2Ververs de olie in de versnellingsbak. (Alleen AWD-machines)
3Controleer de synchronisatie tussen de voor- en achterwielen. (Alleen AWD-machines)
4
–
Dutch
INLEIDING
Beste klant!
Gef
eliciteerd met uw keuze voor een Husqvarna Rider. De Husqvarna Riders zijn gemaakt volgens een uniek concept met een
aan de v
oorzijde gemonteerd maaidek en een gepatenteerde besturing van de achterwielen. De Rider werkt heel effectief, ook op
kleine en nauwe oppervlakken. De hendels die bij elkaar zijn geplaatst en een hydrostatische transmissie die met pedalen wordt
geregeld, dragen ook bij tot de prestaties van de machine.
Deze gebruiksaanwijzing is een waardevol document. Door deze te lezen en toe te passen (voor gebruik, onderhoud enz.) kunt u
de le
vensduur van uw machine verlengen en de inruilwaarde verhogen.
Als u uw Rider verkoopt, moet u de gebruiksaanwijzing aan de nieuwe eigenaar geven.
Het laatste hoofdstuk van de gebruiksaanwijzing is een Servicejournaal. Let erop dat de servicebeurten en reparaties worden
inge
vuld. Als u het journaal goed bijhoudt, nemen de kosten voor het seizoensgebonden onderhoud af en blijft de inruilwaarde van
de machine hoog. Neem de gebruiksaanwijzing mee als u uw Rider voor een servicebeurt naar de werkplaats brengt.
Rijden en transpor
t op de openbare weg
Controleer de geldende v
erkeersregels voor het rijden en vervoeren op de openbare weg. Bij eventueel transport moet u altijd
goedgek
eurd spanmateriaal gebruiken en ervoor zorgen dat de machine goed vast zit.
Slepen
W
anneer uw machine is voorzien van een hydrostaat mag u de machine alleen over zeer korte afstanden en met een lage snelheid
slepen, anders bestaat het r
isico dat de hydrostaat beschadigd raakt.
De vermogensoverbrenging moet bij het slepen ontkoppeld zijn, zie de instructies onder de kop Ontkoppelingshendel.
Gebruik
De zitmaaier is bedoeld v
oor het maaien van gras op open en vlakke grondoppervlakken. Daarnaast zijn er diverse, door de
f
abrikant aanbevolen accessoires leverbaar waarmee het toepassingsgebied kan worden vergroot. Neem contact op met uw
leverancier voor meer informatie over de beschikbare accessoires. De machine mag uitsluitend worden gebruikt in combinatie met
door de fabrikant aanbevolen apparatuur. Elk ander gebruik is onjuist. Het voldoen aan en strikte opvolging van de voorwaarden
voor gebruik, service en reparatie zoals die door de producent zijn aangegeven, vormen ook een essentieel onderdeel van het
bedoelde gebruik.
Deze machine mag alleen worden gebruikt, onderhouden en gerepareerd door personen die de bijzondere kenmerken kennen en
bek
end zijn met de relevante veiligheidsprocedures.
Voorschriften ter voorkoming van ongevallen en alle andere algemeen erkende voorschriften op het gebied van veiligheid en
bedr
ijfsgezondheid, en alle verkeersvoorschriften moeten te allen tijde in acht worden genomen.
Enige arbitraire wijzigingen die aan deze machine worden uitgevoerd, kunnen de producent ontheffen van zijn
v
erantwoordelijkheid voor enige schade of verwonding die hieruit voortvloeit.
Goede ser
vice
Husqv
arna-producten worden wereldwijd verkocht, zodat u als klant altijd verzekerd bent van de beste ondersteuning en service.
V
oordat het product wordt geleverd, is de machine bijvoorbeeld door uw wederverkoper gecontroleerd en afgesteld. Zie het
certificaat in het Servicejournaal in deze gebruiksaanwijzing.
Als u reserveonderdelen of ondersteuning bij servicevragen, garantiekwesties etc. wilt, kunt u contact opnemen met:
Op het productplaatje van de machine kunt u de volgende informatie vinden:
•De typeaanduiding van de machine.
•Het typenummer van de producent.
•Het productienummer van de machine.
Geef typeaanduiding en productienummer aan wanneer u reserveonderdelen bestelt.
Deze gebruiksaanwijzing hoort bij de machine met
productien
ummer:
MotorTransmissie
Dutch
–
5
VERKLARING
V
AN DE SYMBOLEN
Symbolen
Dez
e symbolen staan op de zitmaaier en in de
gebr
uiksaanwijzing.
WAARSCHUWING! Slordig of onjuist
gebr
uik kan resulteren in ernstig letsel of
overlijden van de gebruiker of anderen.
Neem de gebruiksaanwijzing grondig door
en gebr
uik de machine niet voor u alles
duidelijk heeft begrepen.
Draag altijd:
•Goedgekeurde gehoorbeschermers
Dit product voldoet aan de geldende CE-
r
ichtlijnen.
Snel
Langzaam
Afzetten van de motor.
Choke
Brandstof
Oliepeil
Maaihoogte
Achteruit
Vooruit
Ontsteking
Hydrostatische free-wheell
Handrem
Geluidsemissie naar de omgeving volgens
de richtlijnen van de Europese
Gemeenschap. De emissie van de machine
wordt aangegeven in het hoofdstuk
Technische gegevens en op plaatjes.
Inschakelen
Uitschakelen
Waarschuwing: draaiende delen. Houd
de handen en v
oeten vrij.
Roterende messen Steek geen handen
of v
oeten onder de kap als de motor
loopt
Rijd nooit dwars over een helling
Gebruik de zitmaaier nooit als zich
personen, in het bijz
onder kinderen of
huisdieren, ophouden in de nabijheid
Neem nooit passagiers mee op de
zitmaaier of op het gereedschap
Rijd zonder maaikast zeer langzaam
Rem
Startinstructie
Zet de motor af en maak de
ontstekingskabel los vóór repar
atie of
onderhoud
6
–
Dutch
VERKLARING
V
AN DE SYMBOLEN
Controleer het oliepeil v
an de motor
Controleer het oliepeil van de transmissie
Breng de maaikast omhoog
Schakel de parkeerrem in.
Als de motor koud is, gebruik dan de choke
Los de handrem voordat u gaat rijden
Dutch
–
7
VEILIGHEIDSINSTR
UCTIES
V
eiligheidsinstructies
Dez
e instructies zijn gemaakt voor uw veiligheid. Lees ze
aandachtig door
.
V
erzeker uw zitmaaier
•
Controleer de verzekering van uw nieuwe zitmaaier.
•Neem contact op met uw verzekeringsmaatschappij.
•U moet een verzekering hebben met volledige dekking
v
oor verkeer, brand, schade, diefstal en WA.
Alg
emeen gebruik
•
Lees alle instructies uit deze gebruiksaanwijzing en op de
machine v
oordat u hem start. Vergewis u ervan dat u ze
begrijpt en volg ze daarna op.
•Leer hoe u de machine en de hendels op een veilige
manier kunt gebr
uiken en leer hoe u snel kunt stoppen.
Leer ook alle veiligheidsplaatjes herkennen.
•Laat de machine alleen gebruiken door volwassenen die
er
mee vertrouwd zijn.
•Zorg ervoor dat zich niemand vlakbij de machine bevindt,
w
anneer u de motor start, de aandrijving inschakelt of
rijdt.
•Maak het terrein schoon van voorwerpen zoals stenen,
speelgoed, dr
aden enz. die door de messen opgenomen
en weggeslingerd kunnen worden.
•Stop de motor en voorkom een motorstart voordat u de
uitloopgoot schoonmaakt.
•Pas op voor de uitworp en richt die niet op iemand.
•Stop de motor om een motorstart te voorkomen, voordat
u het maaielement schoonmaakt.
•Denk eraan dat de bestuurder verantwoordelijk is voor
ge
varen of ongelukken.
•Neem nooit passagiers mee. De machine is alleen
bedoeld om door één persoon te w
orden gebruikt.
•Kijk altijd naar beneden en naar achteren voor en tijdens
het naar achteren r
ijden. Hou zowel kleine als grote
obstakels in de gaten.
•Rem af voordat u de bocht omgaat.
•Zet de messen uit wanneer u niet maait.
•Wees voorzichtig bij het ronden van een vast voorwerp,
z
odat de messen er niet tegen aan komen. Rijd nooit over
vreemde voorwerpen heen.
•Gebruik de machine alleen bij daglicht of tijdens andere
goed v
erlichte omstandigheden. Hou de machine op
veilige afstand van gaten en andere ongelijkmatigheden
in de grond. Wees opmerkzaam op andere mogelijke
risico’s.
•Gebruik de machine nooit als u moe bent, alcohol heeft
gedronk
en of andere drugs heeft ingenomen of wanneer
u medicijnen gebruikt die uw gezichtsvermogen,
beoordelingsvermogen of coördinatievermogen negatief
beïnvloeden.
•Pas op voor verkeer wanneer u vlakbij een weg werkt of
deze oversteekt.
!
