637827
14
Verklein
Vergroot
Pagina terug
1/244
Pagina verder
De gegevens in deze publicatie zijn uitsluitend indicatief bedoeld.
Fiat Chrysler Automobiles behoudt zich het recht voor op elk moment de in deze publicatie beschreven modellen om technische
of commerciële redenen te wijzigen. Wendt u voor nadere informatie tot het Fiat Servicenetwerk.
Gedrukt op milieuvriendelijk chloorvrij papier.
NEDERLANDS
GEBRUIK EN ONDERHOUD
FIAT500L
COP 500L LUM NL_COP 500X LUM NL 18/11/14 10:05 Pagina 1
Wij, die uw auto hebben bedacht, ontworpen en gebouwd, kennen daarvan werkelijk elk detail en onderdeel.
In de erkende Fiat Service garages vindt u technici die rechtstreeks door ons zijn opgeleid die kwaliteit
en professionaliteit bieden voor alle onderhoudswerkzaamheden.
De Fiat garages staan altijd tot uw beschikking voor het periodieke onderhoud, de seizoenscontroles
en voor praktische adviezen van onze deskundigen.
Met de Originele Vervangingsonderdelen gedistribueerd door MOPAR
®
, worden de kenmerken
van betrouwbaarheid, comfort en prestaties, waarvoor u uw nieuwe voertuig gekozen heeft,
in de loop van de tijd in stand gehouden.
Vraag altijd om Originele Onderdelen van de componenten die wij gebruiken om onze auto’s te bouwen en
die wij u aanbevelen omdat die het resultaat zijn van ons engagement bij de research en de ontwikkeling
van steeds innovatievere technologieën.
Vertrouw om al deze redenen op Origenele Onderdelen:
de enige die speciaal door FCA voor uw auto ontworpen zijn.
VEILIGHEID:
REMSYSTEEM
ECOLOGIE: ROETFILTERS,
ONDERHOUD AIRCONDITIONING
COMFORT: WIELOPHANGING
EN RUITENWISSERS
PERFORMANCE: BOUGIES,
INSPUITVENTIELEN EN ACCU'S
LINEACCESSORI:
STANGEN IMPERIAAL, VELGEN
WAAROM KIEZEN VOOR
ORIGINELE ONDERDELEN
Dit Instructieboek is bedoeld om de bedrijfsomstandigheden van het voertuig te verduidelijken.
Voor de enthousiaste gebruiker die de inzichten, curiositeiten en gedetailleerde informatie over de eigenschappen en functies van het
voertuig wil weten, biedt Fiat de gelegenheid om een speciaal gedeelte te raadplegen dat beschikbaar is in elektronisch formaat.
ONLINE INSTRUCTIEBOEK
Het volgende symbool is weergegeven in de tekst van het Instructieboek, naast de onderwerpen waarvoor updates worden verschaft.
Ga naar de website www.mopar.eu/owner
en open uw persoonlijke zone.
Op de pagina “Onderhoud en zorg” vindt u alle informatie over uw voertuig en de link om toegang te krijgen tot eLUM, waar u alle details van het
Instructieboek zult kunnen vinden.
De eLUM website is gratis en zal u in de gelegenheid stellen, naast heel veel andere dingen, gemakkelijk de boorddocumenten te raadplegen van alle
andere voertuigen van de Group.
Veel leesplezier en goede reis!
COP 500L LUM NL_COP 500X LUM NL 18/11/14 10:05 Pagina 2
Beste klant,
Wij feliciteren u en bedanken u dat u voor een Fiat 500L hebt gekozen.
Wij hebben dit boekje opgesteld om u te helpen alle kenmerken van dit voertuig te leren kennen en het op de beste manier te
gebruiken.
Dit boekje bevat informatie, adviezen en belangrijke waarschuwingen voor een juist gebruik van het voertuig, zodat u het maximum uit
de technologische eigenschappen van uw Fiat 500L kunt halen.
Wij adviseren het eerst helemaal door te lezen voordat u voor de eerste keer de weg op gaat, om bekend te raken met de
bedieningselementen en met name de elementen die betrekking hebben op de remmen, stuurinrichting en versnellingsbak;
tegelijkertijd kunt u het gedrag van het voertuig op verschillende soorten wegdek begrijpen.
In dit document vindt u tevens een beschrijving van de speciale kenmerken en tips, evenals belangrijke informatie over veilig rijden,
onderhoud van en zorg voor uw Fiat 500L.
Geadviseerd wordt het instructieboek, nadat u het gelezen hebt, in het voertuig te bewaren, zodat u het in de toekomst gemakkelijk
kunt raadplegen en om ervoor te zorgen dat het aan boord van het voertuig blijft indien het verkocht mocht worden.
In het bijgevoegde Garantieboekje vindt u ook een beschrijving van de Diensten die Fiat haar klanten biedt, het Garantiecertificaat en
de details van de voorwaarden om de geldigheid ervan te behouden.
Wij zijn ervan overtuigd dat u met behulp van deze middelen spoedig vertrouwd zult raken met uw nieuwe voertuig en de service van
de mensen bij Fiat zult waarderen.
Veel leesplezier gewenst .. en goede reis!
BELANGRIJK
In dit instructieboek zijn alle versies van de Fiat 500L beschreven; neem alstublieft uitsluitend de informatie in
beschouwing die betrekking heeft op het uitrustingsniveau, de motor en de versie van uw voertuig. De gegevens in deze
publicatie zijn slechts indicatief. FCA Italy S.p.A. kan op elk moment de in deze publicatie beschreven
specificaties van het automodel om technische of commerciële redenen wijzigen. Neem voor meer informatie contact op
met het Fiat Servicenetwerk.
AANDACHTIG LEZEN
TANKEN
Benzinemotoren: tank uitsluitend loodvrije benzine met een minimum octaangetal van 95 RON die aan de Europese specificatie EN228
voldoet. Gebruik geen benzine die methanol of ethanol E85 bevat. Het gebruik van dergelijke mengsels kan leiden tot problemen met de
ontsteking en het rijden, evenals tot beschadiging van fundamentele componenten van het brandstoftoevoersysteem.
Dieselmotoren: tank uitsluitend dieselolie voor motorvoertuigen die aan de Europese norm EN590 voldoet. Het gebruik van andere
producten of mengsels kan de motor onherstelbaar beschadigen en derhalve de garantie voor de veroorzaakte schade ongeldig maken.
Zie voor nadere details over het gebruik van de correcte brandstof de paragraaf "Tanken" in het hoofdstuk "Starten en rijden".
MOTOR STARTEN
Controleer of de handrem is aangetrokken en zet de versnellingspook in de vrijstand. Trap het koppelingspedaal volledig in, zonder het
gaspedaal te bedienen; draai de contactsleutel naar de stand MAR en wacht tot het lampje
(en controlelampje voor dieselversies)
uitgaat; draai de contactsleutel naar de stand MAR en laat hem los zodra de motor start.
Versies met Dualogic versnellingsbak: controleer of de handrem is aangetrokken en of de versnellingspook in P (Parkeren) of N (Vrijstand)
staat, trap het rempedaal volledig in, draai vervolgens de contactsleutel naar AVV.
PARKEREN BOVEN BRANDBAAR MATERIAAL
De katalysator ontwikkelt tijdens zijn werking zeer hoge temperaturen. Parkeer het voertuig dus niet boven gras, dennennaalden of ander
ontvlambaar materiaal: brandgevaar.
MILIEUBESCHERMING
Het voertuig is uitgerust met een diagnosesysteem dat continu controles uitvoert op de componenten die verband houden met de
uitlaatgasemissie, om het milieu beter te beschermen.
ELEKTRISCHE ACCESSOIRES
Als na aanschaf van het voertuig besloten mocht worden om elektrische accessoires toe te voegen (met het risico dat de accu langzaam
ontlaadt), neem dan contact op met het Fiat Servicenetwerk. Zij kunnen het totale stroomverbruik berekenen en controleren of de elektrische
installatie van het voertuig geschikt is voor het extra stroomverbruik.
GEPROGRAMMEERD ONDERHOUD
Een correct onderhoud van het voertuig is van essentieel belang om de prestaties en de veiligheid, de milieuvriendelijkheid en lage
bedrijfskosten van het voertuig gedurende langere tijd te garanderen.
GEBRUIK VAN HET INSTRUCTIEBOEK
BEDIENINGSAANWIJZINGEN
Elke keer als er aanwijzingen over de richting van het voertuig worden gegeven (links/rechts of vooruit/achteruit), dan moeten
deze begrepen worden als gezien door een inzittende op de bestuurdersstoel. Speciale uitzonderingsgevallen op deze regel
zullen duidelijk in de tekst zijn aangegeven.
De afbeeldingen in het Instructieboek zijn alleen bedoeld als voorbeeld: dit betekent dat sommige details van de afbeelding niet
overeen kunnen komen met de daadwerkelijke uitrusting van uw voertuig. Bovendien is het Instructieboek geschreven
uitgaande van voertuigen met het stuurwiel aan de linkerkant; het is dus mogelijk dat bij voertuigen met het stuur rechts, de
plaats of constructie van bepaalde bedieningselementen niet de exacte afspiegeling is ten opzichte van de afbeelding.
Om het hoofdstuk te vinden met de informatie die u nodig hebt, kunt u de inhoudsopgave achterin dit Instructieboek
raadplegen.
Hoofdstukken kunnen gemakkelijk gevonden worden dankzij de speciale grafische tabbladen, aan de zijkant van elke oneven
pagina. Enkele pagina's verderop vindt u een verklaring om de volgorde van de hoofdstukken en de bijbehorende symbolen op
de tabbladen te leren kennen. Er is in ieder geval een tekstuele aanwijzing van het betreffende hoofdstuk aan de zijkant van
elke even pagina.
WAARSCHUWINGEN EN VOORZORGSMAATREGELEN
Tijdens het lezen van dit Instructieboek zult u een reeks WAARSCHUWINGEN aantreffen om handelswijzen te voorkomen die
tot schade aan uw voertuig zouden kunnen leiden.
Er zijn ook VOORZORGSMAATREGELEN die zorgvuldig moeten worden opgevolgd om onjuist gebruik van de onderdelen
van het voertuig te voorkomen, die tot ongevallen of letsel zouden kunnen leiden.
Daarom moeten alle WAARSCHUWINGEN en VOORZORGSMAATREGELEN altijd zorgvuldig in acht genomen worden.
WAARSCHUWINGEN en VOORZORGSMAATREGELEN worden in de tekst aangegeven met de volgende symbolen:
veiligheid van de inzittenden;
veiligheid van het voertuig;
milieubescherming.
OPMERKING Deze symbolen zijn, indien nodig, naast de titel of aan het einde van elke regel weergegeven en worden gevolgd
door een getal. Dat getal heeft betrekking op de overeenkomstige waarschuwing aan het einde van het betreffende hoofdstuk.
SYMBOLEN
Sommige onderdelen van het voertuig zijn voorzien van gekleurde plaatjes met daarop symbolen die de voorzorgsmaatregelen
aangeven die in acht genomen moeten worden wanneer het betreffende onderdeel wordt gebruikt.
Een plaatje waarop deze symbolen zijn samengevat bevindt zich onder de motorkap.
VERANDERINGEN/WIJZIGINGEN AAN HET VOERTUIG
BELANGRIJK Elke verandering of wijziging aan het voertuig kan ernstige negatieve invloed hebben op de veiligheid en de
wegligging ervan, hetgeen kan leiden tot ongevallen waarbij de inzittenden zelfs dodelijk gewond kunnen raken.
WEGWIJS IN UW AUTO
Grondige kennis van uw nieuwe
voertuig begint hier.
In dit boekje is op eenvoudige en
rechtstreekse wijze beschreven hoe uw
voertuig gemaakt is en hoe het werkt.
Daarom adviseren wij u het comfortabel
zittend in uw voertuig te lezen, dan
kunt u met eigen ogen onmiddellijk zien
wat hier beschreven is.
DASHBOARD ................................. 7
FIAT CODE SYSTEEM..................... 8
DE SLEUTELS ................................ 8
CONTACTSLOT .............................. 10
STOELEN........................................ 11
HOOFDSTEUNEN........................... 14
STUURWIEL ................................... 15
ACHTERUITKIJKSPIEGELS ............ 15
KLIMAATREGELING........................ 17
BUITENVERLICHTING .................... 21
RUITEN REINIGEN.......................... 24
PLAFONDVERLICHTING................. 25
DAK MET VAST GLASPANEEL ....... 26
ELEKTRISCH SCHUIFDAK.............. 27
PORTIEREN.................................... 28
ELEKTRISCHE RUITBEDIENING..... 30
BAGAGERUIMTE ............................ 32
MOTORKAP.................................... 34
ELEKTRISCHE
STUURBEKRACHTIGING
"DUALDRIVE" ................................. 35
VERSIE MET LPG-SYSTEEM .......... 36
VERSIE MET AARDGASSYSTEEM
(NATURAL POWER) ........................ 39
6
WEGWIJS IN UW AUTO
DASHBOARD
De aanwezigheid en de opstelling van de bedieningselementen, de instrumenten en de meters kunnen variëren afhankelijk van
de versies.
1. Verstelbare luchtroosters 2. Radiobedieningstoetsen op het stuurwiel (voor bepaalde versies/markten) 3. Bedieningshendel buitenverlichting
4. Instrumentenpaneel 5. Bedieningshendel ruitenwissers voor/achter en tripcomputer 6. Verstelbare en richtbare luchtroosters in het midden
7. Vast luchtrooster aan bovenkant 8. Frontairbag passagierszijde 9. Bovenste dashboardkastje (voor bepaalde versies/markten, indien aanwezig
kan het kastje gekoeld zijn) 10. Dashboardkastje 11. Onderste dashboardkastje 12. Bedieningsknoppen 13. Verwarmings-/ventilatiesysteem of
handbediende klimaatregeling (voor bepaalde versies/markten) of automatische dual zone klimaatregeling (voor bepaalde versies/markten)
14. USB-poort/AUX-aansluiting (voor bepaalde uitvoeringen/markten) 15. Uconnect (voor bepaalde versies/markten) of inbouwvoorbereiding
radio 16. Contactslot 17. Frontairbag bestuurderszijde 18. Hendel Cruise control/Speed Limiter (voor bepaalde versies/markten)
1
F0Y0042C
7
FIAT CODE SYSTEEM
Dit is een elektronische startblokkering
die de beveiliging tegen
diefstalpogingen verbetert. Deze
schakelt automatisch in wanneer de
contactsleutel wordt verwijderd.
In elke sleutel zit een elektronisch
apparaatje dat het uitgezonden signaal,
afkomstig van een antenne die in het
contactslot is ingebouwd, kan
identificeren wanneer de motor gestart
wordt. Dit signaal is het "wachtwoord"
(dat elke keer dat de auto wordt gestart
wijzigt) waarmee de regeleenheid de
sleutel herkent en het starten van
de motor vrijgeeft.
WERKING
Elke keer dat de motor wordt gestart
door de sleutel naar de stand MAR
te draaien, stuurt de regeleenheid van
het Fiat CODE systeem een
herkenningscode naar de
motorregeleenheid (PCM) om de
startblokkering uit te schakelen.
Deze code wordt alleen verzonden als
de regeleenheid van het Fiat CODE
systeem de door de sleutel verstuurde
code herkent.
Elke keer dat de contactsleutel naar de
stand STOP wordt gedraaid, schakelt
het Fiat CODE-systeem de functies van
de motorregeleenheid uit. Als de code
tijdens het starten niet correct wordt
herkend, gaat het
waarschuwingslampje op het
instrumentenpaneel branden. Draai in
dit geval de sleutel naar STOP en
vervolgens naar MAR; als de motor
geblokkeerd blijft, probeer dan
nogmaals met een van de andere
geleverde sleutels. Neem contact op
met het Fiat Servicenetwerk als de
motor nog steeds niet gestart kan
worden.
Inschakeling van
waarschuwingslampje tijdens het
rijden
Als het waarschuwingslampje gaat
branden, betekent dit dat het systeem
een zelfdiagnose uitvoert (bijv. bij een
spanningsval). Neem, als het probleem
aanhoudt, contact op met het Fiat
Servicenetwerk.
DE SLEUTELS
1) 1) 1)
SLEUTEL ZONDER
AFSTANDSBEDIENING
De metalen baard A fig. 2 van de sleutel
bedient het contactslot en het
portierslot.
Ga om duplicaatsleutels te vragen naar
het Fiat Servicenetwerk en neem een
identiteitsbewijs en de
eigendomsdocumenten van uw auto
mee.
2
F0Y0117C
8
WEGWIJS IN UW AUTO
SLEUTEL MET
AFSTANDSBEDIENING
(voor bepaalde versies/markten)
De metalen baard A fig. 3 van de sleutel
bedient het contactslot en het
portierslot. Druk op knop B om de
metalen baard in/uit te klappen.
Druk kort op knop
: ontgrendeling
van de portieren en bagageruimte,
tijdgestuurde inschakeling
binnenverlichting en dubbel knipperen
van de richtingaanwijzers (voor
bepaalde versies/markten). De portieren
worden automatisch ontgrendeld
wanneer de afsluiter van de
brandstoftoevoer ingrijpt. Als een van
de portieren of de achterklep niet goed
gesloten is wanneer de portieren
vergrendeld worden, knippert de led op
de knop
snel samen met de
richtingaanwijzers.
Druk kort op knop
: vergrendeling
van de portieren en de bagageruimte
met plafondverlichting uit en een maal
knipperen van de richtingaanwijzers
(voor bepaalde versies/markten). Als
een of meer portieren open zijn, worden
de portieren niet vergrendeld. Dit wordt
aangegeven door het snel knipperen
van de richtingaanwijzers (voor
bepaalde versies/markten). De portieren
worden echter wel vergrendeld als de
achterklep open is.
Druk kort op knop
: openen op
afstand van de bagageruimte. De
richtingaanwijzers knipperen twee maal
om aan te geven dat de bagageruimte
geopend is.
EXTRA
AFSTANDSBEDIENINGEN
AANVRAGEN
Het systeem kan maximaal 8 sleutels
met ingebouwde afstandsbediening
herkennen. Als een nieuwe
afstandsbediening nodig is, ga dan
naar het Fiat Servicenetwerk en neem
een identiteitsbewijs en de
eigendomsdocumenten van de auto
mee.
SAFE LOCK SYSTEEM
(voor bepaalde versies/markten)
2)
Hiermee wordt voorkomen dat de
portieren vanuit het interieur geopend
kunnen worden, bijvoorbeeld bij een
inbraakpoging (ingeslagen ruit). Wij
adviseren u om deze voorziening in te
schakelen elke keer als de auto
geparkeerd wordt.
Inschakeling systeem: druk twee
maal op de knop
van de sleutel. De
richtingsaanwijzers knipperen 3 keer en
de led boven de interne toets knippert
om aan te geven dat het systeem
geactiveerd is
fig. 4. Het systeem
wordt niet ingeschakeld als een of meer
portieren/deuren niet goed zijn
gesloten.
Uitschakeling systeem: druk op knop
op de sleutel of draai de
contactsleutel naar de stand MAR.
3
F0Y0019C
4
F0Y0039C
9
BELANGRIJK
1) Druk knop B fig. 3 alleen in wanneer de
sleutel ver genoeg van het lichaam (vooral
de ogen) en van voorwerpen die snel
beschadigen (bijvoorbeeld kleding)
is verwijderd. Laat de sleutel niet
onbeheerd achter, om te voorkomen dat
mensen, met name kinderen, per ongeluk
op de knop drukken.
2) Als het safe lock systeem is
ingeschakeld, dan is het niet meer mogelijk
om de portieren vanuit het interieur te
openen. Controleer daarom, voordat de
auto wordt verlaten, of er niemand meer
aan boord is.
BELANGRIJK
1) De elektronische onderdelen in de
sleutels kunnen beschadigen als de sleutel
aan sterke schokken wordt blootgesteld.
Om een correcte werking van de
inwendige elektronische componenten te
garanderen, mag de sleutel nooit aan
direct zonlicht blootgesteld worden.
BELANGRIJK
1) Lege batterijen moeten overeenkomstig
de wet in speciale bakken gedeponeerd
worden. Ze kunnen ook ingeleverd worden
bij het Fiat Servicenetwerk dat voor hun
verwerking zal zorgen.
CONTACTSLOT
3) 4) 5) 6)
De sleutel kan naar 3 standen worden
gedraaid fig. 5:
STOP: motor uit, sleutel kan
verwijderd worden en stuur
geblokkeerd. Sommige elektrische
apparaten (bijv. autoradio, elektrische
ruitbediening enz.) kunnen werken;
MAR: rijstand. Alle elektrische
apparaten/systemen kunnen werken;
AVV: motor starten.
Het contactslot is voorzien van een
beveiliging: als de motor bij de eerste
poging niet aanslaat, moet de sleutel
teruggedraaid worden naar de stand
STOP om opnieuw te kunnen starten.
STUURSLOT
Inschakeling: draai de sleutel naar de
stand STOP, verwijder de sleutel en
verdraai het stuurwiel tot het
vergrendelt.
Uitschakeling: draai het stuur iets
heen en weer terwijl de contactsleutel
naar de stand MAR wordt gedraaid.
BELANGRIJK
3) Als er geknoeid is aan het contactslot
(bijv. een poging tot diefstal), laat het
dan zo snel mogelijk door het Fiat
Servicenetwerk controleren voordat u weer
gaat rijden.
4) Verwijder altijd de sleutel uit het
contactslot als het voertuig wordt verlaten,
om onbedoeld gebruik van de
bedieningselementen door eventuele
inzittenden te voorkomen. Vergeet niet de
handrem aan te trekken. Schakel de eerste
versnelling in als de auto op een helling
omhoog staat geparkeerd en de
achteruitversnelling bij een helling omlaag.
Laat kinderen nooit zonder toezicht in de
auto achter.
5) Het is ten strengste verboden om
aftermarket-werkzaamheden uit te voeren
waarbij wijzigingen aan de stuurinrichting of
de stuurkolom betrokken zijn (bijv.:
installatie van een alarmsysteem). Zulke
werkzaamheden kunnen de prestaties van
het systeem, de garantie en de veiligheid
in gevaar brengen waardoor het voertuig
niet meer aan de typegoedkeuring voldoet.
5
F0Y0044C
10
WEGWIJS IN UW AUTO
6) Verwijder de sleutel nooit terwijl de auto
rijdt. Het stuurwiel zal automatisch
vergrendeld worden zodra eraan gedraaid
wordt. Dit geldt ook voor voertuigen die
gesleept worden.
STOELEN
7) 9) 2) 3)
VOORSTOELEN
Lengteafstelling: trek hendel A
omhoog fig. 6, houd hem in het midden
en schuif de stoel naar voren of naar
achteren: in de rijstand moeten de
armen op de rand van het stuurwiel
rusten.
8)
Hoogteverstelling: trek hendel B fig. 7
omhoog of omlaag en stel de
gewenste hoogte in.
Rugleuningverstelling: bedien hendel
C fig. 8 om de hoek van de rugleuning
af te stellen, help daarbij met de
beweging van de romp (bedien de
hendel tot de gewenste stand is bereikt
en laat hem daarna los).
6
F0Y0384C
7
F0Y0216C
8
F0Y0217C
11
Elektrische stoelverwarming (voor
bepaalde versies/markten): druk, met
de contactsleutel in de stand MAR,
op de knop A fig. 9 om de functie in/uit
te schakelen. Wanneer de functie
ingeschakeld wordt, gaat de led op de
knop branden.
Tafel
(voor bepaalde versies/markten)
10)
Bij sommige versies is er, achter de
leuning van de voorstoel, een
opklapbaar tafeltje met een beker-/
blikjehouder aanwezig. Op de
achterkant van de rugleuningen is ook
een opbergnet aanwezig.
BELANGRIJK Plaats geen voorwerpen
zwaarder dan 3 kg op het tafeltje: om
veiligheidsredenen komt dit los uit
zijn zitting als zwaardere voorwerpen
erop gelegd worden.
ACHTERBANK
Lengteverstelling: trek de hendel A
fig. 10 in het midden omhoog en schuif
de stoel naar voren of naar achteren.
Verstelling hoekstand leuning:
trek de hendel B fig. 11 omhoog en
begeleid dit met de beweging van de
romp.
ACHTERSTOELEN DERDE
RIJ
(500L LIVING versies)
11) 12)
Bij bepaalde versies zijn er twee
inklapbare stoelen achter de
achterstoelen aanwezig (zie fig. 12). De
stoelen kunnen ingeklapt worden om
een grotere inhoud van de
bagageruimte te verkrijgen.
Toegang tot de derde rij
achterstoelen
Ga als volgt te werk:
zet de hoofdsteunen van de tweede
rij stoelen volledig omlaag; plaats de
veiligheidsgordels opzij en controleer of
ze goed uitgetrokken en niet verdraaid
zijn.
verplaats met behulp van hendel A
fig. 10 de tweede rij stoelen naar voren;
9
F0Y0215C
10
F0Y0074C
11
F0Y0259C
12
F0Y0375C
12
WEGWIJS IN UW AUTO
Elektrisch verstelbare lendensteun
(voor bepaalde versies/markten): druk,
met de contactsleutel in de stand MAR,
op de knop A fig. 9 om de lendensteun
te verstellen. Laat de knop los zodra
de gewenste stand bereikt is.
til de ontgrendelhendel B fig. 13 op
om de tweede rij stoelen neer te
klappen: de rugleuning en de zitting
worden automatisch naar voren
geklapt. Begeleid, indien nodig, de
rugleuning tijdens het eerste deel van
het inklappen.
Terugplaatsen van de achterstoelen
van de tweede rij
13) 14)
Om de achterbank weer terug te
plaatsen: duw de achterbank naar
achteren en zet hem vast (wanneer hij
in zijn plaats vastklikt, betekent dit
dat hij correct geplaatst is).
Terugplaatsen van de leuning: til de
hendel B fig. 13 op en til de rugleuning
naar de verticale stand op waarin hij
vergrendeld wordt.
BELANGRIJK Het wordt aanbevolen
deze procedures uit te voeren door van
buiten het voertuig te werk te gaan.
Leuning van achterstoelen derde rij
verstellen
15) 4)
Ga als volgt te werk:
plaats de hoofdsteunen van de derde
rij stoelen volledig omlaag; plaats de
veiligheidsgordels opzij en controleer of
ze goed uitgetrokken en niet verdraaid
zijn.
trek voorziening A fig. 14 naar boven
om de linker of rechter rugleuning in
te klappen. De rugleuning wordt
automatisch naar voren geklapt.
Begeleid, indien nodig, de rugleuning
tijdens het eerste deel van het
inklappen.
BELANGRIJK
7) Elke verstelling moet uitgevoerd worden
bij stilstaand voertuig.
8) Controleer na het loslaten van de hendel
of de stoel goed vergrendeld is door hem
naar voren en naar achteren te schuiven.
Als de stoel niet goed op zijn plaats is
vergrendeld, kan hij onverwacht gaan
schuiven, waardoor de bestuurder
de controle over het voertuig kan verliezen.
9) Verplaats de voorste passagiersstoel
met tafeltje niet als er een kind op zit of als
het kind in een geschikt kinderzitje zit.
10) Reis niet met opengeklapt tafeltje:
controleer altijd of het goed gesloten is.
11) Controleer vóór het wegrijden of de
stoelen goed vergrendeld zijn aan hun
vergrendelmechanismen.
12) Ga, tijdens het terugzetten van de
tweede rij achterstoelen, goed op de
achterstoelen van de derde rij zitten en
controleer of uw voeten niet buiten de rode
strip op de vloer uitsteken.
13) Als er passagiers op de achterstoelen
op de derde rij zitten, moet de stoel op
de tweede rij correct aan de vloer
verankerd zijn en de rugleuning in verticale
stand staan.
14) Zorg ervoor dat de rugleuning aan
beide zijden goed is vastgezet om te
voorkomen dat hij naar voren klapt in geval
van hard remmen, waardoor inzittenden
gewond zouden kunnen raken. Bij correcte
vergrendeling is een metalen klik is
hoorbaar.
13
F0Y0073C
14
F0Y0381C
13
15) Verplaats de voorste passagiersstoel
met tafeltje niet als er een kind op zit of als
het kind in een geschikt kinderzitje zit.
BELANGRIJK
2) De bekleding van de stoelen is
ontworpen om bestand te zijn tegen
slijtage bij normaal gebruik van het
voertuig. Desalniettemin zijn enkele
voorzorgsmaatregelen nodig. Vermijd
langdurig en/of overmatig schuren tegen
kledingaccessoires zoals metalen gespen,
knopen, klittenband en dergelijke, die,
als ze veel druk uitoefenen in een klein
gebied van de bekleding, de bekleding
kunnen beschadigen.
3) Voordat het tafeltje van de voorste
passagiersstoel wordt opgeklapt, moeten
eventuele voorwerpen ervan verwijderd
worden.
4) Verwijder ook voorwerpen van de
leuning alvorens deze volledig te kantelen.
HOOFDSTEUNEN
VERSTELLINGEN
16)
Omhoog verstellen: breng de
hoofdsteun omhoog tot deze op zijn
plaats vastklikt.
Omlaag verstellen: druk op knop A
fig. 15 (voorste hoofdsteunen) en B fig.
16 (achterste hoofdsteunen) en breng
de hoofdsteun omlaag.
VERWIJDEREN
Breng de hoofdsteunen in de hoogste
stand, druk op de knoppen A en B
fig. 15 (voorste hoofdsteunen) of A en B
fig. 16 (achterste hoofdsteunen) aan
beide zijkanten en verwijder de
hoofdsteunen door ze omhoog te
trekken.
BELANGRIJK Zet, als de achterste
zitplaatsen worden gebruikt, de
hoofdsteunen altijd in de "volledig
uitgetrokken" stand.
BELANGRIJK
16) De hoofdsteunen moeten zodanig
versteld worden dat het hoofd en niet de
nek er tegenaan steunt. Alleen op deze
manier oefenen ze hun beschermende
werking uit.
15
F0Y0060C
16
F0Y0061C
14
WEGWIJS IN UW AUTO
STUURWIEL
17) 18)
VERSTELLINGEN
Het stuurwiel kan zowel axiaal als
verticaal versteld worden. Om te
verstellen, hendel A fig. 17 omlaag
zetten in stand 1, het stuurwiel in de
meest geschikte stand zetten en het op
zijn plaats vergrendelen door hendel A
in stand 2 te zetten.
BELANGRIJK
17) De verstelling van het stuurwiel mag
uitsluitend gebeuren bij stilstaande auto en
afgezette motor.
18) After-market werkzaamheden waarbij
wijzigingen van de stuurinrichting of de
stuurkolom betrokken zijn (bv. bij montage
van een alarmsysteem) zijn ten strengste
verboden. Dergelijke werkzaamheden
kunnen de prestaties van het systeem, de
garantie en de veiligheid in gevaar brengen
waardoor de auto niet meer aan de
typegoedkeuring voldoet.
ACHTERUITKIJK
BINNENSPIEGEL
Deze spiegel is voorzien van een
beveiligingsmechanisme dat ervoor
zorgt dat de spiegel losschiet bij een
heftige botsing met de passagier.
Gebruik de hendel A fig. 18 om de
spiegel in twee standen te zetten:
normaal of anti-verblindingsstand.
17
F0Y0043C
18
F0Y0223C
15
-
SPIEGELS
BUITENSPIEGELS
Handmatige verstelling
Bedien, vanuit het interieur van het
voertuig, hendel A fig. 20 om de spiegel
te verstellen.
Elektrische verstelling
(voor bepaalde versies/markten)
De spiegels kunnen alleen worden
versteld met de contactsleutel in stand
MAR.
Ga als volgt te werk om de spiegels te
verstellen:
gebruik knop A fig. 21 om de
gewenste spiegel te selecteren (rechts
of links);
zet knop A op stand B en beweeg
hem om de linker buitenspiegel af
te stellen;
zet knop A op stand D en beweeg
hem om de rechter buitenspiegel af te
stellen.
Na het afstellen moet knop A in de
tussenstand C (geblokkeerde stand)
worden gezet.
Handmatig inklappen
Klap indien nodig de buitenspiegels in
door ze van de stand "volledig open" in
de stand "volledig gesloten" te zetten.
BELANGRIJK Rijd alleen met de
buitenspiegels in de "volledig open"
stand.
19
F0Y0225C
20
F0Y0275C
21
F0Y0250C
16
WEGWIJS IN UW AUTO
ELEKTRISCH DIMBARE
ACHTERUITKIJKSPIEGEL
(voor bepaalde versies/markten)
De elektrisch dimbare spiegel fig. 19
heeft een ON/OFF-toets om de
elektrisch dimbare anti-
verblindingsfunctie in/uit te schakelen.
Bij inschakeling van de achteruit, wordt
de spiegel automatisch ingesteld op
de dagstand.
KLIMAATREGELING
2)
.
VERWARMING EN VENTILATIE
Bedieningselementen
22
F0Y0156C
17
luchtrooster naar voorruit en zijruiten
18
WEGWIJS IN UW AUTO
A - Draaiknop luchttemperatuur: blauwe zone = koude lucht, rode zone = warme lucht;
B - knop luchtrecirculatie aan/uit: met de interne luchtrecirculatie kan de gewenste toestand (verwarming of koeling, afhankelijk
van de keuze) sneller bereikt worden. Het wordt echter afgeraden de interne luchtrecirculatie in te schakelen op regenachtige
of koude dagen om te voorkomen dat de ruiten beslaan.
C - knop voor inschakeling/regeling ventilator (0 = ventilator uit / = ventilatorsnelheid) / 1-2-3-4 = ventilatorsnelheid;
D - knop voor inschakeling/uitschakeling achterruitverwarming;
E - draaiknop luchtverdeling:
lucht uit luchtuitstroomopeningen midden, zijkant en middelste luchtrooster
lucht uit luchtroosters in het midden, aan de zijkant, luchtuitstroomopeningen in het midden en beenruimten voor en
achter
lucht alleen uit luchtroosters beenruimten voor en achter
lucht uit luchtroosters beenruimten voor en achter, naar de voorruit en zijruiten
HANDBEDIENDE KLIMAATREGELING
Bedieningselementen
A - Draaiknop luchttemperatuur: blauwe zone = koude lucht, rode zone = warme lucht;
B - aan/uit-knop luchtrecirculatie;
C - knop voor inschakeling/regeling ventilator (0 = ventilator uit / = ventilatorsnelheid) / 1-2-3-4 = ventilatorsnelheid;
D - knop voor inschakeling/uitschakeling compressor klimaatregeling;
E - toets voor inschakeling/uitschakeling achterruitverwarming;
F - regelknop luchtverdeling:
lucht uit luchtuitstroomopeningen midden, zijkant en middelste luchtrooster
lucht uit luchtroosters in het midden, aan de zijkant, luchtuitstroomopeningen in het midden en beenruimten voor en
achter
lucht alleen uit luchtroosters beenruimten voor en achter
lucht uit luchtroosters beenruimten voor en achter, naar de voorruit en zijruiten
luchtrooster naar voorruit en zijruiten
23
F0Y0041C
19
AUTOMATISCHE DUAL-ZONE KLIMAATREGELING
19) 5)
Bedieningselementen
A - regelknop temperatuur bestuurderszijde;
B - aan/uit-knop interne luchtrecirculatie;
C - aan/uit-knop achterruit- en voorruitverwarming (voor bepaalde versies/markten);
D - knop voor inschakeling/uitschakeling compressor klimaatregeling;
E - aan/uit-knop klimaatregeling;
F - knop voor instelling ventilatorsnelheid;
G - led ventilatorsnelheid;
H - selectieknoppen luchtverdeling;
I - knop voor activering MAX-DEF functie (snel ontdooien/ontwasemen voorruiten), achterruitverwarming en verwarmde
buitenspiegels (voor bepaalde versies/markten);
L - regelknop temperatuur passagierszijde;
M - knop voor inschakeling MONO-functie (uitlijning van ingestelde temperaturen) bestuurders-/passagierszijde;
N - knop voor inschakeling AUTO-functie (automatische werking).
24
F0Y0034C
20
WEGWIJS IN UW AUTO
REGELING STOP/
START-SYSTEEM
De automatische dual-zone
klimaatregeling regelt het Start/Stop-
systeem (motor wordt afgezet wanneer
de voertuigsnelheid 0 km/h is) om
een passend comfort in het interieur te
garanderen.
BELANGRIJK Onder bijzonder extreme
klimaatomstandigheden wordt
aanbevolen het gebruik van het
Stop/Start-systeem te beperken om te
voorkomen dat de compressor continu
wordt in- en uitgeschakeld, waardoor
de ramen snel beslaan en
vochtophoping plaatsvindt, met een
onaangename geur in het interieur als
gevolg.
BELANGRIJK Wanneer het Stop/Start-
systeem is ingeschakeld (motor uit en
voertuig stilstaand), wordt de
automatische recirculatiefunctie met
lucht van buitenaf uitgeschakeld om de
kans op beslagen ruiten te verminderen
(aangezien de compressor is
uitgeschakeld).
BELANGRIJK
19) Het wordt afgeraden de interne
luchtrecirculatie in te schakelen bij lage
buitentemperaturen, aangezien de ruiten
sneller kunnen beslaan.
BELANGRIJK
5) De klimaatregeling detecteert de
temperatuur in het interieur met behulp van
een sensor van de gemiddelde
stralingstemperatuur (TMR) die in de
achteruitkijkspiegel is gemonteerd en door
een speciaal dekseltje wordt beschermd.
Als het zichtveld van deze sensor
belemmerd wordt door een voorwerp, dan
kan de klimaatregeling minder efficiënt
gaan werken.
BELANGRIJK
2) Het systeem gebruikt het koelmiddel
R134a dat het milieu niet verontreinigt als
het per ongeluk weglekt. Gebruik onder
geen enkele omstandigheid R12 vloeistof,
die niet compatibel is met de
componenten van het systeem.
BUITENVERLICHTING
De buitenverlichting werkt uitsluitend als
de contactsleutel in de stand MAR
staat.
DAGRIJLICHTEN (DRL)
Dagrijlichten
(voor bepaalde versies/markten)
20) 21)
Met de sleutel in de stand MAR en
schakelaar A fig. 25 naar stand O
gedraaid, gaan de dagrijlichten
automatisch branden; de overige
lichten en de interieurverlichting blijven
uit.
25
F0Y0048C
21
STADSLICHT EN
DIMLICHT
Draai, met de contactsleutel in de stand
MAR, de schakelaar A fig. 25 naar
. Als het dimlicht wordt
ingeschakeld, gaan de dagrijlichten uit
en worden het stadslicht en het dimlicht
ingeschakeld. Het controlelampje
op het instrumentenpaneel gaat
branden.
Als de contactsleutel naar STOP wordt
gedraaid of wordt verwijderd en de
draaischakelaar A wordt van O naar
gedraaid, gaan het stadslicht en de
kentekenplaatverlichting branden.
Het controlelampje
op het
instrumentenpaneel gaat branden.
AUTOMATISCHE
INSCHAKELING
KOPLAMPEN
(AUTOLIGHT)
(Schemersensor)
(voor bepaalde versies/markten)
Deze op de voorruit geplaatste
infrarood-ledsensor detecteert de
verschillen in sterkte van het
omgevingslicht op basis van de
lichtgevoeligheid die in het Setup-menu
is ingesteld.
Inschakeling: Draai de
draaischakelaar A fig. 25 naar de stand
.
Als de schemersensor actief is, is het
niet mogelijk om het grootlicht continu
te laten branden, alleen knipperen is
toegestaan. Draai, om het grootlicht
continu te laten branden, de
draaischakelaar A naar
en trek de
hendel naar het stuurwiel.
