startmotor bedient, is de
accu te ver ontladen.
Probeer de auto niet aan te slepen of
aan te duwen. Dat kan schade aan
uw auto veroorzaken. Zie de
instructies voor “Starten met hul-
paccu” in dit hoofdstuk.
Als de motor normaal
ronddraait maar niet aanslaat
Controleer het brandstofniveau en
vul indien nodig brandstof bij.
Als de motor nog steeds niet start,
neem dan telefonisch contact op met
een officiële HYUNDAI-dealer voor
asistentie.
Als de auto aangesleept of aan-
geduwd wordt, kan de katalysa-
tor overbelast worden wat kan
resulteren in schade aan het
emissieregelsysteem.
OPMERKING
6-5
Wat te doen in een noodgeval
6
STARTEN MET EEN HULPACCU
Starten met een hulpaccu kan
gevaarlijk zijn als dit niet op de juiste
manier gebeurt. Volg de procedures
voor het starten met een hulpaccu in
dit hoofdstuk om te voorkomen dat u
ernstig letsel oploopt of de auto
beschadigd raakt. Wij adviseren u
met klem om een monteur of de
wegenwacht te raadplegen als u twij-
felt over het op de juiste manier star-
ten met een hulpaccu.
Bij het optillen van een accu
met een kunststof behuizing
kan door de druk accuzuur
naar buiten komen. Houd bij
het optillen uw handen aan de
zijkant van de accu.
Probeer uw auto niet met een
hulpaccu te starten als de
lege accu bevroren is.
Laad NOOIT een accu bij ter-
wijl de accukabels nog aange-
sloten zijn.
Het ontstekingssysteem werkt
met hoogspanning. Raak deze
onderdelen NOOIT aan als de
motor draait of als het contact
in stand ON staat.
Voorkom dat de startkabel (+)
en (-) elkaar raken. Anders
kunnen vonken ontstaan.
De accu kan scheuren of ex-
ploderen wanneer u een ontla-
den of bevroren accu start
met behulp van een hulpaccu.
Volg altijd onderstaande voor-
zorgsmaatregelen bij het wer-
ken in de buurt van of aan de
accu om ERNSTIG LETSEL te
voorkomen:
Lees de aanwijzingen
voor het omgaan met de
accu zorgvuldig door en
volg ze nauwkeurig op.
Draag een veiligheidsbril
om uw ogen tegen weg-
spattend zuur te be-
schermen.
Houd open vuur, vonken
en rokende materialen
uit de buurt van de accu.
WAARSCHUWING
Er bevindt zich altijd wat
van het zeer licht ont-
vlambare waterstof in de
accucellen. Dit kan ont-
ploffen.
Houd accu's buiten het
bereik van kinderen.
Accu’s bevatten zwavel-
zuur dat uitermate corro-
sief is. Laat accuzuur
niet in contact komen
met uw ogen, huid of kle-
ding.
Spoel uw ogen gedurende ten
minste 15 minuten en roep
onmiddellijk medische hulp in
wanneer u zuur in uw ogen
krijgt. Was uw huid grondig
wanneer deze in aanraking
komt met zuur. Roep onmiddel-
lijk medische hulp in wanneer u
pijn of een brandend gevoel
heeft.
6-6
Wat te doen in een noodgeval
Om schade aan uw auto te voor-
komen:
Gebruik alleen een 12V-voe-
dingsbron (accu of startbooster)
om de auto met een hulpaccu te
starten.
Probeer uw auto niet aan te
duwen.
Informatie
Een onjuist afgevoerde batte-
rij kan schadelijk zijn voor
het milieu en voor uw gezond-
heid. Zorg ervoor dat de bat-
terij volgens de wettelijke
voorschriften wordt afge-
voerd.
Startprocedure met behulp van
een hulpaccu
1. Plaats de auto's zo dicht bij elkaar
dat de startkabels de afstand tus-
sen de accu's kunnen overbrug-
gen, maar zorg ervoor dat de
auto's elkaar niet raken.
2. Voorkom te allen tijde dat u in aan-
raking komt met ventilatoren of
andere bewegende onderdelen,
ook al draaien de motoren niet.
3. Schakel alle elektrische verbrui-
kers, zoals het audiosysteem, de
verlichting, de airconditioning, enz.
uit. Zet de selectiehendel in stand
P (Parkeren, automatische trans-
missie/Double clutch-transmissie)
of de N (Neutraalstand, handge-
schakelde transmissie) en acti-
veer de parkeerrem. Zet de motor
van beide auto's UIT.
4. Sluit de startkabels aan in de volg-
orde die in de afbeelding is aan-
gegeven. Sluit de startkabels aan
in de volgorde die in de afbeelding
is aangegeven. Sluit eerst de ene
startkabel aan op de rode, positie-
ve (+) hulpstartaansluiting van uw
auto (1).
5. Sluit het andere uiteinde van de
startkabel aan op de rode, positie-
ve (+) pool van de accu/hulpstar-
taansluiting van de andere auto
(2).
6. Sluit de tweede startkabel aan op
de zwarte, negatieve (-) pool van
de accu/massa van de andere
auto (3).
i
AANWIJZING
1VQA4001
6-7
Wat te doen in een noodgeval
6
ALS DE MOTOR
OVERVERHIT RAAKT
7. Sluit het andere uiteinde van de
tweede startkabel aan op de zwar-
te, negatieve (-) pool van de accu/
massa van uw auto (4).
Zorg ervoor dat de startkabels uit-
sluitend contact maken met de
juiste accupolen of hulpstartaan-
sluitingen of de juiste massa. Leun
bij het aansluiten niet over de
accu.
8. Start de motor van de auto met de
hulpaccu en laat deze enkele
minuten met ongeveer 2.000
omw/min draaien. Start vervol-
gens uw auto.
Als uw auto na enkele pogingen nog
niet start, is er mogelijk wat anders
aan de hand. Roep in dat geval des-
kundige hulp in. Laat uw auto contro-
leren door een officiële HYUNDAI-
dealer als de oorzaak van de lege
accu niet duidelijk is.
Neem de startkabels los in exact de
omgekeerde volgorde van aanslui-
ten:
1. Neem de startkabel los van de
zwarte, negatieve (-) pool van de
accu/massa van uw auto (4).
2. Neem het andere uiteinde van de
startkabel los van de zwarte,
negatieve (-) pool van de accu/
massa van de andere auto (3).
3. Neem de tweede startkabel los
van de rode, positieve (+) pool van
de accu/hulpstartaansluiting van
de andere auto (2).
4. Neem het andere uiteinde van de
startkabel los van de rode, positie-
ve (+) hulpstartaansluiting van uw
auto (1).
Als uw temperatuurmeter een te
hoge temperatuur aangeeft, als u
vermogensverlies bespeurt of wan-
neer u luid kloppende of pingelende
geluiden hoort, is de motor waar-
schijnlijk oververhit geraakt. Als dat
gebeurt moet:
1. De auto zo snel mogelijk op een
veilige plaats tot stilstand bren-
gen.
2. Zet de selectiehendel in stand P
(Parkeren, automatische trans-
missie/Double clutch-transmissie)
of de N (Neutraalstand, handge-
schakelde transmissie) en acti-
veer de parkeerrem. De aircondi-
tioning uitschakelen als deze inge-
schakeld is.
3. Zet de motor uit als er koelvloei-
stof onder de auto uitloopt of
stoom onder de motorkap van-
daan komt. Open de motorkap
niet zolang er nog koelvloeistof
onder de auto uitloopt of stoom
onder de motorkap vandaan komt.
Laat de motor draaien als er geen
koelvloeistof of stoom te zien is en
controleer of de koelventilator
draait. Zet de motor uit als de
koelventilator niet draait.
4. Controleer de radiateur en de
slangen op koelvloeistoflekkage
en kijk onder de auto of er koel-
vloeistof te zien is. (Als de aircon-
ditioning ingeschakeld was, is het
normaal dat er water onder de
auto uitloopt als u de auto tot stil-
stand brengt.)
5. Zet de motor onmiddellijk uit als er
koelvloeistof lekt en neem contact
op met een officiële HYUNDAI-
dealer.
6. Wacht tot de motortemperatuur
weer normaal is als u de oorzaak
van de oververhitting niet kunt vin-
den. Vul het koelvloeistofreservoir
voorzichtig bij tot het merkteken
halverwege als het koelvloeistofni-
veau te laag is.
7. Rijd voorzichtig verder en wees
alert op verdere tekenen van over-
verhitting. We adviseren u contact
op te nemen met een officiële
HYUNDAI-dealer als de motor
opnieuw oververhit raakt voor
assistentie.
6-8
Wat te doen in een noodgeval
Verwijder de radia-
teurdop of de aftap-
plug NOOIT als de
motor en de radiateur
nog heet zijn. Er kan
onder druk staande hete koel-
vloeistof en stoom ontsnappen,
waardoor er ernstig letsel kan
ontstaan.
Zet de motor uit en wacht tot de
motor is afgekoeld. Verwijder
de radiateurdop uiterst voor-
zichtig. Wikkel een dikke doek
rond de dop en draai hem voor-
zichtig linksom tot de eerste
aanslag. Ga een stukje achteruit
wanneer de druk van het koel-
systeem af gaat. Pas als u zeker
weet dat er geen overdruk meer
is, drukt u de dop met de doek
in en draait u hem verder links-
om om hem te verwijderen.
WAARSCHUWING
Voorkom ernstig let-
sel en zorg ervoor dat
uw handen, kleding
en gereedschap niet
in aanraking komen
met bewegende on-
derdelen zoals de
koelventilator en de
aandrijfriem als de
motor draait.
WAARSCHUWING
Als er veel koelvloeistof verd-
wenen is, duidt dit op een lek-
kage in het koelsysteem en
adviseren we u contact op te
nemen met een officiële
HYUNDAI-dealer.
Wanneer de motor oververhit
raakt door te weinig koelvloei-
stof kan het plotseling bijvul-
len van koelvloeistof barsten
in de motor veroorzaken. Vul
koelvloeistof langzaam en in
kleine hoeveelheden bij om
schade te voorkomen.
OPMERKING
6-9
Wat te doen in een noodgeval
6
LEKKE BAND (MET RESERVEWIEL, INDIEN VAN TOEPASSING)
Krik en gereedschap
Het reservewiel, de krik, de krikslin-
ger en de wielmoersleutel zijn opge-
borgen in de bagageruimte.
Door de vloerbekleding van de baga-
geruimte op te tillen kan de krik en
het reservewiel worden uitgenomen.
(indien van toepassing)
(1) Krikslinger
(2) Krik
(3) Wielmoersleutel
Aanwijzingen voor krikken
De krik is uitsluitend bedoeld voor
het verwisselen van een wiel.
Plaats het krik op de juiste wijze
terug om te voorkomen dat ze tijdens
het rijden gaan rammelen.
Neem de onderstaande aanwijzin-
gen in acht om letsel te voorkomen.
OGB064012
Verwisselen van een band kan
gevaarlijk zijn. Volg de instruc-
ties in dit gedeelte bij het wisse-
len van een band om het risico
van ernstig letsel of de dood te
vermijden.
WAARSCHUWING
6-10
Wat te doen in een noodgeval
Reservewiel verwijderen en
opbergen
Draai de bevestigingsbout van het
wiel linksom.
Plaats het wiel in omgekeerde volg-
orde van verwijderen.
Plaats het reservewiel en het
gereedschap op de juiste wijze terug
om te voorkomen dat ze tijdens het
rijden gaan rammelen.
Wielen verwisselen
Verwissel een wiel nooit op de
rijbaan. Zet de auto altijd in de
berm.
Zet het voertuig altijd op de
handrem en zonodig in een
versnelling of de P positie
(automaat). Plaats de krik op
een stevige, vlakke onder-
grond. Bel de wegenwacht
voor hulp wanneer u de auto
niet op een veilige plek kunt
plaatsen.
Plaats de krik uitsluitend op
de daartoe bestemde plaats;
nooit onder de bumper of iets
dergelijks.
(Vervolg)
(Vervolg)
Anders zou de krik gemakke-
lijk om kunnen vallen en ern-
stig letsel veroorzaken. Het is
niet aan te raden om onder de
auto te werken, of een deel
van het lichaam onder te hou-
den.
Start de motor niet en laat
hem niet draaien zolang de
auto is opgekrikt.
Zorg dat er niemand meer in
de auto aanwezig als deze
wordt opgekrikt.
Zorg ervoor dat kinderen op
een veilige afstand van de
auto en van de weg worden
gehouden voordat de auto
wordt opgekrikt.
WAARSCHUWING
6-11
Wat te doen in een noodgeval
6
Wielen verwisselen
1. Plaats de auto op een stevige en
vlakke ondergrond en trek de par-
keerrem stevig aan.
2. Zet de versnellingspook in de ach-
teruitversnelling (handgeschakel-
de transmissie) of zet de selectie-
hendel in stand P (automatische
transmissie/double clutch trans-
missie).
3. Schakel de alarmknipperlichten in.
4. Neem de wielmoersleutel, de krik,
de krikslinger en het reservewiel
uit de auto.
5. Plaats wielblokken voor en achter
het wiel dat zich diagonaal tegen-
over het te verwisselen wiel
bevindt.
6. Steek de schroevendraaier in de
groef van de wieldop en wrik voor-
zichtig om de wieldop te verwijde-
ren (indien van toepassing).
Draai de wielmoeren linksom één
slag los. Verwijder deze nog niet
voordat het wiel los van de grond
is.
Wielen verwisselen
Trek de parkeerrem altijd vol-
ledig aan en blokkeer het wiel
dat zich diagonaal tegenover
het te verwisselen wiel
bevindt om te voorkomen dat
de auto tijdens het verwisse-
len van een wiel beweegt.
Geadviseerd wordt om blok-
ken voor en achter de wielen
te plaatsen en iedereen de
auto te laten verlaten voordat
deze wordt opgekrikt.
WAARSCHUWING
OIB067005
6-12
Wat te doen in een noodgeval
7. Plaats de krik onder het steunpunt
dat zich het dichtst bij het te ver-
wisselen wiel bevindt. Plaats de
krik op de aangegeven plaats
onder de dorpel. De krikpunten
zijn extra verstevigd en zijn her-
kenbaar aan de uitsparingen in de
dorpel rand.
8. Steek de krikslinger in de krik en
draai de slinger rechtsom totdat
het wiel net van de grond loskomt.
Deze afstand bedraagt ongeveer
30 mm. Controleer alvorens de
wielmoeren te verwijderen of de
auto stabiel staat en er geen kans
bestaat dat de auto van de krik
glijdt of beweegt.
OGB068003 OGB064004
Krikpunten
Gebruik altijd de bij de auto
aanwezige krik en de juiste krik-
steunpunten. Gebruik nooit
andere delen van de carrosserie
om de auto op te krikken.
WAARSCHUWING
6-13
Wat te doen in een noodgeval
6
9. Draai de wielmoeren verder los en
verwijder ze. Schuif het wiel van
de wielbouten af en leg het wiel
plat neer, zodat het niet kan weg-
rollen. Pak het reservewiel op,
breng de gaten voor de wielbou-
ten in lijn met de wielbouten en
schuif het wiel op de wielbouten.
Houd het wiel iets scheef en begin
met het bovenste gat in lijn te
brengen met de bovenste wielbout
als het niet lukt het wiel in één
keer tegelijk op alle wielbouten te
schuiven. Beweeg vervolgens het
wiel iets heen en weer zodat het
op de overige wielbouten gescho-
ven kan worden.
10. Druk het wiel tegen de wielnaaf
aan, plaats de wielmoeren op de
wielbouten en draai ze handvast.
Beweeg het wiel heen en weer
om te controleren of het wiel
goed aanligt en draai de wiel-
moeren zo ver mogelijk met de
hand aan.
11. Laat de auto zakken door de
wielsleutel linksom te draaien.
De velgen en wieldoppen kun-
nen scherpe randen hebben.
Ga er, om te voorkomen dat u
zich bezeert, voorzichtig mee
om.
Controleer voor het plaatsen
van het wiel of er niets (mod-
der, teer, grind, enz.) op de
wielnaaf of de velg aanwezig
is dat zou kunnen voorkomen
dat het wiel goed tegen de
wielnaaf aanligt. Verwijder
eventuele Als het wiel niet
goed tegen de wielnaaf aan-
ligt, zouden de wielmoeren
los kunnen lopen, waardoor u
het wiel zou kunnen verliezen.
Als u een wiel verliest, kunt u
de controle over de auto kwijt-
raken. Hierdoor kan ernstig
letsel ontstaan.
WAARSCHUWING
6-14
Wat te doen in een noodgeval
Plaats de wielmoersleutel vervol-
gens zoals in de afbeelding is aan-
gegeven en draai de wielmoeren
vast. Zorg ervoor dat de moer hele-
maal in de dop valt. Ga niet op de
hendel staan en gebruik ook geen
pijp om de hendel te verlengen.
Draai de moeren om en om vast tot
alle moeren vastgedraaid zijn.
Controleer vervolgens elke moer
nogmaals op vastzitten. Na het wis-
selen van wielen adviseren we u het
systeem te laten controleren door
een officiële HYUNDAI-dealer.
Aanhaalmoment wielmoeren:
Stalen velg en lichtmetalen velg:
11~13 kgf.m (79~94lbf.ft)
Verwijder het ventieldopje en contro-
leer de bandenspanning als u de
beschikking heeft over een banden-
spanningsmeter. Rijd langzaam naar
het dichtstbijzijnde tankstation en
breng de band op de juiste spanning
als de bandenspanning te laag is.
Laat wat lucht uit de band lopen als
de bandenspanning te hoog is.
Plaats na het controleren van de
bandenspanning of het op spanning
brengen altijd het ventieldopje. Als
het ventieldopje niet teruggeplaatst
wordt, kan er lekkage ontstaan.
Koop zo snel mogelijk een nieuw
ventieldopje en plaats dit als u een
dopje verloren bent.
Berg het wiel met de lekke band op
de juiste plaats op en berg ook de
krik en het gereedschap op hun oor-
spronkelijke plaats op.
De tapeinden en de wielmoeren
van uw auto zijn voorzien van
metrische draad. Zorg er bij het
verwisselen van een wiel voor dat
dezelfde moeren gebruikt worden
voor het plaatsen of wanneer de
wielen vervangen worden, moeren
met dezelfde metrische draad
gebruikt worden. Bij het plaatsen
van een niet metrische moer op
een tapeind met metrische
schroefdraad of omgekeerd, zal
het wiel niet op de juiste manier
aan de naaf worden bevestigd en
zal het tapeind beschadigd raken,
waardoor deze vervangen moet
worden.
Houd er rekening mee dat de
meeste wielmoeren geen metrisch
schroefdraad hebben. Controleer
goed het type schroefdraad voor-
dat u niet originele wielmoeren of
wielen gaat plaatsen.
Bij twijfel adviseren we u contact
op te nemen met een officiële
HYUNDAI-dealer.
AANWIJZING
OIB064009
6-15
Wat te doen in een noodgeval
6
Plaats de krik, de krikslinger, de wiel-
moersleutel en het gereedschaps-
etui zorgvuldig om te voorkomen dat
ze tijdens het rijden gaan rammelen.
Belangrijk – gebruik van een
compact reservewiel (indien van
toepassing)
Het voertuig is uitgerust met een
compact reservewiel. Dit compacte
reservewiel neemt minder plaats in
en is lichter dan een wiel van norma-
le grootte. Dit wiel is kleiner dan een
conventioneel wiel en is alleen ont-
worpen voor tijdelijk gebruik.
Rij voorzichtig wanneer het
compacte reservewiel in gebruik
is. Het compacte reservewiel
moet zo snel mogelijk worden
terug gewisseld door een “nor-
maal” wiel.
Het is aan te raden niet meer dan
één compact reserve wiel te
gebruiken en dit wiel zo snel
mogelijk weer terug te wisselen
voor het orginele wiel.
Het compacte reservewiel moet een
spanning hebben van 420 kPa (60
psi).
Informatie
Controleer na het plaatsen van het re-
servewiel de bandenspanning. Breng
de band indien nodig op de voorge-
schreven spanning.
AANWIJZING
i
Tapeinden
Wanneer de tapeinden bescha-
digd zijn, kunnen ze het wiel
niet meer goed op zijn plaats
houden. Hierdoor kan het wiel
losraken en een ongeval ver-
oorzaken, waardoor letsel kan
ontstaan.
WAARSCHUWING
Het compacte reservewiel is
alleen voor gebruik in noodge-
vallen. Rij niet harder dan 80
km/ uur (50 mph). Het oorspron-
kelijke wiel moet zo spoedig
mogelijk worden gerepareerd
en terug geplaatst. Dit komt het
rijcomfort en de veiligheid te
goede.
WAARSCHUWING
Onjuiste bandenspanning
reservewiel
Controleer na het plaatsen van
het reservewiel zo spoedig
mogelijk de bandenspanning.
Breng de band indien nodig op
de voorgeschreven spanning.
Zie "Velgen en banden" in
hoofdstuk 8.
WAARSCHUWING
6-16
Wat te doen in een noodgeval
Bij het gebruik van een compacte
reservewiel, moeten de volgende
voorzorgsmaatregelen in achtgeno-
men worden:
Onder geen omstandigheden mag
de snelheid hoger zijn dan 80 km/
uur (50 mph); een hogere snelheid
kan de band beschadigen.
Let op dat er niet te lang wordt
door gereden met het compacte
reservewiel. Dit wiel is kwetsbaar-
der en zal eerder beschadigen.
Vermijdt slechte wegcondities en
rijdt niet te snel.
Het continue gebruik van deze
band kan resulteren in bandbreuk,
verlies van controle over het voer-
tuig en mogelijk een ongeval (Met
persoonlijk letsel.).
Overschrijdt niet de maximale
belasting van het voertuig of het
laadvermogen welke op de zijkant
van de reserveband is vermeld.
Vermijdt het rijden over obstakels.
De diameter van de compacte
reserveband is kleiner dan de dia-
meter van de “normale” banden.
Dit is ook van invloed op de vrije
voertuighoogte.
Het is aan te raden de auto niet in
een door een automatische auto-
wasstraat te rijden met een com-
pact reservewiel gemonteerd.
Gebruik geen sneeuwkettingen op
het compacte reservewiel. Door de
kleinere diameter zal de sneeuw-
ketting niet juist passen. Dit zal het
voertuig beschadigen en leiden tot
verlies van de ketting.
Monteer het compacte reservewiel
niet op de vooras indien het voer-
tuig moet worden gereden in
sneeuw of op ijs.
Gebruik het compacte reservewiel
niet op welk ander voertuig dan
ook omdat het speficiek is ontwor-
pen voor dit voertuig.
Het profiel van de reserveband is
minder diep dan van een reguliere
band. Controleer daarom elke keer
als het reservewiel gebruikt is de
profieldiepte van de band. Vervang
de band als deze versleten is voor
hetzelfde type en afmeting,
gemonteerd op dezelfde velg.
De compacte reserveband moet
niet op enig andere velg gemon-
teerd worden. Ook moeten stan-
daardbanden, winterbanden, wiel-
deksels of velgringen worden
gebruikt in relatie met de compac-
te velg. Als dit toch wordt gepro-
beerd, kan schade ontstaan aan
zowel de banden als de velgen.
Bovendien kan de auto schade
oplopen bij het gebruik van een
verkeerde band/velg combinatie.
Gebruik niet meer dan een com-
pact reservewiel tegelijk.
Sleep geen aanhangwagen terwijl
het compacte reservewiel is geïn-
stalleerd.
6-17
Wat te doen in een noodgeval
6
Kriklabel
1. Modelnaam
2. Maximaal toegestane belasting
3. Activeer de parkeerrem wanneer
u de krik gebruikt.
4. Zet de motor uit wanneer u de krik
gebruikt.
5. Ga niet onder een auto liggen die
wordt ondersteund door een krik.
6. De aangegeven plaatsen onder
de dorpel
7. Bij het ondersteunen van de auto
moet de voetplaat van de krik ver-
ticaal onder het opkrikpunt worden
geplaatst.
8. Zet bij auto's met een handge-
schakelde transmissie de versnel-
lingspook in de achteruit of zet bij
auto's met een automatische/dou-
ble clutch transmissie de selectie-
hendel in stand R.
9. Plaats de krik op een stevige,
vlakke ondergrond.
10. Fabrikant krik
11. Productiedatum
12. Representative company and
address
OHYK064002
OHYK064005GB
• Type A
nVoorbeeld
• Type B
hHet werkelijke label op de krik in de auto kan afwijken van de afbeelding.
Meer informatie vindt u op het label op de krik.
6-18
Wat te doen in een noodgeval
JACKDOC14GB
EU conformiteitsverklaring voor krik
6-19
Wat te doen in een noodgeval
6
LEKKE BAND (MET TIREMOBILITYKIT, INDIEN VAN TOEPASSING)
Lees voor een veilige bediening de
instructies in deze handleiding voor
gebruik aandachtig door en volg ze
nauwgezet op.
(1) Compressor
(2) Fles met dichtmiddel
Met de Tire Mobility Kit kan de band
slechts tijdelijk worden gerepareerd.
We raden u aan het band te laten
controleren door een officiële HYUN-
DAI-dealer.
- Eén afdichtingsmiddel voor één
band
Als de auto meerdere lekke ban-
den heeft mag de banden repara-
tieset niet worden gebruikt. Het
afdichtingsmiddel uit de banden-
reparatieset kan namelijk maar
voor één lekke band worden
gebruikt.
Introductie
Met de TireMobilityKit blijft u mobiel,
ook na een lekke band.
Met behulp van de compressor en
het dichtmiddel kunnen de meest
voorkomende lekken in een perso-
nenautoband, veroorzaakt door spij-
kers enz., effectief gedicht worden
en kan de band na reparatie weer op
spanning worden gebracht.
Zodra u er zeker van bent dat de lek-
kage is verholpen, kunt u voorzichtig
met een maximumsnelheid van 80
km/h verder rijden (maximaal 200
km) naar een garagebedrijf of ban-
denspecialist om de band te laten
vervangen.
AANWIJZING
OGB064005
OGB064006
Wang van de band
Gebruik de bandenreparatieset
niet om een lek in de wang van
de band te repareren. Hierdoor
kan de band stuklopen, waar-
door een ongeval zou kunnen
ontstaan.
WAARSCHUWING
Tijdelijke reparatie
Laat de band zo snel mogelijk
repareren. De bandenspanning
kan, nadat de band met de ban-
denreparatieset is opgepompt,
op ieder moment wegvallen.
WAARSCHUWING
6-20
Wat te doen in een noodgeval
In sommige gevallen, bij grotere
beschadigingen aan het loopvlak of
aan de wangen van de band, kan het
gebeuren dat het lek niet afdoende
gedicht kan worden.
Een te lage bandenspanning heeft
een negatieve invloed op de presta-
ties van de band.
U dient daarom abrupte stuurbewe-
gingen of andere manoeuvres te mij-
den, vooral als de auto zwaar bela-
den is of als er een aanhanger wordt
getrokken.
De TireMobilityKit is niet ontworpen
of bedoeld voor een permanente
reparatie van een band en mag maar
voor 1 band gebruikt worden.
Deze handleiding laat u stap voor
stap zien hoe u op een eenvoudige
en betrouwbare manier een lek kunt
dichten.
Lees het hoofdstuk "Veilig gebruik
van de Tire Mobility Kit".
Aanwijzingen voor een veilig
gebruik van de Tire Mobility
Kit
Breng uw auto tot stilstand op een
veilige plaats zodat u bij het wer-
ken met de TireMobilityKit niet
gehinderd wordt door het passe-
rende verkeer.
Activeer de parkeerrem, ook als de
auto tamelijk horizontaal staat,
zodat de auto niet in beweging kan
komen.
Gebruik de TireMobilityKit uitslui-
tend voor het repareren van perso-
nenautobanden. Alleen lekken in
het loopvlak van de band kunnen
met de bandenreparatieset worden
gerepareerd.
Gebruik de set niet voor het repa-
reren van motorfietsbanden, fiets-
banden of andere soorten banden.
Gebruik de bandenreparatieset in
het belang van uw eigen veiligheid
niet wanneer het wiel en de velg
beschadigd zijn.
De bandenreparatieset kan moge-
lijk niet effectief worden gebruikt
wanneer het lek groter is dan ca. 6
mm. We adviseren u contact op te
nemen met een officiële HYUN-
DAI-dealer.
Gebruik de bandenreparatieset
niet wanneer de band ernstig
beschadigd is doordat er te lang is
gereden met een lekke band of
met een te lage bandenspanning.
Verwijder het voorwerp dat het lek
heeft veroorzaakt - spijkers,
schroeven enzovoort - niet uit de
band.
Laat de motor draaien als de auto
in een niet-afgesloten ruimte staat.
Anders kan het gebruik van de
compressor er uiteindelijk toe lei-
den dat de accuspanning te ver
daalt.
Verlies de TireMobilityKit tijdens
het gebruik niet uit het oog.
Laat de compressor niet langer
dan 10 minuten achter elkaar
draaien, omdat hij anders overver-
hit kan raken.
Gebruik de TireMobilityKit niet bij
een buitentemperatuur lager dan -
30°C.
6-21
Wat te doen in een noodgeval
6
0. Snelheidsbeperkingslabel
1. FIes met dichtmiddel en snelheids-
beperkingslabel
2. Vulslang van fles met dichtmiddel
naar band
3 Stekkers en kabel voor directe aan-
sluiting op de 12V-accessoireaan-
sluiting
4. Houder voor de fles met dichtmiddel
5. Compressor
6. AAN/U IT-schakelaar
7. Drukmeter voor de bandenspanning
8. Slang om de compressor aan te
sluiten op de fles met dichtmiddel of
de compressor aan te sluiten op de
band
De stekkers, voedingskabel en aan-
sluitslang kunnen worden opgebor-
gen in de compressorbehuizing.
Volg de hieronder beschreven pro-
cedure nauwgezet, omdat het dicht-
middel anders onder hoge druk kan
ontsnappen.
Onderdelen van de TireMobilityKit
OIA0630007/Q
0
Afdichtingsmiddel waarvan de
houdbaarheidsdatum is vers-
treken
Gebruik geen afdichtingsmiddel
waarvan de houdbaarheidsda-
tum is verstreken (deze datum
staat vermeld op de verpak-
king). Dit verhoogt het risico dat
de band uitvalt.
WAARSCHUWING
Afdichtingsmiddel
Buiten het bereik van kinde-
ren houden.
Contact met de ogen vermij-
den.
Niet inslikken.
WAARSCHUWING
6-22
Wat te doen in een noodgeval
Gebruik van deTireMobilityKit
1. Neem het label met de snelheids-
beperking (0) los van de fles
afdichtingsmiddel (1) en bevestig
deze op een goed zichtbare plaats
in de auto, bijvoorbeeld op het
stuurwiel, om de bestuurder eraan
te herinneren dat hij of zij lang-
zaam moet rijden.
2. Schroef slang (8) op de aanslui-
ting van de fles met dichtmiddel.
3. Draai het ventieldopje van het
ventiel van de lege band en
schroef vulslang (2) van de fles
met dichtmiddel op het ventiel.
4. Plaats de fles afdichtingsmiddel
rechtop in de behuizing (4) van de
compressor.
5. Zorg ervoor dat de compressor is
uitgeschakeld, stand 0.
6. Steek de aansluiting van de com-
pressor in de 12V-aansluiting van
de auto.
Breng de vulslang zorgvuldig aan
op het ventiel. Wanneer dit niet
wordt gedaan kan het vulmiddel
teruglopen in de slang en deze
verstoppen.
AANWIJZING
OGB064006 OHY015012
6-23
Wat te doen in een noodgeval
6
7. Zet de startknop of het contact
aan, zet de compressor aan en
laat de compressor gedurende 5-
7 minuten lopen, zodat de band
tot de juiste spanning met afdich-
tingsmiddel wordt gevuld. (Zie
"Velgen en Banden" in hoofdstuk
8). De bandenspanning na het
vullen van de band is niet belang-
rijk; dit wordt later gecontro-
leerd/gecorrigeerd.
Let er bij het vullen van de band
op dat de maximumspanning niet
wordt overschreden en bewaar tij-
dens het vullen afstand tot de
band.
- Bandenspanning
Rijd niet met de auto wanneer de
bandenspanning lager is dan 200
kpa (29 PSI). Hierdoor kan de ban-
denspanning plotseling wegval-
len, waardoor een ongeval zou
kunnen ontstaan.
8. Schakel de compressor uit.
9. Verwijder de vulslang van de fles
met dichtmiddel en van het ventiel
van de band.
Plaats de TireMobilityKit terug in
het opbergvak in de auto.
Afdichtingsmiddel verdelen
10. Rijd onmiddellijk ongeveer 7-10
km (of ongeveer 10 minuten) met
de auto, zodat het afdichtings-
middel gelijkmatig in de band
wordt verdeeld.
Rijd hierbij niet harder dan 80 km/h.
Rijd indien mogelijk niet langzamer
dan 20 km/h. Als u tijdens het rijden
ongewone trillingen opmerkt, een
abnormaal rijgedrag ervaart of bijge-
luiden hoort, verlaag dan uw snel-
heid en rijd voorzichtig verder tot u
de auto op een veilige plaats tot stil-
stand kunt brengen.
Roep in dat geval hulp in.
Wanneer u de bandenrepara-tieset
gebruikt kunnen de bandenspan-
ningssensoren en velgen door het
afdichtingsmiddel beschadigd raken.
AANWIJZING
Koolmonoxide
Laat de motor niet gedurende
langere tijd lopen in een slecht
geventileerde ruimte. Hierdoor
kunt u koolmonoxidevergifti-
ging oplopen, met ernstig letsel
of de dood tot gevolg.
WAARSCHUWING
OGB066007
6-24
Wat te doen in een noodgeval
Controleren van de
bandenspanning
1. Stop, nadat u ongeveer 7~10 km
(of ongeveer 10 minuten) hebt
gereden, op een veilige plaats.
2. Sluit slang (8) van de compressor
aan op het ventiel van de band.
3. Steek de aansluiting van de com-
pressor in de 12V-aansluiting van
de auto.
4. Breng de band op de aanbevolen
spanning.
Schakel het contact in en ga dan
als volgt te werk.
- De bandenspanning verho-
gen: Zet de schakelaar op de
compressor in stand I. Schakel
de compressor even uit om de
huidige bandenspannings instel-
ling te controleren.
Informatie
Wanneer de compressor loopt kan de
drukmeter een hogere waarde weerge-
ven dan de werkelijke waarde. Om de
juiste bandenspannings te kunnen
aflezen, moet de compressor worden
uitgeschakeld.
- Bandenspannin gssensor
Raden wij u aan dichtingsmiddel
van de tire mobility kit van een
officiële HYUNDAI-dealer te geb-
ruiken. Het afdichtingsmiddel op
de bandenspanningssensor en
velg moet worden verwijderd wan-
neer de band door een nieuw
exemplaar wordt vervangen en de
bandenspanningssensoren moe-
ten door een officiële HYUNDAI-
dealer worden gecontroleerd.
i
AANWIJZING
6-25
Wat te doen in een noodgeval
6
CONTROLESYSTEEM LAGE BANDENSPANNING (TPMS) (TYPE A, INDIEN VAN TOEPASSING)
Waarschuwingslampje lage banden-
spanning / Controlelampje storing
TPMS
Controleer iedere maand bij koude
banden of de bandenspanning van
alle banden, inclusief het reservewiel
(indien van toepassing), overeen-
komt met de aanbevolen spanning
op het voertuigplaatje of het banden-
spanningslabel. (Als de bandenmaat
van uw auto niet overeenkomt met
de bandenmaat op het voertuigplaat-
je of het bandenspanningslabel,
dient u de juiste spanning voor deze
banden te bepalen.)
Voor extra beveiliging is uw auto uit-
gerust met een controlesysteem lage
bandenspanning (TPMS) dat ervoor