W
AARSCHUWING! Deze machine
produceert tijdens bedrijf een
elektromagnetisch veld. Dit veld kan onder
bepaalde omstandigheden de werking van
actieve of passieve medische implantaten
verstoren. Om het risico op ernstig of fataal
letsel te beperken, raden we personen met
een medisch implantaat aan om contact op
te nemen met hun arts en de fabrikant van
het medische implantaat voordat ze deze
machine gaan bedienen.
!
W
AARSCHUWING! Deze machine kan uw
handen en voeten eraf maaien en
voorwerpen wegslingeren. Wanneer u
verzuimt de veiligheidsvoorschriften te
volgen kan dit tot ernstig letsel leiden.
!
W
AARSCHUWING! De binnenkant van de
geluiddemper bevat chemicaliën die
kankerverwekkend kunnen zijn. Vermijd
contact met deze elementen wanneer de
carburateur is beschadigd.
!
W
AARSCHUWING! De motor stoot
koolmonoxide uit, een kleurloos en giftig
gas. Gebruik de machine niet in afgesloten
ruimtes.
8
–
Dutch
VEILIGHEIDSINSTR
UCTIES
•
Laat de machine nooit zonder toezicht achter wanneer de
motor dr
aait. Zet de messen altijd uit, trek de handrem
aan, stop de motor en haal de sleutel eruit voordat u de
machine achterlaat.
•Laat kinderen of andere personen die niet zijn opgeleid
om met de machine om te gaan, dez
e nooit gebruiken of
onderhouden. Lokale voorschriften kunnen de leeftijd van
de gebruiker bepalen.
•Gebruik gehoorbescherming om het risico van
gehoorbeschadiging z
o klein mogelijk te maken.
•Draag nooit los zittende kleding die in de bewegende
delen vast kan komen zitten.
•Gebruik de machine nooit blootvoets. Draag altijd
bescher
mingsschoenen of beschermingslaarzen, het
liefst met een stalen neus.
•Zorg ervoor dat er altijd EHBO-middelen bij de hand zijn
w
anneer u de machine gebruikt.
Rijden op helling
en
Het r
ijden op hellingen is een van de operaties waar het risico
het g
rootst is dat de bestuurder de controle verliest of dat de
machine omver valt, hetgeen ernstig letsel of overlijden kan
veroorzaken. Alle hellingen vragen om extra voorzichtigheid.
Wanneer u op de helling niet naar achteren kunt rijden of u
voelt zich onzeker, maai ze dan niet.
Ga als v
olgt te werk
•
Verwijder hindernissen zoals stenen, takken enz.
•Maai naar boven en naar beneden, niet in zijwaartse
r
ichting.
•Gebruik de zitmaaier nooit op terrein dat meer dan 10
°
helt.
•Wees extra voorzichtig met eventuele extra uitrusting, die
de stabiliteit van de machine kan wijzigen.
•Voorkom het starten of stoppen op een helling. Als de
banden gaan slippen, moet u de messen uitschak
elen en
langzaam van de helling afrijden.
•Rij altijd gelijkmatig en langzaam op hellingen.
•Maak geen plotselinge wijzigingen in snelheid of richting.
•Voorkom onnodige bochten op hellingen, en als het nodig
is
, draai dan langzaam en stap voor stap naar beneden,
indien mogelijk. Rij langzaam. Gebruik kleine
stuurbewegingen.
•Pas op voor greppels, kuilen en verhogingen en rij er niet
o
verheen. Op ongelijk terrein kan de machine makkelijker
omver vallen. Hoog gras kan hindernissen verbergen.
•Maai niet vlakbij randen, sloten of wallen. De machine kan
plotseling omslaan w
anneer één wiel over de rand van
een diepte of een sloot komt, of wanneer een rand instort.
•Maai geen nat gras. Dat is glad en de banden kunnen de
grip verliezen zodat de machine gaat glijden.
!
W
AARSCHUWING! Bij al het gebruik van de
machine moet goedgekeurde persoonlijke
beschermingsuitrusting gebruikt worden.
Persoonlijke beschermingsuitrusting
elimineert de risico’s niet, maar vermindert
het schadelijk effect in geval van een
ongeval. Vraag uw dealer om raad wanneer u
uw uitrusting koopt.
BELANGRIJKE INFORMA
TIE
Rij nooit een helling af met een omhoog getild
maaielement.
Dutch
–
9
VEILIGHEIDSINSTR
UCTIES
•
Probeer de machine niet te stabiliseren door een voet op
de g
rond te zetten.
•Bij het schoonmaken van het onderstel mag de machine
nooit vlak naast een r
and of sloot gereden worden.
•Houd bij het maaien het toestel uit de buurt van bosjes en
andere objecten.
•Volg de aanwijzingen van de producent over
wielv
erzwaarders of contragewichten om de stabiliteit van
de machine te verhogen.
Kinderen
•
Ernstige ongelukken kunnen gebeuren als men niet alert
is op kinderen in de b
uurt van de machine. Kinderen
worden vaak door de machine en de
maaiwerkzaamheden aangetrokken. Ga er nooit van uit
dat kinderen op de plek blijven waar u ze het laatst zag.
•Hou kinderen weg van het maaiterrein en onder
z
orgvuldig toezicht van een andere volwassene.
•Wees op uw hoede en zet de machine uit wanneer
kinderen het w
erkterrein betreden.
•Kijk voor en tijdens een achteruitrijmanoeuvre naar
achteren en naar beneden naar kleine kinderen.
•Laat kinderen nooit meerijden. Ze kunnen vallen en zich
er
nstig bezeren of het zonder risico’s manoeuvreren van
de machine belemmeren.
•Laat kinderen de machine nooit bedienen.
•Wees extra voorzichtig in de buurt van hoeken, bosjes,
bomen of andere v
oorwerpen die het zicht belemmeren.
Onderhoud
•
Afzetten van de motor. Voorkom een start door de
ontstekingskabel v
an de bougie te halen of verwijder de
ontstekingssleutel voordat u afstellingen maakt of
onderhoud uitvoert.
•Vul nooit binnenshuis brandstof bij.
•Benzine en benzinedampen zijn giftig en zeer
br
andgevaarlijk. Wees extra voorzichtig bij het hanteren
van benzine omdat onachtzame hantering kan leiden tot
persoonlijk letsel of brand.
•Bewaar de brandstof alleen in jerrycans die voor dit doel
zijn goedgek
eurd.
•Verwijder nooit het deksel van de brandstoftank en vul
nooit benzine bij w
anneer de motor loopt.
•Laat de motor afkoelen voordat u brandstof bijvult. Rook
niet.
Vul geen benzine bij in de buurt van vonken of open
vuur.
•Ga om rekening te houden met het milieu zorgvuldig om
met olie
, oliefilter, brandstof en accu. Volg de lokale
recyclingbepalingen.
•Elektrische schokken kunnen verwondingen veroorzaken.
Raak geen kabels aan w
anneer de motor loopt. Probeer
het ontstekingssysteem niet met uw vingers.
•Als er lekkage is opgetreden in het brandstofsysteem mag
de motor niet gestar
t worden voordat dit is verholpen.
•Bewaar de machine en de brandstof zodanig dat er geen
r
isico bestaat dat lekkende brandstof of brandstofdampen
schade kunnen veroorzaken.
•Controleer voor ieder gebruik het brandstofpeil en laat
r
uimte over voor de brandstof om uit te zetten, omdat de
warmte van de motor en de zon anders de brandstof zo uit
kunnen laten zetten dat deze overloopt.
•Voorkom overvulling. Als er benzine op de machine is
geknoeid, moet u dit opdrogen en w
achten tot het
verdampt is voordat u de motor start. Wanneer u op uw
kleding hebt geknoeid moet u zich omkleden.
•Laat de machine afkoelen voordat u iets doet aan de
motor
kamer.
BELANGRIJKE INFORMA
TIE
Wielv
erzwaarders, gemonteerd op de achterwielen worden
aanbevolen voor het rijden op hellingen voor een veiliger
sturen en beter aandrijfvermogen. Vraag advies aan uw
dealer over het gebruik van wielverzwaarders als u niet
zeker bent. Op AWD-machines kunnen geen
wielverzwaarders worden gebruikt, Gebruik een
contragewicht.
!
W
AARSCHUWING! De motor en het
uitlaatsysteem worden zeer warm tijdens
gebruik. Risico voor brandwonden bij
aanraking. Houd bij het maaien het toestel
uit de buurt van bosjes en andere objecten
om een opwarmingseffect te voorkomen.
10
–
Dutch
VEILIGHEIDSINSTR
UCTIES
•Wees voorzichtig bij het onderhoud van de accu. In de
accu wordt een explosief gas gevormd. Voer nooit
onderhoud aan de accu uit terwijl u rookt of in de buurt van
open vuur of vonken. De accu kan dan exploderen en
zwaar letsel veroorzaken.
•Zorg ervoor dat bouten en moeren goed zijn vastgedraaid
en dat de uitr
usting in goede staat verkeert.
•Wijzig de veiligheidsmiddelen nooit. Controleer
regelmatig of z
e werken. De machine mag niet gebruikt
worden met kapotte of niet gemonteerde
beschermingsplaten, beschermingskappen,
veiligheidsschakelaars of andere beschermingen.
•Hou rekening met het risico dat u gewond raakt door
be
weegbare of warme onderdelen wanneer u de motor
met open motorkap of verwijderde beschermkappen
start.