Bij automatische uitschakeling door de
sensor, wordt eerst het dimlicht
uitgeschakeld en enkele seconden later
het stadslicht.
BELANGRIJK De sensor kan niet de
aanwezigheid van mist detecteren.
Deze lichten moeten dus onder die
omstandigheden handmatig worden
ingeschakeld.
GROOTLICHT
Om het grootlicht in te schakelen, moet
draaischakelaar A fig. 25 op
staan
en de hendel naar het stuurwiel voorbij
de aanslag worden getrokken. Het
controlelampje
op het
instrumentenpaneel gaat branden.
Wanneer de hendel weer naar het
stuurwiel tot voorbij de aanslag wordt
getrokken, wordt het grootlicht
uitgeschakeld, gaat het dimlicht weer
branden en dooft het lampje
.
Het is niet mogelijk het grootlicht
continu in te schakelen als de
automatische inschakeling van de
koplampen ingeschakeld is.
GROOTLICHTSIGNAAL
Trek hiervoor de hendel naar het
stuurwiel (instabiele stand), ongeacht
de stand van de draaischakelaar A fig.
25. Het controlelampje
op het
instrumentenpaneel gaat branden.
RICHTINGAANWIJZERS
Breng de hendel in de (stabiele) stand:
omhoog: inschakeling rechter
richtingaanwijzer / omlaag:
inschakeling linker richtingaanwijzer.
Controlelampje
of knippert op het
instrumentenpaneel.
De richtingaanwijzers schakelen
automatisch uit als het stuurwiel weer
wordt rechtgezet.
"Rijbaanwissel"-functie
Zet, als u het verwisselen van rijstrook
wilt aangeven, de linkerhendel korter
dan een halve seconde in de instabiele
stand.
De richtingaanwijzer aan de gekozen
kant knippert vijf maal en wordt
vervolgens automatisch uitgeschakeld.
22
WEGWIJS IN UW AUTO
Wanneer het dimlicht ingeschakeld is
en de snelheid lager is dan 40 km/h, als
de draaihoek van het stuurwiel groot is
of de richtingaanwijzers branden, gaat
er een lamp (ingebouwd in de
mistlamp) branden aan de betreffende
kant om het zicht 's nachts te
verbeteren.
"FOLLOW ME HOME"
SYSTEEM
Met dit systeem kan de ruimte vóór het
voertuig gedurende een ingestelde
tijdsduur worden verlicht.
Inschakeling
De tijd dat de lampen worden
ingeschakeld, kan worden aangepast
en geprogrammeerd via het
instellingenmenu van het
instrumentenpaneel.
Er kan gekozen worden uit 0, 30, 60 tot
90 seconden. De inrichting wordt
automatische geactiveerd nadat de
motor is afgezet en draaischakelaar A
fig. 25 naar stand O is gedraaid.
Ook is het mogelijk om (als het
bovenbeschreven programma op "0"
seconden is ingesteld) de begintijd van
de koplampen in te stellen door de
linkerhendel één of meerdere keren
naar u toe te trekken (dezelfde
procedure als voor de inschakeling van
het grootlicht). In dit geval kan er
gekozen worden uit 0, 30, 60, 90 tot
maximaal 210 seconden.
Elke keer als de hendel wordt bediend,
gaat het waarschuwingslampje
op
het instrumentenpaneel branden. Op
het display verschijnt een bericht en de
voor de functie ingestelde tijdsduur.
Het lampje
gaat branden wanneer
de hendel voor het eerst wordt bediend
en blijft branden totdat de functie
automatisch wordt uitgeschakeld.
Uitschakeling
Deze functie wordt uitgeschakeld door
het inschakelen van de koplampen,
de stadslichten of door de
startinrichting op MAR te zetten.
BELANGRIJK
20) De dagrijlichten zijn een alternatief voor
het dimlicht in landen waar dit tijdens het
rijden overdag verplicht is en is tevens
toegestaan in landen waar dit niet verplicht
is.
21) De dagrijlichten mogen het dimlicht niet
vervangen tijdens het rijden in het donker
en in tunnels. Het gebruik van de
dagrijlichten wordt geregeld door de
wegenverkeerswetgeving van het land
waar u rijdt. Houd u aan de wettelijke
voorschriften.
23
“Cornering lights”
RUITEN REINIGEN
RUITENWISSERS/
-SPROEIERS VOORRUIT
6) 7)
Werkt alleen met de contactsleutel in
de stand MAR.
Draaischakelaar A fig. 26 heeft vier
verschillende standen:
ruitenwissers uit.
wissen met interval.
langzaam continu wissen.
snel continu wissen.
Zet de hendel omhoog (onstabiele
stand) om de tijdelijke snelle wisstand in
te schakelen. Bij het loslaten keert de
hendel terug naar de beginstand en
wordt de werking van de ruitenwissers
automatisch afgebroken.
Met de draaischakelaar A in stand
, wordt de wissnelheid
automatisch aan de voertuigsnelheid
aangepast.
Bij ingeschakelde ruitenwissers, wordt
bij het inschakelen van de
achteruitversnelling, ook de
achterruitwisser automatisch
ingeschakeld.
Automatische wis-/wasregeling
Trek de hendel naar het stuur
(onstabiele stand) om de ruitensproeier
in te schakelen.
Als de hendel langer dan een halve
seconde wordt aangetrokken, dan
worden in één beweging de
ruitenwissers en -sproeiers
ingeschakeld.
Als de hendel wordt losgelaten,
stoppen de ruitensproeiers onmiddellijk
terwijl de ruitenwissers nog drie slagen
maken.
Bij sommige versies volgt na ongeveer
6 seconden nog een extra
reinigingsslag.
REGENSENSOR
(voor bepaalde versies/markten)
22) 8) 9)
Deze bevindt zich achter de
achteruitkijkspiegel, in contact met de
voorruit en detecteert de aanwezigheid
van regen en regelt het wissen van
de voorruit aan de hand van de
hoeveelheid water op de ruit.
Inschakeling: draai de draaischakelaar
A fig. 26 naar de stand
:de
frequentie van de wisslagen wordt
aangepast aan de hoeveelheid water
op de voorruit. Bij inschakeling van de
regensensor, maken de ruitenwissers
één wisslag.
Uitschakeling: verwijder de
draaischakelaar uit de stand
of
draai de contactsleutel naar STOP. Als
de contactsleutel in de stand STOP
is gedraaid en de draaischakelaar in de
stand
blijft, dan wordt er geen
wiscyclus uitgevoerd bij de volgende
start (contactsleutel in de stand MAR),
ook al regent het.
ACHTERRUITWISSER/
-SPROEIER
10)
Werkt alleen met de contactsleutel in
de stand MAR.
Inschakeling: zet de draaischakelaar
B fig. 26 van stand
in stand om
de achterruitwisser als volgt in te
schakelen:
wissen met interval wanneer de
ruitenwissers voor niet werken;
26
F0Y0049C
24
WEGWIJS IN UW AUTO
synchroon wissen (met de halve
wisfrequentie) als de ruitenwissers voor
werken;
continu wissen met ingeschakelde
achteruitversnelling.
Bij ingeschakelde ruitenwissers voor en
als de achteruitversnelling is
geschakeld, is de werking van de
achterruitwisser op dezelfde wijze
continu.
Door de hendel naar het stuur te
trekken (onstabiele stand), wordt de
achterruitsproeier ingeschakeld. Als de
hendel ten minste een halve seconde
in deze stand wordt gehouden, dan
wordt ook de achterruitwisser
ingeschakeld. Door de hendel los te
laten, wordt de automatische
wis-/wasregeling ingeschakeld, net als
voor de ruitenwissers voor.
Uitschakeling: laat de hendel los.
BELANGRIJK
22) Zorg ervoor dat het systeem is
uitgeschakeld als de voorruit moet worden
schoongemaakt.
BELANGRIJK
6) Gebruik de ruitenwisser niet om
opgehoopte sneeuw of ijs van de voorruit
te verwijderen. Onder dergelijke
omstandigheden wordt bij overbelasting
van de ruitenwissers de beveiliging
ingeschakeld, waardoor de ruitenwissers
enkele seconden worden uitgeschakeld.
Als hierna de ruitenwissers niet meer
werken (ook niet na de sleutel te hebben
gedraaid en de motor opnieuw te hebben
gestart), neem dan contact op met het Fiat
Servicenetwerk.
7) Schakel de ruitenwissers niet in met van
de ruit opgeheven wisserbladen.
8) Schakel de regensensor niet in wanneer
het voertuig in een wasstraat wordt
gewassen.
9) Controleer of de functie correct is
uitgeschakeld als er ijs op de voorruit ligt.
10) Gebruik de achterruitwisser niet om
lagen sneeuw of ijs te verwijderen.. Onder
dergelijke omstandigheden kan de
ruitenwisser overbelast raken en wordt de
beveiliging ingeschakeld, waardoor de
ruitenwisser enkele seconden wordt
uitgeschakeld. Als hierna de ruitenwissers
niet meer werken, neem dan contact op
met het Fiat Servicenetwerk.
PLAFONDVERLICHTING
PLAFONDVERLICHTING
VOOR
Schakelaar A fig. 27 wordt gebruikt om
de plafondverlichting in/uit te
schakelen.
Standen schakelaar A:
middelste stand: de lampjes C en E
gaan aan/uit bij het openen/sluiten
van de portieren;
links ingedrukt (stand OFF): de
lampjes C en E blijven altijd gedoofd;
rechts ingedrukt (stand
): de
lampjes C en D blijven altijd
ingeschakeld.
De inschakeling en uitschakeling van de
plafondverlichting gebeurt op
geleidelijke en getimede wijze tijdens
het in- en uitstappen.
27
F0Y0098C
25
DAK MET VAST
GLASPANEEL
(voor bepaalde versies/markten)
ZONNESCHERM
Het zonnescherm werkt alleen met de
contactsleutel in de stand MAR. Druk
op de knop A fig. 28: het zonnescherm
beweegt naar de achterkant van de
auto, tot het volledig geopend is.
Druk, bij volledig geopend
zonnescherm, op de knop A: het
zonnescherm beweegt naar de
voorkant van de auto, tot het volledig
gesloten is. Druk, tijdens de
automatische openings- en
sluitingsfases, nogmaals op knop A om
de beweging van het zonnescherm te
onderbreken.
NOODBEDIENING
Als de knop niet werk, beweeg dan het
zonnescherm met de hand: verwijder
de beschermdop fig. 29 op de
binnenbekleding, neem de inbussleutel
B (in de gereedschapstas of, afhankelijk
van de versie, in de houder van Fix&Go
Automatic in de bagageruimte), steek
deze in de zitting A en draai hem
rechtsom om het scherm te openen of
linksom om het te sluiten.
INITIALISATIE
ZONNESCHERM
Bij een storing van de automatische
beweging bij het openen/sluiten of een
noodsituatie, moet de automatische
bediening van het zonnescherm als
volgt opnieuw geïnitialiseerd worden:
druk op knop A fig. 28 in de
sluitstand en houd ingedrukt: na circa
10 seconden beweegt het scherm zich
in fases naar de gesloten stand. Laat
de knop B los na het zonnescherm
te hebben gesloten;
draai en houd de contactsleutel 10
seconden in de stand STOP; draai hem
vervolgens naar MAR;
houd knop A ingedrukt in de
sluitstand tot het zonnescherm
helemaal gesloten is: de
initialisatieprocedure is afgerond;
druk binnen 3 seconden na het einde
van de initialisatieprocedure opnieuw
op knop A en houd hem ingedrukt: het
scherm zal een automatische opening-
en sluitingscyclus uitvoeren: als dit
niet gebeurt, herhaal dan de
handelingen vanaf het begin;
houd knop A ingedrukt en wacht tot
het zonnescherm helemaal gesloten is.
28
F0Y0121C
29
F0Y0285C
26
WEGWIJS IN UW AUTO
ELEKTRISCH
SCHUIFDAK
(voor bepaalde versies/markten)
23) 11)
Het schuifdak en het zonnescherm
kunnen alleen bediend worden als de
contactsleutel in de stand MAR staat.
BEDIENINGSKNOPPEN
Openen/sluiten voorpaneel
Door te drukken op de knop A fig. 30 ,
opent het paneel in de spoilerstand.
Druk, vanuit de spoilerstand, nogmaals
en langer dan een halve seconde op
de knop A om het schuifdak
automatisch in de compleet geopende
stand te brengen. Druk nogmaals op de
knop om de automatische beweging
uit te schakelen.
Druk vanuit de volledig geopende stand
op de knop A: het voorste paneel
wordt in de spoilerstand gebracht. Als
in deze toestand de knop opnieuw
langer dan een halve seconde wordt
ingedrukt, beweegt het dak
automatisch naar de volledig gesloten
stand. Druk nogmaals op de knop
om de automatische beweging uit te
schakelen.
Beweging zonnescherm
Druk op de knop B fig. 30: het
zonnescherm beweegt naar de
achterkant van de auto, tot het volledig
geopend is. Druk, bij volledig geopend
zonnescherm, op de knop B: het
zonnescherm beweegt naar de
voorkant van de auto, tot het volledig
gesloten is. Druk, tijdens het
automatische openen en sluiten van het
scherm, nogmaals op de knop om de
beweging van het zonnescherm te
onderbreken.
NOODBEDIENING
Als de bedieningsknoppen niet werken,
kunnen het zonnescherm en het
schuifdak handmatig bediend worden,
zoals hieronder is beschreven:
Bediening zonnescherm: verwijder
beschermdop A fig. 31 die op de
binnenbekleding zit;
Bediening schuifdak: verwijder
beschermdop B die op de
binnenbekleding zit;
neem de inbussleutel C fig. 31 uit de
gereedschapstas of, afhankelijk van
de versie, uit de houder van Fix&Go
Automatineem en steek hem in zitting A
(voor bediening van het zonnescherm)
of B (voor bediening van het schuifdak)
en draai hem rechtsom om het dak
(of het zonnescherm) te openen of
linksom om het dak (of het
zonnescherm) te sluiten.
INITIALISATIE
SCHUIFDAK
Bij een storing van de automatische
beweging bij het openen/sluiten of een
noodsituatie, moet de automatische
bediening van het schuifdak als volgt
opnieuw geïnitialiseerd worden:
druk op knop A fig. 30 in de gesloten
stand;
30
F0Y0120C
31
F0Y0234C
27
draai de contactsleutel naar STOP en
houd hem 10 seconden in die stand.
Draai hem vervolgens naar MAR;
houd knop A ingedrukt: na ongeveer
10 seconden gaat het schuifdak
schokkerig dicht. Wanneer de
beweging stopt (dak gesloten), knop A
loslaten (als het dak al gesloten is,
dan is alleen de mechanische
vergrendeling hoorbaar);
druk binnen 3 seconden na het einde
van de initialisatieprocedure opnieuw
op knop A en houd hem ingedrukt: het
dak zal een automatische opening-
en sluitingscyclus uitvoeren. Als dat niet
gebeurt, herhaal dan de handeling
vanaf het begin;
houd knop A ingedrukt tot het dak
helemaal gesloten is: de
initialisatieprocedure is afgerond.
BELANGRIJK
23) Verwijder altijd de sleutel uit het
contactslot als het voertuig wordt verlaten
om te voorkomen dat onverwachtse
bediening van het schuifdak gevaar
oplevert voor de achtergebleven
passagiers. Oneigenlijk gebruik van het
schuifdak kan gevaarlijk zijn. Controleer
voor en tijdens het bedienen altijd of de
passagiers niet kunnen worden verwond
door het bewegende schuifdak of door
voorwerpen die hierdoor worden
meegesleept of geraakt.
BELANGRIJK
11) Open het schuifdak niet als er een
imperiaal gemonteerd is. Open het
schuifdak niet als er sneeuw of ijs op ligt:
risico op beschadiging.
PORTIEREN
CENTRALE
PORTIERVERGRENDELING
Portieren vergrendelen van buitenaf
Druk bij gesloten portieren op de knop
van de afstandsbediening of steek en
draai de metalen baard (in de sleutel)
in het slot van de bestuurdersportier. De
portiervergrendeling vindt plaats als
alle portieren gesloten zijn, onafhankelijk
van het feit of de achterklep geopend
of gesloten is.
Portieren ontgrendelen van buitenaf
Druk op de knop van de
afstandsbediening of draai de metalen
baard (in de sleutel) in het slot van
het bestuurdersportier.
De portieren ver-/ontgrendelen van
binnenuit
Druk op toets fig. 32.
LED op knop aan: portieren
vergrendeld / LED op knop uit:
portieren ontgrendeld.
28
WEGWIJS IN UW AUTO
BELANGRIJK Bij ingeschakelde
centrale portiervergrendeling worden de
portieren ontgrendeld als aan de
handgreep aan de passagiersportier
wordt getrokken (de led blijft branden).
Als aan de binnenste handgreep van
het bestuurdersportier wordt getrokken,
worden alle portieren ontgrendeld.
KINDERSLOT
24)
Dit systeem zorgt ervoor dat de
achterportieren van binnenuit niet
geopend kunnen worden. Het
kinderslot B fig. 33 kan alleen bij
geopende portieren worden
ingeschakeld.
Stand 1: kinderslot ingeschakeld
(portier vergrendeld) / stand 2:
kinderslot uitgeschakeld (portier kan
van binnenuit geopend worden).
Het kinderslot blijft ingeschakeld ook
als de portieren elektrisch ontgrendeld
worden.
BELANGRIJK De achterportieren
kunnen niet van binnenuit worden
geopend als het kinderslot is
ingeschakeld.
NOODVERGRENDELING
VOORPORTIER
PASSAGIERSZIJDE EN
ACHTERPORTIEREN
12)
De portieren kunnen gesloten worden
als de stroom uitvalt. Steek de
contactsleutel in de zitting A fig. 34
(voorportier aan passagierszijde) of A
fig. 33 (achterportieren), draai hem
rechtsom en verwijder hem uit de zitting
A.
Om de startconditie van de
portiersloten te herstellen (alleen als de
acculading hersteld is): druk op de
knop
op de afstandsbediening of de
knop
op het instrumentenpaneel,
of steek de metalen baard van de
contactsleutel in het slot aan
bestuurderszijde; trek vervolgens aan
de binnenhandgreep van het portier.
32
F0Y0039C
33
F0Y0111C
34
F0Y0110C
29
INITIALISATIE
MECHANISME PORTIER
OPENEN/SLUITEN
Als de accu is losgekoppeld of als een
zekering is doorgebrand, dan moet
het open-/sluitmechanisme als volgt
opnieuw geïnitialiseerd worden:
sluit alle portieren;
druk op de knop
van de
afstandsbediening of op de knop
op
het dashboard;
druk op de knop
van de
afstandsbediening of op de knop
op
het dashboard.
BELANGRIJK
24) Gebruik dit mechanisme altijd wanneer
kinderen worden vervoerd. Controleer na
inschakeling van het kinderslot bij beide
achterportieren of het slot daadwerkelijk is
ingeschakeld door aan de handgreep
aan de binnenzijde van de portieren te
trekken.
BELANGRIJK
12) Als bij ingeschakeld kinderslot en de
eerder beschreven vergrendelingswijze, de
binnenhandgreep van een achterportier
wordt bediend en het niet lukt om het
portier te openen, moet de
buitenhandgreep gebruikt worden om het
portier te openen. In geval van een
noodvergrendeling wordt de ont-/
vergrendelknop niet buiten werking
gesteld.
ELEKTRISCHE
RUITBEDIENING
25)
WERKING
Deze werkt met de contactsleutel in de
stand MAR en gedurende circa 3
minuten nadat de contactsleutel naar
de stand STOP is gedraaid of
verwijderd is, tenzij een van de
voorportieren geopend is.
BEDIENING
BESTUURDERSPORTIER
Versies met 4 elektrische ruiten
De toetsen bevinden zich op de
bekleding van het deurpaneel fig. 35.
Alle ruiten kunnen bediend worden
vanaf het portierpaneel aan
bestuurderszijde.
35
F0Y0240C
30
WEGWIJS IN UW AUTO
A: linker voorruit openen/sluiten.
"Continue automatische" werking
tijdens openen/sluiten en
knelbeveiliging ingeschakeld.
B: rechter voorruit openen/sluiten.
"Continue automatische" werking
tijdens openen/sluiten en
knelbeveiliging ingeschakeld.
C: inschakeling/uitschakeling
ruitbediening achterportieren.
D: linker achterruit openen/sluiten
(voor bepaalde versies/markten).
"Continue automatische" werking
tijdens openen/sluiten en
knelbeveiliging ingeschakeld.
E: rechter achterruit openen/sluiten
(voor bepaalde versies/markten).
"Continue automatische" werking
tijdens openen/sluiten en
knelbeveiliging ingeschakeld.
Ruit openen
Druk op de toetsen om de gewenste
ruit te openen. Wanneer een van de
twee toetsen kort wordt ingedrukt,
beweegt de ruit in "stappen"; als de
toets ingedrukt wordt gehouden, wordt
de "continue automatische" werking
geactiveerd. Als er opnieuw op de toets
wordt gedrukt, stopt de ruit in de
gewenste stand.
Ruit sluiten
Trek de toetsen omhoog om de
gewenste ruit te sluiten. Bij het sluiten
van de ruit wordt dezelfde
werkingslogica als bij het openen
gebruikt.
Knelbeveiliging
(voor bepaalde versies/markten)
Dit veiligheidssysteem detecteert de
aanwezigheid van een obstakel tijdens
het sluiten van de ruit en grijpt in door
de slag van de ruit te stoppen en,
afhankelijk van de positie van de ruit,
om te keren. De knelbeveiliging is zowel
tijdens de handmatige als de
automatische bediening van de ruit
actief.
INITIALISATIE
ELEKTRISCHE
RUITBEDIENING
Als de stroomtoevoer tijdens de
beweging van de ruit is onderbroken,
moet de automatische werking van de
elektrische ruit opnieuw geïnitialiseerd
worden. De initialisatieprocedure moet
met gesloten portieren en voor elk
portier uitgevoerd worden, zoals
hieronder beschreven:
sluit de te initialiseren ruit volledig met
behulp van de handmatige bediening;
houd, nadat de ruit de eindaanslag
heeft bereikt, de knop "naar boven"
minstens 1 seconde ingedrukt.
BELANGRIJK
25) Oneigenlijk gebruik van de elektrische
ruitbediening kan gevaarlijk zijn. Controleer
voor en tijdens het bedienen altijd of de
passagiers niet kunnen worden verwond
door de bewegende ruiten of door
voorwerpen die door de ruit worden
meegesleept of geraakt. Verwijder altijd de
sleutel uit het contactslot als de auto
wordt verlaten om te voorkomen
dat onverwachtse bediening van de
elektrische ruiten gevaar oplevert voor de
achtergebleven passagiers.
31
BAGAGERUIMTE
27) 28) 29) 31) 13)
De ontgrendeling van de bagageruimte
gebeurt elektrisch en is uitgeschakeld
wanneer de auto rijdt.
OPENEN
26)
Indien ontgrendeld, kan de achterklep
van buitenaf geopend worden met
de elektrische hendel A fig. 36 onder de
rand van de achterklep tot de klik van
het ontgrendelen wordt gehoord of met
behulp van de
knop op de
afstandsbediening.
Achterklep van binnenuit openen in
geval van nood
Ga als volgt te werk:
verwijder de achterste hoofdsteunen
en klap de stoelen helemaal in;
neem de schroevendraaier uit de
gereedschapstas of de houder van de
Fix&Go Automatic Kit, afhankelijk van
de versie;
gebruik de schroevendraaier om het
gele lipje A fig. 37 te verwijderen;
steek vervolgens de
schroevendraaier in de zitting B fig. 38
om het ontgrendelingslipje van de
bagageruimte te activeren.
SLUITEN
Pak de handgreep onder de achterklep
vast, laat de achterklep zakken en
druk in de buurt van het slot tot de
achterklep vastklikt.
BELANGRIJK Controleer of u in het
bezit van de sleutels bent voordat u de
achterklep sluit. De achterklep wordt
namelijk automatisch vergrendeld.
INITIALISATIE
BAGAGERUIMTE
BELANGRIJK Als de accu werd
losgekoppeld of als een zekering is
doorgebrand, dan moet het open- en
sluitmechanisme van de bagageruimte
opnieuw worden geïnitialiseerd. Ga
hiervoor als volgt te werk:
sluit alle portieren en de achterklep;
druk op de knop
van de
afstandsbediening;
36
F0Y0146C
37
F0Y0172C
38
F0Y0173C
32
WEGWIJS IN UW AUTO
druk op de knop van de
afstandsbediening.
"CARGO MAGIC SPACE"
(voor bepaalde versies/markten)
14)
De verstelbare "Cargo Magic Space"
laadvloer kan in drie verschillende
standen worden geplaatst:
Stand 0 (laadvloer volledig naar
beneden);
Stand 1 (laadvloer op
drempelniveau);
Stand 2 (laadvloer volledig
omhoog gezet);
Kanteling laadvloer
De laadvloer kan in schuine stand
worden geplaatst (gekanteld naar de
achterbankleuning, zie fig. 39), om
toegang tot de zone onder de
bagageruimte te vereenvoudigen (bijv.
om het noodreservewiel of de "Fix & Go
Automatic" kit uit te nemen).
Bovendien kan met de laadvloer in deze
stand elk voorwerp in de bagageruimte
correct worden vastgezet, waardoor
wegglijden in geval van bruusk remmen
wordt voorkomen.
BAGAGE-AFDEKHOES
(500L LIVING versies)
30) 15)
Bagage-afdekhoes A fig. 40 kan
opgerold en verwijderd worden.
Oprollen van de hoes: pak handgreep
C beet en maak de pennen B fig. 41
(een aan elke zijde) uit hun zittingen los.
Schuif de hoes vervolgens naar de
voorkant van de bagageruimte.
Verwijderen van de hoes: rol de hoes
op en trek vervolgens de twee haken
A fig. 42 (een aan elke zijde) naar de
binnenkant van de bagageruimte. Til de
hoes vervolgens op en verwijder hem.
BELANGRIJK
26) Let er bij het openen van de achterklep
op dat er geen op het imperiaal geplaatste
voorwerpen geraakt worden.
27) Zorg ervoor dat de rugleuning aan
beide zijden goed is vergrendeld om te
voorkomen dat deze bij bruusk remmen
naar voren kan klappen en zo eventueel de
inzittenden kan verwonden.
39
F0Y0448C
40
F0Y0371C
41
F0Y0373C
42
F0Y0374C
33
28) Verplaats de voor- of achterstoel niet
als er een kind op zit of als er een kind
in het kinderzitje op de stoel zit.
29) Zorg ervoor dat de rugleuning aan
beide zijden goed is vergrendeld (rode
strepen B onzichtbaar) om te voorkomen
dat de rugleuning bij bruusk remmen
naar voren kan klappen en zo de
passagiers kan verwonden.
30) In het geval van een ongeval of bruusk
remmen kan elk voorwerp dat op de hoes
is gelegd in het interieur geslingerd worden,
met gevaar van letsel voor de inzittenden.
31) Abrupt remmen of slecht wegdek
kunnen onverhoedse bewegingen van de
lading veroorzaken met mogelijk gevaarlijke
situaties voor de bestuurder e passagiers:
zet vóór vertrek de lading stevig vast met
behulp van de scheidingswand en, waar
aanwezig, de speciale haken. Gebruik
kabels, touwen of riemen die sterk genoeg
zijn om de voorwerpen vast te houden
die vastgezet moeten worden.
BELANGRIJK
13) Voordat de rugleuning volledig wordt
omgeklapt, moeten eventuele voorwerpen
die erop liggen verwijderd worden.
14) Dankzij de afmetingen van de laadvloer
kan een maximale capaciteit van 70 kg
(in stand 1) of 40 kg (in stand 2) met
gelijkmatige gewichtsverdeling verkregen
worden: laad geen zwaardere voorwerpen.
15) Plaats geen zware voorwerpen op de
hoes om beschadiging te voorkomen.
MOTORKAP
OPENEN
Bedien en trek de hendel A fig. 43 in de
richting aangegeven door de pijl en
bedien vervolgens de hendel B fig. 44
in de richting van de pijl en til de
motorkap op.
Het volgende plaatje is in de
motorruimte aangebracht fig. 45.
BELANGRIJK Het openen van de
motorkap wordt vergemakkelijkt door
twee gasveren aan de zijkanten. Breng
geen wijzigingen aan deze gasveren
aan en begeleid de motorkap tijdens
het openen.
BELANGRIJK Verzeker u ervan, voordat
u de motorkap opent, dat de armen
van de ruitenwissers tegen de ruit
liggen en dat ze niet werken.
SLUITEN
32)
Laat de motorkap tot op ongeveer 20
cm van de motorruimte zakken en
laat hem dan vallen. Controleer of de
motorkap volledig gesloten is en niet
alleen met de beveiliging is vergrendeld
door te proberen hem op te tillen.
Als de motorkap niet perfect gesloten
is, probeer dan niet erop te drukken
maar open hem opnieuw en herhaal de
handeling.
43
F0Y0228C
44
F0Y0115C
45
F0Y1100C
34
WEGWIJS IN UW AUTO
BELANGRIJK
32) Voor de rijveiligheid moet de motorkap
tijdens het rijden altijd perfect gesloten
zijn. Controleer dus altijd of de motorkap
goed gesloten en vergrendeld is. Als u
tijdens het rijden merkt dat de motorkap
niet goed vergrendeld is, stop dan
onmiddellijk en sluit hem op de juiste wijze.
ELEKTRISCHE
STUURBEKRACHTIGING
"DUALDRIVE"
Dit systeem werkt alleen als de
contactsleutel in de stand MAR staat en
bij draaiende motor. Met de elektrische
stuurbekrachtiging kan de benodigde
kracht voor het verdraaien van het
stuurwiel op basis van de
rijomstandigheden geregeld worden.
BELANGRIJK Als de contactsleutel snel
wordt gedraaid, is de complete
werking van de stuurbekrachtiging
reeds na 1-2 seconden beschikbaar.
BELANGRIJK Tijdens
parkeermanoeuvres die veel
stuurbewegingen vereisen, kan het
verdraaien van het stuurwiel zwaarder
worden; dit is normaal en wordt
veroorzaakt door een ingreep van het
systeem om de motor van de
elektrische stuurbekrachtiging tegen
oververhitting te beschermen. In dit
geval zijn er geen
reparatiewerkzaamheden nodig.
Wanneer de auto een volgende keer
wordt gebruikt, zal de
stuurbekrachtiging weer normaal
functioneren.
BELANGRIJK De Dualdrive elektrische
stuurbekrachtiging heeft een
elektronisch dempingseffect bij het
naderen van de eindaanslag. Bij
sommige manoeuvres kan het stuurwiel
een beetje verder draaien voordat het
de mechanische aanslag raakt. Dit
gedrag is normaal, aangezien het
plaatsvindt om krachtige schokken op
de mechanische onderdelen in het
systeem te voorkomen.
IN-/UITSCHAKELING
STUURBEKRACHTIGING
33) 34)
Inschakeling/uitschakeling: druk op
de knop fig. 46 .
De inschakeling van de functie wordt
gemeld door het branden van de led in
de knop en door weergave van het
woord CITY op het instrumentenpaneel
of, afhankelijk van de versie, op het
display.
46
F0Y0420C
35
Wanneer de stuurbekrachtiging is
ingeschakeld, draait het stuur lichter,
waardoor het parkeren makkelijker
wordt: deze functie is daarom bijzonder
geschikt voor het rijden in de stad.
BELANGRIJK
33) After-market werkzaamheden waarbij
wijzigingen van de stuurinrichting of de
stuurkolom betrokken zijn (bijv. bij montage
van een alarmsysteem) zijn ten strengste
verboden. Dergelijke werkzaamheden
kunnen de prestaties van het systeem, de
garantie en de veiligheid in gevaar brengen
waardoor het voertuig niet meer aan de
typegoedkeuring voldoet.
34) Zet, voordat er
onderhoudswerkzaamheden worden
verricht, altijd de motor af en verwijder de
contactsleutel uit het slot om de
stuurkolom te vergrendelen (met name
wanneer de wielen van de auto los van de
grond staan). Als dit niet mogelijk is (bijv.
als de contactsleutel in de stand MAR
moet staan of als de motor moet draaien),
moet de hoofdzekering van de elektrische
stuurbekrachtiging verwijderd worden.
VERSIE MET
LPG-SYSTEEM
35) 36) 37)
16) 17) 18) 19) 20) 21) 22)
INLEIDING
De LPG-uitvoering heeft twee
brandstoftoevoersystemen: een voor
benzine en een voor LPG.
PASSIEVE VEILIGHEID/
ACTIEVE VEILIGHEID
Alhoewel het LPG-systeem talrijke
veiligheidsvoorzieningen heeft, wordt
geadviseerd als volgt te werk te gaan
als het voertuig lange tijd niet gebruikt
wordt of als het voertuig verplaatst
wordt in een noodgeval na pech of een
ongeval:
maak de bevestigingselementen A
fig. 47, los en verwijder vervolgens het
deksel B;
draai de LPG-kraan dicht door de
ringmoer C fig. 48 rechtsom te draaien;
zet het deksel terug en draai de
bevestigingen weer vast.
LPG-TANK
De auto heeft een tank (onder druk) A
fig. 49 voor de opslag van LPG in
vloeibare toestand. Deze is in de ruimte
voor het reservewiel geplaatst en is
op passende wijze beschermd.
Certificatie LPG-TANK
De LPG tank is gecertificeerd in
overeenstemming met de geldende
voorschriften.
47
F0Y0424C
48
F0Y0720C
36
WEGWIJS IN UW AUTO
In Italië heeft de tank een levensduur
van 10 jaar vanaf de registratiedatum
van het voertuig. Als het voertuig in een
ander land dan Italië geregistreerd is,
kunnen de levensduur en de test-/
inspectieprocedures variëren afhankelijk
van de wetgeving die in dat land van
kracht is. Neem in ieder geval, als
de tijdslimiet in het betreffende land
verstreken is, contact op met het Fiat
Servicenetwerk om de tank te laten
vervangen.
KEUZE VAN
BRANDSTOFTOEVOER
BENZINE OF LPG
Met knop (benzine/LPG-schakelaar) A
fig. 50 kan de bestuurder de werking
op benzine of LPG kiezen.
Als, tijdens de werking op LPG, het
LPG opraakt, schakelt het systeem
automatisch over op benzine en gaan
alle streepjes op de digitale meter
op het display uit, naast de LPG-
waarschuwing. Deze toestand houdt
aan tot de volgende LPG-tankbeurt.
De motor wordt altijd gestart met
benzine, met automatische
omschakeling naar LPG wanneer de
beste omstandigheden bereikt zijn
(motorkoelvloeistoftemperatuur, limiet
stationair motortoerental) voor
omschakeling op LPG.
VULINHOUDEN
LPG
Maximum vulinhoud (inclusief reserve):
38,4 liter. Deze waarde houdt reeds
rekening met de 80% vullimiet van de
tank en de resthoeveelheid die nodig is
voor een correcte vulling en is de
maximum toelaatbare vulinhoud.
Bovendien kan deze maximuminhoud,
na herhaaldelijk tanken, afwijken
wegens verschillen tussen de
toevoerdrukwaarden bij de
tankstations, pompen met verschillende
toevoer-/blokkeringswaarden, of een
tank die niet helemaal leeg is.
BELANGRIJK Om een inconsistente
weergave van de LPG-meter op het
instrumentenpaneel te voorkomen,
is het raadzaam om bij elke tankbeurt
minstens 10 liter te tanken.
BELANGRIJK
35) Onthoud dat er in bepaalde landen
(waaronder Italië) wettelijke beperkingen
van kracht zijn voor het parkeren/vervoeren
van motorvoertuigen die rijden op gas
met een hogere dichtheid dan de lucht;
LPG valt onder deze categorie.
36) Schakel niet om tussen de twee
werkingsmethodes tijdens het starten van
de motor.
49
F0Y0423C
50
F0Y0249C
37
37) Als er gaslucht wordt geroken, schakel
dan over van werking op gas naar werking
op benzine en ga onmiddellijk naar een
Fiat Servicepunt om het voertuig te laten
controleren en eventuele systeemstoringen
uit te sluiten.
BELANGRIJK
16) Het voertuig is uitgerust met een
gasvormig LPG-injectiesysteem dat
speciaal ontworpen is voor deze auto:
daarom is het absoluut verboden de
configuratie van het systeem of de
componenten ervan te wijzigen. Het
gebruik van andere componenten
of materialen zou kunnen leiden tot een
slechte werking en verminderde veiligheid;
neem dus in geval van problemen altijd
contact op met het Fiat Servicenetwerk.
Om beschadiging van de onderdelen van
het gassysteem te voorkomen, wanneer
het voertuig gesleept of opgekrikt wordt,
moeten de aanwijzingen worden gevolgd
die vermeld zijn in de paragraaf "Slepen
van het voertuig".
17) Het systeem werkt bij temperaturen
tussen −20 °C en 100 °C.
18) Indien lakspuitwerkzaamheden in een
oven verricht moeten worden, moet de
LPG-tank uit het voertuig verwijderd en
later weer gemonteerd worden bij een
werkplaats van het Fiat Servicenetwerk.
Alhoewel het LPG-systeem talrijke
veiligheidsvoorzieningen heeft, wordt
geadviseerd als volgt te werk te gaan als
de auto langere tijd niet gebruikt wordt
of als de auto verplaatst wordt in een
noodgeval na panne of een ongeval: draai
de bevestigingselementen van de
LPG-tank los en verwijder de tank. Draai de
LPG-kraan dicht door de ringmoer C
rechtsom te draaien (zie "Passieve/actieve
veiligheid"). Breng het deksel weer aan
en draai de bevestigingselementen weer
vast.
19) Gebruik alleen LPG voor
motorvoertuigen.
20) Het is strikt verboden om additieven in
het LPG te gebruiken. Het wordt
geadviseerd zo nu en dan (minstens één
keer elke zes maanden), de LPG in de tank
volledig op te maken en bij de volgende
tankbeurt te controleren of de
maximuminhoud van 38,4 liter (inclusief
reserve) (met een tolerantie van 2 liter) niet
overschreden wordt. Als het niveau hoger
is dan 38,4 liter (inclusief reserve), neem
dan onmiddellijk contact op met het Fiat
Servicenetwerk.
21) Wanneer om omschakeling van
benzine naar gas wordt verzocht, kan er
een metaalachtig geluid hoorbaar zijn van
de kleppen die het circuit onder druk
zetten. Wegens de hierboven beschreven
overschakellogica, is de vertraging tussen
het tikgeluid van de klep en het doven
van het groene waarschuwingslampje
volkomen normaal.
22) Onder bepaalde
gebruiksomstandigheden, zoals tijdens het
starten, werking bij lage
omgevingstemperaturen of LPG met een
laag propaangehalte, kan het systeem
tijdelijk naar werking op benzine
overschakelen, zonder deze overschakeling
op het instrumentenpaneel weer te geven.
Als het aardgasniveau in de tank laag is
of als er hoge prestaties gevraagd worden
(bijv. inhalen, volgeladen auto, steile
hellingen) kan het systeem automatisch
overschakelen naar werking op benzine om
het vereiste motorvermogen te garanderen;
het groene lampje op het
instrumentenpaneel gaat branden om dit
aan te geven. Wanneer bovengenoemde
omstandigheden niet langer aanwezig zijn,
keert het systeem automatisch terug naar
werking op LPG en gaat het groene lampje
uit. Om de bovengenoemde automatische
overschakeling te kunnen uitvoeren, moet u
ervoor zorgen dat in de benzinetank altijd
voldoende brandstof zit.