zorgt dat een waarschuwingslampje
lage bandenspanning gaat branden
wanneer de bandenspanning van
een of meerdere band(en) aanmer-
kelijk te laag is.
Wanneer het waarschuwingslampje
lage bandenspanning brandt, dient u
de auto dus stil te zetten, de banden
zo snel mogelijk te controleren en ze
op de juiste spanning te brengen.
Rijden op banden waarvan de ban-
denspanning te laag is, heeft over-
verhitte en mogelijk beschadigde
banden tot gevolg. Te lage banden-
spanning levert een hoger brandstof-
verbruik op, verkort de levensduur
van de banden en heeft mogelijk
invloed op de rijeigenschappen van
de auto en de remweg.
Het TPMS dient niet ter vervanging
van onderhoud van de banden te
worden gebruikt. Het is de verant-
woordelijkheid van de bestuurder dat
de banden op de juiste spanning
zijn, ook al is de bandenspanning
nog niet zo laag dat het waarschu-
wingslampje gaat branden.
Uw auto is tevens uitgerust met een
controlelampje storing TPMS dat
aangeeft wanneer het systeem niet
goed werkt. Het controlelampje sto-
ring TPMS is gecombineerd met het
waarschuwingslampje lage banden-
spanning. Wanneer door het sys-
teem een storing wordt gedetec-
teerd, knippert het waarschuwings-
lampje gedurende ongeveer een
minuut en blijft daarna branden. Elke
keer dat de auto wordt gestart, blijft
deze volgorde optreden, zolang de
storing aanwezig is. Wanneer het
controlelampje brandt, kan het sys-
teem mogelijk niet naar behoren een
te lage bandenspanning vaststellen.
Storingen in het TPMS kunnen door
verschillende oorzaken ontstaan,
waaronder het plaatsen, vervangen
of wisselen van banden of velgen
waardoor het TPMS niet goed werkt.
Controleer na het vervangen van
een of meerdere band(en) of
velg(en) het controlelampje storing
TPMS om ervoor te zorgen dat het
TPMS goed werkt.
OGB064008
6-26
Wat te doen in een noodgeval
Informatie
Als het controlelampje TPMS niet
gedurende 3 seconden gaat branden
nadat het contact in stand ON is gezet
of de motor draait, of als het gaat
branden na ongeveer 1 minuut te heb-
ben geknipperd, adviseren we u uw
auto door de dichtstbijzijnde officiële
HYUNDAI-dealer te laten contro-
leren.
Waarschuwing-
slampje lage banden-
spanning
Wanneer het waarschuwingslampje
van het controlesysteem voor een
lage bandenspanning brandt, is de
bandenspanning van een of meerde-
re band(en) te laag.
Als het controlelampje gaat branden,
verminder dan onmiddellijk snelheid,
vermijd het met hoge snelheid
nemen van bochten en anticipeer op
een langere remweg. Zet de auto zo
snel mogelijk stil en controleer de
banden. Breng de banden op de juis-
te spanning zoals aangegeven op
het voertuigplaatje of het banden-
spanningslabel op de middenstijl aan
bestuurderszijde. Vervang de band
met een te lage bandenspanning
door het reservewiel als u geen tank-
station kunt bereiken of als de band
lek is.
Vervolgens knippert na het starten
van de auto en na ongeveer 10
minuten aaneengesloten rijden het
waarschuwingslampje lage banden-
spanning mogelijk gedurende onge-
veer 1 minuut en blijft het daarna
continu branden tot de band met de
lage bandenspanning is gerepareerd
en onder de auto is gemonteerd.
Mogelijk gaat het waarschuwings-
lampje lage bandenspanning in de
winter of bij koud weer branden
als de banden bij warm weer op de
aanbevolen spanning zijn
gebracht. Het betekent niet dat uw
TPMS defect is, omdat de lagere
temperatuur een evenredig lagere
bandenspanning tot gevolg heeft.
Controleer de bandenspanning en
stel deze af wanneer u van een
warm gebied naar een koud
gebied of vice versa rijdt, of wan-
neer de buitentemperatuur aan-
merkelijk toe- of afneemt.
i
AANWIJZING
6-27
Wat te doen in een noodgeval
6
Controlelampje sto-
ring TPMS (controle-
systeem lage ban-
denspanning)
Het controlelampje storing TPMS
gaat branden nadat het ongeveer 1
minuut heeft geknipperd wanneer er
een probleem is met het controlesys-
teem lage bandenspanning (TPMS).
Als het systeem in staat is om gelijk-
tijdig zowel correct een te lage ban-
denspanning als een storing in het
systeem te registreren, gaat het con-
trolelampje storing TPMS branden.
We raden u aan het systeem door
een officiële HYUNDAI-dealer na te
laten kijken.
Het controlelampje storing
TPMS gaat mogelijk branden als
de auto in de buurt rijdt van
elektrische kabels of zenders
zoals in de nabijheid van politie-
bureaus, kantoren, zendsta-
tions, militaire objecten, lucht-
havens, zendmasten, enz. die de
normale werking van het contro-
lesysteem lage bandenspanning
(TPMS) kunnen storen.
Het controlelampje storing
TPMS gaan branden als er
sneeuwkettingen gebruikt wor-
den of als er in de auto bepaalde
elektronische apparatuur wordt
gebruikt, zoals een notebook,
een lader voor een mobiele tele-
foon, een externe starthulp of
een navigatiesysteem. Dit kan
de normale werking van het
TPMS storen.
AANWIJZING
Schade door lage bandenspan-
ning
Een te lage bandenspanning
zorgt ervoor dat de auto insta-
biel wordt en kan ervoor zorgen
dat u de controle over de auto
verliest en dat de remweg wordt
verlengd.
Doorrijden op banden met een
te lage spanning heeft overver-
hitte en defecte banden tot
gevolg.
WAARSCHUWING
6-28
Wat te doen in een noodgeval
Een wiel wisselen met TPMS
Bij een lekke band gaat het waar-
schuwingslampjes lage banden-
spanning branden. We adviseren u
de band met een te lage spanning te
laten controleren door een officiële
HYUNDAI-dealer.
Leder wiel is uitgerust met een ban-
denspanningssensor achter het ven-
tiel in het wiel. Gebruik wielen die
speciaal geschikt zijn voor TPMS.
Wij raden u aan uw banden door een
officiële HYUNDAI-dealer te laten
nakijken.
Ook wanneer u de band met de lage
bandenspanning door het reserve-
wiel hebt vervangen, blijft het waar-
schuwingslampjes lage banden-
spanning knipperen of branden tot
dat de band met de lage banden-
spanning is gerepareerd en weer op
de auto is gemonteerd.
Nadat u de band met lage banden-
spanning hebt vervangen door het
reservewiel kan na een paar minuten
het waarschuwingslampje lage ban-
denspanning gaan knipperen of
branden omdat de TPMS-sensor in
het reservewiel niet is geïnitialiseerd.
Als de band eenmaal op de voorge-
schreven spanning is gebracht en is
gemonteerd, of de nieuwe TPMS-
sensor op het wiel is geplaatst, gaan
het controlelampje storing TPMS en
de waarschuwingslampjes lage ban-
denspanning en positie lage banden-
spanning na een paar minuten rij-
den uit.
Als de oorspronkelijk gemonteer-
de band wordt vervangen door het
reservewiel, moet de TPMS-sen-
sor op het reservewiel worden geï-
nitialiseerd en de sensor op het
originele wiel moet worden gede-
activeerd door een Hyundai-
dealer. Als de TPMS-sensor op
originele wiel dat in de houder van
het reservewiel is gemonteerd
nog steeds actief is, werkt het
bandenspanningscontrolesys-
teem mogelijk niet correct. We
adviseren u het systeem te laten
repareren door een officiële
HYUNDAI-dealer.
AANWIJZING
Wij raden u aan uitsluitend een
door Hyundai goedgekeurd
bandenreparatiemiddel te geb-
ruiken om de band met een te
lage spanning te repareren. Niet
door Hyundai goedgekeurde
bandenreparatievloeistof kan
de bandenspanningssensoren
beschadigen.
OPMERKING
6-29
Wat te doen in een noodgeval
6
Mogelijk kunt u de bandenspanning
niet beoordelen door alleen naar de
banden te kijken. Gebruik altijd een
bandenspanningsmeter van een
goede kwaliteit om de bandenspan-
ning te meten. Een band die warm is
(door het rijden), heeft een hogere
bandenspanning dan een band die
koud is.
Een koude band houdt in dat de auto
gedurende 3 uur heeft stilgestaan of
niet meer dan 1,6 km heeft gereden
gedurende deze periode.
Laat de band afkoelen alvorens de
bandenspanning te meten. Zorg er
altijd voor dat de band koud is alvo-
rens deze op de aanbevolen span-
ning te brengen.
We raden u aan door HYUNDAI
goedgekeurd bandenreparatie-
middel te gebruiken indien uw
auto is uitgerust met het controle-
systeem voor lage bandenspan-
ning (TPMS). Het vloeibare ban-
denreparatiemiddel kan de ban-
denspanningsensoren beschadi-
gen.
AANWIJZING
TPMS
Het TPMS waarschuwt niet
voor ernstige en plotselinge
schade aan de banden veroor-
zaakt door externe factoren,
zoals spijkers en dergelijke.
Als de auto instabiel aanvoelt,
haal dan onmiddellijk uw voet
van het gaspedaal, trap het
rempedaal licht in en breng
uw auto op een veilige plaats
tot stilstand.
WAARSCHUWING
TPMS beschermen
Het aanpassen, wijzigen of uit-
schakelen van onderdelen van
het controlesysteem lage ban-
denspanning (TPMS) verhindert
mogelijk dat de bestuurder door
het systeem wordt gewaar-
schuwd over een te lage ban-
denspanning en/of storingen in
het TPMS. Door het aanpassen,
wijzigen of uitschakelen van
onderdelen van het TPMS ver-
valt mogelijk de garantie voor
dat deel van de auto.
WAARSCHUWING
6-30
Wat te doen in een noodgeval
EUROPA
Voer geen modificaties aan de
auto uit, deze kunnen de wer-
king van het TPMS hinderen.
Universele wielen hebben
geen TPMS-sensor.
Voor uw veiligheid adviseren
we u vervangende onderdelen
te gebruiken die zijn geleverd
door een officiële HYUNDAI-
dealer.
Als u universele wielen onder
uw auto monteert, moet u
TPMS- sensoren gebruiken
die goedgekeurd zijn door een
HYUNDAI-dealer. Als uw auto
niet voorzien is van TPMS-
sensoren of als het TPMS niet
goed werkt, kunt u problemen
krijgen bij de APK.
(Vervolg)
(Vervolg)
hAlle auto's die vanaf onder-
staande datum in EUROPA op
de markt verkocht worden,
moeten zijn voorzien van
TPMS.
- Nieuwe modellen: 1 novem-
ber 2012 ~
- Bestaande modellen: 1 no-
vember 2014 ~ (op basis van
registratie)
WAARSCHUWING
6-31
Wat te doen in een noodgeval
6
CONTROLESYSTEEM LAGE BANDENSPANNING (TPMS) (TYPE B, INDIEN VAN TOEPASSING)
(1) Waarschuwingslampje lage ban-
denspanning / Controlelampje
storing TPMS
(2) Waarschuwingslampje positie
lage bandenspanning (Getoond
op het LCD-scherm)
Controlesysteem lage
bandenspanning
Controleer iedere maand bij koude
banden of de bandenspanning van
alle banden, inclusief het reservewiel
(indien van toepassing), overeen-
komt met de aanbevolen spanning
op het voertuigplaatje of het banden-
spanningslabel. (Als de bandenmaat
van uw auto niet overeenkomt met
de bandenmaat op het voertuigplaat-
je of het bandenspanningslabel,
dient u de juiste spanning voor deze
banden te bepalen.)
Voor extra beveiliging is uw auto uit-
gerust met een controlesysteem lage
bandenspanning (TPMS) dat ervoor
zorgt dat een waarschuwingslampje
lage bandenspanning gaat branden
wanneer de bandenspanning van
een of meerdere band(en) aanmer-
kelijk te laag is. Wanneer het waar-
schuwingslampje lage bandenspan-
ning brandt, dient u de auto dus stil
te zetten, de banden zo snel moge-
lijk te controleren en ze op de juiste
spanning te brengen. Rijden op ban-
den waarvan de bandenspanning te
laag is, heeft oververhitte en moge-
lijk beschadigde banden tot gevolg.
Te lage bandenspanning levert een
hoger brandstofverbruik op, verkort
de levensduur van de banden en
heeft mogelijk invloed op de rijeigen-
schappen van de auto en de rem-
weg.
Het TPMS dient niet ter vervanging
van onderhoud van de banden te
worden gebruikt. Het is de verant-
woordelijkheid van de bestuurder dat
de banden op de juiste spanning
zijn, ook al is de bandenspanning
nog niet zo laag dat het waarschu-
wingslampje gaat branden.
OGB058067
OGB064008/Q
Een te hoge of een te lage ban-
denspanning reduceert de le-
vensduur van de banden, beïn-
vloedt de handling van de auto
in negatieve zin en kan tot on-
verwachte bandproblemen lei-
den, waardoor u de controle
over de auto kunt verliezen met
een ongeval tot gevolg.
WAARSCHUWING
Uw auto is tevens uitgerust met een
controlelampje storing TPMS dat
aangeeft wanneer het systeem niet
goed werkt. Het controlelampje sto-
ring TPMS is gecombineerd met het
waarschuwingslampje lage banden-
spanning. Wanneer door het sys-
teem een storing wordt gedetec-
teerd, knippert het waarschuwings-
lampje gedurende ongeveer een
minuut en blijft daarna branden. Elke
keer dat de auto wordt gestart, blijft
deze volgorde optreden, zolang de
storing aanwezig is. Wanneer het
controlelampje brandt, kan het sys-
teem mogelijk niet naar behoren een
te lage bandenspanning vaststellen.
Storingen in het TPMS kunnen door
verschillende oorzaken ontstaan,
waaronder het plaatsen, vervangen
of wisselen van banden of velgen
waardoor het TPMS niet goed werkt.
Informatie
Als een van de onderstaande gebeurt,
raden we u aan het systeem te laten
controleren bij een officiële HYUN-
DAI dealer.
1. Het waarschuwingslampje lage
bandenspanning/de TPMS-motor-
controlelampje licht niet op gedu-
rende 3 seconden wanneer het con-
tactslot wordt omgedraaid naar de
AAN-stand of wanneer de motor
loopt.
2. De TPMS-motorcontrolelampje
blijft branden nadat hij circa 1
minuut heeft geknipperd.
3. De waarschuwingslampje lage ban-
denspanning blijft branden.
Waarschuwingslampje lage
bandenspanning
Waarschuwingslampje positie
lage bandenspanning
Wanneer de waarschuwingslampjes
van het controlesysteem lage ban-
denspanning branden (en Waar-
schuwingsbericht weergegeven op
het LCD-scherm op het bediening-
spaneel), is de bandenspanning van
een of meerdere band(en) te laag.
i
6-32
Wat te doen in een noodgeval
OGB058067
6-33
Wat te doen in een noodgeval
6
Het waarschuwingslampje positie
lage bandenspanning-waarschuwing
geeft aan welke band een te lage
bandenspanning heeft doordat het
bijbehorende lampje gaat branden.
Als of het verklikkerlichtje of de LCD-
waarschuwing oplicht, minder dan
onmiddellijk uw snelheid, vermijd
scherpe bochten en anticipeer toe-
genomen remweg. Zet de auto zo
snel mogelijk stil en controleer de
banden.
Breng de banden op de juiste span-
ning zoals aangegeven op het voer-
tuigplaatje of het banden-spannings-
label op de middenstijl aan bestuur-
derszijde.
Vervang de band met een te lage
bandenspanning door het reserve-
wiel als u geen tankstation kunt
bereiken of als de band lek is.
Nadat u de band met te lage druk
vervangen heeft door de reserve-
band, zal een van de volgende din-
gen gebeuren:
De TPMS-storingsindicator knip-
pert gedurende ongeveer 1 minuut
en blijft dan continu branden,
omdat de TPMS-sensor niet op het
reservewiel gemonteerd is. (ver-
wisselde band uitgerust met een
sensor niet in de auto)
De TPMS-storingsindicator blijft
continu branden tijdens het rijden,
omdat de TPMS-sensor niet op het
reservewiel gemonteerd is. (ver-
wisselde band uitgerust met een
sensor in de auto)
Mogelijk gaat het waarschuwings-
lampje lage bandenspanning in de
winter of bij koud weer branden
als de banden bij warm weer op de
aanbevolen spanning zijn
gebracht. Het betekent niet dat uw
TPMS defect is, omdat de lagere
temperatuur een evenredig lagere
bandenspanning tot gevolg heeft.
Controleer de bandenspanning en
stel deze af wanneer u van een
warm gebied naar een koud
gebied of vice versa rijdt, of wan-
neer de buitentemperatuur aan-
merkelijk toe- of afneemt.
AANWIJZING
6-34
Wat te doen in een noodgeval
Controlelampje sto-
ring TPMS (controle-
systeem lage ban-
denspanning)
Het controlelampje storing TPMS
gaat branden nadat het ongeveer 1
minuut heeft geknipperd wanneer er
een probleem is met het controlesys-
teem lage bandenspanning (TPMS).
Wij raden u aan het systeem te laten
controleren bij een erkende HYUN-
DAI-dealer om de oorzaak van het
probleem vast te stellen.
Informatie
Als er een storing is van het TPMS, zal
de detector voor de te lage banden-
spanning niets weergegeven, zelfs
wanneer de auto een te zacht opge-
pompte band heeft.
Een wiel wisselen met TPMS
Bij een lekke band gaan de waar-
schuwingslampjes lage banden-
spanning en positie lage banden-
spanning branden. We raden u aan
het systeem door een officiële
HYUNDAI-dealer na te laten kijken.
Ieder wiel is uitgerust met een ban-
denspanningssensor achter het ven-
tiel in het wiel. Gebruik wielen die
speciaal geschikt zijn voor TPMS.
Wij raden u aan uw banden door een
officiële HYUNDAI-dealer te laten
nakijken.
i
Schade door lage bandenspan-
ning
Een te lage bandenspanning
zorgt ervoor dat de auto insta-
biel wordt en kan ervoor zorgen
dat u de controle over de auto
verliest en dat de remweg wordt
verlengd.
Doorrijden op banden met een
te lage spanning heeft overver-
hitte en defecte banden tot
gevolg.
WAARSCHUWING
Wij raden u aan uitsluitend een
door Hyundai goedgekeurd
bandenreparatiemiddel te geb-
ruiken om de band met een te
lage spanning te repareren. Niet
door Hyundai goedgekeurde
bandenreparatievloeistof kan
de bandenspanningssensoren
beschadigen.
OPMERKING
6-35
Wat te doen in een noodgeval
6
Als u harder rijdt dan 10 km/h onge-
veer 25 minuten, nadat u de lage
bandenspanning vervangen heeft
door de reserveband, zal een van de
volgende dingen gebeuren:
De TPMS-storingsindicator knip-
pert gedurende ongeveer 1 minuut
en blijft dan continu branden,
omdat de TPMS-sensor niet op het
reservewiel gemonteerd is. (ver-
wisselde band uitgerust met een
sensor niet in de auto)
De TPMS-storingsindicator blijft
continu branden tijdens het rijden,
omdat de TPMS-sensor niet op het
reservewiel gemonteerd is. (ver-
wisselde band uitgerust met een
sensor in de auto)
Mogelijk kunt u de bandenspanning
niet beoordelen door alleen naar de
banden te kijken. Gebruik altijd een
bandenspanningsmeter van een
goede kwaliteit om de bandenspan-
ning te meten. Een band die warm is
(door het rijden), heeft een hogere
bandenspanning dat een band die
koud is (doordat deze gedurende ten
minste 3 uur heeft stilgestaan of niet
meer dan 1,6 km heeft gereden
gedurende deze periode).
Laat de band afkoelen alvorens de
bandenspanning te meten. Zorg er
altijd voor dat de band koud is alvo-
rens deze op de aanbevolen span-
ning te brengen.
Een koude band houdt in dat de auto
gedurende 3 uur heeft stilgestaan of
niet meer dan 1,6 km heeft gereden
gedurende deze periode.
We raden u aan door HYUNDAI go-
edgekeurd bandenreparatiemiddel
te gebruiken indien uw auto is uit-
gerust met het controlesysteem
voor lage bandenspanning (TPMS).
Het vloeibare bandenreparatiemid-
del kan de bandenspanningsen-
soren beschadigen.
AANWIJZING
TPMS
Het TPMS waarschuwt niet
voor ernstige en plotselinge
schade aan de banden veroor-
zaakt door externe factoren,
zoals spijkers en dergelijke.
Als de auto instabiel aanvoelt,
haal dan onmiddellijk uw voet
van het gaspedaal, trap het
rempedaal licht in en breng
uw auto op een veilige plaats
tot stilstand.
WAARSCHUWING
6-36
Wat te doen in een noodgeval
TPMS beschermen
Het aanpassen, wijzigen of uit-
schakelen van onderdelen van
het controlesysteem lage ban-
denspanning (TPMS) verhindert
mogelijk dat de bestuurder door
het systeem wordt gewaar-
schuwd over een te lage ban-
denspanning en/of storingen in
het TPMS. Door het aanpassen,
wijzigen of uitschakelen van
onderdelen van het TPMS ver-
valt mogelijk de garantie voor
dat deel van de auto.
WAARSCHUWING
TPMS beschermen
Voer geen modificaties aan de
auto uit, deze kunnen de wer-
king van het TPMS hinderen.
Universele wielen hebben
geen TPMS-sensor.
Voor uw veiligheid adviseren
we u vervangende onderdelen
te gebruiken die zijn geleverd
door een officiële HYUNDAI-
dealer.
Als u universele wielen onder
uw auto monteert, moet u
TPMS- sensoren gebruiken
die goedgekeurd zijn door een
HYUNDAI-dealer. Als uw auto
niet voorzien is van TPMS-
sensoren of als het TPMS niet
goed werkt, kunt u problemen
krijgen bij de APK.
(Vervolg)
(Vervolg)
hAlle auto's die vanaf onder-
staande datum in EUROPA
op de markt verkocht wor-
den, moeten zijn voorzien
van TPMS.
- Nieuwe modellen: 1 novem-
ber 2012 ~
- Bestaande modellen: 1 no-
vember 2014 ~ (op basis van
registratie)
WAARSCHUWING
SLEPEN
6-37
Wat te doen in een noodgeval
6
Slepen
Laat de auto bij voorkeur wegsiepen
door een officiële HYUNDAI-dealer
of een erkend bergingsbedrijf.
De juiste procedures voor het slepen
zijn noodzakelijk om beschadigingen
aan uw auto te voorkomen. Wij
bevelen het gebruik van dollies aan.
Voor sleeprichtlijnen inzake aan-
hangwagens, raadpleeg “Slepen van
aanhangwagen” in hoofdstuk 5.
Auto's mogen gesleept worden met
de achterwielen op de grond (zonder
dollies) en de voorwielen van de
grond.
Als een van de aangedreven wielen
of de wielophanging voor bescha-
digd is of als de auto wordt gesleept
met de voorwielen van de grond,
plaats dan een dolly onder de voor-
wielen.
Als er geen dollies worden gebruikt,
moet de auto worden gesleept met
de voorwielen van de grond.
dolly
OIB064011
OIB067012
OIB064012
OIB064010
6-38
Wat te doen in een noodgeval
Sleep het voertuig niet met de 4
wielen op de grond (zoals een
bijboot slepen achter een motor-
home of een ander motorvoer-
tuig) omdat dit aanzienlijke
beschadiging kan veroorzaken
aan de Automatische Transmis-
sie.
Sleep de auto nooit achteruit
met de voorwielen op de grond.
Hierdoor kan de auto bescha-
digd raken.
Sleep de auto nooit met een
takelwagen. Gebruik een wiel lift
of flatbed afsleepwagen.
Slepen in noodgevallen zonder dol-
lies:
1. Zet het contact in stand ACC.
2. Zet de transmissie in stand N
(neutraal).
3. Ontgrendel de parkeerrem.
Als de selectiehendel niet in stand
N wordt gezet, kan dit inwendige
schade in de transmissie tot
gevolg hebben.
Sleepoog (voor)
(indien van toepassing)
AANWIJZING
AANWIJZING
OIB067013
OGB065013
n5 Deurs
n3 Deurs
6-39
Wat te doen in een noodgeval
6
1. Open de achterklep en verwijder
het sleepoog uit de gereed-
schapsset.
2. Open het deksel op de voorbum-
per.
3. Plaats het sleepoog door het
rechtsom te draaien totdat het vol-
ledig vastzit.
4. Verwijder het sleepoog na gebruik
en sluit het afdekkapje.
Slepen in een noodgeval
Laat de auto bij voorkeur wegsiepen
door een officiële HYUNDAI-dealer
of een erkend bergingsbedrijf.
Als dit niet mogelijk is, mag de auto
tijdelijk worden gesleept met een
sleepkabel of -ketting die aan het
sleepoog aan de voor- of achterzijde
van de auto is bevestigd. Wees voor-
zichtig bij het slepen van de auto.
Laat een ervaren bestuurder in de
gesleepte auto achter om te sturen
en de remmen te bedienen.
Op deze manier slepen mag alleen
op verharde wegen, over een korte
afstand en met lage snelheden.
Bovendien moeten de wielen, aan-
drijfassen, transmissie, stuurinrich-
ting en remmen in orde zijn.
OIB067014
OGB065014
nVoor (indien van toepassing)
• 5 Deurs
• 3 Deurs OIB067015
n Achter
OGB066014
• Cross
OGB066013
nCross
6-40
Wat te doen in een noodgeval
Volg altijd onderstaande voorzorgs-
maatregelen bij slepen in een nood-
geval:
Zet het contact in stand ACC, zodat
het stuurwiel niet vergrendeld
wordt.
Zet de selectiehendel in stand N
(neutraal).
Ontgrendel de parkeerrem.
Vanwege de verminderde remwer-
king, moet het rempedaal krachti-
ger worden bediend.
Het sturen gaat zwaarder omdat
de stuurbekrachtiging niet werkt.
Gebruik een voertuig dat zwaarder
is dan dat van uzelf om uw voertuig
te slepen.
De bestuurders van beide auto's
dienen goed met elkaar te commu-
niceren.
Controleer voor het slepen of de
sleepogen niet gebroken of op een
andere manier beschadigd zijn.
Bevestig de kabel of ketting goed
aan de sleepogen.
Voorkom schokbewegingen tijdens
het slepen. Sleep met een gelijk-
matige kracht.
Gebruik een sleepkabel of ketting
van minder dan 5 meter. Bevestig
een rode doek (ongeveer 30 cm
breed) in het midden van de kabel
of ketting om de zichtbaarheid te
verbeteren.
Rij voorzichtig zodat de sleepkabel
of -ketting strak blijft tijdens het sle-
pen.
Controleer, voordat de auto ge-
sleept wordt, onder de auto of
deze geen automatische transmis-
sie/Double clutchtransmissie-
vloeistof lekt. Als de auto automati-
sche-transmissie-vloeistof lekt
moet de auto op een auto-ambu-
lance vervoerd of op een dolly
gesleept worden.
OTD069011
Wanneer de auto wordt gesleept,
moet de bestuurder in de auto
blijven om te sturen en remmen.
Er mogen zich geen passagiers
in de auto bevinden.
OPMERKING
Verhoog of verlaag langzaam en
geleidelijk de snelheid van de auto
waarbij spanning op de sleepka-
bel of ketting wordt gehouden om
de auto te starten of te rijden.
Anders kunnen de sleepogen en
de auto beschadigd worden.
Om beschadiging aan uw voertuig
en voertuigonderdelen tijdens het
slepen te voorkomen:
Trek alleen in de lengterichting
van de auto bij gebruik van de
sleepogen. Trek niet in de
dwarsrichting of in verticale
richting aan het sleepoog.
Gebruik de sleepogen niet om
een andere auto weg te slepen
die vastzit in de modder of iets
dergelijks waar hij niet op eigen
kracht uit kan komen.
Laat de auto niet met een snel-
heid hoger dan 15 km/h en niet
verder dan 1,5 km slepen, om
ernstige schade aan de Auto-
matische/double clutch trans-
missie te voorkomen.
AANWIJZINGAANWIJZING
6-41
Wat te doen in een noodgeval
6
6-42
Wat te doen in een noodgeval
Uw auto is uitgerust met een nood-
uitrusting waarmee u kunt inspelen
op noodsituaties.
Brandblusser
Als er sprake is van een kleine brand
en u weet hoe u de brandblusser
moet gebruiken, volg dan zorgvuldig
onderstaande stappen.
1. Fles dichtmiddel en label met Trek
de veiligheidspen aan de boven-
kant van de brandblusser, die
voorkomt dat de hendel per onge-
luk ingedrukt wordt, los.
2. Richt de straalpijp op de basis van
de vlammen.
3. Ga op ongeveer 2,5 m van het
vuur staan en knijp de hendel
dicht om de blusser te activeren.
Als u de hendel loslaat, stopt het
blussen.
4. Beweeg de straalpijp heen en
weer richting de basis van de
vlammen. Kijk zorgvuldig of het
vuur echt gedoofd is omdat het
weer op kan laaien.
Eerstehulpset
De EHBO-set bevat spullen voor het
verlenen van eerste hulp, zoals een
schaar, verband en pleisters.
Gevarendriehoek
Plaats de gevarendriehoek op de
weg om naderend verkeer te waar-
schuwen als de auto door problemen
tot stilstand is gekomen langs de
kant van de weg.
Bandenspanningsmeter
(indien van toepassing)
Het is normaal dat banden wat lucht
verliezen tijdens dagelijks gebruik en
het is mogelijk dat u regelmatig wat
lucht moet toevoegen.Meestal duidt
dit niet op een lekke band, maar op
normale slijtage. Controleer de ban-
denspanning altijd bij koude banden,
omdat de bandenspanning bij een
hogere temperatuur toeneemt.
Neem de volgende stappen om de
bandenspanning te controleren:
1. Draai de ventieldop, die zich op de
velg van de band bevindt, los.
2. Houd de bandenspanningsmeter
aangedrukt op het ventiel. Bij het
plaatsen van de bandenspan-
ningsmeter ontsnapt er wat lucht
en als de meter niet goed aange-
drukt wordt, ontsnapt er nog meer.
3. De bandenspanningsmeter wordt
geactiveerd wanneer u deze ste-
vig en zonder lucht te laten ont-
snappen aandrukt.
4. Lees de bandenspanning af op de
meter om te weten te komen of de
bandenspanning laag of hoog is.
5. Breng de band op de voorge-
schreven spanning. Zie “Banden
en velgen” in hoofdstuk 8.
6. Plaats de ventieldop.
NOODUITRUSTING (INDIEN VAN TOEPASSING)
7
Onderhoud
7
Maintenance
7
Onderhoud
Motorruimte ............................................................7-3
Onderhoudswerkzaamheden ................................7-6
Verantwoordelijkheid van de eigenaar..........................7-6
Voorzorgsmaatregelen met betrekking tot het
onderhoud uitgevoerd door eigenaar .......................7-6
Door de eigenaar uit te voeren onderhoudswerk
zaamheden..................................................................7-9
Schema voor door de eigenaar uit te voeren
onderhoudswerkzaamheden........................................7-9
Uitleg bij onderhoudsschema ...............................7-11
Motorolie ................................................................7-15
Motoroliepeil controleren ...........................................7-15
Motorolie verversen en filter vervangen ...................7-15
Koelvloeistof.............................................................7-18
Koelvloeistofpeil controleren........................................7-18
Aanbevolen koelvloeistof...............................................7-20
Koelvloeistof verversen.................................................7-21
Rem-/koppelingsvloeistof........................................7-22
Niveau rem-en koppelingsvloeistof controleren ........7-22
Automatische transmissievloeistof.........................7-24
Automatische- transmissievloeistofniveau controleren........7-24
Automatische- transmissievloeistof vervangen...........7-25
Ruitensproeiervloeistof...........................................7-26
Ruitensproeiervloeistofniveau controleren .................7-26
Parkeerrem..............................................................7-26
Parkeerrem controleren................................................7-26
Luchtfilter................................................................7-28
Filter vervangen.............................................................7-28
Interieurfilter...........................................................7-29
Filter controleren...........................................................7-29
Filter vervangen.............................................................7-29
Ruitenwisserbladen ................................................7-31
Bladen controleren ........................................................7-31
Bladen vervangen..........................................................7-31
Accu..........................................................................7-35
Optimale werking van de accu.....................................7-35
Accucapaciteitsticker ...................................................7-37
Accu opladen..................................................................7-38
Te resetten onderdelen..................................................7-38
7
7
Banden en wielen.....................................................7-39
Verzorging van de banden............................................7-39
Aanbevolen bandenspanning (koude banden)............7-39
Bandenspanning controleren........................................7-41
Wielen verwisselen .......................................................7-42
Wielen uitlijnen en balanceren.....................................7-43
Banden vervangen.........................................................7-43
Velgen vervangen ..........................................................7-44
Grip.................................................................................7-45
Onderhoud van banden ...............................................7-45
Informatie op de wang van de band............................7-45
Band met een kleine hoogte-/breedteverhouding.......7-49
Zekeringen...............................................................7-51
Hoofdzekering (Multizekering)....................................7-55
Zekering-/relaiskast.......................................................7-56
