De machines zijn uitgerust met chronometer en verlichting.
De Rider 316T AWD, 316Ts AWD, 316TXs AWD is voorzien
v
an vierwielaandrijving.
De Rider 316Ts AWD, 316TXs AWD is bovendien uitgerust
met stuurbekr
achtiging.
De krachtoverbrenging vanaf de motor wordt gerealiseerd via
een h
ydrostatische transmissie, die een variabele
snelheidsregeling met behulp van de pedalen mogelijk
maakt.
Er is een pedaal voor het vooruit en een pedaal voor het
achter
uit rijden.
Gashendel
De gasbediening regelt het toerental van de motor en
daarmee ook de rotatiesnelheid van de messen.
Om het toerental van de motor te verhogen of verlagen wordt
de bediening achter
uit resp. vooruit gebracht.
Voorkom lange tijd stationair draaien, het risico bestaat dat
een afz
etting op de bougie optreedt.
Chokehendel
De chokebediening wordt gebruikt voor de koude start om de
motor een vetter brandstofmengsel te geven.
Bij een koude start wordt de bediening achteruit gebracht
naar zijn eindstand.
Snelheidsregeling
De snelheid van de machine wordt traploos geregeld met
twee pedalen. Bij het vooruit rijden wordt pedaal (1) gebruikt
en bij achteruit rijden pedaal (2).
Handrem
De handrem wordt op de volgende wijze aangezet:
1Druk het parkeerrempedaal (1) in.
2Druk de vergrendelknop (2) op de stuurkolom in.
3Laat het parkeerrempedaal opkomen terwijl u de knop
ingedr
ukt houdt.
De blokkering van de handrem wordt automatisch
uitgeschak
eld als het rempedaal wordt ingedrukt.
Maaielement
Rider 316T, Rider 316T AWD, 316TXs AWD en Rider 316Ts
AWD kunnen worden uitgerust met drie verschillende
maaieenheden.
•Combi 94
•Combi 103
•Combi 112
Het combi-element verdeelt het maaisel tot meststoffen,
w
anneer de BioClip-plug is gemonteerd. Zonder BioClip-plug
werkt het element op dezelfde manier als een
achteruitworpelement.
!
WAARSCHUWING! Zorg ervoor dat takken
niet bij de pedalen kunnen bij het maaien
onder struiken. Gevaar van ongewenste
beweging.
1
2
1
2
14 – Dutch
PRESENTATIE
Hefstang voor het maaielement
De hendel wordt gebruikt om de maaikast in de transport- of
maaistand te zetten.
Wanneer de stang naar achteren wordt getrokken zal het
element omhoog gaan en stoppen de messen automatisch
met dr
aaien (transportstand).
Wanneer de vergrendelknop wordt ingedrukt en de stang
w
ordt naar voren gebracht zal het maaielement zakken en
beginnen de messen automatisch te draaien (maaistand).
De hendel kan ook worden gebruikt voor het tijdelijk regelen
v
an de maaihoogte bij bijv. een kleine verhoging in de
grasmat.
Hendel voor instelling van
maaihoogte
Met de hendel kan de maaihoogte worden geregeld in 10
verschillende standen. 25-75 mm
Verlichting
De verlichting wordt aan- en uitgezet met de schakelaar op
het regelpaneel.
Urenteller
De urenteller laat de tijd zien die de motor gelopen heeft. De
tijd die eventueel verstrijkt wanneer de motor stil staat met de
ontsteking aan, wordt niet geregistreerd. Het laatste cijfer laat
een tiende van een uur zien (6 minuten).
Zitting
De zitting heeft een gelede bevestiging aan de voorkant en
kan voorover worden geklapt.
De zitting kan ook worden afgesteld in de lengterichting.
Bij afstelling wordt de hendel onder de voorkant van de zitting
naar links gebr
acht, daarna kan de zitting naar voren of naar
achteren worden geschoven tot de gewenste stand.
Tanken
De motor moet op loodvrije benzine van ten minste 87-octaan
(niet met olie gemengd) lopen. Milieuvriendelijke alkylbenzine
kan heel goed gebruikt worden. (Max. methanol 5%, max.
ethanol 10%, max. MTBE 15%)
Vul de tank niet helemaal, laat ten minste 2,5 cm (1“)
e
xpansieruimte over.
START
STOP
!
WAARSCHUWING! Benzine is zeer
brandgevaarlijk. Neem voorzichtigheid in
acht en tank buitenshuis (zie de
veiligheidsinstructies).
BELANGRIJK!
Gebruik de brandstoftank niet om dingen op te leggen.
Dutch – 15
PRESENTATIE
Ontkoppelingsregeling
Om de zitmaaier te kunnen verplaatsen met een motor die uit
staat moet u de ontkoppelingshendel uittrekken.
Als u probeert de machine te rijden met uitgetrokken
ontk
oppelingshendels zal hij zich niet verplaatsen. Als de ene
hendel is uitgetrokken, verliest u de aandrijving op die as.
Trek de hendels naar de eindstand, gebruik geen
tussenstanden.
Ontkoppelingshendel Rider 316T AWD,
316TXs AWD en Rider 316Ts AWD
Rider 316T AWD, 316TXs AWD en Rider 316Ts AWD hebben
afzonderlijke schakelaars voor de voor- en de achteras.
•Ontkoppelingshendel achteras
- Uitgetrokken hendel, het aandrijfsysteem is ontkoppeld.
- Ingedrukte hendel, het aandrijfsysteem is ingeschakeld.
•Ontkoppelingshendel vooras
De hendel zit aan de binnenkant van het linker voorwiel.
- De hendel naar achteren (uitgetrokken), het
aandr
ijfsysteem is uitgeschakeld.
- De hendel naar voren (ingedrukt), het aandrijfsysteem is
ingeschak
eld.
Ontkoppelingsregeling Rider 316T
•Trek de hendel uit om het aandrijfsysteem uit te
schakelen.
Duw de hendel in om het aandrijfsysteem in te schakelen.
BELANGRIJK!
Gebruik de machines altijd terwijl beide
ontkoppelingshendels ingedrukt zijn.
16 – Dutch
Rijden
Voor de start
•Lees de veiligheidsinstructies en de informatie over de
plaats van de hendels en functies door voordat u start.
•Voer dagelijks onderhoud uit voor de start volgens het
Onderhoudsschema.
Starten van de motor
1Zorg ervoor dat de ontkoppelingshendel ingedrukt is.
Rider 316T AWD, 316TXs AWD en Rider 316Ts AWD
hebben afzonderlijke schakelaars voor de voor- en de
achteras.
2Breng de maaikast omhoog door de hendel naar achter te
trekk
en naar de blokkeerstand (transportstand) en zet de
handrem aan. De motor kan niet opnieuw worden gestart,
als de parkeerrem niet wordt ingedrukt.
3Breng de gasbediening naar de middelste stand.
4Als de motor koud is, moet de chokebediening achteruit
naar zijn eindstand w
orden gebracht.
5Draai de contactsleutel naar de startstand.
