467107
174
Verklein
Vergroot
Pagina terug
1/188
Pagina verder
33116.MX-16 HoTT.4.nl
Graupner HoTT
Computersysteem
mx-16 HoTT
programmeerhandboek
Algemene aanwijzingen
Veiligheidsaanwijzingen
Veiligheidsaanwijzingen en behandelvoorschriften voor Nikkel-Metaal-Hydride accu’s
Voorwoord
Beschrijving van de radiobesturingset
Stroomvoorziening
Aanbevolen laadapparaten
Stroomvoorziening van de zender
…van de ontvanger
Aanwijzingen m.b.t. de milieubescherming
Lengteverstelling van de stuurknuppels
Zenderbehuizing openen
Omzetten van de stuurknuppels
Zenderbeschrijving
Bedieningselementen
Achterkant zender
Aansluiting hoofdtelefoon
Mini-USB-aansluiting
Datapoort
DSC (Direct Servo Control)
Display en toetsenveld
Bediening van de “data-terminal”
Sneltoetsen (Short Cuts)
Taalkeuze en display-contrast
Weergave telemetrie-data
Waarschuwingen in het display
Functievelden in het display
Positie-aanduiding draaielementen CTRL 7+8
Invoerslot
Inbedrijfname van de zender
…. van de ontvanger
Uitgebreide programmeermodus
Installatietips
Stroomvoorziening van de ontvanger
Begripsdefinities
Toewijzing van schakelaars en stuurelement-schakelaars
Digitale trimming
Vleugelmodellen
Ontvangerbezetting
Helikoptermodellen
Ontvangerbezetting
Programmabeschrijvingen
Nieuwe geheugenplaats aanmaken
“modelgeheugen”
“basis-instelling” (model)
Vleugelmodel
Binden van ontvangers
Reikwijdtetest
Helikoptermodel
Binden van ontvangers
Reikwijdtetest
“servo-instelling”
“instelling stuurelementen”
Vleugelmodel
Helikoptermodel
Gaslimiet-functie
Basisinstelling stationairloop
“Dual Rate/Expo”
Vleugelmodel
Helikoptermodel
“fasentrimming” (vleugelmodel)
Wat is een mixer
“vleugelmixers”
“helimixers”
Afstemming van gas- en pitchcurve
Instelling autorotatie
Algemene opmerkingen bij vrij programmeerbare mixers
“vrije mixers”
Voorbeelden
“tuimelschijfmixers”
“servo-aanduiding”
“algemene instellingen”
“Fail Safe”
“telemetrie”
Instellen/weergave
Satellietmodus van twee ontvangers
Sensor kiezen
Weergave HF status
Weergave gesproken berichten
“leraar/leerling”
Verbindingsschema
Draadloos HoTT-systeem
“info”
Programmeervoorbeelden
Inleiding
Vleugelmodel
Eerste stappen
Invoegen van een elektro-aandrijving
E-motor en Butterfly met K1-knuppel
Bediening van de klokken
Gebruik van vliegfasen
Parallel lopende servo’s
Delta’s en staartloze modellen
F3A-model
Helikoptermodel
Aanhangsel
Aanhangsel
Conformiteitsverklaring
Garantiebewijs
Veiligheidsaanwijzingen in ieder geval doornemen !
Om nog lang plezier aan uw modelbouwhobby te beleven, is het raadzaam deze handleiding nauwkeurig door te
lezen en met name de veiligheidsvoorschriften op te volgen. Wanneer u op het gebied van radiobestuurde
modelvliegtuigen, -schepen of –auto’s een beginner bent, moet u in ieder geval hulp vragen aan een ervaren
modelbouwer. Deze handleiding dient in ieder geval aan een eventuele navolgende gebruiker meegegeven te
worden.
Gebruiksdoel
Deze radiobesturinginstallatie mag alleen voor het door de producent beoogde doel, voor het besturen van niet-
mandragende modelvoertuigen worden gebruikt. Een andersoortig gebruik is verboden.
Veiligheidsaanwijzingen
Veiligheid is geen toeval
en …
radiobestuurde modellen zijn geen speelgoed
…want ook kleine modellen kunnen door onvakkundig gebruik, maar ook door invloed van derden, aanzienlijke
schade aan personen of goederen veroorzaken. Technische defecten van elektronische of mechanische aard
kunnen leiden tot onvoorzien starten van de motor en/of het rondvliegen van onderdelen, die u aanzienlijk
kunnen blesseren! Kortsluitingen van welke soort dan ook moeten absoluut vermeden worden! Door kortsluiting
kunnen niet alleen delen van de radiobesturing worden vernietigd, maar afhankelijk van de energievoorraad van
de accu bestaat er ook acuut verbrandings- tot explosiegevaar. Propellers, rotors van helikopters en in het
algemeen alle onderdelen, die door een motor worden aangedreven, zijn een voortdurende bron van gevaar. Zij
mogen door geen enkel lichaamsdeel of voorwerp worden aangeraakt. Een snel draaiende propeller bv. kan een
vinger afhakken! Houd u zich daarom nooit op bij draaiende propellers of andere draaiende delen!
Bij aangesloten aandrijfaccu geldt: houd u zich nooit op in het gebied van de propeller of schroef! Let er ook
tijdens het programmeren op, dat een aangesloten verbrandings- of elektromotor niet per ongeluk gaat lopen.
Onderbreek eventueel de brandstofvoorziening resp. maak de aandrijfaccu los. Beschermt u alle onderdelen
tegen stof, vuil, vocht, trillingen en andere invloeden van buiten af. Vermijd overmatige hitte en koude, evenals
stoot- en drukbelasting. Radiobesturingen mogen alleen bij “normale” buitentemperaturen worden gebruikt, d.w.z.
in een bereik van –15 C tot +55 C. Vermijd stoot- en drukbelasting. Controleert u de apparatuur voortdurend op
beschadigingen aan de behuizing en de kabels. Beschadigde of nat geworden apparaten, zelfs wanneer ze
opgedroogd zijn, niet meer gebruiken! Alleen door ons aanbevolen componenten en accessoires mogen gebruikt
worden. Gebruikt u altijd alleen bij elkaar behorende, originele GRAUPNER stekkers van dezelfde constructie en
hetzelfde materiaal en originele GRAUPNER kristallen van de desbetreffende frequentieband. Let u er op bij het
plaatsen van de kabels, dat deze niet strak getrokken, overmatig geknikt of gebroken zijn. Ook scherpe randen en
kanten zijn altijd een gevaar voor de isolatie. Let u er op, dat alle stekkers vast zitten. Stekkers nooit aan de
kabels lostrekken. Er mogen geen veranderingen aan de apparaten worden aangebracht. Vermijd u ompolingen
en kortsluitingen op welke manier dan ook met de aansluitkabels, de apparaten zijn daartegen niet beschermd.
Inbouwen van de ontvangstinstallatie in het model
De ontvanger wordt, ook om stoten te voorkomen, in schuimrubber ingepakt in het vliegtuigmodel achter een
sterke spant resp. in het auto- of scheepsmodel tegen stof en water beschermd, geplaatst. De ontvanger mag
op geen enkele plek direct tegen het model zelf aanliggen, omdat anders trillingen en schokken meteen aan de
ontvanger zouden worden doorgegeven. Bij het inbouwen van de ontvangstinstallatie in een model met
verbrandingsmotor, alle delen altijd afgeschermd inbouwen, zodat geen uitlaatgassen of olieresten kunnen
binnendringen. Dit geldt vooral voor de meestal aan de buitenkant gemonteerde AAN/UIT-schakelaar. De
ontvanger zo vastleggen, dat de antenne en de aansluitkabels naar de servo’s en accu losjes liggen en de
ontvangstantenne minstens 5 cm van alle grotere metalen delen of bedrading, die niet direct uit de ontvanger
komt, verwijderd is. Dit omvat naast staal- ook koolstofvezeldelen, servo’s, elektromotoren, brandstofpompen,
allerlei soorten kabels enz. Het beste is het om de ontvanger uit de buurt van andere componenten op een goed
bereikbare plaats in het model onder te brengen. In geen geval mogen servokabels om de antenne gewikkeld
zijn of er dicht in de buurt liggen! Zorg er ook voor dat de kabels in de directe omgeving van de antenne zich
tijdens het vliegen niet kunnen bewegen!
Positie van de ontvangerantenne
De ontvanger en de antenne moeten zo ver mogelijk van welke aandrijving dan ook worden aangebracht. Bij
rompen van koolstof moeten de uiteinden van de antenne in ieder geval zich buiten de romp bevinden. De
uitrichting van de antenne is onkritisch. Voordelig is echter een verticale (staande) montage van de
ontvangerantenne(s) in het model. Bij Diversity-antennes (twee antennes) moet de tweede antenne in een hoek
van 90 ten opzichte van de eerste antenne staan.
Inbouw van de servo’s
Servo’s altijd met de bijgevoegde trillingsdempende rubbers bevestigen, alleen zo zijn ze tegen al te harde
trillingen enigermate beschermd.
Inbouwen van stuurstangen
In principe moet het inbouwen zó plaatsvinden, dat de stuurstangen vrij en licht lopen. Bijzonder belangrijk is, dat
alle roerhevels hun volledige uitslagen kunnen uitvoeren, dus niet mechanisch begrensd worden. Om een
draaiende motor ten allen tijde te kunnen stoppen, moet men de motordrossel zó hebben ingesteld, dat de
carburateuropening helemaal gesloten wordt, wanneer de stuurknuppel en trimhevel in de stationaire positie
worden gebracht. Let er op, dat geen metalen delen bv. door het uitslaan van roeren, trillingen, draaiende delen
enz. tegen elkaar schuren. Hierdoor ontstaan zogenaamde knakimpulsen, die de ontvanger storen.
Uitrichten zenderantenne
In het verlengde van de zenderantenne is de veldsterkte slechts gering. Het is daarom verkeerd, met de antenne
van de zender op het model te ‘richten’, om de ontvangstsituatie te verbeteren. Bij gelijktijdig gebruik van
radiobesturingen op naastgelegen kanalen moeten de bestuurders in een los groepje bij elkaar staan.
Bestuurders, die zich niet aan deze regel houden, brengen zowel hun eigen modellen als die van anderen in
gevaar. Wanneer 2 of meer piloten met een 2.4-GHz radiobesturing dichter dan 5 m bij elkaar staan kan dit echter
leiden tot een oversturen op het terugkoppelingskanaal en een waarschuwingsmelding m.b.t. de reikwijdte.
Vergroot de afstand, totdat de waarschuwing uitgaat.
Controle voor de start
Voordat u de ontvanger inschakelt moet u er zeker van zijn dat de gasknuppel van de zender op stop/stationair
staat.
Altijd eerst de zender aanzetten, dan pas de ontvanger.
Altijd eerst de ontvanger uitzetten, dan pas de zender.
Wanneer deze volgorde niet aangehouden wordt, dus de ontvanger aan staat en de bijbehorende zender nog op
“UIT”, dan kan de ontvanger door andere zenders, storingen enz. signalen oppikken. Het model voert
ongecontroleerde stuurbewegingen uit en kan schade aan personen of goederen veroorzaken. Met name voor
modellen met een mechanische gyro geldt: voordat u uw ontvanger uitzet, door onderbreken van de
energievoorziening er voor zorgen dat de motor niet onbedoeld kan gaan lopen.
Een uitdraaiende gyro wekt vaak zoveel spanning op, dat de ontvanger in de veronderstelling is geldige
gassignalen te krijgen. Daardoor kan de motor per ongeluk gaan draaien!
Reikwijdtetest
Vóór ieder gebruik correcte functie en reikwijdte controleren. Maak het model voldoende vast en let er op, dat er
zich geen personen direct voor het model bevinden. Voer op de grond een complete functietest en een simulatie
van de vlucht uit, om fouten in het systeem of de programmering van het model uit te sluiten. Let ook op de
aanwijzingen op bladzijde 62 resp. 71. Gebruik bij het vliegen of varen de zender nooit zonder antenne. Let er op
dat de antenne stevig vast zit.
Omgang met vliegtuig-, heli-, scheeps- en automodellen
Vlieg nooit over toeschouwers of andere piloten heen. Breng nooit dieren, toeschouwers of andere bestuurders in
gevaar. Gebruik uw model nooit in de buurt van hoogspanningsleidingen of in de buurt van sluizen en openbare
scheepsvaart. Gebruik uw model ook niet op openbare straten, wegen en pleinen etc.
Controle zender- en ontvangeraccu
Wanneer de batterijaanduiding op de zender een leger wordende accu aangeeft en de aanduiding “accu moet
geladen worden” op de display verschijnt en er een akoestisch signaal klinkt, stoppen met zenden en accu’s
opladen. Controleert u regelmatig de toestand van met name de ontvangeraccu. Wacht u niet tot de bewegingen
van de servo’s merkbaar langzamer zijn geworden! Vervang opgebruikte accu’s op tijd. Let u steeds op de
aanwijzingen van de accufabrikant en houd u zich nauwkeurig aan de laadtijden. Accu’s nooit zonder toezicht
opladen. Probeer nooit droge batterijen op te laden (explosiegevaar). Alle accu’s moeten voor ieder gebruik
worden opgeladen. Om kortsluiting te vermijden geldt: eerst de bananenstekker van de laadkabels op de juiste
manier aan het laadapparaat aansluiten, daarna pas de stekkers van het laadapparaat aan de laadbussen van
zender en ontvangeraccu bevestigen. Haalt u altijd de accu’s uit uw model, wanneer u deze langere tijd niet meer
gebruiken wilt. Gebruik nooit defecte of beschadigde accu’s resp. accu’s met verschillende typen cellen, een mix
van oude en nieuwe cellen of cellen van een verschillend fabricaat.
Capaciteit en gebruikstijd
Voor alle stroombronnen geldt: de capaciteit wordt met elke lading kleiner. Bij lage temperaturen neemt de
inwendige weerstand toe en neemt de capaciteit sterk af, daardoor zijn de gebruikstijden korter bij koude
weersomstandigheden. Vaak opladen of gebruik van accu-onderhoudsprogramma’s kan langzaam leiden tot
capaciteitsvermindering. De stroombronnen moeten om de 6 maanden gemeten en op voldoende capaciteit
gecontroleerd worden, en bij een duidelijk verminderd prestatieniveau worden vervangen. Koop alleen originele
Graupner-accu’s.
Ontstoren van elektromotoren
Bij een technisch probleemloze installatie horen ontstoorde elektromotoren, omdat alle conventionele
elektromotoren tussen collector en borstels vonken veroorzaken die, afhankelijk van het soort motor, de
radiobesturing kunnen storen. Met name in modellen met elektroaandrijving moet iedere motor daarom zorgvuldig
ontstoord worden. Ontstoorfilters onderdrukken zulke stoorimpulsen verregaand en moeten bij elektroaandrijving
en gebruik van een radiobesturinginstallaties altijd worden ingebouwd. Let u daarbij op de aanwijzingen in de
bedienings- en montagehandleiding van het model. Verdere details w.b. ontstoorfilters vindt u in de GRAUPNER-
hoofdcatalogus FS of op Internet onder www.graupner.de.
Servo-ontstoorfilter voor verlengkabel
Best.-Nr. 1040
Het servo-ontstoorfilter is bij toepassing van kabels van meer dan gewone lengte noodzakelijk. Het filter wordt
direct aan de ontvangeringang aangesloten. In kritische gevallen kan een tweede filter worden toegepast.
Toepassing van elektronische vaartregelaars
De juiste keuze van een elektronische vaartregelaar hangt af van de soort en grootte van de gebruikte
elektromotor en van het model. Om een overbelasten / beschadigen van de regelaar te voorkomen, moet de
continue belastbaarheid van de regelaar minstens de helft van de maximale motor-blokkeerstroom bedragen.
Bijzondere voorzichtigheid is er bij zogenaamde tuning-motoren geboden, die vanwege hun geringe aantal
windingen bij het blokkeren een veelvoud van hun nominale stroom opnemen en daardoor de regelaar kunnen
verwoesten.
Elektronische ontstekingen
Ook ontstekingen van verbrandingsmotoren veroorzaken storingen, die de functie van de radiobesturing negatief
kunnen beïnvloeden. Elektrische ontstekingen moeten daarom altijd uit een aparte accu worden gevoed.
Gebruikt u alleen ontstoorde bougies, bougiedoppen en afgeschermde bougiekabels.
Bouw alle onderdelen van de ontstekingsinstallatie zo ver mogelijk verwijderd van de radiobesturing in.
Statische lading
De functie van een zender wordt door de bij blikseminslag ontstane magnetische golven gestoord, ook wanneer
het onweer nog kilometers ver weg is. Daarom…
…bij naderend onweer direct stoppen met vliegen! Door statische lading via de antenne kan levensgevaar
ontstaan!
Let op
Om aan de FCC-eisen w.b. de HF-afstraling van mobiele zendapparatuur te voldoen, moet bij het gebruik van
de apparatuur een afstand tussen de antenne van de installatie en personen van minimaal 20 cm of meer
aanwezig zijn. Een gebruik op een kleinere afstand wordt daarom niet aanbevolen.
Om storende invloeden van de elektrische eigenschappen en de afstraalkarakteristiek te vermijden, moet u er
op letten dat er zich geen andere zender op een afstand van minder dan 20 cm bevindt.
Het gebruik van de radiobesturing vereist aan de ontvangerkant een correcte programmering van de
landeninstelling. Dit is nodig om aan diverse richtlijnen, FCC, ETSI, CE te voldoen. Let hierbij op de
handleidingen bij de zender en ontvanger.
Voer vóór iedere vlucht een complete functie- en reikwijdtetest uit, om fouten in het systeem of de
programmering van het model te voorkomen.
Programmeer nooit de zender of de ontvanger tijdens het gebruik van het model.
Onderhoudsaanwijzingen
Reinig de behuizing, telescoopantenne etc. nooit met schoonmaakmiddelen, benzine, water e.d., maar uitsluitend
met een droge, zachte doek.
Componenten en accessoires
De firma GRAUPNER GmbH & Co. als fabrikant adviseert om alleen componenten en accessoires te gebruiken,
die door de firma GRAUPNER getest zijn op deugdelijkheid, functie en veiligheid en vrijgegeven zijn. De fa.
GRAUPNER neemt in dit geval de productverantwoordelijkheid over.
De fa. GRAUPNER neemt geen verantwoordelijkheid voor producten of accessoires van andere
fabrikanten en kan ook niet van ieder merkvreemd product beoordelen, of het zonder veiligheidsrisico
kan worden toegepast.
Uitsluiting van aansprakelijkheid/schadevergoeding
Zowel de toepassing van de montage-instructies en handleiding , als ook de voorwaarden en methoden voor de
installatie, gebruik en onderhoud van de radiobesturingcomponenten kunnen door de Fa. GRAUPNER niet
gecontroleerd worden. Daarom neemt de Fa. GRAUPNER geen enkele aansprakelijkheid op zich voor verliezen,
schades of kosten, die resulteren uit foutief gebruik of op welke manier dan ook daarmee samenhangen.
In zoverre dit wettelijk noodzakelijk is, is de verplichting van de Fa. GRAUPNER tot schadevergoeding , uit welke
rechtsgrond dan ook, beperkt tot de geldwaarde van de direct schadeveroorzakende producten van de Fa.
GRAUPNER. Dit geldt niet, indien de Fa. GRAUPNER volgens dwingende wettelijke eisen wegens opzet of
nalatigheid onbeperkt verantwoordelijk kan worden gesteld.
Dit handboek heeft uitsluitend een informatief doel en kan zonder aankondiging worden gewijzigd. De firma
GRAUPNER aanvaard geen aansprakelijkheid voor fouten resp. onnauwkeurigheden, die in het informatieve
gedeelte van dit handboek aanwezig kunnen zijn.
Aanwijzingen voor de milieubescherming
Het symbool op het product, de gebruiksaanwijzing of de verpakking wijst er op, dat dit product aan het einde van
zijn levensduur niet in het normale huishoudelijke afval mag belanden. Het moet bij een verzamelpunt voor de
recycling van elektrische of elektronische producten worden afgegeven. De toegepaste materialen zijn
herbruikbaar. Door het hergebruik van oude apparatuur wordt het milieu aanzienlijk gespaard. Accu’s en
batterijen moeten uit het apparaat worden verwijderd en bij een verzamelpunt voor Klein Chemisch Afval worden
afgegeven. Informeert u zich bij uw gemeente naar het desbetreffende verzamelpunt.
Veiligheidsaanwijzingen en behandelvoorschriften voor Nikkel-Metaal-Hydride accu’s
Zoals bij alle technisch hoogwaarde producten is het absoluut noodzakelijk om de onderstaande
veiligheidsvoorschriften en aanwijzingen op te volgen, om een lang en veilig plezier van uw accu’s te hebben.
Veiligheidsaanwijzingen
Losse cellen en accu’s zijn geen speelgoed en mogen daarom niet binnen het bereik van kinderen komen.
Vóór ieder gebruik de toestand van de accu’s controleren. Defecte of beschadigde cellen/accu’s niet meer
gebruiken.
Cellen/accu’s mogen alleen gebruikt worden binnen de grenzen, zoals deze voor het accutype zijn
gespecificeerd.
Accu’s/cellen niet verhitten,verbranden, kortsluiten of met een te hoge of verkeerd aangesloten stroom
laden.
Accu’s van parallel geschakelde cellen, combinaties van oude en nieuwe cellen, cellen van verschillend
fabricaat, formaat, capaciteit, fabrikant, merken of cellentype mogen niet worden gebruikt.
In apparaten ingebouwde accu’s uit het apparaat verwijderen, wanneer deze niet wordt gebruikt. Apparaten na
het gebruik uitzetten, om een te diep ontladen te voorkomen. Accu’s altijd op tijd opladen.
De te laden accu moet tijdens het laadproces op een onbrandbare, hittebestendige en niet geleidende
ondergrond leggen! Hou ook brandbare of licht ontvlambare stoffen ut de buurt van de laadopstelling.
Accu’s mogen alleen onder toezicht worden opgeladen. De voor het celtype aangegeven maximale
snellaadstroom mag niet worden overschreden.
Wanneer de accu tijdens het laden warmer wordt dan 60 ºC moet het laden direct worden afgebroken en de
accu afkoelen tot ca. 30 ºC.
Nooit reeds geladen, hete of niet geheel lege accu’s opladen.
Wijzig niets aan de accu’s. Nooit direct aan de accu’s solderen of lassen.
Bij een foutief gebruik bestaat brand- of explosiegevaar. Accu’s kunnen ook bijtende zuren bevatten. Geschikte
blusmiddelen zijn een blusdeken, CO2 brandblusser of zand.
Vrijkomend elektrolyt is bijtend, niet in contact laten komen met handen of ogen. In geval van nood direct met
veel water uitspoelen en een arts raadplegen.
De ventielopeningen van de cellen mogen nooit geblokkeerd of gedicht worden, bv. door soldeertin. Bij het
solderen mag de soldeertemperatuur van max. 220 ºC niet langer dan 20 sec. worden toegepast.
Om een vervorming te voorkomen mag er geen grote mechanische druk plaatsvinden.
Bij een eventueel overladen van de accu’s las volgt te werk gaan:
Maak de accu gewoon los en leg deze op een onbrandbare ondergrond (bv. steen) totdat hij afgekoeld is. Hou
de accu nooit in de hand, om het risico van een explosie te vermijden.
Let op de voorschriften voor het laden en ontladen van de accu’s.
Algemene aanwijzingen
De capaciteit van uw accu wordt met elke lading/ontlading kleiner. Ook het gedurende langere tijd opslaan kan
leiden tot een vermindering van de capaciteit van de accu.
Accu’s opslaan
Een opslaan gedurende langere tijd moet alleen plaatsvinden in een niet geheel ontladen toestand in een droge
ruimte bij een temperatuur van +5 ºC tot +25 ºC. De celspanning moet bij een opslaan van 4 weken niet onder
1,2V komen.
Balanceren van de individuele accucellen
Om nieuwe cellen te balanceren deze via de zogenaamde normale lading naar de maximale laadtoestand
brengen. Als vuistregel geldt in dit geval dat een lege accu 12 uur lang met een stroom van één tiende van de
opgedrukte capaciteit geladen wordt (“1/10C”-methode). De cellen zijn dan allemaal even vol. Een dergelijk
balanceren dient bij elke 10
e
lading herhaald te worden, zodat de cellen op elkaar afgestemd blijven en de
levensduur maximaal is.
Wanneer u de mogelijkheid heeft om cellen individueel te laden moet u deze optie bij elke lading benutten.
Verder moet het accupack tot een individuele celspanning van 0,9 V per cel worden ontladen. Dit is bijv. bij het
in de zender gebruikte pack van 4 cellen een ontlaad-eindspanning van 3,6 V.
Lading
Laden is alleen toegestaan met de gespecificeerde stromen, laadtijden, temperatuurgrenzen en onder
voortdurend toezicht. Wanneer u niet over een geschikt snellaad-apparaat beschikt waarvan de laadstroom
precies kan worden ingesteld moet de accu via de normale lading volgens de 1/10 C-methode worden geladen,
zie voorbeeld hierboven.
Zenderaccu’s moeten vanwege de verschillende laadtoestanden van de cellen altijd, indien mogelijk, met
1/10 C worden geladen. De laadstroom mag echter nooit groter zijn dan de waarde die in de handleiding
van de zender wordt genoemd!
Snellading
Uw laadapparaat deze mogelijkheid heeft moet u de Deltapeak-afschakelspanning op 5 mV per cel instellen. De
meeste laadapparaten zijn echter vast op 15 … 20 mV per cel ingesteld en kunnen daardoor zowel voor Ni-Cd-
accu’s als voor Ni-MH-accu’s worden gebruikt. Raadpleeg in geval van twijfel de handleiding of informeer bij uw
winkelier, of uw apparaat geschikt is voor Ni-MH-accu’s. In geval van twijfel laadt u de accu’s met de helft van de
aangegeven maximale laadstroom.
Ontlading
Alle door Graupner en GM-Racing verkochte accu’s zijn, afhankelijk van het accutype, geschikt voor een
maximale stroombelasting van 6 … 13 C (let op de specificaties van de fabrikant!). Hoe hoger de belasting, des te
lager is de levensduur.
Gebruik de accu tot het vermogen minder wordt resp. de waarschuwing voor onderspanning klinkt.
Let op: de celspanning mag bij een langer opslaan niet onder de 1,2 V komen. Eventueel moet u de accu vóór
het opslaan opladen.
Reflexladen en ook laad-/ontlaadprogramma’s verkorten de levensduur van de accu’s onnodig en moeten
alleen worden gebruikt om de accucellen te controleren of oude cellen “nieuw leven in te blazen”. Ook het
laden/ontladen van een accu voor gebruik heeft geen zin, behalve wanneer u de kwaliteit ervan wilt checken.
Verwijderen van opgebruikte batterijen en accu’s
Elke consument is wettelijk verplicht om alle verbruikte batterijen resp. accu’s weer in te leveren. Een verwijdering
via het huisvuil is verboden. Oude batterijen en accu’s kunnen gratis bij depots van de gemeente, bij onze
handelaren en overal, waar batterijen en accu’s worden verkocht weer ingeleverd worden. U kunt de door ons
geleverde accu’s na gebruik, maar wel voldoende gefrankeerd weer terugsturen naar het volgende adres:
Graupner GmbH & Co. KG
Service: gebruikte accu’s
HeNriettenstr. 94 – 96
D-73230 Kirchheim unter Teck
Het verantwoord verwijderen van accu’s is een bijdrage aan de bescherming van het milieu!
Voorzichtig:
Beschadigde accu’s moeten soms speciaal worden ingepakt bij verzending, omdat ze soms heel giftig zijn!!!!
MX-16 HoTT radiobesturingstechnologie van de nieuwste generatie
HoTT (Hopping Telemetry Transmission) is de synthese van knowhow, engineering en wereldwijde tests door
professionele piloten op het 2,4-GHz-gebied en bidirectionale communicatie tussen zender en ontvanger via een
in de ontvanger geïntegreerd terugkoppelingskanaal .
Gebaseerd op de al in 1997 geïntroduceerde Graupner/JR-computer-radiobesturingset MC-24werd de
radiobesturingset MX-16 hoTT speciaal voor de beginner ontwikkeld. Desondanks kunnen alle gangbare
modeltypen probleemloos met de MX-16 HoTT worden gebruikt, of dit nu vliegtuig-, helikopter-, scheeps- of
automodellen zijn.
Met name bij vliegtuig- en helikoptermodellen zijn er vaak gecompliceerde mixerfuncties voor de roerkleppen
resp. de tuimelschijffuncties nodig. Dankzij de computertechnologie kunnen de verschillende mogelijkheden met
een “druk op den knop” geactiveerd worden. Kies alleen in het programma van de MX-16 HoTT het
desbetreffende modeltype uit, en de software stelt alle benodigde mixer- en koppelfuncties automatisch ter
beschikking. In de zender zijn daarom geen aparte modulen voor de realisatie van complexe mixerfuncties meer
nodig, en in het model vervallen alle mechanische mixerconstructies. De MX-16 HoTT biedt een maximum aan
veiligheid en betrouwbaarheid.
De software is duidelijk gestructureerd. Qua functie samenhangende opties zijn inhoudelijk overzichtelijk en
eenvoudig georganiseerd.
20 modelgeheugenplaatsen biedt de MX-16 HoTT. In iedere modelgeheugenplaats kunnen ook nog vliegfasen-
specifieke instellingen worden vastgelegd, die het u mogelijk maken om bijvoorbeeld verschillende parameters
voor verschillende vliegtaken via een “druk op de knop” op te roepen.
Het grote grafische display maakt een overzichtelijke en eenvoudige bediening mogelijk. De grafische weergave
van de mixers enz. is buitengewoon duidelijk.
De beginner raakt door de duidelijke en overzichtelijke programmastructuur snel vertrouwd met de verschillende
functies. Met de links en rechts van het contrastrijke display geplaatste touch-toetsen voert de gebruiker zijn
instellingen in en leert zo heel snel om alle opties die voor zijn radiobestuurde model nodig zijn te benutten.
Het Graupner HoTT protocol maakt het theoretisch mogelijk om met meer dan 200 modellen tegelijkertijd te
gebruiken. Vanwege het toegestane radiotechnische gebruik van de 2,4-GHz-ISM-band zal dit aantal in de
praktijk echter aanzienlijk geringer zijn. In de regel zal het aantal modellen dat tegelijkertijd gebruikt kan worden
toch groter zijn dan bij de conventionele 35-/40-MHz-frequenties. De limiterende factor vormt echter –zoals dat
altijd al het geval was- de afmetingen van de ter beschikking staande (lucht-)ruimte. Het feit dat er geen
afspraken over de frequenties meer nodig zijn is echter bij een onoverzichtelijk terrein, zoals dat bv. bij
hellingvliegen nogal eens voorkomt, een enorme veiligheidswinst.
Het geïntegreerde telemetrie-menu maakt het mogelijk om eenvoudig gegevens te verzamelen en de HoTT-
ontvanger te programmeren. Op deze manier kunnen bijvoorbeeld ontvangeruitgangen worden gemappt,
stuurfuncties over meerdere servo’s worden verdeeld en ook uitslagen en draairichtingen van de servo’s op
elkaar worden afgestemd.
In dit handboek wordt ieder menu uitvoerig beschreven. Tips, veel aanwijzingen en programmeervoorbeelden
vullen de beschrijvingen aan, net als de uitlag van modelbouwspecifiek jargon zoals stuurelement of Dual Rate,
Butterfly enz. In het aanhangsel vindt u verdere informatie over het HoTT-systeem. Het handboek wordt
afgesloten met de conformiteitverklaring en het garantiebewijs van de zender.
Let op de veiligheidsaanwijzingen en technische voorschriften. Lees de handleiding aandachtig door en test alle
functies vóór gebruik door de servo’s aan de ontvanger aan te sluiten. Let daarbij wel op de aanwijzingen op
bladzijde 20. Zo leert u in een korte tijd de belangrijkste bedieningsstappen en functies van de MX-16 HoTT
kennen.
Ga op een verantwoorde wijze met uw radiobestuurde model om, zodat u uzelf en anderen niet in gevaar brengt.
Het Graupner-team wenst u veel plezier en succes toe met uw MX-16 HoTT-radiobesturing van de nieuwste
generatie.
Kirchheim-Teck, augustus 2011
Computersysteem mx-16 HoTT
8-kanaals radiobesturing met 2,4 GHz Graupner HoTT-technologie (Hopping Telemetry
Transmission)
Hoge betrouwbaarheid van de Graupner HoTT-technologie door bidirectionale communicatie tussen
zender en ontvanger met geïntegreerde telemetrie, gesproken aanwijzingen, uitgang voor koptelefoon en
ultrasnelle reactietijden.
Programmering door vereenvoudigde programmeertechniek met touch-toetsen.
Contrastrijk, 8-regelig blauw verlicht grafisch display voor de perfecte weergave van alle instelparameters
en telemetrie-data. Opslag van de telemetrie-data op een micro-SD-geheugenkaart.
Met 12-Bit/4096 staps-kanaalsignaal voor extreem gevoelig stuurgedrag.
USB-aansluiting voor het uitlezen en opslaan van modelgeheugens en Firmware-updates.
Microcomputer-radiobesturingssyteem met moderne 2,4 GHz Graupner HoTT-technologie
Bidirectionale communicatie tussen zender en ontvanger
5 verschillende talen: Duits, Engels, Frans, later Italiaans en Spaans via software-update mogelijk
Ultrasnelle reactietijden door directe en betrouwbare transfer van de data van de hoofdprocessor naar de 2.4-
GHz-HF-module. Geen extra vertraging door omwegen via een moduleprocessor.
Telemetrie-menu voor de weegave van telemetrie-data en de programmering van de als optie aan te sluiten
sensoren en ontvangeruitgangen
Talrijke programmeer- en actuele gegevens direct op het display van de zender zichtbaar
Gesproken aanwijzingen via vrij te programmeren schakelaars op te roepen
Servo-cyclustijden voor digitale servo’s van 10 ms naar keuze
Korte antenne, omklapbaar
Bediening en programmering gebaseerd op de beproefde concepten van MC-19 tot MC-24
Contrastrijk blauw verlicht grafisch display biedt een perfecte controle van de instelparameters zoals
bijvoorbeeld modeltype, modelgeheugen, klokken en de accuspanning
Functie-encoder met 2 touch-toetsen voor een eenvoudige programmering en exacte instelling
Key-Lock functie tegen abusievelijk bedienen
4 vliegfasen programmeerbaar
20 modelgeheugens met opslag van alle modelspecifieke programma- en instelparameters
7 schakelaars (2 drie-standen-schakelaars, 3 twee-standen-schakelaars en 2 druktoetsen) en 3 digitale
elementen al ingebouwd en vrij te gebruiken
Vrije toewijzing van alle schakelaars aan schakelfuncties door eenvoudig omzetten van de gewenste
schakelaar
Interne Realtime klok om alle logbestanden van een tijd te voorzien
Back-upbatterij CR2032 voor de interne klok, zelf vervangbaar
Modern Back-upsysteem voor de modelgeheugens zonder lithiumbatterij
8 stuurfuncties met vereenvoudigde toewijzing van bedieningselementen voor extra functies, zoals schakelaars
en proportionele stuurelementen maken een hoog bedieningscomfort mogelijk
Comfort-mode-selector voor het eenvoudig omschakelen van de stuurknuppelmodus 1… 4 (gas links/rechts
enz.). Alle bijbehorende instellingen worden automatisch meegenomen
Grafische servo-positieaanduiding voor een snel, eenvoudig overzicht en voor het testen van de servo-
uitslagen
Verwisselen van ontvangeruitgangen
Omvangrijke programma’s voor vliegtuig- en helikoptermodellen:
Vleugelmenu voor 1 rolr., 2 rolr, 2 rolr.+ 2 welfkl., V-staart, Delta/staartloos, 2 hoogteroerservo’s
Vleugelmix: rolr.diff, welfkl.diff., rolr. richtingsr., rolr. welfkl., rem hoogter., rem welfkl., rem rolr.,
hoogter. welfkl., hoogter. rolr., welfkl. hoogter., welfkl. rolr. en diff. reductie
Heli-menu voor: 1-, 2-, 3-, en 4-puntsaansturing (1 sv, 2sv, 3sv (2 roll), 3 sv (140°), 3sv (2 nick), 4sv (90°))
Tuimelschijf-limiter
Servo-verstelling +/-150% voor alle servo-uitgangen, apart instelbaar per kant (Single Side Servo Throw)
Sub-trim met een bereik van ±125 % voor het instellen van de middenpositie van alle servo’s
Servo-Reverse (servo-omkeer) voor alle servo’s programmeerbaar
DUAL RATE/EXPO-systeem per vliegfase apart in te stellen, omschakelbaar tijdens het vliegen
Stopwatches/Countdown-timer met alarm-functie
Kopieerfunctie voor modelgeheugens
Ingebouwde DSC-bus voor het aansluiten van vliegsimulatoren of een leraar-/leerling-systeem
Algemene HoTT-kenmerken
Eenvoudig en extreem snel binden van zender en ontvanger
Binden van meerdere ontvangers per model in parallelle modus mogelijk
Extreem snel re-binding ook bij maximale afstand’
Satellietgebruik van twee ontvangers via speciale kabelverbinding
Reikwijdte test- en waarschuwingsfunctie
Waarschuwing op display bij te lage ontvangeraccu-spanning
Extreem breed bereik w.b. de bedrijfsspanning van 3,6 V tot 8,4 V (werkend tot 2,5 V)
Fail Safe
Vrije kanaaltoewijzing (Channel Mapping), mixerfuncties en alle servo-instellingen kunnen in het telemetrie-
menu geprogrammeerd worden
Tot max. 4 servo’s kunnen als blok met een servo-cyclustijd van 10 ms tegelijkertijd worden aangestuurd (alleen
digitale servo’s!)
Maximale storingsongevoeligheid door geoptimaliseerd frequentie-hopping en brede kanaalspreiding
Intelligente data-overdracht met correctie-functie
Telemetrieweegave in realtime
Meer dan 200 systemen tegelijkertijd te gebruiken
Via USB-poort is een update mogelijk
De set bevat:
Best.-Nr. 33116:
Microcomputer-zender MX-16 HoTT met ingebouwde NiMH-zenderaccu 4NH-2000 RX RTU plat (wijzigingen
voorbehouden), bidirectionale Graupner ontvanger GR-16 HoTT,schakelaarkabel en stekker-laadapparaat, micro-
SD-kaart en USB-aansluiting Best.-Nr. 7168.6 en adapterkabel Best.-Nr. 7168.6A.
Aanbevolen laadapparaten (toebehoren)
Best.-Nr. aanduiding aansluiting
220V
aansluiting
12V
geschikt
voor
volgende
accutypen
laadkabel
geïntegreerd
NiCd
NiMH
LiPo
loodaccu
Voor het opladen is tevens voor de zender de laadkabel Best.-Nr. 3022 en voor de ontvangeraccu de laadkabel Best.-Nr. 3021
nodig. Meer laadapparaten en details hierbij vindt u in de Graupner hoofdcatalogus FS en op Internet onder www.graupner.de.
Technische gegevens zender MX-16 HoTT
Frequentieband 2,4 … 2,4835 GHz
Modulatie FHSS
Zendvermogen zie landeninstelling pag. 124
Stuurfuncties 8 functies, waarvan 4 trimbaar
Temperatuurbereik -10 … +55ºC
Antenne omklapbaar
Bedrijfsspanning 3,4 … 6 V
Stroomverbruik ca. 180 mA
Afmetingen ca. 190 x 195 x 90 mm
Gewicht Ca. 770 g met zenderaccu
Toebehoren
Best.-Nr. omschrijving
1121 omhangriem, 20mm breed
70 omhangriem, 30 mm breed
3097 windkap voor handzender
Leraar-/leerling-kabel voor MX-16 HoTT zie bladzijde 144
Onderdelen
Best.-Nr. omschrijving
2498.4FBEC 4NH-2000 RX RTU plat
33800 zenderantenne HoTT
Technische gegevens ontvanger GR-16 HoTT
Bedrijfsspanning 3,6 … 8,4 V*
Stroomverbruik ca. 70 mA
Frequentieband 2,4 … 2,4835 GHz
modulatie FHSS
Antenne Diversity-antennes, 2 x ca. 145 mm lang, ca.
115 mm gekapseld en ca. 30 mm actief
aan te sluiten servo’s 8
aan te sluiten sensoren 1
Temperatuurbereik ca. -15º … +70 ºC
Afmetingen ca. 46 x 21 x 14 mm
Gewicht ca. 12 g
*De opgave voor de toegestane bedrijfsspanning geldt alleen voor de ontvanger! Let er in dit verband op dat de
ingangsspanning van de ontvanger ongeregeld aan de servo-aansluitingen wordt doorgegeven, terwijl de toegestane spanning
voor de meeste servo’s, toereNregelaars, gyro’s enz. maar 4,8 tot 6 Volt bedraagt!
Meer toebehoren zie aanhangsel of op Internet onder www.graupner.de . Vraag ook bij uw detailhnandelaar, deze
helpt u graag verder.
Gebruiksaanwijzingen
stroomvoorziening van de zender
De zender MX-16 HoTT is standaard voorzien van een oplaadbare NiMH-accu 4NH-2000 RX RTU (Best.-Nr.
2498.4FBEC) met hoge capaciteit. (Wijzigingen voorbehouden.) De standaard ingebouwde accu is echter bij
levering nog niet opgeladen. De spanning van de zenderaccu kan tijdens het zenden op het LCD-display
gecontroleerd worden. Bij het onderschrijden van een in de regel “waarschuwingsdrempel accu” van het menu
“algemene instellingen”, bladzijde 123, instelbare spanning klinkt een akoestisch waarschuwingssignaal en op
het display verschijnt de melding
Accu moet
geladen worden
Uiterlijk op dat moment moet u direct stoppen met zenden en de accu weer opladen!
Laden van de zenderaccu
De oplaadbare NiMH-zenderaccu kan via de aan de rechterkant van de zender aangebrachte laadaansluiting met
de meegeleverde oplader (Best.-Nr. 33116.2) worden opgeladen.
Als vuistregel geldt dat een lege accu 12 uur met een stroom in de hoogte van één tiende van de opgedrukte
capaciteit wordt opgeladen. In het geval van de standaard zenderaccu en de meegeleverde oplader zijn dat 200
mA. U moet er wel zelf voor zorgen dat het laadproces op de juiste tijd wordt beëindigd…
De zender moet tijdens het hele laadproces op “OFF” (UIT) gezet zijn. Nooit de zender, zolang deze nog met het
laadapparaat verbonden is, aanzetten! Ook een heel korte onderbreking van het laadproces kan de laadspanning
dusdanig laten stijgen, dat de zender door overspanning direct beschadigd wordt. Let u daarom ook op een veilig
en goed contact van alle stekkerverbindingen.
polariteit van de MX-16 HoTT-laadbus
De laadkabels van andere fabrikanten, die zich op de markt bevinden, hebben vaak een andere polariteit.
Gebruik daarom alleen de originele GRAUPNER-laadkabel met het Best.-Nr. 3022.
Laden met automatische laadapparaten
De laadbus van de zender is weliswaar beschermd tegen foutieve poling, maar kan met geschikte apparaten
toch worden gebruikt om de accu snel te laden.
Stel eventueel uw snellaadapparaat volgens de handleiding in op een Delta-Peak spanningsverschil van 10 mV
… 20 mV of vergelijkbaar, zodat deze geschikt is voor het laden van Ni-MH-cellen.
Verbindt u eerst de bananenstekkers met het laadapparaat en steekt u daarna het andere einde van de
laadkabel in de laadbus van de zender. Verbind nooit de blanke uiteinden van een aangesloten laadkabel-
aansluitstekker met elkaar! Om schade aan de zender te vermijden mag de laadstroom in principe 1 A niet
overschrijden. Begrens eventueel de stroom op het laadapparaat.
Losnemen van de zenderaccu
Voor het uitnemen van de zenderaccu eerst het deksel van de accuschacht op de achterkant van de zender
ontzekeren en losmaken:.
De accu verwijderen en daarna de stekker losmaken door voorzichtig aan de stroomkabel te trekken.
Inleggen van de zenderaccu
Hou de stekker van de zenderaccu zó, dat de zwarte resp. bruine kabel naar de kant van de antenne en de lege
bus van de accustekker naar de onderkant wijzen en schuif dan de accu-aansluiting in de richting van de print op
de drie aangebrachte stiften. (De accu-aansluiting is door twee afgeschuinde kanten beschermd tegen foutief
bevestigen, zie afbeelding.)
polariteit zenderaccu-stekker
Leg daarna de accu in het vak en sluit het deksel.
Accu-bedrijfstijd op het display links onderaan
Deze klok toont de cumulatieve bedrijfstijd van de zender sinds de laatste keer dat de accu werd opgeladen.
Deze klok wordt automatisch naar de waarde “0:00” teruggezet, zodra bij opnieuw aanzetten van de zender, bv.
na het opladen, merkbaar hoger is dan eerst.
Lithiumbatterij CR 2032
Op de print van de zender bevindt zich links een houder met een verwisselbare Lithiumbatterij van het type CR
2032:
Deze batterij dient als bescherming tegen het verlies van datum en kloktijd bij een stroomuitval van de zender,
bijvoorbeeld tijdens het wisselen van de accu.
Stroomvoorziening van de ontvanger
Voor de stroomvoorziening van de ontvanger kunt u kiezen uit diverse 4- en 5-cellige NiMH-accu’s met
verschillende capaciteit. Bij een gebruik van digitale servo’s adviseren we, een 5-cellige accu (6 V) van
voldoende capaciteit te nemen. In het geval van een gemengd gebruik van analoge- en digitale servo’s moet u in
ieder geval op de toegestane spanning van de servo’s letten. Voor een gestabiliseerde en instelbare
stroomvoorziening van de ontvanger met 1 of 2 accu’s zorgt bv. de PRX-eenheid Best.-Nr. 4136, zie aanhangsel.
Gebruik uit veiligheidsredenen geen batterijhouders en geen droge batterijen.
De spanning van de stroomvoorziening aan boord wordt tijdens het gebruik weergegeven op het display:
In het telemetrie-menu, bladzijde 135, kan een waarschuwingsdrempel worden ingesteld, zodat er een optisch en
akoestisch alarm afgaat wanneer de accuspanning onder een bepaalde waarde, standaard 3,8 V, komt.
Controleert u de toestand van de accu’s regelmatig. Wacht niet met het laden van de accu’s, tot het alarm
klinkt.
Aanwijzing:
Een totaaloverzicht van accu’s, laadapparaten en meetapparatuur voor het testen van stroombronnen vindt u in
de GRAUPNER hoofdcatalogus FS resp. op Internet onder www.graupner.de
Laden van de ontvangeraccu
De laadkabel Best.-Nr. 3021 kan voor het laden direct met de ontvangeraccu verbonden worden. Is de accu in het
model aangesloten via de stroomvoorzieningkabel Best.-Nr. 3046, 3934, 3934.1 resp. 3934.3, dan vindt het
laden plaats via de in de schakelaar geïntegreerde laadbus resp. de aparte laadaansluiting. De schakelaar van de
stroomvoorzieningkabel moet tijdens het laden op “UIT” staan.
p
olariteit zenderaccu-stekker
Algemene aanwijzingen bij het laden
Houdt u zich steeds aan de laadaanwijzingen van de laadapparaat- en accufabrikant.
Let op de maximaal toegestane laadstroom van de accufabrikant. Om schade aan de zender te
voorkomen, mag de laadstroom echter normaal gesproken 1 A niet overschrijden! Begrenst u indien
nodig de laadstroom aan het laadapparaat.
Moet de zenderaccu toch met meer dan 1 A worden geladen, dan moet deze in ieder geval buiten de
zender worden geladen. Anders riskeert u een beschadigen van de zenderprint door overbelasting van
de contactbanen en/of een oververhitting van de accu.
Voer een aantal proefladingen uit, om de afschakelautomaat van het laadapparaat uit te proberen. Dit
geldt vooral, wanneer u de standaard ingebouwde NiMH-accu met een automatisch laadapparaat voor
NiCd-accu’s wilt opladen. Pas eventueel de Delta-Peak-afschakelspanning aan, in zoverre het
toegepaste laadapparaat over deze functie beschikt.
Voer geen accu-ontladingen of accu-onderhoudsprogramma’s uit via de laadbus! De laadbus is voor
deze toepassing niet geschikt!
Altijd eerst de laadkabel met het laadapparaat verbinden, dan pas met de ontvanger- of zenderaccu. Zo
voorkomt u een onbedoelde kortsluiting met de blanke uiteinden van de laadkabel-stekker.
Bij een sterke warmteontwikkeling de toestand van de accu controleren, deze eventueel vervangen of de
laadstroom verkleinen.
Laat u de accu’s tijdens het laden nooit zonder toezicht.
Aanwijzingen m.b.t. de bescherming van het milieu
Verwijderen van opgebruikte batterijen en accu’s
Elke consument is wettelijk verplicht om alle verbruikte batterijen resp. accu’s weer in te leveren. Een verwijdering
via het huisvuil is verboden. Oude batterijen en accu’s kunnen gratis bij depots van de gemeente, bij onze
handelaren en overal, waar batterijen en accu’s worden verkocht weer ingeleverd worden. U kunt de door ons
geleverde accu’s na gebruik, maar wel voldoende gefrankeerd weer terugsturen naar het volgende adres:
Graupner GmbH & Co. KG
Service: gebruikte accu’s
HeNriettenstr. 94 – 96
D-73230 Kirchheim unter Teck
Het verantwoord verwijderen van accu’s is een bijdrage aan de bescherming van het milieu!
Lengteverstelling van de stuurknuppels
Beide stuurknuppels kunnen traploos in de lengte worden versteld, om het sturen aan de gewoonte van de piloot
aan te kunnen passen.
Hou de onderste helft van de geribbelde greep vast en maak door te draaien het bovenste deel los:
Nu door omhoog- resp. naar beneden draaien de stuurknuppel verlengen of verkorten. Daarna de greep weer
bevestigen door het onderste en bovenste gedeelte tegen elkaar in te draaien.
zenderbehuizing openen
Lees zorgvuldig deze aanwijzingen, voordat u de zender opent. Wanneer u onervaren bent, adviseren we u om
de hieronder beschreven handelingen door de Graupner-servicedienst te laten uitvoeren.
De zender moet alleen in de volgende gevallen worden geopend:
als een neutraliserende stuurknuppel naar niet-neutraliserend of een niet-neutraliserende stuurknuppel
naar neutraliserend moet worden omgebouwd
voor het instellen van de veerkracht van een stuurknuppel
Vóór het openen van de behuizing de zender uitzetten (Power-schakelaar op “OFF”).
Open het accuvak en maak, zoals op de vorige bladzijden beschreven, de zenderaccu en de eventuele micro-SD-
kaart los.
Schroef de aan de achterzijde van de zender aangebrachte zes schroeven los met een kruiskopschroevendraaier
maat PH1, zie afbeelding:
plaatsing van de behuizingschroeven
Hou de beide behuizingdelen met de hand samen en laat deze 6 schroeven uit de zender vallen door deze eerst
om te draaien. Pak de onderste schaal nu voorzichtig op en klap deze naar rechts om, net zoals u een boek
opent.
LET OP:
Twee meeraderige kabels verbinden de onderste schaal met de elektronica in de bovenste schaal. Deze
verbinding mag in geen geval beschadigd worden!
Belangrijke aanwijzingen:
Verander nooit wat aan de schakeling, omdat daardoor de garantie en ook de zendvergunning
vervalt.
Raak nooit de printen met metalen voorwerpen aan. Raak ook geen contacten met de vingers
aan.
Zet de zender nooit aan, wanneer de behuizing geopend is!
Bij het sluiten van de zender moet u er op letten, dat…
… er geen kabels bij het samenvoegen van de schalen beklemd raken.
… de beide delen van de behuizing goed op elkaar passen. Nooit de beide delen met geweld
samendrukken.
Draai de schroeven van de behuizing met gevoel in de al bestaande schroefdraadopeningen, zodat deze
niet uitscheuren.
… u weer de accu aansluit.
omklapbare antenne
stelschroeven terugveerkracht stuurknuppels
neutralisatieschroef
neutralisatieschroef
remveren remveren
afstelschroeven afstelschroeven
rechter knuppelaggregaat linker knuppelaggregaat
laadbus
zenderprint niet aanraken!
verwisselbare Lithiumbatterij
CR 2032 als back-upbatterij slot voor geheugenkaart
voor de geïntegreerde klok
Omzetten van de kruisknuppels
neutralisering
Indien gewenst kan zowel de linker als de rechter stuurknuppel van neutraliserend naar niet-neutraliserend
worden omgebouwd: zender zoals hierboven beschreven openen.
Voor het wisselen van de standaardinstelling van de stuurknuppel lokaliseert u op de volgende afbeelding de hier
wit omcirkelde schroef van de linker knuppelaggregaat.
Aanwijzing:
De rechter knuppelaggregaat is in spiegelbeeld opgebouwd, zodat hier de bewuste schroef rechts onder het
midden zit.
Draai nu de schroef in totdat de desbetreffende stuurknuppel van aanslag tot aanslag vrij beweegbaar is resp.
draai de schroef uit, totdat de stuurknuppel weer zelfneutraliserend is.
Remveer en ratel
Met de buitenste van de beide schroeven (zie afbeelding hieronder) stelt u de remkracht en met de binnenste de
kracht van de ratel van de desbetreffende stuurknuppel:
Aanwijzing:
De rechter knuppelaggregaat is in spiegelbeeld opgebouwd, zodat hier de bewuste schroeven links boven te
vinden zijn.
Terugstelkracht van de stuurknuppel
De veerkracht van de stuurknuppels kan ingesteld worden op de gewoonten van de piloot. Het afstelsysteem
bevindt zich naast de neutralisatieveren, zie volgende afbeeldingen. Door het verdraaien van de desbetreffende
instelschroef met een (kruiskop)-schroevendraaier kan de gewenste veerkracht worden ingesteld.
draaien naar rechts = harder terugstellen
draaien naar links = soepeler terugstellen
Aanwijzing:
De rechter knuppelaggregaat is in spiegelbeeld opgebouwd, zodat hier de bewuste schroeven rechts van het
midden zitten.
Zenderbeschrijving
Bedieningselementen van de zender
Bevestigen van de omhangriem voor de zender
Aan de bovenkant van de MX-16 HoTT-zender vindt u een bevestigingsoog, zie afbeelding rechts,
waaraan u een draagriem kunt bevestigen. Dit punt is dusdanig aangebracht dat de zender optimaal
uitgebalanceerd is wanneer deze aan de riem hangt.
Best.-Nr. 1121 Omhangriem, 20 mm breed
Best.-Nr. 70 Omhangriem, 30 mm breed
Centrale status-LED
Antenne met knik- en draaigewricht Oog voor draagriem
Proportioneel draaielement CTRL 7 Proportioneel draaielement CTRL 8
2-weg schakelaar SW 8 Draaggreep 2-weg toetsschakelaar SW9
3-weg schakelaar SW 4/5 2-weg schakelaar SW 2
2-weg toetsschakelaar SW 1 3-weg schakelaar SW 6/7
Proportioneel draaielement CTRL 6 2-weg schakelaar SW 2
Proportioneel draaielement CTRL 6 2-weg schakelaar SW 3
Linker knuppel Rechter knuppel
Trimming Trimming
AAN/UIT-schakelaar
Linker touch-toets Rechter touch-toets
LC-display
Belangrijke aanwijzing:
Bij levering van de zender kunnen aan de ontvanger aangesloten servo’s etc. alleen maar via de beide knuppels
worden bediend. Alle andere bedieningselementen (CTRl 6 … 8, SW 1 … 9) zijn voor de flexibiliteit software-
matig “vrij” en kunnen zo, zoals o.a. in het menu “instellingen stuurelement” op bladzijde 83 (vleugelmodellen)
resp. bladzijde 85 (heli-modellen) beschreven, aan de persoonlijke wensen en eisen worden toegewezen.
Behuizingschroef Behuizingschroef
Data-poort voor aansluiting Smart-Box Aansluiting oor- resp. koptelefoon
Best.-Nr 33700
DSC-bus voor de aansluiting van Vijfpolige mini-USB-poort voor de
vliegsimulatoren en leraar-/leerling- aansluiting van de zender aan een
gebruik PC
Behuizingschroef Behuizingschroef
Laadbus voor zenderaccu
Behuizingschroef Behuizingschroef
Aansluiting koptelefoon
De middelste bus aan de onderste rand van het typeplaatje op de achterkant is bedoeld voor de aansluiting van
een standaard oor- of koptelefoon met een 3,5 mm Cinch-stekker. (Niet in de set inbegrepen.) Via deze
aansluiting worden naast hoorbare signalen van de zender de eventuele met het telemetrie-menu verbonden
signalen en berichten doorgegeven. Standaard zijn deze berichten in het Duits. Nadere informatie vindt u onder
“Berichten” in het gedeelte “VERBORGEN MODUS” vanaf bladzijde 26 en “Telemetrie” vanaf bladzijde 138.
Het volume van de hoofdtelefoonaansluiting kan in de regel “volume berichten” van het menu “Algemene
instellingen”, bladzijde 124, worden aangepast.
Mini-USB-poort
Via deze aansluitbus wordt eventueel een verbinding met een PC met een Windows-besturingssysteem XP, Vista
of 7 gemaakt. De noodzakelijke software voor de PC zoals de benodigde USB-driver vindt u op de
downloadpagina onder www.graupner.de bij het desbetreffende product. Na de installatie van de benodigde
software kan dan via deze verbinding indien gewenst een upgrade van de zender plaatsvinden en/of de kloktijd
en datum ingesteld worden.
Data-poort
Voor de aansluiting van de als accessoire leverbare Smart-Box Best.-Nr. 33700. Nadere informatie over de
Smart-Box vindt u in de Graupner hoofdcatalogus FS en op Internet onder www.graupner.de
bij het
desbetreffende product.
DSC
Direct Servo Control
De afkorting “DSC” bestaat uit de beginletters van de oorspronkelijke functie “Direct Servo Control”. Bij het HoTT-
systeem is echter een “directe servo-controle” via een diagnosekabel uit technische oorzaken niet meer mogelijk.
De standaard tweepolige DSC-bus in de zender MX-16 HoTT dient als leraar- of leerling-aansluiting en als
aansluitpoort voor vliegsimulatoren.
Voor een correcte DSC-verbinding moet u op deze punten letten:
1. Pas eventueel de menu’s aan. Voor het aanpassen van de zender MX-16 HoTT aan een leraar-
/leerling-systeem zie bladzijde 141 en verder.
2. Laat de aan-/uit-schakelaar van de zender MX-16 HoTT zowel bij gebruik van een vliegsimulator als bij
leraar-/leerling-toepassingen altijd op “UIT”, want alleen in deze positie vindt er na het bevestigen van
de DSC-kabel geen HF-afstraling vanuit de zendmodule plaats. Tegelijkertijd is de stroomopname van
de zender ook iets geringer. De centrale status-LED moet nu constant rood branden en in het
basisdisplay van de zender moeten onder het modelnummer de letters “DSC” zichtbaar worden. De
aanduiding van de telemetriesymbolen zijn niet te zien. Daarmee is de zender klaar voor gebruik.
Wanneer de MX-16 HoTT de leraarzender is moet echter vóór het insteken van de kabel de zender
worden aangezet.
3. Verbind nu het andere uiteinde van de kabel met de gewenste apparatuur, let daarbij op de handleiding
daarvan.
Belangrijk:
Let er op, dat alle stekkers stevig zijn aangebracht.
Aanwijzing bij vliegsimulatoren:
Omdat er zoveel verschillende vliegsimulatoren op de markt zijn is het goed mogelijk, dat de toewijzing van de
contacten in de stekker of in de DSC-module door de GRAUPNER-servicedienst moeten worden aangepast.
Opslag van gegevens
Kaartslot
micro-SD en micro-SDHC
Na het verwijderen van het deksel van het accuvak van de uitgeschakelde zender MX-16 HoTT en het
verwijderen van de zenderaccu is aan de rechter zijkant van het vak de kaardschacht voor geheugenkaarten van
het type micro-SD en micro-SDHC toegankelijk:
Alle standaard micro-SD geheugenkaarten tot maximaal 2 GB en micro-SDHC kaarten tot 32 GB kunnen worden
gebruikt. Wij adviseren het gebruik van geheugenkaarten met maximaal 4 GB, omdat dit voor normale
toepassingen meer dan voldoende is.
De geheugenkaart die u in de zender wilt gebruiken wordt, zoals bekend bij mobiele telefoons en digitale
camera’s, met de contacten naar boven, naar de achterkant wijzend in de schacht geschoven en vergrendeld. Na
het inleggen van de accu en het sluiten van het accuvak kan de zender weer aangezet worden. Als aanduiding
van de ingebrachte geheugenkaart verschijnt in het basisdisplay het symbool van een geheugenkaart:
Aanwijzing:
Verwijder een eventueel ingebrachte SD-kaart uit de zender VOORDAT u de achterkant van de zenderbehuizing
losmaakt. Anders bestaat het risico dat u de geheugenkaart beschadigt.
Data-verzameling /-opslag
De dataopslag op de SD-kaart is gekoppeld aan de klok van de vliegtijd: wanneer deze wordt gestart start ook –
wanneer er zich een geschikte SD-kaart in de zender bevindt en er een telemetrie-verbinding met de ontvanger is
- de opslag van gegevens en deze stopt weer, zodra de vliegtijd-klok wordt stilgezet. Gestart en gestopt wordt de
vliegtijd-klok zoals beschreven in het onderdeel “Klokken” op bladzijde 68 voor vleugelmodellen en voor
helimodellen op bladzijden 76 en 77.
Parallel aan de dataverzameling knippert het symbool voor de geheugenkaart permanent in een langzaam ritme.
Het schrijven van data op de geheugenkaart wordt weergegeven door de van links naar rechts lopende zwarte
“vulling” van het geheugenkaart-symbool.
Na het afsluiten van de dataopslag bevindt er zich een (lege) map “Models” en een map “Log-data” op de
geheugenkaart. In de laatste worden volgens het schema 0001_jaar-maand-dag.bin, 0002_jaar-maand-dag.bin
enz. benoemde Log-bestanden in een ondermap met de naam “modelnaam” aangemaakt. Zou daarentegen een
modelgeheugen nog geen naam hebben, dan zijn de bijbehorende Log-bestanden na het uitnemen van de
geheugenkaart en het uitlezen ervan via de cardreader van een PC of laptop te vinden in een ondermap met de
naam “NoName”. Met de software, die onder www.graupner.de
op de downloadpagina van de zender te vinden
is, kunt u de bestanden op een PC uitlezen.
Import van taalbestanden
Zoals al beschreven in het gedeelte “hoofdtelefoon” op bladzijde 21 kunnen via deze aansluiting naast de
hoorbare signalen van de zender eventueel ook de aan het telemetrie-menu gekoppelde signalen en berichten
worden beluisterd. Standaard zijn deze berichten in het Duits. Deze berichten, die als taalpakket zijn
gecomprimeerd en opgeslagen worden in het interne geheugen van de zender, kunnen vervangen worden door
een taalpakket in een andere taal. Nadere informatie hierover vindt u in het gedeelte “VERBORGEN MODUS”
vanaf bladzijde 26.
Import en export van modelgeheugens
Voor het uitwisselen van gegevens tussen soortgelijke zenders of voor het opslaan van data kunnen indien
gewenst modelgeheugens op een ingebrachte geheugenkaart weggeschreven of vanaf deze naar de zender
gekopieerd worden. Nadere informatie vindt u in het gedeelte “modelgeheugen” vanaf bladzijde 61.
Aanwijzing:
Enkele van de eventueel bij de modelnaam gebruikte speciale tekens kunnen vanwege bepaalde beperkingen
van het voor de geheugenkaarten gebruikte FAT- resp. FAT32-bestandssysteem niet correct worden
overgenomen en worden bij het kopiëren vervangen door een golfje (~).
Display en toetsenveld
Optische aanduiding van de positie van de trimhevels resp.
bij bediening draaielement en CTRL 7+8 alternatief aanduiding
van de actuele posities van deze beide
modelnaam modeltype
(vleugelmodel/helikopter)
Mogelijke waarschuwingen zie bladzijde 33
geheugenplaats 1 … 20 stopwatch in min:s
(vooruit/achteruit) klok vliegtijd in min:s
(vooruit/achteruit)
linker touch-toets rechter tiptoets
◄►▲▼bladeren ◄►▲▼
◄►gelijkertijd aantippen: bladeren / waarden veranderen
wisselen naar menu servo-aanduiding gelijktijdig aantippen van ◄► of ▲▼
=CLEAR
ESC = afbreken / terug
ESC ca. 3 seconden aanraken:
Wissel naar telemetrie-menu en
terug naar basisdisplay
accuspanning en laadtoestand in % spanning ontvangerstroomvoorziening
(onder een bepaalde spanning verschijnt
een waarschuwing – zie afbeelding rechter
bladzijde -, tegelijkertijd klinkt een naam vliegfase
waarschuwingssignaal) omschakeling tussen vliegfasen via schakelaar
accu-gebruikstijd
sinds laatste acculading in h:min aanduiding signaalsterkte
Bediening van de “Data-Terminal”
Invoertoetsen ESC, SET, CLEAR
Symbolen
Telemetrie-symbolen in het display
ŸØ Het actieve modelgeheugen is nog “ongebonden”
Ÿx Niet knipperend: HF zenderzijdig uitgeschakeld
Knipperend antennesymbool: de als laatste aan het actieve model gebonden ontvanger inactief of buiten
bereik
>Mx Geen telemetrie-signaal te ontvangen
>M Aanduiding signaalsterkte
>P Aanduiding van de signaalsterkte van het leerling-signaal op het display van de leraarzender
Toetsen links van het display
ESC-toets
Kort aantippen van de ESC-toets zorgt voor een stapsgewijs terugkeren naar de functiekeuze resp. ook
weer terug naar het basisdisplay. Een eventueel tussendoor gewijzigde instelling blijft behouden.
In het basisdisplay gedurende ca. 1 seconde aangeraakt opent en sluit het telemetrie-menu.
Pijltoetsen◄► ▲▼
1. Door aantippen van één van deze toetsen bladert u volgens de pijlrichting door lijsten zoals bv. de
modelkeuze of de multifunctie-lijst en binnen de menu’s door de menuregels.
2. Door kort gelijktijdig aantippen van de toetsen ◄► wisselt u vanuit het basisdisplay van de zender
alsmede vanuit bijna elke menupositie naar het menu “servo-aanduiding”.
Toetsen rechts van het display
SET-toets
1. Door een kort aantippen van de SET-toets komt u vanuit het basisdisplay, dat na het inschakelen
van de zender verschijnt, verder naar het multifunctie-menu. Ook het oproepen van een gekozen
menu vindt plaats met SET.
2. Binnen de instelmenu’s activeert en deactiveert (bevestigt) u door aantippen van de SET-toets de
desbetreffende instelvelden.
Pijltoetsen ◄► ▲▼
1. “Bladeren” door het multifunctie-menu en de menuregels binnen de instelmenu’s via de pijltoetsen
van de linker touch-toets.
2. Uitkiezen resp. instellen van parameters in instelvelden na het activeren ervan door aantippen van
de SET-toets, waarbij de toetsen ►▲ en ◄▼ dezelfde functie hebben. Het maakt dus in dit geval
niet uit, welke van de beide toetsen u hier gebruikt.
3. Kort tegelijkertijd aantippen van de toetsen ▲▼ of ◄► zet een veranderde parameter-waarde in
het actieve invoerveld weer terug op de standaardwaarde (CLEAR).
Aanwijzingen:
Niet het aanraken van de touch-toets op zich maar het einde van de aanraking activeert de functie.
Mochten de touch-toetsen na het uit- en direct weer aanzetten van de zender geen functie hebben, dan
is dit geen mankement! Zet de zender nogmaals uit en wacht enkele seconden, voordat u de zender
weer aanzet.
Sneltoetsen (Short-Cuts)
Met behulp van de volgende toetscombinaties kunt u bepaalde menu’s resp. opties direct oproepen:
CLEAR
Kort aantippen van de toetsen ▲▼ of ◄► van de rechter touch-toets zet een veranderde
parameterwaarde in het actieve invoerveld weer terug naar de standaardwaarde.
“servo-aanduiding”
Door kort gelijktijdig aantippen van de toetsen ◄► van de linker touch-toets wisselt u vanuit de
basisaanduiding van de zender en vanuit bijna iedere menupositie naar het menu “servo-aanduiding”,
zie bladzijde 122.
“telemetrie”
Zowel om vanuit het basisdisplay van de zender het “Telemetrie”-menu, zie vanaf bladzijde 126, op te
roepen als ook om hiernaar terug te keren de centrale ESC-toets van de linker touch-toets ca. 3
seconden indrukken.
“grafische weergave van telemetrie-data”
Door kort aantippen van de toets of van de linker of rechter touch-toets wisselt u vanuit het
basisdisplay van de zender direct naar de grafische weergave van telemetrie-gegevens resp. bladert u
tussen de verschillende displays heen en weer.
Met ESC keert u weer terug naar het basisdisplay.
invoerslot
In het basisdisplay van de zender te activeren en deactiveren door ca. 2 seconden lang tegelijkertijd
indrukken van de toetsen ESC en SET.
VERBORGEN MODUS
Taalkeuze en contrast van display
Het menu “VERBORGEN MODUS” van de zender MX-16 HoTT vindt u vanuit bijna elk menupunt door de
pijltoetsen▲▼ van de linker en de SET-toets van de rechter touch-toets ingedrukt te houden, totdat na ca. 3
seconden deze aanduiding verschijnt.
verborgen modus
contrast 0
taal Duits
berichten Duits
knuppelkalibr.
CONTRAST
In de regel “CONTRAST” kunt u, zoals op bladzijde 123/124 beschreven, na aantippen van de centrale SET-toets
van de rechter touch-toets met de pijltoetsen ervan het beeldschermcontrast naar uw behoefte aanpassen en met
een hernieuwd aantippen van de SET- of ESC-toets terugkeren naar de regelselectie. In de regel …
TAAL
… eronder , waarnaar u door een aantippen van de pijltoets van de linker of rechter touch-toets wisselt, kiest u
één van de talen voor het display uit.
verborgen modus
contrast 0
taal Duits
berichten Duits
knuppelkalibr.
Activeer de keuze van de taal met een druk op de centrale SET-toets van de rechter touch-toets
verborgen modus
contrast 0
taal Duits
berichten Duits
knuppelkalibr.
Vervang nu met de pijltoetsen van de rechter touch-toets de Default-taal “DUITS” door de door u gewenste taal.
Bij voorbeeld:
hidden mode
contrast 0
language english
voice deutsch
stick cali.
Bevestig uw keuze door hernieuwd aantippen van de centrale SET-toets van de rechter touch-toets. Alle
instellingen die in de zender opgeslagen zijn blijven ook na een wisselen van de taal behouden. Op het moment
dat deze handleiding werd gedrukt stonden de volgende talen ter beschikking:
Duits
Engels
Frans
De talen Italiaans en Spaans worden op een later tijdstip als download bij de zender op www.graupner.de
als
download ter beschikking gesteld.
GESPROKEN BERICHTEN
Zoals in het gedeelte “koptelefoon” op bladzijde 21 al besproken is kunnen via deze aansluiting naast de
hoorbare signalen van de zender eventueel ook de aan het telemetrie-menu gekoppelde signalen en gesproken
berichten worden doorgegeven. Standaard vindt dit in het Duits plaats. Deze als taalpakket samengevatte en in
het interne geheugen van de zender opgeslagen berichten kunnen echter door een taalpakket in een andere taal
worden vervangen. Op het moment dat deze handleiding werd gedrukt stonden de volgende talen ter
beschikking:
Duits
Engels
Frans
De talen Italiaans en Spaans worden op een later tijdstip als download bij de zender op www.graupner.de
als
download ter beschikking gesteld. Het taalpakket kan worden uitgewisseld via het PC-programma, dat onder
www.graupner.de
op de download-pagina van de zender te vinden is, of via de SD-kaart, zoals hieronder
beschreven.
Voorbereiding
Plaats uw SD- resp. SDHC-kaart, wanneer u dat nog niet gedaan had, zoals op bladzijde 22 beschreven in de
zender. Wanneer u nu de zender aanzet maakt deze o.a. een map “VoiceFile” op de geheugenkaart aan. Haal de
kaart nu weer uit de zender en schuif deze in een geschikte cardreader. Sluit deze op uw PC resp. uw laptop aan
en kopieer het taalpakket, dat u eerst op de download-pagina van de zender had gedownload, bijvoorbeeld
“voice_gb.vdf”, naar deze map. Haal nu de geheugenkaart uit uw cardreader en plaats deze in de zender.
Schakel deze daarna in met uitgeschakelde HF:
HF AAN/UIT?
AAN UIT
Wisselen van taal
Wissel met de pijltoetsen van de linker of rechter touch-toets naar de regel “BERICHTEN”:
verborgen modus
contrast 0
taal Duits
berichten Duits
knuppelkalibr.
Activeer de taalkeuze met een druk op de centrale SET-toets van de rechter touch-toets:
contrast 0
taal Duits
berichten Duits
knuppelkalibr.
Vervang nu met de pijltoetsen van de rechter touch-toets de Default-taal “DUITS” door de door u gewenste taal.
Bijvoorbeeld:
verborgen modus
contrast 0
taal Duits
berichten English
knuppelkalibr.
Bevestig uw keuze door hernieuwd aantippen van de centrale SET-toets van de rechter touch-toets. Het
geselecteerde taalpakket wordt in het zendergeheugen geladen:
verborgen modus
contrast 0
taal Duits
berichten English
knuppelkalibr.
22 / 100%
Zodra de balk aan de onderste rand van het display verdwijnt, is het laadproces afgesloten:
verborgen modus
contrast 0
taal Duits
berichten Duits
knuppelkalibr.
Aanwijzingen:
Verschijnt de waarschuwing
HF uitschakelen
OK
… dan is de HF-afstraling van de zender nog actief. Schakel deze uit in de regel “HF-module” van het
menu “basisinstellingen” en herhaal de stap.
Verschijnt de waarschuwing
SD-kaart plaatsen
OK
… dan bevindt er zich nog geen geheugenkaart in de kaartslot of is deze niet leesbaar.
Verschijnt de waarschuwing
ontbrekende import data
OK
… dan vindt de zender geen geschikt taalbestand op de geplaatste SD-kaart.
knuppelkalibratie
Zou u het gevoel hebben dat de middenpositie van de zelfneutraliserende stuurknuppels (stuurelement 1 … 4)
niet exact overeenkomt met 0% stuuruitslag, dan kunt u dit als volgt controleren resp. corrigeren:
Wissel naar het menu “modelkeuze” en initialiseer daar, zoals op bladzijde 57 beschreven, een vrij
modelgeheugen. Of u kiest voor een vliegtuig- of een helikoptermodel maakt in dit geval niet uit. Wacht de
aanwijzingen af, die normaal gesproken in het basisdisplay van de zender verschijnen na een wisselen van model
en wissel daarna naar het menu “servo-aanduiding” door bijvoorbeeld tegelijkertijd de toetsen ◄► van de
linker touch-toets aan te tippen, ZONDER in de tussentijd te trimmen of verdere programmeringen uit te voeren.
Wanneer alle vier de knuppels van uw zender nog zelfneutraliserend zouden zijn zou de weergave in het ideale
geval als volgt zijn:
In alle andere gevallen komen de balk en %-aanduiding overeen met de actuele positie van de niet-
zelfneutraliserende stuurknuppel – normaal gesproken de gas-/remstuurknuppel resp. gas-/pitchstuurknuppel
“K1”. Bevindt de gas-/remstuurknuppel zich dus in de positie “kwart gas” dan ziet het display er ongeveer zo uit:
Breng nu na elkaar elk van de beide knuppels elk naar de vier mogelijke eindaanslagen, zonder bij de aanslag
nog extra druk uit te oefenen. In elk van de in totaal acht eindposities moet – afhankelijk van de kant- exact -
100% of +100% te zien zijn. Bevindt zich bv. stuurelement 2 aan de linker aanslag en zijn de drie andere
knuppelfuncties in de middenpositie, dan moet het display van uw zender er als volgt uitzien:
Bereikt u, afhankelijk van het aantal zelfneutraliserende knuppelfuncties van uw zender, een “beeld” van vier maal
0% en acht maal 100%, dan zijn de stuurknuppels van uw zender optimaal gekalibreerd en hebben ze geen
nieuwe afstelling meer nodig. U kunt de procedure dan afsluiten en eventueel het aangemaakte modelgeheugen
weer wissen.
In andere gevallen wisselt u, zoals hierboven al eerder beschreven, naar de regel “knuppelkalibratie” van het
menu “verborgen modus” en tipt u kort op de centrale SET-toets van de rechter touch-toets:
knuppelkalibratie
0%
Met de pijltoetsen ◄► van de rechter touch-toets kunt u nu cyclisch de posities van de vier te kalibreren
knuppelposities selecteren, bijvoorbeeld de links-/rechts-mogelijkheid van de rechter stuurknuppel:
knuppelkalibratie
0%
Breng nu volgens de “links” knipperende pijlmarkering de rechter knuppel – weer zonder druk uit te oefenen –
naar de linker aanslag …
knuppelkalibratie
+100%
… en tip dan kort de centrale SET-toets van de rechter touch-toets aan. Daarmee is in dit voorbeeld de “linker”
aanslag van de rechter knuppel gekalibreerd en knippert ter bevestiging de cirkel in het midden van de
symbolische stuurknuppel:
knuppelkalibratie
+100%
Laat nu de zelfneutraliserende stuurknuppel los, zodat deze weer in de middenpositie kan terugkomen en tip dan
weer kort op de centrale SET-toets om de middenpositie te kalibreren. De rechter “driehoeksmarkering” begint te
knipperen:
knuppelkalibratie
0%
Herhaal deze kalibratie-procedure nu voor de rechter aanslag van de rechter stuurknuppel. Voor de andere
stuurknuppel gaat u op dezelfde manier te werk.
Aanwijzingen:
Foutieve kalibraties corrigeert u door de bovengenoemde procedure te herhalen.
Binnen elke kalibratie-stap kan elk van de drie kalibratie-posities met de pijltoetsen ▲▼ van de linker of
rechter touch-toets direct worden geselecteerd.
Door een kort aantippen van de centrale ESC-toets van de linker touch-toets beëindigt u de kalibratie en verlaat u
weer het ondermenu “knuppelkalibratie”.
Weergave telemetrie-data
Zoals beschreven op bladzijde 137 in het kader van het ondermenu “SENSOR KIEZEN” van het “telemetrie”-
menu …
sensor kiezen
ontvanger
general module
electr. air-module
vario module
gps
… kunnen hier grafisch weergegeven data van een eventueel aan de ontvanger aangesloten sensor geactiveerd
worden. Deze data worden dan in de hieronder beschreven grafische displays getoond.
Deze grafische displays bereikt u vanuit het basisdisplay van de zender door een kort aantippen van de toets
of van de linker of rechter touch-toets. Tussen de verschillende grafische displays bladert u met diezelfde
toetsen heen en weer en met ESC keert u terug naar het basisdisplay.
Aanwijzing:
De volgorde van de hieronder beschreven displays volgt het aantippen van de -toets.
Meer informatie over de hieronder genoemde modulen vindt u in het aanhangsel en op Internet onder
www.graupner.de
bij het desbetreffende product.
ONTVANGER
RX-S KWA
RX-S ST
RX-dBm
TX –dBm
V-PACK
RX-VOLT TMP
M-RX V
Dit display geeft de in het display “RX DATAVIEW” van het telemetrie-menu “INSTELLEN/WEERGEVEN”,
bladzijde 127 opgenomen data grafisch weer.
De betekenis is:
waarde verklaring
RX-S KWA signaalkwaliteit in %
RX-S ST signaalsterkte in %
RX-dBm ontvangstvermogen in dBm
TX-dBm zendvermogen in dBm
V PACK geeft de langste tijdspanne in ms aan, waarbij datapakketten bij de overdracht van de zender
naar de ontvanger verloren zijn gegaan
RX-VOLT actuele bedrijfsspanning van de ontvanger in Volt
M-RX V laagste bedrijfsspanning van de ontvanger sinds de laatste inbedrijfname in Volt
TMP de thermometer visualiseert de actuele bedrijfstemperatuur van de ontvanger
ACCU 1 (GENERAL + ELECTRIC module)
Dit display visualiseert de actuele spanning, de actuele stroomopname en de verbruikte capaciteit van een
eventueel aan aansluiting “accu 1” van de General-Engine- (Best.-Nr. 33610), General-Air- (Best.-Nr. 33611) of
Electric-Air-module (Best.-Nr. 33620) aangesloten accu.
SENSOR 1 (GENERAL + ELECTRIC module)
Dit display visualiseert de door een eventueel aan aansluiting “T(EMP) 1” van de General-Engine- (Best.-Nr.
33610), General-Air- (Best.-Nr. 33611) of Electric-Air-module (Best.-Nr. 33620) aangesloten temperatuur-
/spanningssensor Best.-Nr. 33612 resp. 33613 gemeten actuele spanning en temperatuur.