Gloeilampen.............................................................7-65
Vervangen van koplampen, parkeerlichten,
richtingaanwijzerlampen en mistlampen vóór........7-66
Koplampen en mistlampen voor afstellen...................7-70
Gloeilamp richtingaanwijzer opzij vervangen............7-77
Lamp achterlichtunit vervangen..................................7-77
Derde remlicht vervangen ...........................................7-79
Kentekenplaatverlichting vervangen ..........................7-80
Lamp interieurverlichting vervangen .........................7-81
Onderhoud exterieur ..............................................7-82
Verzorging exterieur......................................................7-82
Verzorging interieur......................................................7-88
Emissieregelsysteem................................................7-91
Carterventilatiesysteem.................................................7-91
Brandstofdampafzuigsysteem.......................................7-91
Emissieregelsysteem......................................................7-92
7-3
7
Onderhoud
MOTORRUIMTE
OGB076101
De uiteindelijke srruimte kan afwijken van de afbeelding.
nBenzinemotor (Kappa 1.0 T-GDI)
1. Expansievat koelvloeistof
2. Radiateurdop
3. Rem-/koppelingsvloeistofreservoir
4. Luchtfilter
5. Peilstok motorolie
6. Vuldop motorolie
7. Sproeierreservoir
8. Motorruimte verbindingsblok
9. Accu
7-4
Onderhoud
OGB074101
De uiteindelijke srruimte kan afwijken van de afbeelding.
1. Expansievat koelvloeistof
2. Radiateurdop
3. Rem-/koppelingsvloeistofreservoir
4. Luchtfilter
5. Peilstok motorolie
6. Vuldop motorolie
7. Sproeierreservoir
8. Motorruimte verbindingsblok
9. Accu
nBenzinemotor (Kappa 1.25 MPI)
7-5
7
Onderhoud
OGB074102
De uiteindelijke srruimte kan afwijken van de afbeelding.
1. Expansievat koelvloeistof
2. Radiateurdop
3. Rem-/koppelingsvloeistofreservoir
4. Luchtfilter
5. Peilstok motorolie
6. Vuldop motorolie
7. Sproeierreservoir
8. Motorruimte verbindingsblok-
9. Accu
10. Peilstok automatische transmissie*
* : indien van toepassing
nBenzinemotor (Kappa 1.4 MPI)
7-6
Onderhoud
ONDERHOUDSWERKZAAMHEDEN
Neem bij het uitvoeren van onder-
houds werkzaamheden en controles
de grootst mogelijke voorzichtigheid
in acht om schade aan uw auto en/of
persoonlijk letsel te voorkomen.
Niet doelmatig, onvoldoende of
gebrekkig onderhoud kan problemen
bij het gebruik van uw auto veroorza-
ken, wat kan leiden tot schade aan
de auto, een ongeval of persoonlijk
letsel.
Verantwoordelijkheid
van de eigenaar
Informatie
Het laten uitvoeren van onderhoud en
de registratie daarvan zijn de verant-
woordelijkheid van de eigenaar.
We adviseren u uw auto te laten
onderhouden door een officiële
HYUNDAI-dealer.
U dient aan te kunnen tonen dat het
juiste onderhoud aan uw auto is uit-
gevoerd overeenkomstig de voor-
geschreven intervallen zoals weer-
gegeven op de volgende bladzijden,
dus bewaar alle relevante docu-
menten. U hebt deze informatie no-
dig om aanspraak te kunnen maken
op garantie.
De garantievoorwaarden vindt u in
het onderhoudsboekje.
Reparaties en afstellingen die nodig
zijn als gevolg van te weinig of ver-
keerd onderhoud vallen niet onder
de garantie, ook al is de garantiepe-
riode voor uw auto nog niet verlopen.
Voorzorgsmaatregelen met
betrekking tot het onderhoud
uitgevoerd door eigenaar
Verkeerd of onvolledig onderhoud
kan problemen opleveren. In dit
hoofdstuk worden alleen aanwijzin-
gen gegeven voor werkzaamheden
die eenvoudig uit te voeren zijn.
Informatie
Het verkeerde onderhoud door de
eigenaar tijdens de garantieperiode
kan ertoe leiden dat de garantie ver-
valt. Lees voor details het bij de auto
geleverde onderhoudsboekje. Laat in
twijfelgevallen het onderhoud altijd
uitvoeren door een officiële HYUN-
DAI-dealer.
i
i
7-7
7
Onderhoud
Plaats geen zware voorwerpen
op de motorafdekplaat (indien
van toepassing) of de onderde-
len van het brandstofsysteem en
oefen er geen overmatige kracht
op uit.
We raden u aan om contact op te
nemen met een officiële HYUN-
DAI-dealer voor controle van het
brandstofsysteem (brandstof-
leidingen en onderdelen van de
brandstofinspuiting).
Rijd niet gedurende een lange
tijd wanneer de motorafdekplaat
(indien van toepassing) is verwi-
jderd.
Blijf uit de buurt van vuur wan-
neer u de motorruimte contro-
leert. Brandstof, ruitensproeier-
vloeistof, enz. zijn brandbare
stoffen en kunnen brand veroor-
zaken.
(Vervolg)
AANWIJZING
Onderhoudswerkzaamheden
Het uitvoeren van onder-
houdswerkzaamheden aan
een auto kan gevaarlijk zijn.
Bij sommige onderhoudspro-
cedures kunt u ernstig ver-
wond raken. Als u niet over
voldoende kennis en ervaring
of over het juiste gereedschap
beschikt, adviseren we u uw
auto te laten onderhouden
door een officiële HYUNDAI-
dealer.
Het is gevaarlijk werkzaamhe-
den uit te voeren onder de
motorkap terwijl de motor
draait. Het is nog gevaarlijker
wanneer u sieraden of losse
kleding draagt. Deze kunnen
verstrikt raken in de dra-
aiende onderdelen en letsel
veroorzaken.
(Vervolg)
WAARSCHUWING (Vervolg)
Zorg er daarom voor dat u alle
sieraden afdoet (vooral rin-
gen, armbanden, horloges en
halskettingen) en losse kled-
ing verwijdert voordat u bij
een draaiende motor onder de
motorkap in de buurt van de
motor of de koelventilatoren
komt.
7-8
Onderhoud
(Vervolg)
Neem de minpool (-) van de accu
los voordat u de accu, de bou-
giekabels of de elektrische bed-
rading aanraakt. Anders kunt u
een elektrische schok krijgen
van de elektrische stroom.
Wanneer u de interieurbekleding
verwijdert met een platte (-)
schroevendraaier, zorg er dan
voor dat de bekleding niet
beschadigd raakt.
Zorg er bij het vervangen en
reinigen van lampen voor dat u
geen brandwonden of elek-
trische schokken oploopt.
7-9
7
Onderhoud
DOOR DE EIGENAAR UIT TE VOEREN ONDERHOUDSWERKZAAMHEDEN
Onderstaande controles dienen vol-
gens het aangegeven interval te wor-
den uitgevoerd om een veilige en
betrouwbare werking van de auto te
garanderen.
Negatieve omstandigheden dienen
zo snel mogelijk bij de dealer gemeld
te worden.
Eventuele werkzaamheden die uit
deze controles voortvloeien, vallen
doorgaans niet onder de fabrieks-
garantie en zullen, samen het arbei-
dsloon en eventuele onderdelen en
smeermiddelen, in rekening geb-
racht worden.
Schema voor door
de eigenaar uit te voeren
onderhoudswerkzaamheden
Als u stopt voor het tanken van
brandstof:
Controleer het motoroliepeil.
Controleer het koelvloeistofniveau
in het expansievat.
Controleer het niveau van de
ruitensproeiervloeistof.
Controleer of de bandenspanning
in orde is.
Tijdens het rijden:
Let op veranderingen in het uitlaat-
geluid en let erop dat u in het
interieur geen uitlaatgassen ruikt.
Controleer op trillingen in het stuur-
wiel. Controleer of het sturen niet
zwaarder of lichter gaat dan normaal
en of de rechtuitstand niet is gewi-
jzigd.
Controleer of de auto niet naar één
kant trekt op een vlakke, rechte weg.
Controleer bij het remmen op
vreemde geluiden, naar één kant
trekken, een grotere slag van het
rempedaal of een moeilijk in te trap-
pen rempedaal.
Controleer als de transmissie slipt of
niet normaal werkt het niveau van de
automatische-transmissievloeistof.
Controleer de werking van stand P
(Park) van de automatische trans-
missie/Double clutch-transmissie.
Controleer de parkeerrem.
Controleer onder uw auto op lekkage
(tijdens of na het gebruik van de air-
conditioning kan er een plasje water
onder uw auto ontstaan; dit is een
normaal verschijnsel en duidt niet op
lekkage).
Wees voorzichtig bij het con-
troleren van het koelvloeistof-
peil wanneer de motor warm is.
Hete koelvloeistof en stoom
kunnen onder druk naar buiten
spuiten. Hierdoor kunnen
brandwonden of ernstig letsel
ontstaan.
WAARSCHUWING
7-10
Onderhoud
Ten minste maandelijks:
Controleer het koelvloeistofniveau
in het expansievat.
Controleer de werking van alle ver-
lichting van uw auto, inclusief de
remlichten, richtingaanwijzers en
alarmknipperlichten.
Controleer de bandenspanning
van alle banden inclusief het
reservewiel, controleer de profield-
iepte van de banden en controleer
de banden op ongelijkmatige slij-
tage en beschadigingen.
Controleer of de wielmoeren
vastzitten.
Twee keer per jaar (in het
voorjaar en in het najaar):
Controleer de radiateurslangen en
de slangen van de verwarming en
de airconditioning op lekkage en
beschadigingen.
Controleer de werking van de
ruitenwissers en -sproeiers. Reinig
de ruitenwisserbladen met een
schone, met ruitensproeiervloeistof
doordrenkte doek.
Controleer de stand van de kop-
lampen.
Controleer de dempers, de uitlaat-
pijpen, de hitteschilden en de
bevestigingen van de uitlaat.
Controleer de werking van de
driepuntsgordels en controleer op
slijtage.
Ten minste eenmaal per jaar:
Reinig de afvoeropeningen aan de
onderzijde van de portieren en de
dorpels.
Smeer alle portierscharnieren,
slotvangers en motorkapscharnie-
ren.
Smeer de portier- en motorkap-
sloten, -vergrendelingen.
Smeer de portierrubbers.
Controleer vóór de zomer de werk-
ing van de airconditioning.
Controleer en smeer het bedien-
ings mechanisme van de automa-
tische transmissie.
Reinig de accu en de accupolen.
Controleer het rem- (en koppel-
ings) vloeistofniveau.
7-11
7
Onderhoud
UITLEG BIJ ONDERHOUDSSCHEMA
Motorolie en oliefilter
De motorolie moet worden ververst
en het filter moet worden vervangen
volgens de intervallen van het onder-
houdsschema. Als er onder ongun-
stige omstandigheden gereden
wordt, moet de olie vaker ververst en
het filter vaker vervangen worden.
Aandrijfriemen
Controleer alle aandrijfriemen op
tekenen van sneetjes, scheurtjes,
overmatige slijtage of verzadiging
met olie en vervang indien nodig. De
spanning van de aandrijfriemen
moet periodiek worden gecontro-
leerd en indien nodig worden af-
gesteld.
Wanneer u de riem controleert, zet
dan het contact in stand LOCK/
OFF of ACC.
Brandstoffilter(element)
Door een verstopt filter kan de snel-
heid waarmee gereden kan worden,
afnemen, het emissiesysteem
beschadigd raken of slecht aanslaan
veroorzaakt worden. Als zich in de
brandstoftank te veel vuil ophoopt,
dient het filter mogelijk vaker vervan-
gen te worden.
Laat de motor na het plaatsen van
een nieuw filter enkele minuten
draaien en controleer de aansluitin-
gen op lekkage. We adviseren u het
brandstoffilter te laten vervangen
door een officiële HYUNDAI-dealer.
Brandstofleidingen, -slangen
en aansluitingen
Controleer de brandstofleidingen, -
slangen en aansluitingen op lekkage
en beschadigingen. We adviseren u
de brandstofleidingen, brandstofs-
langen en aansluitingen te laten ver-
vangen door een officiële HYUNDAI-
dealer.
Ontluchtingsslang en tankdop
De ontluchtingsslang en de tankdop
moeten worden gecontroleerd vol-
gens de intervallen van het onder-
houdsschema. Zorg ervoor dat de
ontluchtingsslang of tankdop op de
juiste manier vervangen wordt.
AANWIJZING
7-12
Onderhoud
Vacuum- en carter ventilaties-
langen (benzinemotor)
Controleer het oppervlak van de
slangen op sporen van oververhitting
of mechanische schade. Hard en
broos rubber, barstjes, scheurtjes,
sneetjes, schaafplekken en over-
matig zwellen zijn tekenen van ver-
oudering. Besteed extra aandacht
aan de controle van de delen van de
slang die zich het dichtst bij warme
onderdelen bevinden, zoals het uit-
laatspruitstuk. Controleer de ligging
van de slangen om er zeker van te
zijn dat de slangen niet in contact
komen met warmtebronnen, scherpe
randen of bewegende delen, waar-
door schade door oververhitting of
mechanische slijtage kan ontstaan.
Controleer of alle slangaansluitin-
gen, zoals klemmen en koppelingen,
goed vastzitten en niet lekken.
Vervang slangen onmiddellijk als er
sporen van veroudering of bescha-
digingen gevonden worden.
Luchtfilter
Bij het terugplaatsen van de
luchtreinigingsfilter, raden we aan om
oorspronkelijke HYUNDAI-onderde-
len te gebruiken.
Bougies (benzinemotor)
Gebruik altijd nieuwe bougies met de
juiste warmtegraad.
Klepspeling (indien hiermee
uitgerust)
Controleer overmatig kleppengeluid
of niet goed functioneren van de
motor en stel de kleppen af indien
nodig. We adviseren u het systeem
te laten repareren door een officiële
HYUNDAI-dealer.
Koelsysteem
Controleer de onderdelen van het
koelsysteem, zoals radiateur, koelv-
loeistofreservoir, slangen en aans-
luitingen op lekkage en beschadigin-
gen. Vervang beschadigde onderde-
len.
Neem de bougies niet los wan-
neer de motor heet is en cont-
roleer ze dan ook niet. Anders
kunt u uzelf branden.
WAARSCHUWING
7-13
7
Onderhoud
Koelvloeistof
De koelvloeistof moet worden ver-
verst volgens de intervallen van het
onderhoudsschema.
Versnellingsbakolie (indien
van toepassing)
Controleer de versnellingsbakolie
volgens het onderhoudsschema.
Double clutch transmissie
vloeistof
(indien van toepassing)
Controleer de Double clutch-trans-
missie vloeistof volgens het onder-
houdsschema.
Automatische-
transmissievloeistof
(indien van toepassing)
Het vloeistofniveau moet in het
"HOT" bereik van de peilstok zijn,
nadat de motor en aandrijving op
werktemperatuur is. Controleer het
niveau met draaiende motor en de
aandrijving in neutraal, met de par-
keerrem correct toegepast op een
vlakke ondergrond.
Informatie
Automatische-transmissievloeistof is
in eerste instantie rood van kleur.
Door het rijden wordt de automatis-
che-transmissievloeistof donkerder.
Dit is normaal en de verkleuring is
geen reden om de vloeistof te vervan-
gen.
Het gebruik van andere dan de
voorgeschreven vloeistof kan
storingen en defecten in de trans-
missie veroorzaken. Gebruik al-
leen de voorgeschreven automa-
tische-transmissievloeistof (Zie
"Aanbevolen smeer middelen en
hoeveelheden" in hoofdstuk 8.).
Remleidingen en -slangen
Controleer visueel op juiste bevestig-
ing, schaaf plekken, scheurtjes, ver-
oudering en lekkage. Vervang ver-
ouderde of beschadigde onderdelen
direct.
Remvloeistof
Controleer het vloeistofniveau in het
remvloeistofreservoir. Het vloeistof-
niveau dient zich tussen de merk-
tekens MIN en MAX aan de zijkant
van het reservoir te bevinden.
Gebruik uitsluitend de voorgesch-
reven hydraulische remvloeistof
(DOT3 of DOT4).
Parkeerrem
Controleer het parkeerremsysteem
inclusief het parkeerremhendel en
de kabels.
i
AANWIJZING
7-14
Onderhoud
Achter trommelremmen en
voeringen (indien van
toepassing)
Controleer de achterremschijven en
remcilinders en en voeringen van de
achterremmen op krassen, ver-
branding, lekkende vloeistof, gebro-
ken onderdelen en overmatige slij-
tage.
Schijfremmen, remblokken,
remklauwen en remschijven
Controleer de remblokken op over-
matige slijtage, de schijfremmen op
slingering en slijtage en de remk-
lauwen op vloeistoflekkage. Zie de
website van Hyundai voor meer
informatie over het controleren van
de remblokken en remvoeringen.
(http://service.hyundai-motor.com)
Bevestigingsbouten
wielophanging
Controleer of de bouten van de
wielophanging goed vastzitten en
niet beschadigd zijn. Draai ze met
het voorgeschreven aanhaalmoment
vast.
Stuurhuis, stuurstangen en
stofhoezen/onderste
fuseekogel
Breng de auto tot stilstand, zet de
motor uit en controleer op over-
matige speling in het stuurwiel.
Controleer de stuurstangen op knik-
ken of beschadigingen. Controleer
de stofhoezen en fuseekogel op ver-
oudering, scheurtjes of beschadigin-
gen. Vervang beschadigde onderde-
len.
Aandrijfassen en
aandrijfashoezen
Controleer de aandrijfassen, -hoe-
zen en klemmen op scheurtjes, ver-
oudering of beschadigingen. Ver-
vang beschadigde onderdelen en
breng indien nodig nieuw vet aan.
Koudemiddel airconditioning
(indien van toepassing)
Controleer de leidingen en aanslui-
tingen van de airconditioning op
lekkage en beschadigingen.
7-15
7
Onderhoud
MOTOROLIE
Motoroliepeil controleren
(Benzinemotor)
1. Controleer of de auto horizontaal
staat.
2. Start de motor en laat deze op de
normale bedrijfstemperatuur ko-
men.
3. Zet de motor uit en wacht onge-
veer 5 minuten zodat de olie naar
het carter terug kan lopen.
4. Trek de peilstok uit de houder,
veeg hem schoon en steek hem
weer geheel in de houder.
5. Trek de peilstok opnieuw uit de
houder en controleer het peil. Het
peil moet zich ergens tussen F en
L bevinden.
Radiateurslang
Wees voorzichtig met de radia-
teurslang tijdens het controle-
ren of bijvullen van de motoro-
lie. Deze kan namelijk nog zo
warm zijn, dat u zich eraan kunt
branden.
WAARSCHUWING
OGB076023
OIB074004
nKappa 1.0 T-GDI
nKappa 1.25 MPI/ Kappa 1.4 MPI
Vul niet te veel motorolie bij.
Dit kan schade aan de motor
veroorzaken.
Mors geen motorolie wanneer
u olie bijvult of ververst. Als u
motorolie morst in de motor-
ruimte, verwijder dit dan on-
middellijk.
Wanneer u de peilstok af-
veegt, doe dit dan met een
schone doek. Wanneer er vuil
in de olie terechtkomt, kan
motorschade ontstaan.
OPMERKING
7-16
Onderhoud
Als het peil zich bij of op de L
bevindt, moet u olie bijvullen tot de F.
Vul niet te veel olie bij.
Gebruik een trechter om morsen
van olie op motoronderdelen te
voorkomen.
Gebruik alleen de voorgeschreven
mo-torolie. (Zie "Aanbevolen smeer
middelen en hoeveelheden" in hoofd-
stuk 8.)
OGB076022
OIB074006
nKappa 1.0 T-GDI
nKappa 1.25 MPI/ Kappa 1.4 MPI
7-17
7
Onderhoud
Motorolie verversen en filter
vervangen
Gebruikte motorolie kan irritatie
of huidkanker veroorzaken in-
dien de huid langdurig in con-
tact komt met de olie. De stoffen
die in gebruikte motorolie aan-
wezig zijn, hebben bij laboratori-
umproeven geleid tot kanker bij
proefdieren. Was uw handen
zorgvuldig met zeep en warm
water als ze in contact zijn ge-
weest met gebruikte motorolie.
WAARSCHUWING
Radiateurslang
Wees voorzichtig met de radia-
teurslang tijdens het controleren
of bijvullen van de motorolie.
Deze kan namelijk nog zo warm
zijn, dat u zich eraan kunt bran-
den.
WAARSCHUWING
Mors geen motorolie wanneer
u olie bijvult of ververst. Als u
motorolie morst in de motor-
ruimte, verwijder dit dan
onmiddellijk.
Wanneer u de peilstok afveegt,
doe dit dan met een schone
doek. Wanneer er vuil in de olie
terechtkomt, kan motorschade
ontstaan.
OPMERKING
7-18
Onderhoud
KOELVLOEISTOF
Het hogedruk-koelsysteem is voor-
zien van een reservoir dat gevuld is
met een koelvloeistof die ook vol-
doende bescherming biedt tegen
bevriezing. Het reservoir is in de fab-
riek gevuld.
Controleer de vorstbescherming en
het koelvloeistofpeil ten minste één
keer per jaar, aan het begin van het
winterseizoen en voordat u naar een
kouder klimaat reist.
Rijd niet zonder koelvloeistof.
Anders kan de waterpomp
beschadigd raken, de motor
vastlopen, enz.
Wanneer de motor oververhit
raakt door te weinig koelvloeis-
tof kan het plotseling bijvullen
van koelvloeistof barsten in de
motor veroorzaken. Vul koel-
vloeistof langzaam en in kleine
hoeveelheden bij om schade te
voorkomen.
Koelvloeistofpeil controleren
AANWIJZING
Losdraaien van de
radiateurdop
Verwijder de radiateurdop
nooit terwijl de motor draait of
nog een hoge temperatuur
heeft. Daardoor kan er schade
aan het koelsysteem en de
motor ontstaan; bovendien
kunt u ernstig letsel oplopen
doordat er hete koelvloeistof
of stoom ontsnapt.
Zet de motor uit en wacht tot
deze is afgekoeld. Verwijder
de radiateurdop uiterst voor-
zichtig. Wikkel een dikke doek
rond de dop en draai hem
voorzichtig linksom tot de
eerste aanslag. Ga een stukje
achteruit wanneer de druk van
het koelsysteem af gaat. Pas
als u zeker weet dat er geen
overdruk meer is, drukt u de
dop met de doek in en draait u
hem verder linksom om hem
te verwijderen.
(Vervolg)
WAARSCHUWING
OGB076037
OIB074008
• Kappa 1.25 MPI/ Kappa 1.4 MPI
nBenzinemotor
• Kappa 1.0 T-GDI
7-19
7
Onderhoud
Controleer de toestand en de
aansluitingen van alle slangen van
het koelsysteem en van de verwarm-
ing. Vervang beschadigde en slechte
slangen.
Het koelvloeistofpeil in het expan-
sievat dient tussen de merktekens F
en L te liggen als de motor koud is.
Vul als het peil laag is voldoende
voorgeschreven koelvloeistof bij om
het systeem tegen vorst en corrosie
te beschermen. Vul bij tot de F, maar
vul niet te veel bij.
Als frequent bijvullen van koel-
vloeistof noodzakelijk is, adviseren
we u het systeem te laten controle-
ren door een officiële HYUNDAI-
dealer.
De elektromotor (ko-
elventilator) wordt
aangestuurd op basis
van de koelvloeistof
temperatuur, de kou-
demiddeldruk en de rijsnelheid.
De ventilator kan soms gaan
draaien ook al is de motor uit.
Wees extra voorzichtig bij
werkzaamheden in de buurt van
de koelventilator zodat u niet
geraakt wordt door de rond-
draaiende ventilatorbladen. Als
de koelvloeistoftemperatuur
daalt, wordt de elektromotor
automatisch uitgeschakeld. Dit
is een normaal verschijnsel.
WAARSCHUWING
(Vervolg)
Verwijder de radiateurdop of
de aftapplug niet als de motor
en de radiateur nog heet zijn,
zelfs niet als de motor niet
loopt. Er kan nog steeds hete
koelvloeistof en stoom ont-
snappen, waardoor er ernstig
letsel kan ontstaan.
OGB076026
OIB074010
nBenzinemotor
• Kappa 1.0 T-GDI
• Kappa 1.25 MPI/ Kappa 1.4 MPI
7-20
Onderhoud
Aanbevolen koelvloeistof
Gebruik alleen zacht (demineral-
ized) water in het koelvloeistof-
mengsel.
De motor van uw auto heeft alu-
minium onderdelen. Gebruik
daarom een koelvloeistof op ethyl-
een-glycolbasis ter voorkoming
van corrosie en bevriezing.
Gebruik GEEN koelvloeistof op
ethanol- of methanol-basis; meng
ook geen ethanol- of methanol-
antivries met de voorgeschreven
koelvloeistof.
Gebruik geen mengsel met meer
dan 60% of minder dan 35%
antivries; in dat geval is een opti-
male koelende werking niet
gewaarborgd.
Zie de volgende tabel voor de meng-
verhouding.
Buitentem-
peratuur
Mengverhouding
(hoeveelheid)
Antivries Water
-15°C 35 65
-25°C 40 60
-35°C 50 50
-45°C 60 40
Radiateurdop
Verwijder bij een warme motor
en radiateur de radiateurdop
niet. Er kan nog steeds gloeiend
hete koelvloeistof en stoom
ontsnappen, waardoor er ern-
stig letsel kan ontstaan.
WAARSCHUWING
7-21
7
Onderhoud
Koelvloeistof verversen
We adviseren u de koelvloeistof te
laten vervangen door een officiële
HYUNDAI-dealer.
Leg een flinke doek rond de
vulopening om te voorkomen dat
als er gemorst wordt, koelvloei-
stof terechtkomt of de dynamo of
andere onderdelen van de motor.
AANWIJZING
Koelvloeistof
Gebruik geen koelvloeistof of
antivries in het sproeierreser-
voir.
Koelvloeistof kan het zicht
ernstig belemmeren wanneer
dit op de voorruit terecht komt
waardoor u de macht over de
auto kunt verliezen. Boven-
dien kan het de lak beschadi-
gen.
WAARSCHUWING
7-22
Onderhoud
REM-/KOPPELINGSVLOEISTOF
Niveau rem- en koppelings-
vloeistof controleren
Controleer regelmatig het niveau in
het reservoir. Het vloeistofniveau
dient zich tussen de merktekens MIN
en MAX aan de zijkant van het reser-
voir te bevinden.
Reinig het gebied rondom de dop
van het reservoir grondig alvorens de
dop te verwijderen en rem- en kop-
pelingsvloeistof bij te vullen, om te
voorkomen dat de rem- en koppel-
ingsvloeistof vervuild raakt.
Vul vloeistof bij tot aan het merk-
teken MAX wanneer het niveau te
laag is. Het niveau zal na verloop van
tijd dalen. Dit is een normaal gevolg
van slijtage van de remvoeringen.
Als het vloeistofpeil extreem laag is,
adviseren we u het systeem te laten
controleren door een officiële
HYUNDAI-dealer.
Gebruik alleen de voorgeschreven
remen koppelingsvloeistof. (Zie
"Aanbevolen smeer middelen en
hoeveelheden" in hoofdstuk 8.)
Meng nooit verschillende soorten
vloeistof door elkaar.
Informatie
Lees eerst de waarschuwing op de vul-
dop van de rem/koppelingvloeistof vo-
ordat u de dop verwijderd.
i
OIB074012
OGB074027
nLinkse Besturing
nRecthse Besturing
Lekkage van remvloeistof
Lekkage van remvloeistof Als u
het remvloeistofreservoir fre-
quent moet bijvullen, adviseren
we u het systeem te laten con-
troleren door een officiële
HYUNDAI-dealer.
WAARSCHUWING
Reinig eerst de omgeving van
de vuldop voordat u deze verwi-
jderd. Gebruik alleen DOT 3 of
DOT 4 rem/koppelingvloeistof
uit een afgesloten verpakking.
WAARSCHUWING
7-23
7
Onderhoud
Zorg ervoor dat rem- en koppel-
ingsvloeistof niet in contact komt
met het lakwerk van de auto,
anders kan de lak beschadigd
raken.
De kwaliteit van rem- en koppel-
ingsvloeistof die gedurende lange
tijd is blootgesteld aan de buiten-
lucht kan niet worden gegaran-
deerd. Voer deze op de juiste wijze
af. Gebruik het juiste type
vloeistof. Slechts een paar drup-
pels minerale olie, bijvoorbeeld
motorolie, in het rem-/koppel-
ingssysteem kunnen de onderde-
len van het systeem beschadigen.
AANWIJZING
Rem-/koppelingsvloeistof
Wees voorzichtig bij het vervan-
gen of bijvullen van rem- en
koppelingsvloeistof. Zorg ervo-
or dat de vloeistof niet in con-
tact komt met uw ogen. Spoel
uw ogen direct met een ruime
hoeveelheid leidingwater wan-
neer u rem- en koppelings-
vloeistof in uw ogen krijgt. Laat
uw ogen zo snel mogelijk on-
derzoeken door een dokter.
WAARSCHUWING
7-24
Onderhoud
AUTOMATISCHE TRANSMISSIEVLOEISTOF (INDIEN VAN TOEPASSING)
Transmissievloeistofniveau
controleren
Het niveau van de automatische ver-
snellingsbak moet regelmatig gecon-
troleerd worden.
Plaats het voertuig op vlakke onder-
grond met de parkeerrem aange-
trokken en controleer het vloeistof
niveau volgens de volgende proce-
dure.
1. Plaats de versnellingspook in de N
(Neutraal) positie en laat de motor
stationair draaien.
2. Nadat de aandrijving voldoende is
opgewarmd [vloeistof temperatuur
70~80°C (158~176°F)] schakel,
met de voet op de rem, de pook
door alle posities en plaats dan de
versnellingspook in N (Neutraal)
of P (Par-keer) positie.
3. Controleer of het vloeistofniveau
in de “HEET” range is op de peil-
stok. Indien het vloeistofniveau
lager is moet er olie worden
toegevoegd. Indien het vloeistof
niveauhoger is moet er olie wor-
den afgetapt.
4. Indien het vloeistofniveau is
gecontroleerd in koude conditie
[vloeistof temperatuur 20~30°C
(68~86°F)], moet eventueel wor-
den bijgevuld tot aan de "KOUD"
lijn. Controleer of het vloeistofni-
veau in overeenstemming met
bovenstaande stap 2.
OHD076045N
OIB074013
7-25
7
Onderhoud
Een te laag vloeistofniveau
veroorzaakt slip in de aandrijv-
ing. Een te hoog niveau kan
schuimvorming veroorzaken,
verlies van vloeistof en storing
in de aandrijving.
Het gebruik van andere dan de
voorgeschreven vloeistof kan
storingen en defecten in de
transmissie veroorzaken.
Informatie
“KOUD” bereik is alleen ter referen-
tie en kan beter NIET gebruikt wor-
den om het olieniveau te controleren.
Informatie
Nieuwe automatische versnellings-
baksolie moet helder van kleur zijn,
meestal rood. De rode kleur wordt
toegevoegd zodat de reparateur het
kan herkennen als automatische ver-
snellingsbakolie. De rode is geen indi-
catie is van kwaliteit van de vloeistof
en is niet permanent. Door het rijden
wordt de automatische-transmissiev-
loeistof donkerder. Daarom, we raden
aan u dat het systeem te laten vervan-
gen door een erkende HYUNDAI-
verdeler in overeenstemming met het
Onderhoudsschema aan het begin van
deze hoofdstuk.
Gebruik alleen de voorgeschreven
automatische-transmissievloeistof.
(Zie "Aanbevolen smeer middelen en
hoeveelheden" in hoofdstuk 8.)
Automatische-
transmissievloeistof
vervangen
We adviseren u de koelvloeistof te
laten vervangen door een officiële
HYUNDAI-dealer.
ii
AANWIJZING
Transmissievloeistof
Het niveau van de automatische
versnellingsbakolie moet ge-
controleerd worden als de
motor op werktermperatuur is.
Dit betekent dat de motor, radi-
ator, radiator slang en uitlaat-
systeem enz. erg warm zijn.
Wees daarom voor-zichtig bij
het controleren van het olie-
niveau in verband met ver-
brandingsgevaar.
WAARSCHUWING
Parkeerrem
Om te voorkomen dat de auto
direct begint te rijden bij het
inschakelen moet altijd de voet
op de rem worden gehouden bij
het inschakelen.
WAARSCHUWING
7-26
Onderhoud
RUITENSPROEIERVLOEISTOF
Ruitensproeiervloeistofniveau
controleren
De reservoir van de ruitensproeier is
doorzichtig zodat u het niveau
gemakkelijk kunt controleren.
Controleer het vloeistofpeil in het
sproeierreservoir en vul indien nodig
vloeistof bij. Als u geen ruiten-
sproeiervloeistof bij de hand heeft,
kunt u het reservoir bijvullen met
gewoon water. Gebruik in koude kli-
maten echter speciale ruiten-
sproeiervloeistof om bevriezing te
voorkomen.
OIB074014
Koelvloeistof
Gebruik geen koelvloeistof of
antivries in het sproeierreser-
voir.
Koelvloeistof kan het zicht
ernstig belemmeren wanneer
dit op de voorruit terecht komt
waardoor u de macht over de
auto kunt verliezen. Boven-
dien kan het de lak beschadi-
gen.
Ruitensproeiervloeistof bevat
alcohol en kan onder be-
paalde omstandigheden licht
ontvlambaar zijn. Houd open
vuur en vonken uit de buurt
van de ruitensproeiervloeistof
en het sproeierreservoir. De
auto kan beschadigd raken en
de inzittenden kunnen letsel
oplopen.
(Vervolg)
WAARSCHUWING (Vervolg)
Ruitensproeiervloeistof is
giftig voor mensen en dieren.
Drink geen ruitensproeier-
vloeistof en vermijd contact
met ruitensproeiervloeistof.
Hierdoor kan ernstig letsel
ontstaan.
7-27
7
Onderhoud
PARKEERREM
Parkeerrem controleren
Controleer de slag van de parkeer-
rem door het aantal klikken te tellen
wanneer de hendel volledig wordt
aangetrokken. De parkeerrem alleen
moet de auto veilig op een vrij steile
helling kunnen houden. Als de slag
groter of kleiner is dan voorge-
schreven, adviseren we u het sys-
teem te laten repareren door een
officiële HYUNDAI-dealer.
Slag: 6-8 klikjes bij een kracht van
20 kg (44 Ibs, 196 N).
OGB054006
7-28
Onderhoud
LUCHTFILTER
Filter vervangen
U kunt het filter schoonmaken wanneer
u het luchtfilterelement controleert.
Reinig het filter met behulp van per-
slucht.
1. Neem de bevestigingsclips los om
het luchtfilterdeksel te verwi-
jderen.
2. Veeg de binnenkant van het lucht
filter schoon.
3. Vervang het luchtfilter.
4. Bevestig het deksel met de beves-
tigingsclips.
Vervang het filter overeenkomstig
het onderhoudsschema.
Vervang het filterelement vaker dan
in het onderhoudsschema is aange-
geven als de auto wordt gebruikt in
gebieden met zeer veel stof of zand
(Raadpleeg "Onderhoudsschema bij
gebruik onder zware omstandighe-
den" in dit hoofdstuk.)
.
Rijd niet met de auto wanneer
het luchtfilter verwijderd is; hi-
erdoor kan de motor overmatig
slijten.
Zorg er om schade aan de motor
te voorkomen voor dat bij het
verwijderen van het luchtfilter
geen stof en vuil in de luchtin-
laat komt.
We adviseren u vervangende
onderdelen te gebruiken die
geleverd zijn door een officiële
HYUNDAI-dealer. Door het geb-
ruik van onjuiste onderdelen
kan de luchtmassameter of tur-
bocompressor beschadigen.
AANWIJZING
OIB074017
OIB074018
7-29
7
Onderhoud
INTERIEURFILTER (INDIEN VAN TOEPASSING)
Filter controleren
Als er veelvuldig met de auto gere-
