802528
46
Verklein
Vergroot
Pagina terug
1/553
Pagina verder
De specificaties en de beschrijvingen in dit instructieboekje
waren correct bij het ter perse gaan. HYUNDAI streeft echter
naar een voortdurende verbetering van zijn producten en
behoudt zich het recht voor op elk moment wijzigingen in de
specificaties en uitrusting aan te brengen.
Dit instructieboekje is van toepassing op alle uitvoeringen van
dit model en bevat beschrijvingen van en uitleg over opties en
de standaarduitrusting.
Het kan derhalve voorkomen dat sommige van de behandelde
onderwerpen niet van toepassing zijn op uw auto.
Houd er rekening mee dat sommige uitvoeringen zijn uitgerust
met het stuur aan de rechterkant. De uitleg en illustraties van
sommige handelingen in uitvoeringen met het stuur aan de
rechterkant zijn het spiegelbeeld van die in dit instructieboekje.
INSTRUCTIEBOEKJE
VOOR DE EIGENAAR
Bediening
Onderhoud
Technische gegevens
Inleiding
F2
Uw HYUNDAI mag op geen enkele wijze worden aangepast. Door aanpassingen
kunnen de prestaties en de veiligheid van uw HYUNDAI verslechteren en kan de
levensduur worden verkort. Daarnaast kan dit gevolgen hebben voor de garantie van
de auto. Sommige aanpassingen kunnen ook in strijd zijn met de regelgeving van het
Ministerie van Verkeer en Waterstaat en/of andere overheidsorganen in uw land.
OPMERKING: AANPASSINGEN AAN UW HYUNDAI
Uw auto is voorzien van elektronische brandstofinjectie en andere elektronische
componenten. Een onjuist geïnstalleerde/ingestelde duplex radio of mobiele telefoon
kan de werking van elektronische systemen verstoren. Houd u daarom aan de
instructies van de fabrikant van het zend-ontvangapparaat of vraag uw HYUNDAI-
dealer om advies over aanvullende maatregelen of speciale aanwijzingen als u een
dergelijk apparaat wilt installeren.
INSTALLEREN VAN DUPLEXRADIO-
OF MOBIELE TELEFOONSYSTEMEN
De auto is uitgerust met een toestel van het pan-Europese eCALL-systeem of eCALL-
systeem voor de VAE dat noodoproepen doet. Eigen of niet toegelaten interferentie in
het pan-Europese eCALL-systeem of eCALL-systeem voor de VAE, in de autosystemen
en de onderdelen ervan, de installatie van uitrusting die niet wordt aanbevolen door
de fabrikant van de auto en/of een officiële HYUNDAI-dealer kan ertoe leiden dat het
(toestel van het) pan-Europese eCALL-systeem of eCALL-systeem voor de VAE niet
goed werkt, foute oproepen maakt, en kan storingen in het toestel veroorzaken (in
auto‘s) in geval van een verkeers- en andere ongelukken als u dringende verzorging
nodig hebt.
Dat kan gevaarlijk en levensbedreigend zijn!
WAARSCHUWING! (INDIEN
VAN TOEPASSING)
F3
In dit instructieboekje vindt u informatie onder de koppen GEVAAR, WAARSCHUWING,
OPGELET en AANWIJZING.
Hiermee wordt het volgende bedoeld:
GEVAAR
GEVAAR geeft een gevaarlijke situatie aan die, indien niet vermeden, de dood of
ernstig letsel tot gevolg zal hebben.
WAARSCHUWING
WAARSCHUWING geeft een gevaarlijke situatie aan die, indien niet vermeden, de
dood of ernstig lichamelijk letsel tot gevolg kan hebben.
OPGELET
OPGELET geeft een gevaarlijke situatie aan die, indien niet vermeden, licht tot
middelzwaar letsel tot gevolg kan hebben.
AANWIJZING
AANWIJZING geeft een gevaarlijke situatie aan die, indien niet vermeden, kan leiden
tot schade aan de auto.
WAARSCHUWING M.B.T. VEILIGHEID EN SCHADE
AAN DE AUTO
1
2
3
4
5
6
7
9
I
8
Onderhoud
Index
Noodsituaties
Bestuurdershulp
Rijden met uw auto
Handige functies
Instrumentenpaneel
Veiligheidssysteem
Voertuiginformatie
Voorwoord
Inhoudsopgave
1
1.Voorwoord
Voorwoord .......................................................................................................... 1-2
Hyundai motor company .................................................................................. 1-2
Gebruik van dit instructieboekje ....................................................................... 1-3
Veiligheidsmeldingen ........................................................................................ 1-3
Vereiste brandstof .............................................................................................1-4
Benzinemotor ............................................................................................................... 1-4
Aanpassingen aan de auto ................................................................................ 1-7
Inrijprocedure ..................................................................................................... 1-7
Retourneren van gebruikte auto's .................................................................... 1-7
Voorwoord
1-2
VOORWOORD
Wij willen u gelukwensen met uw nieuwe auto en danken u voor uw vertrouwen in HYUNDAI.
Welkom bij de steeds grotere groep veeleisende mensen die HYUNDAI rijden. Wij zijn trots op
de geavanceerde technologie en hoge bouwkwaliteit van elke HYUNDAI die we bouwen.
In dit instructieboekje voor de eigenaar komt u meer te weten over de mogelijkheden en
bediening van uw nieuwe HYUNDAI. Lees het instructieboekje aandachtig door voordat u erin
gaat rijden, zodat u bekend raakt met uw nieuwe auto en er optimaal van kunt genieten.
Dit instructieboekje bevat belangrijke informatie over de veiligheid en aanwijzingen om u
bekend te maken met de bedieningsorganen en veiligheidsfuncties, zodat u de auto veilig kunt
besturen.
Dit instructieboekje bevat ook informatie over onderhoud, gericht op de gebruiksveilige
toestand van de auto. Wij bevelen aan alle service en onderhoud aan uw auto te laten uitvoeren
door een officiële HYUNDAI-dealer. HYUNDAI-dealers zijn gekwalificeerd en hebben alle nodige
middelen om service, onderhoud en andere diensten van topkwaliteit te kunnen bieden.
Dit instructieboekje moet worden gezien als een vast onderdeel van uw auto en moet in de auto
worden bewaard, zodat u het op elk moment kunt raadplegen. Het instructieboekje moet bij de
auto blijven als u deze doorverkoopt, zodat ook de volgende eigenaar de beschikking heeft over
deze belangrijke informatie over de bediening, de veiligheid en het onderhoud.
HYUNDAI MOTOR COMPANY
OPGELET
Het gebruik van brandstoffen en smeermiddelen van lage kwaliteit die niet voldoen aan de
specificaties van HYUNDAI, kan leiden tot ernstige schade aan de motor en overbrenging.
Gebruik altijd brandstoffen en smeermiddelen van hoge kwaliteit, die voldoen aan de
specificaties op pagina 2-14 in het gedeelte ‘Voertuigspecificaties’ van het instructieboekje.
Copyright 2021 HYUNDAI Motor Company. Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave
mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand of
openbaar worden gemaakt, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de HYUNDAI
Motor Company.
01
1-3
GEBRUIK VAN DIT INSTRUCTIEBOEKJE
Wij willen u helpen om optimaal rijplezier uit uw auto te halen. Dit instructieboekje biedt veel
informatie. Wij raden u ten zeerste aan het complete instructieboekje door te lezen. Om risico's
op overlijden of lichamelijk letsel te minimaliseren, is het verplicht om de WAARSCHUWINGEN
en OPMERKINGEN in het instructieboekje te lezen.
De tekst in het instructieboekje is aangevuld met illustraties om zo duidelijk mogelijk te maken
hoe u alles uit uw auto kunt halen. In het instructieboekje vindt u aanwijzingen voor handige
functies, belangrijke veiligheidsinformatie en rijtips voor allerlei omstandigheden op de weg.
De algemene indeling van het instructieboekje vindt u in de inhoudsopgave. Gebruik de index
als u op zoek bent naar specifieke informatie of onderwerpen. Hier vindt u een alfabetische lijst
van alle informatie in het instructieboekje.
Indeling: dit instructieboekje bestaat uit acht hoofdstukken en een index. Elk hoofdstuk begint
met een korte inhoudsopgave, zodat u direct kunt zien of dat hoofdstuk de gewenste informatie
bevat.
VEILIGHEIDSMELDINGEN
Uw veiligheid, en die van anderen, is belangrijk. In dit instructieboekje voor de eigenaar vindt u
veel voorzorgsmaatregelen en bedieningswijzen. Deze informatie wijst u op potentiële gevaren
die een risico kunnen vormen voor u of anderen, of die de auto kunnen beschadigen.
Veiligheidsinstructies op labels in de auto en in dit instructieboekje laten zien wat deze gevaren
zijn en wat u moet doen om risico's te vermijden of te beperken.
De waarschuwingen en aanwijzingen in dit instructieboekje zijn bedoeld voor uw veiligheid. Als
u nalaat veiligheidsgerelateerde waarschuwingen en aanwijzingen in acht te nemen, kan dit
leiden tot ernstig lichamelijk letsel of de dood.
In dit instructieboekje worden de koppen GEVAAR, WAARSCHUWING, OPMERKING,
AANWIJZING en het VEILIGHEIDSWAARSCHUWINGSSYMBOOL gebruikt.
Dit is het symbool voor veiligheidsaanwijzingen. Het wordt gebruikt om
u te waarschuwen voor mogelijke risico's op lichamelijk letsel. Neem
alle veiligheidsaanwijzingen waar dit symbool voor staat in acht om
mogelijke risico's op ernstig of dodelijk lichamelijk letsel uit te sluiten. Het
veiligheidswaarschuwingssymbool wordt afgedrukt voor de signaalwoorden GEVAAR,
WAARSCHUWING en OPMERKING.
GEVAAR
GEVAAR geeft een gevaarlijke situatie
aan die, indien niet vermeden, de dood of
ernstig letsel tot gevolg zal hebben.
WAARSCHUWING
WAARSCHUWING geeft een gevaarlijke
situatie aan die, indien niet vermeden, de
dood of ernstig lichamelijk letsel tot gevolg
kan hebben.
OPGELET
OPGELET geeft een gevaarlijke situatie
aan die, indien niet vermeden, licht tot
middelzwaar letsel tot gevolg kan hebben.
AANWIJZING
AANWIJZING geeft een gevaarlijke situatie
aan die, indien niet vermeden, kan leiden
tot schade aan de auto.
Voorwoord
1-4
Benzinemotor
Loodvrije benzine
Voor optimale prestaties, moet u loodvrije benzine te tanken met een octaangetal van
RON (Research Octane Number) 95/AKI (Anti Klop Index) van 91 of hoger.
OPGELET
Het tanken van loodvrije benzine met een octaangetal lager dan RON 95 kan leiden
tot het verlies van vermogen en kan de motor beschadigen.
Bij gebruik van LOODVRIJE BENZINE zijn de prestaties maximaal en de uitlaatgassen het
schoonst en wordt vervuiling van de bougies tegengegaan.
AANWIJZING
GEBRUIK NOOIT LOODHOUDENDE BENZINE. Door het gebruik van gelode benzine raken
de katalysator en de zuurstofsensor van het motorregelsysteem beschadigd en wordt het
emissieregelsysteem verstoord.
Ook kan er ernstige slijtage optreden van zuigerveren, kleppen enz. of kunnen hierin barsten
ontstaan, en kan uw motor een kloppend geluid maken.
Voeg nooit reinigingsadditieven voor het brandstofsysteem toe aan het brandstofsysteem.
(Overleg eerst met een officiële HYUNDAI-dealer.)
WAARSCHUWING
Vul de tank niet verder nadat het vulpistool automatisch is afgeslagen bij het tanken.
Controleer altijd of de tankdop goed is vastgedraaid, om morsen van brandstof in geval
van een aanrijding te voorkomen.
VEREISTE BRANDSTOF
01
1-5
Loodhoudende benzine (indien van toepassing)
Bepaalde landenversies van het model van uw auto zijn ontworpen om op gelode benzine te
rijden. Overleg eerst met een officiële HYUNDAI-dealer voordat u gelode benzine in uw auto
gebruikt.
Het octaangetal van gelode benzine is hetzelfde als dat van ongelode benzine.
Benzine die alcohol en methanol bevat
In sommige landen is naast benzine ook ethanolbrandstof verkrijgbaar. Dit is een mengsel van
benzine en ethanol of methanol.
Gebruik geen ethanolbrandstof met meer dan 10 % ethanol en gebruik geen benzine
of ethanolbrandstof die methanol bevat. Door het gebruik van deze brandstoffen
kunnen rijproblemen en schade aan het brandstofsysteem, de motorregeling en het
emissieregelsysteem ontstaan.
Gebruik ethanolbrandstof niet langer wanneer er rijproblemen optreden.
Schade aan de auto of rijproblemen worden mogelijk niet gedekt door de garantie als deze zijn
veroorzaakt door:
1. benzinemengsels met meer dan 10 % ethanol;
2. Benzine of ethanolbrandstof die methanol bevat.
3. Loodhoudende benzine.
OPGELET
Gebruik nooit benzinemengsels die methanol bevatten. Zie af van het gebruik van
ethanolbrandstof die rijproblemen veroorzaakt.
Brandstofadditieven gebruiken
Het gebruik van:
- brandstofadditieven met siliconen
- MMT-additieven (met mangaan, Mn)
- brandstofadditieven met ijzerdeeltjes (ferroceen)
- andere metaalhoudende brandstofadditieven
kan een onregelmatige ontsteking, slechte acceleratie, afslaan van de motor, verstopping van
de motor, sterke klopgeluiden, schade aan de katalysator en abnormale corrosie tot gevolg
hebben, schade aan de motor veroorzaken en de algehele levensduur van de aandrijflijn
verkorten. Het controlelampje motormanagement (MIL) kan gaan branden.
AANWIJZING
Schade aan het brandstofsysteem of problemen met betrekking tot de prestaties van de auto
veroorzaakt door het gebruik van deze brandstoffen worden niet door de garantie gedekt.
Voorwoord
1-6
Gebruik van MTBE
HYUNDAI raadt u aan het gebruik van brandstoffen met een MTBE-gehalte (methyl-tert-
butylether) van hoger dan 15,0 volumeprocent. (zuurstofgehalte 2,7 massaprocent) in uw auto
te vermijden.
Brandstoffen met een MTBE-gehalte van hoger dan 15,0 volumeprocent. (2,7 gewichtsprocent
zuurstof) kan de prestaties van de auto in negatieve zin beïnvloeden en dampvorming of slecht
aanslaan veroorzaken.
OPGELET
Schade aan het brandstofsysteem van uw auto of het verhelpen van problemen met
betrekking tot de prestaties van de auto worden niet door de garantie gedekt indien ze
veroorzaakt worden door brandstof die methanol bevat of brandstof met meer dan 15,0
volumeprocent MTBE (Methyl Tertiair Butyl Ether). (zuurstofgehalte 2,7 massaprocent.)
Gebruik geen methanol
Gebruik geen brandstoffen die methanol (houtalcohol) bevatten in uw auto. Dit soort
brandstoffen kunnen de prestaties van uw auto nadelig beïnvloeden en schade veroorzaken aan
delen van het brandstofsysteem, de motorregeling en het emissieregelsysteem.
Brandstofadditieven
U moet loodvrije benzine tanken met een octaangetal (RON, Research Octane Number)
van ten minste 95 / AKI (Amerikaanse antiklopindex) van ten minste 91.
Klanten die geen benzine van hoge kwaliteit gebruiken en die motorstartproblemen of
een onregelmatig lopende motor hebben, wordt aangeraden één fles additief toe te
voegen in de brandstoftank zoals beschreven in het onderhoudsschema (zie hoofdstuk
9, ‘Normaal onderhoudsschema’). Additieven zijn verkrijgbaar bij uw officiële
HYUNDAI-dealer, die u ook kan informeren over het gebruik ervan. Niet vermengen
met andere additieven.
Rijden in het buitenland
Als u in een ander land gaat rijden met uw auto:
Zorg ervoor dat uw auto voldoet aan de in dat land geldende wettelijke voorschriften met
betrekking tot registratie en verzekering.
Informeer of de juiste brandstof verkrijgbaar is.
01
1-7
AANPASSINGEN AAN DE AUTO
Er mogen geen aanpassingen aan deze auto worden gedaan. Door aanpassingen kunnen
de prestaties, de veiligheid en de levensduur van uw auto worden beïnvloed. Aanpassingen
kunnen ook in strijd zijn met overheidsbepalingen en milieuvoorschriften.
Daarnaast kunnen schade of problemen met de prestaties als gevolg van aanpassingen
mogelijk niet onder de garantie vallen.
Als u niet-toegestane elektronische apparaten gebruikt, kan de auto zich abnormaal
gedragen, kan schade aan de bedrading ontstaan, raakt de accu mogelijk ontladen of is
er kans op brand. Gebruik voor uw eigen veiligheid geen niet-toegestane elektronische
apparaten.
INRIJPROCEDURE
U kunt echter door het opvolgen van een paar eenvoudige aanwijzingen gedurende de
eerste 1.000 km (600 mijl) de prestaties, het brandstofverbruik en de levensduur van uw auto
verbeteren.
Rijd niet met een te hoog motortoerental.
Houd tijdens het rijden het motortoerental (OPM of omwentelingen per minuut) tussen 2000
en 4000 OPM.
Rijd niet gedurende lange tijd op één snelheid, of deze nu langzaam of snel is. Om de motor
goed in te rijden, is het nodig om deze op verschillende snelheden te laten lopen.
Vermijd plotseling afremmen, behalve in noodgevallen, om de onderdelen van het
remsysteem de gelegenheid te geven op elkaar in te lopen.
Rijd gedurende de eerste 2000 (1200 mijl) km niet met aanhanger.
Het brandstofverbruik en de motorprestaties kunnen variëren afhankelijk van het voertuig,
het inrijden van het voertuig en kunnen stabiliseren na ongeveer 4000 km (6000 mijl).
Tijdens de inrijprocedure van het voertuig kan een nieuwe motor meer olie verbruiken.
Gebruik de Launch Control niet tijdens het inrijden van een auto.
RETOURNEREN VAN GEBRUIKTE AUTO'S (VOOR EUROPA)
HYUNDAI stimuleert een milieuvriendelijke afvoer van auto's aan het einde van hun levensduur
en biedt aan uw auto in te nemen in overeenstemming met de richtlijnen van de Europese Unie
(EU) voor voertuigen aan het einde van hun levensduur.
Gedetailleerde informatie vindt u op de homepage van de Nederlandse HYUNDAI-importeur.
2
2. Voertuiginformatie
Overzicht exterieur (I) ........................................................................................2-2
Overzicht exterieur (II) .......................................................................................2-3
Overzicht interieur (I) ........................................................................................ 2-4
Overzicht interieur (II) ....................................................................................... 2-6
Motorruimte ...................................................................................................... 2-8
Afmetingen ........................................................................................................ 2-9
Motorspecificaties ............................................................................................ 2-9
Wattage lamp ...................................................................................................2-10
Banden en wielen .............................................................................................2-11
Compact reservewiel ..................................................................................................2-12
Belastingsindex en snelheidsindex banden ................................................... 2-13
Airconditioningsysteem................................................................................... 2-13
Voertuiggewicht en inhoud bagageruimte .................................................... 2-13
Aanbevolen smeermiddelen en hoeveelheden ............................................. 2-14
Aanbevolen SAE-viscositeitsindex .............................................................................2-15
Voertuig-identificatienummer (VIN) ..............................................................2-16
Voertuigcertificatielabel .................................................................................. 2-16
Bandenspanningslabel .................................................................................... 2-16
Motornummer .................................................................................................. 2-17
Label aircocompressor .................................................................................... 2-17
Conformiteitsverklaring .................................................................................. 2-17
Brandstoflabel ................................................................................................. 2-18
Benzinemotor ............................................................................................................. 2-18
2-2
Voertuiginformatie
OVERZICHT EXTERIEUR (I)
Vooraanzicht
Vooraanzicht
De werkelijke vorm wijkt mogelijk af van de afbeelding.
OOSN011001L
OOSN011001L
1. Motorkap .........................................................5-31
2. Koplamp.................................................5-41,9-48
3. DRL (Dagrijverlichting) ................................. 9-48
4. Richtingaanwijzer ......................................... 9-48
5. Banden en wielen ..........................................9-25
6. Buitenspiegels................................................5-20
7. Schuif-/kanteldak .......................................... 5-27
8. Voorruitenwisserbladen ................................5-52
9. Ruiten .............................................................. 5-23
2-3
02
Achteraanzicht
Achteraanzicht
De werkelijke vorm wijkt mogelijk af van de afbeelding.
OOSN011002L
OOSN011002L
OVERZICHT EXTERIEUR (II)
1. Deur ................................................................. 5-10
2. Tankdopklep ................................................... 5-35
3. Achterlichtunit .............................................. 9-54
4. Richtingaanwijzer, mistachterlicht,
achteruitrijlicht .............................................. 9-54
5. Achterklep ......................................................5-33
6. Derde remlicht .............................................. 9-56
7. Ruitenwisserblad achter ................................9-21
8. Achteruitrijcamera
(indien van toepassing) .................................7-93
9. Antenne ......................................................... 5-90
2-4
Voertuiginformatie
1. Portiergreep binnen ....................................... 5-11
2. Inklapbare buitenspiegels ............................5-22
3. Spiegelbediening ............................................5-21
4. Schakelaar centrale vergrendeling ............... 5-11
5. Blokkeerschakelaar ruitbediening ...............5-26
6. Schakelaars ruitbediening ............................5-23
7. Koplampverstelling........................................5-45
8. Bedieningstoets dashboardverlichting .........4-5
9. Toets head-updisplay ....................................5-39
10. DBC toets ........................................................6-29
11. Hendel motorkapontgrendeling ...................5-31
12. Hendel stuurverstelling/verstelbare
stuurkolom ......................................................5-17
13. Stuurwiel ......................................................... 5-16
14. Stoel ..................................................................3-3
OVERZICHT INTERIEUR (I)
Type linkse besturing
Type linkse besturing
De werkelijke vorm wijkt mogelijk af van de afbeelding.
OOSN011003L
OOSN011003L
[A]: type A, [B]: type B
2-5
02
1. Portiergreep binnen ....................................... 5-11
2. Inklapbare buitenspiegels ............................5-22
3. Spiegelbediening ............................................5-21
4. Schakelaar centrale vergrendeling ............... 5-11
5. Blokkeerschakelaar ruitbediening ...............5-26
6. Schakelaars ruitbediening ............................5-23
7. Koplampverstelling........................................5-45
8. Bedieningstoets dashboardverlichting .........4-5
9. Toets head-updisplay ....................................5-39
10. DBC toets ........................................................6-29
11. Hendel motorkapontgrendeling ...................5-31
12. Stuurwiel ......................................................... 5-16
13. Stoel ..................................................................3-3
Type rechtse besturing
Type rechtse besturing
De werkelijke vorm wijkt mogelijk af van de afbeelding.
OOSN011003R
OOSN011003R
[A]: type A, [B]: type B
2-6
Voertuiginformatie
Type linkse besturing
Type linkse besturing
De werkelijke vorm wijkt mogelijk af van de afbeelding.
OOSN011004L
OOSN011004L
1. Instrumentenpaneel ........................................4-4
2. Claxon ............................................................. 5-18
3. Bestuurdersairbag ........................................ 3-49
4. Toets Engine Start/Stop ..................................6-5
5. Schakelaar verlichting/richtingaanwijzers . 5-41
6. Ruitenwisser/-sproeier .................................5-52
7. Infotainmentsysteem .................................. 5-90
8. Schakelaar van de alarmknipperlichten .......8-4
9. Handbediend vermissing- en
ventilatiesysteem ...........................................5-56
Automatisch verwarmings- en
ventilatiesysteem ...........................................5-65
10. Voorpassagiersairbag .................................. 3-49
11. Dashboardkastje ............................................ 5-79
12. USB-aansluiting ............................................ 5-90
13. Stopcontact ....................................................5-83
14. Hendel Double clutch-transmissie ............... 6-9
15. Toets rijmodus ................................................ 6-41
Toets tractiemodus ........................................6-53
16. Stuurwielverwarming .................................... 5-18
17. Toets Intelligent Stop & Go-systeem (ISG)
OFF ..................................................................6-32
18. Stoelverwarming/stoelventilatiesysteem ... 3-19
19. Toets ESC OFF ................................................6-22
20. Toets parkeerveiligheid ............................... 7-106
21. Toets Parking/View (Parkeren/Zicht)...........7-93
22. Bekerhouder ...................................................5-82
23. Stuurwielbediening audiosysteem/ ............ 5-91
Bluetooth® draadloze technologie handsfree
bediening ........................................................5-92
24. Toets rijbegeleiding/......................................7-53
Toets rijstrookbegeleiding/ .................. 7-29,7-89
Volgafstand .....................................................7-73
OVERZICHT INTERIEUR (II)
2-7
02
Type rechtse besturing
Type rechtse besturing
De werkelijke vorm wijkt mogelijk af van de afbeelding.
OOSN011004R
OOSN011004R
1. Instrumentenpaneel ........................................4-4
2. Claxon ............................................................. 5-18
3. Bestuurdersairbag ........................................ 3-49
4. Toets Engine Start/Stop ..................................6-5
5. Schakelaar verlichting/richtingaanwijzers . 5-41
6. Ruitenwisser/-sproeier .................................5-52
7. Infotainmentsysteem .................................. 5-90
8. Schakelaar van de alarmknipperlichten .......8-4
9. Handbediend vermissing- en
ventilatiesysteem ...........................................5-56
Automatisch verwarmings- en
ventilatiesysteem ...........................................5-65
10. Voorpassagiersairbag .................................. 3-49
11. Dashboardkastje ............................................ 5-79
12. USB-aansluiting ............................................ 5-90
13. Stopcontact ....................................................5-83
14. Hendel Double clutch-transmissie ............... 6-9
15. Toets rijmodus ................................................ 6-41
Toets tractiemodus ........................................6-53
16. Stuurwielverwarming .................................... 5-18
17. Toets Intelligent Stop & Go-systeem (ISG)
OFF ..................................................................6-32
18. Stoelverwarming/stoelventilatiesysteem ... 3-19
19. Toets ESC OFF ................................................6-22
20. Toets parkeerveiligheid ............................... 7-106
21. Toets Parking/View (Parkeren/Zicht)...........7-93
22. Bekerhouder ...................................................5-82
23. Stuurwielbediening audiosysteem/ ............ 5-91
Bluetooth® draadloze technologie handsfree
bediening ........................................................5-92
24. Toets rijbegeleiding/......................................7-53
Toets rijstrookbegeleiding/ .................. 7-29,7-89
Volgafstand .....................................................7-73
2-8
Voertuiginformatie
2.0 T-GDi
2.0 T-GDi
Linkse besturing
Linkse besturing
Rechtse besturing
Rechtse besturing
De werkelijke motorruimte in de auto kan afwijken van de afbeelding.
OOSN091011L/OOSN091011R
OOSN091011L/OOSN091011R
MOTORRUIMTE
1. Reservoir motorkoelvloeistof ........................9-12
Dop expansievat motorkoelvloeistof .......... 9-13
2. Zekeringkast ...................................................9-34
3. Accu.................................................................9-23
4. Remvloeistofreservoir ................................... 9-15
5. Luchtfilter ........................................................9-17
6. Peilstok motorolie .......................................... 9-10
7. Vuldop motorolie ........................................... 9-10
8. Ruitensproeiervloeistofreservoir ................ 9-16
02
2-9
AFMETINGEN
Onderwerpen mm (in)
Totale lengte 4215 (165,9)
Totale breedte 1800 (70,86)
Totale hoogte 1550 (61,02) / 1565 (61,61)*
1
Spoorbreedte vóór 225/45 R18 1582 (62,28)
235/40 R19 1579 (62,16)
Spoorbreedte achter 225/45 R18 1579 (62,16)
235/40 R19 1575 (62)
Wielbasis 2600 (102,36)
*1 : met roof rack
MOTORSPECIFICATIES
Motor Cilinderinhoud
cc (cu. In)
Boring x slag
mm (in.) Ontstekingsvolgorde Aantal
cilinders
2.0 T-GDi 1998 cc
(121,9 cu.in)
86,0 X 86,0 mm
(3,39 X 3,39 in.) 1-3-4-2 4. In lijn
Voertuiginformatie
2-10
WATTAGE LAMP
Lamp Gloeilamp Wattage
Voor
Koplamp
Laag (Type A) H7 55
Hoog (Type A) H7 55
Laag (Type B) Led Led
Hoog (Type B) Led Led
Richtingaanwijzer (Type A) PY21W 21
Richtingaanwijzer (Type B) Led Led
Richtingaanwijzer (buitenspiegel) Led Led
Lamp dagrijverlichting (DRL) / stadslicht Led Led
Achter
Achterlichtunit
Remlicht/
achterlicht
(Type A)
P21/5W 21/5
Achterlicht
(Type A) W5W 5 W
Remlicht/
achterlicht
(Type B)
Led Led
Richtingaanwijzer
(Type A) PY21W 21 W
Richtingaanwijzer
(Type B) Led Led
Achteruitrijlicht P21W 21
Mistlamp PR21W 21
Derde remlicht Led Led
Kentekenplaatverlichting W5W 5
Interieur
Leeslampje W10W 10
Interieurverlichting
(met schuif-/kanteldak) LICHTCLUSTER 8
Interieurverlichting
(zonder schuif-/kanteldak) LICHTCLUSTER 10
Make-upspiegelverlichting LICHTCLUSTER 5
Bagageruimteverlichting LICHTCLUSTER 10
Lampje dashboardkastje LICHTCLUSTER 5
Verlichting voetenruimte Led Led
02
2-11
BANDEN EN WIELEN
Lokaal Bandenmaat Velgmaat
Bandenspanning kPa (bar, psi)
Aanhaalmoment
wielmoeren
[kgf·m (lbf.ft,
N.m)]
Normale
belasting
Maximale
belasting
Rijden op
onverharde weg
*1
Voor Achter Voor Achter Voor Achter
Europa
225/45 R18 7,5J X 18 270
(2,7, 39)
270
(2,7, 39)
300
(3,0,
44)
300
(3,0,
44)
--
11~13
(79~94, 107~127)
235/40 R19 8.0J X 19 220
(2.2, 32)
215
(2.15,
31)
260
(2,6, 38)
260
(2,6, 38)
240
(2,4, 35)
240
(2,4, 35)
Algemeen
(uitgezonderd
EU)
235/40 R19 8.0J X 19 230
(2,3, 33)
230
(2,3, 33)
260
(2,6, 38)
260
(2,6, 38)
240
(2,4, 35)
240
(2,4, 35)
*1 : Verwijst naar de aanbevolen bandenspanning voor warme banden (status wanneer de
bandentemperatuur oploopt). Het maximumaantal passagiers is 2, zonder bagage. Breng, na het
rijden op onverharde weg, de bandenspanning terug naar de spanning die wordt aanbevolen voor
normale weg en rijomstandigheden.
Voertuiginformatie
2-12
Compact reservewiel
Bandenmaat Velgmaat
Bandenspanning kPa (bar, psi) Aanhaalmoment
wielmoeren [kgf·m
(lbf·ft, N·m)]
Voor Achter
T125/70 R18 4,0T x 18 420 (4,2; 60) 420 (4,2; 60) 11~13 (79-94, 107~127)
Als uw auto niet is uitgerust met een compact reservewiel, is de auto uitgerust met een
bandenreparatieset.
OPMERKING
Het is toegestaan de standaard bandenspanning met 20 kPa (3 psi) te verhogen wanneer
binnenkort lagere temperaturen worden verwacht. Banden verliezen gemiddeld 7 kPa (1
psi) voor iedere 7 °C (12°F) temperatuurdaling. Controleer de bandenspanning opnieuw
wanneer extremere temperatuurverschillen worden verwacht, zodat de banden op de
correcte spanning blijven.
Over het algemeen daalt de bandenspanning wanneer naar een hoger niveau boven de
zeespiegel wordt gereden. Controleer dus vooraf de bandenspanning wanneer naar een
hoger gelegen gebied wordt gereden. Verhoog zo nodig de bandenspanning naar het
correcte niveau (toename bandenspanning bij hoogteverschil: +10 kPa/1 km (+2,4 psi/1
mijl)).
De maximale bandenspanning aangegeven op de zijwang van de band niet overschrijden.
OPGELET
Vervang de banden ALTIJD door banden waarvan maat, type, merk, constructie en
loopvlakprofiel hetzelfde zijn als van de oorspronkelijk op de auto gemonteerde banden. Het
monteren van andere banden kan beschadiging van bijbehorende onderdelen of problemen
met de juiste werking daarvan veroorzaken.
02
2-13
BELASTINGSINDEX EN SNELHEIDSINDEX BANDEN (VOOR
EUROPA)
Onderwerpen Bandenmaat Velgmaat Laadvermogen Snelheidsindex
LI *1 kg SS *2 km/uur
Standaardband 225/45 R18 7,5J X 18 95 690 Y 240
235/40 R19 8.0J X 19 96 710 Y 300
Compact
reservewiel
(indien van
toepassing)
T125/70R18 4,0T x 18 99 775 M 130
*1 LI: BELASTINGSINDEX
*2 SS: SNELHEIDSINDEX
AIRCONDITIONINGSYSTEEM
Onderwerpen Gewicht van volume Classificatie
Koudemiddel R-1234yf : 450 (15,87) ± 25 (0,88)
R-134a : 500 (17,63) ± 25 (0,88)
R-1234yf (voor Europa)
R-134a (uitgezonderd
Europa)
g (oz.)
Compressorolie 120 (4,23) ± 10 (0,35) PAG
g (oz.)
Voor meer informatie adviseren we u contact op te nemen met een officiële HYUNDAI-dealer.
VOERTUIGGEWICHT EN INHOUD BAGAGERUIMTE
Onderwerpen 2.0 T-GDI
Maximaal toelaatbaar voertuiggewicht
kg (lbs.) 2010 (4431)
Inhoud bagageruimte (VDA)
(cu ft.)
MIN : 361 (12,74)
MAX : 1,143 (40,36)
Min: achter de rugleuning van de achterbank tot aan de bovenzijde van de rugleuning.
Max: achter de voorstoelen tot aan het dak.
Voertuiginformatie
2-14
Gebruik voor een optimale werking en een lange levensduur van motor en aandrijflijn
uitsluitend smeermiddelen van de juiste kwaliteit. Het gebruik van de juiste smeermiddelen
helpt ook het motorrendement te verhogen, wat een gunstiger brandstofverbruik oplevert.
Deze smeermiddelen en vloeistoffen worden aanbevolen voor gebruik in uw auto.
Smeermiddel Hoeveelheid Classificatie
Motorolie *1 *2
(aftappen en
opnieuw vullen)
Adviseert
5,2
(5,49 US qt.)
SAE 0W-30 API SN PLUS /
SP of ILSAC GF-6*4
Vloeistof voor
transmissie met
dubbele koppeling
Transmissieolie 3,3 ~ 3,4
(3,4 ~ 3,6 US qt.) GS WDCTF HD G (WDGO-1)
Bedieningsolie 2,45 ~ 2,5
(2,58 ~ 2,64 US qt.) GS WDCTF HD H (WDHO-1)
Koelvloeistof 7,4
(7,8 US qt.)
Mengsel van antivries en
gedestilleerd water
(Ethyleenglycol met koelvloeistof op
basis van fosfaat voor
koeltoestel)
Remvloeistof *3 0,7 ~ 0,8
(0,74 ~ 0,85 US qt.) DOT4
Brandstof 50
(13,21 US gal.)
Raadpleeg 'Vereiste brandstof' in het
hoofdstuk Inleiding.
*1 : Zie de aanbevolen SAE-viscositeitsindex op pagina 9.
*2 : Tegenwoordig zijn er energiebesparende motoroliën beschikbaar. Deze olie draagt bij aan een
beter brandstofverbruik door het verlagen van de inwendige wrijving van de motor, en heeft
daarnaast nog andere voordelen. Vaak zijn deze verbeteringen moeilijk waar te nemen in het
dagelijkse gebruik, maar op jaarbasis kunnen ze toch merkbaar kosten en energie besparen.
*3 : Voor de beste prestaties van de remmen en de ABS/ESC-functies, moet u originele remvloeistof
gebruiken, conform de normen. (Normen: SAE J1704 DOT-4 LV, ISO4925 CLASS-6 and FMVSS116
DOT-4)
*4 : Vereist <API nieuwste versie (of ILSAC nieuwste versie) Volledig synthetische> motorolie. Als
motorolie van een lage graad wordt gebruikt (minerale olie, incl. half-synthetische) dan moeten de
motorolie en het oliefilter vervangen worden volgens de eisen van zwaar onderhoud.
AANBEVOLEN SMEERMIDDELEN EN HOEVEELHEDEN
02
2-15
Aanbevolen SAE-viscositeitsindex
OPGELET
Reinig altijd het gebied rond een vulplug, aftapplug of peilstaaf alvorens een smeermiddel
te controleren of af te tappen. Dit is in het bijzonder van belang in stoffige of zanderige
omgevingen en wanneer het voertuig op onverharde wegen wordt gebruikt. Door het
reinigen van het gebied rond de plug of de peilstaaf wordt voorkomen dat stof en vuil in de
motor en andere systemen, die daardoor beschadigd kunnen raken, terechtkomen.
De viscositeit van de motorolie (dikte) heeft een effect op het brandstofverbruik en op de
werking van de motor bij lage temperatuur (starten van de motor en vloeibaarheid van de
motorolie). Een motorolie met een lagere viscositeit zorgt voor een beter brandstofverbruik en
voor betere prestaties bij lage temperaturen, voor voldoende smering bij warm weer is echter
motorolie met een hogere viscositeit noodzakelijk. Het gebruik van oliesoorten met een andere
dan de aanbevolen viscositeit kan resulteren in motorschade.
Houd bij de keuze van een olie rekening met de te verwachten buitentemperaturen tot aan de
volgende olieverversing.
Kies dan aan de hand van de tabel de aanbevolen olieviscositeit.
Temperatuurbereik SAE-viscositeitsindex
Temperatuur °C -30 -20 -10 0 10 20 30 40 50
(°F) -10 0 20 40 60 80 100 120
Motorolie*1
20W-5020W-50
15W-4015W-40
10W-3010W-30
0W-300W-30
*1 : Voor een zo laag mogelijk brandstofverbruik is het aan te raden om motorolie met viscositeit
SAE 0W30 API SN PLUS / SP of ILSAC GF-6 te gebruiken.
Als op de motorolie dit keurmerk van het American Petroleum Institute
(API) staat, voldoet de olie aan de eisen van het International Lubricant
Specification Advisory Committee (ILSAC). We raden aan om alleen
motorolie te gebruiken met dit API-keurmerk.
Voertuiginformatie
2-16
VOERTUIG-
IDENTIFICATIENUMMER (VIN)
Chassisnummer
Chassisnummer
OOS087001
OOS087001
Het voertuigidentificatienummer (VIN) is het
nummer dat gebruikt wordt bij de registratie
van uw auto en bij alle zaken die te maken
hebben met eigendom, enz.
Het nummer is in de vloer onder de
rechtervoorstoel ingeslagen. Open de
afdekking om het nummer te controleren.
VIN label (indien van toepassing)
VIN label (indien van toepassing)
OOS087006L
OOS087006L
Het VIN bevindt zich ook op een plaat
bevestigd bovenaan de linkerzijde van het
dashboard. Het nummer op de plaat is
eenvoudig van buitenaf door de voorruit te
zien.
VOERTUIGCERTIFICATIELABEL
OOS087002
OOS087002
Op het voertuigcertificatielabel op
de middenstijl aan bestuurderszijde
(of voorpassagierszijde) staat het
voertuigidentificatienummer (VIN).
BANDENSPANNINGSLABEL
OOS087003
OOS087003
De banden waarmee uw nieuwe auto is
uitgerust, zijn zorgvuldig geselecteerd
voor de beste prestaties onder normale
rijomstandigheden.
Op het bandenspanningslabel op de
middenstijl aan bestuurderszijde staan de
bandenspanningen voor de verschillende
gebruiksomstandigheden.
02
2-17
MOTORNUMMER
OPDEN087012
OPDEN087012
Het motornummer is in het motorblok
ingeslagen op de plaats die in de afbeelding
is aangegeven.
LABEL AIRCOCOMPRESSOR
OHC081001
OHC081001
Een label voor de aircocompressor geeft
u informatie over het type compressor
waarmee uw auto is uitgerust, zoals
model, onderdeelnummer leverancier,
productienummer, koudemiddel (1) en
smeermiddel (2).
CONFORMITEITSVERKLARING
(INDIEN VAN TOEPASSING)
CE0678
CE0678
De met radiofrequenties werkende
componenten van dit voertuig voldoen aan
de eisen en de andere relevante bepalingen
van richtlijn 1995/5/EG.
Meer informatie, waaronder de
conformiteitsverklaring van de fabrikant, kunt
u vinden op deze website van Hyundai;
http://service.hyundai-motor.com
Voertuiginformatie
2-18
BRANDSTOFLABEL (INDIEN AANWEZIG)
Benzinemotor
Het brandstoflabel zit op de tankdopklep.
OPDEN048488
OPDEN048488
A. Octaangetal van loodvrije benzine
1. RON/ROZ: research octaan nummer
2. (R+M)/2, AKI: antiklopindex
B. Identificatiecodes voor benzinesoorten
Dit symbool staat voor te gebruiken
brandstof. Gebruik geen andere
brandstof.
C. Zie voor meer informatie het hoofdstuk
'Vereiste brandstof' in de inleiding.
3
3. Veiligheidssysteem
Belangrijke veiligheidsvoorzorgsmaatregelen .................................................3-2
Doe uw veiligheidsgordel altijd om ............................................................................ 3-2
Gebruik voor alle kinderen de juiste veiligheidssystemen ........................................3-2
Gevaren airbag .............................................................................................................3-2
Afleiding van de bestuurder ........................................................................................ 3-2
Pas uw snelheid aan .....................................................................................................3-2
Houd uw auto in een veilige conditie .........................................................................3-2
Stoelen ............................................................................................................... 3-3
Veiligheidsvoorzorgsmaatregelen ..............................................................................3-5
Voorstoelen ...................................................................................................................3-6
Achterstoelen .............................................................................................................. 3-11
Hoofdsteun ................................................................................................................. 3-14
Stoelverwarming en stoelventilatiesysteem ............................................................ 3-18
Veiligheidsgordels............................................................................................ 3-21
Voorzorgsmaatregelen veiligheidsgordel ..................................................................3-21
Waarschuwingslampje veiligheidsgordel ................................................................. 3-22
Veiligheidsgordels ...................................................................................................... 3-24
Extra voorzorgsmaatregelen veiligheidsgordel .......................................................3-29
Verzorging van veiligheidsgordels .............................................................................3-31
Kinderveiligheidssystemen (CRS) .................................................................. 3-32
Ons advies:kinderen altijd achterin ..........................................................................3-32
Kiezen van een kinderzitje (CRS) ...............................................................................3-33
Plaatsen van een kinderzitje (CRS) ...........................................................................3-35
Airbag - Aanvullend veiligheidssysteem ....................................................... 3-46
Waar zitten de airbags?............................................................................................. 3-49
Hoe werkt het airbagsysteem? ..................................................................................3-52
Wat gebeurt er als een airbag geactiveerd wordt ...................................................3-55
Waarom werd de airbag bij een aanrijding niet geactiveerd? ................................3-56
Onderhoud aanvullend veiligheidssysteem ............................................................. 3-61
Aanvullende voorzorgsmaatregelen met betrekking tot de veiligheid ..................3-62
Waarschuwingslabel airbag ......................................................................................3-62
In dit hoofdstuk vindt u belangrijke informatie over hoe u uzelf en uw passagiers kunt beschermen. Het geeft
uitleg over hoe u uw stoelen en veiligheidsgordels correct gebruikt en hoe uw airbags werken. Daarnaast
wordt in dit hoofdstuk uitgelegd hoe u baby's en kinderen op de juiste manier in uw auto vervoert.
Veiligheidssysteem
3-2
In dit hoofdstuk en deze handleiding vindt u
veel veiligheidsmaatregelen en adviezen. De
veiligheidsmaatregelen in dit hoofdstuk zijn
de belangrijkste.
Doe uw veiligheidsgordel altijd om
Een veiligheidsgordel biedt de beste
bescherming bij alle soorten ongevallen.
Airbags zijn ontwikkeld als aanvulling op
veiligheidsgordels, niet om ze te vervangen.
Dus hoewel uw auto is uitgerust met airbags,
moet u er ALTIJD voor zorgen dat u en uw
passagiers uw veiligheidsgordels omdoen en
deze correct dragen.
Gebruik voor alle kinderen de
juiste veiligheidssystemen
Alle kinderen jonger dan 13 jaar moeten in de
auto op de juiste manier op de achterbank
beveiligd en niet op de voorstoel meerijden.
Baby's en kleine kinderen moeten worden
beveiligd in een geschikt kinderzitje. Grotere
kinderen moeten een stoelverhoger in
combinatie met de driepuntsgordel gebruiken
totdat ze de veiligheidsgordel correct kunnen
gebruiken zonder een stoelverhoger.
Gevaren airbag
Hoewel airbags levens kunnen redden,
kunnen ze ook ernstig of dodelijk letsel
veroorzaken aan inzittenden die er te dicht
bij zitten of die niet op de juiste manier
beveiligd zijn. Baby's, jonge kinderen en
kleine volwassenen lopen het grootste
risico om letsel op te lopen door een
opblazende airbag. Volg alle instructies en
waarschuwingen in dit instructieboekje
nauwkeurig op.
Afleiding van de bestuurder
Afleiding van de bestuurder vormt een ernstig
en potentieel dodelijk gevaar, vooral voor
onervaren bestuurders. Veiligheid moet de
eerste zorg zijn achter het stuur. Bestuurders
moeten zich bewust zijn van het brede scala
aan mogelijke afleiding, zoals slaperigheid,
reiken naar voorwerpen, eten, persoonlijke
verzorging, andere passagiers en het gebruik
van mobiele telefoons.
Bestuurders kunnen afgeleid raken wanneer
ze hun ogen en aandacht van de weg nemen
of hun handen van het stuurwiel halen om
zich te concentreren op andere activiteiten
dan autorijden. Om uw risico op afleiding en
een ongeluk te verkleinen:
Stel uw mobiele apparatuur (bijv. mp3-
speler, telefoon, navigatieapparatuur enz.)
ALLEEN in als de auto geparkeerd is of op
een veilige plaats stilstaat.
Gebruik uw mobiele apparatuur ALLEEN
indien dit wettelijk is toegestaan en als
de omstandigheden een veilig gebruik
toestaan. Verstuur NOOIT een tekstbericht
of e-mail tijdens het rijden. De meeste
landen hebben wetten die het bestuurders
verbieden om tekstberichten te versturen
tijdens het rijden. Sommige landen en
steden verbieden bestuurders ook om de
telefoon in de hand te houden tijdens het
rijden.
Laat het gebruik van een mobiel apparaat
u NOOIT afleiden tijdens het rijden. U
draagt de verantwoordelijkheid naar uw
passagiers en andere weggebruikers
om altijd veilig te rijden, zowel met uw
handen aan het stuur als met uw ogen en
aandacht op de weg.
Pas uw snelheid aan
Te hoge snelheid is een belangrijke factor
bij letselongevallen en doden. Over het
algemeen geldt dat hoe hoger de snelheid,
hoe groter het risico, maar bij lagere
snelheden kan ernstig letsel ontstaan. Rijd
nooit sneller dan veilig is voor de huidige
omstandigheden, ongeacht de toegestane
maximumsnelheid.
Houd uw auto in een veilige
conditie
Een klapband of een mechanische storing
kan zeer gevaarlijk zijn. Controleer regelmatig
de spanning en de staat van de banden en
laat al het geplande onderhoud regelmatig
uitvoeren om de kans op dergelijke
problemen te beperken.
BELANGRIJKE VEILIGHEIDSVOORZORGSMAATREGELEN
3-3
03
Stoel op voorste rij
(1) Vooruit en achteruit
(2) Rugleuningverstelling
(3) Stoelhoogte*
(4) Lendensteun (bestuurdersstoel)
(5) Stoelverwarming*/
stoelventilatiesysteem*
(6) Hoofdsteun
Achterbank
(7) Armsteun*
(8) Achterbankrugleuning neerklappen
(9) Hoofdsteun
*: Indien van toepassing
STOELEN
Linkse besturing
Linkse besturing
OOSN031101L
OOSN031101L
[A]: voorstoel, [B]: achterbank
3-4
Veiligheidssysteem
Stoel op voorste rij
(1) Vooruit en achteruit
(2) Rugleuningverstelling
(3) Stoelhoogte*
(4) Lendensteun (bestuurdersstoel)
(5) Stoelverwarming*/
stoelventilatiesysteem*
(6) Hoofdsteun
Achterbank
(7) Armsteun*
(8) Achterbankrugleuning neerklappen
(9) Hoofdsteun
*: Indien van toepassing
Rechtse besturing
Rechtse besturing
OOSN031101R
OOSN031101R
[A]: voorstoel, [B]: achterbank
03
3-5
Veiligheidsvoorzorgsmaatregelen
Het afstellen van de stoelen zodat u in een
veilige, comfortabele positie zit, speelt
een belangrijke rol bij de veiligheid van
bestuurder en passagiers, net zoveel als
veiligheidsgordels en airbags, bij een ongeval.
WAARSCHUWING
Gebruik geen kussen dat de wrijving tussen
de stoel en de passagier vermindert. De
heupen van de passagier kunnen tijdens een
ongeval of een plotselinge stop onder het
heupgedeelte van de veiligheidsgordel door
glijden.
Er kan ernstig letsel ontstaan als de
veiligheidsgordel niet correct kan werken.
Airbags
U kunt voorzorgsmaatregelen treffen
om het risico op verwondingen door een
opblazende airbag te reduceren. Als u te
dicht bij een airbag zit, neemt het risico op
letsel aanzienlijk toe als de airbag wordt
opgeblazen. Zet uw stoel zo ver mogelijk naar
achteren, waarbij u de auto nog wel onder
controle moet kunnen blijven houden.
WAARSCHUWING
Om de kans op ernstig letsel door een zich
opblazende airbag te beperken, moeten de
volgende voorzorgsmaatregelen getroffen
worden:
Verstel de bestuurdersstoel zo ver
mogelijk naar achteren maar behoud de
mogelijkheid om het voertuig veilig te
besturen.
Zet de voorpassagiersstoel zo ver
mogelijk naar achteren.
Houd het stuurwiel vast op 9 en 3 uur,
zodat de kans op letsel aan uw armen en
handen tot een minimum beperkt wordt.
Plaats NIETS OF NIEMAND tussen u en
de airbag.
Laat, om de kans op beenletsel tot een
minimum te beperken, de voorpassagier
zijn voeten of benen nooit op het
dashboard zetten.
Veiligheidssysteem
3-6
Veiligheidsgordels
Doe bij elke rit voor het wegrijden eerst
de veiligheidsgordel om. Passagiers
moeten te allen tijde rechtop zitten en de
veiligheidsgordel correct dragen. Baby's en
kleine kinderen moeten worden beveiligd in
een geschikt kinderzitje. Kinderen die uit een
stoelverhoger zijn gegroeid en volwassenen
moeten met de veiligheidsgordel worden
beveiligd.
WAARSCHUWING
Neem de volgende voorzorgsmaatregelen
bij het afstellen van de veiligheidsgordel:
Gebruik dezelfde veiligheidsgordel
NOOIT voor meer dan één inzittende.
Zet de rugleuning altijd zo veel mogelijk
rechtop en draag het heupgedeelte van
de veiligheidsgordel strak tegen het
lichaam aan en laag over de heupen.
Laat kinderen of baby's NOOIT op schoot
van een passagier meerijden.
Laat het schoudergedeelte van de
veiligheidsgordel niet langs uw nek,
langs een scherpe rand of achter uw
lichaam langs lopen.
Zorg ervoor dat de veiligheidsgordel
nergens tussen bekneld raakt.
Voorstoelen
De voorstoel kan worden versteld met
behulp van de bedieningshendel (of -knop)
of schakelaars aan de buitenzijde van de
zitting. Stel voordat u gaat rijden de stoel
in de juiste positie, zodat u het stuurwiel,
de pedalen en de bedieningselementen op
het instrumentenpaneel gemakkelijk kunt
bedienen.
WAARSCHUWING
Neem de volgende voorzorgsmaatregelen
bij het afstellen van uw stoel:
Probeer NOOIT de stoel te verstellen
terwijl de auto rijdt. De stoel kan
onverwacht bewegen en dit kan leiden
tot verlies van controle over het voertuig
met als gevolg een ongeluk.
Plaats niets onder de voorstoelen. Losse
voorwerpen in de beenruimte van de
bestuurder kunnen de bediening van de
pedalen belemmeren en een ongeval
veroorzaken.
Zorg ervoor dat de rugleuning altijd in
de normale positie kan worden gezet
en niets de juiste vergrendeling van de
rugleuning hindert.
Plaats geen sigarettenaansteker op de
bodem of stoel. Als u de stoel bedient,
kan gas uit de aansteker ontsnappen en
brand veroorzaken.
Wees uiterst voorzichtig wanneer u
kleine objecten oppakt die vastzitten
onder de stoelen of tussen de stoel en
de middenconsole. U kunt snijwonden
of letsel aan uw handen oplopen
door de scherpe randen van het
stoelmechanisme.
Als er inzittenden aanwezig zijn op de
achterstoelen, wees dan voorzichtig bij
het afstellen van de voorstoelen.
Zorg ervoor dat de stoel na de
aanpassing op zijn plaats is vergrendeld.
Zo niet, kan de stoel onverwachts
bewegen met als gevolg een ongeluk.
03
3-7
OPGELET
Om letsel te voorkomen:
Verstel uw stoel niet terwijl u uw
veiligheidsgordel draagt.
Het naar voren verplaatsen van de stoel
kan hoge druk op uw buik veroorzaken.
Zorg er tijdens het verstellen van de
stoel voor dat uw handen of vingers niet
bekneld raken in het mechanisme.
Handmatige verstelling (indien van
toepassing)
OJSN038002
OJSN038002
Verstellen in voorwaartse en achterwaartse
richting
Om de stoel naar voren of naar achteren te
bewegen:
1. Houd de hendel voor de langsverstelling
omhooggetrokken.
2. Schuif de stoel in de gewenste positie.
3. Laat de hendel los en controleer of de
stoel vergrendeld is. Verplaats naar
voren en achter zonder de hefboom te
gebruiken. Als de stoel beweegt, dan is hij
niet goed vergrendeld.
OJSN038003
OJSN038003
Rugleuningverstelling
Rugleuning achterover kantelen:
1. Leun iets naar voren en til de hendel voor
de rugleuning op.
2. Leun voorzichtig achterover en zet de
rugleuning in de gewenste positie.
3. Laat de knop los en zorg ervoor dat de
rugleuning vergrendeld is.
Veiligheidssysteem
3-8
Verstellen van de rugleuning
Zitten in een liggende positie wanneer
het voertuig in beweging is, kan
gevaarlijk zijn. Zelfs wanneer de gordel is
vastgemaakt, wordt de bescherming van uw
veiligheidssysteem (veiligheidsgordels en/
of airbags) aanzienlijk verminderd door uw
rugleuning achterover te kantelen.
WAARSCHUWING
Rijd NOOIT met een naar achteren geklapte
rugleuning.
Als de rugleuning te ver achterover staat,
neemt de kans op letsel bij een aanrijding of
een noodstop aanzienlijk toe.
Bestuurder en passagiers moeten ALTIJD
goed in hun stoel zitten, de gordel op de
juiste manier dragen en de rugleuning zo
ver mogelijk rechtop zetten.
De veiligheidsgordel moet strak over uw
heupen en borst lopen voor een maximale
effectiviteit. Als de rugleuning achterover
gekanteld is, kan de schoudergordel zijn
beschermende functie niet correct uitvoeren
omdat deze niet strak over uw borst loopt.
In plaats daarvan hangt deze voor u. Bij een
ongeval kunt u tegen de veiligheidsgordel
aan geslingerd worden, waardoor u nekletsel
of ander letsel kunt oplopen.
Hoe verder de rugleuning achterover staat,
hoe groter de kans is dat de inzittende bij een
aanrijding onder het heupgedeelte van de
gordel door schiet of dat de nek in aanraking
komt met het schoudergedeelte van de
gordel.
OJSN038004
OJSN038004
Zittinghoogte (voor bestuurdersstoel)
Om de zittinghoogte te wijzigen:
Duw de hendel een aantal maal omlaag
om de zitting lager af te stellen.
Trek de hendel een aantal maal omhoog
om de zitting hoger af te stellen.
03
3-9
Elektrische verstelling (indien van
toepassing)
WAARSCHUWING
Laat kinderen NOOIT zonder toezicht in
de auto achter. De elektrisch verstelbare
stoelen kunnen worden gebruikt als de
motor is uitgeschakeld.
AANWIJZING
Om beschadiging van de stoelen te
voorkomen:
Laat de schakelaar los zodra de stoel in
de voorste of achterste stand staat.
Verstel de stoelen niet langer dan nodig
als de motor is uitgeschakeld. Dit kan
leiden tot onnodige ontlading van de
accu.
Bedien nooit meer dan een stoel tegelijk.
Dit kan elektrische storing tot gevolg
hebben.
OOSN031005L
OOSN031005L
Verstellen in voorwaartse en achterwaartse
richting
Om de stoel naar voren of naar achteren te
bewegen:
1. Druk de bedieningsschakelaar naar voren
of achteren.
2. Laat de schakelaar los zodra de stoel in de
gewenste stand staat.
OOSN031006L
OOSN031006L
Rugleuningverstelling
Rugleuning achterover kantelen:
1. Druk de bedieningsschakelaar naar voren
of achteren.
2. Laat de schakelaar los zodra de rugleuning
in de gewenste stand staat.
Veiligheidssysteem
3-10
Verstellen van de rugleuning
Zitten in een liggende positie wanneer
het voertuig in beweging is, kan
gevaarlijk zijn. Zelfs wanneer de gordel is
vastgemaakt, wordt de bescherming van
uw veiligheidssysteem (veiligheidsgordels
en airbags) aanzienlijk verminderd door uw
rugleuning achterover te kantelen.
WAARSCHUWING
Rijd NOOIT met een naar achteren geklapte
rugleuning.
Als de rugleuning te ver achterover staat,
neemt de kans op letsel bij een aanrijding of
een noodstop aanzienlijk toe.
Bestuurder en passagiers moeten ALTIJD
goed in hun stoel zitten, de gordel op de
juiste manier dragen en de rugleuning zo
ver mogelijk rechtop zetten.
De veiligheidsgordel moet strak over uw
heupen en borst lopen voor een maximale
effectiviteit. Als de rugleuning achterover
gekanteld is, kan de schoudergordel zijn
beschermende functie niet correct uitvoeren
omdat deze niet strak over uw borst loopt.
In plaats daarvan hangt deze voor u. Bij een
ongeval kunt u tegen de veiligheidsgordel
aan geslingerd worden, waardoor u nekletsel
of ander letsel kunt oplopen.
Hoe verder de rugleuning achterover staat,
hoe groter de kans is dat de inzittende bij een
aanrijding onder het heupgedeelte van de
gordel door schiet of dat de nek in aanraking
komt met het schoudergedeelte van de
gordel.
OOSN031001L
OOSN031001L
Zitting kantelen (1, indien van toepassing)
De hoogte van de voorzijde van de zitting
veranderen:
Duw de voorzijde van de
bedieningsschakelaar omhoog of omlaag
om de voorzijde van de zitting omhoog
respectievelijk omlaag te brengen.
Laat de schakelaar los zodra de stoel in de
gewenste stand staat.
Zittinghoogte (2, indien van toepassing)
Om de zittinghoogte te wijzigen:
Beweeg het achterste deel van de
bedieningsschakelaar naar boven of naar
beneden om de zitting omhoog of omlaag te
verstellen.
Laat de schakelaar los zodra de stoel in de
gewenste stand staat.
03
3-11
OOSN031004L
OOSN031004L
Lendensteun
(bestuurdersstoel, indien van toepassing)
Om de lendensteun te verstellen:
1. Druk op de voorzijde (1) van de schakelaar
voor meer steun en op de achterzijde (2)
voor minder steun.
2. Laat de knop los zodra de gewenste stand
is bereikt.
Opbergvak in rugleuning (indien van
toepassing)
OOS037075
OOS037075
In de rugleuning van beide voorstoelen
bevindt zich een opbergvak.
OPGELET
Plaats geen zware of scherpe voorwerpen
in de opbergvakken in de rugleuning. Bij
een ongeval kunnen ze uit de opbergvakken
komen en inzittenden verwonden.
Achterstoelen
Opklappen van de achterbank
De rugleuning achter kan worden opgeklapt
om het vervoer van langere voorwerpen
mogelijk te maken of de bagageruimte te
vergroten.
WAARSCHUWING
Laat passagiers nooit op de neergeklapte
rugleuning zitten terwijl de auto rijdt.
Dit is geen goede zitpositie en er zijn
geen veiligheidsgordels beschikbaar. Dit
kan leiden tot ernstig letsel of de dood
in geval van een ongeluk of plotseling
stoppen.
Voorwerpen op de neergeklapte
rugleuning mogen niet hoger zijn dan de
bovenkant van de voorste rugleuningen.
Hierdoor kan de lading naar voren
schuiven en letsel of schade veroorzaken
bij abrupt stoppen.
OOS037019
OOS037019
Neerklappen van de rugleuning achter:
1. Zet de rugleuning zoveel mogelijk rechtop
en schuif indien nodig de voorste stoel
naar voren.
2. Laat de achterste hoofdsteunen
zakken naar de laagste stand door de
ontgrendelingsknop (1) in te drukken en
vast te houden en de hoofdsteun (2) naar
beneden te duwen.
Veiligheidssysteem
3-12
OOSN031020L
OOSN031020L
3. Breng de veiligheidsgordel naar de
buitenzijde van de achterbank voordat u
de rugleuning neerklapt. Anders kan het
gordelsysteem worden gestoord door de
rugleuning.
OOSN031021L
OOSN031021L
OOS037023
OOS037023
4. Verwijder de gordel uit de geleider (1) en trek
de rugleuningvouwhendel (2) omhoog en
klap de leuning vervolgens naar de voorkant
van het voertuig.
OOS037022
OOS037022
5. Til de rugleuning op en duw deze naar
achteren om de achterbank te gebruiken.
Duw de rugleuning stevig naar achteren tot
deze op zijn plaats vergrendelt. Controleer
of de rugleuning op zijn plaats vergrendeld is.
Voer de gordel terug door de geleider.
WAARSCHUWING
Wanneer u de rugleuning van de achterbank
van de neergeklapte naar de normale positie
terugplaatst, houdt u de rugleuning vast en
zet u deze langzaam terug. Zorg ervoor dat
de rugleuning volledig rechtop zit door op de
bovenkant van de rugleuning te drukken. Bij
een ongeval of noodstop kan de ontgrendelde
rugleuning ervoor zorgen dat de bagage
met grote kracht naar voren kan bewegen
en het interieur kan binnendringen, wat kan
resulteren in ernstig letsel of de dood.
WAARSCHUWING
Plaats geen voorwerpen op de achterstoelen
om te voorkomen dat deze bij een aanrijding
gaan schuiven en de inzittenden raken en zo
ernstig letsel veroorzaken.
WAARSCHUWING
Zorg ervoor dat de motor uitstaat, de
keuzehendel in P (parkeren) staat en dat de
parkeerrem goed is vastgezet bij het in- of
uitladen van bagage. Als u deze stappen niet
opvolgt, kan de auto zich in beweging zetten
als de selectiehendel per ongeluk in een
andere stand wordt gezet.
03
3-13
OPGELET
Beschadiging van de veiligheidsgordels
achter
Steek, wanneer u de stoel neerklapt, de
gordelsluiting in de opbergruimte tussen
de rugleuning en de zitting. Hierdoor
wordt voorkomen dat de gordelsluiting
beschadigd raakt.
OPGELET
Veiligheidsgordels achter
Zorg bij het omhoog klappen van de
rugleuning dat u de schoudergordels in
de juiste positie plaatst. Pas op dat u de
veiligheidsgordel niet beschadigt met
het vergrendelingsmechanisme voor de
rugleuning.
AANWIJZING
Wees voorzichtig bij het inladen van
bagage door de achterbank om schade
aan het interieur van het voertuig te
voorkomen.
Wanneer bagage wordt geladen voorbij
de achterbank, moet u ervoor zorgen
dat de bagage goed is vastgezet om te
voorkomen dat deze tijdens het rijden
beweegt.
WAARSCHUWING
De bagage moet altijd worden vastgezet om
te voorkomen dat deze bij een aanrijding
door de auto slingert en de inzittenden
letsel toebrengt. Plaats geen voorwerpen
op de achterstoelen om te voorkomen dat
deze bij een aanrijding gaan schuiven en
ernstig letsel veroorzaken.
Armsteun (indien van toepassing)
OOSN031024L
OOSN031024L
De armsteun bevindt zich midden op de
achterbank. Trek de armsteun omlaag door
de lus uit de rugleuning te trekken om deze
te gebruiken.
Veiligheidssysteem
3-14
Hoofdsteun
De voorstoelen en de achterbank van de
auto hebben verstelbare hoofdsteunen.
De hoofdsteunen bieden comfort voor
passagiers, maar wat nog belangrijker is, ze
zijn ontworpen om passagiers te beschermen
tegen whiplash en ander nek- en rugletsel
tijdens een ongeval, vooral bij een aanrijding
van achteren.
WAARSCHUWING
Om de kans op ernstig letsel bij een
ongeval te beperken, moeten de volgende
voorzorgsmaatregelen getroffen worden bij
het afstellen van de hoofdsteunen:
Stel de hoofdsteunen voor alle
inzittenden altijd op de juiste hoogte af
VOORDAT u wegrijdt.
Laat NOOIT iemand meerijden in een
stoel waarvan de hoofdsteun verwijderd
of omgekeerd is.
OLF034072N
OLF034072N
Stel de hoofdsteunen zo in dat het
midden van de hoofdsteun zich
op dezelfde hoogte bevindt als de
bovenkant van de ogen.
Stel de hoofdsteun van de
bestuurdersstoel NOOIT af tijdens het
rijden.
Stel de hoofdsteun zo dicht mogelijk bij
het hoofd van de inzittende in. Gebruik
geen kussen dat het lichaam weg van de
rugleuning houdt.
Controleer of de hoofdsteun goed
vergrendeld is nadat hij is afgesteld.
AANWIJZING
Sla, om beschadiging te voorkomen, NOOIT
tegen de hoofdsteun en trek er niet aan.
OPGELET
Wanneer er geen inzittenden aanwezig
zijn op de achterstoelen, zet dan de
hoofdsteunen in de laagste stand. De
hoofdsteunen van de achterbank kunnen
het zicht naar achteren beperken.
03
3-15
Hoofdsteunen voorstoelen
OOSEV038012L
OOSEV038012L
De bestuurdersstoel en de
voorpassagiersstoel zijn voorzien van een
verstelbare hoofdsteun voor de veiligheid en
het comfort.
OJSN038081
OJSN038081
Hoogte afstellen
Hoofdsteun omhoogbrengen:
1. Trek hem omhoog om hem in de
gewenste positie (1) te zetten.
De hoofdsteun lager afstellen:
1. Houd de ontgrendelknop (2) op de
hoofdsteun ingedrukt.
2. Laat de hoofdsteun in de gewenste positie
(3) zakken.
OPDEN037009
OPDEN037009
Vooruit/achteruit verstellen
(indien van toepassing)
De hoofdsteun kan in 3 standen naar voren
worden versteld door de hoofdsteun tot de
gewenste aanslag naar voren te trekken.
Trek de hoofdsteun vanuit de voorste positie
nogmaals naar voren en laat hem los om
de hoofdsteun helemaal naar achteren te
plaatsen.
Veiligheidssysteem
3-16
OLF034015
OLF034015
AANWIJZING
Wanneer u de rugleuning naar voren klapt
terwijl de hoofdsteun en zitting niet zijn
ingeklapt, raakt de hoofdsteun mogelijk
de zonneklep of andere onderdelen van de
auto.
Type A
Type A
OJSN038082
OJSN038082
Type B
Type B
OOSN031012L
OOSN031012L
Verwijderen/plaatsen
Hoofdsteun verwijderen:
1. Kantel de rugleuning (2) achterover met
behulp van de rugleuninghoekhendel of
-schakelaar (1).
2. Breng de hoofdsteun zo ver mogelijk
omhoog.
3. Druk de ontgrendelknop voor de
hoofdsteun (3) in terwijl u de hoofdsteun
naar boven (4) trekt.
WAARSCHUWING
Laat tijdens het rijden NOOIT iemand
zitten in een stoel waarvan de hoofdsteun
verwijderd is.
03
3-17
Type A
Type A
OJSN038083
OJSN038083
Type B
Type B
OOSN031100L
OOSN031100L
Plaatsen van de hoofdsteun:
1. Zet de rugleuning rechtop.
2. Stop de pennen van de hoofdsteun (2) in
de gaten terwijl u de ontgrendelknop (1)
indrukt.
3. Stel de hoofdsteun vervolgens af op de
gewenste hoogte.
4. Kantel de rugleuning (4) achterover met
behulp van de rugleuninghoekhendel of
-schakelaar (3).
WAARSCHUWING
Controleer of de hoofdsteunen goed
vergrendeld zijn nadat ze opnieuw
geplaatst zijn en of ze goed zijn afgesteld.
Hoofdsteunen achterstoelen
OOSEV038030L
OOSEV038030L
Elke achterstoel is voor de veiligheid en het
comfort van de passagier voorzien van een
hoofdsteun.
OPGELET
Stel de hoofdsteunen zo in dat het
midden van de hoofdsteun zich
op dezelfde hoogte bevindt als de
bovenkant van de ogen.
OTL035061
OTL035061
Verstel de hoofdsteun niet in de laagste
stand als er iemand op de achterzitplaats
zit.
Veiligheidssysteem
3-18
OOS037018
OOS037018
Hoogte afstellen
Hoofdsteun omhoogbrengen:
1. Trek hem omhoog om hem in de gewenste
positie (1) te zetten.
De hoofdsteun lager afstellen:
1. Houd de ontgrendelknop (2) op de
hoofdsteun ingedrukt.
2. Laat de hoofdsteun in de gewenste positie (3)
zakken.
OOSEV038029
OOSEV038029
Verwijderen/aanbrengen
Hoofdsteun verwijderen:
1. Breng de hoofdsteun zo ver mogelijk omhoog.
2. Druk de ontgrendelknop voor de hoofdsteun
(1) in terwijl u de hoofdsteun naar boven (2)
trekt.
Plaatsen van de hoofdsteun:
1. Stop de pennen van de hoofdsteun (3) in de
gaten terwijl u de ontgrendelknop (1) indrukt.
2. Stel de hoofdsteun vervolgens af op de
gewenste hoogte.
Stoelverwarming en
stoelventilatiesysteem
Stoelverwarming voor (indien van
toepassing)
Met de stoelverwarming kunnen de stoelen bij
lage buitentemperaturen worden verwarmd.
WAARSCHUWING
De stoelverwarming kan ERNSTIGE
BRANDWONDEN veroorzaken, zelfs bij lage
temperaturen, en in het bijzonder als de
stoelverwarming gedurende langere tijd wordt
gebruikt.
Passagiers moeten in staat zijn te voelen
of de stoel te warm wordt, zodat ze de
stoelverwarming kunnen uitschakelen, indien
noodzakelijk.
Bij personen die temperatuurwisselingen of pijn
aan de huid niet kunnen voelen, moet extreme
voorzichtigheid in acht worden genomen,
vooral als het gaat om de volgende soorten
passagiers:
Baby's, kinderen, ouderen, gehandicapten
en ziekenhuispatiënten.
Mensen met een gevoelige huid die
gemakkelijk verbranden.
Vermoeide personen.
Dronken personen.
Personen die onder invloed zijn van
medicijnen die slaperigheid veroorzaken.
WAARSCHUWING
Plaats NIETS op de stoel dat warmte isoleert
als de stoelverwarming wordt gebruikt, zoals
een deken of een stoelkussen. Hierdoor kan de
stoelverwarming oververhit raken, waardoor
(brand)schade aan de stoel kan ontstaan.
03
3-19
AANWIJZING
Om beschadiging van de stoelverwarming
en stoelen te voorkomen:
Gebruik voor het reinigen van de
stoelen geen oplosmiddel, zoals thinner,
benzeen, alcohol of wasbenzine.
Plaats geen zware of scherpe
voorwerpen op stoelen die zijn voorzien
van stoelverwarming.
Bedek de stoelbekleding niet. Hierdoor
kan de stoelverwarming worden
beschadigd.
OOSN031015L
OOSN031015L
De stoelverwarming kan worden
ingeschakeld door op de toets te drukken
voor de bestuurdersstoel en/of de
voorpassagiersstoel terwijl de motor draait.
Laat de toetsen in stand UIT staan als de
stoelverwarming niet gebruikt hoeft te
worden.
Iedere keer als u op de toets drukt,
verandert de temperatuurinstelling voor
de stoel als volgt:
UIT
LAAG ( )
HOOG ( )
GEMIDDELD ( )
Door bij ingeschakelde stoelverwarming
langer dan 1,5 seconden op de toets
te drukken, wordt de stoelverwarming
uitgeschakeld.
De standaardinstelling voor de
stoelverwarming is UIT als het contact in
stand ON wordt gezet.
Informatie
Als de schakelaars voor de stoelverwarming in
stand ON staan, schakelt de stoelverwarming
automatisch aan of uit, afhankelijk van de
temperatuur van de stoel.
Stoelverwarming achter (indien van
toepassing)
OOSH039027L
OOSH039027L
Druk op een van de schakelaars terwijl de
auto in de stand-by ( )
modus staat om de achterbank te
verwarmen. Laat de toetsen in stand UIT
staan als de stoelverwarming niet gebruikt
hoeft te worden.
Iedere keer als u op de toets drukt, verandert
de temperatuurinstelling voor de stoel als
volgt:
OFF Ɵ MIDDEN ( ) Ɵ LAAG ( )
De standaardinstelling voor de
stoelverwarming is UIT als het contact in
stand ON wordt gezet.
Informatie
Als de schakelaars voor de stoelverwarming in
stand ON staan, schakelt de stoelverwarming
automatisch aan of uit, afhankelijk van de
temperatuur van de stoel.
Veiligheidssysteem
3-20
Stoelventilatie voor
(indien van toepassing)
OOSN031016L
OOSN031016L
Het stoelventilatiesysteem zorgt voor
het koelen van de stoelen door lucht te
blazen door kleine uitstroomopeningen
in het oppervlak van de zittingen en de
rugleuningen.
Laat de toetsen in de stand OFF staan als het
niet nodig is het stoelventilatiesysteem te
gebruiken.
Druk, terwijl de motor draait, op de
toets om de bestuurdersstoel of de
voorpassagiersstoel te koelen (indien van
toepassing).
Iedere keer als u de toets indrukt,
verandert de luchtstroom als volgt:
UIT
LAAG ( )
HOOG ( )
GEMIDDELD ( )
Door bij ingeschakeld
stoelventilatiesysteem langer dan 1,5
seconden op de toets te drukken, wordt
het stoelventilatiesysteem uitgeschakeld.
De standaardinstelling voor het
stoelventilatiesysteem is UIT als het
contact in stand ON wordt gezet.
AANWIJZING
Om beschadiging van het
stoelventilatiesysteem te voorkomen:
Gebruik het ventilatiesysteem ALLEEN
als het temperatuurregelsysteem is
ingeschakeld. Als de stoelventilatie
gedurende langere tijd wordt gebruikt
terwijl het temperatuurregelsysteem
is uitgeschakeld, kan de stoelventilatie
defect raken.
Gebruik voor het reinigen van de
stoelen geen oplosmiddel, zoals thinner,
benzeen, alcohol of wasbenzine.
Voorkom dat er vloeistoffen gemorst
worden op het oppervlak van de
zittingen en rugleuningen van de
voorstoelen; hierdoor zouden de
uitstroomopeningen verstopt kunnen
raken waardoor het systeem niet meer
correct kan functioneren.
Plaats geen materialen zoals plastic
tassen of kranten onder de stoelen.
Ze kunnen de luchtinlaat blokkeren,
waardoor er een storing kan ontstaan in
de luchtventilatie.
Vervang de stoelbekleding niet.
Hierdoor kan de stoelventilatie worden
beschadigd.
Als de stoelventilatie niet werkt, start u
de auto opnieuw. Als er niets verandert,
adviseren wij u de auto te laten
controleren door een officiële HYUNDAI-
dealer.
03
3-21
VEILIGHEIDSGORDELS
Dit hoofdstuk beschrijft het juiste gebruik
van de veiligheidsgordels. Het beschrijft ook
enkele dingen die u niet moet doen terwijl u
de veiligheidsgordel draagt.
Voorzorgsmaatregelen
veiligheidsgordel
Gesp altijd uw veiligheidsgordel om
en controleer of alle passagiers hun
veiligheidsgordel correct dragen voor elke
rit. Airbags zijn ontwikkeld als aanvullend
veiligheidssysteem, dus als aanvulling op
veiligheidsgordels, geen vervanging. In de
meeste landen moeten alle inzittenden van
een voertuig veiligheidsgordels dragen.
WAARSCHUWING
ALLE inzittenden moeten tijdens het rijden
altijd de gordel op de juiste manier dragen.
Neem de volgende voorzorgsmaatregelen
bij het instellen en dragen van
veiligheidsgordels:
Kinderen tot en met 13 jaar moeten altijd
plaatsnemen op de achterbank en de
gordel op de juiste manier dragen.
Laat kinderen nooit in de
voorpassagiersstoel meerijden, tenzij de
airbag is gedeactiveerd. Als een kind in
de voorpassagiersstoel zit, zet de stoel
dan zo ver mogelijk naar achteren en
beveilig ze goed in de stoel.
Vervoer een baby of kind NOOIT op de
schoot van een andere inzittende.
Rijd NOOIT met een naar achteren
geklapte rugleuning.
Vervoer nooit meerdere kinderen
op één stoel of vastgezet met één
veiligheidsgordel.
Draag nooit de schoudergordel onder de
arm door of achter uw rug.
Zet breekbare voorwerpen NOOIT
vast met een veiligheidsgordel. Bij
een noodstop of botsing kan de
veiligheidsgordel deze voorwerpen
beschadigen.
Zorg ervoor dat de gordel vlak over uw
lichaam loopt en niet gedraaid is. Een
gedraaide veiligheidsgordel beschermt
u niet goed bij een ongeval.
Gebruik een veiligheidsgordel waarvan
de band of andere onderdelen
beschadigd zijn niet.
Zet de gesp van de veiligheidsgordel niet
vast in de gordelsluiting van een andere
stoel.
Maak de veiligheidsgordel NOOIT los
tijdens het rijden. Hierdoor kunt u de
controle over de auto verliezen en een
ongeval veroorzaken.
Zorg dat er niets in het gordelslot zit
dat het slotmechanisme kan blokkeren.
Hierdoor kan de veiligheidsgordel
mogelijk niet veilig sluiten.
Er mogen geen wijzigingen aan
de gordel worden aangebracht of
hulpmiddelen worden gebruikt die
voorkomen dat het gordelmechanisme
de gordel strak tegen het lichaam aan
kan trekken of die het verstellen van de
gordel onmogelijk maken.
WAARSCHUWING
Beschadigde veiligheidsgordels en
veiligheidsgordelsystemen werken niet
correct. Vervang altijd:
Als de gordelband gerafeld, vervuild of
beschadigd is.
Als andere onderdelen beschadigd zijn.
Vervang de complete veiligheidsgordel
als hij gedragen is tijdens een ongeval,
ook al zijn er aan de gordelband
of het gordelmechanisme geen
beschadigingen te zien.
Veiligheidssysteem
3-22
Waarschuwingslampje
veiligheidsgordel
Waarschuwingslampje
veiligheidsgordels
Instrumentenpaneel
Instrumentenpaneel
OAM032161L
OAM032161L
Waarschuwingslampje bestuurdersgordel
Als herinnering voor de bestuurder gaat
telkens als het contact in de stand ON wordt
gezet het waarschuwingslampje van de
veiligheidsgordels gedurende ongeveer 6
seconden branden, ongeacht of de gordels
zijn vastgemaakt. Als de veiligheidsgordel
van de bestuurder niet is vastgemaakt,
klinkt de waarschuwingszoemer ongeveer 6
seconden lang.
Als de veiligheidsgordel niet is vastgemaakt
als het contact is ingeschakeld of als
de gordel wordt losgemaakt nadat het
contact is ingeschakeld, brandt het
waarschuwingslampje tot de gordel is
vastgemaakt.
Als u gaat rijden zonder de veiligheidsgordel
te hebben vastgemaakt of als u de
veiligheidsgordel losmaakt terwijl u
langzamer dan 20 km/u rijdt, blijft het
betreffende waarschuwingslampje branden
tot u de veiligheidsgordel vastmaakt.
Als u blijft rijden zonder de veiligheidsgordel
te hebben vastgemaakt of als u de
veiligheidsgordel losmaakt terwijl u
sneller dan 20 km/uur rijdt, klinkt het
waarschuwingssignaal veiligheidsgordel
ongeveer 100 seconden en knippert het
betreffende waarschuwingslampje.
OOSN031025L
OOSN031025L
Waarschuwingslampje voorpassagiersgordel
Als herinnering voor de voorpassagier,
knippert het waarschuwingslampje
veiligheidsgordel voorpassagier ongeveer
6 seconden, elke keer dat het contact
wordt ingeschakeld, ongeacht of men de
veiligheidsgordel heeft vastgemaakt. Als
de veiligheidsgordel niet is vastgemaakt
als het contact is ingeschakeld of als
de gordel wordt losgemaakt nadat het
contact is ingeschakeld, brandt het
waarschuwingslampje tot de gordel is
vastgemaakt.
Als u gaat rijden zonder de veiligheidsgordel
te hebben vastgemaakt of als u de
veiligheidsgordel losmaakt terwijl u
langzamer dan 20 km/u rijdt, blijft het
betreffende waarschuwingslampje branden
tot u de veiligheidsgordel vastmaakt.
Als u blijft rijden zonder de veiligheidsgordel
te hebben vastgemaakt of als u de
veiligheidsgordel losmaakt terwijl u
sneller dan 20 km/uur rijdt, klinkt het
waarschuwingssignaal veiligheidsgordel
ongeveer 100 seconden en knippert het
betreffende waarschuwingslampje.
03
3-23
WAARSCHUWING
Het meerijden in een onjuiste
zithouding beïnvloedt het
gordelwaarschuwingssysteem
voorpassagier negatief. De bestuurder
moet de passagier instrueren om correct te
gaan zitten zoals dit is omschreven in deze
handleiding.
Informatie
Het waarschuwingslampje voor de gordel
voor de voorpassagier bevindt zich in de
middenconsole.
Ook als er geen passagier op de stoel zit,
zal het waarschuwingslampje gedurende 6
seconden knipperen of branden.
De waarschuwing voor de veiligheidsgordel
van de voorpassagier kan in werking treden
als bagage op de voorpassagiersstoel wordt
geplaatst.
OOSEV038011
OOSEV038011
Waarschuwingslampje veiligheidsgordel
achterpassagier
Als herinnering voor de achterpassagier
brandt telkens als het contact in stand ON
wordt gezet het waarschuwingslampje
van de veiligheidsgordels gedurende 6
seconden, ongeacht of de gordels zijn
vastgemaakt.
Als de veiligheidsgordel niet is
vastgemaakt terwijl het contact
in stand ON wordt gezet, zal het
waarschuwingslampje voor de
veiligheidsgordel ongeveer 70 seconden
branden.
Als u begint te rijden zonder dat de
veiligheidsgordel is vastgemaakt of als u
de veiligheidsgordel losmaakt wanneer
u minder dan 20 km/h rijdt, blijft het
bijbehorende waarschuwingslampje
branden gedurende ongeveer 70
seconden.
Als u de veiligheidsgordel losmaakt
bij een snelheid van meer dan 20
km/u, zal de waarschuwingszoemer
voor de veiligheidsgordel ongeveer 35
seconden klinken en zal het bijbehorende
waarschuwingslampje knipperen.
Als de veiligheidsgordel
wordt vastgemaakt, gaat het
waarschuwingslampje onmiddellijk uit.
Als de achterklep wordt geopend of
gesloten bij een snelheid van minder dan
10 km/u werken het waarschuwingslampje
en de waarschuwingszoemer niet, zelfs
niet als er vervolgens harder dan 20 km/u
wordt gereden.
Veiligheidssysteem
3-24
Veiligheidsgordels
Driepuntsgordel
ODH033055
ODH033055
Vastmaken van de gordel:
Trek de gordel uit de oprolautomaat en steek
de metalen slottong (1) in het gordelslot (2).
Er is een klik hoorbaar als de slottong in het
gordelslot vergrendelt.
ODH033053
ODH033053
U moet het heupgordelgedeelte (1) over uw
heupen en het schoudergordelgedeelte (2)
over uw borst aanbrengen.
De veiligheidsgordel stelt automatisch
bij naar de juiste lengte nadat het
heupgordelgedeelte met de hand is
aangespannen, zo dat dit strak om uw
heupen past. Als u langzaam en geleidelijk
vooroverleunt, rolt de gordel af en beweegt
deze met u mee.
Bij een noodstop of botsing blokkeert
de gordel. Hij blokkeert ook als u te snel
voorover leunt.
AANWIJZING
Als de veiligheidsgordel niet soepel uit de
oprolautomaat kan worden getrokken,
trek dan krachtig aan de veiligheidsgordel
en laat hem dan los. Nadat u hem hebt
losgelaten, kunt u de gordel weer soepel uit
de oprolautomaat trekken.
ODH033056
ODH033056
WAARSCHUWING
Onjuist aangebrachte veiligheidsgordels
kunnen het risico op ernstig letsel bij een
ongeval verhogen. Neem de volgende
voorzorgsmaatregelen bij het verstellen van
de veiligheidsgordel:
Leid het heupgedeelte van de
veiligheidsgordel zo laag mogelijk over
uw heupen, niet over uw middel, zo dat
deze strak aan ligt. Zo kan uw bekken
de kracht van de botsing absorberen,
waardoor de kans op inwendig letsel
gereduceerd wordt.
De schoudergordel moet over de ene
arm en onder de andere arm door lopen,
zoals aangegeven in de afbeelding.
Vergrendel het gordelomkeerpunt altijd
op de juiste hoogte.
Laat het schoudergedeelte van de gordel
nooit langs uw nek of over uw gezicht
lopen.
03
3-25
Hoogteverstelling
U kunt de hoogte van het gordelomkeerpunt
in één van de vier verschillende posities
zetten voor maximaal comfort en maximale
veiligheid.
Het schoudergedeelte moet zo worden
ingesteld dat het over uw borst loopt en
midden over uw schouder bij het portier ligt,
niet over uw nek.
Stoel op voorste rij
Stoel op voorste rij
OOS037060
OOS037060
Verhoog of verlaag het gordelomkeerpunt tot
de juiste hoogte.
Om het gordelomkeerpunt naar boven te
verplaatsen, trekt u het omhoog (1). Om het
naar beneden te verplaatsen, drukt u het
omlaag (3) terwijl u de knop (2) ingedrukt
houdt.
Laat de knop los om het gordelomkeerpunt
op zijn plaats te vergrendelen. Probeer het
gordelomkeerpunt te verschuiven om te
controleren of het correct vergrendeld is.
OHI038142
OHI038142
Losnemen van de veiligheidsgordel:
Druk op de ontgrendelknop (1) in het
gordelslot.
Zodra de gordel losgemaakt is, moet
hij automatisch oprollen. Controleer of
de gordel niet gedraaid is als deze niet
automatisch oprolt en probeer het opnieuw.
Veiligheidssysteem
3-26
Middelste veiligheidsgordel achter
(driepuntsgordel middelste zitplaats
achter)
OOSEV038031L
OOSEV038031L
Gebruik voor het bevestigen van de
middelste veiligheidsgordel achter het
gordelslot met de aanduiding CENTER.
Informatie
Als de veiligheidsgordel niet uit de
oprolautomaat kan worden getrokken,
trek dan krachtig aan de veiligheidsgordel
en laat hem dan los. Nadat u hem hebt
losgelaten, kunt u de gordel weer soepel uit de
oprolautomaat trekken.
WAARSCHUWING
Zorg ervoor dat de rugleuning op zijn
plaats is vergrendeld als de middelste
veiligheidsgordel achter wordt gebruikt.
Zo niet, kan de rugleuning bewegen bij een
noodstop of botsing, wat kan resulteren in
ernstig letsel.
Gordelspanner veiligheidsgordel
OLMB033039
OLMB033039
De veiligheidsgordels van de bestuurder
en voorpassagier en de achterpassagier
(indien van toepassing) zijn uitgerust
met gordelspanners (blokkeerautomaat
met gordelspanner). Het doel van de
gordelspanners is om de veiligheidsgordels
strak langs het lichaam van de inzittenden te
leggen bij sommige aanrijdingen van voren
of opzij. De gordelspanners kunnen worden
geactiveerd bij botsingen van voren of van
opzij waarvan de kracht hoog genoeg is, en
dan samen met de airbags.
Als de auto abrupt stopt, of als de inzittende
te snel voorover probeert te leunen, blokkeert
de veiligheidsgordel.
Bij bepaalde frontale botsingen wordt de
gordelspanner geactiveerd en trekt deze
de gordel strakker om het lichaam van de
inzittende.
Als de gordelspanner wordt geactiveerd en
het systeem registreert dat de spankracht
van de veiligheidsgordel van de bestuurder
of de passagier te groot wordt, zorgt een
spankrachtbegrenzer in de gordelspanner in
de oprolautomaat ervoor dat de gordel iets
wordt gevierd.
03
3-27
WAARSCHUWING
Doe uw veiligheidsgordel altijd om en zit
in de juiste houding op uw stoel.
Zorg dat de gordel niet los of gedraaid is.
Een losse of gedraaide veiligheidsgordel
beschermt u niet goed bij een ongeval.
Plaats niets bij het gordelslot. Dit kan
de werking van het gordelslot nadelig
beïnvloeden.
Vervang gordelspanners altijd als ze
geactiveerd zijn of na een ongeval.
Inspecteer, onderhoud of vervang NOOIT
zelf de gordelspanners. We bevelen aan
dat u de voorspanners laat controleren,
onderhouden, repareren of vervangen
door een bevoegde HYUNDAI-dealer.
Stel de veiligheidsgordels niet bloot aan
schokken.
WAARSCHUWING
Raak de gordelspanners niet aan, de eerste
paar minuten nadat ze geactiveerd zijn.
Als het gordelspannersysteem tijdens
een botsing wordt geactiveerd, kan de
gordelspanner heet worden en kunt u zich
eraan branden.
OPGELET
Het gordelspannersysteem kan beschadigd
raken door carrosseriereparaties aan de
voorzijde van de auto. Daarom raden we u
aan om deze reparaties door een officiële
HYUNDAI-dealer te laten uitvoeren.
OHI038175L
OHI038175L
OOSEV038032L
OOSEV038032L
Het gordelspannersysteem bestaat
hoofdzakelijk uit de volgende onderdelen.
Hun locaties worden in de bovenstaande
illustratie getoond:
(1) Waarschuwingslampje AIRBAG
(2) Gordelspanner bij gordelautomaat
(3) Airbagmodule
(4) Oprolmechanisme voorgespannen
gordel achteraan
(indien van toepassing)
Veiligheidssysteem
3-28
AANWIJZING
De sensor die de SRS regelmodule activeert
is verbonden met de gordelspanners. Het
waarschuwingslampje SRS-airbag in het
instrumentenpaneel brandt gedurende
ongeveer 6 seconden nadat het contact is
ingeschakeld, en moet dan uitgaan.
Als de gordelspanner niet correct werkt,
brandt het waarschuwingslampje ook als
de SRS-airbag geen storing vertoont. Als
het waarschuwingslampje niet brandt,
blijft branden of brandt terwijl de auto rijdt,
adviseren we u om de gordelspanners en/
of de SRS-regelmodule zo snel mogelijk
door een officiële HYUNDAI-dealer te laten
controleren.
Informatie
De gordelspanner van zowel de bestuurder
als van de voorpassagier kan worden
geactiveerd bij bepaalde aanrijdingen van
voren of van opzij.
Als de gordelspanners worden geactiveerd,
klinkt een luide knal en kan fijn stof,
dat lijkt op rook, zichtbaar worden in
het interieur. Dit is niet schadelijk en is
normaal in deze situatie.
Hoewel het niet giftig is, kan het fijne stof
huidirritatie veroorzaken en moet het niet
gedurende langere tijd worden ingeademd.
Was de huid van alle blootgestelde
lichaamsdelen grondig na een ongeval
waarbij de gordelspanners werden
geactiveerd.
03
3-29
Extra voorzorgsmaatregelen
veiligheidsgordel
Gebruik van veiligheidsgordels bij
zwangerschap
De veiligheidsgordel moet altijd worden
gebruikt tijdens de zwangerschap. De
beste manier om uw ongeboren kind te
beschermen is uzelf te beschermen door
altijd de veiligheidsgordel te dragen.
Zwangere vrouwen moeten altijd de
driepuntsgordel dragen. Plaats de
schoudergordel over uw borst, tussen uw
borsten door en van uw nek verwijderd.
Plaats de heupgordel onder uw buik zodat
deze NAUW over uw heupen en bekken sluit,
onder het ronde gedeelte van de buik.
WAARSCHUWING
Om de kans op ernstig letsel voor het
ongeboren kind te beperken, mogen
zwangere vrouwen het heupgedeelte van
de veiligheidsgordel NOOIT over of boven
de onderbuik dragen.
Kinderen en het gebruik van
veiligheidsgordels
Baby's en kleine kinderen
De meeste landen hebben wetten
betreffende kinderzitjes, die eisen dat
kinderen in geschikte kinderzitjes reizen,
waaronder stoelverhogers. De leeftijd
waarboven de veiligheidsgordel mag worden
gebruikt in plaats van een kinderzitje,
verschillen per land. Zorg er daarom voor dat
u op de hoogte bent van de regelgeving in
uw land en in de landen die u op uw reizen
aandoet. Veiligheidssystemen voor baby's en
kinderen moeten correct op de achterbank
worden geplaatst en bevestigd.
Raadpleeg voor meer informatie
'Kinderveiligheidssystemen' in dit hoofdstuk.
WAARSCHUWING
Zet een baby of kind ALTIJD op de juiste
wijze vast in een kinderzitje dat geschikt is
voor de lengte en het gewicht van het kind.
Houd, om het risico op ernstig tot dodelijk
letsel voor een kind en andere inzittenden
te beperken, een kind NOOIT vast op uw
schoot of in uw armen terwijl de auto rijdt.
De extreme krachten die vrijkomen bij een
ongeval rukken het kind uit uw armen en
slingeren het kind tegen het interieur van
de auto.
Kleine kinderen zijn het beste beschermd
tegen letsel bij een ongeval als zij correct
op de achterbank worden beveiligd in
een kinderzitje dat voldoet aan de lokale
veiligheidseisen. Voordat u een kinderzitje
koopt, controleer of het voorzien is van een
label waarop staat dat het desbetreffende
zitje wettelijk goedgekeurd is.
Het kinderzitje moet geschikt zijn voor
de grootte en het gewicht van het kind.
Controleer het label op het kinderzitje voor
deze informatie. Raadpleeg voor meer
informatie 'Kinderveiligheidssystemen' in dit
hoofdstuk.
Veiligheidssysteem
3-30
Grotere kinderen
Kinderen jonger dan 13 jaar die te groot
zijn voor een stoelverhoger moeten altijd
plaatsnemen op de achterbank en de
aanwezige driepuntsgordel gebruiken. Een
veiligheidsgordel moet over de heupen en
nauw over de schouder en borst lopen om
het kind correct te beschermen. Controleer
de ligging van de gordel van tijd tot tijd. De
bewegingen van een kind kunnen de ligging
van de gordel veranderen. Bij een ongeval
biedt het juiste kinderzitje op de achterbank
kinderen de beste bescherming.
Als een groter kind (ouder dan 13) op de
voorstoel vervoerd moet worden, moet het
kind de driepuntsgordel op de juiste manier
dragen en moet de stoel zo ver mogelijk naar
achteren worden geplaatst.
Als de schoudergordel de nek of het gezicht
van het kind raakt, probeer het kind dan iets
dichter naar het midden van de auto te laten
zitten. Als de schoudergordel nog steeds
het gezicht of nek raakt, moet het kind weer
op een geschikte zittingverhoger op de
achterbank plaatsnemen.
WAARSCHUWING
Zorg ervoor dat grotere kinderen de
veiligheidsgordel altijd dragen en
controleer of deze goed is afgesteld.
Laat het schoudergedeelte van de gordel
NOOIT langs de hals of langs het gezicht
van het kind lopen.
Zet nooit meer dan één kind vast met
een enkele veiligheidsgordel.
Gewonde mensen en het gebruik
van veiligheidsgordels
Gewonde mensen moeten altijd de
veiligheidsgordel dragen. Raadpleeg een arts
voor specifieke aanbevelingen.
Een persoon per veiligheidsgordel
Twee personen (inclusief kinderen) mogen
nooit dezelfde veiligheidsgordel gebruiken.
Dit zou de ernst van verwondingen in geval
van een ongeluk kunnen verhogen.
Zet de rugleuning niet horizontaal
Zitten in een liggende positie wanneer
het voertuig in beweging is, kan
gevaarlijk zijn. Zelfs wanneer de gordel is
vastgemaakt, wordt de bescherming van uw
veiligheidssysteem (veiligheidsgordels en/
of airbags) aanzienlijk verminderd door uw
rugleuning achterover te kantelen.
De veiligheidsgordel moet strak over uw
heupen en borst lopen voor een maximale
effectiviteit.
Bij een ongeval kunt u tegen de
veiligheidsgordel aan geslingerd worden,
waardoor u nekletsel of ander letsel kunt
oplopen.
Hoe verder de rugleuning achterover staat,
hoe groter de kans is dat de inzittende bij een
aanrijding onder het heupgedeelte van de
gordel door schiet of dat de nek in aanraking
komt met het schoudergedeelte van de
gordel.
WAARSCHUWING
Rijd NOOIT met een naar achteren
geklapte rugleuning.
Als de rugleuning te ver achterover
staat, neemt de kans op letsel bij een
aanrijding of een noodstop aanzienlijk
toe.
Bestuurder en passagiers moeten ALTIJD
goed in hun stoel zitten, de gordel op de
juiste manier dragen en de rugleuning zo
ver mogelijk rechtop zetten.
03
3-31
Verzorging van
veiligheidsgordels
Veiligheidsgordelsystemen mogen nooit
worden gedemonteerd of gewijzigd.
Ook moet erop worden gelet dat
veiligheidsgordels, gordelsloten en
slottongen niet worden beschadigd door
stoelscharnieren, portieren of andere vormen
van misbruik.
Periodieke controle
Alle veiligheidsgordels moeten regelmatig
worden gecontroleerd op slijtage of andere
vormen van beschadiging. Eventuele
beschadigde onderdelen moeten zo snel
mogelijk worden vervangen.
Houd de gordels schoon en droog
Veiligheidsgordels moeten schoon en
droog worden gehouden. Als gordels vuil
worden, kunnen ze worden gereinigd met
een milde zeepoplossing en warm water.
Bleek, textielverf, sterke wasmiddelen of
schuurmiddelen mogen niet worden gebruikt
omdat deze de stof kunnen beschadigen en
verzwakken.
Wanneer moeten de
veiligheidsgordels vervangen
worden
Het complete veiligheidsgordelsysteem of de
complete veiligheidsgordelsystemen moeten
worden vervangen als ze bij een ongeval
betrokken zijn geraakt. Dit moet ook worden
gedaan als er geen schade zichtbaar is. We
adviseren u contact op te nemen met een
officiële HYUNDAI-dealer.
Veiligheidssysteem
3-32
Ons advies:
kinderen altijd achterin
WAARSCHUWING
Kinderen moeten steeds de aanwezige
veiligheidsgordels dragen. Kinderen
van alle leeftijden zijn veiliger als ze
achterin de auto zitten. Plaats nooit een
achterstevoren geplaatst kinderzitje op
de voorpassagiersstoel, tenzij de airbag is
uitgeschakeld.
Om de kans op letsel bij een ongeval,
noodstop of een plotselinge manoeuvre te
minimaliseren, dienen kinderen jonger dan
13 jaar op de achterbank te zitten in een
geschikt kinderzitje.
Volgens ongevalsstatistieken zijn kinderen
veiliger wanneer ze correct op de achterbank
zijn beveiligd, dan wanneer ze op de
voorpassagiersstoel zitten. Kinderen die te
groot zijn voor een kinderzitje moeten de
aanwezige veiligheidsgordel gebruiken.
In de meeste landen zijn regels over het
vervoer van kinderen opgesteld die het
gebruik van een goedgekeurd kinderzitje
verplicht stellen.
Regels met betrekking tot de limieten voor
leeftijd en lengte/gewicht waarboven de
veiligheidsgordel mag worden gebruikt in
plaats van een kinderzitje, verschillen per
land. Zorg er daarom voor dat u op de hoogte
bent van de regelgeving in uw land en in de
landen die u op uw reizen aandoet.
Kinderveiligheidssystemen moeten
correct op de zitplaats van de auto worden
bevestigd. Gebruik altijd een kinderzitje dat
voldoet aan de landelijke veiligheidseisen.
Kinderveiligheidssystemen (CRS)
Baby's en jonge kinderen moeten worden
beveiligd in een geschikt achterstevoren of
naar voren gericht kinderzitje dat correct op
de zitplaats van de auto is bevestigd. Lees
de waarschuwingen en aanwijzingen van de
fabrikant voor het plaatsen en het gebruik
van het kinderzitje en volg de aanwijzingen
op.
WAARSCHUWING
Volg altijd de aanwijzingen van de
fabrikant voor het plaatsen en het
gebruik van het kinderzitje.
Zet uw kind altijd op de juiste wijze vast
in het kinderzitje.
Gebruik nooit een kinderzitje dat over
de rugleuning van een stoel 'vasthaakt';
een dergelijk zitje biedt mogelijk geen
adequate bescherming bij een ongeval.
Laat de Hyundai-dealer na een ongeval
het kinderzitje, de veiligheidsgordels, de
ISOFIX-bevestigingspunten en het Top
Tether-bevestigingspunt controleren.
KINDERVEILIGHEIDSSYSTEMEN (CRS)
03
3-33
Kiezen van een kinderzitje (CRS)
Doe bij het kiezen van een kinderzitje altijd
het volgende:
Controleer of het kinderzitje is
voorzien van een label waarop staat
dat het desbetreffende zitje wettelijk
goedgekeurd is.
Een kinderzitje mag alleen worden
gebruikt als het is goedgekeurd conform
de norm ECE-R44 of ECE-R129.
Selecteer een kinderzitje gebaseerd op de
lengte en het gewicht van het kind. Het
verplichte label of de gebruiksaanwijzing
bevat deze informatie.
Kies een kinderzitje dat past op de
zitplaats van uw auto waarop het zitje
geplaatst gaat worden.
Lees de waarschuwingen en aanwijzingen
van de fabrikant voor het plaatsen en het
gebruik van het kinderzitje en volg de
aanwijzingen op.
Typen kinderzitjes
Er zijn in grote lijnen drie soorten kinderzitjes:
kinderzitjes waarbij het kind met het gezicht
naar achteren gericht zit, kinderzitjes waarbij
het kind met het gezicht naar voren gericht
zit en zittingverhogingen.
Ze worden ingedeeld op basis van de leeftijd,
de lengte en het gewicht van het kind.
OOS037028
OOS037028
Kinderzitjes waarin het kind met het gezicht
naar achteren wordt vervoerd
Een achterstevoren gericht kinderzitje
beschermt het kind door het in de rug te
ondersteunen. Het gordelsysteem houdt het
kind op zijn plaats en zorgt ervoor dat het
kind bij een ongeval in het kinderzitje blijft
en de belasting voor de kwetsbare nek en
ruggenwervels vermindert.
Alle kinderen jonger dan een jaar moeten
altijd in een achterstevoren gericht kinderzitje
reizen. Er zijn verschillende achterstevoren
gerichte kinderzitjes: kinderzitjes die
uitsluitend voor baby's bestemd zijn, kunnen
alleen achterstevoren worden gebruikt.
Aanpasbare en 3-in-1 kinderzitjes hebben
hogere lengte- en gewichtslimieten voor de
bevestiging achterstevoren, waardoor u het
kind langer achterstevoren in de auto kunt
blijven vervoeren.
Blijf kinderzitjes achterstevoren gebruiken
zolang het kind binnen de toegestane lengte-
en gewichtslimieten van de fabrikant van het
kinderzitje blijft.
Veiligheidssysteem
3-34
OOS037029
OOS037029
Kinderzitjes waarin het kind met het gezicht
naar voren wordt vervoerd
Een naar voren gericht kinderzitje biedt
bescherming voor het kind met een eigen
gordelsysteem. Blijf kinderen in een naar
voren gericht kinderzitje met een eigen
gordelsysteem vervoeren totdat ze de
bovenste lengte- of gewichtslimiet volgens
de fabrikant van het kinderzitje bereiken.
Als het kind uit het naar voren gerichte
kinderzitje groeit, is het tijd voor een
stoelverhoger.
Zittingverhogingen
Een stoelverhoger is een kinderzitje dat de
loop van de veiligheidsgordel van de auto
verbetert. Een stoelverhoger plaatst het kind
zo dat de veiligheidsgordel correct over de
sterkere delen van het lichaam van het kind
loopt. Houd uw kinderen in stoelverhogers
tot ze groot genoeg zijn om goed in de
veiligheidsgordel te passen.
De heupgordel moet comfortabel over
de heupen lopen, niet over de buik. De
schoudergordel moet comfortabel over
de schouder en borst lopen, niet over de
nek of het gezicht. Om de kans op letsel bij
een ongeval, hard remmen of plotselinge
manoeuvre te minimaliseren, moeten
kinderen tot 13 jaar altijd op juiste wijze
worden vervoerd in een passend kinderzitje.
03
3-35
Plaatsen van een kinderzitje
(CRS)
WAARSCHUWING
Doe altijd het volgende voordat u een
kinderzitje installeert:
Lees altijd de aanwijzingen die door de
fabrikant van het kinderzitje zijn opgesteld
en volg deze aanwijzingen op.
Het niet naleven van alle waarschuwingen
en instructies kan het risico op ERNSTIG of
DODELIJK LETSEL verhogen in geval van
een ongeval.
WAARSCHUWING
Wanneer de hoofdsteun een juiste plaatsing
van het kinderzitje verhindert, verstel
of verwijder dan de hoofdsteun van de
desbetreffende stoel.
Nadat u een goed kinderzitje heb gekozen
voor uw kind en gecontroleerd hebt of het
kinderzitje goed past goed op de zitplaats,
moeten deze drie stappen gevolgd worden
voor een juiste installatie:
Bevestig het kinderzitje correct in de
auto. Alle kinderzitjes moeten in de auto
worden bevestigd met de heupgordel of
het heupgedeelte van de driepuntsgordel
of met de ISOFIX bevestigingspunten
en/of ISOFIX top-tether en/of met de
steunvoet.
Zorg dat het kinderzitje stevig bevestigd
is. Beweeg het kinderzitje naar voren en
naar achteren en van links naar rechts om
te controleren of het stevig is bevestigd.
Installeer het kinderzitje zo stevig mogelijk
wanneer u het met een veiligheidsgordel
bevestigt. Enige zijwaartse speling is
echter normaal.
Verstel de stoel en de rugleuning (op of
neer, naar voren of achteren) wanneer
u het kinderzitje installeert om ervoor te
zorgen dat uw kind comfortabel in het
kinderzitje kan zitten.
Zet het kind vast in het kinderzitje.
Controleer of het kind correct is
vastgemaakt in het kinderzitje volgens
de instructies van de fabrikant van het
kinderzitje.
OPGELET
Een kinderzitje in een afgesloten auto kan
zeer heet worden. Om brandwonden te
voorkomen, moet u het zitoppervlak en de
riempjes van het kinderzitje controleren
voordat u uw kind erin plaatst.
Veiligheidssysteem
3-36
Geschiktheid van elke stoelpositie voor kinderzitjes met gordel & ISOFIX-
kinderzitjes overeenkomstig de VN-voorschriften (voor Europa)
(Informatie voor gebruik door voertuigbezitters en fabrikanten van kinderzitjes)
Ja: Geschikt voor plaatsing van de aangeduide categorie kinderzitjes
Nee: Niet geschikt voor plaatsing van de aangeduide categorie kinderzitjes
“-” : Niet van toepassing
De tabel is gebaseerd op een LHD-voertuig. Met uitzondering van de bijrijdersstoel geldt de
tabel ook voor RHD-voertuigen. Gebruik voor de voorpassagiersstoel van auto's met rechtse
besturing de informatie met betrekking tot zitplaats nummer 3.
Categorieën kinderzitjes Zitplaatsen Zitplaats
123456
Universele, met gordel vast
te zetten kinderzitjes --
Ja1)
F, R
Ja
F, R
Ja2)
F, R
Ja
F, R
F: naar voren gericht
F: naar voren gericht
R: naar achteren gericht
R: naar achteren gericht
OOSEV038035L
OOSEV038035L
i-Size kinderzitjes - - Nee Ja
F, R Nee Ja
F, R
ISOFIX-
babyzitjes
(bijv. kinderzitje
voor een baby)
ISOFIX
(R1) - - Nee Ja R Nee Ja R
Reiswieg
(ISOFIX-zitje 'met
het gezicht naar
de zijkant')
ISOFIX
(L1, L2) - - Nee Nee Nee Nee
ISOFIX baby-/
kinderzitje -
small
ISOFIX
(F2, F2X,
R2X)
--Nee
Ja
F, R Nee Ja
F, R
ISOFIX-
kinderzitje voor
peuter - groot*
(*: geen
stoelverhogers)
ISOFIX
(F3, R3) --Nee
Ja3)
F, R Nee Ja3)
F, R
Zitkussen -
kleinere breedte
ISO CRF:
B2 --NeeJaNeeJa
Zitkussen -
volledige breedte
ISO CRF:
B3 - - Nee Nee Nee Nee
03
3-37
Stoelnummer Positie in de auto Stoelnummer Positie in de auto
1 Links voor 4 2e rij links
2 Midden voor 5 2e rij midden
3 Rechts voor 6 2e rij rechts
Opmerking1): U moet de rugleuning en stoelhoogte (indien van toepassing) correct instellen.
Opmerking2): De zitplaats nummer 5 is niet geschikt voor bevestiging van een kinderzitje met
steunvoet.
Opmerking3): Voor bevestiging van achterstevoren gericht ISOFIX-kinderzitje voor grote peuters
- Bestuurdersstoel: de zittinghoogte moet op de juiste hoogte worden ingesteld.
- Voorpassagiersstoel: de stoel moet in de juiste positie worden gezet.
Plaats nooit een achterstevoren geplaatst kinderzitje op de voorpassagiersstoel, tenzij de
passagiersairbag is uitgeschakeld.
Voor semi-universele of autospecifieke kinderzitjes (ISOFIX of in veiligheidsgordel bevestigd
kinderzitje) raadpleegt u de lijst in de handleiding van het kinderzitje.
Aanbevolen wordt om de hoofdsteun te verwijderen als het kinderzitje onstabiel is als gevolg
van de hoofdsteun
Veiligheidssysteem
3-38
Aanbevolen kinderzitjes (voor Europa)
Gewichtsgroep Naam Fabrikant Type bevestiging ECE-R44/R129
Goedkeuringsnummer
Groep 0+ Cabriofix &
Familyfix Maxi Cosi ISOFIX E4 04443907
Groep I Duo Plus Britax Römer ISOFIX en
bevestigingsband E1 04301133
Group II KidFix II XP Britax Römer ISOFIX en
autogordel E1 04301323
Group III Junior III Graco Autogordel E11 03.44.164
E11 03.44.165
CRS-fabrikantinformatie
Maxi Cosi Cabriofix & Familyfix http://www.maxi-cosi.com
Britax Römer http://www.britax.com
Graco http://www.gracobaby.com
03
3-39
Geschiktheid van elke stoelpositie voor kinderzitjes met gordel & ISOFIX-
kinderzitjes overeenkomstig de VN-voorschriften (behalve Europa)
(Informatie voor voertuigbezitters en fabrikanten van kinderzitjes)
Ja: Geschikt voor plaatsing van de aangeduide categorie kinderzitjes
Nee: Niet geschikt voor plaatsing van de aangeduide categorie kinderzitjes
“-” : Niet van toepassing
De tabel is gebaseerd op een LHD-voertuig. Met uitzondering van de bijrijdersstoel geldt de
tabel ook voor RHD-voertuigen. Gebruik voor de voorpassagiersstoel van auto's met rechtse
besturing de informatie met betrekking tot zitplaats nummer 3.
Categorieën kinderzitjes Zitplaatsen Zitplaats
12 3 4 5 6
Universele, met gordel vast
te zetten kinderzitjes --Ja1)
F, R
Ja
F, R
Ja2)
F, R
Ja
F, R
F: naar voren gericht
F: naar voren gericht
R: naar achteren gericht
R: naar achteren gericht
OOSEV038035L
OOSEV038035L
i-Size kinderzitjes - - Nee Ja
F, R Nee Ja
F, R
ISOFIX-
babyzitjes
(bijv. kinderzitje
voor een baby)
ISOFIX
(R1) - - Nee Ja R Nee Ja R
Reiswieg
(ISOFIX-zitje 'met
het gezicht naar
de zijkant')
ISOFIX
(L1, L2) - - Nee Nee Nee Nee
ISOFIX baby-/
kinderzitje -
small
ISOFIX
(F2, F2X,
R2X)
--Nee Ja
F, R Nee Ja
F, R
ISOFIX-
kinderzitje voor
peuter - groot*
(*: geen
stoelverhogers)
ISOFIX
(F3, R3) --Nee
Ja3)
F, R Nee Ja3)
F, R
Zitkussen -
kleinere breedte
ISO CRF:
B2 --Nee Ja Nee Ja
Zitkussen -
volledige breedte
ISO CRF:
B3 - - Nee Nee Nee Nee
Veiligheidssysteem
3-40
Stoelnummer Positie in de auto Stoelnummer Positie in de auto
1 Links voor 4 2e rij links
2 Midden voor 5 2e rij midden
3 Rechts voor 6 2e rij rechts
Opmerking1): U moet de rugleuning en stoelhoogte (indien van toepassing) correct instellen.
Opmerking2): De zitplaats nummer 5 is niet geschikt voor bevestiging van een kinderzitje met
steunvoet.
Opmerking3): Voor bevestiging van achterstevoren gericht ISOFIX-kinderzitje voor grote peuters
- Bestuurdersstoel: de zittinghoogte moet op de juiste hoogte worden ingesteld.
- Voorpassagiersstoel: de stoel moet in de juiste positie worden gezet.
Plaats nooit een achterstevoren geplaatst kinderzitje op de voorpassagiersstoel, tenzij de
passagiersairbag is uitgeschakeld.
Voor semi-universele of autospecifieke kinderzitjes (ISOFIX of in veiligheidsgordel bevestigd
kinderzitje) raadpleegt u de lijst in de handleiding van het kinderzitje.
Aanbevolen wordt om de hoofdsteun te verwijderen als het kinderzitje onstabiel is als gevolg
van de hoofdsteun
03
3-41
ISOFIX-bevestigingspunten en
Top Tether-bevestigingspunt
(ISOFIX-bevestigingssysteem) voor
kinderzitjes
Het ISOFIX-systeem houdt een kinderzitje
vast tijdens het rijden en bij een ongeval.
Dit systeem is ontworpen om bevestiging
van het kinderzitje gemakkelijker te maken
en de kans op het onjuist bevestigen van
het kinderzitje te reduceren. Het ISOFIX-
systeem gebruikt bevestigingspunten in de
auto en bevestigingen aan het kinderzitje.
Het ISOFIX-systeem maakt het gebruik van
veiligheidsgordels om het kinderzitje op de
achterbank te bevestigen overbodig.
ISOFIX-bevestigingspunten zijn metalen
balken die zijn ingebouwd in de auto. Er zijn
twee onderste bevestigingspunten voor elke
ISOFIX-zitplaats waar een kinderzitje met
onderste bevestigingen aan kan worden
bevestigd.
Om het ISOFIX-systeem van uw auto
te kunnen gebruiken moet u over een
kinderzitje met ISOFIX-bevestigingspunten
beschikken.
Aanwijzingen voor de bevestiging van het
kinderzitje aan de ISOFIX-bevestigingspunten
worden door de fabrikant van het kinderzitje
geleverd.
OOSEV038012
OOSEV038012
ISOFIX-bevestigingspunten bevinden zich
op de buitenste twee zitplaatsen van de
achterbank. Hun locaties worden in de
illustratie getoond.
WAARSCHUWING
Probeer niet om een kinderzitje op de
middelste achterzitplaats te bevestigen
aan ISOFIX-bevestigingspunten. Er zijn
geen ISOFIX-bevestigingspunten voor deze
zitplaats. Als de bevestigingspunten van de
buitenste zitplaatsen worden gebruikt om
een kinderzitje op de middelste zitplaats
van de achterbank te bevestigen, kunnen
de bevestigingspunten beschadigd raken.
Veiligheidssysteem
3-42
OOS037076
OOS037076
[A]: Positie-indicator ISOFIX-bevestigingspunt
(Type A- ,Type B- ),
[B] : ISOFIX-bevestiging
ISOFIX-bevestigingen bevinden zich
tussen de rugleuning en het zitkussen op
de stoelen links en rechts achteraan en
zijn met symbolen gemarkeerd.
Vastzetten van een kinderzitje met
het “ISOFIX-systeem”
Plaats een i-Size of ISOFIX-kinderzitje op
de volgende wijze op een van de buitenste
zitplaatsen achter:
1. Leg de gordelsluiting opzij, uit de buurt
van de ISOFIX-bevestigingspunten.
2. Haal andere voorwerpen uit de buurt van
de bevestigingspunten zodat niets een
correcte verbinding tussen het kinderzitje
en de ISOFIX-bevestigingspunten in de
weg staat.
3. Plaats het kinderzitje op de zitplaats van
de auto en bevestig het zitje conform de
aanwijzingen van de fabrikant van het zitje
aan de ISOFIX-bevestigingspunten.
4. Volg de instructies van de fabrikant
van het kinderzitje op voor correcte
bevestiging en verbinding van de ISOFIX-
bevestigingen van het kinderzitje aan de
ISOFIX-bevestigingspunten.
03
3-43
WAARSCHUWING
Neem bij het gebruik van het
ISOFIX-systeem altijd de volgende
voorzorgsmaatregelen in acht:
Lees en volg alle installatie-instructies
die bij het kinderzitje worden geleverd.
Gesp alle ongebruikte veiligheidsgordels
vast en laat de veiligheidsgordels
strak oprollen achter het kind,
om te voorkomen dat het kind de
veiligheidsgordels pakt en uitrolt.
Kinderen kunnen worden gewurgd
als een schoudergordel om hun nek
gewikkeld raakt en de veiligheidsgordel
aanspant.
Bevestig NOOIT meer dan een kinderzitje
aan een enkel bevestigingspunt.
Hierdoor kan het bevestigingspunt
loskomen of breken.
We raden u aan om het ISOFIX-systeem
na een ongeval te laten nakijken door uw
HYUNDAI-dealer. Een ongeval kan het
ISOFIX-systeem beschadigen waardoor
het kinderzitje niet meer correct kan
worden bevestigd.
Een kinderzitje monteren met
behulp van een systeem met
bevestigingsband
OOS037031
OOS037031
De Top Tether-bevestigingspunten voor
kinderzitjes bevinden zich aan de achterzijde
van de rugleuningen van de achterbank.
OOS037032
OOS037032
Om het tether-bevestigingspunt te
installeren:
1. Voer de bovenste band van het
kinderzitje over de rugleuning. Volg bij
het bevestigen van de bevestigingsband
de instructies van de fabrikant van het
kinderzitje op.
2. Bevestig de Top Tether-riem aan het
top-tether-bevestigingspunt en span
de Top Tether-riem dan aan volgens
de instructies van de fabrikant van het
kinderzitje om het kinderzitje stevig tegen
de zitting te bevestigen.
Veiligheidssysteem
3-44
WAARSCHUWING
Neem de volgende voorzorgsmaatregelen
in acht bij het aansluiten van de
bevestigingsband:
Lees en volg alle installatie-instructies
die bij het kinderzitje worden geleverd.
Bevestig NOOIT meer dan een
kinderzitje aan een enkel ISOFIX-Top
Tether-bevestigingspunt. Hierdoor kan
het bevestigingspunt of de bevestiging
loskomen of breken.
Bevestig de top-tether aan niets
anders dan het juiste Top Tether-
bevestigingspunt. De Top Tether werkt
mogelijk niet correct als deze aan iets
anders wordt bevestigd.
De bevestigingspunten zijn alleen
berekend op de belasting die erop wordt
uitgeoefend door een juist gemonteerd
kinderzitje.
Ze mogen in geen geval worden
gebruikt voor de bevestiging van
veiligheidsgordels voor volwassenen
of voor de bevestiging van andere
voorwerpen in de auto.
Kinderzitje met een driepuntsgordel
bevestigen
Als het ISOFIX-bevestigingssysteem niet
wordt gebruikt, moet een kinderzitje
altijd met het heupgedeelte van een
driepuntsgordel worden vastgezet op een
achterstoel.
OLMB033044
OLMB033044
Bevestigen van een kinderzitje met een
driepuntsgordel
Ga als volgt te werk om een kinderzitje op de
achterbank te bevestigen:
1. Plaats het kinderzitje op een achterstoel
en laat de driepuntsgordel om of door het
zitje lopen, conform de aanwijzingen van
de fabrikant van het zitje. Zorg ervoor dat
de gordel niet verdraaid zit.
OOS037030
OOS037030
2. Plaats de veiligheidsgordel in de geleider
(1) en controleer of de veiligheidsgordel
niet gedraaid is.
03
3-45
ODH033063
ODH033063
3. Bevestig de slottong van de
driepuntsgordel in het gordelslot. Luister
naar het specifieke 'klik'-geluid.
Informatie
Plaats de ontgrendelknop zo dat deze in geval
van nood gemakkelijk bereikbaar is.
OHI038183L
OHI038183L
4. Beperk zo veel mogelijk de speling van
de gordel door tegen het kinderzitje te
drukken terwijl u de schoudergordel door
de blokkeerautomaat laat oprollen.
5. Trek en duw het kinderzitje om te
controleren of het stevig vast zit.
Zie pagina 3-43 als de fabrikant van uw
kinderzitje het gebruik van een Top Tether
in combinatie met de driepuntsgordel
adviseert.
Om het kinderzitje los te maken drukt u op
de ontgrendelknop op de gesp, maakt u de
driepuntsgordel los van het kinderzitje en laat
u de driepuntsgordel volledig oprollen.
3-46
Veiligheidssysteem
Linkse besturing
Linkse besturing
Het werkelijk aantal airbags in de auto kan afwijken van de afbeelding.
OOSN031034L
OOSN031034L
AIRBAG - AANVULLEND VEILIGHEIDSSYSTEEM
1. Bestuurdersairbag
2. Voorpassagiersairbag
3. Zijairbag*
4. Curtain airbag*
*: Indien van toepassing
3-47
03
Rechtse besturing
Rechtse besturing
Het werkelijk aantal airbags in de auto kan afwijken van de afbeelding.
OOSN031034R
OOSN031034R
1. Bestuurdersairbag
2. Voorpassagiersairbag
3. Zijairbag*
4. Curtain airbag*
*: Indien van toepassing
Veiligheidssysteem
3-48
Auto's zijn voorzien van een airbagsysteem
voor de bestuurdersstoel en de
voorpassagiersstoel.
De frontairbags zijn ontworpen om de
driepuntsveiligheidsgordels aan te vullen. De
veiligheidsgordels moeten tijdens het rijden
altijd worden gedragen, willen deze airbags
bescherming bieden.
U kunt ernstig letsel oplopen of overlijden bij
een ongeval als u de veiligheidsgordel niet
draagt. Airbags zijn ontwikkeld als aanvulling
op veiligheidsgordels, maar vervangen ze
niet. Airbags zijn ook niet ontworpen om bij
elke aanrijding op te blazen. Bij sommige
ongevallen zijn de veiligheidsgordels het
enige veiligheidssysteem dat u bescherming
biedt.
WAARSCHUWING
VEILIGHEIDSVOORZORGSMAATREGELEN
M.B.T. AIRBAGS
Gebruik telkens en ALTIJD, bij elke rit
veiligheidsgordels voor iedereen en
kinderzitjes! Zelfs met airbags kunt u ernstig
letsel oplopen of overlijden bij een botsing
als u uw veiligheidsgordel niet correct
draagt als de airbag opblaast.
Vervoer een kind NOOIT op de
voorpassagiersstoel in een kinderzitje of
op een zittingverhoging, tenzij de airbag is
uitgeschakeld.
Het kind kan geraakt worden door een zich
opblazende airbag en kan daardoor zwaar
gewond raken.
Vervoer kinderen jonger dan 13 jaar altijd op
de achterstoelen met de veiligheidsgordels
om. Het is de veiligste plek voor kinderen
van alle leeftijden. Als een kind van 13
jaar of ouder moet plaatsnemen in de
voorpassagiersstoel, moet het kind de
veiligheidsgordel correct dragen en moet
de stoel zo ver mogelijk naar achteren
worden verplaatst.
Alle inzittenden moeten zo rechtop
mogelijk zitten met de rugleuning in een
verticale stand, gecentreerd in de zitting
met hun veiligheidsgordel om, benen
comfortabel gestrekt en hun voeten op de
bodem totdat de auto is geparkeerd en de
motor wordt afgezet. Als een inzittende
niet goed op zijn zitplaats zit tijdens een
ongeval, kan de snel uitvouwende airbag
met geweld in contact komen met de
inzittende en ernstig tot dodelijk letsel
veroorzaken.
Ga niet te dicht op de airbag zitten, dat
geldt ook voor uw passagiers, en leun niet
tegen het portier of de middenconsole.
Zet uw stoel zo ver mogelijk naar achteren,
waarbij u de auto nog wel onder controle
moet kunnen blijven houden.
03
3-49
Waar zitten de airbags?
Frontairbags bestuurder en
voorpassagier
Bestuurdersairbag
Bestuurdersairbag
OOSN031035L
OOSN031035L
Voorpassagiersairbag
Voorpassagiersairbag
OOS030055L
OOS030055L
Uw auto is uitgerust met een aanvullend
veiligheidssysteem (SRS) en driepuntsgordels
voor de bestuurder en de voorpassagier.
Het aanvullende veiligheidssysteem bestaat
uit airbags die zich bevinden in het midden
van het stuurwiel, in de onderste schopplaat
aan bestuurderszijde onder het stuurwiel en
in het bovenste dashboardpaneel voor de
voorpassagier, boven het dashboardkastje.
Op de afdekking van de airbags zijn in reliëf
de letters 'AIR BAG' aangebracht.
Het doel van het aanvullende
veiligheidssysteem is om de bestuurder
en voorpassagier van de auto meer
bescherming te bieden dan die de
veiligheidsgordels alleen kunnen bieden in
het geval van een frontale aanrijding van
afdoende kracht.
WAARSCHUWING
Om de kans op ernstig letsel door een
zich opblazende airbag voor te beperken,
moeten de volgende voorzorgsmaatregelen
getroffen worden:
Alle inzittenden moeten altijd hun
veiligheidsgordel dragen: de gordel
houdt de inzittende zo goed mogelijk op
zijn plaats.
Zet uw stoel zo ver mogelijk naar
achteren, waarbij u de auto nog wel
onder controle moet kunnen blijven
houden.
Leun nooit tegen het portier of de
middenconsole.
Laat de voorpassagier zijn voeten of
benen nooit op het dashboard zetten.
Er mogen geen voorwerpen
(zoals dashboardkleed, mobiele-
telefoonhouder, bekerhouder,
parfumhouder of stickers) over of bij
de airbagmodules in het stuurwiel, het
dashboard, de voorruit, en bij het paneel
boven het dashboardkastje voor de
voorpassagier worden geplaatst. Zulke
voorwerpen kunnen letsel veroorzaken
als het voertuig betrokken raakt bij een
aanrijding met genoeg kracht om de
airbags te activeren.
Bevestig geen voorwerpen aan de
voorruit en de binnenspiegel.
Veiligheidssysteem
3-50
Zijairbags (indien van toepassing)
OJSN038084
OJSN038084
OOS037041
OOS037041
Beide voorstoelen van uw auto zijn uitgerust
met een zijairbag. Het doel van de airbag
is om de bestuurder en de voorpassagier
een aanvullende bescherming te bieden
naast de bescherming geboden door de
veiligheidsgordel.
De zijairbags zijn ontworpen om op te
blazen tijdens bepaalde botsingen van opzij,
afhankelijk van de ernst van de botsing.
De zijairbags aan beide zijden van de auto
zijn zo ontworpen dat ze worden geactiveerd
wanneer door een rollover-sensor wordt
waargenomen dat de auto over de kop slaat
(indien van toepassing)
De zijairbags zijn niet ontworpen om bij alle
aanrijdingen van opzij of situaties waarbij de
auto over de kop kan slaan opgeblazen te
worden.
WAARSCHUWING
Om de kans op ernstig letsel door een
zich opblazende zijairbag te beperken,
moeten de volgende voorzorgsmaatregelen
getroffen worden:
Alle inzittenden moeten altijd hun
veiligheidsgordel dragen: de gordel
houdt de inzittende zo goed mogelijk op
zijn plaats.
Laat passagiers niet met het hoofd of
andere delen van het lichaam tegen
het portier leunen, hun armen uit het
raam steken of voorwerpen tussen de
portieren en de zitplaatsen steken.
Houd het stuurwiel vast op 9 en 3 uur,
zodat de kans op letsel aan uw armen en
handen tot een minimum beperkt wordt.
Gebruik geen accessoire-stoelhoezen.
Deze kunnen de werking van het
systeem beperken.
Hang er geen andere voorwerpen dan
kleding op. Bij een ongeval kunnen
deze voorwerpen persoonlijk letsel
veroorzaken, vooral als de airbag wordt
opgeblazen.
Plaats geen voorwerpen op de airbag of
tussen de airbag en uzelf. Bevestig ook
geen voorwerpen rond de omgeving
waar de airbag opblaast, zoals de
portieren, de zijruiten en de voor- en
achterstijlen.
Plaats geen voorwerpen tussen
het portier en de stoel. Dit kunnen
gevaarlijke projectielen worden als de
zijairbag wordt opgeblazen.
Plaats geen accessoires op of in de buurt
van de zijairbag.
Stoot niet tegen de portieren als het
contact is ingeschakeld omdat de
zijairbags hierdoor geactiveerd kunnen
worden.
Als de stoel of de stoelbekleding
beschadigd zijn, adviseren we u het
systeem te laten repareren door een
officiële HYUNDAI-dealer.
03
3-51
Gordijnairbag (indien van
toepassing)
OOSN031042L
OOSN031042L
OOS037043
OOS037043
De curtain airbags bevinden zich langs
de rand van het dak boven de voor- en
achterportieren.
Ze zijn ontworpen om bij bepaalde
aanrijdingen van opzij het hoofd van de
inzittenden op de zitplaatsen voor en op de
buitenste zitplaatsen achter te beschermen.
De curtain airbags zijn ontworpen om op te
blazen tijdens bepaalde botsingen van opzij,
afhankelijk van de ernst van de botsing.
De curtain airbags aan beide zijden van
de auto zijn zo ontworpen dat ze worden
geactiveerd wanneer door een rollover-
sensor wordt waargenomen dat de auto over
de kop slaat (indien van toepassing)
De curtain airbags zijn niet ontworpen om bij
alle aanrijdingen van opzij of situaties waarbij
de auto over de kop kan slaan opgeblazen te
worden.
WAARSCHUWING
Om de kans op ernstig letsel door een zich
opblazende curtain airbag te beperken,
moeten de volgende voorzorgsmaatregelen
getroffen worden:
Alle inzittenden moeten altijd hun
veiligheidsgordel dragen: de gordel
houdt de inzittende zo goed mogelijk op
zijn plaats.
Plaats kinderzitjes op de juiste manier en
zo ver mogelijk van het portier vandaan.
Plaats geen voorwerpen over de airbag
of tussen de airbag en uzelf. Bevestig
ook geen voorwerpen rond de omgeving
waar de airbag opblaast, zoals de
portieren, de zijruiten, de voor- en
achterstijlen en de dakrand.
Hang uitsluitend kledingstukken op en
geen harde of breekbare voorwerpen.
Bij een ongeval kan dit schade aan de
auto of lichamelijk letsel veroorzaken.
Laat passagiers niet met het hoofd of
andere delen van het lichaam tegen
het portier leunen, hun armen uit het
raam steken of voorwerpen tussen de
portieren en de zitplaatsen steken.
Open of repareer de curtain airbags niet.
Veiligheidssysteem
3-52
Hoe werkt het airbagsysteem?
OOSN031063L
OOSN031063L
De onderdelen van het aanvullend
veiligheidssysteem zijn:
(1) Airbag bestuurder
(2) Voorpassagiersfrontairbagmodule
(3) Zijairbagmodules
(4) Curtain airbagmodules
(5) Oprolmechanisme voorgespannen
gordel achteraan
(indien van toepassing)
(6) Blokkeerautomaten met gordelspanners
(7) Waarschuwingslampje airbag
(8) Airbagmodule (SRSCM)/rollover-sensor
(9) Airbagsensoren voor
(10)
Zijairbagsensoren (acceleratie)
(11)
Zijairbagsensoren (druk)
De SRSCM controleert constant alle
componenten van het systeem als het
contact in stand ON staat, om te bepalen
of een aanrijding zwaar genoeg is om de
airbags of de gordelspanners te activeren.
Waarschuwingslampje AIRBAG
Het controlelampje SRS airbag
(Supplemental Restraint System,
aanvullend veiligheidssysteem) in het
instrumentenpaneel beeldt een airbag af,
zoals is te zien in de illustratie. Het systeem
controleert het elektrisch systeem van de
airbags op storingen. Het lampje geeft
aan dat er mogelijk een probleem is met
het airbagsysteem, inclusief uw zij- en/of
gordijnairbag die voor bescherming tegen
over de kop gaan wordt gebruikt (indien
voorzien van een rollover sensor).
WAARSCHUWING
Bij een storing in het aanvullende
veiligheidssysteem wordt de airbag bij een
ongeval mogelijk niet correct opgeblazen.
Hierdoor neemt de kans op ernstig letsel
toe.
Als een van de volgende omstandigheden
zich voordoet, is er sprake van een storing in
het aanvullende veiligheidssysteem:
Het lampje gaat niet ongeveer zes
seconden branden als het contact in
stand ON wordt gezet.
Het lampje gaat niet na ongeveer zes
seconden uit, maar blijft branden.
Het lampje gaat branden tijdens het
rijden.
Het lampje knippert als de motor draait.
We adviseren u het aanvullende
veiligheidssysteem zo snel mogelijk
door een officiële HYUNDAI-dealer
te laten controleren als een van deze
omstandigheden zich voordoet.
03
3-53
Tijdens een gematigde tot ernstige frontale
botsing detecteren sensoren de snelle
vertraging van de auto. Als de vertraging
hoog genoeg is, activeert de regeleenheid de
frontairbags op het juiste moment en met de
benodigde kracht.
De frontairbags helpen de bestuurder en
de voorpassagier te beschermen door te
reageren op frontale botsingen waarbij de
veiligheidsgordels alleen niet voldoende
bescherming bieden. Indien nodig helpen
de zijairbags bescherming te bieden in het
geval van een aanrijding van opzij of het
over de kop slaan door het bovenlichaam te
ondersteunen.
De airbags worden uitsluitend geactiveerd
(in staat om indien nodig opgeblazen te
worden) als het contact in stand ON staat.
De airbags worden bij bepaalde
aanrijdingen van voren of opzij
geactiveerd om de inzittenden te
beschermen tegen ernstig letsel.
Er is niet één snelheid waarbij de
airbags opblazen. Algemeen zijn
airbags ontworpen om op te blazen
afhankelijk van de ernst van de botsing
en de richting ervan. Deze twee factoren
bepalen of de sensoren een elektronisch
activeringssignaal afgeven.
De frontairbags blazen in een ogenblik
volledig op en lopen weer leeg. Het is
vrijwel onmogelijk om de airbag met
het blote oog te zien opblazen tijdens
een ongeval. De kans is groter dat u de
leeggelopen airbags voor u ziet hangen na
de botsing.
Naast het opblazen tijdens een ernstige
aanrijding van opzij worden bij auto's met
een roll-over-sensor de zijairbags en/of
de curtain airbags opgeblazen als deze
sensor het over de kop slaan van de auto
detecteert.
Wanneer over de kop slaan wordt
gedetecteerd, blijven de curtain airbags
langer opgeblazen om bescherming te
bieden tegen uit de auto slingeren, vooral
in combinatie met de veiligheidsgordels.
(indien uitgerust met een roll-over sensor)
Om een goede bescherming te bieden,
moeten de airbags snel opblazen. De
snelheid waarmee de airbag opblaast
is een resultante van de extreem korte
tijd waarin de airbag moet worden
opgeblazen tussen de inzittende en de
auto voordat de inzittende de auto raakt.
Deze opblaassnelheid reduceert het risico
op ernstig of levensbedreigend letsel en
is dus een noodzakelijk onderdeel van het
airbagontwerp.
Het snel opblazen van een airbag kan
echter ook letsel zoals schaafwonden
in het gezicht, blauwe plekken en
botbreuken veroorzaken, omdat de
snelheid waarmee de airbags worden
opgeblazen tot gevolg heeft dat de
airbags met veel kracht uitzetten.
Er zijn zelfs omstandigheden waaronder
het contact met de airbag tot ernstig
letsel kan leiden, vooral wanneer de
inzittende zeer dicht bij de airbag zit.
U kunt voorzorgsmaatregelen treffen om het
risico op verwondingen door een opblazende
airbag te reduceren. Het grootste risico
bestaat in het te dicht bij de airbag zitten. Een
airbag heeft ruimte nodig om op te blazen.
Aanbevolen wordt om zo ver mogelijk van
het midden van het stuurwiel af te gaan
zitten, maar zodanig dat u nog wel goede
controle over de auto heeft.
Veiligheidssysteem
3-54
Airbag bestuurder (1)
Airbag bestuurder (1)
OLMB033054
OLMB033054
Als de SRSCM oordeelt dat de kracht
waaraan de voorzijde van de auto wordt
blootgesteld een bepaalde drempelwaarde
overschrijdt, activeert hij automatisch de
airbags vóór.
Airbag bestuurder (2)
Airbag bestuurder (2)
OLMB033055
OLMB033055
Bij activering scheuren speciale naden,
ingegoten in de bekleding, direct open door
de expansiedruk van de airbags. Als de
bekleding verder openscheurt, kunnen de
airbags volledig opblazen.
Een volledig opgeblazen airbag, in
combinatie met een correct gedragen
veiligheidsgordel, vertraagt de voorwaartse
beweging van de bestuurder en/of
voorpassagier en reduceert zo het risico op
hoofd- en borstletsel.
Airbag bestuurder (3)
Airbag bestuurder (3)
OLMB033056
OLMB033056
Voorpassagiersairbag
Voorpassagiersairbag
OLMB033057
OLMB033057
Nadat de airbag geheel gevuld is, begint
hij direct weer leeg te lopen, waardoor de
bestuurder weer zicht naar voren krijgt en hij
de auto weer kan besturen of anderszins kan
bedienen.
03
3-55
WAARSCHUWING
Om te voorkomen dat objecten gevaarlijke
projectielen worden wanneer de airbag van
de passagier wordt opgeblazen:
Monteer of plaats geen voorwerpen
(bekerhouder, cd-houder, stickers, enz.)
op het paneel voor de voorpassagier
boven het dashboardkastje waar de
passagiersairbag zich bevindt.
Plaats een eventuele luchtverfrisser niet
in de buurt van het instrumentenpaneel
of op het dashboard.
Wat gebeurt er als een airbag
geactiveerd wordt
Nadat een front- of zijairbag is opgeblazen,
loopt deze zeer snel leeg. Het opblazen van
de airbag belet de bestuurder niet uit de
voorruit te zien of te kunnen sturen. Curtain
airbags kunnen enige tijd opgeblazen blijven
nadat ze geactiveerd zijn.
WAARSCHUWING
Neem na het activeren van een airbag de
volgende voorzorgsmaatregelen:
Open zo snel mogelijk na een aanrijding
de ruiten en de portieren om te
voorkomen dat u te lang aan de rook
en het poeder wordt blootgesteld die
vrijkomen bij het activeren van de
airbag.
Raak de interne componenten van
het airbagcompartiment niet aan
onmiddellijk nadat een airbag is
opgeblazen. De onderdelen die in
contact komen met een opblazende
airbag kunnen zeer heet zijn.
Was de huid die hiermee in aanraking is
gekomen altijd af met koud water en een
milde zeepoplossing.
Wij adviseren om geactiveerde airbags
beslist te laten vervangen bij een
officiële HYUNDAI-dealer. Airbags zijn
ontworpen voor eenmalig gebruik.
Geluid en rookontwikkeling bij het
opblazen van een airbag
Als airbags worden opgeblazen, produceren
ze veel lawaai en kunnen ze rook en fijn stof
in het interieur blazen. Dit is normaal en
is een resultaat van de ontsteking van de
airbag. Nadat de airbag is opgeblazen, kunt
u aanzienlijke ademhalingsmoeilijkheden
ervaren door het contact van uw borstkas
met zowel de veiligheidsgordel als de airbag,
evenals door het inademen van de rook
en het poeder. Het poeder kan astma voor
sommige mensen erger maken. Raadpleeg
onmiddellijk een arts als u na het activeren
van een airbag ademhalingsproblemen
ervaart.
Hoewel de rook en het poeder niet giftig
zijn, kunnen ze irritatie veroorzaken aan de
huid, ogen, neus, keel enz. Als dit het geval
is, was en spoel onmiddellijk met koud water
en zoek medische hulp als de symptomen
aanhouden.
Veiligheidssysteem
3-56
Plaats geen kinderzitje op de
voorpassagiersstoel
OHI038169L
OHI038169L
Plaats nooit een kinderzitje op de
voorpassagiersstoel, tenzij de airbag is
uitgeschakeld. Een zich opblazende airbag
kan het kind of het zitje hard raken, wat
ernstig letsel tot gevolg kan hebben
WAARSCHUWING
Gebruik NOOIT een achterstevoren
geplaatst kinderzitje op een stoel die wordt
beveiligd door een ACTIEVE AIRBAG ervoor,
anders kan het kind DODELIJK of ERNSTIG
gewond raken.
Waarom werd de airbag bij een
aanrijding niet geactiveerd?
Er zijn bepaalde soorten ongevallen waarbij
niet moet worden verwacht dat de airbag
aanvullende bescherming biedt. Dit zijn
bijvoorbeeld botsingen van achteren,
tweede of derde botsingen bij ongevallen
met meerdere botsingen en botsingen met
lage snelheid. Schade aan de auto geeft aan
dat er botsingsenergie is geabsorbeerd en is
geen indicator voor of een airbag nu wel of
niet had moeten worden geactiveerd.
Airbagsensoren
WAARSCHUWING
Beperk de kans op ernstig letsel door een
zich onverwacht opblazende airbag:
Let op dat u niet tegen plaatsen aanstoot
waar de airbags of airbagsensoren zijn
ingebouwd.
Voer geen onderhoud uit aan of rond
de airbagsensoren. Als de locatie of
hoek van de sensoren wordt gewijzigd,
kunnen de airbags worden geactiveerd
als dat niet moet of niet worden
geactiveerd als dat wel moet.
Het monteren van niet-originele
HYUNDAI-bumperbeschermers of
niet-gelijkwaardige wisselstukken
kan een nadelige invloed hebben op
de bescherming bij een aanrijding en
de prestaties van de airbags. Om een
correcte werking van het airbagsysteem
te garanderen raden we aan om de
bumper te vervangen met echte
HYUNDAI-onderdelen of met specifieke
gelijkwaardige wisselstukken voor uw
voertuig.
Zet, als de auto moet worden gesleept,
het contact in stand LOCK/OFF of ACC
om te voorkomen dat de airbag onnodig
wordt geactiveerd.
Laat alle reparaties aan airbags door een
officiële HYUNDAI-dealer uitvoeren.
3-57
03
OOSN031044L/OOSN031045L/OOSN031046L/OOS037047/OOS037077
OOSN031044L/OOSN031045L/OOSN031046L/OOS037047/OOS037077
1. Airbagmodule
2. Airbagsensor voor (voorzijde)
3. Druksensor opzij (voor)*
4. Zijairbagsensor (achter)*
*: Indien van toepassing
Veiligheidssysteem
3-58
Voorwaarden voor activeren airbags
OOSN031049L
OOSN031049L
Airbags vóór
Frontairbags zijn ontworpen om te worden
opgeblazen bij een frontale aanrijding,
afhankelijk van de kracht, snelheid of hoeken
van de frontale botsing.
OOSN031050L
OOSN031050L
OCN7030042
OCN7030042
Zijairbags en gordijnairbags
Zij- en curtain airbags zijn ontworpen om te
worden opgeblazen als een botsing wordt
gedetecteerd door sensoren botsing van
opzij, afhankelijk van de kracht, snelheid of
hoeken van de botsing van opzij.
Hoewel de frontairbags voor bestuurder en
voorpassagier zijn ontworpen om te worden
opgeblazen bij frontale botsingen, kunnen ze
ook worden opgeblazen bij andere soorten
botsingen als de botsingssensoren voor een
voldoende krachtige botsing detecteren. De
zij- en curtain airbags zijn ontworpen om te
worden opgeblazen bij een botsing van opzij,
maar ze kunnen ook worden opgeblazen bij
andere botsingen als de sensoren botsing
van opzij een voldoende krachtige botsing
detecteren.
De zij- en curtain airbags zijn ook ontworpen
om te worden opgeblazen als de roll-over-
sensor detecteert dat de auto over de kop
slaat (indien uitgerust met een roll-over-
sensor)
Als de bodem van de auto wordt geraakt
door hobbels of voorwerpen op onverharde
wegen, kunnen de airbags worden
geactiveerd. Rijd voorzichtig op onverharde
wegen of op ondergronden die niet zijn
bedoeld voor autoverkeer, om onbedoelde
activering van airbags te voorkomen.
03
3-59
Voorwaarden voor niet activeren
van de airbags
OOSN031052L
OOSN031052L
Bij bepaalde botsingen met lage snelheid
worden de airbags mogelijk niet geactiveerd.
De airbags zijn ontworpen om in dergelijke
gevallen niet te activeren omdat ze dan geen
aanvullende bescherming bieden op de
bescherming van de veiligheidsgordels.
OOSN031053L
OOSN031053L
Frontairbags zijn niet ontworpen om
te worden opgeblazen bij een botsing
van achteren, omdat de inzittenden dan
naar achteren worden verplaatst door de
kracht van de botsing. In dit geval zouden
opgeblazen airbags voor geen extra
bescherming bieden.
OOSN031051L
OOSN031051L
De airbags voor worden bij zijdelingse
aanrijdingen soms niet geactiveerd. De
inzittenden bewegen altijd in de richting van
de aanrijding, waardoor het activeren van de
airbags voor geen extra bescherming aan de
inzittenden biedt.
De zijairbags en curtain airbags kunnen
echter wel worden opgeblazen, afhankelijk
van de ernst, de rijsnelheid en de
botsingshoek.
OTL035069
OTL035069
Bij een aanrijding onder een hoek kan de
kracht van de aanrijding de inzittenden in een