SENSOR 2 (GENERAL + ELECTRIC module)
Dit display visualiseert de door een eventueel aan aansluiting “T(EMP) 2” van de General-Engine- (Best.-Nr.
33610), General-Air- (Best.-Nr. 33611) of Electric-Air-module (Best.-Nr. 33620) aangesloten temperatuur-
/spanningssensor Best.-Nr. 33612 resp. 33613 gemeten actuele spanning en temperatuur.
toerentalsensor
Dit display visualiseert het door een eventueel aan aansluiting “T(EMP) 1” van de General-Engine- (Best.-Nr.
33610), General-Air- (Best.-Nr. 33611) of Electric-Air-module (Best.-Nr. 33620) aangesloten toerentalsensor met
Best.-Nr. 33615 of 33616 gemeten toerental.
Aanwijzing:
Voor de correcte weergave van het toerental moet eerst in het telemetrie-menu van de module het correcte aantal
propellerbladen worden ingesteld.
vario
Dit display visualiseert de door een eventueel aan de telemetrie-aansluiting van een ontvanger aangesloten GPS-
/vario-module (Best.-Nr. 33600) of vario-module Best.-Nr. 33601) geleverde data wat betreft hoogte in m in relatie
tot de standplaats resp. startplaats en de actuele stijg-/daalwaarde in m/s.
GPS
Dit display visualiseert de data van een eventueel aan de ontvanger aangesloten GPS-module met geïntegreerde
vario, Best.-Nr. 33600.
De betekenis is:
waarde verklaring
km/h snelheid
DIS horizontale afstand in m
m/s stijgen/dalen in m/s
ALT hoogte ten opzichte van startplaats in m
GPS
RXSQ 0
AFST. 0 m
HOOG 0 m
Dit display visualiseert de data van een eventueel aan de ontvanger aangesloten GPS-module met geïntegreerde
vario, Best.-Nr. 33600.
Naast de actuele positiegegevens en de snelheid van het model in het centrum van het display wordt nog de
actuele hoogte ten opzichte van de startplaats en het stijgen/dalen van het model in m/1s, m/3s en m/10s, de
actuele ontvangstkwaliteit en de afstand van het model tot de startplaats getoond.
De betekenis is:
waarde verklaring
W / N / O / S westen / noorden / oosten / zuiden
Kmh snelheid
RXSQ signaalsterkte van het terugkoppelingskanaal
AFST. Afstand
HOOG hoogte
m/1s m/1s stijgen/dalen
m/3s m/3s stijgen/dalen
m/10s m/10s stijgen/dalen
VARIO
RXSQ
HOOG MAX
MIN
Dit display visualiseert de data van een eventueel aan de ontvanger aangesloten vario-module Best.-Nr. 33601
De betekenis is:
waarde verklaring
HOOG actuele hoogte
RXSQ signaalsterkte van het bij de ontvanger aankomende signaal in %
MAX de vooraf ingestelde hoogtelimiet ten opzichte van de startplaats, waarvan bij overschrijding
akoestische waarschuwingssignalen worden gegeven
MIN de vooraf ingestelde minimale hoogte ten opzichte van de startplaats, waarvan bij
overschrijding akoestische waarschuwingssignalen worden gegeven
m/1s m/1s stijgen/dalen
m/3s m/3s stijgen/dalen
m/10s m/10s stijgen/dalen
ELECTRIC AIR MODULE
HOOG
ACC 1
ACC 2
Dit display visualiseert de data van een eventueel aan de ontvanger aangesloten Electric-Air-module Best.-Nr.
33620. Meer informatie bij dit product vindt u in het aanhangsel of onder www.graupner.de bij het desbetreffende
product.
Afhankelijk van de sensoren waarvan de module is voorzien kunnen op het display de volgende data permanent
getoond worden:
De actuele spanning van maximaal 2 accu’s (ACC1 en ACC2); de meetresultaten van maximaal 2
temperatuursensoren (T1 en T2); de actuele hoogte ten opzichte van de standplaats en het stijgen/dalen in m/1 s
en m/3 s en in het midden van het display nog de actuele hoeveelheid stroom, die uit een spanningsbron is
ontnomen. Aan de rechterkant worden om en om de actuele celspanningen van de aan de balancer-aansluiting 1
(L) of 2 (H) aangesloten accupacks van elk max. 7 cellen weergegeven.
De betekenis is:
waarde verklaring
V actuele spanning
A actuele stroom
ACC1 / ACC2 accu 1 resp. accu 2
HOOG actuele hoogte
m/1s m/1s stijgen/dalen
m/3s m/3s stijgen/dalen
T1 / T2 temperatuur van sensor 1 resp. 2
L resp. H celspanning van cel 1 … max. 14
L = balancer-aansluiting 1
H = balancer-aansluiting 2
GENERAL MODULE
CEL V
ACC 1 L BRAN V
ACC 2
HOOG
ACC 1 L BRAN V
STROOM
ACC 2 SPANN.
Dit display visualiseert de data van een eventueel aan de ontvanger aangesloten General-Engine-module Best.-
Nr. 33610 of een General-Air-module Best.-Nr. 33611. Meer informatie bij deze modulen vindt u in het
aanhangsel of onder www.graupner.de
bij het desbetreffende product.
Afhankelijk van de sensoren waarvan de module is voorzien kunnen op het display de volgende data permanent
getoond worden:
De actuele spanning van maximaal 2 accu’s (ACC1 en ACC2); de meetresultaten van maximaal 2
temperatuursensoren (T1 en T2) en het brandstofniveau in de tank.
Aan de rechterkant worden óf de actuele celspanningen van een accupack met maximaal zes cellen
weergegeven, óf de actuele hoogte ten opzichte van de standplaats, het stijgen/dalen in m/1 s en m/3 s, de
actuele stroom in Ampère en de actuele spanning van de aan de sensor aangesloten accu.
De betekenis is:
waarde verklaring
ACC1 / ACC2 accu 1 resp. accu 2
BRAN stand brandstof / tankaanduiding
L / V leeg / vol
T1 / T2 temperatuur van sensor 1 resp. 2
CEL V celspanning van cel 1 … max. 6
HOOG actuele hoogte
0m1 m/1s stijgen/dalen
0m3 m/3s stijgen/dalen
STROOM actuele stroom in ampère
SPANN. actuele spanning van de aandrijfaccu
Waarschuwingen
Waarschuwingen
BIND n/a “Binding niet aanwezig” Aan het momenteel actieve modelgeheugen is nog
OK geen ontvanger gebonden. Met een kort aanraken van de SET-toets komt u
direct bij de desbetreffende optie.
HF AAN/UIT?
AAN UIT Moet de HF-afstraling “AAN” of “UIT” zijn?
Accu moet
geladen worden !! Bedrijfsspanning te laag
Fail-Safe instellen! Fail Safe nog niet ingesteld
Ontbrekende import
data Geen geschikt taalbestand op de geheugenkaart te vinden
OK
Gas te hoog! Gas-stuurknuppel resp. limiter bij heli te ver richting volgas
HF uitschakelen Oproep om de HF-afstraling uit te schakelen (taalbestand kan alleen bij
OK uitgeschakeld HF geladen worden)
Kan geen data
ontvangen Geen gebonden ontvanger binnen bereik
OK
Geen leerling-
signaal Verbinding tussen leraar- en leerling-zender gestoord
SD kaart plaatsen Geen SD- resp. SDHC-geheugenkaart in de kaartslot resp. kaart niet leesbaar
OK
Draadloze LL-
verbinding
verder uit Moet de vóór het laatste uitschakelen van de zender gebruikte “draadloze
leraar/leerling-verbinding” voortgezet of uitgeschakeld worden?
Functievelden in het display
SEL, STO, SYM, ASY, schakelaarsymbool, paginawissel
Afhankelijk van het desbetreffende menu verschijnen er in de onderste regel van het display de functievelden:
SEL, STO, SYM, ASY, schakelaarsymbool, paginawissel
De desbetreffende functie wordt geactiveerd door het aanraken van de SET-toets
Functievelden
SEL (select): uitkiezen
STO (store): opslaan (bv. positie stuurelement)
SYM waarden symmetrisch instellen
ASY waarden asymmetrisch instellen
schakelaarsymbool schakelaarsymbool-veld (toewijzing van allerlei schakelaars)
pagina-wissel binnen een menu wisselen naar de tweede bladzijde (vervolgmenu)
Positie-aanduiding
Proportionele draaielementen CTRL 7 en 8
Zodra u één van de beide op de middenconsole aangebrachte draaielementen CTRL 7 + 8 bedient, verschijnt er
een klein symbool rechts naast de beide verticale positie-aanduidingen:
Tegelijkertijd wisselt de positie-aanduiding van de beide middelste verticale balken tijdens het bedienen van de
weergave van de actuele trimming naar de nu actuele positie van de draaielementen CTRL 7 + 8. De linker balk
geeft dan de positie van het linker draaielement CTRL 7 en de rechter balk de positie van CTRL 8 (de beide
horizontale balken daarentegen geven nog steeds de actuele trimposities van de bijbehorende stuurknuppels
weer):
Ca. 2 seconden na het einde van de bediening van een draaielement geeft het display weer de actuele
trimposities van de 4 trimmers aan.
Invoerslot
De touch-toetsen en daarmee de toegang tot alle verstelbare opties kunnen voor ongewild gebruik worden
afgesloten, door ca. 2 seconden lang de beide toetsen ESC en SET in het basisdisplay van de zender MX-16
HoTT aan te raken. Dit wordt aangeduid door een invers sleutelsymbool in het snijpunt van de trimbalken:
Het slot is direct actief, maar de besturing blijft de hele tijd klaar voor gebruik. Een hernieuwd aanraken van de
toetsen ESC en SET gedurende ca. 2 seconden heft het slot weer op. Na het volgende inschakelen van de
zender is het invoerslot ook weer opgeheven.
In bedrijf nemen van de zender
Opmerkingen vooraf bij de zender MX-16 HoTT
(Meer informatie vindt u op Internet onder www.graupner.de)
Opmerkingen vooraf
Het Graupner HoTT-systeem maakt het theoretisch mogelijk om met meer dan 200 modellen tegelijkertijd te
gebruiken. Vanwege het toegestane radiotechnische gebruik van de 2,4-GHz-ISM-band zal dit aantal in de
praktijk echter aanzienlijk geringer zijn. In de regel zal het aantal modellen dat tegelijkertijd gebruikt kan worden
toch groter zijn dan bij de conventionele 35-/40-MHz-frequenties. De limiterende factor vormt echter –zoals dat
altijd al het geval was- de afmetingen van de ter beschikking staande (lucht-)ruimte. Het feit dat er geen
afspraken over de frequenties meer nodig zijn is echter bij een onoverzichtelijk terrein, zoals dat bv. bij
hellingvliegen nogal eens voorkomt, een enorme veiligheidswinst.
Accu geladen?
Omdat de zender uitgeleverd wordt met een ongeladen accu, moet u hem na het bestuderen van de
laadvoorschriften op bladzijde 10…11 opladen. Anders klinkt er bij het onderschrijden van een bepaalde
spanning, die in de regel “alg. instell”, bladzijde 123, ingesteld kan worden al na korte tijd een
waarschuwingssignaal en wordt er een desbetreffende melding op het display getoond.
ACCU MOET
GELADEN
WORDEN !!
In bedrijf nemen van de zender
Na het inschakelen van de zender verschijnt er in het midden van het zenderdisplay gedurende ca. 2 seconden
de aanduiding
HF AAN/UIT?
AAN UIT
Eventueel kunt u binnen deze tijd de HF-afstraling uitschakelen door met de toets of van de rechter touch-
toets het zwarte veld naar rechts te verschuiven, zodat ON nu normaal en OFF invers wordt weergegeven.
HF AAN/UIT?
AAN UIT
Door het aantippen van de centrale SET-toets van de rechter touch-toets schakelt u nu de HF-module uit. De
kleur van de ondertussen blauw brandende centrale LED wisselt weer naar rood en parallel ziet u nu het
basisdisplay van de zender:
De symboolcombinatie Ÿx betekent, dat het actueel actieve modelgeheugen al met een Graupner-HoTT-
ontvanger is ”gebonden”, maar dat er geen verbinding met deze ontvanger bestaat. (we hebben immers zojuist
de Hf-afstraling in dit voorbeeld uitgeschakeld!) Werd de zender echter ingeschakeld zonder de HF-afstraling uit
te zetten, dan brandt de centrale LED intensief blauw en de het symbool van de zendmast knippert. Parallel
daaraan klinkt er zó lang een hoorbaar waarschuwingssignaal, totdat er een verbinding is met de bijbehorende
ontvanger. Wanneer deze verbinding is gemaakt verschijnt er in plaats van een “X” aan de voet van het
antennesymbool nu een weergave van de veldsterkte en de optische en akoestische waarschuwingen worden
beëindigd. In dezelfde regel rechts verschijnt er bij een bestaande telemetrie-verbinding een soortgelijke
aanduiding van de ontvangststerkte van het -van de ontvanger afkomstige- telemetrie-signaal (>M), evenals de
actuele spanning van de ontvanger-stroomvoorziening.
Verschijnt er daarentegen in de aanduiding de symboolcombinatie ŸØ en brandt de centrale LED constant rood,
dan is het actuele modelgeheugen op dit moment niet met een ontvanger “verbonden”.
Waarschuwing onderspanning
Wanneer de zenderspanning onder een bepaalde, in het menu “algem. Instell.” (bladzijde 123) instelbare
waarde daalt, standaard 4,7 V, volgt er een hoorbare en zichtbare waarschuwing.
Belangrijke aanwijzingen:
De zender in de set is standaard ingesteld op de correcte instellingen voor het gebruik in de
meeste landen in Europa (behalve Frankrijk).
Wordt de besturing daarentegen in Frankrijk gebruikt, dan MOET eerst de landeninstelling van de
zender op de modus “FRANKRIJK” worden ingesteld, zie bladzijde 116. IN GEEN GEVAL MAG IN
FRANKRIJK de universele/EUROPA-modus worden gebruikt!
Met de zender MX-16 HoTT 2.4 kunnen via de bij de set geleverde en al aan de zender gebonden
ontvanger maximaal 8 servo’s worden aangestuurd.
Vanwege een maximale flexibiliteit, maar ook om een onbedoelde foutieve bediening te
voorkomen zijn er aan de stuurkanalen 5 … 8 standaard geen stuurelementen toegewezen. Om
dezelfde reden zijn praktisch alle mixers inactief. Nadere informatie hierover vindt u op bladzijde
83(vliegtuigmodel) resp. 85 (helimodel).
De principes van de eerste programmering van een nieuw modelgeheugen vindt u op bladzijde 57
en vanaf bladzijde 151 bij de programmeervoorbeelden.
Let er bij het inschakelen, binden of instellen van de radiobesturing op dat de zenderantenne
altijd voldoende ver verwijderd is van de ontvangerantennes! Wanneer de zenderantenne zich
namelijk te dicht bij de ontvangerantennes bevindt overstuurt de ontvanger en gaat de rode LED
op de ontvanger branden. Parallel daaraan valt het terugkoppelingskanaal uit, waardoor de
veldsterkte-balk op het display een “X” laat zien en de actuele ontvangerspanning met 0,0 V
wordt weergegeven. Tegelijkertijd bevindt de besturing zich in de Fail-safe-modus, zie bladzijde
129, d.w.z. dat de servo’s in hun actuele positie blijven staan wanneer het ontvangstsignaal
uitvalt, totdat er een nieuw, geldig signaal binnenkomt.
Vergroot in dit geval de afstand totdat alle weergaven weer “normaal” zijn.
Firmware-Update van de zender
Firmware-updates van de zender worden op eigen risico via de aan de achterzijde aangebrachte vijfpolige mini-
USB-poort doorgevoerd met behulp van een PC onder Windows XP, Vista of 7.
Actuele software en informatie vindt u bij het desbetreffende product als download onder www.graupner.de
Aanwijzing:
Na registratie van uw zender onder http://www.graupner.de/de/service/produktregistrierung
wordt u automatisch
per e-mail over nieuwe updates op de hoogte gehouden.
Voor een update van de zendersoftware heeft u de bij de USB-aansluiting Best.-Nr. 7168.6 meegeleverde USB-
kabel nodig. Deze wordt direct in de 5-polige mini-USB-aansluitbus aan de achterkant van de zender bevestigd.
Update van de MX-16 HoTT-software
Aanwijzing:
Controleer vóór iedere update in ieder geval de laadtoestand van uw zenderaccu resp. laad deze voor de
zekerheid en sla alle gebruikte modelgeheugens op, om deze eventueel weer te kunnen herstellen.
1. Driver installeren
Installeer de benodigde driversoftware, die bij het programma als “ÚSB driver” is toegevoegd, om de in
de zender geïntegreerde USB-poort te kunnen gebruiken.
Start de installatie van de drivers door dubbel te klikken op het desbetreffende bestand en volg de
aanwijzingen. Na een succesvolle installatie moet de computer opnieuw gestart worden. De driver hoeft
maar één keer geïnstalleerd te worden.
2. Installatie software-uploader
Pak het bestand “Radio_grStudio_Install_VerXX.zip” uit en start daarna het eigenlijke
installatieprogramma “Radio_grStudio_Install_VerXX.msi” door dubbel te klikken en de aanwijzingen te
volgen.
Het programma vindt u aansluitend standaard onder
“Start\programma’s\Graupner\Radio_grStudio\Radio_grStudio_Ver-SX.X”.
3. Verbinding zender / PC maken
Verbind nu de USB-kabel met de 5-polige mini-USB-bus aan de achterkant van de zender bij een
uitgeschakelde zender.
4. Update MX-16 HoTT-zendersoftware
Start het programma “Radio_GrStudio_Ver-SX.X” vanuit het desbetreffende bestand, standaard onder
“Start\programma’s\Graupner\Radio_grStudio\Radio_grStudio_Ver-SX.X”:
Kies onder “Menu” “Port Setup” of open het “Controller Menu” en klik op “Port select”:
Kies nu in het venster “Port select” de correcte COM-poort uit, waaraan de USB-aansluiting aangesloten
is. Deze is te herkennen aan de aanduiding “Silicon Labs CP210x USB to UART Bridge” in de kolom
“Device Name”. In de bovenstaande afbeelding zou dit poort “COM3” zijn.
Roep daarna onder “Menu” de optie “Firmware Upgrade” op of open het “Controller Menu” en klik op
“Firmware Upgrade”:
Klik op de knop met het opschrift “File Browse” en kies in de nu verschijnen de optie “Bestand openen”
het gewenste bestand met de Firmware-update, eindigend op de extensie “bin” uit.
De Firmware-bestanden zijn productspecifiek gecodeerd, d.w.z. dat wanneer u een niet bij het product
passend bestand uitkiest (bv. ontvanger-update-bestand in plaats van zender-update-bestand) er een
Popup-venster “Product code error” verschijnt en de procedure niet gestart kan worden.
Schakel nu de zender in en start daarna het updaten van de zender door een klik op de knop “Download
Start”.
Na een korte tijd verschijnt de waarschuwing dat nu de HF-afstraling van de zender onderbroken wordt
en dat u daarom een eventueel in gebruik zijnde ontvanger moet uitschakelen. Schakel daarom
eventueel uw ontvanger uit en klik daarna op “ja”:
Daarna start de eigenlijke update-procedure en begint er boven de tekst een voortgangsbalk te lopen:
Onderbreek de update-procedure niet, voordat de voortgangsbalk de rechter rand heeft bereikt en de
melding “Firmware Update Success” verschijnt:
Klik op “OK”. Schakel daarna de zender uit en maak tenslotte de verbinding naar de PC of Laptop los.
Wanneer de voortgangsbalk niet verder zou lopen moet u het programma sluiten en de update-
procedure herhalen. Let op eventueel verschijnende foutmeldingen.
In bedrijf nemen van de ontvanger
Opmerkingen vooraf bij de GR-16-ontvanger
(Meer informatie vindt u op Internet onder www.graupner.de)
Ontvanger
Bij de radiobesturingset MX-16 HoTT vindt u een bidirectionele 2,4-GHz-ontvanger van het type GR-16 voor de
aansluiting van maximaal 8 servo’s.
Nadat u een HoTT-ontvanger ingeschakeld heeft en “zijn” zender niet binnen bereik resp. uitgeschakeld is, brandt
de rode LED ca. 1 seconde constant en begint dan langzaam te knipperen. Dat betekent, dat er (nog) geen
verbinding is met een Graupner HoTT-zender. Wanneer de verbinding gemaakt is brandt de groene LED constant
en gaat de rode uit.
Om een verbinding met de zender te kunnen opbouwen moet eerst de Graupner HoTT-ontvanger met “zijn”
modelgeheugen in “zijn” Graupner HoTT-zender “gebonden” worden. Deze procedure noemt men “binding”. Deze
“binding” is echter maar één keer per ontvanger-/modelgeheugen-combinatie nodig, zie bladzijden 70/71 resp.
79, en werd bij de apparatuur in de set al in de fabriek voor het modelgeheugen 1 uitgevoerd, zodat u het
“binden” alleen voor andere ontvangers of bij een wissel van modelgeheugen hoeft uit te voeren (en – bv. na een
wisselen van zender – op ieder moment kunt herhalen).
Weergave boordspanning
De actuele spanning van de ontvanger-stroomvoorziening wordt bij een bestaande telemetrieverbinding rechts op
het display van de zender getoond.
Temperatuurwaarschuwing
Daalt de temperatuur van de ontvanger onder een ingestelde grenswaarde (standaard -10 ºC) of komt deze
boven een instelbare bovenste waarschuwingsdrempel (standaard +70 ºC) dan vindt er een waarschuwing plaats
door de zender in de vorm van een gelijkmatig piepen met een ritme van ca. een seconde.
Servo-aansluitingen en polariteit
De servo-aansluitingen van de Graupner HoTT-ontvanger zijn genummerd. De ontvanger is voorzien van
onverwisselbare stekkeraansluitingen, zodat de servo’s en de stroomvoorziening alleen op de juiste manier
aangesloten kunnen worden. Daarvoor zijn de originele GRAUPNER-stekkers in overeenstemming met de
stekkerbussen aan een kant licht afgerond, zodat u niets hoeft te forceren.
De aansluitingen met de aanduiding “1+B” en “6+B” zijn bedoeld om de accu aan te sluiten. Via een V- resp. Y-
kabel Best.-Nr. 3936.11 kan echter ook aan beide aansluitingen de bijbehorende servo samen met de
stroomvoorziening worden aangesloten.
Let op de juiste polariteit bij deze aansluiting! De ontvanger en de eventueel daaraan aangesloten
apparatuur kunnen verwoest worden.
De stroomvoorziening is via alle genummerde aansluitingen doorverbonden. De functie van elk individueel kanaal
wordt bepaald door de gebruikte zender, niet door de ontvanger. Niet alleen de aansluiting van de gasservo is bij
elk fabricaat en modeltype verschillend. Bij Graupner radiobesturingen ligt deze bijvoorbeeld bij een
vliegtuigmodel op kanaal 1 en bij een helikopter op kanaal 6.
Afsluitende aanwijzingen
De aanzienlijk hogere servo-resolutie van het HoTT-systeem leidt tot een merkbaar directer stuurgedrag
in vergelijking met traditionele technologie. Maakt u zich met dit directere gedrag vertrouwd!
Indien u parallel met de ontvangeraccu een regelaar met geïntegreerd BEC*-systeem toepast, moet
afhankelijk van het type regelaar eventueel de pluspool (rode kabel) uit de 3-polige stekker worden
losgemaakt. Let u in ieder geval op de handleiding van de regelaar. Met een kleine schroevendraaier
voorzichtig het middelste lipje van de stekker iets omhooghalen (1), rode kabel lostrekken (2) en met
isolatieband tegen mogelijke kortsluiting beveiligen (3). rood
* Battery Elimination Circuit
Let op de aanwijzingen bij de inbouw van de ontvanger en ontvangerantenne en op de inbouw van de servo’s op
bladzijde 43.
Reset
Om een reset van de ontvanger uit te voeren drukt u de SET-knop op de bovenkant van de ontvanger in en houdt
u deze ingedrukt, terwijl u de stroomvoorziening inschakelt. Laat daarna de knop weer los.
Werd de reset uitgevoerd bij een uitgeschakelde zender of met een ongebonden ontvanger, dan knippert de LED
van de ontvanger na ca. 2 tot 3 seconden langzaam rood en kan er via de zender direct daarna begonnen
worden met een bindingsproces.
Werd er bij een al gebonden ontvanger een reset uitgevoerd en is het bijbehorende modelgeheugen in de
ingeschakelde zender actief, dan brandt de LED na korte tijd groen als teken dat uw zender-/ontvanger-
combinatie weer klaar voor gebruik is.
Let alstublieft hierop:
Door een RESET worden, met uitzondering van binding-informatie, ALLE instellingen in de ontvanger
teruggezet naar de standaard fabriekswaarden!
Wanneer dit per ongeluk gebeurde moeten daarom na een RESET alle instellingen, die eventueel via het
telemetrie-menu al waren ingevoerd, weer herhaald worden.
Een bewuste RESET daarentegen is raadzaam, wanneer een ontvanger in een ander model wordt
overgezet. Hierdoor kan zonder veel moeite worden voorkomen dat u per ongeluk verkeerde instellingen
meeneemt.
Firmware-Update van de ontvanger
Firmware-updates van de ontvanger worden via de telemetrie-aansluiting van de ontvanger doorgevoerd met
behulp van een PC onder Windows XP, Vista of 7. Daarvoor heeft u de standaard meegeleverde USB-
aansluiting Best.Nr. 7168.6 en de adapterkabel Best.-Nr. 7168.6A nodig. De tevens benodigde programma’s en
bestanden vindt u bij het desbetreffende product als download onder www.graupner.de
Aanwijzing:
Na registratie van uw zender onder http://www.graupner.de/de/service/produktregistrierung
wordt u automatisch
per e-mail over nieuwe updates op de hoogte gehouden.
Update van de ontvanger-firmware
Aanwijzing:
Controleer in ieder geval vóór iedere update de laadtoestand van de ontvangeraccu. Laad deze eventueel
op, voordat u een update start.
1. Driver installeren
Installeer, wanneer dit nog niet gedaan is, de benodigde driversoftware voor de USB-aansluiting Best.-
Nr. 7168.6 zoals beschreven op bladzijde 36.
2. Verbinding ontvanger / PC maken
Verbind de USB-aansluiting Best.-Nr. 7168.6 via de adapterkabel Best.-Nr. 7168.6A met de aansluiting
“-+T” aan de ontvanger. Het stekkersysteem past maar op één manier, let op de kleine zijdelingse
nokjes. Forceer niets, de stekker moet makkelijk aangebracht kunnen worden:
adapterkabel Best.-Nr. 7168.6A
Indien aanwezig rode draad losmaken
Let op:
Zou de adapterkabel nog de 3-aderige uitvoering zijn, dan moet u eerst de middelste, rode draad
van de adapterkabel Best.-Nr. 7168.6A doorknippen.
Verbind daarna de USB-aansluiting via de meegeleverde USB-kabel (PC-USB/mini-USB) met de PC
resp. Laptop. Bij een juiste aansluiting gaat gedurende enkele seconden een rode LED op de
aansluitprint branden.
Schakel uiterlijk nu de stroomvoorziening van uw ontvanger uit.
3. Firmware-Update Utility
Start nu in de gedownloade map “Firmware Updater” het programma
“Graupner_Firmware_Update_Utility_VerX.XX.exe” door er dubbel op te klikken. (De versie 1.18, die
tijdens de uitgave van dit handboek actueel is, start zonder voorafgaande installatie.):
Kies onder “COM Port Setup” de COM-poort uit waaraan de USB-aansluiting aangesloten is. Wanneer u
het niet zeker weet drukt u op de knop “Search” en kiest u in het Popup-venster de aansluiting “Silicon
Labs CP210x USB to UART Bridge” en klikt u op “OK”. Als “Baud Rate’ moet “19200” ingesteld zijn.
Klik daarna rechts onder “Interface Type” de regel “Signal 2:Vcc3: Gnd” aan:
Klik op de knop met het opschrift “Browse” en kies in het nu verschijnende venster “Bestand openen” het
bij uw ontvanger passende Firmware-update-bestand met de extensie “bin” uit. Dit is normaal gesproken
het al eerder gedownloade en uitgepakte zip-bestand in de map, waarvan de naam begint met het
bestelnummer van de ontvanger, die geüpdatet moet worden. Bij de standaard in de set geleverde
ontvanger GR-16 zou dit de map “33508_08CH_RX” zijn. Het bestand verschijnt in het bijbehorende
venster:
De Firmware-bestanden zijn productspecifiek gecodeerd, d.w.z. dat wanneer u een niet bij het product
passend bestand uitkiest (bv. zender-update-bestand in plaats van ontvanger-update-bestand) er een
Popup-venster “Product code error” verschijnt en de procedure niet gestart kan worden.
Klik in de software op de knop “Program”. Wacht, tot de voortgangsbalk vol is. Dit kan afhankelijk van uw
computer meerdere seconden duren. Schakel nu de ontvanger in, terwijl u de SET-toets ingedrukt houdt.
Na een paar seconden verschijnt de status “Found target device …”. Nu kunt u de toets weer loslaten.
De eigenlijke Firmware-update start na deze melding automatisch:
Wordt het apparaat daarentegen niet herkend, dan verschijnt het popup-venster “target device ID not
found”. Breekt het proces vóór het bereiken van de 100%-markering af, dan moet u de
stroomvoorziening van uw ontvanger uitschakelen en dan een nieuwe update-poging beginnen. Voer de
hierboven beschreven stappen opnieuw uit.
Op het status-display en in de voortgangsbalk ziet u de voortgang van de Firmware-update. De update is
afgesloten, wanneer in de onderste regel van het status-display de tekst “Complete … 100%” resp.
“Complete!!” verschijnt:
Tijdens de update branden de beide LED’s van de ontvanger. Parallel aan de succesvolle afsluiting van
de update gaat de groene LED uit en begint de rode te knipperen.
Schakel de ontvanger uit en verwijder de aansluitkabel. Herhaal eventueel de procedure voor andere
ontvangers.
4. Initialiseren van de ontvanger
Na een succesvolle update-procedure MOET u vóór een hernieuwd gebruik van de ontvanger uit
veiligheidsoverwegingen een initialisering uitvoeren:
Druk de SET-toets van de ontvanger in en houd deze ingedrukt, terwijl u de stroomvoorziening
inschakelt. Laat nu de SET-toets weer los. Wanneer u aansluitend de zender ook weer aanzet, brandt
na ca. 2 tot 3 seconden de groene LED van de ontvanger permanent. Behalve de binding-informatie zijn
echter alle andere eventueel eerder geprogrammeerde instellingen in de ontvanger weer teruggezet
naar de fabriekswaarden en moeten bij behoefte weer opnieuw worden ingevoerd.
Aanwijzingen bij de installatie
Inbouwen van de ontvanger
Welke Graupner-ontvanger u ook gebruikt, de procedure is steeds dezelfde: Let er op dat de ontvangstantenne
minstens 5cm van alle grotere metalen delen of bedrading, die niet direct uit de ontvanger komt, verwijderd is. Dit
omvat naast staal- ook koolstofvezeldelen, servo’s, elektromotoren, brandstofpompen, allerlei soorten kabels enz.
Het beste is het om de ontvanger uit de buurt van andere componenten op een goed bereikbare plaats in het
model onder te brengen. In geen geval mogen servokabels om de antenne gewikkeld zijn of er dicht in de buurt
liggen!
Let er op dat kabels onder invloed van krachten, die tijdens het vliegen kunnen optreden, van positie kunnen
veranderen. Zorg er voor dat de kabels in de buurt van de antenne niet kunnen bewegen. Bewegende kabels
kunnen namelijk de ontvangst storen.
Tests hebben uitgewezen dat een verticale (staande) montage bij één enkele ontvangerantenne in het model het
beste is. Bij Diversity-antennes (twee antennes) moet de tweede antenne in een hoek van 90º ten opzichte van
de eerste antenne worden geplaatst.
De servo-aansluitingen van de Graupner -ontvangers zijn genummerd. De voedingsspanning is via alle
genummerde aansluitingen doorverbonden en kan in principe aan elk van de 8 aansluitingen plaatsvinden.
Eventueel kan via een V- resp. Y-kabel Best.-Nr. 3936.11 parallel aan de stroomvoorziening een servo worden
aangesloten.
De functie van elk individueel kanaal wordt bepaald door de gebruikte zender, niet door de ontvanger. De
toewijzing van de kanalen kan echter in de ontvanger door programmering in het telemetrie-menu worden
veranderd. We adviseren wél om dit via de zender met de optie “ontvanger-uitgang” te doen, zie bladzijde 69/70
resp. 78.
Hier volgen een aantal tips om uw radiobesturings-componenten in te bouwen:
1. Wikkel de ontvanger in schuimrubber van minimaal 6 mm dikte; maak het schuimrubber vast met een
elastiekje, om de ontvanger te beschermen tegen een crash of een harde landing.
2. Alle schakelaars moeten zo zijn ingebouwd, dat ze niet in de straal van de uitlaat liggen en niet beïnvloed
worden door trillingen. Het knopje van de schakelaar moet vrij toegankelijk zijn.
3. Monteer de servo’s op rubber tulen met de messing holnieten, om ze tegen trillingen te beschermen. Trek de
bevestigingsschroeven niet te hard aan, anders verliezen de tulen hun effect. Op de afbeelding rechts ziet u,
hoe een servo gemonteerd dient te worden. de messing holniet wordt vanaf de onderkant in de rubbertule
geschoven. Wanneer de schroeven op de juiste manier zijn aangetrokken, biedt deze bevestiging veiligheid
en bescherming tegen trillingen.
bevestigingsflens
schroef
rubbertule
messing holniet
4. De servohevels moeten over hun totale uitslag vrij kunnen bewegen. Let erop, dat stuurstangen e.d. de
uitslag van de servo niet kunnen hinderen.
De volgorde, waarin de servo’s moeten worden aangesloten, hangt van het modeltype af. Let op de
aansluitschema’s op de bladzijden 52/53 en 56. Let ook op de veiligheidsaanwijzingen op de bladzijden 3 … 9.
Om ongecontroleerde bewegingen van de aan de ontvanger aangesloten servo’s te vermijden, bij het inschakelen
eerst de zender,
dan de ontvanger aanzetten
en bij het stoppen
eerst de ontvanger,
dan de zender uitzetten.
Let er bij het programmeren van de zender in ieder geval op, dat elektromotoren niet onbedoeld kunnen gaan
draaien of een met een automatische starter uitgeruste verbrandingsmotor niet per ongeluk start. Maak voor de
veiligheid de vliegaccu los resp. onderbreek de brandstoftoevoer.
Stroomvoorziening van de ontvanger
Een veilig omgaan met een model begint o.a. bij een betrouwbare stroomvoorziening. Wanneer de op het display
weergegeven ontvanger-accuspanning altijd weer inzakt resp. steeds (te) laag is, ondanks licht lopende
stuurstangen, volle accu, dikke accu-aansluitkabels en goede stekkerverbindingen, dan moet eens letten op de
volgende aanwijzingen:
Let er eerst op, dat de accu’s voor gebruik goed opgeladen zijn. Let ook op contacten en schakelaars met een
geringe weerstand. Meet eventueel de spanningsval over de ingebouwde schakelaarkabel onder belasting,
omdat zelfs nieuwe, hoogbelastbare schakelaars een spanningsval van 0,2 Volt kunnen veroorzaken. Bovendien
zorgen trillingen en schokken voor slechter contact en een steeds groter wordende overgangsweerstand.
Daarenboven kunnen zelfs kleine servo’s zoals een Graupner/JR DS-281 tot wel 0,75 ampère ‘trekken’ wanneer
ze onder belasting blokkeren. Alleen al 4 van deze servo’s kunnen in een “foamie” de boordaccu met 3 ampère
belasten…
U moet daarom een stroomvoorziening kiezen, die ook onder belasting niet door de knieën gaat, maar ook dan
nog een voldoende spanning levert. Als “berekening” van de benodigde accucapaciteit moet u minstens 350 mAh
voor iedere analoge servo en 500 mAh voor iedere digitale servo nemen.
Op deze manier zou bijvoorbeeld een accu met 1400 mAh als stroomvoorziening voor een ontvangstinstallatie
met 4 analoge servo’s het absolute minimum vormen. Let bij uw berekeningen ook op de ontvanger, die vanwege
zijn bidirectionale functie ongeveer 70 mAh nodig heeft.
Onafhankelijk hiervan is het ook raadzaam om de ontvanger via twee kabels aan de stroomvoorziening aan te
sluiten: kabel “1” wordt daarbij op de normale manier aan de 6+B –aansluiting van de ontvanger aangesloten en
kabel “2” aan de tegenoverliggende bus met het opschrift 1+B, om zo bijvoorbeeld een schakelaar of
spanningsregeling met twee naar de ontvanger leidende stroomvoorzieningkabels te kunnen gebruiken. Gebruik
eventueel tussen kabel en ontvanger een V- resp. Y-kabel, Best.-Nr. 3936.11, zie afbeelding, wanneer u één of
beide aansluitingen van de ontvanger ook voor een servo, regelaar etc. nodig heeft. U verkleint door de dubbele
stroomvoorziening niet alleen het risico op een kabelbreuk, maar u zorgt zo ook voor een gelijkmatigere
stroomvoorziening van de aangesloten servo’s.
speciale functie
V-kabel PRX gestabiliseerde
Best.Nr 3936.11 stroomvoorziening
Best.-Nr. 4136
NiMH-accupacks met 4 cellen
Met de traditionele 4-cellen-packs kunt u uw Graupner HoTT-ontvanger, wanneer u let op de hierboven
beschreven aanwijzingen, goed gebruiken. Voorwaarde is wel, dat de packs voldoende capaciteit en spanning
hebben!
NiMH-accupacks met 5 cellen
Accupacks met 5 cellen bieden qua spanning meer speelruimte dan de 4-cellen-packs. Let er wel op, dat niet
iedere servo die in de handel is de spanning van een 5-cellen-pack (op langere termijn) verdraagt, vooral
wanneer de cellen net geladen zijn. Sommige van deze servo’s reageren dan bijvoorbeeld met een duidelijk
hoorbaar ‘brommen”.
Let daarom op de specificaties van uw servo’s, voordat u besluit om 5-cellen-packs te gaan gebruiken.
LiFe-accu’s met 2 cellen
Vanuit een huidig gezichtspunt is dit nieuwe accutype de beste keuze! Als bescherming zijn deze cellen ook met
een plastic Hardcase-behuizing leverbaar. LiFe-cellen zijn net als LiPo-cellen in combinatie met geschikte
laadapparatuur snellaadbaar en relatief robuust.
Daarbij ligt het aantal mogelijke laad-/ontlaadcycli duidelijk hoger dan bij bijvoorbeeld LiPo-accu’s. De nominale
spanning van 6,6 Volt van een tweecellige LiFe-accu is geen probleem voor de Graupner HoTT-ontvangers of
voor de expliciet voor deze hogere spanning bedoelde servo’s, regelaars, gyro’s enz.
Let er wel op, dat praktisch typen servo’s, regelaars, gyro’s enz., die vroeger en nu op de markt waren,
slechts een toegestane spanning van 4,8 tot 6 Volt hebben.
De aansluiting van deze apparatuur maakt dus het gebruik van een gestabiliseerde spanningsregeling absoluut
noodzakelijk, bv. de PRX met het Best.-Nr. 4136, zie aanhangsel. Anders bestaat het gevaar, dat de aangesloten
apparatuur binnen de kortst mogelijke tijd beschadigd raken.
LiPo packs met 2 cellen
Bij eenzelfde capaciteit zijn LiPo-accu’s beduidend lichter dan de hierboven genoemde accutypen, maar vanwege
de ontbrekende metalen behuizing ook gevoeliger voor mechanische belastingen. Bovendien zijn LiPo-accu’s
maar begrensd snellaadbaar en kennen dus geen hoog aantal laad-/ontlaadcycli zoals bijvoorbeeld bij de
Nanofosfaat®-accu’s.
De relatief hoge nominale spanning van 7,4 Volt bij een tweecellig LiPo-accupack is geen probleem voor de
Graupner HoTT-ontvangers of voor de expliciet voor deze hogere spanning bedoelde servo’s, regelaars, gyro’s
enz.
Let er wel op, dat praktisch typen servo’s, regelaars, gyro’s enz., die vroeger en nu op de markt waren,
slechts een toegestane spanning van 4,8 tot 6 Volt hebben.
De aansluiting van deze apparatuur maakt dus het gebruik van een gestabiliseerde spanningsregeling absoluut
noodzakelijk, bv. de PRX met het Best.-Nr. 4136, zie aanhangsel. Anders bestaat het gevaar, dat de aangesloten
apparatuur binnen de kortst mogelijke tijd beschadigd raken.
Begripsdefinities
stuurfunctie, stuurelement, functie-ingang, stuurkanaal, mixer, schakelaar, stuurelement-
schakelaar
Om u de omgang met het MX-16 HoTT-handboek te vergemakkelijken vindt u op de volgende bladzijden een
aantal definities van begrippen, die in de tekst telkens weer gebruikt worden.
stuurfunctie
Onder “stuurfunctie” verstaat men – eerst maar onafhankelijk van het signaalverloop in de zender- het voor een
bepaalde stuurfunctie opgewekte signaal. Bij vliegtuigen zijn dit bv. gas, richtingsroer of rolroer, bij helikopters bv.
pitch, rollen of nicken. Het signaal van een stuurfunctie kan direct naar één resp. via een mixer naar meerdere
stuurkanalen worden geleid. Een typisch voorbeeld voor het laatstgenoemde zijn aparte rolroerservo’s of het
toepassen van twee roll- of nickservo’s bij helikopters. De stuurfunctie veroorzaakt een directe relatie tussen de
uitslag van een bepaald stuurelement en de bijbehorende servo.
stuurelement
Onder “stuurelement” verstaan we de direct door de piloot bediende besturingselementen, waarmee de aan de
ontvanger aangesloten servo’s, regelaars etc. bestuurd kunnen worden. Daartoe behoren:
de beide kruisknuppels voor de stuurfuncties 1 tot 4, waarbij deze vier functies voor de beide modeltypen (
“vleugel”en “heli”) via de “Mode”-instelling softwarematig willekeurig verwisseld kunnen worden, bv. gas links
of rechts. De kruisknuppelfunctie voor de gas-/remkleppenfunctie wordt vaak met K1-stuurelement (kanaal
1) aangeduid.
De drie proportionele draaiknoppen CTRL 6, 7 + 8
De schakelaars SW 4/5 en 6/7 resp. CTRL 9 en 10
De schakelaars SW 1 … 3 en 8 + 9, in zoverre die in het menu “instelling stuurelement” aan een
stuurkanaal werden toegewezen.
Bij de proportionele bedieningselementen zullen de servo’s de positie van het stuurelement direct volgen, terwijl
in het geval van een schakelmodule er maar een twee- resp. drietraps- verstelling mogelijk is.
Functie-ingang
Dit is een denkbeeldig punt in de signaalstroom en mag niet gelijkgesteld worden met de stuurelement-aansluiting
op de zenderprint! De beide menu’s “stuurknuppel-toewijzing” en “instelling stuurelement” beïnvloeden
namelijk “achter” deze aansluitingen nog de volgorde, waardoor er zeker verschillen tussen het nummer van het
stuurelement, zoals hierboven aangegeven, en het nummer van het navolgende stuurkanaal kunnen ontstaan.
stuurkanaal
Vanaf het punt, waar in het signaal voor een bepaalde servo alle stuurinformatie – direct vanuit het stuurelement
of indirect via een mixer – toegevoegd is, wordt er gesproken over een stuurkanaal. Dit signaal wordt alleen nog
door de in het menu “servo-instelling” geprogrammeerde instellingen beïnvloed en verlaat dan via de HF-
module de zender. In de ontvanger aangekomen wordt dit signaal eventueel nog door de in het telemetrie-menu
doorgevoerde instellingen gemodificeerd om dan tenslotte bij de servo aan te komen.
mixer
In de software van de zender bevinden zich o.a. veel mixfuncties. Ze dienen ervoor, om een stuurfunctie
eventueel ook op meerdere servo’s of ook om meerdere stuurfuncties op een servo effect te laten hebben. Let u
op de talrijke mixerfuncties vanaf bladzijde 97 van de handleiding.
schakelaar
De drie standaard ingebouwde schakelaars SW 2, 3 en 8, de driestanden-schakelaars SW 4/5 en 6/7 en de
beide toetsschakelaars SW 1 en 9 kunnen ook bij de programmering van stuurelementen worden betrokken. Al
deze schakelaars zijn ook bedoeld om enkele programmaopties te schakelen, bv. voor het starten en stoppen van
de stopwatch, aan- resp. uitschakelen van een mixer, als leraar/leerling-schakelaar enz. Iedere schakelaar kan
aan zoveel functies toegewezen worden als u maar wenst.. Talrijke voorbeelden worden in dit handboek
gedemonstreerd.
stuurelement-schakelaar
Soms is het praktisch om bij een bepaalde positie van een stuurelement, bv. bij een gedefinieerde positie van de
kruisknuppel, een functie aan- of uit te schakelen (bv. aan-/uitschakelen van een stopwatch om de motorlooptijd
vast te leggen , automatisch uitdraaien van de landingskleppen en andere mogelijkheden). In het programma van
de MX-16 HoTT zijn daarom ook twee resp. drie stuurelement-schakelaars geïntegreerd: zowel bij de vliegtuig-
als bij de helikoptermodellen kunt u daarom in ieder modelgeheugen over 2 stuurelement-schakelaars op de K1-
stuurknuppel naar keuze beschikken, en bij de helikopter over nog een extra derde op de gaslimiter, zie bladzijde
76.
Een serie instructieve voorbeelden maakt de programmering kinderlijk eenvoudig. Let daarom op de
programmeervoorbeelden vanaf bladzijde 151.
Toewijzing van schakelaars en stuurelement-schakelaars
Principes van de bediening
Op veel plaatsen in het programma bestaat de mogelijkheid, om een functie via een schakelaar (SW 1 … 9) of
stuurelement-schakelaar (G 1 … 3, zie verder hieronder) te bedienen of tussen instellingen om te schakelen, bv.
bij de DUAL RATE/EXPO-functie of programmeringen van vliegfasen, mixers enz. Daarbij is ook iedere vorm van
meervoudige toewijzing mogelijk.
Omdat de toewijzing van schakelaars in alle menu’s op dezelfde manier plaatsvindt, leggen we hier de principes
van de bediening uit, zodat u zich later, bij het lezen van de gedetailleerde menubeschrijvingen, kunt
concentreren op de speciale inhouden.
Op de programmapunten, waar een schakelaar toegewezen kan worden, verschijnt in de onderste displayregel
een schakelaar-symbool.
Wissel met de pijltoetsen van de linker of rechter touch-toets naar deze regel.
Zo wijst u een schakelaar toe:
1. Tip de SET-toets van de rechter touch-toets kort aan. Op het display verschijnt de melding:
gewenste schakelaar
in de AAN positie
2. Nu wordt slechts de uitgekozen schakelaar in de gewenste “AAN”-positie omgezet of de K1-knuppel
vanuit de gewenste schakelaar-“UIT”-positie naar “AAN” bewogen. (De aan dit stuurorgaan en bij het
modeltype “helikopter” extra aan de gas-limiter, zie bladzijde 88, toegewezen zogenaamde
stuurelement-schakelaars, zie rechts, nemen hierbij softwarematig de taak van een AAN/UIT-
schakelaar.) Daarmee is de toewijzing afgesloten.
Schakelrichting wijzigen
Mocht de bediening echter verkeerd om gaan, dan brengt u de schakelaar of knuppel weer naar de gewenste
UIT-positie, kiest u het schakelaarsymbool opnieuw en wijst u de schakelaar nog een keer en nu met de
gewenste schakelrichting toe.
Schakelaar wissen
Na het activeren van de schakelaar-toewijzing, zoals onder punt 2 beschreven, tegelijkertijd de toetsencombinatie
▲▼ of ◄► van de rechter touch-toets (CLEAR) kort aanraken.
Stuurelement-schakelaars
Bij bepaalde schakelfuncties kan het zeker zinvol zijn, om deze niet met de hand via een normale schakelaar te
bedienen, maar automatisch door de K1-stuurknuppel of de gaslimiter bij een helikoptermodel.
Voorbeelden van toepassingen:
Aan- of uitschakelen van een in het model ingebouwde gloeiplugaccu voor de stationairloop, wanneer de
K1-knuppel onder of boven een bepaald punt komt ( “G1” resp. “G2”). De schakelaar van de
gloeiplugverhitting wordt daarbij in de zender via een mixer aangestuurd.
Automatisch aan- of uitzetten van een stopwatch voor het meten van de netto“vliegtijd” van een
helikopter door de “G3”-schakelaar van de gaslimiter.
Automatisch uitschakelen van de mixer “rolr. -> richtingsr.” bij het uitdraaien van de remkleppen, om bv.
bij landingen op een helling de dwarsrichting van het model aan de contouren van de helling aan te
passen, zonder dat het - normaal gesproken - meelopende richtingsroer ook nog eens de vliegrichting
beïnvloedt.
Uitdraaien van de landingskleppen en natrimmen van het hoogteroer bij de landing, zodra de
gasknuppel op een bepaald schakelpunt gekomen is.
Aan- en uitschakelen van de stopwatch om de looptijd van elektromotoren te meten.
In het programma van de zender MX-16 HoTT kunt u voor deze doelen in de beide modeltypen over twee
zogenaamde stuurelement-schakelaars op de K1-stuurknuppel beschikken: een “G1” bij ca. -80% en een “G2” bij
ca. +80% van de knuppeluitslag. Het helikopterprogramma heeft ook nog een “G3” op de gaslimiter dicht bij het
100%-punt, zie bladzijde 88.
Al deze stuurelement-schakelaars kunnen willekeurig in de vrije programmering van schakelaars worden
betrokken, d.w.z. in plaats van een “normale” schakelaar aan een functie worden toegewezen. Bij de
programmapunten, waar u een schakelaar kunt toewijzen, heeft u dus steeds de mogelijkheid, om in plaats van
een schakelaar ook één van de stuurelement-schakelaars G1 … G2 resp. G1 … G3 toe te wijzen; dit doet u door
de K1-knuppel resp. het gaslimiter-stuurelement (standaard de proportionele draaiknop CTRL 6) vanuit de
gewenste “UIT”-positie in de richting “AAN” te bewegen.
Digitale trimming
Functiebeschrijving en de K1-afschakeltrimming
digitale trimming met optische en akoestische aanduiding
De beide kruisknuppels zijn voorzien van een digitale trimming. Kort aantippen verstelt met iedere “klik” de
neutrale positie van de kruisknuppel met een bepaalde waarde. Bij een langer vasthouden loopt de trimming met
toenemende snelheid in de desbetreffende richting.
De verstelling wordt ook “hoorbaar” gemaakt door verschillend hoge tonen. Tijdens het vliegen de middenpositie
terugvinden is daarom ook zonder op het display te kijken geen probleem: bij het bereiken van de middenpositie
is een korte pauze ingevoerd.
De actuele trimwaarden worden automatisch bij een wisselen van modelgeheugenplaats opgeslagen. Verder
heeft de digitale trimming binnen een geheugenplaats effect per afzonderlijke vliegfase, behalve bij de trimming
van de gas-/remkleppenstuurknuppel bij vliegtuigmodellen, stuurfunctie “K1” (kanaal1) genoemd.
Deze K1-trimming heeft bij vleugel- en helikoptermodellen nog een bijzondere functie, waarmee u de stationair-
instelling van de carburateur makkelijk kunt terugvinden.
Omdat de in deze handleiding beschreven trimfuncties slechts in de richting “motor uit” effectief zijn, is de
weergave op het display van uw zender eventueel anders, afhankelijk van uw individuele gas- resp. minimum-
pitch-positie van de K1-knuppel “naar voren” of “naar achteren”, alsmede van uw keuze voor gas/pitch op de
“linker knuppel” of “rechter knuppel”. De afbeeldingen van deze handleiding tonen steeds “gas/pitch rechts” voor
de beide modeltypen en “gasnaar achteren” bij vliegtuig- en helikoptermodellen.
1.vliegtuigmodellen
De K1-trimming bezit een speciale afschakeltrimming, die voor verbrandingsmotoren is bedoeld: u stelt eerst met
de trimming eerst een veilige stationairloop in.
Wanneer u nu de K1-trimming in één keer in de richting “motor afzetten” tot aan de uiterste positie van de
trimmeruitslag verschuift, dan blijft er aan de eindpositie op het display een markering zichtbaar. Voor een
hernieuwd starten van de motor bereikt u door een eenmalig indrukken van de trimhevel in de richting “meer gas”
direct weer de laatste stationair-instelling.
actuele trimpositie laatste stationair-positie
K1-trimhevel
trimming in motor-UIT-positie
Deze afschakeltrimming is gedeactiveerd, wanneer in het menu “basisinstelling” in de regel “motor aan K1”
“geen” resp. “geen/inv” is ingevoerd (bladzijde 65/66).
Aanwijzing:
Omdat deze trimfunctie alleen effect heeft in de richting “motor uit”, verandert de bovenstaande afbeelding
wanneer u de stuurrichting voor de gas-minimum-positie van de K1-stuurknuppel van “naar achteren” (zoals in de
afbeelding hierboven) naar “naar voren” verandert in het menu “basisinstelling” in de regel “motor aan K1”.
2.helikoptermodellen
Bovenop de hier links onder “vliegtuigmodellen” beschreven “afschakeltrimming” bezit de K1-trimming in
combinatie met de zogenaamde “gaslimiter-functie”, zie bladzijde 88, nog een extra eigenschap: zolang het
gaslimiter-stuurelement zich in de “onderste” helft van zijn uitslag, d.w.z. in het “startgebied” bevindt, heeft de K1-
trimming effect als stationairtrimming op de gaslimiet en de aanduiding van de stationaire trimming is op het
display zichtbaar:
actuele laatste stationair-positie
trimpositie
stuurelement gaslimiter
trimming in positie motor-UIT
In tegenstelling tot het vleugelmodel wordt deze aanduiding echter onzichtbaar gemaakt, wanneer het gaslimiter-
stuurelement zich in de “rechter” helft van zijn uitslag bevindt:
Aanwijzing voor helikopter:
De K1-trimming heeft alleen effect op de gasservo en niet op de pitch-servo’s. Let er ook op, dat de heli-gasservo
aan ontvangeruitgang 6 moet worden aangesloten (zie ontvangerbezetting op bladzijde 56)!
vliegtuigmodellen
Tot maximaal twee rolroer- en twee welfkleppenservo’s bij normale modellen alsmede V-staart- en staartloze
/deltamodellen met twee rolroer-/hoogteroer- en twee welfkleppenservo’s worden op een comfortabele manier
ondersteund.
De meeste motor- en zweefmodellen zullen tot het staarttype “normaal”horen met een aparte servo voor hoogte-,
richtings-, rolroer en motordrossel of elektronische regelaar (resp. remkleppen bij een zweefmodel). Verder is het
mogelijk, in het modeltype “2 HR Sv” twee hoogteroerservo’s aan de kanalen 3 en 8 aan te sluiten.
Bij het bedienen van de rolroeren en eventueel de welfkleppen met telkens twee aparte servo’s kunnen de
rolroeruitslagen van de beide kleppenparen in het menu vleugelmixers” gedifferentieerd worden, een
roeruitslag naar boven kan onafhankelijk van de uitslag naar beneden ingesteld worden.
Tenslotte kunnen ook de welfkleppen b.v. via één van de stuurelementen CTRL 6 … 10 worden bediend. Als
alternatief kunt u voor de welfkleppen, rol- en hoogteroer ook beschikken over een faseafhankelijke trimming in
het menu “fasentrimming”.
Wanneer het model een V-staart in plaats van een gewone staart heeft, kan in het menu “basisinstelling” het
type “V-staart”worden gekozen, dat de stuurfuncties hoogte- en richtingsroer dusdanig elkaar verbindt, dat elk van
de beide staartroeren – ieder door een eigen servo aangestuurd – zowel de hoogte- als ook de
richtingsroerfunctie kan overnemen.
Bij de delta- en staartloze modellen wordt de rol- en hoogteroerfunctie via een gemeenschappelijk roer aan de
achterkant van de linker en rechter vleugel bediend. Het programma beschikt over de benodigde mixfuncties voor
de beide servo’s.
Tot maximaal 4 vliegfasen kunnen in elk van de 20 modelgeheugenplaatsen geprogrammeerd worden.
De digitale trimming wordt vliegfasen-specifiek, behalve de K1-trimming, opgeslagen. De K1-trimming maakt het
mogelijk om de carburateurinstelling voor stationair makkelijk terug te vinden.
Tijdens het vliegen kunt u voortdurend over twee klokken beschikken. De bedrijfstijd van de zender sinds het
laatste laadproces wordt ook zichtbaar gemaakt.
Aan de ingangen 5....8 kunnen naar keuze alle stuurelementen (CTRL) en schakelaars (SW) worden toegewezen
in het menu “instellingen stuurelement”.
“Dual Rate”en “Exponential” voor rol-, richtings- en hoogteroer kunnen apart worden geprogrammeerd en elk in
twee varianten via een schakelaar worden bediend.
Naast 3 vrije mixers kunt u - afhankelijk van het modeltype - in het menu “vleugelmixers” kiezen uit 12 vast
gedefinieerde mixers en koppelfuncties:
1. rolroerdifferentiatie
2. welfkleppen-differentiatie
3. rolroer richtingsroer (schakelbaar)
4. rolroer welfklep (schakelbaar)
5. remklep hoogteroer (schakelbaar)
6. remklep welfklep (schakelbaar)
7. remklep rolroer (schakelbaar)
8. hoogteroer welfklep (schakelbaar)
9. hoogteroer rolroer (schakelbaar)
10. welfklep hoogteroer (schakelbaar)
11. welfklep rolroer (schakelbaar)
12. reductie differentiatie
hoogte-rol rol-richting remkl.functie 1 links welf-rol remkl.-rol
hoogte-welf welf-hoogte remkl.-welf richting/hoogte rol-welf remkl.-welf
welf-hoogte hoogte-welf remkl.-hoogte V-staart hoogte-welf remkl. -hoogte
rol-welf rol-welf rechts welf-hoogte
welf-rol rechts rol-richting
rol-richting links hoogte-rol
welf-rol
rol-welf
Ontvangerbezetting voor modellen met max. 2 rolroeren en twee welfkleppen , staarttype “normaal”, V-
staart of met twee hoogteroerservo’s (3 + 8)
8= 2
e
hoogteroer / speciale functie
7 = welfklep rechts / (res.)
6 = welfklep links / reserve
ontvangeraccu 5 = rolroer rechts / reserve
schakelaarkabel 4 = richtingsroer / V-staart rechts
3 = hoogteroer / V-staart links
V- resp Y-kabel 2 = rolroer / rolroer links
Best.-nr. 3936.11 1= gas / rem
telemetriesensor ontvanger
aanwijzingen bij de installatie
De servo’s MOETEN in de hier afgebeelde volgorde aan de uitgangen van de ontvanger worden
aangesloten:
Niet benodigde uitgangen worden gewoon open gelaten. Met name geldt:
Bij toepassing van maar 1 rolroerservo blijft de ontvangeruitgang 5 voor het rechter rolroer vrij resp. kan
indien in het menu “basisinstelling” “1 rolroer” werd gekozen- eventueel voor een ander doel worden gebruikt.
Bij toepassing van maar 1 welfkleppenservo blijft de ontvangeruitgang 7 voor de rechter welfklep IN IEDER
GEVAL vrij, in zoverre in het menu “basisinstelling” “2 RO 2WK” werd gekozen.
Let ook op de aanwijzingen op de volgende bladzijden.
Ontvangerbezetting voor modellen met het staarttype “Delta/staartloos” en max. 2 welfkleppen
8= speciale functie
7 = welfklep rechts / (res.)
6 = welfklep links / reserve
ontvangeraccu schakelaarkabel 5 = reserve
4 = richtingsroer
V- resp Y-kabel 3 = rolroer / hoogteroer rechts
Best.-Nr. 3936.11 2 = rolroer / hoogteroer links
1= gas / rem
telemetriesensor ontvanger
Als gevolg van de verschillende inbouw van de servo’s en de roeraansturingen kan bij het programmeren de
draairichting van de servo’s omgekeerd zijn. De volgende tabel biedt hierbij hulp:
modeltype servo met verkeerde draairichting aanwijzing
V-staart richtings- en hoogteroer verkeerd servo 3 + 4 in het menu ”servo-instelling” ompolen
richtingsroer goed, hoogteroer verkeerd servo 3 + 4 aan ontvanger omwisselen
hoogteroer goed, richtingsroer verkeerd servo 3 + 4 in het menu servo-instelling” ompolen
EN aan ontvanger omwisselen
delta, staartloos hoogte- en richtingsroer verkeerd servo 2 + 3 in het menu “servo-instelling” ompolen
hoogteroer goed, rolroer verkeerd servo 2 + 3 in het menu “servo-instelling” ompolen
EN aan de ontvanger omwisselen
rolroer goed, hoogteroer verkeerd servo 2 + 3 aan de ontvanger omwisselen
Alle voor een vliegtuigmodel relevante menu’s zijn bij de “programmabeschrijvingen” van het symbool van een
vliegtuigmodel …
… voorzien, zodat u zich bij het programmeren van een vliegtuigmodel alleen met deze menu’s hoeft bezig te
houden.
helikoptermodellen
De voortschrijdende ontwikkeling van de modelhelikopter en de bijbehorende componenten zoals gyro’s,
toerentalregelaar, rotorbladen enz. maakt het tegenwoordig mogelijk, een helikopter zelfs in 3D-kunstvlucht te
beheersen. Voor de beginner daarentegen zijn een klein aantal instellingen voldoende om met de hovertraining te
kunnen beginnen, om zo langzamerhand steeds meer opties van de MX-16 HoTT te kunnen toepassen.
Met het helikopterprogramma van de MX-16 HoTT kunnen alle gangbare helikopters met 1...4 servo’s voor de
pitchsturing worden gevlogen, volledig onafhankelijk van het feit, of ze door een verbrandings- of elektromotor
worden aangedreven.
U kunt beschikken over 3 vliegfasen en autorotatie binnen een modelgeheugen.
Twee klokken zijn tijdens het vliegen voortdurend zichtbaar in de basisaanduiding. Ook wordt de tijd
weergegeven die verstreken is sinds de laatste keer dat de zenderaccu werd opgeladen.
Met een druk op de knop kan de stationairpositie van de digitale K1-trimming teruggevonden worden.
“Dual Rate”en “Exponential” voor roll, nick en hekrotor zijn koppelbaar en kunnen in twee varianten
geprogrammeerd worden.
Alle stuurelementen (CTRL) en schakelaars (SW) van de zender kunnen in het menu “instellingen
stuurelement” bijna geheel naar keuze aan de ingangen 5 … 8 worden toegewezen.
Naast 3 vrij toewijsbare en ook aan- en uitschakelbare lineaire mixers kunt u in het menu “helimix” over de
vliegfasenafhankelijk instelbare 5-punts-curven voor pitch, gas en hekrotor beschikken:
1. pitchcurve
2. K 1 gas
3. K 1 hekrotor
De beginner zal eerst slechts het hoverpunt bij middenstelling van de stuurknuppel en de pitchwaarde willen
aanpassen.
In het menu “helimix” biedt de zender in de regels “gyro”, “Ing.8” en “tuimelschijflimiter” nog meer instelopties.
In het menu “tuimelschijfmixers” kunnen dan de mixpercentages voor pitch, roll en nick worden afgestemd.
De functie gaslimiet in het menu “instellingen stuurelement” maakt het mogelijk om de motor in iedere
vliegfase te starten en bespaart u het programmeren van een speciale vliegfase “Idle up”.
Standaard is het proportionele stuurelement CTRL 6 toegewezen aan deze ingang. Deze stuurfunctie legt de
maximale positie van de gasservo vast. Daardoor kan de motor in het stationaire bereik aangestuurd worden door
de trimhevel. Wordt dit proportionele stuurelement verschoven richting volgas, dan worden de gascurven effectief
en beginnen eventueel de beide klokken de vliegtijd op te nemen. Zie voor verdere uitleg bladzijde 88.
pitch-curve kanaal 1hekrotor
kanaal 1gas
Aanwijzing voor degenen, die overstappen vanaf oudere GRAUPNER-besturingen:
Anders dan bij de vroegere ontvangerbezetting zijn de servo-aansluiting 1 (pitch-servo) en servo-aansluiting 6
(gas-servo) verwisseld. De servo’s moeten op de manier, zoals die rechts is afgebeeld, aan de uitgangen van de
ontvanger worden aangesloten. Niet benodigde uitgangen worden gewoon open gelaten. Preciezere details bij
elk tuimelschijftype vindt u op bladzijde 74 in het menu “basisinstelling”.
Alle voor een helikoptermodel relevante menu’s zijn bij de “programmabeschrijvingen” van het symbool van een
helikopter …
… voorzien, zodat u zich bij het programmeren van een helikoptermodel alleen met deze menu’s hoeft bezig te
houden.
Ontvangerbezetting bij helikoptermodellen
8 = (toerentalregeling)
7 =(gevoeligheid gyro)
6 = motor-servo (regelaar e-motor)
ontvangeraccu schakelaarkabel 5 = vrij of nick (2)-servo
4 = hekservo (gyro)
V- resp. Y-kabel 3 = nick (1)-servo
Best.-Nr. 3936.11 2 = roll (1)-servo
1 = pitch of roll (2)- of nick (2)-servo
telemetriesensor ontvanger
Aanwijzingen bij de installatie:
De servo’s MOETEN in de hier afgebeelde volgorde aangesloten zijn.
Niet benodigde uitgangen worden gewoon open gelaten.
Let in ieder geval ook op de aanwijzingen op de volgende bladzijden.
Aanwijzing:
Om het gemak en de veiligheid van de gaslimiter (zie vanaf bladzijde 88) te kunnen benutten moet een
toerenregelaar afwijkend van de afbeelding bij de ontvangerbezetting niet aan de ontvangeruitgang “8”, maar aan
“6” worden aangesloten. Zie hiervoor ook bladzijde 106.
Gedetailleerde programmabeschrijving
Nieuwe geheugenplaats aanmaken
Wie het handboek tot hier toe heeft doorgenomen, zal vast en zeker al de een of andere programmering
uitgeprobeerd hebben. Desondanks willen we toch elk menu gedetailleerd beschrijven.
We beginnen in dit deel eerst met het aanmaken van een “vrije” geheugenplaats, wanneer er dus een nieuw
model “geprogrammeerd moet worden:
stop 0:00
vlucht 0:00
Vanuit het basisdisplay wordt door aantippen van de centrale SET-toets van de rechter touch-toets gewisseld
naar de “multifunctie-lijst”. (Met de centrale ESC-toets van de linker touch-toets komt u weer terug in het
basisdisplay.) Standaard ziet u na het eerste oproepen van de multifunctie-keuze na het inschakelen van de
zender het menupunt “modelgeheugen” invers afgebeeld en dus actief. Anders met de pijltoetsen (▲▼, ◄►)
van de linker of rechter touch-toets het menupunt ”modelgeheugen kiezen en dan weer de centrale SET-toets
van de rechter touch-toets aantippen:
modelgeh. basisinst.
servoinst. inst.stuurel.
D/R expo fasentrim
vleugelmix vrije mix
servoaand. alg.inst.
Fail-Safe telemetrie
model oproepen
model wissen
kopier. mod->mod
export naar SD
import van SD
Raak nog een keer de centrale SET-toets van de rechter touch-toets voor het ondermenu “model oproepen”:
01 ---o--- E08
02 **vrij**
03 **vrij**
04 **vrij**
Bij levering van de zender is het eerste modelgeheugen voorzien van het modeltype “vliegtuigmodel” en de
meegeleverde ontvanger al aan dit geheugen gebonden, herkenbaar aan de ontvangercode rechts boven, in het
bovenstaande voorbeeld E08. Bij een “ongebonden” modelgeheugen verschijnt daarentegen “---“. De overige,
met “**vrij**” betitelde geheugenplaatsen zijn nog onbezet en dus ook “ongebonden”. Wanneer u een
vliegtuigmodel wilt programmeren, dan kunt u na het verlaten van het ondermenu “model oproepen” en van het
menu “modelgeheugen” - door een dienovereenkomstig aantal keren aantippen van de centrale ESC-toets van
de linker touch-toets - direct met het programmeren beginnen … of met de toetsen of van de linker of
rechter touch-toets een andere nog vrije geheugenplaats uitkiezen …
01 ---o--- E08
02 **vrij**
03 **vrij**
04 **vrij**
… en dan de centrale SET-toets van de rechter touch-toets aantippen als bevestiging.
U wordt hierna gevraagd om het modeltype, dus “vliegtuigmodel” of “helikoptermodel” te kiezen:
modeltype kiezen
(vrij modelgeheugen)
Kies met de toetsen of van de linker of rechter touch-toets het modeltype uit en raak de centrale SET-toets
van de rechter touch-toets. Daardoor wordt het gekozen modelgeheugen geinitialiseerd met het geselecteerde
modeltype en wisselt het display weer naar de basisweergave. De geheugenplaats is nu klaar voor gebruik.
Wilt u daarentegen met een helikopter beginnen, dan kiest u met de toetsen of van de linker of rechter
touch-toets één van de met “**vrij**” betitelde geheugenplaatsen en raakt u kort de centrale SET-toets van de
rechter touch-toets aan als bevestiging. U wordt hierna gevraagd om het modeltype, dus “vliegtuigmodel” of
“helikoptermodel” vast te leggen. Kies met de toetsen of van de linker of rechter touch-toets het symbool
uit en raak de centrale SET-toets van de rechter touch-toets aan ter bevestiging. Daardoor wordt het gekozen
modelgeheugen geinitialiseerd met het geselecteerde modeltype en kunt u nu uw model in dit geheugen gaan
programmeren.
Een wissel naar een ander modeltype is nu alleen nog mogelijk door de geheugenplaats eerst te wissen (menu
“modelgeheugen”, bladzijde 61).
Aanwijzingen:
Moet het modelgeheugen gewist worden, dat nu in de basisaanduiding zichtbaar is, dan moet direct na het
wissen één van de beide modeltypen “vleugel” of “heli” worden gekozen. Deze keuze kunt u niet ontlopen door
de zender uit te zetten. U kunt wel de ongewenst bezette modelgeheugenplaats vanuit een ander
modelgeheugen weer wissen. Wordt daarentegen een niet actieve geheugenplaats gewist, dan verschijnt
daarna in de modelkeuze “** vrij**”.
Na het aanmaken van het uitgekozen modelgeheugen met het gewenste modeltype wisselt de aanduiding naar
het basisdisplay van het nieuw aangemaakte modelgeheugen. Tegelijkertijd verschijnt gedurende enkele
seconden de waarschuwing…
BIND. N/A
OK
… als aanwijzing dat er nog geen binding met een ontvanger is. Door een kort aanraken van de centrale SET-
toets van de rechter touch-toets komt u direct bij de bijbehorende optie. Meer informatie over het binden van
een ontvanger vindt u op bladzijde 70/71 resp.79.
Onder de hierboven beschreven waarschuwing “BIND. N/A” verschijnt ook enkele seconden de waarschuwing..
Fail Safe
instellen!
… als aanwijzing dat er nog geen Fail-Safe-instellingen zijn. Meer informatie hierover vindt u op bladzijde 125.
Verschijnt er op het display de waarschuwings-aanduiding …
Gas te
hoog!
… beweeg dan de gasstuurknuppel resp. bij een helimodel de limiter, standaard het draaielement CTRL 6 in
de richting van stationair. Het verschijnen van deze waarschuwing is ook afhankelijk van de bij “motor” resp.
“pitch min.” in het menu”basisinstelling” bladzijde 65 resp. 76 gekozen instellingen. Kies “geen” resp.
“geen/inv” wanneer u geen motor toepast resp. de in andere gevallen verborgen mixer “rem NN”van het
menu “vleugelmixers” nodig heeft.
Werden er al modelgeheugens in de zender bezet, dan verschijnt er in de ondermenu’s van het menu
“modelgeheugen” een pictogram van het gekozen modeltype gevolgd door een lege regel resp. de in het
menu “basisinst.” (bladzijde 65 resp. 73) ingevoerde modelnaam, evenals de code van de ontvanger,
wanneer deze gebonden is.
Bij een te lage accuspanning is een modelwissel uit veiligheidsoverwegingen niet mogelijk. Op het display
verschijnt de melding:
Momenteel niet mog.
spanning te laag
In principe zijn er nu nog vier verschillende mogelijkheden, om de vier stuurfuncties rolroer, hoogteroer,
richtingsroer en gas resp. remkleppen bij een vleugelmodel of roll, nick, hekrotor en gas/pitch bij een
helikoptermodel aan de beide stuurknuppels toe te wijzen. Welke van de vier mogelijkheden wordt gekozen,
hangt af van de individuele gewoonte van de piloot. Deze functie stelt u in de regel “stuurtoewijzing”
(stuurmode) voor het actuele modelgeheugen in het menu “basisinst.” (bladzijde 65 resp. 73) in:
mod naam < >
stuurtoew 1
motor aan K1 geen
K8 vertraagd ja
staart normaal
Verder wijzen we er nogmaals op, dat uit het oogpunt van een maximale flexibiliteit, maar ook om onbedoelde
fouten te voorkomen, bij beide modeltypen aan de stuurkanalen 5 … 8 standaard geen stuurelement toegewezen
is. Dit betekent, dat bij uitlevering van deze set alleen de aan de ontvangeruitgangen 1 … 4 aangesloten
servo’s via de beide stuurknuppels kunnen worden bewogen, aan de uitgangen 5 … max. 8 aangesloten
servo’s daarentegen niet zullen bewegen. Bij een nieuw geinitialiseerd helikoptermodel beweegt ook nog nog
- afhankelijk van de positie van de gaslimiter CTRL 6 - de servo 6 min of meer. Bij beide modeltypen verandert
deze toestand pas, nadat u de bijbehorende toewijzingen gedaan heeft in het menu “instelling stuurelement”.
Wanneer een nieuw aangemaakt modelgeheugen in gebruik moet worden genomen, dan MOET deze eerst aan
een (andere) ontvanger worden “gebonden”, voordat eventueel daaraan aangesloten servo’s kunnen worden
aangestuurd. Lees hiervoor ook het gedeelte “binding” op bladzijde 70/71 resp. 79.
Een beschrijving van de programmeringstappen bij een vliegtuigmodel vindt u in het onderdeel
programmeervoorbeelden vanaf bladzijde 151 en voor helikoptermodellen vanaf bladzijde 173.
De hieronder volgende beschrijvingen van menu’s vindt u in de volgorde, zoals deze in de multifunctielijst
voorkomen.
Modelgeheugen
Model oproepen, model wissen, kopiëren model model
Op de bladzijden 24 en 25 werden de principes achter de bediening van de toetsen uitgelegd en op de vorige
pagina’s, hoe u bij de multifunctie-lijst komt en een nieuwe geheugenplaats aanmaakt. Hier willen we nu de
“normale” beschrijving van de verschillende menupunten in de door de zender bepaalde volgorde voortzetten.
Daarom beginnen we met het menu….
modelgeheugen
mod geh basisinst
servoinst inst stuurel
D/R Expo fasentrim
vleugelmix vrije mix
servoaand alg inst
Fail-Safe telemetrie
Tot maximaal 20 complete modelinstellingen inclusief de digitale trimwaarden van de vier trimhevels kunnen
opgeslagen worden. De trimming wordt automatisch opgeslagen, zodat na een wisselen van model de eenmaal
ingestelde trimming van het model niet verloren gaat. Een pictogram van het gekozen modeltype evenals de in
het menu “basisinstelling”, bladzijde 65 resp. 73, ingevoerde modelnaam verschijnt in alle drie de ondermenu’s
van het menu ‘modelgeheugen” achter het modelnummer. Tevens ziet u of er eventueel aan het
modelgeheugen al een ontvanger “gebonden” is.
Kiest u eventueel uit de lijst met de pijltoetsen van de linker of rechter touch-toets het menu “modelgeh.”
(modelgeheugen) uit en raak dan kort de SET-toets van de rechter touch-toets aan:
model oproepen
model oproepen =>
model wissen =>
kopier. mod->mod =>
export naar SD =>
import van SD =>
Wanneer u nu nog een keer op de SET-toets aanraakt, komt u in het ondermenu “model oproepen”:
01 Graubele E08
02 Ultimate E08
03 Starlet E08
04 Bell 47G -----
05 **vrij**
06 **vrij**
Met de pijltoetsen n▲▼ van de linker of rechter touch-toets kiest u het gewenste modelgeheugen in de lijst uit en
deze keuze bevestigen door aantippen van de SET-toets. Met ESC komt u weer -zonder te wisselen van model -
terug bij de vorige pagina van het menu.
Aanwijzingen:
Indien na een modelwissel de waarschuwing “gas te hoog!” verschijnt,bevindt zich de stuurknuppel van
het gas/pitch (K1)resp. de gaslimiter te ver in de richting volgas.
Bij een te lage accuspanning is een modelwissel uit veiligheidsoverwegingen niet mogelijk. Op het
display verschijnt de bijbehorende melding:
Nu niet mogelijk
spanning te laag
model wissen
model oproepen =>
model wissen =>
kopier. mod->mod =>
export naar SD =>
import van SD =>
Kies met de pijltoetsen ▲▼ van de linker of rechter touch-toets het ondermenu “model wissen” en raak de SET-
toets aan. Het te wissen model met de pijltoetsen ▲▼ van de linker of rechter touch-toets uitkiezen …
Te wissen model:
01 Graubele E08
02 Ultimate E08
03 Starlet E08
04 Bell 47G -----
… waarop na een verdere druk aanraking van de SET-toets de veiligheidsvraag…
Moet model
01 GRAUBELE
gewist worden?
NEE JA
….verschijnt. Met NEE breekt u het proces af en komt u terug bij de vorige pagina. Kiest u echter met de -toets
van de linker of rechter touch-toets JA en bevestigt u deze keuze met een korte aanraking van de SET-toets, dan
wordt het gekozen modelgeheugen gewist.
Let op:
Het wissen is onherroepelijk. Alle gegevens in het uitgekozen modelgeheugen worden hierdoor compleet
gewist.
Aanwijzing:
Moet er een modelgeheugen gewist worden, dat juist actief is, dan moet onmiddellijk daarna het modeltype
“heli”of “vleugel” gedefinieerd worden. Wordt daarentegen een niet-actieve modelgeheugenplaats gewist, dan
verschijnt in de modelkeuze “***vrij***”.
kopiëren model model
Kies met de pijltoetsen ▲▼ van de linker of rechter touch-toets het ondermenu “kopiëren model
model” uit en raak de SET-toets aan:
model oproepen =>
model wissen =>
kopier. mod->mod =>
export naar SD =>
import van SD =>
Het te kopiëren model met de pijltoetsen ▲▼ van de linker of rechter touch-toets uitkiezen, …
Kopieren van model:
01 Graubele E08
02 Ultimate E08
03 Starlet E08
04 Bell 47G -----
…waarop u na een verder aanraken van de SET-toets van de rechter touch-toets in het venster “kopiëren naar
model” het doelgeheugen kiest met de pijltoetsen ▲▼ van de linker of rechter touch-toets, en met SET
bevestigt of het proces met ESC afbreekt. Een al bezet modelgeheugen kan overschreven worden.
Kopieren naar model:
01 Graubele E08
02 Ultimate E08
03 Starlet E08
04 Bell 47G -----
05 **vrij**
Na het bevestigen van het geselecteerde modelgeheugen door indrukken van de ENTER of SELECT –toets
verschijnt de veiligheidvraag “Moet model … … gekopieerd worden?”:
Moet model
01 Ultimate
-> 03 **vrij**
gekopieerd worden?
NEE JA
Met NEE breekt u het proces af en keert u terug naar de vorige pagina van het beeldscherm. Kiest u daarentegen
met de toets JA en bevestigt u deze keuze door een aanraken van de SET-toets, dan wordt het gekozen
modelgeheugen naar het geselecteerde modelgeheugen gekopieerd.
Aanwijzing:
Bij het kopiëren van een modelgeheugen worden samen met de modelgegevens ook de bindingsdata
gekopieerd, zodat de aan het originele modelgeheugen gebonden ontvanger zonder hernieuwd binden ook met
deze kopie kan worden gebruikt.
Export naar SD
Kies met de pijltoetsen ▲▼ van de linker of rechter touch-toets het ondermenu “export naar SD” en raak de
SET-toets aan.
model oproepen =>
model wissen =>
kopier. mod->mod =>
export naar SD =>
import van SD =>
Het te exporteren model met de pijltoetsen ▲▼ van de linker of rechter touch-toets uitkiezen:
Exporteren naar SD:
01 Graubele E08
02 Ultimate E08
03 Starlet E08
04 Bell 47G -----
Na het bevestigen van het geselecteerde modelgeheugen door aantippen van de SET-toets verschijnt de vraag:
Moet model
01 Ultimate
-> SD-kaart
geëxporteerd worden?
NEE JA
Met NEE breekt u het proces af en keert u terug naar de vorige pagina. Kiest u daarentegen JA en bevestigt u
deze keuze met de SET-toets, dan wordt het geselecteerde model naar de SD-kaart gekopieerd.
Aanwijzingen:
Verschijnt de waarschuwing…
SD-kaart
plaatsen
OK
…. In plaats van een modelkeuze, dan is er geen SD-kaart in de kaartslot, zie bladzijde 22.
Bij het kopiëren van een modelgeheugen worden samen met de modelgegevens ook de bindingsdata