den wordt in druk stadsverkeer of
een stoffige omgeving, moet het filter
vaker worden gecontroleerd en indi-
en nodig worden vervangen. Als u
als eigenaar het filter zelf wilt vervan-
gen, volg dan onderstaande proce-
dure en let erop geen andere
onderdelen te beschadigen.
Vervang het filter overeenkomstig
het onderhoudsschema.
Filter vervangen
1. Open het dashboardkastje.
2. Verwijder terwijl het dashboard-
kastje geopend is de aanslag-
stukken.
OGB074002
OGB074003
7-30
Onderhoud
3. Duw aan beide kanten van de
handschoenenkast, zoals afge-
beeld. Dit zorgt ervoor dat de
stopperpinnen van het hand-
schoenenkastje vrijkomen van de
bevestigingslocatie waardoor het
handschoenenkastje kan hangen.
4. Verwijder het luchtfilterdeksel van
het verwarmings- en ventilatiesys-
teem (2) door op de clip (1) te
duwen of drukken.
5. Verwijder het interieurfilter.
6. Plaats de onderdelen in omge-
keerde volgorde van verwijderen.
Informatie
Plaats het nieuwe interieurfilter op de
juiste manier. Als het filter is omge-
keerd, zal het systeem veel lawaai pro-
duceren en zal het filter minder effec-
tief zijn.
i
ODH073012OGB074004OGB074030
7-31
7
Onderhoud
RUITENWISSERBLADEN
Bladen controleren
Informatie
In de handel verkrijgbare hot wax
zoals gebruikt in wasstraten bemoeil-
ijkt het reinigen van de voorruit.
Verontreiniging van de voorruit of de
ruitenwisserbladen door bepaalde
substanties kan het effect van de
ruitenwissers verminderen. Bekende
vormen van verontreiniging zijn
insecten, sap van bomen en hot
wax- behandelingen gebruikt in som-
mige wasstraten. Indien de bladen
niet goed wissen, reinig dan zowel
de ruit als de bladen met een goed
schoonmaakmiddel of een zacht
reinigingsmiddel en spoel grondig na
met schoon water.
Gebruik geen benzine, petroleum,
thinner of andere oplosmiddelen
in de buurt van de ruitenwisser-
bladen om beschadiging te voor-
komen.
Bladen vervangen
Als de ruitenwissers de ruit niet
langer goed schoonmaken, kan het
zijn dat ze versleten of gescheurd
zijn en dienen ze te worden vervan-
gen.
Probeer de ruitenwissers nooit
met de hand te bewegen om
beschadiging van de ruitenwis-
serarmen en van andere onderde-
len te voorkomen.
Het gebruik van nietvoorgeschre-
ven ruitenwisserbladen kan sto-
ringen en problemen veroorzaken.
i
AANWIJZING
AANWIJZING
AANWIJZING
7-32
Onderhoud
Voorruiten wisserblad
Type A
1. Trek de ruitenwisserarm omhoog
en klap het ruitenwisserblad om
zodat de kunststof vergrendeling
zichtbaar wordt.
Voorkom dat de wisserarm tegen
de ruit valt, omdat de ruit kan
beschadigen of barsten.
2. Druk de clip in en schuif de wis-
sers omlaag.
3. Schuif het wisserblad uit de arm.
4. Plaats het ruitenwisserbladen in
omgekeerde volgorde van verwi-
jderen.
Type B
1. Zet de ruitenwisserarm omhoog.
Voorkom dat de wisserarm tegen
de ruit valt, omdat de ruit kan
beschadigen of barsten.
AANWIJZING
AANWIJZING
OLMB073021
OLMB073022
OLMB073098
1JBA5122
7-33
7
Onderhoud
2. Plaats de klem van het wisserblad
omhoog. Trek de wisserblad naar
beneden en verwijder deze.
3. Plaats het nieuwe ruitenwis-
serbladen in omgekeerde volgo-
rde van verwijderen.
Achterruitenwisserblad
1. Trek de ruitenwisserarm omhoog
en draai het ruitenwisserblad (1).
2. Verwijder het ruitenwisserblad.
OLMB073023
OLMB073099 OLMB073100
7-34
Onderhoud
3. Plaats het nieuwe ruitenwis-
serblad door het middelste deel in
de opening van de ruitenwisser-
arm te steken tot het ruitenwis-
serblad vastklikt.
4. Controleer of het ruitenwisserblad
goed vastzit door er lichtjes aan te
trekken.
Laat de ruitenwisserbladen vervan-
gen door een officiële HYUNDAI-
dealer om schade aan de ruitenwis-
serarmen en andere onderdelen te
voorkomen.
OLMB073024
7-35
7
Onderhoud
Optimale werking van de accu
Zorg ervoor dat de accu altijd goed
vastzit.
Houd de bovenzijde van de accu
schoon en droog.
Houd de accupolen en de accu-
poolklemmen schoon, zorg ervoor
dat ze goed vastzitten en be-
scherm ze met vaseline.
Spoel gemorst elektrolyt direct af
met een oplossing van water en
natriumbicarbonaat (dubbel kool-
zure soda).
Neem de accukabels los als u de
auto gedurende een langere peri-
ode niet gaat gebruiken.
Informatie
Uw auto is uitgerust met een onder-
houdsvrije accu. Als uw auto is
voorzien van een accu met een niveau
indicator op de zijkant, gemarkeerd
met 'lower' en 'upper', kunt het
niveau van het elektrolyt controleren.
Het niveau dient tussen 'lower' en 'up-
per' te staan. Als het niveau te laag is
dient het te worden aangevuld met
gedestilleerd (gedemineraliseerd)
water (Vul nooit bij met zwavelzuur of
een ander elektrolyt). Wees
voorzichtig tijdens het bijvullen, zorg
ervoor dat er geen vloeistof op de accu
of andere onderdelen komt. Voeg
nooit te veel vloeistof bij. Dit kan
roestvorming op andere onderdelen
veroorzaken. Na het bijvullen dient u
de doppen te monteren. We adviseren
u contact op te nemen met een officiële
HYUNDAI-dealer.
i
Gevaren accu
Lees de volgende
aanwijzingen voor het
omgaan met de accu
zorgvuldig door.
Houd brandende cig-
aretten, vonken en
open vuur uit de bu-
urt van de accu.
Er bevindt zich altijd
wat van het zeer licht
ontvlambare water-
stof in de accucellen.
Dit kan ontploffen.
Houd accu's buiten
bereik van kinderen,
aangezien accu's het
zeer agressieve zwa-
velzuur bevatten. La-
at accuzuur niet in
contact komen met
uw huid, uw ogen,
kleding en de lak van
de auto.
(Vervolg)
WAARSCHUWING
OGB074005
ACCU
7-36
Onderhoud
(Vervolg)
Sp in wanneer u elek-
trolyt in uw ogen kri-
jgt. Was uw huid
grondig wanneer de-
ze in aanraking komt
met elektrolyt. Roep
onmiddellijk medis-
che hulp in wanneer u
pijn of een brandend
gevoel heeft.
Draag een veilighei-
dsbril tijdens het op-
laden van en het wer-
ken in de buurt van
accu's. Zorg altijd
voor ventilatie wan-
neer in een afgeslo-
ten ruimte wordt ge-
werkt.
(Vervolg)
(Vervolg)
Een onjuist afgevoer-
de batterij kan scha-
delijk zijn voor het mi-
lieu en voor uw ge-
zondheid. Zorg ervo-
or dat de batterij vol-
gens de wettelijke
voorschriften wordt
afgevoerd.
De accu bevat lood.
Gooi deze na gebruik
niet weg. Gelieve de
batterij terug te bren-
gen naar een erkende
Hyundai-dealer voor
recyclage.
Bij het optillen van een accu
met een kunststof behuizing
kan door de druk accuzuur
naar buiten komen, waardoor
persoonlijk letsel optreedt.
Houd bij het optillen uw han-
den aan de zijkant van de
accu.
(Vervolg)
(Vervolg)
Laad nooit een accu bij terwijl
de accukabels nog aanges-
loten zijn.
Het ontstekingssysteem werkt
met hoogspanning. Raak de
onderdelen van de ontsteking
niet aan als de motor draait of
het contact in stand ON staat.
Het niet in acht nemen van
bovenstaande waarschuwingen
kan leiden tot ernstig letsel.
7-37
7
Onderhoud
Accucapaciteitsticker
hDe werkelijke sticker op de accu kan
afwijken van de afbeelding.
1. CMF65L-BCI: De door HYUNDAI
gebruikte naam van de accu
2. 12V: Nominale spanning
3. 60Ah(20HR): Nominale capaciteit
(in ampère-uur)
4. 92RC: Nominale reservecapaciteit
(in min.)
5. 550CCA: Koude-test in ampère
volgens SAE-norm
6. 440A: De koude-test in ampère
volgens EN-norm
(Vervolg)
Neem de acculader in de
onderstaande volgorde los.
1.Zet de hoofdschakelaar van
de acculader uit.
2.Neem de klem los van de min-
pool.
3.Neem de klem los van de
pluspool.
Schakel vóór het uitvoeren
van onderhoudswerkzaamhe-
den aan de accu of het laden
van de accu alle elektrische
verbruikers uit en zet de
motor af.
Neem de minkabel van de
accu altijd eerst los en sluit de
minkabel van de accu altijd
als laatste weer aan.
OJD072039
nVoorbeeld
Laden van de accu
Neem bij het laden van de accu
de volgende voorzorgsmaa-
tregelen in acht:
De accu moet uit de auto wor-
den verwijderd en in een goed
geventileerde ruimte gepla-
atst worden.
Houd sigaretten, vonken en
open vuur uit de buurt van de
accu.
Houd de accu tijdens het
laden in de gaten; beëindig
het laden of wijzig de laad-
stroom wanneer het elektrolyt
in de cellen begint te borrelen
of de temperatuur van het
elektrolyt hoger dan 49°C
wordt.
Draag een veiligheidsbril wan-
neer u de accu tijdens het
opladen controleert.
(Vervolg)
WAARSCHUWING
7-38
Onderhoud
Accu opladen
Uw auto is uitgerust met een onder-
houdsvrije accu.
Laad de accu gedurende 10 uur
met behulp van een druppellader
wanneer de accu in een kort tijd
leeggeraakt is (doordat bijv. lamp-
en of interieurverlichting zijn blijven
branden terwijl de motor uit was).
Wanneer de accu geleidelijk ont-
laadt door een hoge elektrische
belasting tijdens het rijden, moet
deze gedurende 2 uur met een
stroomsterkte van 20 - 30 A opge-
laden worden.
Te resetten onderdelen
Te resetten onderdelen nadat de
accu is ontladen of na het weer
aansluiten van de accukabels.
Automatische ruitbediening (zie
hoofdstuk 3)
Schuif kanteldak (zie hoofdstuk 3)
Multifunctioneel display (Zie
hoofdstuk 3)
Verwarmings- en ventilatiesys-
teem (zie hoofdstuk 3)
Audio (zie hoofdstuk 4)
AGM-accu
AGM-accu's (Absorbed Glass
Mat) zijn onderhoudsvrij. We
adviseren u de AGM-accu te
laten onderhouden door een
officiële HYUNDAI-dealer.
Gebruik voor het laden van
uw AGM-accu alleen volauto-
matische acculaders die spe-
ciaal zijn ontworpen voor
AGM-accu's.
We adviseren u voor het ver-
vangen van de AGM-accu ver-
vangende onderdelen te
gebruiken die geleverd zijn
door een officiële HYUNDAI-
dealer.
Open of verwijder de afdek-
kap bovenop de accu niet.
Hierdoor kan het elektrolyt uit
de accu gaan lekken wat tot
ernstig letsel kan leiden.
OPMERKING
7-39
7
Onderhoud
BANDEN EN WIELEN
Verzorging van de banden
Voor uw veiligheid, een maximale
levensduur van de banden en een zo
laag mogelijk brandstofverbruik,
dient u de banden steeds op de aan-
bevolen spanning te houden en dient
u het totaalgewicht en de maximale
asbelasting niet te overschrijden.
Aanbevolen bandenspanning
(koude banden)
De spanning van de banden
(inclusief het reservewiel) dient
dagelijks bij koude banden gecon-
troleerd te worden. 'Koude banden'
wil zeggen dat er de laatste drie uur
niet met de auto is gereden of niet
meer dan 1,6 km.
Voor optimale rijeigenschappen, een
optimale wegligging en een zo laag
mogelijke bandenslijtage dient u de
banden op de aanbevolen spanning
te houden. Zie "Banden en velgen" in
hoofdstuk 8 voor de aanbevolen
bandenspanning.
U kunt alle specificaties (afmetingen
en spanningen) terugvinden op een
label dat op de auto is bevestigd.
OIB074055/H
Te lage bandenspanning
Een te lage bandenspanning
(meer dan 0,7 bar lager) kan lei-
den tot enorme warmteont- wik-
keling. Hierdoor is het mogelijk
dat een band lek raakt, dat het
profiel vervormt of dat andere
bandafwijkingen optreden, wa-
ardoor u de controle over de
auto kunt verliezen en ernstig
letsel oploopt. Het is risico is
veel groter bij hoge buitentem-
peraturen en lange tijd rijden
met hoge snelheden.
WAARSCHUWING
7-40
Onderhoud
Een te lage bandenspanning
resulteert ook in overmatige slij-
tage, slechte rijeigen schappen en
een verhoogd brandstofverbruik.
Vervorming van de band is ook
mogelijk. Houd de banden op de
juiste spanning. Als een band fre-
quent op spanning moet worden
gebracht, adviseren we u de band
te laten controleren door een offi-
ciële HYUNDAI-dealer.
Een te hoge bandenspanning
heeft een negatieve invloed op het
rijcomfort en zorgt voor een ver-
hoogde slijtage in het midden van
het loopvlak. Bovendien bestaat
er een grotere kans op beschadig-
ing door oneffenheden in het
wegdek.
Wanneer banden warm zijn, zal de
bandenspanning normaalgespro-
ken 0,3 tot 0,4 bar hoger zijn dan
wanneer ze koud zijn. Laat om de
banden op de juiste spanning te
brengen geen lucht ontsnappen
uit warme banden. Hierdoor zal de
bandenspanning te laag worden.
Vergeet niet de ventieldopjes te-
rug te plaatsen. Zonder het ven-
tieldopje kan er vuil en vocht in
het ventiel komen, waardoor lucht
kan ontsnappen. Zorg bij verlies
van een ventieldopje zo snel
mogelijk voor een nieuw exem-
plaar.
- Bandenspanning
Let altijd op het volgende:
Controleer de bandenspanning bij
koude banden. (Nadat er de laat-
ste drie uur niet met de auto is
gereden of niet meer dan 1,6 km.)
Controleer ook altijd de spanning
van het reservewiel.
Overschrijd het laadvermogen
van de auto niet. Plaats niet te
veel bagage op het roof rack als
uw auto hiermee is uitgerust.
Versleten, oude banden kunnen
ongelukken veroorzaken. Ver-
vang een band als het profiel erg
versleten is of als de band
beschadigd is.
AANWIJZING AANWIJZING AANWIJZING
Bandenspanning
Een te hoge of een te lage ban-
denspanning reduceert de lev-
ensduur van de banden, beïn-
vloedt de rijeigenschappen van
de auto in negatieve zin en kan
tot onverwachte bandproblemen
leiden. Hierdoor bestaat de kans
dat u de macht over de auto verli-
est en letsel oploopt.
WAARSCHUWING
7-41
7
Onderhoud
Bandenspanning controleren
Controleer de bandenspanning min-
stens eenmaal per maand.
Controleer ook de spanning van het
reservewiel.
Controle
Gebruik een goed kwaliteit meter om
de bandenspanning te meten. Het is
onmogelijk de bandenspanning te
beoordelen door alleen naar de ban-
den te kijken. Radiaalbanden lijken
ook op de juiste spanning te zijn als
de bandenspanning te laag is.
Controleer de bandenspanning bij
koude banden. Een koude band houdt
in dat de auto gedurende 3 uur heeft
stilgestaan of niet meer dan 1,6 km
heeft gereden gedurende deze peri-
ode.
Verwijder de ventieldop. Druk de
bandenspanningsmeter stevig op
het ventiel om de spanning te meten.
Als de bandenspanning overeen-
komt met de aanbevolen druk op de
band en het informatielabel, hoeft hij
niet te worden aangepast. Corrigeer
de bandenspanning tot het aanbev-
olen niveau als de spanning te laag
is.
Druk als de bandenspanning te hoog
is het metalen pennetje in het mid-
den van het ventiel in om lucht uit de
band te laten lopen. Controleer de
bandenspanning opnieuw met de
bandenspanningsmeter. Plaats de
ventieldopjes altijd terug op de ven-
tielen. Ze zorgen ervoor dat er geen
vuil of vocht in de ventielen te-
rechtkomt waardoor er lekken kun-
nen ontstaan.
Controleer de bandenspanning
regelmatig. Controleer de ban-
den daarnaast op slijtage en
beschadigingen. Gebruik altijd
een bandenspanningsmeter.
Banden met een te hoge of een
te lage spanning hebben een
negatieve invloed op het rijge-
drag en kunnen ervoor zorgen
dat u de macht over de auto
verliest, waardoor een aanrijd-
ing met (ernstig) letsel het
gevolg kan zijn. De aanbevolen
bandenspanning staat in dit
instructieboekje en op het ban-
denspanningslabel op de mid-
denstijl aan bestuurderszijde.
Versleten banden kunnen onge-
lukken veroorzaken. Vervang
banden die (ongelijkmatig) ver-
sleten of beschadigd zijn.
Controleer de bandenspanning
van het reservewiel. HYUNDAI
wordt aanbevolen om bij het
controleren van de banden-
spanning ook die van het re-
servewiel te controleren.
WAARSCHUWING
7-42
Onderhoud
Wielen verwisselen
Om de banden zo gelijkmatig mo-
gelijk te laten slijten wordt aanger-
aden de wielen iedere 10.000 km of
eerder, indien het slijtagepatroon
daartoe aanleiding geeft, te verwis-
selen.
Controleer bij het verwisselen van de
wielen tevens de balans.
Controleer de banden bij het verwis-
selen van de wielen op ongelijk-
matige slijtage en beschadigingen.
Abnormale slijtage wordt meestal
veroorzaakt door een onjuiste ban-
denspanning, een onjuiste wieluitlijn-
ing, onbalans, veelvuldig hard rem-
men en snelle bochten. Controleer
het profiel en de zijkant van de band
op zwellingen. Vervang de band
wanneer u deze aantreft. Vervang de
band als het canvas of de koordla-
gen zichtbaar zijn. Breng na het ver-
wisselen van de wielen de banden
op de juiste spanning en controleer
of de wielmoeren vastzitten.
Zie "Banden en velgen" in hoofdstuk
8.
Controleer bij het verwisselen van de
wielen tevens de remblokken op slij-
tage.
Informatie
Verwissel radiaalbanden met een
asymmetrisch profiel alleen van voren
naar achteren en niet van links naar
rechts.
i
S2BLA790
S2BLA790A
CBGQ0707A
Zonder reservewiel
Met een volwaardig reservewiel
(indien van toepassing)
Banden met een specifieke draairichting
(indien van toepassing)
Gebruik het reservewiel niet
voor het roteren van de wielen
Gebruik nooit diagonaal- en
radiaalbanden door elkaar.
Anders kan de auto moeilijker
onder controle te houden zijn,
wat kan leiden tot ernstig let-
sel of schade aan de auto.
WAARSCHUWING
7-43
7
Onderhoud
Wielen uitlijnen en balanceren
De wielen van uw auto zijn af fabriek
zorgvuldig uitgelijnd en gebal-
anceerd voor een lange levensduur
van de banden en optimale presta-
ties.
Normaalgesproken is het niet nodig
de wielen nogmaals uit te lijnen. In
het geval de banden van uw auto
echter abnormale slijtage vertonen of
als de auto naar één kant trekt, kan
het zijn dat de auto opnieuw moet
worden uitgelijnd.
Wanneer de auto tijdens het rijden
op een vlakke weg trilt, kan het zijn
dat de wielen opnieuw moeten wor-
den gebalanceerd.
De verkeerde balanceerge wicht-
jes kunnen de lichtmetalen velgen
van uw auto beschadigen. Geb-
ruik alleen goedgekeurde bal-
anceergewichtjes.
Banden vervangen
Als de band gelijkmatig afgesleten is
verschijnt de slijtage-indicator als
een onderbroken lijn door het
loopvlak. Dit geeft aan dat er minder
dan 1,6 mm profieldikte op de band
aanwezig is. Vervang in dat geval de
band.
Wacht niet met het vervangen van de
band totdat de slijtage-indicator over
de gehele profielbreedte zichtbaar is.
AANWIJZING
OEN076053
Slijtage-indicatoren Vervangen van banden
Om de veiligheid zo veel als mo-
gelijk is te waarborgen:
Vervang banden die (ongelijk-
matig) versleten of beschadigd
zijn. Rijden met versleten ban-
den is bijzonder gevaarlijk; ver-
sleten banden hebben een
negatieve invloed op de remw-
erking, de besturing en de trac-
tie.
Rijdt nooit met te lage of te
hoge bandenspanning. Dit kan
leiden tot ongelijkmatige slij-
tage en breuk in de koordlagen.
Bij het vervangen van banden
is het noodzakelijk banden van
hetzelfde type en profiel te
monteren. U moet alle banden
(ook die van het reser-vewiel)
vervangen.
Het gebruik van banden en vel-
gen anders dan de aanbevolen
maten heeft invloed op de weg-
ligging, prestaties en bedien-
ingscomfort.
(Vervolg)
WAARSCHUWING
7-44
Onderhoud
Band compact reservewiel
vervangen (indien van
toepassing)
De levensduur van de band van een
compact reservewiel is korter dan
die van een conventionele band.
Vervang de band van het compacte
reservewiel als de slijtage-indica-
toren zichtbaar zijn. De nieuwe band
voor het compacte reservewiel moet
dezelfde maat hebben en van het-
zelfde type zijn als de oorspronke-
lijke band, en dient op de velg van
het originele compacte reservewiel
te worden geplaatst. De band voor
het compacte reservewiel is niet ont-
worpen voor normale velgen, en de
velg van het compacte reservewiel is
niet ontworpen voor normale ban-
den.
Velgen vervangen
Als u om de een of andere reden de
velgen wilt vervangen, dient u erop te
letten dat de nieuwe velgen gelijk-
waardig zijn aan de originele velgen
voor wat betreft diameter, velg-
breedte en offset (wielbolling).
(Vervolg)
Velgen die niet voldoen aan de
specificaties van HYUNDAI
beinvloeden de prestaties en
het rijgedrag van uw auto. Laat
u altijd adviseren door de
Erkend HYUNDAI Reparateur.
Het ABS vergelijkt de snelheid
van de wielen. De bandenmaat
heeft invloed op de snelheid
van de wielen. Zorg er bij het
vervangen van de banden voor
dat ze dezelfde maat hebben als
de originele banden. Wanneer
banden van een ander formaat
worden gebruikt, werken het
ABS (antiblokkeersysteem) en
het Elektronische stabiliteit-
sregeling (ESC) (indien van
toepassing) mogelijk niet goed
meer.
Een velg van de verkeerde maat
heeft een negatieve invloed op
de levensduur van de velg en
van het wiellager, de remweg,
de rijeigenschappen, de grond-
speling, de ruimte tussen de
band en de carrosserie, de
ruimte bij het gebruik van
sneeuwkettingen, de kalibratie
van de snelheidsmeter of kilo-
meterteller, de koplampafstel-
ling en de bumperhoogte.
WAARSCHUWING
7-45
7
Onderhoud
Grip
De grip van de banden kan ver-
slechteren als de banden versleten
zijn of niet op de juiste spanning zijn,
of als u op een glad wegdek rijdt.
Banden moeten worden vervangen
als de slijtage-indicatoren zichtbaar
zijn. Pas uw snelheid aan als er
regen, sneeuw of ijzel op de weg ligt
om de kans te verkleinen dat u de
controle over de auto verliest.
Onderhoud van banden
Naast een juiste bandenspanning,
draagt een juiste wieluitlijning bij tot
het beperken van de bandenslijtage.
Vraag uw Erkend HYUNDAI
Reparateur advies als u ziet dat een
band onregelmatig is versleten.
Zorg ervoor dat nieuwe wielen uitge-
balanceerd zijn. Dit komt het rijcom-
fort en de levensduur van de banden
ten goede. Balanceer een wiel ook
altijd wanneer de band van de velg
verwijderd is geweest.
Informatie op de wang
van de band
Deze informatie bestaat uit de basi-
seigenschappen van de band en het
identificatienummer voor veiligheid-
scertificatie. Het identificatienummer
kan worden gebruikt om de band te
identificeren bij een terugroepactie.
1. Fabrikant of merknaam
Fabrikant of merknaam wordt
aangegeven.
2. Aanduiding bandenmaat
De bandenmaat staat aangegeven
op de wang van de banden. Deze
informatie zal nodig zijn bij de aan-
schaf van nieuwe banden voor uw
auto. De letters en cijfers in de aan-
duiding van de bandenmaat hebben
de volgende betekenis.
Voorbeeld aanduiding bandenmaat:
(Deze maat dient slechts ter illus-
tratie; de bandenmaat van uw auto is
afhankelijk van de uitvoering.)
185/65R15 88H
I030B04JM
1
1
23
4
5,6
7
7-46
Onderhoud
185 - Breedte band in millimeter.
65 - HoogteVbreedteverhouding. De
hoogte van de wang van de
band als percentage van de
breedte.
R - Type band (radiaalband).
15 - Velgdiameter in inch.
88 - Index draagvermogen, een
numerieke code die het maxi-
male draagvermogen van de
banden aangeeft.
H - Snelheidsclassificatie. Zie het
overzicht in dit hoofdstuk voor
meer informatie.
Aanduiding velgmaat
Ook velgen zijn voorzien van infor-
matie die van belang kan zijn bij
eventuele vervanging. De letters en
cijfers in de aanduiding van de vel-
gmaat hebben de volgende beteke-
nis.
Voorbeeld aanduiding velgmaat:
6.0JX15
6.0 - Velgbreedte in inch.
J - Aanduiding offset.
15 - Velgdiameter in inch.
Snelheidsclassificatie banden
In het onderstaande overzicht staan
de meest gebruikte snelheidsclassifi-
caties voor personenautoband weer-
gegeven. De aanduiding van de
snelheidsclassificatie maakt deel uit
van de aanduiding van de banden-
maat op de wang van de band. Deze
aanduiding geeft de maximum snel-
heid weer waarvoor deze band is
ontworpen.
S 180 km/h
T 190 km/h
H 210 km/h
V 240 km/h
Z Hoger dan 240 km/h
Maximum snelheid
Aanduiding
snelheid-
sclassificatie
7-47
7
Onderhoud
3. Controleren van de leeftijd van
de banden (TIN: identifica-
tienummer)
Alle banden die ouder zijn dan 6 jaar,
gebaseerd of de fabricagedatum,
(inclusief de reserveband) moeten
worden vervangen door nieuwe. U
kunt de productiedatum vinden in de
DOT-code op de wang (mogelijk
alleen aan de binnenzijde) van de
band. De DOT-code is een serie
karakters op een band, die bestaat
uit een combinatie van cijfers en let-
ters. De productiedatum is af te lei-
den uit de laatste vier cijfers (karak-
ters) van de DOT-code.
DOT : XXXX XXXX OOOO
In het voorste deel van de DOT-code
worden de fabriekscode, de banden-
maat en het type profiel aangegeven
en in het tweede deel de week en het
jaar waarin de band is gepro-
duceerd.
Bijvoorbeeld:
DOT XXXX XXXX 2719 geeft aan
dat de band is geproduceerd in week
27 van 2019.
4. Structuur en materiaal van de
band
Het aantal lagen rubber van de band.
Bandenfabrikanten moeten ook
aangeven welke materialen zijn
gebruikt in de band, zoals staal,
nylon en polyester. De letter "R"
betekent radiaalband; de letter "D"
betekent diagonaalband; en de letter
"B" betekent band met kruislingse
koordlagen.
5. Maximale bandenspanning
Dit getal geeft aan hoe hoog de ban-
denspanning maximaal mag zijn.
Overschrijd deze maximale ban-
denspanning niet. Zie het infor-
matielabel voor de aanbevolen ban-
denspanning.
Leeftijd band
Banden verouderen na verloop
van tijd, zelfs wanneer ze niet
worden gebruikt. Het verdient
aanbeveling om banden bij nor-
maal gebruik over het algemeen
na zes (6) jaar te vervangen,
ongeacht de resterende profiel-
diepte. Warmte ten gevolge van
het rijden in een warm klimaat
of het regelmatig met zware
belading rijden kunnen het ver-
ouderingsproces versnellen.
Het niet opvolgen van deze
waarschuwing kan resulteren in
een kapotte band. Hierdoor
kunt u de controle verliezen,
waardoor een ongeluk met ern-
stig letsel of schade het gevolg
kan zijn.
WAARSCHUWING
7-48
Onderhoud
6. Maximum belasting
Dit getal geeft het maximale gewicht
in kilo's en ponden aan die de band
kan dragen. Gebruik altijd banden
met dezelfde maximale belasting als
de banden die vanuit de fabriek zijn
geplaatst.
7. Uniforme
bandenkwaliteitsclassificatie
Kwaliteitsgradaties vindt u, indien
van toepassing, op de zijkant van de
band tussen de schouder van het
loopvlak en de maximumbreedte van
de wang.
Bijvoorbeeld:
TREADWEAR 200
TRACTION AA
TEMPERATURE A
Slijtage van het profiel
De slijtageclassificatie van het
loopvlak is een relatieve classificatie
gebaseerd op de mate van slijtage
onder gecontroleerde omstandighe-
den op een officieel erkende test-
baan. Voorbeeld: een band met de
aanduiding 150 zal 1,5 keer langer
meegaan dan een band met de aan-
duiding 100.
De levensduur van de banden zal in
belangrijke mate afhankelijk zijn van
de gebruiksomstandigheden. De lev-
ensduur kan echter van de norm
afwijken door de rijstijl van de bestu-
urder, onderhoud van de banden, de
toestand van de wegen en het kli-
maat.
De indicator is bij autobanden
aangebracht op de wang. Welke
banden er standaard of als optie
beschikbaar zijn voor uw auto is
afhankelijk van de uitvoering.
Grip - AA, A, B en C
Er zijn drie gripclassificaties, van
hoog naar laag AA, A, B en C. De
gripclassificatie geeft aan in hoeverre
de banden op een nat wegdek door-
glijden bij het maken van een nood-
stop, zoals gemeten onder gecon-
troleerde omstandigheden op een
officieel erkende testbaan, zowel op
asfalt als op beton. Een band met
classificatie C is een band met
relatief weinig grip.
De kwaliteit van de tractie voor
deze band is gebaseerd op trac-
tietests waarbij niet onder een
hoek wordt geremd. Bij de
kwaliteit is geen rekening ge-
houden met de acceleratie, het
nemen van bochten, aquaplan-
ing en maximum tractie.
WAARSCHUWING
7-49
7
Onderhoud
Temperatuur - A, B en C
Er zijn drie temperatuurclassificaties
mogelijk: A (de hoogste), B en C.
Deze classificaties geven aan in
hoeverre de band hittebestendig is
en in welke mate de band warmte
afvoert, zoals getest onder gecon-
troleerde omstandigheden op een
testwiel in een officieel erkend labo-
ratorium.
Door aanhoudende hoge tempera-
turen gaat het materiaal van de ban-
den achteruit, waardoor de banden
minder lang meegaan. Bij extreem
hoge temperaturen kunnen de ban-
den zelfs plotseling lek gaan. De
classificaties B en A geven aan dat
het testresultaat van de band in het
laboratorium beter is dan het in de
wet voorgeschreven minimum.
Band met een kleine
hoogte-/breedteverhouding
(indien van toepassing)
Er zijn banden toegepast met een
kleine hoogte-/breedteverhouding,
kleiner dan 50, voor een sportieve
uitstraling.
Omdat banden met een kleine
hoogte-/breedteverhouding zijn
geoptimaliseerd voor handling en
remmen, kan het rijcomfort afnemen
en is het geluidsniveau hoger dan bij
normale banden.
Temperatuur banden
De temperatuurclassificatie van
deze band geldt voor een band
die de juiste spanning heeft en
niet overbelast is. Extreem
hoge rijsnelheden, een te lage
bandenspanning en/of overbe-
lasting kunnen een concen-
tratie van hitte in de band
veroorzaken, wat kan leiden tot
een klapband. Hierdoor kunt u
de controle over de auto ver-
liezen en ernstig letsel oplopen.
WAARSCHUWING
7-50
Onderhoud
Omdat de wang van een band met
een kleine hoogte-/breedtever-
houding korter is dan normaal,
raken de band en het wiel sneller
beschadigd. Volg daarom onder-
staande aanwijzingen op.
- Rijd op een slecht wegdek of in
het terrein voorzichtig, omdat
anders de banden en wielen
beschadigd kunnen raken.
Controleer na het rijden de ban-
den en wielen.
- Rijd langzaam over putdeksels,
drempels en stoepranden, om te
voorkomen dat de banden en
wielen beschadigd raken.
- Als de band hard met iets in aan-
raking is gekomen, adviseren
we u de staat van de band te
controleren of contact op te
nemen met een officiële
HYUNDAI-dealer.
- Controleer de staat van de band
en de bandenspanning elke
3.000 km, om schade aan de
band te voorkomen.
Het is niet gemakkelijk om
schade aan een band met het
blote oog te zien. Als er ook
maar de kleinste aanwijzing is
voor schade aan de band, ook al
is die niet met het blote oog
waar te nemen, laat de band dan
controleren of vervangen. An-
ders kan de band lek raken.
Als de band beschadigd raakt
door rijden op een slecht weg-
dek, in het terrein of over een
putdeksel, drempel of stoe-
prand, valt deze schade niet
onder de garantie.
U kunt informatie over de band
vinden op de wang van de band.
AANWIJZING AANWIJZING
7-51
7
Onderhoud
ZEKERINGEN
Het elektrisch systeem van een auto
is tegen overbelasting beveiligd door
middel van zekeringen.
Deze auto heeft 2 (of 3) zeker-
ingkasten, één in het zijpaneel aan
bestuurderszijde en de andere in de
motorruimte vlak bij de accu.
Controleer de zekering van het des-
betreffende circuit wanneer een
bepaalde verlichting, accessoire of
bedieningsorgaan niet werkt.
Als een zekering is doorgebrand, is
het element in de zekering ges-
molten.
Controleer de zekeringkast aan
bestuurderszijde wanneer het elek-
trisch systeem niet werkt.
Vervang een zekering altijd door een
zekering met dezelfde stroomsterkte.
Als de vervangende zekering ook
doorbrandt, duidt dit op een elek-
trische storing. Vermijd het gebruik
van het desbetreffende systeem en
neem contact op met een officiële
HYUNDAI- dealer.
Er worden drie soorten zekeringen
gebruikt: een plat type voor lagere
stroomsterkte, en een cartridge type
en multizekering voor hogere
stroomsterktes.
Verwijder een zekering niet met een
schroevendraaier of een ander met-
alen voorwerp omdat hierdoor kort-
sluiting kan ontstaan, waardoor
schade aan het elektrisch systeem
kan worden veroorzaakt.
Informatie
Mogelijk wijkt het daadwerkelijke
label met de naam van de zekeringen
en relais af.
AANWIJZING
i
OTA070039
Normaal
Normaal
nCartridge type
nMultizekering
D
Do
oo
or
rg
ge
eb
br
ra
an
nd
d
Normaal
nPlat type
D
Do
oo
or
rg
ge
eb
br
ra
an
nd
d
D
Do
oo
or
rg
ge
eb
br
ra
an
nd
d
Zekering vervangen