richting verplaatsen, waarin de airbags geen
extra bescherming zouden bieden, een reden
waarom de sensoren mogelijk geen airbags
activeren.
Veiligheidssysteem
3-60
OOSN031055L
OOSN031055L
Net voor een botsing remmen bestuurders
vaak krachtig. Dit krachtige remmen
verlaagt de voorzijde van de auto waardoor
deze onder een voertuig met een grotere
grondspeling kan duiken. In dergelijke
situaties kunnen de airbags mogelijk niet
worden opgeblazen omdat de afremkrachten
die dan worden gedetecteerd door de
sensoren aanzienlijk gereduceerd kunnen
zijn.
OTL035068
OTL035068
Als de auto over de kop slaat, bieden de
airbags voor geen extra bescherming aan
de inzittenden. Ze worden dan ook niet
geactiveerd.
Informatie
Auto's met rollover-sensor
De zijairbags en de curtain airbags kunnen
worden geactiveerd als de auto over de kop
slaat, wanneer dit door de roll-over-sensor
wordt gedetecteerd.
Auto's zonder rollover-sensor
Als de auto is uitgerust met zij- en
gordijnairbags, worden deze mogelijk
geactiveerd wanneer de auto over de kop
slaat als gevolg van een aanrijding van
opzij.
OOSN031054L
OOSN031054L
De airbags worden soms niet geactiveerd
bij een aanrijding tegen een boom of paal,
waarbij de botskracht zich concentreert en
de botsingsenergie door de constructie van
de auto wordt geabsorbeerd.
03
3-61
Onderhoud aanvullend
veiligheidssysteem
Het aanvullend veiligheidssysteem is
praktisch onderhoudsvrij en er zijn geen
onderdelen waar u zelf veilig onderhoud
aan kunt uitvoeren. Als het controlelampje
SRS airbag niet gaat branden wanneer het
contact wordt ingeschakeld, of continu blijft
branden, adviseren we u het systeem direct
bij een officiële HYUNDAI-dealer te laten
controleren.
We adviseren alle werkzaamheden aan
het aanvullende veiligheidssysteem, zoals
het verwijderen, monteren, repareren
of alle andere werkzaamheden aan het
stuurwiel, het paneel voor de voorpassagier,
voorstoelen en dakrand te laten uitvoeren
door een officiële HYUNDAI-dealer.
Onjuiste behandeling van het aanvullende
veiligheidssysteem kan ernstig lichamelijk
letsel tot gevolg hebben.
WAARSCHUWING
Om de kans op ernstig letsel te beperken,
moeten de volgende voorzorgsmaatregelen
getroffen worden:
Wijzig onderdelen van het aanvullende
veiligheidssysteem of de bedrading
niet, neem deze onderdelen of de
bedrading ervan niet los, breng geen
stickers enzovoort op afdekkappen van
het systeem aan en wijzig niets aan de
carrosseriestructuur.
Plaats geen voorwerpen over of bij
de airbagmodules in het stuurwiel,
instrumentenpaneel en het paneel
voor de voorpassagier boven het
dashboardkastje.
Reinig de afdekkingen van de airbags
met een zachte doek, bevochtigd met
wat schoon water. Oplosmiddelen
of reinigingsmiddelen kunnen de
airbagafdekkingen en de juiste werking
van het systeem nadelig beïnvloeden.
Laat geactiveerde airbags vervangen
door een officiële HYUNDAI-dealer.
Als onderdelen van het airbagsysteem
moeten worden afgevoerd of de auto
moet worden gerecycled, moeten
bepaalde veiligheidsmaatregelen in acht
worden genomen. Neem contact op met
een officiële HYUNDAI-dealer voor de
benodigde informatie. Het niet naleven
van deze voorzorgsmaatregelen kan het
risico op persoonlijk letsel vergroten.
Veiligheidssysteem
3-62
Aanvullende
voorzorgsmaatregelen met
betrekking tot de veiligheid
De inzittenden mogen tijdens het rijden niet
uit hun stoel komen of van plaats wisselen.
Een passagier die tijdens een botsing of
noodstop geen veiligheidsgordel draagt,
kan tegen de binnenkant van het voertuig of
tegen andere inzittenden worden gegooid, of
uit het voertuig worden geslingerd.
Gebruik geen accessoires op
veiligheidsgordels. Apparaten die
beweren het comfort van de inzittende
te verbeteren of de veiligheidsgordel te
verplaatsen, kunnen de bescherming van de
veiligheidsgordel verminderen en de kans op
ernstig letsel bij een botsing vergroten.
Wijzig de voorstoelen niet.
Modificaties aan de voorstoelen kunnen de
werking van de sensoren of zijairbags van
het aanvullend veiligheidssysteem nadelig
beïnvloeden.
Plaats geen voorwerpen onder de
voorstoelen. Voorwerpen onder de
voorstoelen kunnen de werking van de
sensoren en de bedrading van het aanvullend
veiligheidssysteem nadelig beïnvloeden.
Stoot niet tegen de portieren. Als het
contact is ingeschakeld kunnen stoten tegen
de portieren de airbags activeren.
Monteren van accessoires of
modificaties aan uw met airbags
uitgeruste auto
Als u uw auto wijzigt door het frame, het
bumpersysteem, de voorkant of zijbeplating
van de auto of de rijhoogte te veranderen,
kan dit de werking van het airbagsysteem van
uw auto beïnvloeden.
Waarschuwingslabel airbag
OOS037079L
OOS037079L
Het waarschuwingslabel van de airbags is
bedoeld om de passagiers te waarschuwen
voor de mogelijke gevaren van het
airbagsysteem.
Lees alle informatie over de airbags van uw
auto in dit instructieboekje.
4
Instrumentenpaneel .........................................................................................4-4
Bediening instrumentenpaneel ...................................................................................4-5
Dashboardverlichting ................................................................................................4-5
Meters en tellers .......................................................................................................... 4-6
Snelheidsmeter ......................................................................................................... 4-6
Toerenteller ............................................................................................................... 4-6
Koelvloeistoftemperatuurmeter ............................................................................... 4-7
Brandstofmeter ..........................................................................................................4-7
Buitentemperatuurmeter ......................................................................................... 4-8
Kilometerteller .......................................................................................................... 4-9
Actieradius ................................................................................................................ 4-9
Instellingen CUSTOM-modus ................................................................................. 4-10
Schakelindicator transmissie..................................................................................... 4-10
Waarschuwings- en controlelampjes ........................................................................ 4-11
Waarschuwingslampje airbag .................................................................................. 4-11
Waarschuwingslampje veiligheidsgordel ............................................................... 4-11
Waarschuwingslampje parkeerrem en remvloeistofpeil ...................................... 4-12
Waarschuwingslampje antiblokkeersysteem (ABS) .............................................. 4-13
Waarschuwingslampje elektronische remkrachtverdeling (EBD) ........................ 4-13
Waarschuwingslampje elektrische stuurbekrachtiging (EPS) .............................. 4-13
Controlelampje motormanagement (MIL) ............................................................. 4-14
Waarschuwingslampje laadsysteem ...................................................................... 4-14
Oliedruklampje ......................................................................................................... 4-15
Waarschuwingslampje motoroliepeil ..................................................................... 4-16
Waarschuwingslampjebeperkt brandstofniveau................................................... 4-16
Waarschuwingslampje te hoge snelheid .............................................................. 4-16
Hoofdwaarschuwingslampje ...................................................................................4-17
Waarschuwingslampje lage bandenspanning ........................................................4-17
Waarschuwingslampje uitlaatsysteem (GPF) (voor benzinemotor) .................... 4-18
Controlelampje Elektronische stabiliteitscontrole (ESC) ..................................... 4-18
Controlelampje Electronic Stability Control (voertuigstabiliteitsregeling) (ESC)
OFF ............................................................................................................................4-18
Controlelampje ECS SPORT .................................................................................... 4-19
Controlelampje AUTO STOP .................................................................................... 4-19
Controlelampje startblokkeersysteem .................................................................. 4-19
Controlelampje richtingaanwijzer ..........................................................................4-20
Controlelampje dimlicht..........................................................................................4-20
Controlelampje grootlicht .......................................................................................4-20
Controlelampje High Beam Assist ..........................................................................4-20
Controlelampje verlichting AAN .............................................................................4-20
Controlelampje mistachterlicht ..............................................................................4-21
Waarschuwingslampje LED-koplamp .....................................................................4-21
Controlelampje cruisecontrol ..................................................................................4-21
4. Instrumentenpaneel
4
Controlelampje SET .................................................................................................4-21
Controlelampjesnelheidsbegrenzer ........................................................................4-21
Controlelampje Downhill Brake Control (DBC) ......................................................4-21
Controlelampje SPORT-modus ...............................................................................4-22
Controlelampje ECO-modus ...................................................................................4-22
Waarschuwingslampje voorwaartseveiligheid ......................................................4-22
Controlelampje rijstrookveiligheid .........................................................................4-22
Waarschuwingslampje gladheid .............................................................................4-22
Controlelampje N-modus .......................................................................................4-23
Controlelampje CUSTOM-modus ...........................................................................4-23
Lcd-displayberichten .................................................................................................4-23
Shift to P (Schakel naar P) .......................................................................................4-23
Low Key Battery (Lage Batterij Sleutel) ..................................................................4-23
Press START button while turning wheel (Druk op STARTknop tijd. draaien
stuurw.) ..................................................................................................................... 4-23
Steering wheel not locked (Stuurwielslot ontgrendeld) .......................................4-23
Check Steering Wheel Lock System (Controleer Systeem Stuurwielslot) ...........4-24
Press brake pedal to start engine (Duw op remped. voor starten motor) ...........4-24
Key not in vehicle (sleutel niet in auto) ...................................................................4-24
Key not detected (Sleutel niet gevonden) ..............................................................4-24
Press START button with key (Druk op de START-knop met de sleutel) ..............4-24
Press START button again (Druk opnieuw op de START-knop) ............................4-24
Check BRAKE SWITCH fuse (Controleer zekering BRAKE SWITCH) ....................4-24
Shift to P or N to start engine (Schakel naar P of N voor starten) ........................4-24
Portier, motorkap, achterklep open .......................................................................4-25
Zonnedak Open ........................................................................................................4-25
Lichtenmodus ..........................................................................................................4-25
Ruitenwissermodus .................................................................................................4-25
Lage spanning ..........................................................................................................4-26
Schakel de FUSE SWITCH in ...................................................................................4-26
Low washer fluid (Laag sproeivloeistofniveau) .....................................................4-26
Low fuel (brandstofniveau laag) .............................................................................4-26
Engine overheated/Engine has overheated (De motor is oververhit/Motor
oververhit) ................................................................................................................4-26
Check exhaust system (Controleer uitlaatsysteem) .............................................. 4-27
Check headlight (Controleer koplamp (grootlicht)) .............................................. 4-27
Check High Beam Assist (Check systeem voor koplamphulp) ............................ 4-27
Check forward safety system (Controleer kop-staartveiligheidsystemen).......... 4-27
Check Driver Attention Warning (DAW) system (Controleer
Waarschuwingssysteem voor de aandacht van de bestuurder (DAW)) ............... 4-27
Check Lane Keeping Assist (LKA) system (Controleer Lane Keeping Assist-
systeem (LKA, rijvakassistentie)) ............................................................................. 4-27
4
Lcd-display ...................................................................................................... 4-28
Bediening lcd-display ................................................................................................4-28
Weergavemodi ...........................................................................................................4-29
Modus van de boordcomputer .............................................................................. 4-30
Rijadvies (TBT, Turn by Turn) .................................................................................. 4-30
Rijassistentie ........................................................................................................... 4-30
Sportweergave ......................................................................................................... 4-31
Hoofdwaarschuwingslampje ..................................................................................4-33
Boordcomputer ..........................................................................................................4-34
Dagtellermodi ..........................................................................................................4-34
Voertuiginstellingen (infotainmentsysteem) ................................................ 4-36
instellingen voor uw voertuig ...................................................................................4-36
4. Instrumentenpaneel
4-4
Instrumentenpaneel
Gewone stand
Gewone stand
N-modus
N-modus
Het werkelijke instrumentenpaneel kan afwijken van de afbeelding.
Zie “Meters en tellers” in dit hoofdstuk voor meer informatie.
OOSN041001L/OOSN041037L
OOSN041001L/OOSN041037L
INSTRUMENTENPANEEL
1. Toerenteller
2. Snelheidsmeter
3. Koelvloeistoftemperatuurmeter
4. Brandstofmeter
5. Verlichting versnellingspook
04
4-5
Bediening instrumentenpaneel
Dashboardverlichting
OOSN041009L
OOSN041009L
Met behulp van de bedieningstoets kan de
sterkte van de dashboardverlichting geregeld
worden wanneer de parkeerlichten of de
dim-/grootlichten branden.
Wanneer de bedieningstoets van de
dashboardverlichting wordt ingedrukt, wordt
ook de sterkte van de verlichting van de
schakelaars aangepast.
Type A
Type A
OOSN041017L
OOSN041017L
Type B
Type B
OCN7040019L
OCN7040019L
De helderheid van de
dashboardverlichting wordt weergegeven.
Als de verlichting maximaal of minimaal
is, klinkt een waarschuwingsgeluid.
u kunt ook de verlichting van
het instrumentenpaneel en het
infotainmentsysteem aanpassen.
OOSN041018L
OOSN041018L
De helderheid van het
instrumentenpaneel kan ook worden
ingesteld op het scherm van het
infotainmentsysteem. Wanneer de
knop Motor Start/Stop op AAN staat,
selecteert u ‘Settings Display
Brightness’ (‘Instellingen Scherm
Helderheid’).
Wanneer ‘Auto-brightness’ (‘Automatische
helderheid’) is geselecteerd in het
menu Settings (Instellingen), wordt de
helderheid automatisch aangepast.
Als de helderheid van de
instrumentenpaneelverlichting wordt
aangepast, wordt ook de sterkte van de
verlichting van de schakelaars aangepast.
WAARSCHUWING
Stel het instrumentenpaneel nooit in tijdens
het rijden. Hierdoor kunt u de controle over
de auto verliezen, waardoor u een ongeluk
met ernstig letsel of schade aan de auto
kunt veroorzaken.
Instrumentenpaneel
4-6
Meters en tellers
Snelheidsmeter
Gewone stand
Gewone stand
km/uur
km/uur
MPH, km/h
MPH, km/h
OCN7040005
OCN7040005
OCN7040005L
OCN7040005L
N-modus
N-modus
km/uur
km/uur
mph
mph
OOSN041038L
OOSN041038L
OOSN041038E
OOSN041038E
De snelheidsmeter geeft de rijsnelheid van
de auto aan en is gekalibreerd in kilometers
per uur (km/uur).
Toerenteller
Gewone stand
Gewone stand
OCN7040007
OCN7040007
N-modus
N-modus
OOSN041039L
OOSN041039L
De toerenteller geeft het aantal
omwentelingen per minuut (OPM) bij
benadering weer.
Gebruik de toerenteller om de juiste
schakelmomenten te kiezen en voorkom dat
de motor zwaar moet trekken of met te hoge
toerentallen draait.
AANWIJZING
Zorg ervoor dat het motortoerental niet
toeneemt tot in het rode gebied. Anders kan
er ernstige motorschade ontstaan.
04
4-7
Koelvloeistoftemperatuurmeter
Gewone stand
Gewone stand
OCN7040009
OCN7040009
N-modus
N-modus
OOSN041043L
OOSN041043L
Wanneer het contact in stand
ON staat, geeft deze meter de
motorkoelvloeistoftemperatuur weer.
AANWIJZING
Als de naald van de meter buiten het
normale bereik komt en in de richting van
stand "130 of H" beweegt, duidt dit op
oververhitting van de motor, waardoor
schade aan de motor kan ontstaan.
Blijf niet rijden met een oververhitte motor.
Raadpleeg "Als de motor oververhit raakt"
in hoofdstuk 4 bij oververhitting van uw
motor.
WAARSCHUWING
Verwijder de radiateurdop nooit als de
motor heet is. De koelvloeistof staat
onder druk en kan ernstige brandwonden
veroorzaken. Wacht totdat de motor is
afgekoeld alvorens het reservoir bij te vullen
met koelvloeistof.
Brandstofmeter
Gewone stand
Gewone stand
OCN7040011
OCN7040011
N-modus
N-modus
OBC3N040013
OBC3N040013
De brandstofmeter geeft bij benadering de
hoeveelheid brandstof aan die nog in de tank
aanwezig is.
Instrumentenpaneel
4-8
Informatie
De inhoud van de brandstoftank staat in
hoofdstuk 2.
De brandstofmeter is daarnaast uitgerust
met een waarschuwingslampje laag
brandstofniveau op het dashboard. Dit
lampje gaat branden als de brandstoftank
bijna leeg is.
Bij hellingen en bochten beweegt mogelijk
de naald van de brandstofmeter of
gaat het waarschuwingslampje laag
brandstofniveau mogelijk eerder branden
dan gebruikelijk, doordat de brandstof in
de brandstoftank heen en weer beweegt.
WAARSCHUWING
Het is gevaarlijk als de auto zonder
brandstof komt te staan.
Vul de brandstoftank zo snel mogelijk als
het waarschuwingslampje gaat branden
of als de naald van de brandstofmeter de
stand '0' of 'E' (Leeg) nadert.
AANWIJZING
Vermijd rijden met een extreem laag
brandstofniveau. Wanneer de brandstof
opraakt, kan de motor overslaan, waardoor
de katalysator beschadigd raakt.
Buitentemperatuurmeter
Gewone stand
Gewone stand
N-modus
N-modus
OCN7040012
OCN7040012
OBC3N040015
OBC3N040015
De meter geeft de actuele
buitentemperatuur aan in graden Celsius (°C)
of graden Fahrenheit.
- Temperatuurbereik: -40°C ~ 60°C
(-40°F ~ 140°F)
De buitentemperatuur op het display
wijzigt mogelijk niet onmiddellijk zoals bij
een gewone thermometer. Dit is om te
voorkomen dat de bestuurder erdoor wordt
afgeleid.
De eenheid van de temperatuur kan als volgt
van °C in °F worden gewijzigd of van °F in °C:
- Instellingenmenu op het scherm van het
infotainmentsysteem: Setup (Instellen)
General Settings (Algemene instellingen)
Unit (Eenheid) Temperature Unit
(Temperatuureenheid) °C/°F
- Automatisch verwarmings- en
ventilatiesysteem: Houd, terwijl u op de
toets OFF drukt, de toets AUTO ten minste
3 seconden ingedrukt.
De temperatuureenheid op het
instrumentenpaneel en de klimaatregeling
zal onmiddellijk veranderen.
04
4-9
Kilometerteller
Gewone stand
Gewone stand
N-modus
N-modus
OTM040019
OTM040019
OOSN041042L
OOSN041042L
De kilometerteller geeft de totale afstand
aan die met de auto is gereden en dient ook
te worden gebruikt om te bepalen wanneer
periodiek onderhoud nodig is.
Actieradius
Gewone stand
Gewone stand
N-modus
N-modus
OTM040020
OTM040020
OBC3N040017
OBC3N040017
De actieradius is de geschatte afstand die
het voertuig met de resterende brandstof
kan afleggen.
Als de geschatte afstand minder dan
1 km (1 mi.) is, dan geeft het scherm "---"
weer bij de actieradius.
Informatie
Als de auto niet op een horizontaal vlak
staat of nadat de accupolen losgenomen
zijn, kan het gebeuren dat de functie
actieradius niet goed werkt.
De actieradius kan afwijken van de
daadwerkelijke rijafstand omdat het een
schatting is van de afstand die met de auto
kan worden gereden.
Indien er minder dan 6 liter (1,6 gallon)
brandstof getankt wordt, wordt dat niet
door de boordcomputer geregistreerd.
De actieradius is sterk afhankelijk van
de rijomstandigheden, de rijstijl van de
bestuurder en de staat van de auto.
Instrumentenpaneel
4-10
Instellingen CUSTOM-modus
OOSN041040L
OOSN041040L
De belangrijkste instellingen van de
CUSTOM-modus worden onderaan op
het instrumentenpaneel weergegeven. De
CUSTOM-modus kan worden ingesteld op
het infotainmentsysteem.
Informatie
Zie het onderdeel 'Drive Mode Integrated
Control System' (in Drive-stand geïntegreerd
regelsysteem) in hoofdstuk 6 voor meer
informatie voer de CUSTOM-modus.
Schakelindicator transmissie
Gewone stand
Gewone stand
OCN7040013
OCN7040013
N-modus
N-modus
OOSN041041L
OOSN041041L
Deze indicator geeft weer welke stand van de
selectiehendel is geselecteerd.
• Parkeerstand: P
• Achteruit: R
• Neutraal: N
• Rijstand: D
Handmatige schakelstand: D1, D2, D3, D4,
D5, D6, D7, D8
04
4-11
Gewone stand
Gewone stand
OCN7040014
OCN7040014
N-modus
N-modus
OBC3N040020
OBC3N040020
In de handmatige schakelstand geeft deze
indicator aan in welke versnelling u het beste
kunt rijden om brandstof te besparen.
Schakelindicator Double Clutch-
transmissie
- Opschakelen: 2, 3, 4, 5,
6, 7, 8
- Terugschakelen: 1, 2, 3, 4, 5,
6, 7
Bijvoorbeeld
: Geeft aan dat opschakelen naar
de 3e versnelling wenselijk is (de
selectiehendel staat in de 2e of 1e
versnelling).
: Geeft aan dat terugschakelen naar
de 3e versnelling wenselijk is (de
selectiehendel staat in de 4e, 5e of 6e
versnelling).
Wanneer het systeem niet correct werkt,
wordt de indicator niet weergegeven.
Waarschuwings- en
controlelampjes
Informatie
Controleer of alle waarschuwingslampjes UIT
zijn nadat u de motor hebt gestart. Eventuele
lampjes die nog branden, kunnen op een
storing duiden.
Waarschuwingslampje
airbag
Dit waarschuwingslampje gaat branden:
Als het contact of de toets ENGINE
START/STOP in de stand ON wordt gezet.
- Het lampje blijft ongeveer 6 seconden
branden en gaat dan uit.
In geval van een storing met de
airbagmodule.
In dat geval adviseren we u de auto
te laten controleren door een officiële
HYUNDAI-dealer.
Waarschuwingslampje
veiligheidsgordel
Dit waarschuwingslampje attendeert de
bestuurder erop dat de veiligheidsgordel niet
is vastgemaakt.
Zie voor meer informatie
"Veiligheidsgordels" in hoofdstuk 3.
Instrumentenpaneel
4-12
Waarschuwingslampje
parkeerrem en
remvloeistofpeil
Dit waarschuwingslampje gaat branden:
Als het contact of de toets ENGINE
START/STOP in de stand ON wordt gezet.
- Het lampje blijft ongeveer 3 seconden
branden
- Het blijft branden als de parkeerrem is
geactiveerd.
Wanneer de parkeerrem is geactiveerd.
Wanneer het remvloeistofpeil in het
reservoir laag is.
- Als het waarschuwingslampje blijft
branden terwijl de parkeerrem niet
aangetrokken is, kan dit duiden op
een te laag remvloeistofniveau in het
reservoir.
Als het remvloeistofpeil in het reservoir laag is:
1. Rijd voorzichtig naar de kant van de weg
en breng de auto op een veilige plaats tot
stilstand.
2. Schakel de motor uit en controleer het
remvloeistofniveau direct. Vul indien
nodig remvloeistof bij (zie voor meer
informatie "Remvloeistof" in hoofdstuk
9). Controleer na het toevoegen van
remvloeistof alle remonderdelen
op vloeistoflekkage. Als een
remvloeistoflek wordt gevonden of als het
waarschuwingslampje blijft branden of
als de remmen niet goed werken, rijd dan
niet met de auto. Wij adviseren u de auto
te laten controleren door een officiële
HYUNDAI-dealer.
Diagonaal gescheiden remsysteem
Uw auto is uitgerust met een diagonaal
gescheiden remsysteem. Dat betekent dat
als er in een van de remcircuits een probleem
optreedt, u de auto met het overgebleven
remcircuit tot stilstand kunt brengen.
Als een van de remcircuits is uitgevallen,
wordt de slag van het rempedaal groter en
moet er meer druk op het rempedaal worden
uitgeoefend om de auto tot stilstand te
brengen.
Verder zal in dat geval de remweg toenemen.
Schakel bij een defect in het remsysteem
terug om sterker op de motor af te remmen
en breng de auto op een veilige plaats tot
stilstand.
WAARSCHUWING
Waarschuwingslampje parkeerrem en
remvloeistofpeil
Rijden met een auto waarvan een
waarschuwingslampje brandt, is gevaarlijk.
Als het waarschuwingslampje parkeerrem
en remvloeistofniveau blijft branden
wanneer de parkeerrem niet is geactiveerd,
kan dit duiden op een laag remvloeistofpeil
in het reservoir.
In dat geval adviseren we u de auto te laten
controleren door een officiële HYUNDAI-
dealer.
04
4-13
Waarschuwingslampje
antiblokkeersysteem (ABS)
Dit waarschuwingslampje gaat branden:
Als het contact of de toets ENGINE
START/STOP in de stand ON wordt gezet.
- Het lampje blijft ongeveer 3 seconden
branden en gaat dan uit.
Als er een storing in het ABS is (Het
normale remsysteem werkt in dat geval
nog wel, maar het antiblokkeersysteem
niet).
In dat geval adviseren we u de auto
te laten controleren door een officiële
HYUNDAI-dealer.
Waarschuwingslampje
elektronische
remkrachtverdeling (EBD)
Deze twee waarschuwingslampjes gaan tegelijk
branden tijdens het rijden:
Het antiblokkeersysteem en het
remsysteem werken mogelijk niet goed.
In dat geval adviseren we u de auto
te laten controleren door een officiële
HYUNDAI-dealer.
WAARSCHUWING
Waarschuwingslampje elektronische
remkrachtverdeling (EBD)
Als de waarschuwingslampjes ABS
en parkeerrem en remvloeistofniveau
tegelijkertijd branden, werkt het
remsysteem niet normaal en kunt u in
onverwachte en gevaarlijke situaties
terechtkomen als u plotseling moet
remmen.
Vermijd in dit geval hard rijden en plotseling
remmen.
Wij adviseren u uw auto zo snel mogelijk
te laten controleren door een officiële
HYUNDAI-dealer.
Informatie
Waarschuwingslampje elektronische
remkrachtverdeling (EBD)
Als het waarschuwingslampje ABS brandt,
of zowel het waarschuwingslampje ABS
als het waarschuwingslampje parkeerrem
en remvloeistofniveau branden, werken
de snelheidsmeter, kilometerteller of
dagteller mogelijk niet. Ook kan het
waarschuwingslampje EPS gaan branden en
het zwaarder of minder zwaar worden om te
sturen.
In dat geval adviseren we u de auto zo snel
mogelijk te laten controleren door een officiële
HYUNDAI-dealer.
Waarschuwingslampje
elektrische
stuurbekrachtiging (EPS)
Dit waarschuwingslampje gaat branden:
Als het contact of de toets ENGINE
START/STOP in de stand ON wordt gezet.
- Het lampje blijft ongeveer 3 seconden
branden en gaat dan uit.
Wanneer er een storing is in het
elektrische stuurbekrachtigingssysteem.
In dat geval adviseren we u de auto
te laten controleren door een officiële
HYUNDAI-dealer.
Instrumentenpaneel
4-14
Controlelampje
motormanagement (MIL)
Dit waarschuwingslampje gaat branden:
Als het contact of de toets ENGINE
START/STOP in de stand ON wordt gezet.
- Het lampje blijft ongeveer 3 seconden
branden en gaat dan uit.
Als er een storing is in het
emissieregelsysteem.
In dat geval adviseren we u de auto
te laten controleren door een officiële
HYUNDAI-dealer.
AANWIJZING
Wanneer u met een brandend
controlelampje motormanagement (MIL)
blijft doorrijden, kan schade aan het
emissieregelsysteem ontstaan. Dit kan een
nadelige invloed hebben op de rijprestaties
en/of het brandstofverbruik.
AANWIJZING
Wanneer het controlelampje
motormanagement (MIL) gaat branden, kan
de katalysator beschadigd zijn. Hierdoor
kan het motorvermogen teruglopen.
In dat geval adviseren we u de auto zo snel
mogelijk te laten controleren door een
officiële HYUNDAI-dealer.
AANWIJZING
Als de oliedruk daalt omdat er bijvoorbeeld
onvoldoende motorolie is, gaat het
oliedruklampje branden en een verbeterd
motorbeschermingssysteem geactiveerd
dat het motorvermogen beperkt. Daarna
gaat het motorwaarschuwingslampje
branden als u herhaaldelijk en voortdurend
blijft rijden.
Waarschuwingslampje
laadsysteem
Dit waarschuwingslampje gaat branden:
Wanneer er een storing is in de dynamo of
in het laadsysteem.
Als er een storing is in de dynamo of in het
laadsysteem:
1. Rijd voorzichtig naar de kant van de weg
en breng de auto op een veilige plaats tot
stilstand.
2. Schakel de motor uit en controleer of de
dynamoriem onvoldoende spanning heeft
of is gebroken.
Als de dynamoriem goed is afgesteld,
kan het probleem zich in het laadsysteem
bevinden.
In dat geval adviseren we u de auto zo
snel mogelijk te laten controleren door
een officiële HYUNDAI-dealer.
04
4-15
Oliedruklampje
Dit waarschuwingslampje gaat branden:
Als de oliedruk van de motor te laag is.
Als de oliedruk van de motor te laag is:
1. Rijd voorzichtig naar de kant van de weg
en breng de auto op een veilige plaats tot
stilstand.
2. Schakel de motor uit en controleer het
motoroliepeil (zie voor meer informatie
“Motorolie” in hoofdstuk 9). Vul indien
nodig olie bij wanneer het peil laag is.
Laat uw auto zo snel mogelijk controleren
door een officiële HYUNDAI-dealer
als het waarschuwingslampje na het
bijvullen blijft branden of als er geen olie
beschikbaar is.
3. Rijden terwijl het waarschuwingslampje
brandt, kan leiden tot een motorstoring.
AANWIJZING
Als de motor niet direct wordt
uitgeschakeld nadat het oliedruklampje
is gaan branden, kan er ernstige
motorschade ontstaan.
Als het oliedruklampje blijft branden
terwijl de motor draait, kan er sprake zijn
van ernstige motorschade of een ernstig
defect. In dat geval:
1. Breng de auto op een veilige plaats
tot stilstand.
2. Zet de motor uit en controleer het
oliepeil. Als het oliepeil te laag is, vul
dan motorolie bij tot het juiste niveau.
3. Start de motor opnieuw. Als het
waarschuwingslampje blijft branden
nadat de motor is gestart, zet dan
onmiddellijk de motor uit. In dat
geval adviseren we u de auto te
laten controleren door een officiële
HYUNDAI-dealer.
Instrumentenpaneel
4-16
Waarschuwingslampje
motoroliepeil (indien van
toepassing)
Het waarschuwingslampje motoroliepeil gaat
branden wanneer het motoroliepeil moet
worden gecontroleerd.
Controleer als het lampje gaat branden het
motoroliepeil zo snel mogelijk en vul indien
nodig motorolie bij.
Gebruik een trechter en giet de aanbevolen
olie daar voorzichtig doorheen. (Hoeveelheid
bij te vullen olie: ongeveer 0,6 ~ 1,0 )
Gebruik alleen de voorgeschreven motorolie.
(Zie "Aanbevolen smeermiddelen en
hoeveelheden" in hoofdstuk 2.)
Vul niet te veel motorolie bij. Zorg ervoor dat
het oliepeil niet boven het merkteken F (vol)
op de peilstok komt.
Informatie
Als u na het bijvullen van motorolie
en het warmdraaien van de motor
ongeveer 50 - 100 km rijdt, gaat het
waarschuwingslampje uit.
Zet het contact binnen 10 seconden 3 keer
aan en uit, het waarschuwingslampje gaat
dan onmiddellijk uit. Wanneer u echter
het waarschuwingslampje uitzet zonder
motorolie bij te vullen, gaat het lampje
weer branden nadat u na het warmdraaien
van de motor ongeveer 50 - 100 km hebt
gereden.
AANWIJZING
Als dit lampje continu brandt nadat u
motorolie hebt bijgevuld en ongeveer
50~100 km hebt gereden bij een warme
motor, raden we u aan om de auto door een
officiële HYUNDAI-dealer te laten nakijken.
Zelfs als dit lampje niet brandt nadat
de motor is gestart, moet de motorolie
regelmatig worden gecontroleerd en
bijgevuld.
Waarschuwingslampje
beperkt brandstofniveau
Dit waarschuwingslampje gaat branden:
Als de brandstoftank bijna leeg is. Vul zo
snel mogelijk brandstof bij.
AANWIJZING
Doorrijden met een brandend
waarschuwingslampje voor een laag
brandstofpeil of een lager brandstofpeil dan
“0” op de brandstofmeter, kan leiden tot
overslaan van de motor en beschadiging
van de katalysator (indien van toepassing).
Waarschuwingslampje te
hoge snelheid
(indien van toepassing)
Dit waarschuwingslampje gaat knipperen:
Als u harder dan 120 km/h rijdt.
- Dit dient om te voorkomen dat u te
hard rijdt.
- Er klinkt tevens gedurende ongeveer 5
seconden een waarschuwingszoemer
voor te hoge snelheid.
04
4-17
Hoofdwaarschuwingslampje
Dit controlelampje gaat branden:
In het geval van een storing in een van de
onderstaande systemen.
- Storing in Forward Collision-Avoidance
Assist-systeem (indien van toepassing)
- Radar Forward Collision-Avoidance
Assist geblokkeerd (indien van
toepassing)
- Storing Blind-Spot Collision Warning
(indien van toepassing)
- Radar Blind-Spot Collision Warning
geblokkeerd (indien van toepassing)
- Storing ledkoplamp (indien van
toepassing)
- Storing in High Beam Assist (indien van
toepassing)
- Storing in Smart Cruise Control (indien
van toepassing)
- Radar van Smart Cruise Control
geblokkeerd (indien van toepassing)
- Storing TPMS
(bandenspanningscontrolesysteem)
Kijk op het lcd-display voor meer
informatie over de waarschuwing.
Waarschuwingslampje lage
bandenspanning (indien van
toepassing)
Dit waarschuwingslampje gaat branden:
Als het contact of de toets Engine Start/
Stop in de stand ON wordt gezet.
- Het lampje blijft ongeveer 3 seconden
branden en gaat dan uit.
Als de spanning van een of meer banden
aanzienlijk te laag is (op het LCD-display
kunt u zien welke banden het betreft).
Zie "Bandenspanningscontrolesysteem
(TPMS)" in hoofdstuk 8 voor meer
informatie.
Dit waarschuwingslampje knippert gedurende
ongeveer 60 seconden en brandt vervolgens
constant of blijft herhaaldelijk knipperen met
een interval van circa 3 seconden:
In het geval van een storing in het TPMS.
In dat geval adviseren we u de auto zo
snel mogelijk te laten controleren door
een officiële HYUNDAI-dealer.
Zie "Bandenspanningscontrolesysteem
(TPMS)" in hoofdstuk 8 voor meer
informatie.
WAARSCHUWING
Veilig stoppen
Het TPMS waarschuwt niet voor ernstige
en plotselinge schade aan de banden
veroorzaakt door externe factoren.
Als de auto instabiel aanvoelt, haal dan
onmiddellijk uw voet van het gaspedaal,
trap het rempedaal geleidelijk en met
weinig kracht in en breng uw auto op
een veilige plaats tot stilstand.
Instrumentenpaneel
4-18
Waarschuwingslampje
uitlaatsysteem (GPF) (voor
benzinemotor) , (indien van
toepassing)
Dit waarschuwingslampje gaat branden:
Wanneer er een zekere hoeveelheid
opgehoopt roet wordt bereikt.
Als dit waarschuwingslampje gaat
branden, dooft het onder volgende
omstandigheden mogelijk nadat u met de
auto hebt gereden:
- Bij snelheden van meer dan 80 km/h
(50 mph) gedurende ongeveer 30
minuten (in een versnelling hoger dan
de 3e versnelling met 1500 ~ 4000
OPM).
Als dit waarschuwingslampje knippert
na het uitvoeren van deze procedure (op
dat moment wordt op het display een
waarschuwingsmelding weergegeven),
raden we u aan het GPF-systeem te laten
controleren door een officiële HYUNDAI-
dealer.
AANWIJZING
Als u lang blijft doorrijden terwijl het GPF-
waarschuwingslampje knippert, kan het
roetfiltersysteem beschadigd raken en het
brandstofverbruik toenemen.
Controlelampje
Elektronische
stabiliteitscontrole (ESC)
(indien van toepassing)
Dit controlelampje gaat branden:
Als het contact of de toets ENGINE
START/STOP in de stand ON wordt gezet.
- Het lampje blijft ongeveer 3 seconden
branden en gaat dan uit.
Als er een storing is in het ESC-systeem.
In dat geval adviseren we u de auto
te laten controleren door een officiële
HYUNDAI-dealer.
Dit controlelampje knippert:
Als het ESC werkt.
Zie voor meer informatie "Elektronische
stabiliteitscontrole (ESC)" in hoofdstuk 6.
Controlelampje Electronic
Stability Control
(voertuigstabiliteitsregeling)
(ESC) OFF
(indien van toepassing)
Dit controlelampje gaat branden:
Als het contact of de toets ENGINE
START/STOP in de stand ON wordt gezet.
- Het lampje blijft ongeveer
3 seconden branden en gaat dan uit.
Druk op de toets ESC OFF om het ESC-
systeem te deactiveren.
Zie voor meer informatie "Elektronische
stabiliteitscontrole (ESC)" in hoofdstuk 6.
04
4-19
Controlelampje ECS SPORT
(6&
63257
Dit controlelampje gaat branden:
Als ESC SPORT is geactiveerd.
Zie "Elektronische stabiliteitscontrole" in
hoofdstuk 6 voor meer informatie.
Controlelampje AUTO STOP
(indien van toepassing)
Dit controlelampje gaat branden:
Als de motor in de modus Idle Stop van
het ISG-systeem (Idle Stop & Go) komt.
Dit controlelampje knippert:
Als de motor automatisch wordt gestart,
knippert het controlelampje AUTO STOP
in het instrumentenpaneel gedurende 5
seconden.
Zie ISG (Idle Stop & Go-systeem) in
hoofdstuk 6 voor meer informatie.
Informatie
Als de motor automatisch wordt gestart
door het ISG-systeem, gaat een aantal
waarschuwingslampjes (ABS, ESC, ESC
OFF, EPS of parkeerrem) mogelijk een paar
seconden branden.
Dit komt door de lage accuspanning. Het
betekent niet dat er een storing in het systeem
zit.
Controlelampje
startblokkeersysteem
(indien van toepassing)
Dit controlelampje gaat gedurende maximaal
30 seconden branden:
Als de auto de Smart Key in de auto
detecteert wanneer de toets ENGINE
START/STOP in de stand ACC of ON wordt
gezet.
- Op dat moment kunt u de motor
starten.
- Het controlelampje gaat uit zodra de
motor gestart is.
Dit controlelampje knippert een paar
seconden:
Als de Smart Key zich niet in de auto
bevindt.
- Op dat moment kunt u de motor niet
starten.
Dit controlelampje gaat gedurende maximaal 2
seconden branden en gaat dan uit:
Als de Smart Key zich in de auto bevindt
en de toets ENGINE START/STOP in de
stand ON wordt gezet, maar de auto de
Smart Key niet kan detecteren.
In dat geval adviseren we u de auto
te laten controleren door een officiële
HYUNDAI-dealer.
Instrumentenpaneel
4-20
Dit controlelampje knippert:
Wanneer de batterijspanning van de
Smart Key laag is.
- Op dat moment kunt u de motor niet
starten. U kunt de motor echter wel
starten door de toets ENGINE START/
STOP (motor starten/stoppen) met de
Smart Key in te drukken. (Zie "Motor
starten" in hoofdstuk 6 voor meer
informatie).
Als er een storing is in het
startblokkeersysteem.
In dat geval adviseren we u de auto
te laten controleren door een officiële
HYUNDAI-dealer.
Controlelampje
richtingaanwijzer
Dit controlelampje knippert:
Als u de schakelaar van de
richtingaanwijzers bedient.
Als een van de volgende situaties zich
voordoet, kan er sprake zijn van een storing in
het richtingaanwijzersysteem.
- Het controlelampje richtingaanwijzers
brandt, maar knippert niet
- Het controlelampje richtingaanwijzers
knippert snel
- Het controlelampje richtingaanwijzers
brandt helemaal niet
Als een van deze situaties zich voordoet,
adviseren wij u uw auto te laten controleren
door een officiële HYUNDAI-dealer.
Controlelampje dimlicht
Dit controlelampje gaat branden:
Als de koplampen branden.
Controlelampje grootlicht
Dit controlelampje gaat branden:
Als de koplampen in de grootlichtstand
branden.
Als de combischakelaar in de stand
Knipperen wordt getrokken.
Controlelampje High
Beam Assist (indien van
toepassing)
Dit waarschuwingslampje gaat branden:
Als het grootlicht brandt met de
verlichtingsschakelaar in de stand AUTO.
Als uw auto tegenliggers of voorliggers
detecteert, schakelt High Beam Assist het
grootlicht automatisch over naar dimlicht.
Zie voor meer informatie “High Beam
Assist (HBA - assistentie grootlichten)” in
hoofdstuk 5.
Controlelampje verlichting
AAN
Dit controlelampje gaat branden:
Als de achterlichten of koplampen zijn
ingeschakeld.
04
4-21
Controlelampje
mistachterlicht
Dit controlelampje gaat branden:
Wanneer de mistachterlichten branden.
Waarschuwingslampje
LED-koplamp (indien van
toepassing)
Dit waarschuwingslampje gaat branden:
Als het contact of de toets ENGINE
START/STOP in de stand ON wordt gezet.
Wanneer er sprake is van een defect in de
LED-koplamp.
In dat geval adviseren we u de auto
te laten controleren door een officiële
HYUNDAI-dealer.
Dit waarschuwingslampje gaat knipperen:
Wanneer er sprake is van een defect in een
onderdeel dat bij de LED-koplamp hoort.
In dat geval adviseren we u de auto te laten
controleren door een officiële HYUNDAI-
dealer.
AANWIJZING
Doorrijden met een brandend of
knipperend waarschuwingslampje voor de
led-koplampen kan een negatieve invloed
hebben op de levensduur van de led-
koplampen.
Controlelampje
cruisecontrol
(indien van toepassing)
&58,6(
Dit controlelampje gaat branden:
Als het cruise control-systeem is
ingeschakeld.
Zie "Cruisecontrol (CC)" in hoofdstuk 7
voor meer informatie.
Controlelampje SET
(indien van toepassing)
Dit controlelampje gaat branden:
Als de cruise control op een snelheid is
ingesteld.
Zie "Cruisecontrol (CC)" in hoofdstuk 7
voor meer informatie.
Controlelampje
snelheidsbegrenzer (indien
van toepassing)
Dit controlelampje gaat branden:
Als de snelheidsbegrenzer is geactiveerd.
Zie 'Snelheidsbegrenzer-regelsysteem' in
hoofdstuk 7 voor meer informatie.
Controlelampje Downhill
Brake Control (DBC)
Dit waarschuwingslampje gaat branden:
Als het contact of de toets ENGINE
START/STOP (motor starten/stoppen) in
de stand ON (aan) wordt gezet.
- Het lampje blijft ongeveer 3 seconden
branden en gaat dan uit.
Wanneer de toets DBC wordt ingedrukt
om het DBC-systeem in te schakelen.
Dit waarschuwingslampje gaat knipperen:
Wanneer de DBC actief is.
Dit waarschuwingslampje wordt geel:
Als er een storing is in het DBC-systeem.
In dat geval adviseren we u de auto
te laten controleren door een officiële
HYUNDAI-dealer.
Zie voor meer informatie “Downhill Brake
Control (DBC)” in hoofdstuk 6.
Instrumentenpaneel
4-22
Controlelampje SPORT-
modus
Dit controlelampje gaat branden:
Als u de SPORT-stand als rijmodus
selecteert.
Voor meer informatie, zie "In rijmodus
geïntegreerd regelsysteem" in hoofdstuk 6.
Controlelampje ECO-modus
(indien van toepassing)
Dit controlelampje gaat branden:
Als u ECO als rijmodus selecteert.
Voor meer informatie, zie "In rijmodus
geïntegreerd regelsysteem" in hoofdstuk 6.
Waarschuwingslampje
voorwaartse
veiligheid(indien van
toepassing)
Dit controlelampje gaat branden:
Als het contact of de toets Engine Start/
Stop in de stand ON wordt gezet.
- Het lampje blijft ongeveer 3 seconden
branden en gaat dan uit.
Wanneer er sprake is van een storing in
het Forward Collision-Avoidance Assist-
waarschuwingssysteem (ondersteuning
botsingsvermijding voorzijde).
In dat geval adviseren we u de auto te laten
controleren door een officiële HYUNDAI-
dealer.
Zie "Forward Collision-Avoidance
Assist-systeem (FCA; ondersteuning
botsingsvermijding voorzijde)" in
hoofdstuk 7 voor meer informatie.
Controlelampje
rijstrookveiligheid
(indien van toepassing)
Dit controlelampje gaat branden:
[Groen] Er wordt aan de voorwaarden voor
Lane Keeping Assist (Rijvakassistentie)
voldaan.
[Wit] Er wordt niet aan de
voorwaarden voor Lane Keeping Assist
(Rijvakassistentie) voldaan.
[Geel] Bij een storing in de functie Lane
Keeping Assist.
In dat geval adviseren we u de auto te laten
controleren door een officiële Hyundai-
dealer.
Zie “Lane Keeping Assist (LKA -
rijvakassistentie)” in hoofdstuk 7 voor meer
details.
Waarschuwingslampje
gladheid
(indien van toepassing)
Dit waarschuwingslampje brandt om de
bestuurder te waarschuwen voor een
mogelijk glad wegdek.
Als de temperatuur op de
buitentemperatuurmeter lager wordt dan
ongeveer 4 °C (40°F) knippert zowel het
waarschuwingslampje gladheid als de
buitentemperatuurindicatie en gaan deze
vervolgens constant branden. Tevens klinkt
de waarschuwingsgong 1 keer.
Informatie
Als het waarschuwingslampje voor een glad
wegdek gaat branden tijdens het rijden, moet
u met meer aandacht en veiliger rijden en te
hoge snelheden, snelle acceleratie, plotseling
remmen en plotselinge stuurbewegingen
vermijden.
04
4-23
Controlelampje N-modus
Dit controlelampje gaat branden:
Als u ‘N’-modus als rijmodus selecteert.
Voor meer informatie, zie "In rijmodus
geïntegreerd regelsysteem" in hoofdstuk 6.
Controlelampje CUSTOM-
modus
Dit controlelampje gaat branden:
Als u ‘CUSTOM’-modus als rijmodus
selecteert.
Voor meer informatie, zie "In rijmodus
geïntegreerd regelsysteem" in hoofdstuk 6.
Lcd-displayberichten
Shift to P (Schakel naar P)
Deze melding wordt weergegeven als
u probeert de motor uit te schakelen
zonder de selectiehendel in stand P
(parkeren) te zetten.
Op dit moment gaat de toets ENGINE
START/STOP (motor starten/stoppen)
naar de stand ACC. Als u de toets ENGINE
START/STOP (motor starten/stoppen)
nogmaals indrukt, gaat hij naar de stand
ON (aan).
Low Key Battery (Lage Batterij
Sleutel)
Deze waarschuwingsmelding wordt
weergegeven als de batterij in de Smart
Key ontladen is terwijl de toets Start/Stop
in stand OFF wordt gezet.
Press START button while turning
wheel (Druk op STARTknop tijd.
draaien stuurw.)
Deze waarschuwingsmelding wordt
weergegeven als het stuur niet normaal
wordt ontgrendeld bij het indrukken van
de toets Engine Start/Stop.
Bij het indrukken van de startknop moet
u het stuur naar rechts en links draaien.
Steering wheel not locked
(Stuurwielslot ontgrendeld)
Deze waarschuwingsmelding wordt
weergegeven als het stuur niet is
vergrendeld bij het in stand OFF zetten
van de toets Start/Stop.
Instrumentenpaneel
4-24
Check Steering Wheel Lock System
(Controleer Systeem Stuurwielslot)
Deze waarschuwingsmelding wordt
weergegeven als het stuur niet normaal
wordt vergrendeld bij het in stand OFF
zetten van de toets Engine Start/Stop.
Press brake pedal to start engine
(Duw op remped. voor starten
motor)
Deze waarschuwingsmelding wordt
weergegeven als de startknop tweemaal
naar de stand ACC gaat doordat u
herhaaldelijk op de knop drukt zonder
het rempedaal in te trappen.
U kunt de auto starten door het
rempedaal in te trappen.
Key not in vehicle (sleutel niet in
auto)
Deze waarschuwingsmelding wordt
weergegeven als met de startknop in
stand ACC de Smart Key zich niet in de
auto bevindt terwijl het portier geopend
of gesloten wordt. Het meldingsgeluid
klinkt als u de deur sluit zonder Smart
Key in het voertuig.
Zorg ervoor dat u de Smart Key altijd bij u
hebt als u probeert de auto te starten.
Key not detected (Sleutel niet
gevonden)
Deze waarschuwingsmelding wordt
weergegeven als de Smart Key niet
gedetecteerd is wanneer u de toets Start/
Stop indrukt.
Press START button with key (Druk
op de START-knop met de sleutel)
Deze melding wordt weergegeven
als u de startknop indrukt terwijl de
waarschuwingsmelding 'Sleutel niet
gedetecteerd' wordt weergegeven.
Op dit moment gaat het controlelampje
van het startblokkeersysteem knipperen.
Press START button again (Druk
opnieuw op de START-knop)
Deze melding wordt weergegeven als
de auto niet wil starten wanneer de
startknop wordt ingedrukt.
Als dat gebeurt, probeer dan de motor te
starten door nogmaals de startknop in te
drukken.
Als de waarschuwingsmelding elke
keer verschijnt wanneer u de startknop
indrukt, adviseren wij u de auto te laten
controleren door een officiële HYUNDAI-
dealer.
Check BRAKE SWITCH fuse
(Controleer zekering BRAKE
SWITCH)
Deze waarschuwingsmelding wordt
weergegeven als de zekering van de
rempedaalschakelaar ontkoppeld is.
Vervang de zekering door een nieuwe.
Als dat niet mogelijk is, kunt u de motor
starten door de startknop 10 seconden
ingedrukt te houden in stand ACC.
Shift to P or N to start engine
(Schakel naar P of N voor starten)
Deze waarschuwingsmelding wordt
weergegeven als u probeert de motor te
starten terwijl de selectiehendel niet in
stand P (parkeren) of N (neutraal) staat.
Informatie
De motor kan ook gestart worden met de
selectiehendel in de stand N (neutraal). Maar
voor uw eigen veiligheid adviseren wij de
motor te starten met de selectiehendel in stand
P (parkeren).
04
4-25
Portier, motorkap, achterklep open
OOSN041011L
OOSN041011L
Deze waarschuwingsmelding geeft weer
welk portier is geopend of dat de motorkap
of achterklep is geopend.
OPGELET
Controleer, voordat u gaat rijden, of
de portieren/motorkap/achterklep
geheel gesloten zijn. Controleer of er
geen waarschuwingslampje geopende
portieren/motorkap/ achterklep brandt
of een bericht weergegeven wordt op het
instrumentenpaneel.
Zonnedak Open (indien van
toepassing)
OOSN051008L
OOSN051008L
Deze waarschuwingsmelding wordt
weergegeven als u de motor uitschakelt
terwijl het schuif-/kanteldak is geopend.
Sluit het schuif-/kanteldak volledig wanneer
u de auto verlaat.
Lichtenmodus
Type A
Type A
Type B
Type B
OIK047145L
OIK047145L
OIK047163L
OIK047163L
Deze indicator geeft weer welke verlichting
aan de buitenzijde er is geselecteerd met de
bediening van de verlichting.
Ruitenwissermodus
Type A
Type A
Type B
Type B
OJX1049008L
OJX1049008L
OJX1049063L
OJX1049063L
Dit controlelampje geeft weer welke
wissersnelheid er is geselecteerd met de
bediening van de ruitenwissers.
Instrumentenpaneel
4-26
Lage spanning (indien van
toepassing)
OTM040022L
OTM040022L
Deze waarschuwingsmelding wordt
weergegeven als de bandenspanning laag is.
De betreffende band van de auto licht op.
Zie "Bandenspanningscontrolesysteem
(TPMS)" in hoofdstuk 8 voor meer
informatie.
Schakel de FUSE SWITCH in
OPDE046119
OPDE046119
Deze waarschuwingsmelding wordt
weergegeven als de zekeringschakelaar op
de zekeringkast onder het stuurwiel in stand
OFF staat.
U moet de zekeringschakelaar in stand ON
zetten.
Zie voor meer informatie “Zekeringen” in
hoofdstuk 9.
Low washer fluid (Laag
sproeivloeistofniveau) (indien van
toepassing)
Deze waarschuwingsmelding wordt
weergegeven als de ruitensproeiervloeistof
bijna op is.
Laat het ruitensproeiervloeistofreservoir
bijvullen.
Low fuel (brandstofniveau laag)
Deze waarschuwing wordt weergegeven als
de brandstoftank bijna leeg is.
Wanneer deze melding wordt weergegeven,
gaat het waarschuwingslampje voor een laag
brandstofniveau in het instrumentenpaneel
branden.
Geadviseerd wordt om het dichtstbijzijnde
tankstation op te zoeken en zo snel mogelijk
te tanken.
Engine overheated/Engine has
overheated (De motor is oververhit/
Motor oververhit) (indien van
toepassing)
Deze waarschuwingsmelding
wordt weergegeven als de
koelvloeistoftemperatuur hoger is dan 120 °C
(248 °F). Dit betekent dat de motor oververhit
is en kan worden beschadigd.
Raadpleeg ‘Als de motor oververhit raakt’
in hoofdstuk 8 bij oververhitting van uw
motor.
04
4-27
Check exhaust system (Controleer
uitlaatsysteem) (indien van
toepassing)
Deze waarschuwingsmelding wordt
weergegeven als er een storing aanwezig
is in het GPF-systeem. Tegelijk gaat
ook het GPF-waarschuwingslampje
knipperen.
Laat in dit geval het roetfiltersysteem
controleren door een officiële Hyundai-
dealer.
GPF: benzinedeeltjesfilter
Zie “Waarschuwingslampjes” in dit
hoofdstuk voor meer informatie.
Check headlight (Controleer
koplamp (grootlicht)) (indien van
toepassing)
Deze waarschuwingsmelding wordt
weergegeven als de koplampen niet goed
werken. Mogelijk moet de lamp van een van
de koplampen worden vervangen.
Informatie
Vervang de kapotte lamp door een nieuw
exemplaar met hetzelfde wattage.
Check High Beam Assist (Check
systeem voor koplamphulp) (indien
van toepassing)
Deze waarschuwingsmelding wordt
weergegeven als er een probleem is met
het High Beam Assist-systeem (hulp met
de koplampen). Wij adviseren u de auto
te laten controleren door een officiële
HYUNDAI-dealer.
Zie voor meer informatie “High Beam
Assist (HBA - assistentie grootlichten)”
in hoofdstuk 5.
Check forward safety
system (Controleer kop-
staartveiligheidsystemen)
(indien van toepassing)
Deze waarschuwingsmelding wordt
weergegeven als er een storing is in
de Forward Collision-Avoidance Assist
(ondersteuning botsingsvermijding
voorzijde). Wij adviseren u de auto te
laten controleren door een officiële
HYUNDAI-dealer.
Zie "Forward Collision-Avoidance
Assist-systeem (FCA; ondersteuning
botsingsvermijding voorzijde)" in
hoofdstuk 7 voor meer informatie.
Check Driver Attention Warning
(DAW) system (Controleer
Waarschuwingssysteem voor de
aandacht van de bestuurder (DAW))
(indien van toepassing)
Deze waarschuwingsmelding wordt
weergegeven als er een probleem is
met het waarschuwingssysteem voor de
aandacht van de bestuurder.
Wij adviseren u de auto te laten
controleren door een officiële HYUNDAI-
dealer.
Zie voor meer informatie
"Waarschuwing voor de aandacht van
de bestuurder (DAW)" in hoofdstuk 7.
Check Lane Keeping Assist
(LKA) system (Controleer Lane
Keeping Assist-systeem (LKA,
rijvakassistentie)) (indien van
toepassing)
Deze waarschuwingsmelding wordt
weergegeven als er sprake is van een
probleem met de Lane Keeping Assist
(rijvakassistentie). Wij adviseren u de auto
te laten controleren door een officiële
HYUNDAI-dealer.
Zie "Lane Keeping Assist (LKA,
rijvakassistentie)" in hoofdstuk 7 voor
meer informatie.
Instrumentenpaneel
4-28
Bediening lcd-display
OOSN041013L
OOSN041013L
De weergavemodus van het lcd-display kan met de bedieningsknoppen worden veranderd.
Schakelaar Functie
Toets MODE voor het wijzigen van modi
, Schakelaar MOVE voor het wijzigen van functies
OKO SELECT/RESET knop voor het instellen of resetten van de geselecteerde functie
LCD-DISPLAY
04
4-29
Weergavemodi
Weergavemodi Symbool Toelichting
Rijbegeleiding
Deze modus geeft de toestand weer van:
- Hulp bij rijbaan aanhouden
- Smart Cruise Control
- Driver Attention Warning
Voor meer informatie, zie "Lane Keeping Assist (LKA)
(Rijvakassistentie)" en “Driver Attention Warning”
(“Waarschuwing voor de aandacht van de bestuurder”),
“Smart Cruise Control (SCC) (“Slimme cruise control”) in
hoofdstuk 7.
Sport
Het sportmenu geeft de olietemperatuur/motortemperatuur,
turbo/koppel, rondetimer en G-kracht weer.
Bekijk de volgende pagina's voor meer informatie.
Boordcomputer
Deze modus geeft ritgegevens weer, zoals de ritmeter, de
brandstofbesparing, enz.
Zie “Boordcomputer” in dit hoofdstuk voor meer informatie.
Turn By Turn (TBT -
rijadvies) In deze modus wordt de status van de navigatie weergegeven.
Waarschuwing
In deze modus worden waarschuwingen weergegeven in
verband met gebroken lampen, enz.
In deze modus wordt informatie weergegeven in verband
met de bandenspanning (TPMS), de toestand van de
aandrijfkrachtverdeling en de resterende hoeveelheid
ureumoplossing.
De verstrekte informatie kan verschillen afhankelijk van welke functies van toepassing zijn
voor uw auto.
Instrumentenpaneel
4-30
Modus van de boordcomputer
Type A
Type A
Type B
Type B
OJX1049042L
OJX1049042L
OJX1049069L
OJX1049069L
De modus van de boordcomputer geeft
informatie weer met betrekking tot de
rijparameters van de auto, waaronder
het brandstofverbruik, informatie van de
dagteller en de rijsnelheid.
Raadpleeg voor meer informatie
Tripcomputer‘ in dit hoofdstuk.
Rijadvies (TBT, Turn by Turn)
OOSH049027L
OOSH049027L
Turn-by-turn navigatie, afstand/tijd tot
bestemming wordt weergegeven als Turn by
Turn view is gekozen.
Rijassistentie
OTM070246
OTM070246
LKA/SCC
In deze modus wordt de status van Lane
Keeping Assist (Rijvakassistentie) en
Smart Cruise Control (Slimme cruise
control) weergegeven.
Zie voor meer details de informatie over
elke functie in hoofdstuk 7.
OIG059288L
OIG059288L
Driver Attention Warning (Waarschuwing
oplettendheid bestuurder)
In deze modus wordt de status van
het Waarschuwingssysteem voor
de oplettendheid van de bestuurder
weergegeven.
Zie "Waarschuwingssysteem voor de
oplettendheid van de bestuurder (DAW)" in
hoofdstuk 7 voor meer details.
04
4-31
Sportweergave
OBC3N040024
OBC3N040024
Olietemperatuur/motortemperatuur
Deze modus geeft informatie weer
met betrekking tot uw motor, zoals
olietemperatuur (1) en motortemperatuur (2).
OBC3N040025
OBC3N040025
Turbo/koppel
Deze modus geeft informatie weer met
betrekking tot uw motor, zoals turbo (3) en
koppel (4).
OBC3N040026
OBC3N040026
OBC3N040027
OBC3N040027
Rondetimer
(1) Snelste ronde
(2) Huidige ronde
Om te starten (A)
Druk kort op de OK-toets op het stuurwiel.
De rondetimer zal de huidige ronde beginnen
opnemen (2).
Om te stoppen (B)
Houd de OK-toets op het stuurwiel
langer dan 1 seconde ingedrukt terwijl de
rondetimer de huidige ronde opneemt (2).
Instrumentenpaneel
4-32
OBC3N040028
OBC3N040028
Om te resetten (C):
Houd de OK-toets op het stuurwiel langer
dan 1 seconde ingedrukt wanneer de
rondetimer is gestopt met het opnemen van
de huidige ronde (2).
Om ronden op te slaan:
Druk kort op de OK-toets op het stuurwiel
terwijl de rondetimer de huidige ronde
opneemt (2).
De beste ronde (1) tot en met de 4e beste
ronde (3) zullen weergegeven worden.
Druk langer dan 1 seconde op de OK-toets
op het stuurwiel om de ronde te resetten.
Daarna kan de bestuurder een nieuwe ronde
starten.
Informatie
De rondetimer kan worden geactiveerd
ongeacht de modusinstellingen (Rijmodus of
N-modus).
AANWIJZING
Als de toets N1(N2) is ingesteld op '(7)
Start rondetimer', dan wordt de toets
N2(N1) automatisch ingesteld op '(8)
Rondetimer stoppen & resetten' van het
infotainmentsysteem. Dit kan de bestuurder
helpen om de rondetimer te bedienen met
de toetsen N1/N2 als bedieningstoetsen.
Zie het apart meegeleverde
instructieboekje van het
infotainmentsysteem voor meer informatie.
OBC3N040029
OBC3N040029
G-kracht
Deze modus geeft de laterale krachten op
het voertuig weer wanneer het voertuig in
beweging is.
04
4-33
Hoofdwaarschuwingslampje
OIG059097L
OIG059097L
Dit waarschuwingslampje attendeert de
bestuurder op de volgende situaties.
- Storing in Forward Collision-Avoidance
Assist-systeem (indien van toepassing)
- Radar Forward Collision-Avoidance Assist
geblokkeerd (indien van toepassing)
- Storing Blind-Spot Collision Warning
(indien van toepassing)
- Radar Blind-Spot Collision Warning
geblokkeerd (indien van toepassing)
- Storing ledkoplamp
(indien van toepassing)
- Storing in High Beam Assist
(indien van toepassing)
- Storing in Smart Cruise Control
(indien van toepassing)
- Radar van Smart Cruise Control
(indien van toepassing) wordt
geblokkeerd
- Storing TPMS
(bandenspanningscontrolesysteem)
Het hoofdwaarschuwingslampje
gaat branden als een of meer van de
bovenstaande waarschuwingssituaties zich
voordoen.
Op dit moment verschijnt er een pictogram
Hoofdwaarschuwing ( ) naast het
pictogram Gebruikersinstellingen ( ) op het
lcd-display.
Als er geen waarschuwing meer nodig is,
wordt het hoofdwaarschuwingslampje
uitgeschakeld en verdwijnt het pictogram
Hoofdwaarschuwing.
OCN7040026L
OCN7040026L
Bandenspanning
Deze modus geeft informatie weer met
betrekking tot de bandenspanning.
Zie “Bandenspanningscontrolesysteem
(TPMS)” in hoofdstuk 8 voor meer
informatie.
Instrumentenpaneel
4-34
Boordcomputer
De boordcomputer voorziet de bestuurder
via een display van informatie over de rit.
Informatie
Bepaalde rijinformatie die door de
tripcomputer is opgeslagen (bijvoorbeeld de
gemiddelde rijsnelheid), wordt gereset als de
accu wordt losgekoppeld.
Dagtellermodi
Sinds tanken
Ritinfo
• Dagteller
• Gemiddelde brandstofbesparing
• Verstreken tijd
• Dagteller
• Gemiddelde brandstofbesparing
• Verstreken tijd
• Dagteller
• Gemiddelde brandstofbesparing
• Verstreken tijd
Totale informatie
Automatische stoptijd (indien van toepassing)
Digitale snelheidsmeter
OOSN041013L
OOSN041013L
Om de tripmodus te wijzigen, bedient u de
", "schakelaar op het stuurwiel
Type A
Type A
Type B
Type B
OJX1049011L
OJX1049011L
OTM040061L
OTM040061L
Drive info (Ritinfo)
Reisafstand (1), gemiddelde
brandstofbesparing (2), en totale rijtijd (3)
worden weergegeven.
De informatie wordt gecombineerd voor elke
contactcyclus. Het scherm Rij-informatie
wordt echter automatisch gereset als de
motor ten minste 3 minuten uitgeschakeld is
geweest.
Om handmatig te resetten, drukt u meer
dan 1 seconde op de OK-schakelaar op
het stuurwiel als ‘Drive info (Ritinfo)’ wordt
weergegeven.
04
4-35
Type A
Type A
Type B
Type B
OJX1049013L
OJX1049013L
OJX1049066L
OJX1049066L
Since refuel(l)ing (Sinds de tankbeurt)
Reisafstand (1), gemiddelde
brandstofbesparing (2), en total rijtijd (3) na
de tankbeurt worden weergegeven.
Om handmatig te resetten, drukt u meer
dan 1 seconde op de OK-schakelaar op
het stuurwiel als ‘Since Refueling (sinds de
tankbeurt)’ wordt weergegeven.
Type A
Type A
Type B
Type B
OJX1049012L
OJX1049012L
OJX1049067L
OJX1049067L
Accumulated info (Totale informatie)
Opgetelde reisafstand (1), gemiddelde
brandstofbesparing (2), en totale rijtijd (3)
worden weergegeven.
De informatie is cumulatief vanaf de laatste
reset.
Om handmatig te resetten, drukt u meer
dan 1 seconde op de OK-schakelaar op het
stuurwiel als ‘Accumulated Info (totale info)’
wordt weergegeven.
OOSN041008L
OOSN041008L
Auto stop (Automatische stoptijd) (indien van
toepassing)
Het AUTO STOP scherm toont de verstreken
tijd van de stilgelegde motor door het Idle
Stop and Go system (stationair draaien en
vertrekkensysteem).
Zie paragraaf “ISG ”(Idle Stop and Go-
systeem - stationair draaien en vertrekken)”
in hoofdstuk 6 voor meer informatie.
OTM040045
OTM040045
Digitale snelheidsmeter
De digitale snelheidsmeter toont de snelheid
van de auto.
Instrumentenpaneel
4-36
VOERTUIGINSTELLINGEN (INFOTAINMENTSYSTEEM)
Voertuiginstellingen in het
infotainmentsysteem bieden de gebruikers
opties voor verschillende instellingen,
waaronder een waaier van instellingen voor
onder meer vergrendel-/ontgrendelfuncties,
comfortfuncties, instellingen voor rijhulp,
enz.
Menu voor voertuiginstellingen
- Bestuurdershulp
- Rijmodus
- Head-Up Display
- Instrumentenpaneel
- Klimaat
- Stoel
- Lichten
- Portier
- Comfort
De verstrekte informatie kan verschillen
afhankelijk van welke functies van toepassing
zijn voor uw auto.
WAARSCHUWING
De voertuiginstellingen niet instellen
tijdens het rijden. Dit kan verstrooidheid
veroorzaken met een ongeval als gevolg.
instellingen voor uw voertuig
OOSN041010L
OOSN041010L
1. Druk op de knop SETUP van de hoofdunit
van het infotainmentsysteem.
2. Selecteer ‘Vehicle’ (voertuig) wijzig de
instellingen van de functies.
Kijk voor meer informatie in de
apart geleverde handleiding van het
infotaintmentsysteem.
5
Toegang tot uw auto ......................................................................................... 5-4
Smart Key ......................................................................................................................5-4
Startblokkeersysteem ..................................................................................................5-9
Sloten ................................................................................................................ 5-10
Portiersloten van buitenaf vergrendelen/ontgrendelen .......................................... 5-10
Portiersloten van binnenuit vergrendelen/ontgrendelen ......................................... 5-11
Supervergrendeling ....................................................................................................5-12
Kenmerken van de automatische portiervergrendeling/-ontgrendeling ................5-13
Kindersloten achterportieren .....................................................................................5-13
Rear Occupant Alert (Achterbank-passagier-alarm - ROA) .....................................5-13
Antidiefstalsysteem ......................................................................................... 5-15
Stuurwiel...........................................................................................................5-16
Elektrische stuurbekrachtiging (EPS) ....................................................................... 5-16
Verstelbare stuurkolom ...............................................................................................5-17
Stuurwielverwarming ................................................................................................ 5-18
Claxon .........................................................................................................................5-18
Spiegels ............................................................................................................5-19
Binnenspiegel ............................................................................................................. 5-19
Buitenspiegels ............................................................................................................5-20
Ruiten .............................................................................................................. 5-23
Elektrisch bedienbare ruiten ..................................................................................... 5-23
Schuif-/kanteldak ............................................................................................5-27
Zonnescherm .............................................................................................................. 5-27
Omhoog/omlaag kantelen ........................................................................................5-28
Open-/dichtschuiven .................................................................................................5-28
Klembeveiliging .......................................................................................................... 5-29
Schuif-/kanteldak resetten ........................................................................................5-30
Waarschuwing geopend schuif-/kanteldak .............................................................5-30
Exterieur ........................................................................................................... 5-31
Motorkap ......................................................................................................................5-31
Achterklep ...................................................................................................................5-33
Tankdopklep ...............................................................................................................5-35
Head-up display (HUD) .................................................................................. 5-38
Waarschuwingen bij het gebruik van het head-updisplay ......................................5-38
Head-up display AAN/UIT .........................................................................................5-39
Informatie head-up display ...................................................................................... 5-40
Instelling head-updisplay ......................................................................................... 5-40
5. Handige functies
5
Verlichting ........................................................................................................5-41
Verlichting buitenzijde ............................................................................................... 5-41
Welkomstsysteem ..................................................................................................... 5-46
Interieurverlichting.................................................................................................... 5-46
High Beam Assist (HBA) .................................................................................5-49
High Beam Assist instelling ...................................................................................... 5-49
High Beam Assist bediening ..................................................................................... 5-50
Storingen en beperkingen van de High Beam Assist.............................................. 5-50
Ruitenwissers en ruitensproeiers .................................................................. 5-52
Ruitenwissers voor .....................................................................................................5-53
Ruitensproeier voorruit ..............................................................................................5-54
Schakelaar achterruitenwisser en –sproeier ............................................................5-55
Handbediend verwarmings- en ventilatiesysteem ...................................... 5-56
Verwarming en airconditioning ................................................................................. 5-57
Werking systeem ....................................................................................................... 5-60
Onderhoud van het systeem .....................................................................................5-62
Automatisch verwarmings- en ventilatiesysteem ........................................ 5-65
Automatische verwarming en airconditioning ........................................................ 5-66
Handmatig bediende verwarming en airconditioning ........................................... 5-66
Werking systeem ........................................................................................................5-70
Onderhoud van het systeem ..................................................................................... 5-72
Ontwasemen en ontdooien voorruit ..............................................................5-74
Handbediend verwarmings- en ventilatiesysteem .................................................. 5-74
Automatisch verwarmings- en ventilatiesysteem ................................................... 5-75
Automatisch ontwasemingssysteem(alleen automatisch verwarmings- en
ventilatiesysteem) ...................................................................................................... 5-76
Ontdooien ................................................................................................................... 5-77
Achterruitverwarming ................................................................................................ 5-77
Extra voorzieningen verwarmings- en ventilatiesysteem ............................ 5-78
Automatische ventilatie ............................................................................................. 5-78
Luchtcirculatie binnen tijdens het gebruik van de ruitensproeiervloeistof ..........5-78
Luchtrecirculatie in het schuif-/kanteldak ............................................................... 5-78
5
Opbergvak ........................................................................................................5-79
Opbergvak middenconsole ....................................................................................... 5-79
Dashboardkastje......................................................................................................... 5-79
Opbergvak voor zonnebril ........................................................................................ 5-80
Universeel opbergvak ............................................................................................... 5-80
Opbergvak bagageruimte .......................................................................................... 5-81
Interieur ........................................................................................................... 5-82
Bekerhouder ...............................................................................................................5-82
Zonneklep ...................................................................................................................5-83
Stopcontact ................................................................................................................5-83
Draadloos oplaadsysteem voor mobiele telefoons ................................................ 5-84
Klok ............................................................................................................................. 5-86
Kledinghanger ........................................................................................................... 5-86
Bevestigingspunt(en) vloermat .................................................................................5-87
Bagagenet (houder) .................................................................................................. 5-88
Hoedenplank ............................................................................................................. 5-88
Exterieur ..........................................................................................................5-89
Bagagerek .................................................................................................................. 5-89
Infotainmentsysteem ......................................................................................5-90
USB-aansluiting ......................................................................................................... 5-90
Antenne ...................................................................................................................... 5-90
Audiobediening op het stuurwiel ............................................................................. 5-91
Bluetooth® draadloze technologie handsfree .........................................................5-92
Spraakherkenning ......................................................................................................5-92
Infotainmentsysteem .................................................................................................5-92
Hoe de autoradio werkt .............................................................................................5-93
5. Handige functies
Handige functies
5-4
Smart Key
Type A
Type A
OPDE046044
OPDE046044
Type B
Type B
OJS048065L
OJS048065L
De Smart Key van uw Hyundai kunt u
gebruiken om de portieren (en de achterklep)
te vergrendelen of ontgrendelen en zelfs om
de motor te starten.
1. Portiervergrendeling
2. Portierontgrendeling
3. Achterklep openen
4. Starten op afstand
Vergrendelen
OOS047001
OOS047001
Om te vergrendelen:
1. Sluit alle portieren, de motorkap en de
achterklep.
2. Druk op de toets op de portiergreep of de
portiervergrendelingstoets (1) op de Smart
Key.
3. De alarmknipperlichten knipperen. Ook
klapt de buitenspiegel in als de schakelaar
voor buitenspiegel inklappen in de stand
AUTO staat.
4. Controleer of de portieren
vergrendeld zijn door de stand van de
vergrendelknoppen voor de portieren in
de auto te controleren.
Informatie
De toets op de portiergreep werkt alleen als
de Smart Key zich binnen een afstand van
0,7~1 m (28~40 in.) van de buitenportiergreep
bevindt.
TOEGANG TOT UW AUTO
05
5-5
Hoewel u op de toetsen van de
portierhandgrepen aan de buitenzijde
hebt gedrukt, worden de portieren niet
vergrendeld en klinkt de zoemer gedurende
drie seconden als zich een van de volgende
situaties voordoet:
De Smart Key bevindt zich in de auto.
De startknop staat in de stand ACC of ON.
Er staat een portier (niet de achterklep)
open.
WAARSCHUWING
Laat kinderen niet zonder toezicht achter
met de Smart Key in de auto. Kinderen
die zonder toezicht achterblijven, kunnen
op de start-/stopknop drukken en de
elektrisch bedienbare ruiten of andere
bedieningsorganen in werking stellen. Het
is zelfs mogelijk dat ze de auto in beweging
zetten, hetgeen kan resulteren in ernstig
letsel of een dodelijk ongeval.
Ontgrendelen
OOS047001
OOS047001
Om te ontgrendelen:
1. Zorg dat u de Smart Key bij u hebt.
2. Druk op de toets op de portiergreep of
de portiervergrendelingstoets (2) op de
Smart Key.
3. De portieren zullen worden ontgrendeld.
De alarmknipperlichten knipperen
tweemaal.
Informatie
De toets op de portiergreep werkt
alleen als de Smart Key zich binnen een
afstand van 0,7~1 m (28~40 in.) van de
buitenportiergreep bevindt. Andere mensen
kunnen de portieren ook openen zonder de
smart key.
Als 30 seconden na het ontgrendelen van
de portieren niet een van de portieren is
geopend, worden ze automatisch weer
vergrendeld.
Achterklep ontgrendelen
Om te ontgrendelen:
1. Zorg dat u de Smart Key bij u hebt.
2. Druk op de toets op de achterklepgreep
of druk langer dan een seconde op de
ontgrendeltoets voor de achterklep (3) op
de Smart Key.
3. De alarmknipperlichten knipperen
tweemaal.
Informatie
De achterklepontgrendeltoets (3)
ontgrendelt alleen de achterklep. De
achterklep wordt niet automatisch
ontgrendeld en geopend. Als de
achterklepontgrendeltoets wordt gebruikt,
moet iemand nog steeds de knop in
de achterklepgreep indrukken om de
achterklep te openen.
Als de achterklep na het ontgrendelen niet
binnen 30 seconden wordt geopend, zal hij
automatisch weer worden vergrendeld.
Starten
U kunt de motor starten zonder de sleutel in
het contactslot te steken.
Zie voor meer informatie “Startknop” in
hoofdstuk 5.
Handige functies
5-6
AANWIJZING
Beschadiging van de Smart Key voorkomen:
Houd de Smart Key uit de buurt van
water en andere vloeistoffen, en van
vuur. Als de binnenkant van de Smart
Key nat wordt (door drankjes of vocht) of
wordt verwarmd, kan het interne circuit
defect raken. Dit kan de garantie op de
auto doen vervallen.
Zorg ervoor dat u de Smart Key niet laat
vallen en gooi er niet mee.
Bescherm de Smart Key tegen extreme
temperaturen.
Het voertuig op afstand starten
(indien van toepassing)
U kunt de auto starten met de Remote Start-
toets op de smart key.
Doe het volgende om de auto op afstand te
starten:
1. Druk op een afstand van minder dan
10 m (32 voet) van de auto op de
portiervergrendelingsknop.
2. Druk eerst op de
portiervergrendelingsknop en daarna
binnen de 4 seconden meer dan 2
seconden op de Remote Start-toets.
3. Om de remote startfunctie uit te
schakelen drukt u één keer op de Remote
Start-knop.
Informatie
De auto moet in P (parkeer) stand staan
voor de remote startfunctie.
De motor slaat af als u zonder
geregistreerde smart key in de auto komt.
De motor slaat af als u niet in de auto zit
binnen de 10 minuten nadat hij op afstand
gestart is.
De remote start knop werkt misschien niet
als de afstand tot de smart key groter is dan
10 m (32 feet).
De auto start niet op afstand als de
motorkap of de achterklep geopend zijn.
Laat de motor niet lang stationair draaien.
05
5-7
Mechanische sleutel
Als de Smart Key niet normaal werkt, kunt
u de portieren met de mechanische sleutel
vergrendelen of ontgrendelen.
OJSN048131
OJSN048131
Beweeg de ontgrendelhendel in de richting
van de pijl (1) en verwijder vervolgens
de mechanische sleutel (2). Steek de
mechanische sleutel in de sleutelgat van het
portier.
Druk de sleutel in de opening tot een klik
hoorbaar is om de mechanische sleutel terug
te plaatsen.
Verlies van een Smart Key
Er kunnen per auto maximaal twee Smart
Keys worden geregistreerd. Als u uw Smart
Key verliest, adviseren we u de auto en de
resterende sleutel onmiddellijk naar een
officiële HYUNDAI-dealer te brengen of,
indien nodig, de auto te laten wegslepen.
Voorzorgsmaatregelen Smart Key
In de volgende gevallen werkt de Smart Key
mogelijk niet:
De Smart Key bevindt zich in de buurt
van een andere zender (bijvoorbeeld
van een radiostation of een luchthaven),
waardoor de normale werking van de
afstandsbediening verstoord kan worden.
De Smart Key bevindt zich dicht bij een
zend- en ontvangstinstallatie of een
mobiele telefoon.
Dicht bij uw auto wordt de Smart Key van
een andere auto gebruikt.
Als de Smart Key niet correct werkt, opent en
sluit u de portieren dan met de mechanische
sleutel. Neem contact op met een officiële
HYUNDAI-dealer als u een probleem ervaart
met de Smart Key.
Als de Smart Key zich dicht bij uw mobiele
telefoon bevindt, kan het signaal worden
verstoord door de zendsignalen van uw
mobiele telefoon. Dit kan vooral het geval zijn
wanneer de telefoon actief is, bijvoorbeeld
tijdens het telefoneren, sms-berichten
verzenden en of het verzenden/ontvangen
van e-mail.
Leg de Smart Key en uw mobiele telefoon
niet op dezelfde plaats en probeer altijd een
passende afstand te bewaren tussen beide
toestellen.
Handige functies
5-8
Informatie
Door het aanbrengen van wijzigingen en
aanpassingen waarvoor geen toestemming
is verleend, kunnen de rechten van de
gebruiker komen te vervallen. Als de
portiervergrendeling met afstandsbediening
door wijzigingen of aanpassingen waarvoor
geen toestemming is verleend niet meer
bediend kan worden, valt dit niet onder de
fabrieksgarantie.
AANWIJZING
Houd de Smart Key uit de buurt van
elektromagnetische materialen die de
elektromagnetische golven naar de sleutel
tegenhouden.
AANWIJZING
Neem de Smart Key altijd mee als u de
auto verlaat. Als de Smart Key in de buurt
van de auto blijft, kan de accu van de auto
ontladen raken.
Vervangen van de batterij
OPDE046046
OPDE046046
Als de Smart Key niet goed werkt, vervang de
batterij dan door een nieuw exemplaar.
Type batterij: CR2032
Vervangen van de batterij:
1. Verwijder de mechanische sleutel.
2. Wrik het deksel aan de achterzijde van
de Smart Key met behulp van een plat
gereedschap los.
3. Verwijder de oude batterij en plaats de
nieuwe batterij. Controleer of de batterij
correct werd geplaatst.
4. Plaats het deksel aan de achterzijde van
de Smart Key.
Als u vermoedt dat de Smart Key beschadigd
is of als u denkt dat de Smart Key niet goed
werkt, adviseren we u contact op te nemen
met een officiële HYUNDAI-dealer.
WAARSCHUWING
DIT PRODUCT BEVAT EEN
KNOOPCELBATTERIJ
Als een lithium-knoopcelbatterij wordt
ingeslikt, kan die binnen 2 uur ernstig of
dodelijk letsel veroorzaken.
Batterijen buiten bereik van kinderen
houden.
Als u denkt dat een batterij ingeslikt is
of in iemands lichaam is beland, moet u
onmiddellijk medische hulp inroepen.
05
5-9
Informatie
Een onjuist afgevoerde batterij kan
schadelijk zijn voor het milieu en
voor uw gezondheid. Voer de accu
af volgens uw lokale wetgeving of
voorschriften.
Startblokkeersysteem
Het startblokkeersysteem beveiligt uw auto
tegen diefstal. Als een onjuist gecodeerde
sleutel (of ander apparaat) wordt gebruikt,
wordt het brandstofsysteem van de motor
uitgeschakeld.
Als het contact wordt ingeschakeld, moet het
controlelampje van het startblokkeersysteem
kort gaan branden en dan uit gaan. Als het
controlelampje gaat knipperen, herkent het
systeem de code van de sleutel niet.
Zet het contact in stand LOCK/OFF en
vervolgens weer in stand ON.
Het systeem herkent de code van uw
sleutel misschien niet als er een andere
startblokkeersleutel of een ander metalen
voorwerp (bijvoorbeeld een sleutelhanger)
in de buurt van de sleutel ligt. De motor start
mogelijk niet omdat het metaal het signaal
van de transponder kan blokkeren.
Als het systeem herhaaldelijk de code van de
sleutel niet herkent, raden we u aan contact
op te nemen met een HYUNDAI-dealer.
Probeer geen wijzigingen aan te brengen aan
het systeem of het uit te breiden met andere
apparaten. Er kunnen elektrische problemen
ontstaan waardoor uw auto onbruikbaar
wordt.
WAARSCHUWING
Bewaar geen reservesleutels in uw auto
om diefstal van uw auto te voorkomen. Uw
wachtwoord voor het startblokkeersysteem
is een uniek wachtwoord en moet worden
geheimgehouden.
AANWIJZING
De transponder in uw sleutel is
een belangrijk onderdeel van het
startblokkeersysteem. Deze is ontworpen
voor jarenlange probleemloze werking,
maar u dient deze wel te beschermen tegen
vocht, statische elektriciteit en ruw gebruik.
Storing aan het startblokkeersysteem zou
zich kunnen voordoen.
Handige functies
5-10
SLOTEN
Portiersloten van buitenaf
vergrendelen/ontgrendelen
Mechanische sleutel
OOSN051110L
OOSN051110L
[A]: ontgrendelen, [B]: vergrendelen
Draai de sleutel richting de achterzijde van
de auto om te ontgrendelen en richting de
voorzijde van de auto om te vergrendelen.
Als het bestuurdersportier met de sleutel
wordt vergrendeld/ontgrendeld, zal het
bestuurdersportier automatisch vergrendeld/
ontgrendeld worden. Trek de portiergreep
na het ontgrendelen omhoog om het portier
te openen. Om het portier te sluiten, duwt
u het met de hand dicht. Zorg ervoor dat de
portieren goed gesloten worden.
Smart Key
OOS047001
OOS047001
OPDE046004
OPDE046004
Druk op de toets op de buitenportierkruk van het
bestuurdersportier terwijl u de Smart Key bij u
draagt of druk op de portiervergrendelingstoets
op de Smart Key: alle portieren vergrendelen.
Druk op de toets op de buitenportierkruk van het
bestuurdersportier terwijl u de Smart Key bij u
draagt of druk op de portierontgrendelingstoets
op de smart key: alle portieren ontgrendelen.
Trek de portiergreep na het ontgrendelen
omhoog om het portier te openen.
Om het portier te sluiten, duwt u het met de
hand dicht. Zorg ervoor dat de portieren goed
gesloten worden.
05
5-11
Informatie
In een koud en nat klimaat
werken de portiervergrendeling en
portiermechanismen mogelijk niet goed door
bevriezingsverschijnselen.
Als het portier een aantal keren snel na elkaar
wordt vergrendeld en weer ontgrendeld,
ofwel met de sleutel ofwel met de schakelaar
portiervergrendeling, zal de werking van het
systeem tijdelijk worden onderbroken om
beschadiging van de onderdelen te voorkomen.
Portiersloten van binnenuit
vergrendelen/ontgrendelen
Met de vergrendelknop
OOS047003
OOS047003
Zet de vergrendelknop (1) in stand
’Unlock’ (ontgrendeld) om het portier te
ontgrendelen. De rode markering (2) op de
portiervergrendelingsknop wordt zichtbaar.
Om een portier te vergrendelen, drukt u de
portiervergrendelingsknop (1) in de stand
'vergrendelen'. Als het portier correct is
vergrendeld, is de rode markering (2) op de
portiervergrendelingsknop niet zichtbaar.
Trek aan de portiergreep (3) om het portier
te openen.
De voorportieren kunnen niet worden
vergrendeld als de sleutel in het contact zit
en een voorportier geopend is.
Als de Smart Key zich in de auto bevindt en
een portier is geopend, kunnen de portieren
niet vergrendeld worden.
Informatie
Als de centrale portierontgrendeling niet werkt
terwijl u in de auto zit, probeer dan een van
onderstaande mogelijkheden om de portieren
te openen:
Ontgrendel de portieren herhaaldelijk
(zowel elektronisch als handmatig) en trek
tegelijkertijd aan de portiergreep.
Ontgrendel de overige portieren en trek aan de
portiergrepen.
Open een voorportierruit en gebruik de
mechanische sleutel om het portier vanaf de
buitenzijde te ontgrendelen.
Met de centrale schakelaar voor het
ver/ontgrendelen van portieren
OOS047004
OOS047004
Als op het ( ) deel (2) van de schakelaar
wordt gedrukt, worden alle autoportieren
vergrendeld.
Als er een portier wordt geopend, zullen
de portieren niet worden vergrendeld,
ook al wordt de vergrendeltoets (2) van
de schakelaar centrale vergrendeling
ingedrukt.
Als de Smart Key zich in de auto bevindt
en een portier wordt geopend, kunnen
de portieren niet worden vergrendeld,
ook al wordt de vergrendelschakelaar (2)
van de schakelaar centrale vergrendeling
ingedrukt.
Als op het ( ) deel (1) van de schakelaar
wordt gedrukt, worden alle autoportieren
ontgrendeld.
Handige functies
5-12
WAARSCHUWING
De portieren moeten altijd volledig
gesloten en vergrendeld zijn als de auto
rijdt. Als de portieren ontgrendeld zijn,
is het risico om uit de auto geslingerd te
worden bij een ongeval vergroot.
Trek niet aan de binnenportiergrepen
aan bestuurders- of passagierszijde
terwijl de auto rijdt.
WAARSCHUWING
Laat kinderen of dieren niet zonder toezicht
achter in de auto. Een afgesloten auto
kan extreem heet worden en dodelijk of
ernstig letsel veroorzaken aan kinderen of
dieren die de auto niet kunnen verlaten.
Kinderen zouden functies van de auto
kunnen bedienen die hen zouden kunnen
verwonden, of ze zouden andere schade
kunnen ondervinden, mogelijk door andere
personen die de auto binnendringen.
WAARSCHUWING
Laat uw auto altijd beveiligd achter. Als u
de auto niet vergrendeld achterlaat, kan
iemand zich in uw auto verstoppen en u of
anderen in gevaar brengen.
Doe om de auto veilig achter te laten het
volgende: zet, terwijl u het rempedaal
intrapt, de selectiehendel in stand P
(parkeren) (voor double clutchtransmissie)
of schakel de eerste versnelling of de
achteruitversnelling (handgeschakelde
transmissie) in, activeer de parkeerrem, zet
het contact in stand LOCK/OFF, sluit alle
ruiten, vergrendel alle portieren en neem
altijd de sleutel mee.
WAARSCHUWING
Het openen van een portier als iemand of
iets de auto nadert, kan schade of letsel
veroorzaken. Let bij het openen van portieren
goed op of er geen ander verkeer aankomt.
WAARSCHUWING
Als u lang in de auto blijft terwijl het weer
zeer warm of koud is, zijn er risico's op
verwondingen of levensgevaar. Vergrendel de
auto niet van buitenaf als zich iemand in de
auto bevindt.
Supervergrendeling (indien van
toepassing)
Sommige auto's zijn uitgerust met
supervergrendeling. Deze voorkomt dat een
portier van binnenuit of van buitenaf wordt
geopend zodra de supervergrendeling is
geactiveerd, waardoor de auto extra is beveiligd.
Om de auto te vergrendelen
met gebruikmaking van de
supervergrendelingsfunctie, moeten de
portieren worden vergrendeld met de Smart
Key. Gebruik nogmaals de afstandsbediening
of de Smart Key om de auto te ontgrendelen.
WAARSCHUWING
Vergrendel de portieren niet met de Smart
Key als zich nog iemand in de auto bevindt.
Degene die in de auto zit, kan de portieren
niet ontgrendelen met de vergrendelknop
in het portier. Als het portier bijvoorbeeld
met de smart key is vergrendeld, kan
degene die in de auto zit het portier niet
ontgrendelen zonder de afstandsbediening.
05
5-13
Kenmerken van de automatische
portiervergrendeling/-ontgrendeling
Botsingafhankelijk
portierontgrendelsysteem (indien van
toepassing)
Wanneer bij een aanrijding de airbags worden
geactiveerd, worden alle portieren automatisch
ontgrendeld.
Snelheidsafhankelijk
portiervergrendelsysteem
(indien van toepassing)
Alle portieren worden automatisch vergrendeld
bij een rijsnelheid van meer dan 15 km/u
(9 mph).
U kunt de automatische vergrendel-/
ontgrendelfunctie van de portieren activeren
of deactiveren met de Gebruikersinstellingen
op het LCD-display. Zie “LCD-display” in dit
hoofdstuk voor meer informatie.
Kindersloten achterportieren
OOS047005N
OOS047005N
Het kinderslot dient om te voorkomen dat
kinderen die achterin de auto zitten per ongeluk
de achterportieren openen. De kindersloten
in de achterportieren moeten altijd worden
gebruikt als er kinderen in de auto aanwezig zijn.
Het kinderslot bevindt zich aan de rand van
elk achterportier. Als het kinderslot in de stand
vergrendeld staat, gaat het achterportier niet
open als aan de binnenportiergreep wordt
getrokken.
Om het kinderslot in te schakelen steekt u
een klein, plat gereedschap (bijvoorbeeld
een schroevendraaier) (1) in de sleuf en
draait u deze in de stand vergrendeld zoals
afgebeeld.
Ontgrendel het kinderslot om ervoor te
zorgen dat een achterportier van binnenuit
kan worden geopend.
WAARSCHUWING
Als kinderen per ongeluk de
achterportieren openen terwijl de auto
rijdt, kunnen ze uit de auto vallen. De
kindersloten in de achterportieren moeten
altijd worden gebruikt als er kinderen in de
auto aanwezig zijn.
Rear Occupant Alert
(Achterbank-passagier-alarm -
ROA)
Deze functie voorkomt dat de bestuurder een
passagier op de achterbank achterlaat.
Raadpleeg het afzonderlijk
geleverde instructieboekje van het
infotainmentsysteem voor meer informatie
als uw auto is uitgerust met aanvullende
navigatie.
OCN7050135L
OCN7050135L
Handige functies
5-14
AANWIJZING
Wanneer de bestuurder de motor
uitschakelt en het bestuurdersportier
opent na het openen en sluiten van
een achterportier, verschijnt de
waarschuwingsmelding "Check rear seats
(Controleer de achterbank)".
WAARSCHUWING
Het alarmsysteem voor passagiers op
de achterbank geeft informatie aan
de bestuurder om de achterbank te
controleren, maar detecteert niet of
zich een voorwerp of passagier op de
achterbank bevindt. Controleer bij het
verlaten van de auto altijd de achterbank.
OPGELET
De geschiedenis van het openen en
sluiten van het portier wordt gestart als
de bestuurder de motor uitschakelt en
het autoportier vergrendelt. Ook als het
achterportier niet opnieuw wordt geopend,
kan er toch een alarm klinken als er sprake
is van een voorgaand record. Als de
bestuurder bijvoorbeeld het portier niet
vergrendelt en het portier opent om uit
te stappen nadat het alarm klinkt, kan het
alarm afgaan.
05
5-15
Dit systeem helpt uw auto en
waardevolle spullen te beschermen. De
claxon klinkt en de alarmknipperlichten
knipperen continu in een van de
volgende situaties:
- Een portier wordt geopend zonder de
smart key.
- De achterklep wordt geopend zonder de
smart key.
- De motorkap wordt geopend.
Het alarm duurt 30 seconden, waarna
het systeem reset. Het alarm kan worden
uitgeschakeld door de portieren te
ontgrendelen met de Smart Key.
Het antidiefstalsysteem wordt 30
seconden na het vergrendelen van de
portieren en de achterklep automatisch
ingeschakeld. Om het systeem te
activeren moet u de portieren en de
achterklep van buitenaf vergrendelen
met de Smart Key of door op de toets op
de buitenportiergrepen te drukken terwijl
u de Smart Key bij u draagt.
De alarmknipperlichten knipperen en de
zoemer klinkt eenmaal om aan te geven
dat het systeem is ingeschakeld.
Als het antidiefstalsysteem is
ingeschakeld, wordt het alarm
geactiveerd zodra een van de portieren,
de achterklep of de motorkap wordt
geopend zonder de Smart Key te
gebruiken.
Het antidiefstalsysteem schakelt niet in
als de motorkap, de achterklep of een
portier niet volledig gesloten is. Als het
systeem niet inschakelt, controleert u
of de motorkap, de achterklep en de
portieren volledig gesloten zijn.
Probeer geen wijzigingen aan te brengen
aan het systeem of het uit te breiden met
andere apparaten.
Informatie
Vergrendel de portieren niet voordat alle
passagiers de auto verlaten hebben. Als de
achtergebleven passagiers de auto verlaten
terwijl het systeem is ingeschakeld, wordt
het alarm geactiveerd.
Open, als het systeem niet is uitgeschakeld
met de Smart Key, de portieren met de
mechanische sleutel en start de motor door
de knop Motor Start/Stop rechtstreeks met
de Smart Key in te drukken en wacht 30
seconden.
Wanneer het systeem is uitgeschakeld maar
een portier of de achterklep niet binnen 30
seconden wordt geopend, wordt het systeem
weer ingeschakeld.
OHI038181L
OHI038181L
Informatie
Op auto’s die zijn uitgerust met een
antidiefstalsysteem is een sticker
aangebracht met de volgende tekst:
1. WAARSCHUWING
2. VEILIGHEIDSSYSTEEM
ANTIDIEFSTALSYSTEEM
Handige functies
5-16
STUURWIEL
Elektrische stuurbekrachtiging
(EPS)
Het systeem helpt u bij het sturen van de
auto. Bij een niet-draaiende motor of bij
een defecte stuurbekrachtiging blijft de
auto bestuurbaar, maar is de benodigde
stuurkracht veel groter.
Het sturen wordt zwaarder wanneer de
rijsnelheid toeneemt en lichter wanneer
de snelheid afneemt. Hierdoor hebt u een
betere controle over het stuurwiel.
Indien u merkt dat onder normale
omstandigheden het sturen van de auto
zwaarder gaat dan normaal, dan adviseren
wij u de stuurbekrachtiging te laten
controleren door een officiële HYUNDAI-
dealer.
AANWIJZING
Als de elektrische stuurbekrachtiging
niet normaal werkt, gaat het
waarschuwingslampje ( ) op
het instrumentenpaneel branden
of knipperen. De controle over het
stuurwiel kan afnemen of het sturen
kan zwaar worden. Wij adviseren u
het systeem zo snel mogelijk te laten
controleren door een officiële HYUNDAI-
dealer.
Wanneer een abnormaliteit wordt
gedetecteerd in het elektronische
stuurbekrachtigingssysteem worden
de stuurhulpfuncties gestopt om
dodelijke ongevallen te voorkomen.
Het waarschuwingslampje op het
instrumentenpaneel gaat dan branden
of knipperen. De controle over het
stuurwiel kan afnemen of het sturen kan
zwaar worden. Laat de auto onmiddellijk
controleren nadat u deze naar een
veilige plaats hebt gebracht.
Informatie
De volgende symptomen kunnen zich tijdens
normaal gebruik voordoen:
De benodigde stuurkracht kan direct nadat
het contact in stand ON is gezet, hoog zijn.
Dat gebeurt als het EPS-systeem een
zelfdiagnose uitvoert. Wanneer de
diagnoses zijn voltooid, is de benodigde
kracht voor het sturen weer normaal.
Als de accuspanning laag is, moet u meer
stuurkracht uitoefenen. Dit is een tijdelijke
verschijnsel en zal verdwijnen zodra de
batterij terug opgeladen is.
Er kan een klikkend geluid hoorbaar zijn
van het EPS-relais na het in stand ON of
LOCK/OFF zetten van het contact.
Het geluid van de elektromotor is mogelijk
hoorbaar als de auto stilstaat of met lage
snelheid rijdt.
Wanneer u het stuurwiel bedient in lage
temperaturen, kan abnormaal geluid
worden waargenomen. Deze geluiden
verdwijnen als de temperatuur stijgt. Dit is
een normaal verschijnsel.
Als u bij stilstaande auto het stuurwiel
continu van aanslag tot aanslag draait, gaat
het sturen zwaarder. Dat wijst niet op een
storing in het systeem. Na verloop van tijd
werkt het systeem weer normaal.
05
5-17
Verstelbare stuurkolom
WAARSCHUWING
Verstel de stuurkolom nooit tijdens
het rijden. Als u dat wel doet, kunt u de
macht over het stuur verliezen, waardoor
ongevallen en (dodelijk) letsel kunnen
worden veroorzaakt.
Informatie
Het is mogelijk dat de ontgrendelhendel, na het
instellen, het stuurwiel niet blokkeert.
Dit duidt niet op een storing. Dit gebeurt als
twee tandwielen niet correct aangrijpen. Stel
in zo'n geval het stuurwiel opnieuw in en
vergrendel het.
OOSN051006L
OOSN051006L
Druk de vergrendeling (1) op de
stuurwielkolom omlaag en zet het stuurwiel
in de gewenste hoek (2) en positie (3).
Beweeg het stuurwiel zodat het naar uw
borst is gericht, niet naar uw gezicht.
Zorg ervoor dat u de waarschuwingslampjes
en meters op het instrumentenpaneel kunt
zien.
Trek na het aanpassen de vergrendeling
(1) omhoog om het stuurwiel op zijn plek
te vergrendelen. Duw het stuurwiel zowel
omhoog als omlaag om er zeker van te zijn
dat het stuurwiel goed vastzit. Stel de positie
van het stuurwiel altijd in voordat u gaat
rijden.
OPGELET
Tijdens het verstellen van de stuurhoogte
mag u niet hard duwen of te trekken,
aangezien de bevestiging dan kan worden
beschadigd.
Handige functies
5-18
Stuurwielverwarming
(indien van toepassing)
OOSN051106L
OOSN051106L
Wanneer het contact in stand ON
staat of wanneer de motor draait,
kunt u door het indrukken van de
toets van de stuurwielverwarming de
stuurwielverwarming inschakelen.
Het controlelampje in de toets gaat branden.
Om de stuurwielverwarming uit te
schakelen, drukt u opnieuw op de toets. Het
controlelampje in de toets gaat uit.
Informatie
De stuurwielverwarming gaat ongeveer
30 minuten na het inschakelen van de
stuurwielverwarming automatisch uit.
AANWIJZING
Monteer geen hoes of accessoires op
het stuurwiel. De hoes of het accessoire
kan schade aan het systeem van de
stuurwielverwarming veroorzaken.
Claxon
OOSN051007L
OOSN051007L
Druk op het gedeelte van het stuurwiel bij het
claxonsymbool om te claxonneren. De claxon
werkt alleen wanneer op dit gedeelte wordt
gedrukt.
AANWIJZING
Sla niet krachtig of met uw vuist op dit
gebied. Druk het claxongedeelte niet in met
een scherp voorwerp.
05
5-19
SPIEGELS
Binnenspiegel
Stel, voordat u gaat rijden, de binnenspiegel
zo af dat u in het midden van de spiegel het
midden van de achterruit ziet.
WAARSCHUWING
Zorg ervoor dat uw zicht niet wordt
gehinderd. Plaats geen voorwerpen op de
achterstoelen, in de bagageruimte of achter
de hoofdsteunen van de achterstoelen die
het zicht door de achterruit zouden kunnen
belemmeren.
WAARSCHUWING
Wijzig de binnenspiegel niet en monteer
geen grotere spiegel, om ernstig letsel bij
een ongeval of het activeren van de airbag
te voorkomen.
WAARSCHUWING
Verstel de spiegel NOOIT tijdens het rijden.
Hierdoor kunt u de controle over de auto
verliezen en een ongeval veroorzaken.
AANWIJZING
Gebruik voor het reinigen van de spiegel
een papieren doekje of vergelijkbaar
materiaal dat vochtig is gemaakt met
glasreiniger. Spuit niet direct glasreiniger
op de spiegel, anders kan er glasreiniger in
de spiegel komen.
Binnenspiegel met dag-/nachtstand
(indien van toepassing)
OOS047009
OOS047009
[A] : Dag-/nachthendel, [B]: Dag, [C]: Nacht
Stel de spiegel af voordat u wegrijdt en als
deze in de dagstand staat.
Trek de dag/nachthendel naar u toe
om verblinding door de koplampen van
achteropkomend verkeer te voorkomen als u
's nachts rijdt.
Houd er rekening mee dat het beeld in de
spiegel in de nachtstand minder duidelijk is
dan in de dagstand.
Zelfdimmende binnenspiegel (ECM)
(indien van toepassing)
De elektrochromatische binnenspiegel
voorkomt automatisch verblinding door
koplampen van achteropkomend verkeer bij
nacht of weinig licht.
Als de motor draait, wordt de
antiverblindingsstand automatisch geregeld
door de sensor in de achteruitkijkspiegel.
De sensor detecteert het omgevingslicht
rond de auto en stelt de dimming van de
spiegel automatisch bij om verblinding door
de verlichting van achteropkomend verkeer
tegen te gaan.
Handige functies
5-20
OOS047010L
OOS047010L
[A]: controlelampje
De elektrochromatische binnenspiegel
voorkomt automatisch verblinding door
koplampen van achteropkomend verkeer
bij nacht of weinig licht. Als de motor
draait, wordt de antiverblindingsstand
automatisch geregeld door de sensor in de
achteruitkijkspiegel. De sensor detecteert
het omgevingslicht rond de auto en stelt
de dimming van de spiegel automatisch
bij om verblinding door de verlichting van
achteropkomend verkeer tegen te gaan. Als
de selectiehendel in stand R (achteruit) wordt
gezet, wordt de binnenspiegel automatisch
in de helderste stand gezet om het zicht naar
achteren zo duidelijk mogelijk te maken.
AANWIJZING
Gebruik voor het reinigen van de spiegel
een papieren doekje of vergelijkbaar
materiaal dat vochtig is gemaakt met
glasreiniger. Spuit niet direct glasreiniger
op de spiegel, anders kan er glasreiniger in
de spiegel komen.
Buitenspiegels
OOS047012
OOS047012
Stel de spiegels af voordat u gaat rijden.
Uw auto is uitgerust met zowel een linker als
een rechter buitenspiegel.
De spiegels kunnen elektrisch versteld
worden met de schakelaar.
De spiegels kunnen worden ingeklapt
om beschadigingen in een automatische
wasserette of bij het rijden door een smalle
straat te voorkomen.
WAARSCHUWING
De rechterbuitenspiegel is convex.
Bij uitvoeringen voor sommige
landen is ook de linker buitenspiegel
convergerend. Voorwerpen in de spiegel
zijn daardoor dichterbij dan ze lijken.
Gebruik bij het veranderen van rijstrook
daarom uw binnenspiegel of draai uw
hoofd om de werkelijke afstand tot
het achteropkomende verkeer vast te
stellen.
05
5-21
WAARSCHUWING
Verstel de buitenspiegels niet of klap ze
niet in tijdens het rijden. Hierdoor kunt u
de controle over de auto verliezen en een
ongeval veroorzaken.
AANWIJZING
Gebruik geen krabber om de spiegel
ijsvrij te maken; hierdoor kan het
spiegelglas beschadigd raken.
Forceer de buitenspiegel niet als
deze vastgevroren is. Gebruik een
goedgekeurde ruitontdooier (geen
koelvloeistof) of een spons of zachte
doek met zeer warm water, of zet de
auto op een warme plaats om het ijs te
laten smelten.
Afstellen van de buitenspiegels
OOS047013
OOS047013
1. Druk op de toets L (links) of R (rechts)
(1) om de spiegel te selecteren die u wilt
afstellen.
2. Gebruik de bedieningsschakelaar voor de
spiegel (2) om de geselecteerde spiegel
omhoog, omlaag, naar links of naar rechts
te bewegen.
3. Zet de schakelaar na het verstellen terug
in de middenstand om te voorkomen dat
de spiegel onbedoeld wordt versteld.
AANWIJZING
De spiegels stoppen hun beweging als
de maximale stelhoek is bereikt. De
stelmotor blijft echter draaien zolang
de schakelaar ingedrukt blijft. Houd de
schakelaar niet langer ingedrukt dan
nodig om te voorkomen dat de stelmotor
beschadigd raakt.
Probeer de buitenspiegels nooit met
de hand te verstellen, anders kan de
elektromotor beschadigd raken.
Handige functies
5-22
Buitenspiegel inklappen
OOS047014
OOS047014
Handmatig type
Pak de buitenspiegel bij de behuizing vast en
klap deze naar achteren.
OOS047015
OOS047015
Elektronisch
Links : De spiegel wordt uitgeklapt.
Rechts : De spiegel klapt in.
Midden (AUTO) : De spiegels worden in
de volgende gevallen automatisch in- en
uitgeklapt:
- De spiegel klapt in of uit wanneer het
portier wordt vergrendeld of ontgrendeld
met de Smart Key en “Welcome
mirror” (welkomstspiegel) in de modus
Gebruikersinstellingen op het lcd-scherm
wordt geactiveerd.
- De spiegel klapt in of uit wanneer het
portier wordt vergrendeld of ontgrendeld
met de toets op de buitenportiergreep en
“Welcome mirror” (welkomstspiegel) in
de modus Gebruikersinstellingen op het
lcd-scherm wordt geactiveerd.
AANWIJZING
De elektrische buitenspiegels werken ook
als het contact is uitgeschakeld. Stel, om
te voorkomen dat de accu leegraakt, de
spiegels niet langer dan noodzakelijk af als
de motor is uitgeschakeld.
AANWIJZING
Klap de elektrisch bedienbare
buitenspiegels niet met de hand in. Anders
kan de elektromotor defect raken.
5-23
05
(1) Schakelaar ruitbediening
bestuurdersportier*
(2) Schakelaar ruitbediening
passagiersportier*
(3) Schakelaar ruitbediening achterportier
(links)*
(4) Schakelaar ruitbediening achterportier
(rechts)*
(5) Ruiten openen en sluiten
(6) Elektrisch bedienbare ruiten*
(7) Blokkeerschakelaar ruitbediening*
*: Indien van toepassing
Elektrisch bedienbare ruiten (indien van toepassing)
OOS047017
OOS047017
RUITEN
Handige functies
5-24
Om de ruiten te kunnen sluiten of openen,
moet het contact ingeschakeld zijn. Ieder
portier is voorzien van een schakelaar
voor de bediening van de desbetreffende
ruit. De bestuurder beschikt over
een blokkeerschakelaar waarmee de
ruitbediening van de schakelaars op de
achterportieren kan worden uitgeschakeld.
De elektrisch bedienbare ruiten kunnen
worden bediend tot ongeveer 30 seconden
nadat het contact in stand ACC of OFF is
gezet. Wanneer de voorportieren geopend
zijn, kunnen de ruiten niet bediend worden,
zelfs niet binnen de periode van 30
seconden.
WAARSCHUWING
Om ernstig letsel of overlijden te
voorkomen, mag u tijdens het rijden niet
uw hoofd, armen of lichaam uit de ruiten
steken.
Informatie
In een koud en nat klimaat werken de
elektrisch bedienbare ruiten mogelijk niet
door bevriezingsverschijnselen.
Tijdens het rijden met de zijruiten achter
omlaag of met het zonnedak (indien van
toepassing) geheel of gedeeltelijk geopend,
kan een dreunend geluid hoorbaar zijn.
Dit is normaal en kan als volgt worden
verminderd of verdwijnen. Als het geluid
hoorbaar is terwijl een of beide zijruiten
achter omlaag zijn, laat dan beide zijruiten
vóór ongeveer 2,5 cm zakken. Als het geluid
hoorbaar is terwijl het schuif-/kanteldak is
geopend, schuif het schuif-/kanteldak dan
iets dicht.
Ruiten openen en sluiten
OOS047018
OOS047018
Openen:
Druk de ruitschakelaar in tot het eerste
drukpunt (5). Laat de schakelaar los wanneer
u wilt dat de ruit stopt.
Sluiten:
Trek de ruitschakelaar tot het eerste drukpunt
omhoog (5). Laat de ruitschakelaar los
wanneer u wilt dat de ruit stopt.
Ruit automatisch naar beneden
(indien van toepassing)
Door de schakelaar ruitbediening kortstondig
in te drukken tot de tweede stand (6), wordt
de ruit automatisch geheel geopend, zelfs
als de schakelaar wordt losgelaten. Om
de ruitbeweging te stoppen, trekt u de
schakelaar omhoog of drukt hem omlaag en
laat hem dan los.
Ruit automatisch omhoog/naar
beneden (indien van toepassing)
Door de ruitschakelaar kort voorbij het
tweede drukpunt (6) te drukken of te
trekken, opent of sluit de ruit volledig, ook
als de schakelaar wordt losgelaten. Om
de ruitbeweging te stoppen, trekt u de
schakelaar omhoog of drukt hem omlaag en
laat hem dan los.
05
5-25
De elektrisch bedienbare ruiten
resetten
Als de elektrisch bedienbare ruiten niet goed
werken, moet de elektrische ruitbediening
als volgt worden gereset:
1. Zet het contact in stand ON.
2. Sluit de ruit en houd de
ruitbedieningsschakelaar daarna nog
minstens een seconde omhoog.
Als de elektrisch bedienbare ruiten na het
resetten niet goed werken, raden we u aan
het systeem te laten controleren door een
officiële HYUNDAI-dealer.
WAARSCHUWING
De klembeveiliging werkt niet wanneer
de elektrische ruitbediening wordt
gereset. Zorg ervoor dat lichaamsdelen
en voorwerpen zich op een veilige afstand
bevinden voordat u de ruiten te sluiten. Zo
voorkomt u letsel of schade aan de auto.
Automatische omkeerfunctie (indien
van toepassing)
OLF044032
OLF044032
Vervolgens zal de ruit ongeveer 30 cm (12
inch) zakken, zodat het voorwerp kan worden
verwijderd.
Als een obstakel gesignaleerd wordt tijdens
het automatisch sluiten van een ruit, stopt
de beweging van de ruit en zakt de ruit
ongeveer 2,5 cm (1 inch), zodat het voorwerp
verwijderd kan worden.
Als de schakelaar opnieuw blijvend
omhooggetrokken wordt binnen 5 seconden
nadat de ruit automatisch naar beneden is
gegaan door de inklembeveiliging, zal de
inklembeveiliging niet werken.
Informatie
De klembeveiliging voor de portierruit werkt
alleen als de automatische sluitfunctie wordt
gebruikt door de schakelaar omhoog te
trekken tot de tweede stand.
WAARSCHUWING
Zorg ervoor dat lichaamsdelen en
voorwerpen zich op een veilige afstand
bevinden voordat u de ruiten te sluiten. Zo
voorkomt u letsel of schade aan de auto.
Als een voorwerp met een diameter kleiner
dan 4 mm (0,16 inch) tussen de ruit en de
sponning terechtkomt, wordt de extra
weerstand mogelijk niet opgemerkt door de
klembeveiliging en zal de ruit niet stoppen
en in de andere richting bewegen.
Handige functies
5-26
AANWIJZING
Breng geen accessoires aan op de ruiten.
De automatische omkering werkt mogelijk
niet.
Blokkeerschakelaar ruitbediening
OOS047019
OOS047019
De bestuurder kan de
ruitbedieningschakelaars van de
achterportieren uitschakelen door de
blokkeerschakelaar voor de ruitbediening in
te drukken.
Als de blokkeerschakelaar van de
ruitbediening ingedrukt is:
Met de hoofdschakelaar voor de
bestuurder kunnen alle elektrisch
bedienbare ruiten worden bediend.
Met de schakelaar voor de ruitbediening
van de portierruit aan voorpassagierszijde
kan de portierruit aan voorpassagierszijde
worden bediend.
De achterpassagiers kunnen de elektrisch
bedienbare portierruiten achter niet
bedienen.
WAARSCHUWING
Laat kinderen niet met de elektrische ruiten
spelen. Houd de blokkeerschakelaar voor
de ruitbediening in het bestuurdersportier
in de blokkeerstand. Ernstig tot dodelijk
letsel kan het gevolg zijn van onbedoelde
bediening van de ruiten door een kind.
AANWIJZING
Open of sluit telkens maar één ruit
tegelijk, om schade aan de elektrische
ruitbediening te voorkomen. Hierdoor
zal bovendien de zekering langer
meegaan.
Probeer nooit tegelijkertijd de
hoofdschakelaar voor de ruitbediening
in het bestuurdersportier en de
afzonderlijke schakelaar voor de
ruitbediening in tegengestelde
richtingen in te drukken. In dat geval
stopt de ruit en kan deze niet meer
worden geopend of gesloten.
WAARSCHUWING
Laat kinderen NOOIT zonder toezicht
achter met de contactsleutel in de auto
als de motor draait.
Laat een kind NOOIT zonder toezicht
achter in de auto. Ook zeer jonge
kinderen kunnen per ongeluk de auto in
beweging zetten, bekneld raken tussen
de portierruiten of zichzelf of anderen
letsel toebrengen.
Controleer altijd zorgvuldig of er zich
geen armen, handen of andere obstakels
in de buurt bevinden voordat een ruit
wordt gesloten.
Laat kinderen niet met de
elektrische ruiten spelen. Laat
de blokkeerschakelaar voor de
ruitbediening in de stand VERGRENDELD
(ingedrukt) staan. Het onbedoeld
bedienen van een ruit kan vooral bij
kinderen tot letsel leiden.
Steek tijdens het rijden uw hoofd, armen
of andere lichaamsdelen niet naar
buiten.
05
5-27
Indien uw auto is uitgerust met een schuif-/
kanteldak, kunt u dit met behulp van de hendel
in de dakconsole openschuiven of kantelen.
OOS047021
OOS047021
Het schuif-/kanteldak kan alleen elektrisch
bediend worden wanneer de toets Engine
Start/Stop (motor starten/stoppen) in stand
ON of START staat.
Het schuif-/kanteldak kan worden bediend tot
ongeveer 30 seconden nadat de START/STOP
knop in stand ACC of OFF is gezet. Wanneer
echter de voorportieren zijn geopend, kan
het schuifdak niet worden geopend, zelfs niet
binnen de periode van 30 seconden.
WAARSCHUWING
Verstel het schuif-/kanteldak of het
zonnescherm niet tijdens het rijden.
Hierdoor kunt u de controle over de auto
verliezen, wat tot een ongeluk met letsel of
schade kan leiden.
Laat kinderen nooit zonder toezicht achter
in het voertuig terwijl de motor draait en
de sleutel in het contact zit. Alleen gelaten
kinderen zouden het schuif-/kanteldak
kunnen bedienen, wat in ernstig letsel kan
resulteren.
Ga niet op het dak van de auto zitten.
Dit kan letsel of schade aan de auto
veroorzaken
AANWIJZING
Bedien het schuif-/kanteldak niet als er
dakrails op het dak zitten of als er bagage op
het dak ligt.
Zonnescherm
OCN7050029
OCN7050029
Gebruik het zonnescherm om direct zonlicht
via het glas van het schuif-/kanteldak tegen te
houden.
Open of sluit het zonnescherm met de hand.
Informatie
Het zonnescherm gaat automatisch open als het
glas van het schuif-/kanteldak beweegt, maar het
zonnescherm sluit niet automatisch als het glas
van het schuif-/kanteldak dicht is. Ook kan het
zonnescherm niet worden gesloten als het glas
van het zonnedak geopend is.
AANWIJZING
Trek het zonnescherm niet omhoog of omlaag
en oefen geen grote kracht uit, want dit kan
het zonnescherm beschadigen of een storing
veroorzaken.
SCHUIF-/KANTELDAK (INDIEN VAN TOEPASSING)
Handige functies
5-28
Omhoog/omlaag kantelen
OOS047023
OOS047023
Duw de hendel van het schuif-/kanteldak
omhoog, dan kantelt het glas open.
Duw de hendel van het schuif-/kanteldak
vooruit, dan gaat het glas van het schuif-/
kanteldak automatisch dicht.
Duw de hendel van het schuif-/kanteldak
in een willekeurige richting om het
zonnescherm stil te zetten.
Informatie
Het glas van het schuif-/kanteldak kan niet
tegelijk openschuiven en open kantelen.
U kunt het glas van het schuif-/kanteldak
niet open kantelen zolang het glas van het
schuif-/kanteldak opengeschoven is. Ook
kunt u het glas van het schuif-/kanteldak niet
openschuiven zolang het glas van het schuif-/
kanteldak open gekanteld is. Schuif of kantel
het samen met het glas van het zonnedak open
wanneer het glas van het zonnedak volledig
gesloten is.
Open-/dichtschuiven
OOS051201
OOS051201
Duw de schakelaar van het schuif-/
kanteldak achteruit en het zonnescherm
en het schuif-/kanteldak schuiven open.
Duw de schakelaar vooruit en het schuif-/
kanteldak sluit.
Duw de schakelaar van het schuif-/
kanteldak naar voren of naar achteren
naar de eerste klikstand, beweegt het
glas van het schuif-/kanteldak tot u de
schakelaar loslaat.
Duw de schakelaar van het schuif-/
kanteldak vooruit of achteruit achteren
tot de tweede klikstand, dan werkt
het schuif-/kanteldak automatisch
(automatische schuiffunctie).
Duw de schakelaar van het schuif-/
kanteldak in een willekeurige richting om
het zonnescherm stil te zetten.
Informatie
Om het windgeruis tijdens het rijden te
beperken, raden wij aan om het schuif-/
kanteldak in de aanbevolen positie (niet
helemaal open) te zetten.
05
5-29
Klembeveiliging
ODH043039
ODH043039
Als het schuifdak een hindernis tegenkomt
tijdens het automatische sluitingsproces,
schuift het terug in de andere richting en
stopt het op een bepaald punt.
De automatische omkeerfunctie werkt
mogelijk niet als er een dun of zacht
voorwerp tussen het schuifglas en het
schuifdaklint zit.
WAARSCHUWING
Zorg ervoor dat hoofden, andere
lichaamsdelen en voorwerpen zich op
een veilige afstand bevinden voordat u
het schuif-/kanteldak bedient. Er kunnen
lichaamsdelen of objecten klem raken
met letsel of schade aan het voertuig als
gevolg.
Probeer de automatische omkeerfunctie
nooit opzettelijk uit met lichaamsdelen.
Het kan zijn dat het glas van het schuif-/
kanteldak omkeert, maar er is een kans
op letsel.
AANWIJZING
Duw niet meer tegen de hendel als het
schuif-/kanteldak volledig is geopend,
gesloten of gekanteld. Dit kan leiden tot
schade aan de motor van het schuif-/
kanteldak.
Doorlopend open-/dichtschuiven,
open-/dichtkantelen, kan leiden tot
een storing in de motor of het schuif-/
kanteldaksysteem.
Verwijder regelmatig opgehoopt stof van
de rails van het schuifdak.
Opgehoopt stof tussen het schuif-/
kanteldak en het dakpaneel kan herrie
maken. Open het schuif-/kanteldak
regelmatig om met een schone doek het
stof te verwijderen.
Probeer het schuif-/kanteldak niet te
openen bij temperaturen onder het
vriespunt, of als het dak is bedekt met
sneeuw of ijs. Mogelijk werkt het schuif-/
kanteldak dan niet goed en kan het
kapotgaan als u het forceert.
Open het schuif-/kanteldak niet meteen
na regen of een wasbeurt. Dan kan er
water in de auto komen.
Laat onder het rijden geen bagage uit
het Schuif-/kanteldak steken. Er kan
schade aan de auto ontstaan bij een
plotselinge stop.
WAARSCHUWING
Steek tijdens het rijden niet uw hoofd,
armen, lichaamsdelen of objecten naar
buiten. U kunt dan letsel oplopen bij een
plotselinge stop.
Handige functies
5-30
Schuif-/kanteldak resetten
OOS051202
OOS051202
In sommige omstandigheden is het nodig
om het schuifdak te resetten. Het resetten
van het schuif-/kanteldak kan onder andere
nodig zijn in de volgende gevallen:
Als de 12V-accu afgekoppeld of leeg is
Als de zekering van het schuif-/kanteldak
is vervangen
Als de automatische open-/sluitfunctie
van het schuif-/kanteldak niet correct
werkt
Resetprocedure schuif-/kanteldak:
1. Aanbevolen wordt om de resetprocedure
met draaiende motor uit te voeren. Start
de motor met de transmissie in P (Park).
2. Zorg ervoor dat het glas van het schuif-/
kanteldak volledig gesloten is. Als het
glas van het zonnedak open is, duwt u
de hendel naar voren tot het glas van het
zonnedak volledig gesloten is.
3. Laat de hendel los als het glas van het
zonnedak volledig gesloten is.
4. Duw de hendel naar voren tot het glas
van het zonnedak ietsje beweegt. Laat de
hendel dan los.
5. Duw de hendel opnieuw naar voren en
houd hem die positie tot het glas van het
zonnedak opent en sluit. Laat de hendel
pas los als de handeling afgerond is.
Als u de schakelaar tijdens de procedure
loslaat, start u die weer vanaf stap 2.
Informatie
Als het schuifdak niet wordt gereset wanneer
de accu losgenomen of ontladen is geweest,
of wanneer de desbetreffende zekering
doorgebrand is, werkt het schuifdak mogelijk
niet goed.
Waarschuwing geopend schuif-/
kanteldak
OOS051203
OOS051203
Als de bestuurder de motor uitschakelt
wanneer het schuif-/kanteldak niet volledig
is gesloten, klinkt er enkele seconden een
waarschuwingszoemer en verschijnt er een
waarschuwing geopend schuifdak op het
lcd-display.
Sluit het schuif-/kanteldak volledig wanneer
u de auto verlaat.
OPGELET
Zorg er bij het verlaten van uw auto voor dat
het schuif-/kanteldak volledig is gesloten.
Als het schuif-/kanteldak geopend blijft,
kunnen regen of sneeuw het interieur
nat maken. Bovendien kan een geopend
schuif-/kanteldak van een achtergelaten
auto diefstal uitlokken.
05
5-31
Motorkap
Openen van de motorkap
OOSN051009L
OOSN051009L
1. Parkeer de auto en activeer de
parkeerrem.
2. Trek aan de ontgrendelingshendel om de
motorkap te ontgrendelen. De motorkap
komt iets omhoog.
OOSN051010L
OOSN051010L
3. Ga naar de voorzijde van de auto en til de
motorkap iets op. Druk de veiligheidshaak
in het midden van de motorkap terug (1)
en trek de motorkap omhoog (2).
4. Neem de motorkapsteun los.
OOS047026
OOS047026
5. Ondersteun de motorkap met de steun (1).
WAARSCHUWING
Pak de steun altijd vast bij het deel dat
omwikkeld is met rubber. Het rubber
voorkomt dat u zich verbrandt aan het
hete metaal als de motor warm is.
De motorkapsteun moet volledig in de
daarvoor bestemde uitsparing worden
aangebracht wanneer u de motorruimte
inspecteert. Dat voorkomt dat de
motorkap plotseling naar beneden valt
en letsel veroorzaakt.
EXTERIEUR
Handige functies
5-32
Sluiten van de motorkap
1. Controleer de volgende punten alvorens
de motorkap te sluiten:
Alle vuldoppen in de motorruimte
moeten correct worden aangebracht.
Of er geen handschoenen, doeken of
andere brandbare materialen in de
motorruimte zijn achtergebleven.
2. Zet de steun vast in de clip om te
voorkomen dat hij gaat rammelen.
3. Laat de motorkap tot halverwege zakken
(ongeveer 30 cm boven de gesloten
positie) en druk hem naar beneden om
hem veilig te sluiten. Controleer dan of de
motorkap volledig gesloten is.
Als de motorkap iets kan worden opgetild,
is deze niet correct gesloten. Open de
motorkap opnieuw en sluit hem met meer
kracht.
WAARSCHUWING
Zorg ervoor dat alle obstakels zijn
verwijderd rond de motorkapopening
alvorens de motorkap te sluiten.
Controleer altijd tweemaal of de
motorkap stevig vergrendeld is
voordat u wegrijdt. Controleer of
er geen waarschuwingslampje
geopende motorkap brandt en er geen
melding wordt weergegeven in het
instrumentenpaneel. Als de motorkap
niet is vergrendeld terwijl de auto
rijdt, klinkt er een geluidssignaal om
de bestuurder te waarschuwen dat de
motorkap niet volledig is vergrendeld.
De geopende motorkap kan het zicht
volledig ontnemen, waardoor rijden met
geopende motorkap een ongeval kan
veroorzaken.
Verplaats de auto niet met geopende
motorkap omdat het zicht wordt
belemmerd, wat een ongeval tot gevolg
kan hebben, en de motorkap kan vallen
of beschadigd raken.
05
5-33
Achterklep
Achterklep openen
OOSN051011L
OOSN051011L
Zorg ervoor dat het voertuig in de stand P
(parkeren) staat en activeer de parkeerrem.
Zet dan één van de volgende stappen:
1. Ontgrendel alle portieren met de
ontgrendelingstoets op uw Smart Key.
Druk op de knop van de achterklepkruk en
open de achterklep.
2. Houd de achterklepontgrendelingstoets
op de Smart Key ingedrukt. Druk op de
knop van de achterklepkruk en open de
achterklep.
3. Druk de schakelaar in de handgreep van
de achterklep in terwijl u de Smart Key bij
u draagt.
Achterklep sluiten
OOSN051012L
OOSN051012L
Breng en druk de achterklep omlaag totdat
deze vergrendelt. Controleer altijd of de
achterklep correct is gesloten door deze
weer open te trekken zonder de toets in de
achterklephandgreep in te drukken.
WAARSCHUWING
Houd de achterklep tijdens het rijden
altijd volledig gesloten. Wanneer met
een (half) geopende achterklep wordt
gereden, kunnen giftige uitlaatgassen met
CO (koolstofmonoxide) in het interieur
binnendringen, waardoor u ernstig ziek
kunt worden of kunt sterven.
Informatie
Om schade aan de hefcilinders en bijhorende
hardware te vermijden moet u de achterklep
altijd sluiten voor u wegrijdt.
AANWIJZING
In een koud en nat klimaat werken
de achterklepvergrendeling en
achterklepmechanismen mogelijk niet door
bevriezingsverschijnselen.
Handige functies
5-34
WAARSCHUWING
OOSN051103L
OOSN051103L
Houd het deel (gasveer) dat de achterklep
ondersteunt niet vast. Vervorming van de
achterklepveer kan schade aan het voertuig
en letsel veroorzaken.
WAARSCHUWING
Vervoer NOOIT personen in de
bagageruimte van de auto. Als de
achterklep gedeeltelijk of volledig
gesloten is en de persoon er niet uit kan
komen, kan ernstig letsel of overlijden
optreden door ventilatiegebrek,
uitlaatgassen, snel toenemende
warmte of door blootstelling aan koude.
Daarnaast is de bagageruimte gevaarlijk
tijdens een aanrijding, aangezien
deze geen deel uitmaakt van de
veiligheidskooi maar tot de kreukelzone
van de auto behoort.
U dient uw auto afgesloten te houden
en de sleutels moeten buiten het bereik
van kinderen worden gehouden. Ouders
moeten hun kinderen inlichten over de
gevaren van spelen in bagageruimten.
Noodontgrendeling achterklep
OOSN051013L
OOSN051013L
Uw auto is uitgerust met een
ontgrendelgreep aan de onderzijde van
de achterklep om de achterklep in geval
van nood vanaf de binnenzijde van de auto
te kunnen openen. Wanneer iemand per
ongeluk in de bagageruimte opgesloten
raakt. De achterklep kan als volgt worden
geopend:
1. Steek de sleutel in het gat.
2. Druk de ontgrendelhendel met een sleutel
naar rechts.
3. Duw de achterklep omhoog.
WAARSCHUWING
Zorg ervoor dat u weet waar deze
ontgrendelknop zich bevindt, zodat u
zich in noodgevallen kunt bevrijden uit
de bagageruimte als u daar per ongeluk
opgesloten bent geraakt.
Vervoer nooit personen in de
bagageruimte van de auto. De
bagageruimte is een zeer gevaarlijke
plaats voor personen in geval van een
aanrijding.
Gebruik de ontgrendelgreep alleen
in noodgevallen. Wees hierbij uiterst
voorzichtig, zeker als het voertuig rijdt.
05
5-35
Tankdopklep
Openen van de tankdopklep
OOSN051014L
OOSN051014L
De tankdopklep moet van binnenuit worden
geopend door de tankdopklep naar boven te
trekken.
1. Zet de motor uit.
2. Trek de ontgrendeling omhoog om de
tankdopklep te openen.
OOS047031
OOS047031
3. Zet de tankdopklep (1) geheel open.
4. Draai de tankdop (2) linksom om deze te
verwijderen. Mogelijk hoort u gesis als de
druk in de tank gelijkgemaakt wordt.
5. Plaats de dop op de tankdopklep.
Informatie
Als de tankdopklep niet opent omdat zich
ijs heeft gevormd om de tankdopklep heen,
klopt of duwt u voorzichtig op de klep om het
ijs te breken en de klep te openen. Wrik de
tankdopklep niet los. Spuit de tankdopklep
indien nodig in met ruitontdooier (gebruik
geen koelvloeistof) of zet de auto op een warme
plaats om het ijs te laten smelten.
Handige functies
5-36
Sluiten van de tankdopklep
1. Plaats de dop terug en draai hem
rechtsom totdat hij eenmaal klikt.
2. Sluit de tankdopklep totdat deze stevig
vergrendelt.
Informatie
De tankdopklep zal niet sluiten als het
bestuurdersportier is vergrendeld. Als u tijdens
het tanken het bestuurdersportier vergrendelt,
moet u het ontgrendelen voor de tankdopklep
sluit.
WAARSCHUWING
Benzine is licht ontvlambaar en explosief.
Het niet naleven van deze richtlijnen kan
leiden tot ERNSTIG LETSEL of de DOOD:
Lees alle waarschuwingen bij het
tankstation en neem ze in acht.
Kijk vóór het tanken altijd of er een
noodknop voor het afsluiten van de
brandstof is bij de brandstofpomp.
Raak, voordat u de tankdop en
vulopening aanraakt, altijd even met
uw blote hand een metalen deel van de
auto aan, op voldoende afstand van de
vulopening, om brandgevaar als gevolg
van statische elektriciteit te voorkomen.
Maak tijdens het tanken geen gebruik
van een mobiele telefoon. Elektrische
stroom en/of elektronische storing van
mobiele telefoons kan brandstofdampen
doen ontbranden.
Stap niet terug in de auto tijdens het
tanken. Door het aanraken van of
wrijven tegen voorwerpen of stoffen die
statische elektriciteit kunnen genereren,
kunt u namelijk statisch geladen raken.
Statische elektriciteit kan
brandstofdampen doen ontbranden. Als
u tijdens het tanken toch terug in de auto
moet stappen, raak ook dan even met
uw blote hand een metalen deel aan de
voorzijde van de auto aan om eventuele
statische elektriciteit kwijt te raken.
Zet bij het tanken de transmissie altijd
naar de stand P (parkeren) (voor dubbele
clutch-transmissie) of eerste versnelling
of R (achteruit, voor handgeschakelde
transmissie), activeer de parkeerrem
en zet het contact in stand LOCK/
OFF. De elektrische onderdelen van
de motor kunnen vonken produceren
die brandstofdampen kunnen doen
ontbranden.
Als u een geschikte jerrycan wilt vullen,
plaats deze dan op de grond. Een met
statische elektriciteit geladen jerrycan
kan brandstofdampen doen ontbranden.
Zodra u begint te tanken, moet u met uw
blote hand contact maken met de auto
tot het tanken is voltooid.
05
5-37
Gebruik alleen jerrycans die geschikt zijn
voor brandstof.
Gebruik geen lucifers of aansteker en
rook niet. Laat ook geen brandende
sigaret achter in de auto terwijl u gaat
tanken.
Vul niet te veel brandstof bij in de tank,
anders kan er benzine morsen.
Als er tijdens het tanken brand
uitbreekt, verlaat dan onmiddellijk
de auto en breng de bedrijfsleider
van het tankstation, de politie en de
brandweer op de hoogte. Volg hun
veiligheidsinstructies op.
Als de onder druk staande brandstof
naar buiten spuit, kan deze op uw
kleding of huid terechtkomen en kan
er brandgevaar ontstaan waardoor u
brandwonden zou kunnen oplopen.
Verwijder de brandstoftankdop
altijd voorzichtig en langzaam. Als er
brandstof naar buiten komt of u een
sissend hoort, moet u even wachten
voordat u de dop verder losdraait.
Controleer altijd of de tankdop goed
is vastgedraaid, om morsen van
brandstof in geval van een aanrijding te
voorkomen.
Informatie
Tank alleen de brandstof die in het hoofdstuk
Introductie vermeld is onder 'Vereiste
brandstof'.
AANWIJZING
Mors geen brandstof op de buitenzijde
van de auto. Elke soort brandstof die op
gelakte oppervlakken wordt gemorst
kan de lak beschadigen.
Als de brandstoftankdop moet worden
vervangen, gebruik dan alleen een
originele HYUNDAI dop of vergelijkbare
dop die is voorgeschreven voor uw auto.
Een verkeerde tankdop kan een ernstige
storing in het brandstofsysteem of het
emissieregelsysteem veroorzaken.
Handige functies
5-38
OOSN051102
OOSN051102
De head-up display is een doorzichtige
display die een schaduw van bepaalde
informatie van het instrumentenpaneel
en navigatiesysteem op scherm op het
dashboard weergeeft.
Waarschuwingen bij het gebruik
van het head-updisplay
In de volgende situaties kan het moeilijk zijn
om de informatie op het head-updisplay te
lezen.
- Als de bestuurder niet goed in de
bestuurdersstoel zit.
- Als de bestuurder een zonnebril met
gepolariseerde glazen draagt.
- Als er zich een voorwerp boven de
afdekking van het head-updisplay
bevindt.
- Als op een natte weg wordt gereden.
- Als er niet-goedgekeurde
verlichtingsaccessoires in de auto zijn
gemonteerd, of als er licht van buiten in
de auto binnenkomt.
- Als de bestuurder een bril draagt.
- Als de bestuurder contactlenzen draagt.
Stel de hoogte of de helderheid van
het head-updisplay bij in de modus
Gebruikersinstellingen als het head-updisplay
moeilijk te lezen is. Raadpleeg voor meer
informatie "Lcd-scherm" in hoofdstuk 4.
HEAD-UP DISPLAY (HUD) (INDIEN VAN TOEPASSING)
05
5-39
WAARSCHUWING
Bevestig geen stickers of accessoires op
het HUD of het stootkussen.
De HUD-sluiter en combinatie niet
rechtstreeks met de handen aanpassen.
Het beeld kan onleesbaar worden door
vingerafdrukken. Ook kan overmatige
uitgeoefende kracht het display
beschadigen.
Plaats geen voorwerpen in de buurt
van het HUD. Contact met dergelijke
voorwerpen tijdens activering kan
de werking beïnvloeden of het
beeldscherm beschadigen.
Plaats geen drankjes in de buurt
van het HUD. Als vloeistof het
HUD binnendringt, kan het display
beschadigd raken.
Plaats geen voorwerpen op het
HUD. Ook als u iets (sticker, enz.)
op de combiner bevestigt, kan dit
de zichtbaarheid van het beeld
beïnvloeden.
Laat geen fel licht op de combiner
schijnen. Dit kan de combiner en interne
onderdelen beschadigen.
Plaats geen voorwerpen op, in of bij
het display, of het HUD nu geopend
of gesloten is. Bevestig ook geen
voorwerpen aan de systeemonderdelen
en steek geen zaken in het systeem.
Gebruik een zachte doek om het HUD
te reinigen. Gebruik geen organisch
oplosmiddel, wasmiddel of poetsdoek.
Voor de veiligheid zet u de auto eerst stil
voordat u de instellingen aanpast.
OPGELET