gekopieerd, zodat de aan het originele modelgeheugen gebonden ontvanger zonder hernieuwd binden
in DEZELFDE zender ook met diens kopie kan worden gebruikt.
Een geëxporteerd vliegtuigmodel wordt onder \Models\mx-16 volgens het schema “aModelnaam.mdl”
en een helikoptermodel als “hModelnaam.mdl” op de geheugenkaart geschreven. Wordt er daarentegen
een naamloos model geëxporteerd, dan zijn de gegevens onder “a-“ resp. “hNoName.mdl” te vinden.
Enkele van de eventueel in de modelnaam gebruikte tekens kunnen vanwege beperkingen van het FAT-
resp. FAT32-bestandssysteem niet worden overgenomen en zijn daarom zichtbaar als golfje (~).
Wanneer er op de geheugenkaart al een modelbestand is met dezelfde naam wordt deze zonder
waarschuwing overschreven.
Import van SD
Kies met de pijltoetsen ▲▼ van de linker of rechter touch-toets het ondermenu “Import van SD” en raak de SET-
toets aan:
model oproepen =>
model wissen =>
kopier. mod->mod =>
export naar SD =>
import van SD =>
Het vanaf de SD-kaart te importeren model met de pijltoetsen ▲▼ van de linker of rechter touch-toets uitkiezen;
Import van SD-kaart:
Alpina 11/03/10
Extra 11/03/11
Cobra 11/03/11
Bell 47G 11/03/12
Aanwijzing:
De exportdatum rechts van de modelnaam heeft de volgorde “jaar/maand/dag”.
Na een aantippen van de SET-toets van de rechter touch-toets verschijnt het venster “Import naar model”: hier
kiest u het doelgeheugen uit met de pijltoetsen ▲▼ van de linker of rechter touch-toets en bevestigt u met SET of
breekt u af met ESC. Een al bezette geheugenplaats kan overschreven worden:
Import naar model:
01 Graubele E08
02 Ultimate E08
03 Starlet E08
04 Bell 47G -----
05 ** vrij **
Na het bevestigen van het geselecteerde modelgeheugen door aanraken van de SET-toets verschijnt de vraag:
Moet model
01 Ultimate
-> 03 **vrij**
geïmporteerd worden?
NEE JA
Met NEE breekt u het proces af en keert u terug naar de vorige pagina. Kiest u daarentegen JA en bevestigt u
deze keuze met de SET-toets, dan wordt het geselecteerde model naar het gekozen modelgeheugen gekopieerd.
Aanwijzingen:
Verschijnt de waarschuwing…
SD-kaart
plaatsen
OK
…. In plaats van een modelkeuze, dan is er geen SD-kaart in de kaartslot, zie bladzijde 22.
Bij het kopiëren van een modelgeheugen worden samen met de modelgegevens ook de bindingsdata
gekopieerd, zodat de aan het originele modelgeheugen gebonden ontvanger zonder hernieuwd binden
in DEZELFDE zender ook met diens kopie kan worden gebruikt.
Basisinstelling
Modelspecifieke basisinstellingen voor vliegtuigmodellen
Voordat met de programmering van vliegspecifieke parameters wordt begonnen, moeten er enkele
basisinstellingen worden doorgevoerd, die alleen gelden voor het juist actieve modelgeheugen. Kiest u het menu
“basisinst” (“basisinstelling”) met de pijltoetsen van de linker of rechter touch-toets en raak daarna de centrale
SET-toets van de rechter touch-toets:
mod.geheugen basisinst
servoinst inst.stuurel.
D/R Expo fasentrim
vleugelmix vrije mix
servoaand alg.inst.
Fail-Safe telemetrie
Modelnaam
mod.naam < >
stuurtoew 1
motor aan K1 geen
K8 vertraagd ja
staart normaal
Wisselt u door een aanraken van de SET-toets van de rechter touch-toets naar de volgende beeldschermpagina
om uit een lijst van tekens een modelnaam te kunnen samenstellen. Maximaal 9 tekens kunnen voor een
modelnaam worden toegekend:
0123456789:;< = > ?
ABCDEFGHIJKLMNO
PQRSTUVWXYZ
modelnaam < GRAUB >
Kies met de pijltoetsen van de linker touch-toets het gewenste teken uit. Een aanraken van de pijltoets van de
rechter touch-toets of van de centrale SET-toets wisselt naar de volgende positie, voor welke u het volgende
teken kunt kiezen. Een gelijktijdig aantippen van de toetsen ▲▼ of ◄► van de rechter touch-toets (CLEAR)
voegt op die plaats een lege plek toe.
Elke willekeurige tekencombinatie binnen het invoerveld bereikt u met de toetsen ◄► van de rechter touch-toets.
Door een aanraken van de centrale ESC-toets van de linker touch-toets komt u terug naar de vorige menu-
pagina.
De zo ingevoerde modelnaam verschijnt in de basisaanduiding en in de ondermenu’s van het menupunt
“modelgeheugen”.
stuurtoewijzing
mode 1 (gas rechts) mode 2 (gas links)
hoogte motor motor hoogte
richting rolroer richting rolroer
mode 3 (gas rechts) mode 4 (gas links)
hoogte motor motor hoogte
rolroer richting rolroer richting
In principe zijn er 4 verschillende mogelijkheden, om de 4 stuurfuncties rolroer, hoogteroer, richtingsroer en gas
resp. remkleppen bij een vliegtuigmodel aan de beide stuurknuppels toe te wijzen. Welke van deze
mogelijkheden gebruikt wordt, hangt van de individuele gewoonten van de modelpiloot af. Kies met de pijltoetsen
▲▼ van de linker of rechter touch-toets de regel “stuurtoew” (stuurtoewijzing) uit. Het keuzeveld is omkaderd:
mod.naam < GRAUBELE >
stuurtoew 1
motor aan K1 geen
K8 vertraagd ja
staart normaal
Tip de SET-toets aan. De actuele stuurtoewijzing wordt nu invers weergegeven. Kiest u nu met de pijltoetsen van
de rechter touch-toets tussen de mogelijkheden 1 tot 4. Na het gelijktijdig aantippen van de toetsen ▲▼ of ◄►
van de rechter touch-toets (CLEAR) keert de weergave terug naar de mode “1”. Door een opnieuw aanraken van
SET deactiveert u het keuzeveld weer, zodat u naar een andere regel kunt komen.
motor aan K1
mod.naam < GRAUBELE >
stuurtoew 1
motor aan K1 geen
K8 vertraagd ja
staart normaal
Na selectie van “motor aan K1” met de pijltoetsen ▲▼ van de linker of rechter touch-toets is het bijbehorende
invoerveld omkaderd. Raak de centrale SET-toets van de rechter touch-toets. De actuele instelling wordt invers
weergegeven. Kies nu met pijltoetsen van de rechter touch-toets uit de volgende 4 mogelijkheden:
“stationair voor”: De stationairpositie van de gas-/remkleppenstuurknuppel (K1) bevindt zich vooraan,
d.w.z. van de piloot af. De waarschuwing “gas te hoog” zie bladzijde 33 en de optie
“motor-stop” zijn geactiveerd en de optie “K8 vertraagd” evenals de mixers “rem
N.N.” van het menu “vleugelmix” zijn gedeactiveerd.
“stationair achter”: De stationairpositie van de gas-/remkleppenstuurknuppel (K1) bevindt zich achteraan,
d.w.z. naar de piloot toe. De waarschuwing “gas te hoog” zie bladzijde 33, en de optie
“motor-stop” zijn geactiveerd en de optie “K8 vertraagd” evenals de mixers “rem
N.N.” van het menu “vleugelmix” zijn gedeactiveerd.
“geen”: Het remsysteem is in de voorste positie van de gas-/remknuppel “ingetrokken” en de
optie “K8 vertraagd” evenals de mixers “rem N.N.” van het menu “vleugelmix” zijn
geactiveerd. De waarschuwing “gas te hoog” zie bladzijde 33, en de optie “motor-stop”
zijn gedeactiveerd .
“geen/inv”: Het remsysteem is in de achterste positie van de gas-/remknuppel “ingetrokken” en de
optie “K8 vertraagd” evenals de mixers “rem N.N.” van het menu “vleugelmix” zijn
geactiveerd. De waarschuwing “gas te hoog” zie bladzijde 33, en de optie “motor-stop”
zijn gedeactiveerd .
Aanwijzingen:
Let er tijdens de programmering steeds op dat een aangesloten verbrandings- of elektromotor
niet per ongeluk kan gaan lopen. Onderbreek eventueel de brandstoftoevoer resp. maak de
aandrijfaccu los.
De K1-trimming heeft, afhankelijk van uw keuze - ”normaal” of alleen “voor”of “achter” - effect,dus óf
over de hele stuuruitslag óf alleen in de desbetreffende stationaire positie
“Afschakeltrimming: let u op deze functie, die op bladzijde 49 is beschreven.
K8 vertraagd
Aanwijzingen:
Deze menuregel is bij de keuze van “stationair voor/achter” in de regel “motor aan K1” onzichtbaar.
Deze optie is bovendien alleen effectief, wanneer u minimaal één vliegfase geactiveerd heeft, zie
verder onder “fasen”!
mod.naam < GRAUBELE >
stuurtoew 1
motor aan K1 geen
K8 vertraagd ja
staart normaal
Met “nee” schakelt u de omschakelvertraging van ca 1 seconde, die bij elke wissel van vliegfase voor
stuurkanaal 8 effectief is uit. Met “ja” schakelt u hem in. Na selectie van de regel “K8 vertraagd” met de pijltoetsen
▲▼ van de linker of rechter touch-toets is het bijbehorende veld omkaderd. Raak de centrale SET-toets van de
rechter touch-toets aan. De actuele instelling wordt invers weergegeven. Kies nu met de pijltoetsen van de
rechter touch-toets tussen de beide mogelijkheden.
Motor-stop
Aanwijzing:
Deze menuregel is bij keuze van “geen” of “geen/inv” in de regel “motor aan K1” onzichtbaar.
Afhankelijk van de in de regel “motor aan K1” gemaakte keuze “stationair voor/achter” kunt u in deze menuregel
een per schakelaar oproepbare “motor UIT”-positie instellen. Standaard is dit -100% voor de positie van de
gasservo en +150% positie stuurelement.
mod.naam < GRAUBELE >
stuurtoew 1
motor aan K1 stat. achter
m-stop -100% +150%-------
staart normaal
STO
Om de standaardwaarde van de “motor UIT”-positie van de gasservo te veranderen raakt u de centrale SET-toets
van de rechter touch-toets aan. De actuele instelling is invers te zien. Stel nu met de pijltoetsen van de rechter
touch-toets een waarde in, waarbij de motor echt “uit” is, zonder dat de gasservo daarbij vastloopt, bv. -125%:
mod.naam < GRAUBELE >
stuurtoew 1
motor aan K1 stat. achter
m-stop -125% +150% ------
staart normaal
STO
De –hoge- standaardwaarde in de middelste kolom garandeert, dat de motor over het maximaal mogelijke uitslag
van de gasstuurknuppel met de schakelaar, die in de rechter kolom nog moet worden toegewezen, kan worden
gestopt.
Wilt u liever zelf een grens stellen, vanaf waar de motor-UIT-positie geschakeld kan worden, dan brengt u de
gasknuppel in de door u gewenste positie en raakt u de centrale SET-toets van de rechter touch-toets aan:
mod.naam < GRAUBELE >
stuurtoew 1
motor aan K1 stat. achter
m-stop -125% +100%------
staart normaal
STO
Aanwijzing:
Een schakelpunt van meer dan +100% bereikt u door tijdelijk de uitslag van servo 1 in het menu “servo-
instelling” naar meer dan 100% te vergroten, en na het opslaan van het schakelpunt deze weer terug te zetten
naar de oorspronkelijke waarde.
In de kolom rechts wijst u tenslotte een schakelaar aan, waarmee u de motor in geval vaan nood kunt uitzetten.
Bij voorkeur neemt u één van de beide zelfcentrerende schakelaars SW 1 of 9:
mod.naam < GRAUBELE >
stuurtoew 1
motor aan K1 stat. achter
m-stop -125% +100% 9
staart normaal
STO
staarttype:
mod.naam < GRAUBELE >
stuurtoew 1
motor aan K1 stat. achter
m-stop -125% +100% 9
staart normaal
Na keuze van de regel “staarttype” met de pijltoetsen ▲▼ van de linker of rechter touch-toets wordt het
bijbehorende invoerveld omkaderd. Raak de centrale SET-toets van de rechter touch-toets aan. De actuele
instelling wordt invers weergegeven. Kies nu met de pijltoetsen van de rechter touch-toets het staarttype van uw
model uit:
“normaal”: Het hoogte- en richtingsroer worden elk met maar één servo aangestuurd.
“V-staart”: De hoogte- en richtingsroeraansturing vindt plaats via twee apart aangestuurde, V-
vormige roeren. De koppelfunctie voor de richtings- en hoogteroersturing wordt
automatisch door het programma overgenomen. De stuuruitslag van het hoogte- en
richtingsroer moet eventueel via “Dual Rate”, bladzijde 91 ingesteld worden.
“Delta/staartloos”: De rol- en hoogteroersturing vindt plaats via één of twee servo’s per vleugelhelft. De
hoogteroertrimming heeft bij selectie van “2RR 2WK” (= 2 rolroeren, 2 welfkleppen) -
zie hieronder- echter alleen effect op de servo’s 2+3.
“2 HR Sv ”: Deze optie is voor modellen met twee hoogteroerservo’s bedoeld. Bij het bedienen van
het hoogteroer loopt de aan uitgang 8 aangesloten servo mee met servo 3. De
hoogteroertrimming heeft effect op beide servo’s.
Aanwijzing bij “2HR Sv”
Een stuurelement, dat aan de uitgang 8 in het menu “instellingen stuurelement” is
toegewezen, is uit veiligheidsoverwegingen softwarematig van servo “8” losgekoppeld,
d.w.z. zonder effect.
rolroeren/welfkleppen
stuurtoew 1
motor aan K1 stat achter
m-stop -125% +100% 9
staart normaal
rolr/welfkl 1 RO
Na selectie van de regel “rolr./welfkl.” Met de pijltoetsen ▲▼ van de linker of rechter touch-toets is het
bijbehorende invoerveld omkaderd. Raak de centrale SET-toets van de rechter touch-toets aan. De actuele
instelling wordt invers afgebeeld. Kies nu met de pijltoetsen van de rechter touch-toets tussen de 3
mogelijkheden, en wel:
“1RO” (=1 rolroer) Rolroeraansturing via 1 gemeenschappelijke servo,
“2RO” Rolroeraansturing via telkens 1 servo per vleugelhelft,
“2RO 2WK” Rolroeraansturing als hierboven, maar ook nog extra 1 of 2 welfkleppenservo’s.
Afhankelijk van deze instelling worden in het menu “vleugelmixers” (vanaf bladzijde 97) de telkens benodigde
mixers en bijbehorende instelmogelijkheden geactiveerd. Softwarematig zijn er maximaal 12 kant-en-klare mixers
voor maximaal 2 rolroer- en welfkleppenservo’s beschikbaar.
Aanwijzing:
Is uw model slechts van één welfkleppenservo voorzien dan moet u toch “2rolr 2welfkl” kiezen en later, in het
menu “vleugelmixers”, de op bladzijde 100 beschreven mixer “rolr welfkl” op 0% laten staan. Alle andere
vleugelmixers kunt u wél gewoon toepassen. De in dit geval “vrij” blijvende tweede aansluiting voor de
welfkleppen mag echter NERGENS ANDERS voor gebruikt worden!
klokken
In de basisaanduiding rechts op het display zijn twee klokken zichtbaar: een stopwatch en een vliegtijd-klok:
GRAUBELE stop 0:00
#01 vliegt 0:00
6.1V 99% HoTT
Aan deze beide klokken kan in de rechter kolom van de regel “klokken”, bij het schakelaarsymbool ….
motor aan K1 stat achter
m-stop -125% +100% 9
staart normaal
rolr/welfkl 2 RO
klokken 0:00 -------
… een schakelaar of een stuurelement-schakelaar worden toegewezen, waarmee u de klokken samen kunt
starten en de stopwatch ook weer stil kunt zetten. De toewijzing van een schakelaar resp. van een stuurelement-
schakelaar vindt plaats zoals beschreven op bladzijde 48.
De vliegtijd-klok , en eventueel de opslag van telemetrie-gegevens op een geheugenkaart in de kaartslot (zie
bladzijde 22), start altijd samen met de stopwatch, maar loopt echter verder, ook als de stopwatch stilgezet
(uitgeschakeld) werd en kan alleen bij stilgezette stopwatch door aanraken van de centrale ESC-toets van de
linker touch-toets worden gestopt.
Stilgezette klokken kunnen door gelijktijdig aanraken van de toetsen ▲▼ of ◄► van de rechter touch-toets
(CLEAR) weer teruggezet worden naar de beginwaarde.
Omschakeling tussen “vooruit” en “achteruit”
vooruit lopende stopwatch
Worden de klokken na het toewijzen van een schakelaar gestart met de beginwaarde “0:00”, dan lopen ze vooruit
tot maximaal 180 min en 59 s, om dan weer bij 0:00 te beginnen.
teruglopende stopwatch (Timerfunctie)
Via het -linker- minutenveld kiest u de starttijd tussen 0 en 180 min en via het rechter secondenveld een starttijd
tussen 0 en 59 s (of een willekeurige combinatie daarvan). Een gelijktijdig aanraken van de toetsen ▲▼ of ◄►
van de rechter touch-toets (CLEAR) zet eventuele instellingen terug naar “0” resp. “0:00” terug.
motor aan K1 stat achter
m-stop -125% +100% 9
staart normaal
rolr/welfkl 2 RO
klokken 10:01 2
programmeren
1. Gewenst invoerveld met de pijltoetsen ◄► van de linker of rechter touch-toets uitkiezen.
2. SET in het midden van de rechter touch-toets aanraken.
3. In het inverse minuten- resp. secondenveld door middel van de pijltoetsen van de rechter touch-toets de
gewenste tijd instellen.
4. Invoer beëindigen door aanraken van de centrale SET-toets.
5. Na de wissel terug in het basisdisplay via een aantal keren aanraken van de centrale ESC-toets van de
linker touch-toets , raakt u bij een stilstaande stopwatch tegelijkertijd de toetsen ▲▼ of ◄► van de
rechter touch-toets aan (CLEAR), zodat de stopwatch omschakelt naar de “timer”-functie, zie rechts
boven in de onderstaande afbeelding:
GRAUBELE stop 10:01
#01 vliegt 0:00
6.1V 99% HoTT
De stopwatch start nu bij de ingestelde beginwaarde na het bedienen van de toegewezen schakelaar teruglopend
(“Timerfunctie”). Na het aflopen van de tijd blijft de Timer niet stilstaan, maar loopt verder, om zo de na nul
verstreken tijd ook te kunnen aflezen. Om dit duidelijk te kunnen zien wordt deze tijd invers getoond.
Volgorde van de geluidssignalen:
30 s voor nul: 3-voudige toon, elke 2 seconden enkele toon
20 s voor nul: 2-voudige toon, elke 2 seconden enkele toon
10 s voor nul: Enkele toon, elke seconde enkele toon
5 s voor nul: Iedere seconde met verhoogde frequentie
nul: Verlengd geluidssignaal en omspringen van de aanduiding naar inverse weergave
Het terugzetten van de “alarmtimer” vindt plaats door het gelijktijdige aanraken van de toetsen ▲▼ of ◄► van
de rechter touch-toets (CLEAR) bij een gestopte klok.
Aanwijzing:
Een teruglopende klok wordt in de basisaanduiding door een knipperende dubbele punt tussen het minuten- en
secondenveld aangeduid.
Fase 2, fase 3 resp. fase 4
Zolang u aan geen van de fasen 2, 3 of 4 een schakelaar heeft toegewezen bevindt u zich automatisch in
vliegfase 1 “normaal”. Zowel het nummer als de naam van deze vliegfase zijn standaard als “normaal” ingesteld
en kunnen niet worden veranderd, zodat de fase “normaal” niet als fase 1 zichtbaar is, maar verborgen blijft:
rolr./welfkl 2RO
klokken 10: 01 2
fase 2 start -----
fase 3 speed -----
fase 4 landing -----
Verder wijzen we er nog op dat aan de ene vliegfase prioriteit boven de andere heeft, wat vooral belangrijk is bij
het toewijzen van de schakelaars. Het schema hierachter is als volgt:
Zijn alle eventueel toegewezen vliegfase-schakelaars gesloten of open, dan is de fase “normaal” actief.
Is er maar één schakelaar gesloten, dan is die vliegfase actief, die aan de actueel gesloten schakelaar
werd toegewezen.
Zijn er twee schakelaars gesloten, dan is de vliegfase met het laagste fasenummer actief. Dus
bijvoorbeeld fase 2, wanneer ook één van de aan de fasen 3 of 4 toegewezen schakelaars gesloten is
resp. fase 3, wanneer de aan de fasen 3 en 4 toegewezen schakelaars gesloten zijn.
Eventueel moet daarom de toewijzing van de vliegfasen aan de vliegfasennamen aan de eigen eisen
worden aangepast, zie hieronder.
Aan de servokant vindt de omschakeling niet “hard” plaats, maar met een standaard omschakeltijd van
ca. 1 seconde.
Programmering
Na keuze van “fase 2”, “fase 3” of “fase 4” met de pijltoetsen ▲▼ van de linker of rechter touch-toets wordt het
veld “naam” van de desbetreffende vliegfase omkaderd.
Wanneer u de naam van de fase niet passend vindt, raakt u de centrale SET-toets van de rechter touch-toets
aan. De actuele instelling wordt invers weergegeven. Kies nu met de pijltoetsen van de rechter touch-toets uit de
lijst met beschikbare namen een passende naam. Door aanraken van de SET-toets beëindigt u de invoer weer.
Wissel nu met de toets van de linker of rechter touch-toets naar de kolom rechtsonder met het
schakelaarsymbool en raak kort de centrale SET-toets aan. Wijs nu, zoals beschreven op bladzijde 48
beschreven, aan de desbetreffende fase een schakelaar toe. Het beste is hier om, uitgaande van de
middenpositie, één van de driestanden-schakelaars SW 4/5 of SW 6/7 te nemen.
Meer over de betekenis van vliegfasen en de programmering ervan vindt u op bladzijde 95 en verder, onderdeel
“fasentrim”.
Ontvangeruitgang
Om een maximale flexibiliteit m.b.t. de ontvangerbezetting te hebben, biedt het programma van de MX-16 HoTT
op de tweede pagina van het ondermenu “ontvangeruitgang” de mogelijkheid om de servo-uitgangen 1 tot
maximaal 8 naar eigen inzicht te verwisselen.
klokken 10: 01 2
fase 2 start 7
fase 3 speed -----
fase 4 landing 6
ontv.uitg. =>
Door een aanraken van de centrale SET-toets van de rechter touch-toets wisselt u naar de volgende
displaypagina. Hier kunt u nu de 8 “stuurkanalen” van de zender naar eigen inzicht aan de ontvangeruitgangen
resp. servo-stekkerplaatsen 1 … 8 toewijzen. Let er wel op, dat de weergave in “servo-aanduiding”die u
vanuit bijna elke menupositie kunt bereiken door de toetsen en van de linker touch-toets tegelijkertijd in te
drukken – uitsluitend betrekking heeft op de “stuurkanalen” en dus een verwisselen van de uitgangen hier NIET te
zien is.
S 1 -> uitgang 1
S 2 -> uitgang 2
S 3 -> uitgang 3
S 4 -> uitgang 4
S 5 -> uitgang 5
Kies met de pijltoetsen ▲▼ van de linker of rechter touch-toets de te wijzigen servo/uitgangscombinatie en raak
de centrale SET-toets van de rechter touch-toets aan. Nu kunt u met de rechter pijltoetsen aan de geselecteerde
uitgang de gewenste servo (S) toewijzen en met SET bevestigen, of door gelijktijdig aanraken van de pijltoetsen
▲▼ of ◄► van de rechter touch-toets (CLEAR) de standaardtoewijzing weer terugzetten.
Eventuele latere veranderingen, zoals servo-uitslagen, Dual Rate/Expo, mixers enz. moeten altijd volgens de
standaard ontvangerbezetting worden ingesteld.
Aanwijzing:
Met de Channel-mapping functie van het in de MX-16 HoTT geïntegreerde telemetrie-menu kunnen de 8
stuurfuncties van de zender ook naar eigen inzicht over meerdere ontvangers worden verdeeld of ook meerdere
ontvangeruitgangen aan één en dezelfde stuurfunctie worden toegewezen. Bijvoorbeeld om per rolroer twee
servo’s te gebruiken in plaats van één enz. Voor de overzichtelijkheid adviseren we echter dringend om maar één
van de beide opties te gebruiken.
Gebonden ontvanger
Graupner HoTT-ontvangers moeten “aangeleerd” worden, om uitsluitend met één bepaald model (-geheugen)
van een Graupner-HoTT-zender te communiceren. Deze procedure wordt “binding” genoemd en is slechts
éénmaal voor elke nieuwe ontvanger/model-combinatie nodig.
Belangrijke aanwijzing:
Let er bij het binden op, dat de zenderantenne altijd ver genoeg van de ontvangerantenne verwijderd is!
Een meter afstand is een goede richtlijn. Anders riskeert u een gestoorde verbinding op het
terugkoppelingskanaal en daardoor een foutief functioneren.
“binding” van meerdere ontvangers per model
Indien gewenst kunnen meerdere ontvangers per model worden gebonden. Bind daarvoor deze ontvangers eerst
elk apart, zoals hieronder beschreven wordt.
Bij later gebruik bouwt echter alleen de ontvanger, die als laatste gebonden werd, een telemetrie-
verbinding met de zender op. Aan deze ontvanger moeten de eventuele sensoren dus ook worden
aangesloten, omdat alleen de als laatste gebonden ontvanger in staat is, de data via het terugkoppelingskanaal
door te geven. De tweede en verdere ontvangers werken parallel aan de als laatste gebonden ontvanger, maar
helemaal onafhankelijk van deze, in de Slave-modus met uitgeschakeld terugkoppelingskanaal!
“binden” van zender en ontvanger
Wissel eventueel met de pijltoetsen ▲▼ van de linker of rechter touch-toets naar de regel “geb. ontv.”:
fase 2 start 7
fase 3 speed -----
fase 4 landing 6
ontv.uitg. =>
geb. ontv. -----
Schakel nu de stroomvoorziening van uw ontvanger in: op de ontvanger knippert de rode LED. Druk de SET-knop
op de ontvanger in en hou deze ingedrukt, totdat de nog steeds rood knipperende LED na ca. 3 seconden
ongeveer 3 seconden lang rood/groen gaat knipperen. U kunt nu de SET-knop van de ontvanger loslaten. Zolang
de LED rood/groen knippert, bevindt de ontvanger zich in de bind-modus.
Start nu binnen deze ca. 3 s het zogenaamde binden van een ontvanger aan het actuele modelgeheugen door
een kort aanraken van de centrale SET-toets van de rechter touch-toets. Tegelijkertijd begint op het display het
woord “BINDEN” in plaats van de drie “---“ in de omkadering van de regel “geb. ontv.” te knipperen:
fase 2 start 7
fase 3 speed -----
fase 4 landing 6
ontv.uitg. =>
geb. ontv. BINDEN
Wanneer binnen ongeveer 10 seconden de intussen weer rood knipperende LED van de ontvanger uit en brandt
deze nu permanent groen, dan is de bind-procedure succesvol afgesloten . Uw model-/ontvangercombinatie is nu
klaar voor de start. Tevens verschijnt op het display het nummer van de nu aan dit modelgeheugen “gebonden”
ontvanger, bijvoorbeeld:
fase 2 start 7
fase 3 speed -----
fase 4 landing 6
ontv.uitg. =>
geb. ontv. E08
Knippert daarentegen de rode LED langer dan ca. 10 seconden, dan is de bindingprocedure mislukt. Ook zijn op
het display weer de drie “---“ te zien. Verander eventueel de positie van de antennes en herhaal de procedure.
Test reikwijdte
De geïntegreerde reikwijdtetest verkleint het zendvermogen dusdanig, dat u een functietest al kunt uitvoeren over
een afstand van maximaal 50 m. Doe de reikwijdtetest van het Graupner-HoTT-systeem volgens de
onderstaande aanwijzingen. Vraag eventueel aan een helper om u bij de reikwijdtetest te assisteren.
1. Bouw indien mogelijk de al aan de zender gebonden ontvanger in het model in.
2. Schakel de besturing in en wacht tot de groene LED op de ontvanger brandt. Nu kunt u de bewegingen
van de servo’s controleren.
3. Plaats het model dusdanig op een vlakke ondergrond (asfalt, kort gras of aarde) dat de
ontvangerantennes minimaal 15 cm boven de aarde liggen. Het is daarom eventueel nodig om het
model tijdens de test te ondersteunen.
4. Hou de zender op heuphoogte en met enige afstand van het lichaam. Richt met de antenne niet direct
op het model, maar draai en/of knik de punt van de antenne zó, dat deze tijdens het sturen verticaal
staat.
5. Wissel eventueel met de pijltoetsen ▲▼ van de linker of rechter touch-toets naar de regel “test reikw.”
en start de reikwijdte-testmodus door een aantippen van de centrale SET-toets van de rechter touch-
toets:
fase 3 speed -----
fase 4 landing 6
ontv.uitg. =>
geb. ontv. E08
test reikw 99s
Door het starten van de reikwijdtetest wordt het uitgangsvermogen van de zender sterk gereduceerd en
begint de blauwe LED bij de antennevoet te knipperen. tegelijkertijd begint de tijdsaanduiding op het
zenderdisplay terug te tellen, en klinkt er om de 5 seconden een tweetonig waarschuwingssignaal.
Vanaf 5 seconden voor het einde van de reikwijdtetest klinkt er elke seconde een 3-voudig signaal. Na
afloop van de 99 seconden durende reikwijdtetest schakelt de zender weer naar vol vermogen en brandt
de blauwe LED constant.
6. Loop ondertussen van het model weg en beweeg tegelijkertijd de stuurknuppels. Wanneer u binnen een
afstand van ca. 50 m op een moment een onderbreking van de verbinding constateert moet u proberen
om deze te reproduceren.
7. Schakel de eventueel aanwezige motor in, om te testen of deze niet stoort.
8. Loop nog verder van het model weg, totdat u geen perfecte controle over het model meer heeft.
9. Wacht op deze plek op de afloop van de reikwijdtetest met het ingeschakelde model. Deze moet weer op
de stuurcommando’s reageren zodra de reikwijdtetest is afgelopen. Wanneer dit niet voor 100% het
geval is moet u het systeem niet gebruiken en contact opnemen met de servicedienst van Graupner
GmbH & Co. KG.
10. Voer de reikwijdtetest vóór elke vlucht uit en simuleer daarbij de servobewegingen die tijdens het vliegen
kunnen voorkomen. De reikwijdte moet daarbij altijd minimaal 50 m op de grond bedragen, om een veilig
vliegen te garanderen.
Let op:
Tijdens het normale gebruik in geen geval de reikwijdtetest op de zender starten!
HF-module
In deze regel van het menu kunt u voor de periode dat de zender ingeschakeld is de HF-afstraling per model met
de hand uit- en eventueel weer aanzetten. Bijvoorbeeld om tijdens de demonstratie van een modelprogrammering
stroom te sparen. Bij het volgende inschakelen van de zender wordt een eventuele instelling “OFF” echter
weer opgeheven!
Wissel met de pijltoetsen ▲▼ van de linker of rechter touch-toets naar de regel “HF-module” en activeer deze
door een aanraken van de centrale SET-toets van de rechter touch-toets:
fase 4 landing 6
ontv.uitg. =>
geb. ontv. E08
test reikw 99s
HF-module AAN
Nu kunt u met de rechter pijltoetsen kiezen tussen ON en OFF. Door de centrale SET-toets van de rechter touch-
toets opnieuw aan te raken sluit u de invoer weer af.
Basisinstelling
Modelspecifieke basisinstellingen voor helikoptermodellen
Voordat met de programmering van vliegspecifieke parameters wordt begonnen, moeten er enkele
basisinstellingen worden doorgevoerd, die alleen gelden voor het juist actieve modelgeheugen. Kiest u het menu
“basisinst” (“basisinstelling”) met de pijltoetsen van de linker of rechter touch-toets en raak daarna de centrale
SET-toets van de rechter touch-toets:
mod.geheugen basisinst
servoinst inst.stuurel.
D/R Expo helimix
vrije mix ts- mixer
servoaand alg.inst.
Fail-Safe telemetrie
Modelnaam
mod.naam < >
stuurtoew 1
tuimelsch 1 servo
m-stop -100% +150% ------
rotor-draair. rechts
Wisselt u door een aanraken van de SET-toets van de rechter touch-toets naar de volgende beeldschermpagina
om uit een lijst van tekens een modelnaam te kunnen samenstellen. Maximaal 9 tekens kunnen voor een
modelnaam worden toegekend:
0123456789:;< = > ?
ABCDEFGHIJKLMNO
PQRSTUVWXYZ
modelnaam < STAR >
Kies met de pijltoetsen van de linker touch-toets het gewenste teken uit. Een aanraken van de pijltoets van de
rechter touch-toets of van de centrale SET-toets wisselt naar de volgende positie, voor welke u het volgende
teken kunt kiezen. Een gelijktijdig aantippen van de toetsen ▲▼ of ◄► van de rechter touch-toets (CLEAR)
voegt op die plaats een lege plek toe.
Elke willekeurige tekencombinatie binnen het invoerveld bereikt u met de toetsen ◄► van de rechter touch-toets.
Door een aanraken van de centrale ESC-toets van de linker touch-toets komt u terug naar de vorige menu-
pagina.
De zo ingevoerde modelnaam verschijnt in de basisaanduiding en in de ondermenu’s van het menupunt
“modelgeheugen”.
stuurtoewijzing
mode 1 (gas rechts) mode 2 (gas links)
nick motor/pitch motor/pitch nick
hek roll hek roll
mode 3 (gas rechts) mode 4 (gas links)
nick motor/pitch motor/pitch nick
roll hek roll hek
In principe zijn er 4 verschillende mogelijkheden, om de 4 stuurfuncties roll, nick, hekrotor en gas resp. pitch bij
een helikoptermodel aan de beide stuurknuppels toe te wijzen. Welke van deze mogelijkheden gebruikt wordt,
hangt van de individuele gewoonten van de modelpiloot af. Kies met de pijltoetsen ▲▼ van de linker of rechter
touch-toets de regel “stuurtoew” (stuurtoewijzing) uit. Het keuzeveld is omkaderd:
mod.naam < STARLET >
stuurtoew 1
tuimelsch 1 servo
m-stop -100% +150% -----
rotor- draair . rechts
Tip de SET-toets aan. De actuele stuurtoewijzing wordt nu invers weergegeven. Kiest u nu met de pijltoetsen van
de rechter touch-toets tussen de mogelijkheden 1 tot 4. Na het gelijktijdig aantippen van de toetsen ▲▼ of ◄►
van de rechter touch-toets (CLEAR) keert de weergave terug naar de mode “1”. Door een opnieuw aanraken van
SET deactiveert u het keuzeveld weer, zodat u naar een andere regel kunt komen.
Tuimelschijftype
mod.naam < STARLET >
stuurtoew 1
tuimelsch 1 servo
m-stop -100% +150% -----
rotor- draair . rechts
Afhankelijk van het aantal servo’s voor de pitch-aansturing is er voor de bediening van de tuimelschijf een
bijbehorende programmavariant nodig.
Na de keuze van de regel “tuimelsch” (tuimelschijf) met de pijltoetsen ▲▼ van de linker of rechter touch-toets is
het invoerveld omkaderd. Raak de SET-toets aan. Het actuele aantal pitch-servo’s is nu invers te zien. Leg nu
met de pijltoetsen van de rechter touch-toets de benodigde variant vast:
“1 servo”: De tuimelschijf wordt via een roll-/nickservo bewogen. De pitchsturing vindt plaats via
één aparte servo. (het menupunt “TS-mixer” wordt in de multifunctie-lijst onzichtbaar
gemaakt, wanneer als tuimelschijftype “1 servo” is ingesteld. Dit omdat bij
helikoptermodellen, die maar 1 pitchservo hebben, de in totaal drie tuimelschijfservo’s
voor pitch, nick en roll ZONDER mixers vanuit de zender worden aangestuurd.)
“2 servo”: De tuimelschijf wordt voor de pitchsturing axiaal verschoven door twee rollservo’s; de
nicksturing wordt door een mechanische compensatiewip ontkoppeld.
“3Sv (2 roll)”: Symmetrische driepuntsaansturing van de tuimelschijf via 3 over telkens 120
verdeelde aanstuurpunten, waaraan één nickservo (vooraan of achteraan) en twee
rollservo’s (zijdelings links en rechts) verbonden zijn. Voor de pitchsturing verschuiven
alle drie de servo’s de tuimelschijf axiaal.
“3Sv (140) Asymmetrische driepuntsaansturing van de tuimelschijf via 3 aanstuurpunten, waaraan
één nickservo (vooraan of achteraan) en twee rollservo’s (zijdelings links en rechts)
verbonden zijn. Voor de pitchsturing verschuiven alle drie de servo’s de tuimelschijf
axiaal.
“3Sv (2 nick)”: Symmetrische driepuntsaansturing zoals hierboven, alleen om 90 verdraaid, d.w.z.
één rollservo aan de zijkant en twee nickservo’s vooraan en achteraan.
“4Sv (90)” : Vierpuntsaansturing van de tuimelschijf via twee roll- en twee nickservo’s.
Gelijktijdig aantippen van de toetsen ▲▼ of ◄► van de rechter touch-toets (CLEAR) schakelt naar “1 servo”.
tuimelschijftype: 1 servo
tuimelschijftype: 2 servo’s
tuimelschijftype: 3 servo’s (2 roll)
tuimelschijftype: 3 servo’s (140)
tuimelschijftype: 3 servo’s (2 nick)
tuimelschijftype: 4 servo’s (90) 2 nick / 2 roll
Aanwijzing:
De tuimelschijf-mixpercentages worden -met uitzondering van de variant “1 servo”- in het menu “TS-mixers”,
bladzijde 121, ingesteld.
Motor-stop
In het kader van de autorotatie-instellingen van het helikopterprogramma van de zender MX-16 HoTT bestaat de
mogelijkheid om voor noodgevallen een “motor UIT”-positie voor de gasservo of regelaar in te stellen. Wanneer u
in de regel “gas” in plaats van een (nood-) UIT-positie een staionairloop-positie instelt, om bijvoorbeeld bij
autorotatie-oefeningen niet elke keer de motor opnieuw te hoeven starten, dan vervalt deze mogelijkheid. In dit
geval is het raadzaam om de hier onder beschreven optie “motor-stop” als nood-UIT-oplossing te gebruiken.
Afhankelijk van de in de regel “pitch min” gemaakte keuze “voor/achter” kunt u in deze menuregel een per
schakelaar oproepbare “motor UIT”-positie instellen. Standaard is dit -100% voor de motor-UIT-positie van de
gasservo en +150% voor de gascurve:
mod.naam < STARLET >
stuurtoew 1
tuimelsch 3sv (2roll)
m-stop -100% +150% -----
rotor- draair . rechts
STO
Om de standaardwaarde van de “motor UIT”-positie van de gasservo te veranderen raakt u de centrale SET-toets
van de rechter touch-toets aan. De actuele instelling is invers te zien. Stel nu met de pijltoetsen van de rechter
touch-toets een waarde in, waarbij de motor echt “uit” is, zonder dat de gasservo daarbij vastloopt, bv. -125%:
mod.naam < STARLET >
stuurtoew 1
tuimelsch 3sv (2roll)
m-stop -125% +150% -----
rotor- draair . rechts
STO
De –hoge- standaardwaarde in de middelste kolom garandeert, dat de motor over het maximaal mogelijke uitslag
van de gascurve met de schakelaar, die in de rechter kolom nog moet worden toegewezen, kan worden gestopt.
Wilt u liever zelf een grens stellen, vanaf waar de motor-UIT-positie geschakeld kan worden, dan brengt u de gas-
/pitchknuppel in de door u gewenste positie en raakt u de centrale SET-toets van de rechter touch-toets aan:
mod.naam < STARLET >
stuurtoew 1
tuimelsch 3sv (2roll)
m-stop -125% +100% -----
rotor- draair . rechts
STO
Aanwijzing:
Een schakelpunt van meer dan +100% bereikt u door tijdelijk de uitslag van servo 1 in het menu “servo-
instelling” naar meer dan 100% te vergroten, en na het opslaan van het schakelpunt deze weer terug te zetten
naar de oorspronkelijke waarde.
In de kolom rechts wijst u tenslotte een schakelaar aan, waarmee u de motor in geval vaan nood kunt uitzetten.
Bij voorkeur neemt u één van de beide zelfcentrerende schakelaars SW 1 of 9:
mod.naam < STARLET >
stuurtoew 1
tuimelsch 3sv (2roll)
m-stop -125% +100% 1
rotor- draair . rechts
STO
draairichting van de rotor
mod.naam < STARLET >
stuurtoew 1
tuimelsch 3sv (2roll)
m-stop -125% +150% 1
rotor- draair . rechts
In de regel “rotor-draair.” wordt de draairichting van de hoofdrotor ingesteld door een aantippen van de centrale
SET-toets met de pijltoetsen van de van de rechter touch-toets:
“rechts”: van boven gezien draait de hoofdrotor met de klok mee.
“links”: van boven gezien draait de hoofdrotor tegen de klok in.
Gelijktijdig aantippen van de toetsen ▲▼ of ◄► (CLEAR) zet deze optie op “rechts”.
rechtsdraaiend linksdraaiend
Deze invoer is nodig, om de mixers voor de koppel- en vermogenscompensatie in de goede richting te kunnen
laten werken, en wel in het menu “helimix”:
pitch
K1 gas
K1 hekrotor
pitch min
stuurtoew 1
tuimelsch 3sv (2roll)
m-stop -125% +150% 1
rotor- draair . rechts
pitch min achter
In de regel “pitch min” wordt de stuurrichting van de gas-/pitchstuurknuppel aangepast aan uw stuurgewoonten.
Van deze instelling hangen de functies van alle andere opties van het helikopterprogramma af , dus bv. de
gascurve, stationaire trimming, hekrotormixer enz.
Tip de centrale SET-toets van de rechter touch-toets aan. De stuurrichting van de gas-/pitchstuurknuppel wordt
invers weergegeven. Nu met de pijltoetsen van de rechter touch-toets de benodigde variant vastleggen:
Betekenis:
“(naar ) voren”: minimale pitchinstelling, wanneer de pitchknuppel (K1) naar “voren”, dus van de piloot
weg, wijst.
“(naar ) achteren”: minimale pitchinstelling, wanneer de pitchknuppel (K1) naar “achteren”, dus naar de
piloot toe, wijst.
Gelijktijdig aantippen van de toetsen ▲▼ of ◄►(CLEAR) schakelt om naar “naar achteren”.
Aanwijzingen:
De K1-trimming heeft alleen effect op de gasservo.
Standaard is de zogenaamde “gaslimiter” toegepast (zie bladzijde 88 en verder), waarmee via de ingang
“Lim” in het menu “instelling stuurelement” de gasservo los van de pitchservo’s in de richting volgas
begrensd kan worden.
klokken
In de basisaanduiding rechts op het display zijn twee klokken zichtbaar: een stopwatch en een vliegtijd-klok:
STARLET stop 0:00
#02 vliegt 0:00
6.1V 99% HoTT
Aan deze beide klokken kan in de rechter kolom van de regel “klokken”, bij het schakelaarsymbool ….
tuimelsch 3sv (2roll)
m-stop -125% +150% 1
rotor- draair . rechts
pitch min achter
klokken 0:00 -----
… een schakelaar of een stuurelement-schakelaar worden toegewezen – bv. de stuurelement-schakelaar “G3”
op de gaslimiter - waarmee u de klokken samen kunt starten en de stopwatch ook weer stil kunt zetten. De
toewijzing van een schakelaar resp. van een stuurelement-schakelaar vindt plaats zoals beschreven op bladzijde
48.
De vliegtijd-klok , en eventueel de opslag van telemetrie-gegevens op een geheugenkaart in de kaartslot (zie
bladzijde 22), start altijd samen met de stopwatch, maar loopt echter verder, ook als de stopwatch stilgezet
(uitgeschakeld) werd en kan alleen bij stilgezette stopwatch door aanraken van de centrale ESC-toets van de
linker touch-toets worden gestopt.
Stilgezette klokken kunnen door gelijktijdig aanraken van de toetsen ▲▼ of ◄► van de rechter touch-toets
(CLEAR) weer teruggezet worden naar de beginwaarde.
Omschakeling tussen “vooruit” en “achteruit”
vooruit lopende stopwatch
Worden de klokken na het toewijzen van een schakelaar gestart met de beginwaarde “0:00”, dan lopen ze vooruit
tot maximaal 180 min en 59 s, om dan weer bij 0:00 te beginnen.
teruglopende stopwatch (Timerfunctie)
Via het -linker- minutenveld kiest u de starttijd tussen 0 en 180 min en via het rechter secondenveld een starttijd
tussen 0 en 59 s (of een willekeurige combinatie daarvan). Een gelijktijdig aanraken van de toetsen ▲▼ of ◄►
van de rechter touch-toets (CLEAR) zet eventuele instellingen terug naar “0” resp. “0:00” terug.
tuimelsch 3sv (2roll)
m-stop -125% +150% 1
rotor- draair . rechts
pitch min achter
klokken 10:01 G3
Programmeren
1. Gewenst invoerveld met de pijltoetsen ◄► van de linker of rechter touch-toets uitkiezen.
2. SET in het midden van de rechter touch-toets aanraken.
3. In het inverse minuten- resp. secondenveld door middel van de pijltoetsen van de rechter touch-toets de
gewenste tijd instellen.
4. Invoer beëindigen door aanraken van de centrale SET-toets.
5. Na de wissel terug in het basisdisplay via een aantal keren aanraken van de centrale ESC-toets van de
linker touch-toets , raakt u bij een stilstaande stopwatch tegelijkertijd de toetsen ▲▼ of ◄► van de
rechter touch-toets aan (CLEAR), zodat de stopwatch omschakelt naar de “timer”-functie, zie
rechtsboven in de onderstaande afbeelding:
STARLET stop 10:01
#02 vliegt 0:00
6.1V 99% HoTT
De stopwatch start nu bij de ingestelde beginwaarde na het bedienen van de toegewezen schakelaar teruglopend
(“Timerfunctie”). Na het aflopen van de tijd blijft de Timer niet stilstaan, maar loopt verder, om zo de na nul
verstreken tijd ook te kunnen aflezen. Om dit duidelijk te kunnen zien wordt deze tijd invers getoond.
Volgorde van de geluidssignalen:
30 s voor nul: 3-voudige toon, elke 2 seconden enkele toon
20 s voor nul: 2-voudige toon, elke 2 seconden enkele toon
10 s voor nul: Enkele toon, elke seconde enkele toon
5 s voor nul: Iedere seconde met verhoogde frequentie
nul: Verlengd geluidssignaal en omspringen van de aanduiding naar inverse weergave
Het terugzetten van de “alarmtimer” vindt plaats door het gelijktijdige aanraken van de toetsen ▲▼ of ◄► van
de rechter touch-toets (CLEAR) bij een gestopte klok.
Aanwijzing:
Een teruglopende klok wordt in de basisaanduiding door een knipperende dubbele punt tussen het minuten- en
secondenveld aangeduid.
Fase 2, fase 3 resp. fase 4
Zolang u aan geen van de fasen 2, 3 of 4 een schakelaar heeft toegewezen bevindt u zich automatisch in
vliegfase 1 “normaal”. Zowel het nummer als de naam van deze vliegfase zijn standaard als “normaal” ingesteld
en kunnen niet worden veranderd, zodat de fase “normaal” niet als fase 1 zichtbaar is, maar verborgen blijft:
rotor-draair rechts
pitch min achter
klokken 10: 01 G3
fase 2 hover -----
fase 3 speed -----
Verder wijzen we er nog op dat aan de ene vliegfase prioriteit boven de andere heeft, wat vooral belangrijk is bij
het toewijzen van de schakelaars. Het schema hierachter is als volgt:
Zijn alle eventueel toegewezen vliegfase-schakelaars gesloten of open, dan is de fase “normaal” actief.
Is er maar één schakelaar gesloten, dan is die vliegfase actief, die aan de actueel gesloten schakelaar
werd toegewezen.
Zijn er twee schakelaars gesloten, dan is de vliegfase met het laagste fasenummer actief. Dus
bijvoorbeeld fase 2, wanneer ook één van de aan de fasen 3 of 4 toegewezen schakelaars gesloten is
resp. fase 3, wanneer de aan de fasen 3 en 4 toegewezen schakelaars gesloten zijn.
De “autorotatiefase” heeft, onafhankelijk van het bovenstaande, ALTIJD voorrang op de andere
vliegfasen. Naar de autorotatiefase wordt ook altijd ZONDER VERTRAGING omgeschakeld.
Eventueel moet daarom de toewijzing van de vliegfasen aan de vliegfasennamen aan de eigen eisen
worden aangepast, zie hieronder.
Aan de servokant vindt de omschakeling niet “hard” plaats, maar met een standaard omschakeltijd van
ca. 1 seconde.
Programmering
Na keuze van “fase 2”, “fase 3” of “fase 4” met de pijltoetsen ▲▼ van de linker of rechter touch-toets wordt het
veld “naam” van de desbetreffende vliegfase omkaderd.
Wanneer u de naam van de fase niet passend vindt, raakt u de centrale SET-toets van de rechter touch-toets
aan. De actuele instelling wordt invers weergegeven. Kies nu met de pijltoetsen van de rechter touch-toets uit de
lijst met beschikbare namen een passende naam. Door aanraken van de SET-toets beëindigt u de invoer weer.
Wissel nu met de toets van de linker of rechter touch-toets naar de kolom rechtsonder met het
schakelaarsymbool en raak kort de centrale SET-toets aan. Wijs nu, zoals beschreven op bladzijde 48
beschreven, aan de desbetreffende fase een schakelaar toe. Het beste is hier om, uitgaande van de
middenpositie, één van de driestanden-schakelaars SW 4/5 of SW 6/7 te nemen.
Meer over de betekenis van vliegfasen en de programmering ervan vindt u op bladzijde 103 en verder, onderdeel
“vliegfase-afhankelijke instelling van pitch, gas en hekrotor”.
Autorotatie
pitch min achter
klokken 10: 01 G3
fase 2 hover -----
fase 3 speed 4
autorotat. -----
De naam “autorotatie” is vast aan de fase 4 gekoppeld en kan NIET worden veranderd. U kunt alleen rechts
onder op het display een schakelaar toewijzen.
Meer over de programmering van vliegfasen vindt u vanaf bladzijde 103, in het onderdeel “helimix”.
Ontvangeruitgang
Om een maximale flexibiliteit m.b.t. de ontvangerbezetting te hebben, biedt het programma van de MX-16 HoTT
op de tweede pagina van het ondermenu “ontvangeruitgang” de mogelijkheid om de servo-uitgangen 1 tot
maximaal 8 naar eigen inzicht te verwisselen.
klokken 10: 01 2
fase 2 hover 5
fase 3 speed 4
autorotat 2
ontv.uitg. =>
Door een aanraken van de centrale SET-toets van de rechter touch-toets wisselt u naar de volgende
displaypagina. Hier kunt u nu de 8 “stuurkanalen” van de zender naar eigen inzicht aan de ontvangeruitgangen
resp. servo-stekkerplaatsen 1 … 8 toewijzen. Let er wel op, dat de weergave in “servo-aanduiding”die u
vanuit bijna elke menupositie kunt bereiken door de toetsen en van de linker touch-toets tegelijkertijd in te
drukken – uitsluitend betrekking heeft op de “stuurkanalen” en dus een verwisselen van de uitgangen hier NIET te
zien is.
S 1 -> uitgang 1
S 2 -> uitgang 2
S 3 -> uitgang 3
S 4 -> uitgang 4
S 5 -> uitgang 5
Kies met de pijltoetsen ▲▼ van de linker of rechter touch-toets de te wijzigen servo/uitgangscombinatie en raak
de centrale SET-toets van de rechter touch-toets aan. Nu kunt u met de rechter pijltoetsen aan de geselecteerde
uitgang de gewenste servo (S) toewijzen en met SET bevestigen, of door gelijktijdig aanraken van de pijltoetsen
▲▼ of ◄► van de rechter touch-toets (CLEAR) de standaardtoewijzing weer terugzetten.
Eventuele latere veranderingen, zoals servo-uitslagen, Dual Rate/Expo, mixers enz. moeten altijd volgens de
standaard ontvangerbezetting worden ingesteld.
Voorbeeld van het gebruik:
In het helikopterprogramma van de zender MX-16 HoTT zijn de uitgangen voor een pitchservo en de gasservo
ten opzichte van oudere Graupner/JR MC-besturingen verwisseld: de gasservo zit nu op ontvangeruitgang “6” en
de pitchservo op de uitgang “1”. Misschien wilt u echter deze configuratie overnemen:
S 6 -> uitgang 1
S 2 -> uitgang 2
S 3 -> uitgang 3
S 4 -> uitgang 4
S 5 -> uitgang 5
S 1 -> uitgang 6
Aanwijzing:
Met de Channel-mapping functie van het in de MX-16 HoTT geïntegreerde telemetrie-menu kunnen de 8
stuurfuncties van de zender ook naar eigen inzicht over meerdere ontvangers worden verdeeld of ook meerdere
ontvangeruitgangen aan één en dezelfde stuurfunctie worden toegewezen. Bijvoorbeeld om per rolroer twee
servo’s te gebruiken in plaats van één enz. Voor de overzichtelijkheid adviseren we echter dringend om maar één
van de beide opties te gebruiken.
Gebonden ontvanger
Graupner HoTT-ontvangers moeten “aangeleerd” worden, om uitsluitend met één bepaald model (-geheugen)
van een Graupner-HoTT-zender te communiceren. Deze procedure wordt “binding” genoemd en is slechts
éénmaal voor elke nieuwe ontvanger/model-combinatie nodig.
Belangrijke aanwijzing:
Let er bij het binden op, dat de zenderantenne altijd ver genoeg van de ontvangerantenne verwijderd is!
Een meter afstand is een goede richtlijn. Anders riskeert u een gestoorde verbinding op het
terugkoppelingskanaal en daardoor een foutief functioneren.
“binding” van meerdere ontvangers per model
Indien gewenst kunnen meerdere ontvangers per model worden gebonden. Bind daarvoor deze ontvangers eerst
elk apart, zoals hieronder beschreven wordt.
Bij later gebruik bouwt echter alleen de ontvanger, die als laatste gebonden werd, een telemetrie-
verbinding met de zender op. Aan deze ontvanger moeten de eventuele sensoren dus ook worden
aangesloten, omdat alleen de als laatste gebonden ontvanger in staat is, de data via het terugkoppelingskanaal
door te geven. De tweede en verdere ontvangers werken parallel aan de als laatste gebonden ontvanger, maar
helemaal onafhankelijk van deze, in de Slave-modus met uitgeschakeld terugkoppelingskanaal!
“binden” van zender en ontvanger
Wissel eventueel met de pijltoetsen ▲▼ van de linker of rechter touch-toets naar de regel “geb. ontv.”:
fase 2 hover 5
fase 3 speed 4
autorotat 2
ontv.uitg. =>
geb. ontv. -----
Schakel nu de stroomvoorziening van uw ontvanger in: op de ontvanger knippert de rode LED. Druk de SET-knop
op de ontvanger in en hou deze ingedrukt, totdat de nog steeds rood knipperende LED na ca. 3 seconden
ongeveer 3 seconden lang rood/groen gaat knipperen. U kunt nu de SET-knop van de ontvanger loslaten. Zolang
de LED rood/groen knippert, bevindt de ontvanger zich in de bind-modus.
Start nu binnen deze ca. 3 s het zogenaamde binden van een ontvanger aan het actuele modelgeheugen door
een kort aanraken van de centrale SET-toets van de rechter touch-toets. Tegelijkertijd begint op het display het
woord “BINDEN” in plaats van de drie “---“ in de omkadering van de regel “geb. ontv.” te knipperen:
fase 2 hover 5
fase 3 speed 4
autorotat 2
ontv.uitg. =>
geb. ontv. BINDEN
Wanneer binnen ongeveer 10 seconden de intussen weer rood knipperende LED van de ontvanger uit en brandt
deze nu permanent groen, dan is de bind-procedure succesvol afgesloten . Uw model-/ontvangercombinatie is nu
klaar voor de start. Tevens verschijnt op het display het nummer van de nu aan dit modelgeheugen “gebonden”
ontvanger, bijvoorbeeld:
fase 2 hover 5
fase 3 speed 4
autorotat 2
ontv.uitg. =>
geb. ontv. E08
Knippert daarentegen de rode LED langer dan ca. 10 seconden, dan is de bindingprocedure mislukt. Ook zijn op
het display weer de drie “---“ te zien. Verander eventueel de positie van de antennes en herhaal de procedure.
Test reikwijdte
De geïntegreerde reikwijdtetest verkleint het zendvermogen dusdanig, dat u een functietest al kunt uitvoeren over
een afstand van maximaal 50 m. Doe de reikwijdtetest van het Graupner-HoTT-systeem volgens de
onderstaande aanwijzingen. Vraag eventueel aan een helper om u bij de reikwijdtetest te assisteren.
1. Bouw indien mogelijk de al aan de zender gebonden ontvanger in het model in.
2. Schakel de besturing in en wacht tot de groene LED op de ontvanger brandt. Nu kunt u de bewegingen
van de servo’s controleren.
3. Plaats het model dusdanig op een vlakke ondergrond (asfalt, kort gras of aarde) dat de
ontvangerantennes minimaal 15 cm boven de aarde liggen. Het is daarom eventueel nodig om het
model tijdens de test te ondersteunen.
4. Hou de zender op heuphoogte en met enige afstand van het lichaam. Richt met de antenne niet direct
op het model, maar draai en/of knik de punt van de antenne zó, dat deze tijdens het sturen verticaal
staat.
5. Wissel eventueel met de pijltoetsen ▲▼ van de linker of rechter touch-toets naar de regel “test reikw.”
en start de reikwijdte-testmodus door een aantippen van de centrale SET-toets van de rechter touch-
toets:
fase 3 speed 4
autorotat 2
ontv.uitg. =>
geb. ontv. E08
test reikw 99s
Door het starten van de reikwijdtetest wordt het uitgangsvermogen van de zender sterk gereduceerd en
begint de blauwe LED bij de antennevoet te knipperen. tegelijkertijd begint de tijdsaanduiding op het
zenderdisplay terug te tellen, en klinkt er om de 5 seconden een waarschuwingssignaal.
Vanaf 5 seconden voor het einde van de reikwijdtetest klinkt er elke seconde een 3-voudig signaal. Na
afloop van de 99 seconden durende reikwijdtetest schakelt de zender weer naar vol vermogen en brandt
de blauwe LED constant.
6. Loop ondertussen van het model weg en beweeg tegelijkertijd de stuurknuppels. Wanneer u binnen een
afstand van ca. 50 m op een moment een onderbreking van de verbinding constateert moet u proberen
om deze te reproduceren.
7. Schakel de eventueel aanwezige motor in, om te testen of deze niet stoort.
8. Loop nog verder van het model weg, totdat u geen perfecte controle over het model meer heeft.
9. Wacht op deze plek op de afloop van de reikwijdtetest met het ingeschakelde model. Deze moet weer op
de stuurcommando’s reageren zodra de reikwijdtetest is afgelopen. Wanneer dit niet voor 100% het
geval is moet u het systeem niet gebruiken en contact opnemen met de servicedienst van Graupner
GmbH & Co. KG.
10. Voer de reikwijdtetest vóór elke vlucht uit en simuleer daarbij de servobewegingen die tijdens het vliegen
kunnen voorkomen. De reikwijdte moet daarbij altijd minimaal 50 m op de grond bedragen, om een veilig
vliegen te garanderen.
Let op:
Tijdens het normale gebruik in geen geval de reikwijdtetest op de zender starten!
HF-module
In deze regel van het menu kunt u voor de periode dat de zender ingeschakeld is de HF-afstraling per model met
de hand uit- en eventueel weer aanzetten. Bijvoorbeeld om tijdens de demonstratie van een modelprogrammering
stroom te sparen. Bij het volgende inschakelen van de zender wordt een eventuele instelling “OFF” echter
weer opgeheven!
Wissel met de pijltoetsen ▲▼ van de linker of rechter touch-toets naar de regel “HF-module” en activeer deze
door een aanraken van de centrale SET-toets van de rechter touch-toets:
autorotat 2
ontv.uitg. =>
geb. ontv. E08
test reikw 99s
HF-module AAN
Nu kunt u met de rechter pijltoetsen kiezen tussen ON en OFF. Door de centrale SET-toets van de rechter touch-
toets opnieuw aan te raken sluit u de invoer weer af.
servo-instelling
servodraairichting, -midden, -uitslag
S1 => 0% 100% 100%
S2 => 0% 100% 100%
S3 => 0% 100% 100%
S4 => 0% 100% 100%
S5 => 0% 100% 100%
omk midden - weg +
In dit menu worden parameters, die uitsluitend de individueel aangesloten servo betreffen, ingesteld en wel de
draairichting, de middenpositie en de servo-uitslag. Begin met de instelling van de servo’s altijd in de linker
kolom!
Principes van de bediening:
1. Met de pijltoetsen ▲▼ van de linker of rechter touch-toets de gewenste servo S1 … 8 uitkiezen.
2. Eventueel met de pijltoetsen ◄► van de linker of rechter touch-toets de gewenste kolom selecteren en
eventueel het bijbehorende stuurelement uit de middenpositie bewegen om een asymmetrische
instelling te kunnen doen.
3. De centrale SET-toets van de rechter touch-toets aanraken. Het bijbehorende invoerveld wordt invers
afgebeeld.
4. Met de pijltoetsen van de rechter touch-toets de gewenste waarde instellen.
5. De centrale SET-toets van de rechter touch-toets aanraken om invoer te beëindigen.
6. Gelijktijdig aanraken van de toetsen ▲▼ of ◄► van de rechter touch-toets (CLEAR) zet de eventueel
gewijzigde instellingen weer terug naar de standaardwaarde.
Belangrijk:
De cijfers van de servo-aanduidingen hebben betrekking op de, aan de overeenkomstige ontvangeruitgangen
aangesloten servo’s, zolang er geen verwisseling van de ontvangeruitgangen heeft plaatsgevonden. Daarom
beïnvloedt een verandering van de stuurknuppeltoewijzing ook de nummering van de servo’s niet.
kolom 2 “omk”
De draairichting van de servo wordt aan de eisen van het model aangepast, zodat u bij de montage van de
stuurstangen en aansturingen geen rekening hoeft te houden met de draairichting van de servo’s. De
draairichting wordt gesymboliseerd door de tekens “=>” en “<=”. De draairichting van de servo’s moet vóór het
instellen van de navolgende functies worden vastgelegd!
Gelijktijdig aanraken van de toetsen ▲▼ of ◄► van de rechter touch-toets (CLEAR) zet de draairichting terug
naar “=>”.
normaal omgekeerd normaal omgekeerd
kolom 3 “midden”
De middenverstelling van de servo-uitslag is bedoeld om servo’s aan te passen, die niet overeenkomen met de
standaard (middenpositie van de servo bij 1,5 ms) alsmede voor geringe correcties , b.v. bij het instellen van de
neutraalpositie van roeren aan het model.
Onafhankelijk van de trimhevels en eventuele instellingen van mixers kan de neutrale positie in een bereik van –
125 tot + 125% binnen de servo-uitslag van maximaal ±150% worden verschoven. De instelling heeft direct
betrekking op de bijbehorende servo, onafhankelijk van alle andere trim- en mixerinstellingen.
Let er wel op, dat er bij een extreme verstelling van de middenpositie er eenzijdig beperkte uitslagen gaan
ontstaan, omdat zowel elektronisch als mechanisch de totale uitslag beperkt is tot ± 150%.
Gelijktijdig aanraken van de toetsen ▲▼ of ◄► van de rechter touch-toets (CLEAR) zet in het inverse
invoerveld de waarde weer terug naar “0%”.
servo-uitslag
middenverstelling
kolom 4 “- weg +”
In deze kolom wordt de weg van de servo symmetrisch of asymmetrisch voor iedere kant ingesteld. Het bereik
bedraagt 0…150% van de normale servo-uitslag. De ingestelde waarde hebben betrekking op de instellingen in
de kolom “midden”.
Voor het instellen van een symmetrische uitslag, d.w.z. een uitslag onafhankelijk van de stuurrichting, moet het
bijbehorende stuurelement (stuurknuppel, proportioneel stuurelement of schakelaar) naar een positie worden
gebracht waarbij in de kolom “weg” op het display de beide kanten van de uitslag-instelling omkaderd zijn.
Aanwijzing:
Eventueel moet in het menu “instelling stuurelement”, zie volgende bladzijde, aan een servo, die aan één van
de stuurkanalen 5 … 8 is aangesloten, eerst een stuurelement toegewezen worden.
Voor de instelling van een asymmetrische uitslag moet het desbetreffende stuurelement (stuurknuppel,
proportioneel draaielement of schakelaar) eerst naar de kant worden bewogen die ingesteld moet gaan worden,
zodat de omkadering op het display alleen de te veranderen waarde aangeeft.
Door een aanraken van de centrale SET-toets van de rechter touch-toets activeert u de instelling van de
waarden. Het waarden-veld wordt invers weergegeven. Met de pijltoetsen van de rechter touch-toets verandert u
de waarden. Door een aantippen van de centrale SET-toets van de rechter touch-toets wordt de invoer
afgesloten.
Gelijktijdig aantippen van de toetsen ▲▼ of ◄► van de rechter touch-toets (CLEAR) zet de in het inverse
waarden-veld veranderde parameters terug op 100%.
Belangrijk:
In tegenstelling tot het menu “instelling stuurelement” heeft deze instelling direct betrekking op de bijbehorende
servo, onafhankelijk daarvan, hoe het stuursignaal voor deze servo tot stand is gekomen, dus óf direct van een
stuurknuppel óf via willekeurige mixerfuncties.
De afb. hiernaast toont een voorbeeld van een ingestelde
servo-uitslag, die per kant verschillend is: - 50% en + 150%.
Instelling stuurelement
Bedieningsprincipes van de stuurelement- en schakelaar-toewijzing
i5 vrij +100% +100%
i6 vrij +100% +100%
i7 vrij +100% +100%
i8 vrij +100% +100%
- weg +
Naast de 2 kruisknuppels voor de stuurfuncties 1 tot 4 is de zender MX-16 HoTT ook nog standaard voorzien van
andere bedieningselementen. Dit zijn:
twee 3-standen-schakelaar: SW 4/5 resp. CTRL 9 en SW 6/7 resp. CTRL 10. Deze worden in dit menu
toegewezen als “stuurelem. 9” resp. “stuurelem. 10”.
drie proportionele draaielementen: CTRL 6, 7 en 8. In het menu worden ze “stuurelem.6”, “stuurelem. 7” en
“stuurelem. 8” genoemd.
drie 2-standen-schakelaars: SW 2, 3 en 8. In het menu aangegeven met “2”, “3” en “8” en voorzien van een
schakelaarsymbool, dat tevens de schakelrichting aangeeft.
twee toetsschakelaars: SW 1 en SW 9. Op dezelfde manier als het hiervoor beschrevene aangeduid met
“1”en “9” en voorzien van een schakelaarsymbool met schakelrichting.
De beide kruisknuppels hebben, wanneer een nieuw modelgeheugen met het modeltype “vleugelmodel” werd
gekozen, direct effect op de reeds aan de ontvangeruitgangen 1 … 4 aangesloten servo’s. De andere hierboven
genoemde “verdere” bedieningselementen zijn echter in principe standaard inactief.
Daaruit resulteert, dat bij levering van de besturing – zoals al vermeld op bladzijde 20 – en ook na het initialiseren
van een nieuw modelgeheugen met het type “vliegtuigmodel” en de “binding” ervan, alleen de aan de
ontvangeruitgangen 1 … 4 aangesloten servo’s via de beide stuurknuppels bewogen kunnen worden, maar de
aan de uitgangen 5 … 8 aangesloten servo’s daarentegen steeds in hun middenpositie blijven staan.
Ook wanneer dit op het eerste gezicht niet comfortabel lijkt…, is alleen op deze manier gegarandeerd, dat u
enerzijds volledig vrij de “verdere”bedieningselementen kunt uitkiezen en u anderzijds het “wegprogrammeren”
van niet benodigde bedieningselementen bespaard blijft, want:
Een niet benodigd bedieningselement heeft ook bij een foutieve bediening alleen dan geen invloed op uw
model, wanneer het inactief, dus niet aan een functie toegekend is.
Geheel volgens uw behoeften kunnen “verdere” bedieningselementen nu in dit menu “instelling stuurelement”
geheel naar vrije keuze aan iedere willekeurige functie-ingang (zie bladzijde 47) worden toegewezen. Dit wil
echter ook zeggen, dat aan elk van deze bedieningselementen naar behoefte ook gelijktijdig meerdere functie-
ingangen kunnen worden toegewezen. Zo kan bijvoorbeeld aan dezelfde schakelaar SW X, die u in dit menu aan
een ingang toewijst, tegelijkertijd in het menu “basisinstelling” voor de “klokken”als aan-/uit-schakelaar dienen
enz…
Principes van de bediening
1. Met de pijltoetsen ▲▼ van de linker of rechter touch-toets de betreffende ingang i5 …8 uitkiezen.
2. Met de pijltoetsen ◄► van de linker of rechter touch-toets eventueel naar de gewenste kolom gaan.
3. De centrale SET-toets van de rechter touch-toets aanraken. Het te veranderen invoerveld wordt invers
afgebeeld.
4. Gewenst bedieningselement bedienen resp. met de pijltoetsen van de rechter touch-toets de gewenste
waarde instellen.
5. De centrale SET-toets van de rechter touch-toets aanraken om de invoer te beëindigen.
6. Gelijktijdig aanraken van de toetsen ▲▼ of ◄► van de rechter touch-toets (CLEAR) zet eventueel
gewijzigde waarden weer terug naar de standaardwaarden.
kolom 2 “stuurelement- en schakelaartoewijzing”
Selecteer met de pijltoetsen ▲▼ van de linker of rechter touch-toets één van de ingangen 5 tot 8.
Door een aanraken van de centrale SET-toets van de rechter touch-toets activeert u de mogelijkheid van
toewijzing:
i5 vrij +100% +100%
Gewenste schakelaar of
stuurelement bedienen
Bedien nu het gewenste stuurelement (CTRL 6 tot 10) of de uitgekozen schakelaar (SW 1 tot 3, 8 of 9), waarbij u
er op moet letten, dat de beide proportionele draaiknoppen pas na enkele “klikken” herkend worden, dus iets
langer bediend moeten worden. Wanneer de uitslag niet voldoende is, het stuurelement eventueel in de
tegenovergestelde richting bewegen.
Met de toegewezen 2-standen-schakelaars kan alleen tussen de desbetreffende eindposities heen en weer
geschakeld worden, bv. motor AAN resp. UIT.
De 3-weg-schakelaar SW 4/5 resp. 6/7, die in het menu “instelling stuurelement” als “stuurelem. 9” resp.
“stuurelem. 10” staan, hebben natuurlijk nog een middenpositie.
Gelijktijdig aanraken van de toetsen ▲▼ of ◄► van de rechter touch-toets (CLEAR) bij een geactiveerde
schakelaartoewijzing – zie afbeelding hierboven – zet de ingang weer terug op “vrij”.
Tips:
Let u bij het toewijzen van de schakelaars op de gewenste schakelrichting en let u er ook op, dat alle niet
benodigde ingangen “vrij” blijven, om een foutief bedienen via niet benodigde stuurelementen uit te sluiten.
Via de hieronder beschreven instelling van de stuuruitslag kan ook bij de toewijzing van een schakelaar de
bijbehorende eindpositie worden beïnvloed.
Op het display wordt nu óf het nummer van het stuurelement of – samen met een schakelaarsymbool, dat de
schakelrichting aangeeft – het nummer van de schakelaar getoond, bv.:
i5 3 +100% +100%
i6 stuurel. 7 +100% +100%
i7 vrij +100% +100%
i8 vrij +100% +100%
- weg +
kolom 3 “-uitslag+”
In deze kolom wordt de weg van het stuurelement symmetrisch of asymmetrisch voor iedere kant ingesteld. Het
bereik bedraagt ±125% van de normale uitslag. Kies met de pijltoetsen ▲▼ van de linker of rechter touch-toets
één van de ingangen 5 tot 8 uit.
Voor het instellen van een symmetrische uitslag, d.w.z. een uitslag onafhankelijk van de stuurrichting van het
stuurelement, moet het desbetreffende stuurelement ( proportionele draaiknop CTRL 6 … 8 of schakelaar 4/5
resp. 6/7) naar een positie worden gebracht waarbij in de kolom “weg” op het display de beide kanten van de
uitslag-instelling omkaderd zijn:
i5 3 +100% +100%
i6 stuurel. 7 +100% +100%
i7 vrij +100% +100%
i8 vrij +100% +100%
- weg +
Voor de instelling van een asymmetrische uitslag moet het desbetreffende stuurelement ( proportionele draaiknop
of schakelaar) eerst naar de kant worden bewogen die ingesteld moet gaan worden, zodat de omkadering op het
display alleen de te veranderen waarde aangeeft:
i5 3 +100% +100%
i6 stuurel. 7 +100% +100%
i7 vrij +100% +100%
i8 vrij +100% +100%
- weg +
Door een aanraken van de centrale SET-toets van de rechter touch-toets activeert u de instelling van de
waarden. Het waarden-veld wordt invers weergegeven. Met de pijltoetsen van de rechter touch-toets verandert u
de waarden:
i5 3 +100% +100%
i6 stuurel. 7 +111% +111%
i7 vrij +100% +100%
i8 vrij +100% +100%
- weg +
i5 3 +100% +100%
i6 stuurel. 7 +88% +100%
i7 vrij +100% +100%
i8 vrij +100% +100%
- weg +
Door een aantippen van de centrale SET-toets van de rechter touch-toets wordt de invoer afgesloten. Er zijn
negatieve en positieve waarden mogelijk, om de richting van het stuurelement resp. het effect ervan te kunnen
aanpassen. Gelijktijdig aantippen van de toetsen ▲▼ of ◄► van de rechter touch-toets (CLEAR) zet de in het
inverse waarden-veld veranderde parameters terug op +100%.
Belangrijk:
In tegenstelling tot de instelling van de servo-uitslag heeft de instelling van de stuuruitslag echter ook
effect op alle daarvan afgeleide mix- en koppelfuncties, d.w.z. uiteindelijk op alle servo’s, die via het bijbehorende
stuurelement kunnen worden bediend.
Instelling stuurelement
Bedieningsprincipes van de stuurelement- en schakelaar-toewijzing
i5 vrij +100% +100%
gas vrij +100% +100%
gyr vrij +100% +100%
i8 vrij +100% +100%
lim stuurel.6 +100% +100%
- weg +
Naast de 2 kruisknuppels voor de stuurfuncties 1 tot 4 is de zender MX-16 HoTT ook nog standaard voorzien van
andere bedieningselementen. Dit zijn:
twee 3-standen-schakelaar: SW 4/5 resp. CTRL 9 en SW 6/7 resp. CTRL 10. Deze worden in dit menu
toegewezen als “stuurelem. 9” resp. “stuurelem. 10”.
drie proportionele draaielementen: CTRL 6, 7 en 8. In het menu worden ze “stuurelem.6”, “stuurelem. 7” en
“stuurelem. 8” genoemd.
drie 2-standen-schakelaars: SW 2, 3 en 8. In het menu aangegeven met “2”, “3” en “8” en voorzien van een
schakelaarsymbool, dat tevens de schakelrichting aangeeft.
twee toetsschakelaars: SW 1 en SW 9. Op dezelfde manier als het hiervoor beschrevene aangeduid met
“1”en “9” en voorzien van een schakelaarsymbool met schakelrichting.
De beide kruisknuppels hebben, wanneer een nieuw modelgeheugen met het modeltype “helikoptermodel” werd
gekozen, direct effect op de reeds aan de ontvangeruitgangen 1 … 4 en 6 aangesloten servo’s. De andere
hierboven genoemde “verdere” bedieningselementen zijn echter in principe standaard inactief, behalve de
proportionele draaiknop CTRL 6 (gaslimiter), die ook op servo 6 effect heeft.
Daaruit resulteert, dat bij levering van de besturing – zoals al vermeld op bladzijde 20 – en ook na het initialiseren
van een nieuw modelgeheugen met het type “helikoptermodel” en de “binding” ervan, alleen de aan de
ontvangeruitgangen 1 … 4 aangesloten servo’s en – afhankelijk van de positie van de gaslimiter - ook servo 6
via de beide stuurknuppels bewogen kunnen worden, maar de aan de uitgangen 5, 7 en 8 aangesloten servo’s
daarentegen steeds in hun middenpositie blijven staan.
Ook wanneer dit op het eerste gezicht niet comfortabel lijkt…, is alleen op deze manier gegarandeerd, dat u
enerzijds volledig vrij de “verdere”bedieningselementen kunt uitkiezen en u anderzijds het “wegprogrammeren”
van niet benodigde bedieningselementen bespaard blijft, want:
Een niet benodigd bedieningselement heeft ook bij een foutieve bediening alleen dan geen invloed op uw
model, wanneer het inactief, dus niet aan een functie toegekend is.
Geheel volgens uw behoeften kunnen “verdere” bedieningselementen nu in dit menu “instelling stuurelement”
geheel naar vrije keuze aan iedere willekeurige functie-ingang (zie bladzijde 47) worden toegewezen. Dit wil
echter ook zeggen, dat aan elk van deze bedieningselementen naar behoefte ook gelijktijdig meerdere functie-
ingangen kunnen worden toegewezen. Zo kan bijvoorbeeld aan dezelfde schakelaar SW X, die u in dit menu aan
een ingang toewijst, tegelijkertijd in het menu “basisinstelling” voor de “klokken”als aan-/uit-schakelaar dienen
enz…
Aanwijzing:
De ingang 6 moet bij een helikoptermodel in principe “vrij” blijven. Zie hiervoor ook het onderdeel “gas” hieronder.
Principes van de bediening
1. Met de pijltoetsen ▲▼ van de linker of rechter touch-toets de betreffende ingang i5, gas, Gyr, i8 of lim
uitkiezen.
2. Met de pijltoetsen ◄► van de linker of rechter touch-toets eventueel naar de gewenste kolom gaan.
3. De centrale SET-toets van de rechter touch-toets aanraken. Het te veranderen invoerveld wordt invers
afgebeeld.
4. Gewenst bedieningselement bedienen resp. met de pijltoetsen van de rechter touch-toets de gewenste
waarde instellen.
5. De centrale SET-toets van de rechter touch-toets aanraken om de invoer te beëindigen.
6. Gelijktijdig aanraken van de toetsen ▲▼ of ◄► van de rechter touch-toets (CLEAR) zet eventueel
gewijzigde waarden weer terug naar de standaardwaarden.
kolom 2 “stuurelement- en schakelaartoewijzing”
Selecteer met de pijltoetsen ▲▼ van de linker of rechter touch-toets één van de ingangen i5 , gas, gyr, i8 of lim.
Door een aanraken van de centrale SET-toets van de rechter touch-toets activeert u de mogelijkheid van
toewijzing:
i5 vrij +100% +100%
Gewenste schakelaar of
stuurelement bedienen
Bedien nu het gewenste stuurelement (CTRL 6 tot 10) of de uitgekozen schakelaar (SW 1 tot 3, 8 of 9), waarbij u
er op moet letten, dat de beide proportionele draaiknoppen pas na enkele “klikken” herkend worden, dus iets
langer bediend moeten worden. Wanneer de uitslag niet voldoende is, het stuurelement eventueel in de
tegenovergestelde richting bewegen.
Met de toegewezen 2-standen-schakelaars kan alleen tussen de desbetreffende eindposities heen en weer
geschakeld worden, b.v. motor AAN resp. UIT.
De 3-weg-schakelaar SW 4/5 resp. 6/7, die in het menu “instelling stuurelement” als “stuurelem. 9” resp.
“stuurelem. 10” staan, hebben natuurlijk nog een middenpositie.
Gelijktijdig aanraken van de toetsen ▲▼ of ◄► van de rechter touch-toets (CLEAR) bij een geactiveerde
schakelaartoewijzing – zie afbeelding hierboven – zet de ingang weer terug op “vrij”.
Tips:
Let u bij het toewijzen van de schakelaars op de gewenste schakelrichting en let u er ook op, dat alle niet
benodigde ingangen “vrij” blijven, om een foutief bedienen via niet benodigde stuurelementen uit te sluiten.
Via de hieronder beschreven instelling van de stuuruitslag kan ook bij de toewijzing van een schakelaar de
bijbehorende eindpositie worden beïnvloed.
Op het display wordt nu óf het nummer van het stuurelement of – samen met een schakelaarsymbool, dat de
schakelrichting aangeeft – het nummer van de schakelaar getoond, bv.:
i5 3 +100% +100%
gas vrij +100% +100%
gyr stuurel.7 +100% +100%
i8 vrij +100% +100%
lim stuurel.6 +100% +100%
- weg +
kolom 3 “-uitslag+”
In deze kolom wordt de weg van het stuurelement symmetrisch of asymmetrisch voor iedere kant ingesteld. Het
bereik bedraagt ±125% van de normale uitslag. Kies met de pijltoetsen ▲▼ van de linker of rechter touch-toets
één van de ingangen 5 tot 8 uit.
Voor het instellen van een symmetrische uitslag, d.w.z. een uitslag onafhankelijk van de stuurrichting van het
stuurelement, moet het desbetreffende stuurelement ( proportionele draaiknop of schakelaar 4/5 resp. 6/7) naar
een positie worden gebracht waarbij in de kolom “weg” op het display de beide kanten van de uitslag-instelling
omkaderd zijn:
i5 3 +100% +100%
gas vrij +100% +100%
gyr stuurel.7 +100% +100%
i8 vrij +100% +100%
lim stuurel.6 +100% +100%
- weg +
Voor de instelling van een asymmetrische uitslag moet het desbetreffende stuurelement ( proportionele draaiknop
of schakelaar) eerst naar de kant worden bewogen die ingesteld moet gaan worden, zodat de omkadering op het
display alleen de te veranderen waarde aangeeft:
i5 3 +100% +100%
gas vrij +100% +100%
gyr stuurel.7 +100% +100%
i8 vrij +100% +100%
lim stuurel.6 +100% +100%
- weg +
Door een aanraken van de centrale SET-toets van de rechter touch-toets activeert u de instelling van de
waarden. Het waarden-veld wordt invers weergegeven. Met de pijltoetsen van de rechter touch-toets verandert u
de waarden:
i5 3 +100% +100%
gas vrij +100% +100%
gyr stuurel.7 +111% +111%
i8 vrij +100% +100%
lim stuurel.6 +100% +100%
- weg +
i5 3 +100% +100%
gas vrij +100% +100%
gyr stuurel.7 +88% +111%
i8 vrij +100% +100%
lim stuurel.6 +100% +100%
- weg +
Door een aantippen van de centrale SET-toets van de rechter touch-toets wordt de invoer afgesloten. Er zijn