38
WEGWIJS IN UW AUTO
VERSIE MET
AARDGASSYSTEEM
(Natural Power)
38) 39) 40) 41)
23) 24) 25) 26) 27)
INLEIDING
De versie "Natural Power" versie heeft
twee brandstofsystemen, een voor
benzine en een voor aardgas
(methaan).
AARDGASCILINDERS
Het voertuig is uitgerust met twee
cilinders (totale inhoud ongeveer 84
liter) die zich onder de vloer van het
voertuig bevinden (fig. 51 en fig. 52),
beschermd zijn met twee speciale
schermen, en die gevuld zijn met
aardgas in gecomprimeerde
gasvormige toestand (nominale druk
200 bar bij 15°C).
Het aardgas, onder hoge druk
opgeslagen in de cilinders, stroomt via
een speciale pijp naar het
reduceerventiel/de drukregelaar die de
twee aardgasinjectoren van brandstof
op lage druk (ongeveer 9 bar) voorziet.
Inhoud: ongeveer 14 kg. Het totale
volume van de cilinders is ongeveer 84
liter.
BELANGRIJK Om een inconsistente
weergave van de aardgasmeter op het
instrumentenpaneel te voorkomen, is
het raadzaam om bij elke tankbeurt
minstens 10 liter te tanken.
Cilindercertificering
De cilinders zijn in overeenstemming
met EEG-richtlijn Procedure nr. 110
gecertificeerd en moeten, in
overeenstemming met de Procedure
van de EEG-Richtlijn nr. 110, om de 4
jaar vanaf de voertuigregistratiedatum
of in overeenstemming met de
specifieke voorschriften in de
afzonderlijke landen geïnspecteerd
worden.
Op de plaatjes, die door de dealer bij
de boorddocumentatie zijn geleverd, is
de datum voor de eerste inspectie
van de cilinders vermeld.
Aardgastankstations zijn niet bevoegd
de cilinders bij te vullen als de
inspectiedatum verstreken is.
51
F0Y0245C
52
F0Y0246C
39
BELANGRIJK Als het voertuig in een
ander land dan Italië geregistreerd
is, dan dienen de certificatiedata,
identificatie- en inspectieprocedures
voor de aardgascilinders te voldoen aan
de wetgeving van dat land. Onthoud
dat de levensduur van de cilinders
in ieder geval 20 jaar is vanaf de
productiedatum, zoals aangegeven in
EEG-richtlijn nr. 110.
KEUZE VAN
BRANDSTOFTOEVOER
BENZINE OF AARDGAS
Deze motor werkt normaal op aardgas
behalve tijdens het starten, wanneer
hij op benzine werkt. De overschakeling
op aardgas gebeurt automatisch.
Als u op benzine wilt rijden, drukt u op
knop A fig. 53 ; deze handeling kan
zowel bij stilstaand voertuig en
draaiende motor als tijdens het rijden
verricht worden.
De inschakeling van de led op de knop
en het groene lampje
op het
instrumentenpaneel geeft aan dat de
omschakeling correct heeft
plaatsgevonden.
Om te garanderen dat de omschakeling
in volstrekte veiligheid plaatsvindt,
hangt de daadwerkelijke omschakeling
naar het gewenste brandstofsysteem
af van de omstandigheden waaronder
de auto gebruikt wordt, en hoeft dus
niet onmiddellijk te zijn.
Bovendien kan, bij het starten bij een
buitentemperatuur van minder dan
ongeveer −10°C, de omschakelingstijd
van benzine naar aardgas langer zijn
om de eenheid voor drukregeling/-
verlaging in staat te stellen op te
warmen.
BELANGRIJK
38) De auto is uitgerust met een
aardgassysteem op hoge druk dat
ontworpen is om te werken op nominaal
200 bar. Het is gevaarlijk het systeem
te forceren om met hogere drukwaarden te
werken. Wanneer de auto gesleept of
opgekrikt wordt, moeten de aanwijzingen
in het instructieboek in de paragraaf
"Slepen van de auto" gevolgd worden om
beschadiging van de onderdelen van
het aardgassysteem te voorkomen. Als er
een probleem is met het aardgassysteem,
neem dan uitsluitend contact op met het
Fiat Servicenetwerk. Breng geen
wijzigingen aan de configuratie of
onderdelen van het aardgassysteem aan;
deze zijn uitsluitend voor deze auto
ontworpen. Het gebruik van andere
onderdelen of materialen kan storingen
veroorzaken en de veiligheid verminderen.
39) Indien lakspuitwerkzaamheden in
een oven verricht moeten worden, moeten
de cilinders uit het voertuig verwijderd en
later weer gemonteerd worden bij een
werkplaats van het Fiat Servicenetwerk.
Alhoewel het aardgassysteem talrijke
veiligheidsvoorzieningen heeft, wordt
geadviseerd de handbediende kranen voor
de cilinders te sluiten elke keer dat het
voertuig langere tijd niet gebruikt wordt,
vervoerd wordt op een ander voertuig
of verplaatst wordt in een noodgeval na
pech of een ongeval.
40) Schakel niet om tussen de twee
werkingsmethodes tijdens het starten van
de motor.
53
F0Y0249C
40
WEGWIJS IN UW AUTO
41) Als er gaslucht wordt geroken, schakel
dan over van werking op aardgas naar
werking op benzine en ga onmiddellijk naar
een Fiat Servicepunt om het voertuig te
laten controleren en eventuele
systeemstoringen uit te sluiten.
BELANGRIJK
23) Als, tijdens de werking op aardgas, het
aardgas opraakt, schakelt het systeem
automatisch over op benzine en gaan alle
streepjes op de digitale meter op het
display uit, naast de CNG-waarschuwing.
Deze weergave blijft zo tot de volgende
aardgastankbeurt.
24) Ongeacht het laatst gebruikte
brandstoftoevoersysteem, zal het systeem
bij de volgende keer dat de motor gestart
wordt, na de aanvankelijke benzinefase,
automatisch overschakelen op aardgas.
25) Wanneer om omschakeling verzocht
wordt van benzine naar aardgas en
wanneer de motor wordt gestart, kan er
een metaalachtig geluid hoorbaar zijn van
de kleppen die het circuit onder druk
zetten. Wegens de hierboven beschreven
overschakellogica, is de vertraging tussen
het tikgeluid van de klep en het doven
van het groene waarschuwingslampje
volkomen normaal.
26) Onder bepaalde
gebruiksomstandigheden, zoals tijdens het
starten en werking bij lage
omgevingstemperaturen, kan het systeem
tijdelijk naar werking op benzine
overschakelen, zonder deze overschakeling
weer te geven. Als het aardgasniveau in
de tank laag is of als er hoge prestaties
gevraagd worden (bijv. inhalen, volgeladen
auto, steile hellingen) kan het systeem
automatisch overschakelen naar werking
op benzine om het vereiste
motorvermogen te garanderen; het groene
lampje
gaat branden om dit aan te
geven. Wanneer bovengenoemde
omstandigheden niet langer aanwezig zijn,
keert het systeem automatisch terug naar
werking op aardgas en gaat het groene
lampje
uit. Om bovenbeschreven
automatische overschakeling te verkrijgen,
moet u ervoor zorgen dat er altijd
voldoende brandstof in de benzinetank zit.
27) De plaatjes (bij de voertuigdocumenten
geleverd) vermelden de datum voor de
eerste controle/test van de cilinders.
Aardgastankstations zijn niet bevoegd de
cilinders bij te vullen als de inspectiedatum
verstreken is.
41
KENNIS VAN HET INSTRUMENTENPANEEL
In dit deel van het instructieboek vindt u
alle informatie die u nodig hebt om het
instrumentenpaneel goed te begrijpen,
te interpreteren en te gebruiken.
BEDIENINGSPANEEL EN
BOORDINSTRUMENTEN................ 43
DISPLAY ......................................... 45
LAMPJES EN MELDINGEN............. 48
- Rode waarschuwingslampjes ........... 48
- Gele waarschuwingslampjes ............ 54
- Groene controlelampjes ................... 61
- Blauwe controlelampjes ................... 62
42
KENNIS VAN HET INSTRUMENTENPANEEL
BEDIENINGSPANEEL EN BOORDINSTRUMENTEN
De achtergrondkleur van de instrumenten en het type instrumenten kunnen afhankelijk van de versies variëren.
De lampjes op het bedieningspaneel kunnen verschillend zijn afhankelijk van de versie/het uitrustingsniveau (bijv. LPG, Natural
Power, Dualogic versnellingsbak enz.) van het voertuig. De lampjes en zijn alleen aanwezig op de dieselversies. Bij
dieselversies komt het maximum motortoerental (rode bereik op de toerenteller) overeen met 5000 tpm.
VERSIES MET MULTIFUNCTIONEEL DISPLAY
A. Snelheidsmeter – B. Multifunctioneel display C. Toerenteller – D. Brandstofmeter met reservelampje E. Koelvloeistoftemperatuurmeter met
waarschuwingslampje oververhitting
54
F0Y1150C
43
VERSIES MET HERCONFIGUREERBAAR MULTIFUNCTIONEEL DISPLAY
A. Snelheidsmeter – B. Herconfigureerbaar multifunctioneel display – C. Toerenteller D. Brandstofmeter met reservelampje E.
Koelvloeistoftemperatuurmeter met waarschuwingslampje oververhitting
55
F0Y1151C
44
KENNIS VAN HET INSTRUMENTENPANEEL
DISPLAY
MULTIFUNCTIONEEL
DISPLAY
De volgende informatie wordt op het
display fig. 56 getoond:
A
Datum
B
Inschakeling van Dualdrive
stuurbekrachtiging (opschrift CITY) of
ECO-rijmodus (opschrift ECO)
C
Gear Shift Indicator (voor bepaalde
versies/markten)
D
Stand hoogteregeling koplampen
(alleen bij ingeschakeld dimlicht)
E
Kilometerteller (weergave aantal
gereden kilometers/mijlen)
F
Tijd (altijd weergegeven, ook bij
verwijderde contactsleutel en
gesloten portieren)
G
Aanduiding Stop/Start-functie (voor
bepaalde versies/markten)
H
Buitentemperatuur (voor bepaalde
versies/markten)
I
Display "Speed Limiter" (voor
bepaalde versies/markten)
HERCONFIGUREERBAAR
MULTIFUNCTIONEEL
DISPLAY
De volgende informatie wordt op het
display fig. 57 getoond:
A
Tijd
B
Datum of weergave dagteller in
kilometers (of mijlen)
C
Gear Shift Indicator (voor bepaalde
versies/markten) of aanduiding
Start/Stop-functie (voor bepaalde
versies/markten)
D
Display "Speed Limiter" (voor
bepaalde versies/markten)
E
Kilometerteller (weergave aantal
gereden kilometers/mijlen)
F
Stand hoogteregeling koplampen
(alleen bij ingeschakeld dimlicht)
G
Buitentemperatuur (voor bepaalde
versies/markten)
H
Aanwijzingen autotoestand (bijv. open
portieren, eventuele ijsvorming op
de weg, etc.)
GEAR SHIFT INDICATOR
De GSI (Gear Shift Indicator) adviseert
de bestuurder een andere versnelling in
te schakelen via een speciaal bericht
op het instrumentenpaneel. Via de GSI
wordt de bestuurder gewaarschuwd
dat een andere versnelling
brandstofbesparing kan opleveren.
"SHIFT UP" pictogram (
SHIFT): de
GSI adviseert om op te schakelen
"SHIFT DOWN" pictogram
SHIFT): de GSI adviseert om terug te
schakelen.
Het pictogram blijft weergegeven tot er
een versnelling wordt ingeschakeld of
de rijomstandigheden terugkeren naar
een situatie waarin schakelen niet nodig
is om het verbruik te optimaliseren.
56
F0Y1101C
57
F0Y1103C
45
(
BEDIENINGSKNOPPEN
De knoppen en bevinden
zich op het instrumentenpaneel fig. 58.
De knoppen
en zijn op enkele
versies aanwezig.
Om de schermpagina en de betreffende
opties naar beneden te doorlopen of
om de weergegeven waarde te
verhogen.
Kort indrukken : om het menu te
openen en/of naar de volgende
schermpagina te gaan of de gekozen
menuoptie te bevestigen.
Lang indrukken: om terug te keren naar
het standaardscherm.
Om de schermpagina en de opties naar
beneden te doorlopen of om de
weergegeven waarde te verlagen.
SETUP-MENU
Inschakeling menu: druk kort op de
knop
.
Selectie menu-item: het menu
bestaat uit een serie opties die gekozen
kunnen worden met de knoppen
en , voor toegang tot
verschillende keuze- en
instellingsmogelijkheden (Setup) die
hieronder zijn aangegeven. Sommige
opties hebben een submenu.
Het menu biedt de volgende functies:
MENU
VERLICHTING
PIEP SNELHEID
SENSOR KOPLAMPEN (voor
bepaalde uitvoeringen/markten)
FLANKLICHTEN (voor bepaalde
uitvoeringen/markten)
REGENSENSOR (voor bepaalde
versies/markten)
ACTIVERING TRIP B
STEL UUR IN
STEL DATUM IN
EERSTE PAGINA (voor bepaalde
versies/markten)
AUTOCLOSE
MEETEENHEID
TAAL
GELUIDSSTERKTE
WAARSCHUWINGEN (zoemervolume)
PIEP VEILIGHEIDSGORDELS
SERVICE
AIRBAG/AIRBAG PASSAGIER (voor
bepaalde versies/markten)
DAGLICHTEN (voor bepaalde
uitvoeringen/markten)
CITY BRAKE C./COLLISION
MITIGATION (voor bepaalde versies/
markten)
RESET BANDEN (voor versies/
markten, daar waar aanwezig)
SLUIT MENU AF
58
F0Y0777C
46
KENNIS VAN HET INSTRUMENTENPANEEL
“Trip A” toont de volgende waarden:
"Gereden afstand B", "Gemiddeld
verbruik B", "Gemiddelde snelheid B",
"Reisduur (rijtijd) B". “Trip B” kan
worden uitgeschakeld.
Beide functies kunnen gereset worden
(reset - begin van een nieuwe rit): houd
hiervoor de TRIP-toets op de linker
stuurwielhendel ingedrukt (zie fig. 59).
OPMERKING De parameters
“Actieradius” en “Huidig verbruik"
kunnen niet gereset worden.
59
F0Y0045C
47
TRIP COMPUTER
De Trip Computer kan gebruikt worden
om informatie over de werking van
het voertuig weer te geven, wanneer de
contactsleutel in de stand MAR is
gedraaid.
Met deze functie kunnen twee
afzonderlijke reizen worden
aangemaakt, “Trip A” en Trip B”
genaamd, waarmee "volledige reizen"
van de auto worden bewaakt. Beide
functies werken onafhankelijk van
elkaar.
“Trip A” toont de volgende waarden:
"Buitentemperatuur (voor bepaalde
versies/markten)", "Actieradius",
"Gereden afstand", "Gemiddeld
verbruik", "Huidig verbruik",
"Gemiddelde snelheid", "Reisduur
(rijtijd)"
LAMPJES EN MELDINGEN
BELANGRIJK De controlelampjes gaan branden en er verschijnt een speciaal bericht en/of er klinkt een geluidssignaal,
wanneer van toepassing. Deze meldingen zijn korte waarschuwingen en mogen vanwege hun beknopte karakter niet worden
beschouwd als volledig en/of een alternatief voor de informatie die is opgenomen in het Instructieboek. Het wordt daarom
geadviseerd het instructieboek altijd aandachtig te lezen. Raadpleeg bij melding van een storing altijd de informatie in dit
hoofdstuk.
BELANGRIJK De storingsmeldingen die op het display verschijnen, kunnen worden onderverdeeld in twee categorieën:
ernstige storingen en minder ernstige storingen. Ernstige storingen worden herhaaldelijk en langdurig weergegeven. Minder
ernstige storingen worden kort herhaaldelijk weergegeven. De herhaalde weergave op het display van beide categorieën kan
onderbroken worden. Het waarschuwingslampje op het instrumentenpaneel blijft branden tot de oorzaak van de storing is
verholpen.
WAARSCHUWINGSLAMPJES OP INSTRUMENTENPANEEL
Rode waarschuwingslampjes
Controlelampje Wat het betekent
LAAG REMVLOEISTOFNIVEAU/HANDREM AANGETROKKEN
Remvloeistofniveau te laag
Dit lampje gaat branden wanneer het remvloeistofniveau in het reservoir zich onder het minimumpeil
bevindt, bijvoorbeeld wegens een lek in het remcircuit. Bij sommige versies wordt een bericht samen met
een symbool weergegeven. Herstel het remvloeistofniveau, controleer daarna of het lampje gedoofd is. Als
het waarschuwingslampje blijft branden, contact opnemen met het Fiat Servicenetwerk.
Aangetrokken handrem
Het lampje (of symbool op het display) gaat branden wanneer de handrem wordt aangetrokken. Als de
auto in beweging is, klinkt er ook een geluidssignaal. Zet de handrem los, controleer daarna of het lampje
gedoofd is. Als het waarschuwingslampje blijft branden, contact opnemen met het Fiat Servicenetwerk.
BELANGRIJK Controleer of de handrem toevallig is ingeschakeld als het lampje tijdens het rijden gaat
branden.
48
KENNIS VAN HET INSTRUMENTENPANEEL
Controlelampje Wat het betekent
STORING EBD
Wanneer de lampjes
(rood) en (geel) en ESC bij draaiende motor tegelijk gaan branden, dan is er
een storing in het EBD-systeem of is het systeem niet beschikbaar. In dit geval kunnen de achterwielen bij
hard remmen plotseling blokkeren waardoor de auto begint te slippen. Bij sommige versies verschijnt een
speciaal bericht op het display.
Rijd zeer voorzichtig naar de dichtstbijzijnde dealer van het Fiat Servicenetwerk om het systeem
onmiddellijk te laten controleren.
LAADSTROOM ACCU ONVOLDOENDE
(voor bepaalde versies/markten)
Als het lampje continu blijft branden of knippert (bij sommige versies verschijnen er een bericht en een
symbool op het display), neem dan contact op met het Fiat Servicenetwerk.
PORTIEREN/MOTORKAP/BAGAGERUIMTE OPEN
Het lampje gaat branden (bij sommige versies verschijnen er ook een bericht en een symbool op het
display) wanneer één of meerdere portieren, de motorkap of de achterklep niet goed gesloten zijn.
Bij geopende portieren en rijdend voertuig klinkt er een geluidssignaal.
49
Controlelampje Wat het betekent
STORING AIRBAG
Het lampje gaat continu branden (bij sommige versies verschijnen er een bericht en een symbool op het
display) als er een storing in het airbagsysteem is vastgesteld.
42) 43)
VEILIGHEIDSGORDELS NIET VASTGEMAAKT
(voor bepaalde versies/markten)
Het lampje gaat continu branden wanneer bij stilstaand voertuig auto de veiligheidsgordel aan bestuurders-
of passagierszijde (indien een passagier aanwezig is) niet is omgelegd. Wanneer het voertuig in beweging is
en de veiligheidsgordels van de voorstoelen niet goed zijn vastgemaakt, dan gaat het lampje knipperen en
klinkt er een geluidssignaal.
Maak in dat geval de veiligheidsgordel vast.
Neem contact op met het Fiat Servicenetwerk om het geluidssignaal van het SBR-systeem (Seat Belt
Reminder) permanent te laten uitschakelen. Het geluidssignaal kan te allen tijde via het Setup-menu weer
ingeschakeld worden.
BELANGRIJK
42) Als het waarschuwingslampje niet dooft wanneer de startsleutel naar MAR wordt gedraaid of als het blijft branden tijdens het rijden
(terwijl er ook een bericht op het display wordt weergegeven), dan kan er iets mis zijn met de veiligheidssystemen; in dat geval worden de
airbags misschien niet opgeblazen of werken de gordelspanners niet goed indien een ongeval optreedt of, in een zeer beperkt aantal
gevallen, werken ze op het verkeerde moment. Neem, voordat er verder wordt gereden, onmiddellijk contact op met het Fiat Servicenetwerk
om het systeem te laten controleren.
43) Een storing van het lampje
wordt aangegeven door het knipperen van het lampje . In dat geval kan een eventuele storing van het
airbagsysteem mogelijk niet aangegeven worden. Laat het systeem controleren door het Fiat Servicenetwerk alvorens verder te rijden.
50
KENNIS VAN HET INSTRUMENTENPANEEL
Controlelampje Wat het betekent
TE HOGE KOELVLOEISTOFTEMPERATUUR
Het lampje gaat branden (bij sommige versies verschijnen er een bericht en een symbool op het display) als
de motor oververhit raakt. Op het display verschijnt een speciaal bericht.
Tijdens een normale rit: breng het voertuig tot stilstand, zet de motor af en controleer of het
koelvloeistofniveau in het reservoir zich niet onder het MIN-teken bevindt. Als dit het geval is, wacht dan tot
de motor is afgekoeld, draai vervolgens langzaam en voorzichtig de dop open, vul koelvloeistof bij en
controleer of het peil zich tussen het MIN- en MAX-teken op het reservoir bevindt. Controleer ook op de
aanwezigheid van vloeistoflekken. Als na het starten het lampje opnieuw gaat branden (of het symbool
verschijnt weer op het display), neem dan contact op met het Fiat Servicenetwerk.
Wanneer het voertuig onder zware omstandigheden wordt gebruikt (bijv. wanneer er tijdens het
rijden hoge prestaties worden gevraagd): minder snelheid en, als het lampje blijft branden, breng het
voertuig tot stilstand. Wacht 2 of 3 minuten met draaiende motor en geef ietwat gas om de
koelvloeistofcirculatie te bevorderen. Zet vervolgens de motor af. Controleer of het koelvloeistofpeil correct
is, zoals hiervoor beschreven is.
BELANGRIJK Het wordt geadviseerd om onder zware bedrijfsomstandigheden de motor vóór het afzetten
enkele minuten te laten draaien met het gaspedaal iets ingetrapt.
51
Controlelampje Wat het betekent
CONTINU BRANDEND: MOTOROLIEDRUK TE LAAG
Het lampje gaat continu branden, bij sommige versies verschijnen ook een bericht en een symbool op het
display wanneer het systeem een te lage motoroliedruk detecteert.
28)
KNIPPEREN: VERSLECHTERDE MOTOROLIE (alleen dieselversies met DPF)
Het lampje gaat knipperend branden en bij sommige versies wordt een bericht weergegeven. Afhankelijk
van de versie, kan het lampje als volgt knipperen: gedurende 1 minuut elke twee uur of met cycli van 3
minuten met intervallen van gedoofd lampje gedurende 5 seconden, totdat de olie wordt ververst.
Na de eerste melding zal, bij elke start van de motor, het lampje blijven knipperen zoals hiervoor
beschreven totdat de olie wordt ververst. Bij sommige versies verschijnt een speciaal bericht op het display.
Het knipperen van het lampje moet niet als een storing worden beschouwd, maar wil de bestuurder erop
wijzen dat de motorolie moet worden ververst na een normaal gebruik van de auto.
De verslechtering van de motorolie wordt versneld door overwegend stadsgebruik van de auto, waardoor
het DPF-regeneratieproces vaker moet worden uitgevoerd, en ook door gebruik van het voertuig voor korte
ritten, waardoor de motor niet op bedrijfstemperatuur kan komen, herhaald onderbreken van het
regeneratieproces, hetgeen wordt aangegeven door het branden van het lampje
. 29)
BELANGRIJK
28) Als het waarschuwingslampje gaat branden wanneer de auto rijdt, moet de motor onmiddellijk afgezet worden en contact opgenomen
worden met het Fiat Servicenetwerk.
29) Als het lampje gaat branden, moet de verslechterde motorolie zo spoedig mogelijk, en in elk geval binnen 500 km nadat het lampje voor
het eerst gaat branden, ververst worden. Veronachtzaming van bovenstaande aanwijzingen kan leiden tot ernstige schade aan de motor
en de garantie doen vervallen. Vergeet niet dat het branden van dit lampje niets te maken heeft met het oliepeil in de motor. Voeg dus
absoluut geen motorolie toe als het lampje begint te knipperen.
52
KENNIS VAN HET INSTRUMENTENPANEEL
Controlelampje Wat het betekent
STORING ELEKTRISCHE STUURBEKRACHTIGING “DUALDRIVE”
Tijdens het starten van de motor: wanneer de contactsleutel naar MAR wordt gedraaid, gaat het lampje
branden, maar dit moet na enkele seconden doven. Als het lampje blijft branden, draai dan de
contactsleutel naar STOP en start de motor opnieuw. Als het lampje blijft branden (bij sommige versies
verschijnen er ook een bericht en een symbool op het display), kost het draaien van het stuurwiel meer
moeite, maar sturen is wel mogelijk. Neem in dit geval zo snel mogelijk contact op met het Fiat
Servicenetwerk.
Tijdens het rijden: als het lampje tijdens het rijden gaat branden (bij sommige versies verschijnen er ook
een bericht en een symbool op het display) zou de stuurbekrachtiging niet meer kunnen werken. Hoewel
het mogelijk blijft de auto te besturen, kan het draaien van het stuurwiel meer inspanning vereisen: neem zo
snel mogelijk contact op met het Fiat Servicenetwerk.
BELANGRIJK Onder bepaalde omstandigheden kan het branden van het lampje op het
instrumentenpaneel te wijten zijn aan andere factoren dan de elektrische stuurbekrachtiging. Breng in
dergelijke gevallen het voertuig tot stilstand (indien in beweging), zet de motor af en wacht ongeveer 20
seconden alvorens de motor opnieuw te starten. Als het lampje continu blijft branden (bij sommige versies
verschijnen er een bericht en een symbool op het display), neem dan contact op met het Fiat
Servicenetwerk.
BELANGRIJK Na loskoppeling van de accu moet de stuurbekrachtiging geïnitialiseerd worden. Het lampje
gaat branden om dit aan te geven. Ga voor de uitvoering van deze procedure als volgt te werk: draai het
stuurwiel van het ene uiteinde naar het andere terwijl op een rechtlijnig traject van ongeveer honderd meter
wordt gereden.
53
Gele waarschuwingslampjes
Controlelampje Wat het betekent
iTPMS
(voor bepaalde versies/markten)
Storing iTPMS/iTPMS tijdelijk uitgeschakeld
Het waarschuwingslampje knippert ongeveer 75 seconden en blijft daarna permanent branden (er
verschijnt ook een bericht op het display) om aan te geven dat het systeem tijdelijk uitgeschakeld of defect
is. Het systeem gaat weer normaal werken zodra de bedrijfsomstandigheden dat toelaten. Als dat niet het
geval is de Resetprocedure uitvoeren na het herstellen van de normale bedrijfsomstandigheden.
Als de storingswaarschuwing aanhoudt, moet zo snel mogelijk contact worden opgenomen met het Fiat
Servicenetwerk.
Lage bandenspanning
Het waarschuwingslampje gaat continu branden om aan te geven dat de bandenspanning lager is dan de
aanbevolen waarde en/of dat de band langzaam spanning verliest. Onder deze omstandigheden kunnen
de optimale levensduur van de banden en het brandstofverbruik niet gegarandeerd worden. Het wordt
geadviseerd de juiste bandenspanning te herstellen (zie paragraaf "Wielen" in het hoofdstuk "Technische
gegevens").
Voer de Resetprocedure uit zodra de normale bedrijfsomstandigheden van het voertuig hersteld zijn.
BELANGRIJK Rijd niet verder met een of meerdere lege banden, dit kan de bestuurbaarheid van de auto in
gevaar brengen. Breng het voertuig tot stilstand, voorkom bruusk remmen en sturen.
City Brake Control - "Collision Mitigation" SYSTEEM UITGESCHAKELD
(voor bepaalde versies/markten)
Het lampje gaat branden als het City Brake Control - "Collision Mitigation" systeem via het Setup Menu is
uitgeschakeld. Bij sommige versies wordt de inschakeling/uitschakeling van het systeem door een bericht
op het display aangegeven.
54
KENNIS VAN HET INSTRUMENTENPANEEL
Controlelampje Wat het betekent
MISTACHTERLICHT
Het lampje gaat branden wanneer het mistachterlicht wordt ingeschakeld.
STORING ABS
Het lampje gaat branden (bij sommige versies verschijnen er een bericht en een symbool op het display) als
het systeem niet goed werkt. In dergelijke gevallen blijft het remsysteem normaal werken, maar met
uitsluiting van het ABS systeem.
Rijd zeer voorzichtig en wendt u zo snel mogelijk tot het Fiat Servicenetwerk.
ACHTERRUITVERWARMING
Het controlelampje gaat branden wanneer de achterruitverwarming wordt ingeschakeld.
VOORRUITVERWARMING
(voor bepaalde versies/markten)
Het lampje gaat branden wanneer de voorruitverwarming wordt ingeschakeld.
STORING FIAT CODE SYSTEEM
(voor bepaalde versies/markten)
Het lampje gaat branden (bij sommige versies verschijnen er ook een bericht en een symbool op het
display) om aan te geven dat er een storing in het Fiat CODE systeem is: neem in dat geval zo spoedig
mogelijk contact op met het Fiat Servicenetwerk.
55
Controlelampje Wat het betekent
ESC-SYSTEEM
(voor bepaalde versies/markten)
Als het lampje tijdens het rijden niet uitschakelt of blijft branden (bij sommige versies verschijnen er een
bericht en een symbool op het display), neem dan contact op met het Fiat Servicenetwerk.
Activering ESC-systeem: de activering van het systeem tijdens het rijden wordt aangegeven door het
knipperen van het waarschuwingslampje.
Storing Hill Holder: dit lampje gaat branden (bij sommige versies verschijnen ook een melding en een
symbool op de display) als een storing in Hill Holder systeem optreedt. Neem in dat geval contact op
met het Fiat Servicenetwerk.
Storing Traction Plus: in geval van een storing van het Traction Plus systeem, gaat het ESC
waarschuwingslampje continu branden.
BRANDSTOFRESERVE - BEPERKTE ACTIERADIUS
Dit lampje gaat branden wanneer er nog circa 6 tot 8 liter brandstof in de tank is. Wanneer de resterende
actieradius minder dan ongeveer 50 km (of het equivalent in mijl) bedraagt, verschijnt bij sommige versies
een bericht op het display.
BELANGRIJK Het lampje knippert om te wijzen op een storing in het systeem. Neem in dat geval contact
op met het Fiat Servicenetwerk om het systeem te laten controleren.
56
KENNIS VAN HET INSTRUMENTENPANEEL
Controlelampje Wat het betekent
STORING INSPUIT-/EOBD-SYSTEEM
Het lampje blijft branden of gaat branden tijdens het rijden (bij sommige versies verschijnen er ook een
bericht en een symbool op het display) als het inspuitsysteem niet goed werkt.
Waarschuwingslampje brandt continu: duidt op een storing in het brandstoftoevoer-/
ontstekingssysteem die zou kunnen leiden tot overmatige uitlaatgasemissies, mogelijk prestatieverlies,
slechte rijeigenschappen en een hoog brandstofverbruik. Onder deze omstandigheden kan met gematigde
snelheid verder gereden worden, maar niet op hoge snelheid en zonder te veel van de motor te eisen.
Langdurig gebruik van het voertuig met continu brandend lampje kan schade veroorzaken: neem dus zo
snel mogelijk contact op met het Fiat Servicenetwerk.
Het lampje dooft nadat de storing is verdwenen, maar de storing wordt toch door het systeem in het
geheugen opgeslagen.
Waarschuwingslampje brandt en knippert (alleen benzinemotoren): duidt op mogelijke schade aan
de katalysator. Laat het gaspedaal los om het motortoerental te verlagen tot het lampje stopt met
knipperen. Rijd verder met gematigde snelheid en voorkom rijomstandigheden die kunnen leiden tot het
opnieuw gaan knipperen van het lampje. Neem zo spoedig mogelijk contact op met het Fiat
Servicenetwerk.
30)
BELANGRIJK
30) Ga zo snel mogelijk naar een Fiat Servicepunt als het waarschuwingslampje niet gaat branden wanneer de sleutel naar MAR wordt
gedraaid of tijdens het rijden gaat branden of knipperen (samen met een bericht en een symbool op het display bij sommige versies). De
verkeerspolitie kan de uitlaatgasemissie controleren met behulp van speciale apparatuur. Neem in elk geval de wettelijke voorschriften in acht
van het land waarin wordt gereden.
57
Controlelampje Wat het betekent
STORING VOORGLOEIBOUGIES (Dieselversies)
Het lampje knippert (en bij sommige versies verschijnen er een bericht en een symbool op het display) om
een storing in het voorgloeisysteem aan te geven.
Neem in dit geval zo snel mogelijk contact op met het Fiat Servicenetwerk.
LPG-BRANDSTOFRESERVE (LPG-versies)
(voor bepaalde versies/markten)
Het lampje gaat branden als de resterende hoeveelheid LPG in de tank minder dan 1/5 van de capaciteit
bedraagt. Het display toont tevens een speciaal bericht.
AARDGASRESERVE (Natural Power versies)
Het lampje gaat branden als de resterende hoeveelheid aardgas in de tank minder dan 1/5 van de
capaciteit bedraagt. Het display toont tevens een speciaal bericht.
58
KENNIS VAN HET INSTRUMENTENPANEEL
Controlelampje Wat het betekent
DPF (ROETFILTER) REGENERATIE BEZIG (Alleen dieselversies met DPF)
Het lampje gaat continu branden (bij sommige versies verschijnen er ook een bericht en een symbool op
het display) om de bestuurder te waarschuwen dat het DPF-systeem bezig is met het verwijderen van de
opgehoopte vervuilende deeltjes (roet) middels regeneratie.
Het lampje zal niet bij elk DPF-regeneratieproces branden, maar alleen als de rijomstandigheden van die
aard zijn dat de bestuurder hiervan op de hoogte zou moeten zijn.
Het voertuig moet in beweging blijven tot het regeneratieproces voltooid is, pas dan dooft het lampje.
Een regeneratieproces duurt gemiddeld 15 minuten. De optimale condities voor afronding van het
regeneratieproces worden bereikt door een rijsnelheid van 60 km/u aan te houden met een toerental boven
2000/min.
Als dit lampje gaat branden, wijst dit niet op een storing in het voertuig en dus hoeft het niet naar een
werkplaats worden gebracht. Bij sommige versies verschijnt er, als het lampje gaat branden, ook een
bericht op het display.
31)
BELANGRIJK
31) Pas de voertuigsnelheid altijd aan de verkeers- en weersomstandigheden aan en houd u altijd aan de verkeersregels. De motor afzetten
terwijl het DPF lampje brandt is toegestaan, maar het meermaals onderbreken van het regeneratieproces kan leiden tot voortijdig
kwaliteitsverlies van de motorolie. Daarom wordt het aanbevolen om altijd te wachten tot het lampje is gedoofd voordat de motor wordt
afgezet, door de aanwijzingen hierboven op te volgen. Het wordt sterk afgeraden de DPF-generatie bij stilstaand voertuig te voltooien.
59
Controlelampje Wat het betekent
ALGEMENE STORINGSMELDING
Het lampje gaat onder de volgende omstandigheden branden. Neem in dergelijke gevallen contact op met
het Fiat Servicenetwerk om de storing zo spoedig mogelijk te verhelpen.
Maximumsnelheid overschreden: bij sommige versies worden, wanneer de maximumsnelheid wordt
overschreden, een bericht en een symbool weergegeven, samen met een geluidssignaal;
Interventie/storing afsluiter van brandstoftoevoer
Storing buitenverlichting: het lampje gaat branden wanneer er een storing gedetecteerd wordt in een van
de volgende lichten: dagrijlichten (DRL) (waar aanwezig), stadslichten, richtingaanwijzers, achteruitrijlicht,
mistachterlicht, kentekenverlichting, remlichten (alleen voor versies met multifunctionele display). De storing
kan de volgende oorzaken hebben: een of meer lampen doorgebrand, de betreffende zekering(en)
doorgebrand of elektrische verbinding onderbroken.
Storing van het DST (Dynamic Steering Torque of stuurcorrectie)-systeem
Water in dieselfilter
Storing Stop/Start-systeem
Storing aargasniveausensor (of LPG-niveau)
Tijdelijke of permanente storing City Brake Control - "Collision Mitigation" systeem
Storing regensensor
Storing parkeerhulpsysteem
Storing schemersensor
Storing motoroliedruksensor (bij versies met herconfigureerbaar multifunctioneel display wordt de storing
aangegeven door het branden van het pictogram op het display)
Storing waarschuwingslampje
Bij sommige versies gaat het waarschuwingslampje branden, samen met de weergave van een bericht en
een symbool.
60
KENNIS VAN HET INSTRUMENTENPANEEL
Groene controlelampjes
Controlelampje Wat het betekent
GEEN LPG (of AARDGAS) MEER (LPG of Natural Power versies)
Het controlelampje gaat branden (en er verschijnt een bericht op het display) als er een storing wordt
gedetecteerd in de LPG-niveausensor (LPG-versies) of de aardgasniveausensor (Natural Power versies). In
dit geval zal de brandstoftoevoer automatisch naar benzine overschakelen.
STADSLICHT EN DIMLICHT/FOLLOW ME HOME
Het lampje gaat branden wanneer het stadslicht of het dimlicht wordt ingeschakeld.
Follow me home: het lampje gaat branden (bij sommige versies verschijnen er ook een bericht en een
symbool op het display) wanneer deze voorziening wordt gebruikt. Het display toont tevens de tijd die voor
deze functies is ingesteld (in seconden).
AUTOMATISCH GROOTLICHT
Dit lampje gaat branden wanneer het grootlicht automatisch wordt ingeschakeld.
MISTLAMPEN
Dit lampje gaat branden wanneer de mistlampen voor worden ingeschakeld.
RICHTINGAANWIJZER LINKS
Het lampje gaat branden wanneer de richtingaanwijzerhendel omlaag wordt gezet of, samen met de
rechter richtingaanwijzer, wanneer de knop voor de alarmknipperlichten wordt ingedrukt.
RICHTINGAANWIJZER RECHTS
Het lampje gaat branden wanneer de richtingaanwijzerhendel omhoog wordt verplaatst of, samen met de
linker richtingaanwijzer, wanneer de knop voor de alarmknipperlichten wordt ingedrukt.
61
Controlelampje Wat het betekent
"DUALDRIVE" ELEKTRISCHE STUURBEKRACHTIGING AAN
(voor bepaalde versies/markten)
De inschakeling van de "Dualdrive" elektrische stuurbekrachtiging wordt gemeld door het branden van de
led in de knop op het instrumentenpaneel en door weergave van het woord CITY (bij sommige versies
wordt dit gemeld door weergave van het CITY-bericht). Wanneer de stuurbekrachtiging wordt
uitgeschakeld, verdwijnt het CITY-bericht.
CRUISE CONTROL
(voor bepaalde versies/markten)
Het waarschuwingslampje gaat branden wanneer de draaiknop van de cruise-control naar
wordt
gedraaid. Bij sommige versies verschijnt er een bericht op het display bij inschakeling/uitschakeling van het
systeem.
SPEED LIMITER
(voor bepaalde versies/markten)
Inschakeling: het waarschuwingslampje gaat branden wanneer de draaiknop van de cruise-control naar
wordt gedraaid. Bij sommige versies wordt de inschakeling van het systeem aangegeven met een
bericht en een symbool op het display en een aanduiding van de laatste opgeslagen voertuigsnelheid.
Uitschakeling: de uitschakeling van het systeem wordt aangegeven door het doven van het
lampje
op het instrumentenpaneel en, bij sommige versies, door de weergave van een bericht en het
symbool.
Blauwe controlelampjes
Controlelampje Wat het betekent
GROOTLICHT
Het lampje gaat branden wanneer het grootlicht wordt ingeschakeld.