Wanneer u het HUD opent of sluit,
kunnen de elektromotor en tandwielen
geluid produceren.
Wanneer u de beeldhoogte van het HUD
aanpast, kunnen de elektromotor en
tandwielen geluid produceren.
HUD staat voor head-updisplay.
Head-up display AAN/UIT
OOSN051104L
OOSN051104L
Met de motor AAN, kunt u de HUD AAN/
UIT zetten door op de HUD-toets op het
dashboard te drukken.
Met de motor UIT, zal de HUD automatisch
sluiten als de deur wordt vergrendeld met
een smart key.
Als uw voertuig is uitgerust met een smart
key, zal de HUD automatisch sluiten wanneer
de deur wordt vergrendeld door op de knop
op de handgreep te drukken.
Als de motor UIT staat en de deur niet
vergrendeld is, zal de HUD na ongeveer 5
minuten automatisch sluiten.
Handige functies
5-40
Informatie head-up display
Gewone stand
Gewone stand
OOS050019L
OOS050019L
1. 'Turn-by-turn' (TBT) navigatie-informatie
2. Verkeersborden
3. Snelheidsmeter
4. SCC-informatie ingestelde snelheid
(indien van toepassing)
5. Informatie SCC-voertuigafstand
(indien van toepassing)
6. Informatie Lane Following Assist
(rijbaanondersteuning)
(indien van toepassing)
7. Informatie rijstrookveiligheid (indien van
toepassing)
8. Informatie blindehoekveiligheid
(indien van toepassing)
9. Informatie Highway Driving Assist (rijhulp
op de snelweg)
(indien van toepassing)
10. Informatie over Snelheid automatisch
veranderen op de snelweg (indien van
toepassing)
Sportstand
Sportstand
OOSN051015L
OOSN051015L
1. Verlichting versnellingspook
2. Positie versnellingspook
3. Toerenteller
4. Snelheidsmeter
Informatie
Als u de Turn-By-Turn (TBT) navigatie-
informatie als inhoud voor het HUD
selecteert, wordt de Turn-By-Turn (TBT)
navigatie-informatie niet weergegeven op
het lcd-display.
De sportmodus wordt weergegeven als
de rijmodus is ingesteld op de N-modus,
de SPORTS-modus of de modus
AANGEPAST 1 of 2. Voor de modus
AANGEPAST moet echter ook de Head-
Up scherm SPORT-modus worden
geselecteerd in de voertuiginstellingen in
het infotainmentsysteem.
Instelling head-updisplay
Op het lcd-scherm kunt u de volgende
instellingen van het head-updisplay wijzigen.
Display Height (hoogte display)
• Rotatie
• Helderheid
• Selectie inhoud
Zie “LCD-display” in hoofdstuk 4 voor meer
informatie.
05
5-41
VERLICHTING
Verlichting buitenzijde
Bediening verlichting
Type A
Type A
OAE046448L
OAE046448L
Type B
Type B
OAE046449L
OAE046449L
Type C
Type C
OAE046448R
OAE046448R
Draai, om de verlichting te bedienen, de knop
op het uiteinde van de combischakelaar naar
een van de volgende standen:
(1) O-stand
(2) Stand automatische verlichting (indien
van toepassing)
(3) Stand stadslicht
(4) Stand dimlicht
OOS04750L
OOS04750L
Stand automatische verlichting
Als de lichtschakelaar in stand AUTO staat,
worden het stadslicht en de koplamp
automatisch in- of uitgeschakeld, afhankelijk
van hoe donker het buiten is.
Ook wanneer de stand AUTO is ingeschakeld,
is het raadzaam om de verlichting handmatig
in te schakelen wanneer u 's nachts of in
de mist rijdt of wanneer u een donkere
omgeving, zoals tunnels en parkeergarages,
inrijdt.
AANWIJZING
Dek de sensor (1) op het dashboard niet
af en mors er ook niets op.
Reinig de sensor niet met een
ruitenreiniger. Deze laat een dunne laag
achter op de sensor, waardoor deze niet
meer goed werkt.
Als de voorruit van uw auto extra
getint glas heeft of is voorzien van een
metaalhoudende coating, functioneert
het automatische verlichtingssysteem
mogelijk niet goed.
Handige functies
5-42
OAE046469L
OAE046469L
Stand stadslicht (
(
)
Het stadslicht, de kentekenplaatverlichting
en de instrumentenverlichting zijn
ingeschakeld.
OAE046467L
OAE046467L
Stand dimlicht (
(
)
Het dimlicht, stadslicht, de
kentekenplaatverlichting en de
instrumentenverlichting zijn ingeschakeld.
Informatie
Om het dimlicht te kunnen inschakelen moet
het contact in stand ON staan.
Werking grootlicht
OAE046453L
OAE046453L
Om het grootlicht in te schakelen duwt u de
hendel van u af. De hendel keert terug naar
zijn uitgangspositie.
Het controlelampje voor het grootlicht
gaat branden wanneer het grootlicht wordt
ingeschakeld.
Om het grootlicht uit te schakelen trekt u de
hendel naar u toe. Het dimlicht gaat branden.
WAARSCHUWING
Gebruik het grootlicht niet wanneer andere
auto's u naderen. Anders kunt u het zicht
van andere bestuurders belemmeren.
05
5-43
OAE046455L
OAE046455L
Om een grootlichtsignaal te geven, trekt u de
hendel naar u toe en laat u deze weer los. Het
grootlicht blijft zo lang aan als u de hendel
naar u toe trekt.
Richtingaanwijzers
OTLE045284
OTLE045284
Duw de hendel naar omlaag om richting
naar links, en omhoog om richting naar
rechts aan te geven in positie (A). Beweeg de
combischakelaar gedeeltelijk naar beneden
of naar boven en houd hem vast (B) om een
wisseling van rijstrook aan te geven. Als u
de combischakelaar loslaat of als u de bocht
weer uit bent, keert deze weer terug naar zijn
oorspronkelijke positie.
Wanneer een controlelampje blijft branden,
niet knippert of abnormaal knippert, kunnen
één of meer lampen doorgebrand zijn en
moeten deze worden vervangen.
Functie one-touch passeerknipperlicht
Om de impulsbediening van de
richtingaanwijzers te activeren, beweegt u de
combischakelaar iets en laat hem dan weer
los. De richtingaanwijzers knipperen 3, 5 of
7 keer.
U kunt de functie one-touch
passeerknipperlicht in-/uitschakelen of het
aantal keren knipperen selecteren (3, 5 of 7)
met de modus Gebruikersinstellingen op het
LCD-display. Zie “LCD-display” in hoofdstuk
4 voor meer informatie.
Mistachterlicht
OTLE045285
OTLE045285
Inschakelen van het mistachterlicht:
Zet de lichtschakelaar in de stand koplampen
en draai hem vervolgens in de stand
mistachterlicht (1).
Voer een van de onderstaande handelingen
uit om het mistachterlicht uit te schakelen:
Schakel de koplampschakelaar uit.
Draai de lichtschakelaar nogmaals in de
stand mistachterlicht.
Handige functies
5-44
Energiebesparingsfunctie
Deze functie voorkomt dat de accu ontladen
raakt. Het systeem schakelt automatisch
het stadslicht uit als de bestuurder de motor
uitschakelt en het bestuurdersportier opent.
Deze functie schakelt het stadslicht ook
automatisch uit als de auto in het donker
langs de kant van de weg wordt geparkeerd.
Volg onderstaande procedure als de
parkeerlichten moeten blijven branden
wanneer de motor is uitgeschakeld:
De parkeerlichten blijven echter AAN zelfs
wanneer het portier aan de bestuurderskant
wordt geopend, als de schakelaar in de stand
AUTO staat en de motor is uitgeschakeld.
Om, indien nodig de parkeerlichten aan te
laten, zet u na het uitschakelen van de motor
de lichten UIT en opnieuw AAN door middel
van de schakelaar op het stuur.
Koplamp vertragen functie
(indien van toepassing)
Als u het contactschakelaar in de stand
ACC of OFF zet terwijl de koplampen zijn
ingeschakeld, blijven de koplampen (en/of
parkeerlichten) ongeveer 5 minuten branden.
Als de motor uit is en het bestuurdersportier
wordt geopend en gesloten, worden de
koplampen (en/of de parkeerlichten) na 15
seconden uitgeschakeld.
De koplampen (en/of parkeerlichten) kunnen
worden uitgeschakeld door tweemaal op de
vergrendeltoets van de Smart Key te drukken
of door de lichtschakelaar in de stand OFF of
Auto te zetten. De koplampen worden echt
niet uitgeschakeld wanneer het donker is en
u de lichtschakelaar in de stand AUTO zet.
U kunt de Follow me home-functie
in- of uitschakelen met de modus
Gebruikersinstellingen op het LCD-display.
Zie “LCD-display” in hoofdstuk 4 voor meer
informatie.
AANWIJZING
Als de bestuurder de auto verlaat via een
ander portier dan het bestuurdersportier,
werkt de energiebesparingsfunctie niet en
worden de follow me home-koplampen niet
automatisch uitgeschakeld. Hierdoor zal de
accu ontladen raken. Schakel in dit geval de
koplampen uit voordat u de auto verlaat.
Dagrijverlichting (DRL)
De dagrijverlichting (DRL) zorgt ervoor dat
medeweggebruikers uw auto overdag beter
zien, met name na zonsopgang en voor
zonsondergang.
Het DRL-systeem zorgt ervoor dat de
dagrijverlichting wordt uitgeschakeld als:
1. De koplampen staan in de AAN-stand.
2. De motor is uitgeschakeld.
05
5-45
Koplampverstelling
(indien van toepassing)
OOSN051016L
OOSN051016L
Handmatig type
De hoogte van de lichtbundel van de
koplampen kan worden aangepast aan het
aantal inzittenden en het laadgewicht in de
bagageruimte door de schakelaar voor de
koplamphoogte te draaien.
Hoe hoger het cijfer van de schakelaarstand,
hoe lager de lichtbundel van het dimlicht.
Houd de lichtbundel van de koplampen altijd
op het juiste niveau, anders verblinden de
koplampen andere weggebruikers.
Hieronder vindt u een lijst met aanbevolen
instellingen voor verschillende beladingen.
Gebruik de meest passende instelling als uw
geldende beladingstoestand er niet bij staat.
Beladingstoestand Prioriteit bij
overlapping
Alleen bestuurder 0
Bestuurder + Voorpassagier 0
Alle zitplaatsen bezet
(inclusief bestuurdersstoel) 1
Alle zitplaatsen bezet
(inclusief bestuurdersstoel)
+ maximaal toelaatbare
belading
2
Bestuurder + Maximaal
toelaatbare belading 3
Automatisch
De koplampbundel wordt automatisch
aangepast aan het aantal passagiers en de
hoeveelheid bagage in de auto.
Ook wordt de juiste lichtbundelinstelling aan
verschillende situaties aangepast.
WAARSCHUWING
Als de functie niet correct werkt, raden
we u aan het systeem door een officiële
HYUNDAI-dealer te laten controleren.
Probeer de bedrading niet zelf te
controleren of vervangen.
Handige functies
5-46
Welkomstsysteem
Interieurverlichting
Wanneer de schakelaar interieurverlichting
in stand DOOR staat en alle portieren (en
de achterklep) zijn gesloten en vergrendeld,
gaat de interieurverlichting gedurende
30 seconden branden wanneer het
onderstaande wordt gedaan.
Wanneer op de ontgrendeltoets van de
Smart Key wordt gedrukt.
Wanneer u met de Smart Key bij u op de
knop van de buitenportiergreep drukt.
Als u op de vergrendel- of ontgrendeltoets
van het portier drukt, dooft de
interieurverlichting direct.
Interieurverlichting
AANWIJZING
Gebruik de interieurverlichting niet
wanneer u in het donker rijdt. De
interieurverlichting kan uw zicht verstoren
waardoor u een ongeval kunt veroorzaken.
WAARSCHUWING
Gebruik de interieurverlichting niet
wanneer u in het donker rijdt. De
interieurverlichting kan uw zicht verstoren
waardoor u een ongeval kunt veroorzaken.
Automatische uitschakelfunctie
interieurverlichting
De interieurverlichting wordt automatisch na
ongeveer 20 minuten uitgeschakeld nadat de
motor is uitgeschakeld en de portieren zijn
gesloten. Als een portier is geopend, dooft
de verlichting ongeveer 40 minuten nadat
het contact is uitgeschakeld. Als de portieren
worden vergrendeld en het alarmsysteem
van de auto wordt ingeschakeld, gaat de
verlichting vijf seconden later uit.
Interieurverlichting voor
Type A (zonder zonnebrilhouder)
Type A (zonder zonnebrilhouder)
OOS047051
OOS047051
Type B (Met zonnebrilhouder)
Type B (Met zonnebrilhouder)
OOS047052
OOS047052
Kaartleeslampje voor (1)
Druk op het kaartverlichting (1) om het
leeslampje IN te schakelen. Druk opnieuw op
de kaartverlichting om het leeslampje UIT te
schakelen.
05
5-47
Verlichting voorportier ( ) (2) :
De binnenverlichting voor de voor-/
achterbank gaat automatisch AAN
gedurende ongeveer 30 seconden, wanneer
er een deur wordt geopend.
De binnenverlichting voor de voor-/
achterbank gaat automatisch AAN
gedurende ongeveer 15 seconden,
wanneer de duren worden ontgrendeld
met een afstandsbediening (smart key). De
binnenverlichting dimt geleidelijk wanneer
het contact binnen 15 seconden in de stand
AAN wordt gezet. De binnenverlichting blijft
20 minuten AAN, wanneer een deur wordt
geopend met het contact in de ACC of OFF
positie.
Interieurverlichting voor
(3) :
Druk op de toets om de
interieurverlichting voor de zitplaatsen
voor/achter in te schakelen.
(4) :
Druk op de toets om de
interieurverlichting voor de zitplaatsen
voor/achter uit te schakelen.
Interieurverlichting achter
Type A
Type A
OOS047321
OOS047321
Type B
Type B
OOS047053
OOS047053
Schakelaar interieurverlichting achter:
Druk op deze knop om de interieurverlichting
in en uit te schakelen.
AANWIJZING
Laat de verlichtingsschakelaars niet
gedurende langere tijd in deze stand staan
als de motor niet is ingeschakeld.
Handige functies
5-48
Bagageruimteverlichting
OOSN051018L
OOSN051018L
De bagageruimteverlichting gaat branden
zodra de achterklep wordt geopend.
AANWIJZING
De bagageruimteverlichting blijft branden
zolang de achterklep is geopend. Sluit
de achterklep volledig na gebruik van de
bagageruimte om te voorkomen dat het
laadsysteem onnodig ontladen raakt.
Verlichting make-upspiegel (indien
van toepassing)
OCN7050058
OCN7050058
Druk op de schakelaar om de verlichting in of
uit te schakelen.
: De verlichting wordt ingeschakeld
als er op deze toets wordt gedrukt.
: De verlichting wordt uitgeschakeld
als er op deze toets wordt gedrukt.
AANWIJZING
Zet de lichtschakelaar altijd in de stand UIT
wanneer de make-upspiegel niet wordt
gebruikt. Als de zonneklep wordt gesloten
terwijl de verlichting nog aan staat, kan de
accu leegraken of de zonneklep beschadigd
raken.
05
5-49
HIGH BEAM ASSIST (HBA) (INDIEN VAN TOEPASSING)
OPDE046057
OPDE046057
High Beam Assist is een functie die de
afstelling van de koplampen automatisch
regelt (schakelt tussen grootlicht en
dimlicht), afhankelijk van de helderheid
van de gedetecteerde voertuigen en
bepaalde wegomstandigheden.
Detectiesensor
OOSN051017L
OOSN051017L
[1]: Frontzichtcamera
[1]: Frontzichtcamera
De frontzichtcamera wordt gebruikt als
detectiesensor om omgevingslicht en
helderheid te detecteren tijdens het rijden.
Zie bovenstaande afbeelding voor de
precieze locatie van de detectiesensor.
AANWIJZING
Houd de frontzichtcamera altijd in goede
staat om de optimale prestaties van High
Beam Assist te waarborgen.
Zie de alinea ‘Forward Collision-
Avoidance Assist (FCA, ondersteuning
botsingsvermijding voorzijde)’ in
hoofdstuk 7 voor meer informatie over
de voorzorgsmaatregelen voor de
frontzichtcamera.
High Beam Assist instelling
Functies instellen
OOSN051031L
OOSN051031L
Terwijl de toets Start/Stop in stand ON
staat, selecteert u ‘Lights High Beam
Assist (of HBA (High Beam Assist))’
(‘Verlichting High Beam Assist (of HBA))
in het menu Settings (instellingen) om
‘High Beam Assist’ in te schakelen en
heft u de selectie op om de functie uit te
schakelen.
WAARSCHUWING
Wijzig voor uw veiligheid de instellingen
pas nadat u de auto op een veilige
plaats heeft geparkeerd.
Handige functies
5-50
High Beam Assist bediening
Weergave en bediening
Nadat u ‘High Beam Assist’ heeft
geselecteerd in het menu Settings
(Instellingen), werkt High Beam Assist
zoals hieronder beschreven.
- Zet de verlichtingsschakelaar
in de AUTO-stand en duw de
hendel voor de koplampen
naar het instrumentenpaneel.
Het controlelampje High Beam
Assist ( ) gaat branden op
het instrumentenpaneel en de
grootlichtassistent wordt ingeschakeld.
- Wanneer de grootlichtassistent is
ingeschakeld, wordt het grootlicht
ingeschakeld als de rijsnelheid hoger
is dan 40 km/u (25 mph). Wanneer de
rijsnelheid lager is dan 25 km/u (15 mph)
wordt het grootlicht niet ingeschakeld.
- Het controlelampje grootlicht
() gaat branden op het
instrumentenpaneel wanneer het
grootlicht brandt.
Wanneer de grootlichtassistent actief
is, functioneert het systeem als volgt
wanneer de hendel of schakelaar voor de
koplampen wordt gebruikt:
- Als u de hendel voor de koplampen naar
zich toe trekt wanneer het grootlicht uit
is, gaat het grootlicht branden zonder
de werking van High Beam Assist te
annuleren. Wanneer u de hendel voor
de koplampen loslaat, gaat de hendel
weer naar het midden en wordt het
grootlicht uitgeschakeld.
- Als u de schakelaar voor de lichten naar
u toe trekt terwijl het grootlicht aan
staat dankzij de High Beam Assist, gaat
het dimlicht aan en schakelt de functie
uit.
- Als de schakelaar voor de lichten
van de stand AUTO naar een andere
stand (koplamp/parkeerlichten/uit)
zal High Beam Assist uitschakelen en
de overeenstemmende lamp gaan
branden.
Wanneer High Beam Assist werkt, wordt
van het grootlicht overgeschakeld naar
het dimlicht als een van de volgende
gebeurtenissen zich voordoet:
- Als de koplampen van een
tegemoetkomend voertuig worden
gedetecteerd.
- Als het achterlicht van een voorligger
wordt gedetecteerd.
- Als de koplamp of het achterlicht
van een motorfiets of fiets wordt
gedetecteerd.
- Als de omgeving voldoende helder is,
zodat geen koplampen nodig zijn.
- Als straatverlichting of andere
verlichting wordt gedetecteerd.
Informatie
De afbeeldingen of kleuren zijn mogelijk
anders, afhankelijk van de specificaties of
het thema van het instrumentenpaneel.
Storingen en beperkingen van
de High Beam Assist
Storing in High Beam Assist
OJK050059L
OJK050059L
Als High Beam Assist niet naar
behoren werkt, verschijnt de
waarschuwingsmelding ‘Check High
Beam Assist (HBA) system’ (‘Controleer
het High Beam Assist-systeem’) en
gaat op het instrumentenpaneel het
waarschuwingslampje branden.
We raden u aan het systeem door een
officiële HYUNDAI-dealer te laten
controleren.
05
5-51
Beperkingen van de High Beam
Assist
Mogelijk werkt High Beam Assist niet
goed in de volgende situaties:
Het licht van een tegemoetkomend
voertuig of voorligger een voertuig wordt
niet gedetecteerd door een beschadigde
lamp, of omdat het licht geblokkeerd
wordt, etc.
De koplamp van een tegemoetkomend
voertuig of voorligger is bedekt door stof,
sneeuw of water.
De koplampen van het voertuig voor
u zijn uit- maar de mistlampen zijn
ingeschakeld, etc.
Er is een lamp die een vergelijkbare vorm
heeft als van een voertuiglamp.
Koplampen zijn beschadigd of niet correct
gerepareerd.
Koplampen zijn niet correct afgesteld.
Er wordt op een smalle, bochtige weg,
oneffen wegdek, heuvelopwaarts of
heuvelafwaarts gereden.
De voorligger is gedeeltelijk zichtbaar op
een kruising of een bochtige weg.
Er bevindt zich een verkeerslicht,
reflecterend bord, knipperend bord of
spiegel voor u.
Er bevindt zich een tijdelijke reflector
of flitslamp voor u (bouwplaats,
wegwerkzaamheden).
De wegdekomstandigheden zijn slecht,
bijvoorbeeld nat of bedekt met ijs of
sneeuw.
Een voertuig verschijnt plotseling uit een
bocht.
De auto staat scheef door een lekke band
of wordt gesleept.
Licht van een tegemoetkomend voertuig
of voorligger wordt niet waargenomen
vanwege obstakels in de lucht zoals
uitlaatgassen, rook, mist, sneeuw,
opspattend water of een sneeuwstorm op
de weg of een beslagen lamp, enz.
Informatie
Zie de paragraaf ‘Forward Collision-
Avoidance Assist (FCA, ondersteuning
botsingsvermijding voorzijde)’ in
hoofdstuk 7 voor meer informatie over de
beperkingen van de frontzichtcamera.
WAARSCHUWING
Soms werkt de High Beam Assist niet
goed. De grootlichtassistent dient alleen
voor uw gemak. U bent als bestuurder
altijd verantwoordelijk voor veilig
rijgedrag en het controleren van de
wegomstandigheden.
Als High Beam Assist niet normaal werkt,
schakel dan handmatig over tussen
grootlicht en dimlicht.
Handige functies
5-52
Ruitenwissers/-sproeiers voor
Ruitenwissers/-sproeiers voor
Type A
Type A
OOSN051001L
OOSN051001L
Type B
Type B
OOSN051001E
OOSN051001E
Type C
Type C
OOSN051001AU
OOSN051001AU
Ruitenwisser/-sproeier achter
Ruitenwisser/-sproeier achter
Type A
Type A
OOSN051002L
OOSN051002L
Type B
Type B
OOSN051002E
OOSN051002E
Type C
Type C
OOSN051002AU
OOSN051002AU
RUITENWISSERS EN RUITENSPROEIERS
A. Regeling wissersnelheid
V/MIST – éénmaal wissen
O / OFF – Uit
--- / INT – Intervalstand
AUTO* – Automatisch wissen
1 (LO) – Lage wissersnelheid
2 / HI – Hoge wissersnelheid
B. B: instelling wisserinterval
C. Sproeien en kort wissen (voor)
D. Bediening achterruitenwisser*
2 / HI – Hoge wissersnelheid
1 / LO – Lage wissersnelheid
O / OFF – Uit
E. Sproeien en kort wissen (achter)
*: Indien van toepassing
05
5-53
Ruitenwissers voor
De werking is als volgt als het contact in
stand ON staat.
V/MIST : Druk voor een enkele
wisbeweging de schakelaar
(V) omlaag of omhoog (MIST)
en laat hem weer los. De
ruitenwissers zullen blijven
werken zolang de schakelaar in
deze stand wordt gehouden.
O/OFF: Ruitenwisser is uitgeschakeld.
---/INT: De ruitenwissers werken met
regelmatige intervallen. Gebruik
deze stand bij motregen of mist.
Draai aan de snelheidsregelknop
om de snelheid te wijzigen.
1/LO: Normale wissersnelheid
2/HI: Hoge wissersnelheid
Informatie
Maak de ruit vrij van sneeuw en ijs alvorens
de ruitenwissers te gebruiken of ontdooi
de voorruit gedurende 10 minuten. Anders
werken de ruitenwissers mogelijk niet goed en
kunnen ze beschadigd raken.
Als u sneeuw en/of ijs niet verwijdert voordat
u de ruitenwissers en ruitensproeiers gebruikt,
kan er schade ontstaan aan het ruitenwisser-
en ruitensproeiersysteem.
AUTO (Automatische) regeling
(indien van toepassing)
Regensensor
OOS047322L
OOS047322L
De regensensor bovenin achter de voorruit
registreert de hoeveelheid regen en schakelt
de ruitenwisser automatisch in met het
juiste interval. De wistijd wordt automatisch
geregeld, afhankelijk van de hoeveelheid
regen.
Als het ophoudt met regenen, wordt de
ruitenwisser automatisch uitgeschakeld.
Draai aan de regelknop voor de gevoeligheid
(1) om de gevoeligheid aan te passen.
Als de ruitenwisserschakelaar in de stand
AUTO wordt gezet terwijl het contact is
ingeschakeld, zal de wisser eenmaal werken
om een controle van het systeem uit te
voeren.
Handige functies
5-54
WAARSCHUWING
Als de motor draait en de schakelaar voor
de ruitenwissers voor in stand AUTO staat,
neem dan onderstaande aanwijzingen in
acht om letsel te voorkomen:
Raak het bovenste deel van de voorruit,
waar de regensensor zich bevindt, niet
aan.
Veeg het bovenste deel van de voorruit
niet schoon met een vochtige doek.
Oefen geen druk uit op de voorruit.
Zet de wisserschakelaar in stand OFF als
de ruitenwisser niet in gebruik is.
AANWIJZING
Zet de wisserschakelaar in de stand O
(OFF) om de automatische wisserfunctie
te stoppen als de auto wordt gewassen.
Tijdens het wassen van de auto wordt de
schakelaar in de stand AUTO gezet.
Verwijder de behuizing van de
regensensor bovenaan de voorruit
aan passagierszijde niet. Eventuele
schade aan onderdelen die hierdoor
kan ontstaan, valt niet onder de
fabrieksgarantie.
Door het gebruik van een fotosensor kan
een tijdelijke storing optreden als gevolg
van plotselinge veranderingen in de
intensiteit van het omgevingslicht door
steentjes en stof tijdens het rijden.
Ruitensproeier voorruit
OOSN051003L
OOSN051003L
Als met de ruitenwisser in stand OFF (O) de
hendel naar voren trekt om de ruitensproeier
in te schakelen, maakt deze 1-3 wisslagen.
De ruitensproeier en de ruitenwissers blijven
werken tot u de hendel loslaat.
Als de ruitensproeiers niet werken, moet u
mogelijk ruitensproeiervloeistof bijvullen.
Als de auto is uitgerust met een
koplampwisser, zal er ruitensproeiervloeistof
op de koplamp worden gesproeid wanneer u
de ruitensproeier gebruikt:
1. Het contact in stand ON staat.
2. De verlichtingsschakelaar staat in de
stand koplamp.
WAARSCHUWING
Wanneer de buitentemperatuur beneden
het vriespunt is, verwarm de voorruit dan
ALTIJD door deze te ontwasemen om te
voorkomen dat de ruitensproeiervloeistof
op de ruit bevriest en uw zicht belemmert,
waardoor een ongeval met ernstig letsel tot
gevolg kan ontstaan.
05
5-55
OPGELET
Gebruik de ruitensproeiers niet wanneer
het reservoir leeg is, om beschadiging
van de ruitensproeierpomp te
voorkomen.
Schakel de ruitenwissers niet in als de
ruit droog is om beschadiging van de
wissers en de voorruit te voorkomen.
Probeer de ruitenwissers nooit met de
hand te bewegen, om beschadiging van
de ruitenwisserarmen en van andere
onderdelen te voorkomen.
Gebruik om mogelijke schade aan het
ruitenwisser- en ruitensproeiersysteem
te voorkomen in de winter of bij
lage buitentemperaturen speciale
ruitensproeiervloeistof.
Schakelaar achterruitenwisser
en –sproeier (indien van
toepassing)
OOSN051004L
OOSN051004L
De schakelaar voor de achterruitenwisser en
–sproeier bevindt zich aan het uiteinde van
de ruitenwisser- en sproeierschakelaar.
Zet de schakelaar in de gewenste stand
om de achterruitenwisser en -sproeier te
bedienen.
2 / HI – Hoge wissersnelheid
1 / LO – Lage wissersnelheid
O / OFF – Uit
OOSN051005L
OOSN051005L
Duw de hendel van u af om
ruitensproeiervloeistof op de ruit te sproeien
en de achterruitenwisser 1~3 keer te laten
wissen. De ruitensproeier en de ruitenwissers
blijven werken tot u de hendel loslaat (indien
van toepassing)
Automatische achterruitenwisser
(indien van toepassing)
De achterruitenwisser werkt met de
auto in de achteruitversnelling terwijl de
voorruitenwissers zijn ingeschakeld als de
functie wordt geselecteerd op het LCD-
display.
Ga naar 'Gebruikersinstellingen Handig
Automatische ruitenwisser achter (achteruit)'.
5-56
Handige functies
1. Aanjagerknop
2. Temperatuurregelknop
3. Luchtcirculatieknop
4. Positie toets voorruitontwaseming
5. Aircotoets (A/C)*
6. Luchttoevoertoets
7. Toets achterruitverwarming
*: Indien van toepassing
OOS050100K
OOS050100K
HANDBEDIEND VERWARMINGS- EN VENTILATIESYSTEEM (INDIEN
VAN TOEPASSING)
05
5-57
Verwarming en airconditioning
1. Start de motor.
2. Zet de luchtcirculatietoets in de gewenste
stand.
Voor een effectievere verwarming en
koeling:
- Verwarming:
- Koeling:
3. Stel de temperatuur in op de gewenste
waarde.
4. Stel de luchttoevoertoets in op de modus
verse lucht.
5. Zet de aanjager op de gewenste snelheid.
6. Als u de uitstromende lucht
gekoeld wilt hebben, kunt u het
airconditioningssysteem aanzetten.
Luchtcirculatietoets
OOSN051107L
OOSN051107L
De luchtcirculatieknop regelt de circulatie van de lucht door het ventilatiesysteem.
De lucht kan naar de voetenruimte, de uitstroomopeningen in het dashboard of naar de voorruit
stromen.
Handige functies
5-58
Gezichtshoogte (B, D)
De lucht stroomt naar het bovenlichaam
en het hoofd. Daarnaast kan iedere
uitstroomopening versteld worden om de
richting van de luchtstroom te wijzigen.
Combinatie (B, C, D, E)
De lucht stroomt naar het hoofd en naar de
voetenruimte.
Voeten (A, C, D, E)
De meeste lucht stroomt naar de
voetenruimte en een klein gedeelte stroomt
naar de voorruit en de zijruitontwaseming.
Verwarmen/ontwasemen
(A, C, D, E)
De meeste lucht stroomt naar de
voetenruimte en de voorruit en
een klein gedeelte stroomt door de
zijruitontwaseming.
Stand ontwasemen (A, D)
De meeste lucht stroomt naar de voorruit
en een klein gedeelte stroomt door de
zijruitontwaseming.
OOS047305
OOS047305
A/C MAX-niveau(B, D) (indien van
toepassing)
Draai de temperatuurknop helemaal naar
links om MAX A/C te selecteren. De lucht
stroomt naar het bovenlichaam en het hoofd.
In deze stand worden de uitstroomopeningen
en de hoeveelheid recirculatielucht
automatisch geregeld.
Nadat het interieur voldoende is afgekoeld,
drukt u de temperatuurknop zo mogelijk weg
van A/C MAX en drukt u op de A/C knop.
OOSN051108L
OOSN051108L
Uitstroomopeningen dashboard
De uitstroomopeningen kunnen afzonderlijk
worden geopend of gesloten ( ) met het
wieltje.
Met de hendel in de uitstroomopeningen
kunt u de richting van de luchtstroom uit
deze uitstroomopeningen afstellen, zoals in
de afbeelding is aangegeven.
05
5-59
Temperatuurregeltoets (2)
Door de knop naar rechts te draaien verhoogt
de temperatuur. Door de knop naar links te
draaien verlaagt de temperatuur.
Luchttoevoertoets (6)
Hiermee kan de stand BUITENLUCHT of de
stand RECIRCULATIE worden gekozen.
Druk op de toets om de stand van de
luchttoevoer te wijzigen.
Stand toevoer recirculatielucht
In de stand RECIRCULATIE
wordt de lucht uit het
passagierscompartiment door
het systeem gerecirculeerd
en, afhankelijk van de gekozen
functie, verwarmd of gekoeld.
Stand BUITENLUCHT
In de stand BUITENLUCHT
stroomt de lucht van buitenaf
het passagierscompartiment in.
Deze lucht wordt, afhankelijk van
de gekozen functie, verwarmd of
gekoeld.
Informatie
We raden aan om het systeem in de
buitenluchtstand te gebruiken.
Door langdurig gebruik van de verwarming
in de recirculatiestand (zonder dat de
airconditioning is geselecteerd) kunnen
de ruiten beslaan en kan de lucht in het
passagierscompartiment muf worden.
Bovendien kan de lucht in het
passagierscompartiment extreem droog
worden bij langdurig gebruik van de
airconditioning in de stand RECIRCULATIE.
WAARSCHUWING
Langdurig recirculeren kan leiden
tot een verhoogde luchtvochtigheid
in het interieur, waardoor de ruiten
kunnen beslaan en het uitzicht wordt
belemmerd.
Ga niet slapen in de auto wanneer
de airconditioning of de verwarming
is ingeschakeld. Door een afname
van de zuurstofconcentratie en/of
de lichaamstemperatuur kunnen de
inzittenden ernstig of dodelijk letsel
oplopen.
Langdurig recirculeren kan slaperigheid
veroorzaken, waardoor de bestuurder
de controle over de auto kan verliezen.
Schakel daarom zo veel mogelijk de
stand BUITENLUCHT in.
Handige functies
5-60
Aanjagertoetsen (1)
Draai de knop rechtsom om de
ventilatiesnelheid en luchtstroom te
verhogen. Draai de knop linksom om
de ventilatiesnelheid en luchtstroom te
verlagen.
Zet de aanjagerknop in stand 0 om de
aanjager uit te schakelen.
AANWIJZING
Als de ventilatiesnelheid werkt terwijl het
contact in stand ON staat, kan de accu leeg
geraken. Bedien de aanjager wanneer de
motor draait.
Airconditioning (A/C) (5)
(indien van toepassing)
Druk op de toets A/C om de airconditioning
in te schakelen (het controlelampje gaat
branden). Druk nogmaals op de toets om de
airconditioning uit te schakelen.
Werking systeem
Ventileren
1. Zet de luchtcirculatietoets in stand .
2. Schakel de stand BUITENLUCHT in met de
luchttoevoertoets.
3. Stel de temperatuur in op de gewenste
waarde.
4. Zet de aanjager op de gewenste snelheid.
Verwarmen
1. Zet de luchtcirculatietoets in stand .
2. Schakel de stand BUITENLUCHT in met de
luchttoevoertoets.
3. Stel de temperatuur in op de gewenste
waarde.
4. Zet de aanjager op de gewenste snelheid.
5. Als u de uitstromende lucht
gedroogd wilt hebben, kunt u het
airconditioningssysteem aanzetten (indien
van toepassing).
Schakel de stand of in wanneer de
voorruit beslaat.
05
5-61
Tips voor gebruik
Om te voorkomen dat stof of
onaangename geuren in het interieur van
de auto terechtkomen, kan de schakelaar
voor de luchttoevoer tijdelijk in de stand
recirculatie worden gezet. Selecteer de
stand buitenlucht weer zodra de bron van
irritatie gepasseerd is om weer frisse lucht
toe te laten tot het interieur. Frisse lucht is
beter voor de fysieke gesteldheid van de
bestuurder en bovendien aangenamer.
Voorkom dat de voorruit beslaat door
de stand buitenlucht te selecteren, de
aanjager in de gewenste stand te zetten,
de airconditioning in te schakelen en de
gewenste temperatuur in te stellen.
Airconditioning
Hyundai-airconditioningssystemen zijn
gevuld met koudemiddel R-134a of R-1234yf.
1. Start de motor. Druk op toets A/C.
2. Zet de luchtcirculatietoets in stand .
3. Schakel de stand BUITENLUCHT
of RECIRCULATIE in met de toets
luchttoevoer.
4. Stel de aanjagersnelheid en de
temperatuur bij om een maximaal
comfort te bereiken.
Informatie
Het aircosysteem in uw auto is gevuld met
koudemiddel van het type R-134a of R- 1234yf,
in overeenstemming met de wetgeving in
uw land ten tijde van de productie. U kunt
controleren welk koudemiddel in uw auto
wordt gebruikt aan de hand van de sticker
onder de motorkap. Zie hoofdstuk 5 voor
de locatie van het koudemiddellabel van de
airconditioning..
AANWIJZING
Onderhoud aan het
airconditioningssysteem mag alleen
worden uitgevoerd door geschoolde
en gecertificeerde technici, zodat het
systeem goed en veilig blijft werken.
Onderhoud aan het
airconditioningssysteem moet worden
uitgevoerd in een goed geventileerde
ruimte.
De verdamper mag nooit worden
gerepareerd of worden vervangen door
een exemplaar uit een andere auto en
een nieuwe MAC verdamper moet zijn
voorzien van een SAE J2842 certificaat.
AANWIJZING
Houd de temperatuurmeter nauwlettend
in de gaten wanneer de airconditioning
wordt gebruikt als u lange hellingen
oprijdt of als u in druk verkeer rijdt bij
hoge buitentemperaturen. Door het
gebruik van het airconditioningssysteem
kan de motor oververhit raken. Blijf de
aanjager gebruiken maar schakel het
airconditioningsysteem uit wanneer de
motortemperatuurmeter aangeeft dat
de motor oververhit raakt.
Bij het openen van de ruiten bij
vochtig weer kan de airconditioning
druppelvorming in het interieur
veroorzaken. Omdat te veel vocht in
het interieur schade aan elektrische
componenten kan veroorzaken, mag de
airconditioning alleen worden gebruikt
als de ruiten gesloten zijn.
Handige functies
5-62
Tips voor gebruik van de airconditioning
Open de ruiten een tijdje wanneer de
auto tijdens warm weer in de volle zon
geparkeerd is geweest, zodat de warme
lucht naar buiten kan.
Nadat de lucht voldoende gekoeld is,
schakelt u van recirculatielucht terug naar
de verse buitenlucht stand.
Om het beslaan van de ruiten tijdens
op regenachtige of vochtige dagen te
verminderen, kunt u de vochtigheidsgraad
in het interieur terugbrengen door de
airconditioning in te schakelen en ruiten
en schuif-/kanteldak gesloten te houden.
Schakel de airconditioning iedere maand
enkele minuten in om het systeem in een
optimale staat te houden.
Als u de airconditioning
overmatig gebruikt, kan door het
temperatuurverschil tussen de
buitenlucht en de voorruit plotseling
beslaan, waardoor het zicht wegvalt. Zet
in dat geval de modusselectieknop in de
stand en de bedieningsknop van de
aanjager op de laagste snelheid.
Onderhoud van het systeem
Interieurfilter
OIK047401L
OIK047401L
[A]: buitenlucht, [B]: gerecirculeerde lucht
[C]: klimaatregeling luchtfilter, [D]: aanjager
[E]: verdamperkern, [F]: verwarmingskern
Dit filter is gemonteerd achter het
dashboardkastje. Het filtert het stof of
andere verontreinigingen uit de lucht
die het voertuig via het verwarmings- en
airconditioningssysteem binnenkomt.
We adviseren u het interieurfilter
overeenkomstig het onderhoudsschema
te laten vervangen door een officiële
HYUNDAI-dealer. Als er onder ongunstige
omstandigheden gereden wordt,
bijvoorbeeld in een stoffige omgeving of
op slechte wegen, moet het interieurfilter
vaker worden gecontroleerd en indien nodig
worden vervangen.
We adviseren u het systeem te laten
controleren door een officiële HYUNDAI-
dealer als het luchtdebiet plotseling afneemt.
05
5-63
Hoeveelheid koudemiddel en
compressorolie controleren
Als er te weinig koudemiddel in het
systeem zit, neemt de koelcapaciteit van
de airconditioning af. Ook een teveel aan
koudemiddel reduceert de prestaties van de
airconditioning.
Daarom adviseren we u het systeem te laten
controleren door een officiële HYUNDAI-
dealer als het systeem niet normaal werkt.
AANWIJZING
Het is belangrijk dat het juiste type en de
juiste hoeveelheid olie en koudemiddel
worden gebruikt. Anders kan schade
aan de compressor ontstaan en kan het
systeem abnormaal werken. Omdat schade
te voorkomen, mag onderhoud aan het
airconditioningsysteem in uw auto alleen
worden uitgevoerd door geschoolde en
gecertificeerde technici.
WAARSCHUWING
Auto's met R-134a
Omdat het koudemiddel
onder zeer hoge druk wordt
gebruikt, mag onderhoud aan
het airconditioningsysteem
alleen worden uitgevoerd door
geschoolde en gecertificeerde
technici.
Alle koudemiddelen moeten worden
teruggewonnen met de juiste apparatuur.
Koudemiddelen rechtstreeks in de
atmosfeer ventileren is schadelijk voor
mens en milieu. Als u deze waarschuwing
niet in acht neemt, kan dat leiden tot ernstig
letsel.
WAARSCHUWING
Auto's met R-1234yf
Omdat het koudemiddel
ontvlambaar is en onder
zeer hoge druk staat,
mag onderhoud aan het
airconditioningssysteem
alleen worden uitgevoerd door
geschoolde en gecertificeerde
monteurs. Het is belangrijk
dat het juiste type en de
juiste hoeveelheid olie en
koudemiddel worden gebruikt.
Alle koudemiddelen moeten worden
teruggewonnen met de juiste apparatuur.
Koudemiddelen rechtstreeks in de
atmosfeer ventileren is schadelijk voor
mens en milieu. Als u deze waarschuwing
niet in acht neemt, kan dat leiden tot ernstig
letsel.
Handige functies
5-64
OOSN051019L
OOSN051019L
Sticker koudemiddel airconditioning
U kunt controleren welk koudemiddel in
uw auto wordt gebruikt aan de hand van de
sticker onder de motorkap.
Voorbeeld
Voorbeeld
Type A
Type A
OHYK059004
OHYK059004
Type B
Type B
OHYK059001
OHYK059001
De symbolen en specificaties op de
koudemiddelsticker hebben de volgende
betekenis:
1. Type koudemiddel
2. Hoeveelheid koudemiddel
3. Type compressorolie
4. Opgelet
5. Ontvlambaar koudemiddel
6. Onderhoud van het
airconditioningsysteem moet worden
uitgevoerd door een erkend technicus
7. Servicehandboek
05
5-65
OOS050103L
OOS050103L
AUTOMATISCH VERWARMINGS- EN VENTILATIESYSTEEM (INDIEN
VAN TOEPASSING)
1. Temperatuurregelknop
2. Aanjagerknop
3. Toets AUTO (automatische regeling)
4. Toets A/C
5. Toets OFF
6. Toets voorruitontwaseming
7. Luchtcirculatietoets
8. Toets achterruitverwarming
9. Luchttoevoertoets
10.
Informatiescherm verwarmings- en
ventilatiesysteem
Handige functies
5-66
Automatische verwarming en
airconditioning
Het Automatisch verwarmings- en
ventilatiesysteem wordt bediend door de
gewenste temperatuur in te stellen.
1. Druk op de AUTO toets. (3)
De te gebruiken uitstroomopeningen, de
aanjagersnelheid, de luchtinlaat en de
airconditioning worden automatisch geregeld
op basis van de door u gekozen temperatuur.
2. Stel de temperatuurregelknop (1) in op de
gewenste temperatuur. Als de temperatuur
wordt ingesteld op de laagste stand, werkt
de airconditioning continu. Als het interieur
voldoende is afgekoeld, zet u zo mogelijk de
knop op een hogere temperatuur.
Druk op een van de volgende toetsen om de
automatische werking uit te schakelen:
- Luchtcirculatietoets
- Toets voorruitontwaseming
(druk de toets nogmaals in om de
voorruitontwasemingsfunctie weer uit te
schakelen. De indicatie AUTO zal opnieuw
oplichten op het informatiescherm.)
- Aanjagertoets
De geselecteerde functie wordt handmatig
bediend terwijl de andere functies
automatisch werken.
Voor uw gemak en om de effectiviteit van
het verwarmings- en ventilatiesysteem te
verbeteren kunt u de toets AUTO gebruiken
en de temperatuur instellen op 72°F (22°C).
OOSH059075L
OOSH059075L
Informatie
Plaats nooit iets in de buurt van de sensor, zodat
een optimale werking van het verwarmings- en
airconditioningssysteem gegarandeerd blijft.
Handmatig bediende verwarming en
airconditioning
Het verwarmings- en airconditioningssysteem
kan handmatig worden geregeld met andere
toetsen dan de toets AUTO. In dit geval werkt
het systeem afhankelijk van de geselecteerde
toetsen. Als een toets anders dan de AUTO-toets
wordt bediend tijdens de automatische regeling,
worden de niet gewijzigde functies automatisch
geregeld.
1. Start de motor.
2. Zet de luchtcirculatietoets in de gewenste
stand.
Voor een effectievere verwarming en koeling
selecteert u:
- Verwarming:
- Koeling:
3. Stel de temperatuur in op de gewenste
waarde.
4. Schakel de stand BUITENLUCHT in met de
luchttoevoertoets.
5. Zet de aanjager op de gewenste snelheid.
6. Als u de uitstromende lucht gekoeld wilt
hebben, kunt u het airconditioningssysteem
aanzetten.
7. Druk op toets AUTO om weer over te
schakelen naar de volledig automatische
regeling.
05
5-67
Luchtcirculatietoets
OOSN051100L
OOSN051100L
De luchtcirculatietoets regelt de circulatie van de lucht door het ventilatiesysteem.
Handige functies
5-68
Gezichtshoogte (B, D)
De lucht stroomt naar het bovenlichaam
en het hoofd. Daarnaast kan iedere
uitstroomopening versteld worden om de
richting van de luchtstroom te wijzigen.
BI-LEVEL (B, C, D, E)
De lucht stroomt naar het hoofd en naar
de voetenruimte.
Voeten (A, C, D, E)
De meeste lucht stroomt naar de
voetenruimte en een klein gedeelte
stroomt naar de voorruit en de
zijruitontwaseming.
Niveau voor verwarmen/
ontwasemen
(A, C, D, E)
De meeste lucht stroomt naar de bodem
en de voorruit en een klein gedeelte
stroomt door de zijruitontwaseming.
Stand ontwasemen (A, D)
De meeste lucht stroomt naar de voorruit
en een klein gedeelte stroomt door de
zijruitontwaseming.
OOSN051101L
OOSN051101L
Uitstroomopeningen dashboard
De uitstroomopeningen kunnen afzonderlijk
worden geopend of gesloten ( ) met het
wieltje.
Met de hendel in de uitstroomopeningen
kunt u de richting van de luchtstroom uit
deze uitstroomopeningen afstellen, zoals in
de afbeelding is aangegeven.
Temperatuurregeltoets (1)
Door de knop naar rechts te draaien verhoogt
de temperatuur. Door de knop naar links te
draaien verlaagt de temperatuur.
Luchttoevoertoets (9)
Deze wordt gebruikt om de stand
BUITENLUCHT of de stand RECIRCULATIE te
kiezen.
Druk op de toets om de stand van de
luchttoevoer te wijzigen.
05
5-69
Stand toevoer recirculatielucht
In de stand RECIRCULATIE
wordt de lucht uit het
passagierscompartiment door
het systeem gerecirculeerd
en, afhankelijk van de gekozen
functie, verwarmd of gekoeld.
Stand BUITENLUCHT
In de stand BUITENLUCHT
stroomt de lucht van buitenaf
het passagierscompartiment
in. Deze lucht wordt,
afhankelijk van de gekozen
functie, verwarmd of gekoeld.
Informatie
We raden aan om het systeem in de
buitenluchtstand te gebruiken.
Door langdurig gebruik van de verwarming
in de recirculatiestand (zonder dat de
airconditioning is geselecteerd) kunnen
de ruiten beslaan en kan de lucht in het
passagierscompartiment muf worden.
Bovendien kan de lucht in het
passagierscompartiment extreem droog worden
bij langdurig gebruik van de airconditioning in
de stand RECIRCULATIE.
WAARSCHUWING
Langdurig recirculeren kan leiden
tot een verhoogde luchtvochtigheid
in het interieur, waardoor de ruiten
kunnen beslaan en het uitzicht wordt
belemmerd.
Ga niet slapen in de auto wanneer
de airconditioning of de verwarming
is ingeschakeld. Door een afname
van de zuurstofconcentratie en/of
de lichaamstemperatuur kunnen de
inzittenden ernstig of dodelijk letsel
oplopen.
Langdurig recirculeren kan slaperigheid
veroorzaken, waardoor de bestuurder
de controle over de auto kan verliezen.
Schakel daarom zo veel mogelijk de
stand BUITENLUCHT in.
Aanjagertoetsen (2)
De aanjagersnelheid kan worden ingesteld op
de gewenste snelheid door aan de regelknop
van de aanjager te draaien.
Bij hogere aanjagertoerentallen wordt meer
lucht geleverd.
Druk op toets OFF om de aanjager uit te
schakelen.
AANWIJZING
Wanneer de aanjager wordt bediend
terwijl het contact in stand ON staat,
kan de accu ontladen raken. Bedien de
aanjager wanneer de motor draait.
De aanjagersnelheid kan automatisch
worden verlaagd als u spraakherkenning
of handsfree functies activeert, om de
geluidskwaliteit te verbeteren.
Airconditioning (4)
Druk op de toets A/C om de airconditioning
in te schakelen (het controlelampje gaat
branden).
Druk nogmaals op de toets om de
airconditioning uit te schakelen.
UIT-modus (5)
Druk op de toets OFF om de airconditioning
uit te schakelen. Het is in dat geval nog
steeds mogelijk om de luchtcirculatie en de
luchttoevoer met de toetsen te bedienen,
zolang het contact in stand ON staat.
Handige functies
5-70
Werking systeem
Ventileren
1. Zet de luchtcirculatietoets in stand .
2. Schakel de stand BUITENLUCHT in met de
luchttoevoertoets.
3. Stel de temperatuur in op de gewenste
waarde.
4. Zet de aanjager op de gewenste snelheid.
Verwarmen
1. Zet de luchtcirculatietoets in stand .
2. Schakel de stand BUITENLUCHT in met de
luchttoevoertoets.
3. Stel de temperatuur in op de gewenste
waarde.
4. Zet de aanjager op de gewenste snelheid.
5. Als u de uitstromende lucht gedroogd
wilt hebben, kunt u de airconditioning
aanzetten.
Schakel de stand of in wanneer de
voorruit beslaat.
Tips voor gebruik
Om te voorkomen dat stof of
onaangename geuren in het interieur van
de auto terechtkomen, kan de schakelaar
voor de luchttoevoer tijdelijk in de stand
recirculatie worden gezet. Selecteer de
stand buitenlucht weer zodra de bron van
irritatie gepasseerd is om weer frisse lucht
toe te laten tot het interieur. Frisse lucht is
beter voor de fysieke gesteldheid van de
bestuurder en bovendien aangenamer.
Voorkom dat de voorruit beslaat door
de stand buitenlucht te selecteren, de
aanjager in de gewenste stand te zetten,
de airconditioning in te schakelen en de
gewenste temperatuur in te stellen.
Airconditioning
Hyundai-airconditioningssystemen zijn
gevuld met koudemiddel R-134a of R-1234yf.
1. Start de motor. Druk op toets A/C.
2. Zet de luchtcirculatietoets in stand .
3. Schakel de stand BUITENLUCHT
of RECIRCULATIE in met de toets
luchttoevoer.
4. Stel de aanjagersnelheid en de
temperatuur bij om een maximaal
comfort te bereiken.
Informatie
Het aircosysteem in uw auto is gevuld met
koudemiddel van het type R-134a of R- 1234yf,
in overeenstemming met de wetgeving in
uw land ten tijde van de productie. U kunt
controleren welk koudemiddel in uw auto
wordt gebruikt aan de hand van de sticker
onder de motorkap. Zie hoofdstuk 5 voor
de locatie van het koudemiddellabel van de
airconditioning..
AANWIJZING
Onderhoud aan het
airconditioningssysteem mag alleen
worden uitgevoerd door geschoolde
en gecertificeerde technici, zodat het
systeem goed en veilig blijft werken.
Onderhoud aan het
airconditioningssysteem moet worden
uitgevoerd in een goed geventileerde
ruimte.
De verdamper mag nooit worden
gerepareerd of worden vervangen door
een exemplaar uit een andere auto en
een nieuwe MAC verdamper moet zijn
voorzien van een SAE J2842 certificaat.
05
5-71
AANWIJZING
Houd de temperatuurmeter nauwlettend
in de gaten wanneer de airconditioning
wordt gebruikt als u lange hellingen
oprijdt of als u in druk verkeer rijdt bij
hoge buitentemperaturen. Door het
gebruik van het airconditioningssysteem
kan de motor oververhit raken. Blijf de
aanjager gebruiken maar schakel het
airconditioningsysteem uit wanneer de
motortemperatuurmeter aangeeft dat
de motor oververhit raakt.
Bij het openen van de ruiten bij
vochtig weer kan de airconditioning
druppelvorming in het interieur
veroorzaken. Omdat te veel vocht in
het interieur schade aan elektrische
componenten kan veroorzaken, mag de
airconditioning alleen worden gebruikt
als de ruiten gesloten zijn.
Tips voor gebruik van de airconditioning
Open de ruiten een tijdje wanneer de
auto tijdens warm weer in de volle zon
geparkeerd is geweest, zodat de warme
lucht naar buiten kan.
Nadat de lucht voldoende gekoeld is,
schakelt u van recirculatielucht terug naar
de verse buitenlucht stand.
Om het beslaan van de ruiten tijdens
op regenachtige of vochtige dagen te
verminderen, kunt u de vochtigheidsgraad
in het interieur terugbrengen door de
airconditioning in te schakelen en ruiten
en schuif-/kanteldak gesloten te houden.
Schakel de airconditioning iedere maand
enkele minuten in om het systeem in een
optimale staat te houden.
Als u de airconditioning
overmatig gebruikt, kan door het
temperatuurverschil tussen de
buitenlucht en de voorruit plotseling
beslaan, waardoor het zicht wegvalt. Zet
in dat geval de modusselectieknop in de
stand en de bedieningsknop van de
aanjager op de laagste snelheid.
Handige functies
5-72
Onderhoud van het systeem
Interieurfilter
OIK047401L
OIK047401L
[A]: buitenlucht, [B]: gerecirculeerde lucht
[C]: klimaatregeling luchtfilter, [D]: aanjager
[E]: verdamperkern, [F]: verwarmingskern
Dit filter is gemonteerd achter het
dashboardkastje. Het filtert het stof of
andere verontreinigingen uit de lucht
die het voertuig via het verwarmings- en
airconditioningssysteem binnenkomt.
We adviseren u het interieurfilter
overeenkomstig het onderhoudsschema
te laten vervangen door een officiële
HYUNDAI-dealer. Als er onder ongunstige
omstandigheden gereden wordt,
bijvoorbeeld in een stoffige omgeving of
op slechte wegen, moet het interieurfilter
vaker worden gecontroleerd en indien nodig
worden vervangen.
We adviseren u het systeem te laten
controleren door een officiële HYUNDAI-
dealer als het luchtdebiet plotseling afneemt.
Hoeveelheid koudemiddel en
compressorolie controleren
Als er te weinig koudemiddel in het
systeem zit, neemt de koelcapaciteit van
de airconditioning af. Ook een teveel aan
koudemiddel reduceert de prestaties van de
airconditioning.
Daarom adviseren we u het systeem te laten
controleren door een officiële HYUNDAI-
dealer als het systeem niet normaal werkt.
AANWIJZING
Het is belangrijk dat het juiste type en de
juiste hoeveelheid olie en koudemiddel
worden gebruikt. Anders kan schade
aan de compressor ontstaan en kan het
systeem abnormaal werken. Omdat schade
te voorkomen, mag onderhoud aan het
airconditioningsysteem in uw auto alleen
worden uitgevoerd door geschoolde en
gecertificeerde technici.
WAARSCHUWING
Auto's met R-134a
Omdat het koudemiddel
onder zeer hoge druk wordt
gebruikt, mag onderhoud aan
het airconditioningsysteem
alleen worden uitgevoerd door
geschoolde en gecertificeerde
technici.
Alle koudemiddelen moeten worden
teruggewonnen met de juiste apparatuur.
Koudemiddelen rechtstreeks in de
atmosfeer ventileren is schadelijk voor
mens en milieu. Als u deze waarschuwing
niet in acht neemt, kan dat leiden tot ernstig
letsel.
05
5-73
WAARSCHUWING
Auto's met R-1234yf
Omdat het koudemiddel
ontvlambaar is en onder
zeer hoge druk staat,
mag onderhoud aan het
airconditioningssysteem
alleen worden uitgevoerd door
geschoolde en gecertificeerde
monteurs. Het is belangrijk
dat het juiste type en de
juiste hoeveelheid olie en
koudemiddel worden gebruikt.
Alle koudemiddelen moeten worden
teruggewonnen met de juiste apparatuur.
Koudemiddelen rechtstreeks in de
atmosfeer ventileren is schadelijk voor
mens en milieu. Als u deze waarschuwing
niet in acht neemt, kan dat leiden tot ernstig
letsel.
OOSN051019L
OOSN051019L
Sticker koudemiddel airconditioning
U kunt controleren welk koudemiddel in
uw auto wordt gebruikt aan de hand van de
sticker onder de motorkap.
Voorbeeld
Voorbeeld
Type A
Type A
OHYK059004
OHYK059004
Type B
Type B
OHYK059001
OHYK059001
De symbolen en specificaties op de
koudemiddelsticker hebben de volgende
betekenis:
1. Type koudemiddel
2. Hoeveelheid koudemiddel
3. Type compressorolie
4. Opgelet
5. Ontvlambaar koudemiddel
6. Onderhoud van het
airconditioningsysteem moet worden
uitgevoerd door een erkend technicus
7. Servicehandboek
Handige functies
5-74
WAARSCHUWING
Voorruitverwarming
Gebruik de standen of niet in
combinatie met koelen bij een extreem
hoge luchtvochtigheid. Door het
temperatuurverschil tussen de buitenlucht
en de voorruit kan de voorruit plotseling
beslaan, waardoor het zicht wegvalt. Zet in
dat geval de luchtcirculatieknop of –toets
in de stand en de aanjager op de laagste
stand.
Zet de temperatuurregelknop op de
hoogste temperatuur en de aanjagerknop
in de hoogste stand voor maximale
ontwaseming van de voorruit. Kies
de toets voorruitontwaseming op
het display van het verwarmings- en
ventilatiesysteem. Na het opwarmen van
de motor, wordt warme lucht naar de
voorruit gestuurd.
Zet de knop voor de luchtcirculatie in
stand VERWARMEN/ONTWASEMEN,
wanneer tijdens het ontdooien of
ontwasemen warme lucht in de
voetenruimte gewenst wordt.
Verwijder voor het rijden alle sneeuw
en ijs van de voorruit, de achterruit, de
buitenspiegels en alle zijruiten.
Verwijder alle sneeuw en ijs van de
motorkap en van de luchtaanvoeropening
in het paravanrooster om de werking van
de kachel en het ventilatiesysteem te
verbeteren en de kans op het beslaan van
de voorruit te verminderen.
Informatie
Als de motor nog koud is na het starten kan
een korte warmdraaifase nodig zijn voordat de
ventilatielucht warm of heet wordt.
Handbediend verwarmings- en
ventilatiesysteem
Binnenzijde voorruit ontwasemen
OOS050110K
OOS050110K
1. Kies een willekeurige aanjagersnelheid,
uitgezonderd stand 0.
2. Stel de gewenste temperatuur in.
3. Kies de stand of .
4. De stand (frisse) buitenlucht wordt
automatisch geselecteerd. Bovendien
wordt de airconditioning automatisch
ingeschakeld als de modus in de stand
geselecteerd is.
Als de airconditioning en de stand
BUITENLUCHT niet automatisch worden
ingeschakeld, druk dan op de desbetreffende
toetsen.
ONTWASEMEN EN ONTDOOIEN VOORRUIT
05
5-75
Buitenzijde voorruit ontdooien
OOS050111K
OOS050111K
1. Zet de aanjager in de hoogste stand
(geheel naar rechts).
2. Stel de temperatuur in op maximaal.
3. Kies stand .
4. Het systeem schakelt de toevoer van
buitenlucht en de airconditioning (indien
van toepassing) automatisch in.
Automatisch verwarmings- en
ventilatiesysteem
Binnenzijde voorruit ontwasemen
OOS050112N
OOS050112N
1. Kies de gewenste aanjagersnelheid.
2. Stel de gewenste temperatuur in.
3. Druk op de ontwasemingsknop ( ).
4. Op basis van de gemeten
omgevingstemperatuur zal de
airconditioning automatisch
worden ingeschakeld en zullen de
buitenluchtstand en een hogere
aanjagersnelheid worden gekozen.
Als de airconditioning, de stand
BUITENLUCHT en de hogere
aanjagersnelheid niet automatisch worden
ingeschakeld, druk dan op de desbetreffende
knoppen.
Als stand geselecteerd wordt, wordt de
aanjagersnelheid automatisch verhoogd.
Handige functies
5-76
Buitenzijde voorruit ontdooien
OOS050113N
OOS050113N
1. Zet de aanjager in de hoogste stand.
2. Stel de temperatuur in op maximaal.
3. Druk op de ontwasemingsknop ( ).
4. Op basis van de gemeten
omgevingstemperatuur wordt de
airconditioning automatisch ingeschakeld
en wordt de stand buitenlucht gekozen.
Als stand geselecteerd wordt, wordt de
aanjagersnelheid automatisch verhoogd.
Automatisch ontwasemingssysteem
(alleen automatisch verwarmings-
en ventilatiesysteem, indien van
toepassing)
Het automatische ontwasemingssysteem
verkleint de kans op het beslaan van de
binnenzijde van de voorruit doordat de
aanwezigheid van vocht aan de binnenzijde
van de voorruit automatisch gesignaleerd
wordt.
Het automatische ontwasemingssysteem
werkt als de verwarming of de airconditioning
ingeschakeld is.
Informatie
Het automatische ontwasemingssysteem
werkt mogelijk niet goed wanneer de
buitentemperatuur temperatuur lager is dan
-10°C.
Om het automatische ontwasemingsysteem
uit te schakelen of in te stellen, houdt u de
ontwasemingsknop 3 seconden ingedrukt.
Het “ADS OFF”-symbool wordt getoond
op het display van het verwarmings- en
ventilatiesysteem om u te laten weten
dat het systeem is uitgeschakeld. Om het
automatische ontwasemingssysteem weer
in te schakelen, volgt u de bovenstaande
procedure en het “ADS OFF”-symbool
verdwijnt.
Nadat de accu losgekoppeld is geweest of te
ver ontladen is geraakt, is de automatische
ontwaseming standaard ingeschakeld.
Informatie
Omwille van de efficiëntie selecteert u niet de
stand recirculatielucht als het automatische
ontwasemingdsysteem werkt.
AANWIJZING
Verwijder de behuizing van de sensor
bovenaan de voorruit niet.
Eventuele schade aan onderdelen die
hierdoor kan ontstaan, valt niet onder de
fabrieksgarantie.
05
5-77
Ontdooien
AANWIJZING
Gebruik om beschadiging van de
verwarmingsdraden te voorkomen nooit
scherpe voorwerpen of reinigingsmiddelen
met schurende bestanddelen om de
achterruit te reinigen.
Informatie
Zie “Voorruit ontdooien en ontwasemen” in dit
hoofdstuk als u condens en ijs van de voorruit
wilt verwijderen.
Achterruitverwarming
Handbediend verwarmings- en
Handbediend verwarmings- en
ventilatiesysteem
ventilatiesysteem
OOS050116K
OOS050116K
Automatisch verwarmings- en
Automatisch verwarmings- en
ventilatiesysteem
ventilatiesysteem
OOS050119L
OOS050119L
De achterruitverwarming verwarmt de ruit
om rijp, condens en dun ijs van de binnen- en
buitenkant van de achterruit te verwijderen
als de motor draait.
Druk op de toets in de middenconsole
om de achterruitverwarming in te
schakelen. Het controlelampje in
de toets gaat branden wanneer de
achterruitverwarming is ingeschakeld.
Druk de toets opnieuw in om de
achterruitverwarming uit te schakelen.
Informatie
Verwijder eerst eventueel aanwezige
sneeuw van de achterruit voordat de
achterruitverwarming wordt ingeschakeld.
De achterruitverwarming wordt na
ongeveer 20 minuten of wanneer het
contact in de UIT-stand staat, automatisch
uitgeschakeld.
Buitenspiegelverwarming
(indien van toepassing)
Als uw auto is uitgerust met
buitenspiegelverwarming, wordt deze
gelijktijdig met de achterruitverwarming
ingeschakeld.
Handige functies
5-78
EXTRA VOORZIENINGEN VERWARMINGS- EN
VENTILATIESYSTEEM
Automatische ventilatie
(indien van toepassing)
Om de luchtkwaliteit in het interieur
te verbeteren en om het beslaan van
de voorruit tegen te gaan, wordt de
luchtcirculatiemodus automatisch
uitgeschakeld na circa 5 tot 30 minuten,
afhankelijk van de buitentemperatuur
en wordt de modus verse lucht weer
ingeschakeld.
Automatische ventilatie AAN of UIT
zetten
Verwarmings- en ventilatiesysteem
Selecteer, om de functie Automatische
ventilatie aan of uit te zetten wanneer
de klimaatregeling ingeschakeld is, de
modus Face level ( ) en druk minimaal
3 keer binnen 5 seconden op de knop
luchttoevoer ( ) terwijl u op de knop
A/C drukt. (Automatisch verwarmings- en
ventilatiesysteem)
Selecteer, om de functie Automatische
ventilatie aan of uit te zetten wanneer de
klimaatregeling ingeschakeld is, de modus
Face level ( ) en druk 3 seconden op
de knop luchttoevoer ( ) (Handmatige
klimaatregeling)
Als de automatische functie van het
ventilatiesysteem is ingesteld, knippert het
controlelampje van de luchtrecirculatie 6
keer. Als deze wordt uitgeschakeld, knippert
het controlelampje 3 keer.
Luchtcirculatie binnen
tijdens het gebruik van de
ruitensproeiervloeistof
Als de ruitensproeiervloeistof wordt
gebruikt, wordt het gewijzigd en
gedurende een bepaalde periode
behouden om te voorkomen dat de geur
van ruitensproeiervloeistof binnen komt.
Bij lage buitentemperatuur, wordt echter de
buitenluchtmodus (verse lucht) behouden
om te voorkomen dat de ruit beslaat.
Instelling automatisch verwarmings-
en airconditioningssysteem
1. Start de motor.
2. Zet de modus op positie ( ).
3. Als de airconditioning is ingeschakeld
drukt u vier keer binnen twee seconden op
de knop voor de luchtcirculatie.
Als de functie is ingeschakeld, zal de LED
op de knop voor de luchtcirculatie zes keer
knipperen.
Functievrijgave
1. Start de motor.
2. Zet de modus op positie ( ).
3. Als de airconditioning is ingeschakeld
drukt u vier keer binnen twee seconden op
de knop voor de luchtcirculatie.
Als de functie is uitgeschakeld, zal de LED
op de knop voor de luchtcirculatie drie keer
knipperen.
Luchtrecirculatie in het schuif-/
kanteldak (indien van toepassing)
De buitenluchtstand wordt automatisch
gekozen wanneer het schuif-/kanteldak
geopend is. Als u op dat moment de
luchttoevoertoets indrukt, wordt de
recirculatiemodus geselecteerd, maar er
wordt na 3 minuten weer teruggeschakeld
naar de modus buitenlucht (verse lucht).
Wanneer het schuif-/kanteldak gesloten
wordt, keert de luchttoevoerstand terug
naar de oorspronkelijk gekozen stand.
05
5-79
WAARSCHUWING
Bewaar nooit sigarettenaanstekers,
gasflessen of andere ontvlambare/
explosieve materialen in de auto. Deze
voorwerpen kunnen ontbranden en/of
exploderen als de auto langere tijd aan
hoge temperaturen wordt blootgesteld.
WAARSCHUWING
Houd opbergvakken ALTIJD gesloten
tijdens het rijden. Voorwerpen in uw auto
bewegen net zo snel als uw auto. Als u
plotseling moet stoppen of uitwijken, of bij
een ongeval betrokken raakt, kunnen de
voorwerpen uit het opbergvak vliegen en
de inzittenden raken en verwonden.
AANWIJZING
Laat geen waardevolle spullen achter in de
opbergvakken, om diefstal te voorkomen.
Opbergvak middenconsole
OOS047056
OOS047056
Openen:
Trek aan de hendel (1).
Dashboardkastje
OOS047057
OOS047057
Trek om het dashboardkastje te openen aan
de hendel (1) en het dashboardkastje opent
automatisch. Sluit het dashboardkastje na
gebruik.
WAARSCHUWING
Sluit ALTIJD het dashboardkastje na
gebruik.
Als bij een ongeval de klep van het
dashboardkastje is geopend, kan deze
ernstig letsel bij de voorpassagier
veroorzaken, ook al draagt hij zijn
veiligheidsgordel.
OPBERGVAK
Handige functies
5-80
Opbergvak voor zonnebril
(indien van toepassing)
OOS047058
OOS047058
Openen:
Druk op het afdekkapje om het opbergvak
langzaam te openen. Plaats uw zonnebril in
het opbergvak met de glazen naar buiten.
Sluiten:
Duw het opbergvak weer dicht.
Controleer of het opbergvak voor de
zonnebril goed dicht zit voordat u gaat rijden.
WAARSCHUWING
Bewaar geen andere voorwerpen dan
een zonnebril in het opbergvak. Andere
voorwerpen kunnen bij een noodstop
of een aanrijding uit de houder worden
geslingerd, waardoor de inzittenden
letsel kunnen oplopen.
Open de zonnebrilhouder niet terwijl
de auto beweegt. Het zicht in de
binnenspiegel kan worden geblokkeerd
door een geopende zonnebrilhouder.
Probeer niet om de zonnebril met kracht
in het opbergvak te duwen. Als de
zonnebril vast komt te zitten en u het vak
met kracht probeert te openen, kunt u
letsel oplopen.
Universeel opbergvak
OOSN051105L
OOSN051105L
Kleine voorwerpen kunnen in het universele
opbergvak worden geplaatst.
05
5-81
Opbergvak bagageruimte
(indien van toepassing)
OOS047070
OOS047070
In het vak kunt u o.a. een verbandtrommel,
een gevarendriehoek (opbergvak voor) en
gereedschap opbergen, zodat u hier in geval
van nood gemakkelijk bij kunt.
Pak de handgreep aan de bovenzijde van
het deksel vast en zet het deksel open.
De bagageruimte vergroten
OOS047320
OOS047320
OOS047319
OOS047319
1. Pak de hendel aan de bovenkant van de
afdekking vast en trek de afdekkap van
het opbergvak in de bagageruimte er naar
achteren uit.
2. Trek de afdekkap er volledig uit en
verwijder het opbergvak. (Indien de auto
is voorzien van een opbergvak in de
bagageruimte.)
3. Duw de afdekkap van het opbergvak naar
voren in de onderste sleuf.
Handige functies
5-82
INTERIEUR
Bekerhouder
Voor
OOS050013K
OOS050013K
In de bekerhouders kunnen bekers en blikjes
frisdrank worden geplaatst.
Achter (indien van toepassing)
OOS047061
OOS047061
Druk de armsteun naar beneden om de
bekerhouders te kunnen gebruiken.
WAARSCHUWING
Vermijd abrupt wegrijden en remmen
wanneer de bekerhouder in gebruik
is om morsen van uw drankje te
voorkomen. Als hete dranken worden
gemorst, kunt u brandwonden oplopen.
Zo'n brandwond voor de bestuurder kan
leiden tot verlies van controle over het
voertuig met een ongeval als gevolg.
Ga niet rijden met open bekers, flesjes,
blikjes enzovoort met hete vloeistof in
de bekerhouder. Hierdoor kan bij een
noodstop of een aanrijding letsel worden
veroorzaakt.
Gebruik alleen zachte bekers in de
bekerhouders. Harde voorwerpen
kunnen u bij een aanrijding verwonden.
WAARSCHUWING
Plaats blikjes en flessen niet in direct
zonlicht of in een warme auto. Ze kunnen
exploderen.
AANWIJZING
Houd uw drankjes afgesloten terwijl u
rijdt, om morsen te voorkomen. Als er
vloeistof wordt gemorst, kan deze in
het elektrische/elektronische systeem
van het voertuig komen en elektrische/
elektronische onderdelen beschadigen.
Wanneer vloeistof is gemorst, mag
u de bekerhouder niet drogen bij
hoge temperatuur. Hierdoor kan de
bekerhouder beschadigd raken.
05
5-83
Zonneklep
OOS047062
OOS047062
Trek de zonneklep omlaag om deze te
kunnen gebruiken.
Trek de zonneklep omlaag, neem hem uit
de steun (1) en draai hem naar de zijruit (2)
om bescherming te verkrijgen tegen zon van
opzij.
De make-upspiegel kunt u gebruiken door de
zonneklep te openen en het afdekkapje (3)
van de spiegel te verschuiven.
Gebruik de kaarthouder (4) om een kaartje
vast te houden.
Informatie
Sluit het afdekkapje van de make-upspiegel
goed en klap de zonneklep omhoog na gebruik.
WAARSCHUWING
Belemmer, voor uw eigen veiligheid, uw
zicht niet wanneer u de zonneklep gebruikt.
AANWIJZING
Plaats niet meerdere kaartjes tegelijkertijd
in de kaarthouder. Dit kan de kaarthouder
beschadigen.
Stopcontact (indien van
toepassing)
OOSN051020L
OOSN051020L
Het stopcontact is ontworpen om mobiele
telefoons en andere apparaten die in de auto
gebruikt kunnen worden, op te laden.
Deze apparaten mogen niet meer dan 180 W
(Watt) afnemen als de motor draait.
WAARSCHUWING
Voorkom dat u een elektrische schok krijgt.
Steek geen vingers of vreemde voorwerpen
(pennen e.d.) in een stopcontact en raak de
aansluiting niet aan met natte handen.
Handige functies
5-84
AANWIJZING
Om beschadiging van de stopcontacten te
voorkomen:
Gebruik het stopcontact alleen als
de motor draait en verwijder de
plug van het apparaat na gebruik uit
de aansluiting. Als het stopcontact
gedurende langere tijd wordt gebruikt
als de motor niet draait, kan de accu
ontladen.
Gebruik ze alleen voor het aansluiten van
elektrische apparatuur die werkt op 12V
en die een elektrisch vermogen heeft
van minder dan 180 W.
Zet de airconditioning of de verwarming
in de laagste stand als het stopcontact
wordt gebruikt.
Plaats het afdekkapje op de aansluiting
wanneer deze niet wordt gebruikt.
Sommige elektronische
apparaten kunnen elektronische
storing veroorzaken als ze op de
voedingsaansluiting van een auto
worden aangesloten. Deze apparaten
kunnen overmatige geluidsstoringen
veroorzaken en storingen veroorzaken
in andere elektronische systemen
of apparaten die in uw auto worden
gebruikt.
Duw de plug zo ver mogelijk naar
binnen. Als geen goed contact wordt
gemaakt, kan de plug oververhitten en
de zekering doorbranden.
Sluit met een batterij uitgeruste
elektrische/elektronische apparaten
alleen aan als deze ook zijn uitgerust
met tegenstroombeveiliging. De stroom
van de batterij kan naar het elektrische/
elektronische systeem van de auto
stromen en storingen veroorzaken.
Draadloos oplaadsysteem
voor mobiele telefoons (indien
aanwezig)
OOSN051021L
OOSN051021L
[A]: controlelampje, [B]: oplaadoppervlak
In de middenconsole zit een draadloze
telefoonoplader.
Het systeem is beschikbaar wanneer alle
portieren zijn gesloten en het contact in
stand ON staat.
Een mobiele telefoon opladen
Met de draadloze telefoonoplader kunnen
alleen Qi-compatibele mobiele telefoons
() worden opgeladen. Lees het label op de
afdekking van uw mobiele telefoon of bezoek
de website van de fabrikant van uw mobiele
telefoon om te kijken of uw mobiele telefoon
de Qi-technologie ondersteunt.
Het draadloos opladen start zodra u een
Qi-compatibele mobiele telefoon op de
draadloze oplader plaatst.
1. Verwijder andere voorwerpen, inclusief
de Smart Key, van de draadloze oplader.
Anders wordt het draadloos opladen
mogelijk verstoord. Leg de mobiele
telefoon op het midden van de draadloze
oplader.
05
5-85
2. Het controlelampje brandt oranje als de
mobiele telefoon wordt opgeladen. Het
controlelampje gaat groen branden als
het opladen gereed is.
3. U kunt de functie draadloos opladen
in- of uitschakelen in de modus
Gebruikersinstellingen op het
instrumentenpaneel. Zie “Modus
Gebruikersinstellingen” in hoofdstuk 4
voor meer informatie.
Als uw mobiele telefoon niet oplaadt:
- Verplaats de mobiele telefoon iets op de
draadloze oplader.
- Controleer of het controlelampje oranje
brandt.
Het controlelampje knippert 10 seconden
oranje als er een storing in het systeem voor
draadloos opladen is.
Stop in dit geval het oplaadproces tijdelijk
en probeer uw mobiele telefoon opnieuw
draadloos op te laden.
Het systeem waarschuwt u met een melding
op het lcd-display als de mobiele telefoon
zich nog steeds op de draadloze oplader
bevindt nadat de motor is afgezet en het
voorportier wordt geopend.
Draadloos snel opladen kan alleen wanneer de
mobiele telefoons voorzien van een draadloze
oplaadfunctie zich op het oplaadoppervlak
bevinden.
Tijdens het draadloos opladen zorgt de
aanjager ervoor dat het oplaadoppervlak te
heet wordt. Hierdoor kan de aanjager lawaai
maken.
Informatie
Bij mobiele telefoons van sommige merken
kan het systeem u niet waarschuwen als de
mobiele telefoon op de draadloze oplader
wordt achtergelaten. Dit is een eigenschap van
de betreffende mobiele telefoon en geen storing
van de draadloze oplader.
AANWIJZING
De draadloze telefoonoplader
ondersteunt sommige mobiele telefoons
zonder Qi-specificatie ( ) niet.
Plaats uw mobiele telefoon midden op
de mat van de draadloze oplader voor
optimale laadprestaties. Als uw mobiele
telefoon uit het midden ligt, kunnen de
laadprestaties lager zijn en in sommige
gevallen kan de mobiele telefoon meer
warmte genereren.
Het draadloze oplaadproces kan tijdelijk
worden onderbroken als de temperatuur
in de draadloze telefoonoplader
abnormaal stijgt. Stop met het opladen
van de mobiele telefoon en wacht tot de
temperatuur tot een bepaald niveau is
gedaald.
Het draadloos opladen kan tijdelijk
worden onderbroken als zich een
metalen voorwerp, zoals een munt,
tussen de draadloze oplader en de
mobiele telefoon bevindt.
Het draadloos opladen van sommige
mobiele telefoons kan minder goed
werken of zelfs stoppen wanneer deze
zich in een houder bevinden.
Als de mobiele telefoon het oppervlak
van het draadloos oplaadsysteem niet
compleet aanraakt, kan het draadloos
opladen mogelijk niet goed werken.
Handige functies
5-86
Sommige magnetische voorwerpen
zoals credit cards, telefoonkaarten
of OV-chipkaarten kunnen worden
beschadigd als zij bij de mobiele
telefoon in de buurt komen tijdens het
opladen.
Als een mobiele telefoon zonder
draadloze oplaadfunctie of een metalen
voorwerp op het oppervlak van de
draadloze oplader wordt geplaatst,
kan een zacht geluid klinken. Dit
geluid wordt weergegeven als de auto
detecteert dat het geplaatste voorwerp
niet compatibel is met het draadloos
oplaadsysteem. Dit heeft geen enkele
invloed op de auto of de mobiele
telefoon.
Het draadloos opladen kan tijdelijk
worden onderbroken als er zich een
metalen voorwerp, zoals een munt,
tussen de draadloze oplader en de
mobiele telefoon bevindt. Bovendien
kan het metalen voorwerp heet zijn
en werkt het alarm mogelijk niet de
telefoon op het oplaadoppervlak is
achtergelaten.
Informatie
Als de toets Motor Start/Stop in stand OFF
staat, stopt het opladen ook.
Klok
WAARSCHUWING
Probeer nooit de klok tijdens het rijden te
verstellen. Als u dat wel doet, kunt u de
macht over het stuur verliezen waardoor
ongevallen en letsel veroorzaakt kunnen
worden.
Auto's met audiosysteem
Bedien de toets [SETUP] op het
audiosysteem Selecteer [Date/Time].
Tijd instellen: pas de tijd die wordt
weergegeven op het audioscherm aan.
Tijdnotatie: kies tussen 12- en
24-uursnotatie.
Auto's met navigatiesysteem
Selecteer het menu Instellingen in het
navigatiesysteem selecteer [Date/Time].
GPS time: geeft de tijd weer
overeenkomstig ontvangen tijd via GNSS.
24 hour: schakelt tussen 12-uurs en 24-
uurs weergave.
Raadpleeg de bij uw auto meegeleverde
afzonderlijke handleiding voor meer
informatie.
Kledinghanger (indien van
toepassing)
OOS047065
OOS047065
Deze haken zijn niet ontworpen om er grote
of zware voorwerpen aan op te hangen.
05
5-87
WAARSCHUWING
OOS047066
OOS047066
Hang uitsluitend kledingstukken aan de
kledinghaak en geen harde voorwerpen
zoals kledinghangers. Plaats ook geen
zware, scherpe of breekbare voorwerpen in
de zakken van de kleding.
Bij een ongeval of wanneer de gordijnairbag
wordt opgeblazen, kunnen dergelijke
voorwerpen schade aan de auto of
persoonlijk letsel veroorzaken.
Bevestigingspunt(en) vloermat
(indien van toepassing)
OOSN051022L
OOSN051022L
Gebruik ALTIJD de bevestigingspunten voor
de automatten om de automatten aan de
auto te bevestigen. De bevestigingspunten
in de vloerbedekking voorin houden de
automatten op hun plaats.
WAARSCHUWING
Neem het volgende in acht wanneer u
vloermatten in de auto plaatst.
Verwijder eventuele beschermfolie
van de vloerbedekking alvorens een
automat op de vloerbedekking voorin
te bevestigen. Anders kan de automat
rij bewegen over de beschermfolie, wat
kan leiden tot onbedoeld remmen of
accelereren.
Controleer of de automatten
zorgvuldig bevestigd zijn aan de
bevestigingspunten voordat u gaat
rijden.
Gebruik GEEN automatten die niet goed
vastgemaakt kunnen worden aan de
bevestigingspunten voor de automatten.
Plaats geen automatten op elkaar
(bv. een rubber mat bovenop een
gestoffeerde automat). Op iedere
positie mag slechts een enkele vloermat
worden bevestigd.
BELANGRIJK: uw auto is op de
bestuurdersplaats uitgerust met
bevestigingspunten die ervoor dienen de
vloermat goed op zijn plaats te houden.
Om verstoring van de pedaalbediening
te voorkomen, adviseert HYUNDAI dat u
de originele HYUNDAI automat voor in
uw auto gebruikt.
Handige functies
5-88
Bagagenet (houder)
OOS047068
OOS047068
Om te voorkomen dat uw spullen door de
bagageruimte heen en weer schuiven, kunt u
de vier haken in de bagageruimte gebruiken
om het bagagenet vast te zetten.
We adviseren u voor het aanschaffen van
een bagagenet contact op te nemen met een
officiële HYUNDAI-dealer.
OPGELET
Om beschadiging van de goederen of de
auto te voorkomen, moet bij het vervoer
van kwetsbare of grote lading in de
bagageruimte de nodige voorzichtigheid in
acht worden genomen.
WAARSCHUWING
Trek het bagagenet niet te strak aan. Houd
gezicht en lichaam ALTIJD op voldoende
afstand van het net en het gebied waarheen
het zou kunnen terugspringen. Gebruik
het net NIET als de spanbanden zichtbare
slijtage of schade vertonen.
Hoedenplank (indien van
toepassing)
OOSN051011L
OOSN051011L
Gebruik de plank om te voorkomen dat de
bagage in de bagageruimte van buitenaf
zichtbaar is.
De hoedenplank zal omhoog gaan wanneer
de achterklep wordt geopend.
Maak het koord (1) los van de haak als u de
hoedenplank weer in zijn oorspronkelijke
positie wilt terugbrengen. Til de hoedenplank
op tot een hoek van 50 graden en til hem op
(2) om hem compleet te verwijderen.
AANWIJZING
Leg om beschadiging of vervorming
te voorkomen geen bagage op de
hoedenplank als deze in gebruik is.
WAARSCHUWING
Plaats geen objecten op de hoedenplank
tijdens het rijden. Dergelijke voorwerpen
kunnen bij een ongeval of remmen
door de auto geslingerd worden en
inzittenden verwonden.
Laat tijdens het rijden nooit iemand in
de bagageruimte zitten. Deze is alleen
bedoeld voor bagage.
Plaats het gewicht voor een goede
balans van de auto zo ver mogelijk naar
voren.
05
5-89
EXTERIEUR
Bagagerek
OOS050028L
OOS050028L
Als uw auto is voorzien van een roof rack,
kunt u bagage op het dak vervoeren.
AANWIJZING
Plaats als de auto is uitgerust met een
schuif-/kanteldak de lading zodanig op het
roof rack dat de werking van het dak niet
gehinderd wordt.
AANWIJZING
Neem de juiste voorzorgsmaatregelen
om te voorkomen dat lading op het roof
rack het dak beschadigt.
Zorg ervoor dat grote objecten nooit aan
de achterzijde of aan de zijkant buiten de
auto uitsteken.
WAARSCHUWING
Hieronder wordt aangegeven wat het
maximale gewicht is dat op het roof rack
kan worden geladen. Verdeel de lading
zo gelijkmatig mogelijk over het roof
rack en zet de lading goed vast.
BAGAGEREK 80 kg (176 lbs.)
GELIJKMATIG VERDEELD
Er kan schade aan uw auto ontstaan, als
u meer dan het toegestane gewicht op
het roof rack vervoert.
Het zwaartepunt van de auto ligt hoger
met lading op het roof rack. Vermijd
plotseling starten of remmen, scherpe
bochten, abrupte manoeuvres of hoge
snelheden waardoor u de macht over het
stuur kunt kwijtraken of de auto over de
kop kan slaan.
Rijd altijd langzaam en neem bochten
voorzichtig als u voorwerpen op het roof
rack vervoert. Sterke windvlagen kunnen
een opwaartse druk aan de onderzijde
van de lading veroorzaken. Dit geldt met
name voor grote, platte voorwerpen
zoals houten panelen of matrassen.
Hierdoor kunnen voorwerpen van het
roof rack vallen en uw auto of andere
auto's beschadigen.
Controleer regelmatig of de voorwerpen
op het roof rack goed vastzitten om te
voorkomen dat de lading beschadigd of
verloren raakt.
Handige functies
5-90
Informatie
Als u achteraf een HID-koplamp
monteert, treden er mogelijk storingen op
in het audiosysteem en de elektronische
onderdelen van uw auto.
Voorkom dat chemicaliën als parfum,
cosmetische oliën, zonnebrandcrème,
handenreiniger en luchtverfrisser in
aanraking komen met onderdelen van
het interieur, omdat deze beschadiging of
verkleuring kunnen veroorzaken.
USB-aansluiting
U kunt een USB-aansluiting gebruiken
om een USB-apparaat aan te sluiten.
OOSN051023L
OOSN051023L
Informatie
Als er een draagbaar audioapparaat op de
elektrische aansluiting wordt aangesloten, is
er tijdens het afspelen mogelijk ruis hoorbaar.
Gebruik in dat geval de voedingsbron van het
draagbare apparaat.
Antenne
Sharkfin-antenne
OOSN051024L
OOSN051024L
De dakantenne verzendt en ontvangt
draadloze signalen zoals AF/FM, DAB,
GNSS enz.
Draai de dakantenne naar links om deze
te verwijderen.
Draai naar rechts om opnieuw te
installeren.
De signalen die de antenne kan uitzenden
en ontvangen, variëren naar gelang van
de voertuigoptie.
AANWIJZING
Verwijder de antenne door deze linksom
te draaien voordat u een lage ruimte of
wasstraat binnenrijdt. Anders kan de
staafantenne beschadigd raken.
Bij het terugplaatsen van de antenne
is het voor een goede ontvangst van
belang dat de antenne goed wordt
vastgedraaid en dat de antenne rechtop
staat.
AANWIJZING
Reinig de binnenzijde van de achterruit
niet met een agressief reinigingsmiddel
of een hard voorwerp. Hierdoor kan de
antenne beschadigd raken.
Breng geen metaalhoudende (nikkel,
cadmium enz.) coatings aan op de
achterruit. Deze kunnen de radio-
ontvangst verstoren.
INFOTAINMENTSYSTEEM
05
5-91
Audiobediening op het stuurwiel
(indien van toepassing)
OOSN051026L
OOSN051026L
De audiobediening op het stuurwiel is
aangebracht voor uw gemak.
AANWIJZING
Bedien nooit meerdere schakelaars van het
audioschakelaarpaneel tegelijkertijd.
VOLUME ( + / - ) (1)
Duw de VOLUME-tuimelschakelaar
omhoog om het volume te verhogen.
Duw de VOLUME-tuimelschakelaar
omlaag om het volume te verlagen.
SEEK/PRESET ( / ) (2)
Als de SEEK/PRESET-tuimelschakelaar
gedurende 0,8 seconden of langer naar
boven of beneden wordt gedrukt, werkt hij in
de volgende modi.
RADIO-modus
Werkt als de AUTO SEEK-keuzeschakelaar. Er
wordt gezocht totdat u de schakelaar loslaat.
MEDIA-modus
Werkt als de FF/REW-schakelaar.
Als de SEEK/PRESET-tuimelschakelaar naar
boven of beneden wordt gedrukt, werkt hij in
de volgende modi.
RADIO-modus
Werkt als de UP/DOWN-schakelaar voor
PRESET STATION.
MEDIA-modus
Werkt als de TRACK UP/DOWN-schakelaar.
MODE ( ) (3)
Druk op de toets MODE om Radio of Media
te selecteren.
MUTE ( ) (4)
Druk op de toets om het geluid uit te
schakelen.
Druk nogmaals op de toets om het geluid
in te schakelen.
Informatie
Meer informatie over de bedieningstoetsen
van het audiosysteem vindt u op de volgende
bladzijden in dit hoofdstuk.
Handige functies
5-92
Bluetooth® draadloze
technologie handsfree
OOSN051027L
OOSN051027L
OOSN051029L
OOSN051029L
U kunt de telefoon draadloos gebruiken
met behulp van de Bluetooth® draadloze
technologie.
1. Toets Bellen/Beantwoorden/Gesprek
beëindigen
2. Microfoon (auto met stuur rechts: rechts)
Meer informatie over Bluetooth®
draadloze technologie handsfree
vindt u in het afzonderlijk geleverde
instructieboekje.
Spraakherkenning
OOSN051028L
OOSN051028L
U kunt de spraakherkenningsfunctie
bedienen door middel van
spraakcommando's.
Kijk voor meer informatie in de
apart geleverde handleiding van het
infotaintmentsysteem.
Infotainmentsysteem
Kijk voor meer informatie in de
apart geleverde handleiding van het
infotaintmentsysteem.
05
5-93
Hoe de autoradio werkt
FM-ontvangst
OJF045308L
OJF045308L
AM- en FM-radiosignalen worden
uitgezonden vanaf zendmasten die zich in
het land bevinden. Ze worden opgevangen
door de radioantenne op uw auto. Het
signaal wordt vervolgens door de radio
ontvangen en naar de luidsprekers van uw
auto gestuurd.
Wanneer een sterk radiosignaal uw auto
heeft bereikt, zorgt de hoogwaardige
technologie van uw audiosysteem voor een
optimale geluidsweergave. In sommige
gevallen is het signaal dat door uw auto
wordt opgevangen echter niet sterk en
helder.
Dit kan worden veroorzaakt door factoren als
de afstand tot de radiozender, de nabijheid
van andere sterke radiozenders of de
aanwezigheid van gebouwen, bruggen of
andere grote obstakels in het gebied.
AM (MW, LW)-ontvangst
OJF045309L
OJF045309L
AM-uitzendingen kunnen op grotere afstand
worden ontvangen dan FM-uitzendingen.
Dit komt doordat AM-radiogolven op lage
frequenties worden uitgezonden. Deze
lange, laagfrequente radiogolven volgen de
kromming van de aarde in plaats van zich
recht door de atmosfeer voort te planten.
Bovendien buigen ze rond obstakels,
waardoor ze een betere signaaldekking
bieden.
Handige functies
5-94
FM-zenders
OJF045310L
OJF045310L
FM-uitzendingen worden uitgezonden op
hoge frequenties en buigen niet met het
aardoppervlak mee. Daarom ontstaat bij FM-
radiozenders op een relatief korte afstand
van de radiozender vervorming. Ook zijn
FM-signalen gevoelig voor belemmering
door gebouwen, bergen of andere obstakels.
Dit kan er in bepaalde omstandigheden toe
leiden dat u denkt dat er een probleem is met
uw radio.
De volgende situaties zijn normaal en duiden
niet op problemen met de radio:
JBM004
JBM004
Fading: Naarmate uw auto verder van
de radiozender vandaan rijdt, wordt het
signaal zwakker en begint het geluid af
te nemen. Wanneer dit gebeurt, kunt u
het beste op een andere, sterkere zender
afstemmen.
Kraken/statische ruis - Zwakke FM-
signalen of grote obstakels tussen de
zender en uw radio kunnen het signaal
verstoren, waardoor krakende geluiden
of statische ruis kunnen optreden. Deze
storing kan iets worden onderdrukt door
de hoge tonen te verminderen.
OJF045311L
OJF045311L
Wisseling van zenders: Bij het zwakker
worden van het FM-signaal is het mogelijk
dat het signaal van een nabij gelegen,
krachtige zender op dezelfde frequentie
wordt ontvangen. Dit komt omdat uw
radio automatisch op het helderste
signaal afstemt. Selecteer in dit geval een
andere zender met een sterker signaal.
Multi-Path Cancellation - Wanneer
radiosignalen vanuit verschillende
richtingen worden ontvangen, kan
vervorming of kraken optreden. Dit kan
worden veroorzaakt door een direct en
weerkaatst signaal van dezelfde zender
of door signalen van twee zenders
met korte frequenties. Selecteer in dit
geval een andere zender totdat deze
omstandigheden voorbij zijn.
05
5-95
Een mobiele telefoon of een radio
met zend- en ontvanginstallatie
gebruiken
Wanneer u in de auto een mobiele telefoon
gebruikt, kan het audiosysteem ruis gaan
produceren. Dit betekent niet dat er iets
mis is met de audioapparatuur. Gebruik in
dit geval de mobiele telefoon op een plaats
die zo ver mogelijk is verwijderd van de
audioapparatuur.
AANWIJZING
Bij gebruik van een communicatiesysteem
zoals een mobiele telefoon of een radio in
de auto, moet een aparte externe antenne
worden gemonteerd. Wanneer een mobiele
telefoon of een radio alleen met een
interne antenne wordt gebruikt, kan dit het
elektrische systeem van de auto verstoren
en de veilige werking van de auto nadelig
beïnvloeden.
WAARSCHUWING
Gebruik uw mobiele telefoon niet tijdens
het rijden. Stop op een veilige plaats
wanneer u een mobiele telefoon wilt
gebruiken.
Bluetooth® draadloze
technologie
Het woordmerk en de logo's van Bluetooth®
zijn geregistreerde handelsmerken van
Bluetooth SIG, Inc. en elk gebruik van deze
merken door HYUNDAI gebeurt onder
licentie.
Andere handelsmerken en handelsnamen
zijn eigendom van de respectievelijke
eigenaren.
Een mobiele telefoon die Bluetooth® Wireless
Technology ondersteunt moet Bluetooth®
Wireless Technology gebruiken.
6
Vóór het rijden ...................................................................................................6-4
Voor het instappen ..................................................................................................... 6-4
Vóór het starten .......................................................................................................... 6-4
Contactslot ........................................................................................................ 6-5
Toets Engine Start/Stop ...............................................................................................6-5
Dual clutch-transmissie ....................................................................................6-9
Bediening van de transmissie met dubbele koppeling ........................................... 6-9
Parkeren ...................................................................................................................... 6-16
Goede rijgewoonten .................................................................................................. 6-16
Remsysteem ..................................................................................................... 6-18
Rembekrachtiging ..................................................................................................... 6-18
Remblokslijtage-indicator ........................................................................................ 6-18
Hoogwaardige rem .................................................................................................... 6-19
Parkeerrem ................................................................................................................. 6-19
Antiblokkeersysteem (ABS) ....................................................................................... 6-21
Electronic Stability Control (ESC) (elektronische stabiliteitsregeling) ...................6-22
Vehicle Stability Management (VSM) ....................................................................... 6-27
Hill-Start Assist Control (HAC) ...................................................................................6-28
Emergency Stop Signal (ESS) (noodstopsignaal) ....................................................6-28
Downhill Brake Control (DBC) ...................................................................................6-29
Goede remgewoonten .............................................................................................. 6-31
ISG-systeem (Idle Stop & Go) ........................................................................ 6-32
Het ISG-systeem inschakelen....................................................................................6-32
Het ISG-systeem uitschakelen ..................................................................................6-32
Voorwaarden voor de werking van het ISG-systeem ..............................................6-33
ISG-indicatie ...............................................................................................................6-34
Storing in het ISG-systeem ........................................................................................6-35
Deactivering van de accusensor .............................................................................. 6-36
Elektronisch geregeld veersysteem (ECS) .................................................... 6-37
Elektronisch differentieel met beperkte slip ................................................. 6-38
Waarschuwingsmeldingen ........................................................................................6-39
N-toets ............................................................................................................. 6-40
Instellingen N1/N2-toets ........................................................................................... 6-40
Geïntegreerde rijmodusregeling .....................................................................6-41
Rijmodus ..................................................................................................................... 6-41
N-modus .................................................................................................................... 6-43
NGS (N Grin Shift) ..................................................................................................... 6-45
Eigenschappen van de auto ..................................................................................... 6-46
6. Rijden met uw auto
6
Prestaties- optie ............................................................................................. 6-47
Instellingen prestaties-optie .....................................................................................6-47
Launch control............................................................................................................6-47
Verlichting versnellingspook .................................................................................... 6-49
N Track Sense Shift ................................................................................................... 6-50
N Power Shift .............................................................................................................. 6-51
N Road Sense .............................................................................................................6-52
Anti-doorslipregeling ......................................................................................6-53
Modus anti-doorslipregeling .....................................................................................6-53
Bediening tractiemodus ............................................................................................6-53
Lcd-displaybericht .................................................................................................... 6-54
Rijden onder speciale rijomstandigheden .................................................... 6-55
Rijden onder moeilijke omstandigheden .................................................................6-55
Op eigen kracht lostrekken van de auto ...................................................................6-55
Vloeiend nemen van bochten ...................................................................................6-55
Rijden in het donker .................................................................................................. 6-56
Rijden in de regen ..................................................................................................... 6-56
Doorwaden van water ............................................................................................... 6-56
Rijden op de snelweg .................................................................................................6-57
Voorkomen dat de auto over de kop slaat ................................................................6-57
Rijden in de winter ..........................................................................................6-58
Sneeuw en ijs ............................................................................................................. 6-58
Voorzorgen voor de winter ........................................................................................ 6-61
Rijden met een aanhanger .............................................................................6-63
Uitrusting voor het rijden met een aanhanger .........................................................6-67
Rijden met een aanhanger ....................................................................................... 6-68
Onderhoud bij het rijden met een aanhanger ...........................................................6-71
Voertuiggewicht ...............................................................................................6-72
Overbeladen ...............................................................................................................6-72
06
6-3
WAARSCHUWING
Koolmonoxide (CO) is giftig. Het inademen van CO kan bewusteloosheid en de dood tot
gevolg hebben.
Uitlaatgassen bevatten onder andere het reukloze en kleurloze gas koolmonoxide.
Adem de uitlaatgassen van de motor niet in.
Draai onmiddellijk de ruiten open als u in de auto uitlaatgas ruikt. Blootstelling aan CO kan
bewusteloosheid en de verstikkingsdood tot gevolg hebben.
Controleer of het uitlaatsysteem niet lekt.
Het uitlaatsysteem moet elke keer dat de auto op de brug staat voor olie verversen of voor
andere reparaties worden gecontroleerd. Laat uw auto zo snel mogelijk controleren door een
officiële HYUNDAI-dealer als u merkt dat het geluid van de uitlaat verandert of als u over iets
heen gereden bent dat de onderzijde van de auto heeft geraakt.
Laat de motor niet draaien in een afgesloten ruimte.
Indien u de motor in uw garage stationair laat draaien, zelfs met de garagedeur open, kan dit
gevaar opleveren. Laat de motor alleen lang genoeg draaien om de motor te starten en de auto
de garage uit te rijden.
Voorkom langdurig stationair draaien als er mensen in de auto zitten.
Als het noodzakelijk is de auto gedurende langere tijd stationair te laten draaien terwijl er
mensen in de auto aanwezig zijn, doe dat dan alleen in een open ruimte, zet de luchttoevoer op
BUITENLUCHT en schakel een van de hogere ventilatorsnelheden in zodat er frisse lucht naar
het interieur wordt toegevoerd.
Houd de luchtinlaten schoon.
Voor een goede werking van het ventilatiesysteem is het noodzakelijk dat de luchtinlaten onder
de voorruit vrij blijven van sneeuw, ijs, bladeren en andere belemmeringen.
Wanneer het noodzakelijk is dat u met een geopende achterklep rijdt:
Sluit alle ruiten.
Open de uitstroomopeningen in het dashboard.
Zet de luchttoevoer op BUITENLUCHT, kies voor de luchtregeling VERWARMEN of VENTILEREN
en zet de aanjager in een van de hogere standen. Vóór het rijden
Rijden met uw auto
6-4
Voor het instappen
Zorg ervoor dat alle ruiten,
buitenspiegel(s) en lampen schoon en
onbedekt zijn.
Verwijder rijp, sneeuw of ijs.
Controleer de banden visueel
op ongelijkmatige slijtage en
beschadigingen.
Controleer of er geen sporen van lekkage
onder de auto te zien zijn.
Controleer of er zich geen obstakels
achter de auto bevinden wanneer u wilt
achteruitrijden.
Vóór het starten
Controleer of de motorkap, de achterklep
en de portieren goed gesloten en
vergrendeld zijn.
Stel de positie van de stoel en het
stuurwiel af.
Stel de binnen- en buitenspiegels af.
Controleer of alle verlichting werkt.
Maak uw gordel vast. Controleer of alle
inzittenden hun veiligheidsgordel hebben
vastgemaakt.
Controleer de meters en controlelampjes
in het instrumentenpaneel en de
waarschuwingen die in het display
van het instrumentenpaneel worden
weergegeven als het contact in stand ON
staat.
Controleer of alle voorwerpen die u bij u
hebt goed opgeborgen of goed vastgezet
zijn.
WAARSCHUWING
Om de kans op ERNSTIG LETSEL
te beperken, moeten de volgende
voorzorgsmaatregelen getroffen worden:
Doe uw veiligheidsgordel ALTIJD om.
Alle inzittenden moeten tijdens het
rijden de veiligheidsgordel op de juiste
manier dragen. Zie voor meer informatie
'Veiligheidsgordels' in hoofdstuk 3.
Rijd altijd defensief. Houd er rekening
mee dat andere bestuurders of
voetgangers onachtzaam kunnen zijn en
fouten kunnen maken.
Concentreer u op het rijden. Bestuurders
die afgeleid raken zorgen voor
ongevallen.
Bewaar ruim voldoende afstand tot uw
voorligger.
WAARSCHUWING
Ga NOOIT rijden als u onder invloed bent
van drank of drugs.
Rijden onder invloed van drank of drugs is
gevaarlijk en kan resulteren in een ongeval
met ERNSTIG LETSEL tot gevolg.
Rijden onder de invloed van alcohol is
de meest voorkomende oorzaak voor
ongevallen op de snelweg. Zelfs een
kleine hoeveelheid alcohol is al van
invloed op uw reflexen, waarnemingen
en beoordelingsvermogen. Slechts
één drankje kan uw vermogen om op
veranderende omstandigheden en
noodsituaties te reageren beïnvloeden en
uw reactietijd neemt met elk aanvullend
drankje af.
Rijden onder invloed van drugs is minstens
even gevaarlijk als rijden onder invloed van
alcohol.
U hebt een grotere kans om bij een ongeval
betrokken te raken als u met alcohol of
drugs gaat rijden. Rijd niet na het gebruik
van alcohol of drugs. Stap niet in bij een
bestuurder die alcohol of drugs heeft
gebruikt. Rijd mee met een bob of bel een
taxi.
VÓÓR HET RIJDEN
06
6-5
WAARSCHUWING
Om de kans op ERNSTIG LETSEL
te beperken, moeten de volgende
voorzorgsmaatregelen getroffen worden:
Laat kinderen en mensen die niet
bekend zijn met de auto het contactslot
en aanverwante onderdelen NOOIT
aanraken. De auto kan onverwacht en
plotseling in beweging komen.
Steek uw hand tijdens het rijden NOOIT
door het stuurwiel om de contactsleutel
of een ander bedieningsorgaan te
kunnen bereiken. Door de aanwezigheid
van uw hand of arm in dit gebied kunt
u de controle over de auto verliezen en
een ongeval veroorzaken.
Toets Engine Start/Stop
OOS057001
OOS057001
Wanneer het voorportier wordt geopend,
gaat de verlichting van de startknop branden.
30 seconden nadat het portier gesloten is,
gaat de verlichting uit.
WAARSCHUWING
Uitzetten van de motor in een noodgeval:
Houd de start-/stopknop gedurende langer
dan twee seconden ingedrukt OF druk de
startknop drie keer achter elkaar snel in
(binnen drie seconden).
Als de auto nog rijdt, kunt u de motor weer
starten zonder het rempedaal in te trappen
door de knop ENGINE START/STOP (motor
starten/stoppen) in te drukken met de
selectiehendel in stand N (neutraal).
WAARSCHUWING
Druk de toets Engine Start/Stop (motor
starten/stoppen) NOOIT in als de
auto in beweging is, behalve in een
noodsituatie. Hierdoor slaat de motor af
en valt de stuur- en rembekrachtiging
uit. Hierdoor is voor het sturen en
remmen aanzienlijk meer kracht nodig
en kunt u een ongeval veroorzaken.
Zet, voordat u de bestuurdersstoel
verlaat, de selectiehendel altijd in
stand P (parkeren), trek de handrem
aan, druk de toets Engine Start/Stop
(motor starten/stoppen) in de stand
OFF en verwijder de Smart Key. Als deze
voorzorgsmaatregelen niet worden
opgevolgd, kan de auto onverwacht in
beweging komen.
CONTACTSLOT
Rijden met uw auto
6-6
Standen startknop
Stand startknop Actie Opmerkingen
OFF (uit) Zet de motor uit door op
de startknop terwijl de
selectiehendel in stand P
(parkeren) staat.
Wanneer u op de startknop drukt
terwijl de selectiehendel niet in
stand P (parkeren) staat, gaat de
startknop niet naar stand OFF,
maar naar stand ACC.
Het stuurslot blokkeert om
de auto tegen diefstal te
beschermen.
Als het stuurwiel niet correct
vergrendeld is wanneer u het
bestuurdersportier opent, klinkt er een
waarschuwingszoemer.
ACC Druk op de startknop als de
startknop in stand OFF staat
zonder het rempedaal in te
trappen.
Een aantal elektrische accessoires
kunnen worden gebruikt.
Het stuurslot ontgrendelt.
Als u de startknop gedurende meer dan
een uur in stand ACC laat staan, zal de
accuspanning automatisch worden
uitgeschakeld om te voorkomen dat de
accu ontladen raakt.
Als het stuurwiel niet correct wordt
vergrendeld, zal de startknop niet
werken. Druk de toets Engine Start/Stop
(motor starten/stoppen) in terwijl u het
stuurwiel naar rechts en naar links draait
om de spanning te ontladen.
ON (aan) Druk op de toets Engine Start/
Stop terwijl het contact in stand
ACC staat zonder het rempedaal
in te trappen.
Voordat de motor wordt gestart,
gaan de waarschuwingslampjes
ter controle branden.
Laat de startknop niet in stand ON
staan als de motor niet loopt, om te
voorkomen dat de accu leegraakt.
STARTEN Start de motor door het
rempedaal in te trappen en op
de startknop te drukken terwijl
de selectiehendel in stand P
(parkeren) of stand N (neutraal)
staat.
Start de motor, voor uw eigen
veiligheid, met de selectiehendel
in stand P (parkeren).
Als u op de toets Engine Start/Stop drukt
zonder het rempedaal in te trappen,
zal de auto niet starten en verandert de
toets Engine Start/Stop als volgt:
OFF ACC ON OFF of ACC
06
6-7
Starten van de motor
WAARSCHUWING
Draag tijdens het rijden altijd geschikte
schoenen. Ongeschikte schoenen, zoals
hoge hakken, skilaarzen, sandalen,
teenslippers, enz. kunnen het bedienen
van het rempedaal en het gaspedaal
bemoeilijken.
Houd het gaspedaal niet ingedrukt
wanneer u de auto start.
Hierdoor kan de auto in beweging
komen en kunt u een ongeval
veroorzaken.
Wacht tot het toerental van de motor
normaal is. De auto kan plotseling in
beweging komen als het rempedaal
wordt losgelaten bij een hoog toerental.
Informatie
De motor zal starten wanneer u op de
startknop drukt, maar alleen wanneer de
Smart Key zich in de auto bevindt.
Als de Smart Key wel in de auto is, maar
ver bij de bestuurder vandaan, start de
motor mogelijk niet.
Als de startknop in stand ACC of ON staat
en een portier is geopend, controleert het
systeem of de Smart Key aanwezig is. Als de
Smart Key zich niet in het voertuig bevindt,
zal de indicator " " knipperen en de
waarschuwing “Sleutel niet in het voertuig”
gaan branden en als alle portieren zijn
gesloten, klinkt het geluidssignaal ook
gedurende ongeveer 5 seconden. Houd de
Smart Key in het voertuig wanneer hij in
de stand ACC staat of de motor van het
voertuig AAN staat.
1. Zorg ervoor dat u de Smart Key altijd bij
u hebt.
2. Controleer of de parkeerrem is
geactiveerd.
3. Zorg ervoor dat de selectiehendel in stand
P (parkeren) staat.
4. Trap het rempedaal in.
5. Druk de startknop in.
Informatie
Breng de motor niet op
bedrijfstemperatuur door hem stationair te
laten draaien.
Rijd weg met een gematigd motortoerental.
Krachtig accelereren en decelereren moet
worden voorkomen.
Houd bij het starten van de motor altijd
het rempedaal ingetrapt. Trap tijdens het
starten van de motor het gaspedaal niet in.
Voer het toerental van de motor niet te hoog
op tijdens het warm rijden.
AANWIJZING
Om schade aan de auto te voorkomen:
Probeer niet de selectiehendel in stand
P (parkeren) te zetten wanneer de motor
tijdens het rijden afslaat.
Als de verkeersomstandigheden het
toelaten kunt u de selectiehendel in
stand N (neutraal) zetten terwijl de auto
nog rijdt en vervolgens de toets Engine
start/stop (motor starten/stoppen)
indrukken om te proberen de motor
opnieuw te starten.
Probeer de motor niet te starten door de
auto aan te duwen of aan te slepen.
Rijden met uw auto
6-8
AANWIJZING
Om schade aan de auto te voorkomen:
Druk de toets Engine start/stop (motor
starten/stoppen) nooit langer dan
10 seconden in, behalve wanneer de
remlichtzekering is doorgebrand.
Wanneer de remlichtzekering is
doorgebrand, kunt u de motor niet
normaal starten. Vervang de zekering door
een nieuwe. Als u de zekering niet kunt
vervangen, kunt u de motor starten door
de toets Engine start/stop (motor starten/
stoppen)10 seconden ingedrukt te houden
in stand ACC.
Trap voor uw eigen veiligheid altijd het
rempedaal in voordat u de motor start.
Een motor met turbo/intercooler starten en
uitzetten
1. Voer het toerental van de motor niet
(zeer) hoog op na het starten. Laat een
koude motor enkele seconden stationair
draaien om ervoor te zorgen dat de
turbocompressor voldoende smering
krijgt.
2. Laat na het rijden met hoge snelheid
of een lange rit met een zware
motorbelasting de motor voor het
afzetten ongeveer 1 minuut stationair
draaien. Door de motor stationair te laten
draaien koelt de turbo af voordat de
motor wordt afgezet.
AANWIJZING
Zet de motor nooit direct af nadat hij
zwaar belast is geweest. Dit kan zware
schade veroorzaken aan de motor of de
turbocompressor.
OOS057003
OOS057003
Informatie
Als de batterij bijna leeg is of de Smart Key
niet goed werkt, kunt u de motor starten door
de startknop direct met de Smart Key in te
drukken, zoals hierboven is afgebeeld.
6-9
06
DUAL CLUTCH-TRANSMISSIE
OOSN061001L
OOSN061001L
Trap het rempedaal in en druk de schakelknop voor de selectiehendel tijdens het verplaatsen van de
selectiehendel.
Druk de schakelknop in bij het verplaatsen van de selectiehendel.
De selectiehendel kan ongehinderd bewegen.
Bediening van de transmissie met dubbele koppeling
De transmissie met dubbele koppeling heeft acht versnellingen vooruit en één versnelling
achteruit. De verschillende versnellingen worden automatisch gekozen wanneer de
selectiehendel in stand D (rijden) staat.
De Double clutch-transmissie is in principe een automatisch schakelende handgeschakelde
versnellingsbak. Deze zorgt voor het rijgevoel van een handgeschakelde versnellingsbak,
maar biedt het gemak van een volledig automatische transmissie.
Wanneer D (rijden) is geselecteerd, schakelt de transmissie automatisch de versnellingen
in, net als bij een conventionele automatische transmissie. Anders dan bij een traditionele
automatische transmissie is het schakelen soms voel- en hoorbaar, door het inschakelen van
de actuators en versnellingen.
Rijden met uw auto
6-10
De Double clutch-transmissie bestaat
uit een mechanisme met een dubbele
natteplatenkoppeling en zorgt tijdens
het rijden voor een betere versnelling
en een lager brandstofverbruik. Maar
deze verschilt van een conventionele
automatische transmissie doordat geen
koppelomvormer aanwezig is. In plaats
daarvan wordt voor het inschakelen van de
volgende versnelling gebruikgemaakt van
het slippen van de koppelingen, met name
bij lagere snelheden. Dit zorgt ervoor dat
het schakelen soms merkbaar is en dat
een lichte trilling voelbaar kan zijn, doordat
het toerental van de transmissieas aan
het toerental van de uitgaande as van de
motor wordt aangepast. Dit is een normale
situatie bij een Double Clutch-transmissie.
Dankzij de natteplatenkoppeling wordt
het koppel directer overgebracht en is
schakelen zonder tractieonderbreking
mogelijk, wat anders kan aanvoelen dan
bij een conventionele automatische
transmissie. Dit kan duidelijker merkbaar
zijn bij het optrekken van het voertuig
vanuit stilstand of in situaties waarin
langzaam wordt gereden en steeds weer
wordt gestopt.
Bij snel accelereren vanuit lage
snelheden kan het motortoerental
aanzienlijk toenemen, als gevolg van
de koppelingsslip doordat de Double
clutch-transmissie de correcte versnelling
selecteert. Dit is een normaal verschijnsel.
Druk het gaspedaal bij het wegrijden op
een helling vanuit stilstand rustig in om
schokken of rukken te voorkomen.
Wanneer u het gaspedaal bij het rijden
met een lage rijsnelheid snel loslaat, kunt u
merken dat op de motor wordt afgeremd
voordat van versnelling wordt gewisseld.
Dit gevoel van het afremmen op de motor
doet zich bij lage snelheden eveneens bij
een handgeschakelde versnellingsbak
voor.
Als u bergafwaarts rijdt, kunt u de
selectiehendel in de handmatige modus
zetten en terugschakelen, om uw snelheid
onder controle te houden zonder het
rempedaal overmatig te gebruiken.
Bij het in- en uitschakelen van de motor
kunt u klikgeluiden horen wanneer het
systeem een zelftest uitvoert. Dit is een
normaal geluid voor de Double clutch-
transmissie.
Gedurende de eerste 1500 km (1000
mijl) kunt u merken dat de auto minder
soepel accelereert bij lage snelheden.
Tijdens deze inrijperiode worden de
schakelkwaliteit en prestaties van uw
nieuwe auto continu geoptimaliseerd.
WAARSCHUWING
Om het risico op ERNSTIG of DODELIJK
LETSEL te beperken:
Controleer ALTIJD de omgeving rond de
auto op de aanwezigheid van personen,
in het bijzonder kinderen, voordat u
de transmissie in stand D (rijden) of R
(achteruit) zet.
Controleer altijd of stand P (parkeren)
is ingeschakeld, trek de parkeerrem
volledig aan en zet het contact in de
stand LOCK/OFF voordat u de auto
verlaat. Als deze voorzorgsmaatregelen
niet worden opgevolgd kan de auto
onverwacht en plotseling in beweging
komen.
Rem op een glad wegdek niet snel af op
de motor (schakelen vanuit een hoge
naar een lage versnelling). Hierdoor
kunnen de banden slippen, wat een
ongeluk kan veroorzaken.
AANWIJZING
Zorg ervoor dat de auto volledig tot
stilstand is gekomen voordat u stand D
(rijden) of R (achteruit) inschakelt.
Zet de selectiehendel tijdens het rijden
niet in stand N (neutraal).
06
6-11
WAARSCHUWING
Als de transmissie niet lukt, kunt u niet
verder rijden en zullen de standenindicator
en de standenindicator (D, P) op het
instrumentenpaneel knipperen. We
adviseren u het systeem te laten
controleren door een officiële HYUNDAI-
dealer.
Waarschuwingsmeldingen Double
Clutch-transmissie
Deze waarschuwingsmelding wordt
weergegeven als het voertuig langzaam een
helling op rijdt en het voertuig detecteert dat
het rempedaal niet wordt gebruikt.
OTLE055019
OTLE055019
Steep grade! Press brake pedal (Helling! Druk
rempedaal in)
Een steile helling op of af rijden:
Gebruik het rempedaal of de handrem om
de auto stil te houden op een helling.
Zorg er bij stop-and-go verkeer op een
helling altijd voor dat er een afstand
tussen u en het voertuig voor u aanwezig
is voordat u weer gaat rijden. Houd de
auto vervolgens stil op de helling door het
rempedaal in te trappen.
Als het voertuig op een helling met het
gasgedaal op zijn plaats wordt gehouden
of langzaam vordert, dan kunnen de
koppeling en de transmissie oververhitten
en beschadigd raken. Op dat moment
verschijnt een waarschuwingsmelding op
het lcd-display.
Als in het lcd-display een waarschuwing
wordt weergegeven, moet het rempedaal
worden ingetrapt.
Het negeren van de waarschuwingen
kan leiden tot beschadiging van de
transmissie.
OOSN061017L
OOSN061017L
Hoge transmissietemperatuur
Onder bepaalde omstandigheden, zoals
bij herhaaldelijk optrekken bij stop-
and-go verkeer op een steile helling,
plotseling optrekken of accelereren
of andere ruwe rijomstandigheden,
zal de koppelingstemperatuur van de
transmissie tot hoge waarden stijgen.
Uiteindelijk kan de koppeling oververhit
raken.
Wanneer de koppeling oververhit is,
wordt het failsafe-systeem ingeschakeld,
gaat de schakelstandindicator op
het instrumentenpaneel knipperen
en klinkt de zoemer. Op dat moment
wordt de waarschuwingsmelding
“Transmission temp. is high! Stop
safely (Transmissietemperatuur hoog!
Veilig stoppen)” op het lcd-scherm
weergegeven en verloopt het rijden
mogelijk minder soepel.
Rijden met uw auto
6-12
Als dit gebeurt, rijd dan naar een veilige
plaats, stop het voertuig terwijl u de
motor laat draaien, trek de rem aan, zet de
selectiehendel van het voertuig in stand P
(parkeren) en laat de transmissie afkoelen.
Als u deze waarschuwing negeert, kan
de auto nog slechter gaan rijden. Hierbij
kan abrupt en worden geschakeld of
schokken optreden. Stop de auto en
trap het rempedaal in of schakel in stand
P (Parkeren) om weer naar de normale
rijtoestand terug te keren. Laat de
transmissie vervolgens enkele minuten
afkoelen met een draaiende motor
voordat u weer wegrijdt.
Rijd indien mogelijk op soepele wijze met
het voertuig.
OJS058137L
OJS058137L
OOSN061016L
OOSN061016L
Oververhitte transmissie
Als u met het voertuig blijft rijden en
de temperatuur van de koppeling
de maximale temperatuurlimiet
bereikt, wordt waarschuwingsmelding
"Transmission Hot! Park with engine on"
(Transmissie heet! Parkeer met motor aan)
weergegeven. Als dit gebeurt, wordt de
koppeling uitgeschakeld totdat deze tot
een normale temperatuur is afgekoeld.
De waarschuwingsmelding zal een
tijdsduur aangeven die gewacht moet
worden om de transmissie te laten
afkoelen.
Als dit gebeurt, rijd dan naar een veilige
plaats, stop het voertuig terwijl u de
motor laat draaien, trek de rem aan, zet de
selectiehendel van het voertuig in stand P
(parkeren) en laat de transmissie afkoelen.
Bij de melding “Transmission cooled
down. Resume driving (Transmissie
afgekoeld. Rij verder)” wordt
weergegeven, kunt u weer met uw
voertuig gaan rijden.
Rijd indien mogelijk op soepele wijze met
het voertuig.
Neem voor uw veiligheid contact op
met een officiële HYUNDAI-dealer als
een waarschuwingsmelding op het lcd-
display blijft knipperen en laat het systeem
controleren.
Transmissiestanden
De indicator in het instrumentenpaneel geeft,
als het contact in stand ON staat, aan in
welke stand de selectiehendel staat.
P (P ark)
Zorg ervoor dat de auto volledig tot stilstand
is gekomen voordat stand P (parkeren) wordt
ingeschakeld.
Om vanuit stand P (parkeren) te schakelen,
moet u het rempedaal stevig intrappen en uw
voet van het gaspedaal houden.
Als u al het bovenstaande hebt gedaan en u
de selectiehendel nog steeds niet uit stand
P (parkeren) kunt krijgen, raadpleeg dan
"Schakelblokkeersysteem uitschakelen" in
dit hoofdstuk.
De selectiehendel moet in stand P (parkeren)
staan voordat de motor wordt uitgezet.
06
6-13
WAARSCHUWING
Wanneer stand P (parkeren) tijdens het
rijden wordt ingeschakeld, kunt u de
controle over de auto verliezen.
Controleer nadat de auto tot stilstand
is gekomen of stand P (parkeren) is
ingeschakeld, activeer de parkeerrem en
zet de motor uit.
Zet bij het parkeren op een helling de
keuzehendel in stand P (parkeren) en
trek de handrem aan, om te voorkomen
dat het voertuig van een helling bolt.
Schakel in verband met de veiligheid
altijd de handrem in en plaats de
parkeerhendel in stand P (parkeren),
behalve bij het parkeren in verband met
een noodsituatie.
R (achteruit)
Gebruik deze stand om de auto achteruit te
rijden.
AANWIJZING
Breng de auto altijd helemaal tot stilstand
alvorens de selectiehendel in of uit stand
R (achteruit) te zetten; de transmissie kan
beschadigd raken als u tijdens het rijden
stand R (achteruit) inschakelt.
N (neutraal)
De wielen en de transmissie zijn niet
ingeschakeld.
Gebruik stand N (neutraal) om een
afgeslagen motor opnieuw te starten of als
u moet stoppen met ingeschakelde motor.
Schakel naar P (parkeren) als u de auto om
welke reden dan ook moet verlaten.
Trap altijd het rempedaal in wanneer u vanuit
N (neutraal) naar een andere versnelling
schakelt.
D (rijden)
Dit is de normale rijstand. De transmissie
schakelt automatisch tussen de acht
versnellingen voor een zo laag mogelijk
brandstofverbruik bij optimale prestaties.
Druk het gaspedaal krachtig in voor meer
vermogen bij het inhalen van een voertuig of
bergop rijden. De transmissie schakelt dan
automatisch een versnelling (of indien nodig
meerdere versnellingen) terug.
Rijden met uw auto
6-14
OOSN061002L
OOSN061002L
Handmatige schakelstand
De handmatige schakelmodus kan zowel
bij een stilstaande auto als tijdens het rijden
worden ingeschakeld, door de selectiehendel
vanuit stand D (rijden) naar de coulisse voor
handmatig rijden te verplaatsen. Druk de
selectiehendel terug naar links om stand D
(rijden) weer in te schakelen.
In de handmatige schakelmodus verloopt
het overschakelen tussen de versnellingen
eenvoudig en snel door de selectiehendel
naar voren en naar achteren te bewegen.
Opschakelen (+) : Duw de hendel één
keer naar voor om een versnelling op te
schakelen.
Terugschakelen (-): Druk de selectiehendel
één keer naar voor om één versnelling terug
te schakelen.
Informatie
In de handmatige schakelmodus kunnen
alleen de acht vooruitversnellingen worden
geselecteerd. Zet de selectiehendel in stand
R (Achteruit) of P (Parkeren) om de auto
respectievelijk achteruit te rijden of te
blokkeren bij het parkeren.
Het terugschakelen verloopt automatisch
wanneer de auto vertraagt. Wanneer
de auto stopt, wordt automatisch de 1e
versnelling ingeschakeld.
Als de bestuurder de hendel naar de positie
(Omhoog) of (Omlaag) beweegt, is
het mogelijk dat de transmissie niet
de verzochte schakeling uitvoert,
omdat de volgende versnelling zich
buiten het toegestane toerentalbereik
bevindt. De bestuurder moet bij het
opschakelen rekening houden met de
wegomstandigheden en ervoor zorgen dat
het motortoerental vóór het rode gebied
blijft.
Schakelpaddel
OOSN061031L
OOSN061031L
De schakelpaddels kunnen worden gebruikt
als de selectiehendel in stand D (rijden) of in
de handmatige schakelmodus.
06
6-15
Met de selectiehendel in stand D
De paddle shifter kan worden bediend als de
rijsnelheid hoger is dan 3km/h.
Trek één keer aan de [+] of [-] schakelpaddel
om een versnelling op of terug te schakelen
en het systeem van de automatische stand in
de handmatige stand te zetten.
Als de rijsnelheid lager is dan 2 km/h, als u
het gaspedaal langer dan 6 seconden [in de
modus Normaal] ingetrapt heeft of als u de
selectiehendel van stand D in de handmatige
stand en vervolgens van de handmatige
stand weer in stand D zet, schakelt het
systeem van de handmatige stand naar de
automatische stand.
Trek bij het vrijgeven van de schakelpaddel
langer dan 1 seconde aan de paddel.
Met de schakelhendel in de handmatige
schakelmodus
Trek één keer aan de [+] of [-] paddle shifter
om een versnelling op of terug te schakelen.
Informatie
Indien tegelijkertijd aan de schakelpaddels [+]
en [-] wordt getrokken, is het mogelijk dat niet
wordt geschakeld.
Schakelblokkeersysteem
Voor uw veiligheid heeft de Double clutch-
transmissie een schakelblokkeersysteem dat
voorkomt dat de selectiehendel uit stand P
(parkeren) in stand R (achteruit) kan worden
gezet zonder dat het rempedaal is ingetrapt.
Schakelen van stand P (parkeren) naar stand
R (achteruit):
1. Houd het rempedaal ingetrapt.
2. Start de motor of zet het contact in stand
ON.
3. Beweeg de selectiehendel.
Schakelblokkering ongedaan maken
Als u de selectiehendel niet vanuit stand P
(Parkeren) in stand R (Achteruit) kunt zetten
met het rempedaal ingetrapt, houd dan het
rempedaal ingetrapt en voer de volgende
handelingen uit:
OOSN061032L
OOSN061032L
1. Plaats het contact in stand LOCK/OFF.
2. Activeer de parkeerrem.
3. Verwijder voorzichtig het afdekkapje (1)
van de opening voor het uitschakelen van
de schakelblokkering.
4. Steek gereedschap (bijv. een
sleufkopschroevendraaier) in de opening
en druk dit naar beneden.
5. Beweeg de selectiehendel terwijl de
schroevendraaier naar beneden gedrukt
wordt.
6. Verwijder het gereedschap uit de
opening voor het uitschakelen van
de schakelblokkering en plaats het
afdekkapje.
7. Druk het rempedaal in en start de motor
opnieuw.
We adviseren u het systeem direct te laten
controleren door een officiële HYUNDAI-
dealer als u de schakelblokkering ongedaan
heeft moeten maken.
Rijden met uw auto
6-16
Parkeren
Breng de auto altijd helemaal tot stilstand
alvorens het rempedaal in te trappen. Zet de
selectiehendel in stand P (parkeren), activeer
de parkeerrem en zet het contact in stand
LOCK/OFF. Neem de sleutel mee als u de
auto verlaat.
WAARSCHUWING
Wanneer u in de auto blijft terwijl de motor
draait, zorg er dan voor dat u het gaspedaal
niet gedurende langere tijd ingetrapt houdt.
Anders kan de motor of het uitlaatsysteem
oververhit raken en kan er brand ontstaan.
Het uitlaatgas en het uitlaatsysteem
zijn zeer heet. Blijf uit de buurt van de
onderdelen van het uitlaatsysteem.
Stop of parkeer de auto nooit boven
brandbare materialen zoals droog gras,
papier, bladeren, enz. Deze zouden vlam
kunnen vatten, waardoor er brand zou
kunnen ontstaan.
Goede rijgewoonten
Houd het gaspedaal nooit ingetrapt als
de selectiehendel van stand P (parkeren)
of stand N (neutraal) in een andere stand
wordt gezet.
Zet de selectiehendel nooit in stand P
(parkeren) als de auto nog niet volledig tot
stilstand is gekomen.
Zorg ervoor dat de auto volledig tot
stilstand is gekomen voordat stand
R (achteruit) of D (rijden) wordt
ingeschakeld.
Zet de selectiehendel tijdens het rijden
niet in stand N (neutraal). Als u dat wel
doet, kan er een ongeval ontstaan doordat
u niet op de motor remt en kan de
transmissie beschadigd raken.
Bij het op- of afrijden van een helling
moet u altijd naar D (rijden) schakelen
wanneer u vooruit rijdt of naar R
(achteruit) wanneer u achteruit rijdt, en
de aangegeven versnellingsstand op het
instrumentenpaneel controleren voordat
u gaat rijden. Als u in de tegengestelde
richting van de gekozen versnellingsstand
rijdt, zal de motor afslaan en kan een
ernstig ongeval plaatsvinden ten gevolge
van het verminderde remvermogen.
Laat tijdens het rijden uw voet niet op
het rempedaal rusten. Zelfs een lichte,
maar permanente pedaaldruk kan leiden
tot oververhitting in het remsysteem,
voortijdige slijtage en zelfs het weigeren
van de remmen.
06
6-17
Verlaag bij het rijden in de handmatige
schakelmodus de snelheid voordat u
een lagere versnelling inschakelt. Anders
wordt de lagere versnelling mogelijk niet
ingeschakeld omdat het motortoerental
buiten het toegestane bereik ligt.
Activeer altijd de parkeerrem voordat u de
auto verlaat. Vertrouw er niet op dat de
auto niet zal bewegen als de transmissie
in stand P (parkeren) staat.
Wees vooral voorzichtig bij het rijden op
een gladde ondergrond. Let in dat geval
vooral op bij het remmen, gas geven en
schakelen. Op een glad wegdek kan een
abrupte snelheidsverandering leiden
tot verlies van grip van de aangedreven
wielen en kunt u de controle over uw
auto verliezen, wat in een ongeluk kan
resulteren.
Voor de beste prestaties en een zo laag
mogelijk energieverbruik moet het
gaspedaal met een gelijkmatige beweging
worden ingetrapt en losgelaten.
WAARSCHUWING
Om het risico op ERNSTIG of DODELIJK
LETSEL te beperken:
Doe uw veiligheidsgordel ALTIJD om.
Bij een aanrijding lopen inzittenden die
hun veiligheidsgordel niet dragen een
veel grotere kans op ernstig letsel dan
inzittenden die hun veiligheidsgordel
wel dragen.
Pas uw snelheid aan voordat u een bocht
aansnijdt of gaat keren.
Maak geen plotselinge stuurbewegingen
bij het wisselen van rijbaan of bij het
nemen van snelle, scherpe bochten.
De kans dat de auto over de kop slaat
wanneer u de macht over het stuur
verliest, is veel groter bij hogere
snelheden.
Meestal verliest de bestuurder de
macht over de auto wanneer twee of
meer wielen van de weg raken en de
bestuurder het stuur omgooit om de
auto weer de weg op te sturen.
Gooi het stuur niet om wanneer uw
auto van de weg raakt. Rem in plaats
daarvan af en stuur de auto rustig terug
de rijbaan op.
HYUNDAI adviseert u om u altijd aan
de aangegeven snelheidslimieten te
houden.
Rijden met uw auto
6-18
REMSYSTEEM
Rembekrachtiging
Uw auto is voorzien van bekrachtigde
remmen die bij normaal gebruik automatisch
afgesteld worden.
Als de motor niet draait of tijdens het rijden
uitgezet wordt, werkt de rembekrachtiging
niet. U kunt uw auto nog steeds tot stilstand
brengen door meer kracht dan gebruikelijk
op het rempedaal uit te oefenen. De remweg
zal in dat geval echter langer zijn dan met
rembekrachtiging.
Als de motor niet draait, wordt de mate
van bekrachtiging steeds minder naarmate
u het rempedaal vaker indrukt. Als de
rembekrachtiging uitvalt, probeer dan niet
"pompend" te remmen.
Rem alleen "pompend" om bij een glad
wegdek de controle over de auto te
behouden.
WAARSCHUWING
Neem de volgende voorzorgsmaatregelen:
Laat tijdens het rijden uw voet niet op
het rempedaal rusten. Hierdoor kan de
temperatuur van de remmen abnormaal
hoog worden, kunnen de remblokken en
-schoenen overmatig slijten en kan de
remweg vergroot worden.
Schakel bij het afrijden van een lange of
een steile helling een lagere versnelling
in en vermijd langdurig achter elkaar
remmen. Indien de remmen continu
worden bediend zullen deze oververhit
raken, waardoor het remvermogen
tijdelijk verloren kan gaan.
Als de remmen nat zijn, remt de auto
mogelijk minder dan normaal en kan
de auto naar één kant trekken tijdens
het remmen. Door het rempedaal licht
in te trappen, kunt u controleren of het
remvermogen door het nat worden is
verminderd. Test uw remmen altijd op
deze manier na het rijden door diep
water. Om de remmen te drogen kunt
u het rempedaal lichtjes aantikken om
deze op te warmen, zodat ze drogen.
Houd hierbij een veilige snelheid aan
totdat het remvermogen weer normaal
is.
Vermijd hoge snelheden totdat de
remmen weer correct werken.
Remblokslijtage-indicator
Wanneer uw remblokken versleten zijn en
moeten worden vervangen, hoort u een
hoog waarschuwingssignaal van uw voor- of
achterremmen. Dit geluid kan komen of gaan
of kan optreden wanneer u het rempedaal
intrapt.
Neem in acht dat bij sommige
rijomstandigheden of klimaten een piepend
geluid hoorbaar kan zijn wanneer u het
rempedaal voor de eerste keer (licht) intrapt.
Dit is normaal en betekent niet dat er een
probleem met uw remmen is.
AANWIJZING
Blijf, om kostbare reparaties aan de remmen
te voorkomen, niet rijden met versleten
remblokken.
Informatie
Vervang de remblokken van één as altijd
gelijktijdig.
06
6-19
Hoogwaardige rem
Voertuigen die zijn uitgerust met de
hoogwaardige rem (gebruikt met materiaal
met een hoge wrijvingscoëfficiënt), maken
geluid, zoals piepen of kreunen, tijdens
het remmen. Dit is normaal en de wrijving
kan voor cirkelpatronen zorgen op het
oppervlak van de remschijf. Ook dit is een
normale situatie en heeft geen invloed op de
remprestaties.
AANWIJZING
Occasioneel lawaai bij het remmen
is normaal. Als er voortdurende een
kreunend of piepend lawaai is, kunnen
de remblokjes versleten zijn. We
adviseren u de auto te laten controleren
door een officiële Hyundai-dealer.
Als het stuur voortdurend trilt of schokt
tijdens het remmen, raden we aan dat
u de auto laat controleren door een
erkende HYUNDAI-dealer.
WAARSCHUWING
Bij vaak optrekken en remmen kunnen
onderdelen vervormen en slijt de schijfrem
sneller, waardoor hij tijdens het remmen
gaat trillen. Voorkom beschadiging van de
remmen door te veel remmen te vermijden.
Slijtage van de remmen, geluiden, trillingen
door overmatig remmen of vervorming van
de remmen door vaak remmen bij hoge
snelheid, racen op circuits enz. kan buiten
de garantiedekking vallen.
Parkeerrem
OOSN061003L
OOSN061003L
Activeer altijd de parkeerrem op de volgende
wijze alvorens de auto te verlaten:
Trap het rempedaal stevig in.
Trek de parkeerremhendel zo ver mogelijk
omhoog.
WAARSCHUWING
Om het risico op ERNSTIG of DODELIJK
LETSEL te beperken, mag u de parkeerrem
niet activeren terwijl de auto in beweging
is, tenzij er sprake is van een noodgeval. Dit
kan het remsysteem beschadigen en tot
ongelukken leiden.
OOSN061004L
OOSN061004L
Deactiveren:
Trap het rempedaal stevig in.
Trek de parkeerremhendel een beetje
omhoog.
Laat de parkeerrem (2) zakken tijdens het
indrukken van de vrijgaveknop (1).
Rijden met uw auto
6-20
Laat de auto controleren door een officiële
HYUNDAI-dealer als de parkeerrem niet of
niet helemaal in de vrijstand terugkeert.
WAARSCHUWING
Wanneer u de auto verlaat of parkeert,
moet u altijd volledig stilstaan en het
rempedaal ingedrukt houden. Verplaats
de schakelhendel naar de 1e versnelling
of P (parkeren, voor een auto met een
dubbele clutch-transmissie) stand,
activeer de parkeerrem en zet het
contact in stand LOCK/OFF.
Indien de parkeerrem niet volledig is
geactiveerd, kan de auto onbedoeld in
beweging komen waardoor u of anderen
letsel kunnen oplopen.
Wanneer u op een helling parkeert, moet
u de wielen blokkeren om te voorkomen
dat het voertuig naar beneden rolt.
Laat personen die niet bekend zijn
met de auto NOOIT aan de parkeerrem
komen. Als de parkeerrem per ongeluk
wordt vrijgegeven, kan er ernstig letsel
ontstaan.
Ontgrendel de parkeerrem alleen
wanneer u in de auto zit met uw voet
stevig op het rempedaal.
AANWIJZING
Trap niet op het gaspedaal terwijl
de parkeerrem is geactiveerd. Als
u het gaspedaal intrapt terwijl de
parkeerrem is ingeschakeld, klinkt er een
waarschuwingsgeluid. Er kan schade
aan de parkeerrem ontstaan.
Rijden met ingeschakelde parkeerrem
kan het remsysteem oververhitten
en resulteren in vroegtijdige slijtage
of beschadiging van remonderdelen.
Controleer voordat u gaat rijden dat
de parkeerrem ontgrendeld is en
het waarschuwingslampje van het
remsysteem uit is.
Controleer of het
waarschuwingslampje van het
remsysteem functioneert door het
contact in stand ON te zetten (start
de motor niet).
Dit lampje gaat branden wanneer het contact
in stand START of ON wordt gezet en de
parkeerrem is geactiveerd.
Zorg ervoor dat de parkeerrem voor het
wegrijden gedeactiveerd is en controleer
of het waarschuwingslampje van het
remsysteem niet brandt.
Als het waarschuwingslampje van de
parkeerrem blijft branden nadat de
parkeerrem vrij is en de motor draait, kan er
een storing in het remsysteem zijn. Laat dit
direct controleren.
Zet de auto indien mogelijk direct stop. Neem
als dat niet mogelijk is extra voorzichtigheid
in acht bij het rijden en rijd door totdat u een
veilige plek vindt om te stoppen.
06
6-21
Antiblokkeersysteem (ABS)
WAARSCHUWING
Een antiblokkeersysteem (ABS) of een
elektronische stabiliteitsregeling (ESC) kan
geen ongevallen als gevolg van gevaarlijke
rijmanoeuvres voorkomen. Neem altijd een
veilige afstand tussen u en voorwerpen
vóór u in acht, ondanks dat deze systemen
ervoor zorgen dat u de auto beter
onder controle kunt houden tijdens het
remmen in een noodsituatie. Bij extreme
wegtoestanden moet u altijd uw snelheid
verlagen. Bij de volgende wegtoestanden
kan de remweg van auto's met ABS of
ESC langer zijn dan bij auto's zonder deze
systemen.
Verlaag uw rijsnelheid onder de volgende
omstandigheden:
Op slechte wegen, wegen met steenslag
of wegen die met sneeuw bedekt zijn.
Op wegen met kuilen of met
hoogteverschillen.
Als er sneeuwkettingen onder uw auto
zijn gemonteerd.
Probeer de werking van het ABS of ESC
van uw auto niet uit bij hoge snelheden of
tijdens het nemen van een bocht. Hiermee
kunt u zichzelf en anderen in gevaar
brengen.
Het ABS is een elektronisch remsysteem
dat voorkomt dat de auto kan gaan slippen
tijdens het remmen. Het ABS zorgt ervoor
dat de bestuurder tegelijkertijd kan sturen en
remmen.
Gebruik van ABS
Om in een noodsituatie het maximale
rendement uit het ABS te halen bij een
noodsituatie, moet u niet proberen zelf de
remdruk te regelen en moet u niet 'pompend'
gaan remmen. Trap het rempedaal zo hard
mogelijk in.
Als u het rempedaal intrapt onder
omstandigheden waarbij de wielen
kunnen blokkeren, kunt u geluiden van het
remsysteem horen en kan het rempedaal
gaan trillen. Dit is normaal. Het betekent dat
het ABS in werking is getreden.
Het ABS beperkt niet de tijd of de afstand die
nodig is om de auto tot stilstand te brengen.
Bewaar altijd een veilige afstand tot de auto
voor u.
Het ABS kan geen slip voorkomen die het
gevolg is van plotselinge koerswijzigingen,
bijv. bij een te hoge bochtensnelheid of
plotselinge verandering van rijstrook. Rijd
altijd met een snelheid die veilig is gezien de
weg- en weersomstandigheden.
Het ABS kan geen verlies van stabiliteit
voorkomen. Beweeg het stuurwiel niet
te abrupt bij hard remmen. Heftige of
overmatige stuurwielbewegingen kunnen
ervoor zorgen dat uw auto op het pad van
tegenliggers of in de berm terechtkomt.
Op wegen met los grind of wegen die niet
vlak zijn kan het antiblokkeersysteem voor
een langere remweg zorgen dan bij auto's
zonder antiblokkeersysteem.
Het waarschuwingslampje ABS ( ) blijft
een aantal seconden branden nadat het
contact op AAN is gezet. Het ABS voert dan
een zelfdiagnose uit en het lampje gaat uit
wanneer alles in orde is.
Rijden met uw auto
6-22
WAARSCHUWING
Als het waarschuwingslampje ABS ( )
blijft branden, kan er een probleem met het
ABS zijn. Uw rembekrachtiging werkt in dat
geval normaal. We raden u aan om zo snel
mogelijk contact met uw HYUNDAI-dealer
op te nemen om het risico op ernstig of
dodelijk letsel te verminderen.
AANWIJZING
Wanneer u op een weg met weinig grip
rijdt, bijv. een gladde weg, en continu het
rempedaal intrapt, is het ABS continu actief
en kan het waarschuwingslampje ABS ( )
gaan branden.
Parkeer uw auto op een veilige plaats en zet
de motor af.
Start de motor opnieuw. Als het
waarschuwingslampje ABS dooft, is het ABS
in orde.
Anders is er mogelijk een probleem met
het ABS. We adviseren u zo snel mogelijk
contact op te nemen met een officiële
HYUNDAI-dealer.
Informatie
Als u probeert de auto met een hulpaccu
te starten omdat de accu leeg is, kan het
waarschuwingslampje ABS ( ) gaan
branden. Dit wordt veroorzaakt door de lage
accuspanning. Het betekent niet dat uw ABS
een storing heeft. Laad de accu bij voordat u
wegrijdt.
Electronic Stability Control
(ESC) (elektronische
stabiliteitsregeling)
De elektronische stabiliteitsregeling (ESC) is
ontworpen om de stabiliteit van de auto in
bochten te verbeteren.
Het ESC controleert in welke richting u stuurt
en in welke richting de auto daadwerkelijk
beweegt. De ESC oefent een remdruk op
de remmen van de auto uit en grijpt in het
motorregelsysteem in, om de bestuurder te
helpen de auto op het juiste pad te houden.
Het systeem is geen vervanging voor een
veilig rijgedrag. Pas uw snelheid en rijstijl
altijd aan de wegtoestand aan.
WAARSCHUWING
Rijd niet harder dan de toestand van de weg
toelaat en neem bochten niet met een te
hoge snelheid. Het ESC-systeem kan geen
ongevallen voorkomen.
Te hoge bochtensnelheden, plotselinge
manoeuvres en aquaplaning op een nat
wegdek kunnen nog steeds leiden tot
ernstige ongevallen.
06
6-23
ESC-werking