Vervang een zekering alleen
door een zekering met dezelfde
stroomsterkte.
Een zekering met een hogere
capaciteit kan schade en mo-
gelijk brand veroorzaken.
Vervang een zekering nooit
door een draad of een stuk alu-
miniumfolie - ook niet als no-
odreparatie. Hierdoor kan het
elektrische circuit overbelast
worden, waardoor brand kan
ontstaan.
WAARSCHUWING
7-52
Onderhoud
Vervangen zekering
instrumentenpaneel
1. Zet het contact in stand LOCK (of
OFF) en alle andere schakelaars
uit.
2. Open het deksel van de zeker-
ingkast.
OGB074006
(Vervolg)
Plaats uitsluitend zekeringen
of relais in de aansluitingen
van de zekering/het relais.
Anders kunnen er problemen
met de aansluiting of storin-
gen aan het systeem ont-
staan.
Als sommige lampen (kop-
lamp, mistlap vóór, mistlamp
achter, stoplicht en richtin-
gaanwijzers) niet werken,
controleer dan de gloeilamp.
Wanneer de gloeilamp nor-
maal is, raden wij u aan een
erkende Hyundai-dealer te
raadplegen.
Wanneer u een doorgebrande
zekering of relais door een
nieuw exemplaar vervangt,
zorg er dan voor dat de nie-
uwe zekering of het nieuwe
relais goed in de houder past.
Wanneer de zekering of het
relais niet goed vastzit, kun-
nen de bedrading en de elek-
trische systemen van de auto
beschadigd raken en mogelijk
brand veroorzaken.
Verwijder geen zekeringen,
relais of aansluitingen die zijn
vastgezet met bouten of
moeren. De zekeringen, relais
of aansluitingen zijn mogelijk
niet goed vastgezet, wat
brand kan veroorzaken. Als
zekeringen, relais of aanslui-
tingen die zijn vastgezet met
bouten of moeren zijn doorge-
brand, raden wij u aan contact
op te nemen met een officiële
HYUNDAI-dealer.
(Vervolg)
OPMERKING
7-53
7
Onderhoud
3. Verwijder de verdachte zekering.
Gebruik het demontagegereed-
schap dat zich in de zekeringkast
in de motorruimte bevindt.
4. Controleer de verwijderde zeke-
ring; vervangen indien deze is
doorgebrand.
5. Plaats een nieuwe zekering met
dezelfde stroomsterkte en con-
troleer of de zekering goed vastz-
it.
Bij loszitten adviseren we u contact
op te nemen met een officiële
HYUNDAI-dealer.
Als u geen reservezekering hebt,
kunt u de zekering van een ander cir-
cuit gebruiken dat niet nodig is om te
kunnen rijden, bijvoorbeeld van de
aansteker, mits de zekering dezelfde
stroomsterkte heeft.
Controleer de zekeringkast in de
motorruimte wanneer de koplampen
of andere elektrische componenten
niet werken. Vervang een doorge-
brande zekering.
Zekeringschakelaar
Plaats de zekeringschakelaar altijd
in de AAN stand.
Als u de schakelaar plaatst in de UIT
stand, dan moeten sommige onder-
delen gereset worden en kan het
gebeuren dat de zender (of smart
key) niet goed werken.
Als het onderstaande bericht wordt
weergegeven op het dashboard,
controleer de zekeringsschakelaar
en zet de zekeringsschakelaar AAN
(indien van toepassing).
- Schakel de "ZEKERINGSCHAKE-
LAAR" in
- ZEKERING AAN
OGB074007
OIB074029
7-54
Onderhoud
Plaats de zekeringschakelaar alti-
jd in de AAN stand tijdens het rij-
den.
Laat de transportzekeringss-
chakelaar niet herhaaldelijk bewe-
gen.
De zekeringschakelaar bescha-
digd kan raken.
Vervangen zekering
motorruimte
1. Zet het contact in stand LOCK (of
OFF) en alle andere schakelaars
uit.
2. Verwijder het deksel van de zeker-
ingkast door de lippen in te
drukken en het deksel omhoog te
trekken.
3. Controleer de verwijderde zeker-
ing; vervangen indien deze is
doorgebrand. Gebruik de zeker-
ingtrekker in de zekeringkast in de
motorruimte om de zekering te
verwijderen of te plaatsen.
4. Plaats een nieuwe zekering met
dezelfde stroomsterkte en cont-
roleer of de zekering goed vastzit.
Bij loszitten adviseren we u con-
tact op te nemen met een officiële
HYUNDAI-dealer.
Plaats het deksel op de juiste ma-
nier nadat de zekeringkast in de
motorruimte gecontroleerd is.
Wanneer dit niet het geval is, kun-
nen elektrische storingen ten
gevolge van binnendringend
vocht optreden.
AANWIJZING
AANWIJZING
OIB074031
7-55
7
Onderhoud
Hoofdzekering (Multizekering)
Vervang de doorgebrande hoofdzek-
ering als volgt:
1. Neem de minpool los van de accu.
2. Verwijder de moeren die in de
bovenstaande afbeelding worden
aangegeven.
3. Vervang de zekering door een
nieuwe met dezelfde stroomsterk-
te.
4. Plaats de onderdelen in omge-
keerde volgorde van verwijderen.
Informatie
Als de hoofdzekering is doorgebrand,
adviseren we u contact op te nemen
met een officiële HYUNDAI-dealer.
i
OIB074032
OIB074031
Als de hoofdzekering niet goed
gemonteerd is, kan dit brand
veroorzaken.
Als de hoofdzekering is doorge-
brand, adviseren we u contact
op te nemen met een officiële
HYUNDAI-dealer.
OPMERKING
7-56
Onderhoud
Zekering-/relaiskast
Zekering zijpaneel
Aan de binnenzijde van de deksels
vindt u een label met daarop de
naam van de zekeringen en relais en
de capaciteit.
Informatie
Mogelijk zijn niet alle beschrijvingen
van de zekeringkast van toepassing op
uw auto. Deze golden ten tijde van het
ter perse gaan. Raadpleeg het label in
de zekeringkast als u de zekeringkast
controleert.
i
OGB078020
OGB074031
7-57
7
Onderhoud
Zekeringkast zijpaneel bestuurderszijde
Naam zekering Symbool Stroomsterkte
zekering Beschermd circuit
RR HTD 30A RR HTD Relais
S/HEATER 20A Stoelverwarming bestuurder / passagier
SAFETY P/WDW 25A Module elektrisch bedienbare ruit bestuurderszijde met klembeveiliging
T/SIG 15A BCM
MODULE6 10A Datalinkstekker
P/WDW RH 25A Hoofdschakelaar ruitbediening, Schakelaar ruitbediening rechts voor, schakelaar
ruitbediening rechts achter (LHD)
P/WDW LH 25A Hoofdschakelaar ruitbediening, Schakelaar ruitbediening links voor, schakelaar
ruitbediening links achter (RHD)
SUNROOF 20A Motor schuif-/kanteldak
PDM 2 10A Module Smart Key, Start/stoptoets
POWER OUTLET RH 20A Aansluiting RH
DR LOCK 20A Relais Ontgrendeling achterklep, Relais vergrendelen portier, Relais ontgrendelen
portier, Deadlock-relais
BRAKE SWITCH 10A Remlichtschakelaar, Module Smart Key
TCU 15A SPEED_SNSR_IN/OUT, INHIBIT_SW/B_UP_SW, S_MODE_SW
START 10A Koppeling Schakelaar, Schakelaar, Transmissiestandschakelaar, PCB blok
(Startrelais), ECM, Module Smart Key
PDM 1 25A Module Smart Key
HTD MIRR 10A ECM/PCM, Module klimaatregeling, Elektrisch verstelbare buitenspiegel bestuur-
derszijde/passagierszijde
6
MODULE
7-58
Onderhoud
Naam zekering Symbool Stroomsterkte
zekering Beschermd circuit
MODULE 2 10A
Consoleschakelaar, Zoemer parkeerhulp achter, Module bandenspanningscontrole,
Waarschuwingssysteem Voor het Onbedoeld Verlaten van de Rijstrook, Sensor
parkeerhulp achter Links/Rechts/Midden LH/Midden RH, Sensor parkeerhulp voor
LH/RH/Midden LH/Midden RH
SENSOR 10A Oliepeilsensor, sensor waarschuwingslampje brandstoffilter, Voorgloeirelaisunit
WASHER 15A Multifunctionele schakelaar (ruitenwisser)
BLOWER 10A Module klimaatregeling (automatisch A/C)
MEMORY 10A
Digitale klok, BCM, Schakelaar alarmknipperlichten & Schakelaar portiervergrendel-
ing, Module klimaatregeling, Regensensor, Instrumentenpaneel (MCU, IND.),
Module bandenspanningscontrole
INTERIOR LAMP 10A Bagageruimteverlichting, Leeslampje, makeupspiegelverlichting LH/RH, Midden
interieurverlichting, persoonlijke Lamp LH/RH, Verlichting dashboardkastje
MODULE 3 10A
Multifunctionele servicestekker, Audio, Module klimaatregeling, middenconsole
schakelaar, ATM Versnellingspook Verlichting, DC-DC converter, Spiraalveer,
BEST/PASS stoelverwarming
ECU 10A ECM/PCM, module Smart Key
A/CON 10A Module klimaatregeling, PCB Blokkeer (Aanjagerrelais)
WIPER RR 15A Motor ruitenwisser achter, PCB Blokkeer (Relais ruitenwisser achter)
MULTIMEDIA 20A Audio (zonder ISG), DC-DC Converter (Met ISG)
Zekeringkast zijpaneel bestuurderszijde
7-59
7
Onderhoud
Naam zekering Symbool Stroomsterkte
zekering Beschermd circuit
MODULE 1 10A BCM, Schakelaar Sportmodus, Remlichtschakelaar
ABS 10A ABS-module, ESP-module, Crash Pad-Schakelaar
MODULE 5 10A Schakelaar stoelverwarming bestuurder/passagier, Elektrochromatische binnen-
spiegel, BCM, Schakelaar koplampverstelling, Servo koplampverstelling links/rechts
MDPS 10A MDPS-eenheid
A/BAG 10A Airbagmodule
MODULE 4 10A BCM, module Smart Key
HTD STRG 15A Spiraalveer
POWER OUTLET LH 20A Aansluiting LH
ACC 10A Schakelaar elektrisch verstelbare buitenspiegel, BCM, Module Smart Key,
Aansluiting relais, Smart phone, Digitale klok, Audio, DC-DC converter
A/BAG IND 10A Instrumentenpaneel (IND.)
CLUSTER 10A Instrumentenpaneel (MCU, IND.)
Zekeringkast zijpaneel bestuurderszijde
7-60
Onderhoud
Zekeringkast motorruimte
Aan de binnenzijde van de deksels
vindt u een label met daarop de
naam van de zekeringen en relais en
de capaciteit.
Informatie
Mogelijk zijn niet alle beschrijvingen
van de zekeringkast van toepassing op
uw auto. Deze golden ten tijde van het
ter perse gaan. Raadpleeg het label in
de zekeringkast als u de zekeringkast
controleert.
i
OIB074031
OGB078113/OGB078114
nGASOLINE nGASOLINE_ISG
7-61
7
Onderhoud
OGB078021
OGB078115
nGASOLINE_TURBO nGASOLINE_TURBO DCT Informatie
Mogelijk zijn niet alle beschrijvingen
van de zekeringkast van toepassing
op uw auto. Deze golden ten tijde van
het ter perse gaan. Raadpleeg het
label in de zekeringkast als u de zek-
eringkast controleert.
i
7-62
Onderhoud
[ ] : G4LA/G4LC & Zonder ISG
( ) : D3FA/D4FC en met ISG
Zekeringkast motorruimte
Fuse Naam zekering Symbool Stroomsterkte
zekering Beschermd circuit
MULTI
FUSE
MDPS 80A MDPS-eenheid
ALT [125A]
(150A) Alternator
FUSE
ECU4
(NON-TURBO)
DCT_3(TURBO)
DCT
3
15A ECM (NON TURBO) DCT_TCM (TURBO)
B+4 50A Smart verbindingsblok (IPS 1 (ARISU- LT 1), IPS 2, IPS 3 (ARISU- LT 3))
IG1 40A Zonder Start knop : Contactslot
Met Start knop : PDM relaiskast (IG1 / ACC Relais)
B+1 50A Smart verbindingsblok
C/FAN (GSL-T) 60A C/Fan (TURBO) Relais
ABS 2 30A ABS-module, ESP-module
ABS 1 40A ABS-module, ESP-module, multifunctionele servicestekker
H/LAMP HI SOL 10A PCB Blok (Koplamprelais HI SOL)
B+5 40A Smart verbindingsblok
7-63
7
Onderhoud
PCB Blok (Benzinemotor)
Naam
zekering Symbool Stroomsterkte
zekering Beschermd circuit
ECU 1 30A Relais motorregeling-ECU
WIPER 25A Relais ruitenwisser LO
HORN 15A Claxonrelais, Relais claxon alarmsysteem
F/PUMP 20A Relais Brandstofpomp
C/FAN
(NON TURBO) 40A Relais koelventilator (laag), Relais koelventilator (hoog)
BLOWER 50A Aanjagerrelais
IG 2 40A Startrelais, Contactslotschakelaar (Zonder Start knop), PDM Relaiskast (IG2 Relais)
B+3 30A Smart verbindingsblok (IPS 4, IPS 5 (ARISU-LT 2))
B+2 50A Smart verbindingsblok (P/WDW Relais, Relais Aansluiting)
ECU 5 15A PCM (GSL-AT) ECM (GSL-T)
ECU 6
(GSL-T) 15A ECM
ECU 2 15A
ECM, PCM (G4LC), Verstuiver #1/#2/#3/#4, Relais koelventilator (laag) (GSL-NON T), Relais
koelventilator (hoog) (GSL-NON T), Olieregelklep (GSL-T), Olieregelklep EX (GSL_T),
Magneetklep dampafvoer
7-64
Onderhoud
PCB Blok (Benzinemotor)
Naam
zekering Symbool Stroomsterkte
zekering Beschermd circuit
TCU(GSL AT)
ECU_4
(GSL TURBO)
15A PCM (G4LC), ECM (GSL-T MT), Relais Brandstofpomp (GSL-T),
Module Startblokkeer (GSL-T)
ECU 3 15A
ECM (GSL-NON T), PCM (GSL-NON T), Module Startblokkeer (GSL-NON T), Relais
Brandstofpomp (GSL-NON T), Sensor Nokkenasstand # 1 / # 2 (GSL-NON T 1,2 ),
Olieregelklep # 1 / # 2 (GSL-NON T), Magneetklep dampafvoer (GSL-NON T), Variabel Inlaat
Magneetventiel (GSL-NON T 1.4), Zuurstofsensor (Op)/(Neer) ( ALL) luchtmassameter, koel-
ventilatorrelais voor PWM (GSL-T), RCV (GSL-T), PTC_heater_1
IG_COIL(GSL)
ECU_5(DSL) 15A Ontstekingsspoel (G4LA-zonder ISG), Condensator, Ontstekingsspoel #1/#2/#3/#4,
EGR Cool Valve ,Remlichtschakelaar, Relais Brandstofpomp,
Relais Brandstofverwarmer
B/UP LAMP 10A M/T: Schakelaar achteruitrijlicht
A/T: Audio, Achteruitrijlicht, Elektrochromatische binnenspiegel
DCT_1
(GSL-TURBO)
DCT
1
40A DCT TCM
DCT_2
DCT
2
40A DCT TCM
7-65
7
Onderhoud
GLOEILAMPEN
Gebruik alleen lampen met de
voorgeschreven wattage.
Zorg ervoor dat de doorgebrande
lamp vervangen wordt door een
met dezelfde wattage. Anders kan
de zekering of het elektrische
bedradingssyteem beschadigd
raken.
Als u niet over het juiste gereed-
schap, de juiste lampen en ervar-
ing beschikt, adviseren we u con-
tact op te nemen met een officiële
HYUNDAI-dealer.
In veel gevallen kan het zelf ver-
vangen van lampen problemen
opleveren vanwege het feit dat om
bij de lamp te kunnen komen,
eerst andere onderdelen verwi-
jderd dienen te worden. Dat is in
het bijzonder het geval als u de
koplampunit moet verwijderen om
bij de gloeilamp(en) te kunnen
komen. Het verwijderen en plaat-
sen van de koplampunit kan lei-
den tot beschadigingen aan de
auto.
Informatie
Na zware regenval of het wassen van
de auto kan het lijken alsof er vocht in
de koplampen en achterlichten zit. Dit
wordt veroorzaakt door het temper-
atuurverschil tussen de binnenzijde en
de buitenzijde van het lampglas. Dit is
vergelijkbaar met het beslaan van de
ruiten bij het rijden onder rege-
nachtige omstandigheden en duidt
niet op een probleem met uw auto. Als
er sprake is van waterlekkage in het
elektrische gedeelte van de lamp,
adviseren we u het systeem te laten
controleren door een officiële
HYUNDAI-dealer.
AANWIJZING
AANWIJZING i
Vervangen van gloeilampen
Zet, voordat u lampen gaat ver-
vangen, de parkeerrem stevig
vast en controleer of het con-
tact in stand LOCK staat om te
voorkomen dat de auto plotsel-
ing in beweging komt, dat u zich
brandt of dat u een schok krijgt.
WAARSCHUWING
7-66
Onderhoud
Vervangen van koplampen,
parkeerlichten,
richtingaanwijzerlampen en
mistlampen vóór
TypeA
(1) Koplamp (grootlicht/dimlicht)
(2) Parkeerlicht (Stand)
(3) Richtingaanwijzer vóór
(4) Dagrijverlichting (DRL)
TypeB
(1) Koplamp (grootlicht/dimlicht)
(2) Parkeerlicht (Stand)
(3) Richtingaanwijzer vóór
(4) Dagrijverlichting (DRL)
(5) Statisch buiglicht (SBL)*
(6) Mistlamp vóór*
* : indien van toepassing
Type C (Alleen 5 Portieren)
(1) Koplamp (grootlicht/dimlicht)
(2) Parkeerlicht (Stand)
(3) Richtingaanwijzer vóór
(4) Dagrijverlichting (DRL)
(5) Mistlamp vóór
OGB078103
OGB078104 OGB078102
Kopgloeilamp
Informatie
Als na het vervangen van de koplamp
unit na schade of het opnieuw mon-
teren de koplamp moeten worden
afgesteld, adviseren we u contact op te
nemen met een officiële HYUNDAI-
dealer.
hWisselen tussen links en rechts
rijdend verkeer
De dimlichtbundel is asymmetrisch.
Als u naar een land gaat waar het
verkeer links rijdt, kan dit asym-
metrische deel tegemoetkomend
verkeer verblinden. Om verblinding
te voorkomen schrijft het ECE-
Reglement verschillende technische
oplossingen voor (bijv. een automa-
tisch aanpassingssysteem, afplak-
ken of de koplampen lager afstellen).
Deze koplampen zijn zo ontworpen
dat ze tegemoetkomend verkeer niet
verblinden. Daarom hoeft u de kop-
lampafstelling niet te veranderen als
u in een landt rijdt waar het verkeer
aan de andere kant rijdt dan in
Nederland.
i
7-67
7
Onderhoud
OLMB073042L
Halogeenlampen
Halogeenlampen bevatten
gas onder druk, zodat de halo-
geenlamp bij het vallen kan
ontploffen waardoor kleine
glasdeeltjes vrijkomen.
(Vervolg)
WAARSCHUWING
(Vervolg)
Behandel halogeenlampen
altijd voorzichtig om krassen
te voorkomen. Voorkom con-
tact met vloeistoffen wanneer
de lampen branden. Raak het
glas nooit met de vingers aan.
Door achtergebleven vet kan
de lamp te heet worden en
knappen wanneer deze
brandt. De lamp mag alleen in
gemonteerde toestand wor-
den ingeschakeld.
Vervang een beschadigde of
gebarsten lamp direct en gooi
deze niet zomaar weg.
Draag bij het vervangen van
een lamp een veiligheidsbril.
Laat de lamp alvorens hem te
vervangen afkoelen.
7-68
Onderhoud
Koplamp
1. Open de motorkap.
2. Verwijder de afdekkap van de
koplamp door de kap linksom te
draaien.
3. Neem de stekker los van de
koplamp.
4. Maak de klem van de lamp los
door het uiteinde in te drukken en
dit omhoog te duwen.
5. Verwijder de lamp uit de koplam-
punit.
6. Plaats een nieuwe lamp in de
koplampunit en bevestig deze
door de klem op zijn plaats te
drukken.
7. Sluit de stekker van de koplamp
aan.
8. Plaats de afdekkap van de
koplamp door de kap rechtsom te
draaien.
Richtingaanwijzerlampen
1. Verwijder de fitting uit de lichtunit
door deze linksom te draaien tot de
nokjes van de fitting in lijn liggen
met de uitsparingen van de lichtunit.
2. Verwijder de lamp uit de fitting door
de lamp in te drukken en deze een
willekeurige kant op te draaien tot
de nokjes van de lamp in lijn liggen
met de uitsparingen van de fitting.
Trek de lamp uit de fitting.
3. Plaats een nieuwe lamp in de fit-
ting en draai de lamp een
willekeurige kant op tot hij vastzit.
4. Plaats de fitting in de lichtunit door
de nokjes op de fitting in lijn te
brengen met de uitsparingen in de
lichtunit. Duw de fitting in de lich-
tunit en draai de fitting een kwart-
slag rechtsom.
Parkeerlichten
1. Verwijder de houder uit de unit
door de houder recht naar buiten
te trekken.
2. Verwijder de lamp uit de houder
door de houder naar buiten te
trekken.
3. Plaats de nieuwe lamp in de hou-
der.
4. Druk de houder in de unit.
OGB074009
OGB074010
nType A
nType B
Parkeerlicht
(Stand)
Richtingaanwijzers
Koplamp
Koplamp
Statisch buiglicht (SBL)
7-69
7
Onderhoud
Mistlamp vóór of Motorvoertuig-
verlichting overdag (DRL)
(indien van toepassing)
1. Verwijder de onderdeksel door
aan de schroeven en bouten te
draaien.
2. Steek uw hand in de achterzijde
van de voorbumper.
3. Neem de voedingsschakelaar los
uit de fitting.
4. Verwijder de fitting uit het huis
door deze linksom te draaien tot
de nokjes van de fitting in lijn lig-
gen met de uitsparingen van het
huis.
5. Plaats een nieuwe fitting in het
huis door de nokjes van de fitting
in lijn te leggen met de uitsparin-
gen van het huis. Duw de fitting in
het huis en draai de fitting een
kwartslag rechtsom.
6. Sluit de voedingsschakelaar aan
op de fitting.
7. Plaats de onderplaat weer op de
voorbumper.
Parkeerlichten/Dagrijverlichting
(indien van toepassing)
Uw auto is uitgerust met LED-lam-
pen. LED-lampen hebben geen ver-
vangbare gloeilampen. Als de LED
lamp niet brandt, raden u aan het
auto door een officiële HYUNDAI-
dealer na te laten kijken.
OGB078105
OGB078106
OGB078111
nType B – Mistlampen
nType A - DRL
nType C – Mist & DRL
7-70
Onderhoud
Koplampen en mistlampen
voor afstellen
Afstellen koplampen
1. Breng de banden op de voorge-
schreven spanning en verwijder
alle lading uit de auto behalve het
reservewiel en het gereedschap.
Laat iemand in de auto plaatsne-
men op de bestuurdersstoel.
2. De auto moet op een vlakke
ondergrond staan.
3. Trek verticale lijnen (lijnen die
door het hart gaan van de respec-
tievelijke koplamp) en een hori-
zontale lijn (die door het hart gaat
van de koplamp) op het scherm.
4. Controleer of de accu voldoende
geladen is, schakel de koplampen
in en stel de koplampen zo af dat
het helderste gedeelte van de
lichtbundel op de horizontale en
verticale lijnen valt.
5. Verdraai de schroevendraaier (2)
rechtsom of linksom om de dim-
licht/grootlicht bundel omhoog of
omlaag te verstellen. Verdraai de
schroevendraaier (1) rechtsom of
linksom om de dimlicht/grootlicht
bundel omhoog of omlaag te ver-
stellen.
OGB074012
7-71
7
Onderhoud
Afstellen mistlampen vóór
Het afstellen van de mistlampen vóór
gaat op dezelfde wijze als bij de
koplampen.
Controleer of de accu voldoende
geladen is, schakel de mistlampen
vóór in en stel de mistlampen af.
Verdraai de schroevendraaier (1)
rechtsom of linksom om de lichtbun-
del omhoog of omlaag te verstellen.
OGB078107
OGB078108
nType B – Mistlampen
nType C – Mist & DRL
Eenheid: mm
<Hoogte vanaf de grond > <Afstand tussen lampen >
SCHERM
H1 : Hoogte tussen hart gloeilamp en grond (grootlicht/dimlicht)
H2 : Hoogte tussen hart gloeilamp en grond
W1 : Afstand tussen het hart van beide gloeilampen (grootlicht/dimlicht)
W2 : Afstand tussen het hart van beide gloeilampen
Richtpunt (5 Deurs / 3 Deurs)
OGB074014
Conditie auto H1 H2 W1 W2
5 Deurs 3 Deurs 5 Deurs 3 Deurs
Zonder
bestuurder
Type A 696.7 341 434 1310 1350 1420
Type B 708 372 434 1360 1348 1420
Met bestuurder Type A 688.7 333 426 1310 1350 1420
Type B 700 364 426 1360 1374 1420
Onderhoud
7-72
Eenheid: mm
< Hoogte vanaf de grond > < Afstand tussen lampen >
H1: Hoogte tussen hart gloeilamp en grond (grootlicht/dimlicht)
H2: Hoogte tussen hart gloeilamp en grond
W1: Afstand tussen het hart van beide gloeilampen (grootlicht/dimlicht)
W2: Afstand tussen het hart van beide gloeilampen
Richtpunt (Cross)
OGB074014
Conditie auto H1 H2 W1 W2
Zonder
bestuurder
Type A 716 402 1310 1400
Type B 722 402 1360 1400
Met bestuurder Type A 708 394 1310 1400
Type B 714 394 1360 1400
SCHERM
Onderhoud
7
7-73
7-74
Onderhoud
Dimlicht (auto's met linkse besturing)
1. Stel het dimlicht af zonder dat er iemand in de auto zit.
2. De begrenzingslijn moet samenvallen met de begrenzingslijn in de afbeelding.
3. Bij het afstellen van het dimlicht moet de afstelling in verticale richting worden gedaan na het afstellen in horizontale richting.
4. Als de auto is uitgerust met een koplampverstelsysteem, moeten de koplampen worden afgesteld met de schakelaar voor de
koplampverstelling in stand 0.
OGB074015
nGebaseerd op een scherm van 10 meter “RA”
Verticale Lijn van het Midden van
de Lamp van de Koplamp
“LA”
Verticale Lijn van het Midden van
de Lamp van de Koplamp
Horizontale Lijn van het Midden
van de Lamp van de Koplamp
SNIJNLIJN
(Ontwerp standaard)
WAGENAS (O/L)
AARDING
Bovenste Limiet
Onderste Limiet
7-75
7
Onderhoud
Dimlicht (auto's met rechtse besturing)
1. Stel het dimlicht af zonder dat er iemand in de auto zit.
2. De begrenzingslijn moet samenvallen met de begrenzingslijn in de afbeelding.
3. Bij het afstellen van het dimlicht moet de afstelling in verticale richting worden gedaan na het afstellen in horizontale richting.
4. Als de auto is uitgerust met een koplampverstelsysteem, moeten de koplampen worden afgesteld met de schakelaar voor de
koplampverstelling in stand 0.
OGB074016
nGebaseerd op een scherm van 10 meter “RA”
Verticale Lijn van het Midden van
de Lamp van de Koplamp
“LA”
Verticale Lijn van het Midden van
de Lamp van de Koplampv
Horizontale Lijn van het Midden
van de Lamp van de Koplamp
Snijnlijn
WAGENAS (O/L)
AARDING
Bovenste Limiet
Onderste Limiet
7-76
Onderhoud
Mistlamp vóór
1. Stel de mistlampen voor af met de bestuurder (75 kg) in de auto.
2. De begrenzingslijn moet in het toegestane gebied vallen (gearceerde gedeelte).
OIA073029
nGebaseerd op een scherm van 10 meter
Verticale Lijn van het Midden van
de Lamp van de Linker Koplamp Verticale Lijn van het Midden van
de Lamp van de Rechts Koplamp
Horizontale Lijn van het Midden
van de Lamp van de Mistlamp
Bovenste limiet
WAGENAS (O/L)
AARDING
7-77
7
Onderhoud
Gloeilamp richtingaanwijzer
opzij vervangen
Als de lamp niet brandt, raden u aan
het auto door een officiële
HYUNDAI-dealer na te laten kijken.
Lamp achterlichtunit
vervangen
(1) Achterlicht
(2) Remlicht en achterlicht
(3) Richtingaanwijzer
(4) Mistachterlicht
(indien van toepassing)
(5) Achteruitrijlicht
(1) Achterlicht
(2) Remlicht en achterlicht
(3) Richtingaanwijzerlampen
(4) Mistachterlicht
(5) Achteruitrijlicht
OIB074035 OGB075036
n3 Deurs
OGB078117
n5 Deurs, Cross
• Type A
(1) Achteruitrijlicht
(2) Richtingaanwijzerlampen
(3) Stoplicht
(4) Remlicht en achterlicht
(5) Achterlicht
(6) Mistachterlicht
1. Open de achterklep
2. Draai de bevestigingsschroeven van
de lichtunit los met een kruiskop-
schroevendraaier.
3. Verwijder de achterlichtunit uit de
carrosserie.
4. Verwijder de fitting uit de lichtunit
door deze linksom te draaien tot de
nokjes van de fitting in lijn liggen met
de uitsparingen van de lichtunit.
5. Verwijder de lamp uit de fitting door
de lamp in te drukken en deze een
willekeurige kant op te draaien tot
de nokjes van de lamp in lijn liggen
met de uitsparingen van de fitting.
Trek de lamp uit de fitting.
7-78
Onderhoud
OGB078109
n5 Deurs, Cross
• Type B
OIB074038
OIB074037 OIB077077
Stop and tail light
Richting-
aanwijzer-
lampen
Achteruitrijlicht
nType A
OGB078110
Achteruitrijlicht
Richtingaanwijzerlampen
nType B
7-79
7
Onderhoud
6. Plaats een nieuwe lamp in de fitting
en draai de lamp een willekeurige
kant op tot hij vastzit.
7. Plaats de fitting in de lichtunit door
de nokjes op de fitting in lijn te bren-
gen met de uitsparingen in de lichtu-
nit. Duw de fitting in de lichtunit en
draai de fitting een kwartslag recht-
som.
8. Plaats de lichtunit in de carrosserie.
Mistlampen achter, Achteruitrij-
licht (indien van toepassing)
1
.
Verwijder de achterste band en de
wieldop.
2. Verwijder de fitting uit de lichtunit
door deze linksom te draaien tot de
nokjes van de fitting in lijn liggen met
de uitsparingen van de lichtunit.
(Links : Mistachterlicht, Rechts:
Achteruitrijlicht)
3. Verwijder de lamp uit de fitting door
de lamp in te drukken en deze een
willekeurige kant op te draaien tot
de nokjes van de lamp in lijn liggen
met de uitsparingen van de fitting.
Trek de lamp uit de fitting.
4. Steek een nieuwe lamp in de fitting.
5. Plaats de lichtunit in de carrosserie.
Derde remlicht vervangen
Als de lamp niet brandt, raden u aan
het systeem door een officiële
HYUNDAI-dealer na te laten kijken.
OGB074017
OIB074039
7-80
Onderhoud
Kentekenplaatverlichting
vervangen
1. Met een platte schroevendraaier,
verwijder de lichtunit van de car-
rosserie door de huis los te
wrikken en de lichtunit uit het
scherm te trekken.
2. Verwijder de lamphouder en de
lens delen door de lamphouder
linksom te draaien, totdat de
nokken op de houder in lijn staan
met de openingen in de lens
delen.
3. Trek de lamp naar buiten.
4. Steek een nieuwe lamp in de fit-
ting.
5. Draai de lamp en fitting terug door
met de klok mee te draaien.
6. Plaats de lichtunit in de car-
rosserie.
1. Wrik het afdekkapje van de lens
met een platte schroevendraaier
voorzichtig los van het huis van de
verlichting.
2. Trek de lamp naar buiten.
3. Steek een nieuwe lamp.
4. Plaats de onderdelen in omge-
keerde volgorde.
OIB077078
n5 Deurs, Cross
OIB074040
n3 Deurs
7-81
7
Onderhoud
1. Wrik de lens met een platte
schroevendraaier voorzichtig los
uit het huis van de interieurver-
lichting.
2. Trek de lamp naar buiten.
3. Steek een nieuwe lamp in de fit-
ting.
4. Breng de lipjes van de lens in lijn
met de uitsparingen in het huis
van de interieurverlichting en klik
de lens vast.
Zorg dat de lens, het lipje van de
lens en de kunststof behuizing
niet vuil worden of beschadigd
raken.
AANWIJZING
nInterieurverlichting (Type B)
nVerlichting dashboardkastje
OGB074018/OGB074019
nInterieurverlichting (Type A)
nBagageruimteverlichting
OIB074041/OIB074042
Controleer, voordat u de lamp
gaat vervangen, of toets OFF
is ingedrukt om te voorkomen
dat u zich brandt of een schok
krijgt.
WAARSCHUWING
Lamp interieurverlichting vervangen
7-82
Onderhoud
ONDERHOUD EXTERIEUR
Verzorging exterieur
Onderhoud exterieur -
Algemeen
Het is van groot belang bij gebruik
van chemische reinigingsmiddelen of
polish de aanwijzingen op het etiket
van het desbetreffende product op te
volgen. Lees de waarschuwingen en
opmerkingen op het etiket.
Hogedruk reiniging
Bij het gebruik van hogedrukreini-
gers, zorg ervoor om voldoende
afstand te houden van het voertuig.
Onvoldoende afstand of overmati-
ge druk kan leiden tot beschadi-
ging van onderdelen of het binnen-
dringen van water.
Spuit niet rechtstreeks met een
hogedrukreiniger op de camera, de
sensoren of hun omgeving. Druk
door water onder hoge druk kan
ervoor zorgen dat het apparaat niet
normaal functioneert.
Breng de tip van het mondstuk niet
te dicht bij laarzen (rubber of plas-
tiek deksels) of connectors aange-
zien ze kunnen beschadigd raken
als ze in contact komen met water
onder hoge druk.
Onderhoud van de lak
Het wassen
Was uw auto minimaal eenmaal per
maand grondig met lauw of koud
water om de lak tegen roest en ver-
oudering te beschermen.
Was, nadat u op een stoffige of mod-
derige weg gereden heeft, de auto
zo snel mogelijk. Besteed hierbij de
nodige zorg aan het verwijderen van
opeengehoopt zout, vuil of modder.
Controleer of de afvoeropeningen
aan de onderzijde van de portieren
en de dorpels open en schoon bli-
jven.
Insecten, teer, sap van bomen,
uitwerpselen van vogels, industrieel
vuil en dergelijke kunnen de lak van
uw auto aantasten als ze niet direct
verwijderd worden. Zelfs bij het
direct verwijderen kan blijken dat
water alleen niet toereikend is.
Gebruik in dat geval een speciale
autoshampoo.
Spoel de auto na het wassen grondig
af met lauw of koud water. Laat de
shampoo niet op de lak opdrogen.
Gebruik geen agressieve reinig-
ingsmiddelen, oplosmiddelen of
te heet water en was de auto niet
in de volle zon of wanneer de car-
rosserie warm is.
AANWIJZING
Natte remmen
Test na het wassen de remmen
van uw auto bij lage snelheid
om te controleren of de remw-
erking door binnengedrongen
water beïnvloed is. Droog de
remmen door het rempedaal bij
lage snelheid licht in te trappen
wanneer de remprestaties ver-
minderd zijn.
WAARSCHUWING
7-83
7
Onderhoud
Water in de motorruimte, inclu-
sief water onder hoge druk, kan
storingen veroorzaken in de
elektrische circuits.
Zorg ervoor dat water en andere
vloeistoffen nooit in contact
komen met elektrische/elektron-
ische componenten in de auto
omdat ze dan beschadigd kun-
nen raken.
Auto met matte lak
(indien van toepassing)
Maak geen gebruik van automati-
sche wasstraten met ronddraaien-
de borstels, aangezien deze het
oppervlak van uw auto kunnen
beschadigen. Een stoomreiniger
die het oppervlak van de auto op
hoge temperatuur wast, kan tot
gevolg hebben dat de olie zich
hecht en vlekken achterlaat die
moeilijk te verwijderen zijn.
Gebruik een zachte doek (bijv. een
microvezeldoek of spons) voor
het wassen van uw auto en droog
deze af met een microvezeldoek.
Wanneer u uw voertuig met de
hand wast, gebruik dan geen reini-
gingsmiddel met was. Maak u het
oppervlak van de auto schoon met
water voordat u de auto wast als
het oppervlak van het voertuig te
vuil is (zand, vuil, stof, verontreini-
ging, enz.).
In de was zetten
Zet de auto in de was wanneer het
water niet langer druppels op de lak
vormt. Was en droog de auto altijd
eerst voordat u hem in de was zet.
Gebruik een goede kwaliteit vaste of
vloeibare was en volg de aanwijzin-
gen van de fabrikant. Zet de sierli-
jsten in de was om deze te bescher-
men en hun glans te laten behouden.
Het verwijderen van olie, teer en
dergelijke stoffen met een vlekken-
verwijderaar verwijdert gewoonlijk
ook de was van de lak. Zet deze
delen daarom na het verwijderen van
de verontreiniging opnieuw in de was.
Als u stof of vuil met een droge
doek wegveegt, komen er kras-
sen op de lak.
Gebruik geen staalwol, schuur-
middelen of sterk alkalische of
bijtende oplosmiddelen op on-
derdelen die verchroomd zijn of
op onderdelen die vervaardigd
zijn van geanodiseerd alumini-