6Als de motor start, laat dan de contactsleutel meteen
ter
ug springen naar de neutrale stand.
7Schuif de chokebediening geleidelijk naar voren als de
motor is gestar
t.
8Laat de motor 3-5 min op laag toerental “halfgas” lopen
v
oordat hij zwaar belast wordt.
9Stel het gewenste motortoerental in met de gasbediening.
BELANGRIJKE INFORMATIE
Het luchtinlaatrooster in de motorkap achter de
bestuurderszitting mag niet geblokkeerd zijn door bijv.
kledingstukken, bladeren, gras of viezigheid. Dat
verslechtert de koeling van de motor.
Risico van ernstige motorbeschadigingen.
1
2
START
STOP
BELANGRIJKE INFORMATIE
Laat de startmotor niet langer dan ca. 5 seconden achter
elkaar draaien. Als de motor niet start wacht dan ca. 15
seconden voordat de volgende startpoging wordt gedaan.
!
WAARSCHUWING! Laat de motor nooit
binnenshuis lopen, in een gesloten of slecht
geventileerde ruimte. De uitlaatgassen van
de motor bevatten giftig koolmonoxyde.
START
STOP
START
STOP
START
STOP
START
STOP
START
STOP
Dutch – 17
Rijden
Starten van een motor met een
zwakke accu
Als de accu te zwak is om de motor te starten, dient deze
opgeladen te worden.
Bij het gebruik van startkabels voor een noodstart, volgt u
onderstaande procedure:
Aansluiten van startkabels
•Sluit ieder eind van de rode kabel aan op de POSITIEVE
pool (+) van iedere accu, en let goed op dat u geen einde
tegen het chassis kortsluit.
•Sluit het ene uiteinde van de zwarte kabel aan op de
NEGA
TIEVE pool (-) op de accu die vol is.
•Sluit het andere uiteinde van de zwarte kabel aan op
goede CHASSISAARDING, op r
uime afstand van de
brandstoftank en de accu.
Verwijder de kabels in omgekeerde
volgorde.
•De ZWARTE kabel haalt u eerst los van het chassis en
dan van de volle accu.
•De RODE kabel haalt u als laatste van beide accu’s.
Rijden met de zitmaaier
1Zet de parkeerrem los door eerst het parkeerrempedaal in
te drukken en daarna op te laten komen.
2Druk voorzichtig een van de pedalen in tot de gewenste
snelheid w
ordt bereikt. Bij het vooruit rijden wordt pedaal
(1) gebruikt en bij achteruit rijden pedaal (2).
3Kies de gewenste maaihoogte (1-10) met de hendel voor
het instellen v
an de maaihoogte.
Om een gelijkmatige maaihoogte te krijgen, is het
belang
rijk dat de luchtdruk in beide voorwielen gelijk is 60
kPa/0,6 bar/8,5 PSI.
4Druk de vergrendelknop op de hefstang in en laat het
maaielement zakk
en.
!
WAARSCHUWING! Lood-zuur-accu’s geven
explosieve gassen af. Voorkom vonken,
open vuur en roken vlakbij accu’s. Draag
altijd een veiligheidsbril in de buurt van
accu’s.
BELANGRIJKE INFORMATIE
Uw grasmaaier is voorzien
van een 12-volts systeem met negatieve aarding. Het
andere voertuig moet ook een 12-volts systeem met
negatieve aarding hebben. Gebruik de accu van de maaier
niet om andere voertuigen te starten.
BELANGRIJKE INFORMATIE
De levensduur van de aandrijfriemen wordt aanzienlijk
verlengd wanneer de motor op laag toerental loopt wanneer
de messen worden ingeschakeld. Geef daarom pas vol gas
wanneer het maai-element neergeklapt is naar maaistand.
1
2
1
2
18 – Dutch
Rijden
Maaitips
•Lokaliseer en markeer stenen en andere vaste
voorwerpen om te vermijden dat u hier tegenaan rijdt.
•Begin met een hoge maaihoogte en verminder tot het
ge
wenste maairesultaat wordt verkregen.
•Het beste maairesultaat wordt verkregen bij het hoogste
toegestane motor
toerental, zie de technische gegevens
(de messen draaien snel), en een lage rijsnelheid (de
Rider beweegt langzaam). Is het gras niet al te lang en
dicht op elkaar groeiend, kan de rijsnelheid worden
verhoogd zonder dat het maairesultaat merkbaar
verslechtert.
•De mooiste grasmat krijgt u als u deze vaak maait. Het
maaien w
ordt regelmatiger en het afgeknipte gras wordt
gelijkmatiger over het oppervlak verdeeld. De totale tijd
die u aan het maaien besteedt wordt niet langer
aangezien een hogere rijsnelheid kan worden gekozen
zonder dat het maairesultaat slechter wordt.
•Vermijd het maaien van een natte grasmat. Het
maairesultaat zal dan minder zijn.
•Spoel de onderkant van het maai-element na ieder
gebr
uik met water af, gebruik geen hogedrukspuit. Het
maaielement moet dan in servicestand worden gezet.
•Wanneer u de BioClip-functie gebruikt, komt het extra
nauw dat het maai-inter
val niet te lang is.
Afzetten van de motor
Laat de motor bij voorkeur een minuut stationair lopen om
weer de normale werktemperatuur te krijgen voordat hij wordt
afgezet, als hij hard heeft moeten werken. Voorkom lange tijd
stationair draaien, het risico bestaat dat een afzetting op de
bougie optreedt.
1Til het maaielement op door de hendel naar achteren te
trekk
en naar de vergrendelstand.
2Zet de gashendel in de stationairstand. Draai de
contactsleutel naar de stand ”ST
OP”.
3Wanneer de zitmaaier stil staat, moet u de parkeerrem
naar beneden houden en de vergrendelknop indrukken.
!
WAARSCHUWING! Reinig de grasmat van
stenen en andere voorwerpen die door de
messen kunnen worden weggeslingerd.
!
WAARSCHUWING! Gebruik de zitmaaier
nooit op terrein dat meer dan 10
°°
°°
helt. Maai
hellingen recht naar boven en recht naar
beneden, nooit dwars. Vermijd plotselinge
richtingsveranderingen.
START
STOP
Dutch – 19
ONDERHOUD
Onderhoudsschema
Hier volgt een lijst met het onderhoud dat aan de zitgrasmaaier moet worden uitgevoerd. Voor de punten die niet in deze
gebruiksaanwijzing staan beschreven, moet u een erkende servicewerkplaats bezoeken.
1)
Bij dagelijks gebruik van de zitmaaier moet er twee keer per week gesmeerd worden.
2)
Onder stoffige omstandigheden moeten schoonmaken en vervangen vaker
gebeuren.
3)
Eerste vervanging na 8 uur. Bij rijden met zware belasting of hoge omgevingstemperaturen, vervangt u de olie om de 50 uur.
4)
Vervang het oliefilter om de
200 uur.
5)
Vervang het papieren filter jaarlijks of om de 200 uur.
6)
Moet door een erkende servicewerkplaats worden uitgevoerd.