Voertuigstabiliteitsregeling (ESC) ingeschakeld
Als de motor uit en opnieuw aan wordt gezet,
wordt ESC ingeschakeld en geactiveerd
en de ESC-bedrijfsmodus actief is (niet in
de ESC-sportmodus of ESC UIT-modus),
ongeacht de ESC-modus op het moment dat
de motor werd uitgezet.
U kunt kiezen tussen de volgende statussen
van ESC:
ESC NORMAAL geactiveerd (ESC AAN)
ESC SPORT geactiveerd (ESC SPORT-
indicatie brandt)
ESC gedeactiveerd (ESC UIT-indicatie
brandt)
In werking
Als de elektronische
stabiliteitsregeling in werking
treedt, gaat het controlelampje
ESC knipperen:
Als u het rempedaal intrapt onder
omstandigheden waarbij de wielen
kunnen blokkeren, kunt u geluiden van het
remsysteem horen en kan het rempedaal
gaan trillen. Dit is normaal. Het betekent
dat het ESC in werking is getreden.
Als de ESC geactiveerd is, reageert de
motor mogelijk niet zo op het gaspedaal
als onder normale omstandigheden.
Indien cruisecontrol en smart cruise
control ingeschakeld is wanneer de ESC
wordt geactiveerd, worden cruise control
en smart cruise control automatisch
uitgeschakeld. Cruise control en smart
cruise control kan opnieuw worden
ingeschakeld als de wegtoestand dit
toelaat. Zie “Cruise control (CC)”, “Smart
cruise control (SCC)” verderop in
hoofdstuk 7 (indien van toepassing).
Bij het wegrijden vanaf een modderige
ondergrond of tijdens het rijden op een
gladde weg loopt het motortoerental
(omwentelingen per minuut) mogelijk
niet op, zelfs niet als u het gaspedaal
ver intrapt. Dit dient om de stabiliteit en
tractie van de auto te behouden en duidt
niet op een probleem.
ESC deactiveren/activeren
OOSN061005L
OOSN061005L
U kunt kiezen tussen de volgende statussen
van ESC:
ESC NORMAAL geactiveerd
ESC SPORT geactiveerd (ESC SPORT-
indicatie brandt)
ESC gedeactiveerd (ESC UIT-indicatie
brandt)
WAARSCHUWING
Als u ESC deactiveert, zal ESC het
voertuig niet langer stabiliseren. Het
risico op slippen en een ongeval neemt
toe.
Als de ESC SPORT-modus is geactiveerd,
zal de stabiliteitsondersteuning van ESC
minder zijn dan in de “ESC AAN-modus”,
het risico op slippen en een ongeval is
groter.
Deactiveer ESC of activeer ESC SPORT
alleen in de situaties die hierna beschreven
worden.
Rijden met uw auto
6-24
In de volgende situaties, kan het beter zijn
om ESC SPORT te activeren of om ESC te
deactiveren (ESC UIT):
Tijdens het rijden met sneeuwkettingen
Rijden in diepe sneeuw
Rijden in zand of gravel
Rijden op speciaal aangelegde
wegen waar overstuur- en
onderstuureigenschappen gewenst zijn
We raden aan dat alleen gekwalificeerde en
ervaren chauffeurs met het voertuig rijden
wanneer ESC is gedeactiveerd of wanneer
ESC SPORT is geactiveerd.
OPGELET
Activeer ESC onmiddellijk wanneer
bovenstaande situatie niet meer van
toepassing zijn. Als u dit niet doet, kan het
voertuig onstabiel zijn omwille van slippen
of doorslippen van de wielen.
OBC3N060007
OBC3N060007
ESC SPORT
Om de ESC SPORT-modus te activeren
Druk kort op de ESC OFF knop. Het
ESD SPORT-indicatielampje op het
instrumentenpaneel gaat branden. In deze
status, stabiliseert ESC het voertuig slechts in
beperkte mate.
Wanneer de ESC SPORT-modus is
geactiveerd:
ESC verbetert de rijstabiliteit slechts tot
een bepaald niveau.
Tractiecontrole is nog altijd geactiveerd,
maar met minder doorslippen van de
wielen (meer slippen).
Het motorkoppel kan gedeeltelijk worden
beperkt voor de stabiliteit van het voertuig
en het doorslippen van de wielen kan
worden beperkt voor meer grip.
Om de ESC SPORT-modus te deactiveren
Druk kort op de ESC OFF knop. Het
ESD SPORT-indicatielampje op het
instrumentenpaneel gaat uit.
Om ESC SPORT te deactiveren (ESC UIT)
Houd de ESC OFF toets meer
dan 3 seconden ingedrukt. Het
controlelampje ESC OFF gaat
branden en de melding “Traction
& Stability Control disabled
(Tractie- & stabiliteitscontrole
uitgeschakeld)” verschijnt en er
klinkt een waarschuwingssignaal.
In dit geval is zowel de
tractieregelingsfunctie van
de ESC (motorregeling) als de
remregelingsfunctie van de ESC
(remregeling) uitgeschakeld. Druk
kort op de knop ESC UIT om de
ESC opnieuw te activeren. Het
indicatielampje ESC UIT gaat uit.
06
6-25
Controlelampjes
Controlelampje ESC (knippert)
Controlelampje ESC OFF (gaat branden)
Als het contact in stand ON wordt gezet,
gaat het controlelampje ESC branden. Als
het ESC-systeem normaal werkt, gaat het
controlelampje vervolgens uit.
Het controlelampje ESC knippert zodra de
ESC in werking is.
Indien het controlelampje ESC blijft branden,
kan er een storing van het ESC-systeem
zijn. Wanneer dit waarschuwingslampje
gaat branden, adviseren wij u de auto zo
snel mogelijk te laten controleren door een
officiële HYUNDAI-dealer.
Het controlelampje ESC OFF gaat branden
als ESC met de toets wordt uitgeschakeld.
WAARSCHUWING
Als het controlelampje ESC knippert, geeft
dit aan dat de ESC geactiveerd is:
Rijd langzaam en probeer NOOIT te
accelereren. Schakel de ESC NOOIT uit
terwijl het richtingaanwijzer ESC knippert,
anders kunt u de controle over de auto
verliezen en een ongeval veroorzaken.
AANWIJZING
Als met wielen en banden met verschillende
afmetingen wordt gereden, kan het ESC-
systeem een storing vertonen. Controleer
voordat u de banden vervangt of alle vier
de wielen en banden dezelfde afmetingen
hebben. Rijd nooit met de auto terwijl
wielen en banden met verschillende
afmetingen gemonteerd zijn.
WAARSCHUWING
Gebruik de ESC SPORT-modus of ESC
UIT niet tijdens het rijden met een smalle
reserveband of een bandenherstellingskit!
ESC uitschakelen
Tijdens het rijden
De ESC OFF-modus mag alleen kort worden
gebruikt om weg te rijden als u vastzit in
sneeuw of modder. Door de ESC tijdelijk uit
te schakelen, kan het niet-doorslippende wiel
koppel overbrengen.
Schakel het ESC tijdens het rijden alleen uit
als u op een vlakke weg rijdt.
AANWIJZING
Om beschadiging van de transmissie te
voorkomen:
Voorkom dat een of beide wielen van
een as overmatig doorslippen terwijl de
waarschuwingslampjes voor de ESC, het
ABS en het parkeerremsysteem branden.
Deze reparaties vallen niet onder de
garantie van uw auto. Verlaag het
motorvermogen en zorg ervoor dat de
wielen overmatig doorslippen als deze
lampjes branden.
Schakel de ESC uit (controlelampje
ESC OFF brandt) als de auto op een
rollenbank getest wordt.
Rijden met uw auto
6-26
Informatie
Het uitschakelen van de ESC heeft geen
gevolgen voor een correcte werking van het
ABS en het remsysteem.
Rijmodus selecteren
Wanneer ESC is ingeschakeld, verschillen de
kenmerken van ESC afhankelijk van welke
rijmodus is geselecteerd door het indrukken
van de RIJMODUS of de N1- of N2-toets op
het stuur.
Toet s
MODUS
Geselecteerd
modus
Kenmerken
van ESC
Toets
RIJMODUS
ECO-stand NORMAAL
NORMAL-
modus NORMAAL
SPORT-modus NORMAAL
N-toets
N-modus SPORT
N CUSTOM-
modus
NORMAAL/
SPORT/UIT
Voor meer informatie, zie "In rijmodus
geïntegreerd regelsysteem" in dit
hoofdstuk.
CUSTOM-modus
U kunt de gewenste rijmodus selecteren op
het scherm van het infotainmentsysteem.
Selecteer de CUSTOM-modus door op de
N-toets op het stuurwiel te drukken. Het
scherm van het infotainmentsysteem zal
het menu CUSTOM-modus weergeven.
Selecteer ‘ESC NORMAAL/SPORT/UIT'
in het menu CUSTOM-modus.
U kunt rechtstreeks naar het menu
CUSTOM-modus gaan door het
scherm van het infotainmentsysteem
aan te raken. Zie het apart
meegeleverde instructieboekje van
het infotainmentsysteem voor meer
informatie.
OOSN061033L
OOSN061033L
Als de N1- of de N2-toets is ingesteld op de
CUSTOM-modus, kunt u niet overschakelen
naar de CUSTOM-modus door of de N1- of
de N2-toets te drukken als de instelling ESC
UIT is opgeslagen in de CUSTOM-modus. Als
er op de N1- of de N2-toets wordt gedrukt,
wordt het bericht “ESC disabled in CUSTOM
1 (or 2) mode settings. Hold the button again
to acknowledge (ESC uitgeschakeld in
CUSTOM 1 (of 2) modusinstellingen. Houd de
knop opnieuw ingedrukt)” verschijnt op het
LCD-scherm van het instrumentenpaneel.
Houd de N1- of N2-toets ingedrukt om de
CUSTOM-modus uit te schakelen bij de
instelling ESC UIT.
06
6-27
Vehicle Stability Management
(VSM)
Het Vehicle Stability Management (VSM)
is een functie van de elektronische
stabiliteitsregeling (ESC). Het helpt de
auto stabiel te houden bij het plotseling
accelereren of remmen op een nat, glad of
slecht wegdek waarbij de tractie van de vier
banden plotseling sterk kan verschillen.
WAARSCHUWING
Neem de volgende voorzorgsmaatregelen
bij het gebruik van het VSM (Vehicle
Stability Management):
Controleer ALTIJD de snelheid en
afstand tot uw voorligger. Het VSM
is geen vervanging voor veilige
rijgewoonten.
Rijd nooit te snel als de wegtoestand
dit niet toelaat. Het VSM kan geen
ongevallen voorkomen. Het rijden met
een te hoge snelheid bij slecht weer of
gladde en slechte wegen kan in ernstige
ongevallen resulteren.
Werking VSM
In werking
Als u het rempedaal intrapt onder
omstandigheden waarbij de ESC kan worden
geactiveerd, kunt u geluiden horen van het
remsysteem of kan het rempedaal gaan
trillen. Dit is normaal en betekent dat de VSM
in werking is getreden.
Informatie
Het VSM werkt niet wanneer:
Over stoepranden rijden kan ervoor zorgen
dat het ESC-systeem wordt uitgeschakeld,
door de zelfdiagnostiek van het systeem en
het vermoeden van een sensordefect.
De volgende keer dat het contact wordt
ingeschakeld, is het ESC-systeem opnieuw
beschikbaar.
Achteruit rijden.
het controlelampje ESC OFF brandt.
Het waarschuwingslampje EPS (Electric
power steering) ( ) brandt of knippert.
WAARSCHUWING
Als het controlelampje ESC ( ) of het
waarschuwingslampje EPS ( ) blijft
branden of gaat knipperen, kan dit een
storing van het VSM systeem betekenen.
Wanneer dit waarschuwingslampje gaat
branden, adviseren wij u de auto zo snel
mogelijk te laten controleren door een
officiële HYUNDAI-dealer.
AANWIJZING
Als met wielen en banden met verschillende
afmetingen wordt gereden, kan het VSM-
systeem een storing vertonen. Controleer
voordat u de banden vervangt of alle vier
de wielen en banden dezelfde afmetingen
hebben. Rijd nooit met de auto terwijl
wielen en banden met verschillende
afmetingen gemonteerd zijn.
Rijden met uw auto
6-28
Hill-Start Assist Control (HAC)
De Hill-Start Assist Control (HAC) voorkomt
dat de auto kan achteruitrollen bij het
wegrijden of stoppen op een helling. Het
systeem bedient de remmen gedurende 2
seconden automatisch en geeft deze na 2
seconden of wanneer het gaspedaal wordt
ingedrukt vrij.
WAARSCHUWING
Wees bij het wegrijden op een helling altijd
voorbereid om het gaspedaal in te trappen.
De HAC werkt slechts circa 2 seconden.
Informatie
De HAC werkt niet wanneer de
selectiehendel in stand P (parkeren) of
stand N (neutraal) staat.
De HAC wordt ook geactiveerd indien de
ESC (elektronische stabiliteitsregeling)
is uitgeschakeld. Hij wordt echter niet
geactiveerd als de ESC niet normaal werkt.
Emergency Stop Signal (ESS)
(noodstopsignaal)
Het Emergency Stop Signal-systeem
waarschuwt achteropkomende bestuurders
door de remlichten te laten knipperen
wanneer de auto plotseling sterk afremt.
Het systeem wordt geactiveerd als:
De auto plotseling stopt. (De
remvertraging is groter dan 7 m/s2 en de
rijsnelheid is hoger dan 55 km/uur (34
mph).)
Het ABS wordt geactiveerd en de
rijsnelheid hoger is dan 55 km/h (34 mph).
De alarmknipperlichten gaan automatisch
AAN na het knipperen van de remlichten:
Wanneer de rijsnelheid lager is dan 40
km/h (25 mph),
Wanneer het ABS wordt gedeactiveerd,
en
Wanneer het plotseling remmen stopt.
De alarmknipperlichten gaan UIT:
Wanneer de auto gedurende een
bepaalde tijd met een lage snelheid rijdt.
De bestuurder kan de alarmknipperlichten
handmatig uitschakelen met de toets.
Informatie
Het Emergency Stop Signal-systeem
(ESS) wordt niet geactiveerd wanneer de
alarmknipperlichten al zijn ingeschakeld.
06
6-29
Downhill Brake Control (DBC)
OOSN061006L
OOSN061006L
De Downhill Brake Control (DBC)
ondersteunt de bestuurder bij het afrijden
van een steile helling, zonder dat hij of zij het
rempedaal hoeft in te trappen.
De DBC vertraagt de auto tot minder dan
8 km/h (5 mph) (voor auto’s met dubbele
clutch-transmissie) of 8 km/h (5 mph) (voor
auto’s met handmatige transmissie) zodat
de bestuurder alleen maar de auto hoeft te
besturen.
WAARSCHUWING
Schakel het DBC-systeem op normale
wegen altijd uit. Het DBC-systeem kan
vanuit de stand-bymodus per ongeluk
geactiveerd worden bij het rijden over een
drempel of het maken van scherpe bochten.
AANWIJZING
De standaardinstelling voor de DBC is
OFF als het contact in stand ON wordt
gezet.
Wanneer het DBC-systeem wordt
geactiveerd, kunnen de remmen geluid
maken of trillen.
De remlichten gaan branden als het
DBC-systeem wordt geactiveerd.
Rijden met uw auto
6-30
Werking DBC
Modus Controlelampje Omschrijving
Stand-by
Verlicht
Druk de toets DBC in wanneer de rijsnelheid lager is dan 40
km/h (25mph). Het DBC-systeem wordt ingeschakeld in de
stand-bymodus.
Het systeem wordt niet geactiveerd als de rijsnelheid hoger is
dan 40 km/h (25mph).
Geactiveerd
knippert
In de stand-bymodus, wanneer de rijsnelheid lager is dan 35
km/h (22mph) en de auto een steile helling afrijdt, wordt de
DBC automatisch geactiveerd.
Tijdelijk
gedeactiveerd
Verlicht
Als het DBC-systeem is geactiveerd, zal het tijdelijk worden
gedeactiveerd wanneer:
De helling niet steil genoeg is.
Het rem- of gaspedaal wordt ingetrapt.
Als deze omstandigheden niet meer aanwezig zijn, wordt het
DBC-systeem automatisch opnieuw geactiveerd.
OFF (uit)
niet verlicht
Het DBC-systeem wordt uitgeschakeld wanneer:
De toets DBC opnieuw wordt ingedrukt.
De rijsnelheid hoger is dan 60 km/h (38mph).
06
6-31
WAARSCHUWING
Als het rode DBC-controlelampje brandt, is
er mogelijk sprake van oververhitting of een
storing in het DBC-systeem. Wanneer het
waarschuwingslampje zelfs gaat branden
als het hen DBC-systeem afgekoeld is,
raden we aan dat u het voertuig zo snel
mogelijk laat nakijken door een officiële
HYUNDAI-dealer.
AANWIJZING
Op steile hellingen wordt het DBC-
systeem mogelijk niet gedeactiveerd,
ondanks dat het rempedaal of het
gaspedaal wordt ingetrapt.
Zet de DBC nu aan wanneer u rijdt met
de selectiehendel in de 3e versnelling
(of hoger) bij voertuigen met een
handgeschakelde transmissie. De motor
kan afslaan als het DBC-systeem wordt
geactiveerd.
De DBC werkt niet wanneer:
- De selectiehendel in de stand P
(parkeren) staat.
- De ESC is geactiveerd.
Goede remgewoonten
WAARSCHUWING
Wanneer u de auto verlaat of parkeert, moet
u altijd volledig stilstaan en het rempedaal
ingedrukt houden. Zet de selectiehendel
in stand P (parkeren), activeer daarna de
parkeerrem en zet het contact in stand
LOCK/OFF.
Indien de auto is geparkeerd en de
parkeerrem niet of niet volledig is
ingeschakeld, kan deze onbedoeld in
beweging komen waardoor u of anderen
letsel kunnen oplopen. Activeer ALTIJD de
parkeerrem alvorens de auto te verlaten.
Natte remmen kunnen gevaarlijk zijn!
De remmen kunnen nat worden als door
stilstaand water wordt gereden of als de
auto wordt gewassen. Uw auto stopt minder
snel als de remmen nat zijn. Natte remmen
kunnen ervoor zorgen dat de auto naar één
kant trekt.
U kunt de remmen drogen door het
rempedaal tijdens het rijden licht in te
trappen. Als de remmen droog zijn, werkt
het remsysteem weer normaal. Als het
remsysteem echter na het drogen niet
normaal werkt, breng dan de auto op een
veilige plaats tot stilstand. Wij adviseren
u contact op te nemen met een officiële
HYUNDAI-dealer voor hulp.
Laat tijdens het rijden uw voet NIET op het
rempedaal rusten. Zelfs een lichte, maar
permanente pedaaldruk kan leiden tot
oververhitting in het remsysteem, voortijdige
slijtage en zelfs het weigeren van de remmen.
Als u tijdens het rijden een lekke band krijgt,
druk het rempedaal dan voorzichtig in en laat
de auto vertragen terwijl u rechtdoor rijdt.
Verlaat de weg en stop op een veilige locatie
zodra uw snelheid zodanig is dat dit veilig
mogelijk is.
Houd het rempedaal stevig ingetrapt als de
auto stilstaat om te voorkomen dat de auto
vooruitrolt.
OPGELET
Removerbruggingssysteem
Het systeem helpt om veilig op te trekken
door het motorvermogen te verminderen
wanneer het versnellingspedaal is
geblokkeerd of vast zit en wanner u het
rempedaal blijft indrukken.
Het systeem wordt echter gedeactiveerd
wanneer ESS UIT staat in de N-modus. (De
versnellingshendel moet in de handmatige
positie blijven staan.) Wanneer het systeem
is uitgeschakeld, kan de remafstand langer
zijn wanneer het systeem is geactiveerd.
Rijden met uw auto
6-32
ISG-SYSTEEM (IDLE STOP & GO) (INDIEN VAN TOEPASSING)
Uw auto kan zijn uitgerust met het
ISG-systeem dat het brandstofverbruik
vermindert door de motor automatisch uit te
schakelen en opnieuw te starten.
De motor wordt automatisch gestart zodra
aan de startvoorwaarden wordt voldaan.
AANWIJZING
Als de motor automatisch wordt gestart
door het ISG-systeem, gaat een aantal
waarschuwingslampjes (ABS, ESC, ESC
OFF, EPS of parkeerrem) mogelijk een paar
seconden branden. Dit komt door de lage
accuspanning. Het betekent niet dat er een
storing in het systeem zit.
Het ISG-systeem inschakelen
Het ISG-systeem wordt ingeschakeld
wanneer u het contact inschakelt.
Het ISG-systeem uitschakelen
OOSN061007L
OOSN061007L
Druk op de toets ISG OFF om het ISG-
systeem uit te schakelen.
Het lampje in de toets ISG OFF gaat branden.
Als u de toets ISG OFF opnieuw indrukt,
wordt het systeem ingeschakeld en gaat het
lampje in de toets ISG OFF uit.
Automatisch stoppen
OBC3N060015
OBC3N060015
Motor uitzetten in Idle Stop-modus
Conventionele Idle Stop
- Verlaag de snelheid tot 0 km/u (0 mph).
- Trap het rempedaal in.
Verlengde Idle Stop
- Verlaag de snelheid tot een snelheid die
lager is dan ongeveer 25 km/u (15 mph).
- Trap het rempedaal in.
• Tijdens uitrolmodus
U kunt de motor uitgeschakeld laten
wanneer de auto uitrolt door het rempedaal
in te trappen bij snelheden lager dan 40
km/u (24 mph).
06
6-33
AANWIJZING
Een auto die is uitgerust met een Double
Clutch-transmissie moet een snelheid van
tenminste 30 km/u (18 mph) bereiken voor
een verlengde Idle STOP of 5 km/u (3 mph)
voor een conventionele Idle STOP sinds de
laatste Idle Stop.
Wanneer u de veiligheidsgordel
losmaakt of het bestuurdersportier
(motorkap) opent in de automatische
stopmodus bij stilstand, wordt het ISG-
systeem uitgeschakeld.
Auto start
Motor starten vanuit Idle Stop-modus
Laat het rempedaal los.
De motor start en het groene controlelampje
AUTO STOP ( ) op het instrumentenpaneel
dooft.
AANWIJZING
Wanneer de rijsnelheid na een ISG STOP
toeneemt in plaats van afneemt, kan het
zijn dat de motor automatisch herstart.
Voorwaarden voor de werking
van het ISG-systeem
Het ISG-systeem werkt wanneer aan de
volgende voorwaarden wordt voldaan:
De bestuurder heeft de veiligheidsgordel
vastgemaakt
Het bestuurdersportier en de motorkap
zijn gesloten
Het vacuüm van de rembekrachtiger is in
orde
De accusensor is ingeschakeld en de accu
is voldoende opgeladen
De buitentemperatuur is niet te laag of te
hoog
Het voertuig rijdt met een constante
snelheid en komt tot stilstand
De klimaatregeling voldoet aan de
verwachtingen
Het voertuig is voldoende opgewarmd
Het voertuig staat niet op een steile
helling
Het stuurwiel staat niet in een scherpe
hoek gedraaid
De auto staat niet op grote hoogte
De voorruitontwaseming is uitgeschakeld
U hebt de handmatige schakelmodus niet
geselecteerd
Wanneer er voldoende tijd verstreken
is na het schakelen naar R (achteruit)
wordt de storing van het ISG-systeem
vrijgegeven
Rijden met uw auto
6-34
De motor zal ook in de volgende gevallen
automatisch starten, zonder dat de bestuurder
actie onderneemt:
Als het vacuüm van de rembekrachtiger
laag is.
U hebt de maximale afgezette tijd van de
motor overschreden
De airconditioning staat aan en de
aanjagersnelheid staat in de hoogste
stand.
De ruiten kunnen beslaan en de
airconditioning is ingeschakeld.
De accu bevindt zich niet binnen het
optimale werkingsbereik.
De koeling en verwarming door de
klimaatregeling werkt onvoldoende.
Wanneer u de ISG OFF-toets indrukt
terwijl de motor automatisch is gestopt
De auto rijdt na stilstand.
U trapt het gas- en het rempedaal
tegelijkertijd in.
De veiligheidsgordel komt los of het
bestuurdersportier staat open.
Het groene controlelampje AUTO STOP
() op het instrumentenpaneel knippert
gedurende 5 seconden.
AANWIJZING
Als het ISG-systeem niet aan de
voorwaarden voor werking voldoet, wordt
het ISG-systeem uitgeschakeld.
ISG-indicatie
Het ISG-systeem wordt met een lampje in
het instrumentenpaneel aangegeven. Als
uw auto is uitgerust met een Supervision-
instrumentenpaneel, verschijnt de aanwijzing
op het LCD-display.
OBC3N060015
OBC3N060015
Het kan zijn dat het systeem aangeeft dat
de motor handmatig opnieuw moet worden
gestart, wanneer het lampje in de ISG OFF-
toets oplicht en als uw auto is uitgerust
met een Supervision-instrumentenpaneel,
waarvan de waarschuwing continu
verschijnt.
06
6-35
OOSN061007L
OOSN061007L
OTLE055036
OTLE055036
OAD055087
OAD055087
De motor start niet als de schakelhendel van
de stand N (neutraal) in de stand D (rijden)
wordt gezet in de handmatige modus of in R
(achteruit) zonder dat het rempedaal wordt
ingetrapt terwijl de auto automatisch wordt
gestopt. Als u nu het rempedaal intrapt,
wordt de motor weer gestart.
Storing in het ISG-systeem
Het systeem werkt mogelijk niet wanneer:
OBC3N060015
OBC3N060015
Er een fout optreedt in de ISG-gerelateerde
sensoren of het systeem.
Het gele controlelampje AUTO STOP ( ) op
het instrumentenpaneel zal eerst 5 seconden
knipperen en gaat daarna branden en het
lampje in de toets ISG OFF gaat branden.
AANWIJZING
Als de verlichting van de toets niet
wordt uitgeschakeld door nogmaals op
de toets ISG OFF te drukken of als het
ISG-systeem steeds niet goed werkt,
moet u uw voertuig zo snel mogelijk
laten nakijken door een professionele
werkplaats. Hyundai raadt aan contact
op te nemen met een officiële Hyundai-
dealer.
Wanneer het lampje in de toets ISG OFF
gaat branden, dooft het mogelijk weer
nadat u gedurende maximaal twee uur
met een snelheid van ongeveer 80 km/h
hebt gereden en de aanjagerknop in
een lagere stand dan 2 hebt gezet. Als
de ISG OFF-toets ondanks de procedure
verlicht blijft, moet u uw voertuig zo
spoedig mogelijk laten nakijken door
een professionele werkplaats. Hyundai
raadt aan contact op te nemen met een
officiële Hyundai-dealer.
Rijden met uw auto
6-36
AANWIJZING
Als u de ISG-functie wilt gebruiken, moet
eerst de accusensor gedurende ongeveer
4 uur worden gekalibreerd met het contact
uitgeschakeld. Schakel vervolgens de
motor 2 of 3 keer in en uit.
WAARSCHUWING
Als de motor zich in de modus Idle Stop
bevindt, kan hij weer worden gestart zonder
tussenkomst van de bestuurder. Voordat u
de auto verlaat of enige handeling verricht
in de motorruimte, moet u de motor
uitschakelen door de toets ENGINE START/
STOP (motor starten/stoppen) op OFF te
zetten.
Deactivering van de accusensor
OOS090040E
OOS090040E
[A]: Accusensor
De accusensor wordt gedeactiveerd wanneer
de accu wordt ontkoppeld van de negatieve
pool voor onderhoudsdoeleinden.
In dat geval functioneert het ISG-systeem
slechts beperkt ten gevolge van de
deactivering van de accusensor. De
bestuurder moet daarom de volgende
procedures volgen om de accusensor te
heractiveren na het ontkoppelen van de
accu.
Voorwaarden voor het heractiveren
van de accusensor
Houd de motor gedurende 4 uur
uitgeschakeld en probeer de motor 3 tot 4
keer weer te starten om de accusensor te
heractiveren.
Pas zeer goed op dat u geen accessoires
(bijvoorbeeld navigatie en zwarte doos)
op het voertuig aansluit terwijl de motor is
uitgeschakeld. Anders wordt de accusensor
mogelijk niet geheractiveerd.
Informatie
Het ISG-systeem werkt mogelijk niet in de
volgende situaties.
- In geval van een storing met het ISG-
systeem.
- De accu is bijna leeg.
- Als het vacuüm van de rembekrachtiger
laag is.
In deze gevallen, adviseren wij u het ISG-
systeem te laten controleren door een officiële
HYUNDAI-dealer.
AANWIJZING
Gebruik alleen de originele HYUNDAI
ISG-accu of het equivalent dat voor uw
voertuig is opgegeven voor vervanging.
Als dit niet het geval is, kan het ISG-
systeem mogelijk niet normaal werken.
Laad de ISG-accu niet op met een
algemene acculader. Dit kan de ISG-accu
beschadigen of laten ontploffen.
De accudop niet verwijderen. Dit kan
ervoor zorgen dat de accu elektrolyt
lekt, wat schadelijk is voor het menselijk
lichaam.
06
6-37
ELEKTRONISCH GEREGELD VEERSYSTEEM (ECS)
Het elektronisch geregeld veersysteem
(ECS) regelt automatisch de vering van de
auto om het rijcomfort te maximaliseren
door rekening te houden met de
rijomstandigheden, zoals snelheid, wegdek,
bochten, stopvereisten en acceleratie.
Storing in het systeem
OOSN061011L
OOSN061011L
Check Electronic Suspension (Storing ECS)
Als de ECS-waarschuwingsmelding wordt
weergegeven, is er mogelijk een probleem
met het ECS-systeem. We adviseren u
het systeem te laten controleren door een
officiële HYUNDAI-dealer.
Rijden met uw auto
6-38
ELEKTRONISCH DIFFERENTIEEL MET BEPERKTE SLIP
Elektronisch differentieel met beperkte
slip verwijst naar een functie met een
mechanisme dat de differentieelfuncties van
de wielen bestuurt.
Het elektronisch beperkt slipdifferentieel
(e-LSD) helpt bij:
Beter sturen bij draaien tegen hoge
snelheid.
Makkelijker te kunnen wegschieten.
Slippen te voorkomen op natte
of besneeuwde wegen vanwege
verschillende wrijving van de wielen links
en rechts.
WAARSCHUWING
Laat nooit de wielen draaien als één
ervan wordt opgetild door de krik. Dat is
buitengewoon gevaarlijk voor een voertuig
voorzien van een elektronisch differentieel
met beperkte slip.
Rijmodus selecteren
De kenmerken van e-LSD verschillen,
afhankelijk van welke rijmodus is
geselecteerd door het indrukken van de
RIJMODUS of de N1- of N2-toets op het
stuur.
Toet s
MODUS
Geselecteerd
modus
Kenmerken
van e-LSD
Toets
RIJMODUS
ECO-stand NORMAAL
NORMAL-
modus NORMAAL
SPORT-modus SPORT
N-toets
N-modus SPORT
N CUSTOM-
modus
NORMAAL/
SPORT
Voor meer informatie, zie "In rijmodus
geïntegreerd regelsysteem" in dit
hoofdstuk.
CUSTOM-modus
U kunt de gewenste rijmodus selecteren op
het scherm van het infotainmentsysteem.
Selecteer de CUSTOM-modus door op de
N1- of N2-toets op het stuur te drukken.
Het scherm van het infotainmentsysteem
zal het menu CUSTOM-modus
weergeven. Selecteer 'e- LSD
NORMAAL/SPORT' in het menu CUSTOM-
modus.
U kunt rechtstreeks naar het menu
CUSTOM-modus gaan door het
scherm van het infotainmentsysteem
aan te raken. Zie het apart
meegeleverde instructieboekje van
het infotainmentsysteem voor meer
informatie.
06
6-39
Waarschuwingsmeldingen
OOSN061013L
OOSN061013L
Elektronisch differentieel met beperkte
slip tijdelijk uitgeschakeld omwille van
oververhitting
Door oververhitting van relevante onderdelen
kan het e-LSD tijdelijk worden uitgeschakeld.
Wacht tot de auto is afgekoeld.
OOSN061014L
OOSN061014L
Tyre size mismatch. Check tyre sizes
(Afwijkende bandgrootte. Controleer maat)
Dit bericht verschijnt als uw voertuig
voorzien is van verschillende banden vooraan
(maat, type, enz.). U kunt het elektronisch
differentieel met beperkte slip alleen
gebruiken als uw voertuig dezelfde banden
vooraan heeft.
Storing in het systeem
OOSN061015L
OOSN061015L
Check limited slip differential
(Sperdifferentieel controleren)
Als de waarschuwingsmelding elektronisch
differentieel met beperkte slip verschijnt,
hebt u mogelijk een probleem met het
elektronisch differentieel met beperkte
slip. We adviseren u het systeem te laten
controleren door een officiële HYUNDAI-
dealer
Rijden met uw auto
6-40
N-TOETS
Instellingen N1/N2-toets
N1-toets
N1-toets
OOSN061020L
OOSN061020L
N2-toets
N2-toets
OOSN061021L
OOSN061021L
N1-toets: Linker N-toets,
N2-toets: Rechter N-toets
De bestuurder kan de N1/N2-toets op
het scherm van het infotainmentsysteem
instellen door de knop ongeveer 0,8
seconden in te drukken.
N1-toets
N1-toets
OOSN061022L
OOSN061022L
N2-toets
N2-toets
OOSN061023L
OOSN061023L
Elk van de N1/N2-toetsen kan worden
ingesteld:
1. Stand N
2. CUSTOM 1
3. CUSTOM 2
4. N CUSTOM 1
5. N CUSTOM 2
6. RIJMODUS
7. Start rondetimer
8. Stop & reset rondetimer
Informatie
Dezelfde instelling kan tegelijkertijd op de
N1- en de N2-toets geselecteerd worden. Als
de toets N1(N2) echter is ingesteld op '(7)
Start rondetimer', dan wordt de toets N2(N1)
automatisch ingesteld op '(8) Rondetimer
stoppen & resetten'.
Zie het apart meegeleverde
instructieboekje van het
infotainmentsysteem voor meer informatie.
06
6-41
GEÏNTEGREERDE RIJMODUSREGELING
Rijmodus
Drive mode-knop
Drive mode-knop
OOSN061008L
OOSN061008L
N1-toets
N1-toets
OOSN061020L
OOSN061020L
N2-toets
N2-toets
OOSN061021L
OOSN061021L
Informatie
Als de N1- of de N2-toets is ingesteld op
‘Rijdmodus’ via het infotainment systeem, kan
de rijmodus geselecteerd worden door op de
N1- of de N2-knop te drukken.
Zie het apart meegeleverde
instructieboekje van het
infotainmentsysteem voor meer informatie.
De drive-stand kan worden geselecteerd op
basis van de voorkeur van de bestuurder of
de wegomstandigheden.
Het systeem wordt gereset naar de
NORMAAL-stand wanneer de motor opnieuw
wordt gestart.
De modus wijzigt wanneer de N1- of de N2-
knop op het stuurwiel of de knop Rijmodus
wordt ingedrukt.
NORMAAL
SPORT
ECO
Wanneer de normale stand is geselecteerd,
wordt dit niet op het instrumentenpaneel
weergegeven.
Rijden met uw auto
6-42
Wanneer u de rijmodus hebt
ingesteld op ECO, verandert de
logische controle van de motor
en de transmissie met het oog op
optimaal brandstofverbruik.
Wanneer de ECO-modus is geselecteerd,
gaat het ECO-controlelampje branden.
Als het voertuig in de ECO-modus rijdt,
verandert de rijmodus in NORMAAL
wanneer de motor wordt afgezet en
opnieuw gestart.
Informatie
Het brandstofverbruik is afhankelijk van
de rijgewoonten van de bestuurder en de
wegomstandigheden.
Wanneer de ECO-modus wordt ingeschakeld:
Kan de acceleratierespons iets afnemen
als u het gaspedaal geleidelijk intrapt.
Nemen de prestaties van de
airconditioning mogelijk af.
Wordt het motorgeluid mogelijk sterker.
Bovenstaande situaties zijn normaal wanneer
de ECO-modus is ingeschakeld om het
brandstofverbruik te optimaliseren.
Beperkingen van het gebruik van de ECO-
modus:
Als een van de volgende omstandigheden
optreedt wanneer de ECO-modus is
ingeschakeld, wordt de werking van
het systeem beperkt - zelfs al geeft het
controlelampje ECO geen verandering aan.
Als de koelvloeistoftemperatuur laag is:
Het systeem wordt beperkt totdat de
motorprestaties weer normaal zijn.
Als u een helling oprijdt:
Het systeem wordt beperkt om het
vermogen te vergroten als er een
helling op wordt gereden, omdat het
motorkoppel beperkt is.
Het systeem wordt beperkt afhankelijk
van de stand van de selectiehendel.
Als het gaspedaal gedurende enkele
seconden stevig wordt ingetrapt:
Het systeem wordt beperkt omdat wordt
bepaald dat de bestuurder sneller wil
gaan rijden.
06
6-43
SPORT-modus
De SPORT-modus reguleert de
rijdynamiek door automatisch de
stuurkracht en de logische controle
van de transmissie aan te passen
voor betere rijprestaties.
Wanneer u de SPORT-stand hebt gekozen
door de knop DRIVE MODE in te drukken,
gaat het SPORT-controlelampje branden.
Elke keer dat de motor opnieuw wordt
gestart, keert de Drive-modus terug naar
de NORMAAL-modus. Als de SPORT-
stand gewenst is, selecteert u de SPORT-
stand opnieuw met de knop DRIVE
MODE.
Wanneer de SPORT-modus is geactiveerd:
- Het toerental blijft vaak langere tijd
hoger, ook als u het gaspedaal hebt
losgelaten
- Tijdens het accelereren duurt
opschakelen langer
Informatie
In de SPORT-modus neemt het
brandstofverbruik mogelijk toe.
N-modus
N1-toets
N1-toets
OOSN061020L
OOSN061020L
N2-toets
N2-toets
OOSN061021L
OOSN061021L
De N-modus kan worden geselecteerd door
de N1- of de N2-knop in te drukken.
Het systeem wordt gereset naar de
NORMAAL-stand wanneer de motor opnieuw
wordt gestart.
Informatie
De bestuurder kan de N1- of de N2-toets
op N-modus zetten op het scherm van het
infotainmentsysteem. Raadpleeg “N-toets” in
dit hoofdstuk voor meer informatie over de
instelling van de N1- of de N2-knop.
Rijden met uw auto
6-44
N-modus
De N-modus selecteert de gepaste
rijmodus uit SPORT en SPORT+
voor alle onderdelen die de
prestaties van een hoogwaardig
voertuig zullen beïnvloeden.
Wanneer de N-modus is geselecteerd,
gaat het N-controlelampje branden.
De N-modus (SPORT/SPORT+) reguleert
de rijdynamiek door automatisch de
stuurkracht en de logische controle van
de transmissie aan te passen voor betere
prestaties van de bestuurder.
Wanneer de N-modus (SPORT/SPORT+)
wordt ingeschakeld:
- Het toerental blijft vaak langere tijd
hoger, ook als u het gaspedaal hebt
losgelaten
- Tijdens het accelereren duurt
opschakelen langer
Informatie
In de SPORT-modus neemt het
brandstofverbruik mogelijk toe.
CUSTOM-modus
De bestuurder kan de twee types
van de CUSTOM-modus instellen
(CUSTOM1/CUSTOM2). In de
CUSTOM-modus, kunnen ze
de rijmodus selecteren voor elk
gewenst onderdeel op het scherm
van het infotainmentsysteem.
• Motor: NORMAAL/SPORT/SPORT+
• Transmissie: NORMAAL/SPORT/SPORT+
- TRAGE START-fucntie*1 AAN/UIT
E-LSD (Elektronisch differentieel met
beperkte slip): NORMAAL/SPORT
Rev matching : UIT/NORMAAL/ SPORT/
SPORT+
- E-LSD (Elektronisch differentieel met
beperkte slip): NORMAAL/SPORT
• Wielophanging: NORMAAL/SPORT/
SPORT+
• Stuurinrichting: NORMAAL/SPORT/
SPORT+
ESC (Elektronische stabiliteitsregeling):
NORMAAL/SPORT/UIT
• Uitlaatgeluid: NORMAAL/SPORT/SPORT+
*1 CREEP START-functie (standaard instelling
AAN) : Wanneer UIT is ingesteld, zal het
voertuig niet automatisch starten, zelfs niet
wanneer het rempedaal wordt ingedrukt in
de D stop-status.
Zie het apart meegeleverde
instructieboekje van het
infotainmentsysteem voor meer informatie.
06
6-45
NGS (N Grin Shift)
Regelt motor/transmissie naar de maximale
prestaties bij het drukken op de NGS-toets
op de afstandsbediening van het stuurwiel in
situaties waar snel optrekken vereist is.
Functionele beschrijving en
gebruiksvoorwaarden
OOSN061018L
OOSN061018L
Als eer op de NGS-toets wordt gedrukt:
Schakelt automatisch over naar de laagst
mogelijke versnelling (Automatisch
schakelen wordt niet uitgevoerd in de
handmatige versnellingsmodus)
Turbo is in overboost-modus (cijfer kan
ook worden toegevoegd)
N Grin Shift is beschikbaar gedurende 20
seconden
N Grin Shift kan 40 seconden later na
gebruik van de functie opnieuw worden
gebruikt gedurende 20 seconden
N Grin Shift zal uitschakelen tijdens werking
of zal niet werken wanneer:
Er wordt overgeschakeld van rijmodus
tijdens N Grip Shift gebruik
Het lampje motorcontrole brandt
Het lampje hoge temperatuur
(oververhitting) brandt
De transmissie defect is
De selectiehendel in de stand P/R/N staat
N Grin Shift wordt gebruikt binnen de 40
seconden na het gebruik van de functie
gedurende 20 seconden
Geactiveerd
Geactiveerd
Niet in werking
Niet in werking
OJSN040333
OJSN040333
OBU050334N
OBU050334N
OPGELET
De bestuurder is er verantwoordelijk
voor veilig te rijden en de auto onder
controle te houden wanneer N Grin Shift
wordt gebruikt.
Probeer geen gevaarlijke manoeuvres
tijdens het gebruiken van N Grin Shift.
Het wordt aanbevolen om dit te
gebruiken na het inrijden van de auto
en continu gebruik van N Grin Shit kan
onderdelen van de auto overbelasten,
zoals de transmissie, de motor en de
aandrijfas.
Rijden met uw auto
6-46
Eigenschappen van de auto
De kenmerken van alle onderdelen verschillen, afhankelijk van welke rijmodus is geselecteerd
door het indrukken van de N1- of de N2-toets op het stuurwiel of de toets RIJMODUS.
DCT Onderdeel DRIVE MODE-knop
ECO-stand NORMAL-modus SPORT-modus
Motor &
rijden
Motor ECO NORMAAL SPORT
Transmissie*4ECO NORMAAL SPORT
e-LSD*1NORMAAL NORMAAL SPORT
Onderstel
Wielophanging NORMAAL NORMAAL SPORT
Stuurinrichting NORMAAL NORMAAL SPORT
ESC *2NORMAAL NORMAAL NORMAAL
Geluid Uitlaatgeluid *3ECO NORMAAL SPORT
DCT Onderdeel N-modus NGS-toets
(N Grin Shift)
N-modus CUSTOM-modus
Motor &
rijden
Motor SPORT+ NORMAAL/SPORT/SPORT+ SPORT+
Transmissie*4SPORT+ NORMAAL/SPORT/SPORT+ SPORT+
e-LSD*1SPORT NORMAAL/SPORT
Blijf in de modus
voor NGS te
activeren
Onderstel
Wielophanging SPORT+ NORMAAL/SPORT/SPORT+
Stuurinrichting SPORT+ NORMAAL/SPORT/SPORT+
ESC *2SPORT NORMAAL/SPORT/UIT
Geluid Uitlaatgeluid *3SPORT+ NORMAAL/SPORT/SPORT+ SPORT+
*1 : Elektronisch differentieel met beperkte slip
*2 : Voertuigstabiliteitsregeling
*3 : Het volume van het uitlaatgeluid dat wordt gemaakt door de uitlaatgasklep (indien van
toepassing) wijzigt afhankelijk van de geselecteerde modus. [Stilst] ECO/NORMAAL-modus <
SPORT-modus < N-modus [Luidst]
Een scheurend uitlaatgeluid, voor een gevoelseffect, wordt geproduceerd tijdens het rijden
wanneer het gaspedaal onmiddellijk na het indrukken wordt losgelaten. Het geluidseffect
van de uitlaat zal worden gehoord wanneer SPORT+ wordt geselecteerd voor het onderdeel
Geluid. Om het uit te schakelen, selecteert u NORMAAL of SPORT voor de motoronderdeel
in de CUSTOM-modus.
Wees aandachtig en voorzichtig wanneer u het geluidsuitlaatsysteem gebruikt in de modus
SPORT+ omdat de knallen uw buren kunnen storen wanneer u het gebruikt op drukke
plaatsen, overdekte parkings en/of woonomgevingen. We raden stellig aan om hier rekening
mee te houden.
*4 : De automatische creep start-functie kan AAN/UIT worden gezet in het menu CUSTOM-
instellingen.
DCT: Dual clutch-transmissie
06
6-47
OPGELET
Merk op dat het gebruiken van
luide uitlaatgeluiden op drukke
plaatsen, in overdekte parkings en/of
woonomgevingen, uw buren kan storen.
Instellingen prestaties-optie
OOSN061025L
OOSN061025L
1. Selecteer de N-modus om naar het
hoofdinstellingscherm te gaan.
2. Druk op ‘Prestaties-opties’ in het
hoofdinstellingenscherm. Het scherm
voor de instellingen van prestaties-opties
zal verschijnen.
Launch control
Launch Control biedt maximale versnelling
op droog asfalt. Launch Control mag niet
worden gebruikt op een andere ondergrond.
De wielen kunnen te veel doorslippen en uw
voertuig beschadigen.
Voorwaarde voor activering
Launch Control wordt voor activering in
gereedheid gebracht wanneer aan de
volgende voorwaarden is voldaan.
De motor is opgewarmd.
De bestuurder heeft de veiligheidsgordel
vastgemaakt.
Alle portieren, de motorkap en de
achterklep zijn dicht.
Het voertuig staat volledig stil.
Er zijn storingslampjes voor de motor en
de ESC (Electronic Stability Control) om
de Sport- of UIT-modus.
AANWIJZING
Launch Control is bedoeld voor een
gesloten racecircuit, op een droog
wegdek, en niet voor de openbare
weg. Een bestuurder kan een gebrek
aan ervaring of kennis van het circuit
hiermee niet compenseren.
Gebruik de Launch Control niet om een
auto in te rijden.
Aanhoudend gebruik van de Launch
Control kan het voertuig zwaar belasten,
waardoor bepaalde onderdelen te snel
slijten.
PRESTATIES- OPTIE (INDIEN VAN TOEPASSING)
Rijden met uw auto
6-48
OOSN061026L
OOSN061026L
1. Druk op het tabblad ‘Launch control’.
2. Druk op ‘< (Links)’ of ‘> (Rechts)’ om het
motortoerental in te stellen voor launch
control.
3. Druk op ‘Activeren’ om de
gereedheidsstatus van Launch Control te
openen.
4. Druk op ‘Reset OPM’ om het
motortoerental terug in te stellen op het
standaard toerental voor launch control.
Launch control aan een uit
1. Selecteer de N-modus (indicatielampje
voor N-modus op het instrumentenpaneel
zal gaan branden) of selecteer SPORT+
voor de motormodus in de CUSTOM-
modus.
2. Controleer dat de ESC-modus ESC
SPORT of ESC OFF is. Als dit niet het
geval is, druk dan op de toets ESC OFF
om de ESC-modus in te stellen op
ESC SPORT of ESC OFF (lampje op het
instrumentenpaneel gaat branden).
(Voertuigstabilisatieregeling (ESC) werkt
niet bij ESC OFF.)
3. Zet de versnelling in D (Drive) of M
(Handmatige modus). (Als de modus
Handmatig schakelen is geselecteerd,
moet de bestuurder handmatig
schakelen.)
4. Selecteer ‘Prestaties-optie Launch
control’ om het motortoerental in
te stellen op het scherm van het
infotainmentsysteem. Druk op ‘Activeren
na het instellen van de OPM.
5. Zet het stuurwiel recht.
6. Druk het rempedaal maximaal in met uw
linkervoet.
7. Trap met uw linkervoet op de rem en trap
tegelijk met uw rechtervoet het gaspedaal
snel en volledig in. Launch control zal
in de status gereed staan. Het bericht
‘Launch Control Ready (Launch Control
gereed)’ zal op het instrumentenpaneel
verschijnen. Pas indien nodig het
motortoerental aan met de +/- schakelaar
op het stuur.
8. Als u het koppelingspedaal soepel en vlot
binnen 8 seconden loslaat en volledige
druk houdt op het gaspedaal, begint het
wegschieten van het voertuig. De melding
‘Launch Control actief’ zal verschijnen op
het instrumentenpaneel.
9. Launch control zal worden uitgeschakeld
wanneer u uw voet van het gaspedaal
haalt.
OPGELET
Als u tegelijkertijd het rempedaal en
het gaspedaal indrukt en daarna het
gaspedaal loslaat, zal Launch Control
geannuleerd worden.
Launch Control is weer beschikbaar als
het voertuig minimaal twee minuten is
afgekoeld.
Als het voertuig niet optrekt binnen 8
seconden in de status launch control
‘GEREED’, zal launch control automatisch
worden geannuleerd.
06
6-49
Verlichting versnellingspook
N-modus
N-modus
OOSN061057L
OOSN061057L
Wanneer het motortoerental de limiet bereikt
en elk van de lampjes om te schakelen
aan beide kanten rood knipperen of een
geluidssignaal worden gegeven, is het tijd
om omiddellijk (hoger) te schakelen.
Op het tabblad “Shift light (Schakelindicatie)”
van de prestaties-optie, kunt u instellen in
welke modus de verlichting voor schakelen
en het geselecteerd motortoerental om te
schakelen wordt weergegeven.
(N Mode (N-modus) Performance
options (Prestaties-optie) Shift light
(Schakellampje))
OOSN061027L
OOSN061027L
1. Druk op het tabblad ‘Schakellampje’ in
prestatie-opties.
2. Selecteer de rijmodus om de
schakelindicator te activeren. (ECO/
NORMAAL/SPORT/N/CUSTOM)
3. Stel het beoogde motortoerental in door
te drukken op
‘< (Links)’ of ‘> (Rechts)’.
(6000 OPM ~ 6700 OPM)
4. Klik op ‘Waarschuwingsgeluid’ om te
kiezen om dit al dan niet uit te voeren.
5. Druk op ‘Reset OPM’ om het beoogde
motortoerental te resetten.
De melding voor de wijziging van het
motortoerental wordt verzonden voordat
het motortoerental de ingesteld waarde
bereikt om de schakelen bij een ingesteld
beoogd motortoerental.
Rijden met uw auto
6-50
N Track Sense Shift
N Track Sense Shift wordt automatisch
geactiveerd wanneer dynamische
rijomstandigheden met veel bochtenwerk
wordt gedetecteerd. (bijvoorbeeld
circuitrijden) Het programma zorgt voor
stressvrij circuitrijden door automatisch
terug te schakelen bij het inrijden van een
bocht en het in een lagere versnelling blijven
tijdens het nemen van bochten als u op een
professionele manier handmatig schakelt. N
Track Sense Shift biedt een lagere versnelling
wanneer het niveau van agressief rijden
verhoogt.
Hoe N Track Sense Shift instellen
OOSN061028L
OOSN061028L
1. Druk op ‘N-modus Prestaties-optie N
Track Sense Shift’ op het startscherm van
het infotainmentsysteem na het openen
van het N Track Sense Shift-instelscherm.
2. Druk in het N Track Sense Shift-
instelscherm op ‘Activeren’ om te
selecteren welke functies in/uit te
schakelen.
Wanneer het voertuig voor de eerste
keer wordt vrijgegeven, is de functie
geactiveerd.
De actieve/gedeactiveerde instelling
wordt opgeslagen, zelfs wanneer het
voertuig opnieuw wordt gestart.
Tabel met de werking van het schakellampje
Het knipperen van alle 5 LED’s, werkt allen in de vaste schakelmodus waarbij manueel
opschakelen vereist is.
Positie van de
versnellingspook Schakelmodus LED-verlichting
stappen
Alle LED’s knipperen
(melding voor
opschakelen)
D
Automatische
schakelmodus XX
Werking N Grin Shift OX
Werking N Track Shift OX
Tijdelijk handmatige
schakelmodus (opent
werking D-fase
schakelpaddel)
OX
MVaste schakelmodus (niet
automatisch opschakelen) OO
06
6-51
Voorwaarden voor gebruik
N Track Sense Shift is ingeschakeld in de
instellingen voor prestaties-optie
Versnellingspook in D (Drive) stand
Transmissiemodus is SPORT of SPORT+
(met inbegrip van SPORT of N-modus)
De rijsnelheid is hoger dan 21 mph (35
km/h)
Op bochten gerichte dynamische
rijdetectie
OJSN050190
OJSN050190
Wanneer N Track Sense Shift in werking
is, wordt een bericht weergegeven op het
LCD-scherm van het instrumentenpaneel,
zoals hieronder wordt weergegeven.
Gevallen waarbij het systeem niet
mag worden gebruikt
N Track Sense Shift is uitgeschakeld in de
instellingen voor prestaties-optie
Positie van de versnellingspook is P/R/N
Wijzigen van de transmissiemodus tijdens
werking (Transmissiemodus werkt niet
in ECO, NORMAAL of de handmatige
schakelmodus.)
Cruise control en Smart cruise control
werkt
De rijsnelheid is lager dan 21 mph (35
km/h)
Wanneer N Track Sense Shift is
gedeactiveerd, zal het weergegeven
bericht verdwijnen van het LCD-scherm
van het instrumentenpaneel.
OPGELET
Voertuigveiligheid en -regeling moet
door u zelf worden gekozen en u mag niet
proberen om gevaarlijk te rijden om N Track
Sense Shift te gebruiken.
WAARSCHUWING
N Track Sense wordt alleen automatisch
geactiveerd wanneer het voertuig
dynamisch rijden herkent (lengte- en
laterale krachten). Enkel te gebruiken als
de lokale verkeersregels dat toelaten en in
veilige omstandigheden. Het voertuig in
bepaalde omstandigheden en manieren
gebruiken kan gevolgen hebben op de
garantie van een nieuw voertuig. Raadpleeg
de volledige voorwaarden en condities met
betrekking tot de garantiedekking in uw
onderhoudsboekje.
N Power Shift
OOSN061029L
OOSN061029L
Als de bestuurder het gaspedaal volledig
indrukt (100%) in de N-modus, om sneller op
te trekken, wordt dit geregeld door (omhoog)
te schakelen met minimaal energieverlies.
N Power Shift kan worden gedeactiveerd
door op ‘Activeren’ te drukken op het scherm.
Wanneer N Power Shift wordt gedeactiveerd,
schakelt het voertuig opnieuw over naar
normaal schakelen. Het wordt echter
geactiveerd wanneer de motor opnieuw
wordt gestart.
Rijden met uw auto
6-52
N Road Sense
N Road Sense is de functie die de bestuurder
voorstelt om de N-modus te gebruiken wanneer
er een bord met opeenvolgende bochten wordt
waargenomen.
Detectiesensor
OOSN051017L
OOSN051017L
[1]: Frontzichtcamera
De frontzichtcamera wordt gebruikt als
een detectiesensor om een bord met
opeenvolgende bochten te detecteren.
Zie bovenstaande afbeelding voor de precieze
locatie van de detectiesensor.
OPGELET
Zie de alinea 'Forward Collision-Avoidance
Assist (FCA, ondersteuning botsingsvermijding
voorzijde)' in hoofdstuk 7 voor meer informatie
over de voorzorgsmaatregelen voor de
frontzichtcamera.
OOSN061024L
OOSN061024L
1. Druk op het tabblad ‘N Road Sense.
2. Druk op ‘Activeren’ om N Road Sense te
activeren.
OBC3N060028
OBC3N060028
3.
Wanneer de frontzichtcamera een bord met
opeenvolgende bochten detecteert, zal het
bericht ‘S-bocht op komst’ verschijnen op
het instrumentenpaneel.
4.
Als er kort op OK wordt gedrukt, kan de
‘N-modus’ worden geselecteerd.
Informatie
Zie het onderdeel 'Drive Mode Integrated
Control System' (in Drive-stand geïntegreerd
regelsysteem) in dit hoofdstuk voor meer
informatie voer de N-modus.
Hoe N Road Sense deactiveren
Als er opnieuw op het tabblad ‘N Road
Sense’ wordt gedrukt, wordt N Road Sense
gedeactiveerd.
AANWIJZING
Voor meer informatie over de beperkingen
van het detecteren van verkeersborden,
raadpleeg het deel ‘Intelligente ondersteuning
snelheidsbeperking’ in hoofdstuk 7.
06
6-53
ANTI-DOORSLIPREGELING
Anti-doorslipregeling is een systeem dat
optimale rijomstandigheden bereikt door het
controleren van de motor en het remmen
afhankelijk van de toestand van de weg
(sneeuw, modderig, zanderig).
Modus anti-doorslipregeling
OOSN061008L
OOSN061008L
Als u op de toets "DRIVE/TRACTION" (rijden/
terrein) drukt, wordt de rijmodus overgezet
van normaal rijden naar Traction control. U
kunt SNEEUW, MODDER of ZAND door aan
de knop te draaien. Als u opnieuw op de toets
"DRIVE/TRACTION" (rijden/terrein) drukt,
wordt de rijmodus overgezet van Traction
control naar de vorige rijmodus.
De rijmodus zal bij opnieuw starten worden
ingesteld op rijbesturing, als het op Traction
control staat.
WAARSCHUWING
Traction-modus is ontwikkeld op basis
van 2WD (Tweewielaandrijving), rij niet in
omstandigheden die het beoogde gebruik
van het voertuig overstijgen.
Voor de beste voertuigprestaties, wordt
aanbevolen om de tractie-modi alleen
te gebruiken op de overeenstemmende
ondergrond.
Een ongeldige modusselectie kan leiden
tot verlies van grip en controle over het
voertuig.
Bediening tractiemodus
OOSN061003AU
OOSN061003AU
OOSN061038L
OOSN061038L
OOSN061004AU
OOSN061004AU
OOSN061005AU
OOSN061005AU
N Track Sense wordt alleen automatisch
geactiveerd wanneer het voertuig
dynamisch rijden herkent (lengte- en
laterale krachten). Enkel te gebruiken als
de lokale verkeersregels dat toelaten en in
veilige omstandigheden. Het voertuig in
bepaalde omstandigheden en manieren
gebruiken kan gevolgen hebben op de
garantie van een nieuw voertuig. Raadpleeg
de volledige voorwaarden en condities
met betrekking tot de garantiedekking in
uw onderhoudsboekje.De tractiemodus
biedt speciale afstemming van de grip voor
SNEEUW/DIEPSNEEUW/MODDER/ZAND,
waardoor de grip wordt geoptimaliseerd in
die zware omstandigheden. De tractiemodus
optimaliseert TCS, eLSD en ESC voor de
beste grip in de gekozen toestand.
Rijden met uw auto
6-54
OPGELET
De modus DIEPSNEEUW is geoptimaliseerd
voor wegoppervlakken met diepe sneeuw.
Veilig rijden wordt verminderd als de
modus DIEPSNEEUW wordt gebruikt op
andere wegoppervlakken.
Lcd-displaybericht
Transmission hot! Park with engine
On (Transmissie heet! Parkeer met
motor aan)
OJS058137L
OJS058137L
OOSN061016L
OOSN061016L
Onder bepaalde omstandigheden, zoals
zware rijomstandigheden (modderige
of zanderige weg), zal de temperatuur
van de overbrenging sterk toenemen.
Uiteindelijk kan de overbrenging
oververhit raken.
Als u met het voertuig blijft rijden en
de temperatuur van de overbrenging
maximale temperatuurlimiet bereikt,
wordt waarschuwingsmelding
"Transmission hot! Park with engine On
(Transmissie heet! Parkeer met motor
aan)" weergegeven. Als dit gebeurt, wordt
de overbrenging uitgeschakeld totdat
deze tot een normale temperatuur is
afgekoeld.
De waarschuwingsmelding zal een
tijdsduur aangeven die gewacht moet
worden om de transmissie te laten
afkoelen.
Als dit gebeurt, rijd dan naar een veilige
plaats, stop het voertuig terwijl u de
motor laat draaien, trek de rem aan, zet de
selectiehendel van het voertuig in stand P
(parkeren) en laat de transmissie afkoelen.
Wanneer de melding 'Transmission
cooled down. Resume driving
(Transmissie afgekoeld. Rij verder)”
wordt weergegeven, kunt u weer met uw
voertuig gaan rijden.
Rijd indien mogelijk op soepele wijze met
het voertuig.
06
6-55
Rijden onder moeilijke
omstandigheden
Neem onderstaande voorzorgsmaatregelen als
er sprake is van gevaarlijke omstandigheden,
zoals water, sneeuw, ijs, modder of zand op het
wegdek:
Rijd voorzichtig en houd rekening met een
langere remweg.
Vermijd plotseling remmen of sturen.
Gebruik de tweede versnelling als uw auto
vast komt te zitten in sneeuw, modder of
zand. Geef langzaam gas, om te voorkomen
dat de wielen onnodig doordraaien.
Gebruik zand, pekel, sneeuwkettingen
of ander antislipmateriaal onder de
aangedreven wielen voor extra tractie als de
auto vast is komen te zitten in ijs, sneeuw of
modder.
WAARSCHUWING
Op een glad wegdek terugschakelen met een
automatische/Double Clutch-transmissie kan
ongelukken veroorzaken. Door de plotselinge
verandering van de wielsnelheid kunnen de
banden gaan doorslippen. Wees voorzichtig bij
het terugschakelen op een gladde ondergrond.
Op eigen kracht lostrekken van de auto
Draai eerst het stuurwiel een aantal keren naar
rechts en naar links om de voorwielen vrij te
maken wanneer de auto vastzit in sneeuw, zand
of modder en het nodig is de auto heen en weer
te schommelen om te proberen hem los te
trekken. Schakel vervolgens afwisselend stand R
(achteruit) en een vooruitversnelling in.
Probeer te voorkomen dat de wielen doorslippen
en laat de motor niet met een te hoog
motortoerental draaien.
Wacht, om beschadiging van de transmissie
te voorkomen, totdat de wielen stoppen met
doordraaien en schakel dan pas een versnelling
in. Laat het gaspedaal los tijdens het schakelen
en trap dit weer lichtjes in als de versnelling is
ingeschakeld. Door de wielen langzaam voor- en
achteruit te laten doorslippen wordt de auto
heen en weer geschommeld en komt deze
mogelijk vrij.
WAARSCHUWING
Als de auto is komen vast te zitten en de wielen
hevig doordraaien, kan de temperatuur in
de banden zeer snel toenemen. Als de band
beschadigd raakt kan een klapband optreden
of kan de band exploderen. Dit is gevaarlijk,
uzelf en anderen zouden letsel kunnen
oplopen. Doe dat echter niet als er mensen of
voorwerpen in de directe nabijheid van de auto
staan.
Als u de auto vrij probeert te krijgen, kan
de auto snel oververhit raken, waardoor er
in de motorruimte brand of andere schade
kan ontstaan. Probeer zoveel mogelijk te
voorkomen dat de wielen doordraaien, om
oververhitting van de banden of de motor te
voorkomen. Laat de wielen NIET doordraaien
bij een snelheid boven 56 km/uur (35 mph).
Informatie
Het ESC-systeem moet worden
UITGESCHAKELD voor u met de auto
schommelt.
AANWIJZING
Als de auto na enkele schommelpogingen nog
vastzit, dient u de auto los te laten trekken
om oververhitting van de motor en mogelijke
beschadiging van de transmissie en banden te
voorkomen. Zie 'Slepen' in hoofdstuk 8.
Vloeiend nemen van bochten
Voorkom remmen of schakelen in bochten, met
name op een nat wegdek. Bochten moeten bij
voorkeur altijd met weinig gas worden genomen.
RIJDEN ONDER SPECIALE RIJOMSTANDIGHEDEN
Rijden met uw auto
6-56
Rijden in het donker
Rijden in het donker levert meer risico's op
dan rijden in overdag. Hieronder volgen een
aantal tips:
Rijd langzamer en houd meer afstand
tussen u en uw voorliggers omdat het
zicht in het donker beperkter is, vooral in
gebieden waar geen straatverlichting is.
Stel uw spiegels bij om verblinding door
de koplampen van andere auto's te
beperken.
Zorg ervoor dat uw koplampen schoon
blijven en correct zijn afgesteld. Smerige
of verkeerd afgestelde koplampen
zorgen ervoor dat het zicht in het donker
beperkter is.
Kijk niet rechtstreeks in de koplampen
van tegenliggers. Hierdoor kunt u tijdelijk
verblind raken en duurt het enkele
seconden voordat uw ogen weer aan het
donker zijn gewend.
Rijden in de regen
Regen en natte wegen kunnen het rijden
gevaarlijk maken. Hier volgt een aantal
aandachtspunten voor het rijden in de regen
of op een glad wegdek:
Verlaag uw snelheid en bewaar meer
afstand tot uw voorligger. Door hevige
regenval zal het zicht beperkt worden en
de remweg groter worden.
Schakel uw cruisecontrol UIT.
Vervang de ruitenwisserbladen als ze
strepen achterlaten of bepaalde stukken
overslaan.
Zorg ervoor dat de banden voldoende
profiel hebben. Wanneer uw banden
niet voldoende profiel hebben, kunnen
de wielen bij hard remmen op een nat
wegdek gaan slippen, waardoor een
ongeval kan ontstaan. Zie 'Banden
vervangen' in hoofdstuk 9.
Schakel uw koplampen in zodat anderen u
beter kunnen zien.
Snel door diepe plassen rijden kan de
werking van uw remmen beïnvloeden.
Rijd indien mogelijk langzaam door
plassen.
Trap het rempedaal tijdens het rijden
licht in totdat de remmen weer normaal
werken wanneer u vermoedt dat uw
remmen nat geworden zijn.
Aquaplaning
Als de weg nat genoeg is en u snel genoeg
rijdt, maakt uw auto wellicht weinig of geen
contact met het wegdek en rijdt u in feite
op het water. De beste raadgeving is om
LANGZAMER TE RIJDEN als de weg glad is.
De kans op aquaplaning neemt toe
naarmate de profieldiepte van de banden
vermindert, zie 'Banden vervangen' in
hoofdstuk 9.
Doorwaden van water
Voorkom het doorwaden van water, tenzij u
ervan overtuigd bent dat het water niet hoger
komt dan de onderkant van de wielnaaf. Bij
het doorwaden van water altijd langzaam
rijden. Houd rekening met een langere
remweg, omdat de remwerking verminderd
kan zijn.
Droog de remmen door na het doorwaden
bij lage snelheid het rempedaal een aantal
malen voorzichtig in te trappen.
06
6-57
Rijden op de snelweg
Banden
Stel de bandenspanning op de voorgeschreven
waarde in. Door een te lage bandenspanning
kunnen de banden oververhit of beschadigd raken.
Monteer geen versleten of beschadigde
banden. Deze hebben minder grip en kunnen de
remwerking in negatieve zin beïnvloeden.
Informatie
Breng de banden nooit op een hogere spanning
dan de maximale spanning die voor uw banden is
voorgeschreven.
Brandstof, koelvloeistof en motorolie
Het met hoge snelheid op de snelweg rijden is
ongunstiger voor het brandstofverbruik en de
efficiëntie van de auto dan wanneer met een
gematigde snelheid wordt gereden. Houd op de
snelweg een gematigde snelheid aan om brandstof
te besparen.
Controleer vóór de rit het koelvloeistofpeil en het
motoroliepeil.
Aandrijfriem
Een onvoldoende gespannen of beschadigde
aandrijfriem kan leiden tot oververhitting van de
motor.
Voorkomen dat de auto over de kop slaat
Uw personenauto, die geschikt is voor meerdere
doeleinden, wordt een Sports Utility Vehicle
(SUV) genoemd. Een SUV heeft een grotere
bodemvrijheid en een kleinere spoorbreedte.
Dit maakt de inzetbaarheid op vele terreinen
mogelijk. Door de specifieke eigenschappen van
het ontwerp hebben ze een hoger zwaartepunt
dan gewone voertuigen zodat ze gemakkelijker
omrollen als u abrupt keert. Een SUV slaat
significant eerder over de kop dan een ander type
auto. Vanwege dit risico, raden wij de bestuurder
en passagiers sterk aan om hun veiligheidsgordel
vast te maken. De kans dat een persoon die zijn
of haar veiligheidsgordel niet draagt verongelukt
als de auto over de kop slaat, is aanmerkelijk
groter dan bij een persoon die wel zijn of haar
veiligheidsgordel draagt.
Er zijn stappen die een bestuurder kan nemen
om de kans op over de kop slaan te verkleinen.
Voorkom indien mogelijk scherpe bochten en
abrupte stuurbewegingen, laad geen zware
ladingen op het dak en breng nooit wijzigingen aan
uw auto aan.
WAARSCHUWING
Een SUV slaat significant eerder over de kop
dan een ander type auto. Om omrollen of
controleverlies te vermijden:
Neem bochten trager dan u met een
personenwagen zou doen.
Vermijd scherpe bochten en abrupte
stuurbewegingen.
Breng geen wijzigingen aan uw voertuig aan
die het zwaartepunt zouden verhogen.
Houd de banden goed hard.
Vervoer geen zware lasten op het dak.
WAARSCHUWING
De kans dat een persoon die zijn of haar
veiligheidsgordel niet draagt verongelukt
als de auto over de kop slaat, is aanmerkelijk
groter dan bij een persoon die wel zijn of haar
veiligheidsgordel draagt. Zorg dat alle passagiers
veiligheidsgordels dragen.
Rijden met uw auto
6-58
RIJDEN IN DE WINTER
Door de ongunstige weersomstandigheden
tijdens de winter kunnen de banden sneller
slijten en bovendien nog andere problemen
optreden. Hierna volgen een aantal
suggesties om het risico op problemen
tijdens het rijden in de winter te beperken:
Informatie
Informatie over winterbanden en
sneeuwkettingen in de nationale taal (IJslands)
is te vinden in de bijlage.
Sneeuw en ijs
Houd voldoende afstand tot uw voorligger.
Bedien de remmen voorzichtig. Hoge
snelheden, snelle acceleratie, plotseling
remmen en plotselinge stuurbewegingen
kunnen gevaarlijk zijn. Probeer bij het
afremmen zoveel mogelijk op de motor af te
remmen. Door plotseling te remmen op een
met sneeuw of ijs bedekte weg kan de auto
in een slip raken.
Om met uw auto op een besneeuwd wegdek
te kunnen rijden, kan het noodzakelijk
zijn gebruik te maken van winterbanden
of sneeuwkettingen onder uw auto te
monteren.
Neem altijd de benodigde uitrusting voor
noodgevallen mee. Waaronder bijvoorbeeld
sneeuwkettingen, een sleepkabel of -ketting,
een zaklantaarn, een alarmknipperlicht, zand,
een schep, startkabels, een ruitenkrabber,
handschoenen, een stuk zeil of een kleed,
een deken, enz.
Winterbanden
WAARSCHUWING
Winterbanden moeten dezelfde maat
hebben als de standaardbanden van de
auto. Anders kan de veiligheid en het
rijgedrag van uw auto negatief beïnvloed
worden.
We raden het gebruik van winterbanden aan
als de temperatuur op de weg onder de 7°C
(45°F) daalt. Kijk op onderstaande grafiek en
plaats de aanbevolen winterbanden voor uw
voertuig.
Standaardband
Bandenmaat wielmaat/offset
235/40R19 8.0Jx19/55
Alleen voor Europa, aanbevolen sneeuwband
tijdens het gebruik van een sneeuwketting
Bandenmaat wielmaat/offset
225/45R18 7.5Jx18/53
Monteer uitsluitend radiaal winterbanden
met dezelfde maat en hetzelfde
draagvermogen als de originele banden.
Monteer winterbanden op alle vier de
wielen, voor een goed weggedrag onder
alle weersomstandigheden. Winterbanden
kunnen op een droge weg minder grip
hebben dan de originele banden van de
auto. Vraag uw dealer naar de aanbevolen
maximumsnelheid voor de winterbanden.
Informatie
Monteer geen banden met spikes zonder eerst
na te gaan of het gebruik hiervan ter plaatse
niet wettelijk verboden is.
06
6-59
Zomerbanden
Zomerbanden dienen voor optimale
rijprestaties op droge wegen.
Als de temperatuur lager is dan 7°C
of als u over besneeuwde of bevroren
wegen rijdt, verliezen zomerbanden aan
remkwaliteit en tractie, omdat de grip van
de banden aanzienlijk afneemt.
Als de temperatuur lager is dan 7°C
of u over besneeuwde of bevroren
wegen rijdt, moet u winterbanden
of all-seasonbanden van dezelfde
standaardmaat als uw auto omleggen
om veilig te kunnen rijden. Zowel op
winter- als all-seasonbanden staan M+S-
markeringen.
Gebruikt u M+S-banden, kies dan voor
de veiligheid voor banden met hetzelfde
loopvlak van dezelfde fabrikant.
Rijdt u met M+S-banden met een lagere
toegestane snelheid dan de standaard
zomerband van de auto, mag u de
toegestane snelheid niet overschrijden.
Sneeuwkettingen
OOSN061009L
OOSN061009L
Omdat de zijwanden van radiaalbanden
dunner zijn dan bij andere types van
banden, kunnen ze sneller beschadigd
raken bij het monteren van sommige types
sneeuwkettingen. Daarom wordt het
gebruik van winterbanden in plaats van
sneeuwkettingen geadviseerd. Monteer
geen sneeuwkettingen op auto’s met
lichtmetalen velgen. Gebruik als het echt
niet anders kan sneeuwkettingen. Als
desondanks sneeuwkettingen moeten
worden gebruikt, gebruik dan originele
HYUNDAI-onderdelen of een gelijkwaardig
onderdeel dat gespecificeerd is voor
uw voertuig en neem bij het monteren
hiervan de gebruiksaanwijzing in acht.
Schade als gevolg van het onjuiste gebruik
van sneeuwkettingen valt niet onder de
fabrieksgarantie.
WAARSCHUWING
Het rijgedrag van de auto kan door het
gebruik van kettingen negatief beïnvloed
worden:
Rijd minder dan 30 km/uur (20 mph)
of de door de fabrikant aanbevolen
snelheid. Houd de laagste snelheid aan.
Rijd voorzichtig en vermijd
oneffenheden, gaten, scherpe bochten
en andere situaties waardoor de auto
plotseling zou kunnen uitveren.
Vermijd het maken van scherpe bochten
en het remmen met geblokkeerde
wielen.
Rijden met uw auto
6-60
Informatie
Breng ze alleen aan rond de voorwielen.
Tijdens het rijden met sneeuwkettingen is
meer kracht nodig om te sturen, maar zo
wordt wel voorkomen dat de auto kan gaan
slingeren.
Monteer geen banden met spikes zonder
eerst na te gaan of het gebruik hiervan ter
plaatse niet wettelijk verboden is.
Aanbrengen van kettingen
Neem bij het monteren van sneeuwkettingen
de voorschriften van de fabrikant in acht en
monteer ze zo strak mogelijk. Rijd langzaam
(minder dan 30 km/uur (20 mph)) als
sneeuwkettingen zijn gemonteerd. Stop de
auto en trek de sneeuwkettingen strakker
aan als u hoort dat deze de carrosserie
of het chassis raken. Ga langzamer rijden
totdat het geluid niet meer hoorbaar is als
ze nog steeds contact maken. Verwijder
de sneeuwkettingen weer zodra u op een
schoongemaakte weg rijdt.
Parkeer de auto op een vlakke ondergrond
en uit de buurt van het overige verkeer voor
het monteren van de sneeuwkettingen.
Schakel de alarmknipperlichten in en plaats
een gevarendriehoek achter de auto (indien
van toepassing). Zet de transmissie in stand
P (parkeren), activeer de parkeerrem en zet
de motor uit alvorens de sneeuwkettingen te
monteren.
AANWIJZING
Alleen voor Europa
Als u een bandenketting gebruikt, gebruik
dan 18 inch wielen/banden. Wanneer u
bandenkettingen gebruikt op 19-inch
wielen/banden, kunnen problemen zoals
voertuigstoring optreden tijdens zware
omstandigheden.
Als u zelf 19-inch wielen/banden vervangt
door 18-inch wielen/banden, moet u de
instelling wijzingen van een 19-inch band
(standaard band) naar een 18-inch band
(kleine band voor een sneeuwketting) op
het scherm van het infotainmentsysteem
voor normale werking van het TPMS
(Controlesysteem bandenspanning).
Druk op ‘Setup (Instellen) Vehicle
(Voertuig) Convenience (Onderhoud)
Tire replacement (Band vervangen)’ op
het infotainmentsysteem
Banden vervangen
Banden vervangen
OOSN061030L
OOSN061030L
06
6-61
AANWIJZING
Bij gebruik van sneeuwkettingen:
Kettingen die een verkeerde maat
hebben of niet goed gemonteerd
zijn, kunnen de remleidingen,
wielophanging, carrosserie en velgen
van uw auto beschadigen.
Gebruik SAE 'S'-klasse kettingen of
ladderkettingen.
Trek de kettingen strakker aan om te
voorkomen dat de kettingen in contact
komen met de carrosserie als u hoort dat
dit het geval is.
Trek de kettingen opnieuw strak aan
nadat u 0,5 - 1,0 km (0,3 - 0,6 mijl)
gereden heeft om schade aan de
carrosserie te voorkomen.
Monteer geen sneeuwkettingen
op auto's met lichtmetalen velgen.
Gebruik als het echt niet anders kan
ladderkettingen.
Gebruik kettingen van 7 mm (0,28 in)
breed of minder om schade aan de
kettingbevestiging te voorkomen.
Voorzorgen voor de winter
Gebruik hoogwaardige ethyleenglycol
koelvloeistof
Het koelsysteem van uw auto is af fabriek
gevuld met een kwalitatief hoogwaardige
ethyleenglycol koelvloeistof. Alleen dit
type koelvloeistof helpt corrosie in het
koelsysteem te voorkomen, smeert
de waterpomp afdoende en voorkomt
bevriezing van het koelsysteem. Ververs
uw koelvloeistof of vul ze aan volgens het
onderhoudsschema in hoofdstuk 9. Laat uw
koelvloeistof vóór het intreden van de winter
controleren, om er zeker van te zijn dat
het vriespunt hiervan voldoende is voor de
temperaturen die tijdens de winter kunnen
optreden.
Controleer de accu en de accukabels
Lage temperaturen zijn van invloed op de
prestaties van de accu. Controleer de accu
en de kabels, zoals beschreven in hoofdstuk
9.
We raden u aan het systeem door een
officiële HYUNDAI-dealer te laten nakijken
om het probleem te laten vaststellen.
Overstappen naar "winterolie" indien nodig
In sommige landen wordt tijdens de winter
het gebruik van een 'winterolie' met een
lagere viscositeit geadviseerd. Raadpleeg
voor meer informatie hoofdstuk 2. Als u
niet zeker weet welke winterolie u moet
gebruiken, bevelen wij aan advies in te
winnen bij een officiële HYUNDAI-dealer.
Controleer de bougies en het
ontstekingssysteem
Controleer de bougies, zoals beschreven
in hoofdstuk 9. Vervang deze indien
nodig. Controleer ook de bedrading en de
onderdelen van het ontstekingssysteem op
scheuren, slijtage en andere vormen van
beschadiging.
Rijden met uw auto
6-62
Voorkom bevriezing van de sloten
Spuit een goedgekeurde slotontdooier
of glycerine in de sleutelgaten om te
voorkomen dat de sloten kunnen bevriezen.
Spuit een goedgekeurde slotontdooier
over het ijs om dit te verwijderen als de
slotopening al is dichtgevroren. Als een
slot aan de binnenzijde is bevroren kunt
u dit ontdooien met behulp van een
warmgemaakte sleutel. Ga hierbij voorzichtig
te werk, om verwondingen te vermijden.
Gebruik goedgekeurde ruitensproeierantivries
Gebruik een goedgekeurde
ruitensproeierantivries conform de
instructies op de flacon om te voorkomen
dat de ruitensproeiervloeistof kan bevriezen.
Ruitensproeierantivries is verkrijgbaar bij
een officiële HYUNDAI-dealer en bij de
meeste automaterialenzaken. Gebruik geen
koelvloeistof voor de motor of een ander
antivriesmiddel, om beschadiging van de lak
te voorkomen.
Voorkom vastvriezen van de arkeerrem
Onder bepaalde omstandigheden kan
uw parkeerrem bevriezen als deze is
aangetrokken. Dit gebeurt met name
als zich sneeuw of ijs bij de achterwielen
heeft verzameld of als de remmen nat zijn.
Schakel bij het parkeren tijdelijk stand P
(parkeren) in als de kans aanwezig is dat
de parkeerrem kan bevriezen. Blokkeer
bovendien de achterwielen, zodat de auto
niet kan wegrollen. Deactiveer vervolgens de
parkeerrem.
Voorkom dat ijs en sneeuw zich ophopen aan
de onderzijde van de auto
Onder bepaalde omstandigheden kan
zich onder de spatschermen sneeuw en
ijs ophopen en het sturen bemoeilijken.
Controleer bij het rijden onder strenge
winterse omstandigheden regelmatig de
onderzijde van de auto, om ervoor te zorgen
dat de voorwielen en onderdelen van de
stuurinrichting niet geblokkeerd raken.
Neem de benodigde uitrusting voor
noodgevallen mee
Afhankelijk van de weersomstandigheden
moet u een betreffende nooduitrusting
voor onderweg meenemen. Waaronder
bijvoorbeeld sneeuwkettingen, een
sleepkabel of -ketting, een zaklantaarn,
een alarmknipperlicht, zand, een
schep, startkabels, een ruitenkrabber,
handschoenen, een stuk zeil of een kleed,
een deken, enz.
Plaats geen voorwerpen of materialen in de
motorruimte
Het plaatsen van voorwerpen of materialen
in de motorruimte die koeling van de motor
verhinderen kan een storing of brand
veroorzaken. De schade die hierdoor kan
ontstaan valt niet onder de fabrieksgarantie.
06
6-63
RIJDEN MET EEN AANHANGER (VOOR EUROPA)
Als u met een aanhanger wilt gaan rijden,
moet u eerst de wettelijke voorschriften
voor uw land raadplegen. Want de wettelijke
eisen bij het rijden met een aanhanger en het
slepen van auto's en andere voertuigen of
apparatuur kunnen per land verschillen. We
adviseren u om meer informatie in te winnen
bij een officiële HYUNDAI-dealer voordat u
met uw auto een aanhanger gaat trekken.
Let op dat rijden met een aanhanger anders
is dan rijden zonder aanhanger. Rijden
met een aanhanger is van invloed op het
weggedrag, de duurzaamheid en het
brandstofverbruik. Voor het veilig rijden met
een aanhanger is de juiste uitrusting nodig.
Bovendien moet correct hiermee worden
omgegaan. Schade aan uw auto als gevolg
van het onjuist rijden met een aanhanger valt
niet onder de fabrieksgarantie.
Dit hoofdstuk bevat een groot
aantal beproefde, belangrijke tips en
veiligheidsvoorschriften voor het rijden met
een aanhanger. Een groot aantal hiervan is
belangrijk voor uw eigen veiligheid en die van
uw passagiers. Lees dit hoofdstuk aandachtig
door voordat u met een aanhanger gaat
rijden.
WAARSCHUWING
Neem de volgende voorzorgsmaatregelen:
Als u tijdens het rijden met een
aanhanger niet de juist uitrusting
gebruikt en/of niet correct rijdt, kunt u
de controle over de auto verliezen. Als
de aanhanger bijvoorbeeld te zwaar is,
kan het remvermogen afnemen. U en uw
passagiers kunnen ernstig of dodelijk
letsel oplopen. Ga alleen met een
aanhanger rijden als u alle stappen in dit
hoofdstuk hebt opgevolgd.
Zorg er voordat u gaat rijden met een
aanhanger voor dat u het maximale
totale aanhangergewicht, het maximaal
toelaatbare totaalgewicht, het maximaal
toelaatbare voertuiggewicht en de
maximale kogeldruk niet overschrijdt.
Zorg ervoor dat het ISG-systeem is
uitgeschakeld bij het rijden met een
aanhanger.
Informatie - Voor Europa
De maximaal toelaatbare belasting op
de achteras mag met niet meer dan 15
% worden overschreden of de maximaal
toelaatbare belading van de auto mag met
niet meer dan 10 % of 100 kg (220,4 lbs.)
worden overschreden (afhankelijk van
welke waarde het eerst bereikt is). Rijd in
dat geval niet harder dan 100 km/uur (62,1
mph) voor voertuigen uit categorie M1 of
80 km/uur (49,7 mph) voor voertuigen uit
categorie N1.
Wanneer een auto die onder categorie M1
valt met een aanhangwagen rijdt, zorgt het
extra gewicht op de trekhaak er mogelijk
voor dat het maximale draagvermogen van
de banden wordt overschreden. Dit mag
echter niet met meer dan 15 % zijn. Rijd in
dit geval niet harder dan 100 km/uur (62,1
mph) en verhoog de bandenspanning met
ten minste 0,2 bar.
M1: personenauto (9 zitplaatsen of minder)
N1: bedrijfsvoertuig (3,5 ton of minder)
Rijden met uw auto
6-64
Als u gaat rijden met een
aanhanger?
Let op de volgende punten als u gaat rijden
met een aanhanger:
Overweeg het gebruik van een
stabilisator. Raadpleeg de leverancier van
uw aanhanger voor meer informatie.
Trek tijdens de inrijperiode van uw auto
gedurende de eerste 2000 km (1200
mijl) geen aanhanger. Als u dat wel doet,
kan ernstige schade aan de motor of de
transmissie ontstaan.
Neem contact op met een officiële
HYUNDAI-dealer over de benodigde
zaken als een trekhaak, enz. als u een
aanhanger trekt.
Rijd met een gematigde snelheid (minder
dan 100 km/uur (60 mph)) of niet harder
dan de aangegeven snelheidslimiet voor
het rijden met een aanhanger.
Rijd bij het oprijden van een lange helling
niet harder dan 70 km/u (45 mph) of de
voorgeschreven maximumsnelheid.
Houd u zorgvuldig aan de aangegeven
gewichts- en beladingsgrenzen op de
volgende bladzijden.
Aanhangergewicht
Kogeldruk
Totaal
aanhangergewicht
OOSH069129L
OOSH069129L
Wat is het veilige maximumgewicht van een
aanhanger? Dit mag nooit hoger zijn dan
het maximale geremde aanhangergewicht.
Maar ook dat kan al te zwaar zijn. Het hangt
af van hoe u uw aanhanger wilt gebruikt.
Zo zijn onder andere de rijsnelheid, de
hoogte, hellingshoek, buitentemperatuur en
ervaring belangrijke factoren. Het maximale
aanhangergewicht is ook afhankelijk van
eventuele voorzieningen die op de auto zijn
aangebracht.
06
6-65
Kogeldruk
Maximale asbelasting
Maximaal toelaatbaar
voertuiggewicht
OOSH069130L
OOSH069130L
De kogeldruk is een belangrijke meetwaarde
omdat deze van invloed is op het maximaal
toelaatbare voertuiggewicht van uw auto.
De kogel mag maximaal 10 % van het
totale aanhangergewicht wegen, binnen
de grenzen voor de maximaal toelaatbare
kogeldruk.
Controleer na het beladen van de aanhanger
of de kogeldruk in orde is. Als dit niet het
geval kunt u dit eenvoudig corrigeren door
een aantal voorwerpen in de aanhanger te
verplaatsen.
WAARSCHUWING
Neem de volgende voorzorgsmaatregelen:
Zorg ervoor dat de aanhanger aan de
voorzijde altijd zwaarder is dan aan de
achterzijde. De verhouding tussen de
belading voor en achter dient ongeveer
60/40 te zijn.
Overschrijd nooit de maximale
gewichten voor de aanhanger of de
uitrusting voor het trekken van de
aanhanger.
Een onjuiste belading kan voor schade
aan uw auto en/of persoonlijk letsel
zorgen. Laat de gewichten en belading
controleren bij een weegbrug.
Informatie
Naarmate de hoogte toeneemt wordt het
motorvermogen lager. Vanaf 1000 m boven
zeeniveau en voor iedere volgende 1000 m
moet 10% van het voertuig-/aanhangergewicht
(aanhangergewicht + maximaal toelaatbaar
voertuiggewicht) worden afgetrokken.
Rijden met uw auto
6-66
Maximaal gewicht en maximale kogeldruk bij het rijden met een aanhanger
(voor Europa)
Onderdeel
Benzinemotor
2.0 T-GDi
DCT
2WD
Maximaal
aanhangergewicht
kg (Ibs.)
Geremd 1600 (3527)
Ongeremd 700 (1543)
Maximale kogeldruk
kg (Ibs.) 80 (176)
Aanbevolen afstand hart achterwiel
- kogel
mm (inch)
820 (32,3)
DCT: Dual clutch-transmissie
06
6-67
Uitrusting voor het rijden met
een aanhanger
Trekhaak
OOSN061010L
OOSN061010L
Informatie
De bevestigingsgaten voor een trekhaak
bevinden zich in de bodemplaat achter de
achterwielen.
Voor het veilig rijden met een aanhanger is
de juiste uitrusting nodig. Zijwind, rukwinden
door passerende vrachtwagens en hobbelige
wegen vormen een zware belasting voor de
trekhaak. Hieronder volgen een aantal regels:
Moet u gaten in de carrosserie van uw
auto maken voor het monteren van
een trekhaak? Als dat het geval is moet
u de gaten na het verwijderen van de
trekhaak afdichten. Als u dat niet doet kan
koolmonoxide (CO) van uw uitlaat in het
interieur binnendringen, evenals vuil en
water.
De bumpers van uw auto zijn niet bedoeld
voor het monteren van een trekhaak.
Hierop mogen geen huurtrekhaken of
bumpertrekhaken worden gemonteerd.
Gebruik alleen een trekhaak die op het
chassis moet worden bevestigd.
De achterste nummerplaat en de
verlichting van het voertuig mogen
niet deels of geheel worden verstopt
door de mechanische koppelinrichting.
Als de achterste nummerplaat en/
of de achterlichten gedeeltelijk
kunnen worden verstopt door een
onderdeel van de mechanische
koppelinrichting, zijn mechanische
koppelinrichtingen die niet gemakkelijk
kunnen worden verwijderd of verplaatst
zonder gebruik van gereedschap,
uitgezonderd een eenvoudig te hanteren
ontgrendelingssleutel (d.w.z. met een
inspanning van minder dan 20 Nm) die
door de fabrikant van de koppelinrichting
wordt geleverd, niet toegestaan voor
gebruik.
Houd er rekening mee dat een
mechanische koppelinrichting die niet
gebruikt wordt, altijd moet worden
verwijderd of verplaatst als de achterste
kentekenplaat en/of de achterlichten
door een deel van de mechanische
koppelinrichting aan het zicht worden
onttrokken.
Een Hyundai-trekhaak is verkrijgbaar bij
de officiële HYUNDAI-dealer.
Losbreekvoorziening
U moet altijd een ketting tussen uw auto en
de aanhanger aanbrengen.
Voor meer informatie over
veiligheidskettingen kunt u de fabrikant van
de trekhaak of de aanhanger raadplegen.
Volg de voorschriften van de fabrikant voor
het bevestigen van een veiligheidsketting.
Houd juist genoeg speling aan zodat u kunt
keren met de aanhanger achter de auto. En
zorg er altijd voor dat de veiligheidsketting
niet over de grond sleept.
Rijden met uw auto
6-68
Remsysteem aanhanger
Controleer of uw aanhanger voldoet aan de
wettelijke voorschriften als uw aanhanger
is uitgerust met een remsysteem en of dit
correct is gemonteerd en goed werkt.
Als de totale massa van uw aanhanger
meer is dan de helft van de massa in rijklare
toestand van de trekkende auto moet deze
over een eigen reminrichting zijn voorzien en
deze moet aan bepaalde eisen voldoen.
Volg de instructies voor het monteren,
afstellen en onderhouden die bij de
aanhangerremmen horen. Voer geen
wijzigingen aan het remsysteem van uw auto
uit.
WAARSCHUWING
Gebruik een aanhanger met een eigen
reminrichting alleen als u helemaal zeker
bent dat dit correct werkt. Dit is geen taak
voor amateurs. Laat dit daarom uitvoeren
bij een gespecialiseerd bedrijf.
Rijden met een aanhanger
Voor het rijden met een aanhanger is een
zekere mate van ervaring nodig. Voordat u
met uw aanhanger onderweg gaat, moet
u deze eerst leren kennen. Zorg eerst dat u
vertrouwd raakt met het gewijzigde weg- en
remgedrag als gevolg van het toegenomen
gewicht van de aanhanger. En houd er altijd
rekening mee dat de combinatie langer is
dan uw eigen auto en heel anders reageert.
Controleer voordat u gaat rijden de
trekhaak en de bevestiging ervan, de
losbreekvoorziening, de elektrische
aansluiting(en), de verlichting, de banden en
de remmen.
Controleer tijdens het rijden af en toe of de
lading nog goed vastzit en of de verlichting
en de remmen van de aanhanger nog
werken.
Afstand
Houd minstens de dubbele afstand tot
een voorligger aan dan u zou doen bij het
rijden zonder aanhanger. Hierdoor kunt u
plotselinge remacties en uitwijkmanoeuvres
voorkomen.
Inhalen
Het inhalen met een aanhanger neemt meer
tijd in beslag. Bovendien moet u door de
extra lengte de in te halen auto verder voorbij
voordat u weer terug kunt keren naar de
oorspronkelijke rijbaan.
Achteruitrijden
Houd de onderzijde van het stuurwiel met
een hand vast. Draai vervolgens het stuur
naar rechts om de aanhanger naar links te
draaien. Om de aanhanger naar rechts te de
draaien moet u het stuur naar links draaien.
Rijd altijd langzaam achteruit en laat u indien
mogelijk door iemand anders begeleiden.
06
6-69
Rijden in bochten
Maak een grotere bocht dan normaal als u
met een aanhanger wilt draaien. Hierdoor
voorkomt u dat uw aanhanger een zachte
berm, stoeprand, verkeersbord, boom of
ander object raakt. Voorkom rukken aan het
stuur of abrupte manoeuvres. Geef op tijd
richting aan.
Richtingaanwijzers
Bij het rijden met een aanhanger moet
uw auto over gewijzigde lampjes voor
de richtingaanwijzers en extra bedrading
beschikken. De groene pijlen in uw
instrumentenpaneel gaan knipperen als u
afslaat of van rijstrook verandert. Indien de
verlichting van de aanhangwagen correct is
aangesloten gaat deze eveneens knipperen,
om aan andere bestuurders aan te geven
dat u gaat keren, van rijstrook veranderen of
stoppen.
Bij het rijden met een aanhanger gaan de
groene pijlen in het instrumentenpaneel
eveneens knipperen bij het keren als de
gloeilampen van de aanhanger doorgebrand
zijn. Hierdoor denkt u dat bestuurders achter
u uw richtingaanwijzers zien, terwijl dit in
werkelijkheid niet het geval is. Daarom is het
belangrijk dat u regelmatig de werking van
de verlichting van uw aanhanger controleert.
Controleer eveneens altijd de verlichting
wanneer u de bedrading losmaakt en
aansluit.
WAARSCHUWING
Sluit de aanhangerverlichting niet
rechtstreeks op de verlichtingsinstallatie
van uw auto aan. Gebruik een
goedgekeurde kabelboom voor
aanhangers. Anders kan dit voor schade aan
de elektrische installatie van de auto en/
of persoonlijk letsel zorgen. Wij adviseren
u contact op te nemen met een officiële
HYUNDAI-dealer voor hulp.
Rijden op hellingen
Verlaag uw snelheid en schakel terug naar
een lagere versnelling voordat u een lange of
steile helling afrijdt. Als u niet terugschakelt
moet u mogelijk uw remmen zodanig
belasten dat deze oververhit raken en niet
meer correct werken.
Schakel bij het oprijden van een lange helling
terug en verminder snelheid tot ongeveer 70
km/h (45 mph). Hierdoor wordt voorkomen
dat de motor en de transmissie oververhit
raken.
Rijd in stand D (Drive) wanneer de auto
uitgerust is met een automatische/Double
Clutch-transmissie en u met een aanhanger
rijdt die meer weegt dan het maximaal
toegestane ongeremde aanhangergewicht.
Wanneer u in stand D (rijden) rijdt met
een aanhanger wordt de levensduur
van de transmissie door een lagere
bedrijfstemperatuur verlengd.
AANWIJZING
Om oververhitting van de motor en/of
transmissie te voorkomen:
Houd bij het rijden met een aanhanger
op een steile helling (groter dan 6 %) de
koelvloeistoftemperatuurmeter goed
in de gaten, om ervoor te zorgen dat de
motor niet oververhit raakt. Als de naald
van de koelvloeistoftemperatuurmeter
in de richting van de 'H' (HOT) gaat,
breng de auto dan zo spoedig mogelijk
op een veilige plaats tot stilstand om de
motor af te laten koelen. Zodra de motor
voldoende is afgekoeld, kunt u uw weg
vervolgen.
Bij het rijden met een aanhanger met het
maximaal toegestane voertuiggewicht
en het maximale aanhangergewicht kan
de motor of transmissie oververhit raken.
Laat de motor in dat geval stationair
draaien totdat deze is afgekoeld. U kunt
uw weg weer vervolgen als de motor of
transmissie voldoende zijn afgekoeld.
Rijden met uw auto
6-70
Tijdens het rijden met een aanhanger
kan uw rijsnelheid aanzienlijk lager
zijn dan die van het overige verkeer,
met name bij heuvelop rijden. Houd
tijden het heuvelop rijden met een
aanhanger de rechterrijstrook aan.
Pas uw rijsnelheid aan de maximaal
toegestane snelheid voor auto's met een
aanhanger, het hellingspercentage en
uw aanhangergewicht aan.
Bij het rijden met een aanhanger op
steile hellingen met een automatische,
double clutch-transmissie, kan de
koppeling in de transmissie oververhit
raken.
Als de koppeling oververhit raakt, wordt
de veiligheidsmodus geactiveerd. In dat
geval gaat het controlelampje voor de
schakelstand in het instrumentenpaneel
knipperen en klinkt er een
geluidssignaal.
Op dat moment wordt een
waarschuwingsmelding weergegeven
op het lcd-display en is het rijgedrag
mogelijk niet soepel.
Als u deze waarschuwing negeert, kan
de auto nog slechter gaan rijden.
Breng de auto, om terug te keren naar
het normale rijgedrag, tot stilstand op
een vlakke weg en houd het rempedaal
enkele minuten ingetrapt alvorens weg
te rijden.
Parkeren op een helling
Als u een aanhanger achter de auto hebt
gekoppeld, is het niet verstandig om uw auto
op een helling te parkeren.
Is het niet anders mogelijk dan de auto op
een helling te parkeren, doe dit dan als volgt:
1. Zet de auto op de parkeerplaats.
Draai het stuurwiel in de richting van de
stoeprand (rechtsom als u parkeert op
een helling naar beneden, linksom op een
helling naar boven).
2. Zet de selectiehendel in P (parkeren,
voor automatische of Double
Clutch-transmissie) of in de vrijstand
(handgeschakelde transmissie).
3. Trek de parkeerrem aan en sluit de auto af.
4. Plaats wielblokken onder de wielen van de
aanhanger aan de lage zijde.
5. Start de auto, houd de rem ingetrapt,
schakel in de vrijstand, zet de parkeerrem
los en laat het rempedaal langzaam
opkomen tot de blokken het gewicht van
de aanhanger tegenhouden.
6. Trap het rempedaal opnieuw in en
activeer de parkeerrem.
7. Zet de selectiehendel in stand P (parkeren,
voor automatische/Double clutch-
transmissie) of in de 1e versnelling (voor
handgeschakelde auto) als het voertuig
op een opwaartse helling is geparkeerd
en in R (achteruit) op een neerwaartse
helling.
8. Schakel de auto uit en laat het
rempedaal los, maar laat de parkeerrem
aangetrokken.
06
6-71
WAARSCHUWING
Om ernstig letsel te voorkomen:
Stap niet uit voordat u de parkeerrem
stevig hebt aangetrokken. Als u de motor
laat draaien kan de auto plotseling in
beweging komen. U en anderen kunnen
ernstig of dodelijk letsel oplopen.
Houd de auto helling op niet op zijn
plaats door gas te geven.
Wegrijden vanuit stilstand op een
helling
1. Zet de selectiehendel in stand P (Parkeren,
voor een voertuig met automatische of
Double Clutch-transmissie) of neutraal
(voor handgeschakelde transmissie),
activeer uw remmen en houd het
rempedaal ingetrapt en:
Start de motor,
Schakel de transmissie in een
versnelling, en
Ontgrendel de parkeerrem.
2. Laat het rempedaal langzaam los.
3. Rijd langzaam vooruit tot de aanhanger
los komt van de blokken.
4. Stop en laat de blokken door iemand
oprapen en opbergen.
Onderhoud bij het rijden met
een aanhanger
Uw auto heeft vaker onderhoud nodig
wanneer u regelmatig met een aanhanger
rijdt. Belangrijke zaken die speciale
aandacht verdienen, zijn: de motorolie,
de automatische-transmissievloeistof,
de smering van de aandrijfassen en de
koelvloeistof. De toestand van de remmen
moet ook regelmatig gecontroleerd worden.
Het verdient aanbeveling deze punten te
controleren voordat u met uw aanhanger
onderweg gaat. Vergeet bovendien niet
het onderhoud van uw aanhanger en
trekhaak. Neem het onderhoudsschema
voor uw aanhanger in acht en controleer
dit regelmatig. Voer de controle bij
voorkeur altijd uit voordat u gaat rijden. Het
belangrijkste is dat alle bouten en moeren
van de trekhaak goed vastzitten.
AANWIJZING
Om schade aan de auto te voorkomen:
Als gevolg van de grotere
belasting bij het gebruik van
een aanhanger kan tijdens hoge
buitentemperaturen of bergopwaarts
rijden oververhitting optreden. Als de
koelvloeistoftemperatuurmeter een te
hoge temperatuur aangeeft, schakel dan
de airconditioning uit en stop de auto
op een veilige plek om de motor te laten
afkoelen.
Zet de motor niet af zolang de
koelvloeistoftemperatuurmeter een te
hoge temperatuur aangeeft.
(Laat de motor stationair draaien om de
motor te laten afkoelen)
Controleer de vloeistof voor de
automatische transmissie/Double
clutch-transmissie vaker als u met een
aanhangwagen rijdt.
Als uw auto niet is uitgerust met
airconditioning, moet u een
condensorventilator laten monteren
om de prestaties van de motor te
optimaliseren als u een aanhanger trekt.
Rijden met uw auto
6-72
VOERTUIGGEWICHT
Twee labels op de dorpel van het
bestuurdersportier geven aan voor welke
belading uw auto ontworpen is: het
informatielabel en het typeplaatje.
Zorg ervoor dat u, voordat u uw auto gaat
beladen, weet wat de volgende termen
betekenen, zodat u uw auto op de juiste
manier kunt beladen. De informatie vindt u
bij de specificaties en op het typeplaatje:
Rijklaar gewicht
Dit is het gewicht van de auto met een volle
tank en de volledige standaarduitrusting. Dit
is exclusief inzittenden, belading of speciale
uitrustingen.
Leeggewicht
Dit is het gewicht van de auto bij aflevering
plus het gewicht van de achteraf
gemonteerde uitrusting.
Belading
Dit getal heeft betrekking op al het gewicht
dat opgeteld wordt bij het rijklaar gewicht,
dus het gewicht van de lading en de extra
uitrusting.
GAW (maximale asbelasting)
Dit is het totaalgewicht op elke as (voor en
achter) - opgebouwd uit het rijklaar gewicht
en de totale belasting.
GAWR (maximale toelaatbare asbelasting)
Dit is het maximaal toelaatbare gewicht dat
door een enkele as kan worden gedragen
(voor of achter). Deze waarden zijn op het
typeplaatje aangegeven. De totale belasting
van een as mag nooit hoger zijn dan de
GAWR.
GVW (maximaal toelaatbaar totaalgewicht)
Dit is het rijklaar gewicht plus het gewicht
van de lading en van de passagiers.
GVWR (maximale massa voertuig)
Dit is de maximaal toelaatbare massa van de
volledig beladen auto (inclusief alle opties,
uitrustingen, inzittenden en belading). De
GVWR is aangegeven op het typeplaatje op
de dorpel van het bestuurdersportier.
Overbeladen
WAARSCHUWING
De maximale toelaatbare asbelasting
(GAWR) en de maximale massa voertuig
(GVWR) zijn aangegeven op het
typeplaatje dat op het bestuurdersportier
(of passagiersportier) is aangebracht.
Het overschrijden van deze waarden
kan voor een ongeval of schade aan de
auto zorgen. U kunt het gewicht van uw
belading berekenen door de voorwerpen
(en personen) te wegen voordat u de auto
belaadt. Wees voorzichtig uw auto niet te
overbeladen.
7
7. Bestuurdershulp
Rijveiligheid
Forward Collision-Avoidance Assist (FCA, Ondersteuning botsingsvermijding
voorzijde) (alleen frontzichtcamera) ......................................................................... 7-2
Forward Collision-Avoidance Assist (FCA, Ondersteuning botsingsvermijding
voorzijde) (Sensor Fusion) ........................................................................................7-14
Lane Keeping Assist (LKA, hulp bij rijbaan aanhouden) ....................................... 7-28
Blind-Spot Collision-Avoidance Assist (BCA, botsingsvermijding blinde hoek) . 7-34
Safe Exit Warning (waarschuwing bij veilig uitstappen, SEW) ............................ 7-47
Handmatige snelheidslimietregeling (MSLA) ........................................................ 7-53
Slimme snelheidslimietwaarschuwing (ISLW) .......................................................7-56
Waarschuwingssysteem voor de aandacht van de bestuurder (DAW) ................7-61
Rijcomfort
Cruise Control (CC) .................................................................................................7-68
Smart Cruise Control (SCC) .....................................................................................7-72
Lane Following Assist (LFA - rijstrook volgen) ......................................................7-89
Parkeerveiligheid
Achteruitrijmonitor (RVM) ......................................................................................7-93
Rear Cross-Traffic Collision-Avoidance Assist (RCCA) .........................................7-96
Reverse Parking Distance Warning (PDW, afstandswaarschuwing-achteruit) . 7-106
Forward/Reverse Parking Distance Warning (parkeersensoren voor/achter,
PDW) ...................................................................................................................... 7-109
Conformiteitsverklaring ............................................................................................... 7-114
Bestuurdershulp
7-2
OTM070237
OTM070237
Het Forward Collision-Avoidance Assist-systeem
is ontworpen om voorliggers of voetgangers
op de rijweg te detecteren en te controleren.
De bestuurder wordt gewaarschuwd met een
melding en een signaal dat een botsing dreigt en
de noodrem wordt geactiveerd.
Detectiesensor
OOSN051017L
OOSN051017L
[1]: Frontzichtcamera
Zie bovenstaande afbeelding voor de precieze
locatie van de detectiesensor.
OPGELET
Neem de volgende voorzorgsmaatregelen om
de optimale prestaties van de detectiesensor te
waarborgen:
Demonteer nooit de detectiesensor of
sensorunits en beschadig ze nooit.
Na het vervangen of repareren van de
detectiesensor adviseren wij u uw auto
te laten controleren door een officiële
HYUNDAI-dealer.
Breng nooit accessoires of stickers op de
voorruit aan en deze mag ook niet worden
getint.
Let goed op dat u de frontzichtcamera steeds
droog houdt.
Plaats nooit reflecterende voorwerpen (bijv.
wit papier, spiegel) op het dashboard.
FORWARD COLLISION-AVOIDANCE ASSIST (FCA,
ONDERSTEUNING BOTSINGSVERMIJDING VOORZIJDE)
(ALLEEN FRONTZICHTCAMERA) (INDIEN VAN TOEPASSING)
07
7-3
Instellingen Forward Collision-Avoidance
Assist (ondersteuning botsingsvermijding
voorzijde)
Functies instellen
OOSN071025L
OOSN071025L
Veiligheid vooruit
Met de motor aan selecteert of deselecteert u 'Driver
Assistance Forward Safety' ('Bestuurdershulp
Veiligheid vooruit') in het menu Settings
(instellingen) om voor iedere functie in te stellen of
ze al dan niet moet worden gebruikt.
- Als 'Active Assist' (Actieve hulp) wordt
geselecteerd, waarschuwt de Forward
Collision-Avoidance Assist de bestuurder
met een waarschuwingsmelding en een
waarschuwingssignaal, afhankelijk van het
niveau van het botsingsrisico. Afhankelijk van het
botsingsrisico wordt de remhulp geactiveerd.
- Als 'Warning Only’ (Alleen waarschuwen)
wordt geselecteerd, waarschuwt de Forward
Collision-Avoidance Assist de bestuurder
met een waarschuwingsmelding en een
waarschuwingssignaal, afhankelijk van het
niveau van het botsingsrisico. De bestuurder
moet de rem intrappen of bijsturen indien nodig.
- Als ‘Off’ (uit) is geselecteerd, wordt de Forward
Collision-Avoidance Assist uitgeschakeld.
Het waarschuwingslampje op het
instrumentenpaneel gaat branden.
De bestuurder kan de aan/uit-status van het
Forward Collision-Avoidance Assist-systeem
controleren in het menu Settings (Instellingen).
Als het waarschuwingslampje blijft branden
wanneer de Forward Collision-Avoidance Assist
aanstaat, raden we u dat u de auto laat nazien door
een erkende HYUNDAI-dealer.
Veilig rijden automatisch UIT in de N-modus
OOSN071046L
OOSN071046L
Met de motor aan selecteert u 'Driver Assistance
Driving Safety Off in N ('Bestuurdershulp
Rijveiligheid Uit in N') in het menu Settings
(instellingen) om in te stellen of de functie al dan niet
moet worden gebruikt.
- Als u ‘Driving Safety Off in N mode’ (‘Veilig
rijden automatisch Uit in N-modus’) selecteert,
wordt dit gekoppeld aan de N-modus, zodat
Forward Collision-Avoidance Assist automatisch
uitschakelt wanneer de N-modus wordt
geselecteerd.
- Als u de selectie ‘Driving Safety Off in N
mode’ (‘Veilig rijden automatisch Uit in de
N-modus’) ongedaan maakt, wordt Forward
Collision-Avoidance Assist niet automatisch
uitgeschakeld, zelfs niet als de N-modus wordt
geselecteerd.
WAARSCHUWING
Wanneer de motor opnieuw wordt gestart, wordt
het Forward Collision-Avoidance Assist-systeem
altijd ingeschakeld. Als echter 'Off' (uit) wordt
geselecteerd nadat de motor opnieuw is gestart,
moet de bestuurder altijd op de omgeving letten
en veilig rijden.
OPGELET
Als 'Warning Only’ (Alleen waarschuwing) wordt
geselecteerd, is er geen remhulp.
Bestuurdershulp
7-4
Informatie
Het Forward Collision-Avoidance Assist-systeem
wordt uitgeschakeld wanneer ESC wordt
uitgeschakeld, door de toets ESC OFF ingedrukt
te houden. Het waarschuwingslampje op het
instrumentenpaneel gaat branden.
Het Veilig rijden-systeem omvat Forward
Collision-Avoidance Assist, Lane Keeping Assist,
het Blind-Spot Collision-Avoidance Assist- en
Driver Attention-waarschuwing.
U kan Forward Collision Avoidance Assist
inschakelen door het selecteren van ‘Active
Assist (Actieve hulp)’ of ‘Warning Only (Alleen
waarschuwing)’ als het automatisch werd
uitgeschakeld als gevolg van het inschakelen van
de N-modus.
Als de N-modus wordt uitgeschakeld, keert
Forward Collision-Avoidance Assist terug naar
de laatste instelling.
Zie het onderdeel 'Drive Mode Integrated
Control System' (in Drive-stand geïntegreerd
regelsysteem) in hoofdstuk 6 voor meer
informatie over het instellen van de N-modus.
OOSN071026L
OOSN071026L
Waarschuwingsmoment
Met de motor aan, selecteert u 'Driver
Assistance (Bestuurdershulp) Warning Timing
(Timing waarschuwing)' in het menu Settings
(instellingen) om de initiële activeringstijd voor de
waarschuwing van Forward Collision-Avoidance
Assist (hulp bij het vermijden van een voorwaartse
botsing) te wijzigen.
Wanneer uw auto wordt afgeleverd, is het
waarschuwingsmoment ingesteld op ‘Normal’
(Normaal). Als u het Waarschuwingsmoment
wijzigt, kan dat ook het Waarschuwingsmoment
voor andere bestuurdershulpsystemen wijzigen.
OOSN071027L
OOSN071027L
Waarschuwingsvolume
Met de motor aan selecteert u 'Driver
Assistance (Bestuurdershulp) Warning volume
(Waarschuwingsvolume)' in het menu Settings
(instellingen) om het waarschuwingsvolume voor
Forward Collision-Avoidance Assist te wijzigen
naar 'High', 'Medium', 'Low' of 'Off' ('Hoog',
'Gemiddeld', 'Laag' of 'Uit').
Als u het waarschuwingsvolume wijzigt, wijzigt
hierdoor mogelijk ook het waarschuwingsmoment
voor andere bestuurdershulpsystemen.
OPGELET
De instellingen voor het
waarschuwingsmoment en het
waarschuwingsvolume worden toegepast
op alle functies van het Forward Collision-
Avoidance Assist-systeem (hulp bij het
voorkomen van botsingen met voorliggers).
Zelfs als het waarschuwingsmoment 'Normal'
(normaal) is geselecteerd, kan het lijken
dat de waarschuwing te laat komt als de
voorligger plotseling stopt.
Selecteer voor het waarschuwingsmoment
'Late' ('Laat') wanneer er weinig verkeer is en
u traag rijdt.
Informatie
Wanneer de motor opnieuw wordt gestart, blijft de
laatste instelling voor het waarschuwingsmoment en
-volume behouden.
07
7-5
Werking van Forward Collision-
Avoidance Assist (ondersteuning
botsingsvermijding voorzijde)
Waarschuwing en regeling
De basisfunctie van Forward Collision-Avoidance
Assist is om te waarschuwen en te helpen om het
voertuig te controleren, naargelang het risico op
een botsing: ‘Collision Warning - waarschuwing
voor een botsing’, ‘Emergency Braking - noodrem’
en ‘Stopping vehicle and ending brake control -
voertuig stoppen en remcontrole beëindigen’.
OOSN071016L
OOSN071016L
Collision Warning (Botsing waarsch.)
Om de bestuurder te waarschuwen voor een
botsing, verschijnt de waarschuwing 'Collision
Warning’ (Waarschuwing voor aanrijding)
op het instrumentenpaneel en klinkt een
waarschuwingssignaal.
Wordt er een voorligger gedetecteerd, dan
werkt de functie bij een rijsnelheid tussen
ongeveer 10-180 km/h (6-112 mph).
Als een voetganger of fietser vóór de auto
wordt gedetecteerd, dan werkt de functie bij
een rijsnelheid tussen ongeveer 10-60 km/u
(6~37 mph).
OOSN071017L
OOSN071017L
Emergency braking (Noodremmen)
Om de bestuurder te waarschuwen voor het
noodremmen, verschijnt de waarschuwing
'Emergency Braking' (Noodremmen)
op het instrumentenpaneel, klinkt een
waarschuwingssignaal.
Wordt er een voorligger gedetecteerd, dan
werkt de functie bij een rijsnelheid tussen
ongeveer 10-60 km/h (6-37 mph).
Als een voetganger of fietser vóór de auto
wordt gedetecteerd, dan werkt de functie bij
een rijsnelheid tussen ongeveer 10-60 km/u
(6~37 mph).
In een noodstopsituatie levert de functie als
remhulp hoge remkracht om een botsing
met het voertuig of de voetganger vóór u te
voorkomen.
Bestuurdershulp
7-6
OTM070059L
OTM070059L
De auto tot stilstand brengen en het aansturen van
de remmen beëindigen
Wanneer de auto tot stilstand is gebracht
door Emergency braking (Noodremmen),
verschijnt de waarschuwing 'Drive carefully’
(Rij voorzichtig) op het instrumentenpaneel.
Voor zijn/haar veiligheid dient de bestuurder
het rempedaal onmiddellijk in te trappen en de
omgeving te controleren.
Het aansturen van de remmen wordt
beëindigd nadat de auto door toedoen van
Emergency braking (Noodremmen) gedurende
ongeveer 2 seconden heeft stilgestaan.
WAARSCHUWING
Tref de volgende voorzorgsmaatregelen
wanneer u gebruikmaakt van het Forward
Collision-Avoidance Assist-systeem
(ondersteuning botsingsvermijding voorzijde):
Wijzig voor uw veiligheid de instellingen pas
nadat u de auto op een veilige plaats heeft
geparkeerd.
Als 'Active Assist' ('actieve ondersteuning')
of 'Warning Only' ('Alleen waarschuwen') is
geselecteerd, wordt het Forward Collision-
Avoidance Assist automatisch uitgeschakeld
wanneer ESC wordt uitgeschakeld door
de toets ESC OFF ingedrukt te houden.
In dit geval kan de Forward Collision-
Avoidance Assist niet worden ingesteld in
het menu Settings (instellingen) en gaat
het waarschuwingslampje branden op
het instrumentenpaneel. Dit is normaal. Als
ESC wordt uitgeschakeld door op de toets
ESC OFF te drukken, behoudt het Forward
Collision-Avoidance Assist-systeem de laatste
instelling.
Forward Collision-Avoidance Assist werkt niet
in alle situaties en kan niet alle aanrijdingen
voorkomen.
De bestuurder is er verantwoordelijk voor
de auto onder controle te houden. Vertrouw
niet uitsluitend op het Forward Collision-
Avoidance Assist-systeem. Houd een
veilige remafstand en trap indien nodig het
rempedaal in om snelheid te minderen of het
voertuig tot stilstand te brengen.
Laat het Forward Collision-Avoidance
Assist-systeem nooit opzettelijk reageren op
mensen, voorwerpen enz. Dit kan ernstig of
dodelijk letsel veroorzaken.
Mogelijk werkt het Forward Collision-
Avoidance Assist-systeem niet als de
bestuurder het rempedaal intrapt om een
aanrijding te voorkomen.
Mogelijk waarschuwt Forward Collision-
Avoidance Assist de bestuurder te laat of
helemaal niet, afhankelijk van de weg- en
rijomstandigheden.
Terwijl Forward Collision-Avoidance
Assist ingrijpt, kan de auto plotseling tot
stilstand komen, waarbij letsel kan worden
toegebracht aan passagiers en losse
voorwerpen kunnen verschuiven. Zorg dat
alle inzittenden steeds hun veiligheidsgordel
om hebben en dat losse voorwerpen altijd
goed worden vastgezet.
Mogelijk verschijnt of klinkt de
waarschuwingsmelding of het
waarschuwingssignaal van het Forward
Collision-Avoidance Assist-systeem
niet als een waarschuwingsmelding of
waarschuwingssignaal van een andere
functie wordt weergegeven of klinkt.
Mogelijk hoort u het waarschuwingssignaal
van het Forward Collision-Avoidance Assist-
systeem (ondersteuning botsingsvermijding
voorzijde) niet als er veel lawaai in de
omgeving is.
Afhankelijk van de wegomstandigheden en
de omgeving is het mogelijk dat het Forward
Collision-Avoidance Assist-systeem wordt
uitgeschakeld, dat het niet naar behoren
werkt of dat het werkt wanneer dat niet nodig
is.
07
7-7
WAARSCHUWING
Ook als er een probleem met het Forward
Collision-Avoidance Assist-systeem is,
werken de remmen naar behoren.
Tijdens Emergency braking (Noodremmen),
wordt het aansturen van de remmen door
de Forward Collision-Avoidance Assist
automatisch geannuleerd wanneer de
bestuurder het gaspedaal hard intrapt of
abrupt het stuur omgooit.
OPGELET
Afhankelijk van de omgeving en de toestand
van het voertuig en de voetganger vóór de
auto, kan het snelheidsbereik waarbinnen
Forward Collision-Avoidance Assist werkt,
mogelijk beperkt. Mogelijk waarschuwt
de Forward Collision-Avoidance Assist de
bestuurder alleen of werkt hij helemaal niet.
Informatie
Als een botsing dreigt, kan remhulp worden
voorzien door het Forward Collision-Avoidance
Assist-systeem als de bestuurder niet hard
genoeg remt.
De afbeeldingen en kleuren op het
instrumentenpaneel kunnen afwijken per type
instrumentenpaneel of gekozen thema.
Storing en beperkingen van de
Forward Collision-Avoidance
Assist
Storing in Forward Collision-
Avoidance Assist (FCA,
ondersteuning botsingsvermijding
voorzijde)
Type A
Type A
Type B
Type B
OTM070094N
OTM070094N
OTM070094L
OTM070094L
Als Forward Collision-Avoidance Assist
niet naar behoren werkt, verschijnt de
waarschuwingsmelding ‘Check Forward Safety
system’ of ‘Check forward safety systems’ en gaan
de waarschuwingslampjes en branden op
het instrumentenpaneel. We adviseren u de auto
te laten controleren door een officiële HYUNDAI-
dealer.
Bestuurdershulp
7-8
Forward Collision-Avoidance Assist
uitgeschakeld
OTM070093N
OTM070093N
Als het deel van de voorruit waar de
frontzichtcamera zich bevindt, of de sensor
bedekt zijn met vreemd materiaal zoals sneeuw
of regen, dan kan dit de detectieprestaties
verminderen en het Forward Collision-Avoidance
Assist-systeem tijdelijk beperken of uitschakelen.
Als dit gebeurt, verschijnt de
waarschuwingsmelding 'Forward Safety
system disabled. Camera obscured' (Kop-
staartveiligheidsystemen uitgeschakeld. Camera
aan het zicht onttrokken), en de en
waarschuwingslampjes zullen oplichten op het
paneel.
De Forward Collision-Avoidance Assist (FCA;
ondersteuning botsingsvermijding voorzijde)
werkt weer naar behoren wanneer deze sneeuw,
regen of andere substantie wordt verwijderd.
Als de Forward Collision-Avoidance Assist na
obstructie (sneeuw, regen of vreemde materialen)
niet goed werkt, adviseren we om de functie te
laten nakijken door een officiële HYUNDAI-dealer.
WAARSCHUWING
Mogelijk werkt het Forward Collision-
Avoidance Assist-systeem niet goed, zonder
dat daarover een waarschuwingsmelding
verschijnt of het waarschuwingslampje gaat
branden op het instrumentenpaneel.
Mogelijk werkt Forward Collision-Avoidance
Assist niet goed in bepaalde gebieden (bv.
open terrein), als er geen objecten worden
gedetecteerd na het starten van de motor.
Beperkingen van het Forward Collision-
Avoidance Assist-systeem (FCA,
ondersteuning botsingsvermijding
voorzijde)
Mogelijk werkt de Forward Collision-Avoidance
Assist niet naar behoren of treedt de functie
onverwacht in werking onder de volgende
omstandigheden:
De detectiesensor of het gebied eromheen is
vuil of beschadigd
De temperatuur rond de frontzichtcamera is
hoog of laag door de omgeving
De cameralens heeft last van een getinte
voorruit of een film of coating op de voorruit,
beschadigd glas of klevende voorwerpen
(sticker, insect, enz.) op het glas
Er is vocht op de voorruit dat niet verwijderd
is of dat eraan vastgevroren is
De voorruit wordt constant met
ruitensproeiervloeistof besproeid of de
ruitenwisser is geactiveerd
Rijden bij zware regenval of sneeuw of dichte
mist
Het gezichtsveld van de frontzichtcamera
wordt belemmerd door schittering van de
zon
Straatverlichting of licht van een
tegenliggend verkeer wordt gereflecteerd
op het natte wegdek, bv. door een plas op
de weg
Er is een voorwerp op het dashboard
geplaatst
Uw auto wordt gesleept
De omgeving is heel helder
De omgeving is zeer donker, bv. in een tunnel
enz.
De helderheid verandert plots, bv. wanneer u
een tunnel inrijdt of verlaat
Er is niet veel licht buiten en de koplampen
zijn niet aan of geven weinig licht
07
7-9
Rijden door stoom, rook of schaduw
Slechts een deel van het voertuig of de
voetganger wordt gedetecteerd
De voorligger is een bus, een grote
vrachtwagen, een vrachtwagen met een
lading of oplegger die een ongewone vorm
heeft enz.
De voorligger heeft geen achterlichten, zijn
achterlichten bevinden zich op een ongewone
plaats enz.
Er is niet veel licht buiten en de achterlichten
zijn niet aan of geven weinig licht
De achterzijde van de voorligger is klein of het
voertuig ziet er niet normaal uit, zoals wanneer
het gekanteld is, op zijn kop ligt of overdwars
staat, enz.
De bodemvrijheid voor de auto is laag of hoog
Een voertuig of voetganger rijdt of stapt
plotseling voor u in
De voorligger wordt te laat gedetecteerd
De weg van de voorligger wordt plotseling
versperd door een obstakel
De voorligger verandert plotseling van rijstrook
of vertraagt plotseling
De voorligger is vervormd
De voorligger rijdt met een lage of hoge
snelheid
De voorligger stuurt in de tegenovergestelde
richting van uw auto om een botsing te
vermijden
Uw auto verandert langzaam van rijstrook
terwijl vóór u een voorligger rijdt
De voorligger is bedekt met sneeuw
U verlaat of keert terug naar de rijstrook
• Onstabiel rijden
U bevindt zich op een rotonde en de voorligger
wordt niet gedetecteerd
U blijft in een cirkel rijden
De voorligger heeft een ongewone vorm
De voorligger rijdt bergop of bergaf
De voetganger wordt niet volledig
gedetecteerd, bijvoorbeeld als hij zich
vooroverbuigt of niet helemaal rechtop loopt
De voetganger draagt kleding of uitrusting
waardoor hij moeilijk kan worden
geïdentificeerd
OADAS051
OADAS051
De afbeelding hierboven toont het beeld dat de
frontzichtcamera kan detecteren als een voertuig
of voetganger.
De voetganger vóór de auto verplaatst zich
zeer snel
De voetganger vóór de auto is klein
van gestalte of heeft een lage houding
aangenomen
De voetganger vóór de auto heeft een
mobiliteitsbeperking
De voetganger vóór de auto verplaatst zich
haaks op de rijrichting
Bestuurdershulp
7-10
Er bevindt zich een groep voetgangers of een
grote menigte voor de auto
De voetganger draagt kleding die opgaat
in de achtergrond en daardoor moeilijk te
detecteren is
De voetganger is moeilijk te onderscheiden
van een structuur met een soortgelijke vorm in
de omgeving
U rijdt voorbij een voetganger, verkeersbord,
constructie enz. nabij het kruispunt
U rijdt op een parkeerterrein
U rijdt door een tolpoort of langs
wegwerkzaamheden, over een onverharde,
gedeeltelijk verharde of hobbelige weg, over
verkeersdrempels enz.
U rijdt op een weg met hellingen, bochten enz.
U rijdt langs bomen of straatverlichting aan de
kant van de weg
De slechte staat van de weg doet de auto
overmatig trillen tijdens het rijden
Uw auto is te hoog of te laag door een zware
lading, een abnormale bandenspanning enz.
U rijdt op een smalle weg die tussen bomen of
gras ligt of overgroeid is
Er is storing door elektromagnetische golven,
bijvoorbeeld in bepaalde gebieden met sterke
radiogolven of elektrische ruis
WAARSCHUWING
U rijdt op een bochtige weg
OADAS003
OADAS003
OADAS002
OADAS002
Mogelijk detecteert Forward Collision-
Avoidance Assist geen andere voertuigen
of voetgangers voor de auto op
bochtige wegen die de prestaties van de
sensoren verminderen. Hierdoor kunnen
waarschuwingen en remhulp uitblijven
wanneer ze wel nodig zijn.
Rijdt u op een bochtige weg, dan moet u
een veilige remafstand houden en indien
nodig sturen en het rempedaal intrappen
om snelheid te minderen en zo een veilige
afstand te bewaren.
07
7-11
OADAS006
OADAS006
OADAS005
OADAS005
Mogelijk detecteert Forward Collision-
Avoidance Assist een voertuig of voetganger
in de rijstrook naast u of elders buiten uw
rijstrook wanneer u op een bochtige weg
rijdt.
Als dit gebeurt, kan de Forward Collision-
Avoidance Assist mogelijk de bestuurder
waarschuwen en de rem aansturen wanneer
dat niet nodig is. Controleer altijd de
verkeersomstandigheden rond uw auto.
Rijden op een helling
OADAS009
OADAS009
OADAS007
OADAS007
Mogelijk detecteert Forward Collision-
Avoidance Assist geen andere voertuigen of
voetgangers vóór u op hellende wegen die
de prestaties van de sensoren verminderen.
Hierdoor kan het systeem mogelijk
waarschuwen, remmen of bijsturen wanneer
dat niet nodig is of niet waarschuwen,
remmen of bijsturen wanneer dat wel nodig
is.
De rijsnelheid kan ook snel dalen wanneer
plotseling een voertuig of voetganger vóór
de auto wordt gedetecteerd.
Blijf altijd op de weg letten wanneer u bergop
of bergaf rijdt. Indien nodig stuurt u en trapt
u het rempedaal in om snelheid te minderen
en zo een veilige afstand te bewaren.
Bestuurdershulp
7-12
Van rijbaan wisselen
OADAS032
OADAS032
[A]: Uw auto,
[B] : Een auto die van rijstrook verandert
Wanneer een voertuig vanuit een
aangrenzende rijstrook uw rijstrook oprijdt,
kan de sensor het niet detecteren totdat het
zich in zijn detectiebereik bevindt. Mogelijk
detecteert Forward Collision-Avoidance
Assist het voertuig niet onmiddellijk als het
plotseling van rijbaan wisselt. In dit geval
moet u een veilige remafstand houden
en indien nodig sturen en het rempedaal
intrappen om snelheid te minderen en zo een
veilige afstand te bewaren.
OADAS033
OADAS033
[A]: Uw auto,
[B] : Een auto die van rijstrook verandert,
[C]: voertuig op dezelfde rijstrook
Wanneer een voertuig vóór u uw rijstrook
verlaat, detecteert Forward Collision-
Avoidance Assist uw nieuwe voorligger
mogelijk niet onmiddellijk.
In dit geval moet u een veilige remafstand
houden en indien nodig sturen en het
rempedaal intrappen om snelheid te
minderen en zo een veilige afstand te
bewaren.
07
7-13
Voertuig detecteren
OOS058022
OOS058022
Als een voorligger een lading heeft die
achter het voertuig uitsteekt of wanneer
een voorligger een grotere bodemvrijheid
heeft, is speciale aandacht vereist. Mogelijk
detecteert Forward Collision-Avoidance
Assist de lading die achter het voertuig
uitsteekt niet. In dit geval moet u een
veilige remafstand tot het achterste
voorwerp houden en indien nodig sturen
en het rempedaal intrappen om snelheid te
minderen en zo de afstand te bewaren.
WAARSCHUWING
Wanneer u een aanhanger of een ander
voertuig sleept, raden we aan dat u om
veiligheidsredenen Forward Collision-
Avoidance Assist uitschakelt.
Mogelijk grijpt het Forward Collision-
Avoidance Assist-systeem in als het
voorwerpen detecteert die door hun vorm of
bepaalde kenmerken lijken op voertuigen en
voetgangers.
Forward Collision-Avoidance Assist werkt
niet met fietsen, motorfietsen of kleinere
voorwerpen op wielen, zoals bagagetassen,
winkel- of kinderwagens.
Mogelijk functioneert de Forward Collision-
Avoidance Assist niet naar behoren bij
storingen door sterke elektromagnetische
golven.
Mogelijk werkt Forward Collision-Avoidance
Assist niet gedurende 15 seconden na het
starten van de auto of het inschakelen van de
frontzichtcamera.
Bestuurdershulp
7-14
OJK070172
OJK070172
Het Forward Collision-Avoidance Assist-systeem
is ontworpen om fietsers of voetgangers op
de rijweg te detecteren en te controleren. De
bestuurder wordt gewaarschuwd met een
melding en een signaal dat een botsing dreigt en
de noodrem wordt geactiveerd.
Detectiesensor
OOSN051017L
OOSN051017L
OOSN071001L
OOSN071001L
[1]: Frontzichtcamera,
[2]: Voorste radar
Zie bovenstaande afbeelding voor de precieze
locatie van de detectiesensoren.
FORWARD COLLISION-AVOIDANCE ASSIST (FCA,
ONDERSTEUNING BOTSINGSVERMIJDING VOORZIJDE)
(SENSOR FUSION)(INDIEN VAN TOEPASSING)
07
7-15
OPGELET
Neem de volgende voorzorgsmaatregelen om
de optimale prestaties van de detectiesensor te
waarborgen:
Demonteer nooit de detectiesensor of
sensorunits en beschadig ze nooit.
Na het vervangen of repareren van de
detectiesensor adviseren wij u uw auto
te laten controleren door een officiële
HYUNDAI-dealer.
Breng nooit accessoires of stickers op de
voorruit aan en deze mag ook niet worden
getint.
Let goed op dat u de frontzichtcamera
steeds droog houdt.
Plaats nooit reflecterende voorwerpen
(bijv. wit papier, spiegel) op het dashboard.
Plaats geen voorwerpen vlakbij de voorruit
en breng er geen accessoires op aan.
Dat kan de werking van het ontdooi- en
ontwasemingssysteem beïnvloeden,
waardoor het Rijhulpsysteem mogelijk niet
werkt.
Breng geen kentekenplaathouder of
voorwerpen, zoals een bumpersticker, folie
of bumperbescherming aan in de buurt van
het afdekkapje van de radar vóór.
Houd de radar en zijn afdekkapje altijd
schoon en vrij van vuil en stof.
Gebruik alleen een zachte doek om
het voertuig te wassen. Richt geen
hogedrukreiniger rechtstreeks op de sensor
of sensorafdekking.
Als de radar of de omgeving van de radar
beschadigd is of als er op een of andere
manier een kracht op uitgeoefend is,
kan Forward Collision-Avoidance Assist
mogelijk niet goed functioneren, ook al
verschijnt er geen waarschuwingsmelding
op het instrumentenpaneel. We adviseren
u de auto te laten controleren door een
officiële HYUNDAI-dealer.
Gebruik uitsluitend originele onderdelen
om een beschadigd afdekkapje van de
radar vóór te repareren of te vervangen.
Breng geen lak aan op het afdekkapje van
de radar vóór.
Instellingen Forward Collision-
Avoidance Assist (ondersteuning
botsingsvermijding voorzijde)
Functies instellen
OOSN071025L
OOSN071025L
Veiligheid vooruit
Met de motor aan selecteert of deselecteert
u 'Driver Assistance Forward Safety'
('Bestuurdershulp Veiligheid vooruit') in het
menu Settings (instellingen) om in te stellen of
het voor elke functie moet worden gebruikt.
- Als 'Active Assist' (Actieve ondersteuning)
wordt geselecteerd, waarschuwt de
Forward Collision-Avoidance Assist-
waarschuwingssysteem (ondersteuning
botsingsvermijding voorzijde) de bestuurder
met een waarschuwingsmelding, een
waarschuwingssignaal of een trilling in
het stuurwiel, afhankelijk van het niveau
van het botsingsrisico. Afhankelijk van de
botsingsrisiconiveaus wordt de remhulp
geactiveerd.
- Als 'Warning Only’ (Alleen waarschuwing)
wordt geselecteerd, waarschuwt de
Forward Collision-Avoidance Assist-
waarschuwingssysteem (ondersteuning
botsingsvermijding voorzijde) de bestuurder
met een waarschuwingsmelding, een
waarschuwingssignaal of een trilling in
het stuurwiel, afhankelijk van het niveau
van het botsingsrisico. Er is geen remhulp.
De bestuurder moet de rem intrappen of
bijsturen indien nodig.
- Als u voor ‘Off’ (uit) kiest, gaat de
Forward Collision-Avoidance Assist uit.
Het waarschuwingslampje op het
instrumentenpaneel gaat branden.
Bestuurdershulp
7-16
De bestuurder kan de aan/uit-status van het Forward
Collision-Avoidance Assist-systeem controleren
in het menu Settings (Instellingen). Als het
waarschuwingslampje blijft branden wanneer de
Forward Collision-Avoidance Assist aanstaat, raden we
u aan de auto te laten controleren door een erkende
HYUNDAI-dealer.
Veilig rijden automatisch UIT in de N-modus
OOSN071046L
OOSN071046L
Met de motor aan selecteert u 'Driver Assistance
Driving Safety Off in N ('Bestuurdershulp Rijveiligheid
Uit in N') in het menu Settings (instellingen) om in te
stellen of de functie al dan niet moet worden gebruikt.
- Als u ‘Driving Safety Off in N mode’ (‘Veilig rijden
automatisch Uit in N-modus’) selecteert, wordt
dit gekoppeld aan de N-modus, zodat Forward
Collision-Avoidance Assist automatisch uitschakelt
wanneer de N-modus wordt geselecteerd.
- Als u de selectie ‘Driving Safety Off in N mode
(‘Veilig rijden automatisch Uit in de N-modus’)
ongedaan maakt, wordt Forward Collision-
Avoidance Assist niet automatisch uitgeschakeld,
zelfs niet als de N-modus wordt geselecteerd.
WAARSCHUWING
Wanneer de motor opnieuw wordt gestart, wordt
het Forward Collision-Avoidance Assist-systeem
altijd ingeschakeld. Als echter 'Off' (uit) wordt
geselecteerd nadat de motor opnieuw is gestart,
moet de bestuurder altijd op de omgeving letten en
veilig rijden.
OPGELET
Als 'Warning Only’ (Alleen waarschuwing) wordt
geselecteerd, is er geen remhulp.
Informatie
Het Forward Collision-Avoidance Assist-systeem
wordt uitgeschakeld wanneer ESC wordt
uitgeschakeld, door de toets ESC OFF ingedrukt
te houden. Het waarschuwingslampje op het
instrumentenpaneel gaat branden.
Het Veilig rijden-systeem omvat Forward Collision-
Avoidance Assist, Lane Keeping Assist, het Blind-
Spot Collision-Avoidance Assist- en Driver Attention-
waarschuwing.
U kan Forward Collision Avoidance Assist
inschakelen door het selecteren van ‘Active
Assist (Actieve hulp)’ of ‘Warning Only (Alleen
waarschuwing)’ als het automatisch werd
uitgeschakeld als gevolg van het inschakelen van de
N-modus.
Als de N-modus wordt uitgeschakeld, keert Forward
Collision-Avoidance Assist terug naar de laatste
instelling.
Zie het onderdeel 'Drive Mode Integrated Control
System' (in Drive-stand geïntegreerd regelsysteem) in
hoofdstuk 6 voor meer informatie over het instellen
van de N-modus.
OOSN071026L
OOSN071026L
Waarschuwingsmoment
Met de motor aan, selecteert u 'Driver Assistance
(Bestuurdershulp) Warning Timing (Timing
waarschuwing)' in het menu Settings (instellingen)
om de initiële activeringstijd voor de waarschuwing
van Forward Collision-Avoidance Assist (hulp bij het
vermijden van een voorwaartse botsing) te wijzigen.
Wanneer uw auto wordt afgeleverd, is het
waarschuwingsmoment ingesteld op ‘Normal’
(Normaal). Als u het Waarschuwingsmoment wijzigt,
kan dat ook het Waarschuwingsmoment voor andere
bestuurdershulpsystemen wijzigen.
07
7-17
OOSN071027L
OOSN071027L
Waarschuwingsvolume
Met de motor aan selecteert u 'Driver
Assistance (Bestuurdershulp) Warning volume
(Waarschuwingsvolume)' in het menu Settings
(instellingen) om het waarschuwingsvolume voor
Forward Collision-Avoidance Assist te wijzigen
naar 'High', 'Medium', 'Low' of 'Off' ('Hoog',
'Gemiddeld', 'Laag' of 'Uit').
Als u het waarschuwingsvolume wijzigt, kan
dat ook het waarschuwingsvolume voor andere
bestuurdershulpsystemen wijzigen.
OPGELET
De instellingen voor het
waarschuwingsmoment en het
waarschuwingsvolume worden toegepast
bij alle functies van het Forward Collision-
Avoidance Assist-systeem.
Zelfs als het waarschuwingsmoment
'Normal' (normaal) is geselecteerd, kan het
lijken dat de waarschuwing te laat komt als
de voorligger plotseling stopt.
Selecteer voor het waarschuwingsmoment
'Late' ('Laat') wanneer er weinig verkeer is en
u traag rijdt.
Informatie
Wanneer de motor opnieuw wordt gestart, blijft de
laatste instelling voor het waarschuwingsmoment en
-volume behouden.
Werking van Forward Collision-
Avoidance Assist (ondersteuning
botsingsvermijding voorzijde)
Waarschuwing en regeling
Collision-Avoidance Assist (botsingsvermijding)
dient om te waarschuwen en om te helpen bij
het onder controle houden van het voertuig,
afhankelijk van de mate van het risico op een
aanrijding: ‘Collision Warning’ (‘Waarschuwing
voor aanrijding’), ‘Emergency Braking’
(‘Noodstop’) en ‘Stopping vehicle and ending
brake control’ (‘Voertuig stoppen en remcontrole
beëindigen’).
OOSN071016L
OOSN071016L
Collision Warning (Botsing waarsch.)
Om de bestuurder te waarschuwen voor een
botsing, verschijnt de waarschuwingsmelding
'Collision Warning’ ('Botsing waarsch.')
op het instrumentenpaneel, klinkt een
waarschuwingssignaal en gaat het stuur trillen.
Wordt er een voorligger gedetecteerd, dan
werkt de functie bij een rijsnelheid tussen
ongeveer 10-180 km/h (6-112 mph).
Als een voetganger of fietser vóór de auto
wordt gedetecteerd, dan werkt het systeem
bij een rijsnelheid van ongeveer 10-85 km/u
(6~53 mph).
Als 'Active Assist' (Actieve hulp) is
geselecteerd, kan de remhulp worden
geactiveerd.
Bestuurdershulp
7-18
OOSN071017L
OOSN071017L
Emergency braking (Noodremmen)
Om de bestuurder te waarschuwen voor
Emergency braking (Noodremmen),
verschijnt de waarschuwingsmelding
'Emergency Braking' ('Noodremmen')
op het instrumentenpaneel, klinkt een
waarschuwingssignaal en gaat het stuur trillen.
Wordt er een voorligger gedetecteerd, dan
werkt de functie bij een rijsnelheid tussen
ongeveer 10-75 km/h (6-47 mph).
Als een voetganger of fietser vóór de auto
wordt gedetecteerd, dan werkt het systeem
bij een rijsnelheid van ongeveer 10-65 km/u
(6~40 mph).
In een noodstopsituatie levert de functie als
remhulp hoge remkracht om een botsing
met het voertuig of de voetganger vóór u te
voorkomen.
OOSN071018L
OOSN071018L
De auto tot stilstand brengen en het
aansturen van de remmen beëindigen
Wanneer de auto tot stilstand is gebracht
door Emergency braking (Noodremmen),
verschijnt de waarschuwing 'Drive carefully’
(Rij voorzichtig) op het instrumentenpaneel.
Voor zijn/haar veiligheid dient de bestuurder
het rempedaal onmiddellijk in te trappen en de
omgeving te controleren.
Het aansturen van de remmen wordt
beëindigd nadat de auto door toedoen
van Emergency braking (Noodremmen)
gedurende ongeveer 2 seconden heeft
stilgestaan.
07
7-19
WAARSCHUWING
Tref de volgende voorzorgsmaatregelen
wanneer u gebruikmaakt van het Forward
Collision-Avoidance Assist-systeem
(ondersteuning botsingsvermijding voorzijde):
Wijzig voor uw veiligheid de instellingen pas
nadat u de auto op een veilige plaats heeft
geparkeerd.
Als 'Active Assist' ('actieve ondersteuning')
of 'Warning Only' ('Alleen waarschuwen') is
geselecteerd, wordt het Forward Collision-
Avoidance Assist automatisch uitgeschakeld
wanneer ESC wordt uitgeschakeld door
de toets ESC OFF ingedrukt te houden.
In dit geval kan de Forward Collision-
Avoidance Assist niet worden ingesteld in
het menu Settings (instellingen) en gaat
het waarschuwingslampje branden op
het instrumentenpaneel. Dit is normaal. Als
ESC wordt uitgeschakeld door op de toets
ESC OFF te drukken, behoudt het Forward
Collision-Avoidance Assist-systeem de
laatste instelling.
Forward Collision-Avoidance Assist
werkt niet in alle situaties en kan niet alle
aanrijdingen voorkomen.
De bestuurder is er verantwoordelijk voor
de auto onder controle te houden. Vertrouw
niet uitsluitend op het Forward Collision-
Avoidance Assist-systeem. Houd een
veilige remafstand en trap indien nodig het
rempedaal in om snelheid te minderen of het
voertuig tot stilstand te brengen.
Laat het Forward Collision-Avoidance
Assist-systeem nooit opzettelijk reageren op
mensen, voorwerpen enz. Dit kan ernstig of
dodelijk letsel veroorzaken.
Mogelijk werkt het Forward Collision-
Avoidance Assist-systeem niet als de
bestuurder het rempedaal intrapt om een
aanrijding te voorkomen.
Mogelijk waarschuwt Forward Collision-
Avoidance Assist de bestuurder te laat of
helemaal niet, afhankelijk van de weg- en
rijomstandigheden.
Terwijl Forward Collision-Avoidance
Assist ingrijpt, kan de auto plotseling tot
stilstand komen, waarbij letsel kan worden
toegebracht aan passagiers en losse
voorwerpen kunnen verschuiven. Zorg dat
alle inzittenden steeds hun veiligheidsgordel
om hebben en dat losse voorwerpen altijd
goed worden vastgezet.
Mogelijk verschijnt of klinkt de
waarschuwing of het waarschuwingssignaal
van het Forward Collision-Avoidance Assist-
systeem niet als een waarschuwingsmelding
of waarschuwingssignaal van een ander
systeem wordt weergegeven of klinkt.
Mogelijk hoort u het waarschuwingssignaal
van het Forward Collision-Avoidance Assist-
systeem (ondersteuning botsingsvermijding
voorzijde) niet als er veel lawaai in de
omgeving is.
Afhankelijk van de wegomstandigheden en
de omgeving is het mogelijk dat het Forward
Collision-Avoidance Assist-systeem wordt
uitgeschakeld, dat het niet naar behoren
werkt of dat het werkt wanneer dat niet
nodig is.
Bestuurdershulp
7-20
WAARSCHUWING
Ook als er een probleem met het Forward
Collision-Avoidance Assist-systeem is,
werken de remmen naar behoren.
Tijdens Emergency braking (Noodremmen),
wordt het aansturen van de remmen door
de Forward Collision-Avoidance Assist
automatisch geannuleerd wanneer de
bestuurder het gaspedaal hard intrapt of
abrupt het stuur omgooit.
OPGELET
Afhankelijk van de omgeving en de toestand
van het voertuig, de voetganger of de
fietser vóór de auto, kan het snelheidsbereik
waarbinnen Forward Collision-Avoidance
Assist werkt, mogelijk beperkt. Mogelijk
waarschuwt de Forward Collision-Avoidance
Assist de bestuurder alleen of werkt hij
helemaal niet.
Forward Collision-Avoidance Assist werkt
onder bepaalde omstandigheden, door
het risiconiveau te beoordelen op basis
van de staat, rijrichting en snelheid van de
tegenligger en de omgeving.
Informatie
Als een botsing dreigt, kan remhulp worden
voorzien door het Forward Collision-Avoidance
Assist-systeem als de bestuurder niet hard
genoeg remt.
De afbeeldingen en kleuren op het
instrumentenpaneel kunnen afwijken per type
instrumentenpaneel of gekozen thema.
Storing en beperkingen van de
Forward Collision-Avoidance
Assist
Storing in Forward Collision-
Avoidance Assist (FCA,
ondersteuning botsingsvermijding
voorzijde)
Type A
Type A
Type B
Type B
OTM070094N
OTM070094N
OTM070094L
OTM070094L
Als Forward Collision-Avoidance Assist
niet naar behoren werkt, verschijnt de
waarschuwingsmelding ‘Check Forward Safety
system’ of ‘Check forward safety systems’
en gaan de waarschuwingslampjes en
branden op het instrumentenpaneel. We
adviseren u de auto te laten controleren door
een officiële HYUNDAI-dealer.
07
7-21
Forward Collision-Avoidance Assist
uitgeschakeld
OTM070093N
OTM070093N
OTM070095N
OTM070095N
Als het deel van de voorruit waar de
frontzichtcamera zich bevindt, het afdekkapje
van de radar vooraan of de sensor bedekt is
met vuil, zoals sneeuw of regen, dan kan dit de
detectieprestaties verminderen en het Forward
Collision-Avoidance Assist-systeem tijdelijk
beperken of uitschakelen.
Als dit gebeurt, verschijnt de
waarschuwingsmelding 'Forward Safety
system disabled. Camera obscured' ('Systeem
veiligheid vooruit uitgeschakeld. Camera
geblokkeerd') of 'Forward Safety system disabled.
Radar blocked' (Systeem veiligheid vooruit
uitgeschakeld. Radar geblokkeerd) en
de waarschuwingslampjes branden op het
instrumentenpaneel.
De Forward Collision-Avoidance Assist (FCA;
ondersteuning botsingsvermijding voorzijde)
werkt weer naar behoren wanneer deze sneeuw,
regen of andere substantie wordt verwijderd.
Als de Forward Collision-Avoidance Assist na
obstructie (sneeuw, regen of vreemde materialen)
niet naar behoren werkt, adviseren we om de auto
te laten nakijken door een officiële HYUNDAI-
dealer.
WAARSCHUWING
Mogelijk werkt het Forward Collision-
Avoidance Assist-systeem niet goed, zonder
dat daarover een waarschuwingsmelding
verschijnt of het waarschuwingslampje gaat
branden op het instrumentenpaneel.
Mogelijk werkt de Forward Collision-
Avoidance Assist niet goed in bepaalde
gebieden (bv. open terrein), als er geen
objecten worden gedetecteerd na het
starten van de motor.
Beperkingen van het Forward
Collision-Avoidance Assist-
systeem (FCA, ondersteuning
botsingsvermijding voorzijde)
Mogelijk werkt de Forward Collision-Avoidance
Assist niet naar behoren of treedt de functie
onverwacht in werking onder de volgende
omstandigheden:
De detectiesensor of het gebied eromheen is
vuil of beschadigd
De temperatuur rond de frontzichtcamera is
hoog of laag door de omgeving
De cameralens heeft last van een getinte
voorruit of een film of coating op de voorruit,
beschadigd glas of klevende voorwerpen
(sticker, insect, enz.) op het glas
Er is vocht op de voorruit dat niet verwijderd is
of dat eraan vastgevroren is
De voorruit wordt constant met
ruitensproeiervloeistof besproeid of de
ruitenwisser is geactiveerd
Rijden bij zware regenval of sneeuw of dichte
mist
Bestuurdershulp
7-22
Het gezichtsveld van de frontzichtcamera
wordt belemmerd door schittering van de zon
Straatverlichting of licht van een tegenliggend
verkeer wordt gereflecteerd op het natte
wegdek, bv. door een plas op de weg
Er is een voorwerp op het dashboard geplaatst
Uw auto wordt gesleept
De omgeving is heel helder
De omgeving is zeer donker, bv. in een tunnel
enz.
De helderheid verandert plots, bv. wanneer u
een tunnel inrijdt of verlaat
Er is niet veel licht buiten en de koplampen zijn
niet aan of geven weinig licht
Rijden door stoom, rook of schaduw
Slechts een deel van een voertuig, voetganger
of fietser vóór de auto wordt gedetecteerd
De voorligger is een bus, een grote
vrachtwagen, een vrachtwagen met een
lading of oplegger die een ongewone vorm
heeft enz.
De voorligger heeft geen achterlichten, zijn
achterlichten bevinden zich op een ongewone
plaats enz.
Er is niet veel licht buiten en de achterlichten
zijn niet aan of geven weinig licht
De achterzijde van de voorligger is klein of het
voertuig ziet er niet normaal uit, zoals wanneer
het gekanteld is, op zijn kop ligt of overdwars
staat, enz.
De bodemvrijheid voor de auto is laag of hoog
Een voertuig, voetganger of fietser rijdt of
stapt plotseling voor u in
Het deel van de bumper rond de radar heeft
een stoot ondervonden of is beschadigd of de
radar zit niet op zijn plaats
De temperatuur rond de radar is hoog of laag
U rijdt door een tunnel of onder een ijzeren
brug door
U rijdt in een groot gebied waar weinig