62
KENNIS VAN HET INSTRUMENTENPANEEL
SYMBOLEN EN MELDINGEN OP HET DISPLAY
Controlelampje Wat het betekent
STORING DUALOGIC VERSNELLINGSBAK
(voor bepaalde versies/markten)
Het symbool wordt op het display weergegeven, samen met een speciaal bericht en een geluidssignaal,
wanneer er een storing in de versnellingsbak wordt gedetecteerd.
Het display toont tevens de berichten voor:
terugschakelverzoek;
handmatige (of automatische) rijmodus onmogelijk;
koppeling oververhit;
vertraagde start/bediening van het rempedaal;
bediening rempedaal en herhaling van de manoeuvre
versnelling niet beschikbaar;
manoeuvre niet toegestaan;
versnellingspook in de vrijstand.
32) 33) 34)
BELANGRIJK
32) Neem bij een storing van de versnellingsbak zo snel mogelijk contact op met het Fiat Servicenetwerk om het systeem te laten controleren.
33) Neem contact op met het Servicenetwerk als de berichten op het display blijven verschijnen.
34) Gebruik, om de werking van de koppeling te beschermen, het gaspedaal niet om de auto stil te houden (bijv. als men op een helling is
gestopt). De koppeling kan dan oververhit en beschadigd raken; gebruik in dit geval het rempedaal en bedien het gaspedaal alleen als u
gereed bent om weg te rijden.
63
Bericht op display
KANS OP GLAD WEGDEK
Het symbool gaat branden (en er verschijnt een speciaal bericht op het display) wanneer
de buitentemperatuur lager dan of gelijk is aan 3°C. In geval van een storing van de
buitentemperatuursensor, worden de cijfers die de waarde aangegeven door streepjes
vervangen.
STORING LPG-TOEVOERSYSTEEM
Het symbool en het bijbehorende bericht verschijnen op het display als het LPG-
toevoersysteem defect is.
STORING AARDGASTOEVOERSYSTEEM
Het symbool en het bijbehorende bericht verschijnen op het display als het
aardgastoevoersysteem defect is.
GEAR SHIFT INDICATOR
De symbolen worden weergegeven om de bestuurder te adviseren om op te schakelen of
terug te schakelen.
TRACTION PLUS SYSTEEM
Inschakeling/uitschakeling systeem: dit wordt aangegeven door een bericht op het
display.
ASR-SYSTEEM
Inschakeling systeem: dit wordt aangegeven door een bericht op het display.
Uitschakeling systeem: dit wordt aangegeven door een bericht op het display (bij
sommige versies wordt ook een symbool weergegeven).
ECO-FUNCTIE
Inschakeling/uitschakeling functie: dit wordt aangegeven door een bericht op het
display.
64
KENNIS VAN HET INSTRUMENTENPANEEL
Bericht op display
STOP/START-SYSTEEM
Inschakeling systeem: dit wordt aangegeven door een bericht op het display.
Uitschakeling systeem: dit wordt aangegeven door een bericht op het display. Bij
sommige versies wordt ook het symbool
weergegeven.
Systeemstoring
Versies met multifunctioneel display: wordt aangegeven door het branden van het
waarschuwingslampje
op het instrumentenpaneel en een bericht op het display.
Versies met herconfigureerbaar multifunctioneel display: wordt aangegeven door het
symbool
en een speciaal bericht op het display.
Neem contact op met het Fiat Servicenetwerk als een storing in het Stop/Start-systeem
optreedt.
SERVICE
GEPROGRAMMEERD ONDERHOUD (SERVICE)
Wanneer het onderhoudsinterval bijna is vervallen, verschijnt het bericht "Service" op het
display, gevolgd door het aantal resterende kilometers of mijlen. Dit wordt automatisch
weergegeven, met de contactsleutel op MAR, 2000 km (of het equivalent in mijlen) vóór de
onderhoudsbeurt of, daar waar mogelijk, 30 dagen vóór de onderhoudsbeurt. Dit wordt
ook weergegeven wanneer de sleutel naar MAR wordt gedraaid of, voor bepaalde versies/
markten, om de 200 km (of het equivalent in mijlen).
Neem contact op met het Fiat Servicenetwerk om de werkzaamheden van het
"Geprogrammeerd onderhoudsschema" te laten verrichten en het bericht te resetten.
65
LED OP DASHBOARDBEKLEDING
Controlelampje Wat het betekent
PASSAGIERSAIRBAG/ZIJAIRBAGS UITGESCHAKELD
(voor bepaalde versies/markten)
De led bevindt zich op het instrumentenpaneel en gaat aan als de frontairbag en de zijairbag aan
passagierszijde worden uitgeschakeld.
Wanneer bij ingeschakelde frontairbag aan passagierszijde de contactsleutel naar MAR wordt gedraaid,
gaat de led
enkele seconden continu branden, waarna hij moet doven. 35)
BELANGRIJK
35) De led geeft eventuele storingen van de waarschuwingslampjes aan. Deze toestand wordt gemeld door het langer dan 4
seconden knipperen van de led
. In dat geval kan het lampje mogelijk geen storingen in de veiligheidssystemen aangeven. Laat het
systeem controleren door het Fiat Servicenetwerk alvorens verder te rijden.
66
KENNIS VAN HET INSTRUMENTENPANEEL
VEILIGHEID
Dit hoofdstuk is bijzonder belangrijk.
Hierin worden de veiligheidssystemen
beschreven waarmee het voertuig is
uitgerust en aanwijzingen over hoe deze
op de juiste wijze gebruikt moeten
worden.
ACTIEVE VEILIGHEIDSSYSTEMEN . 68
RIJHULPSYSTEMEN ...................... 71
BESCHERMINGSSYSTEMEN
INZITTENDEN ................................. 75
VEILIGHEIDSGORDELS .................. 76
SBR-SYSTEEM (SEAT BELT
REMINDER) .................................... 77
GORDELSPANNERS....................... 78
KINDERZITJES ............................... 80
AANVULLEND
VEILIGHEIDSSYSTEEM (SRS) -
AIRBAGS ........................................ 91
67
ACTIEVE
VEILIGHEIDSSYSTEMEN
ABS (Anti-lock Braking
System)
44) 45) 46) 47) 48) 49) 50)
Dit systeem, dat deel uitmaakt van het
remsysteem, voorkomt het blokkeren of
slippen van een of meerdere wielen op
alle soorten wegdek en ongeacht de
kracht van de remwerking, zodat het
voertuig ook tijdens paniekremmen
onder controle gehouden kan worden
en de remweg wordt geoptimaliseerd.
Het ABS omvat tevens de volgende
systemen: EBD (Electronic Braking
Force Distribution), MSR (Motor
Schleppmoment Regelung) en HBA
(Hydraulic Brake Assist).
51) 52) 53)
BELANGRIJK Een inrijperiode van circa
500 km is vereist om het beste uit het
remsysteem te halen: vermijd tijdens
deze periode bruusk, herhaaldelijk
of langdurig remmen.
Ingreep van het systeem
De bestuurder kan merken wanneer het
ABS in werking treedt omdat het
rempedaal iets pulseert en het systeem
meer geluid maakt: dit is volkomen
normaal wanneer het systeem in
werking treedt.
ESC-SYSTEEM
(Electronic Stability
Control)
54) 55) 56) 57) 58) 59)
Het ESC-systeem verbetert de controle
over de richting en stabiliteit van het
voertuig in verschillende
rijomstandigheden, door onderstuur en
overstuur te corrigeren, door de
remkracht op de betreffende wielen te
verdelen.
Ingreep van het systeem
De ingreep van het systeem wordt
aangegeven door het knipperen van het
lampje ESC op het
instrumentenpaneel, om de bestuurder
te waarschuwen dat de stabiliteit en
de grip van het voertuig kritiek zijn.
Inschakeling van het systeem
Het ESC-systeem wordt automatisch
ingeschakeld wanneer de motor wordt
gestart; het kan niet worden
uitgeschakeld.
HH-SYSTEEM (Hill
Holder)
60) 61)
Dit systeem is een onderdeel van het
ESC systeem en helpt de bestuurder bij
het wegrijden op een helling.
In de volgende gevallen wordt het
systeem automatisch ingeschakeld:
op een helling: als het voertuig auto
stilstaat op een weg met een
hellingsgraad van meer dan 5% met
draaiende motor, ingetrapt rempedaal
en de versnellingsbak in de vrijstand
of met ingeschakelde versnelling
(andere dan achteruit);
op een afdaling: als het voertuig
stilstaat op een weg met een
hellingspercentage van meer dan 5%
met draaiende motor, ingetrapt
rempedaal en de versnellingsbak in de
achteruit geschakeld.
ASR-SYSTEEM (AntiSlip
Regulation)
Het ASR-systeem grijpt automatisch in
als één of beide aandrijfwielen slippen,
grip verliezen op natte wegen
(aquaplaning) en bij het optrekken op
glad, besneeuwd of met ijzel bedekt
wegdek, enz.
68
VEILIGHEID
Inschakeling/uitschakeling van het
ASR-systeem
Het systeem schakelt automatisch in
wanneer de motor wordt gestart.
Tijdens het rijden kan het ASR
uitgeschakeld en vervolgens weer
ingeschakeld worden door op knop
ASR OFF fig. 60 te drukken.
DST (Dynamic Steering
Torque of
stuurcorrectie)-systeem
62)
De DST-functie (stuurcorrectie) gebruikt
de integratie van het ESC-systeem in
de elektrische stuurbekrachtiging om
het veiligheidsniveau van de gehele
auto te verhogen. In kritieke situaties
(onderstuur, overstuur, remmen onder
verschillende gripomstandigheden)
regelt het ESC-systeem via de
DST-functie de besturing om een
aanvullend koppel op het stuurwiel toe
te passen, waarmee aan de bestuurder
de meest correcte manoeuvre wordt
voorgesteld.
ERM-SYSTEEM
(Electronic Rollover
Mitigation)
63)
Het systeem controleert de neiging van
de wielen om van de grond te komen
als de bestuurder extreme manoeuvres
uitvoert zoals snel bijsturen om een
obstakel te vermijden, met name onder
omstandigheden van een slecht
wegdek.
Als dergelijke omstandigheden zich
voordoen, grijpt het systeem in op de
remmen en het motorvermogen om de
mogelijkheid dat de wielen van de
grond komen te beperken. Het is niet
mogelijk om de neiging tot over de kop
slaan te voorkomen als het fenomeen
te wijten is aan redenen zoals rijden op
steile hellingen, botsing tegen
voorwerpen of andere voertuigen.
BELANGRIJK
44) Wanneer het ABS in werking treedt en
u het rempedaal voelt trillen, moet u de
druk niet verminderen, maar het pedaal
stevig ingetrapt houden; op die manier
wordt de kortst mogelijke remweg
verkregen, afhankelijk van de huidige
wegcondities.
45) Om maximale efficiëntie van het
remsysteem te verkrijgen, is er een
inrijperiode van ongeveer 500 km nodig:
tijdens deze periode is het beter om
bruusk, herhaaldelijk en langdurig remmen
te vermijden.
46) Als het ABS-systeem in werking treedt,
betekent dit dat de grip van de wielen op
het wegdek beperkt is. U moet afremmen
tot een snelheid die compatibel is met
de beschikbare grip.
47) Het ABS kan niet de door het wegdek
geboden grip boven de limieten van de
natuurkundige wetten laten toenemen.
48) Het ABS kan geen ongelukken
voorkomen, waaronder ongelukken
wegens overmatige snelheid in bochten,
rijden op wegdek met weinig grip of
aquaplaning.
49) De capaciteiten van het ABS mogen
nooit op onverantwoorde en gevaarlijke
wijze worden uitgetest, waardoor de
persoonlijke veiligheid en die van anderen
in gevaar komt.
60
F0Y0164C
69
50) Voor een goede werking van het ABS is
het van essentieel belang dat de banden
van alle wielen van hetzelfde merk en type
zijn, in perfecte conditie verkeren en vooral
van het voorgeschreven type en maat
zijn.
51) Het HBA-systeem kan niet de door het
wegdek geboden grip boven de limieten
van de natuurkundige wetten laten
toenemen: rijd altijd voorzichtig in
overeenstemming met de condities van het
wegdek.
52) Het HBA-systeem kan geen
ongelukken voorkomen, waaronder
ongelukken wegens overmatige snelheid in
bochten, rijden op wegdek met weinig
grip of aquaplaning.
53) Het HBA-systeem is een ondersteuning
voor de bestuurder die altijd zijn volle
aandacht bij het rijden moet houden. De
uiteindelijke verantwoordelijkheid ligt altijd
bij de bestuurder. De capaciteiten van
het HBA-systeem mogen nooit op
onverantwoorde en gevaarlijke wijze
worden uitgetest, waardoor de veiligheid
van de bestuurder, de overige inzittenden
van de auto en andere weggebruikers
in gevaar komt.
54) Het ESC-systeem kan niet de door het
wegdek geboden grip boven de limieten
van de natuurkundige wetten laten
toenemen.
55) Het ESC-systeem kan geen
ongelukken voorkomen, waaronder
ongelukken wegens overmatige snelheid in
bochten, rijden op wegdek met weinig
grip of aquaplaning.
56) De capaciteiten van het ESC-systeem
mogen nooit op onverantwoorde en
gevaarlijke wijze worden uitgetest,
waardoor de veiligheid van de bestuurder,
de overige inzittenden van de auto en
andere weggebruikers in gevaar komt
57) Voor een goede werking van de ESC-
en ASR-systemen is het van groot belang
dat de banden van alle wielen van hetzelfde
merk en type zijn, dat ze in perfecte staat
verkeren en vooral van het aanbevolen
type, merk en maat zijn.
58) De prestaties van het ESC- en het
ASR-systeem mogen de bestuurder er niet
toe aanmoedigen om onnodige risico's te
nemen. Uw rijstijl moet altijd aangepast zijn
aan de wegcondities, het zicht en het
verkeer. De bestuurder is in elk geval
verantwoordelijk voor een veilige rijstijl.
59) Het ESC werkt ook wanneer het
noodreservewiel wordt gebruikt. Onthoud
altijd dat het noodreservewiel kleiner is dan
de originele band waardoor minder grip
wordt geboden.
60) Het Hill Holder-systeem is geen
parkeerrem; laat de auto dus nooit achter
zonder de handrem aan te trekken, de
motor af te zetten en de eerste versnelling
in te schakelen, zodat het voertuig onder
veilige omstandigheden is geparkeerd (lees
voor meer informatie de paragraaf
"Parkeren" in het hoofdstuk "Starten en
rijden".
61) Er kunnen situaties op kleine hellingen
(minder dan 5%) voorkomen waarin, bij
beladen auto, het Hill Holder-systeem niet
in werking treedt en de auto zich iets
naar achteren verplaatst, waardoor het
risico op een botsing met een ander
voertuig of voorwerp toeneemt. De
bestuurder is in elk geval verantwoordelijk
voor een veilige rijstijl.
62) Het DST-systeem dient als hulp voor
de bestuurder en ontslaat hem/haar niet
van de verantwoordelijkheid voor het
besturen van het voertuig.
63) De prestaties van een voertuig met
ERM mogen nooit op onvoorzichtige of
gevaarlijke manier getest worden, met de
mogelijkheid dat de veiligheid van de
bestuurder of andere mensen in gevaar
komt.
70
VEILIGHEID
RIJHULPSYSTEMEN
Het voertuig is voorzien van de
volgende actieve
veiligheidsvoorzieningen:
Traction Plus;
City Brake Control - "Collision
Mitigation";
iTPMS.
Zie de volgende pagina's voor de
beschrijving van de werking van deze
systemen.
TRACTION PLUS
SYSTEEM
(voor bepaalde versies/markten)
Het systeem werkt als een rijhulpmiddel
bij het wegrijden en optrekken op
wegen met slechte grip (sneeuw, ijs,
modder, enz.) dat de aandrijfkracht
optimaal over de vooras verdeelt.
Het systeem remt de wielen met
slechte grip (of de wielen die meer
slippen dan de andere) om de
aandrijfkracht op de wielen met de
beste grip op het terrein over te
brengen.
De inschakeling van het Traction Plus
systeem veroorzaakt het effect van
de differentieelblokkering op de vooras,
via het remsysteem, om de tractie op
onregelmatig wegdek te verbeteren.
Wanneer de motor gestart wordt, wordt
het systeem uitgeschakeld.
Inschakeling systeem: druk op de
knop T+ fig. 61 : de led op de knop
gaat branden en op het display
verschijnt een speciaal bericht. Het
systeem werkt bij snelheden onder de
30 km/h: wanneer deze snelheid wordt
overschreden, wordt het automatisch
uitgeschakeld (de led op de knop
blijft branden); zodra de snelheid onder
de 30 km/h zakt, wordt het systeem
weer ingeschakeld.
Uitschakeling systeem: druk, om het
eenmaal ingeschakelde systeem weer
uit te schakelen, nogmaals op de
knop T+.
CITY BRAKE CONTROL -
"Collision Mitigation"
SYSTEEM
(voor bepaalde versies/markten)
64) 65) 66) 67) 68)
36) 37) 38) 39) 40) 41) 42) 43)
Dit is een rijhulpsysteem dat voorzien is
van een lasersensor, die zich aan de
bovenkant van de voorruit fig.
62bevindt en die de aanwezigheid van
vooroprijdende voertuigen detecteert.
In het geval van een dreigende botsing
grijpt het systeem in door de auto
automatisch af te remmen om een
botsing te voorkomen of de gevolgen
daarvan te beperken.
Het systeem werkt alleen als:
de contactsleutel naar MAR is
gedraaid;
de voertuigsnelheid tussen 5 en
30 km/h ligt;
61
F0Y0248C
62
F0Y0200C
71
een vooruitversnelling is
ingeschakeld;
de veiligheidsgordels van de
voorstoelen zijn omgelegd.
Het systeem kan in elk geval
uitgeschakeld (en vervolgens
ingeschakeld) worden via het display
van het Setup-menu.
Het systeem grijpt in als er een gevaar
is van een dreigende botsing en de
bestuurder het rempedaal niet direct
intrapt.
Als het systeem detecteert dat het
vooroprijdende voertuig geraakt kan
worden, kan het de auto voor mogelijk
noodremmen voorbereiden.
Als de bestuurder geen enkele actie
onderneemt om de aanrijding te
voorkomen, zal het systeem het
voertuig automatisch afremmen, als
voorbereiding op een mogelijke botsing.
Versies met Start&Stop systeem:
na afloop van de automatische
remwerking, wordt het Start&Stop
systeem ingeschakeld.
Versies uitgerust met
handgeschakelde versnellingsbak:
na afloop van de automatische
remwerking kan de motor haperen en
afslaan, tenzij het koppelingspedaal
wordt ingetrapt.
Versies uitgerust met Dualogic
automatische versnellingsbak (voor
bepaalde versies/markten): na afloop
van de remingreep blijft de laatst
opgeslagen versnelling ingeschakeld.
BELANGRIJK Nadat het voertuig
gestopt is, kunnen de remklauwen
ongeveer 2 seconden geblokkeerd
worden om veiligheidsredenen. Zorg
ervoor dat u het rempedaal intrapt als
de auto iets vooruit mocht rijden.
Rijden onder bijzondere
omstandigheden
Onder bepaalde rijomstandigheden
zoals bijvoorbeeld: rijden in een bocht
(zie fig. 63) / kleine voertuigen en/of
voertuigen niet uitgelijnd met de
rijstrook (zie fig. 64) / rijstrookwissel van
andere voertuigen (zie fig. 65), kan de
werking van het systeem onverwacht of
vertraagd zijn. Besteed uiterste
aandacht en houd de controle over het
voertuig om in alle veiligheid te blijven
rijden.
63
F0Y0320C
64
F0Y0321C
65
F0Y0322C
72
VEILIGHEID
Het iTPMS controleert de toestand van
de bandenspanning via de
wielsnelheidssensoren. Het systeem
waarschuwt de bestuurder als een
of meer banden leeg zijn met een
iTPMS (indirect Tyre
Pressure Monitoring
System)
(voor bepaalde versies/markten)
44) 45) 46) 47) 48) 49)
waarschuwingslampje
op het
instrumentenpaneel en een
waarschuwingsbericht op het display,
samen met een geluidssignaal.
Als slechts een band leeg is, kan het
systeem aangeven om welke band het
gaat: het wordt in elk geval aanbevolen
om de spanning van alle vier de banden
te controleren.
Deze aanduiding wordt ook
weergegeven nadat de motor wordt
afgezet en weer gestart wordt, zolang
de resetprocedure niet wordt
uitgevoerd.
Resetprocedure
Het iTPMS-systeem heeft een
"inleerfase" nodig (met een duur die
afhangt van de rijstijl en de
wegomstandigheden: onder optimale
omstandigheden wordt gereden op een
rechte weg met 80 km/h gedurende
minstens 20 minuten) die begint
wanneer de resetprocedure wordt
uitgevoerd.
wanneer ook slechts een wiel
verwisseld wordt;
wanneer de banden worden gedraaid
of omgewisseld;
wanneer het noodreservewiel wordt
gemonteerd.
Pomp, voordat de resetprocedure
wordt uitgevoerd, de banden tot de
juiste bandenspanning op, vermeld in
de bandenspanningstabel (zie de
paragraaf "Wielen" in het hoofdstuk
"Technische gegevens").
Als de resetprocedure niet wordt
uitgevoerd in alle bovenstaande
gevallen, kan het waarschuwingslampje
verkeerde aanduidingen over een
of meer banden geven.
Om de resetprocedure uit te voeren, bij
stilstaand voertuig en de contactsleutel
op MAR, het Setup-menu als volgt
gebruiken:
druk kort op de knop
:ophet
display verschijnt "Reset";
druk op de knop
of de knop
om te selecteren ("Ja" of "Nee");
druk kort op de knop
:ophet
display verschijnt "Bevestigen";
druk op de knop
of om te
selecteren ("Ja" om te resetten of "Nee"
om het scherm te verlaten);
houd de knop
opnieuw ingedrukt
om terug te keren naar het
standaardscherm of het hoofdmenu,
afhankelijk van waar men zich bevindt
binnen het menu.
Na afronding van de resetprocedure
verschijnt op het display een bericht dat
aangeeft dat de inleerprocedure is
gestart.
Werkingscondities
Het systeem is actief bij snelheden
boven 15 km/h. In enkele situaties zoals
sportief rijden, bijzondere toestand van
het wegdek (bijv. ijs, sneeuw,
onverharde wegen) kan de signalering
vertraagd zijn of kan het gelijktijdige
spanningsverlies van meer dan een
band slechts gedeeltelijk gedetecteerd
worden.
Onder speciale omstandigheden (bijv.
voertuig asymmetrisch beladen aan één
kant, trekken van een aanhanger,
beschadigde of versleten band,
montage van het noodreservewiel,
gebruik van de "Fix&Go Automatic" kit,
gebruik van sneeuwkettingen,
verschillende banden op de assen
gemonteerd) kan het systeem onjuiste
indicaties geven of tijdelijk
uitgeschakeld worden.
73
De resetprocedure moet worden
uitgevoerd:
elke keer dat de bandenspanning
wordt gewijzigd;
F0Y0777C
Als het systeem tijdelijk uitgeschakeld
is, knippert het waarschuwingslampje
ongeveer 75 seconden en blijft
daarna vast branden; tegelijkertijd
wordt op het display een speciaal
bericht weergegeven. Deze aanduiding
wordt ook aangegeven na het afzetten
en opnieuw starten van de motor, als
de correcte werkingscondities niet
hersteld worden.
BELANGRIJK
64) Het systeem is een ondersteuning voor
de bestuurder die altijd zijn volle aandacht
bij het rijden moet houden. De
verantwoordelijkheid ligt altijd bij de
bestuurder, die rekening moet houden met
de verkeersomstandigheden om in alle
veiligheid te kunnen rijden. De bestuurder
dient altijd een veilige afstand tot het
vooroprijdende voertuig aan te houden.
65) Als de bestuurder het rempedaal
volledig intrapt of een snelle stuurbeweging
maakt tijdens de werking van het systeem,
kan de automatische remfunctie
onderbroken worden (bijv. om een
eventuele manoeuvre mogelijk te maken
om een obstakel te vermijden).
66) De laserstraal is niet zichtbaar voor het
naakte oog. Kijk niet rechtstreeks, of met
optische instrumenten (bijv. lenzen), in
de laserstraal vanaf een afstand korter dan
10 cm: dit kan tot oogletsel leiden. De
laserstraal is ook aanwezig als de sleutel op
MAR staat, maar dan werkt hij niet, is hij
niet beschikbaar of handmatig
uitgeschakeld via het Setup-menu.
67) Het systeem grijpt in bij voertuigen die
op dezelfde rijstrook rijden. Kleine
voertuigen (bijv. fietsen of motorfietsen) of
mensen, dieren en voorwerpen (bijv.
rolstoelen) en meer in het algemeen alle
obstakels die het door de laser
uitgezonden licht beperkt reflecteren (bijv.
voertuigen die bevuild zijn met modder)
worden niet in aanmerking genomen.
68) Als het voertuig op een rollenbank
geplaatst moet worden (op een snelheid
van 5 tot 30 km/h) voor
onderhoudswerkzaamheden of als het
gewassen wordt in een automatische
wastunnel met een obstakel ervoor (bijv.
een ander voertuig, een muur of een ander
obstakel), dan kan het systeem dit
detecteren en geactiveerd worden. In dat
geval moet het systeem uitgeschakeld
worden via het display van het Setup-
menu.
BELANGRIJK
36) De werking van de lasersensor kan
beperkt worden of afwezig zijn als gevolg
van de weersomstandigheden, zoals:
zware regen, hagel, dichte mist, zware
sneeuwval, ijsvorming op de voorruit.
37) De werking van de sensor kan ook
worden verstoord door de aanwezigheid
van stof, condens, vuil of ijs op de voorruit,
door de verkeersomstandigheden (bijv.
voertuigen die niet in lijn met uw voertuig
rijden, overstekende voertuigen of
tegenliggers die op dezelfde rijbaan rijden,
korte bochten), alsook door de rij- en
wegdekomstandigheden (bijv. rijden op
onverharde wegen). Zorg ervoor dat de
voorruit altijd schoon is. Gebruik speciale
reinigingsmiddelen en schone doeken
om te voorkomen dat er krassen op de
voorruit komen. De werking van de sensor
kan ook beperkt worden of afwezig zijn
onder bepaalde rij-, verkeers- en
wegdekomstandigheden.
38) Uitstekende ladingen op het dak van
het voertuig kunnen de werking van de
sensor verstoren. Controleer vóór het
wegrijden of de lading goed geplaatst is en
of het werkingsbereik van de sensor niet
afgedekt is.
39) Als de voorruit vervangen moet worden
vanwege krassen, steenslag of breuk,
neem dan uitsluitend contact op met het
Fiat Servicenetwerk. Vervang de voorruit
niet zelf, gevaar van storingen! Het wordt
aanbevolen de voorruit te laten vervangen
als deze in de buurt van de lasersensor
beschadigd is.
40) Knoei niet aan de sensor en voer er
geen werkzaamheden aan uit. Dek de
openingen in het sierdeksel onder de
achteruitkijkspiegel niet af. Neem in geval
van een storing van de sensor contact
op met het Fiat Servicenetwerk.
74
VEILIGHEID
41) Als op wegen met bomen met
uitstekende takken wordt gereden, wordt
geadviseerd om het systeem uit te
schakelen om te voorkomen dat takken ter
hoogte van de motorkap of de voorruit
het systeem hinderen.
42) Dek het werkingsbereik van de sensor
niet af met stickers of andere voorwerpen.
Let ook op andere voorwerpen op de
motorkap (bijv. een laag sneeuw) en zorg
ervoor dat deze het door de laser
verzonden licht niet hinderen.
43) Als een aanhanger of een voertuig
wordt getrokken/gesleept, moet het
systeem uitgeschakeld worden met behulp
van het Setup-menu op het display.
44) Als het systeem een spanningsafname
van een bepaalde band aangeeft, wordt
geadviseerd om de spanning van alle vier
de banden te controleren.
45) Het iTPMS ontslaat de bestuurder niet
van de verplichting om de bandenspanning
elke maand te controleren en mag niet
beschouwd worden als een systeem dat
het onderhoud of een veiligheidssysteem
vervangt.
46) Het iTPMS is niet in staat om een
plotselinge spanningsdaling aan te geven
(bijvoorbeeld een klapband). Breng in
dat geval het voertuig voorzichtig remmend
tot stilstand en vermijd bruuske
stuurbewegingen.
47) Het iTPMS waarschuwt alleen dat de
bandenspanning laag is: het is niet in staat
om de banden op te pompen.
48) Onvoldoende bandenspanning leidt tot
meer brandstofverbruik, verkort de
levensduur van het loopvlak en kan van
invloed zijn op het vermogen om het
voertuig op veilige wijze te besturen.
49) De bandenspanning moet bij koude
banden gecontroleerd worden. Als de
bandenspanning om welke reden dan ook
bij warme banden moet worden
gecontroleerd, dan mag de spanning niet
worden verlaagd, ook wanneer de
gemeten waarde hoger is dan de
voorgeschreven waarde. Controleer de
bandenspanning nadien nogmaals bij
koude banden.
BESCHERMINGS-
INZITTENDEN
De belangrijkste veiligheidsuitrusting
van het voertuig omvat de volgende
beschermingssystemen:
veiligheidsgordels;
SBR-systeem (Seat Belt Reminder);
hoofdsteunen;
kinderzitjes;
frontairbags en zijairbags.
Lees de informatie vermeld op de
volgende pagina's uiterst aandachtig
door. Het is van fundamenteel belang
dat de beschermingssystemen op
de juiste manier gebruikt worden om
het maximaal mogelijke
veiligheidsniveau voor de bestuurder en
de passagiers te garanderen.
Zie voor de verstelling van de
hoofdsteunen paragraaf
"Hoofdsteunen" in het hoofdstuk
"Kennismaking met het voertuig".
75
SYSTEMEN
VEILIGHEIDSGORDELS
69) 70)
GEBRUIK VAN DE
VEILIGHEIDSGORDELS
De bestuurder moet zich aan alle
plaatselijke wettelijke voorschriften met
betrekking tot de verplichting en de
manier waarop de gordel wordt
gebruikt houden en moet er ook voor
zorgen dat andere inzittenden van
het voertuig deze voorschriften naleven.
Leg de veiligheidsgordel altijd om
alvorens weg te rijden.
De veiligheidsgordel moet omgelegd
worden terwijl men goed rechtop, met
de rug tegen de rugleuning zit.
Pak, om de gordel om te leggen, de
gesp A fig. 66 en steek deze in de
sluiting B, totdat de klik van het
vergrendelen wordt gehoord.
Als tijdens het uittrekken de gordel blijft
blokkeren, laat hem dan een stukje
teruglopen en trek hem vervolgens
langzaam uit.
Druk, om de gordel los te maken, op
knop C en begeleid de gordel tijdens
het teruglopen met de hand, zodat
hij niet draait.
De oprolautomaat kan blokkeren als het
voertuig op een steile helling staat: dit
is normaal. Bovendien blokkeert de
oprolautomaat als de gordel snel word
uitgetrokken of bij hard remmen,
botsingen en bij bochten die op hoge
snelheid worden genomen.
De achterbank is voorzien van
driepuntsveiligheidsgordels met
oprolautomaat. Leg de achterste
veiligheidsgordels om zoals getoond in
fig. 67.
BELANGRIJK Wanneer de achterbank
vanuit ingeklapte stand teruggezet
wordt in de stand voor normaal
gebruik, zorg er dan voor dat de
veiligheidsgordels goed geplaatst zijn,
zodat ze altijd beschikbaar zijn.
500L LIVING versies met 7
zitplaatsen
De stoelen op de derde rij zijn voorzien
van driepuntsveiligheidsgordels met
oprolautomaat. Leg de achterste
veiligheidsgordels om zoals getoond in
fig. 68.
PRO versies
Het voertuig is uitgerust met een
achterbank voor slechts twee
inzittenden (zie fig. 69) met
driepuntsveiligheidsgordels en
oprolautomaat.
66
F0Y0085C
67
F0Y0086C
68
F0Y0379C
76
VEILIGHEID
BELANGRIJK
69) Druk nooit op knop C fig. 66 tijdens het
rijden.
70) Onthoud dat passagiers op de
achterbank die geen gordel dragen bij een
heftige botsing blootgesteld worden aan
een groot risico en bovendien een gevaar
opleveren voor de inzittenden voorin.
SBR-SYSTEEM (Seat
Belt Reminder)
Dit systeem bestaat uit een voorziening
die, samen met het lampje
op het
instrumentenpaneel fig. 70 (eerst
continu brandend met continu
geluidssignaal en daarna knipperend
met intermitterend geluidssignaal),
de bestuurder en de passagier op de
voorstoel waarschuwt als hun
veiligheidsgordels niet zijn omgelegd.
Om het geluidssignaal permanent
te laten uitschakelen, moet men zich tot
een werkplaats van het Fiat
Servicenetwerk wenden. Het
geluidssignaal kan te allen tijde via het
display van het Setup-menu weer
ingeschakeld worden.
BESTUURDER
Als de bestuurder de enige inzittende is
en de gordel niet is omgelegd, dan
wordt bij het overschrijden van 20 km/u
of wanneer langer dan 5 seconden
met een snelheid van 10 à 20 km/u
wordt gereden een akoestische
waarschuwingscyclus (voorstoelen)
gestart, met een 6 seconden durend
geluidssignaal gevolgd door een extra
biepsignaal van 90 seconden. Het
waarschuwingslampje
knippert.
Het lampje blijft continu branden aan
het einde van de cyclus tot de motor is
afgezet. Het geluidssignaal houdt
meteen op wanneer de bestuurder zijn
gordel omlegt en het lampje zal doven.
De waarschuwingscyclus (akoestisch
en visueel) wordt herhaald zoals
hierboven beschreven als de
veiligheidsgordel tijdens het rijden wordt
losgemaakt.
69
F0Y0792C
70
F0Y0116C
77
Als beide voorste veiligheidsgordels
worden losgemaakt terwijl de auto rijdt
en binnen een paar seconden na
elkaar, hebben het geluidssignaal en
het aangaan van het
waarschuwingslampje betrekking op de
laatste gebeurtenis.
GORDELSPANNERS
71) 72) 73) 74) 50)
Het voertuig is uitgerust met
veiligheidsgordels voor met
gordelspanners die bij een heftige
frontale botsing de gordel enige
centimeters aantrekken. Op die manier
worden de inzittenden veel beter op
hun plaats gehouden en wordt de
voorwaartse beweging geperkt.
Het blijkt dat de gordelspanners
hebben gewerkt als de gordel niet meer
opgerold wordt.
Het voertuig is ook uitgerust met een
tweede gordelspanner (gemonteerd bij
de dorpellijst). De activering hiervan
kan herkend worden aan de verkorting
van de metalen kabel.
Tijdens de inwerkingtreding van de
gordelspanner kan er wat rook
ontsnappen. Deze rook is niet
schadelijk en duidt niet op brandgevaar.
De gordelspanner behoeft geen
onderhoud of smering: elke verandering
van de oorspronkelijke conditie zal de
werking ervan benadelen.
Als de gordelspanner door
uitzonderlijke natuurlijke gebeurtenissen
(bijv. overstromingen, vloedgolven
enz.) met water en/of modder in
contact is geweest, neem dan contact
op met het Fiat Servicenetwerk om
hem te laten vervangen.
BELANGRIJK Voor een maximale
bescherming door de gordelspanners
moet de veiligheidsgordel zo worden
omgelegd dat hij goed op borst en
bekken aansluit.
KRACHTBEGRENZERS
Voor een nog betere bescherming van
de inzittenden bij een ongeval, zijn
de oprolautomaten van de
veiligheidsgordels van de voorstoelen
voorzien van een krachtbegrenzer
die bij een frontale aanrijding de
piekbelasting op de borst en schouders
beperkt.
ALGEMENE
WAARSCHUWINGEN
VOOR HET GEBRUIK VAN
DE
VEILIGHEIDSGORDELS
Neem alle plaatselijke wettelijke
voorschriften met betrekking tot het
gebruik van veiligheidsgordels in acht
en zorg ervoor dat ook de overige
inzittenden dit doen. Leg de
veiligheidsgordel altijd om alvorens weg
te rijden.
Ook zwangere vrouwen moeten de
veiligheidsgordel omleggen: voor
zwangere vrouwen en het ongeboren
kind wordt het risico op verwondingen
bij een ongeval fors ingeperkt als de
gordel wordt gedragen.
78
VEILIGHEID
PASSAGIER
Voor de passagier geldt een
vergelijkbare oplossing, maar de
indicatie wordt onderbroken als de
passagier de auto verlaat.
Natuurlijk moeten zwangere vrouwen
wel het onderste deel van de gordel
lager omleggen, zodat de gordel over
het bekken en onder de buik komt
fig. 71. Naar gelang de zwangerschap
verder gevorderd is, moet de
bestuurder zowel de stoel als het
stuurwiel zodanig verstellen dat
volledige controle over het voertuig
mogelijk is (pedalen en stuurwiel
moeten gemakkelijk bereikbaar zijn). De
maximale speling tussen de buik en
het stuurwiel moet aangehouden
worden.
Zorg dat de gordelband nooit gedraaid
is. Het bovenste gordelgedeelte moet
over de schouder en schuin over de
borst liggen fig. 72. Het onderste
gordelgedeelte moet over het bekken
en dus niet over de buik van de
inzittende liggen. Steek nooit
voorwerpen (wasknijpers, klemmen
enz.) tussen de gordel en het lichaam
van de inzittende.
Elke gordel mag slechts door één
iemand gebruikt worden. Vervoer nooit
kinderen op de schoot van inzittenden
met één veiligheidsgordel voor beiden
fig. 73. Steek geen enkel voorwerp
tussen de gordel en het lichaam van
een inzittende.
ONDERHOUD VAN DE
VEILIGHEIDSGORDELS
Volg voor het juiste onderhoud van de
veiligheidsgordels de volgende
aanwijzingen op:
zorg er altijd voor dat de gordel goed
uitgetrokken en niet gedraaid is;
controleer ook of de oprolautomaat niet
haperend werkt;
controleer de werking van het
veiligheidsgordelmechanisme als volgt:
maak de gordel vast en trek snel aan
de gordel;
vervang de gordels na een ongeval,
ook al lijken ze niet beschadigd.
Vervang de gordels ook steeds als de
gordelspanners werden geactiveerd;
71
F0Y0700C
72
F0Y0701C
73
F0Y0702C
79
gebruik water en neutrale zeep om
de gordels met de hand te wassen.
Spoel de gordels en laat ze in de
schaduw drogen. Gebruik nooit
agressieve, blekende of kleurende
middelen of andere chemische stoffen
die het weefsel van de gordel kunnen
aantasten;
zorg dat er geen vocht in de
oprolautomaat komt: de goede werking
ervan is alleen gegarandeerd als ze
droog blijven;
vervang de gordels als ze sporen van
slijtage of beschadiging vertonen.
BELANGRIJK
71) De gordelspanner kan slechts één
maal gebruikt worden. Neem contact op
met het Fiat Servicenetwerk om de
gordelspanner te laten vervangen nadat
deze in werking is getreden.
72) Het verwijderen van of op andere wijze
knoeien aan de onderdelen van de
veiligheidsgordel en gordelspanner is strikt
verboden. Werkzaamheden aan deze
onderdelen moeten worden uitgevoerd
door gekwalificeerd en bevoegd personeel.
Neem altijd contact op met het Fiat
Servicenetwerk.
73) Voor maximale veiligheid moet de
rugleuning rechtop gezet worden, moet
men goed tegen de rugleuning aanzitten en
moet de gordel goed aansluiten op de
borst en het bekken. Draag altijd
veiligheidsgordels, zowel voor- als achterin!