7)
Alleen 316T AWD, 316Ts AWD,
316TXs AWD eerste vervanging na 8 uur
X = Beschreven in deze gebruiksaanwijzing
O = Niet beschreven in deze gebruiksaanwijzing
Onderhoud
Dagelijks onderhoud
voor de start
Minstens
jaarlijks
Onderhoudsinterva
l in uren
2550100200
SchoonmakenX
Controleer het oliepeil van de motorX
Controleer de koelluchtinlaat van de motorX
Controleer het luchtfilter van de brandstofpompX
Controleer de stuurkabelsX
Controleer de accuX
Controleer het veiligheidssysteemX
Controleer bouten en moerenO
Controleer of er geen brandstof- of olielekken zijn.O
Maak schoon rond de geluiddemperO
Maak het voorfilter in het luchtfilter schoon
2)
X
Vervang de motorolie
3, 4)
X
3
X
3
Controleer het maaielementX
Controleer de luchtdruk van de banden 60 kPa/8,5 PSIX
Smeer de riemspanner
1)
X
Smeer scharnierpunten en assen
1)
X
De rem afstellenX
Controleer de V-snarenO
Controleer de koelflenzen van de hydrostaatO
Controle van het oliepeil van de transmissieX
Controle en afstellen van chokekabelX
Draai bouten en moeren vastO
Controleren en afstellen van de gaskabelX
Maak de koelflenzen van de motor en de hydrostaat schoon
2)
O
Vervang het voorfilter en het papieren filter van het luchtfilter
2,5)
XX
Vervang het brandstoffilterX
Vervang de bougie.X
Controleer de ventielspeling van de motor
6)
Controle van noodzaak olie verversen
6,7)
in versnellingsbak/
hydraulisch systeem
OO
Vervang oliefilterX
Maak de verbrandingskamer schoon
6)
Aanslag verwijderen en slijpen van kleppen
6)
Controleer de synchronisatie tussen de voor- en achterwielen.O
Controleer de brandstofleiding. Vervang indien nodig.
6)
O
!
WAARSCHUWING! Werk niet aan de motor
of het maai-element vooraleer:
De motor afgezet is.
De handrem geactiveerd is.
De contactsleutel verwijderd is.
Het maai-element losgekoppeld is.
De ontstekingskabels van de bougie gehaald
zijn.
20 – Dutch
ONDERHOUD
Schoonmaken
Maak de machine direct na gebruik schoon. Het is veel
makkelijker maairesten weg te spoelen als ze nog niet vast
gedroogd zijn.
Olieresten kunnen worden opgelost met een koud
ontv
ettingsmiddel. Breng een dunne laag aan.
Afspoelen met gewoon water (waterleidingdruk).
Richt de straal niet op elektrische componenten of lagers.
Spoel geen hete oppervlakken af, zoals de motor en het
uitlaatgassysteem.
Na het schoonmaken raden wij aan de motor te starten en het
maaidek enige tijd te laten dr
aaien, zodat het overgebleven
water wordt weggeblazen.
Smeer de machine indien nodig na het schoonmaken. Smeer
bij v
oorkeur een keer extra wanneer lagers blootgesteld zijn
aan ontvettingsmiddel of de waterstraal.
Demontage van de kappen van de
zitmaaier
De motorkap
Wanneer de motorkap omhooggeklapt is, kunt u overal goed
bij om de service aan de motor uit te voeren.
Klap de stoel naar voren, maak de klikvergrendeling onder de
stoel los en klap de afdekking naar achteren.
Frontkap
Maak de snelsluiting los en verwijder de frontkap.
Rechter vleugelkap
Verwijder de knop op de snelheidshendel (1), de bouten (2 en
3) en til de kap eraf.
Linker vleugelkap
Maak de bouten van de vleugelkap (2 st) los en til de kap eraf.
Controleren en afstellen van de
besturingskabels
De besturing wordt geregeld met behulp van kabels.
Deze kunnen zich nadat de zitmaaier een tijd in gebruik is
ge
weest, uitrekken, hetgeen betekent dat de afstelling van de
besturing gewijzigd kan zijn.
De besturing wordt gecontroleerd en afgesteld op de
v
olgende manier:
1Verwijder de frameplaat door de bouten los te draaien (2
st) en til de fr
ameplaat aan de achterkant op.
2Controleer hoe strak de stuurkabels zijn door ze bij de
pijlen samen te drukken, zoals op de afbeelding te zien is.
De kabels moeten zo samen kunnen worden geklemd dat
de afstand tussen hen half zo groot wordt, zonder al te
veel kracht te gebruiken.
3Indien nodig kunnen de kabels gespannen worden door
de stelmoeren aan iedere kant v
an de stuurkrans aan te
draaien. Span de kabels niet te strak, ze moeten alleen
tegen de stuurkrans getrokken worden.
Hou de kabel tegen met bijv. een bahco, zodat hij niet
ineen dr
aait.
Wanneer de afstelling aan de ene kant gedaan wordt, zal
de middenstand v
an het stuur beïnvloed worden.
Controleer de spanning van de draden nadat de afstelling
is uitge
voerd volgens punt 2.
BELANGRIJKE INFORMATIE
Spoel niet met de hogedrukspuit of stoom. Het risico is
groot dat er water in de lagers en de elektrische
aansluitingen komt. Dat kan leiden tot roestvorming,
waardoor storingen in de werking optreden. Het toevoegen
van een schoonmaakmiddel verergert gewoonlijk de
schade.
2
1
2
2
Dutch – 21
ONDERHOUD
Afstellen van handrem Rider 316T
De parkeerrem wordt als volgt afgesteld:
1Maak de borgmoeren (1) los.
2Span de kabel met de stelschroef (2) tot alle speling in de
kabel v
erdwijnt.
3Draai na het afstellen de borgmoeren (1) vast.
4Nadat het afstellen gereed is, moet de parkeerrem
opnieuw gecontroleerd w
orden.
Afstellen van handrem Rider 316T
AWD, Rider 316TXs AWD en Rider
316Ts AWD
Controleer of de parkeerrem goed is afgesteld door de
machine op een helling te zetten met ontkoppelde voor- en
achterassen.
Schakel de parkeerrem in en vergrendel deze. Indien de
machine niet stil staat, moet u de par
keerrem als volgt
afstellen.
1Verwijder de linker vleugelkap.
2Maak de borgmoeren (1) los.
3Span de kabel met de stelschroef (2) tot alle speling in de
kabel v
erdwijnt.
4Draai de borgmoeren (1) vast.
5Nadat het afstellen gereed is, moet de rem opnieuw
gecontroleerd w
orden.
6Plaats de linker vleugelkap.
Controleren en afstellen van de
gaskabel
Controleer of de motor reageert bij gas geven en of het juiste
toerental wordt bereikt bij volgas geven.
Bezoek bij twijfel een servicewerkplaats.
Indien afstelling nodig is, kan dit als volgt op de onderste
kabel uitge
voerd worden:
1Maak de klemschroef voor de mantel van de kabel los en
schuif de gashendel naar de v
olgasstand.