voertuigen of constructies zijn (bijvoorbeeld
een woestijn, weide, voorstad enz.)
U rijdt nabij zones waar zich metalen
bevinden, zoals een bouwplaats, spoorweg
enz.
Er is een materiaal in de buurt dat de golven
van de radar zeer goed reflecteert, zoals een
vangrail, een auto enz.
De fietser vóór de auto zit op een fiets van een
materiaal dat de golven van de radar vóór niet
goed reflecteert
De voorligger wordt te laat gedetecteerd
De weg van de voorligger wordt plotseling
versperd door een obstakel
De voorligger verandert plotseling van rijstrook
of vertraagt plotseling
De voorligger is vervormd
De voorligger rijdt met een lage of hoge
snelheid
De voorligger stuurt in de tegenovergestelde
richting van uw auto om een botsing te
vermijden
Uw auto verandert langzaam van rijstrook
terwijl vóór u een voorligger rijdt
De voorligger is bedekt met sneeuw
U verlaat of keert terug naar de rijstrook
• Onstabiel rijden
U bevindt zich op een rotonde en de voorligger
wordt niet gedetecteerd
U blijft in een cirkel rijden
De voorligger heeft een ongewone vorm
De voorligger rijdt bergop of bergaf
07
7-23
De voetganger of fietser wordt niet volledig
gedetecteerd, bijvoorbeeld als hij zich
vooroverbuigt of niet helemaal rechtop loopt
De voetganger of fietser draagt kleding of
uitrusting waardoor hij moeilijk kan worden
geïdentificeerd
OADAS044
OADAS044
De afbeelding hierboven toont het beeld dat de
frontzichtcamera en radar vóór als een voertuig,
voetganger of fietser kunnen waarnemen.
De voetganger of fietser vóór de auto
verplaatst zich zeer snel
De voetganger of fietser vóór de auto is
klein van gestalte of heeft een lage houding
aangenomen
De voetganger of fietser vóór de auto heeft
een mobiliteitsbeperking
De voetganger of fietser vóór de auto
verplaatst zich haaks op de rijrichting
Er bevindt zich een groep voetgangers of
fietsers of een grote menigte voor de auto
De voetganger of fietser draagt kleding die
opgaat in de achtergrond en daardoor moeilijk
te detecteren is
De voetganger of fietser is moeilijk te
onderscheiden van een structuur met een
soortgelijke vorm in de omgeving
U rijdt voorbij een voetganger, fietser,
verkeersbord, gebouw enz., nabij het kruispunt
U rijdt op een parkeerterrein
U rijdt door een tolpoort of langs
wegwerkzaamheden, over een onverharde,
gedeeltelijk verharde of hobbelige weg, over
verkeersdrempels enz.
U rijdt op een weg met hellingen, bochten enz.
U rijdt langs bomen of straatverlichting aan de
kant van de weg
De slechte staat van de weg doet de auto
overmatig trillen tijdens het rijden
Uw auto is te hoog of te laag door een zware
lading, een abnormale bandenspanning enz.
U rijdt op een smalle weg die tussen bomen of
gras ligt of overgroeid is
Er is storing door elektromagnetische golven,
bijvoorbeeld in bepaalde gebieden met sterke
radiogolven of elektrische ruis
Bestuurdershulp
7-24
WAARSCHUWING
U rijdt op een bochtige weg
OADAS014
OADAS014
OADAS016
OADAS016
OADAS018
OADAS018
Mogelijk detecteert Forward Collision-
Avoidance Assist geen andere voertuigen,
voetgangers of fietsers vóór u, wanneer u
rijdt op bochtige wegen die de prestaties van
de sensoren verminderen. Hierdoor kunnen
waarschuwingen en remhulp uitblijven
wanneer ze wel nodig zijn.
Rijdt u op een bochtige weg, dan moet u
een veilige remafstand houden en indien
nodig sturen en het rempedaal intrappen
om snelheid te minderen en zo een veilige
afstand te bewaren.
OADAS015
OADAS015
OADAS017
OADAS017
OADAS019
OADAS019
Mogelijk detecteert Forward Collision-
Avoidance Assist een voertuig, voetganger of
fietser in de rijstrook naast u of elders buiten
uw rijstrook wanneer u op een bochtige weg
rijdt.
Als dit gebeurt, kan de Forward Collision-
Avoidance Assist mogelijk de bestuurder
waarschuwen en de rem aansturen wanneer
dat niet nodig is. Controleer altijd de
verkeersomstandigheden rond uw auto.
07
7-25
Rijden op een helling
OADAS012
OADAS012
OADAS010
OADAS010
OADAS011
OADAS011
Mogelijk detecteert Forward Collision-
Avoidance Assist geen andere voertuigen,
voetgangers of fietsers vóór u op hellende
wegen die de prestaties van de sensoren
verminderen.
Hierdoor kan het systeem mogelijk
waarschuwen, remmen of bijsturen wanneer
dat niet nodig is of niet waarschuwen,
remmen of bijsturen wanneer dat wel nodig
is.
De rijsnelheid kan ook snel dalen wanneer
plotseling een voertuig, voetganger of fietser
vóór de auto wordt gedetecteerd.
Blijf altijd op de weg letten wanneer u bergop
of bergaf rijdt. Indien nodig stuurt u en trapt
u het rempedaal in om snelheid te minderen
en zo een veilige afstand te bewaren.
Van rijbaan wisselen
OADAS030
OADAS030
[A]: Uw auto,
[B] : Een auto die van rijstrook verandert
Wanneer een voertuig vanuit een
aangrenzende rijstrook uw rijstrook oprijdt,
kan de sensor het niet detecteren totdat het
zich in zijn detectiebereik bevindt. Mogelijk
detecteert Forward Collision-Avoidance
Assist het voertuig niet onmiddellijk als het
plotseling van rijbaan wisselt. In dit geval
moet u een veilige remafstand houden
en indien nodig sturen en het rempedaal
intrappen om snelheid te minderen en zo een
veilige afstand te bewaren.
Bestuurdershulp
7-26
OADAS031
OADAS031
[A]: Uw auto [B]: Een auto die van rijstrook verandert,
[C]: voertuig op dezelfde rijstrook
Wanneer een voertuig vóór u uw rijstrook
verlaat, detecteert Forward Collision-
Avoidance Assist uw nieuwe voorligger
mogelijk niet onmiddellijk. In dit geval moet
u een veilige remafstand houden en indien
nodig sturen en het rempedaal intrappen
om snelheid te minderen en zo een veilige
afstand te bewaren.
Voertuig detecteren
OOSH069048
OOSH069048
Als een voorligger een lading heeft die
achter het voertuig uitsteekt of wanneer
een voorligger een grotere bodemvrijheid
heeft, is speciale aandacht vereist. Mogelijk
detecteert Forward Collision-Avoidance
Assist de lading die achter het voertuig
uitsteekt niet. In dit geval moet u een
veilige remafstand tot het achterste
voorwerp houden en indien nodig sturen
en het rempedaal intrappen om snelheid te
minderen en zo de afstand te bewaren.
07
7-27
WAARSCHUWING
Wanneer u een aanhanger of een ander
voertuig sleept, raden we aan dat u om
veiligheidsredenen Forward Collision-
Avoidance Assist uitschakelt.
Mogelijk grijpt het Forward Collision-
Avoidance Assist-systeem in als het
voorwerpen detecteert die door hun vorm
of bepaalde kenmerken op voertuigen,
voetgangers en fietsers lijken.
Forward Collision-Avoidance Assist werkt
niet met fietsen, motorfietsen of kleinere
voorwerpen op wielen, zoals bagagetassen,
winkel- of kinderwagens.
Mogelijk functioneert de Forward Collision-
Avoidance Assist niet naar behoren bij
storingen door sterke elektromagnetische
golven.
Mogelijk werkt Forward Collision-Avoidance
Assist niet gedurende 15 seconden na het
starten van de auto of het inschakelen van de
frontzichtcamera.
Bestuurdershulp
7-28
LANE KEEPING ASSIST (LKA, HULP BIJ RIJBAAN
AANHOUDEN) (INDIEN VAN TOEPASSING)
Het Lane Keeping Assist-systeem is ontworpen
om tijdens het rijden boven een bepaalde
snelheid rijstrookmarkeringen (of randen van de
weg) te detecteren. De Lane Keeping Assist (LKA,
rijvakassistentie) waarschuwt de bestuurder als
het voertuig de rijstrook verlaat zonder gebruik
te maken van de richtingaanwijzers of helpt
de bestuurder automatisch te sturen om zo
te helpen voorkomen dat de auto de rijstrook
verlaat.
Detectiesensor
OOSN051017L
OOSN051017L
[1]: Frontzichtcamera
De frontzichtcamera wordt gebruikt als
detectiesensor om rijstrookmarkeringen (of de
randen van de weg) te detecteren.
Zie bovenstaande afbeelding voor de precieze
locatie van de detectiesensor.
OPGELET
Zie de alinea 'Forward Collision-Avoidance
Assist (FCA, ondersteuning botsingsvermijding
voorzijde)' in hoofdstuk 7 voor meer informatie
over de voorzorgsmaatregelen voor de
frontzichtcamera.
Instellingen Lane Keeping Assist
(rijvakassistentie)
Functies instellen
OOSN071028L
OOSN071028L
Lane Safety (rijstrookveiligheid)
Met de motor aan selecteert of deselecteert
u 'Driver Assistance (Bestuurdershulp) Lane
Safety (Rijbaanveiligheid)' in het menu Settings
(instellingen) om voor iedere functie in te stellen
of ze al dan niet moet worden gebruikt.
- Als 'Assist' (Assistent) wordt geselecteerd,
helpt de Lane Keeping Assist de bestuurder
automatisch bij het sturen wanneer hij
detecteert dat de rijstrook wordt verlaten,
om te helpen voorkomen dat de auto van zijn
rijstrook afwijkt.
- Als 'Warning Only' (Alleen waarschuwing)
wordt geselecteerd, waarschuwt de Lane
Keeping Assist de bestuurder met een
waarschuwingssignaal en trillingen in het
stuurwiel wanneer het detecteert dat de auto
zijn rijstrook verlaat. De bestuurder moet zelf
bijsturen.
- Als u ‘Off’ (uit) selecteert, gaat de Lane
Keeping Assist uit. Het controlelampje
op het instrumentenpaneel dooft.
WAARSCHUWING
Als 'Warning Only’ (Alleen waarschuwing)
wordt geselecteerd, is er geen stuurhulp.
Het Lane Keeping Assist-systeem stuurt
niet bij wanneer de auto in het midden van
de rijstrook rijdt.
De bestuurder dient zich altijd bewust te
zijn van de omgeving en de auto te sturen
als 'Off' (uit) is geselecteerd.
07
7-29
OOSN071035L
OOSN071035L
Lane Keeping Assist (rijvakassistentie) in-/
uitschakelen
Met de motor aan houdt u de toets Lane
Driving Assist (hulp op de rijstrook) op het
stuurwiel ingedrukt om Lane Keeping Assist in te
schakelen. Het witte controlelampje op het
instrumentenpaneel gaat branden.
Druk opnieuw op de toets en houd deze ingedrukt
om de functie uit te schakelen.
Wanneer de motor opnieuw wordt gestart,
behoudt het Lane Keeping Assist-systeem de
laatste instelling.
OPGELET
Als de toets Lane Driving Assist kort wordt
ingedrukt, zal Lane Following Assist aan en uit
gaan.
OOSN071027L
OOSN071027L
Waarschuwingsvolume
Met de motor aan selecteert u 'Driver Assistance
Warning volume' ('Bestuurdershulp
Waarschuwingsvolume') in het menu Settings
(instellingen) om het waarschuwingsvolume
voor Lane Keeping Assist te wijzigen naar 'High',
'Medium', 'Low' ('Hoog', 'Gemiddeld', 'Laag').
Als u het waarschuwingsvolume wijzigt, kan
dat ook het waarschuwingsvolume voor andere
bestuurdershulpsystemen wijzigen.
Veilig rijden automatisch UIT in de
N-modus
OOSN071046L
OOSN071046L
Met de motor aan selecteert u 'Driver Assistance
Driving Safety Off in N ('Bestuurdershulp
Rijveiligheid Uit in N') in het menu Settings
(instellingen) om in te stellen of de functie al dan
niet moet worden gebruikt.
- Als u ‘Driving Safety Off in N mode’ (‘Veilig
rijden automatisch Uit in N-modus’) selecteert,
wordt dit gekoppeld aan de N-modus,
zodat Forward Collision-Avoidance Assist
automatisch uitschakelt wanneer de N-modus
wordt geselecteerd.
- Als u de selectie ‘Driving Safety Off in N
mode’ (‘Veilig rijden automatisch Uit in de
N-modus’) ongedaan maakt, wordt Forward
Collision-Avoidance Assist niet automatisch
uitgeschakeld, zelfs niet als de N-modus wordt
geselecteerd.
Bestuurdershulp
7-30
Werking van Lane Keeping Assist
(rijvakassistentie)
Waarschuwing en regeling
Het Lane Keeping Assist-systeem waarschuwt en
helpt de auto aan te sturen met Lane Departure
Warning (waarschuwing bij rijbaanwissel) en Lane
Keeping Assist (hulp bij rijbaan aanhouden).
Links
Links
Rechts
Rechts
OOSN071019L
OOSN071019L
OOSN071020L
OOSN071020L
Lane Departure Warning
Om de bestuurder te waarschuwen dat
het voertuig afwijkt van de geprojecteerde
rijstrook vóór de auto gaat het groene
controlelampje knipperen op het
instrumentenpaneel, knippert de rijstrooklijn
op het instrumentenpaneel naargelang de
richting die de auto opgaat, en klinkt een
waarschuwingssignaal. Het stuur gaat ook
trillen.
De Lane Keeping Assist werkt bij een
rijsnelheid tussen ongeveer 60-200 km/u
(40-120 mph).
Hulp bij rijbaan aanhouden
Om de bestuurder te waarschuwen dat
het voertuig afwijkt van de geprojecteerde
rijstrook vóór de auto gaat het groene
controlelampje knipperen op het
instrumentenpaneel en er wordt bijgestuurd
om het voertuig op de rijstrook te houden.
De Lane Keeping Assist werkt bij een
rijsnelheid tussen ongeveer 60-200 km/u
(40-120 mph).
OOSN071021L
OOSN071021L
Waarschuwing hands-off (handen van het stuur)
Als de bestuurder het stuurwiel gedurende
meerdere seconden loslaat, verschijnt de
waarschuwing ‘Place hands on the steering
wheel’ (of ‘Keep hands on the steering wheel’)
(Handen op het stuurwiel plaatsen of handen op
het stuurwiel houden) op het instrumentenpaneel
en klinkt een waarschuwingssignaal met
verschillende niveaus.
07
7-31
WAARSCHUWING
Mogelijk wordt er niet bijgestuurd als het
stuurwiel zeer stevig wordt vastgehouden of
als het voorbij een bepaalde hoek gedraaid
is.
Het Lane Keeping Assist-systeem werkt niet
de hele tijd. Het is de verantwoordelijkheid
van de bestuurder om veilig te sturen en de
auto in zijn rijstrook te houden.
Afhankelijk van de wegomstandigheden
kan de waarschuwingsmelding hands-
off mogelijk te laat verschijnen. Houd uw
handen altijd aan het stuurwiel tijdens het
rijden.
Als het stuur zeer lichtjes
wordt vastgehouden, kan de
waarschuwingsmelding hands-off
verschijnen omdat de Lane Keeping Assist de
handen van de bestuurder aan het stuur niet
opmerkt.
Als u voorwerpen aan het stuurwiel
bevestigt, is het mogelijk dat de
waarschuwing hands-off niet goed werkt.
Informatie
Zie het onderdeel ‘Voertuiginstellingen’
in hoofdstuk 4 voor meer informatie
over het instellen van de functies in het
infotainmentsysteem.
Wanneer rijstrookmarkeringen (of wegranden)
worden gedetecteerd, veranderen de
rijstrooklijnen op het instrumentenpaneel van
grijs naar wit en gaat het groene controlelampje
branden.
Rijstrook niet
Rijstrook niet
gesignaleerd
gesignaleerd
Rijstrook
Rijstrook
gesignaleerd
gesignaleerd
OOSN081027N
OOSN081027N
OOSN071019N
OOSN071019N
Hoewel het Lane Keeping Assist-systeem
bijstuurt, kan de bestuurder steeds zelf sturen.
Het stuurwiel kan wel zwaarder of lichter
aanvoelen terwijl Lane Keeping Assist bijstuurt
dan wanneer dat niet het geval is.
Bestuurdershulp
7-32
Storingen en beperkingen van
de Lane Keeping Assist
Storing Lane Keeping Assist
Type A
Type A
Type B
Type B
OTM070035N
OTM070035N
OTM070035L
OTM070035L
Als Lane Keeping Assist niet naar behoren werkt,
verschijnt de waarschuwingsmelding 'Check
Lane Keep Assist (LKA) system’ ('Controleer
systeem hulp bij rijbaan aanhouden (LKA)') en
gaat het gele controlelampje branden op
het instrumentenpaneel. Laat de auto in dit geval
inspecteren door een officiële HYUNDAI-dealer.
Beperkingen van de Lane Keeping
Assist
Mogelijk werkt het Lane Keeping Assist niet naar
behoren of grijpt het systeem onverwacht in
onder de volgende omstandigheden:
De rijstrook is vuil of moeilijk te detecteren:
- de rijstrookmarkeringen (of wegrand)
bedekt zijn met regen, sneeuw, vuil, olie
enz.
- De kleur van de rijstrookmarkering (of
randen van de weg) niet waarneembaar is
vanaf de rijbaan
- Er op de rijbaan in de buurt van de
rijstrookmarkeringen (of wegranden) zijn
aangebracht of doordat de markeringen
(of wegranden) op de rijbaan lijken op de
rijstrookmarkeringen (of wegrand)
- De rijstrookmarkering (of wegrand) is
onduidelijk of beschadigd
- Er bevinden zich schaduwen op de
wegmarkering (of wegrand), bijv. van een
middenberm, bomen, vangrail, geluidswal,
enz.
Het aantal rijstroken verandert of de rijstroken
worden samengevoegd
De weg heeft meer dan twee
rijstrookmarkeringen (of wegranden)
De rijstrookmarkeringen (of wegranden) zijn
ingewikkeld of een constructie doet dienst
als rijstrookmarkering, bijv. in het geval van
wegwerkzaamheden
Er zijn wegmarkeringen zoals zigzaglijnen,
oversteekplaats of verkeersborden
De rijstrook plotseling verdwijnt, bv. bij een
kruising
De rijstrook (of de weg) zeer breed of zeer
smal is
Er is een wegrand zonder rijstrook
De rijweg wordt begrensd door een structuur,
zoals een tolpoort, stoep, stoeprand enz.
De afstand tot uw voorligger zeer klein is of
uw voorligger op de wegmarkering (of de rand
van de weg) staat
07
7-33
Informatie
Zie de paragraaf 'Forward Collision-Avoidance
Assist (FCA, ondersteuning botsingsvermijding
voorzijde)' in hoofdstuk 7 voor meer informatie
over de beperkingen van de frontzichtcamera.
WAARSCHUWING
Neem bij het gebruik van het Lane Keeping
Assist (LKA) systeem altijd de volgende
voorzorgsmaatregelen in acht:
De bestuurder is er verantwoordelijk voor
veilig te rijden en de auto onder controle te
houden. Vertrouw niet uitsluitend op Lane
Keeping Assist en rijd veilig.
Afhankelijk van de wegomstandigheden en
de omgeving wordt de werking van Lane
Keeping Assist mogelijk geannuleerd of
werkt het systeem mogelijk niet goed. Wees
altijd voorzichtig als u rijdt.
Raadpleeg 'Beperkingen van de Lane
Keeping Assist' als de rijstrook niet goed
wordt gedetecteerd.
Wanneer u een aanhanger of een ander
voertuig sleept, raden we aan dat u Lane
Keeping Assist om veiligheidsredenen
uitschakelt.
Bij hoge rijsnelheden wordt er niet
bijgestuurd. De bestuurder moet zich altijd
aan de geldende snelheidslimiet houden als
hij de Lane Keeping Assist gebruikt.
Mogelijk verschijnt of klinkt de
waarschuwingsmelding of het
waarschuwingssignaal van Lane Keeping
Assist niet als een waarschuwingsmelding
of waarschuwingssignaal van een ander
systeem wordt weergegeven of klinkt.
Mogelijk hoort u het waarschuwingssignaal
van Lane Keeping Assist niet als er veel
lawaai in de omgeving is.
Als u voorwerpen aan het stuurwiel
bevestigt, wordt er mogelijk niet correct
bijgestuurd.
Mogelijk werkt Lane Keeping Assist niet
gedurende 15 seconden na het starten
van de auto of het inschakelen van de
frontzichtcamera.
Lane Keeping Assist werkt niet wanneer:
- De richtingaanwijzer of
alarmknipperlichten ingeschakeld zijn
- De auto niet in het midden van de rijstrook
rijdt terwijl de Lane Keeping Assist wordt
ingeschakeld of onmiddellijk na een
rijstrookwissel
- ESC (elektronische stabiliteitscontrole)
of VSM (voertuigstabiliteitsregeling)
geactiveerd is
- De auto door een scherpe bocht gaat
- De rijsnelheid lager dan 55 km/h (35 mph)
of hoger dan 210 km/h (130 mph) is
- De auto abrupt van rijstrook wisselt
- De auto plotseling remt
Bestuurdershulp
7-34
BLIND-SPOT COLLISION-AVOIDANCE ASSIST (BCA,
BOTSINGSVERMIJDING BLINDE HOEK) (INDIEN VAN
TOEPASSING)
Blind-Spot Collision-Avoidance Assist
(botsingsvermijding blinde hoek) is ontworpen
om voertuigen die naderen en zich in de blinde
hoek van de bestuurder bevinden te detecteren
en te controleren en de bestuurder met een
melding en een signaal te waarschuwen als een
aanrijding dreigt.
Als het risico op een botsing bestaat bij een
rijstrookwissel of het voorwaarts verlaten van
een parkeerplaats, kan de Blind-Spot Collision-
Avoidance Assist (botsingsvermijding blinde hoek)
helpen die bovendien te vermijden door de rem
te activeren.
OJX1079256
OJX1079256
Blind-Spot Collision-Avoidance Assist detecteert
en informeert de bestuurder als er zich een
voertuig in zijn/haar dode hoek bevindt.
OPGELET
Afhankelijk van uw rijsnelheid kan het
detectiebereik variëren. Als met hoge snelheid
een voertuig voorbijrijdt, is het mogelijk dat
de Blind-Spot Collision-Avoidance Assist
(botsingsvermijding blinde hoek) u er niet voor
waarschuwt, zelfs als het zich in uw dode hoek
bevindt.
OJX1079026
OJX1079026
Blind-spot Collision-avoidance Assist
(botsingsvermijding blinde hoek) detecteert en
informeert de bestuurder dat een voertuig met
hoge snelheid nadert uit de dodehoekzone.
OPGELET
Het waarschuwingsmoment kan variëren
afhankelijk van de rijsnelheid van het naderende
voertuig.
OJX1079027
OJX1079027
Als Blind-spot Collision-avoidance Assist bij een
rijstrookwissel waarneemt dat het gevaar bestaat
voor een botsing met een voertuig dat zich in
de blinde hoek bevindt, kan hij helpen om een
aanrijding te vermijden door de rem te activeren.
07
7-35
OJX1079028
OJX1079028
Als u voorwaarts een parkeerplek verlaat en de
Blind-spot Collision-avoidance Assist inschat dat
er kans op een botsing bestaat met een naderend
voertuig dat zich in de blinde hoek bevindt, kan
het helpen om een aanrijding te vermijden door
te remmen.
Detectiesensor
OOSN051017L
OOSN051017L
OOSN071004L
OOSN071004L
[1]: Frontzichtcamera,
[2]: Hoekradar achteraan
Zie bovenstaande afbeelding voor de precieze
locatie van de detectiesensoren.
OPGELET
Neem de volgende voorzorgsmaatregelen om
de optimale prestaties van de detectiesensor te
waarborgen:
Demonteer nooit de hoekradar achter of de
radarunit en beschadig ze niet.
Als er schade is aan of nabij de hoekradar
achter of als er een kracht op uitgeoefend
is, kan het Blind-spot Collision Warning-
systeem (botsingsvermijding blinde hoek)
mogelijk niet goed functioneren, ook al
verschijnt er geen waarschuwingsmelding
op het instrumentenpaneel. We adviseren
u de auto te laten controleren door een
officiële HYUNDAI-dealer.
Als de hoekradar achter is vervangen of
gerepareerd, raden we u aan uw auto te laten
controleren door een officiële HYUNDAI-
dealer.
Gebruik uitsluitend originele onderdelen om
de achterbumper te repareren op de plaats
waar de hoekradar achter zit.
Breng geen kentekenplaathouder of andere
voorwerpen, zoals een bumpersticker, folie
of bumperbescherming aan in de buurt van
de hoekradar achter.
Mogelijk werkt de Blind-spot Collision-
avoidance Assist (botsingsvermijding blinde
hoek) niet goed als de bumper is vervangen
of als de omgeving van de hoekradar achter
beschadigd of gelakt is.
Als er een aanhanger, drager of iets
dergelijks is geïnstalleerd, kan dit de
werking van de hoekradar achteraan of
de Blind-spot Collision-avoidance Assist
(botsingsvermijding blinde hoek) verstoren
of werkt de functie mogelijk niet.
Bestuurdershulp
7-36
Informatie
Zie de alinea 'Forward Collision-Avoidance
Assist (FCA, ondersteuning botsingsvermijding
voorzijde)' in hoofdstuk 7 voor meer informatie
over de voorzorgsmaatregelen voor de
frontzichtcamera.
Instellingen Blind-Spot
Collision-Avoidance Assist
(botsingsvermijding blinde
hoek)
Functies instellen
OOSN071029L
OOSN071029L
Blind-Spot Safety (veiligheid blinde hoek)
Met de motor aan selecteert of deselecteert u
'Driver Assistance (Bestuurdershulp) Blind Spot
Safety (Dodehoekveiligheid)' in het menu Settings
(instellingen) om voor iedere functie in te stellen
of ze al dan niet moet worden gebruikt.
- Als 'Active Assist' (Actieve ondersteuning)
wordt geselecteerd, waarschuwt de
Blind-spot Collision-avoidance Assist
(botsingsvermijding blinde hoek) de
bestuurder met een waarschuwingsbericht,
een waarschuwingssignaal en trillingen
in het stuurwiel en wordt de remhulp
geactiveerd, afhankelijk van het niveau van het
botsingsrisico.
- Als 'Warning Only’ (Alleen waarschuwen)
wordt geselecteerd, waarschuwt de
Blind-spot Collision-avoidance Assist
(botsingsvermijding blinde hoek) de
bestuurder met een waarschuwingsmelding,
een waarschuwingssignaal of een trilling in het
stuurwiel, afhankelijk van het niveau van het
botsingsrisico. Er is geen remhulp.
- Als u voor ‘Off’ (uit) kiest, gaat de Blind-spot
Collision-avoidance Assist uit.
OTM070097N
OTM070097N
Wanneer de motor opnieuw wordt gestart
terwijl de Blind-spot Collision-avoidance Assist
(botsingsvermijding blinde hoek) uitgeschakeld
is, verschijnt de melding 'Blind-Spot Safety
System is Off' (Dodehoekveiligheidssysteem is
uitgeschakeld) op het instrumentenpaneel.
Als u de instelling wijzigt van 'Off' ('Uit') naar
'Active Assist' (Actieve ondersteuning) of
'Warning Only’ (Alleen waarschuwen), knippert
het waarschuwingslampje op de buitenspiegel
gedurende drie seconden.
Ook als de auto wordt gestart terwijl de
Blind-Spot Collision-Avoidance Assist
(botsingsvermijding blinde hoek) is ingesteld
op 'Active Assist' (Actieve ondersteuning) of
'Warning Only' (Alleen waarschuwen), knippert
het waarschuwingslampje op de buitenspiegel
gedurende drie seconden.
07
7-37
Veilig rijden automatisch UIT in de
N-modus
OOSN071046L
OOSN071046L
Met de motor aan selecteert u 'Driver Assistance
Driving Safety Off in N ('Bestuurdershulp
Rijveiligheid Uit in N') in het menu Settings
(instellingen) om in te stellen of de functie al dan
niet moet worden gebruikt.
- Als u ‘Driving Safety Off in N mode’ (‘Veilig
rijden automatisch Uit in N-modus’) selecteert,
wordt dit gekoppeld aan de N-modus,
zodat Blind-Spot Collision-Avoidance Assist
automatisch uitschakelt wanneer de N-modus
wordt geselecteerd.
- Als u de selectie ‘Driving Safety Off in N
mode’ (‘Veilig rijden automatisch Uit in de
N-modus’) ongedaan maakt, wordt Blind-Spot
Collision-Avoidance Assist niet automatisch
uitgeschakeld, zelfs niet als de N-modus wordt
geselecteerd.
WAARSCHUWING
Als 'Warning Only’ (Alleen waarschuwing)
wordt geselecteerd, is er geen remhulp.
Als 'Off' (uit) wordt geselecteerd, moet de
bestuurder zich altijd bewust zijn van de
omgeving en veilig rijden.
Informatie
Wanneer de motor opnieuw wordt gestart,
behoudt de Blind-spot Collision-Avoidance Assist
(botsingsvermijding blinde hoek) de laatste
instelling.
OOSN071026L
OOSN071026L
Waarschuwingsmoment
Met de motor aan, selecteert u 'Driver
Assistance (Bestuurdershulp) Warning Timing
(Timing waarschuwing)' in het menu Settings
(instellingen) om de initiële activeringstijd voor
de waarschuwing van de Blind-Spot Collision-
Avoidance Assist (botsingsvermijding blinde hoek)
te wijzigen.
Wanneer uw auto wordt afgeleverd, is het
waarschuwingsmoment ingesteld op ‘Normal’
(Normaal). Als u het Waarschuwingsmoment
wijzigt, kan dat ook het Waarschuwingsmoment
voor andere bestuurdershulpsystemen wijzigen.
Bestuurdershulp
7-38
OOSN071027L
OOSN071027L
Waarschuwingsvolume
Met de motor aan selecteert u 'Driver Assistance
Warning volume' ('Bestuurdershulp
Waarschuwingsvolume') in het menu Settings
(instellingen) om het waarschuwingsvolume voor
Blind-Spot-Collision-Avoidance Assist te wijzigen
naar 'High', 'Medium', 'Low' of 'Off' ('Hoog',
'Gemiddeld', 'Laag' of 'Uit').
Als u het waarschuwingsvolume wijzigt, kan
dat ook het waarschuwingsvolume voor andere
bestuurdershulpsystemen wijzigen.
OPGELET
De instellingen voor het
waarschuwingsmoment en het
waarschuwingsvolume worden toegepast
bij alle functies van de Blind-Spot Collision-
Avoidance Assist (botsingsvermijding blinde
hoek).
Zelfs als voor het waarschuwingsmoment
'Normal' wordt geselecteerd, kan het lijken
dat de waarschuwing te laat komt als er een
voertuig met een hoge snelheid nadert.
Selecteer voor het waarschuwingsmoment
'Late' ('Laat') wanneer er weinig verkeer is en
u traag rijdt.
Blind-Spot Collision-Avoidance
Assist (BCA - botsingsvermijding
blinde hoek)
Waarschuwing en regeling
OOS057024
OOS057024
Voertuigdetectie
Om de bestuurder te waarschuwen dat
een voertuig wordt gedetecteerd, gaat het
waarschuwingslampje op de buitenspiegel en
het head-updisplay (indien van toepassing)
branden.
De Blind-Spot Collision-Avoidance Assist
(botsingsvermijding blinde hoek) werkt
wanneer uw rijsnelheid hoger is dan 20 km/u
(12 mph) en de snelheid van het voertuig in de
dodehoekzone hoger is dan 10 km/u (7 mph).
07
7-39
Collision Warning (Botsing waarsch.)
Collision Warning werkt wanneer de
richtingaanwijzer wordt ingeschakeld in de
richting van de gedetecteerde auto.
Als 'Warning Only' (Alleen waarschuwing)
wordt geselecteerd in het menu Settings
(Instellingen), werkt de Collision Warning
(Botsing waarsch.) wanneer uw auto de
rijstrook nadert waarin het voertuig in uw dode
hoek is gedetecteerd.
Om de bestuurder te waarschuwen
voor een aanrijding, knipperen het
waarschuwingslampje op de buitenspiegel en
het head-updisplay (indien van toepassing).
Tegelijk klinkt een waarschuwingssignaal en
gaat het stuur trillen.
Als de richtingaanwijzer wordt uitgeschakeld
of u wegrijdt van de rijstrook in kwestie, wordt
de botsingswaarschuwing geannuleerd en
schakelt de Blind-Spot Collision-Avoidance
Assist (botsingsvermijding blinde hoek)
opnieuw de voertuigdetectiemodus in.
WAARSCHUWING
Het detectiebereik van de hoekradar
achter wordt bepaald door de standaard
wegbreedte. Op een smalle weg is het
dus mogelijk dat de Blind-Spot Collision-
Avoidance Assist (botsingsvermijding
blinde hoek) andere voertuigen op de beide
rijstroken detecteert en u waarschuwt.
Mogelijk kan de Blind-Spot Collision-
Avoidance Assist (botsingsvermijding blinde
hoek) op een brede weg een voertuig op de
rijstrook naast u niet detecteren en u er niet
voor waarschuwen.
Wanneer de alarmknipperlichten
ingeschakeld zijn, werkt de waarschuwing
voor aanrijding d.m.v. de richtingaanwijzer
niet.
Informatie
Als het stuur links zit, krijgt u een Collision
Warning (Botsing waarsch.) wanneer u naar
links rijdt. Bewaar een correcte afstand tot de
voertuigen in de rijstrook links van u. Als het
stuur rechts zit, kunt u een Collision Warning
(Botsing waarsch.)krijgen wanneer u naar
rechts rijdt. Bewaar een correcte afstand tot de
voertuigen in de rijstrook rechts van u.
De afbeeldingen en kleuren op het
instrumentenpaneel kunnen afwijken per type
instrumentenpaneel of gekozen thema.
OOSN071005L
OOSN071005L
Collision-Avoidance Assist (botsingsvermijding)
(tijdens het rijden)
Om de bestuurder te waarschuwen voor een
aanrijding, knippert het waarschuwingslampje
op de buitenspiegel; ook verschijnt er
een waarschuwingsmelding op het
instrumentenpaneel. Tegelijk klinkt een
waarschuwingssignaal, knippert een
waarschuwingslampje op het Head-Up
Display en gaat het stuurwiel trillen (indien van
toepassing).
De Blind-Spot Collision-Avoidance Assist
(botsingsvermijding blinde hoek) werkt
wanneer uw rijsnelheid tussen ongeveer
60-200 km/u (40~120 mph) ligt en de
rijstrookmarkeringen aan beide zijden van uw
rijstrook worden gedetecteerd.
De noodrem wordt geactiveerd om een
botsing met het voertuig in de dodehoekzone
te helpen voorkomen.
Bestuurdershulp
7-40
WAARSCHUWING
Collision-avoidance assist wordt
geannuleerd onder de volgende
omstandigheden:
- Uw auto rijdt op een bepaalde afstand de
rijstrook naast u op
- Uw auto is niet meer in de buurt van het
botsingsrisico
- Het stuurwiel wordt omgegooid
- Het rempedaal wordt ingetrapt
- Forward Collision-Avoidance Assist
(ondersteuning botsingsvermijding
voorzijde) actief is
Nadat de Blind-Spot Collision-Avoidance
Assist (botsingsvermijding blinde hoek) heeft
ingegrepen of na een rijstrookwissel moet
u in het midden van de rijstrook gaan rijden.
De Blind-Spot Collision-Avoidance Assist
(botsingsvermijding blinde hoek) werkt
niet als de auto niet in het midden van zijn
rijstrook rijdt.
OOSN071006L
OOSN071006L
Collision-avoidance assist (botsingsvermijding) (bij
het wegrijden)
Om de bestuurder te waarschuwen voor een
aanrijding, knippert het waarschuwingslampje
op de buitenspiegel; ook verschijnt er
een waarschuwingsmelding op het
instrumentenpaneel. Tegelijk klinkt een
waarschuwingssignaal, knippert een
waarschuwingslampje op het Head-Up
Display en gaat het stuurwiel trillen (indien van
toepassing).
De Blind-Spot Collision-Avoidance Assist
(botsingsvermijding blinde hoek) werkt
wanneer uw rijsnelheid lager is dan 3 km/u
(2 mph) en de snelheid van het voertuig in de
dodehoekzone hoger is dan 5 km/u (3 mph).
De noodrem wordt geactiveerd om een
botsing met het voertuig in de dodehoekzone
te helpen voorkomen.
07
7-41
OOSN071018L
OOSN071018L
De auto tot stilstand brengen en het aansturen van
de remmen beëindigen
Wanneer de auto tot stilstand is gebracht
door Emergency braking (Noodremmen),
verschijnt de waarschuwing 'Drive carefully’
(Rij voorzichtig) op het instrumentenpaneel.
Voor zijn/haar veiligheid dient de bestuurder
het rempedaal onmiddellijk in te trappen en de
omgeving te controleren.
Het aansturen van de remmen wordt
beëindigd nadat de auto door toedoen
van Emergency braking (Noodremmen)
gedurende ongeveer 2 seconden heeft
stilgestaan.
WAARSCHUWING
Tref de volgende voorzorgsmaatregelen
wanneer u gebruikmaakt van de Blind-Spot
Collision-Avoidance Assist (botsingsvermijding
blinde hoek):
Wijzig voor uw veiligheid de instellingen pas
nadat u de auto op een veilige plaats heeft
geparkeerd.
Mogelijk verschijnt of klinkt de
waarschuwing of het waarschuwingssignaal
van de Blind-spot Collision-Avoidance
Assist (botsingsvermijding blinde hoek)
niet als een waarschuwingsmelding of
waarschuwingssignaal van een ander
systeem wordt weergegeven of klinkt.
Mogelijk hoort u het waarschuwingssignaal
van het Blind-spot Collision-avoidance Assist
(botsingsvermijding blinde hoek) niet als er
veel lawaai in de omgeving is.
Mogelijk werkt de Blind-spot Collision-
avoidance Assist (botsingsvermijding blinde
hoek) niet als de bestuurder het rempedaal
intrapt om een aanrijding te voorkomen.
Zolang de Blind-spot Collision-avoidance
Assist (botsingsvermijding blinde hoek)
actief is, wordt het aansturen van de remmen
door de functie automatisch geannuleerd
wanneer de bestuurder het gaspedaal hard
intrapt of abrupt het stuur omgooit.
Terwijl de Blind-Spot Collision-Avoidance
Assist (botsingsvermijding blinde hoek)
ingrijpt, kan de auto plotseling tot
stilstand komen, waarbij letsel kan worden
toegebracht aan passagiers en losse
voorwerpen kunnen verschuiven. Zorg dat
alle inzittenden steeds hun veiligheidsgordel
om hebben en dat losse voorwerpen altijd
goed worden vastgezet.
Ook als er een probleem is met het
Blind-Spot Collision-Avoidance Assist
(botsingsvermijding blinde hoek) is, werken
de remmen naar behoren.
De Blind-Spot Collision-Avoidance Assist
(botsingsvermijding blinde hoek) werkt niet
in alle situaties en kan niet alle aanrijdingen
voorkomen.
Mogelijk waarschuwt de Blind-Spot Collision-
Avoidance Assist (botsingsvermijding
blinde hoek) de bestuurder te laat of
helemaal niet, afhankelijk van de weg- en
rijomstandigheden.
De bestuurder moet het voertuig te allen
tijde onder controle houden. Vertrouw
niet volledig op de Blind-Spot Collision-
Avoidance Assist (botsingsvermijding blinde
hoek). Houd een veilige remafstand en trap
indien nodig het rempedaal in om snelheid
te minderen of het voertuig tot stilstand te
brengen.
Laat de Blind-Spot Collision-Avoidance
Assist (botsingsvermijding blinde hoek) nooit
reageren op mensen, dieren, voorwerpen
enz. Dit kan ernstig of dodelijk letsel
veroorzaken.
Bestuurdershulp
7-42
WAARSCHUWING
Afhankelijk van de status van ESC (elektronische
stabiliteitsregeling) is het mogelijk dat
het aansturen van de remmen niet goed
functioneert.
Er zal alleen een waarschuwing worden gegeven
in de volgende gevallen:
Het waarschuwingslampje ESC
(elektronische stabiliteitsregeling) brandt
ESC (elektronische stabiliteitsregeling) voert
een andere functie uit
Storing en beperkingen van de
Blind-Spot Collision-Avoidance
Assist (botsingsvermijding
blinde hoek)
Storing in de Blind-Spot
Collision-Avoidance Assist
(botsingsvermijding blinde hoek)
OTM070099N
OTM070099N
Als de Blind-Spot Collision-Avoidance
Assist (botsingsvermijding blinde hoek)
niet naar behoren werkt, verschijnt enkele
seconden de waarschuwingsmelding 'Check
Blind-Spot Safety system(s)' (Controleer
dodehoekveiligheidssyste(e)m(en)) op
het instrumentenpaneel en gaat het
hoofdwaarschuwingslampje (
(
) branden op
het instrumentenpaneel. Laat de auto in dit geval
inspecteren door een officiële HYUNDAI-dealer.
Type A
Type A
Type B
Type B
OTM070100N
OTM070100N
OTM070100L
OTM070100L
Als het waarschuwingslampje in de buitenspiegel
niet naar behoren werkt, verschijnt de
waarschuwing ‘Check side view mirror warning
light’ (of ‘Check outside mirror warning icon’)
(‘Controleer het alarm-symbool zijspiegel’ of
‘Controleer het alarm-symbool buitenspiegel’)
op het instrumentenpaneel en gaat het
hoofdwaarschuwingslampje (
(
) branden. Laat
de auto in dit geval inspecteren door een officiële
HYUNDAI-dealer.
07
7-43
Blind-Spot Collision-Avoidance
Assist (botsingsvermijding blinde
hoek) uitgeschakeld
OTM070098N
OTM070098N
Als het deel van de achterbumper waar de
achterste hoekradar of de sensor zich bevindt,
bedekt is met vuil, zoals sneeuw of regen, of als
een aanhanger of drager wordt geplaatst, kan dit
de detectieprestaties verminderen en Blind-Spot
Collision-Avoidance Assist (botsingsvermijding
blinde hoek) tijdelijk beperken of uitschakelen.
Als dit gebeurt, verschijnt de
waarschuwingsmelding 'Blind-Spot
Safety system disabled. Radar blocked'
(Dodehoekveiligheidssysteem uitgeschakeld.
Radar geblokkeerd) op het instrumentenpaneel.
De Blind-Spot Collision-Avoidance Assist
(botsingsvermijding blinde hoek) werkt normaal
als dit vuil of de aanhanger, enz. is verwijderd en
de motor daarna opnieuw wordt gestart.
Als de Blind-Spot Collision-Avoidance Assist
(botsingsvermijding blinde hoek) niet goed werkt
nadat het verwijderd is, adviseren we om de auto
te laten nakijken door een officiële HYUNDAI-
dealer.
WAARSCHUWING
Mogelijk werkt de Blind-Spot Collision-
Avoidance Assist (botsingsvermijding blinde
hoek) niet goed, zonder dat daarover een
waarschuwingsmelding verschijnt op het
instrumentenpaneel.
Mogelijk werkt de Blind-Spot Collision-
Avoidance Assist (botsingsvermijding blinde
hoek) niet goed in bepaalde gebieden (bv.
open terrein), waar eventuele voorwerpen
niet worden gedetecteerd na het starten
van de motor of wanneer de detectiesensor
vlak het starten van de motor bedekt is met
vreemd materiaal.
OPGELET
Schakel Blind-Spot Collision-Avoidance Assist
uit om een trailer, aanhangwagen of een andere
sleep te bevestigen of te verwijderen. Schakel
Blind-Spot Collision-Avoidance Assist in als dit
is voltooid.
Beperkingen van de Blind-
Spot Collision-Avoidance Assist
(botsingsvermijding blinde hoek)
Mogelijk werkt de Blind-Spot Collision-Avoidance
Assist niet naar behoren of treedt de functie
onverwacht in werking onder de volgende
omstandigheden:
Slecht weer, zoals hevige sneeuwval, zware
regen enz.
De hoekradar achter is bedekt met sneeuw,
regen, vuil enz.
De temperatuur rond de hoekradar achter is
hoog of laag
De auto rijdt op een op- of afrit van een
snelweg (of hoofdweg)
Bestuurdershulp
7-44
Het wegdek (of de grond eromheen) bevat
ongewone metalen (bijv. door de aanleg van
een tunnel)
Er is een vast voorwerp in de buurt van de
auto, zoals een geluidsscherm, vangrail,
middenberm, slagboom, lamp, bord, tunnel,
muur enz. (inclusief dubbele structuren)
U rijdt in een groot gebied waar weinig
voertuigen of constructies zijn (bijvoorbeeld
een woestijn, weide, voorstad enz.)
U rijdt op een smalle weg die tussen bomen of
gras ligt of overgroeid is
U rijdt op een nat wegdek, zoals een plas op
de weg
Een achterligger rijdt op een zeer kleine
afstand van u of een andere auto rijdt op een
kleine afstand voorbij uw auto
Een andere auto rijdt u zeer snel voorbij, zodat
hij slechts heel kort naast u rijdt
Uw auto rijdt een andere auto voorbij
Uw auto verandert van rijstrook
Uw auto is op hetzelfde tijdstip als het voertuig
naast u vertrokken en heeft geaccelereerd
Het voertuig op de rijstrook naast u schuift
nog een rijstrook verder op, of een voertuig
twee rijstroken verderop schuift over naar de
rijstrook naast u
Er is een aanhanger, drager of andere
bevestiging bevestigd in de buurt van de
hoekradar achter
Het deel van de bumper rond de hoekradar
achter wordt bedekt door een bepaald
voorwerp, zoals een bumpersticker,
bumperbescherming, een fietsendrager enz.
Het deel van de bumper rond de hoekradar
achter heeft een stoot ondervonden of is
beschadigd, of de radar zit niet op zijn plaats
Uw auto is te hoog of te laag door een zware
lading, een abnormale bandenspanning enz.
Mogelijk werkt de Blind-Spot Collision-Avoidance
Assist (botsingsvermijding blinde hoek) niet
normaal of treedt de functie onverwacht in
werking wanneer de volgende voorwerpen
worden gedetecteerd:
Een motorfiets of fiets
Een platte aanhanger of gelijkaardig voertuig
Een groot voertuig zoals een bus of een
vrachtwagen
Er wordt een bewegend obstakel zoals
een voetganger, dier, winkelwagentje of
kinderwagen gedetecteerd
Een voertuig met een geringe hoogte, zoals
een sportwagen
07
7-45
Mogelijk werkt het aansturen van de remmen niet
en is de aandacht van de bestuurder vereist in de
volgende gevallen:
De auto trilt ernstig wanneer hij op een
wegdek rijdt dat hobbelig, ongelijkmatig of
met beton hersteld is
U rijdt op een ondergrond die glad is door
sneeuw, waterplassen, ijs enz.
De bandendruk is laag of er is een band
beschadigd
De remmen zijn afgesteld
De auto wisselt abrupt van rijstrook
Informatie
Zie de paragraag 'Forward Collision-Avoidance
Assist (FCA, Ondersteuning botsingsvermijding
voorzijde) en 'Lane Keeping Assist (LKA, Hulp
bij rijbaan aanhouden’) in hoofdstuk 7 voor
meer informatie over de beperkingen van de
frontzichtcamera.
WAARSCHUWING
U rijdt op een bochtige weg
OJX1079057
OJX1079057
Mogelijk werkt de Blind-Spot Collision-
Avoidance Assist (botsingsvermijding blinde
hoek) niet goed op bochtige wegen. Mogelijk
detecteert de functie het voertuig op de
rijstrook naast u niet.
Let tijdens het rijden altijd op de weg en de
rijomstandigheden.
OJX1079058
OJX1079058
Mogelijk werkt de Blind-Spot Collision-
Avoidance Assist (botsingsvermijding blinde
hoek) niet goed op bochtige wegen. Mogelijk
detecteert de functie een voertuig in uw
rijstrook.
Let tijdens het rijden altijd op de weg en de
rijomstandigheden.
Bestuurdershulp
7-46
Rijden waar rijstroken samenvoegen/
splitsen
OJX1079059
OJX1079059
Mogelijk werkt de Blind-Spot Collision-
Avoidance Assist (botsingsvermijding blinde
hoek) niet goed op plaatsen waar de rijstrook
splitst of meerdere rijstroken samenkomen.
Mogelijk detecteert de functie het voertuig
op de rijstrook naast u niet.
Let tijdens het rijden altijd op de weg en de
rijomstandigheden.
Rijden op een helling
OTM070031
OTM070031
Mogelijk werkt de Blind-Spot Collision-
Avoidance Assist niet goed op hellingen.
Mogelijk detecteert de functie het voertuig
op de rijstrook naast u niet of detecteert het
onbedoeld de grond of een voorwerp.
Let tijdens het rijden altijd op de weg en de
rijomstandigheden.
Rijden waar de rijstroken op verschillende
hoogten lopen
OOSN071003L
OOSN071003L
Mogelijk werkt de Blind-Spot Collision-
Avoidance Assist (botsingsvermijding
blinde hoek) niet goed op plaatsen waar
de rijstroken op verschillende hoogten
lopen. Mogelijk detecteert de functie een
voertuig niet op een weg waar de rijstroken
op verschillende hoogten lopen (opritten
bij onderdoorgangen, ongelijkgrondse
kruisingen enz.).
Let tijdens het rijden altijd op de weg en de
rijomstandigheden.
WAARSCHUWING
Zorg dat u de Blind-Spot Collision-Avoidance
Assist (botsingsvermijding blinde hoek)
uitschakelt wanneer u een aanhanger of een
ander voertuig sleept.
Mogelijk functioneert de Blind-
Spot Collision-Avoidance Assist
(botsingsvermijding blinde hoek)
niet normaal bij storing door sterke
elektromagnetische golven.
Mogelijk werkt de Blind-Spot Collision-
Avoidance Assist (botsingsvermijding blinde
hoek) niet gedurende 15 seconden na het
starten van de auto of na het inschakelen van
de frontzichtcamera of hoekradars achter.
07
7-47
SAFE EXIT WARNING (WAARSCHUWING BIJ VEILIG
UITSTAPPEN, SEW) (INDIEN VAN TOEPASSING)
OOS070026K
OOS070026K
Wanneer een passagier een portier opent nadat
de auto tot stilstand is gekomen, waarschuwt
het Safe Exit Warning-systeem de bestuurder
met een waarschuwingsmelding en een
waarschuwingssignaal wanneer een naderend
voertuig in de zone achter de auto wordt
gedetecteerd. Zo helpt het systeem aanrijdingen
voorkomen.
OPGELET
Het waarschuwingsmoment kan variëren
afhankelijk van de snelheid van het naderende
voertuig.
Detectiesensor
OOSN071002L
OOSN071002L
[1]: Hoekradar achteraan
Zie bovenstaande afbeelding voor de precieze
locatie van de detectiesensoren.
OPGELET
Zie het onderdeel "Blind-Spot Collision-
Avoidance Assist (BCA)" in hoofdstuk 7 voor
meer informatie over de voorzorgsmaatregelen
voor de hoekradars achteraan.
Bestuurdershulp
7-48
Instellingen Safe Exit Warning
(waarschuwing bij veilig
uitstappen)
Functies instellen
OOSN071030L
OOSN071030L
Safe Exit Warning (waarschuwing bij veilig
uitstappen)
Terwijl de toets ENGINE START/STOP (Motor
starten/stoppen) in stand ON staat, selecteert u
'Driver Assistance (Bestuurdershulp) Blind-Spot
Safety (Dodehoekveiligheid) Safe Exit Warning
(SEW (Safe Exit Warning))' in het menu Settings
(instellingen) om Safe Exit Assist in te schakelen
en heft u de selectie op om de functie uit te
schakelen.
WAARSCHUWING
De bestuurder dient zich altijd bewust te zijn van
zijn of haar omgeving. Als 'Safe Exit Warning'
(SEW (Safe Exit Warning)) is uitgeschakeld, kan
de Safe Exit Warning u niet helpen.
Informatie
Wanneer de motor opnieuw wordt gestart, behoudt
de Safe Exit Warning de laatste instelling.
OOSN071026L
OOSN071026L
Waarschuwingsmoment
Met de motor aan, selecteert u 'Driver
Assistance (Bestuurdershulp) Warning Timing
(Timing waarschuwing)' in het menu Settings
(instellingen) om de initiële activeringstijd
voor de waarschuwing van Safe Exit Warning
(waarschuwing bij veilig uitstappen) te wijzigen.
Wanneer uw auto wordt afgeleverd, is het
waarschuwingsmoment ingesteld op ‘Normal’
(Normaal). Als u het Waarschuwingsmoment
wijzigt, kan dat ook het Waarschuwingsmoment
voor andere bestuurdershulpsystemen wijzigen.
07
7-49
OOSN071027L
OOSN071027L
Waarschuwingsvolume
Met de motor aan selecteert u 'Driver
Assistance (Bestuurdershulp) Warning volume
(Waarschuwingsvolume)' in het menu Settings
(instellingen) om het waarschuwingsvolume
voor Safe Exit Warning (waarschuwing bij veilig
uitstappen) te wijzigen naar 'High' (Hoog),
'Medium' (Gemiddeld) of 'Low' (Laag).
Als u het waarschuwingsvolume wijzigt, kan
dat ook het waarschuwingsvolume voor andere
bestuurdershulpsystemen wijzigen.
OPGELET
De instelling voor het
waarschuwingsmoment en het
waarschuwingsvolume is van toepassing op
alle functies van Safe Exit Warning.
Zelfs als voor het waarschuwingsmoment
'Normal' wordt geselecteerd, kan het lijken
dat de waarschuwing te laat komt als er een
voertuig met een hoge snelheid langs achter
nadert.
Selecteer voor het waarschuwingsmoment
'Late' ('Laat') wanneer er weinig verkeer is en
u traag rijdt.
Werking van Safe Exit Warning
(waarschuwing bij veilig
uitstappen)
Waarschuwing
OOSN071022L
OOSN071022L
Collision Warning bij het verlaten van de auto
Wanneer, op het moment dat een portier
wordt geopend, een voertuig wordt
gedetecteerd dat de auto van achteren nadert,
verschijnt de waarschuwingsmelding 'Watch
(out) for traffic' (Kijk uit voor het verkeer)
op het instrumentenpaneel en klinkt een
waarschuwingssignaal.
Het Safe Exit Warning-systeem waarschuwt
de bestuurder wanneer de rijsnelheid lager
is dan 3 km/u (2 mph) en de snelheid van het
voertuig dat van achteren nadert hoger is dan
6 km/u (4mph).
Bestuurdershulp
7-50
WAARSCHUWING
Neem de volgende voorzorgsmaatregelen bij
gebruik van de Safe Exit Warning:
Wijzig voor uw veiligheid de instellingen pas
nadat u de auto op een veilige plaats heeft
geparkeerd.
Mogelijk verschijnt of klinkt de
waarschuwingsmelding of het
waarschuwingssignaal van Safe Exit Warning
niet als een waarschuwingsmelding of
waarschuwingssignaal van een ander
systeem wordt weergegeven of klinkt.
Mogelijk hoort u het waarschuwingssignaal
van het Safe Exit Warning-systeem niet als er
veel lawaai in de omgeving is.
Het Safe Exit Warning-systeem werkt niet
in alle situaties en kan niet alle botsingen
voorkomen.
Mogelijk waarschuwt het Safe Exit
Warning-systeem de bestuurder te laat of
helemaal niet, afhankelijk van de weg- en
rijomstandigheden. Controleer altijd de
omgeving van de auto.
De bestuurder en de passagiers zijn
verantwoordelijk voor ongevallen bij het
verlaten van de auto. Controleer altijd de
omgeving voordat u uit de auto stapt.
Laat de Safe Exit Warning nooit opzettelijk
activeren. Dit kan ernstig of dodelijk letsel
veroorzaken.
Safe Exit Warning werkt niet als er een
probleem is met de Blind-Spot Collision-
Avoidance Assist (botsingsvermijding blinde
hoek). De waarschuwingsmelding van
de Blind-Spot Collision-Avoidance Assist-
systeem (botsingsvermijding blinde hoek)
verschijnt in de volgende gevallen:
-De sensor van de Blind-Spot Collision-
Avoidance Assist (botsingsvermijding
blinde hoek) of de omgeving van de sensor
is vuil of afgedekt
-De Blind-Spot Collision-Avoidance
Assist (botsingsvermijding blinde hoek)
waarschuwt passagiers niet of onterecht
Informatie
Nadat de motor is uitgezet, blijft de Safe Exit
Warning nog ongeveer 3 minuten werken, maar
als de portieren worden vergrendeld, wordt het
onmiddellijk uitgeschakeld.
De afbeeldingen en kleuren op het
instrumentenpaneel kunnen afwijken per type
instrumentenpaneel of gekozen thema.
Storingen en beperkingen Safe
Exit Warning (waarschuwing bij
veilig uitstappen)
Storing Safe Exit Warning
(waarschuwing bij veilig uitstappen)
OTM070099N
OTM070099N
Als de Safe Exit Warning (waarschuwing bij veilig
uitstappen) niet naar behoren werkt, verschijnt
enkele seconden de waarschuwingsmelding
'Check Blind-Spot Safety system'
(Controleer dodehoekveiligheidssysteem)
op het instrumentenpaneel en gaat
het hoofdwaarschuwingslampje
(
(
) branden op het instrumentenpaneel. Als het
hoofdwaarschuwingslampje brandt, raden we u
aan de auto te laten controleren door een officiële
HYUNDAI-dealer.
07
7-51
Type A
Type A
Type B
Type B
OTM070100N
OTM070100N
OTM070100L
OTM070100L
Als het waarschuwingslampje in de buitenspiegel
niet naar behoren werkt, verschijnt de
waarschuwing ‘Check side view mirror warning
light’ (of ‘Check outside mirror warning icon
(Controleer het alarm-symbool zijspiegel of
controleer het alarm-symbool buitenspiegel))
op het instrumentenpaneel en gaat het
hoofdwaarschuwingslampje (
(
) branden. Als
het hoofdwaarschuwingslampje brandt, raden
we u aan de auto te laten controleren door een
officiële HYUNDAI-dealer.
Safe Exit Warning (waarschuwing
bij veilig uitstappen) disabled
(uitgeschakeld)
OTM070098N
OTM070098N
Als het deel van de achterbumper waar de
achterste hoekradar of de sensor zich bevindt,
bedekt is met vuil, zoals sneeuw of regen, of als
een aanhanger of drager wordt geplaatst, kan dit
de detectieprestaties verminderen en de Safe Exit
Warning tijdelijk beperken of uitschakelen.
Als dit gebeurt, verschijnt de
waarschuwingsmelding 'Blind-Spot
Safety system disabled. Radar blocked'
(Dodehoekveiligheidssysteem uitgeschakeld.
Radar geblokkeerd) op het instrumentenpaneel.
Safe Exit Warning (waarschuwing bij veilig
uitstappen) werkt naar behoren als dit vuil of de
aanhanger, etc. is verwijderd en de motor daarna
opnieuw wordt gestart.
Als het Safe Exit Warning (waarschuwing bij veilig
uitstappen) niet naar behoren werkt nadat het
verwijderd is, adviseren we om de auto te laten
nakijken door een officiële HYUNDAI-dealer.
Bestuurdershulp
7-52
WAARSCHUWING
Zelfs als er geen waarschuwing op het
instrumentenpaneel verschijnt, is het
mogelijk dat de Safe Exit Warning niet goed
werkt.
Mogelijk werkt de Safe Exit Warning
(botsingsvermijding blinde hoek) niet goed
in bepaalde gebieden (bv. open terrein),
waar eventuele voorwerpen niet worden
gedetecteerd na het starten van de motor
of wanneer de detectiesensor vlak het
starten van de motor bedekt is met vreemd
materiaal.
OPGELET
Schakel Safe Exit Warning uit om een trailer,
aanhangwagen of een andere sleep te
bevestigen of te verwijderen. Schakel Safe
Exit Warning aan als dit is voltooid.
Beperkingen van Safe Exit Warning
(waarschuwing bij veilig uitstappen)
Onder de volgende omstandigheden kan het
zijn dat het Safe Exit Warning-systeem niet naar
behoren werkt of dat het systeem onverwachts in
werking treedt:
Uit de auto stappen op een plaats met veel
bomen of hoog gras
Uit de auto stappen op een plaats waar het
wegdek nat is
De aankomende auto rijdt met een zeer lage
of hoge snelheid
Informatie
Zie de paragraaf 'Blind-Spot Collision-Avoidance
Assist (BCA) (botsingsvermijding blinde hoek)'
in dit hoofdstuk voor meer informatie over de
beperkingen van de hoekradar achteraan.
WAARSCHUWING
Mogelijk werkt het Safe Exit Warning-
systeem niet naar behoren bij storing door
sterke elektromagnetische golven.
Mogelijk werkt het Safe Exit Warning-
systeem niet gedurende 3 seconden na het
starten van de auto of na het inschakelen van
de hoekradars achter.
07
7-53
HANDMATIGE SNELHEIDSLIMIETREGELING (MSLA) (INDIEN
VAN TOEPASSING)
OTM070111L
OTM070111L
(1) Manual Speed Limit Assist (hulp bij
handmatige snelheidsbegrenzing)
ingeschakeld controlelampje
(2) Ingestelde snelheid
U kunt de snelheidslimiet instellen wanneer u niet
harder dan een bepaalde snelheid wilt rijden.
Als u de vooraf ingestelde snelheidslimiet
overschrijdt, treedt Manual Speed Limit Assist in
werking (de ingestelde snelheidslimiet knippert
en een waarschuwingssignaal klinkt) totdat de
rijsnelheid weer onder de snelheidslimiet ligt.
Werking van Handmatige
snelheidslimietregeling
De snelheidslimiet instellen
OOSN071036L
OOSN071036L
[A]: type A, [B]: type B
1. Druk bij de gewenste snelheid op de
toets Driving Assist. Het controlelampje
snelheidslimiet handmatig ingesteld
() op het instrumentenpaneel gaat
branden.
Informatie
Het symbool van de Driving Assist knop kan
naargelang de optie van uw voertuig verschillen.
Bestuurdershulp
7-54
OOSN071037L
OOSN071037L
2. Druk de schakelaar + omhoog of de
schakelaar - omlaag en laat hem bij de
gewenste snelheid los.
Druk de schakelaar + omhoog of de
schakelaar - omlaag en houd hem in deze
positie. De snelheid neemt eerst tot het
dichtstbijzijnde tiental (vijftal in mijlen) toe of
af en vervolgens met 10 km/u (5 mph).
OTM070203L
OTM070203L
3. De ingestelde snelheid wordt op het
instrumentenpaneel weergegeven.
Als u de vooraf ingestelde snelheidslimiet
wilt overschrijden, trapt u het gaspedaal
voorbij het drukpunt in om het
terugschakelmechanisme (kickdown) te
activeren.
De ingestelde snelheidslimiet knippert en er
klinkt een waarschuwingssignaal totdat de
rijsnelheid weer onder de snelheidslimiet ligt.
Informatie
Als het gaspedaal niet voorbij het drukpunt
wordt ingetrapt, blijft de rijsnelheid onder de
snelheidslimiet.
07
7-55
Manual Speed Limit
Assist (Handmatige
snelheidslimietregeling) tijdelijk
pauzeren
OOSN071038L
OOSN071038L
[A]: type A, [B]: type B
Druk op de schakelaar om de ingestelde
snelheidslimiet tijdelijk te annuleren. De
ingestelde snelheidslimiet wordt uitgeschakeld,
maar het controlelampje handmatig ingestelde
snelheidslimiet ( ) blijft branden.
Manual Speed Limit
Assist (Handmatige
snelheidslimietregeling) hervatten
OOSN071037L
OOSN071037L
Om Manual Speed Limit Assist (hulp bij
handmatige snelheidsbegrenzing) ter hervatten
na een pauze van het systeem, drukt u op de
schakelaar +, - .
Als u de + schakelaar omhoog of de – schakelaar
omlaag drukt, wordt de snelheid van de auto op
de huidige snelheid op het instrumentenpaneel
ingesteld.
Als u op de schakelaar drukt, gaat de auto
opnieuw de ingestelde snelheid aanhouden.
Handmatige snelheidslimietregeling
uitschakelen
OOSN071036L
OOSN071036L
[A]: type A, [B]: type B
Druk altijd op de toets Driving Assist om
de Handmatige snelheidslimietregeling uit
te schakelen. Het controlelampje Manual
Speed Limit Assist (hulp bij handmatige
snelheidsbegrenzing) ingeschakeld ( )
dooft.
WAARSCHUWING
Neem de volgende voorzorgsmaatregelen
bij gebruik van de Handmatige
snelheidslimietregeling:
Stel de rijsnelheid altijd lager in dan de
snelheidslimiet in uw land.
Houd de Handmatige
snelheidslimietregeling uitgeschakeld
wanneer u de functie niet gebruikt. Zo
voorkomt u dat u onbedoeld een snelheid
instelt. Controleer of het controlelampje
Manual Speed Limit Assist (hulp bij
handmatige snelheidsbegrenzing)
ingeschakeld ( ) is gedoofd.
De Handmatige snelheidslimietregeling
is geen vervanging voor correct en
veilig rijgedrag. De bestuurder heeft de
verantwoordelijkheid altijd veilig te rijden en
moet zich altijd bewust zijn van onverwachte
en plotselinge situaties die zich kunnen
voordoen. Blijf te allen tijde letten op de
toestand van de weg.
Bestuurdershulp
7-56
SLIMME SNELHEIDSLIMIETWAARSCHUWING (ISLW) (INDIEN
VAN TOEPASSING)
Intelligent Speed Limit Warning (slimme
waarschuwing snelheidsbegrenzing) gebruikt
informatie van het gedetecteerde verkeersbord
en het navigatiesysteem om de bestuurder in te
lichten over de snelheidslimiet en extra informatie
over de huidige weg te geven.
OPGELET
Intelligent Speed Limit Warning werkt mogelijk
niet goed in andere landen.
Detectiesensor
OOSN051017L
OOSN051017L
[1]: Frontzichtcamera
Zie bovenstaande afbeelding voor de
precieze locatie van de detectiesensor.
OPGELET
Zie de alinea 'Forward Collision-Avoidance
Assist (FCA, ondersteuning botsingsvermijding
voorzijde)' in hoofdstuk 7 voor meer informatie
over de voorzorgsmaatregelen voor de
frontzichtcamera.
Informatie
Als het navigatiesysteem beschikbaar is, wordt de
informatie van het navigatiesysteem gebruikt met
de informatie van verkeersborden die de voorste
camera heeft gedetecteerd.
Instellingen slimme
snelheidslimietwaarschuwing
Functies instellen
OOSN071050L
OOSN071050L
Snelheidslimietwaarschuwing
Met de motor aan selecteert of deselecteert u
'Driver Assistance (Bestuurdershulp) Driving
Convenience (rijcomfort) Speed Limit Warning
(waarschuwing snelheidslimiet) in het menu
Settings (instellingen) om in te stellen of de
functie moet worden gebruikt.
- Als ‘Speed Limit Warning (waarschuwing
snelheidslimiet)’ is geselecteerd, informeert
het systeem de bestuurder over de
snelheidslimiet en andere verkeersborden.
Informatie
Intelligent Speed Limit Warning (slimme
waarschuwing snelheidslimiet) schakelt
automatisch in als de motor wordt gestart.
07
7-57
Werking slimme
snelheidslimietwaarschuwing
Scherm slimme
snelheidslimietwaarschuwing
"Driving Assist -
"Driving Assist -
rijhulp" scherm
rijhulp" scherm
geselecteerd
geselecteerd
OTM070230L
OTM070230L
OTM070227L
OTM070227L
De Intelligent Speed Limit Warning (slimme
waarschuwing snelheidslimiet) geeft
snelheidslimietinformatie weer en toont eventuele
inhaalverboden wanneer uw voertuig de
betreffende verkeersborden passeert.
OTM070232L
OTM070232L
Toont snelheidslimiet
Informatie over de snelheidslimiet wordt
weergegeven op het instrumentenpaneel.
Informatie
Intelligent Speed Limit Warning (slimme
waarschuwing snelheidslimiet) geeft extra
informatie van verkeersborden en de
snelheidslimiet. De extra verkeersinformatie kan
van land tot land verschillen.
Extra bord weergegeven onder de
snelheidslimiet of een bord ivm
inhaalbeperkingen betekent de voorwaarden
waaronder de borden gevolgd moeten worden.
Als het extra bord niet herkend wordt, wordt
het als blanco weergegeven.
De afbeeldingen en kleuren op het
instrumentenpaneel kunnen afwijken per type
instrumentenpaneel of gekozen thema.
Bestuurdershulp
7-58
Aanvullende verkeersborden
---
Geen betrouwbare informatie over
Geen betrouwbare informatie over
snelheidslimieten
snelheidslimieten
WTL-220
WTL-220
Het symbool wordt getoond Intelligent
Speed Limit Warning (slimme
snelheidslimietwaarschuwing) geen
betrouwbare informatie over snelheidslimieten
heeft.
WTL-221
WTL-221
Het symbool verschijnt als Intelligent
Speed Limit Warning een niet inhalen bord
detecteert.
Einde van een
Einde van een
snelheidslimiet
snelheidslimiet
WUM-207
WUM-207
WUM-208
WUM-208
Nadat de auto een bord 'einde van
snelheidslimiet ' is gepasseerd, informeert het
ISLW-systeem de bestuurder over de volgende
snelheidslimiet op basis van informatie die van
het navigatiesysteem is ontvangen.
Geen snelheidslimiet (alleen in Duitsland)
Geen snelheidslimiet (alleen in Duitsland)
WUM-205
WUM-205
In Duitsland wordt op het instrumentenpaneel
het symbool, "einde van limiet" weergegeven,
omdat daar geen snelheidslimiet geldt. Het
wordt weergegeven tot het voertuig een ander
snelheidslimietbord passeert.
07
7-59
Storingen en
beperkingen slimme
snelheidslimietwaarschuwing
Storing in slimme
snelheidslimietwaarschuwing
OTM070225L
OTM070225L
Als de Intelligent Speed Limit Assist (slimme
hulp snelheidslimiet) niet naar behoren
werkt, verschijnt enkele seconden de
waarschuwingsmelding 'Check speed
limit' ('Controleer snelheidslimiet') op
het instrumentenpaneel en gaat het
hoofdwaarschuwingslampje (WAE-211) branden
op het instrumentenpaneel. Laat de auto in dit
geval inspecteren door een officiële HYUNDAI-
dealer.
Slimme
snelheidslimietwaarschuwing
uitgeschakeld
OTM070226L
OTM070226L
Als het deel van de voorruit waar de
frontzichtcamera zich bevindt met vreemd
materiaal zoals sneeuw of regen bedekt is,
dan kan dit de detectieprestaties verminderen
en Intelligent Speed Limit Warning tijdelijk
beperken of uitschakelen. Als dit gebeurt,
verschijnt de waarschuwingsmelding 'Speed
limit system disabled. Camera obscured'
(Snelheidslimietsysteem uitgeschakeld. Camera
geblokkeerd) op het instrumentenpaneel.
Intelligent Speed Limit Warning (Intelligente
snelheidslimietwaarschuwing) zal goed werken
wanneer sneeuw, regen of ander vreemd
materiaal is verwijderd.
Als Intelligent Speed Limit Warning (Intelligente
snelheidslimietwaarschuwing) niet naar behoren
werkt nadat het verwijderd is, adviseren we
om de auto te laten nakijken door een officiële
HYUNDAI-dealer.
WAARSCHUWING
Hoewel er geen waarschuwing of
waarschuwingslampje verschijnt op het
instrumentenpaneel, werkt Intelligent Speed
Limit Warning misschien niet goed.
Als de sensor vlak na het starten van
de motor gecontamineerd is, werkt de
Intelligent Speed Limit Warning misschien
niet goed.
Bestuurdershulp
7-60
Beperkingen van slimme
snelheidslimietwaarschuwing
Het Intelligent Speed Limit Warning (ISLW)-
systeem werkt in de volgende omstandigheden
mogelijk niet of geeft niet de juiste informatie:
Het verkeersbord is vuil of onleesbaar
- Het verkeersbord is nauwelijks zichtbaar
door slecht weer zoals regen, sneeuw, mist
enz.
- Het verkeersbord is niet helder of
beschadigd
- Het verkeersbord wordt gedeeltelijk
verborgen door omringende voorwerpen of
schaduw
- Er wordt een verkeersbord waargenomen
langs de weg waarop u rijdt
De verkeersborden zijn geen standaardborden.
- De tekst of afbeelding op het verkeersbord
verschilt van de norm
- Het verkeersbord is tussen de hoofdlijn en
de afrit geplaatst, of tussen uiteenlopende
wegen
- Het verkeersbord bij de afrit heeft geen
onderbord
- Een bord is aan een ander voertuig
vastgemaakt
De helderheid verandert plots, bv. wanneer u
een tunnel inrijdt of verlaat of onder een brug
doorrijdt
De koplampen worden niet gebruikt of de
helderheid van de koplampen is zwak 's nachts
of in een tunnel
Verkeersborden zijn moeilijk te herkennen
door de weerspiegeling van de zon,
straatverlichting of tegenliggers
Het gezichtsveld van de frontzichtcamera
wordt belemmerd door schittering van de zon
U rijdt op een weg met scherpe of veel
bochten
U rijdt over verkeersdrempels of bergop- of
afwaarts of van links naar rechts op steile
hellingen
Het voertuig schudt hevig
De frontzichtcamera detecteert boven 130
km/u snelheidslimietborden mogelijk niet
goed
Informatie
Zie de paragraaf 'Forward Collision-Avoidance
Assist (FCA, ondersteuning botsingsvermijding
voorzijde)' in hoofdstuk 7 voor meer informatie
over de beperkingen van de frontzichtcamera.
07
7-61
WAARSCHUWINGSSYSTEEM VOOR DE AANDACHT VAN DE
BESTUURDER (DAW) (INDIEN VAN TOEPASSING)
Basisfunctie
Het waarschuwingssysteem voor de aandacht van
de bestuurder helpt het aandachtsniveau van de
bestuurder te bepalen door het rijpatroon en de rijtijd
te analyseren, wanneer er met het voertuig gereden
wordt. De Driver Attention Warning (Waarschuwing
oplettendheid bestuurder) beveelt een pauze aan
wanneer zijn/haar aandacht afneemt tot beneden
een bepaald niveau.
Functie Leading Vehicle Departure Alert
(waarschuwing vertrek voorliggend voertuig)
De functie Leading Vehicle Departure Alert informeert
de bestuurder wanneer de voorligger weer vertrekt na
tot stilstand te zijn gekomen.
Detectiesensor
OOSN051017L
OOSN051017L
[1]: Frontzichtcamera
De frontzichtcamera wordt tijdens het rijden gebruikt
als detectiesensor om te helpen om rijpatronen en
het wegrijden van een voorligger te detecteren.
Zie bovenstaande afbeelding voor de precieze locatie
van de detectiesensor.
OPGELET
Houd de frontzichtcamera altijd in goede staat om
de optimale prestaties van Driver Attention Warning
te waarborgen.
Zie de alinea 'Forward Collision-Avoidance Assist
(FCA, ondersteuning botsingsvermijding voorzijde)'
in hoofdstuk 7 voor meer informatie over de
voorzorgsmaatregelen voor de frontzichtcamera.
Instellingen Driver Attention Warning
(Waarschuwing oplettendheid bestuurder)
Functies instellen
OOSN071031L
OOSN071031L
Driver Attention Warning (Waarschuwing
oplettendheid bestuurder)
Met de motor aan selecteert of geselecteerd u 'Driver
Assistance (Bestuurdershulp) DAW (Driver Attention
Warning)' (Waarschuwing oplettendheid bestuurder)
in het menu Settings (instellingen) om voor iedere
functie in te stellen of ze al dan niet moet worden
gebruikt.
- Als 'Inattentive Driving Warning' (of ‘Swaying
warning’) (Waarschuwing onoplettend rijden
of Slingerwaarschuwing) wordt geselecteerd,
waarschuwt de Driver Attention Warning de
bestuurder en beveelt het aan een pauze te
nemen wanneer de aandacht van de bestuurder
afneemt tot onder een bepaald niveau.
OOSN071032L
OOSN071032L
Leading Vehicle Departure alert (Waarschuwing
vertrek voorliggend voertuig)
- Als de functie ‘Leading Vehicle Departure Alert’ is
geselecteerd, informeert de functie de chauffeur
wanneer de voorligger weer vertrekt na tot
stilstand te zijn gekomen.
Bestuurdershulp
7-62
OOSN071026L
OOSN071026L
Waarschuwingsmoment
Met de motor aan, selecteert u 'Driver
Assistance (Bestuurdershulp) Warning Timing
(Timing waarschuwing)' in het menu Settings
(instellingen) om de initiële activeringstijd voor
de waarschuwing van Driver Attention Warning
(waarschuwing attentie bestuurder) te wijzigen.
Wanneer uw auto wordt afgeleverd, is het
waarschuwingsmoment ingesteld op ‘Normal’
(Normaal). Als u het Waarschuwingsmoment
wijzigt, kan dat ook het Waarschuwingsmoment
voor andere bestuurdershulpsystemen wijzigen.
Veilig rijden automatisch UIT in de
N-modus
OOSN071046L
OOSN071046L
Met de motor aan selecteert u 'Driver
Assistance Driving Safety Off in N
('Bestuurdershulp Rijveiligheid Uit in
N') in het menu Settings (instellingen)
om in te stellen of de functie al dan niet
moet worden gebruikt.
- Als u ‘Driving Safety Off in N mode’ (‘Veilig
rijden automatisch Uit in N-modus’) selecteert,
wordt dit gekoppeld aan de N-modus, zodat
Driver Attention Warning (Waarschuwing
oplettendheid bestuurder) automatisch
uitschakelt wanneer de N-modus wordt
geselecteerd.
- Als de selectie ‘Driving Safety Off in N mode’
(‘Veilig rijden automatisch Uit in N-modus’)
selecteert, ongedaan gemaakt wordt, schakelt
Driver Attention Warning (Waarschuwing
oplettendheid bestuurder) niet uit, zelfs niet
wanneer de N-modus wordt geselecteerd.
Informatie
Wanneer de motor opnieuw wordt gestart, behoudt
het Driver Attention Warning de laatste instelling.
07
7-63
Werking van Driver Attention
Warning (Waarschuwing
oplettendheid bestuurder)
Basisfunctie
Weergave en waarschuwing
De basisfunctie van het Driver Attention
Warning-systeem bestaat erin de bestuurder te
informeren over zijn aandachtsniveau en hem te
waarschuwen dat het goed zou zijn om ‘Consider
taking a break’ (Neem een pauze).
Aandachtsniveau
Functie uit
Functie uit
Stand-by/
Stand-by/
uitgeschakeld
uitgeschakeld
OTM070102N
OTM070102N
OTM070106N
OTM070106N
Oplettend rijden
Oplettend rijden
Onoplettend rijden
Onoplettend rijden
OOS070032L
OOS070032L
OTM070191N
OTM070191N
De bestuurder kan zijn/haar rijpatronen
controleren op het instrumentenpaneel.
- Wanneer 'Inattentive Driving Warning'
('Slingerwaarschuwing') wordt geannuleerd
in het menu Settings (Instellingen), wordt
'System Off' ('Systeem uit') weergegeven.
- De Driver Attention Warning
(Waarschuwing oplettendheid bestuurder)
werkt bij een rijsnelheid tussen 0-210 km/u
(0~130 mph).
- Als de snelheid van de auto niet binnen
de bedrijfssnelheid valt, wordt de melding
'Stand-by' (of 'Disabled') (Uitgeschakeld)
weergegeven.
Het aandachtsniveau van de bestuurder
wordt weergegeven op een schaal van 1 tot 5.
Hoe lager het niveau, hoe onoplettender de
bestuurder.
Het niveau daalt wanneer de bestuurder
gedurende een bepaalde tijd geen pauze
inlast.
Een pauze nemen
OTM070105L
OTM070105L
Wanneer de aandacht van de bestuurder
afneemt tot onder aandachtsniveau 1,
verschijnt de melding 'Consider taking a break'
(Neem een pauze) op het instrumentenpaneel
en klinkt een waarschuwingssignaal om de
bestuurder aan te sporen een pauze te nemen.
Als de totale rijtijd korter is dan 10 minuten of
als de laatste pauze minder dan 10 minuten
geleden werd aanbevolen, beveelt Driver
Attention Warning geen pauze aan.
WAARSCHUWING
Wijzig voor uw veiligheid de instellingen pas
nadat u de auto op een veilige plaats heeft
geparkeerd.
Bestuurdershulp
7-64
OPGELET
Driver Attention Warning kan mogelijk
ook een pauze aanbevelen op basis van
het rijpatroon of de gewoonten van de
bestuurder, als de bestuurder zich niet
vermoeid voelt.
De Driver Attention Warning is een
hulpmiddel en is er mogelijk niet toe in staat
te bepalen of de bestuurder al dan niet
onoplettend is.
Als de bestuurder zich vermoeid voelt, dient
hij een pauze te nemen op een veilige plaats,
zelfs als de Driver Attention Warning pauze
aanbeveelt.
Informatie
Zie het onderdeel ‘Voertuiginstellingen’
in hoofdstuk 4 voor meer informatie
over het instellen van de functies in het
infotainmentsysteem.
In de volgende situaties rest Driver Attention
Warning het tijdstip van de laatste pauze in op
00:00:
- De motor wordt uitgezet
- De bestuurder maakt zijn veiligheidsgordel
los en opent het bestuurdersportier
- De auto staat langer dan 10 minuten stil
- Wanneer de bestuurder de Driver Attention
Warning reset, wordt het tijdstip van de
vorige pauze ingesteld op 00:00 en wordt het
aandachtsniveau van de bestuurder ingesteld
op Hoog.
Functie Leading Vehicle Departure
Alert (waarschuwing vertrek
voorliggend voertuig)
Type A
Type A
Type B
Type B
OOSN071023L
OOSN071023L
OOSN071023E
OOSN071023E
Wanneer een voorligger weer vertrekt na tot
stilstand te zijn gekomen, informeert Leading
Vehicle Departure Alert (Waarschuwing
vertrek voorliggend voertuig) de bestuurder
door middel van de waarschuwingsmelding
'Leading vehicle is driving away' (of 'Leading
vehicle is driving on') (Voertuig voor u rijdt
weg') op het instrumentenpaneel en klinkt een
waarschuwingssignaal.
WAARSCHUWING
Mogelijk verschijnt of klinkt de
waarschuwingsmelding of het
waarschuwingssignaal van Driver Attention
Warning niet als een waarschuwingsmelding
of waarschuwingssignaal van een ander
systeem wordt weergegeven of klinkt.
De bestuurder is er verantwoordelijk voor
veilig te rijden en de auto onder controle te
houden.
OPGELET
Leading Vehicle Departure Alert is een
hulpmiddel en waarschuwt de bestuurder
mogelijk niet telkens als de voorligger weer
vertrekt na tot stilstand te zijn gekomen.
Kijk voordat u wegrijdt altijd voor de auto en
naar de staat van de weg.
Informatie
De afbeeldingen en kleuren op het
instrumentenpaneel kunnen afwijken per type
instrumentenpaneel of gekozen thema.
07
7-65
Storingen en beperkingen
Driver Attention Warning
(Waarschuwing oplettendheid
bestuurder)
Storingen Driver Attention Warning
(Waarschuwing oplettendheid
bestuurder)
OTM070107L
OTM070107L
Als de Driver Attention Warning (Waarschuwing
oplettendheid bestuurder) niet naar behoren
werkt, verschijnt enkele seconden de
waarschuwingsmelding 'Check Driver Attention
Warning (DAW) system' (Check systeem
waarschuwing oplettendheid bestuurder
(DAW)) op het instrumentenpaneel en gaat het
hoofdwaarschuwingslampje (
(
) branden op
het instrumentenpaneel. Laat de auto in dit geval
inspecteren door een officiële HYUNDAI-dealer.
Beperkingen van Driver Attention
Warning (Waarschuwing
oplettendheid bestuurder)
Mogelijk werkt Driver Attention Warning niet goed
in de volgende situaties:
Er wordt wild met de auto gereden
De auto wisselt opzettelijk vaak van rijstrook
Het voertuig wordt aangestuurd door een
bestuurdershulpsysteem, zoals Lane Keeping
Assist
Functie Leading Vehicle Departure Alert
(waarschuwing vertrek voorliggend voertuig)
Wanneer een voertuig invoegt
OADAS021
OADAS021
OADAS022
OADAS022
[A] : Uw auto, [B] : Voorligger
Als een voertuig voor uw auto inrijdt, is het
mogelijk dat Leading Vehicle Departure Alert
niet goed functioneert.
Bestuurdershulp
7-66
Wanneer de bestuurder van de voorligger het
stuur omgooit
OADAS034
OADAS034
[A] : Uw auto, [B] : Voorligger
Als de voorligger een scherpe bocht maakt,
zoals afslaan naar links of naar rechts, zich
omkeren enz., is het mogelijk dat Leading
Vehicle Departure Alert niet goed functioneert.
Wanneer de voorligger abrupt wegrijdt
OADAS024
OADAS024
Als de voorligger een abrupt wegrijdt, is het
mogelijk dat Leading Vehicle Departure Alert
niet goed werkt.
Wanneer er een voetganger tussen uw
voertuig en uw voorligger staat
OADAS025
OADAS025
Als er zich een of meer voetgangers of fietsen
tussen uw voertuig en uw voorligger bevinden,
is het mogelijk dat Leading Vehicle Departure
Alert niet goed werkt.
Op een parkeerterrein
OADAS027
OADAS027
Als een voertuig dat vóór u geparkeerd staat,
vertrekt, kan Leading Vehicle Departure Alert u
mogelijk waarschuwen dat deze geparkeerde
auto wegrijdt.
07
7-67
Bij het rijden door een tolpoort of op een
kruispunt, enz.
OADAS026
OADAS026
Als u voorbij een tolpoort of kruising met
veel voertuigen rijdt of als u ergens rijdt waar
rijstroken vaak samenkomen of splitsen, is het
mogelijk dat Leading Vehicle Departure Alert
niet goed werkt.
Informatie
Zie de alinea 'Forward Collision-Avoidance
Assist (FCA, ondersteuning botsingsvermijding
voorzijde)' in hoofdstuk 7 voor meer informatie
over de voorzorgsmaatregelen voor de
frontzichtcamera.
Bestuurdershulp
7-68
CRUISE CONTROL (CC) (INDIEN VAN TOEPASSING)
OTM070111
OTM070111
(1) Controlelampje cruise
(2) Ingestelde snelheid
Cruisecontrol stelt u in staat boven 30 km/uur (20
mph) een bepaalde rijsnelheid aan te houden,
zonder dat u de voet op het gaspedaal hoeft te
houden.
Werking cruise control
Snelheid instellen
1. Accelereer naar de gewenste snelheid, die
hoger moet zijn dan 30 km/h (20 mph).
OOSN071036L
OOSN071036L
[A]: type A, [B]: type B
2. Druk bij de gewenste snelheid op de toets
Driving Assist (bestuurdershulp). Op het
instrumentenpaneel lichten de ingestelde
snelheid en het controlelampje Cruise
() op.
3. Laat het gaspedaal los.
De ingestelde snelheid wordt aangehouden,
zelfs wanneer het gaspedaal niet wordt
ingedrukt.
Informatie
De auto kan bergaf licht versnellen of bergop
licht vertragen.
Het symbool van de Driving Assist knop kan
naargelang de optie van uw voertuig verschillen.
07
7-69
Ingestelde snelheid verhogen
OOSN071039L
OOSN071039L
Druk de schakelaar + omhoog en laat hem
onmiddellijk los. Telkens als u de schakelaar
op deze manier bedient, wordt de ingestelde
snelheid met 1 km/h (1 mph) verhoogd.
Druk de schakelaar + omhoog en houd hem
in die positie terwijl u de ingestelde snelheid
op het instrumentenpaneel controleert.
De ingestelde snelheid neemt eerst tot het
dichtstbijzijnde tiental toe en vervolgens
met 10 km/h (5 mph) elke keer wanneer de
schakelaar op deze manier wordt bediend.
Laat de schakelaar los wanneer de gewenste
snelheid wordt weergegeven en de auto
accelereert tot die snelheid.
Ingestelde snelheid verlagen
OOSN071040L
OOSN071040L
Druk de schakelaar - omlaag en laat hem
onmiddellijk los. Telkens als u de schakelaar
op deze manier bedient, wordt de ingestelde
snelheid met 1 km/h (1 mph) verlaagd.
Druk de schakelaar - omlaag en houd hem
in die positie terwijl u de ingestelde snelheid
op het instrumentenpaneel controleert.
De ingestelde snelheid daalt eerst tot het
dichtstbijzijnde tiental (vijftal in mph) en
vervolgens met 10 km/h (5 mph) elke keer
wanneer de schakelaar op deze manier wordt
bediend.
Laat de schakelaar los op het moment dat de
gewenste snelheid is bereikt.
Tijdelijk accelereren
Trap het gaspedaal in als u tijdelijk sneller
wilt gaan rijden terwijl de cruise control is
ingeschakeld.
Laat het gaspedaal los om weer terug te keren
naar de oorspronkelijke kruissnelheid.
Als u bij verhoogde snelheid de + schakelaar
omhoog, of de – schakelaar omlaag drukt, wordt
de ingestelde snelheid op de huidige verhoogde
snelheid ingesteld.
Bestuurdershulp
7-70
Cruise Control tijdelijk pauzeren
OOSN071041L
OOSN071041L
Cruise Control wordt gepauzeerd wanneer:
Het rempedaal wordt ingetrapt.
• Op de toets wordt gedrukt.
De transmissie naar stand N (neutraal) wordt
geschakeld.
De rijsnelheid wordt verlaagd tot een snelheid
lager dan ongeveer 30 km/h (20 mph).
De ESC (elektronische stabiliteitsregeling) is
geactiveerd.
Terugschakelen naar de 2e versnelling in de
handmatige schakelmodus.
De ingestelde snelheid wordt uitgeschakeld,
maar het controlelampje Cruise ( ) blijft
branden.
AANWIJZING
Als Cruise Control in een niet vermelde situatie
pauzeert, raden we aan om uw auto te laten
nakijken door een officiële HYUNDAI-dealer.
Cruise Control hernemen
OOSN071042L
OOSN071042L
Druk op de +, - schakelaar of knop.
Als u de + schakelaar omhoog of de – schakelaar
omlaag drukt, wordt de snelheid van de auto op
de huidige snelheid op het instrumentenpaneel
ingesteld.
Als u op de knop drukt, gaat de auto
opnieuw de ingestelde snelheid aanhouden.
Om het systeem opnieuw te activeren moet de
auto sneller dan 30 km/h (20 mph) rijden.
WAARSCHUWING
Controleer de rijomstandigheden voordat u de
toets gebruikt. Als u de toets indrukt,
kan uw auto mogelijk snel accelereren of
vertragen.
07
7-71
Cruise Control uitschakelen
OOSN071036L
OOSN071036L
[A]: type A, [B]: type B
Druk op de toets Driving Assist (bestuurdershulp)
om het systeem in te schakelen. Het
controlelampje Cruise ( ) dooft.
Druk altijd op de toets Driving Assist
(bestuurdershulp) om de cruisecontrol uit te
schakelen wanneer u het niet gebruikt.
Informatie
Als uw auto is uitgerust met Manual Speed Limit
Assist, en houd de Driving Assist knop ingedrukt
om Cruise Control uit te schakelen. Let er wel
op dat Manual Speed Limit Assist nu wordt
ingeschakeld.
WAARSCHUWING
Neem de volgende voorzorgsmaatregelen bij
gebruik van de cruisecontrol:
Stel de rijsnelheid altijd lager in dan de
snelheidslimiet in uw land.
Laat de cruisecontrol uitgeschakeld wanneer
u het niet gebruikt. Zo voorkomt u dat u
onbedoeld een snelheid instelt. Controleer of
het controlelampje Cruise ( ) uit is.
De cruisecontrol is geen vervanging voor
correct en veilig rijgedrag. De bestuurder
heeft de verantwoordelijkheid altijd veilig
te rijden en moet zich altijd bewust zijn van
onverwachte en plotselinge situaties die zich
kunnen voordoen.
Rijd altijd voorzichtig om onverwachte en
plotselinge situaties te voorkomen. Blijf te
allen tijde letten op de toestand van de weg.
Gebruik de cruisecontrol nooit wanneer niet
veilig met een constante snelheid gereden
kan worden:
- In druk verkeer of als de
verkeersomstandigheden het moeilijk
maken om een constante snelheid aan te
houden
- Wanneer u rijdt over wegen die glad zijn
door regen, ijs of sneeuw
- Bij het rijden op een heuvelachtige of
winderige weg
- Wanneer u in gebieden met veel windt
rijdt
- Als het zicht tijdens het rijden
beperkt wordt (mogelijk door slechte
weersomstandigheden, zoals mist,
sneeuw, regen of een zandstorm)
Gebruik de cruisecontrol niet tijdens het
rijden met een aanhanger.
Bestuurdershulp
7-72
SMART CRUISE CONTROL (SCC) (INDIEN VAN TOEPASSING)
Het Smart Cruise Control-systeem is ontworpen
om de voorligger te helpen detecteren en de
gewenste snelheid en minimumafstand tot uw
voorligger te helpen bewaren.
Overtaking Acceleration Assist (versnellingshulp
voor inhalen)
Terwijl Smart Cruise Control werkt, helpt de
functie bij de acceleratie wanneer het oordeelt
dat de bestuurder van plan is zijn voorligger in te
halen.
Detectiesensor
OOSN051017L
OOSN051017L
OOSN071001L
OOSN071001L
[1]: Frontzichtcamera,
[2]: Voorste radar
De frontzichtcamera en radar vóór worden
gebruikt als detectiesensor om voorliggers te
detecteren.
Zie bovenstaande afbeelding voor de precieze
locatie van de detectiesensor.
OPGELET
Houd de frontzichtcamera altijd en de radar vóór
in goede staat om de optimale prestaties van het
Smart Cruise Control-systeem te waarborgen.
Zie de paragraaf 'Forward Collision-Avoidance
Assist (FCA) (ondersteuning botsingsvermijding
voorzijde)' in hoofdstuk 7 voor meer informatie
over de beperkingen van de frontzichtcamera
en de radar vóór.
07
7-73
Instellingen Smart Cruise
Control
Functies instellen
OOSN071036L
OOSN071036L
[A]: type A, [B]: type B
Smart Cruise Control inschakelen
Druk op de toets Bestuurdershulp om de
Smart Cruise Control in te schakelen. Op het
instrumentenpaneel wordt de huidige snelheid
als snelheid ingesteld.
Als er geen voertuig vóór u is, dan wordt
de ingestelde snelheid aangehouden. Als
er wel een voertuig vóór u is, dan kan de
snelheid worden verlaagd om de afstand tot
uw voorligger te bewaren. Als uw voorligger
accelereert, houdt uw auto een constante
kruissnelheid aan nadat hij tot de ingestelde
snelheid heeft geaccelereerd.
Informatie
Als de snelheid van uw auto tussen ongeveer
10~30 km/u (5~20 mph) ligt en u de Driving
Assist-knop indrukt, wordt de snelheid van
Smart Cruise Control ingesteld op 30 km/u (20
mph).
Het symbool van de Driving Assist knop kan
naargelang de optie van uw voertuig verschillen.
OOSN071043L
OOSN071043L
Tussenafstand instellen
Elke keer als u op de toets drukt, verandert de
tussenafstand als volgt:
Afstand 4 Afstand 3
Afstand 1
Afstand 2
Informatie
Bij een rijsnelheid van 90 km/h (56 mph), wordt
de afstand als volgt gehandhaafd:
Afstand 4 -
ca. 53 m (172 ft.)
Afstand 3 -
ca. 40 m (130 ft.)
Afstand 2 -
ca. 30 m (106 ft.)
Afstand 1 -
ca. 25 m (82 ft.)
Wanneer de motor opnieuw wordt gestart,
of nadat de Smart Cruise Control tijdelijk is
geannuleerd, wordt laatste ingestelde afstand
opnieuw ingesteld.
Bestuurdershulp
7-74
OOSN071039L
OOSN071039L
Ingestelde snelheid verhogen
Druk de schakelaar + omhoog en laat hem
onmiddellijk los. Telkens als u de schakelaar
op deze manier bedient, wordt de ingestelde
snelheid met 1 km/h (1 mph) verhoogd.
Druk de schakelaar + omhoog en houd hem
in die positie terwijl u de ingestelde snelheid
op het instrumentenpaneel controleert.
Telkens als u de schakelaar op deze manier
bedient, wordt de ingestelde snelheid met 10
km/h of 5 mph verhoogd. Laat de schakelaar
los wanneer de gewenste snelheid wordt
weergegeven en de auto en accelereert tot die
snelheid. U kunt snelheden instellen tot 200
km/h (120 mph).
WAARSCHUWING
Controleer de rijomstandigheid voordat u de
schakelaar + gebruikt. Als u de schakelaar +
omhoog drukt en in deze positie houdt, kan uw
auto mogelijk snel accelereren.
OOSN071040L
OOSN071040L
Ingestelde snelheid verlagen
Druk de schakelaar - omlaag en laat hem
onmiddellijk los. Telkens als u de schakelaar
op deze manier bedient, wordt de ingestelde
snelheid met 1 km/h (1 mph) verlaagd.
Druk de schakelaar - omlaag en houd hem in
die positie terwijl u de ingestelde snelheid op
het instrumentenpaneel controleert. Telkens
als u de schakelaar op deze manier bedient,
wordt de ingestelde snelheid met 10 km/h of 5
mph verlaagd.
Laat de schakelaar los op het moment dat
de gewenste snelheid is bereikt. U kunt
snelheden tot 30 km/h (20 mph) instellen.
07
7-75
OOSN071044L
OOSN071044L
Smart Cruise Control tijdelijk annuleren
Druk op de schakelaar of trap het rempedaal
in om Smart Cruise Control tijdelijk te annuleren.
OOSN071045L
OOSN071045L
Smart Cruise Control hernemen
Om Smart Cruise Control opnieuw te activeren
nadat de functie werd geannuleerd, drukt u op de
schakelaar+, - of .
Als u de + schakelaar omhoog of de – schakelaar
omlaag drukt, wordt de snelheid van de auto op
de huidige snelheid op het instrumentenpaneel
ingesteld.
Als u op de schakelaar drukt, gaat de auto
opnieuw de ingestelde snelheid aanhouden.
WAARSCHUWING
Controleer de rijomstandigheid voordat u de
schakelaar gebruikt. Als u de schakelaar
indrukt, kan uw auto mogelijk snel
accelereren.
OOSN071036L
OOSN071036L
[A]: type A, [B]: type B
Smart Cruise Control uitschakelen
Druk op de toets Driving Assist om Smart Cruise
Control uit te schakelen.
Informatie
Als uw auto is uitgerust met Manual Speed Limit
Assist, houd de Driving Assist knop ingedrukt
om Smart Cruise Control uit te schakelen. Let er
wel op dat Manual Speed Limit Assist nu wordt
ingeschakeld.
Bestuurdershulp
7-76
OOSN071033L
OOSN071033L
Reactie Smart Cruise Control
Met de motor aan, selecteert u ‘Driver Assistance
(Bestuurdershulp) SCC Reaction (of SCC
response) (SCC-reactie)’ van het instellingen
menu om de gevoeligheid van de snelheid te
kiezen als u de voorligger volgt om de ingestelde
afstand te bewaren.
OOSN071027L
OOSN071027L
Waarschuwingsvolume
Met de motor aan selecteert u 'Driver
Assistance (Bestuurdershulp) Warning volume
(Waarschuwingsvolume)' in het menu Settings
(instellingen) om het 'High' (Hoog), 'Medium'
(Gemiddeld), 'Low' (Laag) waarschuwingsvolume
voor Smart Cruise Control te wijzigen.
Als u het waarschuwingsvolume wijzigt, kan
dat ook het waarschuwingsvolume voor andere
bestuurdershulpsystemen wijzigen.
Informatie
Wanneer de motor opnieuw wordt gestart, blijft de
laatste instelling voor het waarschuwingsvolume
behouden.
07
7-77
Werking van Smart Cruise
Control
Voorwaarden voor gebruik
Smart Cruise Control werkt wanneer aan de
volgende voorwaarden wordt voldaan.
Basisfunctie
De transmissie staat in stand D (Rijden)
Het bestuurdersportier is gesloten
Uw rijsnelheid valt binnen de snelheidsgrenzen
voor werking
- 10~180 km/h (5~110 mph)
De ESC (elektronische stabiliteitsregeling) of
ABS is ingeschakeld
ESC (elektronische stabiliteitsregeling) of ABS
is niet geactiveerd
Het motortoerental is niet in het rode gebied
Forward Collision-Avoidance Assist stuurt het
remmen niet aan
Remote Smart Parking Assist stuurt het
remmen niet aan
NGS (N Grin Shift) is niet in werking.
Overtaking Acceleration Assist (versnellingshulp
voor inhalen)
Overtaking Acceleration Assist werkt wanneer
de richtingaanwijzer links (stuur links) of rechts
(stuur rechts) wordt ingeschakeld terwijl Smart
Cruise Control werkt en er wordt voldaan aan de
volgende voorwaarden:
U rijdt sneller dan 60 km/u (40 mph)
De alarmknipperlichten zijn niet ingeschakeld
Een voorligger wordt gedetecteerd
Er hoeft niet te worden vertraagd om de
afstand tot uw voorligger te bewaren
WAARSCHUWING
Wanneer de richtingaanwijzer links
(stuur links) of rechts (stuur rechts) wordt
ingeschakeld terwijl er een voorligger is, kan
de auto tijdelijk vertragen. Blijf te allen tijde
letten op de toestand van de weg.
Overtaking Acceleration Assist werkt
altijd wanneer aan de voorwaarden wordt
voldaan, ongeacht aan welke kant van de
weg in uw land wordt gereden. Gebruikt u
de functie in landen waar aan de andere kant
van de weg wordt gereden, controleer dan
steeds de rijomstandigheden.
Bestuurdershulp
7-78
Weergave en bediening
Basisfunctie
U ziet de bedrijfsstatus van het Smart Cruise
Control-systeem in de Driving Assistmodus
(rijhulpprogramma) op het instrumentenpaneel.
Zie de paragraaf 'Weergavemodi lcd-display' in
hoofdstuk 4.
Smart Cruise Control wordt weergegeven zoals
hieronder, afhankelijk van de status van de
werking.
OTM070245
OTM070245
• In werking
(1) Eventuele aanwezigheid van een voorligger
en het geselecteerde afstandsniveau
(2) Ingestelde snelheid
(3) Eventuele aanwezigheid van een voorligger
en de doelafstand tot het voertuig
OTM070155
OTM070155
Indien tijdelijk geannuleerd
(1) wordt de indicatie weergegeven.
(2) De vorige ingestelde snelheid wordt
gearceerd weergegeven.
(3) Voorligger en afstandsniveau niet
weergegeven.
Informatie
De afstand tot de voorligger op het
instrumentenpaneel wordt weergegeven in
overeenstemming met de feitelijke afstand
tussen uw auto en het voertuig voor u.
De gewenste afstand kan variëren naargelang
de rijsnelheid en naargelang het ingestelde
afstandsniveau. Als de rijsnelheid laag is, kan
de verandering in de gewenste afstand tot de
voorligger gering zijn, zelfs als de onderlinge
afstand is veranderd.
De afbeeldingen en kleuren op het
instrumentenpaneel kunnen afwijken per type
instrumentenpaneel of gekozen thema.
07
7-79
OTM070246
OTM070246
Tijdelijk accelereren
Trap het gaspedaal in om de rijsnelheid tijdelijk
te verhogen zonder de ingestelde snelheid
te wijzigen als de Smart Cruisecontrol is
ingeschakeld. Als u het gaspedaal intrapt, gaan
de ingestelde snelheid, het afstandsniveau
en de gewenste afstand knipperen op het
instrumentenpaneel.
Als u het gaspedaal echter onvoldoende intrapt,
kan het voertuig vaart minderen.
WAARSCHUWING
Wees voorzichtig wanneer u tijdelijk accelereert,
want de snelheid en afstand worden niet
automatisch gecontroleerd, zelfs als er een
voorligger is.
Type A
Type A
Type B
Type B
OTM070113N
OTM070113N
OTM070113L
OTM070113L
Smart Cruise Control tijdelijk annuleren
Smart Cruise Control wordt tijdelijk geannuleerd
wanneer:
U sneller rijdt dan 190 km/h (120 mph)
U vertraagt tot minder 10 km/h (5 mph)
NGS is in werking
Het gaspedaal gedurende een bepaalde
periode continu ingetrapt wordt
Niet is voldaan aan de voorwaarden voor de
werking van Smart Cruise Control
Als het systeem tijdelijk geannuleerd wordt,
verschijnt de waarschuwingsmelding 'Smart
Cruise Control cancelled' (of 'SCC (Smart Cruise
Control) cancelled') (Smart Cruise Control
geannuleerd) op het instrumentenpaneel en klinkt
een waarschuwingssignaal om de bestuurder te
waarschuwen.
WAARSCHUWING
Wanneer de Smart Cruise Control tijdelijk
geannuleerd is, wordt de afstand tot de
voorligger niet aangehouden. Blijf tijdens het
rijden altijd op de weg letten en trap indien
nodig het rempedaal in om snelheid te minderen
en zo een veilige afstand te bewaren.
Bestuurdershulp
7-80
Type A
Type A
Type B
Type B
OTM070112N
OTM070112N
OTM070112L
OTM070112L
Voorwaarden Smart Cruise Control niet vervuld
Als de toets Driving Assist (rijhulp), de +
schakelaar, de - schakelaar of de schakelaar
wordt ingedrukt terwijl er niet is voldaan aan
de werkingsvoorwaarden van de Smart Cruise
Control, verschijnt de melding 'Smart Cruise
Control conditions not met' (of 'SCC (Smart Cruise
Ctrl.) conditions not met’) (Voorwaarden SCC niet
vervuld) op het instrumentenpaneel en klinkt een
waarschuwingssignaal.
OOSN071024L
OOSN071024L
Waarschuwing voor rijomstandigheden
In de volgende situatie verschijnt de
waarschuwingsmelding 'Watch for surrounding
vehicles' (Let op voor andere voertuigen)
op het instrumentenpaneel en klinkt een
waarschuwingssignaal om de bestuurder te
waarschuwen voor bepaalde rijomstandigheden
voor hem/haar.
- Uw voorligger verdwijnt terwijl Smart Cruise
Control de afstand tot de voorligger aanhoudt
en hij onder een bepaalde snelheid rijdt.
WAARSCHUWING
Let altijd op voor voertuigen en voorwerpen die
mogelijk plotseling vóór u kunnen opduiken
en trap indien nodig het rempedaal in om
snelheid te minderen en zo een veilige afstand
te bewaren.
07
7-81
OOSN071016L
OOSN071016L
Collision Warning (Botsing waarsch.)
Als het risico op een botsing met uw voorligger
hoog is terwijl het Smart Cruise Control-systeem
werkt, verschijnt de ‘Collision Warning’ (Botsing
waarsch.) op het instrumentenpaneel en klinkt
een waarschuwingssignaal om de bestuurder te
waarschuwen. Blijf tijdens het rijden altijd op de
weg letten en trap indien nodig het rempedaal in
om snelheid te minderen en zo een veilige afstand
te bewaren.
WAARSCHUWING
In de volgende situaties, waarschuwt Smart
Cruise Control de bestuurder mogelijk niet voor
een botsing.
- De afstand tot uw voorligger is klein of zijn
rijsnelheid is hoger dan of dezelfde als die
van u
- Uw voorligger rijdt heel langzaam of staat stil
- Het gaspedaal wordt onmiddellijk na het
inschakelen van het Smart Cruise Control-
systeem ingetrapt.
WAARSCHUWING
Neem de volgende
voorzorgsmaatregelen bij gebruik van
het Smart Cruise Control-systeem:
Het Smart Cruise Control-systeem is geen
vervanging voor correct en veilig rijgedrag.
Het is de verantwoordelijkheid van de
bestuurder om altijd de rijsnelheid en de
afstand tot de voorligger in de gaten te
houden.
Het is mogelijk dat Smart Cruise Control
onverwachte en plotselinge situaties of
complexe verkeerssituaties niet herkent, dus
let altijd goed op de rijomstandigheden en
houd uw rijsnelheid onder controle.
Laat Smart Cruise Control uitgeschakeld
wanneer u het niet gebruikt, om te
voorkomen dat u onbedoeld een snelheid
instelt.
Laat het portier niet open en verlaat de
auto niet terwijl Smart Cruise Control
ingeschakeld is, ook al staat de auto stil.
Houd altijd de geselecteerde snelheid en
afstand tot uw voorligger in de gaten.
Houd een veilige afstand aan
overeenkomstig de wegomstandigheden en
de rijsnelheid. Als de volgafstand te klein is
bij een hoge rijsnelheid, kan dat een ernstige
aanrijding veroorzaken.
Als de voorligger verdwijnt terwijl de
volgafstand wordt aangehouden, kan de
Smart Cruise Control plotseling versnellen
tot de ingestelde snelheid. Blijf je altijd
bewust van onverwachte en plotselinge
situaties die zich kunnen voordoen.
De rijsnelheid kan bergop dalen en bergaf
toenemen.
Bestuurdershulp
7-82
Let altijd op voor situaties zoals auto's die
plotseling voor u inrijden.
Wanneer u een aanhanger of een ander
voertuig trekt, raden we aan dat u Smart
Cruise Control om veiligheidsredenen
uitschakelt.
Schakel Smart Cruise Control uit wanneer uw
auto wordt gesleept.
Het kan zijn dat Smart Cruise Control niet
naar behoren werkt als er sprake is van sterke
elektromagnetische golven.
Het is mogelijk dat Smart Cruise Control een
obstakel vóór uw auto niet detecteert, wat
tot een botsing kan leiden. Wees voorzichtig
en kijk altijd vooruit om te voorkomen dat
zich onverwachte en plotselinge situaties
voordoen.
Voorliggers de veelvuldig van rijstrook
veranderen kunnen ervoor zorgen dat de
Smart Cruise Control vertraagd reageert of
kunnen ervoor zorgen dat de Smart Cruise
Control reageert op een voertuig in een
naastgelegen rijstrook. Rijd altijd voorzichtig
om onverwachte en plotselinge situaties te
voorkomen.
Let altijd goed op uw omgeving en rijd veilig,
ook als er geen waarschuwingsmelding
verschijnt of waarschuwingssignaal klinkt.
Als een waarschuwingsmelding
of waarschuwingssignaal van een
ander systeem wordt weergegeven
of klinkt, verschijnt c.q. klinkt
de waarschuwingsmelding/het
waarschuwingssignaal van het Smart Cruise
Control-systeem niet.
Mogelijk hoort u het waarschuwingssignaal
van het Forward Collision-Avoidance Assist-
systeem (ondersteuning botsingsvermijding
voorzijde) niet als er veel lawaai in de
omgeving is.
De fabrikant van het voertuig is niet
verantwoordelijk voor eventuele
verkeersovertredingen of ongevallen die
worden veroorzaakt door de bestuurder.
Stel de rijsnelheid altijd lager in dan de
snelheidslimiet in uw land.
De afstand tussen voertuigen, acceleratie en
reactiesnelheid kunnen wiselen als de rijstijl
van de bestuurder verandert.
Informatie
Mogelijk werkt Smart Cruise Control niet
gedurende een bepaalde periode na het
starten van de auto of het inschakelen van de
frontzichtcamera of radar vóór.
U kunt een geluid hoeren wanneer de
remmen door Smart Cruise Control worden
aangestuurd.
Storingen en beperkingen Smart
Cruise Control
Storing Smart Cruise Control
Type A
Type A
Type B
Type B
OTM070116N
OTM070116N
OTM070116L
OTM070116L
Als Smart Cruise Control niet naar behoren
werkt, verschijnt de waarschuwingsmelding
‘Check Smart Cruise Control system’ (of ‘Check
SCC (Smart Cruise Control) system’) (Controleer
Smart Cruise Control-systeem) en gaat het
waarschuwingslampje branden op het
instrumentenpaneel. We adviseren u de auto te
laten controleren door een officiële HYUNDAI-
dealer.
07
7-83
Smart Cruise Control disabled
(uitgeschakeld)
Type A
Type A
Type B
Type B
OTM070115N
OTM070115N
OTM070115L
OTM070115L
Als het afdekkapje van de radar of sensor vóór
bedekt is met sneeuw, regen of een andere
substantie, kan dit de detectieprestaties
verminderen en Smart Cruise Control tijdelijk
beperken of uitschakelen.
Als dit gebeurt, verschijnt de
waarschuwingsmelding 'Smart Cruise
Control disabled. Radar geblokkeerd’ (of ‘SCC
(Smart Cruise Control) uitgeschakeld. Radar
blocked') (SCC-modus uitgeschakeld. Radar
geblokkeerd) voor een bepaalde tijd op het
instrumentenpaneel.
De Smart Cruise Control zal naar behoren
werken wanneer deze sneeuw, regen of ander
vreemd materiaal is verwijderd.
WAARSCHUWING
Het kan zijn dat Smart Cruise Control
niet goed werkt, zonder dat er een
waarschuwingsmelding op het
instrumentenpaneel verschijnt.
Het is mogelijk dat Smart Cruise Control niet
goed werkt in een gebied (bv. open terrein),
waar er na het starten van de motor niets is
om te detecteren.
Beperkingen van het Smart Cruise
Control-systeem
Mogelijk werkt de Smart Cruise Control niet naar
behoren of grijpt hij onverwacht in onder de
volgende omstandigheden:
De detectiesensor of het gebied eromheen is
vuil of beschadigd
De voorruit wordt constant met
ruitensproeiervloeistof besproeid of de
ruitenwisser is geactiveerd
De cameralens heeft last van een getinte
voorruit of een film of coating op de voorruit,
beschadigd glas of klevende voorwerpen
(sticker, insect, enz.) op het glas
Er is vocht op de voorruit dat niet verwijderd is
of dat eraan vastgevroren is
Het gezichtsveld van de frontzichtcamera
wordt belemmerd door schittering van de zon
Straatverlichting of licht van een tegenligger
wordt gereflecteerd op het natte wegdek, bv.
door een plas op de weg
De temperatuur rond de frontzichtcamera is
hoog of laag
Er is een voorwerp op het dashboard geplaatst
De omgeving is heel helder
De omgeving is zeer donker, bv. in een tunnel
enz.
De helderheid verandert plots, bv. wanneer u
een tunnel inrijdt of verlaat
Er is niet veel licht buiten en de koplampen zijn
niet aan of geven weinig licht
Rijden bij zware regenval of sneeuw of dichte
mist
Rijden door stoom, rook of schaduw
Bestuurdershulp
7-84
Slechts een deel van een voertuig wordt
gedetecteerd
De voorligger heeft geen achterlichten, zijn
achterlichten bevinden zich op een ongewone
plaats enz.
Er is niet veel licht buiten en de achterlichten
zijn niet aan of geven weinig licht
De achterkant van de voorligger is klein of ziet
er ongewoon uit (bijvoorbeeld wanneer de
auto is gekanteld, ondersteboven ligt, enz.)
De bodemvrijheid voor de auto is laag of hoog
Een voertuig rijdt plotseling voor u in
Uw auto wordt gesleept
U rijdt door een tunnel of onder een ijzeren
brug door
U rijdt nabij zones waar zich metalen
bevinden, zoals een bouwplaats, spoorweg
enz.
Een voorwerp dat reflecteert op de voorste
radar, zoals een rail, een voertuig in de
nabijheid, enz.
Het deel van de bumper rond de radar heeft
een stoot ondervonden of is beschadigd of de
radar zit niet op zijn plaats
De temperatuur rond de radar is hoog of laag
U rijdt in een groot gebied waar weinig
voertuigen of constructies zijn (bijvoorbeeld
een woestijn, weide, voorstad enz.)
Het voertuig voor u is van een materiaal dat de
golven van de radar vóór niet goed reflecteert
U rijdt nabij een knooppunt of langs een
tolpoort van een snelweg (of hoofdweg)
U rijdt op een ondergrond die glad is door
sneeuw, waterplassen, ijs enz.
U rijdt op een bochtige weg
De voorligger wordt te laat gedetecteerd
De weg van de voorligger wordt plotseling
versperd door een obstakel
De voorligger verandert plotseling van rijstrook
of vertraagt plotseling
De voorligger is vervormd
De voorligger rijdt met een lage of hoge
snelheid
Uw auto verandert langzaam van rijstrook
terwijl vóór u een voorligger rijdt
De voorligger is bedekt met sneeuw
• Onstabiel rijden
U bevindt zich op een rotonde en de voorligger
wordt niet gedetecteerd
U blijft in een cirkel rijden
U rijdt op een parkeerterrein
U rijdt langs wegwerkzaamheden, over een
onverharde, gedeeltelijk verharde weg of
hobbelige verkeersdrempels enz.
U rijdt op een weg met hellingen, bochten enz.
U rijdt langs bomen of straatverlichting aan de
kant van de weg
De slechte staat van de weg doet de auto
overmatig trillen tijdens het rijden
Uw auto is te hoog of te laag door een zware
lading, een abnormale bandenspanning enz.
U rijdt op een smalle weg die tussen bomen of
gras ligt of overgroeid is
Er is storing door elektromagnetische golven,
bijvoorbeeld in bepaalde gebieden met sterke
radiogolven of elektrische ruis
07
7-85
U rijdt op een bochtige weg
OADAS014
OADAS014
Het is mogelijk dat Smart Cruise Control in
een bocht een voertuig op dezelfde rijstrook
niet waarneemt en tot de ingestelde snelheid
accelereert. De rijsnelheid kan ook snel dalen
wanneer plotseling een voertuig vóór de auto
wordt gedetecteerd.
Selecteer de gewenste ingestelde snelheid in
bochten en trap het rem- of gaspedaal in zoals
de weg- en rijomstandigheden vereisen.
OADAS015
OADAS015
Uw rijsnelheid wordt mogelijk verlaagd als
gevolg van een auto op de aangrenzende
rijstrook.
Bedien het gaspedaal en selecteer de
betreffende ingestelde snelheid. Controleer
of de wegtoestand een veilige werking van de
Smart cruisecontrol toestaat.
Rijden op een helling
OADAS012
OADAS012
Het Smart cruisecontrol detecteert bij bergop-
of bergafwaarts rijden mogelijk geen rijdende
auto in uw rijstrook, waardoor de auto tot
de ingestelde snelheid kan accelereren. De
rijsnelheid kan ook snel dalen wanneer de
voorligger plotseling wel wordt gedetecteerd.
Selecteer op hellingen de gewenste ingestelde
snelheid en trap het rem- of gaspedaal in zoals
de weg- en rijomstandigheden vereisen.
Bestuurdershulp
7-86
Van rijbaan wisselen
OADAS030
OADAS030
[A]: Uw auto [B]: Een auto die van rijstrook verandert
Wanneer een voertuig vanuit een
aangrenzende rijstrook uw rijstrook oprijdt,
kan de sensor het niet detecteren totdat het
zich in zijn detectiebereik bevindt. Het kan
zijn dat Smart Cruise Control het voertuig niet
onmiddellijk herkent wanneer het plotseling
van rijstrook wisselt. In dit geval moet u een
veilige remafstand houden en indien nodig het
rempedaal intrappen om snelheid te minderen
om een veilige afstand te bewaren.
• Voertuig detecteren
OJX1079181
OJX1079181
In de volgende gevallen kunnen bepaalde
voertuigen in uw rijstrook niet worden
gedetecteerd door de sensoren:
- Voertuigen die aan de zijkant van de
rijstrook rijden
- Langzame voertuigen of plotseling
afremmende voertuigen
- Tegenliggers
- Stilstaande voertuigen
- Voertuigen waarvan de achterkant een klein
profiel heeft, zoals aanhangers
- Smalle voertuigen, zoals motorfietsen of
fietsen
- Speciale voertuigen
- Dieren en voetgangers
Pas uw rijsnelheid aan door te remmen zoals
de weg- en rijomstandigheden vereisen.
07
7-87
OOS057022
OOS057022
In de volgende gevallen kan de voorligger niet
worden gedetecteerd door de sensoren:
- Voertuigen met een grotere bodemvrijheid
of met een lading die uit de achterkant van
het voertuig steekt
- Voertuigen waarvan de voorkant hoger is
door een zware lading
- U stuurt uw auto in een bepaalde richting
- U rijdt op smalle, kronkelende wegen
Pas uw rijsnelheid aan door te remmen zoals
de weg- en rijomstandigheden vereisen.
OTM058129
OTM058129
Wanneer een voorligger verdwijnt bij een
kruispunt, is het mogelijk dat uw auto
accelereert.
Let tijdens het rijden altijd op de weg en de
rijomstandigheden.
OTM058119
OTM058119
Wanneer een voertuig vóór u de rijstrook
verlaat, kan het zijn dat Smart Cruise Control
de nieuwe voorligger niet onmiddellijk
detecteert.
Let tijdens het rijden altijd op de weg en de
rijomstandigheden.
Bestuurdershulp
7-88
OTM058124
OTM058124
Kijk altijd uit voor voetgangers als uw auto een
vaste afstand tot uw voorligger aanhoudt.
De auto rijdt een benzinestation of
verzorgingsplaats binnen
Android Auto of Car Play is actief
Het navigatiesysteem kan de actuele positie
van de auto niet detecteren (bv. op verhoogde
wegen, zoals viaducten naast gewone wegen,
of wegen in de buurt die parallel lopen)
Tijdens het rijden wordt een update van het
navigatiesysteem uitgevoerd
Tijdens het rijden wordt het navigatiesysteem
opnieuw opgestart
De snelheidslimiet van sommige delen
verandert in overeenstemming met de
toestand van de weg
U rijdt op een weg waaraan wordt gewerkt
U rijdt op een weg met controles
Slecht weer, zoals hevige regen, zware
sneeuwval enz.
U rijdt op een weg met scherpe bochten
07
7-89
LANE FOLLOWING ASSIST (LFA - RIJSTROOK VOLGEN)
(INDIEN VAN TOEPASSING)
Lane Following Assist signaleert
rijstrookmarkeringen en/of voertuigen op de weg
en helpt de bestuurder de auto in het midden van
de rijstrook te sturen.
Detectiesensor
OOSN051017L
OOSN051017L
[1]: Frontzichtcamera
De frontzichtcamera wordt gebruikt als
detectiesensor om rijstrookmarkeringen en
voorliggers te detecteren.
Zie bovenstaande afbeelding voor de precieze
locatie van de detectiesensor.
OPGELET
Zie de alinea 'Forward Collision-Avoidance
Assist (FCA, ondersteuning botsingsvermijding
voorzijde)' in hoofdstuk 7 voor meer informatie
over de voorzorgsmaatregelen voor de
frontzichtcamera.
Instellingen Lane Following
Assist (hulp bij rijbaan volgen)
Functies instellen
OOSN071035L
OOSN071035L
Lane Following Assist (hulp bij rijbaan volgen) in-/
uitschakelen
Met de motor aan drukt u eventjes op de toets
Lane Driving Assist (hulp op de rijstrook) op het
stuurwiel om Lane Following Assist (hulp om op
de rijstrook te blijven) in te schakelen. Het witte of
groene controlelampje gaat branden op het
instrumentenpaneel.
Druk opnieuw op de toets om de functie uit te
schakelen.
Bestuurdershulp
7-90
OOSN071027L
OOSN071027L
Waarschuwingsvolume
Met de motor aan selecteert u 'Driver
Assistance (Bestuurdershulp) Warning volume
(Waarschuwingsvolume)' in het menu Settings
(instellingen) om het waarschuwingsvolume voor
Hands-off warning (handen niet op het stuur
waarschuwing) te wijzigen naar 'High' (Hoog),
'Medium' (Gemiddeld), 'Low' (Laag).
Als u het waarschuwingsvolume wijzigt, kan
dat ook het waarschuwingsvolume voor andere
bestuurdershulpsystemen wijzigen.
Werking van de Lane Following
Assist
Waarschuwing en regeling
OTM070243
OTM070243
Lane Following Assist (hulp bij rijbaan volgen)
Als de voorligger en/of beide rijstrookmarkeringen
worden gedetecteerd en uw rijsnelheid
lager is dan 200 km/u (120 mph), gaat het
groene controlelampje branden op het
instrumentenpaneel en helpt Lane Following
Assist (hulp bij rijbaan volgen) de auto in het
midden van de rijstrook te blijven door het sturen
te ondersteunen.
OPGELET
Wordt er niet bijgestuurd, dan het knippert het
groene controlelampje en wordt het wit.
07
7-91
OOSN071021L
OOSN071021L
Waarschuwing hands-off (handen van het stuur)
Als de bestuurder het stuurwiel gedurende
meerdere seconden loslaat, verschijnt de
waarschuwingsmelding ‘Place hands on the
steering wheel’ (of ‘Keep hands on the steering
wheel’) (Plaats uw handen op het stuur) en klinkt
stapsgewijs een waarschuwingssignaal met
verschillende niveaus.
Eerste niveau: Waarschuwingsmelding
Tweede niveau: Waarschuwingsmelding
(rood stuurwiel) en
waarschuwingssignaal
Type A
Type A
Type B
Type B
OTM070117N
OTM070117N
OTM070117L
OTM070117L
Als bestuurder zijn handen nog steeds niet op het
stuur heeft na de waarschuwing, verschijnt de
waarschuwingsmelding 'Lane Following Assist
(LFA) canceled’ ('Lane Following Assist (LFA)
geannuleerd') (of 'LFA (Lane Following Assist)
canceled') en wordt het Lane Following Assist-
systeem automatisch gedeactiveerd.
WAARSCHUWING
Mogelijk wordt er niet geholpen als het
stuurwiel zeer stevig wordt vastgehouden of
als het voorbij een bepaalde hoek gedraaid
is.
Lane Keeping Assist werkt niet de hele
tijd. Het is de verantwoordelijkheid van de
bestuurder om veilig te sturen en de auto in
zijn rijstrook te houden.
Afhankelijk van de wegomstandigheden
kan de waarschuwingsmelding hands-
off mogelijk te laat verschijnen. Houd uw
handen altijd aan het stuurwiel tijdens het
rijden.
Als het stuur zeer lichtjes
wordt vastgehouden, kan de
waarschuwingsmelding hands-off
verschijnen omdat de Lane Following Assist
de handen van de bestuurder aan het stuur
niet opmerkt.
Als u voorwerpen aan het stuurwiel
bevestigt, is het mogelijk dat de
waarschuwing hands-off niet goed werkt.
Bestuurdershulp
7-92
Informatie
U kunt de instellingen veranderen op het
infotainmentsysteem (Vehicle Settings -
voertuiginstellingen), afhankelijk van de
optie die met uw auto is geleverd. Voor
meer details, zie paragraaf "User Settings
- gebruikersinstellingen" in hoofdstuk
4, of de paragraaf "Vehicle Settings -
voertuiginstellingen" in de meegeleverde
Infotainment handleiding.
Wanneer beide rijstrookmarkeringen worden
gedetecteerd, veranderen de rijstrooklijnen op
het instrumentenpaneel van grijs naar wit.
De afbeeldingen en kleuren op het
instrumentenpaneel kunnen afwijken per type
instrumentenpaneel of gekozen thema.
Rijstrook niet
Rijstrook niet
gesignaleerd
gesignaleerd
Rijstrook
Rijstrook
gesignaleerd
gesignaleerd
OOSN081027N
OOSN081027N
OOSN071019N
OOSN071019N
Als er geen rijstrookmarkeringen worden
gedetecteerd, kan het bijsturen door Lane
Following Assist worden beperkt, afhankelijk
van een eventuele voorligger of van de
rijomstandigheden van het voertuig.
Hoewel Lane Following Assist bijstuurt, kan de
bestuurder steeds zelf sturen.
Het stuurwiel kan wel zwaarder of lichter
aanvoelen als Lane Following Assist bijstuurt
dan wanneer dat niet het geval is.
Storingen en beperkingen van
de Lane Following Assist
Storing Lane Following Assist
Type A
Type A
Type B
Type B
OTM070118N
OTM070118N
OTM070118L
OTM070118L
Als Lane Following Assist niet naar behoren
werkt, verschijnt enkele seconden de
waarschuwingsmelding 'Check Lane
Following Assist (LFA) system’ ('Controleer
systeem hulp bij rijbaan volgen (LFA)') (of
'Check LFA (Lane Following Assist) system')
op het instrumentenpaneel en gaat het
hoofdwaarschuwingslampje (WAE-211) op het
instrumentenpaneel branden. Laat de auto in dit
geval inspecteren door een officiële HYUNDAI-
dealer.
Beperkingen van de Lane Following
Assist
Raadpleeg het deel 'Lane Following Assist (LKA)’
in hoofdstuk 7 voor meer informatie over de
beperkingen.
Informatie
Zie de paragraaf 'Lane Following Assist (hulp
bij rijbaan volgen)’ in hoofdstuk 7 voor meer
informatie over de voorzorgsmaatregelen.
07
7-93
ACHTERUITRIJMONITOR (RVM) (INDIEN VAN TOEPASSING)
OOSN071007L
OOSN071007L
OOSN071009L
OOSN071009L
Het Rear View Monitor-systeem toont u de zone
achter de auto om u te helpen bij het parkeren of
achteruitrijden.
Detectiesensor
OOSN071008L
OOSN071008L
[1] : Achteruitrijcamera
Zie bovenstaande afbeelding voor de precieze
locatie van de detectiesensor.
Instellingen Achteruitrijmonitor
Camera-instellingen
OOSN071010L
OOSN071010L
U kunt de instellingen van de
achteruitrijmonitor ‚Display Contents - inhoud
weergeven‘ of ‚Display Settings - display-
instellingen‘ wijzigen door te drukken op
het pictogram Instelling (
(
) op het scherm
terwijl de achteruitrijmonitor werkt, of door
'Driver Assistance (Bestuurdershulp) Parking
Safety (Parkeerveiligheid) Camera Settings
(Camera-instellingen)’ te selecteren in het
menu Settings (instellingen) terwijl de motor
draait.
In Display Contents (inhoud weergeven)
kunt u de instellingen voor ‚Rear View -
achteruitkijkhulp’ en in Display Settings
- display-instellingen, kunt u de ‘Brightness
- helderheid’ en het ‘Contrast’ van het scherm
veranderen.
Bestuurdershulp
7-94
Werking van de
Achteruitrijmonitor
Bedieningstoets
OOSN071010L
OOSN071010L
Toets Parking/View (Parkeren/Weergave)
Druk op de toets parkeren/weergave (1) om de
achteruitrijmonitor in te schakelen.
Druk opnieuw op de toets om de functie uit te
schakelen.
Achteraanzicht
Voorwaarden voor gebruik
Met de versnelling in R (achteruit) zal het beeld
op het scherm verschijnen.
Druk op de Parking/View - weergave toets
(1) als de versnelling in P (Parkeren) staat, het
beeld verschijnt op het scherm.
Wanneer u het pictogram ( ) aanraakt,
wordt het achteraanzicht op het scherm
weergegeven.
Voorwaarden voor uitschakelen
Het achteraanzicht kan niet worden
uitgeschakeld terwijl de transmissie in R
(Achteruit) staat.
Druk nogmaals op de Parking/View -
weergave toets (1) terwijl de versnelling in
P (Parkeren) staat met het achteraanzicht
op het scherm, het achteraanzicht wordt
uitgeschakeld.
Schakel van R (Reverse achteruit) naar
P (Parkeren), het achteraanzicht wordt
uitgeschakeld.
Vergroot achteruitrijzicht
Het achteraanzicht blijft zichtbaar op het scherm
om u te helpen bij het parkeren.
Voorwaarden voor gebruik
Schakel van R (Achteruit) naar N (Neutraal) of D
(Rijden), dan verschijnt het achteraanzicht op het
scherm.
Voorwaarden voor uitschakelen
Het achteraanzicht wordt uitgeschakeld als de
rijsnelheid hoger is dan 10 km/u (6 mph).
Op de knop Parkeren/Zicht (1) drukken, zal het
achteraanzicht uitschakelen.
Schakel naar P (Parkeren), het achteraanzicht
wordt uitgeschakeld.
Zicht achteruit tijdens het rijden
OOSN071010L
OOSN071010L
De bestuurder kan tijdens het rijden het zicht
achteruit op het scherm controleren om te helpen
bij het achteruitrijden.
Voorwaarden voor gebruik
Druk op de Parking/View - weergave toets (1) als
de versnelling in P (Parkeren) of N (Neutraal) staat,
het achteruitrijbeeld verschijnt op het scherm.
07
7-95
Voorwaarden voor uitschakelen
Het achteruitrijbeeld wordt gedeactiveerd
als er nogmaals op de toets Parking/View
(Parkeren/Weergave) (1) wordt gedrukt.
Druk op een van de
infotainmentsysteemknoppen (2), het
achteruitrijbeeld wordt uitgeschakeld.
Schakel naar P (Parkeren), het achteraanzicht
tijdens het rijden wordt uitgeschakeld.
In werking
Als de transmissie naar stand R (Achteruit)
wordt geschakeld terwijl het achteruitrijbeeld
op het scherm wordt weergegeven, schakelt
het scherm over naar de achteruitrijmonitor
met parkeerassistentie.
Bovenaanzicht achteraan
OOS070022K
OOS070022K
Wanneer u het aanraakt, verschijnt op het
scherm het bovenaanzicht en toont dat de
afstand tot het voertuig achter u wanneer u
parkeert.
Storingen en beperkingen
Achteruitrijmonitor
Storingen Achteruitrijmonitor
Als de achteruitrijmonitor niet naar behoren werkt,
als het scherm flikkert of als het camerabeeld niet
naar behoren wordt weergegeven, raden wij u aan
uw auto te laten controleren door een officiële
HYUNDAI-dealer.
Beperkingen van de
Achteruitrijmonitor
Als de auto 's winters lange tijd stilstaat of als de
auto in een overdekte parkeerplaats staat, kan het
beeld door de uitlaatgassen mogelijk onscherp
worden weergegeven.
WAARSCHUWING
De camera bestrijkt niet het gehele gebied
achter het voertuig. De bestuurder moet het
gebied direct via de achteruitkijkspiegels
binnen en buiten controleren voor het
parkeren of achteruit rijden.
De afstand die op het scherm wordt
weergegeven kan afwijken van de werkelijke
afstand tot het voorwerp. Controleer de
omgeving van de auto voor de veiligheid.
Houd de lens van de achteruitrijcamera
altijd schoon. Als de lens bedekt is met
vuil, kan dat een negatieve invloed
hebben op de cameraprestaties en
werkt de achteruitrijmonitor mogelijk
niet naar behoren. Gebruik echter geen
chemische oplosmiddelen zoals sterke
reinigingsmiddelen, met een hoog
alkalinegehalte of vluchtige organische
oplosmiddelen (benzine, aceton, enz.).
Anders kan de cameralens beschadigd raken.
Bestuurdershulp
7-96
REAR CROSS-TRAFFIC COLLISION-AVOIDANCE ASSIST
(RCCA) (INDIEN VAN TOEPASSING)
Rear Cross-Traffic Collision-Avoidance
Assist detecteert voertuigen die van links
en van rechts naderen terwijl uw auto
achteruitrijdt, en waarschuwt de bestuurder
met een waarschuwingsmelding en een
waarschuwingssignaal dat er een aanrijding
dreigt. Ook wordt er geremd om een botsing te
helpen vermijden.
OJX1079108
OJX1079108
[A]: Reikwijdte van Rear Cross-Traffic Collision Warning
[B] : Werkingsbereik Rear Cross-Traffic Collision-Avoidance
Assist
OPGELET
Het waarschuwingsmoment kan variëren
afhankelijk van de snelheid van het naderende
voertuig.
Detectiesensor
OOSN071002L
OOSN071002L
[1]: Hoekradar achteraan
Zie bovenstaande afbeelding voor de precieze
locatie van de detectiesensoren.
Informatie
Zie het onderdeel "Blind-Spot Collision-Avoidance
Assist (BCA)" in hoofdstuk 7 voor meer informatie
over de voorzorgsmaatregelen voor de hoekradar
achteraan.
07
7-97
Instellingen Rear Cross-
Traffic Collision-Avoidance
Assist (ondersteuning
botsingsvermijding achterzijde)
Functies instellen
OOSN071034L
OOSN071034L
Rear Cross-Traffic Safety
Met de motor aan selecteert u 'Driver
Assistance (Bestuurdershulp) Parking Safety
(Parkeerveiligheid) Rear Cross-Traffic Safety
(Veiligheid kruisend verkeer achterkant)' in het
menu Settings (instellingen) om de Rear Cross-
Traffic Collision-Avoidance Assist (ondersteuning
botsingsvermijding achterzijde) in te schakelen
en heft u de selectie op om de functie uit te
schakelen.
WAARSCHUWING
Wanneer de motor opnieuw wordt gestart,
wordt de Rear Cross-Traffic Collision-Avoidance
Assist (ondersteuning botsingsvermijding
achterzijde) altijd ingeschakeld. Als echter
'Off' (uit) wordt geselecteerd nadat de motor
opnieuw is gestart, moet de bestuurder altijd op
de omgeving letten en veilig rijden.
Informatie
De instellingen voor Rear Cross-Traffic Collision-
Avoidance omvatten Rear Cross-Traffic Collision
Warning en Rear Cross-Traffic Collision-Avoidance
Assist.
OOSN071026L
OOSN071026L
Waarschuwingsmoment
Met de motor aan, selecteert u 'Driver
Assistance (Bestuurdershulp) Warning Timing
(Timing waarschuwing)' in het menu Settings
(instellingen) om de initiële activeringstijd voor
de waarschuwing van de Rear Cross-Traffic
Collision-Avoidance Assist (ondersteuning
botsingsvermijding achterzijde) te wijzigen.
Wanneer uw auto wordt afgeleverd, is het
waarschuwingsmoment ingesteld op ‘Normal’
(Normaal). Als u het Waarschuwingsmoment
wijzigt, kan dat ook het Waarschuwingsmoment
voor andere bestuurdershulpsystemen wijzigen.
Bestuurdershulp
7-98
OOSN071027L
OOSN071027L
Waarschuwingsvolume
Met de motor aan, selecteer 'Driver Assistance
(Bestuurdershulp) Warning Volume
(Waarschuwingsvolume)' in het menu Settings
(instellingen) om het waarschuwingsvolume van
het Rear Cross-Traffic Collision-Avoidance Assist
(ondersteuning botsingsvermijding kruisend
verkeer achteraan) te wijzigen in 'High' (Hoog),
'Medium' (Gemiddeld), 'Low' (Laag).
Als u het waarschuwingsvolume wijzigt, kan
dat ook het waarschuwingsvolume voor andere
bestuurdershulpsystemen wijzigen.
OPGELET
De instelling voor waarschuwingsmoment
en waarschuwingsvolume is van toepassing
op alle functies van Rear Cross-Traffic
Collision-Avoidance Assist.
Zelfs als voor het waarschuwingsmoment
‘Normal’ (Normaal) wordt geselecteerd, kan
het lijken dat de waarschuwing te laat komt
als er een voertuig van links of rechts met
een hoge snelheid nadert.
Selecteer voor het waarschuwingsmoment
'Late' ('Laat') wanneer er weinig verkeer is en
u traag rijdt.
Informatie
Wanneer de motor opnieuw wordt gestart, blijft de
laatste instelling voor het waarschuwingsmoment en
-volume behouden.
Werking Rear Cross-
Traffic Collision-Avoidance
Assist (ondersteuning
botsingsvermijding achterzijde)
Waarschuwing en regeling
De Rear Cross-Traffic Collision-Avoidance Assist
is om waarschuwingen te geven en te helpen
het voertuig in bedwang te houden, afhankelijk
van het botsingsrisico: ‘Collision Warning’
(botsingswaarschuwing), ‘Emergency Braking’
(noodrem) en ‘Stopping vehicle and ending
brake control’ (voertuig stoppen en remregeling
eindigen).
OHY059005
OHY059005
OOSN071047L
OOSN071047L
OOS070019K
OOS070019K
07
7-99
Collision Warning (Botsing waarsch.)
Om de bestuurder te waarschuwen
voor een voertuig dat van links/
rechts de auto nadert, knippert het
waarschuwingslampje op de buitenspiegel
en verschijnt een waarschuwingsmelding
op het instrumentenpaneel. Er is ook een
waarschuwingssignaal te horen. Als de
achteruitrijmonitor geactiveerd is, verschijnt er
ook een waarschuwing op het scherm van het
infotainmentsysteem.
De Rear Cross-Traffic Collision-Avoidance
Assist (ondersteuning botsingsvermijding
achterzijde) werkt wanneer aan al de volgende
voorwaarden is voldaan:
- Er wordt naar stand R (Achteruit)
geschakeld
- De rijsnelheid is lager dan 8 km/u (5 mph)
- Het naderende voertuig bevindt zich op ca.
25 m (82 ft.) links of rechts van uw auto
- De rijsnelheid van het voertuig dat van links
of rechts nadert, is hoger dan 5 km/h (3
mph)
Informatie
Als de werkingsvoorwaarden worden vervuld,
wordt u gewaarschuwd telkens als er van links
of rechts een voertuig nadert, zelfs wanneer u
stilstaat.
De afbeeldingen en kleuren op het
instrumentenpaneel kunnen afwijken per type
instrumentenpaneel of gekozen thema.
OHY059005
OHY059005
OOSN071048L
OOSN071048L
OOS070019K
OOS070019K
Emergency braking (Noodremmen)
Om de bestuurder te waarschuwen voor een
voertuig dat van links/rechts de auto nadert,
knippert het waarschuwingslampje op de
buitenspiegel en verschijnt de waarschuwing
'Emergency Braking' - (Noodremmen)
op het instrumentenpaneel. Er is ook een
waarschuwingssignaal te horen. Als de
achteruitrijmonitor geactiveerd is, verschijnt er
ook een waarschuwing op het scherm van het
infotainmentsysteem.
Bestuurdershulp
7-100
De Rear Cross-Traffic Collision-Avoidance
Assist (ondersteuning botsingsvermijding
achterzijde) werkt wanneer aan al de volgende
voorwaarden is voldaan:
- Er wordt naar stand R (Achteruit)
geschakeld
- De rijsnelheid is lager dan 8 km/u (5 mph)
- Het naderende voertuig bevindt zich op ca.
1,5 m (5 ft.) links of rechts van uw auto
- De rijsnelheid van het voertuig dat van links
of rechts nadert, is hoger dan 5 km/h (3
mph)
De noodrem wordt geactiveerd om een
botsing met de voertuigen die van links en
rechts naderen te helpen voorkomen.
WAARSCHUWING
Het aansturen van de remmen eindigt in de
volgende gevallen:
Het aankomende voertuig verlaat het
detectiebereik
Het aankomende voertuig rijdt achter u uw
auto voorbij
Het naderende voertuig niet rijdt in de
richting van uw voertuig
Het naderende voertuig vertraagt
De bestuurder trapt het rempedaal krachtig
genoeg in
OTM070169L
OTM070169L
De auto tot stilstand brengen en het aansturen van
de remmen beëindigen
Wanneer de auto tot stilstand is gebracht
door Emergency braking (Noodremmen),
verschijnt de waarschuwing 'Drive carefully’
(Rij voorzichtig) op het instrumentenpaneel.
Voor zijn/haar veiligheid dient de bestuurder
het rempedaal onmiddellijk in te trappen en de
omgeving te controleren.
Het aansturen van de remmen wordt
beëindigd nadat de auto door toedoen
van Emergency braking (Noodremmen)
gedurende ongeveer 2 seconden heeft
stilgestaan.
Tijdens een noodstop, wordt het aansturen
van de remmen door de Rear Cross-Traffic
Collision-Avoidance Assist (ondersteuning
botsingsvermijding achterzijde) automatisch
geannuleerd wanneer de bestuurder het
rempedaal hard intrapt.
07
7-101
WAARSCHUWING
Tref de volgende voorzorgsmaatregelen wanneer
u gebruikmaakt van de Rear Cross-Traffic
Collision-Avoidance Assist (ondersteuning
botsingsvermijding achterzijde):
Wijzig voor uw veiligheid de instellingen pas
nadat u de auto op een veilige plaats heeft
geparkeerd.
Mogelijk verschijnt of klinkt de waarschuwing
of het waarschuwingssignaal van de Rear
Cross-Traffic Collision-Avoidance Assist
(ondersteuning botsingsvermijding achterzijde)
niet als een waarschuwingsmelding of
waarschuwingssignaal van een ander systeem
wordt weergegeven of klinkt.
Mogelijk hoort u het waarschuwingssignaal van
het Rear Cross-Traffic Collision-Avoidance Assist
(ondersteuning botsingsvermijding achterzijde)
niet als er veel lawaai in de omgeving is.
Mogelijk werkt de Rear Cross-Traffic
Collision-Avoidance Assist (ondersteuning
botsingsvermijding achterzijde) niet als de
bestuurder het rempedaal intrapt om een
aanrijding te voorkomen.
Terwijl de Rear Cross-Traffic Collision-Avoidance
Assist (ondersteuning botsingsvermijding
achterzijde) ingrijpt, kan de auto plotseling
tot stilstand komen, waarbij letsel kan
worden toegebracht aan passagiers en losse
voorwerpen kunnen verschuiven. Zorg dat alle
inzittenden steeds hun veiligheidsgordel om
hebben en dat losse voorwerpen altijd goed
worden vastgezet.
Ook als er een probleem met het Rear
Cross-Traffic Collision-Avoidance Assist
(ondersteuning botsingsvermijding achterzijde)
is, werken de remmen normaal.
Terwijl Rear Cross-Traffic Collision-Avoidance
Assist (ondersteuning botsingsvermijding
achterzijde) werkt, wordt het aansturen van
de remmen door het systeem automatisch
geannuleerd wanneer de bestuurder het
gaspedaal hard intrapt of abrupt het stuur
omgooit.
Rear Cross-Traffic Collision-Avoidance Assist
(ondersteuning botsingsvermijding achterzijde)
werkt niet in alle situaties en kan niet alle
aanrijdingen voorkomen.
Mogelijk waarschuwt de Rear Cross-Traffic
Collision-Avoidance Assist (ondersteuning
botsingsvermijding achterzijde) de bestuurder
te laat of helemaal niet, afhankelijk van de weg-
en rijomstandigheden.
De bestuurder is er verantwoordelijk voor
de auto onder controle te houden. Vertrouw
niet uitsluitend op de Rear Cross-Traffic
Collision-Avoidance Assist (ondersteuning
botsingsvermijding achterzijde). Houd een
veilige remafstand en trap indien nodig het
rempedaal in om snelheid te minderen of het
voertuig tot stilstand te brengen.
Laat de Rear Cross-Traffic Collision-Avoidance
Assist (ondersteuning botsingsvermijding
achterzijde) nooit opzettelijk reageren op
mensen, dieren, voorwerpen enz. Dit kan
ernstig of dodelijk letsel veroorzaken.
OPGELET
Afhankelijk van de status van ESC (elektronische
stabiliteitsregeling) is het mogelijk dat het
aansturen van de remmen niet goed functioneert.
Er zal alleen een waarschuwing worden gegeven in
de volgende gevallen:
Het waarschuwingslampje ESC (elektronische
stabiliteitsregeling) brandt
ESC (elektronische stabiliteitsregeling) voert
een andere functie uit
Informatie
Als het remmen ondersteund wordt door de
Rear Cross-Traffic Collision-Avoidance Assist
(ondersteuning botsingsvermijding achterzijde), moet
de bestuurder onmiddellijk de rem intrappen en de
omgeving van het voertuig bekijken.
Het aansturen van de remmen eindigt in de
wanneer de bestuurder het rempedaal krachtig
genoeg intrapt.
Nadat de transmissie in stand R (Achteruit) is
gezet, werkt het aansturen van de remmen eenmaal
voor voertuigen die van links en rechts naderen.
Bestuurdershulp
7-102
Storing en beperkingen van de
Rear Cross-Traffic Collision-
Avoidance Assist (ondersteuning
botsingsvermijding achterzijde)
Storing van de Rear Cross-
Traffic Collision-Avoidance Assist
(ondersteuning botsingsvermijding
achterzijde)
OTM070125N
OTM070125N
Als de Rear Cross-Traffic Collision-Avoidance
Assist (ondersteuning botsingsvermijding
achterzijde) niet naar behoren werkt, verschijnt
enkele seconden de waarschuwingsmelding
‘Check Rear Cross-Traffic Safety system(s)’
('Controleer veiligheid kruisend verkeer
achterkant') op het instrumentenpaneel en gaat
het hoofdwaarschuwingslampje ( ) branden
op het instrumentenpaneel. Laat de auto in dit
geval inspecteren door een officiële HYUNDAI-
dealer.
Type A
Type A
Type B
Type B
OTM070100N
OTM070100N
OTM070100L
OTM070100L
Als het waarschuwingslampje in de buitenspiegel
niet naar behoren werkt, verschijnt de
waarschuwing ‘Check side view mirror warning
light’ (of ‘Check outside mirror warning icon’)
(‘Controleer het alarm-symbool zijspiegel’ of
‘Controleer het alarm-symbool buitenspiegel’)
op het instrumentenpaneel en gaat het
hoofdwaarschuwingslampje (WAE-211) branden.
Laat de auto in dit geval inspecteren door een
officiële HYUNDAI-dealer.
Rear Cross-Traffic Collision-
Avoidance Assist (ondersteuning
botsingsvermijding achterzijde)
uitgeschakeld
Type A
Type A
Type B
Type B
OTM070124N
OTM070124N
OTM070124L
OTM070124L
Als het deel van de achterbumper waar de
achterste hoekradar of de sensor zich bevindt,
bedekt is met vuil, zoals sneeuw of regen, of als
een aanhanger of drager wordt geplaatst, kan dit
de detectieprestaties verminderen en Rear Cross-
Traffic Collision-Avoidance Assist (ondersteuning
botsingsvermijding achterzijde) tijdelijk beperken
of uitschakelen.
Als dit gebeurt, verschijnt 'Rear Cross-Traffic
Safety system disabled. Radar blocked’ (of ‘Rear
cross-traffic safety functions disabled. Radar
blocked') (Veiligheidssysteem voor kruisend
verkeer aan de achterkant uitgeschak. Radar
geblokkeerd) op het instrumentenpaneel.
Het Rear Cross-Traffic Collision-Avoidance Assist
(ondersteuning botsingsvermijding achterzijde)
zal normaal werken als deze substantie, de
aanhanger of dergelijke wordt verwijderd.
Als de Rear Cross-Traffic Collision-Avoidance
Assist (ondersteuning botsingsvermijding
achterzijde) niet naar behoren werkt nadat het
verwijderd is, adviseren we om de auto te laten
nakijken door een officiële HYUNDAI-dealer.
07
7-103
WAARSCHUWING
Het is mogelijk dat de Rear Cross-Traffic
Avoidance Assist niet goed werkt, zonder
dat daardoor het waarschuwingsmelding
verschijnt op het instrumentenpaneel.
Mogelijk werkt de Rear Cross-Traffic
Collision-Avoidance Assist-functie niet goed
in bepaalde gebieden (bv. open terrein),
waar eventuele substanties niet worden
gedetecteerd na het starten van de motor.
OPGELET
Schakel Rear Cross-Traffic Collision-Avoidance
Assist (Hulp voor vermijden aanrijding met
achteraan kruisend verkeer) uit om een
trailer, aanhangwagen of een andere sleep te
bevestigen of te verwijderen. Vertrouw niet
uitsluitend op de Rear Cross-Traffic Collision-
Avoidance Assist (Hulp voor vermijden
aanrijding met achteraan kruisend verkeer).
Beperkingen van de Rear Cross-
Traffic Collision-Avoidance Assist
(ondersteuning botsingsvermijding
achterzijde)
Mogelijk werkt de Rear Cross-Traffic
Collision-Avoidance Assist (ondersteuning
botsingsvermijding achterzijde) niet normaal of
treedt de functie onverwacht in werking onder de
volgende omstandigheden:
U vertrekt op een plek die door bomen of gras
overgroeid is
U vertrekt op een plek waar het wegdek nat is
De aankomende auto rijdt met een lage of
hoge snelheid
Mogelijk werkt het aansturen van de remmen niet
en is de aandacht van de bestuurder vereist in de
volgende gevallen:
De auto trilt ernstig wanneer hij op een
wegdek rijdt dat hobbelig, ongelijkmatig of
met beton hersteld is
U rijdt op een ondergrond die glad is door
sneeuw, waterplassen, ijs enz.
De bandendruk is laag of er is een band
beschadigd
De remmen zijn afgesteld
Informatie
Zie de paragraaf 'Blind-Spot Collision-Avoidance
Assist (BCA) (botsingsvermijding blinde hoek)'
in hoofdstuk 7 voor meer informatie over de
beperkingen van de hoekradar achteraan.
WAARSCHUWING
Nabij een voertuig of constructie rijden
OJX1079111
OJX1079111
[A]: Constructie
Het kan zijn dat de werking van Rear
Cross-Traffic Collision-Avoidance Assist
(ondersteuning botsingsvermijding
achterzijde) beperkt is, wanneer u nabij een
voertuig of constructie rijdt, waardoor de
functie een voertuig dat van links of rechts
nadert niet kan waarnemen. Als dit gebeurt,
kan het zijn dat het systeem de bestuurder
niet waarschuwt of de remmen niet
aanstuurt terwijl dat wel nodig is.
Controleer altijd uw omgeving terwijl u
achteruitrijdt.
Bestuurdershulp
7-104
Wanneer het voertuig zich ergens bevindt
waar het moeilijk parkeren is
OJX1079112
OJX1079112
De Rear Cross-Traffic Collision-Avoidance
Assist (ondersteuning botsingsvermijding
achterzijde) detecteert mogelijk voertuigen
die een parkeerplaats nabij uw auto in- of
uitrijden (bijv. een voertuig naast uw auto
dat vertrekt, een voertuig achter u dat een
parkeerplaats inrijdt of verlaat, een voertuig
dat uw auto nadert terwijl het een bocht
maakt enz.). In een dergelijke situatie kan het
zijn dat de functie de bestuurder waarschuwt
of het voertuig afremt terwijl dat niet nodig
is.
Controleer altijd uw omgeving terwijl u
achteruitrijdt.
Wanneer het voertuig schuin wordt
geparkeerd
OJX1079113
OJX1079113
[A]: voertuig
Het kan zijn dat de werking van Rear
Cross-Traffic Collision-Avoidance Assist
(ondersteuning botsingsvermijding
achterzijde) beperkt is wanneer u schuin
achteruitrijdt, waardoor de functie een
voertuig dat van links of rechts nadert, niet
kan waarnemen. Als dit gebeurt, kan het
zijn dat het systeem de bestuurder niet
waarschuwt of de remmen niet aanstuurt