•Wijzig de regulatorinstelling niet en voorkom de motor te
r
ijden met een te hoog toerental. Wanneer u met een te
hoog toerental rijdt, bestaat het risico van
machinebeschadiging.
•Gebruik de machine nooit binnenshuis of in ruimtes die
v
entilatie missen. De uitlaatgassen bevatten
koolmonoxide, een geurloos, giftig en levensgevaarlijk
gas.
•Stop om de uitrusting te inspecteren wanneer u tegen een
v
oorwerp aanrijdt. Repareer, indien nodig, voordat u
start.
•Voer nooit afstellingen uit terwijl de motor draait.
•De machine is alleen getest en goedgekeurd met door de
producent gele
verde en aanbevolen uitrusting.
•De mesranden zijn scherp en kunnen snijwonden geven.
V
erpak de bladen of gebruik beschermingshandschoenen
wanneer u ze hanteert.
•Controleer regelmatig de werking van de handrem. Stel af
en onderhoud naar behoefte
.
•Verminder het brandgevaar door gras, blad en ander vuil
dat er
in vast komt te zitten van de machine te halen. Laat
de machine afkoelen voor deze in de stalling wordt gezet.
Transport
•De machine is zwaar en kan ernstige beknellingswonden
veroorzaken. Wees extra voorzichtig wanneer hij op of van
een auto of een aanhanger wordt geladen.
•Gebruik een goedgekeurde aanhanger om de machine te
tr
ansporteren.
•Om de machine goed vast te zetten op de aanhangwagen
moet gebr
uik worden gemaakt van twee goedgekeurde
spanbanden en vier wigvormige wielblokken.
Schakel de parkeerrem in en bind de spanbanden rond
stabiele delen v
an de machine, zoals het frame of de
achterwagen. Zet de machine goed vast door de banden
aan te spannen in de richting van respectievelijk de
achterzijde en de voorzijde van de aanhangwagen.
Plaats de wielblokken voor en achter de achterwielen.
•Controleer en volg lokale verkeersbepalingen voordat u
de machine v
ervoert of op een weg rijdt.
BELANGRIJKE INFORMATIE
De handrem is niet voldoende om de machine vast te zetten
tijdens transport. Zorg ervoor de machine goed op het
transportvoertuig vast te zetten.
Dutch – 11
WAT IS WAT?
Plaatsing van de bedieningsorganen
3
4
5
9
11
12
6
21
13
10
8
7
14
1Gashendel/chokehendel
2Ontstekingsslot
3Hendel voor instelling van maaihoogte
4Hefstang voor het maaielement
5Snelheidsregeling voor het achteruit rijden
6Snelheidsregeling voor het vooruit rijden
7Handrem
8Vergrendelknop voor handrem
9Product- en serienummerplaatje
10Instelling van zitting.
11Hendel voor uitschakelen aandrijving van vooras, Rider
18 A
WD
12Deksel brandstoftank
13Motorkapslot
14Hendel voor ontkoppeling van de aandrijving, Rider 18.
Hendel v
oor uitschakelen aandrijving van achteras, 18
AWD.
12 – Dutch
PRESENTATIE
Presentatie
Gefeliciteerd met uw keuze van een uitstekend
kwaliteitsproduct waar u lang plezier van zult hebben. Deze
gebruiksaanwijzing beschrijft Rider 18 en Rider 18 AWD.
De Rider 18 AWD is voorzien van vierwielaandrijving.
De krachtoverbrenging van de motor gebeurt met een
h
ydrostatische versnellingsbak waarmee een traploze
variatie van de snelheid met de pedalen mogelijk is.
Er is een pedaal voor het vooruit en een pedaal voor het
achter
uit rijden.
Gashendel/chokehendel
De gasbediening regelt het toerental van de motor en
daarmee ook de rotatiesnelheid van de messen.
De hendel wordt ook gebruikt om de chokefunctie te
activ
eren. Bij het inschakelen van de chokefunctie krijgt de
motor een rijker mengsel brandstof en lucht, wat makkelijk is
bij koude starts.
Snelheidsregeling
De snelheid van de machine wordt traploos geregeld met
twee pedalen. Bij het vooruit rijden wordt pedaal (1) gebruikt
en bij achteruit rijden pedaal (2).
Handrem
De handrem wordt op de volgende wijze aangezet:
1Druk het parkeerrempedaal (1) in.
2Druk de vergrendelknop (2) op de stuurkolom in.
3Laat het parkeerrempedaal opkomen terwijl u de knop
ingedr
ukt houdt.
De blokkering van de handrem wordt automatisch
uitgeschak
eld als het rempedaal wordt ingedrukt.
Maaielement
Rider 18 en 18 AWD kunnen worden voorzien van twee
verschillende maaidekken.
•CombiClip 94
•CombiClip 103
•CombiClip 112
Het combi-element verdeelt het maaisel tot meststoffen,
w
anneer de BioClip-plug is gemonteerd. Zonder BioClip-plug
werkt het element op dezelfde manier als een
achteruitworpelement.
Hefstang voor het maaielement
De hendel wordt gebruikt om de maaikast in de transport- of
maaistand te zetten.
Wanneer de stang naar achteren wordt getrokken zal het
element omhoog gaan en stoppen de messen automatisch
met dr
aaien (transportstand).
Wanneer de vergrendelknop wordt ingedrukt en de stang
wordt naar voren gebracht zal het maaielement zakken en
beginnen de messen automatisch te draaien (maaistand).
!
WAARSCHUWING! Zorg ervoor dat takken
niet bij de pedalen kunnen bij het maaien
onder struiken. Gevaar van ongewenste
beweging.
Dutch – 13
PRESENTATIE
De hendel kan ook worden gebruikt voor het tijdelijk regelen
van de maaihoogte bij bijv. een kleine verhoging in de
grasmat.
Hendel voor instelling van
maaihoogte
Met de hendel kan de maaihoogte worden geregeld in 7
verschillende standen.
Combi-element 40-90 mm (1 9/16” - 3 9/16”)
Zitting
De zitting heeft een gelede bevestiging aan de voorkant en
kan voorover worden geklapt.
De zitting kan ook worden afgesteld in de lengterichting.
Maak de knoppen onder de zitting los en schuif de zitting naar
v
oren of naar achteren in de gewenste stand.
Tanken
De motor moet op loodvrije benzine van ten minste 85-octaan
(niet met olie gemengd) lopen. Milieuvriendelijke alkylbenzine
kan heel goed gebruikt worden. (Max. methanol 5%, max.
ethanol 10%, max. MTBE 15%)
Vul de tank niet helemaal, laat ten minste 2,5 cm (1“)
e
xpansieruimte over.
Ontkoppelingsregeling
Om de zitmaaier te kunnen verplaatsen met een motor die uit
staat moet u de ontkoppelingshendel uittrekken.
Als u probeert de machine te rijden met uitgetrokken
ontk
oppelingshendels zal hij zich niet verplaatsen. Als de ene
hendel is uitgetrokken, verliest u de aandrijving op die as.
Trek de hendels naar de eindstand, gebruik geen
tussenstanden.
Ontkoppelingsregeling Rider 18
•Trek de hendel uit om het aandrijfsysteem uit te
schakelen.
•Duw de hendel in om het aandrijfsysteem in te schakelen.
!
WAARSCHUWING! Benzine is zeer
brandgevaarlijk. Neem voorzichtigheid in
acht en tank buitenshuis (zie de
veiligheidsinstructies).
BELANGRIJKE INFORMATIE
Gebruik de brandstoftank
niet om dingen op te leggen.
14 – Dutch
PRESENTATIE
Ontkoppelingsregeling Rider 18 AWD
Rider 18 AWD heeft een hendel voor de vooras en één voor
de achteras.
•Ontkoppelingshendel achteras
- Uitgetrokken hendel, het aandrijfsysteem is ontkoppeld.
- Ingedrukte hendel, het aandrijfsysteem is ingeschakeld.
•Ontkoppelingshendel vooras
De hendel zit aan de binnenkant van het linker voorwiel.
- De hendel naar achteren (uitgetrokken), het
aandrijfsysteem is uitgeschakeld.
- De hendel naar voren (ingedrukt), het aandrijfsysteem is
ingeschak
eld.
BELANGRIJK! Gebruik de machines altijd terwijl beide
ontkoppelingshendels ingedrukt zijn.
Dutch – 15
Rijden
Voor de start
•Lees de veiligheidsinstructies en de informatie over de
plaats van de hendels en functies door voordat u start.
•Voer dagelijks onderhoud uit voor de start volgens het
Onderhoudsschema.
Starten van de motor
1Zorg ervoor dat de ontkoppelingshendel ingedrukt is.
Rider 18 AWD heeft een hendel voor de vooras en één
voor de achteras.
2Breng de maaikast omhoog door de hendel naar achter te
trekk
en naar de blokkeerstand (transportstand) en zet de
handrem aan.
3 De motor kan niet opnieuw worden gestart, als de
par
keerrem niet wordt ingedrukt.
Start van koude motor
4Schuif de gashendel naar stand 3 (chokestand). In deze
stand kr
ijgt de motor een rijker mengsel, waardoor de
motor makkelijker start.
Start van warme motor
Zet de gashendel midden tussen stand 1 en 2.