2Controleer of de gaskabel in het juiste bevestigingsgat op
de onderste hef
arm gemonteerd is, zie afbeelding.
3Druk de buitenhuls van de gaskabel zo ver mogelijk naar
links en z
et de klemschroef vast.
Controle en afstellen van
chokekabel
Als de motor zwarte rook uitstoot of moeilijk start kan dat
veroorzaakt worden door een verkeerd afgestelde
chokekabel (bovenste kabel).
Bezoek bij twijfel een servicewerkplaats.
Indien afstelling nodig is, kan dit als volgt uitgevoerd worden:
1Maak de klemschroef voor de buitenhuls van de kabel los
en schuif de chok
ehendel naar volledige chokestand.
2Controleer of de chokekabel op de bovenste hefarm
gemonteerd is
, zie afbeelding.
3Trek de buitenhuls van de chokekabel zo ver mogelijk
naar rechts en zet de klemschroef vast.
!
WAARSCHUWING! Een slecht afgestelde
parkeerrem kan leiden tot verminderd
remvermogen.
22 – Dutch
ONDERHOUD
Vervangen van brandstoffilter
Vervang het op de leiding gemonteerde brandstoffilter iedere
100 uur (een keer per seizoen) of vaker als het verstopt is.
Vervang het filter op de volgende wijze:
1Klap de motorkap omhoog.
2Haal de slangklemmen weg bij het filter. Gebruik een
platte tang.
3Trek het filter los van de slanguiteinden.
4Druk het nieuwe filter in de uiteinden van de leiding. Indien
nodig kan een z
eepoplosssing op de filteruiteinden
aangebracht worden om de montage te
vergemakkelijken.
5Zet de slangklemmen weer terug bij het filter.
Controleren van het luchtfilter van
de brandstofpomp
Controleer regelmatig of het luchtfilter van de brandstofpomp
vrij is van vuil.
Het filter kan indien nodig worden gereinigd met een penseel.
Vervangen van luchtfilter
Als de motor zwak lijkt of onregelmatig loopt kan de oorzaak
zijn dat het luchtfilter is verstopt. Het is daarom van belang het
luchtfilter regelmatig te vervangen (zie onder Onderhoud/
Onderhoudsschema voor het juiste service-interval).
Vervangen van luchtfilter gaat als volgt:
1Maak de knoppen los waarmee de filterkap vastzit en
v
erwijder hem.
2Maak de slangklem waarmee de luchtfiltercartridge op
zijn plaats w
ordt gehouden, los.
3Neem het filterpatroon uit het filterhuis.
4Verwijder het voorfilter van schuimrubber dat om de
luchtfiltercar
tridge is aangebracht en reinig met een mild
reinigingsmiddel.
5Droog het voorfilter goed af.
6Reinig het filter door er voorzichtig mee op een hard
opper
vlak te kloppen. Gebruik geen perslucht om het filter
te reinigen. Vervang het luchtfilter als dit nog steeds vuil is.
Vervang het papierfilter altijd om de 200 uur.
7Plaats het voorfilter terug op het papierfilter.
8Trek het filter over de luchtslang heen en zet de
luchtfiltercar
tridge vast met een slangklem.
9Monteer het luchtfilterdeksel.
!
WAARSCHUWING! Het uitlaatsysteem is
warm. Laat het afkoelen voordat u begint aan
het vervangen van het luchtfilter.
BELANGRIJKE INFORMATIE
Laat de motor nooit draaien wanneer het luchtfilter is
verwijderd.
De filters mogen niet geolied worden. Ze moeten droog
worden gemonteerd.
Dutch – 23
ONDERHOUD
Ontstekingssysteem
De motor is voorzien van een elektronische ontsteking. Alleen
de bougie heeft onderhoud nodig.
Aanbevolen bougie, zie Technische Gegevens.
Vervangen van bougie
1Trek de bougiedop los en maak het rond de bougie
schoon.
2Verwijder de bougie met een 3/4' (19 mm) bougiedop.
3Controleer de bougie. Vervang de bougie wanneer de
elektroden rondom v
erbrand zijn of wanneer de isolator
gescheurd of beschadigd is. Maak de bougie schoon met
een staalborstel als die moet worden gebruikt.
4Meet de elektrodenafstand met een voelermaat. De
afstand moet 0,75 mm / 0,030”
zijn. Stel de afstand indien
nodig af door de massaelektrode te buigen.
5Schroef de bougie met de hand terug om te voorkomen
dat het schroefdr
aad beschadigd raakt.
6Draai de bougie, als deze tegen de zitting aanligt, met een
bougiesleutel v
ast. Draai de bougie zo vast dat de ring
wordt samengedrukt. Een oude, opnieuw gebruikte
bougie moet 1/8 slag aangedraaid worden vanaf het
aanligpunt. Een nieuwe bougie moet 1/4 slag
aangedraaid worden vanaf het aanligpunt.
7Zet de bougiedop terug.
Controle van veiligheidssysteem
De zitmaaier is uitgerust met een veiligheidssysteem dat
starten of rijden onder de volgende condities verhindert.
De motor kan alleen in de volgende gevallen worden gestart:
•Het maaidek staat in de geheven stand en de parkeerrem
is ingeschak
eld.
De motor hoort in de volgende situaties te stoppen:
•Het maaidek wordt omlaag gezet en de bestuurder staat
op v
an de stoel.
•Het maaidek staat in de geheven stand, de parkeerrem is
niet ingeschak
eld en de bestuurder staat op van de stoel.
Controleer dagelijks of het veiligheidssysteem werkt door de
motor te star
ten terwijl niet wordt voldaan aan een van
bovenstaande voorwaarden. Wijzig de omstandigheden en
probeer het opnieuw.
Lampen vervangen
Voor informatie over het type lamp, zie Technische Gegevens.
1Schroef de twee bouten los waarmee de kap vastzit op
het stuurbekr
achtiginghuis. Eén schroef aan elke zijde.
2Trek de kabels van de lampen los.
3Druk het vergrendelingsmechanisme voorzichtig in en
haal de lampen los uit de beugels
.
4Steek de nieuwe lampen in de onderste sleuf op de
lampbehuizing.
5Druk de lamp in positie in de vergrendelbeugel.
6Plaats de lamphouder in de onderste sleuven op het
ser
vohuis.
7Plaats de kabels terug en schroef de lamphouder vast op
het ser
vohuis.
BELANGRIJKE INFORMATIE
Een verkeerd type bougie kan de motor beschadigen.
BELANGRIJKE INFORMATIE
Een bougie, die niet goed is aangedraaid, kan
oververhitting veroorzaken en de motor beschadigen. Een
bougie, die te hard is aangedraaid, kan de schroefdraad in
de cilinderkop beschadigen.
24 – Dutch
ONDERHOUD
Hoofdzekering
De hoofdzekering zit in een losse houder onder het deksel
van de accubak, voor de accu.
Type: Platte stiftbeugel, 15 A.
Vervang de zekering nooit door een ander type zekering.