terwijl dat wel nodig is. Controleer altijd uw
omgeving terwijl u achteruitrijdt.
Wanneer uw auto op of nabij een helling
staat
OOSN071011L
OOSN071011L
Het kan zijn dat de werking van Rear
Cross-Traffic Collision-Avoidance Assist
(ondersteuning botsingsvermijding
achterzijde) beperkt is wanneer uw auto
op of nabij een helling staat, waardoor het
systeem een voertuig dat van links of rechts
nadert, niet kan waarnemen. Als dit gebeurt,
kan het zijn dat het systeem de bestuurder
niet waarschuwt of de remmen niet
aanstuurt terwijl dat wel nodig is.
Controleer altijd uw omgeving terwijl u
achteruitrijdt.
07
7-105
Een parkeerplek inrijden waarbij zich een
constructie bevindt
OJX1079115
OJX1079115
[A]: Constructie, [B]: Muur
De Rear Cross-Traffic Collision-Avoidance
Assist (ondersteuning botsingsvermijding
achterzijde) detecteert mogelijk voertuigen
die vóór u voorbijrijden terwijl u achteruit
een parkeerplaats inrijdt waarachter of
waarnaast een muur of constructie staat.
In een dergelijke situatie kan het zijn dat de
functie de bestuurder waarschuwt of het
voertuig afremt terwijl dat niet nodig is.
Controleer altijd uw omgeving terwijl u
achteruitrijdt.
Wanneer het voertuig achteruit wordt
geparkeerd
OJX1079116
OJX1079116
De Rear Cross-Traffic Collision-Avoidance
Assist (ondersteuning botsingsvermijding
achterzijde) detecteert mogelijk voertuigen
die achter u voorbijrijden terwijl u achteruit
een parkeerplaats inrijdt. In een dergelijke
situatie kan het zijn dat de functie de
bestuurder waarschuwt of het voertuig
afremt terwijl dat niet nodig is.
Controleer altijd uw omgeving terwijl u
achteruitrijdt.
WAARSCHUWING
Wanneer u een aanhanger of een ander
voertuig sleept, raden we aan dat u om
veiligheidsredenen Rear Cross-Traffic
Collision-Avoidance Assist (ondersteuning
botsingsvermijding achterzijde) uitschakelt.
Mogelijk functioneert de Rear Cross-Traffic
Collision-Avoidance Assist (ondersteuning
botsingsvermijding achterzijde) niet
naar behoren bij storing door sterke
elektromagnetische golven.
Het kan zijn dat de Rear Cross-Traffic
Collision-Avoidance Assist (ondersteuning
botsingsvermijding achterzijde) niet werkt
gedurende 3 seconden na het starten van de
auto of na het inschakelen van de hoekradars
achter.
Bestuurdershulp
7-106
REVERSE PARKING DISTANCE WARNING (PDW,
AFSTANDSWAARSCHUWING-ACHTERUIT) (INDIEN VAN
TOEPASSING)
De afstandswaarschuwing achteruit kan helpen
om de bestuurder te waarschuwen als er een
obstakel wordt gedetecteerd terwijl de auto traag
achteruitrijdt
Detectiesensor
OOSN071012L
OOSN071012L
[1]: Ultrasoonsensoren achter
Zie bovenstaande afbeelding voor de precieze
locatie van de detectiesensoren.
Instellingen
Afstandswaarschuwing
achteruit
Waarschuwingsvolume
Terwijl de motor aanstaat, selecteert u 'Driver
Assistance Warning volume' ('Bestuurdershulp
Waarschuwingsvolume') in het menu Settings
(instellingen) om het waarschuwingsvolume
voor Reverse Parking Distance Warning
(Waarschuwing afstand bij achterwaarts parkeren)
te wijzigen naar 'High', 'Medium' of 'Low' ('Hoog',
'Gemiddeld' of 'Laag').
Als u het waarschuwingsvolume wijzigt, kan
dat ook het waarschuwingsvolume voor andere
bestuurdershulpsystemen wijzigen.
Werking van
Afstandswaarschuwing
achteruit
Bedieningstoets
OOSN071051L
OOSN071051L
Afstandswaarschuwing (indien van toepassing)
Druk op de toets Parking Distance Warning
OFF (waarschuwing parkeerafstand uit)
() om Reverse Parking Distance Warning
(afstandswaarschuwing achteruit parkeren)
uit te zetten. Druk opnieuw op de toets om de
functie in te schakelen.
Als u de transmissie naar stand R (Achteruit)
schakelt terwijl de waarschuwing
parkeerafstand achteruit is uitgeschakeld
(controlelampje in de toets uit), wordt de
functie automatisch ingeschakeld.
Als Reverse Parking Distance Warning
(waarschuwing afstand achteruit parkeren)
inschakelt, dooft het controlelampje. Als het
voertuig harder dan 10 km/u (6 mph) rijdt,
wordt Reverse Parking Distance Warming
(waarschuwing afstand achteruit parkeren)
uitgeschakeld (controlelampje aan).
07
7-107
Afstandswaarschuwing achteruit
De afstandswaarschuwing achteruit wordt
geactiveerd wanneer de transmissie in R
(Achteruit) staat.
Reverse Parking Distance
(afstandswaarschuwing achteruit) helpt
een persoon, dier of voorwerp achteraan te
detecteren als de snelheid van het voertuig
lager is dan 10 km/u (6 mph).
Afstand
tot
voorwerp
Waarschuwingslampje
voor achteruit rijden
Waarschuwingsgeluid
60~120
cm
(24~48
inch)
Zoemer klinkt
met tussenpozen
30~60 cm
(12~24
inch)
Pieptoon klinkt
frequenter
binnen 30
cm
(12 inch)
Pieptoon klinkt
ononderbroken
Wanneer ultrasoonsensoren een object
binnen het detectiebereik detecteren, gaat het
bijbehorende controlelampje branden. Er is
ook een waarschuwingssignaal te horen.
Worden er meer dan twee objecten
tegelijk gedetecteerd, dan wordt met een
waarschuwingssignaal gewaarschuwd voor
het dichtstbijzijnde.
Het controlelampje in de illustratie wijkt
qua vorm mogelijk af van dat op de auto in
kwestie.
Storingen en beperkingen
Reverse Parking Distance
Warning (Waarschuwing afstand
bij achteruit parkeren)
Storing in Afstandswaarschuwing-
achteruit
Na het starten van de motor klinkt een pieptoon
wanneer de transmissie naar R (Achteruit)
wordt geschakeld. Dit geeft aan dat de
Afstandswaarschuwing-achteruit naar behoren
werkt.
Als zich echter een of meer van de volgende
situaties voordoen, controleer dan of de
ultrasoonsensor beschadigd is of geblokkeerd
wordt door vreemd materiaal. Als de functie nog
steeds niet correct werkt, raden we u aan de
auto door een officiële HYUNDAI-dealer te laten
controleren.
Het waarschuwingssignaal klinkt niet.
De zoemer klinkt met tussenpozen.
De waarschuwingsmelding 'Parking
sensor error or blockage' (Ultrasone sensor
defect of geblokkeerd) verschijnt op het
instrumentenpaneel.
OTM070218L
OTM070218L
Bestuurdershulp
7-108
WAARSCHUWING
De afstandswaarschuwing-achteruit is
een aanvullende functie. De werking van
de afstandswaarschuwing-achteruit kan
worden beïnvloed door verschillende
factoren (inclusief milieufactoren). Het is de
verantwoordelijkheid van de bestuurder om
altijd het zicht achteruit te controleren vóór
en tijdens het parkeren.
Schade aan uw nieuwe auto en persoonlijk
letsel omwille van een fout van de
bestuurder vallen niet onder de garantie.
Let altijd goed op als u op een kleine
afstand langs voorwerpen of voetgangers,
in het bijzonder kinderen, rijdt. Sommige
voorwerpen worden mogelijk niet door
de ultrasoonsensoren geregistreerd als
gevolg van de afstand tot het object of het
formaat of materiaal van het object. Al deze
zaken kunnen de effectiviteit van de sensor
beperken.
Beperkingen van de
Afstandswaarschuwing-achteruit
De afstandswaarschuwing-achteruit werkt
mogelijk niet goed in de volgende gevallen:
- Er zit bevroren vocht op de sensor
- De sensor is bedekt met een vreemde
substantie, zoals sneeuw of water (de
Afstandswaarschuwing-achteruit werkt
naar behoren als die vreemde substantie
wordt verwijderd.)
- Als de buitentemperatuur extreem hoog of
laag is
- De sensor of de sensorengroep is
uitgeschakeld
- Het oppervlak van de sensor is hard
ingedrukt of is door een hard voorwerp
geraakt
- Het oppervlak van de sensor wordt bekrast
met een scherp voorwerp
- Richt de straal van de hogedrukreiniger niet
rechtstreeks op de sensoren of omliggende
delen
De afstandswaarschuwing voor achteruit
inparkeren werkt mogelijk niet goed als:
- Bij zware regenval of opspattend water
- Als er water over het oppervlak van de
sensor loopt
- Als de sensor wordt beïnvloed door de
sensoren van een andere auto's
- De sensor is bedekt met sneeuw
- Als u op een ongelijkmatig wegdek, wegen
met steenslag of struiken rijdt
- Voorwerpen die ultrasone golven
veroorzaken in de buurt van de sensor
- Het kenteken is niet op de oorspronkelijke
plaats gemonteerd.
- Als de bumperhoogte van de auto of de
installatie van de sensor gewijzigd is
- Bevestigingsuitrusting of -accessoires rond
de ultrasoonsensoren
De volgende voorwerpen worden mogelijk
niet gedetecteerd:
- Scherpen of smalle voorwerpen als touwen,
kettingen of paaltjes.
- Voorwerpen die de hoogfrequente signalen
van de sensor absorberen, zoals kleding,
sponsachtige materialen of sneeuw.
- Voorwerpen lager dan 100 cm (40 in.) en
smaller dan 14 cm (6 in.).
- Voetgangers, dieren of voorwerpen die
zich zeer dicht tegen de ultrasoonsensoren
bevinden
De waarschuwingslampjes van de Parking
Distance (parkeerafstand) tonen mogelijk iets
anders dan de feitelijk gedetecteerde locatie
als het obstakel zich tussen twee sensoren
bevindt.
Afhankelijk van de rijsnelheid of
de vorm van het obstakel klinken
parkeerafstandswaarschuwingen mogelijk niet
in de normale volgorde.
• Als Afstandswaarschuwing-achteruit
gerepareerd moet worden, raden we u aan
de auto te laten nakijken door een officiële
HYUNDAI-dealer.
07
7-109
FORWARD/REVERSE PARKING DISTANCE WARNING
(PARKEERSENSOREN VOOR/ACHTER, PDW) (INDIEN VAN
TOEPASSING)
De afstandswaarschuwing vooruit/achteruit kan
helpen om de bestuurder te waarschuwen als
er binnen een bepaalde afstand een obstakel
wordt gedetecteerd terwijl de auto traag voor- of
achteruitrijdt
Detectiesensor
OOSN071014L
OOSN071014L
OOSN071013L
OOSN071013L
[1]: Ultrasoonsensoren vóór,
[2]: Ultrasoonsensoren achter
Zie bovenstaande afbeelding voor de precieze
locatie van de detectiesensoren.
Instellingen
Afstandswaarschuwing-vooruit/
achteruit
Waarschuwingsvolume
Terwijl de motor aanstaat, selecteert u 'Driver
Assistance Warning volume' ('Bestuurdershulp
Waarschuwingsvolume') in het menu Settings
(instellingen) om het waarschuwingsvolume voor
de afstandswaarschuwing vooruit/achteruit te
wijzigen naar 'High', 'Medium' of 'Low' ('Hoog',
'Gemiddeld' of 'Laag').
Als u het waarschuwingsvolume wijzigt, kan
dat ook het waarschuwingsvolume voor andere
bestuurdershulpsystemen wijzigen.
Parking Distance Warning Auto
On (afstandswaarschuwing
automatisch aan)
Om de functie Parking Distance Warning Auto On
- waarschuwing parkeerafstand aan, te gebruiken,
selecteert u ‘Driver Assistance (Bestuurdershulp)
Parking Safety (Parkeerveiligheid)
Parking Distance Warning Auto On
(afstandswaarschuwing automatisch aan)’ van het
instellingenmenu van het infotainmentsysteem.
Bestuurdershulp
7-110
Werking van
Afstandswaarschuwing-vooruit/
achteruit
Bedieningstoets
OOSN071015L
OOSN071015L
Toets parkeerveiligheid
Druk op de Parking Safety (veilig parkeren)
() knop om de Reverse Parking Distance
Warning (waarschuwing parkeerafstand
achteruit) uit te zetten.. Druk opnieuw op de
toets om de functie uit te schakelen.
Als u de transmissie naar stand R (Achteruit)
schakelt terwijl de Afstandswaarschuwing-
vooruit/achteruit is uitgeschakeld
(controlelampje in de toets uit), wordt de
Afstandswaarschuwing-vooruit/achteruit
automatisch ingeschakeld.
Als Reverse Parking Distance Warning
(waarschuwing afstand achteruit parkeren)
inschakelt, gaat het controlelampje branden.
Als het voertuig harder dan 30 km/u (18
mph) rijdt, wordt Forward/Reverse Parking
Distance Warming (waarschuwing afstand
vooruit/achteruit parkeren) uitgeschakeld
(controlelampje aan).
Als de versnelling in R (achteruit), schakelt
Forward/Revers Parking Distance Warning
(voor/achteruit parkeerafstand waarschuwing)
niet uit, ook niet als op de knop wordt gedrukt.
Afstandswaarschuwing vooruit
Forward Parking Distance Warning
(waarschuwing parkeerafstand vooruit) werkt
als een van de voorwaarden is vervuld.
- De versnelling wordt geschakeld van R
(achteruit) naar D (rijden) met Reverse
Parking Distance Warning aan
- De versnelling staat in D (rijden) en het
controlelampje van de Parking Safety (veilig
parkeren) ( ) brandt
- ‘Parking Distance Warning Auto
On’ (Auto PDW (Parking Distance
Warning) (Automatische waarschuwing
parkeerafstand aan)) is geselecteerd in het
instellingenmenu en de versnelling staat in
D (rijden)
Forward Parking Distance
(afstandswaarschuwing vooruit) kan helpen
een persoon, dier of voorwerp vooraan te
detecteren als de snelheid van het voertuig
lager is dan 10 km/u (6 mph).
De waarschuwing Forward Parking Distance
(parkeerafstand vooruit) werkt niet als de
voorwaartse snelheid van het voertuig hoger
ligt dan 10 km/u (6 mph), zelfs als het lampje
op de knop brandt. De waarschuwing Forward
Parking Distance (parkeerafstand vooruit) zal
opnieuw werken als de voorwaartse snelheid
van het voertuig lager wordt dan 10 km/u (6
mph), terwijl het controlelampje ( ) op de
knop brandt.
Als ‘Parking Distance Warning Auto On’
(Automatische waarschuwing parkeerafstand)
is ingeschakeld, blijft het lampje van de knop
parkeerveiligheid ( ) branden.
07
7-111
Als ‚automatische waarschuwing
parkeerafstand aan‘ wordt uitgeschakeld,
en de voorwaartse snelheid van het voertuig
hoger ligt dan 30 km/u (18 mph), zal het
lampje op de knop van de parkeerveiligheid
() branden. Hoewel u trager rijdt dan 10
km/u (6 mph), zal de Afstandswaarschuwing
vooruit niet gaan werken.
Afstand
tot
voorwerp
Waarschuwingslampje
voor vooruit rijden
Waarschuwingsgeluid
60~100
cm
(24~40
inch)
Zoemer
klinkt met
tussenpozen
30~60 cm
(12~24
inch)
Pieptoon klinkt
frequenter
binnen 30
cm
(12 inch)
Pieptoon klinkt
ononderbroken
Wanneer ultrasoonsensoren een object
binnen het detectiebereik detecteren, gaat het
bijbehorende controlelampje branden. Er is
ook een waarschuwingssignaal te horen.
Worden er meer dan twee objecten
tegelijk gedetecteerd, dan wordt met een
waarschuwingssignaal gewaarschuwd voor
het dichtstbijzijnde.
Het controlelampje in de illustratie wijkt
qua vorm mogelijk af van dat op de auto in
kwestie.
Afstandswaarschuwing achteruit
De afstandswaarschuwing achteruit wordt
geactiveerd wanneer de transmissie in R
(Achteruit) staat.
Reverse Parking Distance
(afstandswaarschuwing achteruit) helpt
een persoon, dier of voorwerp achteraan te
detecteren als de snelheid van het voertuig
lager is dan 10 km/u (6 mph).
Als de achterwaartse snelheid van het voertuig
minder is dan 10 km/u (6 mph), zullen zowel
de ultrasoonsensoren vooraan als achteraan
helpen om voorwerpen te detecteren. De
ultrasoonsensoren vooraan kunnen echter een
persoon, dier of voorwerp helpen detecteren
als het op een afstand van minder dan 60 cm
(24 inch) van de sensoren is.
Afstand
tot
voorwerp
Waarschuwingslampje
voor achteruit rijden
Waarschuwingsgeluid
60~120
cm
(24~48
inch)
Zoemer
klinkt met
tussenpozen
30~60 cm
(12~24
inch)
Pieptoon klinkt
frequenter
binnen 30
cm
(12 inch)
Pieptoon klinkt
ononderbroken
Wanneer ultrasoonsensoren een object
binnen het detectiebereik detecteren, gaat het
bijbehorende controlelampje branden. Er is
ook een waarschuwingssignaal te horen.
Worden er meer dan twee objecten
tegelijk gedetecteerd, dan wordt met een
waarschuwingssignaal gewaarschuwd voor
het dichtstbijzijnde.
Het controlelampje in de illustratie wijkt
qua vorm mogelijk af van dat op de auto in
kwestie.
Bestuurdershulp
7-112
Storingen en beperkingen
Forward/Reverse Parking
Distance Warning
(Waarschuwing afstand bij
vooruit/achteruit parkeren)
Storing in Afstandswaarschuwing-
vooruit/achteruit
Na het starten van de motor klinkt een pieptoon
wanneer de transmissie naar R (Achteruit)
wordt geschakeld. Dit geeft aan dat de
Afstandswaarschuwing-vooruit/achteruit naar
behoren werkt.
Als zich echter een of meer van de volgende
situaties voordoen, controleer dan of de
ultrasoonsensor beschadigd is of geblokkeerd
wordt door vreemd materiaal. Als de functie nog
steeds niet correct werkt, raden we u aan de
auto door een officiële HYUNDAI-dealer te laten
controleren.
Het waarschuwingssignaal klinkt niet.
De zoemer klinkt met tussenpozen.
De waarschuwingsmelding 'Parking
sensor error or blockage' (Ultrasone sensor
defect of geblokkeerd) verschijnt op het
instrumentenpaneel.
OTM070172L
OTM070172L
WAARSCHUWING
De afstandswaarschuwing vooruit/achteruit
is een aanvullende functie. De werking van
de afstandswaarschuwing-vooruit/achteruit
kan worden beïnvloed door verschillende
factoren (inclusief milieufactoren). Het is de
verantwoordelijkheid van de bestuurder om
altijd het zicht voor en achter te controleren
vóór en tijdens het parkeren.
De garantie van uw nieuwe voertuig dekt
geen ongevallen of schade aan het voertuig
die te wijten is aan het onjuiste functioneren
van de parkeerafstandswaarschuwing-
vooruit/achteruit.
Let altijd goed op als u op een kleine
afstand langs voorwerpen of voetgangers,
in het bijzonder kinderen, rijdt. Sommige
voorwerpen worden mogelijk niet door
de ultrasoonsensoren geregistreerd als
gevolg van de afstand tot het object of het
formaat of materiaal van het object. Al deze
zaken kunnen de effectiviteit van de sensor
beperken.
07
7-113
Beperkingen van de
afstandswaarschuwing vooruit/
achteruit
• De afstandswaarschuwing-vooruit/achteruit
werkt mogelijk niet goed in de volgende
gevallen:
- Er zit bevroren vocht op de sensor
- De sensor is bedekt met een vreemde
substantie, zoals sneeuw of water (de
Afstandswaarschuwing-vooruit/achteruit
werkt naar behoren als die substantie wordt
verwijderd).
- Als de buitentemperatuur extreem hoog of
laag is
- De sensor of de sensorengroep is
uitgeschakeld
- Het oppervlak van de sensor is hard
ingedrukt of is door een hard voorwerp
geraakt
- Het oppervlak van de sensor wordt bekrast
met een scherp voorwerp
- Richt de straal van de hogedrukreiniger niet
rechtstreeks op de sensoren of omliggende
delen
De afstandswaarschuwing voor/ achteruit
inparkeren werkt mogelijk niet goed als:
- Bij zware regenval of opspattend water
- Als er water over het oppervlak van de
sensor loopt
- Als de sensor wordt beïnvloed door de
sensoren van een andere auto's
- De sensor is bedekt met sneeuw
- Als u op een ongelijkmatig wegdek, wegen
met steenslag of struiken rijdt
- Voorwerpen die ultrasone golven
veroorzaken in de buurt van de sensor
- Het kenteken is niet op de oorspronkelijke
plaats gemonteerd.
- Als de bumperhoogte van de auto of de
installatie van de sensor gewijzigd is
- Bevestigingsuitrusting of -accessoires rond
de ultrasoonsensoren
De volgende voorwerpen worden mogelijk
niet gedetecteerd:
- Scherpen of smalle voorwerpen als touwen,
kettingen of paaltjes.
- Voorwerpen die de hoogfrequente signalen
van de sensor absorberen, zoals kleding,
sponsachtige materialen of sneeuw.
- Voorwerpen lager dan 100 cm (40 in.) en
smaller dan 14 cm (6 in.).
- Voetgangers, dieren of voorwerpen die
zich zeer dicht tegen de ultrasoonsensoren
bevinden
De waarschuwingslampjes van de Parking
Distance (parkeerafstand) tonen mogelijk iets
anders dan de feitelijk gedetecteerde locatie
als het obstakel zich tussen twee sensoren
bevindt.
Afhankelijk van de rijsnelheid of
de vorm van het obstakel klinken
parkeerafstandswaarschuwingen mogelijk niet
in de normale volgorde.
Als parkeerafsand voor-/achteruit gerepareerd
moet worden, raden we u aan de auto te laten
nakijken door een officiële HYUNDAI-dealer.
Bestuurdershulp
7-114
Voorradar
De radiofrequentie-onderdelen (radar vooraan)
zijn conform:
Voor Europa en landen met een EG-
certificering
OANATEL169
OANATEL169
OANATEL170
OANATEL170
OANATEL171
OANATEL171
CONFORMITEITSVERKLARING (INDIEN VAN TOEPASSING)
07
7-115
OANATEL172
OANATEL172
OANATEL173
OANATEL173
OANATEL174
OANATEL174
OANATEL175
OANATEL175
Bestuurdershulp
7-116
OANATEL176
OANATEL176
OANATEL177
OANATEL177
OANATEL178
OANATEL178
07
7-117
OANATEL179
OANATEL179
OANATEL180
OANATEL180
OANATEL181
OANATEL181
Bestuurdershulp
7-118
Voor Taiwan
OANATEL191
OANATEL191
Voor Maleisië
OANATEL200
OANATEL200
Voor Singapore
OANATEL201
OANATEL201
Voor Brazilië
OANATEL192
OANATEL192
07
7-119
Voor Mexico
OANATEL198
OANATEL198
Voor Paraguay
OANATEL207
OANATEL207
Voor Oekraïne
OANATEL194
OANATEL194
Voor Moldavië
OANATEL193
OANATEL193
Bestuurdershulp
7-120
Voor VAE
OANATEL189
OANATEL189
Voor Argentinië
OANATEL204
OANATEL204
Voor Japan
OANATEL186
OANATEL186
Voor Jordanië
OANATEL199
OANATEL199
Voor Zuid-Afrika
OANATEL190
OANATEL190
07
7-121
Voor Thailand
OANATEL203
OANATEL203
Voor Rusland
OANATEL206
OANATEL206
Voor China
OANATEL205
OANATEL205
Voor Hongkong
OANATEL188
OANATEL188
Voor Servië
OANATEL195
OANATEL195
Bestuurdershulp
7-122
Voor Marokko
OANATEL196
OANATEL196
Voor de Filipijnen
OANATEL197
OANATEL197
Voor Australië
OANATEL330
OANATEL330
07
7-123
Hoekradar achteraan
Conformiteit van de radiofrequentie-onderdelen
(hoekradar achteraan):
Voor Europa en landen met een EG-
certificering
OOS070034L
OOS070034L
Voor Taiwan
OANATEL005
OANATEL005
Voor Indonesië
OANATEL006
OANATEL006
Voor Maleisië
OANATEL007
OANATEL007
Voor Singapore
OANATEL008
OANATEL008
Voor Vietnam
OANATEL010
OANATEL010
Bestuurdershulp
7-124
Voor Brazilië
OANATEL011
OANATEL011
Voor Mexico
OANATEL012
OANATEL012
Voor Japan
OANATEL041
OANATEL041
Voor Oekraïne
OANATEL013
OANATEL013
Voor Jordanië
OANATEL014
OANATEL014
Voor Oman
OANATEL015
OANATEL015
07
7-125
Voor VAE
OANATEL016
OANATEL016
Voor Botswana
OANATEL017
OANATEL017
Voor Ghana
OANATEL018
OANATEL018
Voor Zambia
OANATEL019
OANATEL019
Voor Jamaica
OANATEL020
OANATEL020
Voor Paraguay
OANATEL021
OANATEL021
Voor Oezbekistan
OANATEL022
OANATEL022
Voor Mozambique
OANATEL023
OANATEL023
Bestuurdershulp
7-126
Voor Thailand
OANATEL208
OANATEL208
Voor Israël
OANATEL209
OANATEL209
Voor Zuid Korea
OANATEL023
OANATEL023
8
Schakelaar alarmknipperlichten ...................................................................... 8-3
Wat te doen in een noodgeval tijdens het rijden ............................................ 8-3
Als de motor afslaat tijdens het rijden ........................................................................8-3
Als de motor afslaat op een kruispunt of splitsing ....................................................8-3
Als de motor niet gestart kan worden .............................................................8-4
Als de motor niet of langzaam ronddraait ................................................................ 8-4
Als de motor wel normaal draait maar niet start ...................................................... 8-4
Starten met een hulpaccu ................................................................................ 8-5
Als de motor oververhit raakt ............................................................................8-7
Controlesysteem lage bandenspanning (TPMS) ............................................8-8
Controleer de bandenspanning ................................................................................. 8-8
Controlesysteem lage bandenspanning .................................................................... 8-9
Waarschuwingslampje lage bandenspanning ......................................................... 8-10
Controlelampje storing TPMS (bandenspanningscontrolesysteem) ....................... 8-11
Een wiel met TPMS wisselen ...................................................................................... 8-11
Krik en gereedschap .................................................................................................. 8-13
Lekke band (met reservewiel) .........................................................................8-13
Wielen verwisselen .................................................................................................... 8-14
Kriklabel ......................................................................................................................8-18
EG-conformiteitsverklaring voor krik ........................................................................ 8-19
Bij een lekke band (met Tire Mobility Kit) ..................................................... 8-20
Inleiding ..................................................................................................................... 8-20
Onderdelen van de bandenreparatieset ................................................................... 8-21
De bandenreparatieset gebruiken bij een lekke band .............................................8-22
De bandenspanning aanpassen ...............................................................................8-25
Aanwijzingen voor het veilig gebruik van de bandenreparatieset ..........................8-26
8. Noodsituaties
8
Slepen ...............................................................................................................8-27
Slepen .........................................................................................................................8-27
Afneembaar sleepoog ...............................................................................................8-28
Slepen in een noodgeval ...........................................................................................8-29
Noodvoorzieningen .........................................................................................8-31
Brandblusser .............................................................................................................. 8-31
EHBO-doos ................................................................................................................ 8-31
Gevarendriehoek ....................................................................................................... 8-31
Bandenspanningsmeter ............................................................................................ 8-31
Pan-EUROPEES eCALL-SYSTEEM .................................................................. 8-32
Informatie over gegevensverwerking (VOOR EUROPA) ..........................................8-34
PAN-EUROPEES eCALL-SYSTEEM (VOOR EUROPA) .............................................. 8-36
eCall-systeem voor de VAE (VAE) ..................................................................8-40
Informatie over gegevensverwerking (VOOR VAE) ................................................. 8-42
eCall-systeem voor de VAE (VOOR VAE) ................................................................. 8-44
08
8-3
OOS080006L
OOS080006L
De alarmknipperlichten dienen ervoor om
de overige weggebruikers te waarschuwen
om extra voorzichtig te zijn bij het naderen,
inhalen of passeren van uw auto.
Ze moeten worden gebruikt in noodsituaties
of als de auto aan de kant van de weg tot
stilstand is gekomen.
Om de alarmknipperlichten in of uit te
schakelen, drukt u de schakelaar van de
alarmknipperlichten in, ongeacht de stand
van het contact. De schakelaar is centraal
in het dashboard aangebracht. Met de
schakelaar zet u alle knipperlichten aan.
De alarmknipperlichten werken, ongeacht
of de motor draait of niet.
De richtingaanwijzers werken niet
wanneer de alarmknipperlichten
ingeschakeld zijn.
Als de motor afslaat tijdens het
rijden
Verlaag uw snelheid geleidelijk en houd
een rechte lijn aan. Verlaat de weg
voorzichtig en breng de auto op een
veilige plaats tot stilstand.
Schakel de alarmknipperlichten in.
Probeer de motor opnieuw te starten. Als
de auto niet start, adviseren wij u contact
op te nemen met een officiële HYUNDAI-
dealer.
Als de motor afslaat op een
kruispunt of splitsing
Als de motor afslaat op een kruising of
splitsing, zet de selectiehendel dan in stand
N (neutraal) en duw de auto naar een veilige
plaats. Verlies hierbij de veiligheid niet uit het
oog.
SCHAKELAAR
ALARMKNIPPERLICHTEN
WAT TE DOEN IN EEN
NOODGEVAL TIJDENS HET
RIJDEN
Noodsituaties
8-4
Als u tijdens het rijden een lekke
band krijgt
Als tijdens het rijden een band leegloopt:
Haal uw voet van het gaspedaal en laat
de auto vertragen terwijl u rechtdoor
rijdt. Bedien niet meteen de remmen en
ga niet direct naar de kant van de weg,
omdat u hierdoor de controle over de
auto kunt verliezen en een ongeval kunt
veroorzaken. Wanneer de snelheid van
de auto zodanig is verlaagd dat u veilig
kunt manoeuvreren, rem dan voorzichtig
en ga naar de kant. Zet de auto zo ver
mogelijk bij de weg vandaan op een
stevige, vlakke ondergrond. Parkeer niet in
de middenberm als u op een snelweg rijdt
met gescheiden rijbanen.
Druk, als de auto tot stilstand is gekomen,
de schakelaar van de alarmknipperlichten
in, zet de selectiehendel in stand P
(parkeren, voor een auto met double
clutchtransmissie) of de vrijstand (auto
met handgeschakelde transmissie),
activeer de parkeerrem en zet het contact
in stand LOCK/OFF.
Laat alle passagiers uitstappen. Laat
iedereen uitstappen aan die zijde van de
auto die van het langsrijdende verkeer
afgewend is.
Volg bij het vervangen van een lekke band
de opmerkingen in dit hoofdstuk.
ALS DE MOTOR NIET GESTART
KAN WORDEN
Als de motor niet of langzaam
ronddraait
Schakel naar N (neutraal) of P (parkeren)
als het een auto is met een Double Clutch-
transmissie. De motor start alleen als
de hendel in N (neutraal) of P (parkeren)
staat.
Controleer of de accuklemmen schoon
zijn en goed vastzitten.
Schakel de interieurverlichting in. Als de
interieurverlichting zwakker gaat branden
of uitgaat als u de startmotor bedient, is
de accu bijna leeg.
Probeer de auto niet te starten door hem te
slepen of te duwen. Hierdoor kunt u uw auto
beschadigen.
Zie de instructies voor „Starten met een
hulpaccu“ in dit hoofdstuk.
OPGELET
Als de auto aangesleept of aangeduwd
wordt, kan de katalysator overbelast
worden. Dit kan resulteren in schade aan
het emissieregelsysteem.
Als de motor wel normaal draait
maar niet start
Controleer het brandstofniveau en vul zo
nodig brandstof bij.
Als de motor nog steeds niet start, neem
dan telefonisch contact op met een officiële
HYUNDAI-dealer.
08
8-5
Starten met een hulpaccu kan gevaarlijk
zijn als dit niet op de juiste manier gebeurt.
Volg de procedure voor het starten met
een hulpaccu in dit hoofdstuk om ernstig
letsel of schade aan uw auto te voorkomen.
Als u twijfelt over de juiste manier waarop
u uw auto kunt starten met een hulpaccu,
raden wij u ten zeerste aan om een
onderhoudstechnicus of sleepdienst in te
schakelen.
WAARSCHUWING
Om ERNSTIG of DODELIJK LETSEL van uzelf
of omstaanders te voorkomen, volg altijd
deze voorzorgsmaatregelen als u in de
buurt van de accu werkt of ze hanteert:
Lees en volg de aanwijzingen voor
het omgaan met de accu altijd
zorgvuldig.
Draag oogbescherming die
ontworpen is om de ogen tegen
spatten zuur te beschermen.
Houd open vuur, vonken en
rokende materialen uit de buurt
van de accu.
Er zit altijd zeer licht ontvlambare
waterstof in de accucellen en dat
kan ontploffen als het ontvlamt.
Houdt accu‘s buiten bereik van
kinderen.
Accu‘s bevatten zwavelzuur dat
zeer corrosief is. Voorkom contact
van het zuur met uw ogen, huid of
kleding.
Spoel uw ogen minstens 15 minuten met
schoon water als er zuur in komt en roep
onmiddellijk medische hulp in. Als het
zuur in contact komt met uw huid, grondig
wassen. Roep onmiddellijk medische hulp
in wanneer u pijn of een brandend gevoel
heeft.
Bij het optillen van een accu met
een kunststof behuizing kan door
overmatige druk accuzuur naar buiten
komen, waardoor de accu kan lekken.
Houd bij het optillen uw handen aan de
zijkant van de accu.
Probeer uw auto niet te starten met een
hulpaccu als uw accu bevroren is.
Laad een accu NOOIT op als de
accukabels van het voertuig nog
aangesloten zijn op de accu.
Het ontstekingssysteem werkt met
hoogspanning. Raak de onderdelen van
de ontsteking NOOIT aan als de motor
draait of het contact in stand ON staat.
Zorg dat de (+) en (-) startkabels elkaar
niet raken. Dat kan vonken produceren.
De accu kan scheuren of exploderen als
u een bevroren accu of een accu met
een laag elektrolytpeil met een hulpaccu
start.
AANWIJZING
Om schade aan uw auto te voorkomen:
Gebruik alleen een 12 V-voedingsbron
(accu of startbooster) om de auto met
een hulpaccu te starten.
Probeer uw auto niet aan te duwen.
Informatie
Een onjuist afgevoerde batterij kan
schadelijk zijn voor het milieu en
voor uw gezondheid. Voer de accu
af volgens uw lokale wetgeving of
voorschriften.
STARTEN MET EEN HULPACCU
Noodsituaties
8-6
Startprocedure met behulp van een
hulpaccu
1. Plaats de auto's zo dicht bij elkaar dat de
startkabels de afstand tussen de accu's
kunnen overbruggen, maar zorg ervoor
dat de auto's elkaar niet raken.
2. Voorkom te allen tijde dat u in aanraking
komt met ventilatoren of andere
bewegende onderdelen, ook al draaien de
motoren niet.
3. Schakel alle elektrische apparaten
uit (zoals radio's, verlichtingen,
airconditioning enz). Zet de voertuigen
in P (parkeren, voor auto met Double
Clutch-transmissie) of in de vrijstand (voor
auto met handgeschakelde transmissie)
en activeer de parkeerremmen. Schakel
beide auto's uit.
OPGELET
Vóór het starten met een hulpaccu moet u
goed letten op de positieve (+) en negatieve
(-) polen om omgekeerde polariteit te
voorkomen.
OOSN081002L
OOSN081002L
4. Sluit de startkabels aan in de volgorde die
in de afbeelding is aangegeven. Sluit eerst
de ene startkabel aan op de rode, positieve
(+) hulpstartaansluiting van uw auto (1).
5. Sluit het andere uiteinde van de startkabel
aan op de rode, positieve (+) pool van de
accu/hulpstartaansluiting van de andere
auto (2).
6. Sluit de tweede startkabel aan op de
zwarte, negatieve (-) pool van de accu/
hulpstartaansluiting van de andere auto (3).
7.
Sluit het andere uiteinde van de tweede
startkabel aan op de zwarte, negatieve (-)
pool van de accu/massa van uw auto (4).
Zorg ervoor dat de startkabels uitsluitend
contact maken met de juiste accupolen of
hulpstartaansluitingen of de juiste massa.
Leun bij het aansluiten niet over de accu.
WAARSCHUWING
Sluit de startkabel niet aan op de minpool
(-) van de ontladen accu. Door een vonk kan
de accu ontploffen en mensen verwonden
of het voertuig beschadigen.
8. Start de motor van het andere voertuig
en laat deze enkele minuten draaien
met ongeveer 2000 OPM. Start dan uw
voertuig.
Als uw voertuig na een aantal pogingen
niet start, moet het waarschijnlijk
worden nagekeken. Roep in dat geval
gekwalificeerde hulp in. Als de oorzaak van
het ontladen van de accu niet duidelijk is,
adviseren wij u de auto te laten controleren
door een officiële HYUNDAI-dealer.
Maak de startkabels los in exact de
omgekeerde volgorde van aansluiten:
1. Neem de startkabel los van de zwarte,
negatieve (-) pool van de accu/massa van
uw auto (4).
2. Neem het andere uiteinde van de
startkabel los van de zwarte, negatieve (-)
pool van de accu/massa van de andere
auto (3).
3. Maak de tweede startkabel los van de
rode, positieve (+) pool van de accu/
hulpstartaansluiting van de andere auto
(2).
4. Maak het andere uiteinde van de
startkabel los van de rode, positieve (+)
hulpstartaansluiting van uw auto (1).
08
8-7
Als uw temperatuurmeter een te
hoge temperatuur aangeeft, als u
vermogensverlies bespeurt of wanneer u luid
kloppende of pingelende geluiden hoort, is
de motor waarschijnlijk oververhit geraakt.
Als dat gebeurt moet u:
1. De auto zo snel mogelijk op een veilige
plaats tot stilstand brengen.
2. Zet de versnellingspook in P (parkeren,
voor auto met double clutch-transmissie)
of in de vrijstand (voor auto met
handgeschakelde transmissie/dual
clutch-transmissie) en activeer de
parkeerremmen. De airconditioning
uitschakelen als deze ingeschakeld is.
3. Zet de motor uit als er koelvloeistof
onder de auto uitloopt of stoom onder
de motorkap vandaan komt. Open de
motorkap niet zolang er nog koelvloeistof
onder de auto uitloopt of stoom onder
de motorkap vandaan komt. Laat de
motor draaien als er geen koelvloeistof
of stoom te zien is en controleer of de
koelventilator draait. Zet de motor uit als
de koelventilator niet draait.
WAARSCHUWING
Voorkom ernstig letsel en
zorg ervoor dat uw handen,
kleding en gereedschap niet
in aanraking komen met
bewegende onderdelen zoals de
koelventilator en de aandrijfriem
als de motor draait.
4. Controleer of er koelvloeistof lekt uit de
radiateur, de slangen of onder de auto.
(Als de airconditioning ingeschakeld was,
is het normaal dat er water onder de auto
uitloopt als u de auto tot stilstand brengt.)
5. Als er koelvloeistof lekt, stop de motor
onmiddellijk en we raden u aan contact
op te nemen met een officiële HYUNDAI-
dealer.
WAARSCHUWING
Verwijder de radiateurdop
of de aftapplug NOOIT als de
motorruimte en de radiateur nog
heet zijn. Er kan hete koelvloeistof
en stoom ontsnappen, wat ernstig
letsel kan veroorzaken.
Zet de motor af en wacht tot de motor
is afgekoeld. Verwijder de radiateurdop
uiterst voorzichtig. Wikkel een dikke
doek rond de radiateurdop en draai deze
linksom tot de eerste aanslag. Doe een stap
achteruit terwijl de druk ontsnapt uit het
koelsysteem. Pas als u zeker weet dat er
geen overdruk meer is, drukt u de dop met
de doek in en draait u hem verder linksom
om hem te verwijderen.
6. Als u de oorzaak van de oververhitting
niet kunt vinden, wacht dan tot de
motortemperatuur weer normaal is. Vul
daarna, in het geval dat er koelvloeistof
verdwenen is, voorzichtig koelvloeistof
bij tot de middelste markering van het
reservoir.
7. Ga voorzichtig te werk en blijf alert op
verdere tekenen van oververhitting. Als
opnieuw oververhitting optreedt, neem
dan telefonisch contact op met een
officiële HYUNDAI-dealer.
AANWIJZING
Als er veel koelvloeistof verdwenen
is, duidt dit op een lekkage in het
koelsysteem en adviseren we u contact
op te nemen met een officiële HYUNDAI-
dealer.
Wanneer de motor oververhit raakt
door te weinig koelvloeistof, kan het
plotseling bijvullen van koelvloeistof
barsten in de motor veroorzaken.
Vul de koelvloeistof langzaam en in
kleine hoeveelheden bij om schade te
voorkomen.
ALS DE MOTOR OVERVERHIT RAAKT
Noodsituaties
8-8
CONTROLESYSTEEM LAGE BANDENSPANNING (TPMS)
OOS060047
OOS060047
OOSN081014L
OOSN081014L
(1) Waarschuwingslampje lage
bandenspanning / controlelampje storing
TPMS
(2) Waarschuwingslampje positie lage
bandenspanning en aanduiding
bandenspanning (aangegeven op LCD-
display)
Controleer de bandenspanning
OOSN081013L
OOSN081013L
U kunt de bandenspanning controleren in
de hulpmodus in het instrumentenpaneel.
Zie 'Instellingen lcd-display' in hoofdstuk
4.
De bandenspanning wordt na het starten
van de motor weergegeven als de auto
enkele minuten heeft gereden.
Als de bandenspanning bij stilstaande
auto niet wordt weergegeven, verschijnt
de melding 'Drive to display (Rijden
om weer te geven)'. Controleer de
bandenspanning na het rijden.
• De weergegeven
bandenspanningswaarden kunnen
verschillen van de waarden
die worden gemeten met een
bandenspanningsmeter.
U kunt de eenheid waarin
de bandenspanning wordt
weergegeven wijzigen in de modus
Gebruikersinstellingen in het
instrumentenpaneel.
- psi, kpa, bar (Zie “LCD Modes” in
hoofdstuk 4).
08
8-9
Controlesysteem lage
bandenspanning
WAARSCHUWING
Een te hoge of te lage bandenspanning
kan de levensduur van de band reduceren,
een negatief effect hebben op de
rijeigenschappen en tot een klapband leiden
waardoor u de macht over het stuur kunt
verliezen. Dit kan leiden tot een ongeval.
Elke band, inclusief de reserveband
(indien aanwezig), dient maandelijks te
worden gecontroleerd wanneer deze
koud is en te worden opgepompt tot de
bandenspanning die door de autofabrikant
wordt aanbevolen op het voertuigplaatje
of de bandenspanningssticker. (Als uw
auto banden heeft met een andere maat
dan die op het voertuigplaatje of de
bandenspanningssticker is aangegeven, moet
u de juiste bandenspanning voor die banden
achterhalen.)
Als extra veiligheidsvoorziening
is uw auto uitgerust met een
bandenspanningscontrolesysteem (TPMS),
waarbij een waarschuwingslampje lage
bandenspanning gaat branden wanneer een
of meer banden een aanzienlijke hoeveelheid
lucht hebben verloren. Wanneer het
waarschuwingslampje lage bandenspanning
gaat branden, moet u zo snel mogelijk
stoppen, de banden controleren en deze op
de juiste spanning brengen. Verder rijden met
een veel te zachte band zorgt ervoor dat de
band oververhit raakt, wat kan leiden tot een
defecte band. Te zachte banden verhogen
bovendien het brandstofverbruik en verkorten
de levensduur van de band en kunnen het
rijgedrag en het remvermogen van de auto
beïnvloeden.
Het TPMS dient niet ter vervanging van
onderhoud van de banden te worden
gebruikt. Het is de verantwoordelijkheid
van de bestuurder dat de banden op
de juiste spanning zijn, ook al is de
bandenspanning nog niet zo laag dat het
waarschuwingslampje gaat branden.
Uw auto is ook uitgerust met een
controlelampje storing TPMS, om aan
te geven wanneer het systeem niet naar
behoren werkt. Het controlelampje
storing TPMS is gecombineerd met het
waarschuwingslampje lage bandenspanning.
Als het systeem een storing detecteert,
knippert het waarschuwingslampje
gedurende ongeveer één minuut en blijft het
vervolgens continu branden. Dit herhaalt zich
iedere keer als de auto wordt gestart, zolang
de storing aanwezig is. Als het controlelampje
storing brandt, kan het systeem mogelijk
de lage bandenspanning niet detecteren of
signaleren zoals bedoeld.
TPMS-storingen die voorkomen dat het TPMS
goed functioneert, kunnen verschillende
oorzaken hebben, zoals het monteren van
nieuwe banden of wielen of het verwisselen
van banden of wielen op de auto. Controleer
altijd het TPMS-storingslampje nadat u
een of meer banden of wielen van uw auto
hebt vervangen, om te verifiëren of door de
nieuwe of verwisselde banden en wielen de
TPMS goed blijft functioneren.
AANWIJZING
In de volgende situaties raden we u aan het
systeem door een officiële HYUNDAI-dealer
na te laten kijken.
1. Het waarschuwingslampje lage
bandenspanning / controlelampje
storing TPMS brandt niet gedurende 3
seconden wanneer het contact op ON
wordt gezet of als de motor draait.
2. Het controlelampje storing TPMS
blijft branden nadat het gedurende
ongeveer 1 minuut heeft geknipperd.
3. Het waarschuwingslampje positie lage
bandenspanning blijft branden.
Noodsituaties
8-10
Waarschuwingslampje
lage bandenspanning
Waarschuwingslampje
positie lage bandenspanning
en waarschuwingslampje
bandenspanning
OOSN081014L
OOSN081014L
Wanneer de waarschuwingslampjes van
het bandenspanningscontrolesysteem gaan
branden en een waarschuwingsmelding
wordt weergegeven op het lcd-display van
het instrumentenpaneel, hebben een of
meer banden een aanzienlijke hoeveelheid
lucht verloren. Het waarschuwingslampje
positie lage bandenspanning geeft aan
welke band een te lage bandenspanning
heeft doordat het bijbehorende lampje gaat
branden.
Wanneer een van deze
waarschuwingslampjes gaat branden,
verminder dan onmiddellijk snelheid, vermijd
scherp aansnijden van bochten en anticipeer
op een langere remweg. Zet de auto zo
snel mogelijk stil en controleer de banden.
Breng de banden op de juiste spanning zoals
aangegeven op het voertuigplaatje of het
bandenspanningslabel op de middenstijl aan
bestuurderszijde. Vervang de band met een
te lage bandenspanning door het reservewiel
als u geen tankstation kunt bereiken of als de
band lek is.
Wanneer u ongeveer 10 minuten rijdt met
een snelheid hoger dan 25 km/u na het
vervangen van de lekke band door het
reservewiel, gebeurt het volgende:
Het controlelampje storing TPMS knippert
gedurende ca. 1 minuut en blijft daarna
branden omdat de TPMS-sensor niet op
het reservewiel is gemonteerd.
AANWIJZING
Het reservewiel is niet uitgerust met een
bandenspanningssensor.
OPGELET
Mogelijk gaat het waarschuwingslampje
lage bandenspanning in de winter of bij
koud weer branden als de banden bij warm
weer op de aanbevolen spanning zijn
gebracht. Het betekent niet dat uw TPMS
defect is, omdat de lagere temperatuur een
lagere bandenspanning tot gevolg heeft.
Controleer de bandenspanning en breng
deze op de juiste waarde wanneer u
van een warm gebied naar een koud
gebied of vice versa rijdt, of wanneer de
buitentemperatuur aanmerkelijk toe- of
afneemt.
WAARSCHUWING
Schade door lage bandenspanning
Een te lage bandenspanning zorgt ervoor
dat de auto instabiel wordt en kan ervoor
zorgen dat u de controle over de auto
verliest en dat de remweg wordt verlengd.
Doorrijden op banden met een te lage
spanning kan oververhitte en defecte
banden tot gevolg hebben.
08
8-11
Controlelampje storing TPMS
(bandenspanningscontrolesysteem)
Het controlelampje storing TPMS
gaat branden nadat het ongeveer een
minuut heeft geknipperd wanneer
er een probleem aanwezig is in het
bandenspanningscontrolesysteem.
Wij adviseren u het systeem zo snel mogelijk
te laten controleren door een officiële
HYUNDAI-dealer.
AANWIJZING
In het geval van een storing in het TPMS
gaat het waarschuwingslampje positie lage
bandenspanning mogelijk niet branden,
ook al is de spanning van een band te laag.
OPGELET
Het controlelampje storing TPMS
zal mogelijk gedurende ongeveer 1
minuut knipperen en vervolgens blijven
branden als de auto in de buurt rijdt
van elektrische kabels of zenders zoals
in de nabijheid van politiebureaus,
kantoren, zendstations, militaire
objecten, luchthavens, zendmasten,
enz. die de normale werking van het
controlesysteem lage bandenspanning
(TPMS) kunnen storen. Dit kan de
normale werking van het TPMS
(controlesysteem lage bandenspanning)
storen.
Het controlelampje storing TPMS zal
mogelijk gedurende 1 minuut knipperen
en vervolgens blijven branden bij het
gebruik van sneeuwkettingen of externe
elektronische apparatuur in de auto
zoals een laptop, een telefoonoplader,
een afstandsbediening, een
navigatiesysteem, enz.
Dit kan de normale werking van
het TPMS (controlesysteem lage
bandenspanning) storen.
Wij raden u aan om na het repareren van
een lekke band met een dichtmiddel
de band te laten inspecteren en
onderhouden door een officiële
HYUNDAI-dealer om schade aan de
bandenspanningssensor te voorkomen.
Een wiel met TPMS wisselen
Bij een lekke band gaan de
waarschuwingslampjes lage bandenspanning
en positie lage bandenspanning branden.
Wij adviseren u de lekke band zo snel
mogelijk te laten repareren door een officiële
HYUNDAI-dealer of de lekke band te
vervangen door het reservewiel.
OPGELET
Er wordt aanbevolen om voor het repareren
en/of oppompen van een lekke band geen
bandenreparatiemiddel te gebruiken
dat niet door een HYUNDAI-dealer is
goedgekeurd of geen gelijkwaardig
onderdeel dat gespecificeerd is voor uw
voertuig is. Bandenafdichtmiddel dat
niet goedgekeurd is door een HYUNDAI-
dealer of een niet-gelijkwaardig specifiek
onderdeel voor uw voertuig kan de
bandendruksensor beschadigen.
Ieder wiel is uitgerust met een
bandenspanningssensor achter het ventiel in
het wiel. Gebruik wielen die speciaal geschikt
zijn voor TPMS. Geadviseerd wordt om uw
banden te laten onderhouden door een
officiële HYUNDAI-dealer.
Wanneer u ongeveer 10 minuten rijdt met
een snelheid hoger dan 25 km/u na het
vervangen van de lekke band door het
reservewiel, gebeurt het volgende:
Het controlelampje storing TPMS knippert
gedurende ca. 1 minuut en blijft daarna
branden omdat de TPMS-sensor niet op
het reservewiel is gemonteerd.
Noodsituaties
8-12
De banden van de reservewielen
zijn niet uitgedrukt met
bandenspanningssensoren. Wanneer
de lekke band wordt vervangen
door een reserveband, omwille van
problemen als een doorboorde band
of een lage bandenspanning, kan de
TPMS-storingsindicator knipperen
of oplichten. Het wordt aanbevolen
dat de band onderhouden kan
worden door een erkende HYUNDAI-
dealer en wordt vervangen met de
originele band die is uitgerust met een
bandenspanningssensor.
U kunt een lekke band wellicht niet
herkennen door er gewoon naar te kijken.
Gebruik altijd een bandenspanningsmeter
van een goede kwaliteit om de
bandenspanning te meten. Een band die
warm is (door het rijden), heeft een hogere
bandenspanning dat een band die koud is
(doordat deze gedurende ten minste 3 uur
heeft stilgestaan of niet meer dan 1,6 km (1
mijl) heeft gereden gedurende deze periode
van 3 uur).
Laat de band afkoelen voordat u de
bandenspanning meet. Zorg er altijd voor
dat de band koud is alvorens deze op de
aanbevolen spanning te brengen.
Een koude band houdt in dat de auto
gedurende 3 uur heeft stilgestaan of niet
meer dan 1,6 km (1 mijl) heeft gereden
gedurende deze periode van 3 uur.
WAARSCHUWING
Het TPMS waarschuwt niet voor ernstige
en plotselinge schade aan de banden
veroorzaakt door externe factoren, zoals
spijkers en dergelijke.
Als de auto instabiel aanvoelt, haal dan
onmiddellijk uw voet van het gaspedaal,
trap het rempedaal geleidelijk en met
weinig kracht in en breng uw auto op
een veilige plaats tot stilstand.
WAARSCHUWING
Het manipuleren, wijzigen of
uitschakelen van de componenten van
het bandenspanningscontrolesysteem
(TPMS) kan het systeem belemmeren om
de bestuurder te waarschuwen bij een
lage bandenspanning en/of een TPMS-
storing. Het manipuleren, wijzigen of
uitschakelen van de componenten van het
bandenspanningscontrolesysteem (TPMS)
kan de garantie voor dat gedeelte van de
auto ongeldig maken.
WAARSCHUWING
EUROPA
Voer geen modificaties aan de auto uit,
deze kunnen de werking van het TPMS
hinderen.
Universele wielen hebben geen TPMS-
sensor.
Voor uw veiligheid adviseren we u
vervangende onderdelen te gebruiken
die zijn geleverd door een officiële
HYUNDAI-dealer.
Als u universele wielen onder uw auto
monteert, moet u TPMS-sensoren
gebruiken die goedgekeurd zijn door een
HYUNDAI-dealer of een gelijkwaardig
onderdeel dat gespecificeerd is voor uw
voertuig. Als uw auto niet voorzien is
van TPMS-sensoren of als het TPMS niet
goed werkt, kunt u problemen krijgen bij
de APK.
Alle auto's die vanaf onderstaande
datum in EUROPA op de markt verkocht
worden, moeten zijn voorzien van TPMS.
- Nieuw model auto: vanaf 1 nov. 2012
- Huidig model: vanaf 1 november 2014
(op basis van voertuigregistraties)
08
8-13
LEKKE BAND (MET RESERVEWIEL, INDIEN VAN TOEPASSING)
WAARSCHUWING
Het verwisselen van een band kan gevaarlijk
zijn. Volg de instructies in dit hoofdstuk bij
het verwisselen van een band om de kans
op ernstig letsel te beperken.
OPGELET
Zorg er bij het gebruik van de krikslinger
voor dat u uit de buurt van het platte
uiteinde blijft. Het platte uiteinde heeft
scherpe randen die snijwonden kunnen
veroorzaken.
Krik en gereedschap
OOSN081001L
OOSN081001L
(1) Krikslinger
(2) Krik
(3) Wielmoersleutel
De krik, de krikslinger en de wielmoersleutel
zijn opgeborgen in de bagageruimte onder
het afdekpaneel.
De krik is uitsluitend bedoeld voor het
verwisselen van een wiel.
OJSN068023
OJSN068023
Draai de vleugelbout waarmee het
reservewiel bevestigd is linksom om het
reservewiel te kunnen verwijderen.
Berg het reservewiel in dezelfde ruimte op en
zet het vast door de vleugelbout rechtsom te
draaien.
Om te voorkomen dat het reservewiel en
gereedschap rammelende bijgeluiden
veroorzaken, moeten deze op de juiste
locatie worden opgeborgen.
OJSN068030
OJSN068030
Als de vleugelbout waarmee het
reservewiel is bevestigd zich moeilijk
met de hand laat losdraaien, kunt u deze
gemakkelijk losdraaien met behulp van de
wielmoersleutel.
Draai de vleugelbout van het reservewiel
linksom met de wielmoersleutel.
Noodsituaties
8-14
Wielen verwisselen
WAARSCHUWING
De auto kan van de krik afglijden of
rollen, waardoor u of omstanders ernstig
letsel zouden kunnen oplopen. Neem de
volgende veiligheidsvoorzorgsmaatregelen
in acht:
Ga nooit onder een auto liggen die op
een krik staat.
Probeer NOOIT een wiel te verwisselen
in de baan van het verkeer. Parkeer de
auto ALTIJD volledig naast de weg op
een vlakke, stevige ondergrond, uit de
buurt van het verkeer, voordat u een
wiel probeert te verwisselen. Als u geen
vlakke, stevige plaats naast de weg kunt
vinden, schakel dan een sleepdienst in.
Gebruik de met de auto meegeleverde
krik.
Plaats de krik ALTIJD onder de speciale
kriksteunpunten en NOOIT onder de
bumpers of andere onderdelen bij het
opkrikken van de auto.
Start de motor niet en laat hem niet
draaien zolang de auto is opgekrikt.
Zorg ervoor dat er niemand meer in de
auto aanwezig als deze wordt opgekrikt.
Houd kinderen op veilige afstand van de
weg en van de auto.
Volg deze stappen bij het verwisselen van
een band van uw auto:
1. Zet de auto op een stevige en vlakke
ondergrond.
2. Verplaats de schakelhendel naar P
(parkeren, voor een auto met een dubbele
clutch-transmissie) of de vrijstand (voor
een handgeschakelde auto), activeer de
parkeerrem en zet het contact in stand
LOCK/OFF.
3. Druk op de schakelaar van de
alarmknipperlichten.
4. Neem de wielmoersleutel, de krik, de
krikslinger en het reservewiel uit de auto.
OOSN081003L
OOSN081003L
[A]: Blokkeren
5. Plaats blokken voor en achter het wiel
dat zich diagonaal tegenover het te
verwisselen wiel bevindt.
OOSN081004L
OOSN081004L
6. Draai de wielmoeren linksom één slag
los in de volgorde die hierboven is
aangegeven. Verwijder de wielmoeren
niet voordat het wiel los van de grond is.
08
8-15
OOSN081005L
OOSN081005L
7. Plaats de krik onder de bodemplaat bij het
aangegeven kriksteunpunt dat zich het
dichtst bij het te verwisselen wiel bevindt.
De kriksteunpunten zijn platen met twee
inkepingen die aan de bodemplaat zijn
gelast. Gebruik de krik nooit op een
andere positie of bij een ander onderdeel
van de auto. Hierdoor kan de side skirt
worden beschadigd.
OOSN081006L
OOSN081006L
8. Steek de krikslinger in de krik en draai de
slinger rechtsom en krik de auto op totdat
het wiel van de grond loskomt. Controleer
of de auto stabiel op de krik staat.
9. Maak de wielmoeren los met de
wielmoersleutel en verwijder deze met
uw vingers. Verwijder het wiel van de
tapeinden en leg het plat op de grond uit
de weg. Verwijder eventueel vuil van de
tapeinden, de montageoppervlakken en
het wiel.
10.
Plaats het reservewiel op de tapeinden in
de naaf.
11.
Draai de wielmoeren met de hand vast op
de tapeinden met de afgeschuinde zijde
naar het wiel toe.
12.
Laat de auto zakken door de krikslinger
linksom te draaien.
Noodsituaties
8-16
OOS067019L
OOS067019L
13.
Gebruik de wielmoersleutel om de
wielmoeren in de aangegeven volgorde
vast te draaien. Controleer elke wielmoer
opnieuw totdat deze goed vastzit. Na het
verwisselen van wielen adviseren wij u
de wielmoeren zo snel mogelijk te laten
vastdraaien tot het juiste aanhaalmoment
door een officiële HYUNDAI-dealer.
De wielmoeren moeten worden
vastgedraaid met 11 - 13 kgf.m (79 - 94
lbf.ft).
Als u een bandenspanningsmeter hebt,
controleer dan de bandenspanning (zie
'Banden en wielen' in hoofdstuk 2 voor
instructies over de bandenspanning.). Als
de bandenspanning lager of hoger is dan
aanbevolen, rijd dan langzaam naar het
dichtstbijzijnde garagebedrijf en breng de
banden op de juiste spanning. Breng altijd
het ventieldopje weer aan na het controleren
of aanpassen van de bandenspanning.
Als u vergeet het dopje aan te brengen,
kan er lucht uit de band lekken. Als u een
ventieldopje kwijtraakt, koop dan een ander
en monteer dit zo snel mogelijk. Zet na het
verwisselen van de band, de lekke band
stevig op zijn plaats en berg de krik en het
gereedschap op in de daarvoor bestemde
opbergplaatsen.
AANWIJZING
Controleer na het plaatsen van het
reservewiel zo spoedig mogelijk de
bandenspanning. Breng de banden op
de aanbevolen spanning.
Controleer de wielmoeren en haal ze
opnieuw aan zodra er meer dan 50 km
mee is gereden en de banden waren
vervangen. Controleer de wielmoeren
opnieuw nadat er meer dan 1.000 km is
gereden.
OPGELET
De tapeinden en wielmoeren van uw auto
zijn voorzien van metrische schroefdraad.
Zorg er bij het verwisselen van een band
voor dat dezelfde wielmoeren die werden
verwijderd, opnieuw worden gemonteerd.
Als u de wielmoeren moet vervangen,
zorg er dan voor dat deze ook metrische
schroefdraad hebben, om beschadiging van
de tapeinden te voorkomen en ervoor te
zorgen dat het wiel correct wordt bevestigd
op de naaf. Wij adviseren u contact op te
nemen met een officiële HYUNDAI-dealer
voor hulp.
Bel de wegenwacht en probeer niet zelf
de band te verwisselen als de krik, de
wielmoeren, de tapeinden of andere
uitrusting beschadigd of in slechte conditie
zijn.
Gebruik van compact reservewiel
(indien van toepassing)
Compacte reservewielen zijn uitsluitend
ontworpen voor gebruik in noodgevallen.
Rijd voorzichtig als het compacte
reservewiel is geplaatst en volg altijd de
veiligheidsvoorzorgsmaatregelen.
08
8-17
WAARSCHUWING
Voorkom het defect raken van het
compacte reservewiel en verlies van
controle over de auto, waardoor mogelijk
een ongeval kan ontstaan:
Gebruik het compacte reservewiel alleen
in een noodgeval.
Rijd NOOIT harder dan 80 km/uur (50
mph).
Overschrijd het laadvermogen van
de auto niet en overschrijd ook het
draagvermogen van het compacte
reservewiel dat op de zijkant van de
band is aangegeven niet.
Rijd niet continu met het compacte
reservewiel. Repareer of vervang de
originele band zo spoedig mogelijk,
om defect raken van het compacte
reservewiel te voorkomen.
Bij het rijden met een op de auto gemonteerd
compact reservewiel:
Controleer de bandenspanning na het
plaatsen van het compacte reservewiel.
De band van het compacte reservewiel
moet worden opgepompt tot 420 kPa (60
psi).
Maak geen gebruik van een wasstraat als
het reservewiel gemonteerd is.
Gebruik dit reservewiel niet onder
een andere auto omdat het speciaal
ontworpen is voor uw auto.
De levensduur van de reserveband is
korter dan die van een conventionele
band. Controleer het compacte
reservewiel regelmatig en vervang een
versleten reserveband door een band met
dezelfde maat, gemonteerd op dezelfde
velg.
Gebruik niet meer dan één compact
reservewiel tegelijk.
Trek geen aanhanger als het compacte
reservewiel is gemonteerd.
AANWIJZING
Als de originele band en velg gerepareerd
zijn en weer onder de auto gemonteerd
zijn, moeten de wielmoeren met het juiste
aanhaalmoment worden vastgedraaid. Het
juiste aanhaalmoment voor de wielmoeren
is 11~13 kgf.m (79~94 lbf.ft).
OPGELET
Om beschadiging aan het compacte
reservewiel en uw auto te voorkomen:
Rijd langzaam genoeg gezien de
wegcondities om gevaren, zoals
putdeksels en afval, te kunnen
ontwijken.
Rijd niet over objecten heen. De
diameter van het compacte reservewiel
is kleiner dan die van een conventioneel
wiel, waardoor de grondspeling
ongeveer 25 mm (1 inch) kleiner wordt.
Gebruik geen sneeuwkettingen op
het compacte reservewiel. Vanwege
de kleinere wielmaat past een
sneeuwketting niet goed.
De compacte reserveband mag niet
gebruikt worden op andere velgen
en er mogen geen standaardbanden,
winterbanden, wieldoppen of velgringen
op de velg van het compacte reservewiel
worden gemonteerd.
Noodsituaties
8-18
Kriklabel
Voorbeeld
Voorbeeld
OOS067043
OOS067043
Het werkelijke label op de krik in de auto kan afwijken van de afbeelding.
Meer informatie vindt u op het label op de krik.
1. Modelnaam
2. Maximaal toegestane belasting
3. Activeer de parkeerrem wanneer u de krik gebruikt.
4. Zet de motor uit wanneer u de krik gebruikt.
5. Ga nooit onder een auto liggen die op een krik staat.
6. De aangegeven plaatsen onder de dorpel
7. Bij het ondersteunen van de auto moet de voetplaat van de krik verticaal onder het
opkrikpunt worden geplaatst.
8. Zet bij auto's met een handgeschakelde transmissie de versnellingspook in de achteruit of
zet bij auto's met een Double clutch-transmissie de selectiehendel in stand P (parkeren).
9. Plaats de krik op een stevige, vlakke ondergrond.
10.
Fabrikant krik
11.
Productiedatum
12.
Vertegenwoordiger van het bedrijf en het adres
08
8-19
EG-conformiteitsverklaring voor krik
JACKDOC14S
JACKDOC14S
Noodsituaties
8-20
BIJ EEN LEKKE BAND (MET TIRE MOBILITY KIT,
INDIEN VAN TOEPASSING)
OOSN081024
OOSN081024
Lees, voor een veilige bediening, de
instructies in deze handleiding vóór gebruik
aandachtig door en volg ze nauwgezet op.
(1) Compressor
(2) Fles met dichtmiddel
Met de Tire Mobility Kit kan de band slechts
tijdelijk worden gerepareerd. We raden u aan
het systeem te laten controleren door een
officiële HYUNDAI-dealer.
OPGELET
Als de auto meerdere lekke banden heeft
mag de bandenreparatieset niet worden
gebruikt. Het afdichtingsmiddel uit de
bandenreparatieset kan namelijk maar voor
één lekke band worden gebruikt.
WAARSCHUWING
Gebruik de Tire Mobility Kit niet om
beschadigingen in de wangen van de band
te repareren. Dit kan leiden tot een ongeluk
doordat de band het plotseling begeeft.
WAARSCHUWING
Laat uw band zo spoedig mogelijk
repareren. Mogelijk daalt de
bandenspanning nadat de band is
gerepareerd met de bandenreparatieset.
Inleiding
Met de bandenreparatieset blijft u mobiel,
ook na een lekke band.
Met behulp van de compressor en het
dichtmiddel kunnen de meest voorkomende
lekken in een band van een personenauto,
veroorzaakt door spijkers enz., effectief
gedicht worden en kan de band weer op
spanning worden gebracht.
Als u zeker weet dat het lek gedicht is,
kunt u voorzichtig (maximaal 200 km (120
mijl)) met een maximumsnelheid van 80
km/u (50 mph) naar een bandenspecialist
of garagebedrijf rijden om de band te laten
vervangen.
In sommige gevallen, bij grotere
beschadigingen aan het loopvlak of aan de
wangen van de band, kan het gebeuren dat
het lek niet afdoende gedicht kan worden.
Een te lage bandenspanning heeft een
negatieve invloed op de prestaties van de
band.
Daarom moet u abrupte stuurbewegingen of
andere manoeuvres vermijden, vooral als de
auto zwaar beladen is of als er een aanhanger
wordt getrokken.
De Tyre Mobility Kit is niet ontworpen
of bedoeld als permanente
bandreparatiemethode en mag slechts
voor één band worden gebruikt. Deze
instructie laat u stap voor stap zien hoe u de
beschadiging eenvoudig en betrouwbaar
tijdelijk kunt afdichten.
Lees het hoofdstuk 'Aanwijzingen voor een
veilig gebruik van de Tire Mobility Kit'.
WAARSCHUWING
Gebruik de TMK niet bij een band die
ernstig beschadigd is door het te lang
blijven rijden met de lekke band of door
het te lang blijven rijden met een te lage
bandenspanning.
Alleen lekken in het loopvlak van de band
kunnen met de TMK worden gedicht.
08
8-21
Onderdelen van de bandenreparatieset
OOSN081022
OOSN081022
1. Snelheidsbeperkingslabel
2. Fles met dichtmiddel en snelheidsbeperkingslabel
3. Vulslang
4. Voedingskabel voor directe aansluiting op de accu
5. Houder voor de fles met dichtmiddel
6. Compressor
7. AAN/UIT-schakelaar
8. Drukmeter voor de bandenspanning
9. Knop om de bandenspanning te verlagen
De stekkers, voedingskabel en aansluitslang kunnen worden opgeborgen in de
compressorbehuizing.
Volg de hieronder beschreven procedure nauwgezet, omdat het afdichtingsmiddel anders
onder hoge druk kan ontsnappen.
Noodsituaties
8-22
WAARSCHUWING
Dichtmiddel waarvan de uiterste
gebruiksdatum is verlopen
Gebruik geen dichtmiddel waarvan de
houdbaarheidsdatum is verstreken (deze
datum staat vermeld op de verpakking). Dit
kan het risico op een lekke band vergroten.
WAARSCHUWING
Dichtmiddel
Buiten bereik van kinderen houden.
Contact met de ogen vermijden.
Niet inslikken.
De bandenreparatieset
gebruiken bij een lekke band
OPGELET
OOSN081010L
OOSN081010L
Verwijder het snelheidsbeperkingslabel
(1) van de fles met dichtmiddel (2) en
plak het op een goed zichtbare plaats in
het voertuig, zoals het stuurwiel, om de
bestuurder eraan te herinneren niet te snel
te rijden.
OPGELET
Als alleen de bandenspanning moet worden
aangepast, raadpleeg dan het onderdeel
'De bandenspanning aanpassen' in dit
hoofdstuk.
Voordat u de bandenreparatieset (Tire
Mobility Kit) gebruikt, moet u volledig op
de hoogte zijn van de toelichting op het
dichtmiddel.
1. Schud de fles met dichtmiddel (2).
OOSN081025
OOSN081025
2. Sluit de vulslang (3) aan op de fles met
dichtmiddel (2) in de richting van de pijl
(A) en sluit de fles met dichtmiddel aan op
de compressor (6) in de richting van de
pijl (B).
3. Zorg ervoor dat de compressor
uitgeschakeld is.
4. Draai het ventieldopje van het ventiel
van de lege band en schroef de vulslang
(3) van de fles met dichtmiddel op het
ventiel.
OOSN081011L
OOSN081011L
OPGELET
Sluit de vulslang van de fles met
dichtmiddel goed op de klep aan. Anders
kan het dichtmiddel achteruit stromen,
waardoor de vulslang verstopt kan raken.
08
8-23
OOSN081012L
OOSN081012L
5. Steek de voedingskabel van de
compressor (4) in het stopcontact van de
auto.
AANWIJZING
Gebruik alleen het stopcontact aan
voorpassagierszijde om de voedingskabel
aan te sluiten.
6. Schakel het contactslot in.
7. Laat de compressor gedurende ca. 5~7
minuten draaien om het dichtmiddel bij te
vullen tot een correcte spanning is bereikt
(zie hoofdstuk 8, Banden en wielen). De
bandenspanning na het vullen is niet
belangrijk en wordt later gecontroleerd/
gecorrigeerd.
Let er bij het vullen van de band op
dat de maximumspanning niet wordt
overschreden en bewaar tijdens het vullen
afstand tot de band.
OPGELET
Bandenspanning
Ga niet rijden als de bandenspanning lager
is dan 200 kPa (29 psi). Dit kan leiden tot
een ongeluk doordat de band het plotseling
begeeft.
8. Schakel de compressor uit.
9. Verwijder de vulslang van de fles
dichtmiddel en het ventiel van de band.
Berg de Tire Mobility Kit weer op zijn
oorspronkelijke positie in de auto op.
WAARSCHUWING
Koolmonoxide
Laat de motor niet gedurende langere tijd
lopen in een slecht geventileerde ruimte.
Hierdoor kunt u koolmonoxidevergiftiging
oplopen, met ernstig letsel of de dood tot
gevolg.
OLMF064106
OLMF064106
10.
Rijd direct ongeveer 7~10 km (4~6 mijl of
ongeveer 10 minuten) om het dichtmiddel
in de band gelijkmatig te verdelen.
Rijd niet harder dan 80 km/uur (50 mph). Rijd
indien mogelijk niet langzamer dan 20 km/
uur (12 mph).
Als u tijdens het rijden ongewone trillingen
opmerkt, een abnormaal rijgedrag ervaart of
bijgeluiden hoort, verlaag dan uw snelheid
en rijd voorzichtig verder totdat u de auto op
een veilige plaats tot stilstand kunt brengen.
Schakel in dat geval een hulpdienst in.
Noodsituaties
8-24
OOSN081023
OOSN081023
OOSN081011L
OOSN081011L
11.
Stop na ongeveer 7 ~ 10 km (4~6 mijl of
ongeveer 10 minuten) gereden te hebben
op een veilige plaats.
12.
Sluit de vulslang (3) van de compressor
aan op het ventiel van de band.
13.
Steek de aansluiting van de compressor
op het stopcontact van de auto.
14.
Breng de band op de aanbevolen
spanning.
Schakel het contact in en ga dan als volgt
te werk.
- De bandenspanning verhogen:
Schakel de compressor in. Schakel
de compressor even uit om de
huidige bandenspanningsinstelling te
controleren.
- Om de bandenspanning te verlagen:
druk op toets (9) op de compressor.
AANWIJZING
Laat de compressor niet langer dan 10
minuten achter elkaar draaien, omdat deze
anders oververhit en zo beschadigd kan
raken.
Informatie
De drukmeter kan een hogere dan de
werkelijke waarde aangeven wanneer de
compressor draait. Voor een nauwkeurige
aflezing van de bandenspanning moet de
compressor worden uitgeschakeld.
OPGELET
Als er banden niet op spanning blijven, rijd
dan opnieuw een korte afstand. Zie stap 10.
Herhaal dan de stappen 11 tot en met 14.
Het IMS kan mogelijk niet gebruikt worden
bij bandbeschadigingen groter dan
ongeveer 4 mm (0,16 in).
We adviseren u contact op te nemen met
een officiële HYUNDAI-dealer als de band
niet gerepareerd kan worden met de Tire
Mobility Kit.
WAARSCHUWING
De bandenspanning moet ten minste 220
kPa (32 psi) zijn. Rijd niet verder als dat niet
het geval is.
Schakel in dat geval een hulpdienst in.
OPGELET
Bandenspanningssensor
(indien uitgerust met TPMS)
Het bandenreparatiemiddel op de
bandenspanningssensor en het wiel moet
grondig worden verwijderd wanneer
u de band door een nieuw exemplaar
vervangt en de bandenspanningssensoren
controleert. We adviseren u om dit te laten
uitvoeren door een officiële HYUNDAI-
dealer.
08
8-25
Informatie
Bij het terugplaatsen van de gerepareerde
of vervangen band en wiel op de auto, moet
u de wielmoer aandraaien tot 11~13 kgf·m
(79~94 lbf·ft).
De bandenspanning aanpassen
OOSN081023
OOSN081023
OOSN081011L
OOSN081011L
1. Parkeer uw auto op een veilige plaats.
2. Sluit de vulslang (3) van de compressor
aan op het ventiel van de band.
3. Steek de aansluiting van de compressor
op het stopcontact van de auto.
4. Stel de bandenspanning in op het
aanbevolen niveau.
Schakel het contact in en ga dan als volgt
te werk.
- De bandenspanning verhogen:
Schakel de compressor in. Schakel
de compressor even uit om de
huidige bandenspanningsinstelling te
controleren.
- Om de bandenspanning te verlagen:
druk op toets (9) op de compressor.
AANWIJZING
Laat de compressor niet langer dan 10
minuten achter elkaar draaien, omdat deze
anders oververhit en zo beschadigd kan
raken.
Informatie
De drukmeter kan een hogere dan de
werkelijke waarde aangeven wanneer de
compressor draait. Voor een nauwkeurige
aflezing van de bandenspanning moet de
compressor worden uitgeschakeld.
OPGELET
Gebruik geen dichtmiddel als de
bandenspanning alleen hoeft te worden
aangepast.
WAARSCHUWING
De bandenspanning moet ten minste 220
kPa (32 psi) zijn. Rijd niet verder als dat niet
het geval is.
Schakel in dat geval een hulpdienst in.
Noodsituaties
8-26
Aanwijzingen voor het
veilig gebruik van de
bandenreparatieset
Breng uw auto tot stilstand op een veilige
plaats, zodat u bij het werken met het
TMK niet gehinderd wordt door het
passerende verkeer.
Activeer de parkeerrem, ook als de auto
vrijwel horizontaal staat, zodat de auto
niet in beweging kan komen.
Gebruik de Tire Mobility Kit alleen
voor het afdichten en oppompen van
personenautobanden. Alleen lekken in het
loopvlak van de band kunnen met de Tire
Mobility Kit worden gerepareerd.
Gebruik de TMK niet voor
motorfietsbanden, fietsbanden of andere
soorten banden.
Gebruik de bandenreparatieset in het
belang van uw eigen veiligheid niet
wanneer het wiel en de band beschadigd
zijn.
De Tire Mobility Kit kan mogelijk niet
worden gebruikt bij bandbeschadigingen
groter dan ongeveer 6 mm (0,24 in).
Als de band niet gerepareerd kan worden
met de Tire Mobility Kit adviseren we u
contact op te nemen met een officiële
HYUNDAI-dealer.
Gebruik de Tire Mobility Kit niet wanneer
de band ernstig beschadigd is doordat er
te lang is gereden met een lekke band of
met een te lage bandenspanning.
Verwijder het voorwerp dat het lek
heeft veroorzaakt – spijkers, schroeven
enzovoort – niet uit de band.
Laat de motor draaien, maar alleen als de
auto buiten staat. Anders kan het gebruik
van de compressor er uiteindelijk toe
leiden dat de accuspanning te ver daalt.
Laat de bandenreparatieset nooit alleen
terwijl deze wordt gebruikt.
Laat de compressor niet langer dan 10
minuten achter elkaar draaien, omdat
deze anders oververhit kan raken.
Gebruik de Tire Mobility Kit niet bij een
buitentemperatuur lager dan -30°C
(-22°F).
Was in het geval van huidcontact met het
afdichtingsmiddel de betreffende plek
grondig met veel water. Raadpleeg een
arts als de irritatie aanhoudt.
Spoel in het geval van oogcontact met het
afdichtingsmiddel uw ogen gedurende
ten minste 15 minuten. Raadpleeg een
arts als de irritatie aanhoudt.
Spoel de mond in het geval van inslikken
van afdichtingsmiddel en drink veel
water. Geef echter nooit iets aan een
bewusteloze persoon en raadpleeg
onmiddellijk een arts.
Langdurige blootstelling aan het
afdichtingsmiddel kan schade toebrengen
aan lichaamsweefsels, zoals de nieren
enz.
08
8-27
SLEPEN
Slepen
OOS067007L
OOS067007L
[A]: dolly's
Laat de auto bij voorkeur wegslepen door
een officiële door HYUNDAI Erkende
Reparateur of een erkend bergingsbedrijf.
Correcte hef- en sleepprocedures zijn
noodzakelijk om schade aan de auto te
voorkomen. Het gebruik van dolly's of een
oprijwagen wordt aanbevolen.
De auto mag gesleept worden met de
achterwielen op de grond (zonder dolly's) en
de voorwielen van de grond.
Als een van de aangedreven wielen of de
wielophanging voor beschadigd is of als
de auto wordt gesleept met de voorwielen
van de grond, plaats dan een dolly onder de
voorwielen.
Als er geen dolly's worden gebruikt, moet de
auto worden gesleept met de voorwielen van
de grond.
OPGELET
Sleep de auto nooit met de voorwielen
op de grond. Hierdoor kan de auto
beschadigd raken.
OOS067021
OOS067021
Gebruik geen takel om de auto te slepen.
Gebruik een wiellift of een oprijwagen.
OOS067022
OOS067022
Noodsituaties
8-28
WAARSCHUWING
Zet het contact in de stand OFF of ACC
wanneer de auto gesleept wordt als de
auto voorzien is van een koprolsensor. De
zijairbags en gordijnairbags kunnen worden
geactiveerd als de sensor de situatie
interpreteert als over de kop slaan.
Slepen in noodgevallen zonder dolly's:
1. Zet het contact in stand ACC.
2. Zet de selectiehendel in stand N
(neutraal).
3. Ontgrendel de parkeerrem.
OPGELET
Als de selectiehendel niet in stand N wordt
gezet, kan dit inwendige schade in de
transmissie tot gevolg hebben.
Afneembaar sleepoog
1. Open de achterklep en verwijder het
sleepoog uit de gereedschapsset.
Voor
Voor
OOSN081008L
OOSN081008L
Achter
Achter
OOSN081009L
OOSN081009L
2. Verwijder het afdekkapje in de bumper
door aan de onderzijde van het afdekkapje
te drukken.
3. Plaats het sleepoog door het rechtsom te
draaien totdat het volledig vastzit.
4. Verwijder het sleepoog na gebruik en
plaats het afdekkapje.
08
8-29
Slepen in een noodgeval
Als er nauwelijks beweging in de auto zit,
ga dan niet onnodig door met slepen. We
raden u aan contact op te nemen met een
officiële HYUNDAI-dealer of een deskundig
bergingsbedrijf voor hulp.
Als dit niet mogelijk is, mag de auto tijdelijk
worden gesleept met een sleepkabel of
-ketting die aan het sleepoog aan de voor- of
achterzijde van de auto is bevestigd.
Wees uiterst behoedzaam wanneer de auto
wordt gesleept met een kabel of ketting. Een
bestuurder moet in de auto plaatsnemen om
te sturen en de remmen te bedienen.
Op deze manier slepen mag alleen gebeuren
op verharde wegen over een korte afstand en
met lage snelheden. Ook moeten de wielen,
assen, aandrijflijn, stuurinrichting en remmen
allemaal in goede staat zijn.
OPGELET
De bestuurder moet zich in de auto
bevinden om te sturen en de remmen te
bedienen wanneer de auto wordt gesleept.
Passagiers, buiten de bestuurder, zijn niet
toegestaan in de auto.
Volg altijd onderstaande
voorzorgsmaatregelen bij slepen in een
noodgeval:
Zet het contact in stand ACC, zodat het
stuurwiel niet vergrendeld wordt.
Zet de selectiehendel in stand N
(neutraal).
Ontgrendel de parkeerrem.
Vanwege de verminderde remwerking
moet het rempedaal met meer kracht dan
normaal worden ingetrapt.
Het sturen gaat zwaarder omdat de
stuurbekrachtiging niet werkt.
De auto mag alleen gesleept worden door
een auto die zwaarder is dan die van u.
De bestuurders van beide auto's dienen
goed met elkaar te communiceren.
Controleer voor het slepen of de
sleepogen niet gebroken of op een andere
manier beschadigd zijn.
Bevestig de kabel of ketting goed aan de
sleepogen.
Stel het sleepoog niet bloot aan
rukbelastingen. Oefen een constante en
gelijkmatige kracht uit.
OOS067027
OOS067027
Gebruik een sleepkabel of ketting van
minder dan 5 meter (16 voet). Bevestig
een witte of rode doek (ongeveer 30 cm
breed (12 inches)) in het midden van de
kabel of ketting om de zichtbaarheid te
verbeteren.
Rijd voorzichtig zodat de sleepkabel of
ketting tijdens het slepen strak blijft staan.
Controleer vóór het slepen de Double
clutch-transmissie op vloeistoflekkage
onder uw auto. Als de Double clutch-
transmissie vloeistof lekt, moet een
oprijwagen of een dolly worden gebruikt.
AANWIJZING
Versnel en vertraag langzaam en geleidelijk
om de sleepkabel of ketting op spanning
te houden en zo de auto te starten of te
verplaatsen, anders kunnen de sleepogen
en de auto worden beschadigd.
Noodsituaties
8-30
AANWIJZING
Om schade aan uw auto en onderdelen
ervan te voorkomen bij het slepen:
Trek altijd in een rechte lijn bij het
gebruik van de sleepogen. Trek niet van
opzij of onder een verticale hoek.
Gebruik de sleepogen niet om een
andere auto weg te slepen die vastzit in
de modder of iets dergelijks waar hij niet
op eigen kracht kan uitkomen.
Laat de auto niet met een snelheid hoger
dan 15 km/u (10mph) en niet verder dan
1,5 km (1 mijl) slepen om ernstige schade
aan de transmissie te voorkomen.
(indien uitgerust met automatische
transmissie).
Het voertuig moet gesleept worden
met een snelheid van 25 km/u (15 mph)
of minder binnen een afstand van 20
km (12 mijl). (indien uitgerust met een
handmatige transmissie/dual clutch-
transmissie)
08
8-31
NOODVOORZIENINGEN (INDIEN VAN TOEPASSING)
Uw auto is uitgerust met noodvoorzieningen
om u te helpen in te grijpen bij noodsituaties.
Brandblusser
Als er een kleine brand is en u weet hoe u de
brandblusser moet gebruiken, volg dan deze
stappen zorgvuldig.
1. Trek de veiligheidspen, die voorkomt dat
de handgreep per ongeluk kan worden
ingedrukt, aan de bovenkant van de
brandblusser eruit.
2. Richt het mondstuk op de basis van het
vuur.
3. Ga op ongeveer 2,5 m (8 ft) afstand van
het vuur staan en knijp de handgreep in
om de brandblusser te bedienen. Als u de
handgreep loslaat, stopt de uitstroom van
het blusmiddel.
4. Zwenk het mondstuk heen en weer in
de richting van de basis van het vuur.
Houd een ogenschijnlijk gedoofd vuur
goed in de gaten, want het kan opnieuw
ontbranden.
EHBO-doos
Benodigdheden om eerste hulp te verlenen,
zoals een schaar, verband en plakband, enz.
zijn aanwezig.
Gevarendriehoek
Plaats de gevarendriehoek op de weg om
naderende voertuigen te waarschuwen in
geval van nood, bijvoorbeeld wanneer de
auto langs de weg is geparkeerd vanwege
problemen.
Bandenspanningsmeter
(indien van toepassing)
Banden verliezen normaliter altijd wat lucht
in het dagelijks gebruik en het is mogelijk
dat u regelmatig lucht moet bijpompen. Dit
is meestal geen teken van een lekke band,
maar van normaal gebruik. Controleer de
bandenspanning altijd als de banden koud
zijn, omdat de bandenspanning toeneemt
met de temperatuur.
Voer de volgende stappen uit om de
bandenspanning te controleren:
1. Schroef het ventieldopje van het
bandventiel op de velg los.
2. Houd de meter tegen het ventiel gedrukt.
Er lekt wat lucht weg als u begint. Indien
u de meter niet stevig aandrukt, blijft er
lucht weglekken.
3. Een stevige druk zonder lekkage activeert
de meter.
4. Lees de bandenspanning op de meter af
om te zien of de bandenspanning te laag
of te hoog is.
5. Stel de bandenspanning in op de
voorgeschreven druk. Zie 'Banden en
wielen' in hoofdstuk 8.
6. Plaats de ventieldop terug.
Noodsituaties
8-32
De auto is uitgerust met een apparaat* dat verbonden is met het pan-Europese eCall-
systeem voor noodoproepen naar hulpdiensten. Het pan-Europese eCall-systeem doet
automatisch een noodoproep bij een verkeersongeval of andere** calamiteiten op de
Europese wegen (alleen in landen met wetgeving voor dit systeem)
Het systeem maakt het mogelijk om verbinding te maken met een hulpverlener van de
publieke noodoproepcentrale (PSAP, Public Safety Answering Point) in geval van ongevallen
in het verkeer in Europa (alleen in landen met wetgeving voor dit systeem)
Het pan-Europese eCall-systeem verzendt, onder de voorwaarden die zijn beschreven in de
Gebruikershandleiding en daarnaast in het boekje Garantie & Onderhoud, gegevens naar de
publieke noodoproepcentrale, waaronder informatie over de locatie, het type voertuig en
het VIN (Voertuig-identificatienummer) van de auto.
OOS080009L
OOS080009L
1. Verkeersongeval
2. Draadloos netwerk
3. Publieke noodoproepcentrale (PSAP, Public Safety Answering Point)
4. Redding
PAN-EUROPEES eCALL-SYSTEEM (EUROPA) (INDIEN VAN
TOEPASSING)
08
8-33
* Het pan-Europese eCall-apparaat in de gebruikershandleiding verwijst naar apparatuur die in de
auto geïnstalleerd is en die verbinding kan maken met het pan-Europese eCall-systeem.
** "Andere calamiteiten" betekent elk ongeval op de Europese wegen (alleen in landen met
wetgeving voor dit systeem) dat tot letsel bij mensen leidt/hulp noodzakelijk maakt. Bij
waarneming van een ongeval moet u het voertuig tot stilstand brengen, de SOS-toets indrukken
(de locatie van de toets staat op de afbeelding in het hoofdstuk "Pan-Europees eCall-systeem
(indien van toepassing)") van de Gebruikershandleiding. Bij een oproep verzamelt het systeem
informatie over de auto (van waaruit de oproep is gedaan), waarna de auto verbonden wordt met
een hulpverlener van de publieke noodoproepcentrale om de reden van noodoproep te melden.
Wanneer de gegevens die in het pan-Europese eCall-systeem opgeslagen zijn, worden
doorgegeven aan het reddingsteam om de bestuurder en passagiers de juiste hulp te verlenen,
worden de gegevens gewist zodra de reddingsoperatie voltooid is.
Beschrijving van het eCall-systeem in het voertuig (VOOR EUROPA)
SOS-toetsSOS-toets
NoodoproepsysteemNoodoproepsysteem
AanrijdingswaarschuwingAanrijdingswaarschuwing
AntenneAntenne
MicrofoonMicrofoon
LuidsprekerLuidspreker
LED-lampjesLED-lampjes
EDN8H-500
EDN8H-500
Overzicht van het eCall-systeem voor noodnummer 112 in het voertuig, de werking en de
functies ervan: raadpleeg dit gedeelte. De eCall-service voor noodnummer 112 is een publieke
dienst van algemeen belang en gratis te gebruiken.
Het eCall-systeem voor noodnummer 112 in het voertuig is standaard actief. Bij een ernstig
ongeval wordt het automatisch geactiveerd met behulp van sensoren in het voertuig.
Het wordt ook automatisch actief wanneer het voertuig uitgerust is met een TPS-systeem dat
bij een ernstig ongeval niet goed werkt.
Het eCall-systeem voor noodnummer 112 in het voertuig kan indien nodig ook met de hand
worden geactiveerd. Raadpleeg dit gedeelte voor instructies voor het handmatig activeren van
het systeem.
Bij een kritieke storing het systeem waardoor het eCall-systeem voor noodnummer 112 in
het voertuig zou uitvallen, krijgen de inzittenden de volgende waarschuwing: raadpleeg dit
gedeelte.
Noodsituaties
8-34
Informatie over
gegevensverwerking (VOOR
EUROPA)
Elke verwerking van persoonsgegevens
door het op de 112-dienst gebaseerde
eCall-boordsysteem is in overeenstemming
met de regels inzake de bescherming
van persoonsgegevens als bedoeld in de
Richtlijnen 95/46/EG (1) en 2002/58/EG (2)
van het Europees Parlement en de Raad, en
gaat meer bepaald uit van de noodzaak om
de vitale belangen van de betrokkenen te
beschermen in de zin van artikel 7, onder (d),
van Richtlijn 95/46/EG (3).
De verwerking van die gegevens is
strikt beperkt tot het aannemen van de
noodoproep via eCall naar het centrale
Europese noodnummer 112.
Typen gegegens en hun ontvangers
Het eCall-systeem voor noodnummer 112
in het voertuig mag alleen de volgende
gegevens verzamelen en verwerken:
- Voertuig-identificatienummer
- Voertuigtype (personenvoertuig of licht
bedrijfsvoertuig)
- Type brandstof (benzine/diesel/CNG/
LPG/elektrisch/waterstof)
- De locatie en rijrichting van de auto
- Tijdsaanduiding van de automatische
activering van het systeem
- Eventuele aanvullende gegevens (indien
van toepassing): niet van toepassing
Ontvangers van de gegevens die het eCall-
systeem voor noodnummer 112 in het
voertuig heeft verwerkt zijn de betreffende
publieke noodoproepcentrales die door
de betreffende nationale overheid zijn
aangewezen voor het gebied waar ze actief
zijn om als eerste de oproepen van eCall
naar het enige Europese noodnummer 112
te ontvangen en verwerken. Aanvullende
gegevens (indien beschikbaar): niet van
toepassing
(1) Richtlijn 95/46/EC van het Europees
Parlement en de Raad van 24 oktober
1995 betreffende de bescherming van
natuurlijke personen in verband met
de verwerking van persoonsgegevens
en betreffende het vrije verkeer van die
gegevens (OJ L 281, 23.11.1995, p. 31).
(2) Richtlijn 2002/58/EC van het Europees
Parlement en de Raad van 12 juli
2002 betreffende de verwerking van
persoonsgegevens en de bescherming
van de persoonlke levenssfeer in de
sector elektronische communicatie
(Richtlijn over privacy en elektronische
communicatie) (OJ L 201, 31.7.2002, p.
37).
(3) Verordening (EU) 2016/679 van het
Europees Parlement en de Raad van 27
april 2016 betreffende de bescherming
van natuurlijke personen in verband met
de verwerking van persoonsgegevens
en betreffende het vrije verkeer van die
gegevens en tot intrekking van Richtlijn
95/46/EG (algemene verordening
gegevensbescherming) (OJ L 119,
4.5.2016, p. 1). De Verordening is vanaf 25
mei 2018 van kracht.
08
8-35
Regelingen voor
gegevensverwerking
Het eCall-systeem voor noodnummer
112 in het voertuig is zo ontworpen dat
de gegevens uit het geheugen van het
systeem pas buiten het systeem beschikbaar
zijn zodra er een eCall wordt gedaan.
Aanvullende opmerkingen (indien nodig):
niet van toepassing
Het eCall-systeem voor noodnummer 112
in het voertuig is zo ontworpen dat het bij
normale werking niet op te sporen is en
niet constant te volgen is. Aanvullende
opmerkingen (indien nodig): niet van
toepassing
Het eCall-systeem voor noodnummer
112 in het voertuig is zo ontworpen dat de
gegevens in het interne geheugen van het
systeem automatisch en doorlopend worden
verwijderd.
De gegevens over de voertuiglocatie worden
in het interne geheugen van het systeem
doorlopend overschreven voor een normale
werking van het systeem.
Het activiteitenlogboek in het eCall-systeem
voor noodnummer 112 in het voertuig wordt
niet langer bijgehouden dan nodig is voor
het verwerken van de noodoproep via eCall
en in ieder geval niet langer dan 13 uur na
de noodoproep door eCall. Aanvullende
opmerkingen (indien nodig): niet van
toepassing
Modaliteiten voor uitoefening van
de rechten van het gegevenssubject
Het gegevenssubject (de voertuigeigenaar)
heeft recht op toegang tot de gegevens
en waar nodig op rectificatie, verwijdering
en blokkering van gegevens die over hem
of haar gaan, indien de verwerking ervan
niet strookt met de bepalingen in Richtlijn
95/46/ER. Derden aan wie de gegevens
zijn verstrekt, moeten overeenkomstig deze
Richtlijn van een dergelijke rectificatie,
verwijdering of blokkering op de hoogte
worden gebracht, tenzij dit onmogelijk blijkt
of een onevenredige inspanning vergt.
De direct betrokkene heeft het recht om
een klacht in te dienen bij de betreffende
gegevensbeschermingsautoriteit indien
hij of zij vindt dat zijn of haar rechten zijn
geschonden als gevolg van de verwerking
van zijn of haar persoonsgegevens.
De contactdienst die verantwoordelijk is voor
het verwerken van verzoeken tot toegang (als
die er zijn): niet van toepassing
Noodsituaties
8-36
PAN-EUROPEES eCALL-SYSTEEM
(VOOR EUROPA)
Type A
Type A
OOSEV069174L
OOSEV069174L
Type B
Type B
OOSEV069173L
OOSEV069173L
Elementen van het pan-Europese
eCall-systeem, geïnstalleerd in het
passagierscompartiment:
(1) SOS-toets
(2) Led
SOS-toets:
Door het indrukken van de toets doet de
bestuurder/passagier een noodoproep naar
de hulpcentrale.
Led:
Het rode en groene led-lampje branden
gedurende 3 seconden wanneer het contact
in stand ON wordt gezet. Daarna gaan ze uit
wanneer het systeem normaal werkt.
Als er problemen zijn met het systeem,
blijft het rode led-lampje branden.
08
8-37
Automatische ongevalsmelding (VOOR EUROPA)
Werking van het systeem
bij een verkeersongeval
Verbinding met publieke
noodoproepcentrale
(PSAP, Public Safety Answering Point)
Noodhulpdiensten
OOS080010L
OOS080010L
Het Pan-Europese eCall-apparaat doet automatisch een noodoproep naar de publieke
noodoproepcentrale (PSAP, Public Safety Answering Point) om bij een verkeersongeval de
juiste reddingsdiensten in te zetten.
Voor de juiste noodhulpdiensten en ondersteuning stuurt het pan-Europese eCall-systeem
bij het waarnemen van een verkeersongeval automatisch de gegevens naar de publieke
noodoproepcentrale (PSAP).
In dit geval kan de noodoproep niet opgehangen worden door de SOS-toets in te drukken
en het pan-Europese eCall-systeem blijft verbonden tot de noodhulpverlener die de oproep
ontvangt, de verbinding verbreekt.
Bij lichte verkeersongevallen kan het zijn dat het pan-Europese eCall-systeem geen noodoproep
doet. Dan kunt u echter handmatig een noodoproep doen door op de SOS-toets te drukken.
OPGELET
Het systeem werkt niet bij afwezigheid van mobiele bereik en GPS en Galileo-
signalen.
Noodsituaties
8-38
Handmatige ongevalsmelding (VOOR EUROPA)
OOS080010L
OOS080010L
De bestuurder of passagier kan handmatig een noodoproep doen naar de publieke
noodoproepcentrale (PSAP, Public Safety Answering Point) door op de SOS-toets te drukken om
de noodhulpdiensten te waarschuwen.
Een oproep naar de noodhulpdiensten via het pan-Europese eCall-systeem kan worden
geannuleerd door binnen 3 seconden nogmaals op de SOS-toets te drukken.
Na activering van de noodoproep in de handmatige modus (voor juiste noodhulpdiensten
en ondersteuning) stuurt het pan-Europese eCall-systeem automatisch de gegevens van het
(verkeers)ongeval naar de hulpverlener van de publieke noodoproepcentrale (PSAP, Public
Safety Answering Point).
Als de bestuurder of passagier per ongeluk de SOS-toets indrukt, kan dit worden geannuleerd
door binnen 3 seconden opnieuw op de toets te drukken.
Bij een (verkeers)ongeval is het voor het activeren van een noodoproep in de handmatige
modus nodig om:
1. De auto volgens de verkeersregels te stoppen, om de veiligheid van uzelf en andere
weggebruikers te garanderen;
2. op de SOS-toets te drukken, als u op de toets drukt, wordt het SOS van het apparaat in de
draadloze telefonische verbindingsnetwerken geregistreerd, en worden essentiële gegevens
over de auto en zijn locatie verzameld overeenkomstig de technische eisen van het apparaat.
Daarna wordt er een verbinding tot stand gebracht met de hulpverlener van het pan-
Europese eCall-systeem om duidelijkheid te krijgen over de redenen (omstandigheden) van
de noodoproep.
3. Nadat de redenen voor de noodoproep duidelijk zijn gemaakt, stuurt de hulpverlener van de
publieke noodoproepcentrale (PSAP, Public Safety Answering Point) de gegevens naar de
noodhulpdiensten en rondt hij de noodoproep af.
Als de noodoproep niet volgens de bovenstaande procedure wordt uitgevoerd, wordt
noodoproep beschouwd als een vergissing.
08
8-39
WAARSCHUWING
Noodstroomvoorziening van het pan-
Europese eCall-systeem vanuit de accu
De accu van het pan-Europese eCall-
systeem levert stroom voor het geval de
hoofdstroom van het voertuig tijdens de
noodsituatie door de botsing uitgevallen
is.
De accu van het pan-Europese eCall-
systeem moet om de 3 jaar worden
vervangen. Raadpleeg voor meer
informatie het Onderhoudsschema in
hoofdstuk 9.
Led brandt rood (systeemdefect)
Als de rode led brandt bij normale
rijomstandigheden, kan dit duiden op een
storing in het pan-Europese eCall-systeem.
We raden u aan het systeem door een
officiële HYUNDAI-dealer te laten nakijken
om het probleem te laten vaststellen.
Anders hebt u niet de garantie dat het
apparaat met het pan-Europese eCall-
systeem in uw auto goed functioneert. De
eigenaar van de auto is aansprakelijk voor
de eventuele gevolgen van het schenden
van bovenstaande voorwaarden.
Willekeurig verwijderen of modificeren
Het pan-Europese eCall-systeem belt de
noodhulpdiensten voor hulp. Daarom
kan het verwijderen of wijzigen van de
instellingen van het pan-Europese eCall-
systeem uw veiligheid in gevaar brengen.
Daarnaast kan het zelfs een onbedoelde
noodoproep doen naar de publieke
noodoproepcentrale (PSAP, Public Safety
Answering Point). Vandaar dat we u
vriendelijk vragen om zelf geen wijzigingen
aan te brengen aan de instellingen van de
apparatuur van het pan-Europese eCall-
systeem dat in uw auto geïnstalleerd is, of
dit door derden te laten doen.
Noodsituaties
8-40
ECALL-SYSTEEM VOOR DE VAE (VAE, INDIEN VAN TOEPASSING)
De auto is uitgerust met een apparaat* dat verbonden is met het eCall-systeem voor de VAE
voor noodoproepen naar hulpdiensten. Het eCall-systeem voor de VAE doet automatisch een
noodoproep bij een verkeersongeval of andere** calamiteiten op de wegen (alleen in landen
met wetgeving voor dit systeem)
Het systeem maakt het mogelijk om verbinding te maken met een hulpverlener van de publieke
noodoproepcentrale (PSAP, Public Safety Answering Point) in geval van ongevallen in het
verkeer (alleen in landen met wetgeving voor dit systeem)
Het eCall-systeem voor de VAE verzendt, onder de voorwaarden die zijn beschreven in de
Gebruikershandleiding en daarnaast in het boekje Garantie & Onderhoud, gegevens naar de
publieke noodoproepcentrale, waaronder informatie over de locatie, het type voertuig en het
VIN (Voertuig-identificatienummer) van de auto.
OOS080009L
OOS080009L
1. Verkeersongeval
2. Draadloos netwerk
3. Publieke noodoproepcentrale (PSAP, Public Safety Answering Point)
4. Redding
08
8-41
* Het eCall-apparaat voor de VAE in de gebruikershandleiding verwijst naar apparatuur die in de
auto geïnstalleerd is en die verbinding kan maken met het eCall-systeem voor de VAE.
** 'Andere calamiteiten' betekent elk ongeval in het verkeer van de VAE (alleen in landen met
wetgeving voor dit systeem) dat tot letsel bij mensen leidt/hulp noodzakelijk maakt. Bij
waarneming van een ongeval moet u het voertuig tot stilstand brengen, de SOS-toets indrukken
(de locatie van de toets staat op de afbeelding in het hoofdstuk "eCall-systeem voor de VAE
indien van toepassing)") van de Gebruikershandleiding. Bij een oproep verzamelt het systeem
informatie over de auto (van waaruit de oproep is gedaan), waarna de auto verbonden wordt met
een hulpverlener van de publieke noodoproepcentrale om de reden van noodoproep te melden.
Wanneer de gegevens die in het pan-Europese eCall-systeem opgeslagen zijn, worden
doorgegeven aan het reddingsteam om de bestuurder en passagiers de juiste hulp te verlenen,
worden de gegevens gewist zodra de reddingsoperatie voltooid is.
Beschrijving van het eCall-systeem in het voertuig (VOOR VAE)
SOS-toetsSOS-toets
NoodoproepsysteemNoodoproepsysteem
AanrijdingswaarschuwingAanrijdingswaarschuwing
AntenneAntenne
MicrofoonMicrofoon
LuidsprekerLuidspreker
LED-lampjesLED-lampjes
EDN8H-500
EDN8H-500
Overzicht van het eCall-systeem voor noodnummer 999 in het voertuig, de werking en de
functies ervan: raadpleeg dit gedeelte. De eCall-service voor noodnummer 999 is een publieke
dienst van algemeen belang en gratis te gebruiken.
Het eCall-systeem voor noodnummer 999 in het voertuig is standaard actief. Bij een ernstig
ongeval wordt het automatisch geactiveerd met behulp van sensoren in het voertuig.
Het wordt ook automatisch actief wanneer het voertuig uitgerust is met een TPS-systeem dat
bij een ernstig ongeval niet goed werkt.
Het eCall-systeem voor noodnummer 999 in het voertuig kan indien nodig ook met de hand
worden geactiveerd. Raadpleeg dit gedeelte voor instructies voor het handmatig activeren van
het systeem.
Bij een kritieke storing het systeem waardoor het eCall-systeem voor noodnummer 999 in
het voertuig zou uitvallen, krijgen de inzittenden de volgende waarschuwing: raadpleeg dit
gedeelte.
Noodsituaties
8-42
Informatie over
gegevensverwerking (VOOR
VAE)
Elke verwerking van persoonsgegevens door
het op het noodnummer 999 gebaseerde
eCall-boordsysteem is in overeenstemming
met de regels inzake de bescherming
van persoonsgegevens als bedoeld in de
Richtlijnen 95/46/EG (1) en 2002/58/EG (2)
van het Europees Parlement en de Raad, en
gaat meer bepaald uit van de noodzaak om
de vitale belangen van de betrokkenen te
beschermen in de zin van artikel 7, onder (d),
van Richtlijn 95/46/EG (3).
De verwerking van die gegevens is
strikt beperkt tot het aannemen van de
noodoproep via eCall naar het noodnummer
999 van de VAE.
Soorten gegevens en hun
ontvangers
Het eCall-systeem voor noodnummer 999
in het voertuig mag alleen de volgende
gegevens verzamelen en verwerken:
- Voertuig-identificatienummer
- Voertuigtype (personenvoertuig of licht
bedrijfsvoertuig)
- Type brandstof (benzine/diesel/CNG/
LPG/elektrisch/waterstof)
- De locatie en rijrichting van de auto
- Tijdsaanduiding van de automatische
activering van het systeem
- Eventuele aanvullende gegevens (indien
van toepassing): niet van toepassing
Ontvangers van de gegevens die het eCall-
systeem voor het noodnummer 999 in het
voertuig heeft verwerkt zijn de betreffende
publieke noodoproepcentrales die door
de betreffende nationale overheid zijn
aangewezen voor het gebied waar ze actief
zijn om als eerste de oproepen van eCall
naar het noodnummer 999 van de VAE
te ontvangen en verwerken. Aanvullende
gegevens (indien beschikbaar): niet van
toepassing
(1) Richtlijn 95/46/EC van het Europees
Parlement en de Raad van 24 oktober
1995 betreffende de bescherming van
natuurlijke personen in verband met
de verwerking van persoonsgegevens
en betreffende het vrije verkeer van die
gegevens (OJ L 281, 23.11.1995, p. 31).
(2) Richtlijn 2002/58/EC van het Europees
Parlement en de Raad van 12 juli
2002 betreffende de verwerking van
persoonsgegevens en de bescherming
van de persoonlke levenssfeer in de
sector elektronische communicatie
(Richtlijn over privacy en elektronische
communicatie) (OJ L 201, 31.7.2002, p.
37).
(3) Verordening (EU) 2016/679 van het
Europees Parlement en de Raad van 27
april 2016 betreffende de bescherming
van natuurlijke personen in verband met
de verwerking van persoonsgegevens
en betreffende het vrije verkeer van die
gegevens en tot intrekking van Richtlijn
95/46/EG (algemene verordening
gegevensbescherming) (OJ L 119,
4.5.2016, p. 1). De Verordening is vanaf 25
mei 2018 van kracht.
08
8-43
Regelingen voor
gegevensverwerking
Het eCall-systeem voor noodnummer
999 in het voertuig is zo ontworpen dat
de gegevens uit het geheugen van het
systeem pas buiten het systeem beschikbaar
zijn zodra er een eCall wordt gedaan.
Aanvullende opmerkingen (indien nodig):
niet van toepassing
Het eCall-systeem voor noodnummer 999
in het voertuig is zo ontworpen dat het bij
normale werking niet op te sporen is en
niet constant te volgen is. Aanvullende
opmerkingen (indien nodig): niet van
toepassing
Het eCall-systeem voor noodnummer
999 in het voertuig is zo ontworpen dat de
gegevens in het interne geheugen van het
systeem automatisch en doorlopend worden
verwijderd.
De gegevens over de voertuiglocatie worden
in het interne geheugen van het systeem
doorlopend overschreven voor een normale
werking van het systeem.
Het activiteitenlogboek in het eCall-systeem
voor het noodnummer 999 in het voertuig
wordt niet langer bijgehouden dan nodig is
voor het verwerken van de noodoproep via
eCall en in ieder geval niet langer dan 13 uur
na de noodoproep door eCall. Aanvullende
opmerkingen (indien nodig): niet van
toepassing
Modaliteiten voor uitoefening van
de rechten van het gegevenssubject
Het gegevenssubject (de voertuigeigenaar)
heeft recht op toegang tot de gegevens
en waar nodig op rectificatie, verwijdering
en blokkering van gegevens die over hem
of haar gaan, indien de verwerking ervan
niet strookt met de bepalingen in Richtlijn
95/46/ER. Derden aan wie de gegevens
zijn verstrekt, moeten overeenkomstig deze
Richtlijn van een dergelijke rectificatie,
verwijdering of blokkering op de hoogte
worden gebracht, tenzij dit onmogelijk blijkt
of een onevenredige inspanning vergt.
De direct betrokkene heeft het recht om
een klacht in te dienen bij de betreffende
gegevensbeschermingsautoriteit indien
hij of zij vindt dat zijn of haar rechten zijn
geschonden als gevolg van de verwerking
van zijn of haar persoonsgegevens.
De contactdienst die verantwoordelijk is voor
het verwerken van verzoeken tot toegang (als
die er zijn): niet van toepassing
Noodsituaties
8-44
eCall-systeem voor de VAE
(VOOR VAE)
Type A
Type A
OOSEV069174L
OOSEV069174L
Type B
Type B
OOSEV069173L
OOSEV069173L
Elementen van het eCall-systeem
voor de VAE, geïnstalleerd in het
passagierscompartiment:
(1) SOS-toets
(2) Led
SOS-toets:
Door het indrukken van de toets doet de
bestuurder/passagier een noodoproep naar
de hulpcentrale.
Led:
Het rode en groene led-lampje branden
gedurende 3 seconden wanneer het contact
in stand ON wordt gezet. Daarna gaan ze uit
wanneer het systeem normaal werkt.
Als er problemen zijn met het systeem,
blijft het rode led-lampje branden.
08
8-45
Automatische ongevalsmelding (VOOR VAE)
Werking van het systeem
bij een verkeersongeval
Verbinding met publieke
noodoproepcentrale
(PSAP, Public Safety Answering Point)
Noodhulpdiensten
OOS080010L
OOS080010L
Het eCall-apparaat voor de VAE doet automatisch een noodoproep naar de publieke
noodoproepcentrale (PSAP, Public Safety Answering Point) om bij een verkeersongeval de
juiste reddingsdiensten in te zetten.
Voor de juiste noodhulpdiensten en ondersteuning stuurt het eCall-systeem voor de VAE
bij het waarnemen van een verkeersongeval automatisch de gegevens naar de publieke
noodoproepcentrale (PSAP).
In dit geval kan de noodoproep niet opgehangen worden door de SOS-toets in te drukken
en het eCall-systeem voor de VAE blijft verbonden tot de noodhulpverlener die de oproep
ontvangt, de verbinding verbreekt.
Bij lichte verkeersongevallen kan het zijn dat het eCall-systeem voor de VAE geen noodoproep
doet. Dan kunt u echter handmatig een noodoproep doen door op de SOS-toets te drukken.
OPGELET
Het systeem werkt niet bij afwezigheid van mobiele bereik en GPS en Galileo-
signalen.
Noodsituaties
8-46
Handmatige ongevalsmelding (VOOR VAE)
OOS080010L
OOS080010L
De bestuurder of passagier kan handmatig een noodoproep doen naar de publieke
noodoproepcentrale (PSAP, Public Safety Answering Point) door op de SOS-toets te drukken om
de noodhulpdiensten te waarschuwen.
Een oproep naar de noodhulpdiensten via het eCall-systeem voor de VAE kan worden
geannuleerd door binnen 3 seconden nogmaals op de SOS-toets te drukken.
Na activering van de noodoproep in de handmatige modus (voor juiste noodhulpdiensten
en ondersteuning) stuurt het eCall-systeem voor de VAE automatisch de gegevens van het
(verkeers)ongeval naar de hulpverlener van de publieke noodoproepcentrale (PSAP, Public
Safety Answering Point).
Als de bestuurder of passagier per ongeluk de SOS-toets indrukt, kan dit worden geannuleerd
door binnen 3 seconden opnieuw op de toets te drukken.
Bij een (verkeers)ongeval is het voor het activeren van een noodoproep in de handmatige
modus nodig om:
1. De auto volgens de verkeersregels te stoppen, om de veiligheid van uzelf en andere
weggebruikers te garanderen;
2. op de SOS-toets te drukken, als u op de toets drukt, wordt het SOS van het apparaat in de
draadloze telefonische verbindingsnetwerken geregistreerd, en worden essentiële gegevens
over de auto en zijn locatie verzameld overeenkomstig de technische eisen van het apparaat.
Daarna wordt er een verbinding tot stand gebracht met de hulpverlener van het eCall-
systeem voor de VAE om duidelijkheid te krijgen over de redenen (omstandigheden) van de
noodoproep.
3. Nadat de redenen voor de noodoproep duidelijk zijn gemaakt, stuurt de hulpverlener van de
publieke noodoproepcentrale (PSAP, Public Safety Answering Point) de gegevens naar de
noodhulpdiensten en rondt hij de noodoproep af.
Als de noodoproep niet volgens de bovenstaande procedure wordt uitgevoerd, wordt
noodoproep beschouwd als een vergissing.
08
8-47
WAARSCHUWING
Noodstroomvoorziening van het eCall-
systeem voor de VAE vanuit de accu
De accu van het eCall-systeem voor
de VAE levert stroom voor het geval de
hoofdstroom van het voertuig tijdens de
noodsituatie door de botsing uitgevallen
is.
De accu van het eCall-systeem voor
de VAE moet om de 3 jaar worden
vervangen. Raadpleeg voor meer
informatie het Onderhoudsschema in
hoofdstuk 9.
Led brandt rood (systeemdefect)
Als de rode led brandt bij normale
rijomstandigheden, kan dit duiden op een
storing in het eCall-systeem voor de VAE.
We raden u aan het systeem door een
officiële HYUNDAI-dealer te laten nakijken
om het probleem te laten vaststellen.
Anders hebt u niet de garantie dat het
apparaat met het eCall-systeem voor de
VAE in uw auto goed functioneert. De
eigenaar van de auto is aansprakelijk voor
de eventuele gevolgen van het schenden
van bovenstaande voorwaarden.
Willekeurig verwijderen of modificeren
Het eCall-systeem voor de VAE belt de
noodhulpdiensten voor hulp. Daarom
kan het verwijderen of wijzigen van de
instellingen van het eCall-systeem voor
de VAE uw veiligheid in gevaar brengen.
Daarnaast kan het zelfs een onbedoelde
noodoproep doen naar de publieke
noodoproepcentrale (PSAP, Public Safety
Answering Point). Vandaar dat we u
vriendelijk vragen om zelf geen wijzigingen
aan te brengen aan de instellingen van de
apparatuur van het eCall-systeem voor de
VAE dat in uw auto geïnstalleerd is, of dit
door derden te laten doen.
9
9. Onderhoud
Motorruimte ...................................................................................................... 9-3
Onderhoudswerkzaamheden ..........................................................................9-4
Verantwoordelijkheid van de eigenaar ...................................................................... 9-4
Voorzorgsmaatregelen voor onderhoud uitgevoerd door eigenaar ........................ 9-4
Door de eigenaar uit te voeren onderhoudswerkzaamheden ....................... 9-5
Schema voor door de eigenaar uit te voeren onderhoudswerkzaamheden ...........9-5
Uitleg over periodieke onderhoudspunten ......................................................9-7
Motorolie ..........................................................................................................9-10
Motoroliepeil controleren .......................................................................................... 9-10
Motorolie verversen en filter vervangen .................................................................... 9-11
Motorkoelvloeistof ...........................................................................................9-12
Controleren van het koelvloeistofpeil ....................................................................... 9-12
Koelvloeistof verversen .............................................................................................. 9-14
Remvloeistof ....................................................................................................9-15
Het remvloeistofniveau controleren ......................................................................... 9-15
Ruitensproeiervloeistof ...................................................................................9-16
Ruitensproeiervloeistofniveau controleren .............................................................. 9-16
Parkeerrem .......................................................................................................9-16
Parkeerrem controleren ............................................................................................. 9-16
Brandstoffilterelement vervangen ............................................................................ 9-16
Luchtfilter ......................................................................................................... 9-17
Filter vervangen ...........................................................................................................9-17
Interieurluchtfilter ............................................................................................9-18
Filter controleren ........................................................................................................ 9-18
Filter vervangen .......................................................................................................... 9-18
Ruitenwisserblad .............................................................................................9-19
Wisserbladen controleren ......................................................................................... 9-19
Vervangen van bladen .............................................................................................. 9-19
Accu ................................................................................................................. 9-22
Voor een optimale werking van de accu ..................................................................9-23
Accucapaciteitsticker ................................................................................................9-23
Accu laden ..................................................................................................................9-23
Te resetten onderdelen ..............................................................................................9-24
9
Banden en wielen ........................................................................................... 9-25
Onderhoud van de banden ........................................................................................9-25
Aanbevolen bandenspanning koud .........................................................................9-25
Bandenspanning controleren ....................................................................................9-26
Wielen verwisselen ....................................................................................................9-27
Uitlijnen en balanceren van de wielen ...................................................................... 9-27
Banden vervangen .....................................................................................................9-28
Velgen vervangen .......................................................................................................9-29
Grip .............................................................................................................................9-29
Onderhoud van banden .............................................................................................9-29
Label op de wang van de band .................................................................................9-29
Banden met een kleine hoogte-/breedteverhouding .............................................9-32
Zekeringen ....................................................................................................... 9-33
Vervangen zekering dashboard ................................................................................9-34
Vervangen zekering motorruimte .............................................................................9-35
Lampen ............................................................................................................ 9-47
Lamp koplamp, parkeerlicht, richtingaanwijzer en dagrijverlichting vervangen . 9-48
Koplampen afstellen ................................................................................................. 9-50
Lamp richtingaanwijzer opzij vervangen ................................................................. 9-54
Lamp achterlichtunit vervangen .............................................................................. 9-54
Gloeilamp derde remlicht vervangen ...................................................................... 9-56
Vervangen van de gloeilamp van de kentekenplaatverlichting ..............................9-57
Gloeilamp interieurverlichting vervangen ................................................................9-57
Onderhoud exterieur ......................................................................................9-59
Onderhoud exterieur ................................................................................................. 9-59
Onderhoud interieur ................................................................................................. 9-64
Emissieregelsysteem ...................................................................................... 9-67
9-3
09
2.0 T-GDi
2.0 T-GDi
Linkse besturing
Linkse besturing
Rechtse besturing
Rechtse besturing
De werkelijke motorruimte in de auto kan afwijken van de afbeelding.
OOSN091011L/OOSN091011R
OOSN091011L/OOSN091011R
1. Reservoir motorkoelvloeistof/
Dop expansievat motorkoelvloeistof
2. Zekeringkast
3. Accu
4. Rem-/koppelingsvloeistofreservoir
5. Luchtfilter
6. Peilstok motorolie
7. Vuldop motorolie
8. Ruitenwisservloeistofreservoir
MOTORRUIMTE
Onderhoud
9-4
Neem bij het uitvoeren van
onderhoudswerkzaamheden en controles de
grootst mogelijke voorzichtigheid in acht om
schade aan uw auto en/of persoonlijk letsel
te voorkomen.
Wij raden u aan de auto te laten
onderhouden en repareren door een officiële
HYUNDAI-dealer. Een officiële HYUNDAI-
dealer voldoet aan de hoge kwaliteitseisen
van HYUNDAI en krijgt technische
ondersteuning van HYUNDAI om ervoor te
zorgen dat u tevreden bent met de service.
Verantwoordelijkheid van de
eigenaar
Het laten uitvoeren van onderhoud
en de registratie daarvan zijn de
verantwoordelijkheid van de eigenaar.
U dient de documenten die aantonen dat het
juiste onderhoud aan uw auto is uitgevoerd
te bewaren in overeenstemming met de
periodieke onderhoudsschema's op de
volgende pagina's. U hebt deze informatie
nodig om vast te stellen of er wordt voldaan
aan de onderhouds- en servicevereisten van
de fabrieksgarantie.
De garantievoorwaarden vindt u in het
onderhoudsboekje.
Reparaties en afstellingen die nodig zijn als
gevolg van te weinig of verkeerd onderhoud
vallen niet onder de garantie.
Voorzorgsmaatregelen voor
onderhoud uitgevoerd door
eigenaar
Gebrekkig, onvolledig of onvoldoende
onderhoud kan leiden tot problemen met
uw auto, waardoor schade aan de auto, een
ongeval of persoonlijk letsel kan ontstaan. Dit
hoofdstuk bevat alleen instructies voor de
onderhoudspunten die eenvoudig kunnen
worden uitgevoerd.
Uw auto mag op geen enkele wijze worden
aangepast. Door aanpassingen kunnen
de prestaties en de veiligheid van uw auto
verslechteren en kan de levensduur worden
verkort. Daarnaast kan dit gevolgen hebben
voor de garantie van de auto.
AANWIJZING
Verkeerd onderhoud door de eigenaar
tijdens de garantieperiode kan ertoe leiden
dat de garantie vervalt. Lees voor details
het afzonderlijke onderhoudsboekje dat
met de auto is meegeleverd. Wij raden u
aan om bij twijfel het onderhoud altijd te
laten uitvoeren door een officiële HYUNDAI-
dealer.
ONDERHOUDSWERKZAAMHEDEN
09
9-5
WAARSCHUWING
Het uitvoeren van
onderhoudswerkzaamheden aan een auto
kan gevaarlijk zijn. Wij raden u aan het werk
te laten uitvoeren door een gekwalificeerde
HYUNDAI-dealer wanneer u niet over
voldoende kennis en ervaring of over het
juiste gereedschap beschikt. Volg ALTIJD
deze voorzorgsmaatregelen voor het
uitvoeren van onderhoudswerkzaamheden:
Parkeer uw auto op een vlakke
ondergrond, zet de selectiehendel in
stand P (parkeren, auto met double
clutchtransmissie) of de vrijstand (voor
handgeschakelde auto), activeer de
parkeerrem en zet het contact in stand
LOCK/OFF.
Leg blokken voor de wielen (voor en
achter) om te voorkomen dat de auto
gaat bewegen.
Doe loszittende kleding uit en doe
sieraden af. Deze kunnen bekneld raken
in draaiende onderdelen.
Als u tijdens de
onderhoudswerkzaamheden de motor
moet laten draaien, doe dat dan buiten
of in een ruimte die ruim voldoende
geventileerd is.
Houd open vuur, vonken en rokende
materialen uit de buurt van de accu en
onderdelen van het brandstofsysteem.
We raden aan dat een officiële HYUNDAI-
dealer onderstaande controles volgens het
aangegeven interval uitvoert om een veilige
en betrouwbare werking van de auto te
garanderen.
Neem bij bijzonderheden zo spoedig
mogelijk contact op met uw dealer.
Eventuele werkzaamheden die uit deze
controles voortvloeien, vallen doorgaans niet
onder de fabrieksgarantie en zullen, samen
het arbeidsloon en eventuele onderdelen
en smeermiddelen, in rekening gebracht
worden.
Schema voor door de
eigenaar uit te voeren
onderhoudswerkzaamheden
Bij het tanken:
Controleer het koelvloeistofpeil in het
koelvloeistofreservoir.
Controleer het peil van de
ruitensproeiervloeistof.
Controleer of de bandenspanning in orde
is.
WAARSCHUWING
Wees voorzichtig bij het controleren van het
koelvloeistofpeil wanneer de motor warm
is. Dit kan ertoe leiden dat koelvloeistof
uit de opening wordt geblazen en ernstige
brandwonden en ander letsel veroorzaakt.
DOOR DE EIGENAAR UIT TE VOEREN
ONDERHOUDSWERKZAAMHEDEN
Onderhoud
9-6
Tijdens het rijden:
Let op veranderingen in het uitlaatgeluid
en let erop dat u in het interieur geen
uitlaatgassen ruikt.
Controleer op trillingen in het stuurwiel.
Controleer of het sturen niet zwaarder
gaat, of het stuurwiel geen speling
vertoont en of de rechtuitstand niet is
gewijzigd.
Controleer of de auto niet naar één kant
trekt op een vlakke, rechte weg.
Controleer bij het remmen op vreemde
geluiden, naar één kant trekken, een
grotere slag van het rempedaal of een
moeilijk in te trappen rempedaal.
Controleer als de transmissie slipt of
niet normaal werkt het peil van de
automatischetransmissievloeistof.
Controleer de werking van stand P (Park)
van de Double clutch-transmissie.
Controleer de werking van de parkeerrem.
Controleer onder uw auto op lekkage
(tijdens of na het gebruik van de
airconditioning kan er een plasje water
onder uw auto ontstaan, dit is een
normaal verschijnsel en duidt niet op
lekkage).
Ten minste maandelijks:
Controleer het koelvloeistofpeil in het
koelvloeistofreservoir.
Controleer de werking van alle verlichting
van uw auto, inclusief de remlichten,
richtingaanwijzers en alarmknipperlichten.
Controleer de bandenspanning van
alle banden inclusief het reservewiel,
controleer de profieldiepte van de
banden en controleer de banden
op ongelijkmatige slijtage en
beschadigingen.
Controleer of de wielmoeren vastzitten.
Ten minste tweemaal per jaar:
(d.w.z. elk voorjaar en najaar)
Controleer de radiateurslangen en
de slangen van de verwarming en
de airconditioning op lekkage en
beschadigingen.
Controleer de ruitensproeiervloeistof
en de werking van de ruitenwissers.
Reinig de ruitenwisserbladen met een
schone doek die is bevochtigd met
ruitensproeiervloeistof.
Controleer de stand van de koplampen.
Controleer de dempers, de uitlaatpijpen,
de hitteschilden en de bevestigingen van
de uitlaat.
Controleer de werking van de
veiligheidsgordels en controleer op
slijtage.
Ten minste eenmaal per jaar:
Reinig de afvoeropeningen aan de
onderzijde van de portieren en de dorpels.
Smeer alle portierscharnieren en
motorkapscharnieren.
Smeer de portier- en motorkapsloten, -
vergrendelingen.
Smeer de portierrubbers.
Controleer vóór de zomer de werking van
de airconditioning.
Controleer en smeer het
bedieningsmechanisme van de Double
clutch-transmissie.
Reinig de accu en de accupolen.
Controleer het remvloeistofpeil.
09
9-7
UITLEG OVER PERIODIEKE ONDERHOUDSPUNTEN
Motorolie en oliefilter
De motorolie moet worden ververst en het
oliefilter moet worden vervangen volgens
de intervallen die zijn aangegeven in het
onderhoudsschema. Als er onder ongunstige
omstandigheden gereden wordt, moet
de olie vaker ververst en het filter vaker
vervangen worden.
Aandrijfriemen
Controleer alle aandrijfriemen op tekenen
van sneetjes, scheurtjes, overmatige slijtage
of verzadiging met olie en vervang indien
nodig. De spanning van de aandrijfriemen
moet periodiek worden gecontroleerd en
indien nodig worden afgesteld.
OPGELET
Wanneer u de aandrijfriem controleert, zet
u het contact in stand LOCK/OFF of ACC.
Brandstoffilter (element)
Een verstopte brandstoffilter kan de snelheid
beperken, het emissiesysteem beschadigen
en leiden tot moeilijk starten. Als er een
aanzienlijke hoeveelheid vreemde stoffen in
de brandstoftank zijn verzameld, moet de
brandstoffilter worden vervangen.
Bij het installeren van een nieuw
brandstoffilter, laat de dieselmotor
enkele minuten draaien en controleer de
koppelingen op lekken. We adviseren dat u
het brandstoffilter laat vervangen door een
officiële HYUNDAI-dealer.
Brandstofleidingen, -slangen en
aansluitingen
Controleer de brandstofleidingen,
-slangen en aansluitingen op lekkage
en beschadigingen. We adviseren u de
koelvloeistof door een officiële HYUNDAI-
dealer te laten vervangen.
Brandstoffilter
HYUNDAI benzinevoertuigen zijn
uitgerust met een lifetime brandstoffilter
die geïntegreerd is met de benzinetank.
Regelmatig onderhoud of regelmatige
vervanging is niet nodig, maar is afhankelijk
van de benzinekwaliteit. Als er belangrijke
storingen optreden zoals beperkte
brandstofdoorvoer, haperen van de motor,
vermogensverlies, startproblemen, enz.,
is het nodig om de brandstoffilter te
inspecteren of te vervangen. We adviseren
dat u het brandstoffilter laat inspecteren
of vervangen door een officiële HYUNDAI-
dealer.
Ontluchtingsslang en tankdop
De ontluchtingsslang en de tankdop moeten
worden gecontroleerd volgens de intervallen
van het onderhoudsschema. Zorg ervoor dat
de ontluchtingsslang of tankdop op de juiste
manier vervangen wordt.
Vacuüm- en
carterventilatieslangen (indien
van toepassing)
Controleer het oppervlak van de slangen op
sporen van oververhitting of mechanische
schade. Hard en broos rubber, barstjes,
scheurtjes, sneetjes, schaafplekken
en overmatig zwellen zijn tekenen van
veroudering. Besteed extra aandacht aan de
controle van de delen van de slang die zich
het dichtst bij warme onderdelen bevinden,
zoals het uitlaatspruitstuk.
Controleer de ligging van de slangen om
er zeker van te zijn dat de slangen niet
in contact komen met warmtebronnen,
scherpe randen of bewegende delen,
waardoor schade door oververhitting
of mechanische slijtage kan ontstaan.
Controleer of alle slangaansluitingen, zoals
klemmen en koppelingen, goed vastzitten en
niet lekken. Vervang slangen onmiddellijk als
er sporen van veroudering of beschadigingen
gevonden worden.
Onderhoud
9-8
Luchtfilter
We adviseren u het luchtfilter te laten
vervangen door een officiële Hyundai-dealer.
Bougies
Gebruik altijd nieuwe bougies met de juiste
warmtegraad.
Veeg tijdens het monteren van onderdelen
de binnen- en buitenzijde van de laars van de
bobine en de isolator van de bougies met een
zachte doek schoon om vervuiling van de
isolator te voorkomen.
WAARSCHUWING
Maak geen bougies los en controleer geen
bougies als de motor warm is. U zou u
kunnen verbanden.
Klepspeling
Controleer op vreemde bijgeluiden en/of
motortrillingen en stel indien nodig af. We
raden u aan het systeem door een officiële
HYUNDAI-dealer na te laten kijken.
Koelsysteem
Controleer de onderdelen van
het koelsysteem, zoals radiateur,
koelvloeistofreservoir, slangen en
aansluitingen op lekkage en beschadigingen.
Vervang beschadigde onderdelen.
motorkoelvloeistof
De koelvloeistof moet overeenkomstig
de intervallen van het onderhoudsschema
worden ververst.
Vloeistof voor transmissie met
dubbele koppeling
Controleer de Double Clutch-transmissieolie
conform het onderhoudsschema.
Remleidingen en -slangen
Voer een visuele controle uit op correcte
montage, schuurplekken, scheuren,
veroudering en eventuele lekkage. Vervang
verouderde of beschadigde onderdelen
direct.
Remvloeistof
Controleer het vloeistofniveau in het
remvloeistofreservoir. Het vloeistofniveau
dient zich tussen de merktekens MIN
(minimum) en MAX (maximum) aan de
zijkant van het reservoir te bevinden. Gebruik
uitsluitend de voorgeschreven hydraulische
rem-/koppelingsvloeistof (DOT4).
WAARSCHUWING
We adviseren dat u originele remvloeistof
gebruikt om de beste remprestaties en
ABS/ESC-werking te behouden.
(Standaard: SAE J1704 DOT-4 LV, ISO4925
CLASS-6, FMVSS116 DOT-4)
Parkeerrem
Controleer het parkeerremsysteem inclusief
de parkeerremhendel en de kabels.
09
9-9
Remblokken, -klauwen en
-schijven
Controleer de remblokken op overmatige
slijtage, de schijfremmen op slingering
en slijtage en de remklauwen op
vloeistoflekkage.
Raadpleeg de HYUNDAI-website voor
meer informatie over het controleren van
de slijtagelimiet van de remblokken of
remvoeringen.
(http://service.hyundai-motor.com)
Bevestigingsbouten
wielophanging
Controleer de verbindingen van de
wielophanging op loszitten of beschadiging.
Draai ze met het voorgeschreven
aanhaalmoment vast.
Stuurhuis, stuurstangen en
stofhoezen/onderste fuseekogel
Breng de auto tot stilstand, zet de motor uit
en controleer op overmatige speling in het
stuurwiel.
Controleer de stuurstangen op knikken of
beschadigingen. Controleer de stofhoezen
en fuseekogel op veroudering, scheurtjes
of beschadigingen. Vervang beschadigde
onderdelen.
Aandrijfassen en
aandrijfashoezen
Controleer de aandrijfassen, stofhoezen
en klemmen op scheuren, veroudering
en beschadiging. Vervang beschadigde
onderdelen en breng indien nodig nieuw vet
aan.
Koelmiddel airconditioning/
aircocompressor
Controleer de leidingen en aansluitingen
van de airconditioning op lekkage en
beschadigingen.
Onderhoud
9-10
MOTOROLIE
Motoroliepeil controleren
Motorolie dient voor het smeren, koelen
en bedienen van diverse hydraulische
onderdelen van de motor. Het is normaal
dat er tijdens het rijden motorolie wordt
verbruikt en u moet de motorolie regelmatig
nakijken en bijvullen. U moet ook binnen het
aanbevolen onderhoudsschema het oliepeil
nakijken en bijvullen om te voorkomen dat de
oliekwaliteit afneemt. Controleer het oliepeil
volgens onderstaande procedure.
2.0 T-GDi
2.0 T-GDi
OOSN091001L
OOSN091001L
1. Volg alle voorzorgsmaatregelen van de
oliefabrikant op.
2. Zorg ervoor dat de auto op een vlakke
ondergrond staat in stand P (parkeren)
met geactiveerde parkeerrem en
geblokkeerde wielen.
3. Zet de motor aan het warm hem op tot de
koelvloeistoftemperatuur een constante
normale temperatuur heeft.
4. Zet de motor af, verwijder de olievuldop
en trek de peilstok eruit. Wacht 15
minuten totdat de olie is teruggevloeid in
het carter.
5. Veeg de peilstok schoon en steek hem
weer geheel in de houder.
6. Trek de peilstok opnieuw uit de houder
en controleer het peil. Het vloeistofniveau
moet zich tussen F (vol) en L (leeg)
bevinden.
2.0 T-GDi
2.0 T-GDi
OOSN091026L
OOSN091026L
7. Als het oliepeil lager is dan L, moet u
olie bijvullen tot de F. Gebruik alleen
de voorgeschreven motorolie (Zie
'Aanbevolen smeermiddelen en
hoeveelheden' in hoofdstuk 2).
AANWIJZING
Om schade aan de motor te voorkomen:
Mors geen motorolie tijdens het bijvullen
of verversen van motorolie. Veeg
gemorste olie onmiddellijk af.
Het motorolieverbruik kan toenemen
tijdens het inrijden van een nieuw
voertuig en zal stabiliseren na 6.000 km
(4.000 mijl).
Het motorolieverbruik kan worden
beïnvloed door rijgewoonten,
weersomstandigheden,
verkeersomstandigheden, oliekwaliteit,
etc. Daarom wordt aangeraden dat u het
motoroliepeil regelmatig controleert en
zo nodig bijvult.
09
9-11
Motorolie verversen en filter
vervangen
OCN7080082L
OCN7080082L
We adviseren u de motorolie en filter
te laten vervangen door een officiële
HYUNDAI-dealer.
Als u zich niet houdt aan het
onderhoudsschema voor het vervangen
van de motorolie, kunnen de prestaties
van de motorolie achteruitgaan en kan
het van invloed zijn op de conditie van
de motor. Vervang daarom de motorolie
overeenkomstig het onderhoudsschema.
Gebruik de aanbevolen motorolie en
filter om de motor in optimale conditie te
houden. Als de aanbevolen motorolie en
filter niet worden gebruikt, ververs dan de
olie volgens het onderhoudsschema bij
zwaar gebruik.
Het onderhoudsschema voor het
verversen van motorolie dient om te
voorkomen dat de oliekwaliteit afneemt
en houdt geen verband met het
olieverbruik. Kijk de motorolie regelmatig
na en vul hem bij.
WAARSCHUWING
Gebruikte motorolie kan irritatie of
huidkanker veroorzaken indien de
huid langdurig in contact komt met
de olie. De stoffen die in gebruikte
motorolie aanwezig zijn, hebben
bij laboratoriumproeven geleid tot
kanker bij proefdieren. Was uw handen
zorgvuldig met zeep en warm water als
ze in contact zijn geweest met gebruikte
motorolie.
OPGELET
De motorolie is direct na het rijden zeer
heet en kan bij het verversen brandwonden
veroorzaken. Ververs de motorolie pas
nadat de motorolie is afgekoeld.
Onderhoud
9-12
MOTORKOELVLOEISTOF
Het hogedruk-koelsysteem is voorzien
van een reservoir dat gevuld is met een
koelvloeistof die ook voldoende bescherming
biedt tegen bevriezing. Het reservoir is in de
fabriek gevuld.
Controleer de vorstbescherming en het
koelvloeistofpeil ten minste eenmaal per
jaar, aan het begin van het winterseizoen en
voordat u naar een kouder klimaat reist.
AANWIJZING
Als de motor oververhit raakt als gevolg
van een te laag koelvloeistofniveau, kan
het te snel bijvullen van de koelvloeistof
barsten in de motor veroorzaken.
Vul de koelvloeistof langzaam en in
kleine hoeveelheden bij om schade te
voorkomen.
Ga niet rijden zonder koelvloeistof.
Anders kan de waterpomp beschadigd
raken, de motor kan vastlopen, enz.
Controleren van het
koelvloeistofpeil
OOSN091003L
OOSN091003L
Controleer de toestand en de aansluitingen
van alle slangen van het koelsysteem en van
de verwarming. Vervang beschadigde en
slechte slangen.
Het koelvloeistofniveau dient tussen de
merktekens MAX en MIN (of F (vol) en L
(leeg)) aan de zijkant van het expansievat te
liggen als de motor koud is.
Als het koelvloeistofpeil laag is, moet u
voldoende gedistilleerd (gedeïoniseerd)
water toevoegen. Vul bij tot MAX (of F (vol)),
maar vul niet te veel bij.
Als veelvuldig bijvullen noodzakelijk
is, adviseren we u het systeem te laten
controleren door een officiële HYUNDAI-
dealer.
09
9-13
OOSN091004L
OOSN091004L
WAARSCHUWING
Verwijder de koelmiddeldop/
radioatordop NOOIT als de
motorruimte en de radiator nog
heet zijn. Er kan hete koelvloeistof
en stoom ontsnappen, wat ernstig
letsel kan veroorzaken.
Zet de motor af en wacht tot de motor is
afgekoeld. Verwijder de koelvloeistofdop/
radiatordop uiterst voorzichtig. Wikkel
een dikke doek rond de dop en draai deze
linksom tot de eerste aanslag. Doe een stap
achteruit terwijl de druk ontsnapt uit het
koelsysteem. Pas als u zeker weet dat er
geen overdruk meer is, drukt u de dop met
de doek in en draait u deze verder linksom
los.
WAARSCHUWING
De elektromotor van de
koelventilator kan blijven draaien
of opstarten wanneer de motor
stilstaat en daardoor ernstig letsel
veroorzaken.
Houd handen, kleding en
gereedschap uit de buurt van de
draaiende ventilatorbladen van
de koelventilator.
De elektromotor voor de koelventilator
wordt geregeld door de temperatuur
van de motorkoelvloeistof, de
koudemiddeldruk en de rijsnelheid. Als de
koelvloeistoftemperatuur daalt, wordt de
elektromotor automatisch uitgeschakeld.
Dit is een normaal verschijnsel. Als uw auto
met GDI is uitgerust, kan de elektromotor
(koelventilator) op om het even moment
beginnen draaien en blijven draaien totdat u
de minkabel van de accu loskoppelt
Aanbevolen koelvloeistof
Vul het koelsysteem alleen bij met
gedestilleerd (gedemineraliseerd)
water en vul het koelsysteem niet bij
met gewoon kraanwater. Een onjuist
koelvloeistofmengsel kan ernstige
storingen of schade aan de motor
veroorzaken.
De motor van uw auto heeft aluminium
onderdelen. Gebruik daarom een
koelvloeistof op ethyleen-glycolbasis met
fosfaat ter voorkoming van corrosie en
bevriezing.
Gebruik GEEN koelvloeistof op ethanol-
of methanol-basis; meng ook geen
ethanol- of methanol-antivries met de
voorgeschreven koelvloeistof.
Gebruik geen mengsel met meer dan 60%
of minder dan 35% antivries; in dat geval
is een optimale koelende werking niet
gewaarborgd.
Onderhoud
9-14
Zie de volgende tabel voor de
mengverhouding.
Aanbevolen winterband
Buitentemperatuur Mengverhouding (hoeveelheid)
Antivries Water
-15 °C (5 °F) 35 65
-25 °C (-13 °F) 40 60
-35 °C (-31 °F) 50 50
-45 °C (-49 °F) 60 40
Informatie
Bij twijfel over de mengverhouding is een
mengsel van 50 % water en 50 % antivries
het gemakkelijkst te mengen omdat van
beide vloeistoffen evenveel wordt gebruikt.
Dit mengsel is geschikt voor de meeste
temperatuurbereiken vanaf -35 °C (-31°F).
WAARSCHUWING
Zorg ervoor dat de koelvloeistofdop na
het bijvullen van koelvloeistof goed wordt
vastgedraaid. Anders kan de motor tijdens
het rijden oververhit raken.
1. Controleer of het label op de
koelvloeistofdop recht naar voren zit.
Vooraanzicht motorruimte
Vooraanzicht motorruimte
OTL075062
OTL075062
OPDE076071
OPDE076071
2. Controleer of de kleine uitsteeksels
aan de binnenzijde van de
koelvloeistofdop goed in elkaar
grijpen.
Koelvloeistof verversen
We adviseren u de koelvloeistof te laten
verversen door een officiële HYUNDAI-dealer
overeenkomstig het onderhoudsschema in
het begin van dit hoofdstuk.
AANWIJZING
Wikkel, om schade aan de motoronderdelen
te voorkomen, een dikke handdoek om
de dop van de motorkoelvloeistof voordat
u koelvloeistof bijvult om te voorkomen
dat de koelvloeistof terechtkomt in de
motoronderdelen, zoals de dynamo.
09
9-15
REMVLOEISTOF
Het remvloeistofniveau
controleren
OOSN091005L
OOSN091005L
Controleer regelmatig het vloeistofpeil in het
reservoir. Het vloeistofpeil moet zich tussen
de merktekens MAX en MIN aan de zijkant
van het reservoir bevinden.
Reinig het gebied rondom de dop van
het reservoir grondig alvorens de dop te