5Draai de contactsleutel naar de startstand.
6Als de motor start, laat dan de contactsleutel meteen
ter
ug springen naar de neutrale stand.
7Schuif de gasbediening naar de volgasstand. Laat de
motor 3-5 min op laag toerental
“halfgas” lopen voordat hij
zwaar belast wordt.
8Stel het gewenste motortoerental in met de gasbediening.
BELANGRIJKE INFORMATIE
Het luchtinlaatrooster in de motorkap achter de
bestuurderszitting mag niet geblokkeerd zijn door bijv.
kledingstukken, bladeren, gras of viezigheid. Dat
verslechtert de koeling van de motor.
Risico van ernstige motorbeschadigingen.
BELANGRIJKE INFORMATIE
Laat de startmotor niet langer dan ca. 5 seconden achter
elkaar draaien. Als de motor niet start wacht dan ca. 15
seconden voordat de volgende startpoging wordt gedaan.
!
WAARSCHUWING! Laat de motor nooit
binnenshuis lopen, in een gesloten of slecht
geventileerde ruimte. De uitlaatgassen van
de motor bevatten giftig koolmonoxyde.
16 – Dutch
Rijden
Starten van een motor met een
zwakke accu
Als de accu te zwak is om de motor te starten, dient deze
opgeladen te worden.
Bij het gebruik van startkabels voor een noodstart, volgt u
onderstaande procedure:
Aansluiten van startkabels
•Sluit ieder eind van de rode kabel aan op de POSITIEVE
pool (+) van iedere accu, en let goed op dat u geen einde
tegen het chassis kortsluit.
•Sluit het ene uiteinde van de zwarte kabel aan op de
NEGA
TIEVE pool (-) op de accu die vol is.
•Sluit het andere uiteinde van de zwarte kabel aan op
goede CHASSISAARDING, op r
uime afstand van de
brandstoftank en de accu.
Verwijder de kabels in omgekeerde
volgorde.
•De ZWARTE kabel haalt u eerst los van het chassis en
dan van de volle accu.
•De RODE kabel haalt u als laatste van beide accu’s.
Rijden met de zitmaaier
1Zet de parkeerrem los door eerst het parkeerrempedaal in
te drukken en daarna op te laten komen.
2Druk voorzichtig een van de pedalen in tot de gewenste
snelheid w
ordt bereikt. Bij het vooruit rijden wordt pedaal
(1) gebruikt en bij achteruit rijden pedaal (2).
3Kies de gewenste maaihoogte (1-7) met de hendel voor
het instellen v
an de maaihoogte.
Om een gelijkmatige maaihoogte te krijgen, is het
belang
rijk dat de luchtdruk in beide voorwielen gelijk is 60
kPa/0,6 bar/8,5 PSI.
4Druk de vergrendelknop op de hefstang in en laat het
maaielement zakk
en.
!
WAARSCHUWING! Lood-zuur-accu’s geven
explosieve gassen af. Voorkom vonken,
open vuur en roken vlakbij accu’s. Draag
altijd een veiligheidsbril in de buurt van
accu’s.
BELANGRIJKE INFORMATIE
Uw grasmaaier is voorzien
van een 12-volts systeem met negatieve aarding. Het
andere voertuig moet ook een 12-volts systeem met
negatieve aarding hebben. Gebruik de accu van de maaier
niet om andere voertuigen te starten.
BELANGRIJKE INFORMATIE
De levensduur van de aandrijfriemen wordt aanzienlijk
verlengd wanneer de motor op laag toerental loopt wanneer
de messen worden ingeschakeld. Geef daarom pas vol gas
wanneer het maai-element neergeklapt is naar maaistand.
Dutch – 17
Rijden
Maaitips
•Lokaliseer en markeer stenen en andere vaste
voorwerpen om te vermijden dat u hier tegenaan rijdt.
•Begin met een hoge maaihoogte en verminder tot het
ge
wenste maairesultaat wordt verkregen.
•Het beste maairesultaat wordt verkregen bij het hoogste
toegestane motor
toerental, zie de technische gegevens
(de messen draaien snel), en een lage rijsnelheid (de
Rider beweegt langzaam). Is het gras niet al te lang en
dicht op elkaar groeiend, kan de rijsnelheid worden
verhoogd zonder dat het maairesultaat merkbaar
verslechtert.
•De mooiste grasmat krijgt u als u deze vaak maait. Het
maaien w
ordt regelmatiger en het afgeknipte gras wordt
gelijkmatiger over het oppervlak verdeeld. De totale tijd
die u aan het maaien besteedt wordt niet langer
aangezien een hogere rijsnelheid kan worden gekozen
zonder dat het maairesultaat slechter wordt.
•Vermijd het maaien van een natte grasmat. Het
maairesultaat w
ordt slechter aangezien de wielen
wegzakken in de zachte grasmat.
•Spoel de onderkant van het maai-element na ieder
gebr
uik met water af, gebruik geen hogedrukspuit. Het
maaielement moet dan in servicestand worden gezet.
•Wanneer u de BioClip-functie gebruikt, komt het extra
nauw dat het maai-inter
val niet te lang is.
Afzetten van de motor
Laat de motor bij voorkeur een minuut stationair lopen om
weer de normale werktemperatuur te krijgen voordat hij wordt
afgezet, als hij hard heeft moeten werken. Voorkom lange tijd
stationair draaien, het risico bestaat dat een afzetting op de
bougie optreedt.
1Til het maaielement op door de hendel naar achteren te
trekk
en naar de vergrendelstand.
2Breng de gasbediening naar de stand MIN. Draai de
contactsleutel naar de stand ”ST
OP”.
3Wanneer de zitmaaier stil staat, moet u de parkeerrem
naar beneden houden en de vergrendelknop indrukken.
!
WAARSCHUWING! Reinig de grasmat van
stenen en andere voorwerpen die door de
messen kunnen worden weggeslingerd.
!
WAARSCHUWING! Gebruik de zitmaaier
nooit op terrein dat meer dan 10
°°
°°
helt. Maai
hellingen recht naar boven en recht naar
beneden, nooit dwars. Vermijd plotselinge
richtingsveranderingen.
18 – Dutch
ONDERHOUD
Onderhoudsschema
Hier volgt een lijst met het onderhoud dat aan de zitgrasmaaier moet worden uitgevoerd. Voor de punten die niet in deze
gebruiksaanwijzing staan beschreven, moet u een erkende servicewerkplaats bezoeken.
1)
Eerste vervanging na 8 uur. Bij rijden met zware belasting of hoge omgevingstemperaturen, vervangt u de olie om de 50 uur.
2)
Onder stoffige omstandigheden moeten schoonmaken en vervangen vaker gebeuren. Eerste vervanging na 8 uur.
3)
Bij dagelijks
gebruik van de zitmaaier moet er twee keer per week gesmeerd worden.
4)
Vervang het oliefilter om de 200 uur.
5)
Vervang het
papieren filter jaarlijks of om de 200 uur.
6)
Moet door een erkende servicewerkplaats worden uitgevoerd.
7)
Alleen 18 AWD eerste
vervanging na 8 uur
X = Beschreven in deze gebruiksaanwijzing
O = Niet beschreven in deze gebruiksaanwijzing
Onderhoud
Dagelijks onderhoud
voor de start
Minstens
jaarlijks
Onderhoudsinterv
al in uren
2550100200
SchoonmakenX
Controleer het oliepeil van de motorX
Controleer de koelluchtinlaat van de motorX
Controleer het luchtfilter van de brandstofpompX
Controleer de stuurkabelsX
Controleer de accuX
Controleer het veiligheidssysteemX
Controleer bouten en moerenO
Controleer of er geen brandstof- of olielekken zijn.O
Maak schoon rond de geluiddemperO
Maak het voorfilter in het luchtfilter schoon
2)
X
Ververs de motorolie
1)
X
3
X
3
Controleer het maaielementX
Controleer de luchtdruk van de banden 60 kPa/8,5 PSIX
Smeer de riemspanner
3)
X
Smeer scharnierpunten en assen
3)
X
De rem afstellenX
Controleer de V-snarenO
Controleer de koelflenzen van de hydrostaatO
Controle van het oliepeil van de transmissieX
Controle en afstellen van chokekabelX
Draai bouten en moeren vastO
Controleren en afstellen van de gaskabelX
Vervang het voorfilter en het papieren filter van het luchtfilter
2,5)
XX
Vervang het brandstoffilterX
Vervang de bougie.X
Controle van noodzaak olie verversen
6,7)
in versnellingsbak/
hydraulisch systeem
OO
Vervang oliefilterX
Controleer de synchronisatie tussen de voor- en achterwielen.O
Controleer de brandstofleiding. Vervang indien nodig.
6)
O
!
WAARSCHUWING! Werk niet aan de motor of het
maai-element vooraleer:
De motor afgezet is.
De handrem geactiveerd is.
De contactsleutel verwijderd is.
Het maai-element losgekoppeld is.
De ontstekingskabels van de bougie gehaald zijn.
Dutch – 19
ONDERHOUD
Schoonmaken
Maak de machine direct na gebruik schoon. Het is veel
makkelijker maairesten weg te spoelen als ze nog niet vast
gedroogd zijn.