Een gesprongen zekering geeft aan dat de stift verbrand is.
T
rek de zekering uit de houder om te vervangen.
De zekering dient ter bescherming van het elektrisch
systeem.
Wanneer hij in korte tijd weer springt, komt dit door
een kortsluiting die moet worden verholpen voordat de
machine weer in gebruik wordt genomen.
Controle van de spanning van de
banden
De spanning van de banden moet 60 kPa (0,6 bar / 9 PSI)
voor alle wielen bedragen. Om het aandrijfvermogen te
verbeteren, kan de spanning voor de achterbanden worden
verminderd tot 40 kPa (0,4 bar/5,6 PSI). Hoogste toegestane
spanning is 100 kPa (1,0 bar/14 PSI).
Controle van de koelluchtinlaat van
de motor
Maak het luchtinlaatrooster in de motorkap achter de
bestuurderszitting schoon.
Klap de motorkap omhoog.
Controleer of de koelluchtinlaat van de motor vrij is van
b
laderen, gras en vuil.
Bij een verstopt luchtinlaatrooster, luchtleiding of
k
oelluchtinlaat verslechtert het koelen van de motor, hetgeen
kan leiden tot beschadiging aan de motor.
Montage van knipaggregaat
1Plaats de Rider op een vlakke ondergrond en activeer de
handrem.
2Verzeker u ervan dat de hendel voor het instellen van de
maaihoogte in de laagste stand staat en dat de hefboom
v
oor het maaidek in de maaistand staat.
3Druk het werktuigframe omlaag en plaats de pal tegen het
fr
ame.
4Steek de riem in de riemhouder.
BELANGRIJKE INFORMATIE
Een gelijke luchtdruk in de banden is van belang voor het
behalen van de best mogelijke prestaties en om schade
aan de machine te voorkomen.
!
WAARSCHUWING! De koelluchtinlaat draait
wanneer de motor loopt. Pas op uw vingers.
!
WAARSCHUWING! Draag een
beschermingsbril wanneer u het maai-
element monteert. De veer waarmee de riem
wordt gespannen kan loskomen en
persoonlijk letsel veroorzaken.
Dutch – 25
ONDERHOUD
5Druk het maaidek omlaag en plaats de geleidepluggen in
de inkepingen in het werktuigframe, aan elke kant één.
6Breng de maaikast omhoog
7Druk het maaidek omlaag zodat de inwendige pluggen de
bodem v
an de inkepingen in het werktuigframe raken.
8Plaats de aandrijfriem rond de poelies van het element.
Verzeker u ervan dat de riem aan de juiste kant van het
riemspannerwiel is geplaatst.
9Haak de stang voor de hoogteinstelling vast.
10Zet de veer van het spanwiel vast.
11Monteer de frontkap.
Verwijderen van maai-element
1Volg Servicestand voor maai-element, punt 1-6 om het
maai-element in servicestand te zetten.
2Laat het maaidek zakken.
3Open de maaidekpal.
4Trek het maaidek naar buiten.
!
WAARSCHUWING! Neem voorzichtigheid in
acht zodat uw hand niet bekneld raakt.
!
WAARSCHUWING! Draag een
beschermingsbril wanneer u het
maaielement demonteert. De veer waarmee
de riem wordt gespannen kan loskomen en
persoonlijk letsel veroorzaken.
!
WAARSCHUWING! Neem voorzichtigheid in
acht zodat uw hand niet bekneld raakt.
26 – Dutch
ONDERHOUD
Controle en afstellen van gronddruk
van het maai-element
Om het beste maairesultaat te krijgen moet het maai-element
de ondergrond volgen zonder te stevig aan te liggen.
De druk wordt afgesteld met een bout en veer aan beide
kanten v
an de zitmaaier.
1Controleer de luchtdruk van de banden 60 kPa/0,6 kp/
cm
2
/8,5 PSI.
2Plaats de zitmaaier op een vlakke ondergrond.
3Zet de hefstang in maaistand.
4Plaats een personenweegschaal onder het frame van het
maai-element (aan de v
oorkant) zo dat het maai-element
op de weegschaal rust. Indien nodig kan er een klos
gelegd worden tussen het frame en de weegschaal zodat
de steunwielen geen gewicht dragen.
5Stel de gronddruk van het maai-element af door de
stelschroe
ven die aan beide kanten achter de voorwielen
zitten, in of uit te schroeven. De gronddruk moet tussen de
12 en 15 kg (26,5-33 lb) liggen.
Controle van de parallelliteit van het
maai-element
Controleer de parallelliteit van het maaidek als volgt:
1Controleer de luchtdruk van de banden 60 kPa/0,6 kp/
cm
2
/8,5 PSI.
2Plaats de zitmaaier op een vlakke ondergrond.
3Zet de hefstang in maaistand.
4Meet de afstand tussen de grond en de rand van het
element, aan de v
oor- en de achterkant van de kap. Het
maai-element moet een beetje afhangen, de achterkant
moet 2-4 mm (1/8”) hoger zijn dan de voorkant.
Afstellen van de parallelliteit van het
maai-element
1Verwijder de frontkap en de rechter vleugelkap.
2Maak de moeren van de parallelliteitsstang los.
3Schroef de stang uit (verlengen) om de achterkant van de
kap te v
erhogen.
Schroef de stang in (verkorten) om de achterkant van de
kap te v
erlagen.
4Draai na het afstellen de moeren vast.
5Nadat het afstellen gereed is, moet de parallelliteit van het
element opnieuw gecontroleerd w
orden.
6Monteer de rechter vleugelkap en de frontkap.
Vervangen van de riemen van het
maai-element
Op deze maai-elementen met botsbeveiligde messen worden
de messen aangedreven door één V-snaar. Ga als volgt te
werk om de V-snaar te vervangen:
1Demonteer het maai-element.
!
WAARSCHUWING! Bescherm uw handen
met handschoenen wanneer u aan de
messen werkt.
Risico van beknelling bij het werken met de
riem.
Dutch – 27
ONDERHOUD
2Open de vergrendeling voor de geleidingsstangbout.
3Schroef de bout los waarmee de beugel van het
maaidekfr
ame is bevestigd.
4Verwijder de vergrendeling en haal het maaidekframe
naar b
uiten.
5Verwijder de twee bouten uit het maaidekframe.
6Verwijder de bout zodat de geleidingsstang aan één
uiteinde losk
omt.
7Verwijder de schroeven uit het maaideksel. Licht het
maaidekfr
ame op en verwijder het maaidekdeksel.
8Maak de veer los waarmee de V-snaar opgespannen is en
wr
ik de riem eraf.
Montage gebeurt in omgekeerde volgorde.
Servicestand voor maai-element
Om ervoor te zorgen dat u bij schoonmaken, reparatie en
service overal goed bij kunt, kan het maai-element in
servicestand gezet worden. Servicestand betekent dat het
element opgeklapt en vergrendeld is in verticale stand.
In servicestand zetten
1Zet de machine op een vlakke ondergrond. Activeer de
handrem.