negatieve en positieve waarden mogelijk, om de richting van het stuurelement resp. het effect ervan te kunnen
aanpassen. Gelijktijdig aantippen van de toetsen ▲▼ of ◄► van de rechter touch-toets (CLEAR) zet de in het
inverse waarden-veld veranderde parameters terug op +100%.
Belangrijk:
In tegenstelling tot de instelling van de servo-uitslag heeft de instelling van de stuuruitslag echter ook
effect op alle daarvan afgeleide mix- en koppelfuncties, d.w.z. uiteindelijk op alle servo’s, die via het bijbehorende
stuurelement kunnen worden bediend.
“gas”
i5 3 +100% +100%
gas vrij +100% +100%
gyr stuurel.7 +100% +100%
i8 vrij +100% +100%
lim stuurel.6 +100% +100%
- weg +
Ook in het heliprogramma kunnen aan de verschillende ingangen in principe alle aanwezige stuurelementen
(proportionele draaiknoppen en schakelaars) worden toegewezen.
U moet er wel op letten, dat een aantal van deze in het menu beschikbare ingangen al door helikopter-specifieke
functies bezet zijn en u dus niet vrij over deze ingangen kunt beschikken.
Zo maakt de ontvangerbezetting op bladzijde 56 bv. al duidelijk, dat de gasservo resp. de regelaar van een
elektrisch aangedreven helikopter aan de ontvangeruitgang “6” moet worden aangesloten, dus dat het
stuurkanaal “6” gereserveerd is voor de aansturing van het motorvermogen.
In tegenstelling tot een vliegtuigmodel wordt echter de gasservo resp. de regelaar niet direct door de stuurknuppel
of een ander stuurelement, maar via een complex systeem van mixers, zie menu “helimixers”, vanaf bladzijde
103, aangestuurd. Daarbij heeft ook de op de volgende bladzijde beschreven “gaslimiet-functie” invloed op dit
systeem.
De toewijzing van een stuurelement of schakelaar in de regel “gas” resp. het bijbehorende stuursignaal zou dit
ingewikkelde mixsysteem slechts onnodig “in de war brengen”. De ingang “gas” MOET daarom in ieder geval
“vrij” blijven.
“gyr”
i5 3 +100% +100%
gas vrij +100% +100%
gyr stuurel.7 +100% +100%
i8 vrij +100% +100%
lim stuurel.6 +100% +100%
-
- weg +
Mocht de door u gebruikte gyro een traploos instelbare instelling van de gevoeligheid bezitten, dan kan het gyro-
effect in de regel “gyro” van het menu “helimix”, bladzijde 103, in de vorm van een “offset” over een bereik van
±125% per vliegfase worden ingesteld.
Uitgaande van deze in het “helimix”-menu per vliegfase ingestelde –statische - instelling kunt u met een in de
regel “gyr” toegewezen stuurelement, bv. één van de proportionele draaiknoppen CTRL 7 of 8 , het effect van de
gyro laten variëren. In de middenpositie van het stuurelement komt dit overeen met de in het menu “helimix” ,
bladzijde 103 e.v. gekozen instelling. Wordt het stuurelement vanuit de middenstand in de richting volgas
bewogen, dan wordt het gyro-effect ook groter en naar de andere richting juist weer zwakker. Zo kan het gyro-
effect snel en gemakkelijk ook tijdens het vliegen – bv. bij verschillende weersomstandigheden – aangepast en
geoptimaliseerd worden. Softwarematig kunt u tevens het effect-bereik via de instelling van het stuurelement aan
beide kanten beperken. Let in dit verband ook op de handleiding bij de gyro, omdat u anders het risico
loopt dat uw heli misschien onbestuurbaar wordt.
Gaslimiet-functie
Ingang “Lim”
Standaard is de ingang “lim” al toegewezen aan de links boven op de zender gemonteerde proportionele
draaiknop CTRL6:
i5 3 +100% +100%
gas vrij +100% +100%
gyr stuurel.7 +100% +100%
i8 vrij +100% +100%
lim stuurel.6 +100% +100%
- weg +
Door deze toewijzing is het niet meer nodig om twee vliegfasen “met idle up” en “zonder idle up” te
programmeren, zoals u dat misschien gewend was bij andere besturingen, omdat het verhogen van het
systeemtoerental onder het hoverpunt bij het MX-16 HoTT-programma veel flexibeler en fijngevoeliger is dan bij
de zogenaamde “idle up”. Als u echter toch liever uw helikopter met “idle up” wilt programmeren, dan schakelt u
de hieronder beschreven functie “gaslimiet” uit, door de ingang “lim” op “vrij” te zetten.
Betekenis en toepassing van “gaslimiet”
Zoals al eerder bij de functie “gas” werd gezegd, wordt in tegenstelling tot een vleugelmodel bij een
helikoptermodel het vermogen van de motor niet direct met de K1-knuppel, maar slechts indirect via de in het
menu “helimix” ingestelde gascurve geregeld of – wanneer u in uw model een toerenregelaar gebruikt – door
deze.
Aanwijzing:
Voor verschillende vliegfasen kunt u via de programmering van vliegfasen natuurlijk ook individuele vliegfasen
instellen.
In de praktijk is het zo, dat echter zowel bij de traditionele motoraansturing als bij toepassing van een
toerenregelaar de motor van een helikopter bij “normaal” vliegen nooit in de buurt van het stationaire toerental
komt, en dat deze motor daarom normaal gesproken niet zonder meer gestart of goed afgesteld kan worden.
De functie “gaslimiet” lost dit probleem elegant op, doordat via een apart stuurelement – standaard de links boven
op de zender gemonteerde draaiknop CTRL 6 – de positie van de gasservo resp. de vermogensregeling van een
motorregelaar begrensd kan worden. Op deze manier is het mogelijk om met de gaslimiet-draaiknop het “gas”
ook tot aan de stationaire positie terug te nemen, waar dan de trimmer van de gas-/pitch-stuurknuppel de
controle overneemt, resp. om een elektro-aandrijving helemaal uit te zetten. Omgekeerd kan de gasservo resp.
de regelaar natuurlijk alleen dan de volgaspositie bereiken, wanneer met de gaslimiter ook de hele servo-uitslag
vrijgegeven is. De ingang “lim” is daarom in het helikopterprogramma voor de functie “gaslimiet” gereserveerd.
De instelling van de waarde aan de (rechter) plus-kant in de kolom “weg” moet in ieder geval zo groot worden
ingesteld, dat in de maximumpositie van de gaslimiter de via gascurven-instellingen haalbare volgaspositie niet
begrensd wordt – normaal gesproken zal dit een waarde tussen +100 en +125 % zijn. De waarde van de (linker)
min-kant in de kolom “weg” moet het daarentegen mogelijk maken om met de gaslimiter de elektromotor uit te
zetten resp. om een carburateur zo ver te sluiten, dat de verbrandingsmotor ook met de - digitale – K1-trimming
uitgezet kan worden. Laat u daarom deze waarde (voorlopig) op +100%.
Deze variabele “begrenzing” van de gasuitslag zorgt niet alleen voor comfortabel starten en afzetten van de
motor, maar ook voor een aanzienlijke vergroting van de veiligheid! Denk er maar eens aan wat er zou kunnen
gebeuren, wanneer u bv. de helikopter met lopende motor naar de startplaats brengt en u per ongeluk de K1-
knuppel aanraakt …
Bij een te ver geopende carburateur wordt u daarom al bij het aanzetten van de zender gewaarschuwd met een
geluidssignaal en ziet u op het display de melding:
Gas
te
hoog!
Tip:
Maak gebruik van het menu “servo-aanduiding”, die u vanuit bijna elke menupositie door gelijktijdig aantippen
van de toetsen ◄► van de linker touch-toets bereikt, om de invloed van de gaslimiter te controleren. Denk er
aan, dat bij de MX-16 HoTT de servo-uitgang 6 de gasservo aanstuurt!
Basisinstelling stationairloop
Draai de gaslimiter – standaard de links boven op de zender gemonteerde proportionele draaiknop CTRL 6 –
eerst met de klok mee tot aan de aanslag. Zet nu de gas-/pitch-stuurknuppel op pitchmaximum en controleer, of
in het ondermenu “K1 gas” van het menu …
“helimix” (bladzijde 103 … 114)
… een standaard gascurve effectief is. Zou u na het aanmaken van een modelgeheugen de standaard gascurve
al gewijzigd hebben, dan moet u deze in ieder geval tijdelijk terugzetten naar de waarden “punt 1 = -100%”, “punt
3 = 0%” en “punt 5 = +100%”:
K1 -> gas
ingang 0%
uitgang 0%
punt 3 0%
Aanwijzing:
Omdat de trimmer van het gas bij een geopende gaslimiter geen effect heeft, is de positie van de trimmer hier niet
van belang.
Stel nu –zonder de verbrandingsmotor te starten – de gasservo eerst bij voorkeur mechanisch zó af, eventueel
daarna via de weg-instelling van servo 6 in het menu “servo-instelling”, dat de carburateur helemaal geopend
is.
Sluit nu de gaslimiter helemaal, door de proportionele draaiknop CTRL 6 tegen de klok in tot aan de uitslag terug
te draaien. Breng met de trimmer van de gas-/pitch-stuurknuppel de markering van de trimpositie naar de motor-
UIT-positie (zie afbeelding onderaan deze bladzijde).
Aanwijzing:
Bij een gesloten gaslimiter is daarentegen de positie van de gas-/pitch-stuurknuppel niet van belang; deze kan
daarom in de maximum-pitch-positie blijven, zodat bij het afstellen van de carburateur-stuurstang alleen met de
gaslimiter van “volgas” (gaslimiter open) naar “motor UIT” (gaslimiter dicht) gewisseld kan worden.
Stel nu bij een gesloten gaslimiter de aansturing van de carburateur zó af, dat de carburateur precies helemaal
sluit. Let er in ieder geval op, dat de gasservo in geen van de beide extreme posities (volgas / motor-UIT)
mechanisch vastloopt.
Tot slot van deze basisinstelling moet nog het instelbereik van de stationairtrimming met het punt “1” van de
gascurve in overeenstemming worden gebracht. Daarvoor moet het punt “1” van de mixer “K1 gas” van het
menu “helimix” op ongeveer -65 tot -70% worden gezet:
K1 -> gas
ingang -100%
uitgang -66%
punt 3 -66%
Voor de exacte instelling van een naadloze overgang van stationairtrimming naar de gascurve moet bij een
gesloten gaslimiter en geheel geopende stationairtrimming de pitchknuppel rond de minimum-aanslag een beetje
heen en weer worden bewogen. De gasservo mag daarbij niet meelopen! De verdere instellingen van de
gascurve moeten sowieso later bij het vliegen worden aangepast.
Het starten van de motor gebeurt bij een volledig gesloten gaslimiter, waarbij de stationairloop alleen met de
trimhevel van de gas-/pitch-stuurknuppel wordt ingesteld.
Gaslimiet in combinatie met de digitale trimming
In combinatie met de gaslimiet-draaiknop CTRL 6 geeft de K1-trimming een markering weer in de ingestelde
stationairpositie van de motor, van waaruit de motor via de trimming kan worden uitgezet. Bevindt er zich een
tweede markering bij een uiteinde (zie afbeelding hieronder), dan bereikt men met één klik direct weer de
oorspronkelijke stationaire instelling, zie ook bladzijde 49.
Deze afschakeltrimming heeft alleen effect in de linker helft van de gaslimiter-uitslag als stationairtrimming,
d.w.z., alleen in dit bereik wordt de markering aangebracht en ook opgeslagen.
laatste stationair-positie
actuele trimpositie gaslimiet-draaiknop
trimming in positie motor-UIT
Daarom wordt de aanduiding van de K1-trimming ook helemaal verborgen, wanneer de gaslimiter zich rechts van
de middenpositie bevindt:
gaslimiet-draaiknop
Aanwijzing:
Omdat deze trimming alleen in de richting “motor UIT” effect heeft verandert de bovenstaande afbeelding
wanneer u in het menu “basisinstelling” in de regel “pitch min” de stuurrichting van “naar achteren” (zoals op de
afbeelding) verandert in “naar voren” . Ook zijn de afbeeldingen anders, wanneer u van “pitchknuppel rechts”
(zoals in de afbeeldingen hierboven) zou wisselen naar “pitchknuppel links” in de regel “stuurtoewijzing” van het
menu “basisinstelling, zie bladzijde 73.
Dual Rate/Expo
Omschakelbare stuurkarakteristiek voor rol-, hoogte- en richtingsroer
Blader met de pijltoetsen van de linker of rechter touch-toets naar het menupunt “D/R Expo” van het multifunctie-
menu:
mod geh basisinst
servoinst inst stuurel
D/R Expo fasentrim
vleugelmix vrije mix
servoaand alg inst
Fail-Safe telemetrie
Door een aantippen van de centrale SET-toets van de rechter touch-toets opent u dit menu:
RO 100% 0% -----
HO 100% 0% -----
RI 100% 0% -----
DUAL EXPO
De Dual-Rate/Expo-functie maakt een omschakelen resp. beïnvloeden van de stuuruitslagen en -karakteristieken
voor rol-, hoogte- en richtingsroer mogelijk (stuurfuncties 2 … 4) via schakelaars.
Dual Rate heeft een soortgelijk effect als de stuurelement-instelling in het menu “instelling stuurelement”, dus
direct op de bijbehorende stuurfunctie, onafhankelijk daarvan, of deze één servo of via willekeurige complexe
koppel- en mixfuncties meerdere servo’s aanstuurt.
De stuuruitslagen zijn per schakelaarpositie en vliegfase tussen 0 en 125% van de normale stuuruitslag
instelbaar.
Expo maakt voor waarden groter dan 0% een fijngevoelig sturen van het model rond de middenpositie van de
desbetreffende stuurfunctie (rol-, hoogte- en richtingsroer) mogelijk, zonder de volledige uitslag bij een volledige
stuurknuppeluitslag te hoeven missen. Omgekeerd wordt voor waarden kleiner dan 0% het effect van het
stuurelement rondom de middenpositie vergroot, en in de richting van de volledige uitslag weer verkleind. De
waarde van de “progressie” kan dus van – 100% tot + 100% worden ingesteld, waarbij 0 % overeenkomt met de
normale, lineaire stuurkarakteristiek.
Een verdere toepassing vloeit voort uit het gebruik van de tegenwoordig vaak gebruikte draaiservo’s: de
roeraansturing verloopt namelijk niet-lineair, d.w.z. met een toenemende draaihoek van de stuurschijf resp. van
de servohevel wordt de roeraansturing via de stuurstang - afhankelijk daarvan, hoe ver naar buiten de
stuurstang aan de servohevel is bevestigd – steeds kleiner. Met Expo-waarden groter dan 0% kan dit effect
worden tegengegaan, zodat bij een groter wordende knuppeluitslag de draaihoek meer dan proportioneel
toeneemt.
Ook de Expo-instelling heeft direct betrekking op de bijbehorende stuurfunctie, onafhankelijk van het feit of deze
effect heeft op één servo of via willekeurige koppel- en mixfuncties op meerdere servo’s.
De Expo-functie kan net als de Dual-Rate-functie tijdens het vliegen worden omgeschakeld, wanneer aan deze
functie een schakelaar werd toegewezen. Daardoor bestaat ook de mogelijkheid, om Dual Rate en Expo via één
enkele schakelaar met elkaar te verbinden, wat vooral bij snelle modellen een groot voordeel kan zijn.
Vliegfase-afhankelijke Dual-Rate- en Expo-instellingen
Wanneer u in het menu “basisinstelling”, bladzijde 69, aan één van de fasen 2 tot 4 een schakelaar en
eventueel een passende naam heeft toegewezen, verschijnt deze naam in het display links onderaan, bv.
“normaal”. Bedient u dus eventueel de bijbehorende schakelaar om tussen de verschillende vliegfasen om te
schakelen.
Principes van de bediening
1. Schakel naar de gewenste vliegfase en kies dan de gewenste regel “ro(-lroer)”, “ho(-ogteroer” of “ri(-
chtingsroer” met de pijltoetsen ▲▼ van de linker of rechter touch-toets.
2. Eventueel met de pijltoetsen ◄► van de linker of rechter touch-toets de gewenste kolom selecteren..
3. De centrale SET-toets van de rechter touch-toets aanraken. Het bijbehorende invoerveld wordt invers
afgebeeld.
4. Met de pijltoetsen van de rechter touch-toets de gewenste waarde invoeren.
5. De centrale SET-toets van de rechter touch-toets aanraken, om de invoer af te sluiten.
6. Gelijktijdig aanraken van de toetsen ▲▼ of ◄► van de rechter touch-toets (CLEAR) zet eventueel
gewijzigde waarden weer terug naar de standaardwaarden.
Dual-Rate-functie
Indien u een omschakelen tussen twee mogelijke varianten wenst, wisselt u met de toets van de linker of
rechter touch-toets naar het schakelaarsymbool rechtsonder en raakt u kort de centrale SET-toets aan …
RO 100% 0% ------
Gewenste schakelaar
in de AAN positie
… en wijst u, zoals op bladzijde 48 in het onderdeel “toewijzing schakelaars en stuurelement-schakelaars”
beschreven is, een schakelaar toe. De toegewezen schakelaar verschijnt op het display samen met een
schakelaarsymbool, dat ook de schakelrichting weergeeft. Kies de kolom linksonder, aangeduid met DUAL, om
voor elk van de beide schakelaarrichtingen de Dual-Rate-waarde met de pijltoetsen van de rechter touch-toets in
het inverse veld te veranderen.
Gelijktijdig aanraken van de toetsen ▲▼ of ◄► van de rechter touch-toets (CLEAR) zet in het inverse
invoerveld een gewijzigde waarde terug naar 100%.
Let op:
De Dual-Rate-waarde moet uit veiligheidsoverwegingen minstens 20% bedragen.
Voorbeelden van verschillende Dual-Rate-waarden:
servo-uitslag stuurknuppel-uitslag
Exponential-functie
Indien u een omschakelen tussen twee mogelijke varianten wenst, wisselt u met de toets van de linker of
rechter touch-toets naar het schakelaarsymbool rechtsonder en raakt u kort de centrale SET-toets aan …
… en wijst u, zoals op bladzijde 48 in het onderdeel “toewijzing schakelaars en stuurelement-schakelaars”
beschreven is, een schakelaar toe. De toegewezen schakelaar verschijnt op het display samen met een
schakelaarsymbool, dat ook de schakelrichting weergeeft.
Nu bestaat bijvoorbeeld de mogelijkheid, om in de ene positie van de schakelaar met een lineaire curve te vliegen
en in de andere positie van de schakelaar een afwijkende waarde te hebben.
Kies de kolom rechtsonder, aangeduid met EXPO, om voor elk van de beide schakelaarrichtingen de Expo-
waarde met de pijltoetsen van de rechter touch-toets in het inverse veld te veranderen.
RO 100% + 11% 2
HO 100% + 22% 2
RI 100% 0% -----
DUAL EXPO
Gelijktijdig aanraken van de toetsen ▲▼ of ◄► van de rechter touch-toets (CLEAR) zet in het inverse
invoerveld een gewijzigde waarde terug naar 100%.
Voorbeelden van verschillende Expo-waarden:
servo-uitslag stuurknuppel-uitslag
In deze voorbeelden bedraagt de Dual-Rate- waarde telkens 100%
Combinatie Dual-Rate en Expo
Wanneer u zowel bij de Dual-Rate als ook bij de Expo-functie waarden heeft ingevoerd, worden de beide functies
tegelijkertijd uitgevoerd en overlappen ze elkaar als volgt:
servo-uitslag stuurknuppel-uitslag
Bv. in de schakelaarpositie “naar achteren”
RO 88% 0% 2
HO 77% 0% 2
RI 100% 0% -----
DUAL EXPO
en na omzetten van de schakelaar “2” naar voren:
RO 122% +11% 2
HO 111% +22% 2
RI 100% 0% -----
DUAL EXPO
Dual Rate/Expo
Omschakelbare stuurkarakteristiek voor roll, nick en hekrotor
roll 100% 0% -----
nick 100% 0% -----
hek 100% 0% -----
DUAL EXPO
De Dual-Rate/Expo-functie maakt een omschakelen resp. beïnvloeden van de stuuruitslagen en -karakteristieken
voor rollen, nicken en hekrotor mogelijk, d.w.z. van de stuurfuncties 2 … 4 via schakelaars.
Een individuele karakteristiek voor de stuurfunctie 1 (motor/pitch) wordt apart voor gas, pitch en hekrotor in het
menu “helimix” via maximaal 5 apart programmeerbare punten ingesteld, zie vanaf bladzijde 103 en 176.
Dual Rate heeft een soortgelijk effect als de stuurelement-instelling in het menu “instelling stuurelement”, dus
direct op de bijbehorende stuurfunctie, onafhankelijk daarvan, of deze één servo of via willekeurige complexe
koppel- en mixfuncties meerdere servo’s aanstuurt.
De stuuruitslagen zijn per schakelaarpositie en vliegfase tussen 0 en 125% van de normale stuuruitslag
instelbaar.
Expo maakt voor waarden groter dan 0% een fijngevoelig sturen van het model rond de middenpositie van de
desbetreffende stuurfunctie (roll, nick en hekrotor) mogelijk, zonder de volledige uitslag bij een volledige
stuurknuppeluitslag te hoeven missen. Omgekeerd wordt voor waarden kleiner dan 0% het effect van het
stuurelement rondom de middenpositie vergroot, en in de richting van de volledige uitslag weer verkleind. De
waarde van de “progressie” kan dus van – 100% tot + 100% worden ingesteld, waarbij 0 % overeenkomt met de
normale, lineaire stuurkarakteristiek.
Een verdere toepassing vloeit voort uit het gebruik van de tegenwoordig vaak gebruikte draaiservo’s: de
roeraansturing verloopt namelijk niet-lineair, d.w.z. met een toenemende draaihoek van de stuurschijf resp. van
de servohevel wordt de roeraansturing via de stuurstang - afhankelijk daarvan, hoe ver naar buiten de
stuurstang aan de servohevel is bevestigd – steeds kleiner. Met Expo-waarden groter dan 0% kan dit effect
worden tegengegaan, zodat bij een groter wordende knuppeluitslag de draaihoek meer dan proportioneel
toeneemt.
Ook de Expo-instelling heeft direct betrekking op de bijbehorende stuurfunctie, onafhankelijk van het feit of deze
effect heeft op één servo of via willekeurige koppel- en mixfuncties op meerdere servo’s.
De Expo-functie kan net als de Dual-Rate-functie tijdens het vliegen worden omgeschakeld, wanneer aan deze
functie een schakelaar werd toegewezen. Daardoor bestaat ook de mogelijkheid, om Dual Rate en Expo via één
enkele schakelaar met elkaar te verbinden, wat vooral bij snelle modellen een groot voordeel kan zijn.
Vliegfase-afhankelijke Dual-Rate- en Expo-instellingen
Wanneer u in het menu “basisinstelling”, bladzijde 77 en 78, aan één van de fasen 2, 3 of autorotatie een
schakelaar en eventueel een passende naam heeft toegewezen, verschijnt deze naam in het display links
onderaan, bv. “normaal”. Bedient u dus eventueel de bijbehorende schakelaar om tussen de verschillende
vliegfasen om te schakelen.
Principes van de bediening
1. Schakel naar de gewenste vliegfase en kies dan de gewenste regel “rol”, “nick” of “hek(rotor)” met de
pijltoetsen ▲▼ van de linker of rechter touch-toets.
2. Eventueel met de pijltoetsen ◄► van de linker of rechter touch-toets de gewenste kolom selecteren..
3. De centrale SET-toets van de rechter touch-toets aanraken. Het bijbehorende invoerveld wordt invers
afgebeeld.
4. Met de pijltoetsen van de rechter touch-toets de gewenste waarde invoeren.
5. De centrale SET-toets van de rechter touch-toets aanraken, om de invoer af te sluiten.
6. Gelijktijdig aanraken van de toetsen ▲▼ of ◄► van de rechter touch-toets (CLEAR) zet eventueel
gewijzigde waarden weer terug naar de standaardwaarden.
Dual-Rate-functie
Indien u een omschakelen tussen twee mogelijke varianten wenst, wisselt u met de toets van de linker of
rechter touch-toets naar het schakelaarsymbool rechtsonder en raakt u kort de centrale SET-toets aan …
roll 100% 0% ------
Gewenste schakelaar
in de AAN positie
… en wijst u, zoals op bladzijde 48 in het onderdeel “toewijzing schakelaars en stuurelement-schakelaars”
beschreven is, een schakelaar toe. De toegewezen schakelaar verschijnt op het display samen met een
schakelaarsymbool, dat ook de schakelrichting weergeeft. Kies de kolom linksonder, aangeduid met DUAL, om
voor elk van de beide schakelaarrichtingen de Dual-Rate-waarde met de pijltoetsen van de rechter touch-toets in
het inverse veld te veranderen.
Gelijktijdig aanraken van de toetsen ▲▼ of ◄► van de rechter touch-toets (CLEAR) zet in het inverse
invoerveld een gewijzigde waarde terug naar 100%.
Let op:
De Dual-Rate-waarde moet uit veiligheidsoverwegingen minstens 20% bedragen.
Voorbeelden van verschillende Dual-Rate-waarden:
servo-uitslag stuurknuppel-uitslag
Exponential-functie
Indien u een omschakelen tussen twee mogelijke varianten wenst, wisselt u met de toets van de linker of
rechter touch-toets naar het schakelaarsymbool rechtsonder en raakt u kort de centrale SET-toets aan …
… en wijst u, zoals op bladzijde 48 in het onderdeel “toewijzing schakelaars en stuurelement-schakelaars”
beschreven is, een schakelaar toe. De toegewezen schakelaar verschijnt op het display samen met een
schakelaarsymbool, dat ook de schakelrichting weergeeft.
Nu bestaat bijvoorbeeld de mogelijkheid, om in de ene positie van de schakelaar met een lineaire curve te vliegen
en in de andere positie van de schakelaar een afwijkende waarde te hebben.
Kies de kolom rechtsonder, aangeduid met EXPO, om voor elk van de beide schakelaarrichtingen de Expo-
waarde met de pijltoetsen van de rechter touch-toets in het inverse veld te veranderen.
roll 100% + 11% 2
nick 100% + 22% 2
hek 100% 0% -----
DUAL EXPO
Gelijktijdig aanraken van de toetsen ▲▼ of ◄► van de rechter touch-toets (CLEAR) zet in het inverse
invoerveld een gewijzigde waarde terug naar 100%.
Voorbeelden van verschillende Expo-waarden:
servo-uitslag stuurknuppel-uitslag
In deze voorbeelden bedraagt de Dual-Rate-waarde telkens 100%
Combinatie Dual-Rate en Expo
Wanneer u zowel bij de Dual-Rate als ook bij de Expo-functie waarden heeft ingevoerd, worden de beide functies
tegelijkertijd uitgevoerd en overlappen ze elkaar als volgt:
servo-uitslag stuurknuppel-uitslag
Bv. in de schakelaarpositie “naar achteren”
roll 88% 0% 2
nick 77% 0% 2
hek 100% 0% -----
DUAL EXPO
en na omzetten van de schakelaar “2” naar voren:
roll 122% +11% 2
nick 111% +22% 2
hek 100% 0% -----
DUAL EXPO
Fasentrimming
Vliegfase-afhankelijke trimming van welfkleppen, rol- en hoogteroer
Zolang u in het menu “basisinstelling” aan geen van de fasen 2, 3 of 4 een schakelaar heeft toegewezen,
bevindt u zich nog automatisch in de vliegfase 1 “normaal”.
Zowel het nummer als mede de naam van deze vliegfase is vast ingesteld als “normaal” en kan niet veranderd
worden, zodat ook in het menu “basisinstelling” de fase “normaal” niet als fase 1 wordt aangeduid, maar
verborgen blijft:
klokken 10:01 2
fase 2 start -----
fase 3 speed -----
fase 4 landing -----
ontv.uitg =>
Wanneer u met deze basisinstelling wisselt naar het menu “fasentrim” dan vindt u in het display alleen de regel
“normaal”, waarvan de ingestelde waarde van 0% normaal gesproken niet veranderd hoeft te worden.
FASENTRIM
normaal 0% 0% 0%
WK RO HO
Aanwijzing:
Afhankelijk van de in de regel “rolr./welfkl.” Van het menu “basisinstelling” (bladzijde 67 )gedane instellingen
beschikt u in dit menu over minimaal HO(ogteroer) en maximaal over HO(ogteroer), RO(lroer) en WK
(welfkleppen) voor fasenspecifieke triminstellingen.
Wilt u van “0” afwijkende waarden aanbrengen, bv. om in de thermiek langzamer resp. bij een glijvlucht sneller te
kunnen vliegen, ZONDER telkens de basis-instelling te hoeven veranderen, dan moet u in het menu
“basisinstelling” “fase 2” en eventueel “fase 3” activeren. “fase 4” zou u dan bijvoorbeeld kunnen voorzien van
“thermiek’-instellingen.
Daarvoor wisselt u naar het menu “basisinstelling” en wijst u aan de geselecteerde fase een schakelaar toe.
Zou u daarvoor één van de beide drie-weg-schakelaars SW 4/5 resp. SW 6/7 hebben gekozen, dan wijst u aan
deze schakelaar telkens vanuit de middenstand, vanuit de “normaal”-fase dus, de fase “speed” en de fase
“landing” toe. In het voorbeeld schakelt u vanuit iedere andere fase met een twee-weg-schakelaar naar de fase 2
“start”, vanwege de prioriteit van deze fase.
Aanwijzingen:
In de middenpositie van SW 4/5 resp. SW 6/7 moeten dan de schakelaarsymbolen overeenkomen met de
afbeelding hieronder.
Let u op de prioriteit van de verschillende vliegfasen, zoals op bladzijde69 uitvoerig beschreven is.
“Fase 2” is voorzien van de fasenaam “start”, “fase 3” van de naam “speed” en fase 4” van de naam “landing”.
Deze namen kunnen echter altijd na selectie van de desbetreffende regel en een aantippen van de centrale SET-
toets van de rechter touch-toets worden gewijzigd in één van de volgende namen; gebruik hiervoor de pijltoetsen
van de rechter touch-toets in het inverse veld:
Start
Thermiek
Afstand
Speed
Acro
Landing
Slepen
Test
klokken 10:01 2
fase 2 start 2
fase 3 speed 7
fase 4 thermiek 6
ontv.uitg =>
Deze namen verschijnen dan in het basisdisplay van de zender…
GRAUBELE stop 0:00
#01 vlucht 0:00
<<normaal>>
HoTT
... en in het menu “fasentrim” –zie afbeelding hieronder.
Instellen van de vliegfasentrimming
In dit menu “fasentrimming” kunnen de eerder gekozen vliegfasen getrimd worden.
Schakel daarvoor via de door u aangewezen schakelaar naar de gewenste vliegfase ( de * helemaal links geeft
de op het moment actieve fase aan):
FASENTRIM
*normaal 0% 0% 0%
start 0% 0% 0%
speed 0% 0% 0%
thermiek 0% 0% 0%
WK RO HO
Nu eventueel met de pijltoetsen ◄► van de linker of rechter touch-toets de gewenste roerfunctie selecteren en
dan na een kort aanraken van de centrale SET-toets van de rechter touch-toets met de pijltoetsen ervan de
benodigde trimwaarden in het inverse veld instellen.
Door omzetten van de vastgelegde schakelaar(s) kan de bijbehorende fase geactiveerd worden, waarbij aan de
servokant de omschakeling niet “hard” plaatsvindt, maar met een vast ingestelde omschakeltijd van ca. 1
seconde.
Er kunnen waarden worden ingesteld – net als bij de instelling van de offset en de instelling van het middenpunt
van de stuurelementen – tussen -99% en +99%. Normaliter zijn de ze waarden echter niet veel groter dan enkele
tientallen procenten.
FASENTRIM
normaal 0% 0% 0%
start +8% 4% +2%
speed -7% -5% -3%
*thermiek+10% +5% +2%
WK RO HO
Gelijktijdig aantippen van de toetsen ▲▼ of ◄► van de rechter touch-toets (CLEAR) zet een eventueel
ingestelde waarde weer terug naar de standaard van 0%.
Aanwijzing:
Afhankelijk van uw invoer in de regel “rolr./welfkl.” van het menu “basisinstelling” kunt u bij de “fasentrimming”
slechts beschikken over de kolom “HO”, de kolommen “RO” en “HO” of zoals hierboven afgebeeld “WK”, “RO” en
“HO” op het display.
Wat is een mixer?
Principes van een mixfunctie
Bij veel modellen is vaak een mix van verschillende aansturingen in het model wenselijk, bv. een koppeling
tussen rol- en richtingsroer of een koppeling van twee servo’s, wanneer 2 roeren van aparte servo’s moeten
worden aangestuurd. In al deze gevallen wordt de signaalstroom aan de “uitgang” van het stuurelement
“afgetakt”- d.w.z. ook “achter” instelopties zoals bv. “Dual Rate/Expo” of “instelling stuurelement”-, om dit
signaal dan op een bepaalde manier op de “ingang” van een ander stuurkanaal en daarmee tenslotte op een
ontvangeruitgang effect te laten hebben.
Voorbeeld: V-staartmixer
stuurknuppel hoogteroer richting/hoogte links
hoogte richting-hoogte
ingangen stuurfunctie stuurkanalen
richting richting-hoogte (ontvanger uitgangen)
stuurknuppel richtingsroer richting/hoogte rechts
De software van de zender MX-16 HoTT bevat een groot aantal voorgeprogrammeerde koppelfuncties, waarbij
twee (of meer) stuurkanalen met elkaar gemixt worden. Zo kan de als voorbeeld genoemde mixer al in de regel
“staarttype” in het menu “basisinstelling” in de vorm van “V-staart” softwarematig geactiveerd worden.
Daarnaast biedt de software in het vliegtuig- en heliprogramma in ieder modelgeheugen telkens drie vrij
programmeerbare lineaire mixers. Lees meer hierover in de algemene opmerkingen bij de “vrije mixers” vanaf
bladzijde 115 van dit handboek.
Vleugelmixers
RO – diff 0% -----
WK- diff 0% -----
RO -> RI 0% -----
RO -> WK 0% -----
rem -> HO 0% -----
rem -> WK 0% -----
rem -> RO 0% -----
HO -> WK 0% -----
HO -> RO 0% -----
WK -> HO 0% -----
WK -> RO 0% -----
diff.-red. 0%
(aanduiding afhankelijk van de in de regels “motor aan K1” en “rolr./welfkl.” van het menu “basisinstelling”
gekozen instellingen. De afbeelding hierboven geeft het maximaal aantal mogelijke opties weer en komt overeen
met de instelling “geen (motor)” en “2 RO 2WK.)
Het programma van de MX-16 HoTT bevat een reeks kant-en-klaar geprogrammeerde koppelfuncties, waarbij
alleen het mixpercentage en een eventuele schakelaar hoeven worden ingevuld. Afhankelijk van het
geselecteerde “modeltype” (staarttype, aantal vleugelservo’s, met of zonder motor, zie vanaf bladzijde 65),
verschijnt er een aantal voorgeprogrammeerde mixerfuncties. Wanneer uw model bij voorbeeld niet voorzien is
van welfkleppenservo’s, en u daarom in het menu “basisinstelling” ook geen welfkleppenservo’s heeft
ingevoerd, dan worden alle welfkleppenmixers door het programma automatisch onzichtbaar gemaakt, net als de
mixer “rem N.N.*” bij de keuze van “stationair naar voren” resp. “naar achteren” in de regel “motor aan K1”. Het
menu wordt daardoor niet alleen overzichtelijker; ook eventuele programmeerfouten worden op deze manier
vermeden.
* N.N. = Nomen Nominandum (de te noemen naam)
Opmerkingen:
Voor het positioneren van de welfkleppen zijn er verschillende mogelijkheden. U kunt …
a) … genoegen nemen met één positie per vliegfase, door – zoals op de vorige pagina’s beschreven –
alleen in het menu “fasentrim” de desbetreffende trimwaarden in te voeren.
b) … de in het menu “fasentrim” gepositioneerde welfkleppen met een willekeurig, in het menu “instelling
stuurelement” (bladzijde 83) aan de ingang 6 toegewezen stuurelement variëren. Bij voorkeur dient dit
één van de proportionele draaiknoppen CTRL 6 … 8 te zijn.
Het gekozen stuurelement stuurt direct de beide aan de ontvangeruitgangen 6 en 7 aangesloten
welfkleppenservo’s aan, in zoverre deze in het menu “basisinstelling” in de regel “rolr./welfkl.” zijn
ingevoerd. Indirect stuurt dit stuurelement via het percentage, dat in de regel “WK->RO” werd ingesteld,
het welfkleppen-aandeel van de rolroeren. Om de kleppen exacter te kunnen aansturen moet wel in de
regel “i6” van het menu “instelling stuurelement” de weg tot ca. 25% verkleind worden.
c) …echter ook de standaardwaarde van “0%” in de regel van de vleugelmixer “WK->RO” zo laten en als
alternatief in het menu “instelling stuurelement” zowel aan de ingang 6 als ook aan de ingang 5
hetzelfde stuurelement toewijzen. De hoeveelheid effect op de beide kleppenparen bepaalt u dan via de
bijbehorende weginstelling
Een eventueel aan de ingang “i7”toegewezen stuurelement is bij de instelling van 2 welfkleppenservo’s
softwarematig losgekoppeld, om een foutieve bediening van de welfkleppen te voorkomen.
Principes van de programmering
1. Met de pijltoetsen ▲▼ van de linker of rechter touch-toets de gewenste mixer uitkiezen.
2. Met de toets van de linker of rechter touch-toets eventueel de kolom rechtsonder met het
schakelaarsymbool selecteren.
3. De centrale SET-toets van de rechter touch-toets indrukken. Het bijbehorende invoerveld wordt invers
weergegeven.
4. Met de pijltoetsen van de rechter touch-toets de gewenste waarde instellen en eventueel schakelaar
toewijzen, zie bladzijde 48. Met uitzondering van de regels “diff.-red.” zijn negatieve en positieve
parameterwaarden mogelijk, om de servo-draairichting resp. de uitslagrichting van de roeren te kunnen
aanpassen.
Gelijktijdig aantippen van de toetsen ▲▼ of ◄► van de rechter touch-toets (CLEAR) zet een veranderde
waarde weer terug naar de standaardwaarde.
5. Invoer beëindigen door aanraken van de centrale SET-toets van de rechter touch-toets.
Mixer-neutraalpunten (Offset)
De mixers rolroer -> N.N.*
hoogteroer -> N.N.*
welfklep -> N.N.*
* N.N. = Nomen Nominandum (de te noemen naam)
… hebben in de nulpositie van het stuurelement (middenpositie van het stuurelement) hun neutraalpunt, d.w.z.
geen effect. Bij een volledige uitslag wordt de ingestelde waarde bijgemixt.
Bij de mixers remklep -> N.N.*
… bevindt het mixer-neutraalpunt ( “Offset”), waarbij de remkleppen altijd ingedraaid zijn, zich bij keuze van
“geen” in de regel “motor aan K1” van het menu “basisinstelling” in de voorste en bij keuze van “geen/inv” in de
achterste positie van de K1-stuurknuppel (gas-/remstuurknuppel).
RO-diff. (rolroer-differentiatie)
Bij het naar beneden uitslaande roer van een rolroeruitslag ontstaat een grotere weerstand dan bij het even ver
naar boven uitslaande roer. Daaruit resulteert o.a. een draaimoment om de hoogte-as met als gevolg een
“uitdraaien” uit de vliegrichting, zodat dit ongewenste neveneffect ook wel bekend staat als “negatief
draaimoment”. Dit effect doet zich bij zweefvliegtuigen met een hoge vleugelslankheid sterker gelden dan bij bv.
motorvliegtuigen met hun duidelijk kortere hevelarmen, en moet normaal gesproken gecompenseerd worden door
een gelijktijdige en tegengestelde uitslag van het richtingsroer. Dit veroorzaakt echter weer extra luchtweerstand
en verslechtert de vliegprestaties nog meer.
De rolroerdifferentiatie heeft als effect, wanneer voor ieder rolroer een aparte servo is ingebouwd, dat het naar
beneden uitslaande rolroer een kleinere uitslag heeft dan het naar boven uitslaande rolroer. Het (ongewenste)
negatieve draaimoment wordt daardoor verkleind resp. opgeheven. Voorwaarde is echter wel, dat ieder rolroer
wordt aangestuurd door een aparte servo, die daarom ook meteen in de vleugel kan worden ingebouwd. Door de
kortere aansturingen ontstaat er een reproduceerbare en spelingvrijere aansturing van het rolroer.
Deze elektronische differentiatie, die tegenwoordig gebruikelijk is, heeft in tegenstelling tot mechanische
oplossingen, die meestal al bij de bouw van het model moeten worden ingesteld en vaak bij sterke differentiatie
snel tot een grote hoeveelheid speling in de aansturing leiden, grote voordelen.
0% (normaal)
50% (gedifferentieerd)
100% (split)
Zo kan bv. de mate van differentiatie op elk moment veranderd worden, in het meest extreme geval kan de
rolroeruitslag naar beneden in de zogenaamde “Split”-positie zelfs helemaal onderdrukt worden. Op deze manier
wordt niet alleen het negatieve draaimoment, maar kan er zelfs een positief draaimoment ontstaan, zodat bij een
rolroeruitslag een draaien om de hoogte-as in de richting van de bocht ontstaat. Vooral bij grote
zweefvliegtuigmodellen kunnen op deze manier “nette” bochten met alleen de rolroeren worden gevlogen, wat
normaal gesproken niet mogelijk is.
Het instelbereik van – 100% tot + 100% maakt het mogelijk om onafhankelijk van de draairichtingen van de
rolroerservo de juiste differentiatie in te stellen. “0%” komt overeen met de normale aansturing, d.w.z. geen
differentiatie en “-100%” resp. “+100%” met de Split-functie.
Lage absolute waarden zijn bij kunstvlucht nodig, om er voor te zorgen dat het model bij een rolroeruitslag exact
om de lengteas draait. Middelmatige waarden van ca. –50% resp. +50% zijn typisch voor het ondersteunen van
bochten in de thermiek. De split-positie (-100%, +100%) wordt vaak bij hellingvliegen toegepast, wanneer
uitsluitend met de rolroeren bochten gevlogen moeten worden.
Gelijktijdig aantippen van de toetsen ▲▼of ◄► van de rechter touch-toets (CLEAR) zet een veranderde waarde
terug naar 0%.
Opmerking:
Negatieve waarden zijn bij een juiste bezetting van de kanalen meestal niet nodig.
WK-diff. (welfkleppen-differentiatie)
De rolroeren-/ welfkleppen-mixer, zie verder hieronder, maakt het mogelijk om de welfkleppen – wanneer ze elk
door een eigen servo worden aangestuurd - als rolroeren aan te sturen. De welfkleppen-differentiatie heeft net
als de rolroerdifferentiatie het effect, dat bij een rolroerfunctie van de welfkleppen de uitslag naar beneden kan
worden verkleind.
Het instelbereik van – 100% tot +100% maakt een juiste aanpassing van de differentiatie mogelijk, onafhankelijk
van de draairichting van de servo’s. Een waarde van 0% komt overeen met de normale aansturing, d.w.z. de
servo-uitslag naar beneden is even groot als de uitslag naar boven. -100% resp. +100% betekent, dat bij een
rolroersturing van de welfkleppen de uitslag naar beneden verkleind is tot nul (“split”).
Gelijktijdig aantippen van de toetsen ▲▼of ◄► van de rechter touch-toets (CLEAR) zet een veranderde waarde
terug naar 0%.
Opmerking:
Negatieve waarden zijn bij een juiste bezetting van de kanalen meestal niet nodig.
RO -> RI (rolroer richtingsroer)
Het richtingsroer wordt met een in te stellen hoeveelheid door de rolroersturing meegenomen, waardoor met
name in combinatie met de rolroerdifferentiatie het negatieve draaimoment wordt onderdrukt, wat een “net”
bochtenwerk mogelijk maakt. Het richtingsroer blijft natuurlijk ook apart stuurbaar.
Het instelbereik van ±150% maakt het mogelijk om de uitslagrichting afhankelijk van de draairichting van de
welfkleppenservo’s aan te passen. Via één van de niet-centrerende schakelaars (SW 2… 8) kan deze mixer
eventueel aan- en uitgeschakeld worden, om eventueel het model ook via de rolroeren resp. het richtingsroer
alleen te kunnen sturen.
Gelijktijdig aantippen van de toetsen ▲▼of ◄► van de rechter touch-toets (CLEAR) zet een veranderde waarde
terug naar 0%.
Normaal gesproken wordt deze mixer zo ingesteld, dat het richtingsroer uitslaat naar de kant van het naar boven
draaiende rolroer, waarbij u met een waarde van rond de 50% meestal goed zit.
RO -> WK (rolroer welfklep)
Met deze mixer wordt een instelbaar mixpercentage van de rolroersturing naar de welfkleppenkanalen bijgemixt.
Bij een uitslag van de rolroeren bewegen dan de welfkleppen dezelfde kant als de rolroeren op, maar normaal
gesproken met een kleinere uitslag, d.w.z. het mixpercentage is kleiner dan 100%. Het instelbereik van – 150%
tot + 150% maakt het mogelijk, om de uitslagrichting afhankelijk van de draairichting van de welfkleppenservo’s
aan de rolroeren aan te passen.
Meer dan ongeveer 50% van de (mechanische) uitslag van de rolroeren moeten de welfkleppen niet meelopen.
Gelijktijdig aantippen van de toetsen ▲▼of ◄► van de rechter touch-toets (CLEAR) zet een veranderde waarde
terug naar 0%.
Aanwijzing:
Is uw model met maar één welfkleppenservo uitgerust, dan moet u in de regel “rolr./welfkl.” van het menu
“basisinstelling” (bladzijde 67) toch “2WK” kiezen en deze mixer “RO WK” op 0% laten staan. Alle andere
mixers kunt u daarentegen gewoon toepassen.
Rem -> (rem hoogteroer)
Door het uitdraaien van de stoorkleppen, maar vooral bij het toepassen van een Butterfly-systeem (zie volgende
pagina) kan de vliegsnelheid van een model ongunstig worden beïnvloed.
Met deze mixer kunnen dergelijke momenten door het bijmixen van een correctiewaarde op het hoogteroer
worden gecompenseerd. Het instelbereik bedraagt -150% tot +150%.
Gelijktijdig aantippen van de toetsen ▲▼of ◄► van de rechter touch-toets (CLEAR) zet een veranderde waarde
terug naar 0%.
“Normale” waarden zijn echter meestal enkele tientallen procenten. De gekozen instelling moet u in ieder geval
op voldoende vlieghoogte uitproberen en eventueel corrigeren. Let er daarbij in ieder geval op, dat het model bij
uitgedraaide remkleppen niet te langzaam wordt! Anders riskeert u namelijk dat het model bij het indraaien van de
landingskleppen, bv. wanneer het veld tóch net niet gehaald wordt bij de landing, neerstort.
Rem -> WK rem welfklep)
Bij het bedienen van de rem-stuurfunctie (K1-stuurknuppel) kunnen de beide welfkleppenservo’s voor het landen
individueel met een mixpercentage tussen –150% en +150% worden versteld – normaal gesproken naar
beneden.
Gelijktijdig aantippen van de toetsen ▲▼of ◄► van de rechter touch-toets (CLEAR) zet een veranderde waarde
terug naar 0%.
Hier wordt de waarde dusdanig gekozen, dat bij het bedienen van de remfunctie de welfkleppen zover mogelijk
naar beneden worden gezet. Let er wel op, dat de desbetreffende servo’s in geen geval mechanisch vastlopen.
Begrens eventueel de sevo-uitslag(en) met de optie “Travel -/+” van het menu “telemetrie” op de display-pagina
“RX SERVO”.
Rem -> RO (rem rolroer)
Met deze mixer worden bij het bedienen van de rem-stuurfuntie de beide rolroerservo’s bij de landing individueel
met een mixpercentage tussen –150% en +150% versteld – normaal gesproken naar boven.
Gelijktijdig aantippen van de toetsen ▲▼of ◄► van de rechter touch-toets (CLEAR) zet een veranderde waarde
terug naar 0%.
Aanwijzing:
Ook bij het uitdraaien van de stoorkleppen is het echter zinvol, de rolroeren iets naar boven uit te draaien. Dit
verkleint normaal gesproken het risico op overtrekken van de vleugel.
Combinatie van de mixers rem -> NN*: “kraai-positie” of “Butterfly”
Wanneer alle drie remkleppenmixers worden toegepast, kan er een bijzondere kleppencombinatie worden
toegepast, die ook wel “kraai-positie”of “Butterfly” wordt genoemd: in de Butterfly-positie gaan de beide rolroeren
iets naar boven en de welfkleppen zover mogelijk naar beneden.
Via een derde mixer wordt het hoogteroer zo
bijgetrimd, dat de vliegsnelheid ten opzichte van de normale snelheid niet wezenlijk verandert. Anders riskeert u
namelijk dat het model bij het indraaien van de landingskleppen, bv. wanneer het veld tóch net niet gehaald wordt
bij de landing, neerstort.
* N.N. = Nomen Nominandum ( de te noemen naam)
Dit samenspel van de welfkleppen, rolroeren en hoogteroer gebruikt men, om de glijhoek bij de landing aan te
kunnen passen. (De Butterfly-kleppen-positie wordt met name bij zweefmodellen vaak in plaats van rem- resp.
stoorkleppen toegepast.)
Aanwijzing:
Bij doorlopende rolroeren, die de gehele achterlijst van de vleugel beslaan en tegelijkertijd als welfkleppen
dienen, kunnen de beide mixers “rem rolroer” en “rem hoogteroer” samen worden toegepast, om de als
welfkleppen dienende rolroeren sterk naar boven te kunnen zetten en het hoogteroer dienovereenkomstig te
kunnen bijtrimmen.
Afhankelijk van de rolroerdifferentiatie wordt het effect van de rolroeren door het omhoog zetten ervan in de
Butterfly-positie meer of minder verslechterd, omdat de rolroeruitslagen naar beneden door de differentiatie
verkleind of ten opzichte van de uitslagen naar boven zelfs onderdrukt worden (Split-positie). De uitslagen naar
boven kunnen echter niet verder vergroot worden, omdat de rolroeren sowieso al bijna of helemaal in de extreme
positie staan. Handig hierbij is de “differentiatie-reductie”, die verder hieronder in een eigen onderdeel wordt
uitgelegd.
HO -> WK (hoogteroer welfklep)
Ter ondersteuning van het hoogteroer bij scherpe bochten en bij kunstvlucht kan de welfkleppenfunctie via een
mixer door de hoogteroersturing worden meegenomen. De mixrichting moet zó gekozen worden, dat bij een
hoogteroer naar boven (up) de welfkleppen naar beneden en andersom bij hoogteroer naar beneden (down) de
welfkleppen naar boven – dus tegengesteld – uitslaan.
Gelijktijdig aantippen van de toetsen ▲▼of ◄► van de rechter touch-toets (CLEAR) zet een veranderde waarde
terug naar 0%.
Bij deze mixer liggen de “normale” waarden rond enkele tientallen procenten.
HO -> RO (hoogteroer rolroer)
Met deze mixer kunt u het hoogteroereffect, net als bij de voorgaande mixer, ondersteunen.
Gelijktijdig aantippen van de toetsen ▲▼of ◄► van de rechter touch-toets (CLEAR) zet een veranderde waarde
terug naar 0%.
Het instelbereik bedraagt ±150%. Ook bij deze mixer liggen de “normale” waarden rond enkele tientallen
procenten.
WK -> HO (welfklep hoogteroer)
Bij het zetten van welfkleppen, of dit nu via “fasentrim” of via een aan de ingang “i6 “ toegewezen stuurelement
plaatsvindt, kunnen als neveneffect momentbewegingen om de dwars-as ontstaan. Het kan echter ook gewenst
zijn, dat bv. het model na een licht omhoog zetten van de welfkleppen ook iets meer snelheid moet gaan maken.
Met deze mixer kunt u beide dingen bereiken.
Via deze mixer wordt bij het uitdraaien van de kleppen- afhankelijk van de ingestelde waarde - automatisch de
positie van het hoogteroer gecorrigeerd.
Het instelbereik bedraagt ±150%. Bij deze mixer liggen de “normale” waarden enkele tientallen procenten.
Gelijktijdig aantippen van de toetsen ▲▼of ◄► van de rechter touch-toets (CLEAR) zet een veranderde waarde
terug naar 0%.
WK -> RO (welfklep rolroer)
Om een gelijkmatig verdeelde lift over de hele spanwijdte te krijgen, wordt met deze mixer een instelbaar
percentage van de welfkleppensturing naar de rolroerkanalen 2 en 5 overgedragen. Daardoor bewegen de
rolroeren zich bij een uitslag van de welfkleppen in dezelfde richting als de welfkleppen, maar normaal gesproken
met een kleinere uitslag.
Het instelbereik bedraagt ±150%. Bij deze mixer liggen de “normale” waarden rond ongeveer 50%.
Gelijktijdig aantippen van de toetsen ▲▼of ◄► van de rechter touch-toets (CLEAR) zet een veranderde waarde
terug naar 0%.
Aanwijzing:
Laat de waarde van deze mixer op 0%, wanneer u in het menu “instelling stuurelement” zowel aan de ingang 5
als aan de ingang 6 een stuurelement voor de bediening van de welfkleppenpositie toewijst. Zie hiervoor ook de
opmerkingen op bladzijde 98.
Diff. –red. (differentiatie-reductie)
Al eerder werd de problematiek bij de Butterfly-configuratie beschreven, namelijk dat bij het toepassen van de
rolroerdifferentiatie het effect van de rolroeren door het extreme omhoog zetten van de rolroeren sterk wordt
verkleind, omdat aan de ene kant een verdere uitslag van het ene rolroer naar boven (bijna) niet meer mogelijk is
en aan de andere kant de uitslag van het naar beneden uitslaande rolroer door de ingestelde differentiatie meer
of meer “verhinderd” is. Daardoor is echter de werking van de rolroeren merkbaar kleiner dan bij de normale
positie van de roeren.
Om het verlies aan rolroersturing zoveel mogelijk tegen te gaan, moet u in ieder geval gebruik maken van de
“differentiatie-reductie”. Deze reduceert bij het uitdraaien van het remsysteem de hoeveelheid rolroerdifferentiatie
continu en in een instelbare hoeveelheid resp. heft deze, afhankelijk van de instelling, zelfs op.
Een waarde van 0% betekent, dat de via de zender geprogrammeerde “rolroerdifferentiatie” blijft bestaan. Een
waarde die gelijk is aan de %-waarde van de rolroerdifferentiatie betekent, dat deze bij een maximale Butterfly-
functie, d.w.z. volledig uitgedraaide kleppen, volledig opgeheven is. Bij een reductiewaarde groter dan de
ingestelde rolroerdifferentiatie wordt deze al vóór de volledige uitslag van de remstuurknuppel opgeheven.
Het instelbereik bedraagt 0 tot 150%.
Gelijktijdig aantippen van de toetsen ▲▼of ◄► van de rechter touch-toets (CLEAR) zet een veranderde waarde
terug naar 0%.
Helimixers
Vliegfase-afhankelijke instelling van pitch, gas en hekrotor
In het menu “basisinstelling” kan door het toewijzen van schakelaars aan “fase 2”, “fase 3” en/of “autorotatie”
een omschakeling van vliegfasen worden geactiveerd. Met één van de schakelaar SW 2 … 8 kan dan
omgeschakeld worden tussen de fase “normaal” en de eventueel van een passende naam voorziene “fase 2”,
“fase 3” en met een andere naar “autorotatie”.
“Fase 2” heeft echter voorrang op “fase 3” en de omschakeling naar autorotatie heeft altijd voorrang op
de beide andere fasen, zie bladzijde 77/78.
Wanneer u voor de omschakeling nog geen schakelaar heeft toegewezen, dan moet u dit nu doen. Wissel
daarvoor met de pijltoetsen van de linker touch-toets naar het schakelaarsymbool in de kolom rechts onder en
raak dan de centrale SET-toets van de rechter touch-toets aan. De toewijzing van een schakelaar vindt dan
plaats zoals beschreven op bladzijde 48:
pitch min achter
klokken 10:01 G3
fase 2 hover 5
fase 3 speed 4
autorotat. 2
De fase 1 draagt altijd de benaming “normaal”. Zowel het nummer als de naam van deze vliegfase staat vast en
kan niet worden veranderd, zodat in het menu “basisinstelling” de fase “normaal” niet als fase 1 wordt
weergegeven, maar verborgen blijft.
“fase 2” is voorzien van de fasenaam ”hover” en fase 3 van de naam “speed”. Deze naam kan na een aanraken
van de centrale SET-toets van de rechter touch-toets echter met behulp van de pijltoetsen van de rechter touch-
toets worden gewijzigd in één van de volgende aanduidingen:
Hover
Acro
Acro 3D
Speed
Test
Beschrijving van de helimixers
Voor de instellingen van de stuurcurven van “pitch”, “K1 gas” en “K1 hekrotor” kunt u beschikken over 5-
punts-curven. Bij deze mixers kunnen niet-lineaire mixverhoudingen langs de stuurknuppeluitslag worden
geprogrammeerd. Wissel van de displaypagina naar de instelling van de 5-punts-curven door het aanraken van
de centrale SET-toets van de rechter touch-toets, zie verder hieronder.
In de vanaf bladzijde 113 beschreven vliegfase “autorotatie” zijn de mixers “K1 gas” en “K1 hekrotor” niet
meer nodig en worden daarom naar een – instelbare- vaste waarde omgeschakeld.
In de regels “gyro” en “ing.8” kan na het aanraken van de centrale SET-toets van de rechter touch-toets eventueel
in het inverse veld een waarde worden ingevoerd met de pijltoetsen van de rechter touch-toets – op dezelfde
manier als bij de middenverstelling van stuurelementen resp. de offsetinstelling van andere radiobesturingen.
Deze instelmogelijkheden worden afgerond door de optie “TS-limiet”: deze begrenst afhankelijk van de instelling
de maximale uitslag van de tuimelschijfservo’s als een soort limiter. Deze instelopties zijn voor de basisinstelling
van de helikopter bedoeld.
Gewijzigde instellingen kunnen altijd door een gelijktijdig aantippen van de toetsen ▲▼ of ◄► van de rechter
touch-toets (CLEAR) weer naar de standaardwaarden worden teruggezet.
Om de instellingen telkens gericht te kunnen doorvoeren, wordt de naam van de desbetreffende vliegfase in het
menu “helimix” op het display en in de basisaanduiding van de zender zichtbaar gemaakt. De wissel tussen de
verschillende vliegfasen vindt “aan de servo-kant” niet abrupt plaats, maar met een vast gegeven omschakeltijd
van ca. 1 seconde. Alleen NAAR de autorotatiefase wordt er direct omgeschakeld.
Wanneer u dus voor een bepaalde vliegfase een schakelaar omzet, wordt er aan de onderste rand van het
display de bijbehorende vliegfase getoond, bv. “normaal”:
pitch =>
K1 -> gas =>
K1 -> hek =>
gyro 0%
ing8 0%
<normaal>
Nu kunnen de instellingen voor deze vliegfase worden geprogrammeerd.
Principes van de programmering
1. Met de pijltoetsen ▲▼van de linker of rechter touch-toets de gewenste optie uitkiezen.
2. De centrale SET-toets van de rechter touch-toets aanraken. Het display wisselt naar de instelpagina
(symbool aan de rand rechtsonder) of het desbetreffende invoerveld wordt invers getoond.
3. Mixerwaarden met de pijltoetsen van de rechter touch-toets vastleggen, waarbij eventueel ook de gas-
/pitchstuurknuppel bewogen moet worden.
Gewijzigde instellingen kunnen altijd door een gelijktijdig aantippen van de toetsen ▲▼ of ◄► van de
rechter touch-toets (CLEAR) weer naar de standaardwaarden worden teruggezet.
4. De centrale SET-toets van de rechter touch-toets aanraken om de invoer te beëindigen.
Pitch (pitchcurve (K1 pitch))
Wissel eventueel met de pijltoetsen ▲▼van de linker of rechter touch-toets naar de regel “pitch” en raak de
centrale SET-toets van de rechter touch-toets aan:
pitch
ingang 0%
uitgang 0%
punt 3 0%
<normaal>
De stuurcurve kan door maximaal 5 punten, de zogenaamde “steunpunten”, over de hele stuuruitslag per
vliegfase worden vastgelegd.
Normaal gesproken zijn er echter minder steunpunten nodig, om de curve te kunnen instellen. In principe is het
raadzaam, om eerst met de 3 steunpunten te beginnen, die in de softwarematige basis-instelling al actief zijn.
Deze drie punten, en wel de beide eindpunten “punt 1” (pitchminimum) en “punt 5” (pitchmaximum) alsmede “punt
3” , precies in het midden, beschrijven eerst – zoals in de bovenstaande afbeelding van een display te zien is –
een lineaire karakteristiek voor de pitchcurve.
Programmering in details:
Schakel eerst naar de gewenste vliegfase om, b.v. “normaal”.
Met de gas-/pitchstuurknuppel wordt in de grafiek een verticale lijn synchroon tussen de beide eindpunten “punt
1” en “punt 5” verschoven. De huidige stuurknuppelpositie wordt ook numeriek in de regel “ingang” aangeduid (-
100% tot +100%).
Het snijpunt van deze verticale lijn met de desbetreffende curve is als “uitgang”aangeduid en kan aan de
steunpunten tussen –125% en +125% gevarieerd worden. Dit stuursignaal heeft alleen effect op de pitchservo’s.
In de afbeelding links bevindt de stuurknuppel zich exact in “punt 3” bij 0% stuuruitslag en maakt vanwege de
lineaire karakteristiek een uitgangssignaal van ook 0%.
Standaard zijn alleen de punten “1” (pitchminimum bij -100%), “3” (hoverpunt bij 0%) en “5” (pitchmaximum bij
+100% stuuruitslag) actief.
Voor het instellen beweegt u de verticale lijn met de stuurknuppel op het te veranderen steunpunt. Nummer en
actuele curvenwaarde van dit punt worden in de linker helft van het display in de regel “punt” getoond. Met de
pijltoetsen van de rechter tiptoets kan in het inverse veld de huidige curvenwaarde tussen –125% en +125%
veranderd worden, en wel zonder de steunpunten ernaast te beïnvloeden.
pitch
ingang 0%
uitgang +75%
punt 3 +75%
<normaal>
Als voorbeeld werd hier de steunpuntwaarde “3” op +75% gezet.Naar keuze kunt u echter de standaard inactieve
punten “2” bij -50% …
pitch
ingang -50%
uitgang -12%
punt 2 inact
<normaal>
…. en “4” bij +50% …
pitch
ingang +50%
uitgang +88%
punt 4 inact
<normaal>
… geactiveerd worden. Beweeg daarvoor de verticale lijn met de stuurknuppel naar de gewenste plaats. Zodra in
het inverse waarden-veld “inact(ief)” verschijnt, kan het bijbehorende punt door bedienen van de pijltoetsen van
de rechter touch-toets worden geactiveerd en net als de andere punten worden ingesteld …
pitch
ingang +50%
uitgang -50%
punt 4 -50%
<normaal>
… of door een gelijktijdig aantippen van de pijltoetsen ▲▼ of ◄► van de rechter touch-toets (CLEAR) weer op
“inact(ief)” worden teruggezet.
De punten “1” en “5” daarentegen kunnen NIET worden gedeactiveerd.
Aanwijzing:
De hier getoonde curven dienen slechts als demonstratie en stellen geen echte pitchcurven voor.
pitch
ingang 0%
uitgang -50%
punt 3 -50%
<normaal>
Voorbeeld-pitchcurven van verschillende vliegfasen:
hover kunstvlucht 3D-vlucht
K1 -> gas (gascurve)
K1 -> gas
ingang 0%
uitgang 0%
punt 3 0%
<normaal>
Helikopters met brandstofmotor of elektromotor met elektronische regelaar
Deze instelling heeft alleen betrekking op de stuurcurve van de gasservo of motorregelaar.
De instelling van de gascurve bij een helikopter met een toerenregeling wordt hierna besproken.
Op dezelfde manier als de instelling van de pitchcurve (zie vorige bladzijde) kan ook de gascurve door maximaal
5 punten worden vastgelegd.
In ieder geval moet in de eindpositie van de gas-/pitchstuurknuppel de carburateur helemaal open zijn resp.
de regelaar van een elektrohelikopter op volgas uitkomen (behalve bij de autorotatie, zie bladzijde 113).
Voor het hoverpunt, dat normaal gesproken in de middenpositie van de stuurknuppel ligt, moet de opening
van de carburateur resp. de vermogensregeling van de regelaar dusdanig aan de pitchcurve zijn aangepast,
dat het gewenste toerental van het systeem bereikt wordt.
In de minimum-positie van de gas-/pitchstuurknuppel moet de gascurve dusdanig zijn ingesteld, dat een
verbrandingsmotor met een ten opzichte van de stationairloop duidelijk hoger toerental draait en de
koppeling aangrijpt.
Het starten en afzetten van de motor – of dit nu een verbrandings- of elektromotor is - vindt in ieder geval
plaats via de gaslimiter (zie verder hieronder).
Een eventueel van andere radiobesturingssystemen overgenomen programmering van twee vliegfasen – “met
gasvoorkeuze (idle-up)” en “zonder gasvoorkeuze” – is dan overbodig. Op deze manier voorkomt u ook een
“weggeven” van een vliegfase aan de idle-up, omdat het verhogen van het toerental onder het hoverpunt in het
MX-16 HoTT-programma flexibeler en beter te programmeren is dan via de zogenaamde “idle-up” bij de oudere
MC-radiobesturingen.
Overtuig uzelf ervan dat bij het starten van de motor de gaslimiter gesloten is, en de carburateur dus alleen nog
maar met de stationairtrimming rondom de stationairpositie kan worden ingesteld. Let in ieder geval op de
veiligheidsaanwijzingen op bladzijde 111. Is de stationairpositie bij het aanzetten van de zender te hoog ingesteld,
dan wordt u optisch en akoestisch gewaarschuwd!
gas
te
hoog!
De volgende 3 diagrammen tonen (typische) 3-punts-pitchcurven voor verschillende vliegfasen zoals hover,
kunstvlucht en 3D-vlucht.
Voorbeeld-gascurven van verschillende vliegfasen:
hover kunstvlucht 3D-vlucht (afgeronde curve)
Aanwijzingen bij het toepassen van de “gaslimiet”-functie:
In ieder geval moet u van de gaslimiet-functie gebruik maken (menu “instelling stuurelement”, bladzijde
88). Daarmee is aan de linker aanslag van het gaslimiet-stuurelement de gasservo helemaal van de
gascurve gescheiden; de motor loopt op een stationair toerental en reageert alleen nog op de K1-trimming.
Deze voorziening maakt het mogelijk, om vanuit iedere vliegfase de motor te kunnen starten.
Na het starten schuift u de gaslimiter naar de tegenoverliggende aanslag, om de gasservo weer geheel via
de gas-/pitchstuurknuppel te kunnen bedienen. Om er voor te zorgen ,dat de gasservo aan de bovenste
aanslag niet door de gaslimiter wordt begrensd, moet u in het menu “instelling stuurelement” de uitslag
van het stuurelement aan de plus-kant van de kolom “weg” op +125% zetten.
Omdat elektro-aandrijvingen natuurlijk geen instelling van de stationairloop nodig hebben, moet u er in het
kader van het instellen van een elektro-helikopter alleen op letten dat het regelbereik van de gaslimiter in
ieder geval onder en boven de -100% resp. +100% van de motorregelaar komt. Eventueel moet dus in de
regel “lim” van het menu “instelling stuurelement” de “weg”-instelling van de gaslimiter hieraan worden
aangepast. De afstemming van de gascurve zelf gaat echter op dezelfde manier als bij een helikopter met
verbrandingsmotor.
Parallel met het vrijgeven van het gas resp. het opnieuw begrenzen wordt het schakelpunt van de
stuurelement-schakelaar “G3” gepasseerd, waarmee u b.v. automatisch de stopwatch voor het opnemen van
de vliegtijd kunt starten en stoppen, zie bladzijde 48.
Bij de autorotatie wordt vanuit deze mixer automatisch naar een vooraf ingestelde vaste waarde
omgeschakeld, zie bladzijde 113.
Helikopter met toerenREGELAAR
In tegenstelling tot ‘gewone’ elektronische regelaars, die net als de carburateur van een verbrandingsmotor
slechts een vermogensregeling kennen, houdt een toerenregelaar het toerental van het systeem constant, door
het vermogen zelf te regelen. In het geval van een verbrandings-heli bedient de regelaar dus zelfstandig de
gasservo resp. bij een elektroheli de regelaarfunctie. Toerentalregelaars hebben daarom ook geen klassieke
gascurve nodig, maar alleen een vastgelegd toerental. Een afwijken van het ingestelde toerental vindt pas dan
plaats, wanneer het benodigde vermogen groter is dan het eigenlijke vermogen, dat de motor kan opbrengen.
Normaal gesproken is voor de aansluiting van een toerenregelaar de ontvangeruitgang 8 bedoeld, zie
ontvangerbezetting op bladzijde 56. Wanneer deze aansluiting wordt gebruikt, vervalt echter de functie van de
gaslimiter, omdat deze uitsluitend via de mixer “K1gas” effect heeft op de – dan ongebruikte- uitgang 6.
Om echter toch de comfortabele en veilige eigenschappen van de gaslimiter te kunnen gebruiken, moet de
toerenregelaar afwijkend van de algemene aanwijzingen aan ontvangeruitgang 6 worden aangesloten en moet de
gascurve worden aangepast, zodat deze de taak van het “normale” stuurelement kan overnemen.
Omdat dus in dit geval de “gascurve” alleen het gewenste toerental van de motorcontroller bepaalt en dit
gewenste toerental normaal gesproken over het hele pitch-bereik constant moet blijven, moet bij de mixer
“K1gas” een horizontale lijn worden ingesteld – iedere (pitch-) ingangswaarde heeft dezelfde (“gas’-)
uitgangswaarde ten gevolg – waarvan de “hoogte” het gewenste toerental bepaalt.
Eerst wordt daarom steunpunt “3” gewist en daarna worden de steunpunten “1” (ingang = -100%) en “5”(ingang =
+100%) op dezelfde waarde ingesteld, bijvoorbeeld:
K1 -> gas
ingang -100%
uitgang +30%
punt 1 +30%
<normaal>
De in te stellen waarde hangt af van de gebruikte toerenregelaar en van het gewenste toerental en kan natuurlijk
per vliegfase verschillen.
Bij de autorotatie wordt vanuit deze mixer automatisch naar een vooraf ingestelde vaste waarde
omgeschakeld, zie bladzijde 113.
K1 -> hekrotor (statische koppel-compensatie)
K1 -> hek
ingang 0%
uitgang 0%
punt 3 0%
<normaal>
Standaard is een draaimoment-compensatie met een lineair percentage van steeds 0% ingesteld, zoals nodig is
voor een “Heading-Lock”-gyro, zie afbeelding hierboven.
Belangrijke aanwijzing:
Let in dit verband in ieder geval op de handleiding bij uw gyro, omdat anders het risico bestaat, dat uw
heli eventueel onbestuurbaar wordt.
Gebruikt u uw gyro daarentegen in de “normale” modus, of heeft deze alleen maar de zogenaamde “normale
modus”, dan moet u de mixer als volgt instellen:
Op dezelfde manier als de instelling van de pitchcurve (zie voorgaande bladzijden) kan ook de stuurcurve van de
hekrotor door maximaal 5 punten worden gedefinieerd. U kunt daarom de mixer bij behoefte op elk moment
wijzigen en boven en onder het hoverpunt zowel symmetrische als asymmetrische mixerpercentages invoeren.
Overtuigt u zich er eerst van, dat in het menu “basisinstelling” de juiste rotor-draairichting werd geselecteerd.
K1 -> hek
ingang 0%
uitgang 0%
punt 3 0%
<normaal>
Uitgaand van -30% bij punt 1 en +30% bij punt 5 moet de instelling van de mixer zó plaatsvinden, dat de
helikopter bij langere verticale stijg- en daalvluchten niet - door het ten opzichte van het hoveren veranderde
draaimoment van de hoofdrotor - wegdraait om de verticale as. Bij het hoveren moet de trimming alleen
plaatsvinden via de (digitale) hekrotor-trimhevel.
Voorwaarde voor een veilige instelling van de draaimoment-compensatie is dat de pitch- en gascurven correct
werden ingesteld, het toerental van de rotor dus over het hele verstelbereik van de pitch constant blijft.
Bij de autorotatie wordt vanuit deze mixer automatisch uitgeschakeld.
Gyro (instellen van de gyro-gevoeligheid (‘gain’))
De meeste moderne gyro’s bezitten niet alleen een proportionele, traploos instelbare gevoeligheidsregeling,
maar ook de keuze tussen twee verschillende stuurmodi vanuit de zender. Mocht de door u toegepaste gyro ook
minstens één van deze opties hebben, dan biedt deze optie- net als de middenverstelling resp. Offsetinstelling bij
andere radiobesturingen- u de mogelijkheid om tussen zowel de “normale” als “Heading-Lock”-functie van de gyro
om te schakelen en ook binnen beide functies bijvoorbeeld normale, langzame rondvluchten met maximale
stabilisatie te vliegen, maar daarentegen bij snelle rondvluchten en kunstvluchten de gevoeligheid van de gyro te
verkleinen.
Gebruik hiervoor ook de omschakeling tussen vliegfasen om de verschillende instellingen in de regel “gyro” te
kunnen invoeren. Waarden tussen -125% en +125% zijn mogelijk.
pitch =>
K1 -> gas =>
K1 -> hek =>
gyro 0%
ing8 0%
<normaal>
Gebaseerd op deze vliegfasen-specifieke instellingen kan de gyro-gevoeligheid (‘gain”) met een in de regel “gyr”
van het menu “instelling stuurelement” (bladzijde 87) toegewezen stuurelement, bv. CTRL 8, ook nog traploos
worden gevarieerd:
In de middenpositie van dit stuurelement komt de gevoeligheid van de gyro overeen met de hier
gekozen instellingen.
Wordt de proportionele draaiknop CTRL 8 in dit voorbeeld vanuit de middenpositie naar de volledige
uitslag bewogen, dan wordt de gevoeligheid van de gyro dienovereenkomstig groter …
… en kleiner, naar mate u het stuurelement vanuit de middenpositie naar de andere kant beweegt.
Belangrijke aanwijzing:
Let in dit verband in ieder geval op de handleiding bij uw gyro, omdat anders het risico bestaat, dat uw
heli eventueel onbestuurbaar wordt.
Instelling van de gyro-sensor
Om een maximaal mogelijke stabilisatie van de helikopter om de hoogte-as door de autopiloot te bereiken, moet u
op de volgende zaken letten:
De aansturing moet licht lopen en zo weinig mogelijk speling hebben.
De stuurstang mag niet doorveren.
Een sterke en vooral snelle servo toepassen.
Hoe sneller als reactie van de gyro-sensor op een draaien van het model een bijbehorende correctie van de
hekrotor tot stand komt, des te verder kan de “gain” (gevoeligheid) van de gyro worden verhoogd, zonder dat de
staart van het model gaat “kwispelen” en des te beter is ook de stabiliteit om de hoogte-as. Anders bestaat het
gevaar, dat de staart al bij een gering ingestelde gevoeligheid van de autopiloot begint te schommelen, wat dan
weer door een verdere reductie van het autopiloot-effect via de waarde bij “gyro” resp. via de draaiknop CTRL 8
in dit voorbeeld moet worden tegengegaan.
Ook een hoge voorwaartse snelheid van het model resp. hoveren bij een sterke tegenwind kan er toe leiden, dat
het stabiliserende effect van het kielvlak samen met de autopiloot tot een overreactie leidt, dat weer zichtbaar
wordt door een schommelen van de staart. Om in iedere situatie een optimale stabilisatie door de autopiloot te
bereiken, moet u de optie benutten om de gevoeligheid van de gyro vanuit de zender 5 aan te passen.
Ing8 (ingang 8)
pitch =>
K1 -> gas =>
K1 -> hek =>
gyro 0%
ing8 0%
<normaal>
De instelmogelijkheden van de ze menuregel zijn alleen dan relevant, wanneer een toerenregelaar voor het
constant houden van het toerental wordt toegepast en u deze op de “klassieke” manier wilt aansturen. De
instellingen moeten dan volgens de handleiding bij het gebruikte systeem worden uitgevoerd.
Comfortabeler – bij een tegelijkertijd verhoogde veiligheid – is echter de op al eerder beschreven methode bij het
gebruik van de mixer “K1gas”.
begrenzing van de tuimelschijf
K1 -> gas =>
K1 -> hek =>
gyro 0%
ing8 0%
ts-limiet uit
<normaal>
Deze functie heeft het effect, dat het normaal gesproken rechthoekige uitslag-bereik van de knuppel, die de
tuimelschijf stuurt, nu over een cirkelvormig gebied wordt begrensd. Wordt namelijk de helikopter zo ingesteld, dat
de uitslagen van rol resp. nick het mechanisch mogelijke maximum bereiken, zoals bv. bij het 3D-helivliegen, dan
bereikt bij een gelijktijdige uitslag van rol en nick de tuimelschijf een veel grotere uitslag dan normaal
(rekenkundig 141%). Het mechaniek van de tuimelschijf kan uitslijten en in extreme gevallen kunnen bv. de
kogelkoppen losspringen.
In de zender MX-16 HoTT maakt een software-functie een begrenzing van de tuimelschijf-uitslag mogelijk, dus
van de hoek die de tuimelschijf kan maken, van 100% (de uitslag is begrensd op de waarde, die door één van de
functies rol resp. nick alleen bereikt kan worden) tot 149% (geen begrenzing werkzaam) resp. “uit” (de functie is
compleet gedeactiveerd). De TS-begrenzing is ook nog model- en fasenspecifiek in te stellen.
Deze software-oplossing is veel flexibeler dan een over de stuurknuppel aangebrachte schijf, die trouwens alleen
maar te gebruiken is, wanneer de functies rol en nick via één van de beide stuurknuppels worden bediend.
De hiernaast afgebeelde schets geeft het effect bij een instelling van 100% weer. Het gestippelde gedeelte van
de uitslag wordt weggehaald en is dus loos bereik.
Bij gebruik van deze functie moet “Dual Rate” op 100% staan en er mogen in geen geval Dual-Rate-waarden
groter dan 100% worden toegepast, omdat anders bv. bij een begrenzing van de tuimelschijf op 100% al bij
rol/nick apart een begrenzing optreedt.
Instelbereik: 100 … 149% en “uit”.
Het afstemmen van de gas- en pitchcurve
Praktische tips
De aansturing van gas en collectieve pitch vindt weliswaar via aparte servo’s plaats, maar deze worden altijd
(behalve in de autorotatie-vliegfase) samen door de gas-/pitchstuurknuppel bediend. De koppeling wordt
automatisch door het helikopterprogramma tot stand gebracht. De trimhevel van stuurfunctie 1 heeft in het MX-16
HoTT-programma alleen effect als stationairtrimming op de gasservo (zie “digitale trimming” op bladzijde 49).
De afstemming van gas en pitch, dus de vermogenscurve van de motor met de collectieve bladverstelling, is de
belangrijkste instelling bij het helikoptermodel. Het programma van de MX-16 HoTT biedt een onafhankelijke
instelling van de gas- pitch- en draaimoment-compensatiecurven .
Deze curven kunnen door maximaal 5 punten worden gekarakteriseerd. Daarbij kunt u voor de 5 punten
individuele waarden invoeren, die de verschillende stuurcurven vastleggen.
Voordat u een instelling van de gas- en pitchfunctie doorvoert, moeten de stangen van alle servo’s volgens de
aanwijzingen van de desbetreffende helikopterfabrikant op de juiste manier worden afgesteld.
Opmerking:
Het hoverpunt moet normaal gesproken in de middenpositie van de gas-/pitchstuurknuppel liggen.
Stationair-instelling en gascurve
Aanwijzing:
Omdat elektrische aandrijvingen geen stationaire instelling nodig hebben, vervalt de noodzaak van deze
afstelling. De hier beschreven afstemming van de gas- en pitchcurve(n) moet echter wel op dezelfde manier als
bij een verbrandings-heli plaatsvinden.
De op de bladzijden 88 tot 90 uitvoerig beschreven stationair-instelling vindt uitsluitend plaats bij een gesloten
gaslimiter met de trimhevel van de K1-functie. De programmering van punt 1 van de gascurve heeft een instelling
van het motortoerental bij de daalvlucht tot gevolg, zonder de hover-instelling te beïnvloeden.
Hier kunt u bv. de vliegfase-programmering benutten om verschillende gascurven in te stellen. Dit verhoogde
systeemtoerental is zinvol onder het hoverpunt, bv. bij snelle, steile landingen met ver teruggenomen pitch en bij
kunstvlucht.
De afbeelding toont een curve met licht gewijzigde carburateur-instelling onder het hoverpunt in het midden van de stuuruitslag.
uitgang stuuruitslag
Gascurven die per vliegfase verschillend zijn worden geprogrammeerd om zowel voor het hoveren als voor de
kunstvlucht steeds een optimale afstemming te hebben:
Laag systeemtoerental met rustige, soepele stuurreacties en laag geluidsniveau bij het hoveren.
Hoger toerental voor de kunstvlucht bij een maximaal motorvermogen. In dit geval zal de gascurve ook bij