Rijden zonder veiligheidsgordels doet bij
een ongeval het risico op ernstige
verwondingen toenemen en kan zelfs de
dood tot gevolg hebben.
74) Nadat een gordel aan een zware
belasting is blootgesteld (bijvoorbeeld bij
een ongeval), moet de gordel compleet
met de verankeringen, bevestigingsbouten
en de gordelspanner worden vervangen.
Ook als er geen zichtbare schade is, kan
de gordel toch verzwakt zijn.
BELANGRIJK
50) Werkzaamheden die leiden tot stoten,
trillingen of plaatselijke verhitting in de zone
rondom de gordelspanners (meer dan
100°C gedurende ten hoogste 6 uur)
kunnen de gordelspanners beschadigen of
in werking doen treden. Neem contact
op met het Fiat Servicenetwerk voor
eventuele werkzaamheden aan deze
componenten.
KINDERZITJES
VEILIG KINDEREN
VERVOEREN
75) 76) 77) 78) 79) 80) 81)
Om een optimale bescherming bij een
ongeval te kunnen garanderen, moeten
alle inzittenden zitten en gebruik maken
van goedgekeurde
beveiligingssystemen, ook
pasgeborenen en kinderen! Dit is een
wettelijke verplichting in alle EU-landen,
conform de Europese richtlijn
2003/20/EC.
Kinderen met een lengte van minder
dan 1,50 meter en tot de leeftijd van 12
jaar, moeten beschermd worden door
geschikte kinderzitjes en moeten op de
achterbank zitten.
Statistieken over ongevallen tonen aan
dat de achterbank een betere
bescherming biedt voor wat betreft de
veilige bescherming van kinderen.
80
VEILIGHEID
Vergeleken met een volwassene, is het
hoofd van kleine kinderen in verhouding
tot de rest van het lichaam groter en
zwaarder, maar de spieren en de
botstructuur van kinderen zijn nog niet
volledig ontwikkeld. Daarom zijn
correcte beveiligingssystemen, naast
veiligheidsgordels voor volwassenen,
noodzakelijk om het gevaar van letsel in
geval van een aanrijding, remmen of
plotselinge manoeuvres, zo veel
mogelijk te beperken.
Kinderen moeten veilig en comfortabel
op hun zitplaats blijven. Afhankelijk
van de eigenschappen van de
gebruikte kinderzitjes, wordt
geadviseerd om kinderzitjes zo lang
mogelijk tegen de rijrichting in te
monteren (tot het kind minstens 3–4
jaar oud is), omdat die stand bij een
ongeval de meeste bescherming biedt.
De keuze van het meest geschikte
kinderzitje is afhankelijk van het gewicht
en de lengte van het kind. Het wordt
geadviseerd altijd het voor het kind
meest geschikte kinderzitje te kiezen;
raadpleeg daarom altijd de
Gebruiksaanwijzing die bij het
kinderzitje geleverd is, om er zeker van
te zijn dat dit het juiste type is voor
de kinderen waarvoor het is bedoeld.
In Europa vallen de eigenschappen van
kinderzitjes onder de norm ECE-R44,
die ze in vijf gewichtsgroepen indeelt:
Groep Gewichtsgroep
Groep 0 tot 10 kg
Groep 0+ tot 13 kg
Groep 1 9–18 kg
Groep 2 15–25 kg
Groep 3 22-36 kg
Alle beveiligingssystemen moeten
voorzien zijn van de
typegoedkeuringsgegevens en het
keurmerk op een label dat stevig
bevestigd moet zijn op het kinderzitje
en dat absoluut niet verwijderd mag
worden.
In het Lineaccessori MOPAR
®
assortiment zijn kinderzitjes voor elke
gewichtsgroep opgenomen. Deze
kinderzitjes worden aanbevolen,
aangezien ze speciaal voor Fiat
voertuigen ontworpen zijn.
500L PRO versies
BELANGRIJK Voor deze uitvoering
staat de wegenverkeerswet het NIET
toe om kinderen te vervoeren, ongeacht
het kinderzitje: kinderzitjes, "Universal
Isofix" kinderzitjes, veiligheidsgordels.
Deze beperking geldt tevens voor
de voorstoelen.
KINDERZITJE MONTEREN
MET DE
VEILIGHEIDSGORDELS
De Universele kinderzitjes die
gemonteerd worden met de
veiligheidsgordels zijn alleen
goedgekeurd op basis van de ECE R44
norm en zijn ingedeeld in verschillende
gewichtsgroepen.
BELANGRIJK De afbeeldingen zijn
indicatief en dienen slechts ter illustratie
van de montage. Monteer het
kinderzitje overeenkomstig de
aanwijzingen, die bijgesloten moeten
zijn.
Groep0en0+
Baby's tot 13 kg moeten in kinderzitjes
worden vervoerd die achterstevoren
zijn geplaatst, zoals afgebeeld in fig. 74,
waarbij het achterhoofd wordt
gesteund en bij plotseling remmen de
nek niet wordt belast.
74
F0Y0703C
81
Het kinderzitje wordt op zijn plaats
gehouden door de veiligheidsgordels
van het voertuig, zoals getoond in
de figuur, en moet het kind beschermen
met de eigen gordels.
Groep 1
Kinderen met een gewicht van 9 tot 18
kg mogen in een in de rijrichting
gemonteerd kinderzitje vervoerd
worden fig. 75.
Groep 2
Kinderen met een gewicht tussen 15 en
25 kg mogen rechtstreeks de
veiligheidsgordels van het voertuig
gebruiken fig. 76.
Het kinderzitje is in dit geval nodig om
het kind correct ten opzichte van de
gordels te plaatsen, zodat het
diagonale gordelgedeelte schuin over
de borst en nooit langs de nek ligt; het
onderste gordelgedeelte moet over
het bekken en niet over de buik liggen.
Groep 3
Voor kinderen met een gewicht tussen
22 en 36 kg bestaan er geschikte
beveiligingssystemen om de
veiligheidsgordel correct te kunnen
omleggen.
In de fig. 77 afbeelding is de juiste
plaatsing van het kinderzitje op
de achterstoel weergegeven.
Kinderen langer dan 1,50 m kunnen de
veiligheidsgordels net zoals
volwassenen dragen.
75
F0Y0704C
76
F0Y0705C
77
F0Y0706C
82
VEILIGHEID
GESCHIKTHEID VAN DE PASSAGIERSSTOELEN VOOR HET GEBRUIK VAN
UNIVERSELE KINDERZITJES
In overeenstemming met de Europese Richtlijn 2000/3/EG is de geschiktheid van elke passagiersstoel voor de montage van
universele kinderzitjes in de volgende tabel weergegeven:
versies met 5 zitplaatsen
Groep Gewichtsgroep Voorpassagier
Passagier achterin in het
midden
Passagiers achterin
aan de zijkanten
Groep 0, 0+ tot 13 kg U X U
Groep 1 9-18 kg U X U
Groep 2 15-25 kg U X U
Groep 3 22-36 kg U X U
versies met 7 zitplaatsen (voor bepaalde versies/markten)
Groep Gewichtsgroep Voorpassagier
2
e
rij achter middelste
passagier
2
e
rij achter
passagier zijkant
3
e
rij achter
passagiers zijkant
(*)
Groep 0, 0+ tot 13 kg U X U X
Groep 1 9-18 kg U X U
UF
(**)
Groep 2 15-25 kg U X U
UF
(**)
Groep 3 22-36 kg U X U
UF
(**)
(*) = Voor bepaalde versies/markten
(**) = De stoel op de 2
e
rij moet afgesteld worden.
X = Ongeschikte zitplaats voor kinderen in deze gewichtscategorie.
U = Geschikt voor "Universele" kinderzitjes overeenkomstig de Europese ECE/R44-norm voor de aangegeven "Groepen".
83
ISOFIX-KINDERZITJE
MONTEREN
82) 83) 84) 85)
De auto is uitgerust met ISOFIX
verankeringspunten, een nieuwe
standaard dat het monteren van een
kinderzitje snel, eenvoudig en veilig
maakt.
Met het ISOFIX-systeem kunnen
ISOFIX-kinderzitjes gemonteerd
worden, zonder het gebruik van de
veiligheidsgordels van het voertuig,
maar door het kinderzitje rechtstreeks
vast te maken aan de drie op het
voertuig aanwezige
bevestigingspunten. ISOFIX kinderzitjes
en conventionele kinderzitjes kunnen
in hetzelfde voertuig op verschillende
stoelen worden gemonteerd.
Maak, om een ISOFIX-kinderzitje te
monteren, het zitje vast aan de twee
metalen verankeringen A fig. 78 die
tussen de rugleuning en de zitting van
de achterbank zitten, maak vervolgens
de bovenste gordel (geleverd bij het
kinderzitje) aan de speciale verankering
B fig. 79 vast die onderaan achter de
rugleuning zit.
500L Natural Power versies: als de
verankering van het kinderzitje niet
onmiddellijk zichtbaar is, wordt
geadviseerd de laadvloer te
verwijderen.
fig. 80 toont een voorbeeld van een
Universeel ISOFIX-kinderzitje voor
gewichtsgroep 1.
BELANGRIJK De fig. 80 is indicatief en
dient slechts ter illustratie van de
montage. Monteer het kinderzitje
overeenkomstig de aanwijzingen, die
bijgesloten moeten zijn.
OPMERKING Wanneer een Universeel
ISOFIX-kinderzitje wordt gebruikt,
kunnen alleen ECE R44 "ISOFIX
Universal” (R44/03 of latere upgrades)
typegoedgekeurde kinderzitjes gebruikt
worden.
Voor andere gewichtsgroepen zijn
specifieke ISOFIX-kinderzitjes voorzien,
die alleen gebruikt kunnen worden als
ze speciaal voor dit voertuig zijn getest
(zie overzicht voertuigen met
bijbehorend kinderzitje).
78
F0Y0088C
79
F0Y0089C
80
F0Y0707C
84
VEILIGHEID
GESCHIKTHEID VAN PASSAGIERSSTOELEN VOOR GEBRUIK VAN ISOFIX
KINDERZITJE
In de onderstaande tabellen worden, conform de Europese regelgeving ECE 16, de verschillende mogelijkheden weergegeven
van de montage van ISOFIX kinderzitjes op de stoelen die zijn uitgerust met de speciale beugels.
Gewichtsgroep Positie kinderzitje Isofix maatklasse
Passagiers achterin aan de
zijkanten
Groep 0 tot 10 kg Tegen de rijrichting in E
IL
Groep 0+ tot 13 kg
Tegen de rijrichting in E
IL
Tegen de rijrichting in D
IL
Tegen de rijrichting in C
IL (*)
Groep 1 van 9 tot 18 kg
Tegen de rijrichting in D
IL
Tegen de rijrichting in C
IL (*)
In de rijrichting B
IUF
In de rijrichting BI
IUF
In de rijrichting A
IUF
IL : geschikt voor ISOFIX kinderzitjes van de categorieën voor "specifieke voertuigen", "beperkt", of "semi-universeel", goedgekeurd voor dit type voertuig.
(*) : het Isofix kinderzitje kan worden gemonteerd door de stand van de voorstoel te verstellen.
IUF: geschikt voor in de rijrichting geplaatste Isofix kinderzitjes in de Universele categorie en typegoedgekeurd voor gebruik voor de gewichtsgroep.
85
500L LIVING versies met 7 zitplaatsen (voor bepaalde versies/markten)
Gewichtsgroep Voorpassagier
2
e
rij achter
middelste passagier
2
e
rij achter
passagiers zijkant
3
e
rij achter
passagiers zijkant
(waar aanwezig)
Groep 0+, 0+ (tot 13 kg) U X U X
Groep 1 (9 tot 18 kg) U X U
UF
(*)
Groep 2 (15 tot 25 kg) U X U
UF
(*)
Groep 3 (22 tot 36 kg) U X U
UF
(*)
(*) = De stoel op de 2
e
rij moet afgesteld worden.
86
VEILIGHEID
KINDERZITJES AANBEVOLEN DOOR FCA VOOR UW 500L
Lineaccessori MOPAR
®
omvat een volledige reeks kinderzitjes die bevestigd moeten worden met de driepuntsveiligheidsgordel
of de ISOFIX-beugels.
Gewichtsgroep Kinderzitjes Type kinderzitje Installatie kinderzitjes
Groep 0+ van 0 tot 13
kg
Britax Baby Safe plus
Goedkeuringsnummer: E1
04301146
Fiat bestelcode: 71806415
Dit mag alleen bevestigd worden met de
driepuntsveiligheidsgordel tegen de rijrichting in.
Indien het geïnstalleerd wordt op de
passagiersstoel voor, vergeet dan niet de airbag
uit te schakelen.
Schuif de achterste stoel zo ver naar voren als
mogelijk is ten opzichte van de stand van de
voorstoel.
Britax Baby Safe plus
Goedkeuringsnummer: E1
04301146
Fiat bestelcode: 71806415
Dit moet bevestigd worden tegen de rijrichting in
met behulp van de veiligheidsgordel voor
volwassen en de aanbevolen Isofix-basis. Dit
moet gemonteerd worden op de buitenste
achterste stoelen.
Schuif de achterste stoel zo ver naar voren als
mogelijk is ten opzichte van de stand van de
voorstoel.
++
Britax Baby Safe ISOFIX
basis
Fiat bestelcode: 71806416
87
Gewichtsgroep Kinderzitjes Type kinderzitje Installatie kinderzitjes
Groep 1 – van 9 tot 18
kg
Fair G0/1S ISOFIX
Goedkeuringsnummer: E4
04443718
Fiat bestelcode voor Midden en
Zuid-Europa: 71806647
Fiat bestelcode voor Noord-
Europa: 71806649
Fiat bestelcode voor Oost-
Europa: 71806650
Dit moet gemonteerd worden tegen de rijrichting
in met behulp van het Isofix-platform, type "L",
speciaal voor de 500L, de Isofix verankeringen
van de auto en de aanbevolen CRS-hoofdsteun,
afgebeeld aan de linkerkant.
Dit moet gemonteerd worden op de buitenste
achterste stoelen. Schuif de achterste stoel zo
ver naar voren als mogelijk is ten opzichte van de
stand van de voorstoel.
++
Fair ISOFIX RWF platform,
type "L" voor G0/1S
Fiat bestelcode: 71806634
++
Fair hoofdsteun
Fiat bestelcode voor Midden en
Zuid-Europa: 71806648
Fiat bestelcode voor Noord-
Europa: 71806652
Fiat bestelcode voor Oost-
Europa: 71806653
88
VEILIGHEID
Gewichtsgroep Kinderzitjes Type kinderzitje Installatie kinderzitjes
Groep 1 – van 9 tot 18
kg
Britax Safefix TT
Goedkeuringsnummer: E1
04301199
Fiat bestelcode: 71805956
Kinderzitje, Isofix universeel met Top Tether
Dit moet gemonteerd worden in de rijrichting,
met behulp van Isofix verankeringen en de
bovenste gordel, die bij het kinderzitje geleverd
wordt.
Dit moet gemonteerd worden op de buitenste
achterste stoelen.
Voor optimale bescherming de achterste stoel zo
ver mogelijk naar achteren zetten.
Britax Roemer Duo Plus
Goedkeuringsnummer: E1
04301133
Fiat bestelcode: 71803161
Kinderzitje, Isofix universeel met Top Tether
Dit moet gemonteerd worden in de rijrichting,
met behulp van Isofix verankeringen en de
bovenste gordel, die bij het kinderzitje geleverd
wordt.
Dit moet gemonteerd worden op de buitenste
achterste stoelen.
Voor optimale bescherming de achterste stoel zo
ver mogelijk naar achteren zetten.
Groep2–3van15kg
tot 36 kg
Fair Junior Fix
Goedkeuringsnummer: E4
04443721
Fiat bestelcode: 71806570
Het kan alleen in de rijrichting gemonteerd
worden, met behulp van de
driepuntsveiligheidsgordel en de Isofix-
bevestigingen, indien aanwezig in de gekozen
positie.
Voor optimale bescherming adviseert Fiat de
achterste stoel zo ver mogelijk naar achteren
zetten.
BELANGRIJK FCA adviseert het kinderzitje te monteren volgens de aanwijzingen, die bijgesloten moeten zijn.
89
Belangrijke aanbevelingen voor het
veilig vervoeren van kinderen
Monteer de kinderzitjes op de
achterbank, omdat die plaats bij een
ongeval de meeste bescherming biedt.
Houd kinderen zo lang mogelijk in
kinderzitjes die tegen de rijrichting
in gemonteerd zijn, tot ze 3-4 jaar zijn.
Indien een kinderzitje tegen de
rijrichting in op de achterbank is
gemonteerd, dan is het raadzaam om
het kinderzitje zo dicht mogelijk tegen
de voorstoel aan te monteren.
Als de passagiersairbag buiten
werking is gesteld, controleer dan of de
speciale op het paneel op het
dashboard brandt om er zeker van te
zijn dat deze airbag daadwerkelijk is
uitgeschakeld.
Neem de aanwijzingen die de
producent verplicht bij het kinderzitje
moet leveren zorgvuldig in acht.
Bewaar deze aanwijzingen samen met
de overige documenten en dit
instructieboek in het voertuig. Gebruik
geen gebruikte kinderzitjes waarvan
de gebruiksaanwijzingen ontbreken.
Elk kinderzitje is bedoeld voor slechts
één kind: vervoer nooit twee kinderen
in één zitje.
Controleer altijd of de gordel niet
langs de nek van het kind loopt.
Controleer of de gordel goed is
vastgemaakt door eraan te trekken.
Controleer tijdens het rijden of het
kind geen verkeerde houding aanneemt
of de gordels losmaakt.
Laat een kind nooit het diagonale
gordelgedeelte onder zijn arm of achter
zijn rug omleggen.
Vervoer kinderen nooit op schoot,
ook geen pasgeborenen. Niemand is in
staat om een kind vast te houden bij
een ongeval.
Na een ongeval moet het kinderzitje
door een nieuw exemplaar worden
vervangen.
BELANGRIJK
75) ZEER GEVAARLIJK Plaats NOOIT een
kinderzitje tegen de rijrichting in op de
passagiersstoel van auto's met een actieve
passagiersairbag. Bij een ongeval, hoe
klein ook, kan de airbag ernstig letsel en
zelfs de dood van het kind tot gevolg
hebben. Het wordt geadviseerd kinderen
altijd in kinderzitjes op de achterbank te
vervoeren, want bij een ongeval biedt de
achterbank de meeste bescherming.
76) Op de zonneklep is een etiket met
symbolen aangebracht om eraan te
herinneren dat de airbag verplicht
uitgeschakeld moet worden als een tegen
de rijrichting in gemonteerd kinderzitje
op de voorstoel wordt gemonteerd. Houd
u altijd aan de aanwijzingen die vermeld zijn
op de zonneklep aan passagierszijde (zie
paragraaf "Aanvullend veiligheidssysteem
(SRS) - Airbag").
77) Mocht het toch nodig zijn om een kind
in een tegen de rijrichting in gemonteerd
kinderzitje op de passagiersstoel voor
te vervoeren, dan moeten de frontairbag en
zijairbag aan passagierszijde worden
uitgeschakeld via het hoofdmenu van het
display (zie de aanwijzingen in de paragraaf
"Display", in het hoofdstuk "Kennismaking
met het instrumentenpaneel"); de
uitschakeling moet geverifieerd worden
door te controleren of de led
op het
paneel op het dashboard brandt. Schuif de
passagiersstoel zo ver mogelijk naar
achteren om te voorkomen dat het
kinderzitje in aanraking komt met het
dashboard.
78) Verplaats de voor- of achterstoel niet
als er een kind op zit of als er een kind
in het kinderzitje op de stoel zit.
79) Onjuiste montage van het kinderzitje
kan ertoe leiden dat het
beschermingssysteem inefficiënt wordt. Bij
een ongeval kan het kinderzitje loskomen
en kan het kind zelfs dodelijk gewond
raken. Houd u, bij het monteren van
kinderzitjes voor pasgeborenen of kinderen,
strikt aan de aanwijzingen van de
Fabrikant.
90
VEILIGHEID
80) Wanneer het kinderzitje niet in gebruik
is, zet het dan vast met de
veiligheidsgordel of met de ISOFIX-
bevestigingen, of verwijder het uit het
voertuig. Laat het kinderzitje niet los in het
interieur liggen. Zo wordt voorkomen
dat, in het geval van bruusk remmen of een
ongeval, het zitje letsel veroorzaakt aan de
inzittenden.
81) Verplaats, na de montage van een
kinderzitje, de stoel niet: verwijder het
kinderzitje altijd alvorens willekeurig welke
instellingen uit te voeren.
82) Zorg er altijd voor dat de
veiligheidsgordel voor de borstzone niet
onder de armen of achter de rug van
het kind loopt. Bij een ongeval zal de
veiligheidsgordel het kind niet kunnen
vasthouden, met het risico van letsel, zelfs
dodelijk letsel tot gevolg. Daarom moet
het kind de veiligheidsgordel altijd correct
dragen.
83) Gebruik hetzelfde onderste
bevestigingspunt niet voor de montage van
meer dan een kinderzitje.
84) Als een Universeel ISOFIX-kinderzitje
niet aan alle drie de bevestigingspunten is
vastgemaakt, kan het kinderzitje het kind
niet goed beschermen. In geval van een
aanrijding zou het kind ernstig of zelfs
dodelijk gewond kunnen raken.
85) Monteer het kinderzitje alleen bij
stilstaand voertuig. Het kinderzitje is op de
juiste wijze aan de beugels bevestigd als
de vergrendeling hoorbaar vastklikt. De
instructies voor montage, demontage en
plaatsing moeten in elk geval worden
opgevolgd. De Fabrikant van het kinderzitje
is verplicht deze instructies bij het
kinderzitje te leveren.
AANVULLEND
VEILIGHEIDSSYSTEEM
(SRS) - AIRBAGS
Het voertuig is voorzien van:
frontairbag bestuurderszijde;
frontairbag passagierszijde;
knieairbag voor bestuurder (voor
bepaalde versies/markten);
frontairbags ter bescherming van
bekken, borst en schouders van
bestuurder en passagier (voor bepaalde
versies/markten);
zijairbags ter bescherming van het
hoofd van passagiers op de voorstoel
en op de achterbank (gordijnairbag).
FRONTAIRBAGS
De frontairbags voor bestuurder/
passagier en de knieairbag voor de
bestuurder (voor bepaalde versies/
markten) beschermen de inzittenden op
de voorstoelen in het geval van
middelzware/zware frontale botsingen,
door de airbag tussen de inzittende
en het stuurwiel of het dashboard op te
blazen.
Als de airbags niet worden opgeblazen
bij andere soorten botsingen (botsingen
opzij, achterop, over de kop slaan
enz.), wijst dit niet op een storing van
het systeem.
De frontairbags voor bestuurder en
passagier zijn geen vervanging voor de
veiligheidsgordels, maar een aanvulling
hierop. Draag dus altijd
veiligheidsgordels, zoals trouwens bij de
wet voorgeschreven is in alle Europese
landen en de meeste landen
daarbuiten.
Bij een botsing worden degenen die
geen veiligheidsgordel dragen naar
voren geworpen en kunnen zo in
contact komen met een airbag die nog
niet volledig opgeblazen is. Onder
deze omstandigheden wordt de
inzittende minder door de airbag
beschermd.
De frontairbags kunnen niet worden
geactiveerd in het geval van een
frontale botsing tegen sterk
vervormbare voorwerpen waarbij de
voorkant van het voertuig niet
betrokken is (bijv. flankbotsing tegen de
vangrail) of indien het voertuig onder
een ander voertuig of
veiligheidsbarrières schuift (bijv. onder
een vrachtwagen of de vangrails).
91
Als de airbags onder de hierboven
beschreven omstandigheden niet
opgeblazen worden, dan bieden ze
geen aanvullende bescherming ten
opzichte van de veiligheidsgordels,
zodat hun activering geen zin heeft. In
deze gevallen wijst de uitgebleven
activering dus niet op een storing van
het systeem.
Frontairbag bestuurderszijde
86) 87)
Deze bestaat uit een onmiddellijk
opblaasbaar kussen dat in een speciale
ruimte in het midden van het stuurwiel
is geplaatst fig. 81.
Frontairbag passagierszijde
88)
Deze bestaat uit een onmiddellijk
opblaasbaar kussen dat in een speciale
ruimte in het dashboard fig. 82 is
opgeborgen: deze airbag heeft een
groter volume dan de
bestuurdersairbag.
Frontairbag passagier en
kinderzitjes
89)
Neem ALTIJD de waarschuwingen
vermeld op het etiket op de zonneklep
aan passagierszijde in acht fig. 83.
Knieairbag bestuurderszijde
(voor bepaalde versies/markten)
Deze airbag zit in een speciale ruimte
onder het dashboard achter een
speciaal deksel fig. 84. Deze biedt extra
bescherming in het geval van een
frontale botsing.
Uitschakeling airbags aan
passagierszijde: frontairbag en
zijairbag voor bescherming van
bekken, borst en schouders (voor
bepaalde versies/markten)
Als een kind in een kinderzitje dat
achterstevoren op de voorstoel
is geplaatst vervoerd moet worden,
schakel dan de frontairbag en zijairbag
voor bescherming van bekken, borst en
schouders aan passagierszijde uit
(voor bepaalde markten/versies).
81
F0Y0112C
82
F0Y0113C
83
F0Y0708C
84
F0Y0207C
92
VEILIGHEID
Uitschakelprocedure airbag
Ga als volgt te werk met behulp van het
display Setup Menu:
druk op de knop
en, nadat de
melding "Bag pass: Off) (om uit te
schakelen) of de melding (Bag pass:
On) (voor het inschakelen) op de display
is verschenen door het indrukken van
de knop
en , druk nogmaals
op de knop
;
op de display verschijnt een
bevestigingsmelding;
druk op de knoppen
of om
"Ja" te selecteren (om het inschakelen/
uitschakelen te bevestigen) of "Nee"
(om te annuleren);
druk kortstondig op de knop
:er
verschijnt een bevestigingsmelding van
de gekozen instelling en er wordt
teruggekeerd naar het menuscherm.
Druk kortstondig op de knop om terug
te keren naar het standaardscherm
zonder op te slaan.
De fig. 85 led
bevindt zich op de
dashboardbekleding: door de
contactsleutel naar MAR te draaien,
gaat de led enkele seconden branden.
Als dit niet het geval is, neem dan
contact op met het Fiat Servicenetwerk.
Tijdens de eerste seconden geeft het
branden van de led niet de werkelijke
toestand van de
passagiersbescherming aan, maar
heeft alleen tot doel om de correcte
werking ervan te controleren. Na een
test van enkele seconden, toont de led
de toestand van de passagiersairbag
(passagiersbescherming
uitgeschakeld: led brandt vast /
passagiersbescherming
ingeschakeld: led uit).
85
F0Y0422C
93
FRONTAIRBAG PASSAGIER EN KINDERZITJES: WAARSCHUWING
86
F0Y0709C
94
VEILIGHEID
ZIJAIRBAGS
Om de bescherming van de inzittenden
in geval van een flankbotsing te
vergroten, is de auto uitgerust met in de
stoel gemonteerde zijairbags (voor
bepaalde markten/versies) en
hoofdairbag.
Zijairbags
(voor bepaalde versies/markten)
Deze bestaan uit twee soorten kussens
die zich in de rugleuning van de
voorstoelen bevinden fig. 87 en die het
bekken, de borst en schouders van
de inzittenden bij middelzware
flankbotsingen beschermen.
Hoofdairbag
Deze bestaat uit een "gordijnairbag" die
zich achter de dakbekleding aan de
zijkant bevindt en afgedekt is met
speciale afwerkingselementen fig. 88.
Dit type airbag is ontworpen om het
hoofd van de inzittenden voorin en
achterin te beschermen bij
flankbotsingen, dankzij het grote
oppervlak dat in opgeblazen toestand
wordt beslagen.
Bij lichte flankbotsingen is het opblazen
van de hoofdairbags niet vereist.
Het systeem biedt de beste
bescherming bij een flankbotsing als de
passagier correct op zijn stoel zit,
zodat de hoofdairbag zo goed mogelijk
opgeblazen kan worden.
Belangrijk
90) 92) 93) 94) 95) 96) 97) 98)
Reinig de stoelen niet met water of
stoom onder druk (met de hand of in
een automatisch wasapparaat).
De front- en/of zijairbags kunnen in
werking treden bij heftige botsingen
tegen de onderkant van de auto (bijv.
botsing met treden, trottoirbanden,
kuilen of verkeersdrempels, enz.).
Als de airbag geactiveerd wordt,
ontsnapt er een kleine hoeveelheid
poeder: dit poeder is niet schadelijk en
duidt niet op het begin van een brand.
Dit poeder kan echter de huid en ogen
irriteren: was ze in dit geval met
neutrale zeep en water.
De controle, reparatie en vervanging
van de airbags moeten door het Fiat
Servicenetwerk worden uitgevoerd.
Als het voertuig wordt gesloopt, moet
het airbagsysteem buiten werking
gesteld worden bij een werkplaats van
het Fiat Servicenetwerk.
Gordelspanners en airbags worden op
verschillende manieren geactiveerd,
afhankelijk van het type botsing. Als
een of meerdere van deze
voorzieningen niet in werking treden,
dan duidt dat niet op een storing in het
systeem.
87
F0Y0090C
88
F0Y0206C
95
BELANGRIJK
86) Breng geen stickers of andere
voorwerpen op het stuurwiel, op het
dashboard in de zone van de
passagiersairbag, op de zijkant van de
dakbekleding en op de stoelen aan. Plaats
nooit voorwerpen (bijv. mobiele telefoons)
op het dashboard aan passagierszijde,
omdat deze het correct openen van de
airbag kunnen hinderen en tevens de
inzittenden ernstig kunnen verwonden.
87) Rijd altijd met de handen op de
stuurwielrand zodat de airbag indien nodig
ongehinderd opgeblazen kan worden.
Rijd niet met voorover gebogen lichaam.
Houd de rug goed rechtop tegen de
rugleuning gedrukt.
88) ERNSTIG GEVAAR: plaats NOOIT een
kinderzitje tegen de rijrichting in op de
passagiersstoel van auto's met een actieve
passagiersairbag. Bij een ongeval, hoe
klein ook, kan de airbag ernstig letsel en
zelfs de dood van het kind tot gevolg
hebben. Daarom moet de passagiersairbag
altijd uitgeschakeld worden als een
kinderzitje tegen de rijrichting in
gemonteerd wordt op de voorste
passagiersstoel. Bovendien moet de
voorste passagiersstoel zo ver mogelijk
naar achteren zijn geschoven om te
voorkomen dat het kinderzitje eventueel in
aanraking komt met het dashboard.
Schakel de passagiersairbag onmiddellijk
weer in als het kinderzitje is verwijderd.
89) Plaats NOOIT een kinderzitje
achterstevoren op de passagiersstoel van
auto's met een actieve passagiersairbag.
Bij een ongeval, hoe klein ook, kan de
airbag ernstig letsel en zelfs de dood van
het kind tot gevolg hebben.
90) Als bij het draaien van de contactsleutel
naar de stand MAR, het lampje
niet
gaat branden of tijdens het rijden blijft
branden, dan is er mogelijk een storing in
de veiligheidssystemen. In dat geval
kunnen de airbags of gordelspanners niet
geactiveerd worden bij een botsing of,
in een zeer beperkt aantal gevallen, per
ongeluk geactiveerd worden. Neem
voordat er verder wordt gereden,
onmiddellijk contact op met het Fiat
Servicenetwerk om het systeem te laten
controleren.
91) Bij sommige versies gaat, als het
waarschuwingslampje
niet gaat
branden, het lampje
branden,
waardoor de explosieve ladingen van de
passagiersairbag worden uitgeschakeld.
92) Indien er een zijairbag aanwezig is,
mogen de rugleuningen van de voorstoelen
niet bedekt worden met extra hoezen.
93) Rijd niet met voorwerpen op schoot,
vóór uw borst of tussen uw lippen (pijp,
potlood, enz.). Deze kunnen ernstig letsel
veroorzaken als de airbag wordt
opgeblazen.
94) Als het voertuig betrokken is geweest
bij diefstal, een poging tot diefstal,
vandalisme, of overstroming, laat dan het
airbagsysteem inspecteren bij een
werkplaats van het Fiat Servicenetwerk.
95) Als de contactsleutel is ingebracht en
naar MAR is gedraaid, kunnen de airbags
opgeblazen worden als andere voertuigen
op de auto botsen, ook als de motor
niet draait en de auto stil staat. Daarom
mag, wanneer de passagiersairbag is
ingeschakeld, en ook al staat de auto stil,
GEEN tegen de rijrichting in gemonteerd
kinderzitje op de voorstoel gemonteerd
worden. Als bij een botsing de airbag
wordt opgeblazen, kan dit leiden tot ernstig
letsel en zelfs tot de dood van het kind.
Daarom moet de passagiersairbag altijd
uitgeschakeld worden als een kinderzitje
tegen de rijrichting in gemonteerd wordt op
de voorste passagiersstoel. Bovendien
moet de voorste passagiersstoel zo ver
mogelijk naar achteren zijn geschoven om
te voorkomen dat het kinderzitje eventueel
in aanraking komt met het dashboard.
Schakel de passagiersairbag onmiddellijk
weer in als het kinderzitje is verwijderd.
Onthoud tevens dat als de sleutel in de
stand STOP staat, bij een ongeval geen
enkel veiligheidssysteem (airbags of
gordelspanners) geactiveerd wordt. In dat
geval duidt de uitgebleven activering niet
op een storing van het systeem.
96
VEILIGHEID
96) De led geeft de
beschermingstoestand van de zijairbag van
de passagier aan. Als de led uit is, is de
zijairbag van de passagier actief: gebruik
het Setup Menu om deze zijairbag uit
te schakelen (in dat geval gaat de
led branden) Wanneer de motor wordt
gestart (sleutel in stand MAR), brandt de
led circa 8 seconden, als ten minste 5
seconden na de vorige uitschakeling zijn
verstreken. Als dit niet het geval is, neem
dan contact op met het Fiat
Servicenetwerk. Als de motor binnen 5
seconden opnieuw wordt afgezet/gestart,
kan de led gedoofd blijven. Controleer in dit
geval de correcte ledwerking, zet de motor
af, wacht minstens 5 seconden en start
de motor weer. De led kan met
verschillende lichtsterkte branden,
afhankelijk van de voertuigcondities. De
lichsterkte kan ook tijdens dezelfde
sleutelcyclus variëren.
97) De activeringsdrempel van de airbag is
hoger dan die van de gordelspanners. Bij
botsingen die tussen deze twee
drempelwaarden liggen, treden alleen de
gordelspanners in werking.
98) De airbag vervangt niet de
veiligheidsgordels, maar verhoogt hun
doeltreffendheid. Omdat de frontairbags
niet worden geactiveerd bij frontale
botsingen bij lage snelheden, zijdelingse
botsingen, botsingen achterop en over de
kop slaan, worden in deze gevallen de
inzittenden uitsluitend door de zijairbags en
de veiligheidsgordels beschermd, die dus
altijd gedragen moeten worden.
97
STARTEN EN RIJDEN
Laten we eens kijken naar het "hart"
van het voertuig: dan kunt u zien hoe u
het potentieel ervan optimaal kunt
benutten.
We zullen u laten zien hoe u het
voertuig in elke situatie veilig kunt
besturen, zodat het een echt "maatje"
voor u kan zijn, waarbij het comfort
en de portefeuille niet vergeten worden.
MOTOR STARTEN .......................... 99
HANDREM......................................100
GEBRUIK VAN DE
HANDGESCHAKELDE
VERSNELLINGSBAK .....................101
GEBRUIK VAN DE DUALOGIC
VERSNELLINGSBAK ......................102
STOP/START-SYSTEEM .................104
CRUISE-CONTROL (CONSTANTE
SNELHEIDSREGELING) ..................105
SNELHEIDSBEGRENZER ...............106
PARKEERSENSOREN.....................107
ACHTERUITRIJCAMERA ................109
AANHANGERS TREKKEN ..............110
TANKEN..........................................111
98
STARTEN EN RIJDEN
MOTOR STARTEN
99) 100) 51) 52) 53) 54) 55)
Alvorens de motor te starten, de stoel,
achteruitkijkspiegels, buitenspiegels
instellen en de veiligheidsgordel correct
vastmaken.
Trap nooit het gaspedaal in om de
motor te starten.
VERSIES MET
HANDGESCHAKELDE
VERSNELLINGSBAK
Benzine-uitvoeringen
Ga als volgt te werk:
trek de handrem aan en zet de
versnellingspook in de vrijstand. Voor
0.9 TwinAir Turbo 105 pk versies trek
de handrem aan en zet de
versnellingspook in z'n vrij of trap het
koppelingspedaal volledig in als een
andere versnelling dan de vrijstand
is ingeschakeld;
voor alle versies (behalve 0.9
TwinAir Turbo 105 pk) trap het
koppelingspedaal volledig in, zonder
het gaspedaal in te trappen;
draai de contactsleutel naar AVV en
laat deze los zodra de motor start.
Dieselversies
Ga als volgt te werk:
trek de handrem aan, zet de
versnellingspook in de vrijstand en draai
de contactsleutel naar MAR: de
lampjes
en op het
instrumentenpaneel gaan branden;
wacht tot de lampjes
en
uitgaan en trap dan het
koppelingspedaal volledig in zonder het
gaspedaal in te trappen;
draai de contactsleutel naar AVV
zodra het waarschuwingslampje
dooft. Laat de contactsleutel los
zodra de motor gestart is.
BELANGRIJK Als de motor niet bij de
eerste poging start, draai dan de
contactsleutel naar de stand STOP
alvorens de procedure te herhalen. Als,
met de contactsleutel op MAR, de
waarschuwingslampjes
en
(alleen voor benzineversies) op het
instrumentenpaneel blijven branden,
moet de contactsleutel weer teruggezet
worden op STOP en dan weer naar
MAR worden gedraaid. Als het
waarschuwingslampje
blijft
branden, probeer het dan met de
andere sleutels die bij de auto
zijn geleverd. Neem contact op met het
Fiat Servicenetwerk als de motor nog
steeds niet gestart kan worden.
VERSIES MET DUALOGIC
VERSNELLINGSBAK
101)
Het starten van de motor kan zowel
met een ingeschakelde versnelling als in
de vrijstand (N) gebeuren.
Het rempedaal moet echter altijd
ingedrukt zijn als een andere versnelling
dan de vrijstand is ingeschakeld. Het
wordt daarom aangeraden om de pook
in de vrijstand (N) te zetten voordat
men de motor start.
LPG EN NATURAL POWER
VERSIES
De motor wordt altijd gestart op
benzine, ongeacht de eerder gekozen
werking.
Daarom moet er altijd een geschikte
hoeveelheid reservebenzine in de tank
zitten om de benzinepomp te
beschermen en tijdelijke omschakeling
van werking op aardgas of LPG naar
werking op benzine te garanderen, als
er hoge prestaties vereist zijn.
MOTOR AFZETTEN
Draai de contactsleutel naar de stand
STOP terwijl de motor stationair draait.
BELANGRIJK Voordat de motor na
een zware rit wordt uitgezet, moet men
hem even stationair laten draaien.
Hierdoor kan de temperatuur in de
motorruimte dalen.
99
BELANGRIJK
99) Het is gevaarlijk om de motor in
afgesloten ruimten te laten draaien. De
motor verbruikt zuurstof en produceert
kooldioxide, koolmonoxide en andere
giftige gassen.
100) Onthoud dat de rem- en
stuurbekrachtiging niet werken zolang de
motor niet is gestart en er dus meer kracht
benodigd is voor de bediening van het
rempedaal en het stuur.