um. Het gebruik van deze mid-
delen kan de beschermlaag aan-
tasten waardoor verkleuring of
glansverlies kan optreden.
AANWIJZING
AANWIJZING
AANWIJZING
Auto met matte lak
(indien van toepassing)
Gebruik geen polishbeschermer
zoals een reinigings-, schuur- of
polijstmiddel. Als was wordt
gebruikt, verwijder dan de was
onmiddellijk met een siliconenver-
wijderaar en als er teer- of eerver-
ontreiniging op het oppervlak zit,
gebruik dan een teerverwijderaar
om schoon te maken. Maar oefen
niet te veel kracht uit op de lak.
Bijwerken van
lakbeschadigingen
Repareer diepe krassen en steen-
slagbeschadigingen in de lak direct.
Het blanke metaal gaat snel roesten
waardoor ingrijpendere reparatie-
kosten noodzakelijk worden.
Informatie
Wanneer uw auto beschadigd is en re-
paratie of vervanging van metalen de-
len nodig is, let er dan op dat de garage
anti-corrosiemiddel aanbrengt op de
gerepareerde of vervangen onderdelen.
Auto met matte lak
(indien van toepassing)
Bij auto's met matte lak is het
onmogelijk om alleen aan het
beschadigde deel te werken en is
reparatie van het hele onderdeel
noodzakelijk. Als de auto bescha-
digd is en lakken noodzakelijk is,
raden wij u aan de auto te laten
onderhouden en repareren door
een officiële HYUNDAI-dealer.
Wees uiterst voorzichtig, omdat
het moeilijk is de kwaliteit na repa-
ratie te herstellen.
Onderhoud van verchroomde
onderdelen
Gebruik een teerverwijderaar en
geen schraper of ander scherp
voorwerp voor het verwijderen van
teer of insecten.
Breng ter bescherming een was-
laag aan op verchroomde onder-
delen of bescherm ze met een
speciaal conserveringsmiddel.
Bescherm de verchroomde onder-
delen onder winterse omstandig-
heden of bij gebruik van de auto in
kustgebieden met een dikkere laag
was of conserveringsmiddel. U
kunt eventueel vaseline of een
ander beschermingsmiddel gebrui-
ken.
i
AANWIJZING
AANWIJZING
7-84
Onderhoud
OLMB073082
7-85
7
Onderhoud
Onderhoud van de onderzijde
Zand en pekel kunnen zich ophopen
aan de onderzijde van de car-
rosserie. Als deze middelen niet ver-
wijderd worden, kan versnelde
roestvorming optreden aan onderde-
len aan de onderzijde van de car-
rosserie zoals brandstofleidingen,
subframes, bodemplaat en uitlaat-
systeem, ook al zijn deze onderdelen
tegen corrosie beschermd.
Spoel daarom de onderzijde van de
carrosserie en de wielkuipen een-
maal per maand, na het rijden op
stoffige of modderige wegen en aan
het eind van de winter grondig
schoon met lauw of koud water.
Besteed hieraan de nodige zorg; de
opeenhopingen zijn niet altijd even
gemakkelijk te zien. Als u het vuil
alleen maar nat maakt zonder het te
verwijderen, is het effect averechts.
Houd ook de afvoeropeningen in
portieren en dorpels te allen tijde
open. Water dat in portieren en dor-
pels blijft staan, veroorzaakt
roestvorming van binnenuit.
Onderhoud van lichtmetalen of
chromen velgen
De lichtmetalen of chromen velgen
zijn voorzien van een transparante
beschermende laklaag.
Gebruik voor het reinigen van licht-
metalen of chromen velgen geen
schuur of polijstmiddelen, oplos-
middelen of een staalborstel. Deze
kunnen de laklaag aantasten.
Gebruik uitsluitend een zachte
zeep of een neutraal oplosmiddel
en spoel grondig na met water. Let
er ook op de velgen te reinigen
nadat u over wegen met pekel
gereden heeft. Voorkomen van
roestvorming.
Vermijd het wassen van de velgen
met behulp van de sneldraaiende
borstels in de automatische
wasserette.
Gebruik geen bijtende middelen.
Deze kunnen schade en corrosie
van de lichtmetalen of chromen
velgen veroorzaken, die zijn
voorzien van een transparante
beschermende laklaag.
Test na het wassen de remmen
van uw auto bij lage snelheid
om te controleren of de remw-
erking door binnengedrongen
water beïnvloed is. Droog de
remmen door het rempedaal bij
lage snelheid licht in te trappen
wanneer de remprestaties ver-
minderd zijn.
WAARSCHUWING
7-86
Onderhoud
Bescherming tegen roest
Bescherming van uw auto tegen
roest
Met behulp van de meest gea-
vanceerde technologie in ontwerp en
constructie om roestvorming tegen
te gaan, produceren wij auto's van
de hoogste kwaliteit. Dat is echter
niet genoeg. Om ervoor te zorgen
dat uw auto langdurig tegen roest
beschermd is, is uw medewerking
noodzakelijk.
Algemene oorzaken van corrosie
De meest algemene oorzaken van
corrosie op de auto zijn:
Het ophopen van strooizout, vuil
en modder onder de auto.
Het afspringen van lak of bescher-
mende coatings door steentjes,
gravel, kleine krasjes of deukjes
waardoor onbeschermd metaal
komt bloot te staan aan roest.
Roestgevoelige gebieden
Als u in een gebied woont waar uw
auto regelmatig wordt blootgesteld
aan factoren die roestvorming
bevorderen, is bescherming tegen
roest uitermate belangrijk. Een aan-
tal veel voorkomende oorzaken van
versnelde corrosie zijn strooizout,
stofwerende chemicaliën, zeelucht
en luchtverontreiniging.
Vocht werkt roest in de hand
Vocht creëert omstandigheden
waaronder roestvorming gemakkelijk
optreedt. Roestvorming wordt
bijvoorbeeld bevorderd door een
hoge luchtvochtigheid, met name als
de temperatuur net boven het
vriespunt ligt. Onder zulke
omstandigheden blijven agressieve
stoffen in contact met de auto omdat
het vocht langzaam verdampt.
Modder is zeer corrosief omdat het
langzaam droogt en vocht in contact
houdt met de auto. Hoewel de mod-
der droog lijkt te zijn, zit er nog
steeds vocht in dat roestvorming
bevordert.
Hoge temperaturen versnellen ook
het roesten van delen die niet goed
geventileerd waardoor het vocht niet
wordt afgevoerd. Daarom is het zeer
belangrijk uw auto schoon en vrij te
houden van modder en andere
vuilophopingen. Dit geldt niet alleen
voor zichtbare oppervlakken maar
met name ook voor de onderkant
van de auto.
7-87
7
Onderhoud
Voorkomen van roest
U kunt een bijdrage leveren aan het
voorkomen van roest door in eerste
instantie te letten op het volgende:
Houd uw auto schoon.
De beste manier om roest tegen te
gaan is uw auto schoon te houden
en vrij van agressieve stoffen.
Aandacht voor de onderkant van de
auto is zeer belangrijk.
Als u in een gebied woont waar de
kans op roestvorming groot is -
waar strooizout wordt gebruikt,
dicht bij de zee, gebied met
luchtverontreiniging, etc-, dient u
extra aandacht te besteden aan
het voorkomen van roest. Spuit de
onderkant van de auto in de winter
ten minste eenmaal per maand
schoon en reinig de onderkant aan
het einde van de winter grondig.
Besteed bij het reinigen van de
onderkant extra aandacht aan de
delen onder de spatschermen en
andere delen die zich uit het zicht
bevinden. Reinig de onderkant
grondig. Alleen bevochtigen van de
modder in plaats van deze te ver-
wijderen zal de vorming van roest
juist versnellen in plaats van
voorkomen. Hoge waterdruk en
stoom zijn zeer effectief voor het
verwijderen van opgehoopte mod-
der en andere agressieve stoffen.
Zorg er bij het reinigen van
portieren en dorpels voor dat de
afvoeropeningen openblijven zodat
het vocht er altijd uit kan. Anders
kan er zich water verzamelen het-
geen roestvorming versnelt.
Houd uw garage vochtvrij
Parkeer uw auto niet in een vochtige,
slecht geventileerde garage. Dit is de
perfecte omgeving voor roestvorm-
ing. Dit geldt met name als u uw auto
in de garage wast of in de garage
parkeert als deze nog nat is of
bedekt met sneeuw, ijs of modder.
Zelfs een verwarmde garage kan
roest bevorderen als hij niet goed
geventileerd wordt waardoor het
vocht niet goed wordt afgevoerd.
Houd lak en lijsten in goede staat
Krasjes en kleine beschadigingen
moeten zo snel mogelijk worden
bijgewerkt met een lakstift om de
kans op roestvorming te verkleinen.
Als het onderliggende metaal zicht-
baar is, laat er dan een professioneel
schadeherstelbedrijf naar kijken.
Uitwerpselen van vogels: Uitwer-
pselen van vogels bevorderen
roestvorming in hoge mate en
beschadigen gelakte oppervlakken
in een paar uur. Verwijder uitwerpse-
len van vogels daarom altijd zo snel
mogelijk.
7-88
Onderhoud
Verwaarloos het interieur niet
Vocht kan zich onder vloermatten en
vloerbedekking ophopen en daar
roest veroorzaken. Controleer dus
regelmatig of de vloer onder de mat-
ten droog is. Wees vooral voorzichtig
met het vervoer van kunstmest,
reinigingsmiddelen of chemicaliën.
Vervoer dergelijke stoffen in een
geschikte verpakking en reinig de
auto bij morsen of lekken direct en
laat hem goed drogen.
Verzorging interieur
Algemene voorzorgsmaatrege-
len interieur
Voorkom dat bijtende oplossingen
zoals parfum en cosmetische oliën in
contact komen met de dashboard-
materiaal omdat ze schade of
verkleuring kunnen veroorzaken.
Veeg deze onmiddelijk weg voor dat
ze in contact komen met de dash-
boarddelen. Raadpleeg de instruc-
ties voor het reinigen van kunststof.
Zorg ervoor dat water en andere
vloeistoffen nooit in contact
komen met elektrische/elektronis-
che componenten in de auto
omdat ze dan beschadigd kunnen
raken.
Interieurbekleding reinigen
Kunststof (indien van toepassing)
Verwijder stof en los vuil van de kun-
ststof bekleding met een plumeau of
een stofzuiger. Reinig de kunststof
oppervlakken met een vinylreiniger.
Stoffen (indien van toepassing)
Verwijder stof en los vuil van de stof-
fen bekleding met een plumeau of
een stofzuiger. Reinig met een zachte
zeepoplossing die geschikt is voor
bekleding of vloerbedekking. Verwij-
der nieuwe vlekken onmiddellijk met
een vlekkenverwijderaar. Wanneer
nieuwe vlekken niet direct verwijderd
worden, kunnen er permanente vlek-
ken of verkleuringen in de bekleding
achterblijven. Daar-naast kunnen de
brandwerende eigenschappen ver-
minderen wanneer de bekleding niet
op de juiste wijze wordt.
Het gebruik van andere dan de
voorgeschreven reinigings midde-
len en procedures kan het uiterlijk
van de stof aantasten en de
brandwerende eigenschappen ver-
minderen.
AANWIJZING
AANWIJZING
7-89
7
Onderhoud
Leder (indien van toepassing)
Kenmerken van leder
- Leder wordt vervaardigd van de
opperhuid van een dier, die via
een speciaal proces geschikt
voor gebruik gemaakt wordt.
Omdat het natuurlijk materiaal is,
zijn de dikte en dichtheid van elk
deel verschillend.
Plooien kunnen zichtbaar wor-
den als natuurlijk gevolg van rek-
ken en krimpen onder invloed
van de temperatuur en de voch-
tigheid.
- De stoel is bekleed met rekbare
stof om het comfort te verhogen.
- De delen die in contact komen
met het lichaam zijn gewelfd en
de grote zijwangen bieden veel
comfort en stabiliteit tijdens het
rijden.
- Door het gebruik kunnen plooien
ontstaan. Dit is geen defect van
het product.
Verzorgen van lederen stoelbekle-
ding
- Reinig de stoel regelmatig met
een stofzuiger om stof en zand
van de stoel te verwijderen.
Hiermee voorkomt u slijtage of
beschadiging van het leder en
blijft de kwaliteit behouden.
- Veeg de natuurlederen stoelbe-
kleding regelmatig af met een
droge, zachte doek.
- Het gebruik van geschikte leder-
beschermingsmiddelen kan slij-
tage van de bekleding voorko-
men en zorgt voor kleurbehoud.
Lees de instructies en raadpleeg
een specialist voor het gebruik
van ledercoatings of bescher-
mende vloeistoffen.
- Lichtgekleurd (beige, crème)
leder wordt snel vuil en vlekken
vallen erg op. Reinig de stoelen
regelmatig.
- Gebruik geen natte doek.
Hierdoor kunnen barstjes in het
oppervlak ontstaan.
- Reinigen van lederen bekleding.
Plooien of slijtplekken die dui-
delijk het gevolg zijn van het
gebruik worden niet gedekt
door de garantie.
Riemen met metalen accessoi-
res, ritssluitingen of sleutels in
de achterzak kunnen de stoel-
bekleding beschadigen.
Zorg ervoor dat de stoel niet
nat wordt. Dat kan de eigen-
schappen van natuurleder
veranderen.
Spijkerbroeken of kleding met
bleekmiddelen kunnen het
oppervlak van de stoelbekle-
ding verontreinigen.
OPMERKING
7-90
Onderhoud
- Verwijder alle verontreinigingen
direct. Zie onderstaande aanwij-
zingen voor het verwijderen van
elke soort verontreiniging.
- Cosmetische producten (zonne-
brandcrème, foundation, enz.)
- Breng reinigingscrème aan op
een doek en veeg de verontreini-
ging weg. Verwijder de crème
met een natte doek en verwijder
het water met een droge doek.
- Dranken (koffie, frisdrank, enz.)
Breng een klein beetje neutraal
reinigingsmiddel aan en veeg de
verontreiniging weg.
- Oile
- Verwijder olie direct met een
absorberende doek en veeg de
vlek weg met een vlekverwijde-
raar die speciaal geschikt is voor
natuurleder.
- Kauwgum
Bevries de kauwgum met ijs en
verwijder de kauwgum beetje bij
beetje.
Veiligheidsgordels reinigen
Reinig de gordels met een zachte
zeepoplossing die speciaal geschikt
is voor het reinigen van bekleding en
tapijt. Volg de aanwijzingen op het
etiket van het reinigingsmiddel.
Bleek of verf de gordels nooit omdat
dit een negatieve invloed op de
sterkte van de gordel kan hebben.
Binnenzijde ruiten reinigen
Als de ruiten aan de binnenzijde snel
beslagen raken (vette aanslag),
moeten ze gereinigd worden met
een speciale glasreiniger. Volg de
aanwijzingen op het etiket van de
glasreiniger.
Ga niet met scherpe voorwerpen
over de binnenzijde van de achter-
ruit. Hierdoor kunnen de draden
van de achterruitverwarming
beschadigd raken
AANWIJZING
7-91
7
Onderhoud
EMISSIEREGELSYSTEEM
Op het emissieregelsysteem van uw
auto is een aangepaste garantie-
regeling van toepassing. Raadpleeg
de garantieinformatie in het onder-
houdsboekje voor meer informatie.
Uw auto is uitgerust met een emis-
sieregelsysteem om aan alle emis-
sienorm te voldoen.
Er zijn drie emissieregelsystemen,
namelijk:
(1) Carterventilatiesysteem
(2) Brandstofdampafzuigsysteem
(3) Emissieregelsysteem
Om de goede werking van de
emissieregelsystemen te garan-
deren, is het aan te raden uw auto
door een officiële HYUNDAI-dealer
te laten controleren en onderhouden
volgens het onderhoudsschema in
dit boekje.
Opmerking bij controle en onder-
houd (Met Elektronische Stabili-
teitsregeling (ESC) systeem)
Om overslaan van de motor tij-
dens het testen op een rollen-
bank te voorkomen, moet het
ESC-systeem worden uit-
geschakeld door de ESC-
schakelaar in te drukken.
Schakel na de rollenbanktest het
ESC-systeem weer in door nog-
maals op de ESC-schakelaar te
drukken.
1. Carterventilatiesysteem
Het carterventilatiesysteem voor-
komt dat lekgassen uit het carter in
de atmosfeer terechtkomen. Bij dit
systeem wordt schone, gefilterde
lucht via de luchtinlaatslang naar het
carter gevoerd. In het carter wordt de
lucht vermengd met de lekgassen en
vervolgens via de PCV-klep naar het
luchtinlaatsysteem gevoerd.
2. Brandstofdampafzuig-
systeem
Het brandstofdampafzuigsysteem is
ontworpen om te voorkomen dat
brandstofdampen in de atmosfeer
terechtkomen.
Reservoir
De brandstofdampen die vrijkomen
in de brandstoftank worden geab-
sorbeerd en opgeslagen in een
reservoir. Als de motor draait worden
de opgeslagen brandstofdampen via
de magneetklep dampafvoer naar
het inlaatsysteem gevoerd.
Magneetklep dampafvoer (PCSV
- Purge Control Solenoid valve)
De magneetklep dampafvoer wordt
aangestuurd door de motor-ECU; als
de koelvloeistoftemperatuur laag is
bij stationair draaien, is de PCSV
gesloten en wordt de verdampte
brandstof niet naar de motor toe-
gevoerd. Als de motor op bedrijf-
stemperatuur is, wordt tijdens nor-
maal rijden de verdampte brandstof
via de geopende PCSV naar de
motor gevoerd.
7-92
Onderhoud
3. Emissieregelsysteem
Het emissieregelsysteem is een
uiterst effectief systeem dat de uit-
stoot van schadelijke stoffen tot een
minimum beperkt zonder dat dit ten
koste gaat van de prestaties.
Aanpassingen aan de auto
Er mogen geen aanpassingen aan
deze auto worden gedaan. Door
aanpassingen kunnen de prestaties,
de veiligheid of de levensduur van
uw auto beïnvloed worden. Aan-
passingen kunnen zelfs in strijd zijn
met overheidsbepalingen en milieu-
voorschriften.
Daarnaast kunnen schade of proble-
men met de prestaties als gevolg
van aanpassingen mogelijk niet
onder de garantie vallen.
Voorzorgsmaatregelen met
betrekking tot uitlaatgassen
(koolmonoxide)
Koolmonoxide kan samen met
andere uitlaatgassen aanwezig
zijn. Laat het uitlaatsysteem van
uw auto direct controleren en indi-
en nodig repareren indien u in het
interieur uitlaatgas ruikt. Rijd niet
met de auto als u in het interieur
uitlaatgassen ruikt, maar als het
niet anders kan, rijd dan met alle
ruiten volledig geopend. Laat uw
auto onmiddellijk controleren en
repareren.
Laat de motor in een afgesloten
ruimte (bijvoorbeeld een garage)
niet langer draaien dan nodig is om
de auto naar binnen of naar buiten
te rijden.
Stel het ventilatiesysteem zo af dat
er verse buitenlucht naar het
interieur gevoerd wordt als de auto
in een open ruimte stilstaat terwijl
de motor wat langer moet blijven
draaien.
Blijf nooit met draaiende motor
gedurende langere tijd in een stil-
staande auto zitten.
Als de motor afslaat of niet wil
aanslaan en er teveel startpogin-
gen ondernomen worden, kan het
emissieregelsysteem beschadigd
raken.
Uitlaatgas
Motor uitlaatgassen bevatten
koolmonoxide (CO). Hoewel
kleur- en geurloos, is het ge-
vaarlijk en kan het dodelijk zijn
bij inademing. Neem de vol-
gende aanwijzingen in acht ter
voorkoming van koolmonoxide-
vergiftiging.
WAARSCHUWING
7-93
7
Onderhoud
Voorzorgsmaatregelen
katalysator
(indien van toepassing)
Uw auto is uitgerust met een ka-
talysator ten behoeve van de emis-
sieregeling.
Daarom moeten de volgende voor-
zorgsmaatregelen in acht worden
genomen:
Gebruik bij een benzinemotor uit-
sluitend LOODVRIJE BENZINE.
Doe geen dingen die slecht zijn
voor de motor. Voorbeelden hier-
van zijn: de auto in de versnelling
laten uitrollen terwijl het contact in
stand LOCK staat en een helling af
rijden met het contact in stand
LOCK.
Laat de motor niet langdurig (5
minuten of langer) met een hoog
stationair toerental draaien.
Voer zelf geen aanpassingen of
wijzigingen uit aan de motor of het
emissieregelsysteem. We advis-
eren u het systeem te laten con-
troleren door een officiële HYUN-
DAI-dealer.
Voorkom rijden met een extreem
laag brandstofniveau. Dit kan ve-
roorzaken dat de motor te weinig
brandstof krijgt en overslaat wat
leidt tot extra belasting van de
katalysator.
Wanneer bovenstaande voorzorgs-
maat regelen niet in acht worden
genomen, kan schade aan de ka-
talysator en aan uw auto ontstaan.
Bovendien kan hierdoor de garantie
vervallen.
Brand
Een heet uitlaatsysteem kan
brandbare materialen in brand
doen vliegen. Do not park the
vehicle over or near flammable
objects, such as grass, vegeta-
tion, paper, leaves, etc.
WAARSCHUWING
7-94
Onderhoud
Benzineroetfilter (GPF)
(indien van toepassing)
Het benzineroetfiltersysteem verwij-
dert roet uit de uitlaatgassen.
In tegenstelling tot een verwisselbaar
luchtfilter verbrandt (oxideert) het
benzineroetfiltersysteem het verza-
melde roet automatisch tijdens het
rijden, afhankelijk van de rijomstan-
digheden. Met andere woorden, het
verzamelde roet wordt door het
motormanagementsysteem en de
hoge uitlaatgastemperatuur bij nor-
male en hogere snelheden automa-
tisch verwijderd.
Als de auto echter gedurende lange-
re tijd herhaaldelijk korte afstanden
of met lage snelheid rijdt, is het
mogelijk dat het roet niet automa-
tisch verwijderd wordt, omdat de
temperatuur van de uitlaatgassen te
laag is. In dit geval kan de opgesla-
gen roet een bepaalde hoeveelheid
bereiken, ongeacht het roet regene-
ratieproces, waarna de GPF-lamp
zal oplichten.
Het benzineroetfilterlampje dooft als
de rijsnelheid hoger wordt dan 80
km/h of als het motortoerental tussen
de 1.500 en 4.000 omw/min ligt, rij-
dend in de 2e versnelling of in een
hogere versnelling gedurende onge-
veer 30 minuten. Wanneer de GPF-
lamp begint te knipperen of het waar-
schuwingsbericht ''controleer uitlaat-
systeem'' wordt weergegeven nadat
het voertuig werd gereden zoals
hierboven vermeld, raden wij u aan
dat u het GPF-systeem laat controle-
ren door een erkende HYUNDAI-
dealer.
Als de GPF-lamp langere tijd knip-
pert, kan dit het GPF-systeem
beschadigen en het brandstofver-
bruik verhogen.
Benzine (indien uitgerust met
een benzineroetfilter)
Het is raadzaam om alleen ben-
zine te gebruiken die geschikt is
voor voertuigen met een benzi-
neroetfilter als uw auto voor-
zien is van een benzineroetfil-
tersysteem. Als u benzine geb-
ruikt met andere dan de voorge-
schreven additieven, kan er
schade ontstaan aan het benzi-
neroetfiltersysteem en kunnen
er emissieproblemen ontstaan.
OPMERKING
Specificaties & Consumenteninformatie
8
Afmetingen.................................................................8-2
Motor..........................................................................8-2
Wattage gloeilampen.................................................8-3
Banden en velgen.......................................................8-4
Belastingsindex en snelheidsindex banden.............8-5
Maximaal toelaatbaar totaalgewicht.......................8-5
Inhoud bagageruimte................................................8-6
Airconditioning..........................................................8-6
Aanbevolen smeermiddelen en hoeveelheden ........8-7
Aanbevolen motorolie.....................................................8-8
Aanbevolen SAE-viscositeitsindex.................................8-9
Voertuig-identificatienummer (VIN).....................8-10
Voertuigcertificatielabel..........................................8-10
Bandenspanningslabel.............................................8-11
Motornummer..........................................................8-11
Label aircocompressor............................................8-11
Label e-markering...................................................8-12
Koudemiddel label ..................................................8-12
Verklaring van conformiteit...................................8-12
Brandstoflabel..........................................................8-12
8-2
Specificaties & Consumenteninformatie
AFMETINGEN
MOTOR
mm
Onderwerp 5 Deurs 3 Deurs Cross
Totale lengte 4,035 4,045 4,065
Totale breedte 1,734 1,730 1,760
Totale hoogte 1,474 1,449 1,529
Spoorbreedte vóór 1,520/1,514 1,520/1,514/1,515 1,517/1,511/1,512
Spoorbreedte achter 1,519/1,513 1,519/1,513/1,513 1,519/1,513/1,513
Wielbasis 2,570 2,570 2,570
Onderwerp Benzine 1.0 Benzine 1.25 Benzine 1.4
Cilinderinhoud
cc 998 1,248 1,368
Boring x slag
mm 71 x 84 71 x 78.8 72 x 84
Ontstekingsvolgorde 1-2-3 1-3-4-2 1-3-4-2
Aantal cilinders 3 4 4
8-3
8
Specificaties & Consumenteninformatie
WATTAGE GLOEILAMPEN
* : indien van toepassing
TYPE MET
GLOEILAMP WATTAGE (W)
VOOR KOPLAMP
GROOTLICHT/DIMLICHT Type A H4LL 60/55
Type B HB3 60
STAND Type A W5W 5
Type B LED LED
RICHTINGAANWIJZER-
LAMPEN
Type A PY21W 21
Type B PY21W 21
STATISCH BUIGLICHT Type A - -
Type B H7 55
DRL Type A P21W 21
Type B LED LED
MISTLAMP VOORZIJDE H8LL 35
ACHTER
LAMP ACHTERLICHTUNIT
ACHTERLICHT/REMLICHT Type A P21/5W 21/5
Type B LED LED
ACHTERLICHT Type A PY21W 5
Type B LED LED
RICHTINGAANWIJZER-
LAMPEN
Type A PY21W 21
Type B PY21W 21
MISTACHTERLICHT* PR21W 21
ACHTERUITRIJLICHT P21W 21
KENTEKENPLAATVERLICHTING W5W 5
DERDE REMLICHT* W5W 5
INTERIEUR
LEESLAMPJE FESTOON 8
INTERIEURVERLICHTING FESTOON 8
BAGAGERUIMTEVERLICHTING* FESTOON 10
8-4
Specificaties & Consumenteninformatie
BANDEN EN WIELEN
Onderwerp Bandenmaat Velgmaat
Bandenspanning bar (psi, kPa) Aanhaalmoment
wielmoeren
kgf•m (lbf•ft, N•m)
Normale belasting Maximale belasting
Voor Achter Voor Achter
Standaardband
185/65R15 6J x 15 2.35
(34, 235)
2.15
(31, 215)
2.4
(35, 240)
2.5
(36, 250)
11~13
(79~94, 107~127)
185/65R15*
(ECO PACK) 6J x 15 2.6
(38, 260)
2.6
(38, 260)
2.6
(38, 360)
2.6
(38, 260)
185/65R15
(EUROPE PACK) 6J x 15 2.5
(36, 250)
2.3
(33, 230)
2.5
(36, 250)
2.5
(36, 250)
195/55R16 6J x 16
2.35
(34, 235)
2.6*
(38, 260)
2.15
(31, 215)
2.6*
(38, 260)
2.4
(35, 240)
2.6*
(38, 260)
2.6
(38, 260)
2.6*
(38, 260)
205/45R17 6.5J x 17 2.35
(34, 235)
2.15
(31, 215)
2.4
(35, 240)
2.6
(38, 260)
Tijdelijke band T125/80D15 3.5J x 15 4.2
(60, 420)
4.2
(60, 420)
4.2
(60, 420)
4.2
(60, 420)
* Is van toepassing op MSTA Bandenspanning.
Het is toegestaan om 20 kPa (3 psi) extra aan de standaard bandenspanning toe te voegen wanneer op korte ter-
mijn koudere temperaturen zijn vorrspelt. Banden verliezen 7 kPa (1 psi) druk voor elke 7 graden dat de tempe-
ratuur zakt.
De luchtdruk in de band zakt zodra men naar hoger gelegen gebieden boven zeeniveau. Indien u naar hoger gele-
gen gebeiden afreist pas dan de bandenspanning aan naar de voorgeschreven spanning (verhoog de banden-
spanning met +10 kPa per 1 km (+2.4 psi/1 mile).8-4
AANWIJZING
8-5
8
Specificaties & Consumenteninformatie
BELASTINGSINDEX EN SNELHEIDSINDEX BANDEN
LI : LAADINDEX
SS : SNELHEIDSCLASSIFICATIE
Onderwerp Bandenmaat Velgmaat Laadvermogen Maximale snelheid
LI kg SS km/h
Standaardband
185/65R15 6J x 15 88 560 T 190
185/65R15 6J x 15 88 560 H 210
195/55R16 6J x 16 87 545 H 210
195/55R16 6J x 16 91 615 V240
205/45R17 6.5J x 17 88 560 V240
Tijdelijke band T125/80D15 3.5J x 15 95 690 M120
MAXIMAAL TOELAATBAAR VOERTUIGGEWICHT
M/T: Handgeschakelde transmissie
A/T: Automatische transmissie
DCT: Double clutch-transmissie
Onderwerp Benzine 1.0 Benzine 1.25 Benzine 1.4
5 M/T 6 M/T 7 DCT 5 M/T 6 M/T 4 A/T
G.V.W
Kg
3 Deurs,
5 Deurs 1,600 1,640 1,650 1,580 1,600 1,620
Cross 1,610 1,650 1,650 -1,620 1,640
8-6
Specificaties & Consumenteninformatie
Min Achter de rugleuning van de achterbank tot aan de bovenzijde van de rugleuning.
Max : Achter de voorstoelen tot aan het dak.
INHOUD BAGAGERUIMTE
Onderwerp Gewicht of volume Classificatie
Koudemiddel 470 ± 25 g R-134a
R-1234yf
Compressorolie 110g PAG oile
AIRCONDITIONING
Voor meer informatie adviseren we u contact op te nemen met een officiële HYUNDAI-dealer.
Onderwerp 5 Deurs 3 Deurs Cross
TMK Tijdelijke band TMK Tijdelijke band TMK Tijdelijke band
VDA
MIN. 326 l
(11.5 cu ft)
301 l
(10.6 cu ft)
336 l
(11.9 cu ft)
311 l
(11.0 cu ft)
326 l
(11.5 cu ft)
301 l
(10.6 cu ft)
MAX. 1,042 l
(36.8 cu ft)
1,017 l
(35.9 cu ft)
1,011 l
(35.7 cu ft)
986 l
(34.8 cu ft)
1,042 l
(36.8 cu ft)
1,017 l
(35.9 cu ft)
8-7
8
Specificaties & Consumenteninformatie
AANBEVOLEN SMEERMIDDELEN EN HOEVEELHEDEN
Gebruik voor een optimale werking en een lange levensduur van motor en aandrijflijn uitsluitend smeermiddelen van
de juiste kwaliteit. Het gebruik van de juiste smeermiddelen helpt ook het motorrendement verhogen, wat een gun-
stiger brandstofverbruik oplevert.
Deze smeermiddelen en vloeistoffen worden aanbevolen voor gebruik in uw auto.
*1 : Zie de SAE-viscositeitsindex op bladzijde 8-8.
*2 : Tegenwoordig zijn er energiebesparende motoroliën beschikbaar. Naast andere extra voordelen, dragen zij bij tot een lager brandstof-
verbruik door de hoeveelheid brandstof te beperken die nodig is om wrijving in de motor te overwinnen. Vaak zijn deze verbeteringen
moeilijk waar te nemen in het dagelijks gebruik, maar op jaarbasis kunnen ze toch merkbaar kosten en energie besparen.
*3 : Als de API SM of ACEA A5 motorolie niet beschikbaar is in uw land, dan kunt u de API SL of ACEA A3 gebruiken.
*4 : Roetfilter.
Smeermiddel/vloeistof Inhoud Classificatie
Motorolie -1* 2*
(Met filter)
Benzinemotor 1.0L 3.6 l (3.80 US qt.) ACEA C2
Benzinemotor 1.25L 3.5 l (3.70 US qt.) API Laatste of ILSAC Laatste of
ACEA A5/B5
Benzinemotor 1.4L 3.5 l (3.70 US qt.)
Versnellingsbakolie
Benzinemotor 1.0 L 5 M/T 1.6 ~ 1.7 l(1.7 ~ 1.8 US qt.) API GL-4, SAE 70W
- HK SYN MTF 70W
- SPIRAX S6 GHME 70W MTF
- GS MTF HD 70W
6 M/T 1.5 ~ 1.6 l(1.6 ~ 1.7 US qt.)
Benzinemotor 1.25L 1.3 ~ 1.4 l(1.7~1.48 US qt)
Benzinemotor 1.4L 1.5 ~ 1.6 l(1.6 ~1.7 US qt.)
Double clutch-trans-
missie vloeistof Benzinemotor 1.0L 1.8~1.9 l
(1.9~2.0 US qt.)
HK SYN DCTF 70W (SK)
SPIRAX S6 GHME 70W DCTF
(H.K.SHELL)
GS DCTF HD 70W (GS CALTAX)
API GL– 4,SAE 70W
Automatische transmissievloeistof 6.8 l (7.2 US qt.) DIAMOND ATF SP-III, SK ATF SP-III
8-8
Specificaties & Consumenteninformatie
Beschikbare motorolie
Smeermiddel/vloeistof Inhoud Clasificación
Koelvloeistof
Benzinemotor 1.0L 6.4
l
(6.8 US qt.) Mengsel van antivries en water
(Op ethyleenglycolbasis voor een
aluminium radiateur)
Benzinemotor 1.25L
4.3
l
(4.4 US qt.)
Benzinemotor 1.4L 4.3
l
(4.4 US qt.)
Rem-/koppelingsvloeistof 0.7 ~ 0.8
l
(0.7 ~ 0.8 US qt.) FMVSS116 DOT-3 of DOT-4
Brandstof 50
l
(13.2 US gal.) -
Leverancier Product
Benzinemotor
Shell Helix Ultra ECT C2/C3 0W30
Helix Ultra A5/B5 0W30
8-9
8
Specificaties & Consumenteninformatie
Aanbevolen
SAE-viscositeitsindex
Zorg ervoor dat u de omgeving rond
vuldoppen, aftappluggen en de peil-
stok altijd goed reinigt alvorens het
peil te controleren of de vloeistof af
te tappen. Dit is vooral van belang in
gebieden met veel stof of zand en
als er met de auto over onverharde
wegen wordt gereden. Door het
schoonmaken wordt voorkomen dat
vuil en zand in de motor of andere
componenten binnendringt en
schade veroorzaakt.
De viscositeit (vloeibaarheid) van de
motorolie is van invloed op het brand-
stofverbruik en op de werking onder
koude weersomstandigheden(starten
en oliecirculatie). Motoroliën met een
lagere viscositeit geven een lager
brandstofverbruik en betere prestaties
onder koude weersomstandigheden,
terwijl motoroliën met een hogere vis-
cositeit echter wenselijk zijn voor een
goede smering bij warme buitentempe-
raturen. Het gebruik van oliën met een
andere dan de aanbevolen viscositeit
kan resulteren in motorschade.
AANWIJZING
*1: Voor EUROPA, AUSTRALIË, CENTRAAL & ZUID-AMERIKA, CHINA.
Voor een lager brandstofverbruik wordt aangeraden om motorolie met viscositeit SAE 5W-20 te gebruiken.
Voor INDIA, MIDDEN-OOSTEN, IRAN, LIBIË, ALGERIJE, SUDAN, MAROKKO, TUNESIË, EGYPTE.
Voor een lager brandstofverbruik wordt aangeraden om motorolie met viscositeit SAE 5W-30 te gebruiken.
Voor Kappa 1,25 / 1,4 MPI
*2: Het wordt aangeraden om motorolie met viscositeit SAE 0W-30 te gebruiken.
Voor Kappa 1.0 T-GDI
Als deze motorolie echter niet in uw land verkrijgbaar is, kies dan een geschikte motorolie aan de hand van
de viscositeitstabel.
Het wordt niet aangeraden om motorolie met viscositeit SAE 5W-30 te gebruiken voor 1.0L T-GDI motor.
Houd bij de keuze van een olie rekening met de te verwachten buitentempe-
raturen tot aan de volgende olieverversing. Kies dan aan de hand van de
tabel de aanbevolen olieviscositeit.
TemperatuurbereikSAE-viscositeitsindex
Temperatuur
Benzinemotorolie
(Voor Kappa
1.25/1.4 MPI))
°C
(°F)
-30 -20 -10 0 10 20 30 40 50
-10 0 20 40 60 80 100 120
0W-20, 0W-30, 5W-20, 5W-30
Benzinemotorolie
(Voor Kappa
1.0 T-GDI))
20W-50
10W-30
15W-40
0W-30, 5W-20, 5W-30
8-10
Specificaties & Consumenteninformatie
BANDENSPANNINGSLABEL (VIN)
Het voertuig-identificatienummer
(VIN) is het nummer dat gebruikt
wordt bij de registratie van uw auto
en bij alle zaken die te maken heb-