het hovergedeelte moeten worden aangepast.
De basisinstelling
Hoewel pitch- en gascurven in de MX-16 HoTT zender in grote mate elektronisch kunnen worden ingesteld, moet
u alle aansturingen in het model volgens de aanwijzingen in de handboeken bij de helikopter al mechanisch
correct worden ingesteld. Ervaren helikoptervliegers willen u zeker graag helpen bij deze afstellingen.
De aansturing van de carburateur moet zo zijn ingesteld, dat de carburateur in de volpitch-positie nét helemaal
open is, resp. de motorsteller van een elektroheli helemaal doorschakelt. Bij een gesloten gaslimiter moet de
carburateur met de K1-trimhevel (snelle verstelling van de drossel via de “digitale trimming” zie bladzijde 49) nét
helemaal gesloten kunnen worden, zonder dat de servo mechanisch aanloopt. In het geval van een elektroheli
moet bij een gesloten gaslimiter de motor veilig uit staan.
Stelt u deze instellingen heel zorgvuldig in, door de stuurstang aan te passen en/of een ander gaatje aan de
servo- resp. carburateurhevel te kiezen. Pas daarna moet u de fijne afstelling van de gasservo elektronisch
afstellen.
Let op:
Win informatie in over de gevaren van en de veiligheidsmaatregelen voor de omgang met motoren en
helikopters, voordat u de motor voor de eerste keer start!
Met deze basisinstelling moet de motor met behulp van de bijbehorende handleiding gestart en de stationairloop
met de trimhevel van de gas-/pitchknuppel ingesteld worden. de stationairloop, die door u wordt ingesteld, wordt
in de basisaanduiding aangegeven door een dwarse balk bij de positieaanduiding van de K1-trimhevel. Zie
hiervoor de beschrijving van de digitale trimming op bladzijde 49 van dit handboek.
Ongeveer in het midden van de knuppeluitslag hoort het model los te komen en met een ongeveer bijpassend
toerental te hoveren. Is dit niet het geval, dan gaat u als volgt te werk:
1. Het model komt pas los, wanneer de pitchknuppel zich boven het midden bevindt:
a) toerental is te laag
Oplossing: verhoog in de mixer “kanaal 1gasde parameterwaarde van punt 3.
b) het toerental is te hoog
Oplossing: In de “pitchcurve” de waarde van de pitch (instelhoek rotorblad) in punt 3 vergroten.
2. Het model komt al los voordat de pitchknuppel zich in de middenpositie bevindt:
a) toerental is te hoog
Oplossing: verkleint u de opening van de carburateur door reduceren van de waarde van punt 3 in de grafiek van “K1 gas”.
b) toerental is te laag
Oplossing: verkleint u de pitch (instelhoek rotorblad) in de “pitchcurve” voor punt 3 van de grafiek “pitch”.
Belangrijk:
deze instelling moet zó lang worden doorgevoerd, totdat het model in de middenpositie van de gas-
/pitchstuurknuppel met het juiste toerental hovert. Van een correcte instelling zijn later alle modelparameters
afhankelijk!
De standaard-afstemming
Op basis van de hierboven beschreven instelling, waarbij het model bij het normale vliegen met een correct
toerental hovert bij een middenpositie van de gas-/pitchstuurknuppel, wordt de standaard-afstemming
gecompleteerd: bedoeld is een afstemming, waarbij het model het hoveren en rondvluchten in alle fasen met een
constant toerental kan uitvoeren.
De stijgvlucht-afstemming
De combinatie van de hover-instelling van het gas, de pitchinstelling voor het hoverpunt en de maximum-positie
( punt 5) maakt het nu op een eenvoudige manier mogelijk, om een constant toerental te hebben van hoveren tot
en met de stijgvluchten.
Maakt u eerst een langere verticale stijgvlucht, door de pitchknuppel in de eindpositie te brengen. Het toerental
van de motor mag daarbij ten opzichte van het hoveren niet veranderen. Wordt het toerental kleiner, hoewel de
carburateur helemaal open is en de motor optimaal is afgesteld, dan moet u de maximale bladinstelhoek bij een
volledige uitslag van de pitchstuurknuppel verkleinen, dus de waarde van punt 5. Omgekeerd moet de instelhoek
vergroot worden, wanneer het toerental van de motor tijdens een stijgvlucht toeneemt. Breng dus in de grafiek
van “pitch” de verticale lijn met de pitchknuppel naar punt 5 en verander de waarde daarvan met de pijltoetsen
▲▼ van de rechter touch-toets.
Deze afbeelding toont alleen veranderingen van de maximale pitchwaarde.
uitgang stuuruitslag
Brengt u het model daarna weer in de hoverpositie, die bij een middenpositie van de K1-knuppel bereikt moet
worden. Moet voor het hoverpunt de pitchknuppel nu vanuit de middenpositie in de richting van een hogere
waarde bewogen worden, dan compenseert u deze afwijking door de pitchhoek bij het hoveren - dus punt 3 - een
beetje te verhogen, tot het model weer hovert bij een middenpositie van de knuppel. Hovert het model
daarentegen ónder de middenpositie van de stuurknuppel, dan moet de instelhoek dienovereenkomstig verkleind
worden.
Soms kan het nodig zijn, om de carburateuropening voor het hoveren (punt 3) van “K1 gas” te corrigeren.
Deze afbeelding toont alleen de verandering van het hoverpunt, d.w.z. pitchminimum en –maximum werden op –100% resp.
+100% gelaten.
Pas deze instellingen zo lang aan, totdat er echt een constant toerental over de hele stuuruitslag tussen hover- en
stijgvlucht is bereikt.
De instelling van de daalvlucht wordt op dezelfde manier afgesteld, door het model vanuit de voorwaartse vlucht
en uit een grotere hoogte met volledig teruggenomen pitch te laten dalen en de pitchminimum-waarde (punt 1) zó
in te stellen, dat het model onder een hoek van 60…80 daalt. Breng dus in de grafiek van “pitch” de verticale lijn
met de pitchknuppel naar punt 1 en verander de waarde daarvan met de pijltoetsen van de rechter touch-toets.
.
Deze afbeelding toont alleen veranderingen van de minimale pitchwaarde
uitgang stuuruitslag
Wanneer u dit vliegbeeld heeft bereikt, stelt u de waarde voor “gas min ” – de waarde van punt 1 op de grafiek
van “K1 gas”- dusdanig in, dat het toerental niet af- of toeneemt. De afstemming van gas en pitch is daarmee
afgesloten.
Afsluitende belangrijke opmerkingen
Controleer vóór het starten van de motor, dat de gaslimiter helemaal gesloten is en de carburateur alleen nog via
de K1-trimhevel bediend kan worden. Bij het inschakelen van de zender wordt u optisch en akoestisch
gewaarschuwd, wanneer de carburateur nog te ver open staat. Bij een te ver geopende carburateur resp. te ver
“geopende” regelaar bestaat anders het gevaar, dat de motor direct na het starten met een hoog toerental gaat
lopen en de koppeling direct aangrijpt.
Daarom moet u de
rotorkop tijdens het starten altijd vasthouden.
Mocht de motor desondanks toch een keer per ongeluk met een ver geopende carburateur gestart worden, dan
geldt altijd:
Het hoofd koel houden! Rotorkop in ieder geval vasthouden! Nooit loslaten,
maar direct de gaslimiter terugnemen, ook met het risico, dat de aandrijving in het uiterste geval beschadigd
wordt, want
ú moet er voor zorgen, dat de helikopter nooit ongecontroleerd kan wegvliegen.
De reparatiekosten van een koppeling of van de motor zijn verwaarloosbaar in vergelijking met de schade, die
een onbestuurbaar helikoptermodel met zijn rondslaande bladen kan veroorzaken.
Let u er ook op, dat geen andere personen zich in de directe omgeving van de helikopter
ophouden.
Het omschakelen van de stationaire- naar de vliegpositie met een verhoogd toerental mag niet abrupt
plaatsvinden. De rotor zou daardoor plotsklaps versnellen, wat leidt tot een voortijdige slijtage van koppeling en
tandwielen. Ook kunnen de normaal gesproken zwenkbaar opgehangen rotorbladen deze abrupte acceleratie niet
volgen, zodat ze ver uit hun normale positie zwenken en eventueel in de hekbuis kunnen inslaan.
Na het starten van de motor moet u daarom het systeem met de gaslimiter langzaam op toeren brengen.
Helimixers
Instelling autorotatie
Door de autorotatie is een echte, maar ook een modelhelikopter in staat, om bijvoorbeeld na het uitvallen van de
motor veilig te landen. Ook bij een uitval van de hekrotor is het directe uitzetten van de motor en de landing in de
autorotatie de enige mogelijkheid, om een oncontroleerbare, snelle draaiing om de hoogte-as en de daaruit
resulterende crash te voorkomen daarom vindt de omschakeling NAAR de autorotatiefase ook zonder vertraging
plaats.
Bij het omschakelen naar de autorotatiefase verandert het beeld van het helimixer-menu zoals hier afgebeeld:
pitch =>
gas -90%
hek 0%
gyro 0%
ing8 0%
<autorot>
Bij een autorotatie wordt de hoofdrotor niet meer door de motor aangedreven, maar alleen – net als bij een
windmolen- door de luchtstroming door de hoofdrotor tijdens de daalvlucht. Omdat de energie, die hierdoor in de
hoofdrotor is opgeslagen bij het afvangen voor de landing weer wordt verbruikt en daarom maar één keer ter
beschikking staat, is niet alleen een grote dosis ervaring met het vliegen van helikoptermodellen noodzakelijk,
maar ook een goed overdachte instelling van de bovengenoemde functies.
De gevorderde piloot moet regelmatig deze autorotaties oefenen, niet alleen om zich daarmee op wedstrijden te
kunnen bewijzen, maar ook om na het uitvallen van de motor zijn helikopter uit een grotere hoogte schadevrij te
kunnen landen. Hiervoor zijn er in het programma een aantal instelmogelijkheden aanwezig, die er voor bedoeld
zijn om het vliegen mét motor te vervangen. Let u er op, dat de instelling van de autorotatie een volwaardige
derde vliegfase vormt, die over alle vliegfase-afhankelijke instelmogelijkheden beschikt, dus ook over de
trimmingen, pitchcurven-instellingen enz.
pitch (pitchcurve (K1 pitch))
Tijdens het vliegen mét motor wordt de maximale bladhoek begrensd door het ter beschikking staande
motorvermogen, in de autorotatie echter pas door loslaten van de stroming aan de hoofdrotorbladen. Voor een
voldoende grote lift, ook bij een afnemend toerental, moet een grotere maximum pitchwaarde worden ingesteld.
Wissel hier door een aanraken van de centrale SET-toets van de rechter touch-toets naar de grafiek van “pitch”
en beweeg dan de verticale lijn met de stuurknuppel naar punt 5. Stel eerst een waarde in, die ongeveer 10 tot
20% boven de normale pitchmaximum-waarde ligt. Stel NIET direct een ten opzichte van de normale waarden
wezenlijk grotere waarde in, omdat anders de pitchsturing na het omschakelen in de autorotatie heel anders zou
aanvoelen. Er bestaat namelijk dan het gevaar, dat bij het afvangen in de daalvlucht van de autorotatie het model
overstuurds wordt en weer stijgt. Dan zou namelijk het toerental van de rotor al te vroeg afnemen, zodat de
helikopter toch nog uit grotere hoogte neerstort. Later, na enkele oefen-autorotaties, kan de waarde altijd nog
bijgesteld worden.
De pitchminimum-instelling kan eventueel anders zijn dan die van de normale vliegsituatie, afhankelijk van de
gewoonten tijdens de normale vlucht. Voor de autorotatie moet u in ieder geval een dusdanig grote
pitchminimum-waarde bij punt 1 instellen, dat uw model vanuit de voorwaartse vlucht bij een middelmatige
snelheid in een daalvlucht van ca. 60…70 graden bij een volledig teruggenomen pitch kan worden gebracht.
Wanneer u, zoals de meeste helipiloten, een dusdanige instelling altijd al bij het normale vliegen toepast, dan
kunt u deze waarde gewoon overnemen.
Zou u echter uw model normaliter in een vlakkere hoek “laten vallen”, dan verhoogt u de waarde van “punt 1” en
omgekeerd.
aanvlieghoek bij verschillende hoeveelheden wind
aanvlieghoek bij sterke wind bij middelmatige wind zonder wind
De pitchknuppel zelf bevindt zich tijdens de autorotatie nu niet grotendeels in de onderste regionen, maar typisch
genoeg tussen de hoverpositie en de onderste aanslag, om eventueel b.v. ook de hellingshoek via de nicksturing
nog te kunnen corrigeren.
U kunt de aanvliegroute nog verkleinen door licht de nicksturing aan te trekken en de pitch voorzichtig te
verkleinen of het aanvliegen verlengen, door de nicksturing te drukken en de pitch te verhogen.
gas (gascurve)
Op wedstrijden wordt verwacht, dat de motor helemaal uit is. In de trainingsfase zou zijn dit zeker niet handig,
omdat u dan telkens opnieuw de motor moet starten. Stelt u bij de training de waarde van deze regel dusdanig in,
dat in de autorotatie de motor nog veilig stationair blijft lopen zonder dat de koppeling aangrijpt resp. een elektro-
aandrijving veilig “uit” is.
Hek (statische koppelcompensatie)
Bij een normale vlucht is de hekrotor zo ingesteld, dat hij bij het hoveren het draaimoment van de motor
compenseert. Hij veroorzaakt dus in de basisinstelling al een bepaalde stuwkracht. Deze stuwkracht wordt dan
door de hekrotorsturing en door verschillende mixers voor allerlei soorten van koppelcompensatie gevarieerd en
afhankelijk van de weersomstandigheden, het toerental en andere invloeden met de hekrotortrimming bijgesteld.
In de autorotatie echter wordt de hekrotor niet door de motor aangedreven. Daardoor ontstaan er ook geen
draaimomenten meer, die door de hekrotor gecompenseerd moeten worden. Daarom worden alle bijbehorende
mixers automatisch uitgeschakeld.
Omdat in de autorotatie niet langer de eerder genoemde stuwkracht nodig is, moet de basisinstelling van de
hekrotor anders zijn:
Schakelt u de motor uit en zet u de helikopter horizontaal neer. Bij ingeschakelde zender en ontvanger klapt u nu,
na keuze van de vliegfase “autorotatie” de hekrotorbladen naar beneden en verandert u nu in de regel “hek” de
waarde zolang, tot de instelhoek van de hekrotorbladen nul graden is. De hekrotorbladen staan nu van achteren
gezien parallel.
Afhankelijk van de wrijving en weerstand van de overbrenging kan het voorkomen, dat de romp nog draait. Dit
relatief kleine draaimoment moet dan ook via de instelhoek van de hekrotorbladen gecompenseerd worden. In
ieder geval ligt deze waarde tussen nul graden en een instelhoek tegen de richting van de instelhoek bij het
normale vliegen in.
Algemene opmerkingen bij de vrij programmeerbare mixers
In de beide menu’s “vleugelmix” en “helimix” op de voorgaande bladzijden zijn een heel aantal kant-en-klare
koppelfuncties beschreven. De principes van de bediening en de betekenis werden u op bladzijde 97 al uit de
doeken gedaan. Hieronder volgt algemenere informatie over de zogenaamde “vrije mixers”.
De MX-16 HoTT biedt bovenop de hierboven genoemde voorgeprogrammeerde mixers in elke
modelgeheugenplaats nog drie vrij programmeerbare lineaire mixers, waarbij u de ingang en uitgang naar eigen
goeddunken kunt definiëren.
Aan deze “vrije mixers” wordt als een willekeurige stuurfunctie (1 tot 8) of een zogenaamd “schakelkanaal”, zie
verder hieronder, toegewezen. Het op het stuurkanaal liggende en aan de mixeringang toegevoerde signaal
wordt door het desbetreffende stuurelement en door de bijbehorende karakteristiek van dit stuurelement, zoals
deze bv. in de menu’s “D/R Expo” en “instelling stuurelement” zijn vastgelegd, bepaald.
De mixeruitgang heeft effect op een vrij te kiezen
stuurkanaal ( 1 tot –afhankelijk van het type ontvanger – max.
8) die, voordat hij het signaal ingangssignaal naar de servo verstuurt, alleen nog door het menu “servo-
instelling”, dus de functie servo-omkeer, -midden en -uitslag kan worden beïnvloed. Een stuurfunctie mag
tegelijkertijd voor willekeurig veel mixeringangen worden gebruikt, wanneer bv. mixers parallel geschakeld
moeten worden.
Omgekeerd mogen ook willekeurig vele mixeruitgangen op één en hetzelfde stuurkanaal effect hebben.
Voorbeelden volgens hieronder, bij de beschrijving van de vrije mixers.
Softwarematig is een “vrije mixer” eerst altijd ingeschakeld. Naar keuze kan aan de mixer echter ook een AAN-
/UIT-schakelaar worden toegewezen. Let u echter vanwege het grote aantal schakelbare functies op een
onbedoelde dubbele bezetting van een schakelaar.
De beide wezenlijke parameters van de mixers zijn
het mixpercentage, dat bepaalt, in welke mate het ingangssignaal op het aan de uitgang van de
mixer aangesloten stuurkanaal effect heeft.
het neutraalpunt van een mixer, dat ook wordt aangeduid met “Offset”. De Offset is dat punt op de
stuuruitslag van een stuurelement (stuurknuppels, proportionele draaiknop CTRL 6 … 8 of SW 1 … 9),
waarbij de mixer het aan zijn uitgang aangesloten stuurkanaal net niet beïnvloedt. Normaal gesproken is
dit de middenpositie van het stuurelement. De Offset kan naar een willekeurige plaats van de
stuuruitslag worden verschoven.
Schakelkanaal “S” als mixeringang
Soms is echter slechts een constant stuursignaal als mixeringang nodig, om bv. bij een gesloten sleepkoppeling
het hoogteroer – helemaal onafhankelijk van diens normale trimming – een beetje meer in de richting “up” te
trimmen.
Via een toegewezen schakelaar kan dan tussen de twee eindpunten van de mixer heen en weer worden
geschakeld en via het mixpercentage dan bv. het extra beetje “up”-trim voor het hoogteroer worden ingesteld.
Om het verschil aan te duiden wordt deze stuurfunctie van de mixeringang in het programma voorzien van de
letter “S” van “schakelkanaal”. Wanneer het desbetreffende”doelkanaal” niet ook nog via het “normale”
stuurelement moet worden beïnvloed maakt u in het menu “instelling stuurelement”, bladzijde 83 resp. 85, dit
stuurelement van de functie-ingang van het desbetreffende stuurkanaal los door de invoer van “vrij”. Ook hierbij
zal in de nu volgende menubeschrijving een voorbeeld deze functie verduidelijken.
Blader nu met de pijltoetsen van de linker of rechter touch-toets naar het menupunt …
mod.geheugen basisinst
servoinst inst.stuurel.
D/R Expo fasentrim
vleugelmix vrije mix
servoaand alg.inst.
Fail-Safe telemetrie
mod.geheugen basisinst
servoinst inst.stuurel.
D/R Expo helimix
vrije mix ts-mixer
servoaand alg.inst.
Fail-Safe telemetrie
… van de multifunctielijst. Door een aanraken van de centrale SET-toets opent u deze.
Vrije mixers
Lineaire mixers
Onafhankelijk van het gekozen modeltype staan in elk van de 20 modelgeheugenplaatsen drie lineaire mixers
met de extra mogelijkheid van niet-lineaire stuurcurven ter beschikking.
In het eerste deel willen we echter eerst alleen de programmering van de eerste displaybladzijde bespreken.
Daarna houden we ons bezig net het vastleggen van mixpercentages de tweede displaybladzijde van dit menu.
Principes van de programmering
1. Met de pijltoetsen ▲▼van de linker of rechter touch-toets de gewenste mixer uitkiezen.
2. De centrale SET-toets van de rechter touch-toets aantippen. Het invoerveld in de kolom “van” wordt invers
weergegeven.
3. Mixeringang “van” met de pijltoetsen van de rechter touch-toets vastleggen.
4. De centrale SET-toets van de rechter touch-toets aanraken; met de pijltoets van de linker of rechter
touch-toets wisselen naar de kolom “naar” en weer de centrale SET-toets van de rechter touch-toets
aanraken. Het invoerveld “naar” wordt invers weergegeven.
5. Mixeruitgang “naar” met de pijltoetsen van de rechter touch-toets vastleggen.
6. De centrale SET-toets van de rechter touch-toets aanraken en eventueel met de pijltoets van de linker
of rechter touch-toets naar de kolom “type” wisselen, om de trimming van K1 … K4 in het mixer-
ingangssignaal mee te nemen. (“Tr” voor trimming) … en/of met de pijltoets van de linker of rechter
touch-toets naar de kolom met het schakelaarsymbool wisselen, weer de centrale SET-toets van de
rechter touch-toets aanraken en eventueel een schakelaar toewijzen, zoals beschreven op bladzijde 48.
7. Met de pijltoets van de linker of rechter touch-toets naar de kolom => wisselen en de centrale SET-toets
van de rechter touch-toets aanraken.
8. Mixpercentages op de tweede displaybladzijde instellen.
9. Met de centrale ESC-toets van de linker touch-toets naar de eerste bladzijde terugkeren.
kolom “van”
Na het aantippen van de centrale SET-toets van de rechter touch-toets kiest u in het inverse veld van de
uitgekozen mixer-regel met de pijltoetsen van de rechter touch-toets één van de stuurfuncties 1 … 8 of S uit.
Voor de overzichtelijkheid zijn de stuurfuncties 1 … 4 als volgt aangegeven:
K1 gas-/remkleppen-stuurknuppel
RO rolroer-stuurknuppel
HO hoogteroer-stuurknuppel
RI richtingsroer-stuurknuppel
… en in het heli-programma:
1 gas-/pitch-stuurknuppel
2 rol-stuurknuppel
3 nick-stuurknuppel
4 hekrotor-stuurknuppel
Aanwijzing:
Vergeet u niet, om aan de eventueel uitgekozen stuurfuncties 5 … 8 bij een vliegtuigmodel resp. 5, 7 en 8 bij een
helimodel in het menu “instelling stuurelement” een eigen stuurelement toe te wijzen!
“S” van schakelkanaal
De letter “S” (schakelkanaal) in de kolom “van” heeft als effect, dat aan de mixeringang een constant
ingangssignaal wordt toegevoerd, bv. – zoals al genoemd op de vorige bladzijde- bij een gesloten sleepkoppeling
het hoogteroer wat “up” te trimmen. Na de toewijzing van een stuurfunctie of van de letter “S” in de kolom “van”
wordt onderaan de rand van het display de …
kolom “naar”
… zichtbaar. In het invoerveld van deze kolom legt u het doel van de mixer, d.w.z. de mixeruitgang op één van de
stuurkanalen, vast. Tegelijkertijd worden er verdere velden in de onderste regel van het display getoond:
M1 6 -> HO 1 =>
M2 K1 -> HO G1 =>
M3 S -> HO 2 =>
type van naar
In dit voorbeeld werden al drie mixers gedefinieerd. De tweede mixer kent u al uit het menu “vleugelmix” (“rem
HO”). In principe moet u deze voorgeprogrammeerde mixers eerst gebruiken. Wanneer u echter
asymmetrische mixpercentages nodig heeft of het mixer-neutraalpunt moet verschuiven, dan zet of laat u de
voorgeprogrammeerde mixers op “0” en vervangt u ze door een vrije mixer.
mixer wissen
Om een al gedefinieerde mixer eventueel weer te wissen, kiest u met de pijltoetsen ▲▼ van de linker of rechter
touch-toets de desbetreffende regel, wisselt u eventueel met de pijltoetsen ◄► naar de kolom “van” en raakt u
dan de centrale SET-toets van de rechter touch-toets aan. Bij het nu inverse veld in de kolom “van” van de te
wissen mixer raakt u nu gelijktijdig de beide pijltoetsen ▲▼ of ◄► van de rechter touch-toets (CLEAR)aan.
mixerschakelaars
Aan de lineaire mixers 1 en 3 in de bovenstaande afbeelding werden als voorbeeld de schakelaar “1” en “2” en
aan de mixer 2 de stuurelement-schakelaar “G1” toegewezen.
Het schakelaarsymbool rechts naast het nummer van de schakelaar geeft de actuele schakeltoestand weer.
Mixers, die niet door een schakelaar (zichtbaar aan het symbool in de desbetreffende kolom) geactiveerd
worden, zijn in principe actief!
kolom “type” (meenemen van de trimming)
Bij de stuurfuncties 1 … 4 (stuurknuppels) kunt u eventueel de trimming van de digitale trimhevels ook effect laten
hebben op de mixeringang. Kiest u in dit geval na een aanraken van de centrale SET-toets van de rechter touch-
toets met de pijltoetsen ervan in het inverse veld “Tr” uit.
Aanwijzing:
Het effect van de K1-trimhevel op de mixeruitgang is afhankelijk van de functie, die aan deze in het menu
“basisinstelling” (bladzijde 65) in de kolom “motor aan K1” bij de vliegtuigmodellen werd toegewezen.
Verdere bijzonderheden van de vrije mixers
Mixers, waarbij de mixer-ingang gelijk gezet werd aan de mixeruitgang, bv. K1 K1, maken - in combinatie met
de optie, een vrije mixer willekeurig aan- en uit te kunnen schakelen - hele speciale effecten mogelijk. Een
voorbeeld van zo’n toepassing vindt u op de bladzijden 159 ... 161.
Voordat we aankomen bij het vastleggen van de mixpercentages en daarna bij de voorbeelden, moeten we er
nog over nadenken, wat er gebeurt als we een mixer effect laten hebben op de softwarematig al ingestelde
koppeling van rolroer- welfkleppen- en pitchservo’s.
vleugelmodellen
Afhankelijk van het aantal vleugelservo’s, dat in het menu “basisinstelling” in de regel “rolr./welfkl.” werd
vastgelegd, zijn de uitgangen 2 en 5 voor de functie “rolroeren” en de eventuele uitgangen 6 en 7 voor de
functie “welfkleppen” via speciale mixers met elkaar verbonden.
Worden er mixeruitgangen op dergelijke koppelingen geprogrammeerd, dan moet de stuurkanaal-
afhankelijke draairichting in het oog gehouden worden:
mixer effect
NN* 2 het servopaar 2 + 5 reageert met rolroerfunctie
NN* 5 het servopaar 2 + 5 reageert met welfkleppenfunctie
NN* 6 het servopaar 6 + 7 reageert met welfkleppenfunctie
NN* 7 het servopaar 6 + 7 reageert met rolroerfunctie
*N.N.= Nomen Nominandum = de te noemen naam
helikoptermodellen
Bij de helikoptermixers zijn afhankelijk van het type helikopter voor de pitchsturing maximaal 4 servo’s aan de
ontvangeruitgangen 1, 2, 3 en 5 mogelijk, die softwarematig voor de functies pitch, rol en nick met elkaar
verbonden zijn.
Het is niet raadzaam, om buiten het menu “helimixer” nog een extra vrije mixer naar de bezette kanalen te
mixen, omdat er dan soms heel gecompliceerde verbindingen kunnen ontstaan. Tot de weinige
uitzonderingen hoort de “pitchtrimming via een apart stuurelement”, zie voorbeeld nr. 2 op bladzijde 120.
Belangrijke aanwijzing:
Let u er vooral bij serieschakelingen op, dat de mixuitslagen van de diverse mixers bij een gelijktijdige
beweging van de stuurknuppel opgeteld worden en de servo dus mechanisch kan aanlopen. Eventueel
de “servo-uitslag” in het menu “servo-instelling” verkleinen en/of de mixerwaarden aanpassen. Moeten
daarentegen de normaliter gebruikte stuuruitslagen niet onnodig door dergelijke uitslagreducties worden
verkleind, dan kan het vastlopen van de servo’s als alternatief in de regels “TRAVEL-/+” van de display-
pagina “RX SERVO” van het “telemetrie”-menu door het zetten van een uitslagbegrenzing worden
voorkomen.
Mixpercentages en mixer-neutraalpunt
Nadat we tot nu toe de verschillende mixerfuncties hebben uitgelegd, beschrijven we nu het instellen van lineaire
en niet-lineaire mixercurven.
De mixercurven worden voor elk van de in totaal 3 mixers op een tweede display-bladzijde geprogrammeerd.
Kies de gewenste mixerregel uit met de pijltoetsen ▲▼van de linker of rechter touch-toets, wissel met de
pijltoetsen ervan naar de rechter kolom (=>) en raak dan de centrale SET-toets van de rechter touch-toets aan
om op de bladzijde met de grafiek te komen.
Instellen van lineaire mixwaarden
Aan de hand van een praktisch voorbeeld willen we hieronder een lineaire mixercurve definiëren:
Bij een motormodel moeten de beide aan de ontvangeruitgangen 6 en 7 aangesloten servo’s, die in het menu
“basisinstelling” in de regel “rolr./welfkl.” als “…2WK” werden ingevoerd, als landingskleppen worden toegepast.
D.w.z. bij het bedienen van een stuurelement mogen ze alleen maar naar beneden uitslaan. Dit maakt echter
tegelijkertijd een hoogteroercorrectie nodig.
Wijst u in het menu “instelling stuurelement” aan de ingang 6 bijvoorbeeld de proportionele draaiknop CTRL 7
toe. Een stuurelement aan ingang 6 stuurt namelijk in dit geval de beide aan de ontvangeruitgangen 6 en 7
aangesloten servo’s standaard als welfkleppen aan.
Menu “instelling stuurelement”
i5 vrij +100% +100%
i6 stuurel.7 +100% +100%
i7 vrij +100% +100%
i8 vrij +100% +100%
- weg +
aanwijzing:
Bij het kiezen van twee welfkleppenservo’s is de ingang 7 bij het toewijzen van stuurelementen afgesloten, om
een foutieve functie te voorkomen.
Draait u dit stuurelement eerst naar de linker aanslag en stelt u de landingskleppen zo af, dat deze zich nu in de
ingetrokken resp. gesloten positie bevinden. Wanneer u de knop nu naar rechts beweegt, moeten de kleppen
naar beneden gaan, anders moet u de draairichting van de servo’s aanpassen.
Laten we nu naar de eerste mixer van het display op bladzijde 116 (“6 HO”) waaraan de schakelaar 2 werd
toegewezen:
M1 6 -> HO 1 =>
M2 K1 -> HO G1 =>
M3 S -> HO 2 =>
type van naar
Een aanraken van de centrale SET-toets van de rechter touch-toets opent de tweede beeldschermbladzijde:
MIX1 6-> HO uit
Wanneer deze aanduiding verschijnt, werd de mixer nog niet via de toegewezen schakelaar – hier “2”
geactiveerd. Dus de schakelaar bedienen:
MIX1 6-> HO
weg 0% 0%
offs 0%
SYM ASY
De doorgetrokken verticale lijn in de grafiek geeft de huidige positie van het stuurelement aan de ingang 6 weer.
(In de bovenstaande grafiek bevindt deze zich aan de linker rand, omdat CTRL 7, zoals hierboven werd vermeld,
zich aan de linker aanslag bevindt.) De doorgetrokken horizontale lijn geeft het mixpercentage aan, die op het
moment over de hele uitslag van de stuurknuppel constant de waarde nul heeft; daardoor zal het hoogteroer de
bediening van de kleppen nog niet volgen. Eerst moet u de Offset (mixer-neutraalpunt) vastleggen. Wissel
daarvoor met de pijltoets van de linker of rechter touch-toets naar de regel “offs”:
MIX1 6-> HO
weg 0% 0%
offs 0%
STO SEL
De gestippelde verticale lijn in het midden van de grafiek geeft de positie van het mixer-neutraalpunt aan
(“Offset”), dus dat punt langs de stuuruitslag, waarbij de mixer het aan zijn uitgang aangesloten stuurkanaal NIET
beïnvloedt. Standaard bevindt zich dit punt op het midden van de stuuruitslag.
Omdat in ons voorbeeld de kleppen hun gesloten resp. ingetrokken positie aan de linker aanslag van de
proportionele draaiknop moeten hebben, en het hoogteroer in deze positie ook niet beïnvloed moet worden,
moeten we het mixer-neutraalpunt precies naar dit punt verschuiven. Draai daarom in dit voorbeeld de draaiknop
CTRL 7 naar de linker aanslag, als u dit nog niet gedaan had, en raak daarna de centrale SET-toets van de
rechter touch-toets aan. De gestippelde verticale lijn verschuift nu naar dit punt, het nieuwe mixer-neutraalpunt,
die per definitie altijd de “OUTPUT”-waarde nul behoudt.
We willen voor de duidelijkheid van de afbeeldingen echter deze als “Offset” aangeduide waarde op
slechts -75% instellen.
MIX1 6-> HO
weg 0% 0%
offs -75%
STO SEL
Aanwijzingen:
Via de keuze van SEL door middel van de pijltoets van de linker of rechter touch-toets en een aansluitend
aantippen van de centrale SET-toets van de rechter touch-toets kunt u met de pijltoetsen van de linker of
rechter touch-toets de Offset-waarde met de hand instellen resp. bijstellen.
Via de keuze van SEL door middel van de pijltoets van de linker of rechter touch-toets en een aansluitend
gelijktijdig aantippen van de beide pijltoetsen ▲▼ of ◄► van de rechter touch-toets (CLEAR) zet u het
mixerneutraalpunt automatisch terug naar het midden van de stuuruitslag.
symmetrische mixpercentages
Nu worden de mixwaarden boven en onder het mixer-neutraalpunt - gebaseerd op de huidige positie van het
mixer-neutraalpunt – gedefinieerd. Wissel daarvoor eventueel met de pijltoets van de linker of rechter touch-
toets naar de regel “weg”: kies eventueel met de pijltoetsen ◄► van de linker of rechter touch-toets het SYM-
veld, om de mixwaarde symmetrisch bij het zojuist ingestelde mixer-neutraalpunt vast te leggen. Na een
aanraken van de centrale SET-toets van de rechter touch-toets legt u de waarden in de beide inverse velden
tussen –150% en +150% vast. De ingestelde mixerwaarde heeft altijd betrekking op het signaal van het
bijbehorende stuurelement (stuursignaal)! Negatieve mixwaarden draaien de mixrichting om.
Gelijktijdig aantippen van de beide pijltoetsen▲▼ of ◄► van de rechter touch-toets (CLEAR) wist het
mixpercentage in het inverse veld.
De voor ons doel “optimale” waarde moet in de praktijk nog worden getest.
MIX1 6-> HO
weg +20% +20%
offs -75%
SYM ASY
Omdat we het mixer-neutraalpunt al eerder op -75% stuuruitslag hadden ingesteld, zal het hoogteroer (“HO”) al in
de neutrale positie van de landingskleppen een (geringe) uitslag naar beneden hebben, die natuurlijk niet
gewenst is. Verschuift u dus, zoals al eerder is beschreven, het mixer-neutraalpunt naar -100% stuuruitslag.
MIX1 6-> HO
weg +20% +20%
offs -100%
STO SEL
Wanneer u nu de Offset van -75% naar zelfs 0% zou terugzetten, door met de pijltoets van de linker of rechter
touch-toets het SEL-veld te selecteren en daarna de beide pijltoetsen ▲▼ of ◄► van de rechter touch-toets
(CLEAR) aan te tippen, zou het volgende beeld ontstaan:
MIX1 6-> HO
weg +20% +20%
offs 0%
STO SEL
Asymmetrische mixpercentages
Vaak zijn er echter naar beide kanten van het mixer-neutraalpunt verschillende mixwaarden nodig.
Zet u daarvoor eventueel de Offset van de als voorbeeld gebruikte mixer “6 HO” weer op 0% (zie afbeelding
hierboven). Dan met de pijltoets van de linker of rechter touch-toets het veld ASY kiezen en de centrale SET-
toets van de rechter touch-toets aanraken. Wanneer u nu de in dit voorbeeld aan de ingang 6 toegewezen
proportionele draaiknop CTRL 7 naar de desbetreffende richting beweegt, kunnen de mixpercentages voor de
beide stuurrichtingen, d.w.z. links en rechts van het ingestelde Offsetpunt, met de pijltoetsen van de rechter
touch-toets worden ingesteld:
MIX1 6-> HO
weg +55% +20%
offs 0%
SYM ASY
Aanwijzing:
In het geval van een schakelkanaal-mixer van het type “S NN*” moet u de toegewezen schakelaar omzetten.
De verticale lijn springt tussen de linker en rechter kant.
*N.N.= Nomen Nominandum = de te noemen naam
Voorbeelden:
1. Voor het openen en sluiten van een sleepkoppeling werd de schakelaar SW 3 al in het menu “instelling
stuurelement” aan het stuurkanaal 8 toegewezen:
i5 vrij +100% +100%
i6 stuurel.7 +100% +100%
i7 vrij +100% +100%
i8 2 +100% +100%
- weg +
Omdat bij de navolgende sleepvluchten is gebleken, dat tijdens het slepen altijd met een beetje hoogteroer “up”
moet worden gevlogen, moet nu bij een gesloten sleepkoppeling de aan ontvangeruitgang 3 aangesloten
hoogteroerservo automatisch iets “up” getrimd worden. In het van bladzijde 116 al bekende display werd de 3
e
lineaire mixer hiervoor al aangemaakt, en wel met het schakelkanaal “S” als mixeringang. Breng nu de uitgekozen
schakelaar in de positie UIT en wissel dan …
M1 6 -> HO 1 =>
M2 K1 -> HO G1 =>
M3 S -> HO 2 =>
type van naar
…naar de instel-bladzijde van de mixer. Hier kiest u met de pijltoets van de linker of rechter touch-toets de
regel “Offs” uit en raakt u dan de centrale SET-toets van de rechter touch-toets aan… afhankelijk van de gekozen
uitstelling van de uitslag in het menu “instellingen stuurelement” en de schakelaarpositie springt de Offset-
waarde op +X% of -X%, bv.:
MIX3 S-> HO
weg 0% 0%
offs +100%
STO SET
Wissel nu met de pijltoets van de linker of rechter touch-toets naar de regel “weg” en raak dan de centrale
SET-toets van de rechter touch-toets aan. In het nu inverse waardenveld stelt u – nadat u de uitgekozen
schakelaar in de mixer-AAN-positie heeft gebracht – het benodigde mixpercentage met de pijltoetsen van de
rechter touch-toets in.
MIX3 S-> HO
weg +10% +10%
offs +100%
SYM ASY
2. Dit voorbeeld heeft betrekking op helikoptermodellen:
Wanneer u in het helikopterprogramma de pitchtrimming via één van de proportionele draaiknoppen CTRL 6 … 8
wilt laten plaatsvinden, dan wijst u één van deze stuurelementen in het menu “instelling stuurelement” toe aan
de ingang “i8”. Vervolgens definieert u gewoon een vrije mixer “8 1” met een symmetrisch mixpercentage van
bv. 25%. Deze heeft dan dankzij de interne koppeling effect op alle aanwezige pitchservo’s, zonder de gasservo
te beïnvloeden.
TS-mixers
Pitch-, rol-, nickmixer
TS-MIXER
ptch +61%
roll +61%
nick +61%
In het menu “basis-instelling” heeft u in de regel “tuimelsch.” (tuimelschijf) vastgelegd, hoeveel servo’s er voor
de pitchsturing in uw helikopter zijn ingebouwd, zie bladzijde 73/74. Met deze vastlegging worden automatisch de
functies voor roll, nick en pitch op de juiste manier met elkaar gekoppeld, zodat u zelf geen verdere mixers hoeft
te definiëren.
Bij helikoptermodellen, die met maar 1 pitchservo worden aangestuurd, is dit menupunt “TS-mixer” natuurlijk
overbodig, omdat de in totaal drie tuimelschijfservo’s voor pitch, rol en nick softwarematig apart van elkaar – dus
zonder mixers - worden bediend. In dit geval kunt u in de multifunctielijst niet beschikken over dit menu. Bij alle
andere aansturingen met 2 … 4 pitchservo’s zijn de mixpercentages en –richtingen standaard, zoals in het
bovenstaande display afgebeeld, al van te voren ingesteld op +61% en kunnen naar behoefte na een aanraken
van de centrale SET-toets van de rechter touch-toets met de pijltoetsen ervan tussen –100% en +100%
gevarieerd worden.
Gelijktijdig aantippen van de beide pijltoetsen ▲▼ of ◄► van de rechter touch-toets (CLEAR) zet het
mixpercentage in het inverse veld weer terug op de standaardwaarde van +61%.
Mocht de tuimelschijfaansturing (pitch, rol en nick) niet op de juiste manier de stuurknuppels volgen, dan
verandert u als eerste de mixrichtingen (+ resp. -) voordat u probeert, de servo-draairichtingen aan te passen.
Aanwijzing:
Let er op, dat bij een verandering van de mixwaarden de servo’s niet mechanisch vastlopen.
Servo-aanduiding
Blader met de pijltoetsen van de linker of rechter touch-toets naar het menu “servo-aanduiding” van het
multifunctie-menu:
modelgeh. basisinst.
servoinst. inst.stuurel.
D/R expo fasentrim
vleugelmix vrije mix
servoaand. alg.inst.
Fail-Safe telemetrie
Door een aanraken van de centrale SET-toets van de rechter touch-toets opent u deze.
De optische weergave van de actuele servo-posities kunt u echter niet alleen via de keuze van dit menu
oproepen, maar ook door een gelijktijdig aantippen van de toetsen ◄► van de linker touch-toets direct vanuit het
basisdisplay van de zender en vanuit bijna alle menuposities. Door een aanraken van de centrale SET-toets keert
u weer terug naar de uitgangspositie.
De actuele positie van elke servo apart wordt weergegeven in een balkdiagram exact tussen -150% en +150%
van de normale weg; hierbij wordt rekening gehouden met de instellingen van stuurelementen en servo, Dual-
Rate-/Expo-functies, het samenwerken van mixers enz. 0% komt precies overeen met de middenpositie van de
servo. Zo kunt u snel uw instellingen controleren, zonder de ontvanger te hoeven inschakelen. Dit ontslaat u niet
van de verplichting om vóór de eerste vlucht alle programmeerstappen zorgvuldig bij het model te testen, om
fouten uit te sluiten!
De aanduiding bij vliegtuigmodellen is als volgt:
balk 1 = gas-/rem-servo
balk 2 = rolroer of rolroer links
balk 3 = hoogteroer
balk 4 = richtingsroer
balk 5 = rolroer rechts
balk 6 = welfklep (links) / vrij kanaal
balk 7 = welfklep rechts / vrij kanaal
balk 8 = vrij kanaal / tweede hoogteroerservo
… en bij helikoptermodellen:
balk 1 = pitch of roll (2)- of nick (2)-servo
balk 2 = roll (1)-servo
balk 3 = nick (1)-servo
balk 4 = hek-servo (gyro)
balk 5 = nick (2)-servo / vrij kanaal
balk 6 = gas-servo of regelaar
balk 7 = gevoeligheid gyro / vrij kanaal
balk 8 = toerenregeling / vrij kanaal
Aanwijzing:
Let er op, dat de servo-aanduiding uitsluitend betrekking heeft op de oorspronkelijke volgorde van de servo’s, dus
een verwisselen van de uitgangen volgens het ondermenu “ontvangeruitgang” in het menu “basisinstelling”,
bladzijde 69/70 resp.78 NIET volgt.
Algemene instellingen
Blader met de pijltoetsen van de linker of rechter touch-toets naar het menupunt “alg.inst.” van het
multifunctiemenu:
modelgeh. basisinst.
servoinst. inst.stuurel.
D/R expo fasentrim
vleugelmix vrije mix
servoaand. alg.inst.
Fail-Safe telemetrie
Door een aanraken van de centrale SET-toets van de rechter touch-toets opent u deze:
accutype Ni-MH
waarsch.accu 4,7V
touch-gevoel. 2
contrast 0
display licht onbeg
landeninst. Euro
taalvolume 3
signaalvol. 3
In dit menu worden de specifieke basisinstellingen van de zender weergegeven.
Aanwijzing:
Instellingen in dit menu worden voor de hele zender maar één keer ingevoerd. Na het oproepen van dit menu in
een ander modelgeheugen verschijnen daarom altijd de laatste geldige instellingen.
Kies de desbetreffende regel met de pijltoetsen ▲▼ van de linker of rechter touch-toets en raak daarna de
centrale SET-toets van de rechter touch-toets aan. In het nu inverse waarden-veld kunt u met de pijltoetsen van
de rechter touch-toets de standaard waarde wijzigen en door een hernieuwd aantippen van de centrale SET uw
invoer afsluiten.
accutype
accutype Ni-MH
waarsch.accu 4,7V
touch-gevoel. 2
contrast 0
display licht onbeg
In deze regel deelt u de zender mee of diens stroomvoorziening uit een viercellige NiMH-accu of uit een
ééncellige LiPo-accu plaatsvindt. Afhankelijk van deze instelling wordt u in de (volgende) regel
“waarschuwingsdrempel accu” een aangepast spanningsbereik als keuze aangeboden.
Gelijktijdig aantippen van de pijltoetsen ▲▼ of ◄► van de rechter touch-toets (CLEAR) schakelt in het inverse
veld weer terug naar NiMH.
waarschuwingsdrempel accu
accutype Ni-MH
waarsch.accu 4,7V
touch-gevoel. 2
contrast 0
display licht onbeg
In deze regel kunt u de waarschuwingsdrempel voor de aanduiding …
Accu moet
geladen worden !!
…-afhankelijk van de keuze van het accutype – instappen van 0,1 Volt tussen 4,5 en 5,5 V (NiMH-accu) resp. 3,2
en 4,2 V (LiPo-accu) naar eigen goeddunken instellen. Stel hier in geen geval een te lage waarde in, zodat u nog
voldoende tijd heeft om uw model bij een accu-waarschuwing veilig te kunnen landen.
Gelijktijdig aantippen van de pijltoetsen ▲▼ of ◄► van de rechter touch-toets (CLEAR) schakelt in het inverse
veld terug naar 4,7 resp. 3,4 V.
touch-gevoeligheid
accutype Ni-MH
waarsch.accu 4,7V
touch-gevoel. 2
contrast 0
display licht onbeg
In deze regel kunt u de aanrakingsgevoeligheid van de touch-toetsen op een schaal van 1 tot 10 uitkiezen.
Gelijktijdig aantippen van de pijltoetsen ▲▼ of ◄► van de rechter touch-toets (CLEAR) schakelt in het inverse
veld terug naar “2”.
contrast
Om onder alle weersomstandigheden en bij elke temperatuur de optimale leesbaarheid van het display van de
MX-16 HoTT te garanderen kunt u het schermcontrast instellen:
stop 0:00
vlucht 0:00
Kies met de pijltoetsen ▲▼ van de linker of rechter touch-toets de regel “contrast”:
accutype Ni-MH
waarsch.accu 4,7V
touch-gevoel. 2
contrast 0
display licht onbeg
Raak daarna kort de centrale SET-toets van de rechter touch-toets aan. In het nu inverse waarden-veld kunt u
met de pijltoetsen van de rechter touch-toets het contrast van het display in een bereik van ± 20 instellen.
Gelijktijdig aantippen van de pijltoetsen ▲▼ of ◄► van de rechter touch-toets (CLEAR) schakelt in het inverse
veld terug naar “0”.
display licht
accutype Ni-MH
waarsch.accu 4,7V
touch-gevoel. 2
contrast 0
display licht onbeg
In deze regel wordt vastgelegd, hoe lang de achtergrondverlichting van het display na het inschakelen van de
zender of na de laatste bediening van de toetsen moet blijven branden.
U kunt kiezen uit “onbeg(rensd)”, 30 s”, “60 s” en “120 s”.
Gelijktijdig aantippen van de pijltoetsen ▲▼ of ◄► van de rechter touch-toets (CLEAR) schakelt in het inverse
veld terug naar “onbegrensd”.
landeninstelling
waarsch.accu 4,7V
touch-gevoel. 2
contrast 0
display licht onbeg
landeninst. Euro
De landeninstelling is nodig om te voldoen aan de verschillende richtlijnen (FCC, ETSI, IC etc.). In Frankrijk bv. is
het gebruik van een radiobesturing slechts toegestaan op een beperkte frequentieband. Daarom MOET de
landeninstelling van de zender omgezet worden naar “Frankrijk”, zodra deze in Frankrijk wordt gebruikt.
In geen geval mag de universele/EURO-modus worden gebruikt!
Gelijktijdig aantippen van de pijltoetsen ▲▼ of ◄► van de rechter touch-toets (CLEAR) schakelt in het inverse
veld terug naar “Euro”.
taalvolume
touch-gevoel. 2
contrast 0
display licht onbeg
landeninst. Euro
taalvolume 3
In deze regel wordt het volume van de via de koptelefoon hoorbare gesproken mededelingen op een schaal van
“0” tot “10” vastgelegd.
Gelijktijdig aantippen van de pijltoetsen ▲▼ of ◄► van de rechter touch-toets (CLEAR) schakelt in het inverse
veld terug naar “3”.
signaalvolume
contrast 0
display licht onbeg
landeninst. Euro
taalvolume 3
signaalvol. 4
In deze regel wordt het volume van de zenderinterne geluidsgenerator op een schaal van “0” tot “6” vastgelegd.
Gelijktijdig aantippen van de pijltoetsen ▲▼ of ◄► van de rechter touch-toets (CLEAR) schakelt in het inverse
veld terug naar “4”.
Fail Safe
FAIL SAFE
pos
houd
vertr 0.25s STO
De door het systeem opgeroepen hogere veiligheid van het HoTT-systeem ten opzichte van de klassieke PPM -
technologie resulteert uit het feit, dat de in de HoTT-ontvanger ingebouwde microprocessor niet alleen de
signalen van “zijn” zender verwerkt maar ook “onzuiver” ontvangen signalen nog kan bewerken. Pas wanneer
deze, bv. door sterke storingen, te veel gaan afwijken of zelfs verminkt zijn, vervangt de processor – afhankelijk
van de hieronder beschreven instellingen - deze signalen automatisch door de in de ontvanger tussendoor
opgeslagen stuursignalen. Daardoor worden bv. ook korte storingen, door een gebrek aan veldsterkte o.i.d.
verborgen, die anders tot de bekende storingsverschijnselen zouden leiden. In dit geval brandt de rode LED op
de ontvanger.
Zolang u in het actueel actieve modelgeheugen nog geen Fail-Safe-programmering heeft ingesteld verschijnt er
tijdens het inschakelen van de zender in de basisaanduiding gedurende enkele seconden de waarschuwing:
Fail-Safe
instellen!
Programmering
De functie “Fail Safe” bepaalt het gedrag van de ontvanger in het geval van een storing tijdens de overdracht van
de zender naar de ontvanger. De ontvangeruitgangen 1 … 8 kunnen naar keuze …
1. de momentele positie behouden (“houden”):
Alle op “houden” geprogrammeerde servo’s blijven in het geval van een storing zolang in de positie staan,
die door de ontvanger het laatst als correct werd herkend, totdat er een nieuw, correct stuursignaal bij de
ontvanger binnenkomt, of
2. de servo beweegt bij het optreden van een storing na verloop van een “vertragingstijd” naar een vrij te
kiezen positie (“pos”).
Kies met de pijltoetsen ◄► van de linker of rechter touch-toets de gewenste servo-aansluiting 1 tot 8 () uit en
raak de centrale SET-toets van de rechter touch-toets aan, om tussen de “houden” en “positie”-modus naar
eigen willekeur te kunnen omschakelen:
FAIL SAFE
pos
houd
vertr 0.25s STO
Kies aansluitend met de pijltoetsen ◄► van de linker of rechter touch-toets de optie “vertraging” in het display
linksonder ….
FAIL SAFE
pos
houd
vertr 0.25s STO
… en kies na een aanraken van de centrale SET-toets met de pijltoetsen ervan uit de vier mogelijke
vertragingstijden (0,25 s, 0,5 s, 0,75 s, en 1 s) de door u gewenste optie. Gelijktijdig aantippen van de pijltoetsen
▲▼ of ◄► van de rechter touch-toets (CLEAR) zet in het inverse veld de waarde weer terug naar 0,75 s.
Kies aansluitend met de pijltoetsen ◄► van de linker of rechter touch-toets het STO-veld in het display
rechtsonder en breng dan de servo’s, die u in de positiemodus geschakeld heeft, via de bijbehorende
bedieningselementen van de zender TEGELIJKERTIJD naar de gewenste posities.
Door een aanraken van de centrale SET-toets van de rechter touch-toets worden deze posities als Fail-Safe-
instelling in de ontvanger opgeslagen, zodat deze in het geval van een storing hierop kan terugvallen.
Het opslaan wordt als volgt in het display gedurende korte tijd bevestigd:
positie
opgeslagen
Let op:
Benut dit veiligheidspotentieel, door voor een Fail-Safe-geval de carburateurpositie bij modellen met
verbrandingsmotor op stationair resp. bij elektromodellen op stop resp. bij helimodellen op “houden” te
programmeren. Het model kan er dan in het geval van een storing niet zo makkelijk ‘zelf’ vandoor gaan en
zo schade of zelfs letsel aan personen veroorzaken.
Telemetrie
Via het “telemetrie”-menu kunnen in realtime zender- en ontvangerdata en gegevens van optioneel aangesloten
telemetrie-sensoren, zie aanhangsel, opgeroepen en zichtbaar gemaakt worden.
De ontvangerdata worden via het in de HoTT-ontvanger geïntegreerde terugkoppelingskanaal naar de zender
overgebracht. Aan de ontvangers GR-12S HoTT (Best.-Nr. 33505), GR-12 HoTT (Best.-Nr. 33506), GR-16 HoTT
(Best.-Nr. 33508) en GR-24 HoTT (Best.-Nr. 33512) kan via de telemetrie-ingang telkens 1 sensor worden
aangesloten.
De mogelijkheid tot update van deze en toekomstige ontvangers door de gebruiker houdt de bijbehorende
“telemetrie”-menu’s altijd op de nieuwste stand en zorgt ervoor, dat toekomstige functies of talen kunnen worden
toegepast.
Aanwijzing:
Na de registratie van uw product onder http://www.graupner.de/de/service/produktregistrierung
wordt u
automatisch via E-mail over updates geïnformeerd
Vóór een update van de zendersoftware moet u echter in ieder geval alle gebruikte modelgeheugens m.b.v. een
standaard vijfpolige mini-USB-kabel op een Laptop of PC opslaan, om een eventueel verlies van gegevens te
voorkomen.
Firmware-updates en ook de al eerder genoemde veiligheidskopieën worden via de aan de achterzijde van de
zender aangebrachte mini-USB-poort m.b.v. een PC onder Windows XP, Vista of 7 uitgevoerd.
De benodigde programma’s en informatie vindt u bij de desbetreffende producten als download op
www.graupner.de
. We adviseren om altijd de actuele Firmware te installeren, om zo op de nieuwste stand te
blijven.
Belangrijke aanwijzingen:
Deze handleiding bespreekt de functies die beschikbaar waren op het moment van de uitgave.
Zoals al eerder in het gedeelte “binden van meerdere ontvangers” op bladzijde 70 resp. 79 opgemerkt kunnen
er , indien gewenst, meerdere ontvangers per model gebonden worden. Bij een later gebruik is echter
alleen de ontvanger, die als laatste gebonden werd, in staat om een telemetrie-verbinding met de
zender op te bouwen! Dat betekent ook omgekeerd dat alleen de als laatste gebonden ontvanger via het
telemetrie-menu kan worden aangesproken! Eventueel moet dus de volgorde van het binden worden
veranderd, voordat er aan een bepaalde ontvanger instellingen doorgevoerd kunnen worden.
Let er bij het instellen van de radiobesturing altijd op, dat de zenderantenne altijd voldoende ver van
de ontvangerantennes verwijderd is! Anders riskeert u een gestoorde verbinding op het
terugkoppelingskanaal en daardoor een foutief gedrag.
Omdat de telemetriedata tussen zender en ontvanger maar na elk vierde datapakket worden uitgewisseld
heeft de dataoverdracht technisch gezien een bepaalde tijd nodig, zodat de reactie op bedieningstoetsen en
veranderingen van instellingen iets vertraagd plaatsvindt. Dit is dus geen mankement.
Programmeringen aan het model of aan sensoren mogen alleen plaatsvinden wanneer het model zich op de
grond bevindt. Voer de instellingen alleen door met een uitgeschakelde motor resp. losgemaakte aandrijfaccu!
Onbedoelde programmeringen kunnen anders niet worden uitgesloten. Een bv. per ongeluk geactiveerde
servotest zou eventueel het model kunnen laten neerstorten en tot schade of letsel kunnen leiden. Let ook op
de veiligheidsaanwijzingen op de bladzijden 3 … 6 van dit handboek en bij de verschillende aparte
handleidingen.
Alle instellingen (zoals Fail-Safe, omkeer servodraairichting, mixer- en curveninstellingen enz.), die u via het
menu “telemetrie” programmeert worden uitsluitend in de ontvanger opgeslagen en eventueel bij het
ombouwen van de ontvanger in een ander model daarin meegenomen. Initialiseer uw HoTT-ontvanger
daarom voor de veiligheid opnieuw, wanneer u de ontvanger in een ander model wilt plaatsen, zie “Reset” op
bladzijde 40.
Programmeer daarom de omkeer van servodraairichtingen, servoweg, mixer- en curveninstellingen bij
voorkeur alleen via de MX-16-specifieke standaardmenu’s “servoinstelling” (bladzijde 81), “vrije mixers”
(bladzijde 116) en “D/R Expo” (bladzijde 91 resp. 93). In andere gevallen overlappen de instellingen elkaar,
wat later bij gebruik in het gunstigste geval tot onoverzichtelijkheid, in het ongunstigste geval tot problemen
kan leiden.
Met de Channel-Mapping-functie van het in de zender MX-16 HoTT geïntegreerde “telemetrie”-menu kunnen
stuurfuncties ook willekeurig over meerdere ontvangers verdeeld worden of ook meerdere
ontvangeruitgangen van dezelfde stuurfunctie worden voorzien. Bijvoorbeeld om per rolroerhelft twee servo’s
in plaats van maar één enkele te gebruiken enz. Ook hierbij wordt dringend geadviseerd om bij het
programmeren altijd uiterst voorzichtig te werk te gaan.
Telemetrie
De onder het verzamelbegrip “telemetrie” samengevatte menu’s zijn vanuit het basisdisplay van de zender
MX-16 HoTT te bereiken door de centrale ESC-toets van de linker touch-toets gedurende ca. een seconde in
te drukken. Dezelfde menu’s kunnen echter ook net als de andere menu’s van de zender in de multifunctie-
lijst door een aantippen van de centrale SET-toets van de rechter touch-toets worden opgeroepen:
modelgeh. basisinst.
servoinst. inst.stuurel.
D/R expo fasentrim
vleugelmix vrije mix
servoaand. alg.inst.
Fail-Safe telemetrie
Principes van de bediening
De bediening van het “telemetrie”-menu komt in principe overeen met de overige menu’s van de zender MX-
16 HoTT. De weinige afwijkingen worden hieronder beschreven:
Tussen de verschillende bladzijden van het telemetrie-menu wisselt u met de pijltoetsen ◄► van de linker of
rechter touch-toets. De bijbehorende aanwijzingen w.b. de te volgen richting vindt u op iedere bladzijde van
het display rechtsboven in de vorm van haakjes (<>), zie afbeeldingen. Is er maar één haakje te zien, dan
bevindt u zich telkens op de eerste resp. laatste bladzijde. Een wisselen van bladzijde is dan alleen nog in de
aangegeven richting mogelijk.
Menuregels, waarin parameters gewijzigd kunnen worden, zijn door een daarvoor geplaatst haakje (>)
gemarkeerd. Door aantippen van de pijltoetsen ▲▼ van de linker of rechter touch-toets springt de “>”-wijzer
een regel verder resp. terug. Regels die niet op deze manier kunnen worden geselecteerd kunnen ook niet
gewijzigd worden.
Om een parameter te veranderen raakt u de centrale SET-toets van de rechter touch-toets aan (de parameter
wordt invers weergegeven), verandert u de waarde binnen het mogelijke bereik met de pijltoetsen van de
rechter touch-toets en bevestigt u de waarde door nogmaals de SET-toets aan te tippen. Door een indrukken
van de centrale ESC-toets van de linker 4-weg-toets keert u weer terug naar de uitgangspositie.
Kies nu met de pijltoetsen ▲▼ van de linker of rechter touch-toets het gewenste ondermenu uit. Zou er in
plaats van het gewenste ondermenu echter de melding …
Kan
geen data
ontvangen
OK
… na een aanraken van de centrale SET-toets van de rechter touch-toets verschijnen, dan bestaat er nog
geen verbinding met een ontvanger. Schakel dus uw ontvanger in en bind eventueel de desbetreffende
ontvanger opnieuw, wanneer dit niet de als laatste gebonden ontvanger mocht zijn, zie onder “Belangrijke
aanwijzingen” op de vorige bladzijde.
INSTELLEN / WEERGEVEN
telemetrie
instellen / weergeven
sensor kiezen
weergave HF status
keuze mededelingen
Op de eerste, van het opschrift …
RX DATAVIEW
… voorziene displaybladzijde van het ondermenu “INSTELLEN/WEERGEVEN” kunnen geen instellingen worden
doorgevoerd. Deze bladzijde geeft slechts informatie:
waarde verklaring
S-QUA signaalkwaliteit in %
S-dBm ontvangstvermogen in dBm
S-STR signaalsterkte in %
R-TEM temperatuur ontvanger in ºC
L PACK TIME geeft de tijd in ms aan, waarbij het langste datapakket bij de overdracht van de zender naar de
ontvanger verloren is gegaan
R-VOLT actuele bedrijfsspanning van de ontvanger in Volt
L.R-VOLT laagste bedrijfsspanning van de ontvanger sinds het laatste inschakelen in Volt
SENSOR 1 geeft de waarde van de optionele telemetrie-sensor 1 in Volt en ºC aan
SENSOR 2 geeft de waarde van de optionele telemetrie-sensor 2 in Volt en ºC aan
Signaalkwaliteit (S-QUA)
De signaalkwaliteit (S-QUA) wordt via het terugkoppelingskanaal van de ontvanger “live” aan de zender
meegedeeld en geeft de signaalsterkte in % aan.
Ontvangstvermogen (S-dBm)
Het ontvangstvermogen (S-dBm) wordt aangeduid met een negatieve waarde, d.w.z. een waarde tegen nul is de
maximale waarde (=beste ontvangst), hoe lager de waarden worden des te slechter is het ontvangstvermogen!
Dit is onder andere belangrijk bij de reikwijdtetest vóór het vliegen.
Opmerking:
Bij negatieve getallen geldt: hoe hoger de op het min-teken volgende getal, des te lager is de waarde.
Voer de reikwijdtetest, zoals beschreven op bladzijde 71 resp. 80, vóór iedere vlucht uit en simuleer daarbij alle
servobewegingen die tijdens de vlucht kunnen voorkomen. De reikwijdte moet bij een geactiveerde reikwijdtetest
minimaal 50 m op de grond bedragen. Bij deze afstand mag in het “RX DATAVIEW”-display onder “S-dBm”
hoogstens -80 dBm getoond worden, om veilig te kunnen vliegen. Ligt deze waarde daaronder (bv. -85 dBm) dan
moet u in geen geval gaan vliegen. Controleer eerst de inbouw van uw ontvanger en de plaatsing van de
antennes. Tijdens het gebruik mag deze waarde niet onder -90 dBm komen, anders moet u de afstand tot het
model verkleinen. Normaal gesproken start vóór het bereiken van deze waarde al de akoestische reikwijdte-
waarschuwing (pieptoon-interval 1 s), om een veilig vliegen te garanderen.
Signaalsterkte (S-STR)
De signaalsterkte (S-STR) wordt weergegeven in %. In principe wordt een akoestische reikwijdtewaarschuwing
gestart (pieptoon-interval 1 s), zodra het ontvangstsignaal op het terugkoppelingskanaal te zwak wordt. Omdat de
zender echter een veel groter zendvermogen heeft dan de ontvanger kan het model nog steeds veilig worden
bestuurd. De afstand tot het model moet echter voor de veiligheid worden verkleind, totdat de waarschuwing
stopt.
Ontvangertemperatuur (R-TEMP)
Controleer of de temperatuur van uw ontvanger onder alle omstandigheden in het toegestane bereik blijft (ideaal
zijn -10 en 55 ºC).
De grenswaarden van de ontvangertemperatuur, waarbij een waarschuwing volgt, kunnen in het ondermenu “RX
SERVO-TEST” onder “ALARM TEMP+” (50 … 80 ºC) en “ALARM TEMP-“ (-20 … +10 ºC) worden ingesteld. Bij
het onder- of overschrijden ervan klinkt er een akoestisch signaal (voortdurende pieptoon) en in alle ontvanger-
ondermenu’s “RX” verschijnt rechtsboven “TEMP.E”. Op de display-bladzijde “RX DATAVIEW” wordt bovendien
de parameter “R-TEM” invers weergegeven.
Datapaketten (L PACK TIME)
Geeft de langste tijdspanne in ms weer, waarbij datapaketten bij de overdracht van de zender naar de ontvanger
verloren zijn gegaan. In de praktijk is dat de langste periode, waarbij de besturing in de Fail-Safe-modus is
gegaan.
Bedrijfsspanning (R-VOLT)
Controleer altijd de bedrijfsspanning van de ontvanger. Wanneer deze te laag zou zijn mag u uw model in geen
geval verder vliegen resp. starten.
De waarschuwing voor ontvanger-onderspanning kan in het ondermenu “RX SERVO TEST” onder “ALARM
VOLT” tussen 3,0 en 6,0 Volt worden ingesteld. Bij het onderschrijden klinkt er een akoestisch signaal (herhaalde
dubbele pieptoon (lang/kort)) en in alle ontvanger-ondermenu’s “RX …” verschijnt rechtsboven “VOLT.E”. in het
ondermenu “RX DATAVIEW” wordt bovendien de parameter “R-VOLT” invers weergegeven.
De actuele spanning van de ontvangeraccu is ook op het basisdisplay, zie bladzijde 24, zichtbaar.
Minimale bedrijfsspanning (L.R-VOLT)
“L.R-VOLT” toont de minimale bedrijfsspanning van de ontvanger sinds het laatste inschakelen aan. Zou deze
spanning duidelijk van de actuele bedrijfsspanning “R-VOLT” afwijken, dan wordt de ontvangeraccu mogelijk te
sterk belast door de servo’s. Het gevolg is dat de spanning daalt. Gebruik in dit geval een zwaardere
spanningsvoorziening, om een maximale veiligheid te garanderen.
Sensor 1 + 2
Geeft de waarde van de optionele telemetrie-sensoren 1 en eventueel 2 in Volt en ºC aan. Een beschrijving van
deze sensoren vindt u in het aanhangsel.
RX SERVO
Let in ieder geval voordat u eventueel op deze displaybladzijde gaat programmeren op de aanwijzingen op
bladzijde 126.
Waarde verklaring mogelijke instellingen
OUTPUT CH kanaalkeuze 1 … afhankelijk van ontvanger
REVERSE servo-omkeer UIT / AAN
CENTER servo-midden in μs indien actief (invers) afhankelijk van positie stuurelement
TRIM trimpositie in μs -120 … +120 μs
afwijking van de
centerpositie
TRAVEL - wegbegrenzing bij 30 … 150 %
% servo-weg
TRAVEL + wegbegrenzing bij 30 … 150 %
% servo-weg
PERIOD cyclustijd in ms 10 of 20 ms
OUTPUT CH (kanaalkeuze)
Kies eventueel met de pijltoetsen de regel “kanaal” uit. Raak de SET-toets van de rechter touch-toets aan. Het
waarden-veld wordt nu invers getoond. Stel nu het gewenste kanaal (bv. 01) met de pijltoetsen van de rechter
touch-toets in. De hieronder volgende parameters hebben altijd betrekking op het hier ingestelde kanaal:
Reverse (servo-omkeer)
Stelt de draairichting van de aan het stuurkanaal aangesloten servo in: AAN / UIT
CENTER (servo-midden)
In de regel “CENTER” wordt bij een actief waarden-veld (inverse weergave) de actuele impulstijd van het in de
regel “OUTPUT CH” gekozen stuurkanaal in μs weergegeven.
De getoonde waarde is afhankelijk van de actuele positie van het stuurelement, dat dit kanaal beïnvloedt, en
eventueel van de positie van diens trimming.
Een kanaal-impulstijd van 1500μs komt overeen met de standaard middenpositie en is daarmee het gebruikelijke
servo-midden.
Om deze waarde te wijzigen kiest u de regel “CENTER” en raakt u de SET-toets aan. Nu beweegt u het
bijbehorende stuurelement, de stuurknuppel en/of trimhevel naar de gewenste positie en slaat u de actuele
positie op door opnieuw de SET-toets aan te raken. Deze positie wordt opgeslagen als nieuwe neutraalpositie.
TRIM (trimpositie)
In de regel “TRIM” kunt u de neutrale positie van een servo, die aan een in de regel “OUTPUT CH” gekozen
stuurkanaal is aangesloten, door middel van de pijltoetsen van de rechter touch-toetsen in stappen van 1 μs
uiterst nauwkeurig bijstellen: de waarde in de regel “CENTER” kan hier via de hier ingestelde TRIM-waarde over
een bereik van ±120 μs aangepast worden.
Standaardinstelling: 0 μs.
TRAVEL-/+ (servo-weg -/+)
Deze optie is bedoeld voor het instellen van een begrenzing (limiet) van de servo-weg (roeruitslag) van de servo,
die aan het in de regel “OUTPUT CH” gekozen stuurkanaal aangesloten is.
De instelling is voor beide richtingen onafhankelijk in een bereik van 30 … 150%.
Standaardinstelling: elk 150%.
PERIOD (cyclustijd)
In deze regel bepaalt u de tijdsafstand van de verschillende kanaalimpulsen. Deze instelling wordt voor alle
stuurkanalen overgenomen.
Wanneer u uitsluitend digitale servo’s gebruikt kan een cyclustijd van 10 ms worden ingesteld. Bij verschillende
servotypen door elkaar of bij gebruik van alleen analoge servo’s moet 20 ms zijn ingesteld, omdat dit type anders
“overvraagd” wordt en reageert met “trillen” of “brommen”.
RX FAIL SAFE
Voordat we dit menu beschrijven nog enkele vermanende opmerkingen:
“Niets doen” is het slechtste, wat u hier kunt doen. In de basisinstelling van de HoTT-ontvanger is namelijk
“HOLD” standaard. In het geval van een storing vliegt in het gunstigste geval het vliegtuigmodel een onbepaalde
tijd rechtdoor en “landt” dan hopelijk ergens, zonder grotere schade aan te richten! Gebeurt dit echter op een
minder gunstige plek en op een verkeerd moment, dan zou bv. een motormodel onbestuurbaar en dus
ongecontroleerd over het vliegveld “razen” en piloten of toeschouwers in gevaar brengen!
Daarom moet u van tevoren bedenken, of u – om dit soort dingen te vermijden – niet op zijn minst “motor uit” zou
moeten programmeren!?
En nu na dit vermanende wijsvingertje nog een korte verwijzing naar de drie mogelijke varianten van de zender
MX-16 HoTT wat betreft de instelling van Fail Safe:
De eenvoudigste en ook aanbevolen manier is het gebruik van het via de multifunctielijst bereikbare menu “Fail
Safe”, zie bladzijde 125.
Soortgelijk, maar iets lastiger te bereiken werkt de op de volgende bladzijden beschreven optie “FAIL SAFE ALL”.
En tenslotte is er nog de relatief ingewikkelde methode van de individuele instelling door middel van de opties
“MODE”, “F.S. Pos.” en “DELAY”. De beschrijving van deze variant begint met de optie “MODE”, verder
hieronder.
Waarde verklaring mogelijke instellingen
OUTPUT CH uitgangskanaal 1 … afhankelijk van ontvanger
(servo-aansluiting van
de ontvanger)
INPUT CH ingangskanaal 1 … 16
(van zender komend
stuurkanaal)
MODE Fail-Safe-modus HOLD
FAIL SAFE
OFF
F.S.POS. Fail-Safe-positie 1000 … 2000 μs
DELAY reactietijd 0,25, 0,50, 0,75
(vertraging) en 1,00 s
FAIL SAFE opslaan van de NO / SAVE
ALL Fail-Safe-
posities van alle
stuurkanalen
POSITION weergave van de tussen ca. 1000
opgeslagen en 2000 μs
Fail-Safe-posities
OUTPUT CH (servo-aansluiting)
In deze regel kiest u het in te stellen OUTPUT CH (servo-aansluiting van de ontvanger) uit.
INPUT CH (keuze van het ingangskanaal)
Zoals al genoemd op bladzijde 126 kunnen de 8 stuurfuncties van de zender MX-16 HoTT bij behoefte willekeurig
over meerdere ontvangers worden verdeeld of ook meerdere ontvangeruitgangen worden voorzien van dezelfde
stuurfunctie. Bijvoorbeeld om een rolroer met twee servo’s of een groot richtingsroer ook met twee servo’s in
plaats van maar één enkele servo te kunnen aansturen.
Een verdelen over meerdere HoTT-ontvangers is raadzaam bij o.a. grote modellen, om bijvoorbeeld lange
servokabels te vermijden. Denk er echter wel aan dat via het “telemetrie”-menu alleen de als laatste gebonden
ontvanger aangesproken kan worden!
De 8 stuurkanalen (INPUT CH) van de MX-16 HoTT kunnen dusdanig beheerd worden, door via zogenaamd
“Channel Mapping” aan de in de regel OUTPUT CH gekozen servo-aansluiting van de ontvanger in de regel
INPUT CH een ander stuurkanaal toe te wijzen. MAAR LET OP: wanneer u bijvoorbeeld aan de zenderkant in de
regel “rolr./welfkl.” Van het menu “basisinstelling” “2 RO” heeft ingesteld, dan wordt al in de zender de
stuurfunctie 2 (rolroer) op de stuurkanalen 2 + 5 voor linker en rechter rolroer opgedeeld. De corresponderende
en daardoor eventueel ook te mappen INPUT CH van de ontvanger zouden in dit geval dan de kanalen 02 + 05
zijn, zie het onderstaande voorbeeld.
Voorbeelden:
U wilt bij een groot model elk rolroerblad via twee of meer servo’s aansturen: wijs aan de desbetreffende
OUTPUT CH (servo-aansluitingen) telkens één en hetzelfde INPUT CH (stuurkanaal) toe. In dit geval
afhankelijk van de linker of rechter vleugel, als INPUT CH telkens één van de beide standaard rolroer-
stuurkanalen 2 + 5.
U wilt bij een groot model het richtingsroer met twee of meer servo’s aansturen: wijs aan de desbetreffende
OUTPUT CH (servo-aansluitingen) telkens één en hetzelfde INPUT CH (stuurkanaal) toe. In dit geval het
standaard richtingsroerkanaal 4.
MODE
De instellingen van de opties “MODE”, “F.S.Pos.” en “DELAY” bepalen het gedrag van de ontvanger wanneer er
een storing in de overdracht tussen de zender en ontvanger zou plaatsvinden.
De onder “MODE” geprogrammeerde instelling heeft altijd betrekking op het in de regel OUTPUT CH ingestelde
kanaal.
De fabrieksinstelling is voor alle servo’s “HOLD”. Voor iedere geselecteerde OUTPUT CH (servo-aansluiting van
de ontvanger) kunt u kiezen tussen:
FAI(L) SAFE
Bij deze keuze beweegt de bijbehorende servo in het geval van een storing na het verstrijken van een in
de regel “DELAY” ingestelde “vertragingstijd” voor de restduur van de storing naar een in de regel
“POSITION” weergegeven positie.
HOLD
Bij een instelling van “HOLD” blijft de servo in het geval van een storing in de laatste als correct
bevonden servopositie gedurende deze storing.
OFF
Bij een instelling van “OFF” stopt de ontvanger in het geval van een storing het doorgeven van
(tussendoor opgeslagen) stuurimpulsen voor de desbetreffende servo-uitgang gedurende deze storing.
De ontvanger schakelt de impulsdoorgave als het ware “uit”.
MAAR LET OP: analoge servo’s en ook sommige digitale servo’s bieden tijdens het uitvallen van de
stuurimpulsen geen weerstand meer aan de druk op de roeren en worden daardoor meer of minder snel
uit hun positie geduwd.
F.S.POS. (Fail-Safe-positie)
Voor iedere OUTPUT CH (servo-aansluiting van de ontvanger) stelt u in de regel “F.S.POS.” na het activeren van
het waarden-veld (invers afgebeeld) door aanraken van de centrale SET-toets van de rechter touch-toets, met de
pijltoetsen van de rechter touch-toets díe servo-positie in, die de servo in het geval van een storing in de modus
“FAI(L) SAFE” moet innemen. De instelling vindt plaats in stappen van 10μs.
Standaardinstelling: 1500 μs (servo-midden).
Belangrijke aanwijzing:
De functie “F.S.POS.” heeft ook in alle drie de modi “OFF”, “HOLD” en “FAI(L) SAFE” nog een bijzondere
betekenis voor het geval dat de ontvanger ingeschakeld wordt, maar (nog) geen geldig signaal ontvangt:
De servo gaat direct naar de in de regel “positie” ingestelde Fail-Safe-positie. Daardoor kunt u bv. verhinderen dat
bij het onbedoelde inschakelen van de ontvanger bij een uitgeschakelde zender een landingsgestel o.i.d. inklapt.
Tijdens het normale gebruik van het model gedraagt de desbetreffende servo zich echter in het geval van een
storing volgens de ingestelde “MODE”.
DELAY (Fail-Safe-reactietijd of vertraging)
Stel hier een vertragingstijd in, na welke de servo’s bij een onderbreking van het signaal naar de gekozen posities
moeten gaan. Deze instelling wordt voor alle kanalen overgenomen en betreft alleen de op de mode “FAI(L)
SAFE” geprogrammeerde servo’s.
Standaardinstelling: 0,75 s.
FAIL SAFE ALL (globale Fail-Safe-instelling)
Dit ondermenu maakt het mogelijk om op een even eenvoudige manier als het op bladzijde 125 beschreven
menu “Fail safe” de Fail-Safe-posities van de servo’s met “een druk op de knop” vast te leggen.
Wissel naar de regel “FAIL SAFE ALL” en activeer het waarden-veld door indrukken van de centrale SET-toets
van de rechter touch-toets. “NO” wordt invers weergegeven. Stel daarna de parameter met één van de
pijltoetsen van de rechter touch-toets op “SAVE”. Nu beweegt u met de bedieningselementen van de zender alle
servo’s, aan die u in de regel “MODE” “FAI(L) SAFE” heeft toegewezen of later toewijzen wilt, naar de gewenste
Fail-Safe-posities. In de onderste regel “position” wordt de actuele positie van het stuurelement voor het zojuist
ingestelde kanaal getoond:
Na een hernieuwd aanraken van de centrale SET-toets van de rechter touch-toets wisselt de weergave weer van
“SAVE” naar “NO”. De posities van alle desbetreffende servo’s werden daardoor opgeslagen en parallel
daaraan in de regel “F.S. Pos.” overgenomen en voor de actuele OUTPUT CH (servo-aansluiting) op het display
ook direct getoond:
Schakel de zender uit en controleer de Fail-Safe-posities aan de hand van de servo-uitslagen.
“Fail Safe” in combinatie met “Channel Mapping”
Om er zeker van te zijn dat ook in het geval van een storing gemappte servo’s – dus servo’s, die door een
gemeenschappelijk stuurkanaal (INPUT CH) worden aangestuurd – op dezelfde manier reageren, bepalen de
bijbehorende instellingen van het INPUT CH het gedrag van gemappte servo’s !
Worden dus bijvoorbeeld de servo-aansluitingen 6, 7 en 8 met elkaar gemappt, door aan de OUTPUT CH (servo-
aansluitingen) 06, 07 en 08 als INPUT CH telkens hetzelfde stuurkanaal “04” toe te wijzen …
… dan bepaalt volledig onafhankelijk van de individuele instellingen van de desbetreffende OUTPUT CH het
INPUT CH 04 het Fail-Safe-gedrag van deze drie aan het stuurkanaal 4 verbonden servo’s:
Dit ook, wanneer deze op zijn beurt bijvoorbeeld met INPUT CH 01 gemappt is:
In dit geval zou de servo-aansluiting 04 weer volgens de Fail-Safe-instellingen van CH 01 reageren.
De in de regel “DELAY” ingestelde reactie- of vertragingstijd geldt altijd voor alle op “FAI(L) SAFE” gezette
kanalen.
RX FREE MIXER
waarde verklaring mogelijke instellingen
MIXER keuze mixer 1, 2 of 3
MASTER CH signaalbron resp. 0, 1 … afhankelijk van ontvanger
bronkanaal
SLAVE CH doelkanaal 0, 1, … afhankelijk van ontvanger
S-TRAVEL- bijmixen negatief 0 … 100%
S-TRAVEL + bijmixen positief 0 … 100%
RX WING staarttype NORMAL, V-TAIL (V-staart),
MIXER (TAIL TYPE) ELEVON (hoogte/rolroer-mixer
voor delta en staartloos)
MIXER
Tot maximaal 3 mixers kunnen tegelijkertijd geprogrammeerd worden. Wissel via “MIXER” tussen mixer 1, mixer
2 en mixer 3.
De volgende instellingen in dit display betreffen altijd alleen de in de regel “MIXER” gekozen mixers.
Belangrijke aanwijzing:
Als u in het menu “vleugelmixers” of “vrije mixers” al mixerfuncties heeft geprogrammeerd moet u er in
ieder geval op letten dat die mixers zich niet met die uit het menu “RX FREE MIXER” overlappen!
MASTER CH (“van”)
Volgens dezelfde, zoals in het onderdeel “vrije mixers” op bladzijde 115 uitvoerig beschreven principes wordt het
op het MASTER CH (signaalbron resp. bronkanaal) liggende signaal met een instelbare hoeveelheid aan het
SLAVE CH (doelkanaal) gemixt.
Kies “00” wanneer er geen mixer aangemaakt moet worden.
SLAVE CH (“naar”)
Aan het SLAVE CH (doelkanaal) wordt met een bepaald percentage het signaal van het MASTER CH
(bronkanaal) bijgemixt. Het mixpercentage wordt door de in de regels “TRAVEL-“ en “TRAVEL+” ingestelde