101) Als de motor niet start als er een
versnelling is ingeschakeld, wordt de
mogelijk gevaarlijke situatie wegens het feit
dat de versnellingsbak automatisch in de
vrijstand wordt gezet, met een
geluidssignaal gemeld.
BELANGRIJK
51) Als het waarschuwingslampje na
het starten of na langdurig "aanzwengelen"
60 seconden gaat knipperen, duidt dit op
een defect van de gloeibougies. Als de
motor start kan het voertuig zoals
gewoonlijk gebruikt worden, maar moet zo
snel mogelijk contact worden opgenomen
met het Fiat Servicenetwerk.
52) Tijdens de eerste gebruiksperiode
adviseren wij om overmatige belasting van
de auto te voorkomen (bijvoorbeeld hard
accelereren, lang rijden met de
maximumsnelheid, overmatig hard
remmen, enz.).
53) Laat bij afgezette motor de sleutel in
het contactslot niet op MAR staan, om te
voorkomen dat de accu leeg raakt door
onnodig stroomverbruik.
54) Probeer de motor nooit te starten door
de auto te duwen, te slepen of van een
helling af te laten rijden. Deze handelingen
kunnen ertoe leiden dat brandstof in de
katalysator loopt en deze onherstelbaar
beschadigt.
55) Gas geven alvorens de motor af te
zetten is zinloos omdat het onnodig
brandstofverbruik veroorzaakt en de motor
kan beschadigen, met name motoren
voorzien van een turbocompressor.
HANDREM
102) 103)
De handrem bevindt zich tussen de
voorstoelen.
Handrem inschakelen : trek hefboom
A fig. 89 omhoog tot het voertuig
geremd is. Vier of vijf klikken zijn over
het algemeen voldoende wanneer
het voertuig op een vlakke ondergrond
staat, terwijl er tien of elf nodig kunnen
zijn als het voertuig met belading op
een steile helling staat. Als dat niet het
geval is, neem dan contact op met
het Fiat Servicenetwerk om de handrem
af te laten stellen.
Handrem uitschakelen: trek hefboom
A en stukje omhoog en houd knop B
ingedrukt; controleer of het lampje
op het instrumentenpaneel uit gaat.
89
F0Y0047C
100
STARTEN EN RIJDEN
BELANGRIJK
102) Laat kinderen nooit zonder toezicht in
het voertuig achter. Verwijder altijd de
sleutel uit het contactslot als het voertuig
verlaten wordt en neem hem mee.
103) Bij auto's met een armsteun voor,
moet deze armsteun worden opgetild om
te voorkomen dat deze de werking van
de hefboom in de weg zit.
GEBRUIK VAN DE
HANDGESCHAKELDE
VERSNELLINGSBAK
104) 56)
Trap, om de versnellingen in te
schakelen, het koppelingspedaal
volledig in en plaats de pook in de
gewenste stand (het schakelschema is
aangegeven op de pookknop).
Inschakeling achteruitversnelling
Voor 0.9 TwinAir Turbo 105 pk en
1.4 16V versies:omde
achteruitversnelling R vanuit de
vrijstand in te schakelen, de ring A fig.
90 onder de knop optillen en de pook
naar rechts en vervolgens naar
achteren verplaatsen.
Voor 1.3 16v MultiJet versie:omde
achteruitversnelling R vanuit de
vrijstand in te schakelen, de pook naar
rechts en vervolgens naar achteren
verplaatsen.
Voor 1.6 16V MultiJet versie:omde
achteruitversnelling R vanuit de
vrijstand in te schakelen, de ring A
onder de knop optillen en tegelijkertijd
de pook naar links en vervolgens naar
voren verplaatsen.
Om de 6
e
versnelling in te schakelen
(voor bepaalde versies/markten), de
versnellingspook gedecideerd naar
rechts verplaatsen om te voorkomen
dat de 4
e
versnelling per ongeluk wordt
ingeschakeld. Hetzelfde geldt bij het
schakelen van de 6
e
naar de 5
e
versnelling.
BELANGRIJK De achteruit kan
uitsluitend bij stilstaand voertuig worden
ingeschakeld. Wacht bij draaiende
motor minstens 2 seconden met het
koppelingspedaal helemaal ingetrapt
alvorens de achteruit in te schakelen
om beschadiging aan de tandwielen te
voorkomen.
90
F0Y0136C
101
BELANGRIJK Het koppelingspedaal
mag uitsluitend voor het schakelen
gebruikt worden. Laat tijdens het rijden
de voet nooit, zelfs niet licht, op het
koppelingspedaal rusten. Bij bepaalde
versies/markten kan de regelelektronica
van het koppelingspedaal een foutieve
rijstijl als een defect interpreteren.
BELANGRIJK
104) Trap het koppelingspedaal helemaal
in om op juiste wijze te schakelen. Om
die reden mag er niets op de vloer onder
de pedalen liggen. Zorg dat de vloermat
altijd vlak ligt en niet de slag van de
pedalen hindert.
BELANGRIJK
56) Rijd niet met de hand op de pookknop
doordat de uitgeoefende druk, hoe licht
ook, na verloop van tijd slijtage van de
interne onderdelen van de versnellingsbak
kan veroorzaken.
GEBRUIK VAN DE
DUALOGIC
VERSNELLINGSBAK
(voor bepaalde versies/markten)
105) 57)
VERSNELLINGSPOOK
De versnellingspook A fig. 91 is van het
"multistabiele" zwevende type, d.w.z.
hij kan drie stabiele en drie instabiele
standen aannemen.
De drie stabiele standen zijn: vrij (N),
achteruit (R) en de middelste stand
tussen de instabiele standen (+) en (-).
De instabiele standen, d.w.z. de
standen die de pook verlaat zodra hij
wordt losgelaten, zijn de standen voor
het aanvragen van een hogere
versnelling (+), een lagere versnelling (-)
en de automatische/handmatige
werking (A/M).
BELANGRIJK Als bij ingeschakelde
motor de stand van de pook niet
overeenkomt met de daadwerkelijk
ingeschakelde versnelling, dan is een
zoemer hoorbaar tot de stand hersteld
is.
BEDIENINGSWIJZE
De versnellingsbak/transmissie kan op
twee manieren worden bediend:
HANDMATIG, waarbij de bestuurder
beslist zelf wanneer hij zal schakelen;
AUTOMATISCH, waarbij het systeem
beslist wanneer er geschakeld wordt.
HANDMATIGE BEDIENING
Ga als volgt te werk:
trap het rempedaal in en start de
motor;
als AUTO wordt weergegeven, duw
dan de versnellingspook A fig. 91
naar A/M om de HANDMATIGE (M)
werking in te schakelen;
duw de versnellingspook naar (+) om
de eerste versnelling in te schakelen
(vanuit N of R kan de pook in de
middelste stand worden geplaatst) of
naar R om de achteruit in te schakelen;
laat het rempedaal los en druk het
gaspedaal in;
91
F0Y0313C
102
STARTEN EN RIJDEN
duw tijdens het rijden de
versnellingspook naar (+) om de
volgende versnelling of naar (-) om een
versnelling terug te schakelen;
AUTOMATISCHE
BEDIENING (AUTO)
Ga als volgt te werk:
trap het rempedaal in en start de
motor;
als AUTO niet wordt weergegeven,
duw dan de versnellingspook A fig.
91 naar A/M om de AUTOMATISCHE
werking in te schakelen;
duw de versnellingspook naar (+) om
de eerste versnelling in te schakelen
(vanuit N of R kan de pook in de
middelste stand worden geplaatst) of
naar R om de achteruit in te schakelen;
laat het rempedaal los en trap het
gaspedaal in: het systeem schakelt een
aan de voertuigsnelheid aangepaste
versnelling in.
AUTO-ECO WERKING
Druk op de ECO-knop fig. 92 om deze
functie in te schakelen. De ECO-functie
kan alleen ingeschakeld worden bij
actieve automatische werking.
Bij actieve ECO-functie, kiest het
systeem de schakelmomenten op basis
van de snelheid van het voertuig, het
motortoerental en de bedieningswijze
van het gaspedaal, met als doel om het
brandstofverbruik te beperken.
"Kick Down" FUNCTIE
(voor bepaalde versies/markten)
Indien nodig (bijvoorbeeld tijdens het
inhalen), schakelt het systeem een
of meer versnellingen terug wanneer
het gaspedaal voorbij het stroeve punt
wordt ingetrapt (en als het
motortoerental dit toestaat) om het
geschikte vermogen en koppel voor de
door de bestuurder verzochte
acceleratie te leveren.
BELANGRIJK Het gebruik van de “Kick
Down” functie wordt uitsluitend
aanbevolen tijdens het inhalen of snel
accelereren, om niet het
brandstofverbruik te verhogen.
BEDIENINGSELEMENTEN
OP STUURWIEL
(voor bepaalde versies/markten)
Bij sommige versies kan het schakelen
sequentieel plaatsvinden via de peddels
op het stuurwiel fig. 93.
Om de peddels op het stuurwiel stuur
te kunnen gebruiken, moet de
versnellingspook in de middelste stand
tussen (+) en (–) staan.
Om een hogere versnelling in te
schakelen: trek de peddel (+) naar het
stuurwiel.
Om een lagere versnelling in te
schakelen: trek de peddel (-) naar het
stuurwiel.
92
F0Y0311C
93
F0Y0312C
103
De inschakeling van een lagere (of
hogere) versnelling gebeurt alleen als
het motortoerental dit toestaat.
BELANGRIJK
105) Als de motor niet met een
ingeschakelde versnelling start, zal de
mogelijk gevaarlijke situatie wegens het feit
dat de versnellingsbak automatisch in de
vrijstand is gezet, door een geluidssignaal
worden aangegeven.
BELANGRIJK
57) Houd de hand niet langer op de
versnellingspook dan strikt noodzakelijk is
voor het schakelen of voor de AUTO/
MANUAL bediening.
STOP/START-SYSTEEM
106) 107) 58)
Het Start&Stop-systeem zet
automatisch de motor af wanneer de
auto stilstaat en start de motor zodra
de bestuurder weer wil gaan rijden.
Dit verhoogt de efficiency van de auto
dankzij een reductie van het
brandstofverbruik, de uitstoot van
schadelijke uitlaatgassen en
geluidsoverlast.
BEDIENINGSWIJZE
Uitschakelmodus van de motor
Bij stilstaande auto, wordt de motor
afgezet als de versnellingspook in
de vrijstand staat en het
koppelingspedaal niet is ingetrapt.
Opmerking De motor kan alleen
automatisch worden afgezet bij een
snelheid van meer dan 10 km/h, om
herhaaldelijk afzetten van de motor te
voorkomen wanneer erg traag wordt
gereden.
De motor opnieuw starten
Trap het koppelingspedaal in om de
motor opnieuw te starten.
HET SYSTEEM
HANDMATIG
INSCHAKELEN/
UITSCHAKELEN
Druk op knop
fig. 94 om het
systeem handmatig in/uit te schakelen.
Led uit: systeem uitgeschakeld.
Led aan: systeem ingeschakeld.
BELANGRIJK
106) Laat de accu alleen vervangen door
een dealer van het Fiat Servicenetwerk.
Vervang de accu door een exemplaar van
hetzelfde type (HEAVY DUTY) en met
identieke specificaties.
94
F0Y0778C
104
STARTEN EN RIJDEN
107) Controleer alvorens de motorkap te
openen of de motor is afgezet en de
contactsleutel in de stand STOP staat.
Raadpleeg altijd het plaatje aan de
binnenkant van de motorkap. Wij adviseren
om de contactsleutel te verwijderen als er
zich nog inzittenden in het voertuig
bevinden. Verlaat de auto na de
contactsleutel te hebben uitgenomen of in
de stand STOP te hebben gedraaid.
Controleer tijdens het tanken of de motor is
afgezet en of de contactsleutel in de stand
STOP staat.
BELANGRIJK
58) Als een comfortabele temperatuur
prioritair is, dan kan het Stop/Start-
systeem worden uitgeschakeld zodat de
klimaatregeling kan blijven werken.
CRUISE-CONTROL
(constante
snelheidsregeling)
(voor bepaalde versies/markten)
108) 109)
BESCHRIJVING
Dit is een elektronisch geregeld
hulpsysteem waarmee de gewenste
rijsnelheid gehandhaafd kan worden,
zonder het gaspedaal in te hoeven
trappen.
Het systeem kan gebruikt worden bij
een snelheid van meer dan 30 km/h op
lange, droge en rechte wegen met
weinig veranderingen in de
rijomstandigheden (bijv. snelwegen).
Het gebruik van de cruise-control wordt
dus niet aanbevolen op buitenwegen
met druk verkeer. Gebruik het systeem
niet in de stad.
HET SYSTEEM
INSCHAKELEN
Zet de draaischakelaar A fig. 95 op .
Het systeem kan niet worden
ingeschakeld als het voertuig in de 1
e
versnelling of in de achteruit staat.
Het is raadzaam om het systeem in te
schakelen vanaf de 4
e
versnelling of
hoger.
DE OPGESLAGEN
SNELHEID IN HET
GEHEUGEN OPSLAAN /
OPROEPEN
Snelheid opslaan: zet draaischakelaar
Aop
en trap het gaspedaal in om
de gewenste snelheid te bereiken.
Beweeg de hendel minstens één
seconde omhoog (+) en laat hem
vervolgens los: de snelheid wordt
opgeslagen en u kunt het gaspedaal
loslaten.
Indien nodig (bijvoorbeeld bij inhalen)
kan de snelheid gewoon verhoogd
worden door het gaspedaal in te
trappen: als het gaspedaal vervolgens
wordt losgelaten, keert de auto terug
naar de eerder opgeslagen snelheid.
Op afdalingen kan de snelheid bij
ingeschakelde cruise-control iets hoger
liggen dan de opgeslagen snelheid.
95
F0Y0050C
105
De opgeslagen snelheid oproepen:
accelereer geleidelijk tot een snelheid
bereikt wordt in de buurt van de
opgeslagen snelheid, schakel de
versnelling in die op het moment dat de
snelheid werd opgeslagen was
geselecteerd en druk op toets CANC
RES (B fig. 95).
OPGESLAGEN SNELHEID
VERHOGEN/VERLAGEN
Snelheid verhogen: trap het
gaspedaal in en sla de nieuwe snelheid
op of beweeg de hendel omhoog (+),
tot de nieuwe snelheid bereikt is, die
automatisch opgeslagen zal worden.
Snelheid verlagen: schakel het
systeem uit en sla de nieuwe snelheid
op of beweeg de hendel omlaag (+), tot
de nieuwe snelheid bereikt is, die
automatisch opgeslagen zal worden.
Elke beweging van de hendel komt
overeen met een verhoging/verlaging
van de snelheid van ongeveer 1 km/h;
als de hendel omhoog wordt
gehouden, dan neemt de snelheid
traploos toe.
HET SYSTEEM
UITSCHAKELEN
Het systeem kan op de volgende
manieren worden uitgeschakeld:
door de draaischakelaar A op O te
zetten;
door de motor uit te schakelen;
door het rem-, koppelings- of
gaspedaal in te drukken; in het laatste
geval wordt het systeem eigenlijk niet
uitgeschakeld, maar wordt voorrang
aan het acceleratieverzoek gegeven.
Het systeem blijft actief, zonder de
noodzaak om de CANC RES-knop te
bedienen om na het accelereren naar
de vorige toestand terug te keren.
Automatische uitschakeling: het
systeem wordt in de volgende gevallen
automatisch uitgeschakeld:
inschakeling van het ABS- (of
ESC-)systeem, voertuigsnelheid onder
de ingestelde limiet of storing van
het systeem.
BELANGRIJK
108) Tijdens het rijden met ingeschakeld
systeem, mag de versnellingspook niet
in de vrijstand worden gezet.
109) Als het systeem niet goed werkt of
defect is, zet dan de draaischakelaar op O
en neem contact op met het Fiat
Servicenetwerk.
SNELHEIDSBEGRENZER
(voor bepaalde versies/markten)
BESCHRIJVING
Met deze voorziening wordt de snelheid
van het voertuig beperkt tot waarden
die door de bestuurder ingesteld
kunnen worden. De maximumsnelheid
kan zowel bij rijdend als bij stilstaand
voertuig worden ingesteld. De
minimumsnelheid die ingesteld kan
worden is 30 km/h.
Wanneer het systeem actief is, hangt
de snelheid van het voertuig af van
de druk op het gaspedaal, tot de
ingestelde snelheidslimiet wordt bereikt.
Indien nodig kan de ingestelde
snelheidslimiet overschreden worden
(bijvoorbeeld om in te halen) door
het gaspedaal volledig in te trappen.
Door de druk op het gaspedaal
geleidelijk te verminderen wordt het
systeem weer geactiveerd zodra de
snelheid van het voertuig onder de
ingestelde snelheid komt.
106
STARTEN EN RIJDEN
HET SYSTEEM
INSCHAKELEN
Zet de draaischakelaar A fig. 96 op .
SNELHEIDSLIMIET
PROGRAMMEREN
De snelheidslimiet kan
geprogrammeerd worden zonder het
systeem in te hoeven schakelen.
Beweeg, om een hogere snelheid dan
de weergegeven snelheid op te slaan,
hendel A omhoog (+), of omlaag (-)
om een lagere snelheid op te slaan.
Elke beweging van de hendel komt
overeen met een verhoging/verlaging
van de snelheid van ongeveer 1 km/h;
als de hendel omhoog/omlaag wordt
gehouden, dan neemt de snelheid
toe/af met stappen van 5 km/h.
INSCHAKELING/
UITSCHAKELING
SYSTEEM
Druk op de CANC RES-knop (B fig. 96)
om het systeem in/uit te schakelen..
Inschakeling van het systeem:
dit wordt aangegeven door het
aangaan van het controlelampje
op
het instrumentenpaneel.
Uitschakeling van het systeeme: dit
wordt aangegeven door de weergave
van symbool
.
HET SYSTEEM
UITSCHAKELEN
Draai de draaischakelaar A naar de
stand O. De uitschakeling van het
systeem wordt aangegeven door het
uitgaan van het controlelampje
op
het instrumentenpaneel en, bij sommige
versies, door een bericht en
symbool
op het display.
Automatische uitschakeling van het
systeem: het systeem wordt
automatisch uitgeschakeld als zich een
storing in het systeem voordoet.
PARKEERSENSOREN
110) 59)
SENSOREN
Deze sensoren bevinden zich in de
achterbumper fig. 97 en detecteren de
aanwezigheid van obstakels achter
het voertuig en waarschuwen de
bestuurder met een intermitterend
geluidssignaal.
INSCHAKELING/
UITSCHAKELING
De sensoren worden automatisch
ingeschakeld zodra de
achteruitversnelling wordt ingeschakeld.
De frequentie van het geluidssignaal
neemt toe naarmate het obstakel
dichter bij het voertuig komt.
96
F0Y0050C
97
F0Y0140C
107
WERKING MET EEN
AANHANGER
De werking van de sensoren wordt
automatisch uitgeschakeld zodra de
elektrische stekker van de aanhanger in
het stopcontact van de trekhaak van
de auto wordt gestoken.
De sensoren worden automatisch
ingeschakeld zodra de stekker van de
aanhangerkabel verwijderd wordt.
BELANGRIJKE
INFORMATIE
Let tijdens parkeermanoeuvres in
bijzondere mate op obstakels die zich
boven of onder de sensoren kunnen
bevinden.
Onder bepaalde omstandigheden
kunnen voorwerpen in de buurt van de
auto niet gedetecteerd worden en
kunnen zo schade aan de auto
veroorzaken of zelf beschadigd raken.
De volgende omstandigheden kunnen
de werking van de parkeersensoren
beïnvloeden:
de aanwezigheid van ijs, sneeuw,
modder of dikke verf kunnen leiden tot
verminderde gevoeligheid van de
sensoren en afname van de prestaties
van het systeem.
mechanische interferentie (bijv. tijdens
het wassen van de auto, regen, sterke
wind, hagel) kan ertoe leiden dat de
sensor een niet-bestaand voorwerp
detecteert ("echogeluid");
de aanwezigheid van
ultrasoonsystemen (bijv. pneumatisch
remsysteem van vrachtwagens of
pneumatische boren) in de buurt van
het voertuig kan van invloed zijn op de
door de sensor uitgezonden signalen;
de werking van het
parkeerhulpsysteem kan tevens
beïnvloed worden door wijziging van de
positie van de sensor, veroorzaakt
door een verandering in de geometrie
(door slijtage van onderdelen van de
wielophanging), als de banden
verwisseld zijn, overbelaste auto, of
afstellingen waardoor de auto lager
komt te liggen.
BELANGRIJK
110) De verantwoordelijkheid voor het
parkeren en andere gevaarlijke
manoeuvres ligt echter altijd bij de
bestuurder. Controleer tijdens deze
manoeuvres altijd of er geen mensen
(vooral kinderen) of dieren in het
manoeuvregebied aanwezig zijn. De
parkeersensoren dienen als hulp voor de
bestuurder, die echter nooit zijn aandacht
mag laten verslappen tijdens potentieel
gevaarlijke manoeuvres, ook al worden ze
met lage snelheden verricht.
BELANGRIJK
59) Voor een correcte werking van het
systeem mogen de sensoren nooit bevuild
zijn met modder, vuil, sneeuw of ijs. Zorg
ervoor dat ze tijdens het reinigen niet
gekrast of beschadigd worden. Vermijd het
gebruik van droge, ruwe of harde doeken.
De sensoren moeten met schoon water
worden gewassen, waaraan eventueel
autoshampoo is toegevoegd. Wanneer
speciale reinigingsapparaten worden
gebruikt, zoals stoomreinigers of
hogedrukreinigers, reinig dan de sensoren
zeer snel en houd de straal op minstens
10 cm afstand. Breng geen stickers op de
sensoren aan.
108
STARTEN EN RIJDEN
ACHTERUITRIJCAMERA
111) 60)
BESCHRIJVING
De camera bevindt zich op de
achterklep fig. 98.
Camera inschakelen/uitschakelen
Gebruik het menu "Instellingen" van het
Uconnect systeem. Wanneer de
camera is ingeschakeld en de achteruit
word ingeschakeld, dan toont het
display van het Uconnect systeem
het beeld van de zone achter de auto.
SYMBOLEN EN
MELDINGEN OP HET
DISPLAY
Wanneer weergegeven, toont het
statische lijnenrooster de breedte van
de auto.
Het rooster toont afzonderlijke zones,
waardoor de afstand ten opzichte
van de achterkant van de auto
gedetecteerd kan worden.
De verschillende gekleurde zones fig.
99 geven de afstand aan vanaf de
achterkant van het voertuig.
Rode zone (A): 0÷30 cm
Gele zone (B):30cm÷1m
Groene zone (C):1mofmeer
BELANGRIJK Let tijdens
parkeermanoeuvres in bijzondere mate
op obstakels die zich boven of onder
het bereik van de camera kunnen
bevinden.
BELANGRIJK
111) De verantwoordelijkheid voor het
parkeren en andere mogelijk gevaarlijke
manoeuvres ligt echter altijd bij de
bestuurder. Controleer tijdens deze
manoeuvres altijd of er geen mensen
(vooral kinderen) of dieren in het
manoeuvregebied aanwezig zijn. De
camera dient als hulp voor de bestuurder,
die echter nooit zijn aandacht mag laten
verslappen tijdens potentieel gevaarlijke
manoeuvres, ook al worden ze met lage
snelheden verricht. Houd altijd een lage
snelheid aan, zodat meteen geremd kan
worden in geval van obstakels.
98
F0Y0336C
99
F0Y0337C
109
BELANGRIJK
60) Voor een correcte werking is het uiterst
belangrijk dat de camera altijd schoon en
vrij van modder, vuil, sneeuw of ijs wordt
gehouden. Zorg ervoor dat de camera
tijdens het reinigen niet gekrast of
beschadigd wordt. Vermijd het gebruik van
droge, ruwe of harde doeken. De camera
moet met schoon water worden
gewassen, waaraan eventueel
autoshampoo is toegevoegd. In
wasstraten met stoomreinigers of
hogedrukreinigers moet de camera snel
gewassen worden door de spuitmond op
minstens 10 cm van de camera te houden.
Breng geen stickers op de camera aan.
AANHANGERS
TREKKEN
112) 113) 114)
MONTAGE VAN DE
TREKHAAK
Laat de trekhaak door gespecialiseerd
personeel aan de carrosserie monteren,
in overeenstemming met de extra
en/of aanvullende aanwijzingen van de
fabrikant van de trekhaak.
De trekhaak moet voldoen aan de
huidige richtlijn 94/20/EC en latere
wijzigingen.
Voor iedere versie moet een trekhaak
worden gebruikt die geschikt is voor het
maximale trekgewicht van het voertuig
waarop de trekhaak wordt gemonteerd.
Gebruik voor de elektrische aansluiting
een gestandaardiseerde
stekkerverbinding die op een speciale
beugel op de trekhaak kan worden
gemonteerd. Het voertuig moet ook
worden voorzien van een regeleenheid
voor de buitenverlichting van de
aanhanger.
Er moeten 7- of 13-polige 12 V
DC-aansluitingen gebruikt worden
(CUNA/UNI en ISO/DIN-normen). Volg
de aanwijzingen van de fabrikant van
het voertuig en/of van de fabrikant van
de trekhaak op.
BELANGRIJK
Voor het trekken van aanhangers of
caravans moet de auto zijn voorzien
van een goedgekeurde trekhaak en een
geschikte elektrische installatie. De
montage moet door een vakspecialist
worden uitgevoerd.
Monteer eventuele speciale en/of extra
achteruitkijkspiegels conform de
wegenverkeerswetgeving.
Vergeet niet dat het klimvermogen van
de auto door het gewicht van een
aanhanger of caravan wordt
gereduceerd. Ook de remafstand wordt
langer en er is meer tijd nodig om in te
halen.
Schakel een lage versnelling in bij een
helling omlaag om een continu gebruik
van de rem te voorkomen.
110
STARTEN EN RIJDEN
Op de trekhaak rust het gewicht van de
aanhanger waardoor het laadvermogen
van de auto proportioneel wordt
gereduceerd. Om er zeker van te zijn
dat het maximum toelaatbaar
getrokken gewicht (op de
typegoedkeuring vermeld) niet wordt
overschreden, dient men in acht te
nemen dat deze waarde betrekking
heeft op het toelaatbaar gewicht van
volgeladen aanhangwagen, inclusief
accessoires en bagage.
Respecteer de lokale
snelheidsbeperkingen voor auto’s met
aanhanger. Rijd in geen geval harder
dan 100 km/h.
Elke elektrische rem of ander apparaat
(lier enz.) moet rechtstreeks door de
accu worden gevoed via een kabel met
een doorsnede van minimaal 2,5 mm
2
.
Naast de aansluitingen die op het
schema zijn aangegeven, is slechts een
aansluiting voor een eventuele
elektrische rem mogelijk alsmede een
aansluiting voor een interne gloeilamp
van niet meer dan 15 W voor de
aanhanger. Voor de aansluitingen dient
de daarvoor bestemde regeleenheid
te worden gebruikt met een accukabel
met een doorsnede van minimaal
2
BELANGRIJK De toepassing van
andere verbruikers dan de
buitenverlichting (elektrische rem, lier,
enz.) moet met draaiende motor
gebeuren.
BELANGRIJK Neem contact op met
het Fiat Servicenetwerk voor de
montage van de trekhaak.
BELANGRIJK
112) Het ABS waarmee het voertuig is
uitgerust heeft geen controle over het
remsysteem van de aanhanger. Wees
bijzonder voorzichtig op gladde wegen.
113) Probeer nooit de remwerking van de
aanhanger te beïnvloeden door wijzigingen
aan het remsysteem van het voertuig uit
te voeren. Het remsysteem van de
aanhanger moet volledig onafhankelijk zijn
van het hydraulisch systeem van het
voertuig.
114) Na montage moeten de schroefgaten
worden afgedicht om het binnendringen
van uitlaatgassen te voorkomen.
TANKEN
115) 116) 117) 61)
Zet tijdens het tanken de motor af, trek
de handrem aan, draai de
contactsleutel naar STOP en rook niet.
BENZINEMOTOREN
Tank alleen loodvrije benzine met een
octaangehalte van ten minste 95 RON.
DIESELMOTOREN
Tank uitsluitend diesel voor
motorvoertuigen (specificatie EN 590).
Als het voertuig gedurende een lange
periode in de bergen of in koude zones
wordt gebruikt of geparkeerd, wordt
geadviseerd om met de plaatselijk
beschikbare dieselolie te tanken. In dit
geval wordt tevens geadviseerd om
de tank meer dan 50% gevuld te
houden.
111
2,5 mm .
wacht na het tanken minstens 10
seconden alvorens het vulpistool te
verwijderen zodat de brandstof in de
tank kan vloeien;
neem het vulpistool uit de vulopening
en sluit het klepje A.
De hierboven beschreven
tankprocedure is aangegeven op het
plaatje B fig. 100 dat aan de binnenkant
van het tankklepje is aangebracht. Op
het plaatje is ook het type brandstof
aangegeven (LOODVRIJE
BRANDSTOF: benzine, DIESEL:
dieselolie).
Het klepje A is voorzien van een stofkap
C fig. 100 die bij gesloten klep de rand
van de vulopening tegen afzetting
van vuil en stof beschermt.
Tanken in een noodgeval
Ga als volgt te werk:
open de bagageruimte en neem de
adapter uit de gereedschapshouder
of uit de houder van de Fix&Go
Automatic kit (afhankelijk van de versie);
open het klepje A door het naar
buiten te trekken, steek het vulpistool in
de vulopening zoals getoond in fig.
101 en begin te tanken;
verwijder de adapter na het tanken
en sluit de klep;
doe de adapter terug in de houder en
plaats deze weer terug in de
bagageruimte.
LPG-versies
Open voor het tanken het klepje A fig.
102 en verwijder de dop B. Overhandig
de speciale adapter C fig. 102 aan
het personeel van het LPG-tankstation.
BELANGRIJK Afhankelijk van het land
zijn er verschillende soorten adapters
voor LPG-tankstations. De vuladapter,
die bij het voertuig in een speciaal
hoesje geleverd wordt, is speciaal
ontworpen voor het land waarin het
voertuig verkocht is. Als u in een ander
land rijdt, moet u uitzoeken welk type
adapter daar gebruikt wordt.
100
F0Y0229C
101
F0Y0231C
102
F0Y0327C
112
STARTEN EN RIJDEN
TANKPROCEDURE
Diesel- en benzineversies
Ga als volgt te werk:
open het klepje A fig. 100 door het
naar buiten te trekken, steek het
vulpistool in de vulopening en begin te
tanken;
Natural Power versies
62)
Open om te tanken het klepje A fig.
103, draai de dop B rechtsom los om
bij de vulopening C te komen.
Het profiel van de vulopening is van het
universele type dat compatibel is met
de Italiaanse en NGV1 normen. In
sommige Europese landen worden
adapters als ONWETTIG beschouwd
(bijv. in Duitsland).
BELANGRIJK
115) Monteer geen voorwerp/dop op de
rand van de vulopening die niet geleverd is
voor het voertuig. Het gebruik van
niet-goedgekeurde voorwerpen/doppen
kan toename van de druk in de tank
veroorzaken, hetgeen tot gevaarlijke
situaties kan leiden.
116) Kom niet in de buurt van de
vulopening van de tank met open vuur of
brandende sigaretten: brandgevaar. Kom
niet te dicht met uw gezicht bij de
vulopening, om geen schadelijke dampen
in te ademen.
117) Maak geen gebruik van een mobiele
telefoon bij de brandstofpomp:
brandgevaar.
BELANGRIJK
61) Tank uitsluitend dieselolie die aan de
Europese norm EN590 voldoet. Het
gebruik van andere producten of mengsels
kan de motor onherstelbaar beschadigen
en derhalve de garantie voor de
veroorzaakte schade ongeldig maken. Als
per ongeluk andere brandstofsoorten
worden getankt, mag de motor niet gestart
worden en moet de brandstoftank
afgetapt worden. Als de motor ook maar
gedurende zeer korte tijd gelopen heeft,
dan moeten de tank en het volledige
brandstoftoevoersysteem geleegd worden.
62) Op de plaatjes (geleverd samen met
de voertuigdocumenten) is de datum
vermeld van de eerste inspectie/test van
de cilinders die uitgevoerd moet worden.
Aardgastankstations zijn niet bevoegd
de cilinders bij te vullen als de
inspectiedatum verstreken is.
103
F0Y0254C
113
NOODGEVALLEN
Een lekke band of een doorgebrand
lampje?
Soms kan een probleem uw reis in
gevaar brengen.
De pagina's over noodsituaties kunnen
u helpen om op zelfstandige en kalme
wijze kritieke situaties op te lossen.
Wij adviseren u om in een noodsituatie
het gratis telefoonnummer te bellen
dat in het garantieboekje is vermeld.
U kunt ook het gratis landelijke of
internationale universele
telefoonnummer bellen om het
dichtstbijzijnde Servicepunt te vinden.
ALARMKNIPPERLICHTEN ..............115
EEN WIEL VERWISSELEN ..............115
"FIX&GO AUTOMATIC" KIT .............119
EEN LAMP VERVANGEN ................122
ZEKERINGEN VERVANGEN............128
STARTEN MET HULPACCU ............134
AFSLUITER VAN DE
BRANDSTOFTOEVOER ..................135
SLEPEN VAN HET VOERTUIG ........136
114
NOODGEVALLEN
ALARMKNIPPERL
BEDIENING
Druk op de knop fig. 104 om de lichten
in/uit te schakelen. Wanneer de
alarmknipperlichten werken, knipperen
de controlelampjes
en .
Noodremmen
Bij het remmen in noodsituaties gaan
de alarmknipperlichten automatisch
branden, evenals de controlelampjes
en op het instrumentenpaneel.
De lichten gaan automatisch uit
wanneer het noodremmen ophoudt.
EEN WIEL
VERWISSELEN
118) 119) 120) 121) 122) 63)
KRIK
Opmerking:
de krik weegt 1,76 kg;
de krik behoeft geen afstelling;
de krik niet kan worden gerepareerd:
in geval van defect moet de krik door
een origineel exemplaar worden
vervangen;
afgezien van de slinger mag geen
enkel ander gereedschap op de krik
gemonteerd worden.
VERVANGINGSPROCEDURE
WIEL
Ga als volgt te werk:
stop het voertuig op een plek die niet
gevaarlijk is voor het verkeer en waar
het wiel op veilige wijze vervangen kan
worden. De ondergrond moet zo vlak
mogelijk en voldoende stevig zijn;
zet de motor af, trek de handrem aan
en schakel de 1
ste
versnelling of de
achteruit in. Doe het reflecterende
veiligheidsvest (wettelijk verplicht) aan
voordat u uit het voertuig stapt;
500L versies: open de achterklep en
til de vloerbedekking op;
500L LIVING versies: open de
achterklep, til de laadvloer van de
"Cargo Magic Space" met één hand op
en pak de gereedschapshouder.
500L versies: neem de sleutel A fig.
105 uit de gereedschapshouder, draai
de blokkeerschroef los, neem de
gereedschaphouder B uit en plaats
deze naast het te vervangen wiel.
Neem het noodreservewiel C;
500L LIVING versies: til de flap A fig.
106 op de mat van de bagageruimte
op, neem de sleutel B uit de
gereedschapshouder en bevestig deze
op voorziening C. Draai de sleutel B
linksom om de bout van de houder van
het noodreservewiel los te draaien,
zodat de houder kan zakken, en
gebruik de sleutel om het wiel uit de
auto te nemen;
500L LIVING versies: draai de
voorziening D fig. 107 en maak het
noodreservewiel los van de steun E;
104
F0Y0037C
105
F0Y0096C
115
-
ICHTEN
neem de sleutel A fig. 108 en draai
de wielbevestigingsbouten ongeveer
een slag los. Bij versies met
lichtmetalen velgen, de auto schudden
om het loskomen van de velg te
vergemakkelijken;
neem de wig uit de
gereedschapshouder en open deze
zoals aangegeven (zie fig. 109);
leg de wig achter het wiel diagonaal
tegenover het wiel dat vervangen moet
worden om te voorkomen dat het
voertuig onbedoeld gaat bewegen als
het wordt opgekrikt; plaats vervolgens
de krik onder de auto, in de buurt
van het wiel dat vervangen moet
worden;
plaats de sleutel A fig. 110 om de krik
uit te zetten tot de bovenkant van de
krik B correct in de chassisbalk C
terechtkomt (naast de markering
op
de chassisbalk zelf);
waarschuw alle omstanders dat het
voertuig wordt opgekrikt; zorg dat
niemand in de nabijheid van het
voertuig komt tot het weer helemaal op
de grond staat;
plaats de slinger D fig. 110 in de
zitting in voorziening A en krik het
voertuig op tot het wiel enkele
centimeters van de grond is;
verwijder het wieldeksel na de vier
wielbouten te hebben losgedraaid
en draai vervolgens de vijfde wielbout
los om het wiel te verwijderen (alleen
voor versies met wieldeksel bevestigd
met wielbouten);
106
F0Y0355C
107
F0Y0357C
108
F0Y0093C
109
F0Y0211C
110
F0Y0014C
116
NOODGEVALLEN
zorg dat de contactvlakken van het
noodreservewiel en de velg schoon zijn,
verwijder eventueel vuil om het
losraken van de wielbouten te
voorkomen;
monteer het noodreservewiel door de
eerste wielbout twee slagen aan te
draaien in het gat dat zich het dichtst bij
het ventiel bevindt; haal de bout enkele
slagen aan en doe hetzelfde bij de
andere bouten;
neem de sleutel A fig. 105 en draai
de wielbouten volledig vast;
draai aan de slinger van de krik D om
de auto omlaag te brengen. Verwijder
de krik;
gebruik de sleutel A om de
wielbouten kruiselings vast te draaien,
in de volgorde die is aangegeven in
fig. 111;
het is raadzaam om bij vervanging
van een wiel met een lichtmetalen velg
het wiel ondersteboven te plaatsen,
met het versierde gedeelte naar boven
gericht.
500L LIVING versies
123)
Ga, na voltooiing van de
werkzaamheden, als volgt te werk:
zet voorziening A fig. 112 weer op
bevestigingsbeugel B vast;
zet de sleutel C fig. 113 op
voorziening D en draai deze rechtsom
om de bevestigingsbout van de steun
van het noodreservewiel vast te
draaien. De voorziening is correct
vastgezet als de gele balk in venster E
verschijnt;
stop de lekke band in de speciale tas
en plaats deze in de bagageruimte.
Plaatsing lekke band (500L LIVING
versies)
versies met 5 zitplaatsen: leg de lekke
band in de bagageruimte.
versies met 7 zitplaatsen
Met stoelen van de derde rij
ingeklapt: leg de lekke band in de
bagageruimte, boven op de
rugleuningen.
Met stoelen van de derde rij niet
ingeklapt: verwijder de bagage-
afdekhoes (die voor de tweede rij
stoelen gelegd moet worden) en leg de
lekke band in de bagageruimte, zoals
afgebeeld in fig. 114 (wielnaaf gericht
naar de binnenkant van het
passagierscompartiment om te
voorkomen dat het wiel omvalt als de
achterklep gesloten wordt).