2Zet de maaihoogtehendel in de laagste stand en til het
maaielement op
.
3Verwijder de frontkap.
4Maak de veer van de spanpoelie van de aandrijfriem los.
!
WAARSCHUWING! Draag een
beschermingsbril wanneer u het
maaielement demonteert. De veer waarmee
de riem wordt gespannen kan loskomen en
persoonlijk letsel veroorzaken.
28 – Dutch
ONDERHOUD
5Maak de stang voor de maaihoogte los en plaats deze in
de houder.
6Verwijder de aandrijfriem en plaats hem in de riemhouder.
7Pak de voorkant van het element beet en trek het naar
v
oren tot het niet verder gaat.
8Til het element op tot het niet meer gaat en u een
klikgeluid hoor
t. Het maaielement wordt automatisch in
verticale stand vastgezet.
Terugkeer uit servicestand
1Pak de voorkant van het element beet en maak de
vergrendeling los, klap het element naar beneden en duw
het terug.
2Plaats de maaihoogtestang en de riem terug.
3Span de riem met de riemspanner op.
4Plaats de frontkap.
Controle van messen
Om het beste maairesultaat te bereiken is het belangrijk dat
de messen onbeschadigd en scherp zijn.
Controleer of de bevestigingsbouten van de messen goed zijn
aangedr
aaid.
Nadat de messen geslepen zijn, moeten ze uitgebalanceerd
w
orden.
Bij een aanrijding met een hindernis waarbij schade is
ontstaan, moeten beschadigde messen vervangen worden.
Laat de servicewerkplaats beoordelen of het mes kan worden
geslepen of moet worden vervangen.
!
WAARSCHUWING! Neem voorzichtigheid in
acht zodat uw hand niet bekneld raakt.
BELANGRIJKE INFORMATIE Vervangen of slijpen van de
messen moet door een erkende servicewerkplaats gedaan
worden.
Dutch – 29
ONDERHOUD
Verwijderen van BioClip-plug
Om een Combi-maai-element om te zetten van BioClip-
functie naar een maai-element met achteruitworp verwijdert u
de BioClip-plug, die met drie bouten onder het maai-element
vastzit.
Combi 103, Combi 112
1Zet het maai-element in servicestand, zie In servicestand
zetten.
2Verwijder de drie bouten waarmee de BioClip-plug vastzit
en haal de plug w
eg.
3Tip: Monteer drie bouten M8x15 mm met volledig
schroefdr
aad in de gaten om daar het schroefdraad te
beschermen.
4Zet het maai-element weer in normale stand terug.
Het plaatsen van de BioClip-plug gebeurt in omgekeerde
v
olgorde.
Combi 94
1Zet het maai-element in servicestand, zie Servicestand
voor maai-element.
2Maak de knop en de bouten los waarmee de BioClip-plug
is be
vestigd en verwijder de plug.
3Zet het maai-element weer in normale stand terug.
30 – Dutch
Smeren
Controle van het oliepeil van de
motor
Controleer het oliepeil in de motor als de machine horizontaal
staat en de motor uit is.
Klap de motorkap omhoog.
Maak de peilstok daarna los en trek hem weer omhoog.
Doe de peilstok vervolgens weer in het gat,
zonder hem in
te schroeven.
Haal de peilstok omhoog en lees het oliepeil af.
Het oliepeil moet tussen de markeringen op de peilstok
liggen.
Als het peil in de buurt van het ADD-teken komt, vul
dan olie bij tot het FULL-teken op de peilstok.
De olie wordt bijgevuld in hetzelfde gat als waar de peilstok in
zit.
Vul langzaam de olie bij.
Draai de peilstok stevig vast voor de motor wordt gestart.
Star
t de motor en laat deze ca. 30 seconden stationair
draaien. Zet de motor uit. Wacht 30 seconden en controleer
het oliepeil. Vul indien nodig olie bij tot de olie het FULL-teken
op de peilstok nadert.
Wij raden de volgende olieklasses aan:
•API Service Klasse: SF, SG, SH en SJ
Kies een olie met een viscositeit volgens het
temper
atuurbereik in de afbeelding:
Meng geen verschillende soorten olie.
Vervangen van motorolie
De motorolie moet de eerste keer vervangen worden na 8 uur
bedrijfstijd. Daarna moet het verversen om de 100
bedrijfsuren plaatsvinden.
Bij rijden met zware belasting of hoge
omge
vingstemperaturen, vervangt u de olie om de 50 uur.
1Plaats een vat onder de linker aftapklep van de motor.
2Verwijder de peilstok. Verwijder de aftapklep aan de
link
erkant van de motor.
3Laat de olie in het vat lopen.
4Monteer de aftapklep en draai deze vast.
5Vul indien nodig olie bij tot de olie het FULL-teken op de
peilstok nader
t. De olie wordt bijgevuld in hetzelfde gat als
waar de peilstok in zit. Zie Controle van het oliepeil van de
motor voor de vulinstructies. In de motor gaat 1,5 liter (1,6
USqt) wanneer het oliefilter niet wordt vervangen en 1,7
liter (1,8 USqt) wanneer het oliefilter wordt vervangen.
6Laat de motor warm draaien, controleer daarna of er geen
lekkage is rond de afdichting v
an de olieklep.
Vervangen van oliefilter
Het oliefilter moet om de 200 bedrijfsuren worden vervangen.
Draai het oude oliefilter tegen de klok in om het te
verwijderen. Gebruik indien nodig een filtertang.
Smeer de rubberen pakking van het nieuwe oliefilter lichtjes
met nieuw
e olie in. Monteer het oliefilter door het met de klok
mee te draaien. Doe dit handmatig tot de rubberen pakking
aanligt. Draai het nog een halve slag verder.
!
WAARSCHUWING! De motorolie kan zeer
warm zijn als deze direct na het stoppen
afgetapt wordt. Laat de motor daarom eerst
wat afkoelen.
BELANGRIJKE INFORMATIE
Gebruikte motorolie, antivries en dergelijke vormen een
gevaar voor de gezondheid en mogen niet op de grond of in
de natuur worden geloosd; deze moeten altijd worden
afgevoerd in een werkplaats of op een aangewezen
afvoerlocatie.
Voorkom contact met de huid, wassen met water en zeep
mocht u evt. knoeien.
Dutch – 31
Smeren
Bijvullen met nieuwe motorolie volgens Controle van het
oliepeil van de motor. Start de motor en laat deze ongeveer 3
minuten lopen. Stop hem vervolgens en kijk naar eventuele
lekkage. Vul olie bij om de olie te compenseren die in het
nieuwe oliefilter gaat.
Controle van het oliepeil van de
transmissie
1Verwijder de transmissiekap. Maak de twee bouten los
(een aan elke kant) en verwijder de transmissiekap.
2Controleer of er olie in de olietank van de transmissie zit.
Rider 316T Vul indien nodig bij met motorolie SAE 10W/
40 (klasse SF-CC).
Rider 316T AWD, 316Ts AWD, 316TXs AWD Vul de olie
zo nodig bij met Synthetic 10W/50.