waarde in procenten bepaald.
Kies “00” wanneer er geen mixer aangemaakt moet worden.
TRAVEL -/+ (hoeveelheid van de bijmixing in %)
Met de instelwaarden van deze beide regels wordt het percentage van de bijmixing in relatie tot het MASTER-
signaal apart voor de beide richtingen opgegeven.
TAIL TYPE (staarttype)
De onderstaande modeltypen staan u ook in de regel “staarttype” van het menu “basisinstelling”, bladzijde 67,
ter beschikking en moeten bij voorkeur daar worden ingesteld. In dit geval laat u het TAIL TYPE altijd op
NORMAL.
Wilt u toch liever de in de ontvanger geïntegreerde mixer gebruiken, dan kunt u de al vooraf ingestelde
mixerfunctie voor het desbetreffende modeltype uitkiezen:
NORMAL
Deze instelling komt overeen met het klassieke vliegtuigtype met een staart achteraan en een apart
hoogte- en richtingsroer. Voor dit modeltype zijn geen mixerfuncties nodig.
V-TAIL (V-staart)
Bij dit modeltype worden de stuurfuncties hoogte- en richtingsroer dusdanig met elkaar verbonden dat
elk van de beide stuurvlakken – beide door een aparte servo aangestuurd – zowel de hoogte- als de
richtingsroerfunctie hebben.
De servo’s worden normaal gesproken als volgt aan de ontvanger aangesloten:
OUTPUT CH 3: V-staartservo links
OUTPUT CH 4: V-staartservo rechts
Wanneer de draairichting van de servo’s verkeerd zou zijn moet u de aanwijzingen op bladzijde 53
volgen.
ELEVON (Delta-/staartloze modellen)
De aan de uitgangen 2 en 3 aangesloten servo’s nemen de rolroer- en hoogteroerfunctie over. De
servo’s worden normaal gesproken als volgt aan de ontvanger aangesloten:
OUTPUT CH 2: rol/hoogte links
OUTPUT CH 3: rol/hoogte rechts
Wanneer de draairichting van de servo’s verkeerd zou zijn moet u de aanwijzingen op bladzijde 53
volgen.
RX CURVE (EXPO)
waarde verklaring mogelijke instellingen
CURVE1, 2 kanaaltoewijzing 1 … afhankelijk van ontvanger
of 3 CH van de desbetreffende
curven-instelling
TYPE type curve A, B, C zie afbeelding
servoweg weg stuurelement
In de regel wordt een niet-lineaire stuurfunctie eventueel gebruikt voor rolroer (kanaal 2), hoogteroer (kanaal 3) en
richtingsroer (kanaal 4). Deze kanaalnummers zijn de standaardinstelling MAAR LET OP: deze toewijzing klopt
alleen, wanneer u in de zender noch in de regel “staarttype” van het menu “basisinstelling” “2HO Sv” noch in de
regel “rolr./welfkl.” “2RO” of “2RO 2WK” heeft ingesteld! Anders wordt al in de zender de stuurfunctie 3
(hoogteroer) op de stuurkanalen 3 + 8 resp. de stuurfunctie 2 (rolroer) op de stuurkanalen 2 + 5 voor linker en
rechter rolroer gedeeld. De corresponderende stuurkanalen (INPUT CH) van de ontvanger zouden in deze beide
gevallen dan de kanalen 03 + 08 resp. 02 + 05 zijn.
Als u dus bijvoorbeeld aan de zenderkant “2RO” heeft ingesteld en de hier besproken optie RX CURVE in plaats
van het individueel instelbare menu “D/R Expo”, bladzijde 91, van de zender MX-16 HoTT wilt gebruiken, dan
moeten er 2 curven worden gezet:
Wanneer u dit niet doet zouden het linker en rechter rolroer verschillende stuurkarakteristieken hebben.
Met de functie RX CURVE kunnen de stuurkarakteristieken voor maximaal 3 servo’s worden beheerd:
CURVE 1, 2 of 3 CH
Kies het gewenste stuurkanaal (INPUT CH) van de eerste servo uit.
De volgende instelling TYPE betreft alleen het hier uitgekozen kanaal.
TYPE
Kies de servo-curve uit:
A: EXPO = -100 % en DUAL RATE = 125 %
De servo reageert sterk op knuppelbewegingen rond de neutraalpositie. Met een toenemende roeruitslag
verloopt de curve vlakker.
B: lineaire instelling.
De servo volgt de beweging van de stuurknuppel lineair.
C: EXPO = +100 % en DUAL RATE = 70 %
De servo reageert zwak op stuurknuppelbewegingen rondom de neutrale positie. Met toenemende
roeruitslag verloopt de curve steiler.
Aanwijzing:
De hier geprogrammeerde stuurkarakteristieken hebben ook effect op gemappte ontvangeruitgangen.
RX SERVO TEST
waarde verklaring mogelijke instellingen
ALL-MAX servo-weg aan 1500 … 2000 μs
de “+”-kant voor alle
servo-uitgangen voor
de servotest
ALL-MIN servo-weg aan 1500 … 1000 μs
de “-”-kant voor alle
servo-uitgangen voor
de servotest
TEST testprocedure START / STOP
ALARM alarmgrens van de 3,0 … 6,0 V
VOLT onderspannings- standaardinstelling:
waarschuwing van 3,8 V
de ontvanger
ALARM alarmgrens voor te 50 … 80 ºC
TEMP+ hoge temperatuur standaardinstelling:
van de ontvanger 55 ºC
ALARM alarmgrens voor te -20 … +10 ºC
TEMP- lage temperatuur standaardinstelling:
van de ontvanger -10 ºC
CH OUTPUT kanaal-volgorde ONCE, SAME,
TYPE SUMI, SUMO
ALL MAX (maximale servo-weg)
In deze regel stelt u de maximale servoweg aan de plus-kant van de stuurweg bij de servotest in. 2000 μs komt
overeen met de volledige uitslag, 1500 μs is de middenpositie.
Let er op, dat de servo’s tijdens de test niet mechanisch kunnen blokkeren.
ALL MIN (minimale servo-weg)
In deze regel stelt u de maximale servoweg aan de min-kant van de stuurweg bij de servotest in. 1000 μs komt
overeen met de volledige uitslag, 1500 μs is de middenpositie.
TEST
In deze regel start en stopt u de in de ontvanger geïntegreerde servotest.
Door een aanraken van de centrale SET-toets van de rechter touch-toets activeert u het invoerveld:
Met één van de pijltoetsen van de rechter touch-toets kiest u nu START:
Door een aanraken van de centrale SET-toets van de rechter touch-toets start u nu de testprocedure. Het
invoerveld wordt weer “normaal” getoond:
Voor het stoppen van de servotest activeert u zoals al eerder beschreven weer het invoerveld, kiest u STOP en
bevestigt u deze keuze met de SET-toets van de rechter touch-toets.
ALARM VOLT (onderspanningswaarschuwing ontvanger)
Via ALARM VOLT wordt de ontvangerspanning bewaakt. De interval kan tussen 3,0 en 6,0 Volt worden ingesteld.
Bij onderschrijden van de ingestelde alarmgrens klinkt een akoestisch signaal (interval-pieptoon lang/kort) en in
alle “RX …”-displays knippert bovenaan “VOLT.E” .
In het display “RX DATAVIEW” wordt bovendien de parameter “R-VOLT” invers weergegeven:
ALARM TEMP +/- (ontv. temperatuurbewaking)
Deze beide opties bewaken de ontvangertemperatuur. Een onderste grenswaarde “ALARM TEMP-“ (-20 … +10
ºC) en een bovenste grenswaarde “ALARM TEMP+”(50 … 80 ºC) kunnen geprogrammeerd worden. Bij het
onder- of overschrijden van deze instellingen klinkt een akoestisch signaal (voortdurende pieptoon) en in alle
ontvanger-displays verschijnt er rechtsboven “TEMP.E”. Op de displaybladzijde “RX DATAVIEW” wordt
bovendien de parameter “R-TEM” invers weergegeven.
Zorg ervoor dat u onder alle omstandigheden binnen het kader van de toegestane temperaturen van uw
ontvanger blijft (ideaal tussen -10 en 55 ºC).
CH OUTPUT TYPE
Hier kiest u hoe ontvangeruitgangen worden aangestuurd.
ONCE
De servo-aansluitingen van de ontvanger worden na elkaar aangestuurd. Aanbevolen voor analoge
servo’s. Bij deze instelling worden de servo’s automatisch in een cyclus van 20 ms – bij een 12-kanaals
ontvanger (Best.-Nr. 33512) 30 ms- aangestuurd, onafhankelijk van wat er op het display “RX SERVO”
in de regel “PERIOD” ingesteld resp. weergegeven wordt!
SAME
De servo-aansluitingen van de ontvanger worden in blokken van vier parallel aangestuurd. D.w.z. dat de
kanalen 1 tot 4 en 5 tot 8 tegelijkertijd hun stuursignalen krijgen.
Aanbevolen bij digitale servo’s, wanneer er meerdere servo’s voor één functie worden toegepast (bv.
rolroeren), zodat de servo’s absoluut synchroon lopen.
Wanneer er uitsluitend digitale servo’s worden gebruikt is het raadzaam om in de regel “PERIOD” van
het display “RX SERVO” 10 ms in te stellen, om de snellere reactie van digitale servo’s te kunnen
benutten. Bij gebruik van analoge servo’s of verschillende types door elkaar moet in ieder geval “20 ms”
worden gekozen!
Let bij deze instelling bijzonder op een voldoende krachtige stroomvoorziening van de ontvanger.
Omdat er telkens maximaal 4 servo’s tegelijk in actie zijn wordt deze accu zwaarder belast.
SUMO (sommensignaal OUT)
Een als SUMO geconfigureerde HoTT-ontvanger genereert permanent uit de stuursignalen van al zijn
stuurkanalen een zogenaamd sommensignaal en heeft dit standaard bij de bijgeleverde ontvanger GR-
16 aan servo-aansluiting 8 paraat staan. De ontvangeruitgangen worden na elkaar in een cyclus van 20
ms (bij de ontvanger GR-24, Best.-Nr. 33512, 30 ms) aangestuurd, ook wanneer op de displaypagina
“RX SERVO” in de regel “PERIOD” 10 ms ingesteld was.
In de eerste instantie bedoeld voor het hieronder beschreven “satellietgebruik” van twee HoTT-
ontvangers kan het door een als SUMO gedefinieerde ontvanger gegenereerde sommensignaal
bijvoorbeeld ook voor de aansturing van Flybarless-systemen of via de adapterkabel Best.-Nr. 33310
voor de aansturing van vliegsimulatoren worden gebruikt .
Bij
satellietgebruik
… worden twee HoTT-ontvangers via een 3-aderige verbindingskabel (Best.-Nr. 33700.1 (300 mm) of
33700.2 (100 mm) aan de servo-aansluiting met elk het hoogste nummer met elkaar verbonden. Meer
informatie hierover vindt u op Internet onder www.graupner.de
.
Via deze verbinding worden alle kanalen van die HoTT-ontvanger, die als SUMO geconfigureerd werd,
en als satellietontvangers wordt betiteld, permanent naar de tweede HoTT-ontvanger, de
hoofdontvanger, die als …
SUMI (sommensignaal IN)
… geprogrammeerd moet worden, overgedragen. Het signaal gaat altijd steeds in richting SUMI.
De als SUMI gedefinieerde ontvanger gebruikt weer bij een uitval van de ontvangst alleen dan het van
de SUMO komende sommensignaal, wanneer minimaal 1 kanaal in de SUMI op Fail-Safe is
geprogrammeerd.
Heeft de als satellietontvanger SUMO geprogrammeerde ontvanger een ontvangstuitval, dan nemen de
aan deze ontvanger aangesloten servo’s volledig onafhankelijk van de hoofdontvanger de in de
satellietontvanger geprogrammeerde Fail-Safe-posities in. Komt het daarentegen bij beide ontvangers
tegelijkertijd tot een ontvangstuitval, dan gebruikt de software, zoals die bij de uitgave van deze
handleiding actueel is, in principe de Fail-Safe-instellingen van de SUMO. In uitzonderlijke gevallen zijn
wisselwerkingen echter niet uit te sluiten, waardoor wij dringend adviseren om VÓÓR het vliegen
met een model deze altijd uitvoerig te testen.
Deze ontvangerconfiguratie is aanbevelenswaardig, wanneer bv. één van de beide ontvanger op een
ontvangsttechnisch ongunstige plaats in het model is ingebouwd of vanwege het gebruik van koolstof
e.d. het gevaar bestaat dat het ontvangstsignaal afhankelijk van de vliegpositie zwakker kan worden,
zodat u moet rekenen op een verminderde reikwijdte.
Sluit daarom de belangrijkste stuurfuncties in ieder geval aan op de als SUMI geprogrammeerde
hoofdontvanger, zodat het model in geval van een storing ook dan stuurbaar blijft, wanneer de
satellietontvanger SUMO geen geldig signaal meer krijgt. Telemetrie-data zoals bv. de spanning van de
boordstroomvoorziening zendt daarentegen alleen de als SUMO geconfigureerde satellietontvanger
naar de zender. Telemetrie-sensoren moeten daardoor dus aan de satellietontvanger (SUMO)
aangesloten worden.
Elke ontvanger moet via een eigen aansluiting aangesloten worden aan de gemeenschappelijke
stroomvoorziening. Bij hoge stromen moet dit eventueel zelfs als een dubbele uitvoering. Moet
daarentegen elke ontvanger van een eigen spanningsbron zijn voorzien, dan moet in ieder geval de
middelste kabel uit één van de beide stekkers van de satellietkabel worden verwijderd, zie afbeelding.
rood
Indien u verdere programmeringen zoals bv. Fail-Safe-instellingen wilt uitvoeren maakt u de driepolige
satellietverbinding tussen de beide ontvangers los en schakelt u alleen de desbetreffende ontvanger in.
Eventueel moet u ook de volgorde van het binden wijzigen.
Sensor kiezen
Na keuze van de gewenste menuregel met de pijltoetsen ▲▼ van de linker of rechter touch-toets …
telemetrie
instellen/weergeven
sensor kiezen
weergave HF status
keuze berichten
… en aansluitend aantippen van de centrale SET-toets van de rechter touch-toets wordt het uitgekozen
ondermenu geopend:
sensor kiezen
ontvanger
general module
electr. air-module
vario module
gps
Hierin kunt u na selectie van de gewenste regel met de pijltoetsen ▲▼ van de linker of rechter touch-toets en een
aansluitend aantippen van de centrale SET-toets van de rechter touch-toets de data-uitgifte van de aan de
ontvanger aangesloten sensor activeren resp. deactiveren, bv.:
sensor kiezen
ontvanger
general module
electr. air-module
vario module
gps
Deze keuze is een voorwaarde voor het weergeven van de sensor in het ondermenu “KEUZE BERICHTEN” .
Na selectie van de gewenste menuregel met de pijltoetsen ▲▼ van de linker of rechter touch-toets …
telemetrie
instellen/weergeven
sensor kiezen
weergave HF status
keuze berichten
… en een aansluitend aantippen van de centrale SET-toets van de rechter touch-toets gaat het gekozen
ondermenu open:
Bovenste rij: ontvangstvermogen in dBm van de kanalen 1 … 75 van de 2,4 GHz-band.
Onderste rij: ontvangstvermogen in dBm van het bij de ontvanger aankomende signaal van de kanalen 1 …
75 van de 2,4 GHz-band.
Dit display visualiseert de data van de bezetting van de 2,4 GHz-band; bovendien wordt links van de weergave
van de bandbezetting nog meer informatie in de vorm van getallen weergegeven. Deze betekenen:
waarde verklaring
E signaalkwaliteit in % van het van de ontvanger afkomstige signaal
S signaalkwaliteit in % van het bij de ontvanger aankomende signaal
SL ontvangstvermogen in dBm
P aantal verloren datapakketten van de ontvanger
RL ontvangstvermogen in dBm van het bij de ontvanger aankomende signaal
RS actuele bedrijfsspanning van de ontvanger in Volt
RM laagste bedrijfsspanning van de ontvanger sinds de laatste inbedrijfname in Volt
Keuze gesproken berichten
Na keuze van de gewenste menuregel met de pijltoetsen ▲▼ van de linker of rechter touch-toets …
telemetrie
instellen/weergeven
sensor kiezen
weergave HF status
keuze berichten
… en aansluitend aantippen van de centrale SET-toets van de rechter touch-toets wordt het uitgekozen
ondermenu geopend:
HERHALEN
keuze berichten
herhalen 1 sec ---
volgend bericht ---
vario ---
zender
ontvanger
Om de gesproken berichten via de hoofdtelefoonaansluiting überhaupt te kunnen starten is het nodig om op z’n
minst aan de regel “HERHALEN” een schakelaar toe te wijzen. Dit doet u zoals beschreven in het onderdeel
“toewijzing schakelaars en stuurelementen” op bladzijde 48:
Gewenste schakelaar
in de AAN positie
keuze berichten
herhalen 1 sec 3|
volgend bericht ---
vario ---
zender
ontvanger
Met de schakelaar kunt u het laatste gesproken bericht voor de duur van de links van de schakelaar ingestelde
tijd laten herhalen, zolang de toegewezen schakelaar gesloten is.
VOLGEND BERICHT
Met een aan deze regel toegewezen schakelaar, bij voorkeur één van de beide toetsschakelaars SW 1 of SW 9
schakelt u de in de hieronder beschreven opties “ZENDER”, “ONTVANGER” en “SENSOR” geselecteerde
berichten achter elkaar, telkens één verder.
keuze berichten
herhalen 5 sec 3
volgend bericht 1
vario ---
zender
ontvanger
VARIO
Als u, zoals op de volgende bladzijde onder “sensor” beschreven, in het ondermenu “SENSOR KIEZEN” de regel
“vario module” activeert, kunt u met een aan deze regel toegewezen schakelaar volledig onafhankelijk van de
andere gesproken mededelingen vario-specifieke berichten, dus mededelingen omtrent de hoogte van uw model
zoals bv. “langzaam stijgen/dalen” enz. via de hoofdtelefoonaansluiting oproepen.
keuze berichten
herhalen 5 sec 3
volgend bericht 1
vario 8
zender
ontvanger
ZENDER
Na keuze van de gewenste menuregel met de pijltoetsen ▲▼ van de linker of rechter touch-toets …
keuze berichten
herhalen 5 sec 3
volgend bericht 1
vario 8
zender
ontvanger
sensor
… en aansluitend aantippen van de centrale SET-toets van de rechter touch-toets wordt het uitgekozen
ondermenu geopend:
Volt actueel:
modeltijd:
accutijd:
stopwatch:
vliegtijdklok:
kloktijd:
In dit menu kunt u na keuze van de gewenste regel met de pijltoetsen ▲▼ van de linker of rechter touch-toets en
een aansluitend aantippen van de centrale SET-toets van de rechter touch-toets het gekozen gesproken bericht
activeren of deactiveren:
Volt actueel:
modeltijd:
accutijd:
stopwatch:
vliegtijdklok:
kloktijd:
ONTVANGER
Na keuze van de gewenste menuregel met de pijltoetsen ▲▼ van de linker of rechter touch-toets …
keuze berichten
herhalen 5 sec 3
volgend bericht 1
vario 8
zender
ontvanger
sensor
… en aansluitend aantippen van de centrale SET-toets van de rechter touch-toets wordt het uitgekozen
ondermenu geopend:
temperatuur:
signaalsterkte:
Volt actueel:
Volt minimum:
In dit menu kunt u na keuze van de gewenste regel met de pijltoetsen ▲▼ van de linker of rechter touch-toets en
een aansluitend aantippen van de centrale SET-toets van de rechter touch-toets het gekozen gesproken bericht
activeren of deactiveren.
SENSOR
Deze regel verschijnt alleen, wanneer eerst in het ondermenu “SENSOR KIEZEN” een sensor geactiveerd werd:
keuze berichten
herhalen 5 sec 3
volgend bericht 1
vario 8
zender
ontvanger
sensor
Werd bijvoorbeeld de sensor “VARIO” uitgekozen, dan wordt na selectie van de regel “SENSOR” en een
aansluitend aanraken van de centrale SET-toets van de rechter touch-toets het volgende display geopend:
hoogte:
maxhoogte:
minhoogte:
Zoals in de kolom links beschreven kunt u ook in deze menu’s elke aangeboden gesproken mededeling na keuze
van de gewenste regel door een aantippen van de centrale SET-toets van de rechter touch-toets activeren of
deactiveren.
Aanwijzing:
De hier ingestelde keuze is helemaal onafhankelijk van de “VARIO”-mededelingen.
Leraar/leerling
Verbinding van twee zenders voor leraar/leerling-gebruik met leraar/leerling-kabel
Blader met de pijltoetsen van de linker of rechter touch-toets naar het menupunt “leraar/leerl” van het
multifunctiemenu:
servoinst. inst.stuurel.
D/R expo fasentrim
vleugelmix vrije mix
servoaand. alg.inst.
Fail-Safe telemetrie
leraar/leerl info weerg.
Door een aanraken van de centrale SET-toets van de rechter touch-toets opent u dit menu:
TRAINER/leerl
-s
l
SW: --- BIND: n/a
De bovenstaande afbeelding geeft de uitgangstoestand van dit menu weer: er werd nog geen stuurelement aan
de leerling gegeven en nog geen schakelaar toegewezen (SW: --- links onder resp. –S links op de afbeelding).
Belangrijke aanwijzing:
De hieronder staande beschrijving is gebaseerd op de zendersoftware 1.65, zoals die bij de uitgave van
deze handleiding actueel was, en is ook geldig voor alle eerdere softwareversies. Het valt echter niet uit
te sluiten dat na één van de volgende updates deze beschrijving niet meer met de dan gegeven
functionaliteit van het leraar-leerling-systeem overeenkomt.
MX-16 HoTT als leraarzender
Het trainermodel moet compleet, d.w.z. met alle functies inclusief de trimming en eventuele mixerfuncties zowel in
een geheugenplaats van de HoTT-leerlingzender als ook in de HoTT-leraarzender geprogrammeerd zijn. Het als
lesvliegtuig bedoelde model moet dus volledig onafhankelijk van de andere zender zowel door de
leerling- als door de leraarzender zonder beperkingen bestuurbaar zijn. Al te grote verschillen in de
instellingen moeten in ieder geval vermeden worden! Anders riskeert u dat het model bij het omschakelen tussen
leraar- en leerlingzender door de positieveranderingen van de servo’s soms grote sprongen kan maken, die het
model soms sterk kunnen belasten. Desondanks kan het zinvol zijn om bij het leerling-model kleinere
roeruitslagen te programmeren, om het leren van de stuurmotoriek te vergemakkelijken.
Wanneer de beide zenders zover voor het trainergebruik zijn voorbereid, moet het trainermodel aan de
leraarzender worden gebonden. Een uitvoerige beschrijving van de bind-procedure vindt u op bladzijde 70/71
resp. 79.
Tot maximaal acht stuurfuncties van de leraarzender “leraar” kunnen apart of in een willekeurige combinatie aan
de leerlingzender “leerl” worden overgegeven.
Kies met de pijltoetsen ◄► van de linker of rechter touch-toets de stuurfuncties 1 tot 8 () die aan de leerling
overgegeven moeten worden en tip telkens kort op de centrale SET-toets van de rechter touch-toets, om tussen
“L (leraar)” en “S” (student, leerling) om te schakelen:
TRAINER/leerl
-s
l
SW: --- BIND: n/a
Belangrijke aanwijzing:
Moet bijvoorbeeld de rolroer-functie (2) overgegeven worden en is het model voorzien van twee rolroerservo’s,
die normaal gesproken aan de ontvangeraansluitingen 2 en 5 zijn aangesloten, dan moeten volgens de
bovenstaande afbeelding ook de stuurkanalen 2 en 5 worden overgegeven en niet alleen, zoals bij zender met
een uitsluitend kabelgebonden systeem, alleen nummer 2. Op dezelfde manier geldt dit ook voor eventueel aan 6
en 7 aangesloten welfkleppenservo’s (instelling “2RO 2WK” in de regel “rolr./welfkl” van het menu “modeltype”)
of twee aan 3 en 8 aangesloten hoogteroerservo’s (instelling 2 Sv HO” in de regel “staarttype” van het menu
“modeltype”).
Bij helikoptermodellen is een “overgeven van één functie tegelijk” van de stuurfuncties “pitch”, “rollen” en “nicken”
op dit moment alleen mogelijk bij het tuimelschijftype “1 servo”.
Aanwijzing:
Zenders met een uitsluitend kabelgebonden leraar-leerling-systeem herkent u aan de ontbrekende binding-optie
in het leraar-leerling-menu.
Om het overgeven van functies te kunnen uitvoeren moet u links op het display nog een leraar-leerling-
schakelaar toewijzen. Plaats hiervoor de markering met de pijltoetsen van de linker of rechter touch-toets links
onder “SW:” en wijs, zoals beschreven op bladzijde 48, een schakelaar toe.
Neem hier bij voorkeur één van de beide momentschakelaars SW 1 of SW 9 voor, om de besturing op elk
moment naar de leraarzender terug te kunnen nemen.
TRAINER/leraar
-s
l
SW: 9 BIND: n/a
Omdat er op dit moment van de programmering van het leraar-leerling-systeem waarschijnlijk nog geen
geprogrammeerde leerlingzender aan de leraarzender aangesloten is, reageert de zender ten gevolge van de
schakelaartoewijzing met bijbehorende optische en akoestische waarschuwingen. Open dus weer de zojuist
toegewezen schakelaar:
TRAINER/leraar
s
*l
SW: 9 BIND: n/a
Aanwijzing:
De zojuist beschreven schakelaartoewijzing bepaalt, van welke zender de leraar- en van welke de leerling-functie
uitgaat. Aan een leerlingzender mag in dit menu daarom NOOIT een schakelaar toegewezen zijn. De bovenste
regel wisselt daarom ook van “TRAINER/leerl” naar “TRAINER/leraar” zodra een schakelaar toegewezen
werd.
De leraarzender MX-16 HoTT kan verbonden worden met iedere geschikte leerlingzender. In zoverre de
aansluiting aan de leerlingkant echter NIET via een tweepolige DSC-bus plaatsvindt, maar bijvoorbeeld aan een
driepolige leraar-leerling-aansluiting uit het assortiment van Graupner is het een voorwaarde voor een correcte
verbinding met een leerlingzender dat, onafhankelijk van de bij de leraarzender gebruikte modulatiesoort,
in de leerlingzender ALTIJD de modulatiesoort PPM (18 resp. 24) is ingesteld.
De leraarzender MX-16 HoTT MOET IN IEDER GEVAL EERST AANGEZET WORDEN EN PAS DAN MOET DE
VERBINDINGSKABEL IN DIENS DSC-BUS WORDEN BEVESTIGD, anders wordt de HF-module niet
geactiveerd.
Instelling leerlingzender
Het door de leerling te besturen model moet compleet, d.w.z. met alle functies inclusief de trimming en eventuele
mixerfuncties zowel in een geheugenplaats van de leraar- als ook van de leerlingzender geprogrammeerd
en de HoTT-ontvanger van het desbetreffende model aan de leraarzender “gebonden” zijn. In principe kan
echter een leerlingzender MX-16 HoTT ook aan een leraarzender van de “klassieke” 35/40 MHz-soort gekoppeld
zijn, omdat de DSC-bus van de zender beschikt over het als leraarzender benodigde PPM-signaal. Let in dit
geval echter op de voorschriften bij de desbetreffende leraarzender.
Aan een leraarzender MX-16 HoTT kan als leerlingzender in principe ook bijna elke andere zender uit het
voormalige en huidige Graupner-programma met minstens 4 stuurfuncties gebruikt worden. Meer informatie
hierover vindt u in de hoofdcatalogus FS en op Internet onder www.graupner.de
.
De leerlingzender moet eventueel worden voorzien van de desbetreffende aansluitmodule voor leerlingzenders.
Deze moet volgens de bijgevoegde handleiding op de zenderprint worden aangesloten. Informatie wat betreft de
benodigde leerling-module vindt u in de Graupner-hoofdcatalogus FS en op Internet onder www.graupner.de
.
De verbinding naar de leraarzender vindt plaats via de bijbehorende kabel, zie volgende dubbele bladzijde. Bij
een leerlingzender MX-20 HoTT moet bovendien eventueel in de regel “DSC uitgang” van het menu
“basisinstelling model” de modulatiesoort aan de nummers van de over te geven stuurkanalen worden
aangepast. Bijvoorbeeld zijn in het signaalpakket van de modulatiesoort “PPM10”, die de stuurkanalen 1 … 5
overdraagt, alleen de stuurkanalen 1 … 5 inbegrepen, maar niet de kanalen 6 … 10. Moet ook één van deze
kanalen door de leerling worden gebruikt, dan moet een modulatiesoort gekozen worden die deze ook omvat!
Belangrijk:
Moet aan de leerling-kant de zender via een DSC-bus aangesloten zijn, dan laat u de aan-/uit-schakelaar
van de leerlingzender ALTIJD op “UIT”, want alleen in deze positie vindt er ook na het bevestigen van de
DSC-kabel geen HF-afstraling plaats vanuit de zendermodule van de leerlingzender.
Leraar-leerling-gebruik
Beide zenders worden via de passende kabel, zie overzicht op de volgende bladzijde, met elkaar verbonden: 2-
polige stekker in de bus van de leraarzender resp. stekker met het eventueel –afhankelijk van de kabel -
aanwezige opschrift “S” (student) in de bijbehorende bus van de leerlingzender steken.
Belangrijke aanwijzingen:
Test in ieder geval VÓÓR de start van een leraar-/leerling-sessie bij het startklare model of alle
functies op een juiste manier overgegeven kunnen worden.
Steek in geen geval één van de met “S” of “M” gekenmerkte uiteinden van de door u gebruikte
leraar-/leerlingkabel met 3-polige cinchstekker in een bus van het DSC-systeem. Het is daarvoor
niet geschikt. De DSC-bus is uitsluitend geschikt voor kabels met 2-polige cinchstekkers.
Functietest
Bedien de toegewezen leraar-leerling-schakelaar:
Het leraar-leerling-systeem werkt correct, wanneer de aanduiding wisselt van “*L” naar “*S”.
Knippert daarentegen de centrale LED snel blauw/rood en klinken er akoestische signalen, dan is de
verbinding tussen leerling- en leraarzender gestoord.
Parallel daaraan verschijnt in het basisdisplay de waarschuwing …
Geen
leerling –
signaal
… en in het “leraar/leerling”-menu wisselt de aanduiding links op het display naar “-S”. In dit geval
blijven onafhankelijk van de schakelaarpositie alle stuurfuncties automatisch bij de leraarzender, zodat
het model op geen enkel moment onbestuurbaar blijft.
Mogelijke oorzaken van foutief functioneren:
Leerlingzender niet klaar
Interface in de leerlingzender niet juist op de plaats van de HF-module aangesloten.
Foutieve kabelverbinding: keuze van kabel zie hieronder’
Leerlingzender niet naar PPM(10, 18, 24)-modus omgezet.
Andere mogelijke oorzaken:
Ontberekende “binding” tussen leraarzender en HoTT-ontvanger in het trainermodel.
Leraar-leerling-kabels
4179.1 Voor het leraar-/leerling-gebruik tussen twee willekeurige, van een DSC-bus voorziene Graupner-
zenders – herkenbaar aan de tweepolige cinchstekker aan beide einden.
3290.7 Leraar-/leerlingkabel voor het verbinden van een leraarzender met DSC-bus (bv. MX-16 HoTT) of ook
een van de optionele DSC-module Best.-Nr. 3290.24 voorziene zender met een Graupner-leerlingzender
met leerling-bus van het opto-electronische systeem – herkenbaar aan de aanduiding “S” aan de kant
van de driepolige cinchstekker.
3290.8 Leraar-/leerling-kabel voor het verbinden van een leerlingzender met DSC-bus (bv. MX-16 HoTT) of ook
een van de optionele DSC-module Best.-Nr. 3290.24 voorziene zender met een Graupner leraarzender
met leraar-bus van het opto-electronische systeem – herkenbaar aan de aanduiding “M” aan de kant
van de driepolige cinchstekker.
Meer informatie over de in dit gedeelte genoemde kabels en modulen voor de leraar- resp. leerlingzenders vindt u
in de desbetreffende handleidingen, in de Graupner hoofdcatalogus FS en op Internet onder www.graupner.de
.
leraar-/leerling-systeem met zender MX-16 HoTT
Vanwege de voortdurende uitbreiding van het assortiment vindt u de meest actuele informatie op Internet onder
www.graupner.de
leerlingzender MX-16 HoTT
leraar-/leerling-kabel leraar-/leerling-kabel
Best.-Nr. 4179.1 Best.-Nr. 3290.8
leraarzender met DSC-bus leraarzender met leraarmodule
Best.-Nr. 3290.2, 3290.19, 3290.22
MX-12(s)HoTT, MX-16s/iFS/HoTT, MX- MC-19 tot MC-24, MX-22(iFS)
22(iFS), MX-24s en, in zoverre van MX-24s
DSC-bus Best.-Nr. 3290.24
voorzien, MC-19(s+ iFS), MC-22(s+ iFS)
en MC-24
leraarzender MX-16iFS
leraar-/leerling-kabel leraar-/leerling-kabel
Best.-Nr. 4179.1 Best.-Nr. 3290.7
leerlingzender met DSC-bus leerlingzender met leerling-module
Best.-Nr. 3290.3, 3290.10, 3290.33
MX-12(s)HoTT, MX-16s/iFS/HoTT, MX- D 14, FM 414, FM 4014, FM 6014,
22(iFS), MX-24s en, in zoverre van MC-10 … MC-24, MX-22(iFS),
DSC-bus Best.-Nr. 3290.24 MX-24s
voorzien, MC-19(s+ iFS), MC-22(s+ iFS)
en MC-24
Opmerking:
De lijsten geven mogelijke zenders resp. zendercombinaties weer ten tijde van de uitgave van deze handleiding,
Draadloos HoTT-systeem
Als alternatief voor het op de vorige bladzijden beschreven “klassieke” systeem via een leraar-/leerling-kabel
kunnen twee HoTT-zenders ook draadloos als een leraar-/leerling-systeem met elkaar gecombineerd worden.
Voorbereidingen
Belangrijke aanwijzing:
De hieronder staande beschrijving is gebaseerd op de zendersoftware 1.65, zoals die bij de uitgave van
deze handleiding actueel was, en is ook geldig voor alle eerdere softwareversies. Het valt echter niet uit
te sluiten dat na één van de volgende updates deze beschrijving niet meer met de dan gegeven
functionaliteit van het leraar-leerling-systeem overeenkomt.
Het trainermodel moet compleet, d.w.z. met alle functies inclusief de trimming en eventuele mixerfuncties zowel in
een geheugenplaats van de HoTT-leerlingzender als ook in de HoTT-leraarzender geprogrammeerd zijn. Het als
lesvliegtuig bedoelde model moet dus volledig onafhankelijk van de andere zender zowel door de
leerling- als door de leraarzender zonder beperkingen bestuurbaar zijn. Al te grote verschillen in de
instellingen moeten in ieder geval vermeden worden! Anders riskeert u dat het model bij het omschakelen tussen
leraar- en leerlingzender door de positieveranderingen van de servo’s soms grote sprongen kan maken, die het
model soms sterk kunnen belasten. Desondanks kan het zinvol zijn om bij het leerling-model kleinere
roeruitslagen te programmeren, om het leren van de stuurmotoriek te vergemakkelijken.
Wanneer de beide zenders zover voor het trainergebruik zijn voorbereid, moet het trainermodel aan de
leerlingzender worden gebonden. Een uitvoerige beschrijving van de bind-procedure vindt u op bladzijde 70/71
resp. 79.
Binden van leraar- en leerlingzender
Schakel de beide zenders in en blader bij beide zenders met de pijltoetsen van de linker of rechter touch-toets
naar het menupunt “leraar/leerl” van het multifunctie-menu. (De al eerder aan de leerlingzender gebonden
ontvanger van het trainermodel hoeft tijdens de volgende procedure niet perse aangezet te zijn.):
servoinst. inst.stuurel.
D/R expo fasentrim
vleugelmix vrije mix
servoaand. alg.inst.
Fail-Safe telemetrie
leraar/leerl info weerg.
Door een aanraken van de centrale SET-toets van de rechter touch-toets opent u dit menu:
TRAINER/leerl
-s
l
SW: --- BIND: n/a
De bovenstaande afbeelding geeft de uitgangstoestand van dit menu weer: er werd nog geen stuurelement aan
de leerling gegeven en nog geen schakelaar toegewezen (SW: --- links onder resp. –S links op de afbeelding).
Leerlingzender
breng de cursor met de pijltoetsen van de linker of rechter touch-toets naar het invoerveld “BIND”. Zou er rechts
naast “SW:” een schakelaar te zien zijn, dan moet u deze in ieder geval eerst wissen, zie afbeelding:
TRAINER/leerl
-s
l
SW: --- BIND: n/a
Leraarzender
Geef door een aanraken van de centrale SET-toets van de rechter touch-toets de stuurkanalen, die aan de
leerling overgegeven moeten worden, vrij. Het leraar-/leerlingsymbool wisselt daarbij, bijvoorbeeld:
TRAINER/leerl
-s
l
SW: --- BIND: n/a
Belangrijke aanwijzing:
In tegenstelling tot het op de vorige bladzijden beschreven kabelgebonden leraar-/leerling-systeem, waarbij
uitsluitend SIGNALEN VAN DE STUURELEMENTEN aan de leerling worden vrijgegeven, worden bij het hier
beschreven draadloze HoTT-systeem STUURKANALEN overgegeven!
Moet dus bijvoorbeeld de rolroer-functie (2) overgegeven worden en is het model voorzien van twee
rolroerservo’s, die normaal gesproken aan de ontvangeraansluitingen 2 en 5 zijn aangesloten, dan moeten bij het
draadloze HoTT-systeem ook de stuurkanalen 2 en 5 worden overgegeven en niet alleen, zoals bij zender met
een uitsluitend kabelgebonden systeem, alleen nummer 2, zie bovenstaande afbeelding. Op dezelfde manier
geldt dit ook voor eventueel aan 6 en 7 aangesloten welfkleppenservo’s (instelling “2RO 2WK” in de regel
“rolr./welfkl” van het menu “modeltype”) of twee aan 3 en 8 aangesloten hoogteroerservo’s (instelling 2 Sv HO”
in de regel “staarttype” van het menu “modeltype”).
Bij helikoptermodellen is een “overgeven van één functie tegelijk” van de stuurfuncties “pitch”, “rollen” en “nicken”
op dit moment alleen mogelijk bij het tuimelschijftype “1 servo”.
Om het overgeven van functies te kunnen uitvoeren moet u nog een leraar-leerling-schakelaar toewijzen. Plaats
hiervoor de markering met de pijltoetsen van de linker of rechter touch-toets links onder naast “SW:” en wijs,
zoals beschreven op bladzijde 48, een schakelaar toe.
Neem hier bij voorkeur één van de beide momentschakelaars SW 1 of SW 9 voor, om de besturing op elk
moment naar de leraarzender terug te kunnen nemen.
TRAINER/leraar
*s
l
SW: 9 BIND: n/a
Aanwijzing:
De zojuist beschreven schakelaartoewijzing bepaalt, van welke zender de leraar- en van welke de leerling-functie
uitgaat. Aan een leerlingzender mag in dit menu daarom NOOIT een schakelaar toegewezen zijn. De bovenste
regel wisselt daarom ook van “TRAINER/leerl” naar “TRAINER/leraar” zodra een schakelaar toegewezen
werd.
Breng nu de markering met de pijltoetsen van de linker of rechter touch-toets naar rechts, naar “BIND: n/a”:
TRAINER/leraar
s
*l
SW: 9 BIND: n/a
Binden van de leerlingzender aan de leraarzender
Aanwijzing:
Tijdens de bindingprocedure moet de afstand tussen de beide zenders niet al te groot zijn. Eventueel moet de
positie van de beide zenders worden veranderd en de bindingprocedure herhaald worden.
Sluit eventueel de al eerder gedefinieerde leraar-/leerling-schakelaar …
TRAINER/leraar
*s
l
SW: 9| BIND: n/a
… en start eerst bij de leerlingzender door een aantippen van de centrale SET-toets van de rechter touch-toets
het “BINDEN”-proces …
TRAINER/leerl
-s
l
SW: --- BIND: BINDEN
… en direct daarna bij de leraarzender:
Zodra dit proces is afgesloten verschijnt op beide displays “AAN” in plaats van het knipperende “BINDEN” :
TRAINER/leraar
*s
l
SW: 9| BIND: AAN
TRAINER/leerl
-s
l
SW: ---| BIND: AAN
U kunt nu bij beide zenders terugkeren naar het basisdisplay en het trainergebruik na een grondige controle van
alle functies beginnen.
Zou daarentegen maar bij één van de beide of bij geen enkele zender AAN zichtbaar zijn en de
bindingsprocedure dus mislukt zijn, dan moet u eventueel de positie van de beide zenders veranderen en de hele
procedure herhalen.
Belangrijke aanwijzing:
Controleer in ieder geval vóór het begin van het leraar-/leerling-sessie bij het startklare model of alle
functies correct overgegeven kunnen worden.
Tijdens de ….
trainingsvlucht
… kunnen de leraar en de leerling gemakkelijk op enige afstand van elkaar blijven. De zogenaamde roepafstand
(max. 50 m) moet echter in geen geval overschreden worden, en er mogen geen andere personen tussen de
leraar en de leerling gaan staan, omdat dit de reikwijdte van het terugkoppelingskanaal, dat voor de verbinding
van de beide zender wordt gebruikt, kan verkleinen. Bovendien moet u er op letten, dat vanwege het gebruik van
het terugkoppelingskanaal voor het draadloze leraar/leerling-systeem in deze modus er geen telemetrie-data
vanuit het model kunnen worden ontvangen.
In deze modus ziet het basisdisplay van de leraarzender er als volgt uit …
GRAUBELE stop 0:00
#01 vlucht 0:00
RFC-leraar <normaal>
… en die van de leerling bijvoorbeeld zo :
GRAUBELE stop 0:00
#01 vlucht 0:00
RFC-leerl. <normaal>
Zou het tijdens een leraar-/leerling-sessie toch een keer voorkomen dat de verbinding tussen de leraar- en de
leerlingzender verloren gaat, dan neemt de leraarzender automatisch de besturing van het model over.
Bevindt de leraar-/leerling-schakelaar zich in deze situatie in de “leerling-“positie, dan begint de centrale LED van
signaalverlies aanhoudt. Daarenboven knippert in het basisdisplay “RFC-“ en verschijnt de waarschuwing:
Geen
leerling-
signaal
Zou daarentegen alleen “RFC-“ in het basisdisplay van de zender knipperen en – zachte- akoestische
waarschuwingssignalen klinken …
GRAUBELE stop 0:00
#01 vlucht 0:00
RFC-leraar <normaal>
… dan ging eveneens het leerling-signaal verloren maar bevindt de leraar-/leerling-schakelaar zich in de “leraar”-
stand. In beide gevallen moet als eerste de afstand tussen de beide zenders worden verkleind. Wanneer dit niet
helpt moet u direct landen en de oorzaak zoeken.
Zijn daarentegen aalleen de beide zenders in bedrijf en staat de ontvanger uit, dan verschijnt in het basisdisplay
van de leraarzender in plaats van de beide symbolen … het “bekende” … .
Opnieuw starten van een leraar-/leerling-sessie
Heeft u – door welke reden dan ook – tussendoor één van de beide of beide zenders uitgezet, dan verschijnt na
het opnieuw aanzetten van de zender(s) de vraag:
Draadloze
LL-verbinding
VERDER UIT
Bevestig “VERDER”(gaan) door een aanraken van de centrale SET-toets van de rechter touch-toets of wacht
anders totdat de melding na ca. 2 seconden verdwijnt. In beide gevallen blijft de als laatste gemaakte verbinding
naar een leraar- resp. leerlingzender bestaan.
Kiest u daarentegen met een pijltoets van de linker of rechter touch-toets “UIT”
Draadloze
LL-verbinding
VERDER UIT
… en bevestigt u deze keuze door een aantippen van de centrale SET-toets van de rechter touch-toets, dan zet u
de desbetreffende zender weer terug naar het “normale” bedrijf. De binding aan een leraar- resp. leerlingzender
moet dan eventueel opnieuw worden gemaakt.
Info-display
Datum, kloktijd, zender ID en geheugenkaart
Blader met de pijltoetsen van de rechter touch-toets naar het menupunt “info” van het multifunctie-menu:
servoinst. inst.stuurel.
D/R expo fasentrim
vleugelmix vrije mix
servoaand. alg.inst.
Fail-Safe leraar/leerl
info weerg.
servoinst. inst.stuurel.
D/R expo fasentrim
vleugelmix vrije mix
servoaand. alg.inst.
Fail-Safe telemetrie
leraar/leerl info weerg.
Door een aanraken van de centrale SET-toets van de rechter touch-toets opent u dit menupunt:
RFID ABCDEF12
Firmware ver. 1.11
datum 2011/02/01 (di)
tijd 11:22:33s
SD-kaart 0MB
beschikbaar 0MB
In dit menu wordt zenderspecifieke informatie weergegeven en – in zoverre nodig en zinvol – ook gewijzigd.
Kies de desbetreffende regel met de pijltoetsen ▲▼ van de linker of rechter touch-toets en raak daarna de
centrale SET-toets van de rechter touch-toets aan. In het nu inverse waarden-veld kunt u met de pijltoetsen van
de rechter touch-toets de desbetreffende standaardwaarde wijzigen en door nogmaals de centrale SET-toets aan
te raken de invoer afsluiten.
RFID
RFID ABCDEF12
Firmware ver. 1.11
datum 2011/02/01 (di)
tijd 11:22:33s
SD-kaart 0MB
In deze regel wordt het identificatienummer van de zender weergegeven. Deze is zenderspecifiek, wordt per
zender maar één keer uitgegeven en kan niet worden veranderd. Tijdens de bindingprocedure wordt o.a. deze ID
aan de ontvanger overgeseind, zodat die altijd in staat is om de radiosignalen van “zijn” ontvanger te identificeren.
Firmware versie
RFID ABCDEF12
Firmware ver. 1.11
datum 2011/02/01 (di)
tijd 11:22:33s
SD-kaart 0MB
In deze regel wordt het actuele versienummer van de zendersoftware weergegeven.
Door vergelijken van het hier getoonde nummer met die van de update-versie, zoals die op Internet op de
downloadpagina van het desbetreffende product onder www.graupner.de wordt aangeboden, kunt u beoordelen
of een update van het zenderbedrijfssysteem nodig en zinvol is. Eventueel is het versienummer ook bij aanvragen
van de servicedienst nodig.
datum
RFID ABCDEF12
Firmware ver. 1.11
datum 2011/02/01 (di)
tijd 11:22:33s
SD-kaart 0MB
Kies indien nodig deze regel met de pijltoetsen van de linker of rechter touch-toets, en aansluitend eventueel het
maand- of dagveld. Na het activeren van het desbetreffende waarden-veld via aantippen van de centrale SET-
toets van de rechter touch-toets kunnen met de pijltoetsen van de rechter touch-toets jaar, maand en dag worden
ingesteld. Een hernieuwd aantippen van de centrale SET-toets van de rechter touch-toets sluit elke invoer af. U
kunt kiezen uit jaartallen van 2000 tot 2135.
De rechtsbuiten in haakjes geplaatste en afgekorte dag wordt vanuit de desbetreffende datum automatisch
gegenereerd.
Aanwijzingen:
Datum en kloktijd kunnen bij aanwezigheid van een verbinding met een PC alternatief ook via Internet
onder www.graupner.de
bij het desbetreffende product door middel van een PC-programma worden ingesteld.
Datum en kloktijd zijn door een verwisselbare back-up batterij beschermd tegen stroomuitval,
bijvoorbeeld door het verwisselen van de zenderaccu.
tijd
RFID ABCDEF12
Firmware ver. 1.11
datum 2011/02/01 (di)
tijd 11:22:33s
SD-kaart 0MB
Kies indien nodig deze regel met de pijltoetsen van de linker of rechter touch-toets, en aansluitend eventueel het
minutenveld. Na het activeren van het desbetreffende waarden-veld via aantippen van de centrale SET-toets van
de rechter touch-toets kunnen met de pijltoetsen van de rechter touch-toets uur of minuut worden in- resp.
bijgesteld. Een hernieuwd aantippen van de centrale SET-toets van de rechter touch-toets sluit elke invoer af.
In tegenstelling hiermee kan de secondeaanduiding niet direct worden ingesteld, maar alleen via een aanraken
van de centrale SET-toets van de rechter touch-toets weer op “00” worden gezet.
Aanwijzingen:
Datum en kloktijd kunnen bij aanwezigheid van een verbinding met een PC alternatief ook via Internet
onder www.graupner.de
bij het desbetreffende product door middel van een PC-programma worden ingesteld.
Datum en kloktijd zijn door een verwisselbare back-up batterij beschermd tegen stroomuitval,
bijvoorbeeld door het verwisselen van de zenderaccu.
SD-kaart
RFID ABCDEF12
Firmware ver. 1.11
datum 2011/02/01 (di)
tijd 11:22:33s
SD-kaart 2048MB
In deze regel wordt de geheugencapaciteit van een eventueel in de zender geschoven geheugenkaart in KB
weergegeven.
Afhankelijk van de geheugencapaciteit van de ingebrachte DS- resp. micro-SDHC-geheugenkaart kan het na het
inschakelen van de zender meerdere minuten duren totdat de correcte waarde wordt getoond.
beschikbaar
Firmware ver. 1.11
datum 2011/02/01 (di)
tijd 11:22:33s
SD-kaart 2048MB
beschikbaar 1234MB
Aanduiding van de beschikbare geheugencapaciteit in KB. Zoals al eerder genoemd verschijnt de weergave van
de beschikbare geheugencapaciteit – afhankelijk van de totale capaciteit van de gebruikte SD-kaart – pas na een
bepaalde tijd na het inschakelen van de zender. In de regel daaronder ziet u de aanduiding van het percentage
beschikbare geheugen ten opzichte van de totale geheugencapaciteit:
datum 2011/02/01 (di)
tijd 11:22:33s
SD-kaart 2048MB
beschikbaar 1234MB
60%
Zoals al eerder genoemd verschijnt de weergave van de beschikbare geheugencapaciteit – afhankelijk van de
totale capaciteit van de gebruikte SD-kaart – pas na een bepaalde tijd na het inschakelen van de zender.
MX-16 HoTT-programmeertechniek
Voorbereidende maatregelen met een vliegtuigmodel als voorbeeld
Modellen programmeren in een MX-16 HoTT
… is eenvoudiger, dan dat het op het eerste gezicht lijkt!
Voorwaarde voor een juiste en snelle programmering is echter, en dat geldt niet alleen voor de MX-16 HoTT,
maar in principe voor alle programmeerbare zenders, de mechanisch correcte inbouw van alle
radiobesturingcomponenten in het model! Uiterlijk bij het aansluiten van de aansturingen moet er daarom op gelet
worden, dat de servo’s zich elk in hun neutrale positie bevinden en hun roerhevels ook in de gewenste richting
wijzen. Zo niet, dan moet u de hevel losmaken en hem een tandje of een aantal tandjes verzetten en weer
bevestigen. Worden de servo’s met behulp van een servo-tester, bv. de RC-Tester met Best.-Nr. 2894.12
ingebouwd, dan is de “juiste” positie helemaal eenvoudig in te stellen.
De praktisch bij iedere moderne zender geboden mogelijkheid, om de neutraal-positie van de servo’s te
beïnvloeden, is bedoeld voor hun fijne afstelling. Grotere afwijkingen van “0” kunnen na de verdere
signaalverwerking in de zender leiden tot onverwachte asymmetrische uitslagen. Op dezelfde manier wordt een
krom chassis van een auto geen millimeter rechter, wanneer het stuurwiel op “rechtuit” wordt getrimd! Ook
moeten de passende uitslagen van de roeren door aanpassen van de aanstuurpunten. Dat is ook veel effectiever
dan een overmatig gebruik van de weg-instelling in de zender Hier geldt ook: instellingen van de uitslagen zijn er
op de eerste plaats voor bedoeld, om toleranties van de servo’s te compenseren en ze fijn af te stellen, en niet ter
compensatie van eigen slordigheden.
Worden er in een vleugelmodel twee aparte servo’s voorde rolroeren toegepast, dan kunnen de rolroeren,
aangestuurd via een bijbehorende vleugelmixer – zie vanaf volgende dubbele bladzijde -, ook als remkleppen
omhoog gezet worden – wat echter eerder bij een zwever resp. motorzwever dan bij een motormodel zinvol is.
In zo’n geval moeten de roerhevels – uitgaand van de neutrale positie – een tandje verder naar voren verzet,
dus naar de neuslijst wijzend, worden bevestigd op de desbetreffende servo.
De door deze asymmetrische montage bereikte mechanische differentiatie houdt rekening met het feit, dat het
remeffect van de omhoog gedraaide rolroeren groter wordt naarmate de uitslag toeneemt, en er daarom normaal
gesproken meer uitslag naar boven dan naar beneden nodig is.
Op dezelfde manier moet ook bij apart aangestuurde welfkleppenservo’s te werk worden gegaan, wanneer u
deze in een Butterfly-systeem wilt integreren. Omdat het remeffect van deze kleppenconfiguratie, die ook als
“kraai-positie” wordt aangeduid, minder door de omhoog gedraaide rolroeren dan door de uitslag van de
welfkleppen naar beneden wordt beïnvloed, moeten de roerhevels in dit geval iets naar achteren , naar de
eindlijst verzet, worden ingebouwd. Daardoor ontstaat er dan meer uitslag naar beneden. Bij een dergelijke
combinatie van omlaag gedraaide welfkleppen en omhoog gedraaide rolroeren moeten de laatstgenoemde niet al
te veel omhoog gezet worden, omdat ze in een dergelijk Butterfly-systeem meer een stabiliserende en sturende
dan een remfunctie hebben.
In dit verband nog een tip om het remeffect te kunnen “zien”: kleppen uitdraaien en precies vanaf de voorkant
naar de vleugel kijken. Hoe groter het geprojecteerde oppervlakte van de uitstaande roeren is, des te groter is de
remmende werking.
rolroeren buiten
welfkleppen binnen
(Een soortgelijke symmetrische montage van de roerhevels kan bv. aan spreid- resp. landingskleppen ook in een
motormodel heel zinvol zijn.)
Is een model zo ver klaargemaakt en mechanisch afgesteld, dan kan in principe met de programmering van de
zender worden begonnen. De volgende handleiding probeert daarbij, om van de praktijk uit te gaan, door eerst
alle algemene basisinstellingen te beschrijven en deze dan in de volgende stappen te verfijnen resp. te
specialiseren. Na de eerste vlucht en met het oog op het verdere invliegen van het model zullen sommige
instellingen misschien nog een bijstelling nodig hebben. Wanneer de piloot meer ervaring krijgt, kan ook de wens
ontstaan om instellingen uit te breiden resp. aan te vullen. Daarom wordt hier niet altijd de volgorde van de opties
aangehouden resp. wordt een bepaalde optie ook meerdere keren genoemd.
Omgekeerd kan het natuurlijk ook zo zijn, dat voor een bepaald model niet elk van de beschreven stappen
relevant is, zoals ook sommige gebruikers voor hun model de beschrijving van een bepaalde stap zullen
missen….Hoe dan ook, uiterlijk nu, direct voor het begin van een modelprogrammering, moet u nadenken over
een zinvolle toewijzing van de stuurorganen.
Bij modellen, waarbij de nadruk op “motor” ligt, of dit nu een electro- of een verbrandingsmotor is, zullen er op dit
punt nauwelijks problemen zijn, omdat de bezetting van de beide knuppelaggregaten met de vier basisfuncties
“vermogensregeling (=gas)”, “richting”, “hoogte” en “rol” al eigenlijk vastligt!? U moet dan echter in het menu …
“basis-instelling” (bladzijde 65 … 72)
mod.naam < GRAUBELE >
stuurtoew 1
motor aan K1 geen
K8 vertraagd ja
staart normaal
…vastleggen , of u de gas-minimum-positie liever “naar voren” (“stat.voor.”) of “naar achteren” ( “stat.ach.”) wilt
hebben, omdat er bij het aanmaken van het modelgeheugen door het programma in principe “geen (motor)” wordt
ingevuld.
Het verschil tussen “geen” resp”geen/inv” en “gas min naar voren/naar achteren” ligt niet alleen in het effect van
de K1-trimming, die bij “geen(/inv)” over de hele stuurknuppeluitslag en bij “gas min naar voren/naar achteren”
alleen in de richting stationair werkt. Ook wordt daarmee de “effectrichting” van de K1-knuppel
dienovereenkomstig aangepast, zodat u bij een wissel van “voren” naar “achteren” of omgekeerd niet nog eens
de draairichting van de gasservo hoeft aan te passen. Bovendien verschijnt bij een instelling “gas min naar
voren/naar achteren” uit veiligheidsoverwegingen een waarschuwing op het display en klinkt er een signaal,
wanneer de gas-stuurknuppel zich bij het inschakelen van de zender in de richting volgas zou bevinden:
gas
te
hoog!
Van de keuze “geen (motor)” resp. “stationair voor-/achteraan” wordt ook het aanbod aan mixers in het menu
“vleugelmixers” beïnvloed: de mixers “rem NN” worden alleen aangeboden bij de keuze van “geen (motor)”
resp. “geen/inv” en in andere gevallen onzichtbaar gemaakt.
Vervolgens zult u in ieder geval moeten nadenken over “speciale functies”.
Bij elektrozwevers daarentegen ziet de zaak er af en toe heel anders uit. Daar kan de vraag zich opdoen, hoe
men de aandrijving en het remsysteem kan bedienen. Nu, ook hier zijn er bepaalde oplossingen praktisch en
andere minder praktisch gebleken.
Zo is het zeker minder handig, wanneer bij de landing van een zweefmodel een knuppel eventueel moet worden
losgelaten, om door middel van een ander stuurelement de stoorkleppen of een kraai-positie te kunnen
aansturen. Hier zou het zinvoller zijn, om óf de functie van de K1-knuppel omschakelbaar te maken (zie
voorbeeld 4 vanaf bladzijde 159) óf de aansturing van het remsysteem op de knuppel te laten en de motor via
een ander stuurelement of zelfs via een schakelaar te bedienen!? Omdat in dergelijke modellen de motor meestal
alleen de functie van een “starthulp” heeft, om het model óf met volle kracht in de lucht te krijgen óf eventueel met
“halve” kracht van het ene stijgwindveld naar het andere te “slepen”, is een 3-standen-schakelaar meestal
voldoende. Wanneer er voor dit doel ook nog een “makkelijk te bereiken” schakelaar wordt uitgekozen, dan kan
de motor aan- en uitgeschakeld worden, zonder de knuppel te hoeven loslaten – zelfs tijdens de landing.
Iets dergelijks geldt overigens voor de aansturing van kleppen, of dit nu rolroeren of over de hele spanwijdte
strekkende kleppen(-combinaties) zijn, die naar boven en naar beneden moeten worden bewogen.
Is dit nu allemaal voor elkaar, dan kan met de programmering worden begonnen.
Eerste stappen bij de programmering van een nieuw model
Voorbeeld: vliegtuigmodel zonder motoraandrijving
Met de programmering van een nieuw model begint u in het menu “modelgeheugen” met het activeren van het
ondermenu …
“model oproepen” (bladzijde 61)
…, kiest dan met de pijltoetsen ▲▼ van de linker of rechter touch-toets een vrije modelgeheugenplaats uit …
01 08
02 **vrij**
03 **vrij**
04 **vrij**
05 **vrij**
06 **vrij**
… en raakt dan de centrale SET-toets van de rechter touch-toets aan. Direct daarna verschijnt de vraag naar de
soort model, dat geprogrammeerd moet gaan worden:
modeltype kiezen
(vrij modelgeh.)
Omdat we ons in dit voorbeeld bezig houden met een vleugelmodel, wordt het symbool voor een vliegtuigmodel
door een aantippen van de centrale SET-toets van de rechter touch-toets bevestigd. Het display wisselt weer
naar de basisaanduiding.
Aanwijzingen:
Natuurlijk kunt u de standaard als “vleugelmodel” aangemaakte en al aan de meegeleverde ontvanger
verbonden geheugenplaats 01 voor het programmeren van uw eerste model gebruiken.
Werd de optie “modeltype kiezen” pas één keer opgeroepen, dan is een afbreken van het proces niet meer
mogelijk! Er moet worden gekozen, ook als u tussendoor de zender heeft uitgezet! Alleen door het wissen van
de desbetreffende modelgeheugenplaats achteraf kan dit weer teruggedraaid worden.
Bij een te lage accuspanning is een modelwissel uit veiligheidsoverwegingen niet mogelijk. Op het display
verschijnt de bijbehorende waarschuwing:
Nu niet mogelijk
spanning te laag
Is deze horde genomen, dan moet eventueel eerst de in het model ingebouwde ontvanger aan dit
modelgeheugen in het menu
“basis-instelling” (bladzijde 65 …. 72)
…. gebonden worden. Wissel hiervoor naar de regel “geb.ontv.”:
fase 2 start -----
fase 3 speed -----
fase 4 landing -----
ontv.uitg. =>
geb. ontv. -----
Aanwijzing:
Als u na het bevestigen van de modelkeuze in het basisdisplay de gedurende enkele seconden verschijnende
melding…
BIND. n/a
OK
…. met een aantippen van de SET-toets van de rechter 4-weg-toets bevestigt, komt u automatisch in deze regel:
In deze regel start u, zoals op bladzijde 70/71 uitvoerig beschreven werd, het bindproces tussen modelgeheugen
en ontvanger.
Hierna wisselt u met de pijltoets van de linker of rechter 4-weg-toets naar boven, naar de eerste regel, en
begint u de eigenlijke modelprogrammering in de regel “mod.naam”.
mod.naam < >
stuurtoew 1
motor aan K1 geen
K8 vertraagd ja
staart normaal
Hier worden nu de “naam van het model” ingevoerd, door via een aanraken van de centrale SET-toets van de
rechter touch-toets naar de tabel met tekens te wisselen:
0123456789:;< = > ?
ABCDEFGHIJKLMNO
PQRSTUVWXYZ
modelnaam < GRAUB >
Verder worden de instellingen voor “stuurtoewijzing” en “motor aan K1” gecheckt en eventueel veranderd:
“geen”
Het remsysteem is in de voorste positie van de gas-/remknuppel “ingedraaid” en de optie “K8 vertraagd” van
het menu “basisinstelling” evenals de mixers “remN.N*” in het menu “vleugelmixers” zijn geactiveerd.
De waarschuwing “gas te hoog”, zie bladzijde 25 resp. 58 en de optie “motor-stop” zijn gedeactiveerd.
“geen/inv”
Het remsysteem is in de achterste positie van de gas-/remknuppel “ingedraaid” en de optie “K8 vertraagd” van
het menu “basisinstelling” evenals de mixers “remN.N*” in het menu “vleugelmixers” zijn geactiveerd.
De waarschuwing “gas te hoog”, zie bladzijde 33 en de optie “motor-stop” zijn gedeactiveerd.
“stationair naar voren resp. naar achteren”
K1-trimming werkt naar voren of naar achteren en de optie “motor-stop” is geactiveerd. Wanneer bij het
inschakelen van de zender de gasknuppel in de richting volgas staat, wordt u door de melding “gas te hoog”
gewaarschuwd. De mixers “remNN*” in het menu “vleugelmixers” zijn gedeactiveerd.
* N.N.= Nomen Nominandum (de te noemen naam)
Aanwijzing:
Zoals al eerder beschreven beslist de keuze van (g)een motor ook over het aanbod aan mixers in het menu
“vleugelmixers”. In het volgende programmeervoorbeeld wordt (voorlopig) van “geen (motor)” uitgegaan.
In de beide volgende regels worden de servo’s in het model aangewezen resp. aan de zender meegedeeld:
stuurtoew 1
motor aan K1 geen
K8 vertraagd ja
staart normaal
rolr./welfkl. 2RO
staart: “normaal”, “V-staart”, “delta/staartl.” of “2HO sv”
rolr./welfkl.: 1 of 2 RO-servo’s en 0 of 2 WK-servo’s
Aanwijzing:
Is uw model voorzien van slechts één welfkleppenservo, dan moet u toch “2WK” kiezen, en later in het menu
“vleugelmix”, bladzijde 97, de mixer “RO WK” op 0% laten staan. Alle andere mixers kunt u gewoon
gebruiken.
Uiterlijk nu moeten ook de servo’s in de ‘Graupneriaanse’ standaardvolgorde aan de ontvanger worden bevestigd:
stroomvoorziening ontvanger
speciale functie
welfkleppenservo of WK-servo links
rolroerservo rechts
richtingsroerservo of V-staart
hoogteroerservo of V-staart
rolroerservo of RO-servo links
remkleppen of motordrossel resp. regelaar bij e-aandrijving
welfkleppenservo rechts
Opmerking:
Mocht er bij een V-staart ”hoog/laag“ en/of “links/rechts” verkeerd om lopen, dan moet u op de aanwijzingen in
de tabel op bladzijde 53 letten, rechter kolom. Op dezelfde manier moet u, indien nodig, te werk gaan bij de
rolroeren en welfkleppen.
De volgende instellingen hebben alleen betrekking op een model met een “normale” staart en “geen (motor)”;
voor modellen met een V-staart kunnen de instellingen praktisch ongewijzigd worden overgenomen. Deze
gegevens kunnen voor een delta-/staartloos model niet zo eenvoudig worden overgenomen. Een speciaal
programmeervoorbeeld vindt u vanaf bladzijde 165.
In het menu …
“servo-instelling” (bladzijde 81)
S1 => 0% 100% 100%
S2 => 0% 100% 100%
S3 => 0% 100% 100%
S4 => 0% 100% 100%
S5 => 0% 100% 100%
omk midden - weg +
… kunnen nu de servo’s in “draairichting”, “neutrale positie” en “ servo-weg” aan de noodzakelijke eisen van
het model worden aangepast.
“Noodzakelijk” in deze zin zijn alle instellingen aan de middenpositie en de uitslag van de servo, die voor het
gelijkstellen van de servo’s en kleine aanpassingen nodig kunnen zijn.
Aanwijzing:
De in dit menu aanwezige instelmogelijkheden voor asymmetrische servo-uitslagen zijn NIET bedoeld om
rolroeren en/of welfkleppen te differentiëren. Daarvoor zijn er in het instelmenu “vleugelmix” geschiktere opties,
zie de eerste beide opties in de afbeelding rechts.
Met deze instellingen kunnen al vleugelmodellen en motormodellen - de laatstgenoemde, wanneer u in het menu
“basisinstelling” in de regel “motor aan K1” de richting van de stationair-knuppel aangeeft - in principe vliegen.
“Details” ontbreken. De kleine kneepjes, die op den duur het vliegen juist nog leuker maken. Daarom moet u zich,
wanneer u uw model al kunt vliegen, met het menu …
“vleugelmixers” (bladzijde 97 … 102)
RO – diff 0% -----
WK- diff 0% -----
RO -> RI 0% -----
RO -> WK 0% -----
rem -> HO 0% -----
rem -> WK 0% -----
rem -> RO 0% -----
HO -> WK 0% -----
HO -> RO 0% -----
WK -> HO 0% -----
WK -> RO 0% -----
diff.-red. 0%
… bezighouden.
Aanwijzing:
Afhankelijk van de in het menu “basisinstelling” gemaakte keuzes zijn er in dit menu verschillende opties te
zien. In bovengetoonde afbeelding is het door de invoer van “2RO 2WK” in de regel “rolr./welfkl.”en van
“geen(/inv)” in de regel”motor aan K1” maximaal bereikbare aanbod weergegeven.
Bijzonder belangrijk zijn de “rolroerdifferentiatie”, de mixer “RO->RI” (“rolroer -> richtingsroer”), ook wel
Combiswitch of Combi-mix genoemd, en eventueel de mixer “rem -> RO” en “rem->WK”.
Zoals op bladzijde 98 en 99 uitvoerig werd beschreven, dient de RO-diff (rolroerdifferentiatie) ervoor, om het
negatieve draaimoment op te heffen.
Het naar beneden uitslaande rolroer veroorzaakt tijdens het vliegen normaal gesproken een hogere
luchtweerstand dan het met dezelfde uitslag naar boven draaiende rolroer, waardoor het model scheef getrokken
wordt. Om dit te verhinderen, wordt er een gedifferentieerde uitslag ingesteld. Een waarde tussen 20 en 40% is
hier meestal goed, de “juiste” instelling moet in de regel door vliegtests worden uitgeprobeerd.
Hetzelfde geldt, wanneer uw model ook 2 welfklepservo’s heeft, voor de optie WK-diff”
(welfkleppendifferentiatie), in zoverre de welfkleppen als rolroeren worden toegepast, b.v. via de mixer “RO
WK”.
De optie “RO->RI” (rolroer richtingsroer) dient een soortgelijk doel, maar is ook handig voor een comfortabeler
sturen van het model. Een waarde rond de 50% is in het begin een praktische waarde. Deze functie moet in ieder
geval, wanneer u kunstvlucht-ambities heeft, door het toewijzen van een schakelaar uitschakelbaar gemaakt
worden. (De auteur van deze regels schakelt bijvoorbeeld deze mixer “automatisch” uit bij het omschakelen naar
de vliegfase “Speed”, door dezelfde schakelaar tegelijkertijd aan de beide opties toe te wijzen.)
Een instelling van de mixer “rem->HO” (rem hoogteroer) is normaal gesproken alleen dan nodig, wanneer bij
het bedienen van een remsysteem er lastveranderingen in de vorm van pompen of duiken van het model
zichtbaar worden. Zulke verschijnselen treden meestal alleen op bij omhoog gezette rolroeren of in combinatie
met een Butterfly-systeem. In ieder geval moet u de instelling op voldoende hoogte uitproberen en eventueel
bijstellen.
Werden in het menu “basisinstelling” in de regel “rolr. welfkl.” “2 RO” of “2RO 2WK” uitgekozen …
stuurtoew 1
motor aan K1 geen
K8 vertraagd ja
staart normaal
rolr./welfkl. 2RO
…. en moeten de rolroeren met de gas-/remknuppel (K1) voor het afremmen worden omhoog gezet, dan moet in
de regel “rem->RO” (rem rolroer) een bijbehorende waarde worden ingevuld.
RO-diff. 0% -----
RO -> RI 0% -----
rem -> HO 0% -----
rem -> RO 0% -----
HO -> RO 0% -----
In principe geldt hetzelfde bij de keuze van “2RO 2WK” voor de dan ook beschikbare regel “rem->WK”. Hier
wordt echter de waarde zo gekozen, dat bij het bedienen van de remstuurknuppel de welfkleppen zo ver mogelijk
naar beneden gaan. Let er in ieder geval op, dat de servo’s in geen geval mechanisch kunnen vastlopen. Stel
eventueel bij de desbetreffende servo’s in de regel “TRAVEL-“ resp. “TRAVEL+” van de display-pagina “RX
SERVO” van het “telemetrie-menu” wegbegrenzingen in.
Worden, zoals eerder beschreven, de rolroeren bij het afremmen omhoog gezet of wordt er een Butterfly-systeem
toegepast, dan moet er altijd onder “diff.-red.” (differentiatie-reductie, zie bladzijde 102) een waarde ingevuld zijn
– met 100% is men altijd aan de veilige kant!
Door deze waarde wordt alleen bij het bedienen van de remknuppel de ingestelde rolroerdifferentiatie gedeeltelijk
genegeerd, om de uitslag van de omhoog gedraaide rolroeren naar beneden te vergroten en daardoor hun
rolroereffect duidelijk te vergroten.
Is de vleugel naast de twee apart aangestuurde rolroeren ook nog voorzien van twee welfkleppenservo’s, dan is
de optie “RO->WK” (rolroer welfklep) ervoor, om de rolroeruitslag op de welfklep over te dragen – meer dan
ongeveer 50% van de rolroeruitslag moet een welfklep niet meelopen.
Aanwijzing:
Is er maar 1 welfklepservo ingebouwd, dan moet u deze mixer op 0% laten staan.
In de omgekeerde richting heeft de mixer “WK->RO” (welfklep rolroer) effect. Afhankelijk van de configuratie
van het model zullen hier waarden tussen ongeveer 50% en 100% zinvol zijn. De welfkleppen worden bediend via
een aan ingang “i6” toegewezen stuurelement of schakelaar. Bij voorkeur echter doet u dit met een proportionele
draaiknop CTRL 6 … 8.
Aanwijzing:
Om de posities van de welfkleppen met het gekozen stuurelement nauwkeuriger te kunnen sturen, moet u in
ieder geval de desbetreffende “weg”in het menu “instelling stuurelement” verkleinen naar ongeveer 25%.
De overige opties in het menu “vleugelmix” zijn er voor bedoeld om het meerkleppen-vleugelsysteem nog
nauwkeuriger af te stellen en spreken voor zich.
Wanneer de modelspecifieke instellingen tot zover overgenomen, dan kan er aan de eerste start worden gedacht.
Natuurlijk moet u eerst “droog oefenen, d.w.z. alle instellingen nog eens zorgvuldig op de grond doornemen. Een
foutieve programmering kan niet alleen het model beschadigen! Vraag in geval van twijfel een ervaren piloot om
raad.
Mocht u tijdens de tests vaststellen, dat de ene of andere instelling gewijzigd moet worden omdat de uitslagen
van de servo’s naar uw smaak te groot of te klein zijn, dan kunt u deze in het menu …
“Dual Rate/Exponential” (bladzijde 91)
RO 122% + 11% 2
HO 111% + 22% 2
RI 100% 0% -----
DUAL EXPO
… aanpassen aan de eigen gewoonten en eisen.
Met “Dual Rate” wordt de grootte van het stuureffect van de stuurknuppel ingesteld, zie bladzijde 82. Zijn de
maximale uitslagen daarentegen in orde, maar zijn alleen de reacties om de neutraalpositie voor fijngevoelig
sturen te giftig, dan komt (ook nog) de “Exponential”-functie in actie. Wanneer er ook een schakelaar wordt
toegewezen kunt u tijdens het vliegen zelfs tussen 2 Dual-Rate-/Expo-instellingen omschakelen.
Invoegen van een elektro-aandrijving in de modelprogrammering
Een elektro-aandrijving kan op verschillende manieren worden ingeschakeld. De eenvoudigste methode om een
elektromotor in de programmering in te voegen, bestaat in het gebruik van de gas-/remknuppel (K1). Omdat deze
echter bij de hiervoor beschreven modelprogrammering al voor het remsysteem werd toegepast, is óf de vanaf
bladzijde 159 beschreven omschakelbare oplossing óf het gebruik van een alternatief stuurelement nodig.
Geschikt zijn de 3-standen-schakelaar SW 4/5 of een proportionele draaiknop CTRL 6 … 8. Alternatief is echter
ook één van de 2-weg-schakelaars bruikbaar. In principe moet de schakelaar “direct onder handbereik” bij het
starten van een model uit de hand zitten.
Voordat we ons gaan bezighouden met de verschillende voorbeelden moeten we er nog op wijzen dat de aan de
wisseling van vliegfasen verbonden “omschakelvertraging” ook geldt voor de daaraan gekoppelde schakelaars,
bijvoorbeeld die voor motor AAN/UIT.
Omdat indien mogelijk de motor onafhankelijk van deze ca. 1 s durende omschakelvertraging aan- of –in geval
van nood- weer uitgeschakeld moet kunnen worden is het raadzaam om eventueel van de in het menu
“basisinstelling” aanwezige optie “K8 vertraagd ja/nee” gebruik te maken. Sluit in dit geval uw regelaar aan via
de ontvangeruitgang 8 en zet in het menu …
“basisinstelling”
… de optie “K8 vertraagd” op “nee”:
mod.naam < GRAUBELE >
stuurtoew 1
motor aan K1 geen
K8 vertraagd nee
staart normaal
Voorbeeld 1
Toepassing van de proportionele draaiknop CTRL 6 … 8
Wordt dit stuurelement gebruikt, dan is de toevoeging van een elektro-aandrijving heel eenvoudig. Er hoeft alleen
maar een motorregelaar aan een vrije servo-aansluiting 5 … 8 van de ontvanger worden aangesloten.
Denk er wel aan, dat afhankelijk van het modeltype en aantal rolroer- en welfkleppenservo’s bv. de uitgangen 2 +
5 resp. 6 + 7 al met elkaar verbonden zijn.
Sluit dus de regelaar aan de eerstvolgende vrije uitgang aan en wijs de uitgekozen uitgang – bijvoorbeeld “i8” –
toe aan een proportionele draaiknop CTRL 6 …8, bv. CTRL 7. Dat gebeurt in het menu …
“instelling stuurelement” (bladzijde 83)
Kies met de pijltoetsen ▲▼van de linker of rechter touch-toets de gewenste regel uit. Door daarna de centrale
SET-toets van de rechter touch-toets aan te raken activeert u de “schakelaar- of stuurelementtoewijzing”. Draai
nu aan de knop van de proportionele draaiknop. Na een korte tijd verschijnt in het inverse veld de aanduiding
“stuurel.7”:
i5 vrij +100% +100%
i6 vrij +100% +100%
i7 vrij +100% +100%
i8 stuurel.7 +100% +100%
- weg +
De instelling van de bij de motorregelaar horende stuuruitslagen kan in de 3
e
kolom worden ingevoerd, of
alternatief in de kolom “-uitslag+” in het menu …
“servo-instelling” (bladzijde 81)
S4 => 0% 100% 100%
S5 => 0% 100% 100%
S6 => 0% 100% 100%
S7 => 0% 100% 100%
S8 => 0% 100% 100%
omk midden - weg +
Wissel voor de afsluitende controle van de instellingen vanuit de basisaanduiding naar “servoaanduiding” door
bv. gelijktijdig de toetsen ◄► van de linker touch-toets aan te raken: in de “UIT”-positie van de draaiknop CTRL 7
moet nu het door u uitgekozen stuurkanaal – in het hierboven beschreven voorbeeld is dit kanaal “8”- bij -100%
staan en in de volgas-positie bij +100%.
Voorbeeld 2
Toepassing van een 2-standen-schakelaar SW 2, 3 of 8
Deze variant realiseert een schakelaar, die alleen AAN/UIT schakelt, en dus de motor “met één klap”aanzet, …
tenzij de door u gebruikte regelaar een zogenaamde “softstart” heeft.
Aan de ontvangerkant is er óf een eenvoudige elektronische schakelaar óf – wanneer er bv. een soepele
motorstart gewenst is– een traploze motorregelaar nodig.
De hiervoor benodigde instellingen vinden plaats in het menu …
“instelling stuurelement” (bladzijde 83)
Controleer eerst, aan welke van de ontvangeruitgangen 5 of hoger u de regelaar wilt aansluiten. Als in het menu
“basisinstelling” 2 rolroerservo’s werden ingegeven en u geen speciale functie heeft aangesloten, dan zou dit
kanaal 6 zijn; werden er 2 rolroer- en 2 welfkleppenservo’s ingevoerd, dan zou kanaal 8 ter beschikking van de
regelaar moeten staan, wat we hier ook willen doen.
Zet eerst de gekozen schakelaar in de ‘UIT”-positie. Kies dan met de pijltoetsen ▲▼van de linker of rechter
touch-toets de gewenste regel uit. Door daarna de centrale SET-toets aan te raken activeert u de “schakelaar- of
stuurelementtoewijzing”. Beweeg nu de uitgekozen schakelaar vanuit de “UIT”- naar de “AAN”-positie. In het
inverse veld verschijnt het schakelaarnummer samen met een symbool, dat de schakelrichting laat zien.
i5 vrij +100% +100%
i6 vrij +100% +100%
i7 vrij +100% +100%
i8 3 +100% +100%
- weg +
De instelling van de bij de regelaar horende stuuruitslagen kan in de 3
e
kolom worden ingevoerd, of alternatief in
de kolom “servo-uitslag” in het menu …
“servo-instelling” (bladzijde 81)
S4 => 0% 100% 100%
S5 => 0% 100% 100%
S6 => 0% 100% 100%
S7 => 0% 100% 100%
S8 => 0% 100% 100%
omk midden - weg +
Wissel voor de afsluitende controle van de instellingen vanuit de basisaanduiding naar “servoaanduiding” door
bv. gelijktijdig de toetsen ◄► van de linker touch-toets aan te raken: in de “UIT”-positie van de schakelaar moet
het door u gekozen stuurkanaal – in dit voorbeeld is het kanaal “8” - bij -100% staan en in de volgas-positie bij
+100%.
Voorbeeld 3
Toepassing van een 3-standen-schakelaar SW 4/5 of 6/7
Deze variant realiseert een oplossing met 3 standen voor het aan- resp. uitschakelen van een elektromotor en zet
de motor ook “met één klap”aan, … tenzij de door u gebruikte regelaar een zogenaamde “softstart” heeft.
Aan de ontvangerkant is er een traploze motorregelaar nodig.
Controleer eerst, aan welke van de ontvangeruitgangen 5 of hoger u de regelaar wilt aansluiten. Als in het menu
“basisinstelling” 2 rolroerservo’s werden ingegeven en u geen speciale functie heeft aangesloten, dan kan dit
kanaal 6 worden; werden er 2 rolroer- en 2 welfkleppenservo’s gekozen, dan zou kanaal 8 overblijven voor de
aansluiting van de regelaar, wat we hieronder ook willen doen.
Wissel nu naar het menu …
“instelling stuurelement” (bladzijde 83)
… en kies eerst met de pijltoetsen ▲▼van de linker of rechter touch-toets de gewenste regel uit. Door daarna de
centrale SET-toets aan te tippen activeert u de “schakelaar- of stuurelementtoewijzing”. Beweeg nu de uitgekozen
driestanden-schakelaar - in het inverse veld verschijnt het bijbehorende nummer, bv. “stuurel.9”.
i5 vrij +100% +100%
i6 vrij +100% +100%
i7 vrij +100% +100%
i8 stuurel.9 +100% +100%
- weg +
De instelling van de bij de regelaar horende stuuruitslagen kan in de 3
e
kolom worden ingevoerd, of alternatief in
de kolom “servo-weg” in het menu …
“servo-instelling” (bladzijde 81)
S4 => 0% 100% 100%
S5 => 0% 100% 100%
S6 => 0% 100% 100%
S7 => 0% 100% 100%
S8 => 0% 100% 100%
omk midden - weg +
Wissel voor de afsluitende controle van de instellingen vanuit de basisaanduiding naar “servo-aanduiding” door
bv. tegelijk de toetsen ◄► van de linker touch-toets aan te raken: in de (bovenste)“UIT”-positie van de 3-
standen-schakelaar moet nu het door u uitgekozen stuurkanaal – in het hierboven beschreven voorbeeld is dit
kanaal “8”- bij -100% staan. Als u de schakelaar nu in de middelste positie omzet, dan moet de balk tot aan het
midden en bij de (onderste) “volgas”-positie +100% komen.
Bedienen van de E-motor en Butterfly met de K1-stuurknuppel
(Butterfly als landingshulp: omhoog gezette rolroeren en naar beneden gedraaide
welfkleppen)