ben met eigendom, enz.
Het nummer is ingeslagen in de vloer
onder de voorpassagiersstoel.
Het VIN staat ook op een plaatje dat
is bevestigd aan de bovenzijde van
het dashboard. Het nummer op dit
plaatje kunt u van buitenaf goed zien
door de voorruit.
Op het voertuigcertificatielabel op de
middenstijl aan bestuurderszijde (of
voorpassagierszijde) staat het identi-
ficatienummer (VIN).
VOERTUIGCERTIFICATIEL-
ABEL
OIB074054
OIB074059
OIB084003
8-11
8
Specificaties & Consumenteninformatie
De banden waarmee uw nieuwe
auto is uitgerust zijn zorgvuldig ge-
selecteerd voor de beste prestaties
onder normale rijomstandigheden.
Op het bandenspanningslabel op de
middenstijl aan bestuurderszijde
staan de bandenspanningen voor de
verschillende gebruiksomstandighe-
den.
Het motornummer is in het motorblok
ingeslagen op de plaats die in de
afbeelding is aangegeven. Een label voor de aircocompressor
geeft u informatie over het type com-
pressor waarmee uw auto is uitge-
rust, zoals model, onderdeelnummer
leverancier, productienummer, kou-
demiddel (1) en smeermiddel (2).
BANDENSPANNINGSLABEL LABEL
AIRCOCOMPRESSOR
MOTORNUMMER
OIB074055/Q OIB084001
nBenzinemotor
OHC081001
8-12
Specificaties & Consumenteninformatie
Een e-markering bevindt zich op de
middenstijl aan de zijde van de
bestuurder. Het label certificeert dat
uw wagen voldoet aan de ECE
Veiligheids-/milieureglementering.
Het bevat de volgende informatie:
Landcode
Regulatienummer
Nummer amendement regulering
Goedkeuringsnummer
Het koudemiddellabel is geplaatst
voor in het de motorruimte.
De componenten van het voertuig die
werken met een radio frequentie vol-
doen aan de eisen en andere relevan-
te bepalingen van richtlijn 1995/5/EG.
Nadere informatie, inclusief de verkla-
ring van de fabrikant over de conformi-
teit is beschikbaar op de volgende
HYUNDAI website;
http://service.hyundai-motor.com
Benzinemotor
Gebruik loodvrije benzine die voldoet
aan de specificaties zoals vermeld
op het brandstoflabel op tankdop-
klep.
A. Octaangetal van loodvrije benzine
1) RON/ROZ: Research Octane
Number
2) (R+M)/2, AKI: Anti Knock Index
B. Identificatie benzinesoorten
Dit symbool staat voor bruikba-
re brandstof.
Gebruik geen andere brandstof.
C. Zie het instructieboekje voor meer
details.
LABEL E-MARKERING
(Indien Van Toepassing)
VERKLARING VAN
CONFORMITEIT
KOUDEMIDDEL LABEL
OGB088001
OGB084002
CE0678
nVoorbeeld
BRANDSTOFLABEL
(Indien Van Toepassing)
OTM048455L
I
Index
I
I-2
Aanbevolen smeermiddelen en hoeveelheden ...............8-7
Aanbevolen SAE-viscositeitsindex .............................8-9
Beschikbare motorolie .................................................8-8
Aanvullend veiligheidssysteem (SRS) .........................2-43
Aanvullende voorzorgsmaatregelen met betrekking
tot de veiligheid......................................................2-61
Waarschuwingslabel airbags ....................................2-62
Werking van airbagsysteem.......................................2-48
ON/OFF-schakelaar airbag voorpassagier.................2-53
Onderhoud aan aanvullend veiligheidssysteem.........2-60
Wat kunt u verwachten als een airbag
opgeblazen wordt ...................................................2-52
Waar zijn de airbags geplaatst? .................................2-45
Waarom werd de airbag bij een aanrijding
niet opgeblazen? .....................................................2-55
Accu..............................................................................7-35
Optimale werking van de accu ..................................7-35
Accucapaciteitsticker ................................................7-37
Accu opladen .............................................................7-38
Te resetten onderdelen...............................................7-38
Achterklep ...................................................................3-19
Sluiten van de achterklep...........................................3-19
Open van de achterklep .............................................3-19
Afmetingen .....................................................................8-2
Airconditioning...............................................................8-6
Als de motor niet gestart kan worden ............................6-4
Als de motor niet of langzaam ronddraait...................6-4
Als de motor normaal ronddraait maar niet aanslaat ..6-4
Als de motor oververhit raakt.........................................6-7
Antidiefstalsysteem .....................................................3-17
AUDIO (Zonder Touchscreen) .............................4-9, 4-42
Het leren kennen van de basishandelingen ......4-17, 4-48
Systeemindeling - bedieningspaneel ..................4-9, 4-42
Systeemindeling - Audiobediening
op stuurwiel...................................................4-13, 4-44
Het display in- of uitschakelen.........................4-16, 4-47
Het systeem in- of uitschakelen .......................4-16, 4-47
Audiosysteem specificaties .................................4-40, 4-72
Bluetooth ..........................................................4-41, 4-73
USB ..................................................................4-40, 4-72
Automatische transmissie .............................................5-24
Bediening automatische transmissie..........................5-24
Goed rijgedrag ...........................................................5-29
Parkeren .....................................................................5-29
Automatische transmissievloeistof ...............................7-24
Transmissievloeistofniveau controleren ....................7-24
Automatische- transmissievloeistof vervangen .........7-25
Index
A
I-3
Banden en wielen ..................................................7-39, 8-4
Bandenspanning controleren .....................................7-41
Band met een kleine hoogte-/breedteverhouding ......7-39
Aanbevolen bandenspanning (koude banden)...........7-39
Verzorging van de banden.........................................7-39
Onderhoud van banden..............................................7-45
Banden vervangen .....................................................7-43
Wielen verwisselen....................................................7-42
Informatie op de wang van de band ..........................7-45
Grip ............................................................................7-45
Wielen uitlijnen en balanceren ..................................7-43
Velgen vervangen ......................................................7-44
Bandenspanningslabel ..................................................8-11
Belangrijkste voorzorgsmaatregelen met betrekking
tot de veiligheid ..............................................................2-2
Airbag gevaren.............................................................2-2
Draag ALTIJD uw veiligheidsgordel ..........................2-2
Beheers uw snelheid ....................................................2-3
Afleiding van de bestuurder ........................................2-2
Houd uw auto in een veilige toestand .........................2-3
Gesp ook alle kinderen vast.........................................2-2
Belastingsindex en snelheidsindex banden ....................8-5
Bestuurder hulpsysteem..............................................3-107
Parkeer Distance Warning-systeem (achteruit) .......3-108
Parkeer Distance Warning-systeem
(achteruit/vooruit).................................................3-111
Rear view monitor ...................................................3-107
Bluetooth .............................................................4-27, 4-58
Verbinding maken met Bluetooth-apparaten ...4-27, 4-58
Gebruik van een Bluetoothaudioapparaat ........4-30, 4-61
Gebruik van een Bluetoothtelefoon .................4-32, 4-63
Brandstoflabel...............................................................8-12
Contactslot ......................................................................5-6
Toets Engine Start/Stop .............................................5-10
Sleutel contactslot........................................................5-6
Controlesysteem lage bandenspanning (TPMS)
(Type A) .......................................................................6-25
Een wiel wisselen met TPMS....................................6-28
Waarschuwingslampje lage bandenspanning ............6-26
Controlelampje storing TPMS
(Controlesysteem Lage Bandenspanning)..............6-27
Controlesysteem lage bandenspanning (TPMS)
(Type B)........................................................................6-31
Een wiel wisselen met TPMS....................................6-34
Waarschuwingslampje positie lage
bandenspanning ......................................................6-32
Waarschuwingslampje lage bandenspanning ............6-32
Controlesysteem lage bandenspanning......................6-31
Controlelampje storing TPMS
(Controlesysteem Lage Bandenspanning)..............6-34
Cruisecontrol.................................................................5-61
Werking van de cruise control...................................5-61
I
Index
B
C
I-4
Door de eigenaar uit te voeren onderhoudswerk
zaamheden ......................................................................7-9
Schema voor door de eigenaar uit te voeren
onderhoudswerkzaamheden .....................................7-9
Double clutch-transmissie ............................................5-31
Bediening double clutch-transmissie.........................5-31
Goed rijgedrag ...........................................................5-41
LCD-display voor transmissietemperatuur
en waarschuwingsberichten....................................5-33
Parkeren .....................................................................5-41
Driver Attention Warningsysteem (DAW) ..................5-92
Resetten van het systeem...........................................5-94
Storing in het systeem ...............................................5-95
Systeeminstelling en -activering................................5-92
Systeem standby ........................................................5-94
Emissieregelsysteem.....................................................7-91
Carterventilatiesysteem..............................................7-91
Brandstofdampafzuigsysteem....................................7-91
Emissieregelsysteem..................................................7-92
Exterieur .....................................................................3-150
Roof rack .................................................................3-150
Exterieur overzicht (I) ....................................................1-2
Exterieur overzicht (II) ...................................................1-5
Forward Collision-Avoidance Assist-systeem (FCA) -
camera type...................................................................5-68
FCA sensor ................................................................5-72
FCA-waarschuwingsmelding en systeemregeling.....5-70
Beperkingen van het systeem ....................................5-75
Storing in het systeem ...............................................5-74
Systeeminstelling en -activering................................5-68
Gloeilampen..................................................................7-65
Koplampen en mistlampen voor afstellen .................7-70
Vervangen van koplampen, parkeerlichten,
richtingaanwijzerlampen en mistlampen vóór .......7-66
Derde remlicht vervangen .........................................7-78
Lamp interieurverlichting vervangen ........................7-80
Kentekenplaatverlichting vervangen .........................7-79
Lamp achterlichtunit vervangen ................................7-76
Gloeilamp richtingaanwijzer opzij vervangen...........7-76
Handelsmerken .............................................................4-74
Handgeschakelde transmissie .......................................5-20
Goed rijgedrag ...........................................................5-22
Bediening handgeschakelde transmissie ...................5-20
Index
D F
H
G
E
I-5
Inhoud bagageruimte ......................................................8-6
Instrumentenpaneel ......................................................3-46
Meters .......................................................................3-48
Bediening Instrumentenpaneel ..................................3-47
Bediening LCD-display ............................................3-48
Meldingen LCD-display ............................................3-67
Transmissie Schakelstandindicator............................3-51
Waarschuwings- en controlelampjes .........................3-53
Interieur overzicht...........................................................1-8
Interieurfilter.................................................................7-29
Filter controleren .......................................................7-29
Filter vervangen .........................................................7-29
ISG-systeem (Idle Stop & Go ......................................5-55
Storing ISG-systeem..................................................5-59
Deactiveren van accusensor.......................................5-60
Activeren van het ISG-systeem .................................5-55
Deactiveren van het ISG-systeem..............................5-59
Kinderzitjes (CRS) .......................................................2-30
Kinderen altijd op de achterbank...............................2-30
Het installeren van een Kinderbeveiligingssysteem
(CRS)......................................................................2-33
Het selecteren van een kinderzitje (CRS)..................2-31
Koelvloeistof.................................................................7-18
Koelvloeistofpeil controleren ....................................7-18
Aanbevolen koelvloeistof ..........................................7-20
Koelvloeistof verversen .............................................7-21
Label aircocompressor..................................................8-11
Label e-markering.........................................................8-12
Label koudemiddel .......................................................8-12
Lane departure warning-systeem (LDW).....................5-80
LDW-werking............................................................5-81
Waarschuwingslicht en boodschap............................5-82
Lane keeping assist-systeem (LKA) ...........................5-84
Beperkingen van het systeem ....................................5-90
Werking LKA ............................................................5-85
Wijzigen functie LKA-systeem .................................5-91
Waarschuwingslicht en boodschap............................5-89
LCD-display .................................................................3-73
Informatiemodus........................................................3-74
Bediening LCD-display ............................................3-73
LCD-modus ...............................................................3-73
I
Index
I K
L
I-6
Tripcomputer modus..................................................3-76
Modus Gebruikersinstellingen
(Instrumentenpaneel Type B).................................3-78
Lekke band (met reservewiel) ........................................6-9
Wielen verwisselen....................................................6-11
EU conformiteitsverklaring voor krik .......................6-18
Krik en gereedschap ....................................................6-9
Kriklabel ....................................................................6-17
Reservewiel verwijderen en opbergen.......................6-10
Lekke band (met TireMobilityKit)...............................6-19
Controleren van de bandenspanning .........................6-24
Onderdelen van de TireMobilityKit ..........................6-21
Afdichtingsmiddel verdelen.......................................6-23
Introductie..................................................................6-19
Aanwijzingen voor een veilig gebruik van de
Tire Mobility Kit ....................................................6-20
Gebruik van deTireMobilityKit.................................6-22
Luchtfilter .....................................................................7-28
Filter vervangen .........................................................7-28
Massa van de auto ......................................................5-113
Overbelading............................................................5-113
Maximaal toelaatbaar voertuiggewicht ..........................8-5
Mediaspeler .........................................................4-20, 4-51
De AUX-Aansluiting Gebruiken......................4-26, 4-57
Het Gebruik Van Een Ipod...............................4-23, 4-54
Using the mediaspeler ......................................4-20, 4-51
Gebruik van het USB-modus ...........................4-21, 4-52
Motor ..............................................................................8-2
Motorkap .....................................................................3-32
Sluiten van motorkap.................................................3-33
Openen van motorkap................................................3-32
Motornummer...............................................................8-11
Motorolie ......................................................................7-15
Motorolie verversen en filter vervangen ...................7-15
Motoroliepeil controleren ..........................................7-15
Motoroliepeil controleren (benzinemotor) ................7-15
Motorruimte ..........................................................1-10, 7-3
Multimediasysteem.........................................................4-3
Antenne........................................................................4-4
Audio / Video / Navigatiesysteem (AVN) ..................4-6
AUX-, USB- en iPod®-aansluiting .............................4-3
Bluetooth®Wireless Technology handsfree ................4-6
De werking van een autoradio.....................................4-7
Audioafstandsbediening...............................................4-5
Index
M
I-7
Nooduitrusting ..............................................................6-42
Brandblusser ..............................................................6-42
Eerstehulpset..............................................................6-42
Bandenspanningsmeter ..............................................6-42
Gevarendriehoek........................................................6-42
Onderhoud exterieur .....................................................7-82
Verzorging exterieur..................................................7-82
Verzorging interieur...................................................7-88
Onderhoudswerkzaamheden...........................................7-6
Voorzorgsmaatregelen met betrekking tot het
onderhoud uitgevoerd door eigenaar........................7-6
Verantwoordelijkheid van de eigenaar........................7-6
Opbergvak .................................................................3-139
Opbergvak middenconsole .....................................3-139
Dashboardkastje ......................................................3-139
Bagageruimtebox .....................................................3-140
Opbergvak voor zonnebril ......................................3-140
Overige voorzieningen ...............................................3-141
Asbak ......................................................................3-143
Afdekscherm bagageruimte .....................................3-148
Aansteker ................................................................3-142
Kledinghaak .............................................................3-146
Bekerhouder.............................................................3-143
Digitale klok ...........................................................3-141
Bevestigingspunt(en) vloermat ...............................3-147
Bagagenethouder .............................................3-14, 6 12
Volt aansluiting .......................................................3-145
Tashaak ....................................................................3-147
Smartphone dockingstation ....................................3-144
Zonneklep ................................................................3-144
USB-lader ................................................................3-146
Overzicht dashboard .......................................................1-9
Parkeerrem....................................................................7-26
Parkeerrem controleren..............................................7-26
Radio ...................................................................4-18, 4-49
De radiomodus wijzigen ..................................4-18, 4-49
Luisteren naar opgeslagen radiozenders ..........4-19, 4-50
Radiozenders opslaan.......................................4-19, 4-50
Scannen voor beschikbare radiozenders ..........4-18, 4-50
Zoeken voor radiozenders ................................4-19, 4-50
De radio inschakelen ........................................4-18, 4-49
Rem-/koppelingsvloeistof.............................................7-22
Niveau rem- en koppelingsvloeistof controleren .....7-22
Remsysteem ...............................................................5-43
Antiblokkeersysteem (ABS)......................................5-46
Remblokslijtage-indicatoren......................................5-44
Elektronische stabiliteitsregeling (ESC)....................5-48
Noodstopsignaal (ESS - Emergency stop signal) .....5-54
I
Index
N
OP
R
I-8
Goed remgedrag.........................................................5-54
Hill-Start Assist Control (HAC)................................5-53
Parkeerrem .................................................................5-44
Rembekrachtiging......................................................5-43
Trommelremmen achter.............................................5-44
Vehicle Stability Management ..................................5-52
Rijden in de winter .....................................................5-100
Sneeuw en ijs ...........................................................5-100
Voorzorgsmaatregelen voor de winter ....................5-102
Rijden met een aanhanger (Europe) ...........................5-104
Rijden met een aanhanger .......................................5-108
Als u gaat rijden met een aanhanger .......................5-105
Onderhoud bij het rijden met een aanhanger ..........5-112
Trekhaken ................................................................5-107
Rijden onder speciale rijomstandigheden.....................5-97
Vloeiend nemen van bochten ....................................5-98
Doorwaden van water................................................5-99
Rijden in de regen......................................................5-98
Rijden onder moeilijke omstandigheden ...................5-97
Op eigen kracht lostrekken van de auto ....................5-97
Rijden in het donker ..................................................5-98
Ruiten............................................................................3-21
Elektrisch bedienbare ruiten ......................................3-21
Ruitensproeiervloeistof.................................................7-26
Ruitensproeiervloeistofniveau controleren................7-26
Ruitenwisserbladen.......................................................7-31
Bladen controleren.....................................................7-31
Bladen vervangen ......................................................7-31
Ruitenwissers en ruitensproeiers ...............................3-104
Achterruitenwisser en -sproeier...............................3-106
Ruitensproeier voorruit............................................3-105
Ruitenwissers voor...................................................3-105
Schuifdak ......................................................................3-27
Sluiten van het schuif-/kanteldak ..............................3-30
Resetten van het schuif-/kanteldak............................3-30
Open-dichtschuiven van het schuif-/kanteldak..........3-28
Waarschuwing geopend schuif-/kanteldak ...............3-31
Zonnescherm..............................................................3-28
Kantelen van het schuif-/kanteldak ...........................3-29
Setup (Instellen) ..................................................4-37, 4-69
Bluetooth....................................................................4-70
Datum/Tijd .......................................................4-38, 4-69
Display..............................................................4-37, 4-69
Taal ............................................................................4-38
Phone .........................................................................4-38
Geluid ...............................................................4-37, 4-69
Systeem......................................................................4-70
Slepen ...........................................................................6-37
Slepen in een noodgeval............................................6-39
Sleepoog (voor) .........................................................6-38
Slepen.........................................................................6-37
Sloten ............................................................................3-13
Portier vergendel/ontgrendel-functies .......................3-16
Kinderslot op portierslot achter (alleen 5 portieren) .3-16
Index
S
I-9
Portiersloten van binnenuit........................................3-14
Portiersloten van buitenaf vergrendelen/
ontgrendelen ...........................................................3-13
Snelheidsbegrenzingsysteem ........................................5-66
Werking van de Snelheidsbegrenzingysteem............5-66
Spiegels ........................................................................3-41
Binnenspiegel.............................................................3-41
Buitenspiegel .............................................................3-43
Starten met een hulpaccu................................................6-5
Stoelen ............................................................................2-4
Voorstoelen..................................................................2-6
Hoofdsteunen .............................................................2-13
Achterstoelen .............................................................2-10
Voorzorgsmaatregelen .................................................2-5
Stoelverwarming........................................................2-17
Stuurwiel.......................................................................3-38
Elektrische stuurbekrachtiging (EPS)........................3-38
Stuurwielverwarming.................................................3-39
Claxon........................................................................3-40
Kantelbesturing / telescoopbesturing.........................3-39
Systeemstatus pictogrammen ..............................4-39, 4-71
Tankdopklep ................................................................3-34
Openen van de tankdopklep ......................................3-34
Sluiten van de tankdopklep .......................................3-35
Toegang tot uw auto .......................................................3-3
Startblokkeersysteem .................................................3-12
Afstandsbediening .......................................................3-3
Voorzorgsmaatregelen voor de afstandsbediening......3-5
Smart Key ....................................................................3-7
Voorzorgsmaatregelen voor de Smart Key ...............3-10
Tripcomputer ...............................................................3-83
Instrumentenpaneel Type A.......................................3-83
Instrumentenpaneel Type B.......................................3-87
Uitleg bij onderhoudsschema .......................................7-11
Veiligheidsgordels ........................................................2-19
Aanvullende voorzorgsmaatregelen met betrekking
tot de veiligheid......................................................2-27
Verzorging van de veiligheidsgordels .......................2-29
Veiligheidsgordels .....................................................2-22
Voorzorgsmaatregelen met betrekking
tot de veiligheidsgordels.........................................2-19
Waarschuwingslampje veiligheidsgordel ..................2-20
I
Index
T
V
U
I-10
Verklaring van Conformiteit...............................4-75, 8-12
CE RED voor de EU .................................................4-75
Verlichting ....................................................................3-91
Exterieurverlichting ...................................................3-91
Interieurverlichting ..................................................3-101
Verwarmings- en ventilatiesysteem ...........................3-114
Automatisch verwarmings- en ventilatiesysteem....3-124
Ontwaseming ..........................................................3-114
Verwarmings- en ventilatiesysteem, handbediend ..3-115
Voorruit ontdooien en ontwasemen ........................3-135
Voertuig-identificatienummer (VIN) ...........................8-10
Voertuigcertificatielabel ...............................................8-10
Vóór het rijden................................................................5-4
Vóór het instappen.......................................................5-4
Vóór het starten ...........................................................5-4
Waarschuwingssignalen .................................................6-2
Alarmknipperlichten ....................................................6-2
Wat te doen in een noodgeval tijdens het rijden............6-3
Als de motor afslaat op een kruispunt of splitsing......6-3
Als de motor afslaat tijdens het rijden.........................6-3
Als u tijdens het rijden een lekke band krijgt..............6-3
Wattage gloeilampen ......................................................8-3
Zekeringen ....................................................................7-51
Hoofdzekering (Multizekering) .................................7-55
Zekering-/relaiskast ...................................................7-56
Index
W
Z
574