Olie verversen en filters vervangen moet worden gedaan
door een er
kende servicewerkplaats en wordt in het
werkplaatshandboek beschreven.
Maatregelen aan het systeem stellen bijzondere eisen aan
netheid en het systeem moet w
orden ontlucht voor de
machine in gebruik wordt genomen.
Smeren van de riemspanner
De riemspanner moet regelmatig worden ingevet met
molybdeendisulfidevet van goede kwaliteit*.
Smeer met een vetspuit, 1 smeerpunt aan de rechterkant
onder de onderste poelie v
an de motor, tot er vet uitkomt.
Bij dagelijks gebruik moet er twee keer per week gesmeerd
w
orden.
Smeren algemeen
Alle scharnierpunten en lagers zijn bij de productie gesmeerd
met molybdeendisulfidevet. Smeer ze na met hetzelfde type
vet*. Smeer de stuur- en hendelkabels met motorolie.
Smeer regelmatig, bij dagelijks gebruik van de machine moet
er tw
ee keer per week gesmeerd worden.
*Vet van bekende merken (oliemaatschappijen enz.) is
nor
maliter van goede kwaliteit. De belangrijkste eigenschap
is dat het vet een goede bescherming tegen corrosie biedt.
32 – Dutch
Storingsschema
ProbleemOorzaak
De motor start niet
Geen brandstof in de brandstoftank
De bougie defect
Verkeerde bougieaansluitingen of verwisselde kabels
Vuil in carburateur of brandstofleiding
De startmotor krijgt de motor niet rond
De startmotor krijgt de motor niet rondAccu leeg
Slecht contact tussen kabel en accupool
Hendel voor de maaikast in verkeerde stand
Hoofdzekering kapot.
Contactslot kapot
Rem niet geactiveerd.
Defecte startmotor
De motor loopt onregelmatigDe bougie verkeerd.
Vergasser verkeerd afgesteld
Het luchtfilter verstopt
Ventilatie van de brandstoftank verstopt
Ontstekingsafstelling verkeerd
Vuil in carburateur of brandstofleiding
Choken of verkeerd afgestelde gaskabel
De motor lijkt zwakHet luchtfilter verstopt
De bougie defect
Vuil in carburateur of brandstofleiding
Vergasser verkeerd afgesteld
Choken of verkeerd afgestelde gaskabel
De motor raakt oververhitDe motor overbelast
De bougie defect
Luchtinlaat of koelflenzen verstopt
Ventilator beschadigd
Te weinig of geen olie in de motor
Voorontsteking niet goed
De accu wordt niet opgeladenEen of meer cellen kapot
Slecht contact bij de kabelaansluitingen van de accupolen
De zitmaaier triltDe messen zitten los
De motor zit los
Onbalans tussen een of meer messen, veroorzaakt door schade of slechte balancering
na het slijpen
Ongelijkmatig maairesultaatMessen bot
Lang of nat gras
Maaikast scheef afgesteld
Grasopeenhoping onder de kap
Verschillende spanning in de banden aan de rechter en linker kant
Te hoge rijsnelheid
Te laag motortoerental
De aandrijfriem slipt
Dutch – 33
Stallen
Winterstalling
Aan het eind van het maaiseizoen moet de zitmaaier
onmiddellijk in orde worden gemaakt voor stalling, ook als
deze langer dan 30 dagen niet gebruikt gaat worden.
Brandstof die lange perioden in de tank blijft (30 dagen of
meer) kan kleverige afzettingen produceren, die de vergasser
kunnen verstoppen en de werking van de motor kunnen
verstoren.
Een brandstofstabilisator is een acceptabel alternatief als het
erom gaat kle
verige afzettingen tijdens de stalling te
voorkomen. Als alkylaatbenzine (Aspen) werd gebruikt, hoeft
men geen stabilisator toe te voegen, daar deze brandstof
stabiel is. Daarentegen moet men vermijden standaard- en
alkylaatbenzine afwisselend te gebruiken, daar gevoelige
rubberen onderdelen dan hard kunnen worden. Voeg
stabilisator toe aan de brandstof in de tank of het
opbergreservoir. Gebruik altijd de mengverhouding die door
de fabrikant van de stabilisator wordt aangegeven. Laat de
motor minstens 10 minuten lopen na toevoeging van de
stabilisator, zodat de stabilisator tot bij de vergasser komt.
Maak de brandstoftank en de vergasser niet leeg als
stabilisator is toegevoegd.
Om de zitmaaier klaar te maken voor stalling, deze stappen
v
olgen:
1Maak de zitmaaier zorgvuldig schoon, in het bijzonder
onder de maaikast.
Herstel lakbeschadigingen om
roestaanvallen te voorkomen.
2Inspecteer de zitmaaier op beschadigde of versleten
onderdelen en dr
aai indien nodig losse bouten en moeren
vast.
3Ververs de olie in de motor, zorg dat de afgewerkte olie
een goede bestemming kr
ijgt.
4Maak de benzinetank leeg. Start de motor en laat deze
lopen totdat er ook geen benzine meer zit in de v
ergasser.
5Verwijder de bougie en giet ca. een eetlepel motorolie in
iedere cilinder
. Draai de motor rond zodat de olie wordt
verdeeld en schroef de bougie weer vast.
6Smeer alle smeernippels, gewrichten en assen.
7Verwijder de accu. Maak deze schoon, laad hem op en
be
waar hem op een koele plaats.
8Stal de zitmaaier schoon en droog en breng een
bedekking aan als e
xtra bescherming.
Beschermkap
Om uw machine te beschermen tijdens stalling of transport is
een hoes verkrijgbaar. Neem contact op met uw dealer voor
een demonstratie.
Service
Het laagseizoen is de meest geschikte tijd om service uit te
voeren of de machine na te kijken om een grote
functiebetrouwbaarheid tijdens het hoogseizoen te
waarborgen.
Bij het bestellen van reserve-onderdelen moet het jaar van
aank
oop van de zitmaaier en het model-, type- en
serienummer worden vermeld.
Er moeten altijd originele reserve-onderdelen worden
gebr
uikt.
Een jaarlijkse controle of groot onderhoud door een
be
voegde servicewerkplaats is een goede manier om ook het
daaropvolgende seizoen optimaal plezier te hebben van uw
zitmaaier.
!
WAARSCHUWING! Sla een machine met
brandstof in de tank nooit binnen of in een
slecht geventileerde ruimte op waar
brandstofdampen in aanraking kunnen
komen met open vuur, vonken of een
controlelampje zoals in een
verwarmingsketel, heetwatertank of
wasdroger. Hanteer de brandstof met
voorzichtigheid. Deze is zeer snel
ontvlambaar en onachtzaam gebruik kan
zwaar persoonlijk letsel en schade aan
eigendommen veroorzaken. Tap de
brandstof af in een goedgekeurd reservoir
buitenshuis en op geruime afstand van open
vuur. Gebruik nooit benzine voor het
reinigen. Gebruik in plaats daarvan
ontvettingsmiddel en warm water.