Olieresten kunnen worden opgelost met een koud
ontv
ettingsmiddel. Breng een dunne laag aan.
Afspoelen met gewoon water (waterleidingdruk).
Richt de straal niet op elektrische componenten of lagers.
Spoel geen hete oppervlakken af, zoals de motor en het
uitlaatgassysteem.
Na het schoonmaken raden wij aan de motor te starten en het
maaidek enige tijd te laten dr
aaien, zodat het overgebleven
water wordt weggeblazen.
Smeer de machine indien nodig na het schoonmaken. Smeer
bij v
oorkeur een keer extra wanneer lagers blootgesteld zijn
aan ontvettingsmiddel of de waterstraal.
Het risico is groot dat er water in de lagers en de elektrische
aansluitingen komt. Dat kan leiden tot roestvorming,
waardoor storingen in de werking optreden. Het toevoegen
van een schoonmaakmiddel verergert gewoonlijk de schade.
Demontage van de kappen van de
zitmaaier
De motorkap
Wanneer de motorkap omhooggeklapt is, kunt u overal goed
bij om de service aan de motor uit te voeren.
Klap de stoel naar voren, maak de klikvergrendeling onder de
stoel los en klap de afdekking naar achteren.
Frontkap
Maak de snelsluiting los en verwijder de frontkap.
Rechter vleugelkap
Verwijder de knop op de snelheidshendel (1), de bouten (2 en
3) en til de kap eraf.
Linker vleugelkap
Maak de bouten van de vleugelkap (2 st) los en til de kap eraf.
Controleren en afstellen van de
besturingskabels
De besturing wordt geregeld met behulp van kabels.
Deze kunnen zich nadat de zitmaaier een tijd in gebruik is
ge
weest, uitrekken, hetgeen betekent dat de afstelling van de
besturing gewijzigd kan zijn.
De besturing wordt gecontroleerd en afgesteld op de
v
olgende manier:
•Verwijder de frameplaat door de twee bouten los te
dr
aaien.
BELANGRIJKE INFORMATIE
Spoel niet met de hogedrukspuit of stoom.
20 – Dutch
ONDERHOUD
•Controleer hoe strak de stuurkabels zijn door ze bij de
pijlen samen te drukken, zoals op de afbeelding te zien is.
De kabels moeten zo samen kunnen worden geklemd dat
de afstand tussen hen half zo groot wordt, zonder al te
veel kracht te gebruiken.
•Indien nodig kunnen de kabels gespannen worden door
de stelmoeren aan iedere kant v
an de stuurkrans aan te
draaien. Span de kabels niet te strak, ze moeten alleen
tegen de stuurkrans getrokken worden.
Hou de kabel tegen met bijv. een bahco, zodat hij niet
ineen dr
aait.
Wanneer de afstelling aan de ene kant gedaan wordt, zal
de middenstand v
an het stuur beïnvloed worden.
Controleer de spanning van de draden nadat de afstelling
is uitge
voerd volgens punt 2.
Afstellen van handrem Rider 18
De parkeerrem wordt als volgt afgesteld:
1Maak de borgmoeren (1) los.
2Span de kabel met de stelschroef (2) tot alle speling in de
kabel v
erdwijnt.
3Draai na het afstellen de borgmoeren (1) vast.
4Nadat het afstellen gereed is, moet de parkeerrem
opnieuw gecontroleerd w
orden.
Afstellen van handrem Rider 18 AWD
Controleer of de parkeerrem goed is afgesteld door de
machine op een helling te zetten met ontkoppelde voor- en
achterassen.
Schakel de parkeerrem in en vergrendel deze. Indien de
machine niet stil staat, moet u de par
keerrem als volgt
afstellen.
1Verwijder de linker vleugelkap.
2Maak de borgmoeren (1) los.
3Span de kabel met de stelschroef (2) tot alle speling in de
kabel v
erdwijnt.
4Draai de borgmoeren (1) vast.
5Nadat het afstellen gereed is, moet de rem opnieuw
gecontroleerd w
orden.
6Plaats de linker vleugelkap.
Controleren en afstellen van de
gaskabel
Wanneer de motor niet naar behoren reageert op gas geven,
zwarte rook uitstoot of wanneer het max. toerental niet wordt
bereikt kan het nodig zijn de gaskabel af te stellen.
Bezoek bij twijfel een servicewerkplaats.
1Maak de klemschroef voor de mantel van de kabel los en
schuif de gashendel naar de v
olgasstand.
!
WAARSCHUWING! Een slecht afgestelde
parkeerrem kan leiden tot verminderd
remvermogen.
Dutch – 21
ONDERHOUD
2Trek de buitenhuls van de chokekabel zo ver mogelijk
naar rechts en zet de klemschroef vast.
3Trek de gashendel terug naar volgas-stand en controleer
of de chok
e niet langer geactiveerd is.
Vervangen van brandstoffilter
Vervang het op de leiding gemonteerde brandstoffilter iedere
100 uur (een keer per seizoen) of vaker als het verstopt is.
Vervang het filter op de volgende wijze:
1Klap de motorkap omhoog.
2Haal de slangklemmen weg bij het filter. Gebruik een
platte tang.
3Trek het filter los van de slanguiteinden.
4Druk het nieuwe filter in de uiteinden van de leiding. Indien
nodig kan een z
eepoplosssing op de filteruiteinden
aangebracht worden om de montage te
vergemakkelijken.
5Zet de slangklemmen weer terug bij het filter.
Vervangen van luchtfilter
Als de motor zwak lijkt of onregelmatig loopt kan de oorzaak
zijn dat het luchtfilter is verstopt. Het is daarom van belang het
luchtfilter regelmatig te vervangen (zie onder Onderhoud/
Onderhoudsschema voor het juiste service-interval).
Vervangen van luchtfilter gaat als volgt:
1Klap de motorkap omhoog.
2Trek de handgreep van het luchtfilterdeksel omhoog, haak
los en dr
aai naar de motor toe.
3Verwijder het luchtfilterdeksel.
Til het luchtfilterpatroon uit het ventilatorhuis.
Vervang het luchtfilterpatroon als dit met vuil verstopt is.
4Til de voorreiniger voorzichtig uit het ventilatorhuis.
5Maak het ventilatorhuis voorzichtig schoon, zodat het vuil
niet in de carb
urateur valt.
6Plaats een nieuwe voorreiniger en luchtfilterpatroon in het
v
entilatorhuis.
!
WAARSCHUWING! Het uitlaatsysteem is
warm. Laat het afkoelen voordat u begint aan
het vervangen van het luchtfilter.
BELANGRIJKE INFORMATIE
Laat de motor nooit draaien wanneer het luchtfilter is
verwijderd.
Gebruik geen perslucht om het papierfilter schoon te
mak
en.
De filters mogen niet geolied worden. Ze moeten droog
worden gemonteerd.
22 – Dutch
ONDERHOUD
7Laat de lipjes op het deksel in de inkepingen op het huis
vallen en zet het luchtfilterdeksel terug.
8 Trek de handgreep naar buiten toe. Haak de handgreep
in het luchtfilterdeksel v
ast en sluit het deksel door het
naar binnen te drukken.
Controleren van het luchtfilter van
de brandstofpomp
Controleer regelmatig of het luchtfilter van de brandstofpomp
vrij is van vuil.
Het filter kan indien nodig worden gereinigd met een penseel.
Ontstekingssysteem
De motor is voorzien van een elektronische ontsteking. Alleen
de bougie heeft onderhoud nodig.
Aanbevolen bougie, zie Technische Gegevens.
Vervangen van bougie
1Trek de bougiedop los en maak het rond de bougie
schoon.
2Verwijder de bougie met een 3/4' (19 mm) bougiedop.
3Controleer de bougie. Vervang de bougie wanneer de
elektroden rondom v
erbrand zijn of wanneer de isolator
gescheurd of beschadigd is. Maak de bougie schoon met
een staalborstel als die moet worden gebruikt.
4Meet de elektrodenafstand met een voelermaat. De
afstand moet 0,75 mm / 0,030”
zijn. Stel de afstand indien
nodig af door de massaelektrode te buigen.
5Schroef de bougie met de hand terug om te voorkomen
dat het schroefdr
aad beschadigd raakt.
6Draai de bougie, als deze tegen de zitting aanligt, met een
bougiesleutel v
ast. Draai de bougie zo vast dat de ring
wordt samengedrukt. Een oude, opnieuw gebruikte
bougie moet 1/8 slag aangedraaid worden vanaf het
aanligpunt. Een nieuwe bougie moet 1/4 slag
aangedraaid worden vanaf het aanligpunt.
7Zet de bougiedop terug.
BELANGRIJKE INFORMATIE
Een verkeerd type bougie kan de motor beschadigen.
BELANGRIJKE INFORMATIE
Een bougie, die niet goed is aangedraaid, kan
oververhitting veroorzaken en de motor beschadigen. Een
bougie, die te hard is aangedraaid, kan de schroefdraad in
de cilinderkop beschadigen.
Laat de motor niet rond met een verwijderde bougie of
losgemaakte ontstekingskabel.
Dutch – 23
ONDERHOUD
Controle van veiligheidssysteem
De zitmaaier is uitgerust met een veiligheidssysteem dat
starten of rijden onder de volgende condities verhindert.