Hulp nodig? Stel uw vraag in het forum

Spelregels

Misbruik melden

Gebruikershandleiding.com neemt misbruik van zijn services uitermate serieus. U kunt hieronder aangeven waarom deze vraag ongepast is. Wij controleren de vraag en zonodig wordt deze verwijderd.

Product:

Bijvoorbeeld antisemitische inhoud, racistische inhoud, of materiaal dat gewelddadige fysieke handelingen tot gevolg kan hebben.

Bijvoorbeeld een creditcardnummer, een persoonlijk identificatienummer, of een geheim adres. E-mailadressen en volledige namen worden niet als privégegevens beschouwd.

Spelregels forum

Om tot zinvolle vragen te komen hanteren wij de volgende spelregels:

Belangrijk! Als er een antwoord wordt gegeven op uw vraag, dan is het voor de gever van het antwoord nuttig om te weten als u er wel (of niet) mee geholpen bent! Wij vragen u dus ook te reageren op een antwoord.

Belangrijk! Antwoorden worden ook per e-mail naar abonnees gestuurd. Laat uw emailadres achter op deze site, zodat u op de hoogte blijft. U krijgt dan ook andere vragen en antwoorden te zien.

Abonneren

Abonneer u voor het ontvangen van emails voor uw Hyundai i20 GB 2020 bij:


U ontvangt een email met instructies om u voor één of beide opties in te schrijven.


Ontvang uw handleiding per email

Vul uw emailadres in en ontvang de handleiding van Hyundai i20 GB 2020 in de taal/talen: Nederlands als bijlage per email.

De handleiding is 9.82 mb groot.

 

U ontvangt de handleiding per email binnen enkele minuten. Als u geen email heeft ontvangen, dan heeft u waarschijnlijk een verkeerd emailadres ingevuld of is uw mailbox te vol. Daarnaast kan het zijn dat uw internetprovider een maximum heeft aan de grootte per email. Omdat hier een handleiding wordt meegestuurd, kan het voorkomen dat de email groter is dan toegestaan bij uw provider.

Stel vragen via chat aan uw handleiding

Stel uw vraag over deze PDF

Andere handleiding(en) van Hyundai i20 GB 2020

Hyundai i20 GB 2020 Aanvulling / aanpassing - Nederlands - 130 pagina's


Uw handleiding is per email verstuurd. Controleer uw email

Als u niet binnen een kwartier uw email met handleiding ontvangen heeft, kan het zijn dat u een verkeerd emailadres heeft ingevuld of dat uw emailprovider een maximum grootte per email heeft ingesteld die kleiner is dan de grootte van de handleiding.

Er is een email naar u verstuurd om uw inschrijving definitief te maken.

Controleer uw email en volg de aanwijzingen op om uw inschrijving definitief te maken

U heeft geen emailadres opgegeven

Als u de handleiding per email wilt ontvangen, vul dan een geldig emailadres in.

Uw vraag is op deze pagina toegevoegd

Wilt u een email ontvangen bij een antwoord en/of nieuwe vragen? Vul dan hier uw emailadres in.



Info