111
F0Y0013C
112
F0Y0360C
113
F0Y0361C
117
EEN STANDAARDWIEL
MONTEREN
Versie met stalen velgen
zorg dat de contactvlakken van het
standaardwiel en de naaf schoon
zijn, verwijder eventueel vuil om het
losraken van de wielbouten te
voorkomen;
monteer het standaardwiel en steek
de 5 wielbouten in de gaten;
monteer het wieldeksel, zorg dat de
inkeping (op het wieldeksel) uitgelijnd
is met het ventiel;
draai de wielbevestigingsbouten vast
met de bijgeleverde sleutel;
breng het voertuig omlaag en
verwijder de krik;
draai de wielbevestigingsbouten
helemaal vast met de bijgeleverde
sleutel in de eerder aangegeven
volgorde;
Versies met lichtmetalen velgen
monteer het wiel op de naaf en draai
met de bijgeleverde sleutel de bouten
vast;
breng het voertuig omlaag en
verwijder de krik;
draai de 5 wielbouten helemaal vast
met de bijgeleverde sleutel in de
aangegeven volgorde;
monteer het wieldeksel weer, vergeet
niet de drie kunststof pennen in de
daarvoor bedoelde zittingen op het wiel
te plaatsen. Oefen een licht druk uit
op het deksel om te voorkomen dat de
kunststof pennen beschadigd raken.
BELANGRIJK Indien verkeerd
gemonteerd, kan het wieldeksel
loskomen tijdens het rijden.
Tot slot
plaats het ruimtebesparende
reservewiel in de daarvoor bestemde
ruimte in de bagageruimte;
berg de krik en de andere werktuigen
in de gereedschapshouder op;
plaats de gereedschaphouder en de
werktuigen op het ruimtebesparende
reservewiel;
hermonteer de afdekplaat correct in
de bagageruimte.
BELANGRIJK
118) Het noodreservewiel (voor bepaalde
versies/markten) is specifiek voor het
voertuig; monteer het niet op andere
voertuigen en monteer ook geen
noodreservewielen van andere modellen
op uw voertuig. Gebruik het
noodreservewiel alleen in noodgevallen.
Het mag alleen gebruikt worden voor
de afstand die nodig is om een werkplaats
te bereiken en niet bij hogere snelheden
dan 80 km/h. Op het noodreservewiel
is een oranje etiket aangebracht met de
belangrijkste waarschuwingen en
gebruiksbeperkingen. Verwijder dit etiket
nooit en dek het niet af. Op deze sticker
staan de volgende gegevens in vier talen
vermeld: "Belangrijk! Alleen voor tijdelijk
gebruik! max. 80 km/h! Vervang het
noodreservewiel zo snel mogelijk door het
standaardwiel. Dek deze aanwijzingen
niet af". Monteer nooit een wieldeksel op
het noodreservewiel.
119) Gebruik de alarmknipperlichten, de
gevarendriehoek enz.., om het stilstaande
voertuig aan te geven. Alle inzittenden
moeten het voertuig auto verlaten, vooral
als het zwaar beladen is, en uit de buurt
van gevaarlijk verkeer wachten tot het wiel
is verwisseld. Leg wiggen of ander geschikt
materiaal onder de wielen om de auto op
een helling of ongelijkmatig wegdek te
blokkeren (zie de volgende pagina's).
114
F0Y0368C
118
NOODGEVALLEN
120) De rijeigenschappen van het voertuig
veranderen bij een gemonteerd
noodreservewiel. Vermijd bruusk optrekken
en remmen, scherpe stuurbewegingen en
snelle bochten. De totale levensduur van
het noodreservewiel is ongeveer 3000 km.
Hierna moet de band vervangen worden
door een nieuw exemplaar van hetzelfde
type. Monteer nooit een standaardband op
de velg van een noodreservewiel. Zorg
ervoor dat het verwisselde wiel zo snel
mogelijk gerepareerd en gemonteerd
wordt. Het gebruik van twee of meer
noodreservewielen is verboden. Smeer de
schroefdraden van de wielbouten niet
voordat u deze monteert: ze zouden los
kunnen raken tijdens het rijden.
121) Gebruik de krik uitsluitend voor het
opkrikken van het voertuig waarbij de krik
geleverd is. Gebruik de krik niet voor
andere doeleinden, zoals het opkrikken van
andere voertuigen. Gebruik de krik nooit
voor het uitvoeren van reparaties onder het
voertuig. Door een verkeerde plaatsing
van de krik, kan het voertuig van de krik
vallen. Gebruik de krik niet voor zwaardere
lasten dan is aangegeven op het plaatje
op de krik. Monteer nooit sneeuwkettingen
op het noodreservewiel. In geval van een
lekke voorband (aandrijfwiel) en als er
sneeuwkettingen gebruikt moeten worden,
gebruik dan een standaardwiel en monteer
het noodreservewiel op de achteras. Op
deze manier, met twee standaard
aandrijfwielen aan de voorzijde, kunnen de
sneeuwkettingen hierop gemonteerd
worden.
122) Als het wieldeksel niet goed
gemonteerd is, kan het tijdens het rijden
losraken. Voer nooit werkzaamheden
aan het ventiel uit. Steek nooit
gereedschap tussen de velg en de band.
Controleer regelmatig de spanning van
zowel de banden als het noodreservewiel,
in overeenstemming met de
spanningswaarden die zijn aangegeven in
het hoofdstuk “Technische gegevens”.
123) Na het verwisselde wiel te hebben
opgetild/geblokkeerd, moet de
contactsleutel worden verwijderd. Draai
hem niet in de verkeerde richting om hem
makkelijker te kunnen verwijderen, om
te voorkomen dat het bevestigingssysteem
loskomt en het wiel niet veilig is
geblokkeerd.
BELANGRIJK
63) Neem zo snel mogelijk contact op met
het Fiat Servicenetwerk om het correcte
aanhaalkoppel van de wielbouten te laten
controleren.
"Fix&Go Automatic"
kit
124) 125) 126) 127) 128) 129) 130) 131)
64) 3)
BESCHRIJVING
De "Fix&Go automatic kit" bevindt zich
in de bagageruimte, in een speciale
doos. Deze doos bevat tevens een
schroevendraaier, een sleepoog en een
trechter voor het tanken, in geval van
een noodsituatie. Open, voor toegang
tot de kit, de achterklep, verwijder
de laadvloer en til de mat op.
LPG versies: de kit zit in een
gereedschapshouder die met behulp
van speciale bevestigingen aan de
vloerbedekking van de bagageruimte is
bevestigd.
119
informatiefolder voor een snel en
correct gebruik van de kit, die
vervolgens overhandigd moet worden
aan het personeel dat de behandelde
band moet repareren;
een paar beschermende
handschoenen in het zijvak van de
compressor;
adapters voor het oppompen van
verschillende elementen.
BELANGRIJK Het afdichtmiddel werkt
bij buitentemperaturen tussen –20°C en
+50°C. Het afdichtmiddel heeft een
houdbaarheidsdatum.
OPPOMPEN
Ga als volgt te werk:
Trek de handrem aan. Draai de
ventieldop los, neem de vulslang A fig.
116 uit en draai de ringmoer B op
het ventiel van de band vast;
controleer of de schakelaar A van de
compressor in stand 0 (uit) staat, start
de motor, steek de stekker in het
stopcontact op de tunnelconsole of in
de bagageruimte (voor bepaalde
versies/markten) en schakel de
compressor in, door de schakelaar A in
stand I (aan) te zetten.
pomp de band op tot de juiste
bandenspanning, vermeld in de
paragraaf "Bandenspanning" in het
hoofdstuk "Technische gegevens", is
bereikt. Controleer de bandenspanning
op de drukmeter B; doe dit bij
uitgeschakelde compressor om een
preciezere aflezing te verkrijgen;
als het na 5 minuten nog steeds niet
mogelijk is om minstens 1,8 bar te
krijgen, koppel dan de compressor van
het ventiel en het stopcontact af en
verplaats vervolgens de auto ongeveer
10 meter naar voren of naar achteren,
zodat de afdichtvloeistof zich
gelijkmatig in de band kan verdelen;
pomp de band vervolgens weer op;
als na deze handeling nog steeds
geen 1,8 bar wordt verkregen binnen 5
minuten na inschakeling van de
compressor, rij dan niet verder maar
neem contact op met het Fiat
Servicenetwerk;
stop na ongeveer 10 minuten en
controleer opnieuw de
bandenspanning; trek de handrem
aan en parkeer op een veilige plaats;
als een spanning van minstens 1,8
bar wordt gemeten, herstel dan de
correcte bandenspanning (bij draaiende
motor en aangetrokken handrem), ga
weer rijden en rijd zeer voorzichtig naar
de dichtstbijzijnde garage van het Fiat
Servicenetwerk.
115
F0Y0012C
116
F0Y0010C
120
NOODGEVALLEN
De kit bevat:
een busje A fig. 115 met
afdichtmiddel, voorzien van: een
vulleiding B en een sticker C met
daarop het opschrift “max. 80 km/h”
die na reparatie op een goed zichtbare
plaats moet worden aangebracht
(bijv. op het dashboard);
compressor D met drukmeter en
aansluitnippels, te vinden in de
bagageruimte;
BELANGRIJK
124) Beschadigingen op de zijkanten van
de band kunnen niet gerepareerd worden.
Gebruik de Fix&GO Automatic-kit niet als
de band beschadigd is geraakt door het
rijden met een lege band.
125) Doe de beschermende
handschoenen aan die bij de Fix&Go
Automatic-kit zijn geleverd.
126) Breng de sticker op een voor de
bestuurder goed zichtbare plaats aan, om
eraan te herinneren dat de band behandeld
is met de Fix&Go Automatic kit. Rijd
voorzichtig, met name in bochten.
Overschrijd de snelheid van 80 km/h niet.
Vermijd abrupt accelereren of remmen.
127) Rij niet verder als de bandenspanning
onder 1,8 bar is gedaald: the FixGo
Automatic kit kan de vereiste afdichting niet
garanderen omdat de band te ernstig
beschadigd is. Neem contact op met het
Fiat-servicenetwerk.
128) U moet altijd aangeven dat de band
gerepareerd is met behulp van de Fix&Go
Automatic kit. Overhandig de folder aan het
personeel dat de band zal repareren die
behandeld is met de "Fix&Go Automatic"
bandenreparatiekit.
129) Reparatie is niet mogelijk bij schade
aan de velg (zodanige vervorming van
de groef dat er lucht weglekt). Verwijder
niet het eventueel in de band
binnengedrongen voorwerp (schroef of
spijker).
130) Bedien de compressor nooit langer
dan 20 minuten achter elkaar. Gevaar voor
oververhitting. De Fix&Go Automatic-kit
is niet geschikt voor definitieve reparatie,
dus de gerepareerde banden mogen
slechts tijdelijk gebruikt worden.
131) De wettelijk verplichte informatie
omtrent chemicaliën, met betrekking tot de
bescherming van de menselijke
gezondheid en het milieu en het veilige
gebruik van het afdichtmiddel, staat
vermeld op het label van de verpakking.
Naleving van de instructies op het label is
van essentieel belang voor een veilig en
effectief gebruik van het product. Vergeet
niet het label vóór gebruik zorgvuldig te
lezen; de gebruiker van het product is
verantwoordelijk voor eventuele schade
voortvloeiend uit oneigenlijk gebruik. Het
afdichtmiddel heeft een
houdbaarheidsdatum. Vervang de bus als
de houdbaarheidsdatum van het
afdichtmiddel is verstreken.
BELANGRIJK
64) Als de band door vreemde voorwerpen
lek is geraakt, kan de kit gebruikt worden
voor beschadiging in het loopvlak of de
schouder met een diameter van max.
4 mm.
BELANGRIJK
3) Laat het busje en het afdichtmiddel niet
in het milieu achter. Verwerk de onderdelen
overeenkomstig de nationale en
plaatselijke voorschriften.
121
EEN LAMP
VERVANGEN
132) 133) 65) 66)
ALGEMENE INSTRUCTIES
Controleer alvorens een lamp te
vervangen of de contacten zijn
geoxideerd;
vervang defecte lampen door
exemplaren van hetzelfde type en
vermogen;
controleer na vervanging van een
lamp in de koplamp altijd of de
koplamp goed is afgesteld;
als een lamp niet werkt, controleer
dan of de betreffende zekering is
doorgebrand alvorens de lamp te
vervangen. Om de zekeringen te vinden
wordt verwezen naar de paragraaf
“Zekeringen vervangen” in dit
hoofdstuk;
BELANGRIJK Bij een lage temperatuur
en of bij een hoge
luchtvochtigheidsgraad kan de
binnenzijde van de koplamp een beetje
beslagen zijn. Dit is geen defect maar
een natuurlijk verschijnsel dat
veroorzaakt wordt door de
temperatuur- en vochtverschillen tussen
de binnen- en buitenzijde van het glas,
en dat geen nadelige invloed heeft
op de normale werking van de lichten.
Deze aanslag verdwijnt geleidelijk
aan (van het midden tot de randen)
zodra de koplampen worden
ingeschakeld.
122
NOODGEVALLEN
TYPEN LAMPEN
Gebruik Type Vermogen
Dimlicht/grootlicht H7 55 W
Parkeer-/dagrijlichten (DRL) W21/5W 21W/5W
Parkeerlichten achter/Remlichten P21/5W 21W/5W
Richtingaanwijzers voor WY21W 21 W
Richtingaanwijzers op flanken WY5W 5 W
Richtingaanwijzers achter P21W 21 W
3
e
remlicht LED
Mistlampen H11 55 W
Achteruitrijlicht W16W 16 W
Mistachterlicht W16W 16 W
Kentekenverlichting C5W 5 W
Plafondverlichting voor C5W 5 W
Plafondverlichting voor (zonnekleppen) C5W 5 W
Verlichting bagageruimte W5W 5 W
Dashboardkastverlichting C5W 5 W
Plafondverlichting achter C5W 5 W
123
BOVENSTE
KOPLAMPUNIT
Deze bevat de lampen voor de
richtingaanwijzers en het dimlicht.
De plaatsing van de lampen is
als volgt:fig. 117:
A
Richtingaanwijzers
B
Dimlicht
RICHTINGAANWIJZERS
Ga als volgt te werk om de lamp te
vervangen:
verwijder het deksel A fig. 117;
draai de lamphouder B fig.
118 linksom, verwijder lamp C en
vervang hem;
monteer de nieuwe lamp in de
lamphouder, controleer of hij goed vast
zit;
monteer de lamphouder weer in zijn
zitting en draai hem rechtsom, tot hij
hoorbaar vastklikt;
monteer het deksel A fig. 117.
DIMLICHT
Ga als volgt te werk om de lamp te
vervangen:
verwijder het deksel B fig. 117;
maak het samenstel stekker
en lamphouder C fig. 119 los, door dit
naar buiten te trekken;
verwijder lamp D uit stekker E en
vervang hem;
monteer de nieuwe lamp in de
stekker, controleer of hij goed vast zit;
monteer het samenstel stekker en
lamphouder C weer in zijn zitting;
monteer het deksel B fig. 117.
ONDERSTE
KOPLAMPUNIT
Deze bevat de lampen voor het
grootlicht en het stadslicht/dagrijlichten
(DRL).
De plaatsing van de lampen is als
volgt:fig. 120:
C
Grootlicht
D
Stadslichten/dagrijlichten (DRL)
117
F0Y0021C
118
F0Y0022C
119
F0Y0023C
120
F0Y0024C
124
NOODGEVALLEN
GROOTLICHT
Ga als volgt te werk om de lamp te
vervangen:
draai het wiel helemaal naar binnen;
draai de schroeven A fig. 121 los
en verwijder de klep B;
verwijder het deksel C fig. 122;
maak het samenstel stekker
en lamphouder D los, door dit naar
buiten te trekken;
verwijder de lamp E uit de stekker F
en vervang hem;
monteer de nieuwe lamp in de
stekker, controleer of hij goed vast zit;
monteer het samenstel stekker en
lamphouder D weer in zijn zitting;
monteer het deksel C fig. 120 weer
op zijn plaats.
STADSLICHT/
DAGRIJLICHTEN (DRL)
Ga als volgt te werk om de lamp te
vervangen:
draai het wiel helemaal naar binnen;
draai de schroeven A fig. 121 los
en verwijder de klep B;
verwijder het deksel D fig. 120;
draai de lamphouder E fig.
123 linksom, verwijder de lamp F uit
stekker G en vervang hem;
monteer de nieuwe lamp in de
stekker, controleer of hij goed vast zit;
monteer de lamphouder E weer in
zijn zitting en draai hem rechtsom,
tot hij hoorbaar vastklikt;
monteer het deksel D fig. 120 weer
op zijn plaats.
RICHTINGAANWIJZERS
ZIJKANT
Ga als volgt te werk om de lamp te
vervangen:
druk op het lampenglas A fig. 124
om de inwendige borgveer B fig. 125 in
te drukken en trek de lichtunit naar
buiten;
draai de lamphouder C linksom,
verwijder de lamp D en vervang hem;
monteer de lamphouder C in het
lampenglas A fig. 124 en draai hem
rechtsom;
monteer de lichtunit en controleer of
de inwendige borgveer B fig. 125
goed vastzit.
121
F0Y0145C
122
F0Y0025C
123
F0Y0026C
124
F0Y0147C
125
MISTLAMPEN
(voor bepaalde versies/markten)
Ga als volgt te werk om de lamp te
vervangen:
draai het wiel helemaal naar binnen;
draai de schroeven A fig. 126 los
en verwijder de klep B;
druk op de klem C fig. 127 en maak
de stekker D los;
draai de lamphouder E los en
verwijder hem;
verwijder de lamp en vervang hem;
monteer de nieuwe lamp en voer
de hiervoor beschreven procedure in
omgekeerde volgorde uit.
ACHTERLICHTUNITS
Deze bevatten de lampen van de
stadslichten, de remlichten en
de richtingaanwijzers.
Ga als volgt te werk om de lampen te
vervangen:
gebruik de bijgeleverde imbussleutel
A fig. 128;
maak met lipje B fig. 129 het
beschermdeksel C los en verwijder dit
(bevindt zich aan de zijkant van de
bagageruimte);
gebruik imbussleutel A om de
bevestigingen D fig. 130 van de
achterlichtunit los te maken;
verwijder de achterlichtunit door deze
met beide handen in de richting van
de pijl te trekken fig. 131;
maak de elektrische stekker los, draai
de bevestigingsschroeven E fig. 132
los en verwijder het
lamphoudersamenstel;
vervang de betreffende lamp fig. 133:
F = richtingaanwijzers, G = stadslicht/
remlichten.
125
F0Y0171C
126
F0Y0148C
127
F0Y0033C
128
F0Y0149C
129
F0Y0150C
126
NOODGEVALLEN
VASTE
ACHTERLICHTUNITS
Hierin zitten de lampen voor de
mistachterlichten (linkerkant) en de
lampen voor de achteruitrijlichten
(rechterkant).
Ga als volgt te werk om de lamp te
vervangen:
open de bagageruimte, verwijder de
sierlijst, draai de vier
bevestigingsbouten A fig. 134 los en
verwijder lichtunit B;
maak de stekker los en draai de
lamphouder C linksom fig. 135;
verwijder lamp D uit de lamphouder
en vervang hem;
monteer de nieuwe lamp in de
lamphouder, controleer of hij goed vast
zit;
monteer de lamphouder C in het
lampenglas, draai hem rechtsom en
sluit de stekker weer aan;
monteer de lichtunit B fig. 134 weer
op de juiste wijze door de vier
bevestigingsbouten A vast te draaien,
sluit vervolgens de bagageruimte.
DERDE REMLICHT
Het derde remlicht zit in de achterklep
verwerkt en bestaat uit led lampjes.
Neem voor het vervangen contact op
met het Fiat Servicenetwerk.
130
F0Y0258C
131
F0Y0151C
132
F0Y0027C
133
F0Y0028C
134
F0Y0032C
135
F0Y0029C
127
KENTEKENVERLICHTING
Ga als volgt te werk om de lampen te
vervangen:
verwijder lampenglas A fig. 136;
verwijder de lamp B fig. 137 uit de
zijdelingse veercontacten en vervang
hem;
Monteer de nieuwe lamp en zorg
voor een optimale vergrendeling tussen
de veercontacten, monteer vervolgens
lampenglas A fig. 136.
BELANGRIJK
132) Wijzigingen of reparaties aan de
elektrische installatie die niet correct zijn
uitgevoerd en waarbij geen rekening wordt
gehouden met de technische
systeemgegevens, kunnen storingen in de
werking en zelfs brand tot gevolg hebben.
133) In halogeenlampen bevindt zich
gas onder druk. Als ze breken, kunnen er
glassplinters wegschieten.
BELANGRIJK
65) Raak alleen het metalen gedeelte van
halogeenlampen aan. Het aanraken van
het lampglas met de vingers kan de
lichtopbrengst en de levensduur van de
lamp reduceren. Als het lampenglas per
ongeluk toch wordt aangeraakt, moet het
worden schoongewreven met een doekje
gedrenkt in alcohol en vervolgens laten
drogen.
66) Laat de lampen bij voorkeur vervangen
door het Fiat Servicenetwerk. De correcte
werking en afstelling van de
buitenverlichting is van fundamenteel
belang voor de rijveiligheid en is bovendien
een wettelijke vereiste.
ZEKERINGEN
VERVANGEN
134) 135) 136) 137) 138) 139) 67)
PLAATS VAN DE
ZEKERINGEN
De zekeringen zijn in drie
zekeringenkasten gegroepeerd die zich
in de motorruimte, onder het
dashboard en in de bagageruimte
bevinden.
ZEKERINGENKAST IN
MOTORRUIMTE
Draai voor toegang tot de zekeringen
de twee schroeven A fig. 138 los en
verwijder het deksel B zoals getoond
door de pijl.
136
F0Y0030C
137
F0Y0031C
138
F0Y0071C
128
NOODGEVALLEN
BELANGRIJK Draai, voordat het deksel
B fig. 138 verwijderd wordt, de twee
bajonetschroeven A langzaam linksom
(met behulp van de bijgeleverde platte
schroevendraaier) totdat ze loskomen.
Dit wordt aangegeven door het
omhoog komen van de koppen.
Monteer, na het vervangen van de
zekering, het deksel B weer op
de zekeringenkast.
De zekeringenkast bevindt zich naast
de accu fig. 139.
139
F0Y0072C
129
ZEKERINGENKAST IN DASHBOARD
De zekeringenkast bevindt zich aan de linkerkant van het dashboard. Verwijder het klepje A fig. 140 om bij de zekeringen te
komen.
140
F0Y0280C
130
NOODGEVALLEN
ZEKERINGENKAST IN BAGAGERUIMTE
De zekeringenkast bevindt zich aan de linkerkant van de bagageruimte. Ga, om bij de zekeringen te komen, te werk in het punt
aangegeven door de pijl en verwijder het klepje A fig. 141.
141
F0Y0177C
131
ZEKERINGEN IN ZEKERINGENKAST IN MOTORRUIMTE
fig. 139
APPARATEN ZEKERING AMPÈRE
Claxon F10 15
Achterruitverwarming F20 30
Aansteker/stopcontact voorzijde F85 15
Stopcontact in de bagageruimte (voor bepaalde versies/markten) F86 15
Verwarming buitenspiegels F88 7.5
ZEKERINGEN IN ZEKERINGENKAST IN DASHBOARD
fig. 140
APPARATEN ZEKERING AMPÈRE
Elektrische ruitbediening (linksachter) F33 20
Elektrische ruitbediening (rechtsachter) F34 20
Radiovoeding (voor bepaalde versies/markten), Uconnect
5" Radio,
Uconnect
5" Radio Nav, achterste interieurlichten (rechts en links)
F36 10
Centrale portiervergrendeling F38 20
Tweeweg-ruitensproeierpomp F43 20
Elektrische ruitbediening bestuurderszijde F47 20
Elektrische ruitbediening passagierszijde F48 20
Koplamp grootlicht (links) F90 7.5
Koplamp grootlicht (rechts) F91 7.5
Mistlamp (links) F92 7.5
Mistlamp (rechts) F93 7.5
132
NOODGEVALLEN
ZEKERINGEN IN ZEKERINGENKAST IN BAGAGERUIMTE
fig. 141
APPARATEN ZEKERING AMPÈRE
Elektrische verstelling lendensteun voorstoel F1 15
Elektrische stoelverwarming voor F2 15
Hi-Fi-systeem F3 20
Elektrisch zonnescherm schuifdak F5 20
Elektrisch schuifdak F6 20
BELANGRIJK
134) Als de zekering opnieuw doorbrandt, neem dan contact op met het Fiat Servicenetwerk.
135) Vervang een doorgebrande zekering nooit door metalen draden of ander materiaal.
136) Vervang een doorgebrande zekering nooit door een exemplaar met een hogere stroomsterkte (ampère); BRANDGEVAAR.
137) Als een hoofdzekering (MEGA-ZEKERING, MIDI-ZEKERING, MAXI-ZEKERING) doorbrandt, neem dan contact op met het Fiat
Servicenetwerk.
138) Controleer, voordat een zekering vervangen wordt, of de contactsleutel uit het contactslot is genomen en of alle elektrische apparaten
zijn uitgeschakeld.
139) Als een hoofdzekering van de veiligheidssystemen (airbagsysteem, remsysteem), vermogenssystemen (motor, versnellingsbak) of
rijsysteem doorbrandt, neem dan contact op met het Fiat Servicenetwerk.
BELANGRIJK
67) Als de motorruimte moet worden gewassen, zorg er dan voor dat de waterstraal niet rechtstreeks op de zekeringenkast en de motortjes
van de ruitenwissers terechtkomt.
133
STARTEN MET
HULPACCU
Als de accu leeg is, kan de motor
gestart worden met startkabels en de
accu van een ander voertuig, of met
een hulpaccu.
BELANGRIJK
Bij gebruik van een hulpaccu dient men
zich te houden aan de instructies voor
gebruik en de voorzorgsmaatregelen
die zijn aangegeven door de fabrikant.
Gebruik geen hulpaccu of enige andere
externe voedingsbron met een
spanning hoger dan 12 V: de accu, de
startmotor, de dynamo en het
elektrische systeem van het voertuig
kunnen hierdoor worden beschadigd.
Probeer niet te starten met een
hulpaccu als de accu bevroren is. De
accu kan kapot gaan en ontploffen!
VOORBEREIDEN VAN
STARTEN MET
HULPACCU
140) 141) 142) 68)
BELANGRIJK De plusklem (+) van de
accu is voorzien van een afschermkap.
Til de afschermkap op om toegang te
krijgen tot de plusklem.
Ga als volgt te werk:
trek de handrem aan, zet de pook
van de Dualogic versnellingsbak in
stand P (Parkeren) of, voor versies met
handgeschakelde versnellingsbak, in
de vrijstand en draai de contactsleutel
naar STOP;
schakel alle andere elektrische
apparaten in het voertuig uit;
als een ander voertuig klaar is voor
een noodstart, parkeer dan het voertuig
binnen het bereik van de te gebruiken
startkabels, trek de handrem aan en
zorg ervoor dat het contactslot is
uitgeschakeld.
BELANGRIJK Vermijd contact tussen
beide voertuigen, dit kan immers een
massaverbinding veroorzaken wat
tot ernstig letsel aan mensen in
de buurt kan leiden.
PROCEDURE VOOR
STARTEN MET
HULPACCU
BELANGRIJK Het verkeerd uitvoeren
van onderstaande procedure kan leiden
tot ernstige letsel bij mensen of schade
aan het laadsysteem van één of beide
voertuigen. Volg de onderstaande
instructies nauwkeurig op.
Kabels aansluiten
Ga als volgt te werk om de auto te
starten met een hulpaccu:
sluit een uiteinde van de pluskabel (+)
aan op de plusklem (+) van het
voertuig met de lege accu;
sluit het andere uiteinde van de
pluskabel (+) aan op de plusklem (+)
van de hulpaccu;
sluit een uiteinde van de minkabel (–)
aan op de minklem (–) van de hulpaccu;
sluit het andere uiteinde van de
minkabel (–) aan op een massapunt van
de motor (het zichtbare metalen deel
van de motor van het voertuig met lege
accu) uit de buurt van de accu en het
inspuitsysteem;
start de motor van het voertuig met
de hulpaccu, laat de motor enkele
minuten stationair draaien. Start de
motor van het voertuig met lege accu.
Kabels loskoppelen
Neem, als de motor gestart is, de
kabels als volgt los:
koppel het uiteinde van de minkabel
(–) los van de massa op de motor
van het voertuig met de lege accu;
koppel het andere uiteinde van de
minkabel (–) los van de minklem (–) van
de hulpaccu;
134
NOODGEVALLEN
koppel het uiteinde van de pluskabel
(+) los van de plusklem (+) van de
hulpaccu;
koppel een uiteinde van de pluskabel
(+) los van de plusklem (+) van het
voertuig met de lege accu.
Als het vaak nodig is om een
noodstart uit te voeren, laat de accu
en het laadsysteem van het voertuig
dan controleren door het Fiat
Servicenetwerk.
BELANGRIJK Alle accessoires (bijv.
mobiele telefoons, enz.) aangesloten op
de stopcontacten van het voertuig
verbruiken stroom, ook als ze niet
worden gebruikt. Als deze apparaten te
lang bij afgezette motor aangesloten
blijven, kan de accu leeglopen met
vermindering van de levensduur van de
accu en/of startproblemen tot gevolg.
BELANGRIJK
140) Kom niet te dicht bij de koelventilator
van de radiateur: de elektrische ventilator
kan inschakelen; gevaar voor
verwondingen. Sjaals,stropdassen en
andere losse kleding kunnen door
bewegende delen worden vastgegrepen.
141) Verwijder alle metalen voorwerpen
(bijvoorbeeld ringen, horloges, armbanden)
die ernstig letsel door onbedoeld elektrisch
contact kunnen veroorzaken.
142) Accu's bevatten zuren die de huid en
ogen kunnen aantasten. Accu's
produceren waterstof, dat uiterst
brandbaar en explosief is. Houd ze daarom
uit de buurt van vlammen of apparaten
die vonken kunnen afgeven.
BELANGRIJK
68) Verbind de startkabel niet met de
minklem (–) van de lege accu. De
afgegeven vonk kan explosie van de accu
tot gevolg hebben en ernstige schade
veroorzaken. Gebruik alleen een geschikt
massapunt; gebruik geen andere
blootgestelde metalen onderdelen.
AFSLUITER VAN DE
BRANDSTOFTOEVOER
143)
Deze grijpt bij een botsing in en
veroorzaakt het volgende:
onderbreking van de
brandstoftoevoer met afzetten van de
motor als gevolg
automatische ontgrendeling van de
portieren
automatische inschakeling van de
interieurverlichting
inschakeling van de
alarmknipperlichten.
Wanneer het systeem wordt
ingeschakeld, verschijnt er bij sommige
versies een melding op de display.
BELANGRIJK Controleer de auto
zorgvuldig op brandstoflekkage,
bijvoorbeeld in de motorruimte, onder
de auto of in de buurt van de tank.
Draai na een botsing de contactsleutel
naar STOP om te voorkomen dat de
accu leegloopt.
Ga als volgt te werk om de correcte
werking van de auto te herstellen:
draai de contactsleutel naar de stand
MAR;
schakel de richtingaanwijzer rechts in
en weer uit;
135
schakel de richtingaanwijzer links in
en weer uit;
schakel de richtingaanwijzer rechts in
en weer uit;
schakel de richtingaanwijzer links in
en weer uit;
draai de contactsleutel naar de stand
STOP en daarna naar MAR.
LPG-versies: in geval van een botsing
wordt de benzinetoevoer onmiddellijk
afgesloten, de LPG-veiligheidskleppen
worden gesloten en de injectie wordt
onderbroken waardoor de motor
afgezet wordt.
Natural Power versies: in geval van
een botsing wordt de voeding
onmiddellijk onderbroken, waardoor de
motor afgezet wordt.
BELANGRIJK
143) Als na een botsing een brandstoflucht
wordt geroken of brandstoflekkage wordt
geconstateerd, dan mag het systeem
niet opnieuw ingeschakeld worden om
brand te voorkomen.
SLEPEN VAN HET
VOERTUIG
BEVESTIGING VAN HET
SLEEPOOG
144) 145) 146) 147)
Het sleepoog dat bij de auto wordt
geleverd bevindt zich in de
gereedschapshouder, onder de mat in
de bagageruimte.
Voor
Maak met de hand kapje A fig. 142 los
door op de onderkant te drukken.
Neem het sleepoog B uit zijn zitting in
de gereedschapshouder en draai
het stevig op de schroefdraadpen.
Achter
Maak met de hand kapje A fig. 143 los
door op de onderkant te drukken.
Neem het sleepoog B uit zijn zitting in
de gereedschapshouder en draai
het stevig op de schroefdraadpen.
Versies met Dualogic
versnellingsbak
Controleer of de versnellingsbak in de
vrijstand staat (N) (door te controleren
of het voertuig door te duwen verplaatst
kan worden) en ga vervolgens te werk
zoals bij een voertuig met
handgeschakelde versnellingsbak.
Sleep de auto niet als de
versnellingsbak niet in de vrijstand kan
worden gezet en neem contact op
met het Fiat Servicenetwerk.
142
F0Y0143C
143
F0Y0144C
136
NOODGEVALLEN
145) Maak voor de montage van het
sleepoog de schroefdraad zorgvuldig
schoon. Controleer of het sleepoog
volledig in de zitting is vastgedraaid
alvorens het voertuig te slepen.
146) Denk er tijdens het slepen aan dat de
ondersteuning door de rembekrachtiging
en de elektrische stuurbekrachtiging niet
beschikbaar is; er moet dus meer kracht
worden uitgeoefend op het rempedaal en
het kost meer moeite om het stuurwiel
te draaien. Gebruik voor het slepen geen
flexibele kabels en vermijd bruuske
bewegingen. Controleer of er tijdens het
slepen geen delen van de auto door de
sleepverbinding kunnen worden
beschadigd. Tijdens het slepen van de
auto moeten alle specifieke
verkeersvoorschriften in acht genomen
worden, zowel voor wat betreft de
sleepvoorziening als het gedrag op de weg.
Start de motor niet terwijl het voertuig
gesleept wordt.
147) De voorste en achterste sleepogen
mogen alleen gebruikt worden voor
noodgevallen op de weg. De auto mag
gesleept worden over korte afstanden
wanneer een speciaal hulpmiddel wordt
gebruikt in overeenstemming met de
wegenverkeerswetgeving (starre stang), en
om het voertuig op de weg te verplaatsen
in afwachting van het slepen of het
transport met een takelwagen (gebruik bij
de Trekking versies NIET het achterste
sleepoog voor het vervoer op een
takelwagen: gebruik het voorste sleepoog).
Sleepogen MOGEN NIET worden gebruikt
om voertuigen off-road (d.w.z. op het
terrein) te slepen of waar hindernissen zijn
en/of voor het slepen met kabels of andere
niet-starre hulpmiddelen. In
overeenstemming met bovengenoemde
voorwaarden, moet men voor het slepen
twee voertuigen gebruiken (een slepend en
een gesleept voertuig), die zich beide zo
veel mogelijk op één lijn bevinden.
137
BELANGRIJK
144) Draai, alvorens sleephandelingen te
verrichten, de contactsleutel naar MAR en
vervolgens naar STOP, zonder hem uit
het contactslot te nemen. Bij verwijdering
van de sleutel schakelt automatisch het
stuurslot in en kunnen de wielen niet meer
verdraaid worden.
ONDERHOUD EN ZORG
Dankzij correct onderhoud kunnen de
prestaties van het voertuig, evenals
beperkte bedrijfskosten en het behoud
van de efficiëntie van de
veiligheidssystemen gedurende langere
tijd gegarandeerd worden.
In dit hoofdstuk wordt uitgelegd hoe.
GEPROGRAMMEERD
ONDERHOUD.................................139
MOTORRUIMTE..............................152
ACCU OPLADEN ............................160
RUITENWISSERS/
HET VOERTUIG OPKRIKKEN .........163
WIELEN EN BANDEN .....................164
CARROSSERIE...............................164
138
ONDERHOUD EN ZORG
ACHTERRUITWISSER.....................162
GEPROGRAMMEERD
ONDERHOUD
Juist onderhoud is essentieel voor een
lange levensduur van het voertuig
onder optimale omstandigheden.
Daarom heeft Fiat een reeks controles
en onderhoudsbeurten opgesteld
die op vaste afstandsintervallen
uitgevoerd moeten worden, en, waar
aanwezig, op vaste tijdsintervallen,
zoals beschreven in het
Geprogrammeerd Onderhoudsschema.
Vóór elke onderhoudsbeurt is het altijd
noodzakelijk de aanwijzingen in het
Geprogrammeerd Onderhoudsschema
zorgvuldig op te volgen (bijv.
regelmatige controle van de
vloeistofniveaus, bandenspanning,
enz.).
De beurten van het Geprogrammeerde
Onderhoud worden volgens een vast
tijdsschema door het Fiat
Servicenetwerk uitgevoerd. Eventuele
reparaties die nodig blijken tijdens
het uitvoeren van de diverse inspecties
en controles van het geprogrammeerd
onderhoud, mogen uitsluitend worden
uitgevoerd na uitdrukkelijke
toestemming van de eigenaar. Als het
voertuig dikwijls gebruikt wordt voor het
trekken van aanhangers, dan moet
een korter interval tussen de
onderhoudsbeurten worden
aangehouden.
BELANGRIJK De onderhoudsbeurten
van het Geprogrammeerde Onderhoud
zijn door de fabrikant voorgeschreven.
Het niet uitvoeren ervan kan het
vervallen van de garantie tot gevolg
hebben. Het is raadzaam het Fiat
Servicenetwerk onmiddellijk te
informeren over eventuele kleine
defecten en niet te wachten tot de
volgende onderhoudsbeurt.
PERIODIEKE
CONTROLES
Elke 1000 km of vóór een lange reis
controleren en eventueel bijvullen:
niveau motorkoelvloeistof; niveau
remvloeistof; niveau
ruitensproeiervloeistof; bandenspanning
en -conditie; werking
verlichtingssysteem (koplampen,
richtingaanwijzers, alarmknipperlichten,
enz.); werking ruitensproeier-/
wissersysteem en plaatsing/slijtage
wisserbladen voor-/achterruit.
Elke 3.000 km controleren en eventueel
bijvullen: motorolieniveau.
139
dienen de volgende controles vaker te
worden uitgevoerd dan aangegeven
in het Geprogrammeerd
onderhoudsschema:
remblokken van schijfremmen voor
op conditie en slijtage controleren;
sloten van motorkap en achterklep
op aanwezigheid van vuil controleren,
mechanismen reinigen en smeren;
visueel de toestand controleren van:
motor, versnellingsbak, transmissie,
slangen en leidingen (uitlaat/brandstof-
en remsysteem) en rubber elementen
(hoezen/slangen /bussen enz.);
laadtoestand accu en niveau
accuvloeistof (elektrolyt) controleren;
conditie van aandrijfriemen van
hulporganen visueel controleren;
motorolie en oliefilter controleren en
zo nodig vervangen;
pollenfilter controleren en zo nodig
vervangen;
luchtfilter controleren en zo nodig
vervangen.
140
ONDERHOUD EN ZORG
GEBRUIK VAN HET
VOERTUIG ONDER
ZWARE
OMSTANDIGHEDEN
Als het voertuig onder een van de
volgende omstandigheden wordt
gebruikt:
het trekken van aanhangers of
caravans;
het rijden op stoffige wegen;
talrijke korte ritten (minder dan 7-8
km) en bij buitentemperaturen onder
het vriespunt;
de motor vaak stationair draait of
lange afstanden worden gereden bij
lage snelheden of als de auto lang niet
wordt gebruikt;
GEPROGRAMMEERD ONDERHOUDSSCHEMA (benzineversies)
De controles vermeld in het Geprogrammeerd Onderhoudsschema moeten, na het bereiken van 120.000 km/8 jaar, cyclisch
herhaald worden te beginnen vanaf het eerste interval, daarna dezelfde intervallen aanhouden als daarvoor.
km x 1000 15 30 45 60 75 90 105 120 135 150
Jaren 12345678910
Conditie/slijtage banden controleren
en bandenspanning, indien nodig,
herstellen; vervaldatum lading
“Fix&Go Automatic” kit controleren
(voor bepaalde versies/markten)
●●●●●●●●●●
Werking verlichtingssysteem
(koplampen, richtingaanwijzers,
alarmknipperlichten, bagageruimte,
interieur, dashboardkastje, lampjes
instrumentenpaneel, enz.) controleren
●●●●●●●●●●
Vloeistofniveaus controleren en
eventueel bijvullen (motorkoelvloeistof,
remmen/hydraulische koppeling,
ruitensproeiers, accu enz.)