Voorbeeld 4
Voordat we ons gaan bezighouden met de programmering van dit vierde voorbeeld resp. de uitbreiding van de
eerder beschreven basisprogrammering, nog een paar woorden over de positie van de gas-/remknuppel bij
“motor UIT” resp. “rem UIT”! Normaal gesproken wordt namelijk de K1-stuurknuppel bij het gas geven naar voren
en bij het afremmen naar achteren bewogen. Wanneer u echter in deze “klassieke” bezetting dan b.v. bij “motor
UIT” (=knuppel naar achteren) omschakelt naar het remsysteem, dan zou er direct “vol remmen” worden gegeven
en omgekeerd, wanneer u de “rem heeft ingedraaid” en omschakelt naar motoraandrijving, dan zou de motor
ineens op “volgas” staan…
Van deze “nood” kunt u echter een “deugd” maken, doordat een “zweefpiloot” –normaal gesproken met “remmen
ingedraaid = naar voren” – alleen bij behoefte de motor aanzet en dan eventueel vermogen terugneemt (en bij het
terugschakelen hopelijk niet vergeet, de K1-knuppel weer naar voren te duwen). Een doorsnee “motorvlieger”
daarentegen zal waarschijnlijk tegengesteld te werk gaan, dus alleen bij behoefte omschakelen naar de
remfunctie enz. Net zo goed kunt u voor het vermijden van deze wisselwerkingen het “nulpunt” van de beide
systemen op één punt leggen, waarbij een “zweefpiloot” daarbij waarschijnlijk kiest voor “naar voren”, en een
“motorvlieger” eerder voor “naar achteren”.
Hoe dan ook, de zender MX-16 HoTT maakt beide varianten nodig. In de hieronder volgende tekst gaan we uit
van het samenleggen van de beide “UIT”-posities op “naar voren”. Als u het toch liever anders heeft: de enige
afwijking van de hier beschreven versie bestaat slechts in de keuze van “geen/inv” in de regel “motor aan K1” van
het menu “basisinstelling”. Alle andere instellingen kunt u, zoals hier beschreven, overnemen.
In het menu …
“basis-instelling” (bladzijde 65 … 72)
mod.naam < GRAUBELE >
stuurtoew 1
motor aan K1 geen
K8 vertraagd ja
staart normaal
… kiest resp. laat u dus in het geval van “motor AAN = naar voren” “geen” in de regel “motor aan K1” of kiest u
eventueel “geen/inv.”. Dit is nodig, omdat anders de later benodigde mixers “rem->NN*” in het menu
“vleugelmix”onzichtbaar gemaakt zijn.
*N.N. = Nomen Nominandum (de te noemen naam)
Belangrijke aanwijzing:
Vanwege de noodzakelijke instelling van “geen” motor, is onvermijdelijk de inschakel-waarschuwing
“gas te hoog!”niet meer actief! Let er daarom in uw eigen belang op de positie van de K1-knuppel vóór
het aanzetten van de zender.
Hierna moet u er zeker van zijn, dat de aan ontvanger 1 aangesloten motorregelaar “naar de goede kant”
aangestuurd wordt. Daarvoor wordt in het menu …
“servo-instelling” (bladzijde 81)
S4 => 0% 100% 100%
S5 => 0% 100% 100%
S6 => 0% 100% 100%
S7 => 0% 100% 100%
S8 => 0% 100% 100%
omk midden - weg +
…de draairichting van servo 1 omgekeerd.
Voor de veiligheid moet u deze instelling testen, voordat u met de programmering verdergaat!
Ga hiervoor met de zender en het model naar een plaats, waar u de motor kunt laten lopen. Schakel daar de
zender in en beweeg de K1-knuppel naar de positie “motor UIT”, dus naar voren of naar achteren. Hou het model
vast resp. laat het door een helper vasthouden. Nadat u er zich nogmaals va n heeft overtuigd, dat de propeller
vrij en vooral zonder gevaar kan ronddraaien, sluit u de vliegaccu aan en zet u daarna de ontvangstinstallatie van
het model aan.
Gaat de motor in de knuppelpositie “naar voren” NIET draaien, dan is alles in orde. Geef echter ter controle toch
“gas”, door de knuppel voorzichtig naar achteren te bewegen, tot de motor begint te lopen en schakel, wanneer u
de motor weer heeft uitgezet, eerst de ontvanger en dan pas de zender weer uit.
Aanwijzing:
Gaat de motor helemaal niet draaien, of loopt hij de verkeerde kant op, dan is dit door andere oorzaken ontstaan,
die eerst verholpen moeten worden, voordat u verder gaat. (Controleer eerst bv. de kabels van uw aandrijving
resp. lees de handleiding van de regelaar door.)
Heeft u zich er van overtuigd, dat het effect van de K1-knuppel op de motor “in orde” is, dan moet bij de volgende
stap ervoor gezorgd worden, dat diens invloed op de motor zowel aan- als uitgeschakeld kan worden, om
alternatief ook het remsysteem te kunnen bedienen. Daarvoor wisselt u naar het menu …
“vrije mixers” ( bladzijde 116 … 121)
M1 K1 -> K1 2 =>
M2 ?? -> ?? =>
M3 ?? -> ?? =>
type van naar
… en programmeert u een vrije mixer “K1 K1”. Daarna wisselt u met de pijltoets van de linker of rechter
touch-toets naar de kolom boven het schakelaarsymbool en wijst u aan deze mixer een door u gewenste
“omschakelaar” - bijvoorbeeld SW2- toe, door deze, na activeren van de schakelaartoewijzing via het aanraken
van de centrale SET-toets, van “vooruit” naar “achteruit”, dus naar het lichaam toe, om te zetten.
Bij ingeschakelde mixer wisselt u nu met de pijltoets van de linker of rechter touch-toets naar de kolom boven
het paginasymbool; door een aanraken van de centrale SET-toets van de rechter touch-toets komt u op de
tweede display-pagina.
Op deze pagina stelt u eerst een SYMmetrische mixwaarde van -100% in.
MIX1 K1 -> K1
weg -100% -100%
offs 0%
SYM ASY
Daarna wisselt u naar de regel “Offs”. Op hetzelfde moment worden de velden SYM en ASY vervangen door
STO en SET. Schuif nu de K1-knuppel bij een invers STO-veld tot aan de aanslag in de door u gewenste motor-
“UIT”-positie en raak dan de centrale SET-toets van de rechter touch-toets aan. De waarde rechts naast “Offs”
wisselt daarop van 0% naar ca. +100% en de grafische weergave van de mixerlijn rechts ernaast verandert ook
mee:
MIX1 K1 -> K1
weg -100% -100%
offs +100%
STO SET
Wanneer u nu de toetsen ◄► van de linker touch-toets tegelijk aanraakt komt u in het menu …
“servoaanduiding” (bladzijde 122)
… ,waar u direct het effect van de instellingen kunt zien: bij een uitgeschakelde mixer volgt de balk van kanaal 1
de K1-knuppel. Bij een ingeschakelde mixer blijft deze daarentegen – zoals afgebeeld –bij ca. -100%:
Aanwijzing:
Wanneer u deze test met een ingeschakelde ontvangstinstallatie en –aandrijving doet, moet u er zeker op
letten dat u alleen in de positie “motor UIT” omschakelt! Anders bestaat het gevaar, dat de aandrijving
door het abrupte starten zwaar belast en eventueel zelfs beschadigd wordt. Daarom moet u ook tijdens
het vliegen alleen in de positie “motor UIT” omschakelen!
Om de programmering af te sluiten, zet u de gekozen “omschakelaar” weer in de positie “motor AAN”, dus naar
“voren”. Wissel terug naar het multifunctie-menu en dan naar het menu …
“vleugelmix” (bladzijde 97 … 102)
Hier stelt u – in zoverre u dit bij de algemene modelprogrammering al niet gedaan had – in de regel “rem->RO”
de gewenste uitslag van de rolroeren bij het bedienen van de K1-knuppel ( “rem”) naar boven in en wijst u in de
kolom boven het schakelaarsymbool na een aanraken van de centrale SET-toets van de rechter touch-toets de
gekozen “omschakelaar” toe, door deze ook van “naar voren” nu “naar achteren” om te zetten:
RO – diff. +33% -----
RO -> RI +55% -----
rem -> HO -5% -----
rem -> RO +44% 2
HO -> RO 0% -----
Aanwijzing:
De getoonde instellingen zijn als voorbeelden bedoeld en mogen in geen geval zonder meer worden
overgenomen.
Indien uw model ook welfkleppen heeft en u daarom in de regel “rolr./welfkl.” van het menu “basisinstelling”
“2RO 2WK” heeft gekozen, zet u de zojuist omgezette “omschakelaar” – hier schakelaar 2- weer naar voren en
wisselt u met de pijltoetsen ▲▼ van de linker of rechter touch-toets naar de regel “rem-> WK”. Hier stelt u dan
de gewenste uitslag van de welfkleppen bij de bediening van de K1-knuppel naar beneden in (deze
kleppenpositie noemt men “kraaienpositie” of “Butterfly”, zie ook bladzijde 101) en wijst u – zoals al eerder
beschreven werd – ook de voor het omschakelen benodigde schakelaar toe, door deze weer vanuit “naar voren”
“naar achteren” om te zetten.
Wanneer u nu nog een keer naar “servoaanduiding” wisselt en alleen de K1-knuppel beweegt, zult u
vaststellen, dat óf de balkaanduiding van kanaal 1 op ca -100% blijft staan en de aanduidingen van de kanalen 2
+ 5 en eventueel 6 + 7 de stuurknuppel volgen, óf dat, zodra de schakelaar wordt omgezet, de laatstgenoemde
ongeveer in het midden blijven staan en alleen de aanduiding van kanaal 1 beweegt.
Bediening van de klokken door K1-stuurknuppel of schakelaar SW 1 … 9
Wanneer u als voortzetting van het op de vorige bladzijden beschreven modelprogrammering voorbeeld 4 heeft
gekozen, of wanneer u onafhankelijk van dit voorbeeld de K1-stuurknuppel (gas-/remstuurknuppel) voor de
motorregeling toepast, dan kunt u diens stuurelement-schakelaar gebruiken voor het automatisch in- resp.
uitschakelen van de stopwatch.
Om deze stuurelement-schakelaar toe te wijzen, zet u de K1-stuurknuppel in de stationaire positie en wisselt u
naar de regel “klokken” in het menu …
“basisinstelling” (bladzijde 65 72)
Na het activeren van de schakelaartoewijzing door het aantippen van de centrale SET-toets van de rechter touch-
toets na keuze van het invoerveld boven het schakelaarsymbool beweegt u de gas-/remknuppel vanuit diens
stationaire positie in de richting “volgas”. Afhankelijk van de bewegingsrichting verschijnt er bij een bepaalde
positie van het K1-stuurelement als schakelaar “G1” of “G2” in het display:
motor aan K1 geen
K8 vertraagd ja
staart normaal
rolr./welfkl. 2RO
klokken 0:00 G2
Wanneer u nu de stuurknuppel weer terug beweegt in de richting “gas dicht” zult u vaststellen, dat het
schakelaarsymbool bij ongeveer 80% van de knuppeluitslag weer omschakelt – tussen “stationair” en het
schakelpunt is het schakelaarsymbool “open”, daarboven “gesloten”. (zie “stuurelement-schakelaars” bladzijde
48).
Als u nu door aantippen van de centrale ESC-toets van de linker touch-toets ter controle naar de basisaanduiding
van de zender teruggaat, zult u vaststellen dat stopwatch en vliegklok beginnen te lopen, wanneer u de knuppel
over het schakelpunt heen in de richting volgas beweegt, en dat de stopwatch weer stil blijft staan, wanneer u
deze knuppel weer in de stationaire positie brengt.
Bij stilgezette stopwatch kunt u de vliegtijd door aanraken van de centrale ESC-toets van de linker touch-toets
stoppen en dan de beide klokken via een gelijktijdig aanraken van de beide pijltoetsen ▲▼ van de rechter touch-
toets (CLEAR) weer terugzetten op hun beginwaarde… of weer starten, door de stuurknuppel weer over het
schakelpunt te bewegen.
GRAUBELE stop 2:22
#01 vlucht 11:11
5.2V 50% HoTT
3:33h 5.5V
Tip:
Wanneer bij een electromodel de motorlooptijd door de accucapaciteit wordt begrensd laat u de stopwatch terug
lopen. Geef de maximaal toegestane motorlooptijd aan, bv. “5 min”. Zoals op bladzijde 68 resp. 76 … 77
beschreven, begint dan de toongenerator in de zender vanaf “30 s” voor “nul” waarschuwingssignalen te geven.
motor aan K1 geen
K8 vertraagd ja
staart normaal
rolr./welfkl. 2RO
klokken 5:00 G2
In de basisaanduiding raakt u eerst bij een stilstaande stopwatch de centrale ESC-toets van de linker touch-toets
aan (CLEAR), zodat de stopwatch omschakelt naar de “timer”-functie. Start en stop dan de klok zoals beschreven
via het stuurelement van de motorsturing.
Stuurt u daarentegen uw motor met één van de schakelaars SW 2 ... 8 volgens voorbeeld 2 of 3 aan, dan heeft
u geen van de eerder beschreven stuurelement-schakelaars nodig. Het is voldoende wanneer u dan dezelfde
schakelaar, waarmee u ook de motor aan- resp. uitzet, met dezelfde schakelrichting ook aan de “klokken”
toewijst, zodat deze ook bij het aanzetten van de motor beginnen te lopen.
Heeft u daarentegen gekozen voor een oplossing volgens voorbeeld 1, dan is er (helaas) bij een vliegtuigmodel
geen andere mogelijkheid dan de motor en de klokken apart te bedienen.
Toepassen van vliegfasen
Binnen elk van de 20 modelgeheugen kunnen maximaal 4 verschillende vliegfasen (vliegtoestanden) met van
elkaar verschillende instellingen worden geprogrammeerd.
Elk van deze vliegfasen kan via een schakelaar worden opgeroepen. Op een eenvoudige manier kunt u zo tussen
verschillende instellingen, die voor de diverse vliegtoestanden zoals bv.”normaal”, “thermiek”, “speed”, “afstand”
enz. geprogrammeerd zijn, comfortabel tijdens het vliegen omschakelen.
Op de voorwaarde, dat het model is al in een modelgeheugen van de zender geprogrammeerd, ingesteld,
ingevlogen en getrimd werd, wisselt u eerst naar het menu …
“basisinstelling” (bladzijde 65 72)
rolr./welfkl 2RO 2WK
klokken 5:00 2
fase 2 start -----
fase 3 landing -----
fase 4 speed -----
…en hier naar de regel “fase 2” , “fase 3” en/of “fase 4” en verandert u eventueel de standaard ingevoerde naam
van de vliegfase in een voor de desbetreffende vliegtoestand beter passende naam. Deze naam heeft echter
geen programmatechnische betekenis, maar dient alleen ter onderscheiding en wordt daarom later zowel in de
basisaanduiding van de zender als ook in de menu’s “fasentrim” en “D/R Expo” weergegeven.
Om tussen de verschillende vliegfasen te kunnen wisselen, is het toewijzen van een schakelaar nodig. Bijzonder
geschikt voor het omschakelen van maximaal 3 vliegfasen zijn de links en rechts voorop gemonteerde 3-standen-
schakelaars SW 4/5 resp. SW 6/7.
Elk van de beide eindposities van deze schakelaar wordt uitgaand van de middenpositie aan een vliegfase
toegewezen, waarbij u zich het beste met de schakelrichting aan de fasennamen kunt oriënteren: volgens de
linkse afbeelding dus bijvoorbeeld de “fase 2” vanuit de middenpositie naar “boven” en de “fase 3” naar
“beneden”.
De keuze van de desbetreffende regel, van een naam en de toewijzing van de schakelaar vindt plaats, zoals u
het inmiddels “gewend” bent, met de verschillende touch-toetsen.
rolr./welfkl 2RO 2WK
klokken 5:00 2
fase 2 start 4
fase 3 landing -----
fase 4 speed 5
Aanwijzing:
Met uitzondering van fase1 , die altijd de naam “normaal” krijgt, omdat deze altijd actief is wanneer de vliegfasen
2, 3 en 4 gedeactiveerd zijn, maakt het totaal niet uit welke fase aan welke naam is toegewezen!
Normaal gesproken zijn er drie vliegfasen voldoende:
“start” of “thermiek” voor start en “boven blijven”,
“normaal” voor normale omstandigheden en
“speed” voor het sneller overbruggen van grotere afstanden.
Nu zijn er al drie fasen ingericht en voorzien van een naam. Er kan weliswaar tussen de verschillende vliegfasen
heen en weer worden geschakeld, alleen … bij het bedienen van de schakelaar zal het u snel opvallen, dat er
aan de posities van de roeren, met name van de vleugelkleppen, echter niets verandert!
Om dit aan te passen, wisselt u naar het menu ….
“fasentrim” (bladzijde 95)
…en geeft u, nadat u de faseschakelaar(s) in de desbetreffende positie heeft gebracht, de gewenste waarden in
door het aanraken van de invoertoetsen, zoals dat ook gebruikelijk is onder de naam middenverstelling resp.
Offsetverstelling bij andere radiobesturingen.
FASENTRIM
normaal 0% 0% 0%
start +8% 4% +2%
speed -7% -5% -3%
thermiek+10% +5% +2%
WK RO HO
Wanneer u nu tussen de fasen omschakelt, zult u bij een ingeschakelde ontvanger een reactie van uw kleppen
en/of van de balkenweergave in het menu “servo-aanduiding” zien; dit menu is bereikbaar door gelijktijdig de
toetsen ◄► van de linker vier-weg-toets in te drukken.
Aanwijzing:Afhankelijk van uw instellingen in de regel “rolr./welfkl.” Van het menu “basisinstelling” kunnen bij
de “fasentrimming” alleen de kolom “HO”, de kolommen “RO” en “HO” of zoals hier boven afgebeeld “WK”, “RO”
en “HO” in het display zichtbaar zijn.
Programmeervoorbeeld: parallel lopende servo’s
Soms is er een tweede, parallel lopende servo nodig, wanneer bv. een tweede hoogteroer of richtingsroer door
een aparte servo of één groot roer door twee servo’s tegelijk moet worden aangestuurd. Hetzelfde geldt, wanneer
hoge stelkrachten een tweede servo nodig maken.
Deze taak zou ook opgelost kunnen worden door de beide servo’s via een V-kabel gewoon met elkaar te
verbinden. Dit heeft echter het nadeel, dat de zo gecombineerde servo’s niet meer apart vanuit de zender
afgesteld kunnen worden – het voordeel van een door de computerradiobesturing mogelijk gemaakte individuele
afstelling van de servo’s bent u dan kwijtgeraakt.
Een andere mogelijkheid zou zijn, om het “telemetrie”-menu op te roepen en de “Channel Mapping”-opties in
plaats van een V-kabel te gebruiken, zie bladzijde 130 en verder.
De eenvoudigste optie is echter om de mogelijkheden van de zender te benutten. Zo kunnen bv….
2 hoogteroerservo’s
… heel eenvoudig parallel worden toegepast, door in het menu …
“basisinstelling” ( bladzijde 65 … 72)
stuurtoew 1
motor aan K1 geen
K8 vertraagd ja
staart 2Ho sv
rolr./welfkl. 1RO
… in de regel “staarttype” “2HO sv” in te stellen. Deze beide hoogteroerservo’s worden dan aan de
ontvangeruitgangen 3 en 8 aangesloten.
2 richtingsroerservo’s
In het volgende voorbeeld willen we via het menu “vrije mixers” twee richtingsroeren “parallel schakelen”. Het
tweede richtingsroer bevindt zich aan de nog vrije ontvangeruitgang 8.
Bij deze mogelijkheid maken we in het menu ..
“vrije mixers” (bladzijde 116... 121)
M1 tr RI -> 8 =>
M2 ?? -> ?? =>
M3 ?? -> ?? =>
type van naar
… een mixer “tr RI 8”.
In de kolom “type” kiest u de instelling “tr” uit, zodat de richtingsroer-trimming effect heeft op de beide
richtingsroer-servo’s. Aansluitend wisselt u naar de bladzijde met de grafieken en stelt u een SYMmetrisch
mixpercentage van +100% in:
MIX1 TR RI -> 8
weg +100% +100%
offs 0%
SYM ASY
Ook hier moetvoor de veiligheid gecheckt worden, of de ingang 8 in het menu “instelling stuurelement” op
“vrij”geprogrammeerd is.
Moeten deze richtingsroeren bij het bedienen van de K1-knuppel ook nog als rem naar buiten uitslaan, dan kan
dit door het aanmaken van twee andere mixers “K1 -> 4” en “K1-> stuurkanaal van het tweede
richtingsroer” met een passende weg- instelling worden bereikt. De Offset zet u dan in de beide mixers op
+100% , omdat de K1-knuppel zich bij ingetrokken remsysteem (in de regel) aan de bovenste aanslag bevindt en
de winglet-richtingsroeren bij het uitdraaien ervan proportioneel slechts naar buiten moeten uitslaan.
Programmeervoorbeeld: delta- en staartloos model
Wat in het begin van de vleugelmodel-programmering op bladzijde 151 aan algemene opmerkingen over de
inbouw en de afstemming van de RC-installatie in een model werd gezegd, geldt natuurlijk ook voor delta- en
staartloze modellen! Daarbij horen ook de opmerkingen over het invliegen en het verfijnen van de instellingen tot
aan de programmering van vliegfasen.
Delta- en staartloze modellen onderscheiden zich al qua uiterlijk door hun eigen, karakteristieke vorm resp.
geometrie van een “normaal” model. De verschillen in hun servo-configuratie zijn daarentegen subtieler. Zo zijn er
bij de “klassieke” delta-/staartloze modellen in de regel maar twee roeren aanwezig, die zowel voor “rol” als ook
voor “hoog/laag” verantwoordelijk zijn, net zoals de richtings-/hoogteroerfunctie bij een V-staart. Bij nieuwere
constructies daarentegen is het goed mogelijk, dat één (of twee) aan de wortel liggende roeren een
hoogteroerfunctie hebben en de naar buiten liggende rolroeren de functie hoog/laag alleen nog ondersteunen.
Ook is bij een 4-kleppen-vleugel de toepassing van een welfkleppensysteem en/of zelfs een Butterfly-systeem
zeker mogelijk.
Bij “klassieke” delta-/staartloze constructies moet de volgende bezetting van de ontvangeruitgangen worden
aangehouden (zie ook bladzijde 53):
stroomvoorziening ontvanger
speciale functie
welfkleppenservo links
speciale functie
richtingsroer (indien aanwezig)
rol/hoogte servo rechts
rol/hoogte servo links
remkleppen of motordrossel resp. regelaar bij e-aandrijving
welfkleppenservo rechts
Bij staartloze constructies met aan de binnenkant liggende hoogteroeren en ook bij “eenden”(canards) komt de
“normale” bezetting vaak voor:
s
troomvoorziening ontvanger
speciale functie
welfklep (/hoogte) links
rolroer/hoogte rechts
richtingsroer (indien aanwezig)
hoogteroer (indien aanwezig)
rolroer/hoogte servo links
remkleppen of motordrossel resp. regelaar bij e-aandrijving
welfklep (/hoogte) rechts
Afhankelijk van de gekozen ontvangeraansluiting kiest u in het menu …
“basisinstelling” (bladzijde 65 … 72)
in de regel:
“motor aan K1”: * “geen”:
Het remsysteem is in de voorste positie van de gas-/remknuppel “ingedraaid”, de optie
“K8 vertraagd” en de mixers “remN.N.*” in het menu “vleugelmix” zijn geactiveerd.
De waarschuwing “gas te hoog”, zie bladzijde 33, en de optie “motor-stop” zijn
gedeactiveerd.
* “geen/inv”:
Het remsysteem is in de achterste positie van de gas-/remknuppel “ingedraaid”, de
optie “K8 vertraagd” en de mixers “remN.N.*” in het menu vleugelmixers” zijn
geactiveerd.
De waarschuwing “gas te hoog”, zie bladzijde 33, en de optie “motor-stop” zijn
gedeactiveerd.
* “stationair naar voren resp. achteren”:
K1-trimming werkt naar voren of naar achteren. Wanneer bij het inschakelen van de
zender de gasknuppel te ver in de richting volgas staat, wordt u gewaarschuwd door
de melding “gas te hoog”. De optie “motor-stop” is geactiveerd en de mixers
“remN.N.*” in het menu “vleugelmix” zijn gedeactiveerd.
“staart”: type “delta/staartl.” of “normaal”
“rolr./welfkl.”: “2 rolroeren “2RO” en – indien aanwezig – twee welfkleppen “2WK”.
Deze instellingen hebben in eerste instantie invloed op het aanbod van vleugelmixers. Bij het staarttype
“Delta/SL” (“delta/staartloos”) worden hoogte- en rolroersturing automatisch softwarematig gemixt. Om de
stuuruitslagen in te stellen maakt u gebruik van het menu “D/R Expo” (bladzijde 91).
Bij de keuze van “Delta/staartloos” hebben alle instellingen van de vleugelmixers van het type “NN*-> HO” in
het menu …
* N.N. = Nomen Nominandum (de te noemen naam)
“vleugelmixers” ( bladzijde 97 … 102)
RO – diff. 0% -----
RO -> RI 0% -----
rem -> HO 0% -----
diff.-red. 0% -----
… effect op de hoogteroerfunctie hoog/laag van de beide gecombineerde rol-/hoogteroerservo’s, en eventueel
ook dienovereenkomstig op de welfkleppen-/hoogteroerservo’s.
Aanwijzing:
De welfkleppenmixers en de welfkleppen-differentiatie verschijnen alleen in de lijst, wanneer u bij het
modeltype “Delta/staartloos” ook “2WK” in de regel “rolr./welfkl.” Heeft ingevoerd, zie afbeelding rechts.
In principe hetzelfde geldt voor de mixers “remN.N.”. Deze worden ook verborgen, wanneer u in de regel
“motor aan K1” van het menu “basisinstelling” voor “gas min naar voren/achteren” heeft gekozen.
Ook wanneer u “2RO. 2 WK”(2 rolroeren 2 welfkleppen) heeft gekozen, heeft de (digitale) trimming van
hoogte- en rolroeren alleen effect op rol/hoogte. Wilt u dit omzeilen, dan is het eenvoudiger om uw model zoals
hier onder beschreven wordt te programmeren.
Programmering van een staartloos-/delta-model met staartinstelling “normaal”
Werd er in het menu “basisinstelling” het staartype “normaal” gekozen en de ontvangeruitgangen volgens het
onderste aansluitschema op de vorige bladzijde bezet, dan functioneert de rolroersturing weliswaar normaal,
maar nog niet de hoogteroerfunctie van de beide rolroerservo’s.
In de staarttype-instelling “normaal” wordt het gewenste hoog- resp. laageffect van de bijbehorende
stuurknuppel op de daarvoor bedoelde twee rolroer- en twee welfkleppenservo’s pas dan bereikt, wanneer bij de
apart in te stellen vleugelmixers “HO-> NN*” in het menu …
“vleugelmix” (bladzijde 97 … 102)
RO – diff 0% -----
WK- diff 0% -----
RO -> RI 0% -----
RO -> WK +55% -----
rem -> HO 0% -----
rem -> WK +55% -----
rem -> RO +66% -----
HO -> WK +77% -----
HO -> RO +77% -----
WK -> HO 0% -----
WK -> RO 0% -----
diff.-red. 0%
* N.N. = Nomen Nominandum (de te noemen naam)
… van nul afwijkende waarden werden ingesteld.
(De afgebeelde instellingen zijn als voorbeelden bedoeld en mogen niet zonder meer worden
overgenomen.)
Bij dit soort instellingen wordt het staartloze model als een “normale” vierkleppen-vleugel (2 rolroeren en twee
welfkleppen) met al haar mogelijkheden beschouwd! Bij deze manier van beschouwen worden de oorspronkelijk
alleen voor moment-compensatie en het verkrijgen van speciale effecten bedoelde mixers “HO-> NN*” door de
instelling van hogere waarden dan gebruikelijk “misbruikt” voor de overdracht van het hoogteroersignaal op de
roeren van het staartloze model.
Omdat bij geen van de vleugelmixers de trimming van de digitale hoogteroer-trimhevel door de desbetreffende
mixer wordt meegenomen, hebben we een alternatief nodig.
Wissel dus naar het menu …
“instelling stuurelement” (bladzijde 83)
i5 stuurel. 6 +15% +15%
i6 stuurel. 6 +15% +15%
i7 vrij +100% +100%
i8 vrij +100% +100%
- weg +
… en wijs aan de ingangen 5 en eventueel 6 telkens hetzelfde stuurelement toe, bv. de proportionele draaiknop
CTRL 6. Daarna wisselt u naar de kolom “weg” en reduceert u de uitslag van het stuurelement van deze beide
uitgangen symmetrisch naar ca. 50% … of nog minder, want: hoe kleiner deze is, des te fijngevoeliger kunt u
trimmen. Wanneer u daarentegen liever de gewone hoogteroer-trimhevel wilt gebruiken, zet u – of laat u - de
vleugelmixers “HO-> NN*” op 0% en definieert daarvoor in de plaats vrije lineaire mixers.
Roep daarvoor het menu …
“vrije mixers” (bladzijde 116 … 121)
M1 tr HO -> 5 =>
M2 tr HO -> 6 =>
M3 ?? -> ?? =>
type van naar
… op en maak een lineaire mixer “tr HO 5” en eventueel “tr HO 6”.
Op de bladzijde met de grafiek van dit menu stelt u de benodigde mixpercentages in. Controleer de instellingen
en vooral de richtingen van de uitslagen in de “servoaanduiding” resp. bij het model. Verander eventueel het +
of – teken.
In deze vorm bewegen dan bij het bedienen van de hoogteroerstuurknuppel ook de rolroerkleppen evenwijdig,
zoals bij welfkleppen resp. hoogteroeren.“tr” zorgt ervoor, dat de hoogteroer-trimhevel effect kan hebben op de
desbetreffende mixer.
Omdat een ander stuurelement bij deze configuratie niet nodig is, schakelt u de ingang 5 en eventueel ook 6 in
de tweede kolom van het menu “instelling stuurelement” weer op “vrij”.
Met een dergelijke programmering heeft de auteur van deze regels al jaren geleden een deltamodel met de
toenmalige MC-20 gestuurd, en wel zoals hier beschreven met “welfkleppen-instellingen” als vervangende
trimming en een Butterfly voor de landing … helemaal vrij van pompen of duiken door op elkaar afgestemde
vleugelmixers “rem RO” en “rem WK”, waarbij u onder “rolroer” het buitenste en onder “welfklep” het
binnenste paar roeren moet worden verstaan.
Op een zelfde manier kan een modern, gepijld staartloos model worden gevlogen. Ook bij deze modellen zijn er
binnen en buiten liggende roeren: de eerstgenoemde vóór het zwaartepunt, de laatstgenoemde daarachter. Een
uitslag naar beneden van het/de centrale roer(en) verhoogt de lift en geeft een hoogteroereffect “up”. Met een
uitslag naar boven wordt het tegendeel bereikt. Aan de buitenste rolroeren daarentegen draait het effect om: een
uitslag naar beneden geeft een “down”-hoogteroereffect en omgekeerd. Door een bijbehorende afstemming van
de “toevoerende” mixers tot aan het zetten van curvenmixers, om een ondersteunend effect van het buitenste
roerenpaar pas bij extreme knuppeluitslagen in de richting hoog/laag te bereiken, is hier “alles” mogelijk.
Hoe u uw model ook afstemt en welk aantal servo’s er werd gekozen, u moet altijd voorzichtig zijn met een vorm
van differentiatie! Differentiaties veroorzaken in een staartloos model met name een eenzijdig hoog-/laag-effect.
Daarom is het raadzaam, om in ieder geval de eerste vluchten met een instelling van 0% te starten! Wanneer er
meerdere testvluchten hebben plaatsgevonden, kan het dan eventueel zinvol zijn, om met differentiaties die van
nul verschillen, te experimenteren.
Bij grotere modellen kunnen richtingsroeren in de winglets, dat zijn de aan de vleugeltippen aangebrachte “oren”,
zinvol zijn. Wanneer ze via twee aparte servo’s worden aangestuurd kunnen deze zoals in het voorbeeld voor
“parallel lopende servo’s” op bladzijde 164 werd beschreven worden aangestuurd, of via “Channel Mapping” in
het “telemetrie”-menu, bladzijde 130.
Moeten deze richtingsroeren ook nog bij het bedienen van een remsysteem met de K1-knuppel allebei naar
buiten uitslaan, dan kan dit bv. bij het staarttype “normaal” door het zetten van twee extra mixers “K1-> 4” en
“K1-> stuurkanaal van het tweede richtingsroer” met een bijpassende instelling van de uitslag bereikt worden.
De Offset stelt u in op +100%, omdat de K1-stuurknuppel zich bij ingetrokken remkleppen (normaal gesproken)
aan de bovenste aanslag bevindt en de winglet-richtingsroeren bij het uitdraaien slechts proportioneel naar buiten
moeten uitslaan.
Programmeervoorbeeld: F3A-model
F3A-modellen horen tot de categorie van motoraangedreven vleugelmodellen. Ze worden door een verbrandings-
of een elektromotor aangedreven. Modellen met een elektromotor zijn niet alleen concurrerend in de
internationale kunstvluchtklasse F3A, maar ook in de elektrokunstvluchtklasse F5A.
Bij dit programmeervoorbeeld gaan we ervan uit dat u zich al bezig gehouden heeft met de programmering van
de verschillende menu’s en dat het gebruik van de zender u intussen vertrouwd is.
De principiële opmerkingen en aanwijzingen aangaande de mechanische inbouw van een
radiobesturinginstallatie, die al bij het eerste programmeervoorbeeld op bladzijde 151 werden genoemd, gelden
natuurlijk ook voor F3A-modellen en hoeven daarom hier niet nog eens vermeld te worden.
Correct gebouwde F3A-modellen hebben een verregaand neutraal vlieggedrag. In het ideale geval reageren ze
heel goedmoedig maar exact op stuurbewegingen, zonder dat de verschillende vlieg-assen elkaar wederzijds
beïnvloeden.
F3A-modellen worden via rolroeren, hoogteroer en richtingsroer gestuurd. In de regel wordt elk rolroer bediend
via een eigen servo. Daarbij komt nog de regeling van het vermogen van de motor (gasfunctie) en in veel
gevallen nog een intrekbaar landingsgestel. De bezetting van de kanalen 1 tot 5 is dus niet verschillend van de
eerder beschreven vleugelmodellen.
De extra functie “intrekbaar landingsgestel” is bedoeld voor één van de kanalen 6 tot 8. Het beste kunt u het
landingsgestel via één van de schakelaars zonder middenpositie (SW3 of SW8) bedienen. Bovendien kan –
indien nodig – nog een sproeiernaaldverstelling voor de carburateur worden ingebouwd. Voor de
sproeiernaaldverstelling is één van de proportionele draaiknoppen CTRL 6 … 8 geschikt, dat een nog onbezet
kanaal van de zender bedient.
stroomvoorziening ontvanger
speciale functie
intrekbaar landingsgestel
rolroer rechts
richtingsroer
hoogteroer
rolroer of rolroer links
motordrossel resp. regelaar bij e-aandrijving
sproeiernaaldverstelling
Bij het bezetten van extra kanalen aan de zender is het raadzaam om er op te letten, dat de nodige
bedieningselementen goed te bereiken zijn, omdat men tijdens het vliegen - met name bij wedstrijden – “niet zo
veel tijd heeft” om de stuurknuppels los te laten.
programmering
Omdat de principes achter het programmeren van de zender al uitvoerig op de bladzijden 153 … 156 beschreven
werden, geven we hier alleen F3A-specifieke tips weer.
In het menu …
“servo-instelling” (bladzijde 81)
S1 => 0% 100% 100%
S2 => 0% 100% 100%
S3 => 0% 100% 100%
S4 => 0% 100% 100%
S5 => 0% 100% 100%
omk midden - weg +
… worden de instellingen voor de servo’s ingevoerd.
Het is het beste, om met minstens 100% stuuruitslag te werken, omdat de stuurnauwkeurigheid duidelijk beter
wordt, wanneer een grotere servo-uitslag wordt gekozen. Hiermee moet al rekening worden gehouden bij de
bouw van het model en de vormgeving van de roeraansturingen. Eventuele toch benodigde correcties kunnen via
de software in de 3
e
kolom tijdens de eerste testvluchten worden doorgevoerd.
Via het menu …
“basisinstelling” (bladzijde 65 … 72)
… wordt dan de stationairtrimming bij kanaal 1 geactiveerd (normaal gesproken”stationair naar achteren”, volgas
naar voren). De digitale trimming heeft dan alleen effect in de richting stationair. De “afschakeltrimming” maakt
het u mogelijk, om met een eenvoudige toets-“klik” direct van de motor “UIT” weer naar de laatst ingestelde
stationairpositie terug te keren, zie bladzijde 49.
stuurtoew 1
motor aan K1 stat achter
m-stop -100% -150% -----
staart normaal
rolr/welfkl 2 RO
De overige instellingen, zoals in de afbeelding getoond, past u aan naar uw wensen.
Eventueel is het noodzakelijk om voor het bedienen van het landingsgestel en de sproeiernaaldverstelling via het
menu …
“instelling stuurelement” (bladzijde 83)
…aan een bepaalde ingang een bijbehorend bedieningselement, bijvoorbeeld voor het landingsgestel één van
de AAN/UIT-schakelaars SW 2 of 8 aan ingang “i8” en voor de sproeiernaaldverstelling een proportionele
draaiknop, bv. CTRL 6 aan de ingang “i7” toe te wijzen:
i5 vrij +100% +100%
i6 vrij +100% +100%
i7 stuurel.6 +100% +100%
i8 8 +100% +100%
- weg +
Bij het bedienen van de schakelaar “SW 8” wordt het landingsgestel in- resp. uitgedraaid. De stuuruitslag van de
bedieningselementen kan aangepast worden en kan via een negatieve instelling van de uitslag ook worden
omgedraaid.
F3A-modellen vliegen relatief snel en reageren daardoor “direct” op stuurbewegingen van de servo’s. Omdat
echter kleine stuurbewegingen en correcties niet optisch waargenomen mogen worden, wat bij wedstrijden in
ieder geval punten kost, is het raadzaam om een exponentiële stuurkarakteristiek van de stuurknuppels in te
stellen.
Wissel naar het menu …
“D/R Expo” (bladzijde 91)
In de praktijk zijn waarden van ca. + 30% op rol-, hoogte- en richtingsroer heel effectief gebleken; u kunt ze in de
rechter kolom instellen. Daardoor kan het F3A-model soepel en zuiver worden bestuurd. (Sommige experts
gebruiken zelfs tot + 60% exponentiële waarde.)
RO 100% +33% -----
HO 100% +33% -----
RI 100% +33% -----
DUAL EXPO
Omdat F3A-modellen in de regel twee rolroerservo’s hebben, is het erg praktisch om deze tijdens het landen
omhoog te zetten. Daardoor landt het model in de meeste gevallen iets langzamer en stabieler.
Daarvoor is het nodig, om in het menu …
“vrije mixers” (bladzijde 116 … 121)
… bijpassende mixers te programmeren.
De rolroeren worden als landingshulp uitgedraaid, afhankelijk van de positie van de gasknuppel vanaf halfgas in
de richting stationair. Hoe verder de knuppel in de richting stationair wordt gebracht, des te verder slaan de
rolroeren naar boven uit. Omgekeerd worden bij “gas geven” de rolroer-landingskleppen ingedraaid, om een
plotseling weg stijgen van het model te voorkomen.
Om het model bij uitgedraaide rolroer-landingskleppen niet te laten stijgen, moet er een beetje “down”-hoogteroer
bij worden gemixt.
Zet dus voor deze beide taken de twee op het volgende display getoonde lineaire mixers:
M1 K1 -> 5 3 =>
M2 K1 -> HO 3 =>
M3 ?? -> ?? =>
type van naar
Het activeren van de mixers vindt plaats via één en dezelfde schakelaar, bv. schakelaar “SW 3”, die aan de beide
mixers met een identieke schakelrichting toegewezen moet zijn. Raak de centrale SET-toets van de rechter
touch-toets aan om de desbetreffende mixpercentages op de tweede bladzijde van het display in te stellen. In
beide gevallen blijft het mixerneutraalpunt liggen in het midden van de K1-knuppel. Beweeg daarom de K1-
stuurknuppel naar het stationaire bereik en vul na selectie van het ASY-veld de volgende waarden in voor:
MIX 1: -60% … -80% en
MIX 2: -5% … -10%.
Voorbeeld MIX 1 :
MIX1 K1-> 5
weg -66% 0%
offs 0%
SYM ASY
Daarmee is de basisinstelling voor een F3A-model afgesloten.
Compensatie van modelspecifieke fouten
Helaas komt het maar al te vaak voor, dat kleinere modelspecifieke “fouten” via de mixers van een
computerzender gecompenseerd moeten worden. Voordat u zich bezighoudt met deze instellingen, moet u er
voor zorgen, dat het model correct gebouwd is, optimaal aan de dwars- en lengteas uitgewogen is en dat de
motor-zijstelling en –domping kloppen.
1. Beïnvloeden van de lengte- en dwarsas door het richtingsroer
Het komt vaak voor, dat bij het bedienen van het richtingsroer ook het gedrag om de lengte- en dwars-as wordt
beïnvloed. Dit is vooral storend bij de meskant-vlucht, waarbij de lift van het model bij een uitgeslagen
richtingsroer alleen door de romp wordt opgewekt. Daarbij kan het komen tot een wegdraaien van het model en
het model kan van richting veranderen, alsof men met rol- resp. hoogteroer stuurt. Er moet eventueel dus een
correctie om de dwars-as (hoogteroer) en/of om de lengte-as (rolroer) plaatsvinden.
Dit is ook via “vrije mixers” van de MX-16 HoTT makkelijk in te stellen. Draait bv. het model bij naar rechts
uitgeslagen richtingsroer in de meskant-vlucht om de lengte-as naar rechts weg, dan laat men het rolroer via de
mixer licht naar links uitslaan. Op dezelfde manier gaat u te werk bij richtingsveranderingen om de dwars-as, met
een mixer op het hoogteroer:
a) correctie om de dwars-as (hoogteroer)
MIX “RI HO”
Instelling ASYmmetrisch. De bijbehorende waarden tijdens het vliegen bepalen.
b) correctie om de lengte-as (rolroer)
MIX “RI RO”
Instelling ASYmmetrisch. De bijbehorende waarden tijdens het vliegen bepalen.
Meestal zijn hier relatief kleine mixwaarden voldoende, die onder de 10% liggen, maar per model kunnen
verschillen.
2. Verticaal omhoog- en omlaagvliegen
Sommige modellen hebben de neiging om in verticale passages van de ideale lijn af te wijken. Daarvoor is een
middenpositie van het hoogteroer nodig, die afhangt van de positie van de gasstuurknuppel. Vangt het model bv.
zich in een verticale daling bij een gedrosselde motor vanzelf af, dan moet er bij deze gaspositie wat “down”-
hoogteroer bijgemixt worden.
MIX “K1 HO”
De bijbehorende mixwaarden liggen in de regel rond de 5% en moeten ook tijdens het vliegen worden bepaald.
3. Wegdraaien om de lengte-as bij stationair
Wordt het gas teruggenomen, dan draait het model misschien bij stationairloop om de lengte-as weg. Met het
rolroer moet dan tegengestuurd worden. Eleganter is het echter, om dit effect met een mixer te corrigeren.
MIX “K1 RO”
De bijbehorende mixwaarden liggen in de regel rond de 5% en moeten ook tijdens het vliegen worden bepaald.
De instellingen moeten bij rustig weer worden uitgeprobeerd. Vaak is het voldoende, om de mixer slechts
halfzijdig tussen halfgas en stationair toe te passen. Laat daarvoor het Offset-punt in het midden van de
stuuruitslag en stel de mixer ASYmmetrisch in.
4. Wegdraaien bij uitgedraaide rolroeren/landingskleppen
Wanneer men voor de landing de rolroeren naar boven draait, ontstaat er vaak door de verschillende uitslagen
van de rolroerservo’s of door ingebouwde onnauwkeurigheden een wegdraaien om de lengte-as. Het model trekt
dus vanzelf naar links of rechts. Ook dit kan makkelijk door een mixer, afhankelijk van de positie van de rolroer-
landingskleppen worden gecompenseerd.
MIX “K1 RO”
De mixer moet via dezelfde externe schakelaar als voor de rolroeren-/landingskleppen aan- en uitgezet worden
(zie vorige bladzijde). Hij werkt dus alleen bij een geactiveerde rolroer-/landingskleppenfunctie. De bijbehorende
waarde moet tijdens het vliegen worden bepaald.
Tenslotte nog een opmerking over de …
“FAIL-SAFE-instelling”
Benut de veiligheidswinst van deze optie, door voor een Fail-Safe-geval minimaal de motordrossel-positie bij
verbrandingsmotor-modellen op stationair resp. de motorfunctie bij elektrische modellen op stop te
programmeren. Het model kan er zo in het geval van een storing niet zo makkelijk vandoor gaan en zaken
beschadigen of zelfs personen verwonden. Wanneer u bovendien de Fail-Safe-positie van de roeren dusdanig
programmeert, dat in het geval van storing het model licht dalende ronden gaat vliegen heeft u een goede kans
dat het model ook bij een langer durende storing zelfstandig relatief zacht landt. Ook heeft u zo voldoende tijd om
de verbinding weer te herstellen, wanneer de complete 2,4-GHz-frequentieband tijdelijk helemaal gestoord zou
zijn.
Bij uitlevering van de ontvanger behouden de servo’s echter in het geval van een Fail-Safe-situatie hun laatste
geldige positie (“hold”). Zoals op bladzijde 125 beschreven is, kunt u echter voor elke individuele servo-uitgang
van uw ontvanger naar eigen inzicht een “Fail-Safe-positie” programmeren (Fail-Safe-modus).
Samenvatting
De op deze bladzijden beschreven instellingen zijn met name voor de “expert” bedoeld, die over een volkomen
neutraal, precies vliegend F3A-kunstvluchtmodel wil beschikken. We mogen niet verzwijgen, dat daarvoor heel
veel tijd, moeite, gevoel en know-how nodig is. Experts programmeren zelfs nog tijdens het vliegen. Dit is niet aan
te raden voor een gevorderde beginner, die zich aan een F3A-model waagt. Hij kan beter zich aan een ervaren
piloot wenden en met hem stap voor stap de beschreven instellingen doornemen, tot zijn model het gewenste
neutrale vlieggedrag heeft.
Programmeervoorbeeld: helikoptermodel
In dit programmeervoorbeeld gaan we er van uit, dat u zich al bezig heeft gehouden met de beschrijving van de
verschillende menu’s en dat de principes van de bediening u duidelijk zijn. Bovendien moet de helikopter volgens
de bijbehorende handleiding mechanisch gezien exact zijn opgebouwd. De elektronische mogelijkheden van de
zender zijn er in geen geval voor bedoeld om grove mechanische fouten weg te poetsen.
Zoals zo vaak in het leven zijn er ook bij het programmeren van de MX-16 HoTT verschillende wegen en
mogelijkheden, om een bepaald doel te bereiken. In het volgende voorbeeld wordt u een helder gestructureerde
lijn aangeboden, om tot een zinvolle programmering te komen. Wanneer er meerdere mogelijkheden zijn, wordt
er eerst gewezen op een eenvoudige en overzichtelijke oplossing. Functioneert de helikopter daarmee later
probleemloos, dan staat het u natuurlijk vrij om andere – voor u misschien betere - oplossingen uit te proberen.
Als programmeervoorbeeld dient de rechtsdraaiende helikopter STARLET 50 van GRAUPNER, met 3 om telkens
120° verzette aansturingpunten van het tuimelschijftype “3sv(2roll)”, beginnerinstelling zonder verhoogde
gascurve, zonder Heading-lock-gyro-systeem en zonder beïnvloeding van de gyro via de zender, en ook zonder
toerentalregeling. Deze eenvoudige programmering werd bewust gekozen, ook om te demonstreren, dat met
relatief weinig (programmeer-)moeite een goed vliegende helikopter kan ontstaan.
Toch willen we niet helemaal afzien van uitbreidingsmogelijkheden: achter deze beschrijving vindt u daarom
aanwijzingen m.b.t. de instelling van de gyro, toerenregelaars en de programmering van vliegfasen.
Aanwijzing:
Gaat uw belangstelling in tegenstelling tot de hier beschreven verbrandings-heli meer uit naar een elektro-heli,
dan moet u desondanks verder lezen! Behalve de dan natuurlijk overbodige instelling van de stationairloop kunt u
de meeste hieronder beschreven instellingen praktisch onveranderd overnemen.
Voor het instellen van deze voorbeeldprogrammering roept u in het menu “modelgeheugen” het ondermenu …
“model oproepen” (bladzijde 61)
… op en kiest u met de pijltoetsen van de linker of rechter touch-toets een vrij modelgeheugen uit:
01 ---o--- E08
02 **vrij**
03 **vrij**
04 **vrij**
05 **vrij**
06 **vrij**
Na een aanraken van de centrale SET-toets van de rechter touch-toets kiest u met de toets van de linker of
rechter touch-toets …
modeltype kiezen
(vrij modelgeheugen)
… het modeltype “heli”. De aanduiding wisselt direct naar de basisaanduiding , wanneer u de keuze door een
aanraken van de centrale SET-toets van de rechter touch-toets bevestigt.
Aanwijzingen:
Is de optie “modeltype kiezen” eenmaal gekozen, dan kan de procedure niet meer worden afgebroken! Ook als
u de zender tussendoor uitzet, kunt u deze keuze niet ontlopen! U kunt dit eventueel alleen achteraf corrigeren
door het modelgeheugen weer te wissen.
Verschijnt de waarschuwing “gas te hoog”, dan kunt u deze wissen door de proportionele draaiknop CTRL 6
tegen de klok in te draaien.
Bij een te lage accuspanning is een wissel van model uit veiligheidsoogpunt niet mogelijk. Op het display
verschijnt de bijbehorende melding:
Momenteel niet mog.
spanning te laag
Wanneer deze horde genomen is moet in ieder geval eerst de in het model ingebouwde ontvanger aan dit
modelgeheugen in het menu ….
“basisinstelling” (bladzijde 73 ... 80)
… gebonden worden. Wissel hiervoor naar de regel “geb. ontv.”:
fase 2 hover -----
fase 3 speed -----
autorotat -----
ontv.uitg. =>
geb. ontv. -----
Aanwijzing:
Wanneer u na bevestiging van de modelkeuze in de basisaanduiding gedurende enkele seconden de melding ...
BIND. n/a
OK
… door een druk op de SET-toets van de rechter 4-weg-toets bevestigt, komt u automatisch in deze regel:
In deze regel start u, zoals uitvoerig beschreven op bladzijde 79, het bind-proces tussen modelgeheugen en
ontvanger. Anders kunt u namelijk de ontvanger niet aansturen.
Hierna wisselt u met de pijltoets van de linker of rechter 4-weg-toets naar boven, naar de eerste regel, en
begint u de eigenlijke programmering in de regel “mod.naam”. Geef het modelgeheugen nu een passende
naam, …
mod.naam < >
stuurtoew 1
tuimelsch 1 servo
m-stop -100% +150% ------
rotor-draair. rechts
….met behulp van de tekens, die op de tweede bladzijde van de regel “mod.naam” te vinden zijn:
0123456789:;< = > ?
ABCDEFGHIJKLMNO
PQRSTUVWXYZ
modelnaam < STAR >
Na het invoeren van de “modelnaam” past u de “stuurtoewijzing” aan uw stuurgewoonten aan:
mod.naam < STARLET >
stuurtoew 1
tuimelsch 1 servo
m-stop -100% +150% -----
rotor- draair . rechts
De eerste, helikopter-specifieke instelling vindt plaats in de volgende drie regels:
In de regel “tuimelsch(ijftype)” kiest u, met hoeveel servo’s de aansturing van de tuimelschijf plaatsvindt, zie
hiervoor ook bladzijde 73/74.
In de regel “rotor-draair(ichting)” wordt de draairichting van de hoofdrotor, van boven gezien, vastgelegd en bij
“pitch min” kiest u, of het pitch-minimum met de stuurknuppel “naar voren”of “naar achteren” wordt bereikt. Deze
instelling heeft effect op alle navolgende mixers en mag later in geen geval voor het wijzigen van individuele
mixerrichtingen zoals bv. de pitch- of gasrichting worden veranderd.
stuurtoew 1
tuimelsch 3sv(2rol)
m-stop -100% +150% -----
rotor- draair . rechts
pitch min achter
Uiterlijk nu moeten ook de servo’s in de juiste volorde in de ontvanger worden gestoken:
stroomvoorziening ontvanger
speciale functie (toerenregeling)
motorregeling
vrij of speciale functie
hekrotor-servo (gyro)
nick-servo
roll-1-servo
roll-2-servo
gevoeligheid gyro
De mixpercentages en mixrichtingen van de tuimelschijfservo’s voor pitch, roll en nick zijn in het menu …
“TS-mixer” (bladzijde 121)
TS-MIXER
ptch +61%
roll +61%
nick +61%
… al voor u ingesteld op telkens + 61%. Mocht de tuimelschijf de bewegingen van de stuurknuppels niet correct
volgen, dan verandert u eventueel eerst de mixrichtingen van “+” naar “-“ voordat u de draairichtingen van de
servo’s in het menu “servo-instelling” verandert.
Aanwijzing:
Let u er op, dat bij de nieuwere GRAUPNER-MC- en MX-besturingen ten opzichte van de oudere
radiobesturingen de eerste pitchservo en de gasservo met elkaar verwisseld zijn.
Nu worden in het menu …
“servo-instelling” (bladzijde 81)
S1 => 0% 100% 100%
S2 => 0% 100% 100%
S3 => 0% 100% 100%
S4 => 0% 100% 100%
S5 => 0% 100% 100%
omk midden - weg +
… de uitslagen en draairichtingen van de verschillende servo’s aangepast. In principe moet men er naar streven,
om zoveel mogelijk +/- 100% servo-uitslag te houden, om de beste precisie en stelkracht te hebben. Via “omk”
wordt de draairichting vastgelegd, controleer goed, of ook de richting klopt. De hekrotorservo moet zo lopen, dat
de neus (!) van de heli de richting van de hekrotorknuppel volgt.
Bij een blik in het menu …
“instelling stuurelement” (bladzijde 85 … 90)
i5 vrij +100% +100%
gas vrij +100% +100%
gyr vrij +100% +100%
i8 vrij +100% +100%
lim stuurel.6 +100% +100%
- weg +
… valt op, dat aan de ingang “lim” het stuurelement “6”, dus de proportionele draaiknop CTRL 6 toegewezen is,
terwijl alle andere ingangen op “vrij” voorgeprogrammeerd zijn. De ingang “Lim” dient als gaslimiter. Hij heeft
uitsluitend effect op de uitgang “6”, waaraan de gasservo zich bevindt.
Nogmaals ter herinnering:
Door het gebruik van de “gaslimiter” spaart u de programmering van een vliegfase “Idle up” uit.
De gaslimiter stuurt niet de gasservo, hij begrenst alleen de uitslag van deze servo in de richting volgas.
Gestuurd wordt de gasservo door de pitchknuppel volgens dein het menu “helimix” ingestelde gascurve(n,),
zodat de ingang 6 in ieder geval “vrij”moet blijven. Kijk ook op de bladzijden 105 en 106van dit handboek.
De K1-trimming heeft bij de heli alleen effect op de gasservo. Op de bijzonderheden van deze trimming
(“afschakeltrimming”) gaan we hier niet nogmaals in, lees daarvoor bladzijde 49. (Dankzij de digitale trimming
worden trimwaarden bij een wissel van model of van vliegfase automatisch opgeslagen).
Een gedetailleerde beschrijving van de stationair- basisinstelling en van de gaslimiet vindt u vanaf bladzijde 88.
Aansluitend wisselt u met de pijltoets van de linker of rechter touch-toets naar de kolom “weg” en verhoogt u
bij een helemaal geopende gaslimiter de invers onderlegde waarde van 100% naar 125%:
i5 vrij +100% +100%
gas vrij +100% +100%
gyr vrij +100% +100%
i8 vrij +100% +100%
lim stuurel.6 +100% +125%
- weg +
Daarmee is gegarandeerd, dat de gaslimiter later tijdens het vliegen in ieder geval de hele stuuruitslag door de
pitchstuurknuppel vrijgeeft.
Aanwijzing voor elektro-helikopters:
Omdat elektro-aandrijvingen natuurlijk geen stationairloop nodig hebben, moet er in het kader van de basis-
instelling bij elektrische helikopters op gelet worden, dat het regelbereik van de gaslimiter groter is dan het
gebruikelijke -100% tot +100% instelbereik van de motorsteller. Eventueel moet de “weg”-instelling van de
gaslimiter dienovereenkomstig worden aangepast, bijvoorbeeld naar symmetrisch 110%. De verdere afstemming
vindt op dezelfde manier plaats als bij de hier beschreven helikopter met verbrandingsmotor.
Een volgende functie wordt in het menu …
“basisinstelling” (bladzijde 73 … 80)
… geactiveerd. Ook wanneer men qua vliegen nog niet zo ver is, moet de autorotatie-schakelaar op z’n minst als
nood-uit-schakelaar toegepast worden. Daarvoor met de pijltoetsen ▲▼ van de linker of rechter touch-toets de
regel “autorotat.” selecteren, dan de centrale SET-toets van de rechter touch-toets aanraken en één van de
twee-standen-schakelaars van de zender (SW 2 of 8) naar de positie “AAN” brengen. Rechts verschijnt het
nummer van de schakelaar (hier b.v. “2”):
pitch min achter
klokken 10: 01 G3
fase 2 hover -----
fase 3 acro ----
autorotat. 2
Deze schakelaar moet zich op de zender op een plaats bevinden, die – zonder een knuppel los te hoeven laten –
makkelijk te bereiken is, b.v. boven de pitchknuppel.
Aanwijzing:
Nadere informatie over deze “nood-uit-schakelaar” vindt u in de middelste kolom op de volgende bladzijde.
Nog een tip:
Went u zich er aan, om alle schakelaars een identieke inschakelrichting te geven: dan is vóór het vliegen één blik
voldoende – alle schakelaars uit.
Twee regels daarboven zou nu nog aan de van de naam “hover” voorziene (vlieg-) fase 2 een schakelaar kunnen
worden toegewezen, wat echter bij deze eenvoudige programmering nog niet de bedoeling is. Daarmee heeft u
de basisinstellingen van de zender afgesloten, zoals die bij latere modelprogrammeringen steeds weer nodig is.
De eigenlijke heli-specifieke instelling vindt met name plaats in het menu …
“helimixers” (bladzijde 103 … 114)
pitch =>
K1 -> gas =>
K1 -> hek =>
gyro 0%
ing8 0%
<normaal>
Meteen in de eerste regel verschijnt de functie “pitch”. Door aanraken van de centrale SET-toets van de rechter
touch-toets wisselt u naar het bijbehorende ondermenu. Hier verschijnt de grafische weergave van de pitchcurve,
die eerst door maar 3 punten is gedefinieerd, wat in de meeste gevallen ook voldoende is.
Tip:
Probeer altijd eerst om met deze drie punten de klus te klaren, meer punten maken de zaak ingewikkelder en zijn
op dit moment alleen maar lastig.
Uitgangspunt voor het hoveren moet in principe de mechanische middenpositie van de pitchknuppel zijn, omdat
deze positie het meest overeenkomt met het normale stuurgevoel. De curvenafstemming maakt weliswaar andere
instellingen mogelijk, maar daar moet men wel precies weten wat men doet. Eerst zet u de pitchknuppel in het
midden. De servo’s, die u al eerder volgens de aanwijzingen van de fabrikant had ingesteld, staan nu met hun
hevel precies haaks op de servobehuizing (normaal gesproken). Aan de stuurstangen naar de rotorbladen wordt
nu mechanisch de hover-pitchwaarde van 4° tot 5° ingesteld. Daarmee vliegen in principe alle bekende
helikopters.
Aansluitend duwt u de pitchknuppel helemaal naar voren, naar het pitchmaximum. (De doorgetrokken verticale
lijn geeft de huidige positie van de stuurknuppel weer.) Met de pijltoetsen van de rechter touch-toets verandert u
nu punt 5 van de pitchcurve dusdanig, dat het pitchmaximum aan de hoofdrotorbladen ongeveer 9° wordt. Dit
punt zal bij ongeveer 50% liggen.
Aanwijzing:
Een instelmeter voor de rotorbladen, bv. GRAUPNER-instelhoekmeter Best.-Nr. 61, is bij het instellen van deze
hoek erg makkelijk.
Nu beweegt u de pitchknuppel helemaal terug naar de pitchminimum-positie. Afhankelijk van de vliegervaring van
de piloot stelt u de waarde van punt 1 zo in, dat de bladhoek 0 tot -4° bedraagt. Daardoor ontstaat een rond het
hoverpunt licht geknikte lijn, de zogenaamde pitchcurve, die er bv. zo uit kan zien:
pitch
ingang -100%
uitgang -80%
punt 5 -80%
<normaal>
Wanneer u nu omschakelt naar de autorotatie-fase – onder in het display wordt de naam van de vliegfase
“autorot” getoond – verschijnt de “oude” pitchcurve weer. Stel nu dezelfde waarden in als in de normale fase.
Alleen bij punt 5 – bij het pitchmaximum - kan de pitchhoek met ongeveer 2° vergroot worden. Daardoor heeft u
later (!) bij de autorotatie iets meer instelhoek voor het afvangen van het model.
Na het instellen van de pitchcurve zet u de autorotatie-schakelaar weer om en gaat u via een kort aanraken van
de centrale ESC-toets van de linker touch-toets weer terug naar de menulijst van de helimixers. Wissel naar de
regel “K1-> gas”, om de gascurve in te stellen.
Eerst moet het instelbereik van de stationairtrimming met de gascurve worden afgestemd. Daarvoor brengt u de
pitch-stuurknuppel in diens minimum-positie en stelt u het punt 1 in op ongeveer -65%.
K1 -> gas
ingang -100%
uitgang -65%
punt 5 -65%
<normaal>
Bij een gesloten gaslimiter en helemaal geopende stationairtrimming beweegt u de pitchknuppel rond de
minimum-aanslag een beetje heen en weer. De gasservo mag daarbij niet meelopen. Daarmee heeft u een
naadloze overgang van de stationairtrimming naar de gascurve. De verdere instellingen langs de gascurve
worden later tijdens het vliegen doorgevoerd.
Wanneer u vanuit deze grafiek eens naar de autorotatie-fase omschakelt, verschijnt in plaats van de gewone
aanduiding:
K1 -> gas
uit
<autorot>
Dat betekent, dat de gasservo naar een vaste waarde geschakeld is, die als volgt kan worden ingesteld: ga met
ESC terug naar de menulijst. Zolang u zich nog in de autorotatie-fase bevindt, worden er nieuwe ondermenu’s
getoond.
Belangrijk is de regel “gas”. De waarde rechts stelt u afhankelijk van de draairichting van de servo op ongeveer +
125% of – 125% in.
pitch =>
gas -125%
hek 0%
gyro 0%
ing8 0%
<autorot>
Daarmee is de motor in de autorotatie-fase ( in geval van nood) veilig uitgezet. Later, wanneer u voldoende
ervaring heeft opgedaan om de autorotatie te oefenen, kan hier een stabiele stationairloop worden ingesteld.
Aanwijzing bij het instellen van de elektro-helikopter:
Omdat in geval van nood ook bij een elektrisch aangedreven helikopter de motor uitgezet moet kunnen worden
kan deze instelling ongewijzigd worden overgenomen.
De verdere ondermenu’s zijn op dit moment nog niet belangrijk. Door het uitschakelen van “autorotatie” komt u
weer terug in de eerste menulijst.
Roep de regel “K1-> hek” op, om de statische draaimoment-compensatie (DMA) voor de hekrotor in te stellen.
Werk ook hier met maar de drie voorgegeven instelpunten, wanneer u nog geen ervaren piloot bent. Verander de
voor Heading-lock-gyro’s bedoelde voorinstelling van overal 0% naar -30% bij punt 1 aan de onderste
stuurknuppeluitslag en +30% bij punt 5 voor het tegenovergestelde einde. Deze waarden moeten tijdens het
vliegen eventueel bijgesteld worden:
K1 -> hek
ingang -100%
uitgang -30%
punt 5 -30%
<normaal>
Schakel eerst weer naar de autorotatie-fase. Ook hier wordt de instelling gedeactiveerd, de hekrotorservo
reageert niet meer op pitchbewegingen (wanneer de hoofdrotor niet meer wordt aangedreven ontstaat er normaal
gesproken geen draaimoment).
De omschakeling tussen “normale gyro” of “Heading-lock” en de bijbehorende gevoeligheid van de gyro kunt u
wijzigen, door in de regel “gyro” een van “0” afwijkende waarde in te stellen:
pitch =>
K1 -> gas =>
K1 -> hek =>
gyro 0%
ing8 0%
<normaal>
Let hierbij wel altijd op de handleiding bij de gyro, omdat anders uw heli eventueel onbestuurbaar zou
kunnen worden!
Wanneer de gyro tóch een gevoeligheids-instelling vanaf de zender bezit, heeft u nog een vrij proportioneel
stuurelement nodig, bv. CTRL 7. Deze wijst u in het menu …
“instelling stuurelement” (bladzijde 85 … 90)
… aan de ingang “gyr” toe:
i5 vrij +100% +100%
gas vrij +100% +100%
gyr stuurel.7 +100% +100%
i8 vrij +100% +100%
lim stuurel.6 +100% +100%
- weg +
Draai de knop zolang totdat het nummer op het display verschijnt en wissel dan met de pijltoets van de linker
of rechter touch-toets naar het ASY-veld in de kolom “weg”. Na aantippen van de centrale SET-toets van de
rechter touch-toets kan in het nu inverse veld de maximale gevoeligheid van de autopiloot (gyro) worden
ingesteld, b.v. 50%.
i5 vrij +100% +100%
gas vrij +100% +100%
gyr stuurel.7 +50% +50%
i8 vrij +100% +100%
lim stuurel.6 +100% +100%
- weg +
Daarmee heeft u een vaste waarde, zolang de draaiknop tegen de rechter aanslag staat. De juiste waarde moet
tijdens het vliegen worden aangepast.
Verdere aanwijzingen vindt u op bladzijde 107/108.
Verdere instellingen
Met dit programmeervoorbeeld heeft u een helikopter met een basisafstemming voor de hovertraining en
eenvoudige rondvluchten. Afhankelijk van de vliegervaring kunnen er natuurlijk ook meer functies geactiveerd
worden. Wil men met verschillende toerentallen en trimmingen vliegen, dan activeert u een zogenaamde
“vliegfase”, die via een toegewezen schakelaar als alternatief voor de tot hier beschreven “normale fase”
opgeroepen kan worden. Daarvoor roept u eerst het menu …
“basisinstelling” (bladzijde 73… 80)
pitch min achter
klokken 10: 01 G3
fase 2 hover 8
fase 3 acro ----
autorotat. 2
…op en wijst u aan de “fase 2” een schakelaar toe, b.v. SW 8 en eventueel een andere naam.
Hierbij moet u nog weten, dat de vliegfase “autorotatie” altijd absolute voorrang heeft op de andere fasen. Uit
iedere van de beide andere fasen ( de “normale fase” en de “fase 2”) komt u dus direct in de autorotatie-fase,
wanneer u de bijbehorende schakelaar omzet.
Aansluitend wisselt u weer naar het menu “helimix”, schakelt u naar de zojuist ingerichte “fase 2” en wijzigt u de
instellingen naar wens. Omdat de MX-16 HoTT een digitale trimming heeft worden in het heli-programma naast
deze vliegfase-afhankelijke menu-instellingen ook de trimposities van de stuurfuncties “rollen”, “nicken” en
“hekrotor” per vliegfase opgeslagen, zie bladzijde 103.
Is bv. de motorlooptijd begrensd door de tankinhoud of de accucapaciteit, dan laat u de stopwatch achteruit
lopen. Stel de maximaal mogelijke motorlooptijd in, bv. “5 min”. Zoals op bladzijde 76/77 beschreven begint dan
de geluidsgenerator van de zender vanaf “30 s” voor “nul” waarschuwingsgeluiden te maken. Als schakelaar wijst
u aan deze klok de stuurelement-schakelaar “G3” toe, door na activering van de schakelaar-toewijzing de
gaslimiter-knop vanuit de stationaire positie naar volgas te draaien:
stuurtoew 1
tuimelsch 3sv (2roll)
rotor- draair . rechts
pitch min achter
klokken 5:00 G3
In de basis-aanduiding drukt u eerst bij stilstaande stopwatch tegelijkertijd de toetsen ▲▼ of ◄► van de linker
touch-toets (CLEAR) in, zodat de stopwatch omschakelt naar de “Timer”-functie. De klok start dan automatisch,
wanneer u de knop van de gaslimiter in de richting volgas draait en stopt weer, wanneer u de gaslimiter
terugregelt naar stationair.
Uitbreiding: toerenregelaar
Ooit komt misschien de wens op, om een toerentalregelaar in het model in te bouwen, bv. mc-Heli-Control, om zo
met een automatisch constant gehouden toerental te kunnen vliegen. Het is zinvol om daarbij de verschillende
toerentallen te koppelen aan bepaalde vliegfasen, zodat er ook verdere aanpassingen mogelijk worden.
Voordat de zender geprogrammeerd wordt is het nodig om de regelaar volgens de voorschriften van de fabrikant
in te bouwen en in te stellen. Natuurlijk biedt de MX-16 HoTT hier weer meerdere mogelijkheden, om in de
individuele fasen verschillende toerentallen te realiseren. Een praktijkvoorbeeld inclusief de gaslimiter-functie
vindt u vanaf bladzijde 106.
Wanneer u uw heli volgens deze programmeervoorbeelden heeft ingesteld, is het weliswaar geen
wedstrijdhelikopters, maar er kan al heel behoorlijk mee gevlogen worden.
Verdere functies moet u pas dan activeren, wanneer het model probleemloos vliegt, zodat de (gewenste)
verbeteringen ook zichtbaar zijn. Activeer verdere functies het liefst één voor één, zodat u de veranderingen ook
echt kunt merken en kunt toewijzen. Denk eraan, dat niet de hoeveelheid toegepaste functies een goede piloot
uitmaakt, maar juist dat, wat hij met weinig functies op vlieggebied kan doen.
Aanhangsel
PRX (Power for Receiver)
Best.-Nr. 4136
Hoog ontwikkelde, gestabiliseerde ontvangerstroomvoorziening met intelligent Power-Management.
De eenheid zorgt voor een gestabiliseerde en instelbare stroomvoorziening van de ontvanger, om de betrouwbaarheid van de
stroomvoorziening nog verder te verhogen. Passend voor verschillende ontvangeraccu’s om een ongecompliceerd en breed
aanbod te garanderen. Mocht tijdens het gebruik de accuspanning ook maar kort inzakken, dan wordt dit opgeslagen en
weergegeven, om zo te voorkomen dat de accu’s een te kleine capaciteit hebben of zelfs helemaal uitvallen.
Voor het gebruik met één of twee ontvangeraccu’s. (simultane ontlading bij gebruik van twee accu’s)
Passend voor 5- of 6-cellige NiMH- resp. 2-cellige LiPo- of LiFe-accu. Graupner/JR-, G3,5-, G2- en BEC-stekkersystemen.
Drie instelbare hoogten voor de uitgangsspanning t.b.v. de ontvangerstroomvoorziening (5,1V / 5,5V / 5,9 V).
Twee ultraheldere LED’s geven elk apart de toestand van accu 1 en accu 2 aan.
Geïntegreerde, hoogwaardige aan-/uit-schakelaar
Bestand tegen hoge stromen
Platte opbouw van de schakelaar en de LED’s om de optiek en de eigenschappen van het model niet te beïnvloeden.
Bevestigingsflenzen, LED’s en schakelaar op één lijn voor een eenvoudige montage m.b.v. de bijgevoegde boorsjabloon.
GPS-/vario-module Graupner HoTT
Best.-Nr. 33600
Vario met hoogtesignalen en ieder 5 stijg- en daalsignaalgeluiden, met geïntegreerde GPS met afstandsmeting,
parcoursmeting, snelheidsweergave, aanduiding van de vliegrichting en van de coördinaten.
Extra waarschuwingsdrempels voor min. hoogte, max. hoogte, stijg- en daalsnelheid in twee trappen
Hoogteweergave en opslag van de min. en max. hoogte
Instelbare waarschuwingstijd; UIT, 5, 10, 15, 20, 25, 30 seconden, altijd
Instelbare waarschuwings-herhaaltijd: altijd, 1, 2, 3, 4, 5 min., eenmaal
De GPS/vario-sensor kan direct aan de telemetrie-ingang van de ontvanger worden aangesloten
Technische gegevens vario:
Hoogtemeting: -500 … +3000 m
Resolutie: 0,1 m
Gevoeligheid vario: 0,5 m/3s, 1 m/3s, 0,5 m/s, 1 m/s, 3 m/s per geluid te programmeren
Berekening gemiddelde waarde: 4 – 20 metingen per meetwaarde programmeerbaar
Vario-module Graupner HoTT
Best.-Nr. 33601
Vario met hoogtesignalen en ieder 5 stijg- en daalsignaalgeluiden, hoogteweergave en opslag van de min. en max. hoogte.
Extra waarschuwingsdrempels voor min. hoogte, max. hoogte, stijg- en daalsnelheid in twee trappen
Instelbare waarschuwingstijd; UIT, 5, 10, 15, 20, 25, 30 seconden, altijd
Instelbare waarschuwings-herhaaltijd: altijd, 1, 2, 3, 4, 5 min., eenmaal
De vario-sensor kan direct aan de telemetrie-ingang van de ontvanger worden aangesloten
Technische gegevens vario:
Hoogtemeting: -500 … +3000 m
Resolutie: 0,1 m
Gevoeligheid vario: 0,5 m/3s, 1 m/3s, 0,5 m/s, 1 m/s, 3 m/s per geluid te programmeren
Berekening gemiddelde waarde: 4 – 20 metingen per meetwaarde programmeerbaar
General Engine-module Graupner HoTT
Best.-Nr. 33610
Algemene sensor voor Graupner HoTT-ontvangers en modellen met verbrandings- of elektromotor:
2x temperatuur- en spanningsmetingen met waarschuwingsdrempels voor min. en max. spanning en min. en max.
temperatuur
Meting van celspanning individuele cellen en waarschuwing voor min. spanning
Spannings-, stroom- en capaciteitsmeting met waarschuwingsdrempels voor min. en max. spanning, max. capaciteit en
max. stroom
Stroombegrenzing programmeerbaar
Stroommeting met shuntweerstanden 2 x 1 mOhm parallel = 0,5 mOhm
Toerentalmeting en waarschuwingsdrempels voor min. en max. toerental
Brandstofmeting met waarschuwingsdrempels in stappen van 25% (na software-update)
Instelbare waarschuwingstijd; UIT, 5, 10, 15, 20, 25, 30 seconden, altijd
Instelbare waarschuwings-herhaaltijd: altijd, 1, 2, 3, 4, 5 min., eenmaal
2x temperatuur naar keuze 0 tot 120 ºC of 200 ºC en spanningsmeting tot 80 V DC
1x toerentalmeting tot 100 000 omw/min met tweebladspropeller
1x regelaar/servo-ingang , 1x ingang toerentalregeling, 1x regelaar/servo-uitgang voor toereNregeling
1x stroom-, spannings- en capaciteitsmeting tot 40 A (puls 1 s tot 60 A) en tot 30 V
1x bewaking individuele cellen voor 2 – 6S lithium-accu’s (LiPo, LiIo, LiFe)
Enz., zie www.graupner.de
bij het desbetreffende produkt.
General Air-module Graupner HoTT
Best.-Nr. 33611
Algemene sensor voor Graupner HoTT-ontvangers en modellen met verbrandings- of elektromotor:
Vario met hoogte-geluidssignalen en stijg-en daalsignalen en extra waarschuwingsdrempels voor min. hoogte, max.
hoogte, stijg- en daalsnelheid in twee trappen
Hoogteweergave (-500 … +3000 m) en opslag van de min. en max. hoogte
2x temperatuur- en spanningsmetingen met waarschuwingsdrempels voor min. en max. spanning en min. en max.
temperatuur
Meting van celspanning individuele cellen en waarschuwing voor min. spanning
Spannings-, stroom- en capaciteitsmeting met waarschuwingsdrempels voor min. en max. spanning, max. capaciteit en
max. stroom
Toerentalmeting met toereNregeling (programmeerbaar) en waarschuwingsdrempels voor min. en max. toerental
Brandstofmeting met waarschuwingsdrempels in stappen van 25%
Instelbare waarschuwingstijd; UIT, 5, 10, 15, 20, 25, 30 seconden, altijd
Instelbare waarschuwings-herhaaltijd: altijd, 1, 2, 3, 4, 5 min., eenmaal
2x temperatuur naar keuze 0 tot 120 ºC of 200 ºC en spanningsmeting tot 80 V DC
1x toerentalmeting tot 100 000 omw/min met tweebladspropeller
1x regelaar/servo-ingang , 1x ingang toerentalregeling, 1x regelaar/servo-uitgang voor toereNregeling
1x stroom-, spannings- en capaciteitsmeting tot 40 A (puls 1 s tot 60 A) en tot 30 V
Enz., zie www.graupner.de
bij het desbetreffende produkt.
Electric Air-module Graupner HoTT
Best.-Nr. 33620
Algemene sensor voor Graupner HoTT-ontvangers en modellen met elektromotor:
Vario met hoogte-geluidssignalen en stijg-en daalsignalen en extra waarschuwingsdrempels voor min. hoogte, max.
hoogte, stijg- en daalsnelheid in twee trappen
Hoogteweergave (-500 … +3000 m) en opslag van de min. en max. hoogte
2x temperatuur- en spanningsmetingen met waarschuwingsdrempels voor min. en max. spanning en min. en max.
temperatuur
Meting van celspanning individuele cellen 2 … 14S met waarschuwing voor min. spanning
Spannings-, stroom- en capaciteitsmeting met waarschuwingsdrempels voor min. en max. spanning, max. capaciteit en
max. stroom
Instelbare waarschuwingstijd; UIT, 5, 10, 15, 20, 25, 30 seconden, altijd
Instelbare waarschuwings-herhaaltijd: altijd, 1, 2, 3, 4, 5 min., eenmaal
2x temperatuur naar keuze 0 tot 120 ºC of 200 ºC en spanningsmeting tot 80 V DC
1x regelaar/servo-ingang , 1x ingang toerentalregeling, 1x regelaar/servo-uitgang voor toereNregeling
1x stroom-, spannings- en capaciteitsmeting tot 150 A (korte tijd1 s tot 320 A) en tot 60 V
1x bewaking individuele celspanning voor 2 – 14S lithium-accu’s (LiPo, LiIo, LiFe)
1 x telemetrie-aansluiting voor ontvanger
RPM-magneet-sensor Graupner HoTT
Best.-Nr. 33616
Voor het aansluiten aan de General-Engine- (Best.-Nr. 33610), General-Air- (Best.-Nr. 33611) of Electric-Air-module (Best.-Nr.
33620). Het desbetreffende aantal propellerbladen moet in het telemetrie-menu van de module worden ingesteld.
RPM-optische-sensor Graupner HoTT
Best.-Nr. 33615
Voor het aansluiten aan de General-Engine- (Best.-Nr. 33610), General-Air- (Best.-Nr. 33611) of Electric-Air-module (Best.-Nr.
33620). Het desbetreffende aantal propellerbladen moet in het telemetrie-menu van de module worden ingesteld.
Graupner HoTT Smart-Box
Best.-Nr. 33700
De meest uiteenlopende functies in één apparaat maken de SMART-BOX tot uw toekomstige slimme begeleider. Of er nu in
realtime telemetriedata weergegeven of instellingen aan uw HoTT-systeem geprogrammeerd moeten worden, al deze dingen
zijn op een eenvoudige manier mogelijk via het 8 x 21 tekens grote display. Een geïntegreerde zoemer voor het afgeven van
hoorbare signaal- en waarschuwingsgeluiden breidt de flexibele mogelijkheden van de BOX nog verder uit.
Via de bijgevoegde montageset kan het apparaat aan de draagbeugels van de handzender worden bevestigd en heeft daardoor
een optimale positie om ook tijdens het sturen van uw model in realtime telemetriedata te kunnen aflezen.
De mogelijkheid tot een update door de gebruiker zorgt ervoor dat de SMART-BOX altijd op de nieuwste stand is en garandeert
ook in de toekomst nieuwe functies.
Aanduiding zenderspanning met instelbare waarschuwingsdrempel
Reikwijdtetest
Ontvangertemperatuur
Servo-omkeer
Servo-weg
Omwisseling kanalen
Instellingen mixers
Instellingen landen
Signaalkwaliteit
Ontvangerspanning
Neutraalpositie servo’s
Cyclustijd
Fail-Safe-instellingen
Servotest
Afmetingen: ca. 76 x 72 x 17 mm (L x B x H)
Gewicht: ca. 55 g
Graupner HoTT USB-aansluiting
Best.-Nr. 7168.6
Deze USB-poort is samen met de apart leverbare adapterkabel Best.-Nr. 7168.6A nodig voor het updaten van ontvangers en
sensoren. Met de bij de USB-aansluiting meegeleverde USB-kabel kan de zender MX-16 HoTT direct geupdated worden.
Graupner HoTT adapterkabel
Best.-Nr. 7168.6A
Deze adapterkabel is samen met de apart leverbare USB-aansluiting Best.-Nr. 7168.6 nodig voor het updaten van ontvangers
en sensoren. Met de bij de USB-aansluiting meegeleverde USB-kabel kan de zender MX-16 HoTT direct geupdated worden.
conformiteitsverklaring
garantie-certificaat
service-adressen
Wij geven op dit product een garantie van 24 maanden
De Fa. Graupner GmbH &Co. KG, HeNriettenstraße 94-96, 73230 Kircheim / Teck verleent vanaf de datum van
aankoop 24 maanden garantie op dit product. De garantie geldt alleen voor de al bij aankoop van het product
aanwezige materiaal- of functiegebreken. Schade die door slijtage, overbelasting, foutieve toebehoren of
onvakkundige behandeling toegebracht is, is van garantie uitgesloten. De wettelijke rechten en aanspraken op
garantie door de consument worden door deze garantie niet geschaad. Controleert u het product vóór een
reclamatie of terugzending nauwkeurig op gebreken, omdat wij u een onkostenvergoeding berekenen, wanneer
het product geen mankementen blijkt te vertonen.
garantiecertificaat
MX-16HoTT set
Best.-Nr. 33116
datum van aankoop
naam van de koper
straat, woonplaats
firmastempel en handtekening van de verkoper
Wijzigingen en levermogelijkheden voorbehouden. Levering uitsluitend via de vakhandel. Een lijst met handelaren is bij ons
verkrijgbaar. Voor drukfouten kunnen we geen verantwoordelijkheid nemen.
Hoewel de informatie in deze handleiding zorgvuldig gecontroleerd is, kan voor fouten, onvolledigheden en drukfouten geen
verantwoordelijkheid genomen worden. GRAUPNER behoudt zich het recht voor, de beschreven soft- en hardware-
eigenschappen op ieder moment onaangekondigd te wijzigen.
174