Dutch – 34
Technische gegevens
Opm. 1: Het aangegeven nominale vermogen van de motor heeft betrekking op het gemiddelde nettovermogen (bij het opgegeven toerental) van een typische
productiemotor voor het betreffende motormodel, gemeten volgens de SAE-norm J1349/ISO 1585. In massa geproduceerde motoren kunnen een afwijkende waarde
geven. Het werkelijk geleverde vermogen van de geïnstalleerde motor op de uiteindelijke machine hangt af van de bedrijfssnelheid, de omgevingscondities en andere
waarden.
Opm. 2: Emissie van geluid naar de omgeving gemeten als geluidsvermogen (L
WA
) volgens EG-richtlijn 2000/14/EG.
Opm. 3: Geluidsdrukniveau volgens EN 836. De gerapporteerde gegevens voor het geluidsdrukniveau vertonen een typische statistische spreiding (standaardafwijking)
v
an 1,2 dB (A).
Opm. 4: Trillingsniveau volgens EN 836. De gerapporteerde gegevens voor het trillingsniveau vertonen een typische statistische spreiding (standaardafwijking) v
an 0,2
m/s
2
(stuurwiel) en 0,8 m/s
2
(stoel).
AfmetingenRider 316TRider 316T AWD
Lengte zonder element, mm/ft2020/6,612020/6,61
Breedte zonder element, mm/ft890/2,92890/2,92
Hoogte, mm/ft1150/3,771150/3,77
Bedrijfsgewicht met maaidek, kg/lb275-280-283/606-617-624294-299-302/648-659-666
Asafstand, mm/ft887/2,91887/2,91
Spoorbreedte voor, mm/ft712/2,34712/2,34
Spoorbreedte achter, mm/ft627/2,06627/2,06
Bandenmaat16 x 6,50 x 816 x 6,50 x 8
Bandenspanning achter en voor, kPa / bar / PSI60 (0,6/8,5)60 (0,6/8,5)
Opm. 1: Het aangegeven nominale vermogen van de motor heeft betrekking op het gemiddelde nettovermogen (bij het opgegeven toerental) van een typische
productiemotor voor het betreffende motormodel, gemeten volgens de SAE-norm J1349/ISO 1585. In massa geproduceerde motoren kunnen een afwijkende waarde
geven. Het werkelijk geleverde vermogen van de geïnstalleerde motor op de uiteindelijke machine hangt af van de bedrijfssnelheid, de omgevingscondities en andere
waarden.
Opm. 2: Emissie van geluid naar de omgeving gemeten als geluidsvermogen (L
WA
) volgens EG-richtlijn 2000/14/EG.
Opm. 3: Geluidsdrukniveau volgens EN 836. De gerapporteerde gegevens voor het geluidsdrukniveau vertonen een typische statistische spreiding (standaardafwijking)
v
an 1,2 dB (A).
Opm. 4: Trillingsniveau volgens EN 836. De gerapporteerde gegevens voor het trillingsniveau vertonen een typische statistische spreiding (standaardafwijking) v
an 0,2
m/s
2
(stuurwiel) en 0,8 m/s
2
(stoel).
AfmetingenRider 316Ts AWDRider 316TXs AWD
Lengte zonder element, mm/ft2020/6,612020/6,61
Breedte zonder element, mm/ft890/2,92890/2,92
Hoogte, mm/ft1150/3,771150/3,77
Bedrijfsgewicht met maaidek, kg/lb307-312-315/679-688-694294-299-302/648-659-666
Asafstand, mm/ft887/2,91887/2,91
Spoorbreedte voor, mm/ft712/2,34712/2,34
Spoorbreedte achter, mm/ft627/2,06627/2,06
Bandenmaat16 x 6,50 x 816 x 6,50 x 8
Bandenspanning achter en voor, kPa / bar / PSI60 (0,6/8,5)60 (0,6/8,5)
Gebruikershandleiding.com neemt misbruik van zijn services uitermate serieus. U kunt hieronder aangeven waarom deze vraag ongepast is. Wij controleren de vraag en zonodig wordt deze verwijderd.
Product:
Spelregels forum
Om tot zinvolle vragen te komen hanteren wij de volgende spelregels:
lees eerst de handleiding door;
controleer of uw vraag al eerder door iemand anders is gesteld;
probeer uw vraag zo duidelijk mogelijk te stellen;
heeft u een probleem en al geprobeerd om dit op te lossen, vermeld dit erbij aub;
heeft u een oplossing gekregen van een bezoeker dan horen wij dat graag in dit forum;
wilt u een reactie geven op een vraag of antwoord, gebruik dan niet dit formulier maar klik op de knop 'reageer op deze vraag';
uw vraag wordt direct op de website gezet; vermijd daarom persoonlijke gegevens in te vullen;
Belangrijk! Als er een antwoord wordt gegeven op uw vraag, dan is het voor de gever van het antwoord nuttig om te weten als u er wel (of niet) mee geholpen bent! Wij vragen u dus ook te reageren op een antwoord.
Belangrijk! Antwoorden worden ook per e-mail naar abonnees gestuurd. Laat uw emailadres achter op deze site, zodat u op de hoogte blijft. U krijgt dan ook andere vragen en antwoorden te zien.
Abonneren
Abonneer u voor het ontvangen van emails voor uw Husqvarna Rider 316T AWD bij:
nieuwe vragen en antwoorden
nieuwe handleidingen
U ontvangt een email met instructies om u voor één of beide opties in te schrijven.
Ontvang uw handleiding per email
Vul uw emailadres in en ontvang de handleiding van Husqvarna Rider 316T AWD in de taal/talen: Nederlands als bijlage per email.
De handleiding is 6,31 mb groot.
U ontvangt de handleiding per email binnen enkele minuten. Als u geen email heeft ontvangen, dan heeft u waarschijnlijk een verkeerd emailadres ingevuld of is uw mailbox te vol. Daarnaast kan het zijn dat uw internetprovider een maximum heeft aan de grootte per email. Omdat hier een handleiding wordt meegestuurd, kan het voorkomen dat de email groter is dan toegestaan bij uw provider.
Stel vragen via chat aan uw handleiding
Stel uw vraag over deze PDF
Andere handleiding(en) van Husqvarna Rider 316T AWD
Uw handleiding is per email verstuurd. Controleer uw email
Als u niet binnen een kwartier uw email met handleiding ontvangen heeft, kan het zijn dat u een verkeerd emailadres heeft ingevuld of dat uw emailprovider een maximum grootte per email heeft ingesteld die kleiner is dan de grootte van de handleiding.
Er is een email naar u verstuurd om uw inschrijving definitief te maken.
Controleer uw email en volg de aanwijzingen op om uw inschrijving definitief te maken
U heeft geen emailadres opgegeven
Als u de handleiding per email wilt ontvangen, vul dan een geldig emailadres in.
Uw vraag is op deze pagina toegevoegd
Wilt u een email ontvangen bij een antwoord en/of nieuwe vragen? Vul dan hier uw emailadres in.