De motor moet alleen gestart kunnen worden wanneer het
maai-element omhoog getild is en de h
ydrostaatpedalen in
neutraalstand staan.
De motor kan niet opnieuw worden gestart, als de
par
keerrem niet wordt ingedrukt.
De bestuurder hoeft niet op de bestuurderszitting te zitten.
Controleer dagelijks of het veiligheidssysteem werkt door te
proberen om de motor te star
ten wanneer aan een van deze
voorwaarden niet is voldaan. Kies een andere voorwaarde en
probeer het opnieuw.
Controleer of de motor uitgaat als je even van de
bestuurdersstoel opstaat w
anneer het maai-element in
uitgeklapte stand staat of de hydrostaatpedalen niet in
neutraalstand staan.
Startmotor
Ontstekingssysteem
Functioneert
Functioneert niet
24 – Dutch
ONDERHOUD
Hoofdzekering
De hoofdzekering zit in een losse houder onder het deksel
van de accubak, voor de accu.
Type: Platte stiftbeugel, 15 A.
Gebruik geen andere zekering bij het vervangen.
Een gesprongen zekering geeft aan dat de stift verbrand is.
T
rek de zekering uit de houder om te vervangen.
De zekering dient ter bescherming van het elektrisch
systeem.
Wanneer hij in korte tijd weer springt, komt dit door
een kortsluiting die moet worden verholpen voordat de
machine weer in gebruik wordt genomen.
Controle van de spanning van de
banden
De spanning van de banden moet 60 kPa (0,6 bar / 9 PSI)
voor alle wielen bedragen. Om het aandrijfvermogen te
verbeteren, kan de spanning voor de achterbanden worden
verminderd tot 40 kPa (0,4 bar/5,6 PSI). Hoogste toegestane
spanning is 100 kPa (1,0 bar/14 PSI).
Controle van de koelluchtinlaat van
de motor
Maak het luchtinlaatrooster in de motorkap achter de
bestuurderszitting schoon.
Klap de motorkap omhoog.
Controleer of de koelluchtinlaat van de motor vrij is van
b
laderen, gras en vuil.
Controleer of de luchtleiding, die aan de onderkant van de
motor
kap zit, schoon is en niet tegen de koelluchtinlaat
schuurt.
Bij een verstopt luchtinlaatrooster, luchtleiding of
k
oelluchtinlaat verslechtert het koelen van de motor, hetgeen
kan leiden tot beschadiging aan de motor.
Montage van knipaggregaat
1Plaats de Rider op een vlakke ondergrond en activeer de
handrem.
2Verzeker u ervan dat de hendel voor het instellen van de
maaihoogte in de laagste stand staat en dat de hefboom
v
oor het maaidek in de maaistand staat.
3Druk het werktuigframe omlaag en plaats de pal tegen het
fr
ame.
BELANGRIJKE INFORMATIE
Een verschillende spanning in de voorbanden brengt met
zich mee dat de messen het gras maaien op een
verschillende hoogte.
!
WAARSCHUWING! De koelluchtinlaat draait
wanneer de motor loopt. Pas op uw vingers.
!
WAARSCHUWING! Draag een
beschermingsbril wanneer u het maai-
element monteert. De veer waarmee de riem
wordt gespannen kan loskomen en
persoonlijk letsel veroorzaken.
Dutch – 25
ONDERHOUD
4Steek de riem in de riemhouder.
5Druk het maaidek omlaag en plaats de geleidepluggen in
de ink
epingen in het werktuigframe, aan elke kant één.
6Breng de maaikast omhoog
7 Druk het maaidek omlaag zodat de inwendige pluggen de
bodem v
an de inkepingen in het werktuigframe raken.
8Plaats de aandrijfriem rond de poelies van het element.
Verzeker u ervan dat de riem aan de juiste kant van het
riemspannerwiel is geplaatst.
9Haak de stang voor de hoogteinstelling vast.
10Zet de veer van het spanwiel vast.
11Monteer de frontkap.
Verwijderen van maai-element
1Volg Servicestand voor maai-element, punt 1-6 om het
maai-element in servicestand te zetten.
2Laat het maaidek zakken.
3Open de maaidekpal.
4Trek het maaidek naar buiten.
!
WAARSCHUWING! Neem voorzichtigheid in
acht zodat uw hand niet bekneld raakt.
!
WAARSCHUWING! Draag een
beschermingsbril wanneer u het
maaielement demonteert. De veer waarmee
de riem wordt gespannen kan loskomen en
persoonlijk letsel veroorzaken.
!
WAARSCHUWING! Neem voorzichtigheid in
acht zodat uw hand niet bekneld raakt.
26 – Dutch
ONDERHOUD
Controle en afstellen van gronddruk
van het maai-element
Om het beste maairesultaat te krijgen moet het maai-element
de ondergrond volgen zonder te stevig aan te liggen.
De druk wordt afgesteld met een bout en veer aan beide
kanten v
an de zitmaaier.
1Controleer de luchtdruk van de banden 60 kPa/0,6 kp/
cm
2
/8,5 PSI.
2Plaats de zitmaaier op een vlakke ondergrond.
3Zet de hefstang in maaistand.
4Plaats een personenweegschaal onder het frame van het
maai-element (aan de v
oorkant) zo dat het maai-element
op de weegschaal rust. Indien nodig kan er een klos
gelegd worden tussen het frame en de weegschaal zodat
de steunwielen geen gewicht dragen.
5Stel de gronddruk van het maai-element af door de
stelschroe
ven die aan beide kanten achter de voorwielen
zitten, in of uit te schroeven. De gronddruk moet tussen de
12 en 15 kg (26,5-33 lb) liggen.
Controle van de parallelliteit van het
maai-element
Controleer de parallelliteit van het maaidek als volgt:
1Controleer de luchtdruk van de banden 60 kPa/0,6 kp/
cm
2
/8,5 PSI.
2Plaats de zitmaaier op een vlakke ondergrond.
3Zet de hefstang in maaistand.
4Meet de afstand tussen de grond en de rand van het
element, aan de v
oor- en de achterkant van de kap. Het
maai-element moet een beetje afhangen, de achterkant
moet 2-4 mm (1/8”) hoger zijn dan de voorkant.
Afstellen van de parallelliteit van het
maai-element
1Verwijder de frontkap en de rechter vleugelkap.
2Maak de moeren van de parallelliteitsstang los.
3Schroef de stang uit (verlengen) om de achterkant van de
kap te v
erhogen.
Schroef de stang in (verkorten) om de achterkant van de
kap te v
erlagen.
4Draai na het afstellen de moeren vast.
5Nadat het afstellen gereed is, moet de parallelliteit van het
element opnieuw gecontroleerd w
orden.
6Monteer de rechter vleugelkap en de frontkap.
Dutch – 27
ONDERHOUD
Vervangen van de riemen van het
maai-element
Op deze maai-elementen met botsbeveiligde messen worden
de messen aangedreven door één V-snaar. Ga als volgt te
werk om de V-snaar te vervangen:
1Demonteer het maai-element.
2Open de vergrendeling voor de geleidingsstangbout.
3 Verwijder de bout zodat de geleidingsstang aan één
uiteinde losk
omt.
4Schroef de bout los waarmee de maaidekframebeugel is
be
vestigd.
5Verwijder de vergrendeling en haal het maaidekframe
naar b
uiten.
6Verwijder de twee bouten uit het maaidekframe.
7Verwijder de schroeven uit het maaideksel. Licht het
maaidekfr
ame op en verwijder het maaidekdeksel.
8Maak de veer los waarmee de V-snaar opgespannen is en
wr
ik de riem eraf.
9Het monteren van de nieuwe riem gebeurt in omgekeerde
v
olgorde.
Servicestand voor maai-element
Om ervoor te zorgen dat u bij schoonmaken, reparatie en
service overal goed bij kunt, kan het maai-element in
servicestand gezet worden. Servicestand betekent dat het
element opgeklapt en vergrendeld is in verticale stand.
In servicestand zetten
1Zet de machine op een vlakke ondergrond.
2Activeer de handrem.
3Zet de maaihoogtehendel in de laagste stand en til het
maaielement op
.
4Maak de snelsluiting los en verwijder de frontkap.
!
WAARSCHUWING! Bescherm uw handen
met handschoenen wanneer u aan de
messen werkt. Risico van beknelling bij het
werken met de riem.
!
WAARSCHUWING! Draag een
beschermingsbril wanneer u het
maaielement demonteert. De veer waarmee
de riem wordt gespannen kan loskomen en
persoonlijk letsel veroorzaken.
28 – Dutch
ONDERHOUD
5Maak de veer van de spanpoelie van de aandrijfriem los.
6Maak de stang voor de maaihoogte los en plaats deze in
de houder
.
7Verwijder de aandrijfriem en plaats hem in de riemhouder.
8Pak de voorkant van het element beet en trek het naar
v
oren tot het niet verder gaat.
9Til het element op tot het niet meer gaat en u een
klikgeluid hoor
t. Het maaielement wordt automatisch in
verticale stand vastgezet.
Terugkeer uit servicestand
1Pak de voorkant van het element beet en maak de
vergrendeling los, klap het element naar beneden en duw
het terug.
2Plaats de maaihoogtestang en de riem terug.