verwijderen en vloeistof bij te vullen om te
voorkomen dat deze vervuild raakt.
Vul vloeistof bij tot aan het merkteken
MAX wanneer het peil te laag is. Het peil
van de vloeistof zal met een oplopende
kilometerstand dalen. Dit is normaal en
wordt veroorzaakt door het slijten van de
remvoeringen.
Als het rem-/koppelingsvloeistof extreem
laag is, adviseren we u het systeem te laten
controleren door een officiële HYUNDAI-
dealer.
Informatie
Gebruik alleen de voorgeschreven
remvloeistof. Zie "Aanbevolen smeermiddelen
en hoeveelheden" in hoofdstuk 2.
Informatie
Lees de waarschuwing op de dop voordat u
deze van het remvloeistofreservoir verwijdert.
Informatie
Maak de dop schoon voordat u hem
verwijdert. Gebruik alleen remvloeistof DOT4
uit een verzegelde flacon.
WAARSCHUWING
Als het remsysteem vaak moet worden
bijgevuld, kan dit duiden op een lek in
het remsysteem. We adviseren u de auto
te laten controleren door een officiële
HYUNDAI-dealer.
WAARSCHUWING
Let op dat er geen remvloeistof in contact
komt met uw ogen. Als remvloeistof in
contact komt met uw ogen, spoel uw ogen
dan gedurende ten minste 15 minuten met
schoon water en raadpleeg onmiddellijk
een arts.
AANWIJZING
Zorg ervoor dat remvloeistof niet in
contact komt met het lakwerk van de
auto. De lak kan hierdoor beschadigen.
De kwaliteit van een remvloeistof die
gedurende lange tijd blootgesteld is aan
de buitenlucht kan niet gegarandeerd
worden. Deze moet op de juiste manier
worden afgevoerd.
Gebruik het juiste type vloeistof.
Slechts een paar druppels minerale
olie, bijvoorbeeld motorolie, in het
remsysteem kunnen de onderdelen van
het systeem beschadigen.
WAARSCHUWING
We adviseren dat u originele remvloeistof
gebruikt om de beste remprestaties en
ABS/ESC-werking te behouden.
(Standaard: SAE J1704 DOT-4 LV, ISO4925
CLASS-6, FMVSS116 DOT-4)
Onderhoud
9-16
PARKEERREM RUITENSPROEIERVLOEISTOF
Ruitensproeiervloeistofniveau
controleren
OOSN091006L
OOSN091006L
Controleer het vloeistofpeil in het
sproeierreservoir en vul indien nodig vloeistof
bij. Als u geen ruitensproeiervloeistof bij de
hand heeft, kunt u het reservoir bijvullen met
gewoon water. Gebruik in koude klimaten
echter speciale ruitensproeiervloeistof om
bevriezing te voorkomen.
WAARSCHUWING
Neem bij het gebruik van
ruitensproeiervloeistof de volgende
veiligheidsvoorzorgsmaatregelen in acht
om de kans op ernstig letsel te beperken:
Gebruik geen motorkoelvloeistof
of antivries in het sproeierreservoir.
Koelvloeistof kan het zicht ernstig
belemmeren wanneer dit op de voorruit
terechtkomt, waardoor u de controle
over de auto kunt verliezen en een
ongeval kunt veroorzaken. Bovendien
kan ze de lak en sierlijsten beschadigen.
Houd open vuur en vonken uit de
buurt van de ruitensproeiervloeistof
en het ruitensproeierreservoir.
Ruitensproeiervloeistof kan alcohol
bevatten en ontvlambaar zijn.
Drink geen ruitensproeiervloeistof
en vermijd contact met de huid.
Ruitensproeiervloeistof is giftig voor
mensen en dieren.
Houd ruitensproeiervloeistof uit de
buurt van kinderen en dieren.
Parkeerrem controleren
OOSN061003L
OOSN061003L
Controleer de slag van de parkeerrem door
het aantal klikken te tellen wanneer de
hendel volledig wordt aangetrokken. De
parkeerrem alleen moet de auto veilig op
een vrij steile helling kunnen houden. We
adviseren u het systeem te laten repareren
door een officiële HYUNDAI-dealer wanneer
de slag niet volgens de specificatie is.
Slag: 4 - 6 ‘klikken’ bij een kracht van 20 kg
(44 lbs, 196 N).
AANWIJZING
Als het opgehoopte water niet op tijd wordt
afgetapt, kan het water doordringen in het
brandstoffilter en belangrijke onderdelen
van de auto zoals het brandstofsysteem
beschadigen.
Brandstoffilterelement
vervangen
We adviseren u het brandstoffilterelement
te laten vervangen door een officiële
HYUNDAI-dealer overeenkomstig het
onderhoudsschema in het begin van dit
hoofdstuk.
09
9-17
LUCHTFILTER
Filter vervangen
OOSN091007L
OOSN091007L
Het luchtfilter kan voor inspectie met
perslucht worden gereinigd.
Was het niet uit en spoel het niet af, want
water veroorzaakt schade aan het filter.
Vervang het luchtfilter als het vervuild is.
OOSN091008L
OOSN091008L
1. Neem de bevestigingsclips los om het
luchtfilterdeksel te verwijderen.
OOSN091022L
OOSN091022L
2. Veeg de binnenzijde van het luchtfilter
schoon.
3. Vervang het luchtfilter.
4. Bevestig het deksel met de
bevestigingsclips.
5. Controleer of het deksel goed vastzit.
Informatie
Vervang de onderdelen vaker dan in het
onderhoudsschema is aangegeven als de auto
wordt gebruikt in gebieden met zeer veel stof
of zand (zie “Onderhoudsschema onder zware
omstandigheden” in dit hoofdstuk).
AANWIJZING
Rijd niet met de auto zonder
luchtfilter. Dit resulteert in overmatige
motorslijtage.
Zorg om schade aan de motor te
voorkomen dat bij het verwijderen van
het luchtfilter geen stof en vuil in de
luchtinlaat komen.
Gebruik originele HYUNDAI-onderdelen
of een gelijkwaardig onderdeel dat
gespecificeerd is voor uw voertuig. Als
u onderdelen gebruikt van een andere
kwaliteit kan dit de luchtstroomsensor
beschadigen.
Voor auto’s met een turbo, zijn de motor
en de turbo onderhevig aan ernstige
beschadigingen, zelfs door kleine
vreemde materialen. Zorg er bij het
vervangen van het luchtfilter voor dat er
zich geen vreemd materiaal in de inlaat
begint.
Laat het luchtfilter vervangen door een
professionele werkplaats. We adviseren
u het luchtfilter te laten vervangen door
een officiële Hyundai-dealer.
Onderhoud
9-18
INTERIEURLUCHTFILTER
Filter controleren
Als er veelvuldig met de auto gereden
wordt in druk stadsverkeer of een stoffige
omgeving, moet het filter vaker worden
gecontroleerd en indien nodig worden
vervangen. Reinig het interieurfilter volgens
onderstaande procedure en let erop geen
andere onderdelen te beschadigen.
Vervang het filter overeenkomstig het
onderhoudsschema.
Filter vervangen
OOS077018
OOS077018
1. Verwijder terwijl het dashboardkastje
geopend is de aanslagstukken aan beide
zijden.
OOS077017
OOS077017
2. Verwijder de steunband (1).
OOS077019
OOS077019
3. Druk op de vergrendeling op de
rechterzijde van de afdekkap en verwijder
het luchtfilter van de klimaatregeling.
OPD076026
OPD076026
4. Vervang het interieurfilter.
5. Plaats de onderdelen in omgekeerde
volgorde van verwijderen.
AANWIJZING
Plaats een nieuw ventilatieluchtfilter in de
juiste richting, met de pijl () naar beneden,
anders maakt het lawaai en wordt het
minder doeltreffend.
09
9-19
RUITENWISSERBLAD
Wisserbladen controleren
Verontreiniging van de voorruit of de
ruitenwisserbladen door bepaalde
substanties kan het effect van de
ruitenwissers verminderen.
Bekende vormen van verontreiniging zijn
insecten, sap van bomen en hot wax-
behandelingen gebruikt in sommige
wasstraten. Als de bladen niet goed wissen,
reinig dan zowel de ruit als de bladen met
een goed reinigingsmiddel of een mild
wasmiddel en spoel ze grondig af met
schoon water.
AANWIJZING
Om schade aan de ruitenwisserbladen,
-armen of andere onderdelen te
voorkomen:
Geen benzine, kerosine, verfverdunner
of andere oplosmiddelen op of in de
buurt ervan gebruiken.
Probeer niet om de ruitenwissers met de
hand te bewegen.
Geen niet-gespecificeerde
ruitenwisserbladen gebruiken.
Informatie
In de handel verkrijgbare hot wax zoals
gebruikt in wasstraten bemoeilijkt het reinigen
van de voorruit.
Informatie
Ruitenwisserbladen zijn verbruiksartikelen
en normale slijtage van de ruitenwissers valt
mogelijk niet onder de garantie van uw auto.
Vervangen van bladen
Als de ruitenwissers de ruit niet langer goed
schoonmaken, kan het zijn dat ze versleten
of gescheurd zijn en dienen ze te worden
vervangen.
AANWIJZING
Het gebruik van niet-voorgeschreven
ruitenwisserbladen kan storingen en
problemen veroorzaken.
AANWIJZING
Om schade aan de motorkap en de
ruitenwisserarmen te voorkomen,
mogen de ruitenwisserarmen alleen
worden opgetild als ze in de bovenste
wispositie staan.
Plaats de ruitenwisserarmen altijd terug
op de voorruit voordat u gaat rijden.
Onderhoud
9-20
Type A
OGSR076067
OGSR076067
OGSR076066
OGSR076066
1. Til de wisserbladklem omhoog. Til het
wisserblad omhoog.
2. Druk op de vergrendeling (1) en duw het
wisserblad naar beneden (2).
OGSR076068
OGSR076068
3. Verwijder het wisselblad uit de
ruitenwisserarm.
4. Plaats het nieuwe ruitenwisserblad
in de omgekeerde volgorde van het
verwijderen.
5. Plaats de ruitenwisserarm terug op de
voorruit.
09
9-21
Type B
OLF074017
OLF074017
1. Trek de ruitenwisserarm omhoog.
OLF074018
OLF074018
2. Til de wisserbladklem omhoog. Trek
vervolgens het ruitenwisserblad omlaag
en verwijder dit.
OLF074019
OLF074019
3. Plaats het nieuwe ruitenwisserblad
in de omgekeerde volgorde van het
verwijderen.
4. Plaats de ruitenwisserarm terug op de
voorruit.
Ruitenwisserblad achter
OTL075050
OTL075050
1. Trek de ruitenwisserarm omhoog en
verwijder het ruitenwisserblad.
OTL075051
OTL075051
2. Plaats het nieuwe ruitenwisserblad door
het middelste deel in de opening van
de ruitenwisserarm te steken tot het
ruitenwisserblad vastklikt.
3. Controleer of het ruitenwisserblad goed
vastzit door er lichtjes aan te trekken.
Laat de ruitenwisserbladen vervangen door
een officiële HYUNDAI-dealer om schade aan
de ruitenwisserarmen en andere onderdelen
te voorkomen.
Onderhoud
9-22
ACCU
WAARSCHUWING
Om ERNSTIG of DODELIJK LETSEL van uzelf
of omstaanders te voorkomen, volg altijd
deze voorzorgsmaatregelen als u in de
buurt van de accu werkt of ze hanteert:
Lees en volg de aanwijzingen voor
het omgaan met de accu altijd
zorgvuldig.
Draag oogbescherming die
ontworpen is om de ogen tegen
spatten zuur te beschermen.
Houd open vuur, vonken en
rokende materialen uit de buurt
van de accu.
Er zit altijd zeer licht ontvlambare
waterstof in de accucellen en dat
kan ontploffen als het ontvlamt.
Houdt accu‘s buiten bereik van
kinderen.
Accu‘s bevatten zwavelzuur dat
zeer corrosief is. Voorkom contact
van het zuur met uw ogen, huid of
kleding.
Spoel uw ogen minstens 15 minuten met
schoon water als er zuur in komt en roep
onmiddellijk medische hulp in. Als het
zuur in contact komt met uw huid, grondig
wassen. Roep onmiddellijk medische hulp
in wanneer u pijn of een brandend gevoel
heeft.
Bij het optillen van een accu met
een kunststof behuizing kan door
overmatige druk accuzuur naar buiten
komen, waardoor de accu kan lekken.
Houd bij het optillen uw handen aan de
zijkant van de accu.
Probeer uw auto niet te starten met een
hulpaccu als uw accu bevroren is.
Laad een accu NOOIT op als de
accukabels van het voertuig nog
aangesloten zijn op de accu.
Het ontstekingssysteem werkt met
hoogspanning. Raak de onderdelen van
de ontsteking NOOIT aan als de motor
draait of het contact in stand ON staat.
AANWIJZING
Volg deze instructies voor de omgang
met de accu om schade aan de accu te
voorkomen.
Wanneer de auto gedurende langere tijd
niet wordt gebruikt in een gebied met
lage temperaturen, verwijder dan de
accu en bewaar deze binnen.
Laad de accu altijd volledig op
om te voorkomen dat de accubak
beschadigd raakt in gebieden met lage
temperaturen.
Voorkom dat er vloeistof op de
accupolen komt. De prestaties van
de accu kunnen afnemen en letsel
veroorzaken. Wees voorzichtig als u
vloeistoffen inlaadt in de bagageruimte.
Kantel de accu niet.
Als u niet-toegestane elektronische
apparaten aansluit, raakt de accu
mogelijk ontladen. Gebruik nooit niet-
toegestane apparaten.
09
9-23
Voor een optimale werking van
de accu
OOS090016K
OOS090016K
Zorg ervoor dat de accu altijd goed
vastzit.
Houd de bovenzijde van de accu schoon
en droog.
Houd de accupolen en de
accupoolklemmen schoon, zorg ervoor
dat ze goed vastzitten en bescherm ze
met vaseline.
Spoel gemorst elektrolyt direct af
met een oplossing van water en
natriumbicarbonaat (zuiveringszout).
Neem de accukabels los als u de auto
gedurende een langere periode niet
gebruikt.
Accucapaciteitsticker
Voorbeeld
Voorbeeld
OLMB073072
OLMB073072
De werkelijke sticker op de accu kan afwijken
van de afbeelding.
1. CMF60L-BCI: De HYUNDAI-modelnaam
van de accu
2. 12V : De nominale spanning
3. 60Ah (20u): De nominale capaciteit (in
ampère-uur)
4. 92RC : De nominale reservecapaciteit (in
min.)
5. 550CCA: De koudstartstroom in ampère
volgens SAE-norm
6. 440A: De koudstartstroom in ampère
volgens EN-norm
Accu laden
Met een acculader
Uw auto is uitgerust met een onderhoudsvrije
accu op basis van calcium.
Laad de accu gedurende 10 uur met
behulp van een druppellader wanneer
de accu in een kort tijd leeggeraakt is
(bijvoorbeeld doordat de lampen of
interieurverlichting zijn blijven branden
terwijl de motor uit was).
Wanneer de accu geleidelijk ontlaadt door
een hoge elektrische belasting tijdens
het rijden, moet deze gedurende twee
uur met een stroomsterkte van 20-30A
worden opgeladen.
WAARSCHUWING
Volg altijd deze instructies als u de accu
van uw voertuig oplaadt om het risico
op ERNSTIG of DODELIJK LETSEL door
ontploffingen of brandwonden door zuur te
vermijden:
Schakel vóór het uitvoeren van
onderhoudswerkzaamheden aan de
accu of het laden van de accu alle
elektrische verbruikers uit en zet de
toets Motor Start/Stop in stand OFF.
Houd open vuur, vonken en rokende
materialen uit de buurt van de accu.
Werk altijd in open lucht of op een goed
geventileerde plaats.
Onderhoud
9-24
Draag een veiligheidsbril wanneer u de
accu tijdens het opladen controleert.
De accu moet uit de auto worden
verwijderd en in een goed geventileerde
ruimte geplaatst worden.
Houd de accu tijdens het laden in de
gaten; beëindig het laden of wijzig de
laadstroomcapaciteit als de accucel
hevig begint te borrelen.
Neem de minkabel van de accu
altijd eerst los en sluit de minkabel
van de accu altijd als laatste weer
aan. Ontkoppel de acculader in de
onderstaande volgorde:
(1) Zet de hoofdschakelaar van de
acculader uit.
(2) Neem de klem los van de minpool.
(3) Neem de klem los van de pluspool.
Gebruik altijd een originele, door
HYUNDAI goedgekeurde accu of het
voor uw voertuig benoemde equivalent
als u de accu gaat vervangen.
OPGELET
AGM-accu
AGM-accu's (Absorbed Glass Mat) zijn
onderhoudsvrij en we adviseren u om de
AGM-accu te laten onderhouden door
een officiële HYUNDAI-dealer. Gebruik
voor het laden van uw AGM-accu alleen
volautomatische acculaders die speciaal
zijn ontworpen voor AGM-accu’s.
Bij het vervangen van de AGM-accu
adviseren we u om wisselstukken
van een officiële HYUNDAI-dealer te
gebruiken.
Open of verwijder de deksel van de accu
niet. Hierdoor kan elektrolyt weglekken,
wat kan leiden tot ernstig letsel.
Via starten met een hulpaccu
Na het starten met een goede hulpaccu,
rijdt u 20-30 minuten met het voertuig voor
het wordt afgesloten. Het voertuig herstart
misschien niet als u het uitschakelt voordat
de accu voldoende opgeladen is. Kijk bij
‚starten met hulpaccu‘ in hoofdstuk 6 voor
meer informatie over de startprocedure met
een hulpaccu.
Informatie
Een onjuist afgevoerde accu kan
schadelijk zijn voor het milieu en
voor uw gezondheid.
Voer de accu af volgens uw lokale
wetgeving of voorschriften.
Te resetten onderdelen
De volgende onderdelen moeten eventueel
worden gereset nadat de accu ontladen is
geweest of na het weer aansluiten van de
accukabels.
Ruit automatisch omhoog/omlaag
• Schuif-/kanteldak
• Tripcomputer
Verwarmings- en ventilatiesysteem
• Klok
• Audiosysteem
09
9-25
BANDEN EN WIELEN
WAARSCHUWING
Door een defecte band kunt u de controle over
de auto verliezen en een ongeval veroorzaken.
Om de kans op ERNSTIG LETSEL te beperken,
moeten de volgende voorzorgsmaatregelen
worden genomen:
Controleer de bandenspanning maandelijks.
Controleer de banden daarnaast op slijtage
en beschadigingen.
De aanbevolen bandenspanning voor uw
auto bij koude banden kunt u vinden in deze
handleiding en op het bandenspanningslabel
op de middenstijl aan bestuurderszijde.
Gebruik altijd een bandenspanningsmeter
om de bandenspanning te meten. Banden
met een te hoge of te lage spanning
slijten ongelijkmatig, wat leidt tot slecht
weggedrag.
Controleer ook altijd de spanning van het
reservewiel wanneer u de spanning van de
andere banden van uw auto controleert.
Vervang banden die versleten of beschadigd
zijn of die ongelijkmatige slijtage vertonen.
Versleten banden kunnen leiden tot
verminderde remprestaties, stuurcontrole
of grip.
Vervang banden ALTIJD door banden met
dezelfde maat als die oorspronkelijk op
de auto werden geleverd. Het gebruik van
afwijkende maten banden en wielen kan
ongewenste rijeigenschappen of een slechte
wegligging van de auto tot gevolg hebben of
het antiblokkeersysteem (ABS) van uw auto
beïnvloeden. Dit kan leiden tot een ernstig
ongeval.
Informatie - Power Hop
Bij volle versnelling vanuit stilstand, kan het
oscilleren van een voorband voorkomen., “Power
Hop” of KONA N genoemd, omwille van het
hoge motorkoppel en de eigenschappen van
hoogwaardige banden. Dit wordt beïnvloed
door de toestand van de weg en de temperatuur.
Daarenboven is dit een normaal fenomeen bij
krachtige auto’s met voorwielaandrijving. KONA
N zal reageren op dit fenomeen via de anti-
doorslipregeling in alle ESC-modi, met het meeste
aandacht voor de hoogwaardige eigenschappen.
Onderhoud van de banden
Voor uw veiligheid, een maximale levensduur
van de banden en een zo laag mogelijk
brandstofverbruik, moet u de banden steeds op
de aanbevolen spanning houden en mag u het
totaalgewicht en de maximale asbelasting niet
overschrijden.
OOS087003
OOS087003
U kunt alle specificaties (maten en spanningen)
terugvinden op een label dat op de middenstijl
aan bestuurderszijde is aangebracht.
Aanbevolen bandenspanning koud
De spanning van de banden (inclusief die van het
reservewiel) dient bij koude banden gecontroleerd
te worden. "Koude banden" wil zeggen dat er de
laatste drie uur niet met de auto is gereden, of niet
meer dan 1,6 km (1 mijl).
De bandenspanning bij warme banden is
normaliter 28 tot 41 kPa hoger (4 to 6 psi) dan de
aanbevolen bandenspanning bij koude banden.
Laat geen lucht uit warme banden ontsnappen
om de spanning aan te passen, want hierdoor
wordt de bandenspanning te laag. Zie 'Banden
en wielen' in hoofdstuk 2 voor de aanbevolen
bandenspanning.
Onderhoud
9-26
WAARSCHUWING
Voor optimale rijeigenschappen, een
optimale wegligging en een zo laag
mogelijke bandenslijtage dient u de banden
op de aanbevolen spanning te houden.
Een te hoge of te lage bandenspanning
kan de levensduur van de band verkorten,
een negatief effect op de rijeigenschappen
hebben en tot een plotseling banddefect
leiden waardoor u de macht over het
stuur kunt verliezen en een ongeval kunt
veroorzaken.
Een veel te lage bandenspanning kan
leiden tot ernstige warmteontwikkeling,
waardoor een klapband, loopvlakscheiding
en andere banddefecten kunnen optreden
en u de macht over het stuur kunt
verliezen. Hierdoor kan een ernstig ongeval
plaatsvinden. Dit risico is veel hoger op
warme dagen en bij lange ritten met hoge
snelheden.
OPGELET
Een te lage bandenspanning leidt tot
overmatige slijtage, slecht weggedrag
en een hoger brandstofverbruik. Zelfs
wielvervorming is mogelijk. Houd
de bandenspanning op het juiste
peil. Als een band vaak moet worden
opgepompt, adviseren we u deze te
laten controleren door een officiële
HYUNDAI-dealer.
Een te hoge bandenspanning heeft een
negatieve invloed op het rijcomfort en
zorgt voor een verhoogde slijtage in het
midden van het loopvlak. Bovendien
bestaat er een grotere kans op
beschadiging door oneffenheden in het
wegdek.
Bandenspanning controleren
Controleer de banden, inclusief de
reserveband, minstens eenmaal per maand.
Controle
Gebruik een bandenspanningsmeter van
goede kwaliteit om de bandenspanning te
meten. U kunt aan de buitenkant niet zien of
de banden de juiste spanning hebben. Met
radiaalbanden kan niets mis lijken, terwijl ze
toch te weinig spanning hebben.
Verwijder het ventieldopje van het
bandventiel. Druk de bandenspanningsmeter
stevig op het ventiel om de spanning
af te lezen. Als de bandenspanning van
de koude band overeenkomt met de
aanbevolen spanning op het Band en
Laadinformatielabel, is er geen correctie
nodig. Als de bandenspanning te laag is,
pomp de band dan op totdat de aanbevolen
spanning wordt bereikt. Schroef de
ventieldopjes terug op de bandventielen.
Zonder het ventieldopje kan er vuil of vocht
in het ventiel komen, wat kan leiden tot
luchtlekkage. Als een ventieldopje ontbreekt,
plaats dan zo snel mogelijk een nieuw.
Als de band te hard is opgepompt, laat dan
lucht ontsnappen door de metalen pen in
het midden van het ventiel in te duwen.
Controleer de bandenspanning opnieuw
met de bandenspanningsmeter. Schroef de
ventieldopjes terug op de bandventielen.
Zonder het ventieldopje kan er vuil of vocht
in het ventiel komen, wat kan leiden tot
luchtlekkage. Als een ventieldopje ontbreekt,
plaats dan zo snel mogelijk een nieuw.
09
9-27
Wielen verwisselen
Om de banden zo gelijkmatig mogelijk te
laten slijten adviseert HYUNDAI de wielen
iedere 12.000 km (7.500 mijl) of eerder, indien
het slijtagepatroon daartoe aanleiding geeft,
te verwisselen.
Controleer bij het verwisselen tevens de
balans.
Controleer de banden bij het verwisselen
van de wielen op ongelijkmatige slijtage
en beschadigingen. Abnormale slijtage
wordt meestal veroorzaakt door onjuiste
bandenspanning, verkeerde wieluitlijning,
onbalans in de wielen, hard remmen of snel
rijden door bochten. Controleer het loopvlak
en de zijkant van de band op hobbels of
uitstulpingen. Vervang de band als u een van
deze afwijkingen aantreft. Vervang de band
als het canvas of de koordlagen zichtbaar
zijn. Breng de bandenspanning van de voor-
en achterbanden na het verwisselen op
de voorgeschreven waarden en controleer
of de wielmoer goed vastzit (het juiste
aanhaalmoment is 11 - 13 kgf·m [79~94 lbf·ft]).
Zonder reservewiel
Zonder reservewiel
OHI078078
OHI078078
Controleer bij het verwisselen van de wielen
tevens de remblokken op slijtage.
Informatie
De buiten- en binnenkant van een
asymmetrische band is duidelijk
waarneembaar. Wanneer u een asymmetrische
band installeert, moet u ervoor zorgen dat de
kant gemarkeerd met 'outside' naar buiten is
gericht. Als de kant gemarkeerd met 'inside'
aan de buitenkant is gemonteerd, heeft dit een
negatief effect op de prestaties van de auto.
WAARSCHUWING
Gebruik het reservewiel niet voor het
roteren van de wielen.
Zorg ervoor dat diagonaal- en
radiaalbanden nooit in combinatie
met elkaar worden gemonteerd. Dit
kan ongewenste rijeigenschappen
veroorzaken, waardoor u de controle
over de auto kunt verliezen en een
ongeval kunt veroorzaken.
Uitlijnen en balanceren van de
wielen
De wielen van uw auto zijn af fabriek
zorgvuldig uitgelijnd en gebalanceerd voor
een lange levensduur van de banden en
optimale prestaties.
Normaalgesproken is het niet nodig de
wielen nogmaals uit te lijnen. In het geval
de banden van uw auto echter abnormale
slijtage vertonen of als de auto naar één kant
trekt, kan het zijn dat de auto opnieuw moet
worden uitgelijnd.
Wanneer de auto tijdens het rijden op een
vlakke weg trilt, kan het zijn dat de wielen
opnieuw moeten worden gebalanceerd.
AANWIJZING
Onjuiste balanceergewichten kunnen
de lichtmetalen velgen van uw auto
beschadigen. Gebruik alleen goedgekeurde
balanceergewichten.
Onderhoud
9-28
Banden vervangen
Slijtage-indicatorSlijtage-indicator
OOS090030L
OOS090030L
Als de band gelijkmatig is afgesleten, verschijnt
een bandslijtage-indicator als een vaste balk
over het loopvlak. Dit geeft aan dat de band
minder dan 1,6 mm (1/16 in.) loopvlak heeft.
Vervang de band wanneer dit gebeurt.
Wacht niet met het vervangen van de band
totdat de slijtage-indicator over de gehele
profielbreedte zichtbaar is.
WAARSCHUWING
Om de kans op ERNSTIG of DODELIJK LETSEL
te beperken:
Vervang banden die versleten of
beschadigd zijn of die ongelijkmatige
slijtage vertonen. Versleten banden kunnen
leiden tot verminderde remprestaties,
stuurcontrole en grip.
Vervang banden altijd door banden met
dezelfde maat als die oorspronkelijk op
de auto werden geleverd. Het gebruik
van afwijkende maten banden en wielen
kan ongewenste rijeigenschappen of een
slechte wegligging van de auto tot gevolg
hebben of het antiblokkeersysteem (ABS)
van uw auto beïnvloeden. Dit kan leiden tot
een ernstig ongeval.
Bij het verwisselen of vervangen van
banden (of velgen), dient u de beide
banden (of velgen) voor of achter tegelijk te
verwisselen of vervangen. Wanneer slechts
één band wordt vervangen kan dit het
weggedrag van de auto beïnvloeden. Als u
slechts één paar banden vervangt, wordt
aanbevolen om het paar nieuwe banden
aan de achterzijde te monteren.
Banden verouderen na verloop van tijd,
zelfs wanneer ze niet worden gebruikt.
Ongeacht het resterende loopvlak
adviseert HYUNDAI de banden te
vervangen wanneer ze zes (6) jaar zijn
gebruikt.
Warmte veroorzaakt door warme klimaten
of veelvuldig hoge belastingen kan het
verouderingsproces versnellen. Het niet
opvolgen van deze waarschuwing kan tot
een plotseling banddefect leiden, waardoor
u de controle over de auto kunt verliezen en
een ongeval kunt veroorzaken.
Band compact reservewiel vervangen
(indien van toepassing)
De levensduur van een reserveband is
korter dan die van een conventionele band.
Vervang deze wanneer u de balken van de
bandslijtage-indicator op het loopvlak kunt
zien. De vervangende band van het compacte
reservewiel moet dezelfde maat en uitvoering
hebben als de band die bij uw nieuwe auto
is geleverd en moet op hetzelfde compacte
reservewiel worden gemonteerd. De band van
het compacte reservewiel is niet ontworpen om
te worden gemonteerd op een normaal wiel
en het compacte reservewiel is niet ontworpen
voor het monteren van een normale maat band.
WAARSCHUWING
De originele band moet zo snel mogelijk
worden gerepareerd of vervangen om te
voorkomen dat het reservewiel defect raakt,
dat u de controle over het voertuig verliest en
zo een ongeval veroorzaakt.. Het reservewiel
is alleen bestemd voor noodgevallen. Rijd niet
sneller dan 80 km/uur (50 mph) wanneer het
compacte reservewiel wordt gebruikt.
09
9-29
Velgen vervangen
Als u om de een of andere reden de velgen
wilt vervangen, dient u erop te letten dat
de nieuwe velgen gelijkwaardig zijn aan de
originele velgen voor wat betreft diameter,
velgbreedte en offset (wielbolling).
Grip
De grip kan afnemen als u met versleten
banden, de verkeerde bandenspanning of
op glad wegdek rijdt. De banden moeten
worden vervangen wanneer de bandslijtage-
indicatoren verschijnen. Om de kans te
verkleinen dat u de controle over de auto
verliest, dient u langzamer te rijden in geval
van regen, sneeuw of ijs op het wegdek.
Onderhoud van banden
Naast een juiste bandenspanning helpt een
correcte wieluitlijning om de bandenslijtage
te verminderen. Als u merkt dat een band
ongelijkmatig slijt, laat uw dealer dan de
wieluitlijning controleren.
Wanneer u nieuwe banden laat monteren,
moet u ervoor zorgen dat ze ook worden
gebalanceerd. Dit verhoogt het rijcomfort en
de levensduur van de banden. Balanceer een
wiel ook altijd wanneer de band van de velg
verwijderd is geweest.
Label op de wang van de band
Deze informatie bestaat uit de
basiseigenschappen van de
band en het identificatienummer
voor veiligheidscertificatie. Het
identificatienummer kan worden gebruikt
om de band te identificeren bij een
terugroepactie.
OOSN091017L
OOSN091017L
1. Fabrikant of merknaam
Fabrikant of merknaam wordt aangegeven.
2. Bandenmaataanduiding
De wang van een band is voorzien van
een bandenmaataanduiding. U hebt
deze informatie nodig bij het kiezen
van vervangende banden voor uw auto.
Hieronder wordt uitgelegd wat de letters
en cijfers in de bandenmaataanduiding
betekenen.
Voorbeeld aanduiding bandenmaat:
(Deze maat dient slechts ter illustratie; de
bandenmaat van uw auto is afhankelijk van
de uitvoering.)
205/60R16 92H
205 - Breedte band in millimeter.
60 - Hoogte-/breedte-verhouding. De
hoogte van de wang van de band als
percentage van de breedte.
R - Type band (radiaalband).
16 - Velgdiameter in inch.
92 - Index draagvermogen, een
numerieke code die het maximale
draagvermogen van de banden
aangeeft.
H - Aanduiding snelheidsclassificatie. Zie
het overzicht in dit hoofdstuk voor meer
informatie.
Onderhoud
9-30
Aanduiding velgmaat
Ook de wielen zijn voorzien van informatie
die van belang kan zijn bij eventuele
vervanging. Hieronder wordt uitgelegd wat
de letters en cijfers in de velgmaataanduiding
betekenen.
Voorbeeld aanduiding velgmaat:
6.5JX16
6.5 - Velgbreedte in inch.
J - Aanduiding offset.
16 - Velgdiameter in inch.
Snelheidsclassificatie banden
Onderstaande tabel geeft een overzicht van
de meest gebruikelijke snelheidsclassificaties
voor banden voor personenwagens. De
snelheidsclassificatie is onderdeel van de
bandenmaataanduiding op de wang van de
band. Deze aanduiding geeft de maximum
snelheid weer waarvoor deze band is
ontworpen.
Aanduiding
snelheidsclassificatie Maximum snelheid
S 180 km/h (112 mph)
T 190 km/h (118 mph)
H 210 km/h (130 mph)
V 240 km/h (149 mph)
W 270 km/u (168mph)
Y 300 km/u (186mph)
3. Leeftijd van de banden
controleren
(TIN: Tire Identification Number,
bandenidentificatienummer)
Banden die ouder dan zes jaar zijn, gerekend
vanaf de productiedatum (inclusief het
reservewiel), moeten worden vervangen door
nieuwe. U kunt de productiedatum op de
wang van de band vinden (mogelijk aan de
binnenkant van het wiel) met behulp van de
DOT-code. De DOT-code is een serie tekens
op de band die bestaat uit cijfers en Engelse
letters. De productiedatum wordt aangeduid
door de laatste vier cijfers (tekens) van de
DOT-code.
DOT: XXXX XXXX OOOO
Het eerste deel van de DOT-code geeft de
fabriekscode, de bandenmaat en het type
profiel aan en de laatste vier cijfers de week
en het jaar waarin de band is geproduceerd.
Bijvoorbeeld:
DOT XXXX XXXX 1521 geeft aan dat de band is
geproduceerd in week 15 van 2021.
4. Structuur en materiaal van de
band
Het aantal lagen van rubber-bekleed weefsel
in de band. Bandenfabrikanten moeten
ook de materialen in de band aangeven,
waaronder staal, nylon, polyester en
andere. De letter 'R' betekent radiaalband
constructie; de letter 'D' betekent
diagonaalband constructie en de letter 'B'
betekent gordel band met diagonaal karkas
constructie.
09
9-31
5. Maximaal toegestane
bandenspanning
Dit getal geeft de hoogste bandenspanning
aan die mag worden toegepast. Overschrijd
de maximaal toegestane bandspanning niet.
Raadpleeg het Band en Laadinformatielabel
voor de aanbevolen bandspanning.
6. Maximum belastingindex
Dit getal geeft de maximale belasting in
kilogrammen aan waarmee de band mag
worden belast. Monteer bij het vervangen
van de banden op de auto altijd een band
die dezelfde belastingindex heeft als de
fabrieksgemonteerde band.
7. Uniforme kwaliteitsaanduiding
voor banden
Kwaliteitsgradaties vindt u, indien van
toepassing, op de zijkant van de band
tussen de schouder van het loopvlak en de
maximumbreedte van de wang.
Bijvoorbeeld:
TREAD WEAR 200
TRACTION AA
TEMPERATURE A
Slijtage loopvlak
De slijtage-index classificatie is een
vergelijkbare kwalificatie gebaseerd op de
slijtagegraad van de band tijdens het testen
onder gecontroleerde omstandigheden op
een officieel erkende testbaan. Een band met
classificatie 150 zou bijvoorbeeld anderhalf
keer (1½) minder slijten tijdens de test als een
band met classificatie 100.
De levensduur van de banden zal in
belangrijke mate afhankelijk zijn van de
gebruiksomstandigheden. De levensduur
kan echter van de norm afwijken door de
rijstijl van de bestuurder, onderhoud van de
banden, de toestand van de wegen en het
klimaat.
Deze classificaties zijn geperst op de wangen
van banden voor personenwagens. De als
standaard of optionele uitrusting beschikbare
banden voor uw auto kunnen variëren met
betrekking tot deze classificatie.
Grip - AA, A, B en C
Er zijn drie gripclassificaties, van hoog
naar laag AA, A, B en C. De gripclassificatie
geeft aan in hoeverre de banden op een
nat wegdek doorglijden bij het maken
van een noodstop, zoals gemeten onder
gecontroleerde omstandigheden op een
officieel erkende testbaan, zowel op asfalt als
op beton. Een band met classificatie C is een
band met relatief weinig grip.
Onderhoud
9-32
WAARSCHUWING
De gripclassificatie voor deze band
is gebaseerd op griptests waarbij
rechtuitrijdend wordt geremd. Bij de
classificatie is geen rekening gehouden met
de acceleratie, het nemen van bochten,
aquaplaning en maximum tractie.
Temperatuur - A, B en C
Er zijn drie temperatuurclassificaties
mogelijk: A (de hoogste), B en C. Deze
classificaties geven aan in hoeverre de
band hittebestendig is en in welke mate de
band warmte afvoert, zoals getest onder
gecontroleerde omstandigheden op een
testwiel in een officieel erkend laboratorium.
Aanhoudend hoge temperaturen kunnen
degeneratie van het materiaal van de band
veroorzaken en de levensduur van de band
aanzienlijk verminderen, terwijl bovenmatige
temperatuur tot een plotseling banddefect
kan leiden. Classificaties B en A stellen
hogere prestatieniveaus op het testwiel in het
laboratorium voor dan het vereiste wettelijke
minimum.
WAARSCHUWING
De temperatuurclassificatie voor de band
is vastgesteld voor een band die de juiste
spanning heeft en niet is overbelast.
Overmatige snelheid, te lage spanning,
te hoge spanning of overbelasting,
afzonderlijk of in combinatie, kan
warmteontwikkeling en eventueel een
plotseling banddefect veroorzaken.
Hierdoor kunt u de controle over de auto
verliezen en een ongeval veroorzaken.
Banden met een kleine hoogte-/
breedteverhouding
Een kleine hoogte-/breedteverhouding met
een verhouding lager dan 50, is ontwikkeld
voor een auto met een sportieve uitstraling.
De kleine hoogte-/breedteverhouding
is om de behandeling en het remmen te
optimaliseren. Het kan dus oncomfortabel
zijn om mee te rijden en het kan voor lawaai
zorgen, in vergelijking met een normale
band.
OPGELET
De wang van een band met een kleine
hoogte-/breedteverhouding is lager dan bij
een normale band. Daarom raken deze lage
wielen en banden sneller beschadigd. Volg
de onderstaande instructies.
Als u op een ruige weg of in het
terrein rijdt, zorg er dan voor dat u de
banden en de wielen niet beschadigt.
Controleer na het rijden de banden en
wielen.
Bij het passeren van een kuil,
verkeersdrempel, mangat of stoeprand
moet u langzaam rijden om de banden
en wielen niet te beschadigen.
Wij adviseren om, als u met de band
ergens tegenaan rijdt, de conditie van
de band te controleren of contact op
te nemen met een officiële HYUNDAI-
dealer.
Controleer de staat en de spanning van
de banden elke 3.000 km (1800 mijl) om
schade aan een band te voorkomen.
Het is moeilijk om schade aan een band
puur visueel te herkennen. Controleer
de band al bij een geringe indicatie van
schade aan de band en vervang deze om
schade door luchtlekkage te voorkomen.
Wanneer een band wordt beschadigd
bij het rijden op een ruige weg, in het
terrein of over obstakels, zoals een kuil,
mangat of stoeprand, dekt uw garantie
de schade niet.
De bandinformatie is aangegeven op de
wang van de band.
09
9-33
ZEKERINGEN
Ŷ Plat type
Ŷ Cartridge-type
Ŷ Multizekering
Normaal
Normaal
Normaal
Normaal
Doorgebrand
Doorgebrand
Doorgebrand
Doorgebrand
OOS077027
OOS077027
[A] : Normaal, [B] : Doorgebrand
Het elektrisch systeem van een auto is tegen
overbelasting beveiligd door middel van
zekeringen.
Deze auto heeft 2 (of 3) zekeringkasten, één
in het zijpaneel aan bestuurderszijde en de
andere in de motorruimte.
Als een van de lampen, accessoires of
bedieningselementen van uw auto niet
werkt, controleer dan de zekering van het
betreffende circuit. Als een zekering is
doorgebrand, is het element in de zekering
gesmolten of gebroken.
Als het elektrische systeem niet werkt,
controleer dan eerst de zekeringkast
aan bestuurderszijde. Zet alvorens een
doorgebrande zekering te vervangen de
motor uit, schakel alle schakelaars uit en
neem vervolgens de minpool los van de
accu. Vervang een doorgebrande zekering
altijd door een nieuwe met dezelfde
stroomsterkte.
Als de vervangende zekering ook doorbrandt,
duidt dit op een elektrische storing. Gebruik
het betrokken systeem niet. We adviseren u
onmiddellijk contact op te nemen met een
officiële HYUNDAI-dealer.
Informatie
Er worden drie soorten zekeringen gebruikt:
een plat type voor lagere stroomsterktes en een
cartridge type en multizekeringen voor hogere
stroomsterktes.
WAARSCHUWING
Vervang een zekering ALLEEN door een
zekering met dezelfde stroomsterkte.
Een zekering met een hogere waarde
kan schade en mogelijk brand
veroorzaken.
Installeer geen draad of aluminiumfolie
in plaats van de juiste zekering – zelfs
niet als tijdelijke reparatie. Dit kan
omvangrijke schade aan de bedrading
en mogelijk brand veroorzaken.
AANWIJZING
Verwijder een zekering niet met een
schroevendraaier of een ander metalen
voorwerp omdat hierdoor kortsluiting
kan ontstaan, waardoor schade aan het
elektrisch systeem kan worden veroorzaakt.
Onderhoud
9-34
Vervangen zekering dashboard
OOSN091012L
OOSN091012L
1. Zet de auto uit.
2. Zet alle andere schakelaars uit.
3. Open de klep van de zekeringkast.
4. Raadpleeg het label aan de binnenkant
van het deksel van de zekeringkast om de
vermoedelijke locatie van de zekering te
vinden.
OOS090030L
OOS090030L
5. Trek de verdachte zekering
recht naar buiten. Gebruik het
demontagegereedschap dat zich in de
zekeringkast in de motorruimte bevindt.
6. Controleer de verwijderde zekering;
vervang deze indien deze is doorgebrand.
Er bevinden zich reservezekeringen in de
zekeringkast in het dashboard (of in de
zekeringkast in de motorruimte).
7. Plaats een nieuwe zekering met dezelfde
stroomsterkte en controleer of de
zekering goed vastzit. Als het niet goed
vastzit, adviseren we dat u het systeem
laat controleren door een officiële
HYUNDAI-dealer.
Als u geen reservezekering hebt, kunt u in
een noodgeval een zekering van een ander
circuit gebruiken dat niet nodig is om te
kunnen rijden, bijvoorbeeld van de aansteker,
mits de zekering dezelfde stroomsterkte
heeft.
Wanneer de koplampen of andere elektrische
componenten niet werken en de zekeringen
in orde zijn, controleer dan de zekeringkast in
de motorruimte. Vervang een doorgebrande
zekering door een zekering voor dezelfde
stroomsterkte.
09
9-35
Zekeringschakelaar
OOSN091013L
OOSN091013L
Zet de zekeringschakelaar altijd AAN.
Als u de schakelaar in stand OFF zet,
moeten sommige onderdelen, zoals het
audiosysteem en de digitale klok, worden
gereset en werkt de Smart Key mogelijk niet
goed.
Informatie
OPDE046119
OPDE046119
Als de zekeringschakelaar in stand OFF staat,
verschijnt de melding 'Schakel de FUSE
SWITCH in'. (indien van toepassing)
AANWIJZING
Zet de zekeringschakelaar altijd AAN
tijdens het rijden.
Schakel de transportzekeringschakelaar
niet herhaaldelijk om. De
zekeringschakelaar kan worden
beschadigd.
Vervangen zekering
motorruimte
Plat type zekering
Plat type zekering
OOS090031L
OOS090031L
Cartridge type zekering
Cartridge type zekering
OOS090032L
OOS090032L
1. Zet de auto uit.
2. Zet alle andere schakelaars uit.
3. Verwijder het deksel van de zekeringkast
door het lipje in te drukken en het deksel
omhoog te trekken.
4. Controleer de verwijderde zekering;
vervang deze indien deze is doorgebrand.
Gebruik de zekeringtrekker in de
zekeringkast in de motorruimte om de
zekering te verwijderen of te plaatsen.
5. Plaats een nieuwe zekering met dezelfde
stroomsterkte en controleer of de
zekering goed vastzit. Als het niet goed
vastzit, adviseren we dat u het systeem
laat controleren door een officiële
HYUNDAI-dealer.
Onderhoud
9-36
AANWIJZING
Plaats het deksel op de juiste manier
nadat de zekeringkast in de motorruimte
is gecontroleerd. U kunt een klikgeluid
horen als het deksel goed is vergrendeld.
Als het niet goed is vergrendeld, kunnen
er elektrische storingen optreden door
contact met water.
Hoofdzekering
OOS090038E
OOS090038E
1. Zet de motor uit.
2. Zet alle andere schakelaars uit.
3. Verwijder het deksel van de zekeringkast
door het lipje in te drukken en het deksel
omhoog te trekken.
4. Verwijder de moeren die in de
bovenstaande afbeelding worden
aangegeven.
5. Vervang de zekering door een nieuwe met
dezelfde stroomsterkte.
6. Plaats de onderdelen in omgekeerde
volgorde van verwijderen.
Informatie
Als de hoofdzekering is doorgebrand,
adviseren we u contact op te nemen met een
officiële HYUNDAI-dealer.
Multizekering
OOS090033L
OOS090033L
Vervang de doorgebrande multizekering als
volgt:
1. Zet de auto uit.
2. Neem de minkabel van de accu los.
3. Verwijder het deksel van de zekeringkast
door het lipje in te drukken en het deksel
omhoog te trekken.
4. Verwijder de moeren die in de
bovenstaande afbeelding worden
aangegeven.
5. Vervang de zekering door een nieuwe met
dezelfde stroomsterkte.
6. Plaats de onderdelen in omgekeerde
volgorde van verwijderen.
Als de multizekering is doorgebrand,
adviseren we u contact op te nemen met een
officiële HYUNDAI-dealer.
09
9-37
Zekering-/relaiskast
Zekeringkast bestuurderszijde
OOSN091012L
OOSN091012L
Aan de binnenzijde van het deksel van de
zekering-/relaiskast vindt u een label met
daarop de naam en de waarden van de
zekeringen en relais.
OOSN091009L
OOSN091009L
Informatie
Mogelijk zijn niet alle beschrijvingen van
de zekeringkast van toepassing op uw auto.
Deze golden ten tijde van het ter perse gaan.
Raadpleeg het label van de zekeringkast
wanneer u de zekeringkast van uw auto
controleert.
Onderhoud
9-38
Zekeringkast bestuurderszijde
Naam zekering Symbool Stroomsterkte
zekering Beveiligd circuit
MODULE5
MODULE
5
1,5A
Noodoproep (E-oproep) module, Voorste
draadloze oplader, ATM versnellingspook IND.,
Stuurkussenschakelaar, Elektrochromatische
binnenspiegel, hoofdunit A/V- en
navigatiesysteem, Diagnosestekker, MTS
E-Call-module, Lage DC-DC omvormer, Data
Link Connector, AMP, Crash Pad-schakelaar,
Regelmodule zetelverwarming vooraan/
achteraan, regelmodule ventilatie vooraan
MODULE3
MODULE
3
7,5 A Stoplichtschakelaar, BCM, ATM-
versnellingshendel
SUNROOF1 20 A Module schuif-/kanteldak
T/GATE OPEN 10 A Relais achterklep
P/WDW LH
LH
25 A Relais elektrisch bediende ruit links, module ruit
met klembeveiliging bestuurder (LHD)
MULTI MEDIA
MULTI
MEDIA
15 A Lage DC-DC omvormer, A/V & navigatie
hoofdeenheid
P/WDW RH
RH
25 A RH-relais elektrisch bediende ruit links, module
ruit met klembeveiliging bestuurder (RHD)
P/SEAT DRV
DRV
25 A
Schakelaar handmatige verstelling
bestuurdersstoel, schakelaar kantelen
bestuurderszijde
P/SEAT PASS
PASS
25 A Schakelaar handmatige verstelling passagiersstoel
MODULE4
MODULE
4
7,5 A LSD-regelmodule, BCM, Frontzichtcamera, ECS-
eenheid, Stuurhoeksensor
PDM3
3
7,5 A Smart Key-module
INTERIOR
LAMP 7,5 A
Voetenruimteverlichting links/rechts, verlichting
make-upspiegel links/rechts, interieurverlichting,
lamp dakconsole, lamp handschoenkastje,
bagageruimteverlichting
E-CALL
E-CALL
7,5 A Noodoroep (eCall) module
09
9-39
Zekeringkast bestuurderszijde
Naam
zekering Symbool Stroomsterkte
zekering Beveiligd circuit
B/A HORN 10 A Relaiskast ICM (B/relais claxon inbraakalarm)
MEMORY1 10 A
A/C regelmodule, regensensor, head-
up display, instrumenten paneel,
bestuurdersconsoleschakelaar,
Achterhoekradar LH/RH, BCM, draadloze
oplader vooraan, ICM-relaiskast (relais
inklappen/uitklappen buitenspiegels)
S/HEATER RR 20 A Stoelverwarmingsmodule achter
AMP
AMP
30 A Lage DC-DC-laagspanningsconverter, AMP
MODULE6
MODULE
6
7,5 A Smart Key-module, BCM
MDPS
1
7,5 A MDPS-unit
MODULE1
MODULE
1
7,5 A Gevaarschakelaar, Data Link Connector
MODULE7
MODULE
7
7,5 A
Elektronische geluidsgeneratoreenheid,
regelmodule ventilatie vooraan, regelmodule
zetelverwarming vooraan/achteraan
A/BAG IND
IND
7,5 A Module klimaatregeling
BRAKE
SWITCH
BRAKE
SWITCH
7,5 A Remlichtschakelaar, smart Key-module,
E/R aftakblok (REL. 4)
START 7,5 A Smart Key-module, ECM
CLUSTER
CLUSTER
7,5 A Head-up display, instrumentenpaneel
DR/LOCK 20 A
Relais portiervergrendeling, relais
portierontgrendeling,
Relaiskast ICM (relais supervergrendeling)
PDM2
2
7,5 A Niet in gebruik
FCA 10 A Radar voorzijde
Onderhoud
9-40
Zekeringkast bestuurderszijde
Naam
zekering Symbool Stroomsterkte
zekering Beveiligd circuit
S/HEATER
FRT 20 A Regelmodule stoelverwarming vooraan,
Regelmodule ventilatie vooraan
A/CON SW
A/C
2
20 A A/C regelmodule, aanjagermotor, E/R aftakblok
(REL. 10)
A/C
A/C
1
7,5 A A/C regelmodule, E/R-aftakblok (REL. 10)
PDM1
1
15 A Smart Key-regelmodule,
schakelaar Start/stop-knop
SPARE
SPARE
10 A Reserve
A/BAG 15 A Airbagmodule
IG1
IG1
25 A PCB-blok (zekering: F10, F12, F14, F16)
MODULE2
MODULE
2
10 A
Noodoproep (E-oproep) module, USB-oplader
vooraan, Smart Key regelmodule, BCM,
hoofdunit A/V- en navigatiesysteem, Lage
DC-DC omvormer, AMP, schakelaar elektrische
buitenspiegels,
E/R-aftakblok (RLY. 5)
WASHER 15 A Multifunctionele schakelaar
Wiper 10 A BCM
RR WIPER 15 A Relais ruitenwisser achter, motor ruitenwisser
achter
WIPER FRT 25 A Ruitenwissermotor voor, PCB-blok
(voorruitenwisser (laag) relais)
HEATED
MIRROR 10 A
Elektrisch verstelbare buitenspiegel
bestuurderszijde/voorpassagierszijde, module
klimaatregeling
SPARE
SPARE
15 A Reserve
HEATED
STEERING 15 A BCM
09
9-41
Zekeringkast motorruimte
OOS090034L
OOS090034L
Aan de binnenzijde van het deksel van de
zekering-/relaiskast vindt u een label met
daarop de naam en de waarden van de
zekeringen en relais.
OOSN091010L
OOSN091010L
Informatie
Mogelijk zijn niet alle beschrijvingen van
de zekeringkast van toepassing op uw auto.
Deze golden ten tijde van het ter perse gaan.
Raadpleeg het label van de zekeringkast
wanneer u de zekeringkast van uw auto
controleert.
Onderhoud
9-42
Zekeringkast motorruimte
Relaisnummer Symbool Naam relais
RLY.3 E63
(IG1)
3
Relais PDM 3 (IG1)
RLY.4 E64
1
Relais Srart #1
RLY.5 E65
POWER
OUTLET
Relais stopcontact
RLY.6 E66
(IG2)
4
Relais PDM 4 (IG2)
RLY.7 E67
FUEL
PUMP
Brandstofpomprelais
RLY.8 E68
(ACC)
2
Relais PDM 2 (ACC)
RLY.10 E70 Aanjagerrelais
RLY.11 E71
PTC
HEATER
1
Relais verwarmingselement 1
RLY.12 E72 Relais achterruitverwarming
RLY.13 E73
PTC
HEATER
2
Relais verwarmingselement 2
RLY.14 E74
E-CVVT
E-CVVT-relais
09
9-43
Zekeringkast motorruimte
Type Naam zekering Symbool Stroomsterkte
zekering Beveiligd circuit
MULTI
FUSE-1
ALTERNATOR
ALT
180 A E/R aftakblok (Zekering - F19, F20, F21,
F22, F23, F24, F25), Alternator
MDPS
1
100A MDPS-unit
MULTI
FUSE-2
BATT5
5
60 A PCB-blok (Zekering - F1, F2, F3,
motorregelrelais)
BATT2
2
60 A IGPM (Zekering - F30, IPS0, IPS1, IPS2)
BATT3
3
60 A IGPM (IPS3, IPS4, IPS5, IPS6, IPS7)
BATT4
4
50 A IGPM (Zekering - F3, F4, F5, F7, F8, F9,
F15, F17, F18)
EOP
EOP
60 A Elektronische oliepomp
DCT1
DCT
1
60 A TCM
BLOWER 40 A E/R-aftakblok (relais 10)
IG1
IG1
40 A E/R-aftakblok (relais 3, relais 8)
IG2
IG2
40 A E/R-aftakblok (relais 6)
Onderhoud
9-44
Zekeringkast motorruimte
Type Naam zekering Symbool Stroomsterkte
zekering Beveiligd circuit
FUSE
VACUUM PUMP
VACUUM
PUMP
20 A Elektronische vacuümpomp
F/PUMP
FUEL
PUMP
20 A E/R-aftakblok (relais 7)
BATT1
1
40 A
IGPM (Zekering - F21, F24,
F27, F28, F33, Automatische
lekstroomonderbreker)
ECS
ECS
20 A ECS-eenheid
E-LSD
E-LSD
20 A Regelmodule LSD
ABS1
1
40A Module ESP
ABS2
2
40 A Module ESP, multifunctionele
servicestekker
E-CVVT1
E-CVVT
1
40 A E/R-aftakblok (relais 14)
POWER OUTLET1
POWER
OUTLET
1
40 A E/R-aftakblok (RLY.5)
MULTI
FUSE-3
COOLING FAN 80 A Regeling koelventilator
PTC HEATER1
PTC
HEATER
1
50 A E/R-aftakblok (RLY.11)
PTC HEATER2
PTC
HEATER
2
50 A E/R-aftakblok (relais 13)
REAR DEFOGGER 40 A E/R-aftakblok (relais 12)
FUSE
POWER OUTLET2
POWER
OUTLET
2
20 A Stopcontact #2
POWER OUTLET3
POWER
OUTLET
3
20 A Stopcontact #1
E-CVVT3
E-CVVT
3
20 A ECM
E-CVVT2
E-CVVT
2
20 A ECM
09
9-45
Zekeringkast motorruimte (PCB blok)
Naam
zekering Symbool Stroomsterkte
zekering Beveiligd circuit
A/CON COMP
A/C
10 A PCB Blok (A/C Comp relais)
HORN 15 A Relaiskast PCB (claxonrelais)
ECU3
E3
15 A ECM
SPARE
SPARE
10 A Niet in gebruik
IGN COIL
IGN COIL
20A Ontstekingsspoel #1/#2/#3/#4
SPARE
SPARE
15 A Niet in gebruik
SENSOR1
S1
15 A Lambdasensor (omhoog/omlaag)
SENSOR3
S3
10 A E/R aftakblok (REL. 7)
SPARE
SPARE
15 A Niet in gebruik
DCT2
DCT
2
15 A TCM
ECU1
E1
20 A ECM
ABS3
3
10 A Multifunctionele servicestekker, ESP-regelmodule
EWP
EWP
10 A Elektrische waterpomp
SENSOR4
S4
15 A Elektronische vacuümpomp
SENSOR2
S2
10 A
Magneetklep variabele inlaat, magneetklep
recirculatieregeling, actieve uitlaatklep,
olieregelklep, koelventilatorregelaar,
PCB Blok (A/C Comp relais)
ECU2
E2
10 A ECM
Onderhoud
9-46
AANWIJZING
Plaats het deksel op de juiste manier nadat de zekeringkast in de motorruimte is
gecontroleerd. Als het niet goed is vergrendeld, kunnen er elektrische storingen optreden
door contact met water.
Zekeringkast in de motorruimte
(accupoolkap)
OOS090035L
OOS090035L
Aan de binnenzijde van het deksel van de
zekering-/relaiskast vindt u een label met
daarop de naam en de waarden van de
zekeringen en relais.
OOS090052L
OOS090052L
Informatie
Niet alle beschrijvingen van de zekeringkasten
in deze handleiding zijn mogelijk van
toepassing op uw auto; de informatie is correct
op het moment van drukken. Raadpleeg het
label in de zekeringkast als u de zekeringkast
controleert.
09
9-47
LAMPEN
We bevelen aan dat u een officiële HYUNDAI-
dealer raadpleegt voor het vervangen
van de meeste gloeilampen van de auto.
Het is moeilijk om lampen van de auto
te vervangen, omdat andere onderdelen
van de auto moeten worden verwijderd
voordat u bij de lamp kunt komen. Dit geldt
in het bijzonder voor het verwijderen van
de koplampunit om de lamp(en) te kunnen
vervangen.
Het verwijderen en plaatsen van de
koplampunit kan leiden tot beschadigingen
aan de auto.
WAARSCHUWING
Zet, voordat een lamp gaat vervangen, de
parkeerrem stevig vast en controleer of
het contact in stand LOCK/OFF staat om
te voorkomen dat de auto plotseling in
beweging komt, dat u zich verbrandt of dat
u een schok krijgt.
AANWIJZING
Zorg ervoor dat de kapotte lamp door
een nieuw exemplaar met hetzelfde
wattage wordt vervangen. Anders kan dit
schade aan de zekering of het elektrische
bedradingssysteem veroorzaken.
Informatie
Het glas van de koplampen en achterlichten
kan bevroren lijken als de auto na het rijden
wordt gewassen of als de auto 's nachts bij nat
weer rijdt. Dit wordt veroorzaakt door het
temperatuurverschil tussen de binnenzijde
en de buitenzijde van de lamp en duidt niet
op een probleem met uw auto. Condens in de
binnenzijde van de lamp verdwijnt vanzelf bij
rijden met ingeschakelde voertuigverlichting.
Hoe snel dit gebeurt, kan verschillen
afhankelijk van de grootte en positie van de
lamp en omgevingsfactoren. Als het vocht niet
verdwijnt, adviseren wij u de auto te laten
controleren door een officiële HYUNDAI-
dealer.
Informatie
De koplamp moet na een ongeval of na het
opnieuw monteren worden afgesteld. We
adviseren u contact op te nemen met een
officiële HYUNDAI-dealer.
Informatie - Verkeerswijziging
De dimlichtbundel is asymmetrisch. Als u naar
een land gaat waar het verkeer links rijdt,
kan dit asymmetrische deel tegemoetkomend
verkeer verblinden. Om verblinding te
voorkomen schrijven ECE-regels verschillende
technische oplossingen voor (bijv. een
automatisch aanpassingssysteem, afplakken of
de koplampen lager afstellen). Deze koplampen
zijn zodanig ontworpen dat tegemoetkomend
verkeer niet verblind wordt. Daarom hoeft u
de koplampen niet aan te passen als u in een
land rijdt waar het verkeer aan de andere kant
van de weg rijdt.
Onderhoud
9-48
Lamp koplamp, parkeerlicht,
richtingaanwijzer en
dagrijverlichting vervangen
Type A
OOSN091016L
OOSN091016L
(1) Richtingaanwijzer
(2) Koplampen (grootlicht/dimlicht)
(3) Dagrijverlichting (indien van toepassing)
/ Parkeerlicht (led)
WAARSCHUWING
OLMB073042L
OLMB073042L
Behandel halogeenlampen voorzichtig.
Halogeenlampen bevatten gas onder
druk, zodat er kleine glasdeeltjes
vrijkomen die letsel kunnen veroorzaken
als de lamp breekt.
Draag een veiligheidsbril bij het
vervangen van een lamp. Laat de lamp
afkoelen voordat u deze aanraakt.
Behandel ze altijd voorzichtig en vermijd
krassen en schuurplekken. Vermijd
contact met vloeistoffen als de lampen
branden.
Raak het glas nooit met blote handen aan.
Sporen van olie kunnen ertoe leiden dat
de lamp oververhit raakt en barst als deze
brandt.
De lamp mag alleen in gemonteerde
toestand worden ingeschakeld.
Vervang een beschadigde of gebarsten
lamp direct en gooi deze niet zomaar weg.
OOS090054L
OOS090054L
Koplamp
1. Open de motorkap.
2. Neem de minkabel van de accu los.
3. Verwijder de afdekkap van de gloeilamp
(1) door de kap linksom te draaien.
4. Haal de stekker van de gloeilamp los.
(voor dimlicht en grootlicht)
5. Verwijder de lamp uit de koplampunit.
6. Plaats een nieuwe lamp.
7. Sluit de stekker van de gloeilamp aan.
(voor dimlicht en grootlicht)
8. Plaats de afdekkap door de kap rechtsom
te draaien.
09
9-49
OOS090054L
OOS090054L
Richtingaanwijzer
1. Open de motorkap.
2. Neem de minkabel van de accu los.
3. Verwijder de afdekkap van de gloeilamp
(2) door de kap linksom te draaien.
4. Neem de stekker los van de gloeilamp.
5. Verwijder de lamp uit de unit.
6. Plaats een nieuwe lamp.
7. Sluit de stekker van de gloeilamp aan.
8. Plaats de afdekkap door de kap rechtsom
te draaien.
Dagrijverlichting en parkeerlicht
We adviseren u, als de ledverlichting niet
werkt, de auto te laten nakijken door een
officiële Hyundai-dealer.
Type B
OOSN091015L
OOSN091015L
(1) Koplamp (grootlicht) (led)
(2) Koplamp (dimlicht) (led)
(3) Dagrijverlichting /
stadslicht/
richtingaanwijzer (led) (indien van
toepassing)
WAARSCHUWING
OLMB073042L
OLMB073042L
Behandel halogeenlampen voorzichtig.
Halogeenlampen bevatten gas onder
druk, zodat er kleine glasdeeltjes
vrijkomen die letsel kunnen veroorzaken
als de lamp breekt.
Draag een veiligheidsbril bij het
vervangen van een lamp. Laat de lamp
afkoelen voordat u deze aanraakt.
Onderhoud
9-50
Behandel ze altijd voorzichtig en vermijd
krassen en schuurplekken. Vermijd
contact met vloeistoffen als de lampen
branden.
Raak het glas nooit met blote handen aan.
Sporen van olie kunnen ertoe leiden dat
de lamp oververhit raakt en barst als deze
brandt.
De lamp mag alleen in gemonteerde
toestand worden ingeschakeld.
Vervang een beschadigde of gebarsten
lamp direct en gooi deze niet zomaar weg.
Dagrijverlichting, parkeerlicht,
richtingaanwijzer en koplamp
We adviseren u, als de ledverlichting niet
werkt, de auto te laten nakijken door een
officiële HYUNDAI-dealer.
Koplampen afstellen
Koplampen afstellen
Gloeilamp
Gloeilamp
LED-type
LED-type
OOS090056L
OOS090056L
OOS090057L
OOS090057L
1. Pomp de banden tot de gewenste
bandenspanning op en haal alle lading
uit de auto behalve de bestuurder,
reserveband en gereedschap.
2. Zet de auto op een vlakke vloer.
3. Trek verticale lijnen (lijnen die door
het hart gaan van de respectievelijke
koplamp) en een horizontale lijn (die door
het hart gaat van de koplamp) op het
scherm.
4. Controleer of de accu voldoende geladen
is, schakel de koplampen in en stel
de koplampen zo af dat het helderste
gedeelte van de lichtbundel op de
horizontale en verticale lijnen valt.
5. Verdraai de schroevendraaier rechtsom of
linksom om de dimlichtbundel naar links
of naar rechts te verstellen. Verdraai de
schroevendraaier rechtsom of linksom om
de dimlichtbundel omhoog of omlaag te
verstellen.
Verdraai de schroevendraaier rechtsom of
linksom om de grootlichtbundel omhoog
of omlaag te verstellen.
09
9-51
Afstelpunt
Halogeenlamp
Halogeenlamp
Led-lamp
Led-lamp
OOSN091020E/OOSN091021E
OOSN091020E/OOSN091021E
H1: hoogte tussen hart gloeilamp en grond (dimlicht)
H1: hoogte tussen hart gloeilamp en grond (dimlicht)
H2: hoogte tussen hart gloeilamp en grond (grootlicht)
H2: hoogte tussen hart gloeilamp en grond (grootlicht)
W1: afstand tussen het hart van beide gloeilampen (dimlicht)
W1: afstand tussen het hart van beide gloeilampen (dimlicht)
W2: afstand tussen het hart van beide gloeilampen (grootlicht)
W2: afstand tussen het hart van beide gloeilampen (grootlicht)
Staat van de auto Type lamp H1 H2 W1 W2
Zonder bestuurder
mm (in)
Halogeen 643,5
(25,33)
1506
(59,27)
Led 630
(24)
617
(24,29)
1421,6
(55,96)
1295
(50,98)
Met bestuurder
mm (in)
Halogeen 635,5
(25,33)
1506
(59,27)
Led 622
(24,48)
609
(23,97)
1421,6
(55,96)
1295
(50,98)
Onderhoud
9-52
Dimlicht (auto's met linkse besturing)
W1
Auto-as
Verticale lijn van het hart van de
gloeilamp van de linker koplamp
Begrenzingslijn
Verticale lijn van het hart van de
gloeilamp van de rechter koplamp
Horizontale lijn van
het hart van de
gloeilamp van de
koplamp
GROND
100
H1
(Dimlicht)
(Dimlicht)
Gebaseerd op een scherm van 10 meter
Gebaseerd op een scherm van 10 meter
OPDE076082
OPDE076082
1. Stel het dimlicht af zonder dat er iemand in de auto zit.
2. De knik moet worden geprojecteerd op de plaats van de knik in de afbeelding.
3. Bij het afstellen van het dimlicht, stelt u eerst horizontaal af, en vervolgens verticaal.
4. Als de auto is uitgerust met een koplampverstelsysteem, moeten de koplampen worden
afgesteld met de schakelaar voor de koplampverstelling in stand '0'.
09
9-53
Dimlicht (auto's met rechtse besturing)
W1
H1
100
Auto-as
Verticale lijn van het hart van de
gloeilamp van de linker koplamp
Begrenzingslijn
Verticale lijn van het hart van de
gloeilamp van de rechter koplamp
Horizontale lijn van
het hart van de
gloeilamp van de
koplamp
GROND
(Dimlicht)
(Dimlicht)
Gebaseerd op een scherm van 10 meter
Gebaseerd op een scherm van 10 meter
OPDE076083
OPDE076083
1. Stel het dimlicht af zonder dat er iemand in de auto zit.
2. De knik moet worden geprojecteerd op de plaats van de knik in de afbeelding.
3. Bij het afstellen van het dimlicht, stelt u eerst horizontaal af, en vervolgens verticaal.
4. Als de auto is uitgerust met een koplampverstelsysteem, moeten de koplampen worden
afgesteld met de schakelaar voor de koplampverstelling in stand 0.
Onderhoud
9-54
Lamp richtingaanwijzer opzij
vervangen
OOS077039
OOS077039
Als de gloeilamp niet werkt, adviseren we
u de auto te laten controleren door een
officiële Hyundai-dealer.
Lamp achterlichtunit vervangen
Type A (standaard)
Type A (standaard)
OOS090018K
OOS090018K
Type B (LED)
Type B (LED)
OOS090018K
OOS090018K
OOSN091018L
OOSN091018L
(1) Remlicht/achterlicht
(2) Achterlicht (Type A),
Remlicht/achterlicht (Type B)
(3) Richtingaanwijzer (gloeilamp) (Type A)
Richtingaanwijzer (led) (Type B)
(4) Mistachterlicht
(Links stuur: linkerzijde, rechts stuur:
rechterzijde)
(5) Achteruitrijlicht
(Links stuur: rechterzijde, rechts stuur:
linkerzijde)
09
9-55
OOS077066L
OOS077066L
Remlicht/achterlicht
1. Zet de motor uit.
2. Open de achterklep.
3. Draai de bevestigingsschroeven
van de lichtunit los met een
kruiskopschroevendraaier.
OOS077068L
OOS077068L
4. Verwijder de achterlichtunit uit de
carrosserie.
5. Verwijder de fitting uit de lichtunit door
deze linksom te draaien tot de nokjes van
de fitting in lijn liggen met de uitsparingen
van de lichtunit.
6. Verwijder de lamp uit de fitting door de
lamp in te drukken en deze linksom te
draaien tot de nokjes van de lamp in lijn
liggen met de uitsparingen van de fitting.
Trek de lamp uit de fitting.
7. Plaats een nieuwe lamp in de fitting en
draai de lamp tot hij vastzit.
8. Plaats de fitting in de lichtunit door de
nokjes op de fitting in lijn te brengen met
de uitsparingen in de lichtunit. Duw de
fitting in de lichtunit en draai de fitting
rechtsom.
9. Plaats de lampunit terug in de carrosserie.
Onderhoud
9-56
OOS077069L
OOS077069L
Achterlicht (Type A)
1. Zet de motor uit.
2. Open de achterklep.
3. Verwijder het deksel met een platte
schroevendraaier.
4. Verwijder de fitting uit de lichtunit door
deze linksom te draaien tot de nokjes van
de fitting in lijn liggen met de uitsparingen
van de lichtunit.
5. Verwijder de lamp uit de fitting door de
lamp in te drukken en deze linksom te
draaien tot de nokjes van de lamp in lijn
liggen met de uitsparingen van de fitting.
Trek de lamp uit de fitting.
6. Plaats een nieuwe lamp in de fitting en
draai de lamp tot hij vastzit.
7. Plaats de fitting in de lichtunit door de
nokjes op de fitting in lijn te brengen met
de uitsparingen in de lichtunit. Duw de
fitting in de lichtunit en draai de fitting
rechtsom.
8. Plaats de lampunit terug in de carrosserie.
Achterlicht/remlicht (Type B)
We adviseren u, als de ledverlichting niet
werkt, de auto te laten nakijken door een
officiële Hyundai-dealer.
Richtingaanwijzer / achteruitrijlicht /
mistachterlicht
We adviseren u de auto te laten controleren
door een officiële Hyundai-dealer als deze
lichten niet werken.
Gloeilamp derde remlicht
vervangen
OOSN091014L
OOSN091014L
Als het derde remlicht niet werkt, raden we
aan dat u contact opneemt met een officiële
HYUNDAI-dealer.
De led-lampen kunnen niet afzonderlijk
worden vervangen, omdat ze een
geïntegreerde eenheid vormen. De led-
lampen moeten samen met de lichtunit
worden vervangen.
Een ervaren technicus moet de led-lamp
controleren of repareren, omdat deze
verwante onderdelen van de auto kan
beschadigen.
09
9-57
Vervangen van de gloeilamp van
de kentekenplaatverlichting
OOS077043
OOS077043
1. Met een platte schroevendraaier wrikt
u de lenskap voorzichtig los uit de
lamparmatuur.
2. Trek de lamp recht naar buiten.
3. Plaats een nieuwe lamp.
4. Plaats de onderdelen in omgekeerde
volgorde.
Gloeilamp interieurverlichting
vervangen
Leeslampje, interieurverlichting,
make-up spiegelverlichting en
bagageruimteverlichting
Leeslampje (Type A)
Leeslampje (Type A)
OOS077053
OOS077053
Leeslampje (Type B)
Leeslampje (Type B)
OOS077044
OOS077044
Onderhoud
9-58
Interieurlampje (Type A)
Interieurlampje (Type A)
OOS077054
OOS077054
Interieurlampje (Type B)
Interieurlampje (Type B)
OOS077045
OOS077045
Make-up spiegelverlichting
Make-up spiegelverlichting
OOS077046
OOS077046
Bagageruimteverlichting
Bagageruimteverlichting
OOS077048
OOS077048
Lampje dashboardkastje
Lampje dashboardkastje
OOS077047
OOS077047
1. Wrik de lens met een platte
schroevendraaier voorzichtig los uit het
huis van de interieurverlichting.
2. Trek de lamp recht naar buiten.
3. Plaats een nieuwe lamp in de fitting.
4. Breng de lipjes van de lens in lijn met
de uitsparingen in het huis van de
interieurverlichting en klik de lens vast.
AANWIJZING
Zorg dat het kapje, het lipje en de kunststof
behuizing niet beschadigd raken.
09
9-59
Onderhoud exterieur
AANWIJZING
Als u uw auto parkeert in de buurt van een
roestvrijstalen bord of glazen gevel, kunnen
de kunststof onderdelen aan de buitenkant
van de auto, zoals een bumper, spoiler,
sierlijst, lamp of buitenspiegel, beschadigd
raken door zonlicht dat wordt weerkaatst
door het bord of het gebouw. Om schade
aan de kunststof delen aan de buitenkant
te voorkomen, moet u niet parkeren in
gebieden waar licht kan worden weerkaatst
of moet u een autohoes gebruiken. (Welke
onderdelen aan de buitenkant van uw auto
van kunststof zijn, kan verschillen.)
Exterieur algemene waarschuwing
Het is van groot belang bij gebruik van
chemische reinigingsmiddelen of polish
de aanwijzingen op het etiket van het
desbetreffende product op te volgen. Lees
de waarschuwingen en opmerkingen op het
etiket.
Lakonderhoud
Wassen
Was uw auto minimaal eenmaal per maand
grondig met lauw of koud water om de lak
tegen roest en veroudering te beschermen.
Was, nadat u op een stoffige of modderige
weg gereden heeft, de auto zo snel mogelijk.
Besteed hierbij de nodige zorg aan het
verwijderen van opeengehoopt zout, vuil of
modder. Controleer of de afvoeropeningen
aan de onderzijde van de portieren en de
dorpels open en schoon blijven.
Insecten, teer, sap van bomen, uitwerpselen
van vogels, industrieel vuil en dergelijke
kunnen de lak van uw auto aantasten als ze
niet direct verwijderd worden.
Zelfs bij het direct verwijderen kan blijken dat
water alleen niet toereikend is.
Gebruik in dat geval een speciale
autoshampoo.
Spoel de auto na het wassen grondig af met
lauw of koud water. Laat de shampoo niet op
de lak opdrogen.
AANWIJZING
Gebruik geen agressieve
reinigingsmiddelen, oplosmiddelen
of te heet water en was de auto niet in
de volle zon of wanneer de carrosserie
warm is.
Wees voorzichtig bij het reinigen van de
zijruiten van uw auto.
Vooral bij het gebruik van een
hogedrukreiniger kan water in het
interieur terechtkomen.
Reinig kunststof onderdelen en lampen
niet met chemische oplosmiddelen
of sterke reinigingsmiddelen, om
beschadiging ervan te voorkomen.
WAARSCHUWING
Natte remmen
Test na het wassen de remmen van uw
auto bij lage snelheid om te controleren
of de remwerking door binnengedrongen
water beïnvloed is. Als de remprestaties
verminderd zijn, droogt u de remmen door
het rempedaal licht in te trappen terwijl u
langzaam rijdt.
ONDERHOUD EXTERIEUR
Onderhoud
9-60
Wassen met hogedrukreiniger
Houd bij gebruik van een
hogedrukreiniger voldoende afstand van
de auto.
Onvoldoende afstand of overmatige druk
kan tot schade aan onderdelen of het
binnendringen van water leiden.
Richt de straal van de hogedrukreiniger
niet rechtstreeks op de camera, sensoren
of omliggende delen. Overbelasting door
water onder hoge druk kan ertoe leiden
dat het apparaat niet meer goed werkt.
Houd de spuitmond niet te dicht bij
hoezen (rubberen of plastic afdekkingen)
of stekkers. Deze kunnen beschadigd
raken wanneer ze in contact komen met
water onder hoge druk.
OOSN091019L
OOSN091019L
AANWIJZING
Water in de motorruimte, inclusief
water onder hoge druk, kan storingen
veroorzaken in de elektrische circuits.
Zorg ervoor dat water en andere
vloeistoffen nooit in contact komen met
elektrische/elektronische componenten
in de auto omdat ze dan beschadigd
kunnen raken.
AANWIJZING
Voertuig met matte lakafwerking (indien
van toepassing)
Ga niet naar een automatische wasstraat
met roterende borstels, omdat die
het oppervlak van uw auto kunnen
beschadigen. Een stoomreiniger die
het oppervlak van de auto op hoge
temperatuur wast, kan ervoor zorgen dat
olie gemakkelijk indringt en moeilijk te
verwijderen vlekken achterlaat.
Gebruik zachte materialen (bv. een
microvezeldoek of een spons) om uw
auto te wassen en droog na met een
microvezeldoek. Als u uw auto met de hand
wast, gebruik dan geen poetsmiddel met
autowas. Als het oppervlak van uw auto
te vuil is (door zand, vuil, stof of andere
vervuilers), reinig het dan met water voor u
de auto wast.
In de was zetten
Een goede waslaag vormt een barrière
tussen uw lakwerk en vuil van buitenaf. Het
bijhouden van een goede waslaag helpt uw
auto te beschermen.
Zet de auto in de was wanneer het water niet
langer druppels op de lak vormt.
Was en droog de auto altijd voordat u de
was gaat aanbrengen. Gebruik was van
goede kwaliteit in vloeibare of pasta-vorm
en volg de instructies van de fabrikant. Zet
alle metalen sierlijsten in de was om deze te
beschermen en de glans te behouden.
Het verwijderen van olie, teer en dergelijke
stoffen met een vlekkenverwijderaar
verwijdert gewoonlijk ook de was van de
lak. Zorg ervoor dat u op deze plaatsen een
nieuwe waslaag aanbrengt, ook al hoeft de
rest van de auto nog niet in de was te worden
gezet.
09
9-61
AANWIJZING
Als u stof of vuil met een droge doek
wegveegt, komen er krassen op de lak.
Gebruik geen staalwol, schurende
schoonmaakmiddelen of krachtige
reinigingsmiddelen met sterk
alkalische of bijtende oplosmiddelen
op verchroomde of geanodiseerde
aluminiumonderdelen. Het gebruik van
deze middelen kan de beschermlaag
aantasten waardoor verkleuring of
glansverlies kan optreden.
AANWIJZING
Voertuig met matte lakafwerking
(indien van toepassing)
Gebruik geen lakbeschermers zoals
detergenten, schuurmiddelen of
polijstmiddelen. Als er was op de auto
is aangebracht, verwijder die dan
onmiddellijk met een siliconenverwijderaar.
Als er teer- of teerververvuiling op het
oppervlak van de auto zit, gebruik dan een
teerverwijderaar om de auto te reinigen.
Wees echter voorzichtig en druk niet te
hard op het schilderwerk.
Bijwerken van lakbeschadigingen
Repareer diepe krassen en
steenslagbeschadigingen in de lak direct.
Blank metaal gaat snel roesten en kan leiden
tot grote reparatiekosten.
AANWIJZING
Wanneer uw auto beschadigd is en
reparatie of vervanging van metalen
delen nodig is, let er dan op dat de garage
anti-corrosiemiddel aanbrengt op de
gerepareerde of vervangen onderdelen.
AANWIJZING
Voertuig met matte lakafwerking (indien
van toepassing)
Bij voertuigen met matte lakafwerking is
het onmogelijk om alleen het beschadigde
gebied te herstellen, maar moet het
hele onderdeel hersteld worden. Als het
voertuig beschadigd is en herschilderd
moet worden, raden wij u aan de auto te
laten onderhouden en repareren door
een officiële HYUNDAI-dealer. Wees erg
voorzichtig, het is niet eenvoudig om
dezelfde kwaliteit te behalen met een
herstel.
Onderhoud van verchroomde
onderdelen
Gebruik een teerverwijderaar en geen
schraper of ander scherp voorwerp voor
het verwijderen van teer of insecten.
Breng ter bescherming een waslaag aan
op verchroomde onderdelen of bescherm
ze met een speciaal conserveringsmiddel.
Bescherm de verchroomde onderdelen
onder winterse omstandigheden
of bij gebruik van de auto in
kustgebieden met een dikkere laag
was of conserveringsmiddel. U kunt
eventueel vaseline of een ander
beschermingsmiddel gebruiken.
Onderhoud
9-62
Onderhoud van de onderzijde
Zand en pekel kunnen zich ophopen aan
de onderzijde van de carrosserie. Als
deze materialen niet verwijderd worden,
kan versneld roestvorming optreden
aan onderdelen aan de onderzijde van
de carrosserie zoals brandstofleidingen,
subframes, bodemplaat en uitlaatsysteem,
ook al zijn deze onderdelen tegen corrosie
beschermd.
Spoel daarom de onderzijde van de
carrosserie en de wielkuipen eenmaal
per maand, na het rijden op stoffige of
modderige wegen en aan het eind van de
winter grondig schoon met lauw of koud
water. Besteed hieraan de nodige zorg;
de opeenhopingen zijn niet altijd even
gemakkelijk te zien. Als u het vuil alleen
maar nat maakt zonder het te verwijderen,
is het effect averechts. Houd ook de
afvoeropeningen in portieren en dorpels te
allen tijde open. Water dat in portieren en
dorpels blijft staan, veroorzaakt roestvorming
van binnenuit.
WAARSCHUWING
Test na het wassen de remmen van uw
auto bij lage snelheid om te controleren
of de remwerking door binnengedrongen
water beïnvloed is. Als de remprestaties
verminderd zijn, droogt u de remmen door
het rempedaal licht in te trappen terwijl u
langzaam rijdt.
Onderhoud van lichtmetalen velgen
De lichtmetalen velgen zijn voorzien van een
transparante beschermende laklaag.
AANWIJZING
Gebruik voor het reinigen van
lichtmetalen velgen geen schuur- of
polijstmiddelen, oplosmiddelen of een
staalborstel.
Reinig de velg wanneer deze is
afgekoeld.
Gebruik uitsluitend een zachte zeep
of een neutraal oplosmiddel en spoel
grondig na met water. Let er ook op de
velgen te reinigen nadat u over wegen
met pekel gereden heeft.
Vermijd het wassen van de velgen met
behulp van sneldraaiende borstels in de
wasstraat.
Gebruik geen producten die zure of
basische reinigingsmiddelen bevatten.
Bescherming tegen roest
Uw auto tegen roest beschermen
Wij produceren auto's van de hoogste
kwaliteit met behulp van de meest
geavanceerde technologie in ontwerp
en constructie om roestvorming tegen te
gaan. Dat is echter niet genoeg. Om ervoor
te zorgen dat uw auto langdurig tegen
roest beschermd is, is uw medewerking
noodzakelijk.
Meest voorkomende oorzaken van roest
De meest voorkomende oorzaken van roest
aan de auto zijn:
Zout, vuil en vocht op de weg dat zich
onder de auto ophoopt.
Het afspringen van lak of beschermende
coatings door steentjes, gravel, kleine
krasjes of deukjes waardoor onbeschermd
metaal bloot komt te staan aan roest.
09
9-63
Roestgevoelige gebieden
Als u in een gebied woont waar uw auto
regelmatig wordt blootgesteld aan factoren
die roestvorming bevorderen, is bescherming
tegen roest uitermate belangrijk. Een
aantal veel voorkomende oorzaken
van versnelde corrosie zijn strooizout,
stofwerende chemicaliën, zeelucht en
luchtverontreiniging.
Vocht werkt roest in de hand
Vocht creëert omstandigheden waaronder
roestvorming gemakkelijk optreedt.
Roestvorming wordt bijvoorbeeld bevorderd
door een hoge luchtvochtigheid, met name
als de temperatuur net boven het vriespunt
ligt. Onder zulke omstandigheden blijven
agressieve stoffen in contact met de auto,
omdat het vocht langzaam verdampt.
Modder is zeer corrosief omdat het langzaam
droogt en vocht in contact houdt met de
auto. Hoewel de modder droog lijkt te zijn,
zit er nog steeds vocht in dat roestvorming
bevordert.
Hoge temperaturen versnellen ook het
roesten van delen die niet goed geventileerd
waardoor het vocht niet wordt afgevoerd.
Daarom is het zeer belangrijk uw voertuig
schoon en vrij te houden van modder en
andere vuilophopingen. Dit geldt niet alleen
voor zichtbare oppervlakken maar met name
ook voor de onderkant van het voertuig.
Voorkomen van roest
U kunt een bijdrage leveren aan het
voorkomen van roest door in eerste instantie
te letten op het volgende:
Houd uw voertuig schoon
De beste manier om roest tegen te gaan
is uw voertuig schoon te houden en vrij
van agressieve stoffen. Aandacht voor de
onderkant van de auto is zeer belangrijk.
Als u in een gebied woont waar de kans
op roestvorming groot is – waar strooizout
wordt gebruikt, dicht bij de zee, een
gebied met luchtverontreiniging enz.
– dient u extra aandacht te besteden
aan het voorkomen van roest. Spuit de
onderkant van de auto in de winter ten
minste eenmaal per maand schoon en
reinig de onderkant aan het einde van de
winter grondig.
Besteed bij het reinigen van de onderkant
extra aandacht aan de delen onder de
spatschermen en andere delen die zich uit
het zicht bevinden. Reinig de onderkant
grondig. Alleen bevochtigen van de
modder in plaats van deze te verwijderen
zal de vorming van roest juist versnellen
in plaats van voorkomen. Hoge waterdruk
en stoom zijn zeer effectief voor het
verwijderen van opgehoopte modder en
andere agressieve stoffen.
Zorg er bij het reinigen van portieren en
dorpels voor dat de afvoeropeningen
openblijven zodat het vocht er altijd uit
kan. Anders kan er zich water verzamelen
hetgeen roestvorming versnelt.
Onderhoud
9-64
Houd uw garage vochtvrij
Parkeer uw auto niet in een vochtige, slecht
geventileerde garage. Dit is de perfecte
omgeving voor roestvorming. Dit geldt met
name als u uw auto in de garage wast of in
de garage parkeert als deze nog nat is of
bedekt met sneeuw, ijs of modder. Zelfs een
verwarmde garage kan roest bevorderen als
hij niet goed geventileerd wordt waardoor
het vocht niet goed wordt afgevoerd.
Houd lak en lijsten in goede staat
Krasjes en kleine beschadigingen moeten
zo snel mogelijk worden bijgewerkt met
een lakstift om de kans op roestvorming te
verkleinen. Als het onderliggende metaal
zichtbaar is, laat er dan een professioneel
schadeherstelbedrijf naar kijken.
Uitwerpselen van vogels: uitwerpselen van
vogels bevorderen roestvorming in hoge
mate en beschadigen gelakte oppervlakken
in een paar uur. Verwijder uitwerpselen van
vogels daarom altijd zo snel mogelijk.
Verwaarloos het interieur niet
Vocht kan zich onder vloermatten en
vloerbedekking ophopen en daar roest
veroorzaken. Controleer dus regelmatig of de
vloer onder de matten droog is. Wees vooral
voorzichtig met het vervoer van kunstmest,
reinigingsmiddelen of chemicaliën.
Vervoer dergelijke stoffen in een geschikte
verpakking en reinig de auto bij morsen of
lekken direct en laat hem goed drogen.
Onderhoud interieur
Onderhoud interieur - Algemeen
Voorkom dat chemicaliën als parfum,
cosmetische oliën, zonnebrandcrème,
handenreiniger en luchtverfrisser in
aanraking komen met onderdelen van
het interieur, omdat deze beschadiging of
verkleuring kunnen veroorzaken. Indien deze
stoffen toch met onderdelen van het interieur
in aanraking komen, moeten ze direct
worden verwijderd.
Raadpleeg de instructies voor het reinigen
van kunststof.
AANWIJZING
Zorg ervoor dat water en andere
vloeistoffen nooit in contact komen met
elektrische/elektronische componenten in
de auto omdat ze dan beschadigd kunnen
raken.
AANWIJZING
Gebruik voor het reinigen van lederen
onderdelen (stuurwiel, stoelbekleding, enz.)
een mild reinigingsmiddel of oplossingen
met een lage concentratie alcohol. Als u
oplossingen met een hoog alcoholgehalte
of zure/ alkalische reinigingsmiddelen
gebruikt, kan de kleur van het leer vervagen
of het oppervlak loslaten.
09
9-65
Interieurbekleding reinigen
Kunststof bekleding (indien van toepassing)
Verwijder stof en los vuil van de kunststof
bekleding met een plumeau of een
stofzuiger. Reinig de kunststof oppervlakken
met een vinylreiniger.
Stoffen bekleding (indien van toepassing)
Verwijder stof en los vuil van de stoffen
bekleding met een plumeau of een
stofzuiger. Reinig met een zachte
zeepoplossing die geschikt is voor bekleding
of vloerbedekking.
Verwijder nieuwe vlekken onmiddellijk met
een vlekkenverwijderaar. Wanneer nieuwe
vlekken niet direct worden verwijderd,
kunnen er permanente vlekken of
verkleuringen in de bekleding achterblijven.
Daarnaast kunnen de brandwerende
eigenschappen verminderen wanneer de
bekleding niet op de juiste wijze wordt
onderhouden.
AANWIJZING
Het gebruik van andere dan de
voorgeschreven reinigingsmiddelen
en procedures kan het uiterlijk van de
stof aantasten en de brandwerende
eigenschappen verminderen.
Lederen bekleding (indien van toepassing)
Kenmerken van stoelleder
- Leer wordt gemaakt van de buitenhuid
van een dier, dat een speciale
behandeling ondergaat om geschikt
te zijn voor gebruik. Aangezien het een
natuurlijk product is, verschilt elk deel
qua dikte of dichtheid.
Er kunnen plooien optreden als
een natuurlijk gevolg van rekken
en krimpen, afhankelijk van de
temperatuur en de vochtigheid.
- De stoel is gemaakt van rekbaar
materiaal om het comfort te
verbeteren.
- De delen die contact maken met het
lichaam zijn gewelfd en het zijsteunvlak
is hoog, wat zorgt voor rijcomfort en
stabiliteit.
- Door het gebruik kunnen op natuurlijke
wijze kreukels ontstaan. Dit is geen
defect van het product.
OPGELET
Kreukels of slijtageplekken die op
natuurlijke wijze ontstaan ten gevolge
van het gebruik, vallen niet onder de
garantie.
Riemen met metalen accessoires, ritsen
of sleutels in de achterzak kunnen de
stoelbekleding beschadigen.
Zorg ervoor dat de stoel niet nat wordt.
Hierdoor kan de aard van natuurlijk leer
veranderen.
Jeans of kleding die kan verbleken,
kan het oppervlak van het
stoelbekledingsmateriaal vervuilen.
Onderhoud
9-66
Leren stoelen verzorgen
- Stofzuig de stoel regelmatig om stof en
zand van de stoel te verwijderen. Dit
voorkomt slijtage of beschadiging van
het leder en zorgt voor behoud van de
kwaliteit.
- Veeg de stoelbekleding van natuurlijk
leer vaak af met een droge of zachte
doek.
- Het gebruik van een geschikt
leerbeschermingsmiddel kan slijtage
van de bekleding voorkomen en
helpen de kleur te behouden. Lees de
instructies en raadpleeg een specialist
bij het gebruik van leercoating of
beschermingsmiddel.
- Lichtgekleurd (beige, crème beige) leer
raakt gemakkelijk vervuild en is gevoelig
voor zichtbare vlekken. Reinig de stoelen
geregeld.
- Voorkom afvegen met een natte
doek. Dit kan barsten in het oppervlak
veroorzaken.
De lederen stoelen reinigen
- Verwijder elke vervuiling onmiddellijk.
Raadpleeg de onderstaande instructies
voor het verwijderen van elke
verontreiniging.
- Cosmetische producten
(zonnebrandcrème, foundation enz.)
Breng reinigingscrème op een doek
aan en veeg de vervuilde plek af. Veeg
de crème af met een natte doek en
verwijder het water met een droge doek.
- Dranken (koffie, frisdrank enz.)
Breng een kleine hoeveelheid neutraal
schoonmaakmiddel aan en veeg de
vervuilde plek af totdat er geen vlekken
meer zichtbaar zijn.
- Olie
Verwijder olie direct met een
absorberende doek en veeg de vervuilde
plek af met vlekkenverwijderaar die
speciaal is bestemd voor natuurlijk leer.
- Kauwgom
Maak de kauwgom hard met ijs en
verwijder hem geleidelijk.
Veiligheidsgordels reinigen
Reinig de gordels met een zachte
zeepoplossing die speciaal geschikt is
voor het reinigen van bekleding en tapijt.
Volg de aanwijzingen op het etiket van het
reinigingsmiddel. Bleek of verf de gordels
nooit omdat dit de gordel kan verzwakken.
Binnenzijde ruiten reinigen
Als de ruiten aan de binnenzijde snel beslagen
raken (vette aanslag), moeten ze gereinigd
worden met een speciale glasreiniger. Volg de
aanwijzingen op het etiket van de glasreiniger.
AANWIJZING
Ga niet met scherpe voorwerpen over
de binnenzijde van de achterruit.
Hierdoor kunnen de draden van de
achterruitverwarming beschadigd raken.
09
9-67
EMISSIEREGELSYSTEEM
Op het emissieregelsysteem van uw
auto is een aangepaste garantieregeling
van toepassing. Raadpleeg de garantie-
informatie in het boekje Garantie &
Onderhoud in uw auto.
Uw auto is uitgerust met een
emissieregelsysteem om aan alle
emissienorm te voldoen.
Er zijn drie emissieregelsystemen, namelijk:
(1) Carterventilatiesysteem
(2) Brandstofdampafzuigsysteem
(3) Emissieregelsysteem
Om de goede werking van de
emissieregelsystemen te garanderen, is
het aan te raden uw auto door een officiële
HYUNDAI Erkend Reparateur te laten
controleren en onderhouden volgens het
onderhoudsschema in dit boekje.
OPGELET
Bij controle en onderhoud (met
elektronische stabiliteitsregeling (ESC))
Om overslaan van de motor tijdens het
testen op een rollenbank te voorkomen,
moet het Electronic Stability Control
(ESC) systeem worden uitgeschakeld
door de ESC-schakelaar in te drukken.
Schakel na de rollenbanktest de ESC
weer in door nogmaals op de ESC-
schakelaar te drukken.
1. Carterventilatiesysteem
Het carterventilatiesysteem voorkomt dat
lekgassen uit het carter in de atmosfeer
terechtkomen. Bij dit systeem wordt schone,
gefilterde lucht via de luchtinlaatslang naar
het carter gevoerd. In het carter wordt
de lucht vermengd met de lekgassen en
vervolgens via de carterventilatieklep naar
het luchtinlaatsysteem gevoerd.
2. Brandstofdampafzuigsysteem
Het brandstofdampafzuigsysteem
is ontworpen om te voorkomen dat
brandstofdampen in de atmosfeer
terechtkomen.
Reservoir
De brandstofdampen die vrijkomen in
de brandstoftank worden geabsorbeerd
en opgeslagen in een reservoir. Als de
motor draait worden de opgeslagen
brandstofdampen via de magneetklep
dampafvoer naar het inlaatsysteem gevoerd.
Magneetklep dampafvoer (PCSV -
Purge Control Solenoid valve)
De magneetklep dampafvoer wordt
aangestuurd door de motor-ECU; als
de koelvloeistoftemperatuur laag is bij
stationair draaien, is de PCSV gesloten en
wordt de verdampte brandstof niet naar
de motor toegevoerd. Als de motor op
bedrijfstemperatuur is, wordt tijdens normaal
rijden de verdampte brandstof via de
geopende PCSV naar de motor gevoerd.
Onderhoud
9-68
3. Emissieregelsysteem
Het emissieregelsysteem is een uiterst
effectief systeem dat de uitstoot van
schadelijke stoffen tot een minimum
beperkt zonder dat dit ten koste gaat van de
prestaties.
Voorzorgsmaatregelen met
betrekking tot uitlaatgassen
(koolmonoxide)
Als u uitlaatgassen in de auto ruikt, kan
er ook koolmonoxide in het interieur
aanwezig zijn. Laat het uitlaatsysteem
van uw auto direct controleren en indien
nodig repareren indien u in het interieur
uitlaatgassen ruikt. Rijd niet met de auto
als u in het interieur uitlaatgassen ruikt,
maar als het niet anders kan, rijd dan met
alle ruiten volledig geopend. Laat uw auto
onmiddellijk controleren en repareren.
WAARSCHUWING
Uitlaatgassen bevatten koolmonoxide
(CO). Hoewel het kleurloos en reukloos is,
is het gevaarlijk en kan het bij inademing
dodelijk zijn. Neem de volgende
aanwijzingen in acht ter voorkoming van
koolmonoxidevergiftiging.
Laat de motor in een afgesloten ruimte
(bijvoorbeeld een garage) niet langer
draaien dan nodig is om de auto naar
binnen of naar buiten te rijden.
Stel het ventilatiesysteem zo af dat er
verse buitenlucht naar het interieur
gevoerd wordt als de auto in een open
ruimte stilstaat terwijl de motor wat langer
moet blijven draaien.
Blijf nooit met draaiende motor
gedurende langere tijd in een stilstaande
auto zitten.
Als de motor afslaat of niet wil aanslaan
en er teveel startpogingen ondernomen
worden, kan het emissieregelsysteem
beschadigd raken.
Voorzorgsmaatregelen katalysator
(indien van toepassing)
WAARSCHUWING
Een heet uitlaatsysteem kan brandbare
materialen onder uw auto in brand doen
vliegen. Vermijd contact tussen de auto
en brandbare materialen zoals droog
gras, papier, bladeren, enz. door niet in
de nabijheid daarvan te parkeren of te
rijden, of de motor stationair te laten
draaien.
Het uitlaatsysteem en de katalysator
zijn zeer heet wanneer de motor draait
en direct nadat de motor is uitgezet.
Blijf uit de buurt van het uitlaatsysteem
en de katalysator om brandwonden te
voorkomen.
Verwijder het hitteschild van het
uitlaatsysteem niet, maak de onderkant
van de auto niet dicht en breng geen
coating aan om corrosie tegen te gaan.
Onder bepaalde omstandigheden kan
dit brandgevaar veroorzaken.
09
9-69
Uw auto is uitgerust met een katalysator ten
behoeve van de emissieregeling.
Daarom moeten de volgende
voorzorgsmaatregelen in acht worden
genomen:
Gebruik bij een benzinemotor uitsluitend
LOODVRIJE BENZINE.
Gebruik de auto niet als de motor duidelijk
storingen vertoont, zoals overslaan of
vermogensverlies.
Behandel de motor goed. Voorbeelden
van verkeerd behandelen zijn: de auto
in de versnelling laten rollen terwijl het
contact in stand LOCK staat en een steile
helling af rijden met de motor uit.
Laat de motor niet langdurig (5 minuten of
langer) met een hoog stationair toerental
draaien.
Voer zelf geen aanpassingen of
wijzigingen uit aan de motor of het
emissieregelsysteem. We adviseren u
alle controles en afstellingen uit te laten
voeren door een officiële HYUNDAI-
dealer.
Voorkom rijden met een extreem laag
brandstofniveau. Het leegrijden van de
tank kan leiden tot overslaan van de motor
en overbelasting van de katalysator.
Wanneer bovenstaande
voorzorgsmaatregelen niet in acht worden
genomen, kan schade aan de katalysator en
aan uw auto ontstaan.
Bovendien kan hierdoor de garantie
vervallen.
Benzineroetfilter (GPF)
(indien van toepassing)
Het roetfiltersysteem (GPF) verwijdert roet uit
de uitlaatgassen.
In tegenstelling tot een verwisselbaar
luchtfilter verbrandt (oxideert) het
roetfiltersysteem het verzamelde roet
automatisch tijdens het rijden, afhankelijk
van de rijomstandigheden.
Met andere woorden, het verzamelde roet
wordt door het motormanagementsysteem
en de hoge uitlaatgastemperatuur bij
normale en hogere snelheden automatisch
verwijderd.
Wanneer u met de auto echter alleen
maar korte afstanden aflegt of lange tijd
met lage snelheid rijdt, is het mogelijk
dat het verzamelde roet niet automatisch
wordt verwijderd vanwege de lage
uitlaatgastemperatuur. In dit geval kan het
verzamelde roet een bepaalde grenswaarde
bereiken, ongeacht het roetoxidatieproces,
waarbij het controlelampje van het
benzinedeeltjesfilter GPF gaat branden.
Het GPF-controlelampje dooft wanneer
gedurende ongeveer 30 minuten in de
derde of een hogere versnelling sneller dan
80 km/uur (50 mph) wordt gereden bij een
motortoerental van 1500 ~ 4000 omw/min.
Wanneer het GPF-controlelampje begint
te knipperen of de waarschuwingsmelding
'Controleer uitlaatsysteem' verschijnt terwijl
aan de hierbovengenoemde rijvoorwaarden
wordt voldaan, adviseren we u het GPF-
systeem te laten controleren door een
officiële HYUNDAI-dealer.
Als het GPF-lampje langere tijd blijft
knipperen, kan er schade aan het GPF-
systeem ontstaan en het brandstofverbruik
toenemen.
Onderhoud
9-70
OPGELET
Benzinemotor (indien uitgerust met GPF)
Het is raadzaam om alleen benzinesoorten
te gebruiken die geschikt zijn voor
voertuigen met een roetfilter als uw auto
voorzien is van een roetfiltersysteem.
Als u andere diesels met meer zwavel (meer
dan 50 ppm) gebruikt, of die onbepaalde
additieven bevat, kan deze het GPF-systeem
beschadigen en witte rook veroorzaken.
I
Index
Index
I-2
A
Achteruitrijmonitor (RVM) .................................................................................7-93
Instellingen Achteruitrijmonitor ...................................................................... 7-93
Storingen en beperkingen Achteruitrijmonitor................................................ 7-95
Werking van de Achteruitrijmonitor ............................................................... 7-94
Aanbevolen smeermiddelen en hoeveelheden .....................................................2-14
Aanbevolen SAE-viscositeitsindex ................................................................. 2-15
Accu ..................................................................................................................... 9-22
Accucapaciteitsticker ...................................................................................... 9-23
Accu laden ....................................................................................................... 9-23
Te resetten onderdelen ..................................................................................... 9-24
Voor een optimale werking van de accu.......................................................... 9-23
Afmetingen ............................................................................................................2-9
Airbag - Aanvullend veiligheidssysteem .............................................................3-46
Aanvullende voorzorgsmaatregelen met betrekking tot de veiligheid ............ 3-62
Hoe werkt het airbagsysteem? ........................................................................ 3-52
Onderhoud aanvullend veiligheidssysteem ..................................................... 3-61
Waarom werd de airbag bij een aanrijding niet geactiveerd? ......................... 3-56
Waarschuwingslabel airbag ............................................................................. 3-62
Waar zitten de airbags? ................................................................................... 3-49
Wat gebeurt er als een airbag geactiveerd wordt ............................................. 3-55
Airconditioningsysteem ....................................................................................... 2-13
Als de motor niet gestart kan worden ....................................................................8-4
Als de motor niet of langzaam ronddraait ........................................................ 8-4
Als de motor wel normaal draait maar niet start ............................................... 8-4
Als de motor oververhit raakt ................................................................................8-7
Antidiefstalsysteem..............................................................................................5-15
Anti-doorslipregeling ...........................................................................................6-53
Bediening tractiemodus ................................................................................... 6-53
Lcd-displaybericht........................................................................................... 6-54
Modus anti-doorslipregeling ........................................................................... 6-53
Automatisch verwarmings- en ventilatiesysteem ................................................5-65
Automatische verwarming en airconditioning ................................................ 5-66
Handmatig bediende verwarming en airconditioning ..................................... 5-66
Onderhoud van het systeem ............................................................................ 5-72
Werking systeem ............................................................................................. 5-70
I
I-3
B
Banden en wielen .................................................................................................2-11
Compact reservewiel ....................................................................................... 2-12
Banden en wielen .................................................................................................9-25
Aanbevolen bandenspanning koud ................................................................ 9-25
Banden met een kleine hoogte-/breedteverhouding ........................................ 9-32
Bandenspanning controleren ........................................................................... 9-26
Banden vervangen ........................................................................................... 9-28
Grip ................................................................................................................. 9-29
Label op de wang van de band ........................................................................ 9-29
Onderhoud van banden ................................................................................... 9-29
Onderhoud van de banden ............................................................................... 9-25
Uitlijnen en balanceren van de wielen ............................................................ 9-27
Velgen vervangen ............................................................................................ 9-29
Wielen verwisselen ......................................................................................... 9-27
Bandenspanningslabel .........................................................................................2-16
Belangrijke veiligheidsvoorzorgsmaatregelen .......................................................3-2
Afleiding van de bestuurder .............................................................................. 3-2
Doe uw veiligheidsgordel altijd om .................................................................. 3-2
Gebruik voor alle kinderen de juiste veiligheidssystemen ................................ 3-2
Gevaren airbag .................................................................................................. 3-2
Houd uw auto in een veilige conditie ................................................................ 3-2
Pas uw snelheid aan .......................................................................................... 3-2
Belastingsindex en snelheidsindex banden ..........................................................2-13
Bij een lekke band (met Tire Mobility Kit) .........................................................8-20
Aanwijzingen voor het veilig gebruik van de bandenreparatieset .................. 8-26
De bandenreparatieset gebruiken bij een lekke band ...................................... 8-22
De bandenspanning aanpassen ....................................................................... 8-25
Inleiding .......................................................................................................... 8-20
Onderdelen van de bandenreparatieset ............................................................8-21
Blind-Spot Collision-Avoidance Assist
(BCA, botsingsvermijding blinde hoek) ..............................................................7-34
Blind-Spot Collision-Avoidance Assist
(BCA - botsingsvermijding blinde hoek) ........................................................ 7-38
Instellingen Blind-Spot Collision-Avoidance Assist
(botsingsvermijding blinde hoek) ................................................................... 7-36
Storing en beperkingen van de Blind-Spot Collision-Avoidance Assist
(botsingsvermijding blinde hoek) ................................................................... 7-42
Index
I-4
Brandstoflabel ...................................................................................................... 2-18
Benzinemotor .................................................................................................. 2-18
C
Conformiteitsverklaring ......................................................................................2-17
Contactslot .............................................................................................................6-5
Toets Engine Start/Stop ..................................................................................... 6-5
Controlesysteem lage bandenspanning (TPMS) ....................................................8-8
Controleer de bandenspanning .......................................................................... 8-8
Controlelampje storing TPMS (bandenspanningscontrolesysteem) ............... 8-11
Controlesysteem lage bandenspanning ............................................................. 8-9
Een wiel met TPMS wisselen ......................................................................... 8-11
Krik en gereedschap ........................................................................................ 8-13
Waarschuwingslampje lage bandenspanning .................................................. 8-10
Cruise Control (CC) .............................................................................................7-68
Werking cruise control .................................................................................... 7-68
D
Door de eigenaar uit te voeren onderhoudswerkzaamheden .................................9-5
Schema voor door de eigenaar uit te voeren onderhoudswerkzaamheden .......9-5
Dual clutch-transmissie .........................................................................................6-9
Bediening van de transmissie met dubbele koppeling ...................................... 6-9
Goede rijgewoonten ........................................................................................ 6-16
Parkeren........................................................................................................... 6-16
e
eCall-systeem voor de VAE (VAE)......................................................................8-40
eCall-systeem voor de VAE (VOOR VAE) ..................................................... 8-44
Informatie over gegevensverwerking (VOOR VAE) ...................................... 8-42
E
Elektronisch differentieel met beperkte slip ........................................................6-38
Waarschuwingsmeldingen ............................................................................... 6-39
Elektronisch geregeld veersysteem (ECS)...........................................................6-37
I
I-5
Emissieregelsysteem ............................................................................................ 9-67
Brandstofdampafzuigsysteem ......................................................................... 9-67
Carterventilatiesysteem ................................................................................... 9-67
Emissieregelsysteem ....................................................................................... 9-68
Exterieur ..............................................................................................................5-89
Bagagerek ........................................................................................................ 5-89
Exterieur ..............................................................................................................5-31
Achterklep ....................................................................................................... 5-33
Motorkap ......................................................................................................... 5-31
Tankdopklep .................................................................................................... 5-35
Extra voorzieningen verwarmings- en ventilatiesysteem ....................................5-78
Automatische ventilatie ................................................................................... 5-78
Luchtcirculatie binnen tijdens het gebruik van de ruitensproeiervloeistof ..... 5-78
Luchtrecirculatie in het schuif-/kanteldak ....................................................... 5-78
F
Forward Collision-Avoidance Assist (FCA, Ondersteuning botsingsvermijding
voorzijde) (alleen frontzichtcamera)......................................................................7-2
Instellingen Forward Collision-Avoidance Assist (ondersteuning
botsingsvermijding voorzijde) .......................................................................... 7-3
Storing en beperkingen van de Forward Collision-Avoidance Assist .............. 7-7
Werking van Forward Collision-Avoidance Assist (ondersteuning
botsingsvermijding voorzijde) .......................................................................... 7-5
Forward Collision-Avoidance Assist (FCA, Ondersteuning botsingsvermijding
voorzijde) (Sensor Fusion) ..................................................................................7-14
Instellingen Forward Collision-Avoidance Assist (ondersteuning
botsingsvermijding voorzijde) ........................................................................ 7-15
Storing en beperkingen van de Forward Collision-Avoidance Assist ............. 7-20
Werking van Forward Collision-Avoidance Assist (ondersteuning
botsingsvermijding voorzijde) ........................................................................ 7-17
Forward/Reverse Parking Distance Warning
(parkeersensoren voor/achter, PDW) ................................................................7-109
Hoekradar achteraan...................................................................................... 7-123
Instellingen Afstandswaarschuwing-vooruit/achteruit .................................. 7-109
Storingen en beperkingen Forward/Reverse Parking Distance Warning
(Waarschuwing afstand bij vooruit/achteruit parkeren) ................................ 7-112
Voorradar ....................................................................................................... 7-114
Werking van Afstandswaarschuwing-vooruit/achteruit ................................ 7-110
Index
I-6
G
Geïntegreerde rijmodusregeling ..........................................................................6-41
Eigenschappen van de auto ............................................................................. 6-46
NGS (N Grin Shift) ......................................................................................... 6-45
N-modus .......................................................................................................... 6-43
Rijmodus ......................................................................................................... 6-41
H
Handbediend verwarmings- en ventilatiesysteem ...............................................5-56
Onderhoud van het systeem ............................................................................ 5-62
Verwarming en airconditioning .......................................................................5-57
Werking systeem ............................................................................................. 5-60
Handmatige snelheidslimietregeling (MSLA) .....................................................7-53
Werking van Handmatige snelheidslimietregeling ......................................... 7-53
Head-up display (HUD) .......................................................................................5-38
Head-up display AAN/UIT ............................................................................. 5-39
Informatie head-up display ............................................................................. 5-40
Instelling head-updisplay ................................................................................ 5-40
Waarschuwingen bij het gebruik van het head-updisplay ............................... 5-38
High Beam Assist (HBA) ....................................................................................5-49
High Beam Assist bediening ........................................................................... 5-50
High Beam Assist instelling ............................................................................ 5-49
Storingen en beperkingen van de High Beam Assist ...................................... 5-50
I
Infotainmentsysteem ............................................................................................ 5-90
Antenne ........................................................................................................... 5-90
Audiobediening op het stuurwiel ................................................................... 5-91
Bluetooth® draadloze technologie handsfree .................................................. 5-92
Hoe de autoradio werkt ................................................................................... 5-93
Infotainmentsysteem ....................................................................................... 5-92
Spraakherkenning ............................................................................................ 5-92
USB-aansluiting .............................................................................................. 5-90
I
I-7
Instrumentenpaneel ................................................................................................ 4-4
Bediening instrumentenpaneel .......................................................................... 4-5
Lcd-displayberichten ....................................................................................... 4-23
Meters en tellers ................................................................................................ 4-6
Schakelindicator transmissie ........................................................................... 4-10
Waarschuwings- en controlelampjes ............................................................... 4-11
Interieur................................................................................................................5-82
Bagagenet (houder) ......................................................................................... 5-88
Bekerhouder .................................................................................................... 5-82
Bevestigingspunt(en) vloermat ....................................................................... 5-87
Draadloos oplaadsysteem voor mobiele telefoons .......................................... 5-84
Hoedenplank ................................................................................................... 5-88
Kledinghanger ................................................................................................. 5-86
Klok ................................................................................................................. 5-86
Stopcontact ...................................................................................................... 5-83
Zonneklep ........................................................................................................ 5-83
Interieurluchtfilter ................................................................................................ 9-18
Filter controleren ............................................................................................. 9-18
Filter vervangen .............................................................................................. 9-18
ISG-systeem (Idle Stop & Go) ............................................................................6-32
Deactivering van de accusensor ...................................................................... 6-36
Het ISG-systeem inschakelen ......................................................................... 6-32
Het ISG-systeem uitschakelen ........................................................................ 6-32
ISG-indicatie ................................................................................................... 6-34
Storing in het ISG-systeem ............................................................................. 6-35
Voorwaarden voor de werking van het ISG-systeem ...................................... 6-33
K
Kinderveiligheidssystemen (CRS).......................................................................3-32
Kiezen van een kinderzitje (CRS) ................................................................... 3-33
Ons advies:kinderen altijd achterin ................................................................. 3-32
Plaatsen van een kinderzitje (CRS) ................................................................. 3-35
Index
I-8
L
Label aircocompressor .........................................................................................2-17
Lampen ................................................................................................................9-47
Gloeilamp derde remlicht vervangen .............................................................. 9-56
Gloeilamp interieurverlichting vervangen ...................................................... 9-57
Koplampen afstellen........................................................................................ 9-50
Lamp achterlichtunit vervangen ...................................................................... 9-54
Lamp koplamp, parkeerlicht, richtingaanwijzer en dagrijverlichting
vervangen ........................................................................................................ 9-48
Lamp richtingaanwijzer opzij vervangen ........................................................ 9-54
Vervangen van de gloeilamp van de kentekenplaatverlichting ....................... 9-57
Lane Following Assist (LFA - rijstrook volgen) ..................................................7-89
Instellingen Lane Following Assist (hulp bij rijbaan volgen) ......................... 7-89
Storingen en beperkingen van de Lane Following Assist ............................... 7-92
Werking van de Lane Following Assist........................................................... 7-90
Lane Keeping Assist (LKA, hulp bij rijbaan aanhouden) ...................................7-28
Instellingen Lane Keeping Assist (rijvakassistentie) ...................................... 7-28
Storingen en beperkingen van de Lane Keeping Assist .................................. 7-32
Werking van Lane Keeping Assist (rijvakassistentie) ..................................... 7-30
Lcd-display ..........................................................................................................4-28
Bediening lcd-display...................................................................................... 4-28
Boordcomputer ................................................................................................ 4-34
Weergavemodi .................................................................................................4-29
Lekke band (met reservewiel) .............................................................................8-13
EG-conformiteitsverklaring voor krik............................................................. 8-19
Kriklabel .......................................................................................................... 8-18
Wielen verwisselen ......................................................................................... 8-14
Luchtfilter ............................................................................................................9-17
Filter vervangen .............................................................................................. 9-17
I
I-9
M
Motorkoelvloeistof ..............................................................................................9-12
Controleren van het koelvloeistofpeil ............................................................. 9-12
Koelvloeistof verversen .................................................................................. 9-14
Motornummer ......................................................................................................2-17
Motorolie .............................................................................................................9-10
Motoroliepeil controleren................................................................................ 9-10
Motorolie verversen en filter vervangen ......................................................... 9-11
Motorruimte ........................................................................................................... 2-8
Motorruimte ........................................................................................................... 9-3
Motorspecificaties..................................................................................................2-9
N
Noodvoorzieningen..............................................................................................8-31
Bandenspanningsmeter ................................................................................... 8-31
Brandblusser ................................................................................................... 8-31
EHBO-doos .................................................................................................... 8-31
Gevarendriehoek ............................................................................................ 8-31
N-toets .................................................................................................................6-40
Instellingen N1/N2-toets ................................................................................. 6-40
O
Onderhoud exterieur ............................................................................................9-59
Onderhoud exterieur........................................................................................ 9-59
Onderhoud interieur ........................................................................................ 9-64
Onderhoudswerkzaamheden .................................................................................. 9-4
Verantwoordelijkheid van de eigenaar .............................................................. 9-4
Voorzorgsmaatregelen voor onderhoud uitgevoerd door eigenaar ...................9-4
Ontwasemen en ontdooien voorruit .....................................................................5-74
Achterruitverwarming ..................................................................................... 5-77
Automatisch ontwasemingssysteem(alleen automatisch verwarmings- en
ventilatiesysteem) ............................................................................................ 5-76
Automatisch verwarmings- en ventilatiesysteem............................................ 5-75
Handbediend verwarmings- en ventilatiesysteem ........................................... 5-74
Ontdooien ........................................................................................................ 5-77
Index
I-10
Opbergvak ............................................................................................................5-79
Dashboardkastje .............................................................................................. 5-79
Opbergvak bagageruimte ................................................................................ 5-81
Opbergvak middenconsole .............................................................................. 5-79
Opbergvak voor zonnebril ...............................................................................5-80
Universeel opbergvak ......................................................................................5-80
Overzicht exterieur (I) ...........................................................................................2-2
Overzicht exterieur (II) ..........................................................................................2-3
Overzicht interieur (I) ............................................................................................2-4
Overzicht interieur (II) ...........................................................................................2-6
P
Pan-Europees eCALL-systeem ............................................................................8-32
Informatie over gegevensverwerking (VOOR EUROPA) .............................. 8-34
Pan-EuropeeS eCALL-systeem (VOOR EUROPA) ....................................... 8-36
Parkeerrem ........................................................................................................... 9-16
Brandstoffilterelement vervangen ................................................................... 9-16
Parkeerrem controleren ................................................................................... 9-16
Prestaties- optie ...................................................................................................6-47
Instellingen prestaties-optie ............................................................................ 6-47
Launch control ................................................................................................ 6-47
N Power Shift .................................................................................................. 6-51
N Road Sense .................................................................................................. 6-52
N Track Sense Shift ......................................................................................... 6-50
Verlichting versnellingspook ........................................................................... 6-49
R
Rear Cross-Traffic Collision-Avoidance Assist (RCCA) ...................................7-96
Instellingen Rear Cross-Traffic Collision-Avoidance Assist (ondersteuning
botsingsvermijding achterzijde) ...................................................................... 7-97
Storing en beperkingen van de Rear Cross-Traffic Collision-Avoidance Assist
(ondersteuning botsingsvermijding achterzijde) ........................................... 7-102
Werking Rear Cross-Traffic Collision-Avoidance Assist (ondersteuning
botsingsvermijding achterzijde) ...................................................................... 7-98
Remsysteem ......................................................................................................... 6-18
Antiblokkeersysteem (ABS) ........................................................................... 6-21
Downhill Brake Control (DBC) ...................................................................... 6-29
Electronic Stability Control (ESC) (elektronische stabiliteitsregeling) .......... 6-22
Emergency Stop Signal (ESS) (noodstopsignaal) ........................................... 6-28
Goede remgewoonten ..................................................................................... 6-31
I
I-11
Hill-Start Assist Control (HAC) ...................................................................... 6-28
Hoogwaardige rem .......................................................................................... 6-19
Parkeerrem ...................................................................................................... 6-19
Rembekrachtiging .......................................................................................... 6-18
Remblokslijtage-indicator .............................................................................. 6-18
Vehicle Stability Management (VSM) ............................................................ 6-27
Remvloeistof ........................................................................................................ 9-15
Het remvloeistofniveau controleren ................................................................ 9-15
Reverse Parking Distance Warning (PDW, afstandswaarschuwing-achteruit) ..7-106
Instellingen Afstandswaarschuwing achteruit ............................................... 7-106
Storingen en beperkingen Reverse Parking Distance Warning
(Waarschuwing afstand bij achteruit parkeren) ............................................. 7-107
Werking van Afstandswaarschuwing achteruit ............................................. 7-106
Rijden in de winter...............................................................................................6-58
Sneeuw en ijs................................................................................................... 6-58
Voorzorgen voor de winter .............................................................................. 6-61
Rijden met een aanhanger ....................................................................................6-63
Onderhoud bij het rijden met een aanhanger .................................................. 6-71
Rijden met een aanhanger ............................................................................... 6-68
Uitrusting voor het rijden met een aanhanger ................................................. 6-67
Rijden onder speciale rijomstandigheden ............................................................6-55
Doorwaden van water ..................................................................................... 6-56
Op eigen kracht lostrekken van de auto .......................................................... 6-55
Rijden in de regen ........................................................................................... 6-56
Rijden in het donker ........................................................................................ 6-56
Rijden onder moeilijke omstandigheden ......................................................... 6-55
Rijden op de snelweg ...................................................................................... 6-57
Vloeiend nemen van bochten .......................................................................... 6-55
Voorkomen dat de auto over de kop slaat .......................................................6-57
Ruiten ...................................................................................................................5-23
Elektrisch bedienbare ruiten ............................................................................ 5-23
Ruitensproeiervloeistof ........................................................................................ 9-16
Ruitensproeiervloeistofniveau controleren ..................................................... 9-16
Ruitenwisserblad .................................................................................................9-19
Vervangen van bladen ................................................................................... 9-19
Wisserbladen controleren ................................................................................ 9-19
Ruitenwissers en ruitensproeiers .........................................................................5-52
Ruitensproeier voorruit ................................................................................... 5-54
Ruitenwissers voor .......................................................................................... 5-53
Schakelaar achterruitenwisser en –sproeier .................................................... 5-55
Index
I-12
S
Safe Exit Warning (waarschuwing bij veilig uitstappen, SEW) ..........................7-47
Instellingen Safe Exit Warning (waarschuwing bij veilig uitstappen) ............ 7-48
Storingen en beperkingen Safe Exit Warning
(waarschuwing bij veilig uitstappen) .............................................................. 7-50
Werking van Safe Exit Warning (waarschuwing bij veilig uitstappen) .......... 7-49
Schakelaar alarmknipperlichten.............................................................................8-3
Schuif-/kanteldak ................................................................................................. 5-27
Klembeveiliging .............................................................................................. 5-29
Omhoog/omlaag kantelen ............................................................................... 5-28
Open-/dichtschuiven ....................................................................................... 5-28
Schuif-/kanteldak resetten ............................................................................... 5-30
Waarschuwing geopend schuif-/kanteldak ...................................................... 5-30
Zonnescherm ................................................................................................... 5-27
Slepen ..................................................................................................................8-27
Afneembaar sleepoog ..................................................................................... 8-28
Slepen .............................................................................................................. 8-27
Slepen in een noodgeval.................................................................................. 8-29
Slimme snelheidslimietwaarschuwing (ISLW) ...................................................7-56
Instellingen slimme snelheidslimietwaarschuwing ......................................... 7-56
Storingen en beperkingen slimme snelheidslimietwaarschuwing................... 7-59
Werking slimme snelheidslimietwaarschuwing .............................................. 7-57
Sloten ...................................................................................................................5-10
Kenmerken van de automatische portiervergrendeling/-ontgrendeling .......... 5-13
Kindersloten achterportieren ........................................................................... 5-13
Portiersloten van binnenuit vergrendelen/ontgrendelen .................................. 5-11
Portiersloten van buitenaf vergrendelen/ontgrendelen ....................................5-10
Rear Occupant Alert (Achterbank-passagier-alarm - ROA) ........................... 5-13
Supervergrendeling .........................................................................................5-12
Smart Cruise Control (SCC) ................................................................................7-72
Instellingen Smart Cruise Control ................................................................... 7-73
Storingen en beperkingen Smart Cruise Control ............................................ 7-82
Werking van Smart Cruise Control ................................................................. 7-77
Spiegels ................................................................................................................ 5-19
Binnenspiegel .................................................................................................. 5-19
Buitenspiegels ................................................................................................. 5-20
I
I-13
Starten met een hulpaccu .......................................................................................8-5
Stoelen ...................................................................................................................3-3
Achterstoelen................................................................................................... 3-11
Hoofdsteun ...................................................................................................... 3-14
Stoelverwarming en stoelventilatiesysteem .................................................... 3-18
Veiligheidsvoorzorgsmaatregelen ..................................................................... 3-5
Voorstoelen ........................................................................................................ 3-6
Stuurwiel .............................................................................................................. 5-16
Claxon ............................................................................................................. 5-18
Elektrische stuurbekrachtiging (EPS) ............................................................. 5-16
Stuurwielverwarming ..................................................................................... 5-18
Verstelbare stuurkolom.................................................................................... 5-17
T
Toegang tot uw auto ...............................................................................................5-4
Smart Key.......................................................................................................... 5-4
Startblokkeersysteem ........................................................................................ 5-9
U
Uitleg over periodieke onderhoudspunten .............................................................9-7
V
Veiligheidsgordels ...............................................................................................3-21
Extra voorzorgsmaatregelen veiligheidsgordel ............................................... 3-29
Veiligheidsgordels ........................................................................................... 3-24
Verzorging van veiligheidsgordels .................................................................. 3-31
Voorzorgsmaatregelen veiligheidsgordel ........................................................3-21
Waarschuwingslampje veiligheidsgordel ........................................................ 3-22
Verlichting ...........................................................................................................5-41
Interieurverlichting .......................................................................................... 5-46
Verlichting buitenzijde .................................................................................... 5-41
Welkomstsysteem ............................................................................................ 5-46
Voertuigcertificatielabel .......................................................................................2-16
Voertuiggewicht ................................................................................................... 6-72
Overbeladen .................................................................................................... 6-72
Voertuiggewicht en inhoud bagageruimte ...........................................................2-13
Voertuig-identificatienummer (VIN) ...................................................................2-16
Voertuiginstellingen (infotainmentsysteem) ........................................................4-36
instellingen voor uw voertuig ......................................................................... 4-36
Index
I-14
Vóór het rijden .......................................................................................................6-4
Voor het instappen ............................................................................................ 6-4
Vóór het starten ................................................................................................ 6-4
W
Waarschuwingssysteem voor de aandacht van de bestuurder (DAW).................7-61
Instellingen Driver Attention Warning
(Waarschuwing oplettendheid bestuurder) ..................................................... 7-61
Storingen en beperkingen Driver Attention Warning
(Waarschuwing oplettendheid bestuurder) ...................................................... 7-65
Werking van Driver Attention Warning
(Waarschuwing oplettendheid bestuurder) ...................................................... 7-63
Wattage lamp .......................................................................................................2-10
Wat te doen in een noodgeval tijdens het rijden ....................................................8-3
Als de motor afslaat op een kruispunt of splitsing ............................................ 8-3
Als de motor afslaat tijdens het rijden............................................................... 8-3
Z
Zekeringen ...........................................................................................................9-33
Vervangen zekering dashboard .......................................................................9-34
Vervangen zekering motorruimte .................................................................... 9-35
46