Hulp nodig? Stel uw vraag in het forum

Spelregels
1

Forum

Graupner-MX-16-HoTT

Misbruik melden

Gebruikershandleiding.com neemt misbruik van zijn services uitermate serieus. U kunt hieronder aangeven waarom deze vraag ongepast is. Wij controleren de vraag en zonodig wordt deze verwijderd.

Product:

Bijvoorbeeld antisemitische inhoud, racistische inhoud, of materiaal dat gewelddadige fysieke handelingen tot gevolg kan hebben.

Bijvoorbeeld een creditcardnummer, een persoonlijk identificatienummer, of een geheim adres. E-mailadressen en volledige namen worden niet als privégegevens beschouwd.

Spelregels forum

Om tot zinvolle vragen te komen hanteren wij de volgende spelregels:

Belangrijk! Als er een antwoord wordt gegeven op uw vraag, dan is het voor de gever van het antwoord nuttig om te weten als u er wel (of niet) mee geholpen bent! Wij vragen u dus ook te reageren op een antwoord.

Belangrijk! Antwoorden worden ook per e-mail naar abonnees gestuurd. Laat uw emailadres achter op deze site, zodat u op de hoogte blijft. U krijgt dan ook andere vragen en antwoorden te zien.

Abonneren

Abonneer u voor het ontvangen van emails voor uw Graupner MX-16 HoTT bij:


U ontvangt een email met instructies om u voor één of beide opties in te schrijven.


Ontvang uw handleiding per email

Vul uw emailadres in en ontvang de handleiding van Graupner MX-16 HoTT in de taal/talen: Nederlands als bijlage per email.

De handleiding is 0,9 mb groot.

 

U ontvangt de handleiding per email binnen enkele minuten. Als u geen email heeft ontvangen, dan heeft u waarschijnlijk een verkeerd emailadres ingevuld of is uw mailbox te vol. Daarnaast kan het zijn dat uw internetprovider een maximum heeft aan de grootte per email. Omdat hier een handleiding wordt meegestuurd, kan het voorkomen dat de email groter is dan toegestaan bij uw provider.

Stel vragen via chat aan uw handleiding

Stel uw vraag over deze PDF

Andere handleiding(en) van Graupner MX-16 HoTT

Graupner MX-16 HoTT Gebruiksaanwijzing - English - 200 pagina's


Uw handleiding is per email verstuurd. Controleer uw email

Als u niet binnen een kwartier uw email met handleiding ontvangen heeft, kan het zijn dat u een verkeerd emailadres heeft ingevuld of dat uw emailprovider een maximum grootte per email heeft ingesteld die kleiner is dan de grootte van de handleiding.

Er is een email naar u verstuurd om uw inschrijving definitief te maken.

Controleer uw email en volg de aanwijzingen op om uw inschrijving definitief te maken

U heeft geen emailadres opgegeven

Als u de handleiding per email wilt ontvangen, vul dan een geldig emailadres in.

Uw vraag is op deze pagina toegevoegd

Wilt u een email ontvangen bij een antwoord en/of nieuwe vragen? Vul dan hier uw emailadres in.



Info