3Span de riem met de riemspanner op.
4Plaats de frontkap.
Controle van messen
WAARSCHUWING! Bescherm uw handen met
handschoenen wanneer u aan de messen werkt.
Om het beste maairesultaat te bereiken is het belangrijk dat
de messen onbeschadigd en scher
p zijn.
Controleer of de bevestigingsbouten van de messen goed zijn
aangedr
aaid.
Nadat de messen geslepen zijn, moeten ze uitgebalanceerd
w
orden.
Bij een aanrijding met een hindernis waarbij schade is
ontstaan, moeten beschadigde messen vervangen worden.
Laat de servicewerkplaats beoordelen of het mes
gerepareerd/geslepen kan worden of weggegooid moet
worden.
!
WAARSCHUWING! Neem voorzichtigheid in
acht zodat uw hand niet bekneld raakt.
BELANGRIJKE INFORMATIE Vervangen of slijpen van de
messen moet door een erkende servicewerkplaats gedaan
worden.
Dutch – 29
ONDERHOUD
Verwijderen van BioClip-plug
Om een Combi-maai-element om te zetten van BioClip-
functie naar een maai-element met achteruitworp verwijdert u
de BioClip-plug, die met drie bouten onder het maai-element
vastzit.
CombiClip 103, CombiClip 112
1Zet het maai-element in servicestand, zie In servicestand
zetten.
2Verwijder de drie bouten waarmee de BioClip-plug vastzit
en haal de plug w
eg.
3Tip: Monteer drie bouten M8x15 mm met volledig
schroefdr
aad in de gaten om daar het schroefdraad te
beschermen.
4Zet het maai-element weer in normale stand terug.
Het plaatsen van de BioClip-plug gebeurt in omgekeerde
v
olgorde.
CombiClip 94
1Zet het maai-element in servicestand, zie In servicestand
zetten.
2Maak de knop los, waarmee de BioClip-plug vastzit en
v
erwijder de plug.
30 – Dutch
Smeren
Controle van het oliepeil van de
motor
Controleer het oliepeil in de motor als de machine horizontaal
staat en de motor uit is.
Klap de motorkap omhoog.
Maak de peilstok daarna los en trek hem weer omhoog.
Doe de peilstok vervolgens weer in het gat. De peilstok moet
helemaal ingeschroefd zijn.
Haal de peilstok omhoog en lees het oliepeil af.
Het oliepeil moet tussen de markeringen op de peilstok
liggen.
Als het peil in de buurt van het ADD-teken komt, vul
dan olie bij tot het FULL-teken op de peilstok.
De olie wordt bijgevuld in hetzelfde gat als waar de peilstok in
zit.
Vul langzaam de olie bij.
Draai de peilstok stevig vast voor de motor wordt gestart.
Star
t de motor en laat deze ca. 30 seconden stationair
draaien. Zet de motor uit. Wacht 30 seconden en controleer
het oliepeil. Vul indien nodig olie bij tot de olie het FULL-teken
op de peilstok nadert.
Gebruik in eerste instantie synthetische motorolie klasse SJ-
CF 5W/30 of 10W/30 v
oor alle temperatuurbereiken. Minerale
olie SAE30, klasse SF-CC kan worden gebruikt bij
temperaturen > +5 °C (40 °F).
Meng geen verschillende soorten olie.
Let op dat gebruik van olie zoals 5W-20, 10W-30 en 10W-40
het oliebr
uik van de motor vergroot. Wanneer deze olie wordt
gebruikt, moet het oliepeil vaker worden gecontroleerd.
Vervangen van motorolie
De motorolie moet de eerste keer vervangen worden na 8 uur
bedrijfstijd. Daarna moet het verversen om de 50 bedrijfsuren
plaatsvinden. Bij rijden met zware belasting of hoge
omgevingstemperaturen, vervangt u de olie om de 25 uur.
1Plaats een vat onder de linker aftapklep van de motor.
2Verwijder de peilstok. Verwijder de aftapklep aan de
link
erkant van de motor.
3Laat de olie in het vat lopen.
4Monteer de aftapklep en draai deze vast.
5Vul indien nodig olie bij tot de olie het FULL-teken op de
peilstok nader
t. De olie wordt bijgevuld in hetzelfde gat als
waar de peilstok in zit. Zie Controle van het oliepeil van de
motor voor de vulinstructies. In de motor gaat 1,4 liter (1,5
USqt) wanneer het oliefilter niet wordt vervangen en 1,6
liter (1,7 USqt) wanneer het oliefilter wordt vervangen.
6Laat de motor warm draaien, controleer daarna of er geen
lekkage is rond de afdichting v
an de olieklep.
Vervangen van oliefilter
Het oliefilter moet om de 200 bedrijfsuren worden vervangen.
Draai het oude oliefilter tegen de klok in om het te
verwijderen. Gebruik indien nodig een filtertang.
ADD
FULL
ADD
FULL
!
WAARSCHUWING! De motorolie kan zeer
warm zijn als deze direct na het stoppen
afgetapt wordt. Laat de motor daarom eerst
wat afkoelen.
BELANGRIJKE INFORMATIE
Gebruikte motorolie is gevaarlijk voor de gezondheid en
mag niet op de grond of in de natuur gegooid worden, maar
moet ingeleverd worden bij de werkplaats of de
aangewezen plaats voor verwerking.
Voorkom contact met de huid, wassen met water en zeep
mocht u evt. knoeien.
Dutch – 31
Smeren
Smeer de rubberen pakking van het nieuwe oliefilter lichtjes
met nieuwe olie in. Monteer het oliefilter door het met de klok
mee te draaien. Doe dit handmatig tot de rubberen pakking
aanligt. Draai het nog een halve slag verder.
Bijvullen met nieuwe motorolie volgens Controle van het
oliepeil v
an de motor. Start de motor en laat deze ongeveer 3
minuten lopen. Stop hem vervolgens en kijk naar eventuele
lekkage. Vul olie bij om de olie te compenseren die in het
nieuwe oliefilter gaat.
Controle van het oliepeil van de
transmissie
1Verwijder de transmissiekap. Maak de twee bouten los
(een aan elke kant) en verwijder de transmissiekap.
2Controleer of er olie in de olietank van de transmissie zit.
Rider 18. Vul indien nodig bij met motorolie SAE 10W/40
(klasse SF-CC).
Rider 18 AWD Vul de olie zo nodig bij met Synthetic 10W/
50.
Olie verversen en filters vervangen moet worden gedaan
door een er
kende servicewerkplaats en wordt in het
werkplaatshandboek beschreven.
Maatregelen aan het systeem stellen bijzondere eisen aan
netheid en het systeem moet w
orden ontlucht voor de
machine in gebruik wordt genomen.
Smeren van de riemspanner
•De riemspanner moet regelmatig worden ingevet met
molybdeendisulfidevet van goede kwaliteit*.
•Smeer met een vetspuit, 1 smeerpunt aan de rechterkant
onder de onderste poelie v
an de motor, tot er vet uitkomt.
Bij dagelijks gebruik moet er twee keer per week
gesmeerd worden.
Smeren algemeen
Alle scharnierpunten en lagers zijn bij de productie gesmeerd
met molybdeendisulfidevet. Smeer ze na met hetzelfde type
vet*. Smeer de stuur- en hendelkabels met motorolie.
Smeer regelmatig, bij dagelijks gebruik van de machine moet
er tw
ee keer per week gesmeerd worden.
*Vet van bekende merken (oliemaatschappijen enz.) is
nor
maliter van goede kwaliteit. De belangrijkste eigenschap
is dat het vet een goede bescherming tegen corrosie biedt.
32 – Dutch
Storingsschema
ProbleemOorzaak
De motor start nietGeen brandstof in de brandstoftank
De bougie defect
Verkeerde bougieaansluitingen of verwisselde kabels
Vuil in carburateur of brandstofleiding
De startmotor krijgt de motor niet rond
De startmotor krijgt de motor niet rondAccu leeg
Slecht contact tussen kabel en accupool
Hendel voor de maaikast in verkeerde stand
Hoofdzekering kapot.
De zekering is geplaatst voor de accu, onder de accukap.
Contactslot kapot
Rem niet geactiveerd.
Defecte startmotor
De motor loopt onregelmatigDe bougie verkeerd.
Vergasser verkeerd afgesteld
Het luchtfilter verstopt
Ventilatie van de brandstoftank verstopt
Ontstekingsafstelling verkeerd
Vuil in carburateur of brandstofleiding
Choken of verkeerd afgestelde gaskabel
De motor lijkt zwakHet luchtfilter verstopt
De bougie verkeerd.
Vuil in carburateur of brandstofleiding
Vergasser verkeerd afgesteld
Choken of verkeerd afgestelde gaskabel
De motor raakt oververhitDe motor overbelast
Luchtinlaat of koelflenzen verstopt
Ventilator beschadigd
Te weinig of geen olie in de motor
Voorontsteking niet goed
De bougie verkeerd.