Hulp nodig? Stel uw vraag in het forum

Spelregels

Misbruik melden

Gebruikershandleiding.com neemt misbruik van zijn services uitermate serieus. U kunt hieronder aangeven waarom deze vraag ongepast is. Wij controleren de vraag en zonodig wordt deze verwijderd.

Product:

Bijvoorbeeld antisemitische inhoud, racistische inhoud, of materiaal dat gewelddadige fysieke handelingen tot gevolg kan hebben.

Bijvoorbeeld een creditcardnummer, een persoonlijk identificatienummer, of een geheim adres. E-mailadressen en volledige namen worden niet als privégegevens beschouwd.

Spelregels forum

Om tot zinvolle vragen te komen hanteren wij de volgende spelregels:

Belangrijk! Als er een antwoord wordt gegeven op uw vraag, dan is het voor de gever van het antwoord nuttig om te weten als u er wel (of niet) mee geholpen bent! Wij vragen u dus ook te reageren op een antwoord.

Belangrijk! Antwoorden worden ook per e-mail naar abonnees gestuurd. Laat uw emailadres achter op deze site, zodat u op de hoogte blijft. U krijgt dan ook andere vragen en antwoorden te zien.

Abonneren

Abonneer u voor het ontvangen van emails voor uw Hyundai Kona - 2022 bij:


U ontvangt een email met instructies om u voor één of beide opties in te schrijven.


Ontvang uw handleiding per email

Vul uw emailadres in en ontvang de handleiding van Hyundai Kona - 2022 in de taal/talen: Nederlands als bijlage per email.

De handleiding is 19.37 mb groot.

 

U ontvangt de handleiding per email binnen enkele minuten. Als u geen email heeft ontvangen, dan heeft u waarschijnlijk een verkeerd emailadres ingevuld of is uw mailbox te vol. Daarnaast kan het zijn dat uw internetprovider een maximum heeft aan de grootte per email. Omdat hier een handleiding wordt meegestuurd, kan het voorkomen dat de email groter is dan toegestaan bij uw provider.

Stel vragen via chat aan uw handleiding

Stel uw vraag over deze PDF

Uw handleiding is per email verstuurd. Controleer uw email

Als u niet binnen een kwartier uw email met handleiding ontvangen heeft, kan het zijn dat u een verkeerd emailadres heeft ingevuld of dat uw emailprovider een maximum grootte per email heeft ingesteld die kleiner is dan de grootte van de handleiding.

Er is een email naar u verstuurd om uw inschrijving definitief te maken.

Controleer uw email en volg de aanwijzingen op om uw inschrijving definitief te maken

U heeft geen emailadres opgegeven

Als u de handleiding per email wilt ontvangen, vul dan een geldig emailadres in.

Uw vraag is op deze pagina toegevoegd

Wilt u een email ontvangen bij een antwoord en/of nieuwe vragen? Vul dan hier uw emailadres in.



Info