De accu wordt niet opgeladenEen of meer cellen kapot
Slecht contact bij de kabelaansluitingen van de accupolen
De zitmaaier triltDe messen zitten los
De motor zit los
Onbalans tussen een of meer messen, veroorzaakt door schade of slechte
balancer
ing na het slijpen
Ongelijkmatig maairesultaatMessen bot
Maaikast scheef afgesteld
Lang of nat gras
Grasopeenhoping onder de kap
Verschillende spanning in de banden aan de rechter en linker kant
Te hoge rijsnelheid
Te laag motortoerental
De aandrijfriem slipt
Dutch – 33
Stallen
Winterstalling
Aan het eind van het maaiseizoen moet de zitmaaier
onmiddellijk in orde worden gemaakt voor stalling, ook als
deze langer dan 30 dagen niet gebruikt gaat worden.
Brandstof die lange perioden in de tank blijft (30 dagen of
meer) kan kleverige afzettingen produceren, die de vergasser
kunnen verstoppen en de werking van de motor kunnen
verstoren.
Een brandstofstabilisator is een acceptabel alternatief als het
erom gaat kle
verige afzettingen tijdens de stalling te
voorkomen. Als alkylaatbenzine (Aspen) werd gebruikt, hoeft
men geen stabilisator toe te voegen, daar deze brandstof
stabiel is. Daarentegen moet men vermijden standaard- en
alkylaatbenzine afwisselend te gebruiken, daar gevoelige
rubberen onderdelen dan hard kunnen worden. Voeg
stabilisator toe aan de brandstof in de tank of het
opbergreservoir. Gebruik altijd de mengverhouding die door
de fabrikant van de stabilisator wordt aangegeven. Laat de
motor minstens 10 minuten lopen na toevoeging van de
stabilisator, zodat de stabilisator tot bij de vergasser komt.
Maak de brandstoftank en de vergasser niet leeg als
stabilisator is toegevoegd.
Om de zitmaaier klaar te maken voor stalling, deze stappen
v
olgen:
1Maak de zitmaaier zorgvuldig schoon, in het bijzonder
onder de maaikast.
Herstel lakbeschadigingen om
roestaanvallen te voorkomen.
2Inspecteer de zitmaaier op beschadigde of versleten
onderdelen en dr
aai indien nodig losse bouten en moeren
vast.
3Ververs de olie in de motor, zorg dat de afgewerkte olie
een goede bestemming kr
ijgt.
4Maak de benzinetank leeg. Start de motor en laat deze
lopen totdat er ook geen benzine meer zit in de v
ergasser.
5Verwijder de bougie en giet ca. een eetlepel motorolie in
iedere cilinder
. Draai de motor rond zodat de olie wordt
verdeeld en schroef de bougie weer vast.
6Smeer alle smeernippels, gewrichten en assen.
7Verwijder de accu. Maak deze schoon, laad hem op en
be
waar hem op een koele plaats.
8Stal de zitmaaier schoon en droog en breng een
bedekking aan als e
xtra bescherming.
Beschermkap
Om uw machine te beschermen tijdens stalling of transport is
een hoes verkrijgbaar. Neem contact op met uw dealer voor
een demonstratie.
Service
Het laagseizoen is de meest geschikte tijd om service uit te
voeren of de machine na te kijken om een grote
functiebetrouwbaarheid tijdens het hoogseizoen te
waarborgen.
Bij het bestellen van reserve-onderdelen moet het jaar van
aank
oop van de zitmaaier en het model-, type- en
serienummer worden vermeld.
Er moeten altijd originele reserve-onderdelen worden
gebr
uikt.
Een jaarlijkse controle of groot onderhoud door een
be
voegde servicewerkplaats is een goede manier om ook het
daaropvolgende seizoen optimaal plezier te hebben van uw
zitmaaier.
!
WAARSCHUWING! Stal een motor met
brandstof in de tank nooit binnenshuis of in
slecht geventileerde ruimten, waar
brandstofdampen in contact kunnen komen
met open vuur, vonken of een waakvlam,
zoals in een verwarmingsketel, een geiser,
een droger etc. Hanteer de brandstof met
voorzichtigheid. Deze is zeer snel
ontvlambaar en onachtzaam gebruik kan
zwaar persoonlijk letsel en schade aan
eigendommen veroorzaken. Tap de
brandstof af in een goedgekeurd reservoir
buitenshuis en op geruime afstand van open
vuur. Gebruik nooit benzine voor het
reinigen. Gebruik in plaats daarvan
ontvettingsmiddel en warm water.
34 – Dutch
TECHNISCHE GEGEVENS
´®z+U+i¶6L¨
´®z+U+i¶6L¨
Opm. 1: Het aangegeven nominale vermogen van de motor heeft betrekking op het gemiddelde nettovermogen (bij het opgegeven toerental) van een typische
productiemotor voor het betreffende motormodel, gemeten volgens de SAE-norm J1349/ISO 1585. In massa geproduceerde motoren kunnen een afwijkende waarde
geven. Het werkelijk geleverde vermogen van de geïnstalleerde motor op de uiteindelijke machine hangt af van de bedrijfssnelheid, de omgevingscondities en andere
waarden.
Opm. 2: Emissie van geluid naar de omgeving gemeten als geluidsvermogen (L
WA
) volgens EG-richtlijn 2000/14/EG. Als de machine kan worden uitgerust met
verschillende maaidekken zijn de geluidsemissieniveaus gerangschikt op basis van de maaibreedte van het maaidek, te beginnen bij de kleinste maaibreedte.
Opm. 3: Geluidsdrukniveau volgens EN 836. De gerapporteerde gegevens voor het geluidsdrukniveau vertonen een typische statistische spreiding (standaardafwijking)
v
an 1,2 dB (A). Als de machine kan worden uitgerust met verschillende maaidekken zijn de geluidsdrukniveaus gerangschikt op basis van de maaibreedte van het
maaidek, te beginnen bij de kleinste maaibreedte.
Opm. 4: Trillingsniveau volgens EN 836. De gerapporteerde gegevens voor het trillingsniveau vertonen een typische statistische spreiding (standaardafwijking) v
an 0,2
m/s
2
(stuurwiel) en 0,8 m/s
2
(stoel).
Rider 18Rider 18 AWD
Afmetingen
Lengte zonder element, mm/ft2020/6,612020/6,61
Breedte zonder element, mm/ft890/2,92890/2,92
Hoogte, mm/ft1150/3,771150/3,77
Bedrijfsgewicht met maaidek, kg/lb269-274-277/593-604-611293-298-301/646-657-664
Gebruikershandleiding.com neemt misbruik van zijn services uitermate serieus. U kunt hieronder aangeven waarom deze vraag ongepast is. Wij controleren de vraag en zonodig wordt deze verwijderd.
Product:
Spelregels forum
Om tot zinvolle vragen te komen hanteren wij de volgende spelregels:
lees eerst de handleiding door;
controleer of uw vraag al eerder door iemand anders is gesteld;
probeer uw vraag zo duidelijk mogelijk te stellen;
heeft u een probleem en al geprobeerd om dit op te lossen, vermeld dit erbij aub;
heeft u een oplossing gekregen van een bezoeker dan horen wij dat graag in dit forum;
wilt u een reactie geven op een vraag of antwoord, gebruik dan niet dit formulier maar klik op de knop 'reageer op deze vraag';
uw vraag wordt direct op de website gezet; vermijd daarom persoonlijke gegevens in te vullen;
Belangrijk! Als er een antwoord wordt gegeven op uw vraag, dan is het voor de gever van het antwoord nuttig om te weten als u er wel (of niet) mee geholpen bent! Wij vragen u dus ook te reageren op een antwoord.
Belangrijk! Antwoorden worden ook per e-mail naar abonnees gestuurd. Laat uw emailadres achter op deze site, zodat u op de hoogte blijft. U krijgt dan ook andere vragen en antwoorden te zien.
Abonneren
Abonneer u voor het ontvangen van emails voor uw Husqvarna Rider 18 AWD bij:
nieuwe vragen en antwoorden
nieuwe handleidingen
U ontvangt een email met instructies om u voor één of beide opties in te schrijven.
Ontvang uw handleiding per email
Vul uw emailadres in en ontvang de handleiding van Husqvarna Rider 18 AWD in de taal/talen: Nederlands als bijlage per email.
De handleiding is 2,25 mb groot.
U ontvangt de handleiding per email binnen enkele minuten. Als u geen email heeft ontvangen, dan heeft u waarschijnlijk een verkeerd emailadres ingevuld of is uw mailbox te vol. Daarnaast kan het zijn dat uw internetprovider een maximum heeft aan de grootte per email. Omdat hier een handleiding wordt meegestuurd, kan het voorkomen dat de email groter is dan toegestaan bij uw provider.
Uw handleiding is per email verstuurd. Controleer uw email
Als u niet binnen een kwartier uw email met handleiding ontvangen heeft, kan het zijn dat u een verkeerd emailadres heeft ingevuld of dat uw emailprovider een maximum grootte per email heeft ingesteld die kleiner is dan de grootte van de handleiding.
Er is een email naar u verstuurd om uw inschrijving definitief te maken.
Controleer uw email en volg de aanwijzingen op om uw inschrijving definitief te maken
U heeft geen emailadres opgegeven
Als u de handleiding per email wilt ontvangen, vul dan een geldig emailadres in.
Uw vraag is op deze pagina toegevoegd
Wilt u een email ontvangen bij een antwoord en/of nieuwe vragen? Vul dan hier uw emailadres in.