●●●●●●●●●●
Uitlaatgasemissie/roetuitstoot
controleren
●●●●●●●●●●
De diagnosestekker gebruiken om de
werking van het brandstoftoevoer-/
motormanagementsysteem en de
emissie te controleren; en voor
bepaalde versies/markten, de
verslechtering van de motorolie
●●●●●●●●●●
141
km x 1000 15 30 45 60 75 90 105 120 135 150
Jaren 12345678910
Visueel de toestand controleren van:
buitenzijde van carrosserie,
bodemplaatbescherming, slangen en
leidingen (uitlaat, brandstof- en
remsysteem en rubber elementen
(hoezen, slangen, bussen enz.)
●●●●●
Stand en conditie van wisrubbers van
ruitenwissers voor/achter controleren
●●●●●
Werking van het ruitenwisser/-
sproeiersysteem controleren en zo
nodig de sproeiers afstellen
●●●●●
Slot van motorkap en achterklep op
aanwezigheid van vuil controleren,
schoonmaken en mechanismen
smeren
●●●●●
Slag van handrem controleren en zo
nodig afstellen
●●●●●
Conditie en slijtage remblokken van
schijfremmen voor visueel controleren
en de werking van
remblokslijtagesensor controleren
●●●●●●●●●●
Conditie en slijtage remblokken van
schijfremmen achter visueel
controleren en de werking van
remblokslijtagesensor controleren
●●●●●●●●●●
142
ONDERHOUD EN ZORG
km x 1000 15 30 45 60 75 90 105 120 135 150
Jaren 12345678910
Conditie en slijtage van de achterste
trommelremvoeringen visueel
controleren (voor bepaalde versies/
markten)
●●●●●●●●●●
Conditie en spanning van
aandrijfriem(en) hulporganen (bij
versies zonder automatische
riemspanner) visueel inspecteren
Spanning van aandrijfriem(en)
hulporganen controleren (versies
zonder automatische riemspanner) (of
elke 2 jaar)
●●
Visueel de conditie controleren van de
getande distributieriem (behalve 0.9
TwinAir-versies)
Oliepeil handgeschakelde
versnellingsbak controleren
Visueel de toestand controleren van:
LPG-leidingen en stekkers,
bevestiging LPG-tank (alleen LPG-
versies)
●●●●●
Werking en parameters van het
brandstoftoevoersysteem m.b.v
diagnoseaansluiting controleren
(alleen LPG-versies)
●●●●●
143
km x 1000 15 30 45 60 75 90 105 120 135 150
Jaren 12345678910
Visueel de toestand controleren van:
aardgasleidingen en verbindingen,
bevestiging aardgastank, repareren
indien nodig (alleen Natural Power
versies) (1)
●●●●●
Drukregelaar controleren en indien
nodig het binnenfilter vervangen
(alleen Natural Power versies) (1)
●●●●●
Werking en parameters van het
brandstoftoevoersysteem m.b.v
zelfdiagnoseaansluiting controleren
(alleen Natural Power versies)
●●●●●
Aanhaalkoppel bevestigingsbanden
cilinder controleren (alleen Natural
Power versies)
●●●
Drukregelaar en afdichting
verwarmingsleidingen controleren
(alleen Natural Power versies)
●●●●●
Correcte plaatsing van injectoren
controleren (plaatsing,
klembevestiging) (alleen Natural
Power versies)
●●●●●
(1) Of elk jaar.
144
ONDERHOUD EN ZORG
km x 1000 15 30 45 60 75 90 105 120 135 150
Jaren 12345678910
Motorolie en oliefilter vervangen (2) ●●●●●
Bougies vervangen (3) ●●●●●
Remvloeistof verversen (4) ●●●●●
Filter in de drukregelaar vervangen
(alleen LPG-versies)
(2) Als het voertuig voornamelijk binnen de bebouwde kom gebruikt wordt of wanneer het aantal jaarlijks afgelegde kilometers minder dan 10.000 bedraagt, moeten
de motorolie en het oliefilter elk jaar vervangen worden.
(3) Voor de 0.9 TwinAir Turbo 105 pk versies zijn de volgende zaken van vitaal belang om de correcte werking te verzekeren en om ernstige schade aan de motor te
voorkomen: gebruik uitsluitend bougies die speciaal gecertificeerd zijn voor deze motoren; alle bougies moeten van hetzelfde type en merk zijn (zie de paragraaf
“Motor” in het hoofdstuk “Technische gegevens”); houd u strikt aan de vervangingsintervallen van de bougies die vermeld zijn in het Geprogrammeerde
Onderhoudsschema.
Het wordt aanbevolen contact op te nemen met het Fiat Servicenetwerk om de bougies te laten vervangen.
(4) De remvloeistof moet iedere twee jaar worden vervangen, ongeacht de kilometerstand
145
km x 1000 15 30 45 60 75 90 105 120 135 150
Jaren 12345678910
Papieren filter (LPG in gasvormige
toestand) vervangen (alleen LPG-
versies)
●●●●●
Aandrijfriem(en) hulporganen
vervangen (5)
Getande distributieriem vervangen
(0.9 TwinAir versies uitgezonderd) (5)
Luchtfilterelement vervangen (6) ●●●●●
Interieurfilter vervangen (6) (O) ()O O O O O
(5) Voor gebieden waar weinig stof is wordt een maximale kilometerstand van 120.000 km aanbevolen. Ongeacht de kilometerstand moet de riem om de 6 jaar
vervangen worden.
In stoffige omgevingen en/of bij gebruik van het voertuig onder zware omstandigheden (koude klimaten, gebruik in de stad, periodes van langdurige stilstand)
wordt een maximale kilometerstand van 60.000 km aanbevolen. Ongeacht de kilometerstand, moet de riem om de 4 jaar vervangen worden.
(6) Als het voertuig gebruikt wordt in stoffige omgevingen, moet dit filter om de 15.000 km vervangen worden.
(O) Aanbevolen werkzaamheden
() Verplichte werkzaamheden
146
ONDERHOUD EN ZORG
GEPROGRAMMEERD ONDERHOUDSSCHEMA (Dieselversies)
De controles vermeld in het Geprogrammeerd Onderhoudsschema moeten, na het bereiken van 120.000 km/6 jaar, cyclisch
herhaald worden te beginnen vanaf het eerste interval, daarna dezelfde intervallen aanhouden als daarvoor.
km x 1000 20 40 60 80 100 120 140 160 180 200
Jaren 12345678910
Conditie/slijtage banden controleren
en bandenspanning, indien nodig,
herstellen; vervaldatum lading
“Fix&Go Automatic” kit controleren
(voor bepaalde versies/markten)
●●●●●●●●●●
Werking verlichtingssysteem
(koplampen, richtingaanwijzers,
alarmknipperlichten, bagageruimte,
interieur, dashboardkastje, lampjes
instrumentenpaneel, enz.) controleren
●●●●●●●●●●
Vloeistofniveaus controleren en
eventueel bijvullen (motorkoelvloeistof,
remmen/hydraulische koppeling,
ruitensproeiers, accu enz.)
●●●●●●●●●●
Uitlaatgasemissie/roetuitstoot
controleren
●●●●●●●●●●
De diagnosestekker gebruiken om de
werking van het brandstoftoevoer-/
motormanagementsysteem en de
emissie te controleren; en voor
bepaalde versies/markten, de
verslechtering van de motorolie
●●●●●●●●●●
147
km x 1000 20 40 60 80 100 120 140 160 180 200
Jaren 12345678910
Visueel de toestand controleren van:
buitenzijde van carrosserie,
bodemplaatbescherming, slangen en
leidingen (uitlaat, brandstof- en
remsysteem en rubber elementen
(hoezen, slangen, bussen enz.)
●●●●●
Stand en conditie van wisrubbers van
ruitenwissers voor/achter controleren
●●●●●
Werking van het ruitenwisser/-
sproeiersysteem controleren en zo
nodig de sproeiers afstellen
●●●●●
Slot van motorkap en achterklep op
aanwezigheid van vuil controleren,
schoonmaken en mechanismen
smeren
●●●●●
Slag van handrem controleren en zo
nodig afstellen
●●●●●
Conditie en slijtage remblokken van
schijfremmen voor visueel controleren
en de werking van
remblokslijtagesensor controleren
●●●●●●●●●●
Conditie en slijtage remblokken van
schijfremmen achter visueel
controleren en de werking van
remblokslijtagesensor controleren
●●●●●●●●●●
148
ONDERHOUD EN ZORG
km x 1000 20 40 60 80 100 120 140 160 180 200
Jaren 12345678910
Conditie en slijtage van de achterste
trommelremvoeringen visueel
controleren (voor bepaalde versies/
markten)
●●●●●●●●●●
Conditie van getande distributieriem
visueel controleren (1.3 16V MultiJet
versies uitgezonderd)
●●
Conditie en spanning van
aandrijfriem(en) hulporganen (bij
versies zonder automatische
riemspanner) visueel inspecteren
●●
Oliepeil handgeschakelde
versnellingsbak controleren
Oliepeil Dualogic versnellingsbak
controleren (1)
●●●●●
(1) Het peil moet jaarlijks gecontroleerd worden bij auto's die in landen rijden met bijzonder extreme klimaatomstandigheden (koude landen).
149
km x 1000 20 40 60 80 100 120 140 160 180 200
Jaren 12345678910
Motorolie en oliefilter vervangen (2) (3)
Aandrijfriem(en) hulporganen
vervangen (4)
Getande distributieriem vervangen
(behalve 1.3 16V MultiJet versies) (4)
(2) Het werkelijke interval voor de vervanging van de motorolie en het oliefilter is afhankelijk van de gebruiksomstandigheden van het voertuig en wordt aangegeven
met een brandend lampje of een bericht op het instrumentenpaneel. Het mag echter nooit meer dan 2 jaar bedragen.
(3) Als het voertuig voornamelijk in de stad wordt gebruikt, dan moeten de motorolie en het filter elk jaar worden vervangen.
(4) Voor gebieden waar weinig stof is wordt een maximale kilometerstand van 120.000 km aanbevolen. Ongeacht de kilometerstand moet de riem om de 6 jaar
vervangen worden.
In stoffige omgevingen en/of bij gebruik van het voertuig onder zware omstandigheden (koude klimaten, gebruik in de stad, periodes van langdurige stilstand)
wordt een maximale kilometerstand van 60.000 km aanbevolen. Ongeacht de kilometerstand, moet de riem om de 4 jaar vervangen worden.
150
ONDERHOUD EN ZORG
km x 1000 20 40 60 80 100 120 140 160 180 200
Jaren 12345678910
Brandstoffilterelement vervangen (5) ●●●
Luchtfilterelement vervangen (6) ●●●●●
Remvloeistof verversen (7) ●●●●●
Interieurfilter vervangen (6) (O) ()O O O O O
(5) Als het voertuig op brandstof rijdt van een kwaliteit die niet voldoet aan de betreffende Europese specificatie, moet dit filter om de 20.000 km vervangen worden
(6) As het voertuig gebruikt wordt in stoffige omgevingen, moet dit filter om de 20.000 km vervangen worden.
(7) De remvloeistof moet iedere twee jaar worden vervangen, ongeacht de kilometerstand
(O) Aanbevolen werkzaamheden
() Verplichte werkzaamheden
151
MOTORRUIMTE
.
NIVEAUS CONTROLEREN
148) 149) 69)
0.9 TwinAir Turbo 105 pk versies
A. Motoroliepeilstok – B. Motoroliedop/-vulopening – C. Motorkoelvloeistof D. Vloeistof voor ruitensproeiers/achterruitsproeier – E. Remvloeistof
– F. Accu
144
F0Y0180C
152
ONDERHOUD EN ZORG
1.4 16V 95 pk versies
A. Motoroliepeilstok – B. Motoroliedop/-vulopening – C. Motorkoelvloeistof D. Vloeistof voor ruitensproeiers/achterruitsproeier – E. Remvloeistof
– F. Accu
145
F0Y0181C
153
1.4 16V 120 pk versies
A. Motoroliepeilstok – B. Motoroliedop/-vulopening – C. Motorkoelvloeistof D. Vloeistof voor ruitensproeiers/achterruitsproeier – E. Remvloeistof
– F. Accu
146
F0Y0399C
154
ONDERHOUD EN ZORG
1.3 16v MultiJet versies
A. Motoroliepeilstok – B. Motoroliedop/-vulopening – C. Motorkoelvloeistof D. Vloeistof voor ruitensproeiers/achterruitsproeier – E. Remvloeistof
– F. Accu
147
F0Y0182C
155
1.6 16V 105 pk MultiJet versies
A. Motoroliepeilstok – B. Motoroliedop/-vulopening – C. Motorkoelvloeistof D. Vloeistof voor ruitensproeiers/achterruitsproeier – E. Remvloeistof
– F. Accu
148
F0Y0314C
156
ONDERHOUD EN ZORG
1.6 16V 120 pk MultiJet versies
A. Motoroliepeilstok – B. Motoroliedop/-vulopening – C. Motorkoelvloeistof D. Vloeistof voor ruitensproeiers/achterruitsproeier – E. Remvloeistof
– F. Accu
149
F0Y0413C
157
MOTOROLIE
150) 70) 71) 4)
Controleer of het oliepeil zich tussen het
MIN- en MAX-teken op de peilstok A
bevindt. Wanneer het olieniveau nabij of
onder het MIN-teken komt, moet olie
bijgevuld worden via de vulopening
B tot aan het MAX-teken. Neem de
oliepeilstok A uit, maak hem schoon
met een niet pluizende doek en breng
hem weer in. Neem de
motoroliepeilstok weer uit en controleer
of het peil tussen het MIN- en
MAX-teken op de peilstok staat. Draai,
bij 0.9 TwinAir Turbo 105 pk versies,
de dop los, maak de peilstok schoon
met een niet pluizende doek, breng de
peilstok weer in en draai de dop weer
vast. Draai de dop weer los en
controleer of het peil zich tussen het
MIN- en MAX-teken op de peilstok
bevindt.
Motorolieverbruik: het maximale
motorolieverbruik is gewoonlijk 400
gram elke 1000 km. Tijdens de eerste
gebruiksperiode van het voertuig
dienen de omstandigheden van het
motorolieverbruik als gestabiliseerd te
worden beschouwd na de eerste 5000
- 6000 km.
MOTORKOELVLOEISTOF
151) 72)
Draai, als het niveau te laag is, de
reservoirdop C los en vul de vloeistof bij
zoals vermeld in het hoofdstuk
"Technische gegevens".
VLOEISTOF VOOR
RUITENSPROEIERS/
ACHTERRUITSPROEIER
152) 153)
Draai, als het niveau te laag is, de
reservoirdop D los en vul de vloeistof bij
zoals vermeld in het hoofdstuk
"Technische gegevens".
BELANGRIJK De koplampsproeiers
zullen niet werken bij een laag
ruitensproeiervloeistofniveau, ook al
blijven de ruitensproeiers/
achterruitsproeier werken. Bij sommige
versies staat er een referentieteken
op de peilstok: ALLEEN de
ruitensproeier/achterruitsproeier werken
als het peil onder dit referentieteken
staat.
REMVLOEISTOF
154) 155) 73)
Controleer of de vloeistof op het max.
niveau staat. Als het vloeistofniveau
in het reservoir te laag is, de dop van
het reservoir E losdraaien en de in
het hoofdstuk "Technische gegevens"
beschreven vloeistof toevoegen.
OLIE VOOR BEDIENING
DUALOGIC
VERSNELLINGSBAK
5)
Het olieniveau van de versnellingsbak
mag uitsluitend gecontroleerd worden
bij een werkplaats van het Fiat
Servicenetwerk.
ACCU
156) 157) 158) 159) 6)
Het elektrolyt van de accu hoeft niet te
worden bijgevuld met gedestilleerd
water. Een periodieke controle bij het
Fiat Servicenetwerk is echter
noodzakelijk om de efficiëntie te
verifiëren.
BELANGRIJK Na loskoppeling van de
accu moet de stuurbekrachtiging
geïnitialiseerd worden. Het
waarschuwingslampje
op het
instrumentenpaneel gaat branden om
dit aan te geven. Ga voor de uitvoering
van deze procedure als volgt te werk:
draai het stuurwiel van het ene uiteinde
naar het andere terwijl op een rechtlijnig
traject van ongeveer honderd meter
wordt gereden.
BELANGRIJK Als het ladingsniveau
gedurende langere tijd onder 50% blijft,
raakt de accu door sulfatering
beschadigd. Hierdoor verminderen de
capaciteit en het startvermogen.
158
ONDERHOUD EN ZORG
ONDERHOUD
AIRCONDITIONINGSYSTEEM
Schakel in de winter de airconditioning
minstens eens per maand ongeveer
10 minuten in. Laat vóór het begin van
het zomerseizoen het systeem
controleren door het Fiat
Servicenetwerk.
BELANGRIJK
148) Rook nooit als er werkzaamheden in
de motorruimte worden verricht. Er kunnen
brandbare gassen en dampen aanwezig
zijn die in brand kunnen vliegen.
149) Wees heel voorzichtig bij het werken
in de motorruimte wanneer de motor
heet is: gevaar voor brandwonden.
150) Wacht voor het bijvullen van de
motorolie tot de motor is afgekoeld
alvorens de vuldop los te maken. Dit geldt
in het bijzonder voor voertuigen met een
aluminium vuldop (waar aanwezig).
VOORZICHTIG: gevaar voor brandwonden!
151) Het koelsysteem staat onder druk.
Vervang indien nodig de dop alleen door
een origineel exemplaar om de werking van
het systeem niet negatief te beïnvloeden.
Draai bij warme motor de dop van het
reservoir niet los: gevaar voor
brandwonden.
152) Rijd nooit met een leeg
ruitensproeierreservoir: ruitensproeiers zijn
van fundamenteel belang voor een goed
zicht. Herhaaldelijke werking van het
systeem zonder vloeistof kan leiden tot
schade aan of snelle verslechtering van
sommige systeemcomponenten.
153) Bepaalde in de handel verkrijgbare
additieven voor ruitensproeiervloeistoffen
zijn ontvlambaar. De motorruimte bevat
warme onderdelen die bij contact met de
vloeistof brand kunnen veroorzaken.
154) Remvloeistof is giftig en uiterst
corrosief. Als er per ongeluk remvloeistof
gemorst wordt, moeten de betrokken delen
onmiddellijk worden gewassen met water
en neutrale zeep. Spoel vervolgens met
veel water af. In geval van inslikken
onmiddellijk een arts raadplegen.
155) Het symbool
op het reservoir geeft
aan dat een synthetische remvloeistof
moet worden gebruikt, dus geen minerale
remvloeistof. Het gebruik van minerale
vloeistoffen kan de speciale rubbers in het
remsysteem onherstelbaar beschadigen.
156) Accuvloeistof is giftig en corrosief.
Vermijd contact met huid en ogen. Houd
open vuur en vonkvormende apparaten uit
de buurt van de accu: brand- en
explosiegevaar.
157) Als de accu met onvoldoende
vloeistof werkt, kan dit de accu
onherstelbaar beschadigen en een explosie
veroorzaken.
158) Als het voertuig langdurig gestald
moet worden bij zeer lage temperaturen,
verwijder dan de accu en breng deze naar
een verwarmde plek, om bevriezing te
voorkomen.
159) Bij het verrichten van werkzaamheden
aan de accu of in de buurt daarvan altijd
uw ogen beschermen met een
veiligheidsbril.
BELANGRIJK
69) Let erop dat de verschillende types
vloeistoffen tijdens het bijvullen niet
verwisseld worden: ze mogen absoluut niet
onderling gemengd worden! Bijvullen met
een ongeschikte vloeistof kan leiden tot
ernstige schade aan het voertuig.
70) Het oliepeil mag het MAX-teken nooit
overschrijden.
71) Voeg geen olie met andere
specificaties dan die van de olie die al in de
motor zit toe.
72) PARAFLU
UP
anti-vriesvloeistof wordt
gebruikt in het motorkoelsysteem; gebruik
voor het bijvullen hetzelfde vloeistoftype
als het type dat al in het koelsysteem
zit. PARAFLU
UP
mag niet met andere typen
anti-vriesvloeistoffen worden gemengd.
Als er toch bijgevuld is met een ongeschikt
product, start dan in geen geval de motor
en neem contact op met het Fiat
Servicenetwerk.
73) Vermijd dat remvloeistof, die uiterst
corrosief is, in contact komt met gelakte
zones. Spoel bij contact onmiddellijk af met
water.
159
74) Onjuiste installatie van elektrische en
elektronische accessoires kan ernstige
schade aan het voertuig toebrengen. Als
na aanschaf van de auto accessoires (bijv.
alarmsysteem, mobiele telefoon enz.)
gemonteerd moeten worden, neem dan
contact op met het Fiat Servicenetwerk,
dat de meest geschikte apparaten weet
aan te raden en vooral kan beoordelen of
een accu met een grotere capaciteit nodig
is.
BELANGRIJK
4) Gebruikte motorolie en oliefilters
bevatten stoffen die schadelijk zijn voor het
milieu. Neem contact op met het Fiat
Servicenetwerk om de olie en de filters te
laten vervangen.
5) Gebruikte transmissievloeistof bevat
stoffen die schadelijk zijn voor het milieu.
Het wordt geadviseerd contact op te
nemen met het Fiat Servicenetwerk om de
vloeistof te laten vervangen.
6) Accu’s bevatten stoffen die zeer
gevaarlijk zijn voor het milieu. Neem voor
het vervangen van de accu contact op met
het Fiat Servicenetwerk.
ACCU OPLADEN
160) 161)
BELANGRIJK Wacht, nadat de
contactsleutel naar STOP is gedraaid
en het bestuurdersportier is gesloten,
minstens één minuut alvorens de
elektrische voeding van de accu los te
koppelen. Wanneer de elektrische
voeding weer op de accu wordt
aangesloten, controleer dan of de
startinrichting in de stand STOP staat
en of het bestuurdersportier gesloten is.
BELANGRIJK Het verdient aanbeveling
de accu langzaam en met een laag
ampèrage gedurende ongeveer 24 uur
op te laden. De accu langer opladen,
kan de accu beschadigen.
BELANGRIJK Controleer of de kabels
van de elektrische installatie correct zijn
aangesloten op de accu, d.w.z. de
pluskabel (+) op de plusklem en de
minkabel (–) op de minklem. De
accuklemmen zijn gemarkeerd met de
symbolen plus (+) en min (–), en zijn
weergegeven op het deksel van de
accu. De kabelklemmen moeten ook
corrosievrij zijn en stevig aan de
klemmen bevestigd worden. Als een
acculader van het "snelle" type wordt
gebruikt terwijl de accu in het is
voertuig gemonteerd, moeten eerst
beide kabels van de accu losgemaakt
worden alvorens de acculader aan
te sluiten. Gebruik geen "snellader"
voor de levering van startspanning.
BELANGRIJK De procedure voor het
opladen van de accu is uitsluitend
bedoeld ter informatie. Geadviseerd
wordt contact op te nemen met het Fiat
Servicenetwerk om deze
werkzaamheden te laten uitvoeren.
VERSIES ZONDER
Start&Stop SYSTEEM
(voor bepaalde versies/markten)
Ga voor het opladen van de accu als
volgt te werk:
maak de minklem los van de accu;
160
ONDERHOUD EN ZORG
sluit de kabels van de acculader aan
op de accupolen; let daarbij op de
polariteit;
schakel de acculader in;
schakel na het opladen eerst de
acculader uit alvorens de accu los te
koppelen;
sluit de minklem aan op de accu.
VERSIES MET
Stop/Start-SYSTEEM
(voor bepaalde versies/markten)
Ga als volgt te werk om de accu op te
laden:
maak stekker A fig. 150 los (door op
knop B te drukken) van de sensor C
voor controle van de accutoestand
(gemonteerd op de minklem D van de
accu);
sluit de pluskabel (+) van de
acculader aan op de pluspool (+) van
de accu;
sluit de minkabel (–) van de acculader
aan op de D-klem van de minpool (–)
van de accu;
schakel de acculader in. Schakel na
het opladen eerst de acculader uit
voordat deze wordt losgekoppeld van
de accu;
sluit de stekker A weer aan op de
sensor C van de accu.
BELANGRIJK
160) Accuvloeistof is giftig en corrosief:
vermijd contact met huid en ogen. Het
opladen van de accu moet worden
uitgevoerd in een goed geventileerde
ruimte, uit de buurt van open vuur
en vonken: brand- en ontploffingsgevaar.
161) Probeer een bevroren accu niet op te
laden: eerst moet hij ontdooid worden
om het risico op ontploffing te voorkomen.
Als de accu bevroren is geweest, moet
door gespecialiseerd personeel
gecontroleerd worden of de cellen niet
beschadigd zijn en of de behuizing geen
scheuren vertoont, waardoor de giftige en
corrosieve vloeistof kan weglekken.
150
F0Y0153C
161
RUITENWISSERS/
162) 75)
WISSERBLADEN
VOORRUIT VERVANGEN
Ga als volgt te werk:
hef de wisserarm op, druk op het
lipje A fig. 151 van de springveer en
verwijder het wisserblad van de arm;
monteer het nieuwe wisserblad door
het lipje in de speciale zitting op de
wisserarm te blokkeren;
laat de wisserarm voorzichtig op de
ruit zakken.
WISSERBLAD
ACHTERRUIT
VERVANGEN
Ga als volgt te werk:
til de afdekking A fig. 152 op, draai
de moer B los en verwijder de
wisserarm C;
plaats de nieuwe wisserarm op
correcte wijze, draai de moer B volledig
vast en breng de afdekking A omlaag.
RUITENSPROEIERS
Ruitensproeier
De sproeiers van de voorruit A fig. 153
kunnen niet versteld worden. Als de
ruitensproeiers niet werken, controleer
dan eerst of er ruitensproeiervloeistof
in het reservoir zit (zie paragraaf
“Controle van vloeistofniveaus” in dit
hoofdstuk). Controleer vervolgens of de
sproeigaatjes niet verstopt zijn. Gebruik
zo nodig een naald om ze te
ontstoppen.
151
F0Y0114C
152
F0Y0208C
153
F0Y0209C
162
ONDERHOUD EN ZORG
ACHTERRUITWISSER
BELANGRIJK
162) Rijden met versleten wisserbladen is
bijzonder gevaarlijk, omdat het zicht onder
slechte weersomstandigheden wordt
beperkt.
BELANGRIJK
75) Schakel de ruitenwissers niet met van
de ruit opgeheven wisserbladen in.
HET VOERTUIG
OPKRIKKEN
Als de auto opgeheven moet worden,
ga dan naar een Fiat dealer die is
uitgerust met een garagekrik of een
hefbrug.
BELANGRIJK
163) De auto mag alleen zijdelings worden
opgekrikt door de hefarmen van de
garagekrik of de brug te plaatsen in de
getoonde zones fig. 155 en fig. 156 (om de
achterzijde op te tillen).
BELANGRIJK
76) Let bijzonder op bij het plaatsen van de
hefarmen van de brug of de garagekrik,
zodat eventueel aanwezige spoilers en
zijskirts niet beschadigd raken.
154
F0Y0210C
155
F0Y0266C
156
F0Y0333C
163
Achterruitsproeier
De sproeiers van de achterruit zijn niet
verstelbaar. De sproeier bevindt zich
boven de achterruit fig. 154.
WIELEN EN BANDEN
TIPS VOOR HET
OMWISSELEN VAN DE
BANDEN
164) 77) 78) 79) 80)
De voor- en achterbanden zijn
onderhevig aan verschillende
belastingen en spanningen die te wijten
zijn aan stuurbewegingen, manoeuvres
en remmen. Daarom kunnen ze
ongelijkmatig verslijten.
Om dit probleem op te lossen, moeten
de banden op het juiste moment
worden omgewisseld. Deze handeling
wordt aanbevolen voor banden met een
diep loopvlakprofiel, die geschikt zijn
voor zowel het rijden over verharde als
onverharde wegen.
Het omwisselen van banden draagt bij
tot het handhaven van de grip en
tractieprestaties op natte, modderige of
besneeuwde wegen, waarbij optimale
bestuurbaarheid van het voertuig wordt
gegarandeerd.
In geval van abnormale bandenslijtage,
moet de reden gevonden en
gecorrigeerd worden alvorens de
banden om te wisselen.
BELANGRIJK
164) Verwissel de banden niet kruislings als
ze van het "eenrichtingstype" zijn. Zorg er
in dat geval altijd voor dat er geen banden
gemonteerd worden met een draairichting
die tegengesteld is aan de richting die is
aangegeven: er bestaat risico op verlies
van grip en controle over het voertuig.
BELANGRIJK
77) De wegligging hangt ook van de juiste
bandenspanning af.
78) Als de spanning te laag is raakt de
band oververhit, wat tot ernstige schade
van de band kan leiden.
79) Verwissel de banden niet kruislings,
door ze van de rechterkant van het voertuig
aan de linkerkant te monteren en
andersom.
80) Stel lichtmetalen velgen nooit bloot aan
lakwerkzaamheden die het gebruik van
temperaturen hoger dan 150°C vereisen.
De mechanische eigenschappen van
de wielen kunnen hierdoor in gevaar
komen.
CARROSSERIE
TIPS VOOR HET BEHOUD
VAN DE CARROSSERIE
Lakwerk
81) 7)
Werk beschadigingen van de laklaag,
zoals krassen en schuurplekken,
onmiddellijk bij om roestvorming te
voorkomen. Bij sommige versies kan de
auto voorzien zijn van een exclusieve
matte lak die, om intact te blijven,
speciale zorg vereist.
82)
Volg onderstaande aanwijzingen om het
voertuig correct te wassen:
verwijder de antenne van het dak
wanneer het voertuig gewassen wordt;
als voor het wassen van het voertuig
hogedrukreinigers worden gebruikt,
houd dan een afstand van minimaal
beschadiging of aantasting te
voorkomen. Stagnerend water kan op
lange termijn leiden tot schade aan
het voertuig;
maak de carrosserie eerst nat met
een waterstraal onder lage druk;
was de carrosserie met een zachte
spons met een lichte zeepoplossing en
spoel de spons regelmatig uit;
164
ONDERHOUD EN ZORG
4 0 cm t.o.v. de carrosserie aan om
spoel goed af met schoon water en
droog met een luchtstraal of een zeem.
BELANGRIJK
81) Om de esthetische eigenschappen van
de lak te behouden, mogen er geen
schuur- en/of polijstproducten voor het
reinigen van het voertuig worden gebruikt.
82) Niet wassen met rollen en/of borstels in
autowasstraten. Was het voertuig
uitsluitend met de hand en gebruik
pH-neutrale reinigingsmiddelen; droog af
met een vochtige leren zeem. Schuur-
en/of polijstmiddelen mogen niet gebruikt
worden om het voertuig schoon te maken.
Vogelpoep moet zo snel en zo goed
mogelijk verwijderd worden, omdat hierin
bijzonder agressieve zuren aanwezig zijn.
Vermijd (indien mogelijk) om het voertuig
onder bomen te parkeren; verwijder
plantaardige harsen onmiddellijk omdat
deze, als deze drogen, alleen verwijderd
kunnen worden met schuur- en/of
polijstmiddelen die ten zeerste afgeraden
zijn omdat ze de karakteristieke matheid
van de lak kunnen aantasten. Gebruik geen
onverdunde ruitensproeiervloeistof om de
voorruit te reinigen; verdun dit met
minstens 50% water. Gebruik alleen
onverdunde ruitensproeiervloeistof
wanneer de buitentemperaturen dit
vereisen.
BELANGRIJK
7) Schoonmaakmiddelen veroorzaken
waterverontreiniging. Was het voertuig
daarom op een plaats waar het afvalwater
direct wordt opgevangen en gezuiverd.
165
TECHNISCHE GEGEVENS
Alles dat u nuttig kunt vinden om te
begrijpen hoe uw voertuig is gemaakt
en hoe het werkt is in dit hoofdstuk
vermeld en wordt toegelicht met
gegevens, tabellen en grafieken. Voor
de liefhebbers en de monteurs, maar
ook gewoon voor degenen die elk detail
van hun voertuig willen kennen.
IDENTIFICATIEGEGEVENS..............167
MOTORCODES -
CARROSSERIEVERSIES.................168
MOTOR ..........................................170
WIELEN ..........................................174
AFMETINGEN .................................181
PRESTATIES ...................................184
GEWICHTEN...................................187
VULINHOUDEN...............................198
VLOEISTOFFEN EN
SMEERMIDDELEN..........................200
BRANDSTOFVERBRUIK .................204
CO2-EMISSIE .................................209
RICHTLIJNEN VOOR DE
BEHANDELING VAN HET
VOERTUIG AAN HET EINDE VAN
DE LEVENSDUUR ..........................214
166
TECHNISCHE GEGEVENS
IDENTIFICATIEGEGEVENS
VIN-PLAAT
Deze is aangebracht aan de linkerkant
van de bagageruimte fig. 157 (til de mat
op voor toegang) en hierop zijn de
volgende gegevens vermeld:
A
Naam van de fabrikant.
B
Nummer typegoedkeuring.
C
Identificatiecode autotype.
D
Chassisnummer.
E
Max. toelaatbaar totaalgewicht van
de auto.
F
Max. toelaatbaar totaalgewicht van
de auto met aanhanger.
G
Max. toelaatbaar gewicht op eerste
(voor)as.
H
Max. toelaatbaar gewicht op tweede
(achter)as.
I
Motortype.
L
Code van carrosserieversie.
M
Nummer voor onderdelen.
N
Correcte waarde van de
absorptiecoëfficiënt van de
rookgassen (voor dieselmotoren).
IDENTIFICATIEPLAATJE
CARROSSERIELAK
Dit is aan de binnenkant van de
achterklep gemonteerd en bevat de
volgende gegevens fig. 158
A
Lakfabrikant.
B
Kleurnaam.
C
Fiat kleurcode.
D
Kleurcode voor overspuiten en
bijwerken.
CHASSISNUMMER
Dit is gestempeld op de dwarsbalk
onder de passagiersstoel en bevat de
volgende gegevens:
type auto;
chassisnummer.
MOTORCODE
Deze is op het cilinderblok ingeslagen
en vermeldt het type en het
motorserienummer.
157
F0Y0501C
158
F0Y0003C
167
MOTORCODES - CARROSSERIEVERSIES
VERSIES DIE VOLDOEN AAN DE NIEUWE NORMEN
Versies Motorcodes Carrosserieversies
0.9 TwinAir Turbo 105 pk 199B6000
199LYC1B L2U
199LYC1B L2V
(****)
199LYC1B L2Z (*)
199LYC1B L2AF (**)
199LYC1B L2AG (***)
199LYC1B HL2Z (*) (****)
199LYC1B L2AA (*) (****)
199LYC1B HL2AA (*) (****)
1.4 16V 95 pk 843A1000
199LYB1B L1G
199LYB1B L1N (*)
199LYB1B L1L (**)
199NYB1B LB0C (*****)
1.4 16V 120 pk 940B7000
199LYF1B L7AC
199LYF1B L7AD
(*)
199LYF1B L7AE (**)
199LYF1B L7AF (***)
(****) Voor specifieke markten
(*) Trekking versies
(**) 500L LIVING-versie (met 5 zitplaatsen)
(***) 500L LIVING-versie (met 7 zitplaatsen)
(*****) PRO-versies
168
TECHNISCHE GEGEVENS
Versies Motorcodes Carrosserieversies
1.4 16V 120 pk LPG 940B7000
199LYF1B L7AN
199LYF1B L7AP
(*)
(*) Trekking versies
169
MOTOR
Versies 0.9 TwinAir Turbo Natural Power 0.9 TwinAir Turbo 105 pk
Typecode 312A2000 199B6000
Cyclus Otto Otto
Aantal en opstelling cilinders 2 in lijn 2 in lijn
Boring en slag zuigers (mm) 80,5 x 86,0 80,5 x 86,0
Cilinderinhoud (cm³) 875 875
Compressieverhouding 10 ± 0.2 10 ± 0.2
AARDGAS BENZINE
Maximum vermogen (EG) (kW) 59 62,5 77
72
(*)
Maximum vermogen (EG) (pk) 80 85 105
98
(*)
overeenkomstig motortoerental (tpm) 5500 5500 5500
5750
(*)
Maximum koppel (EG) (Nm) 145 145 145
120
(*)
Maximum koppel (EG) (kgm) 14,8 14,8 14,8
12,2
(*)
overeenkomstig motortoerental (tpm) 2500 2000 2000
1750
(*)
Bougies NGK ILKR9G8 of NGK ILKR9H8 NGK ILKR9G8
Brandstof
Aardgas voor
motorvoertuigen
Loodvrije benzine 95
RON (Specificatie
EN228)
Loodvrije benzine 95 RON (Specificatie EN228)
Emissieniveau Euro5/Euro6 Euro6
(*) Motorgegevens met ingedrukte ECO-knop
170
TECHNISCHE GEGEVENS
Versies 1.4 16V 95 pk 1.4 16V 120 pk 1.4 16V 120 pk LPG
Typecode 843A1000 940B7000 940B7000
Cyclus Otto Otto Otto
Aantal en opstelling cilinders 4 in lijn 4 in lijn 4 in lijn
Boring en slag zuigers (mm) 72,0 x 84,0 72,0 x 84,0 72,0 x 84,0
Cilinderinhoud (cm³) 1368 1368 1368
Compressieverhouding 11 ± 0,2 9,8 ± 0,2 9,8 ± 0,2
LPG BENZINE
Maximum vermogen (EG) (kW) 70 88 88 88
Maximum vermogen (EG) (pk) 95 120 120 120
overeenkomstig motortoerental (tpm) 6000 5000 5000 5000
Maximum koppel (EG) (Nm) 127 215 215 215
Maximum koppel (EG) (kgm) 12,9 22 22 22
overeenkomstig motortoerental (tpm) 4500 2500 2500 2500
Bougies NGK DCPR7E-N-10 NGK IKR9J8 NGK IKR9J8
Brandstof
Loodvrije benzine 95
R.O.N. (EN 228-
specificaties)
Loodvrije benzine 95
R.O.N. (EN 228-
specificaties)
LPG voor
motorvoertuigen
Loodvrije benzine 95
R.O.N. (EN 228-
specificaties)
Emissieniveau Euro 6 Euro 6 Euro 6
171
Versies 1.3 16V 85 pk Multijet 1.3 16V 95 pk Multijet
Typecode 199B4000 330A1000
Cyclus Diesel Diesel
Aantal en opstelling cilinders 4 in lijn 4 in lijn
Boring en slag zuigers (mm) 69,6 x 82,0 69,6 x 82,0
Cilinderinhoud (cm³) 1248 1248
Compressieverhouding 16,8 ± 0,4 16,8 ± 0,4
Maximum vermogen (EG) (kW) 62 70
Maximum vermogen (EG) (pk) 85 95
overeenkomstig motortoerental (tpm) 3500 3750
Maximum koppel (EG) (Nm) 200 215
Maximum koppel (EG) (kgm) 20,4 21,9
overeenkomstig motortoerental (tpm) 1500 1500
Brandstof
Diesel voor motorvoertuigen (Specificatie EN
590)
Diesel voor motorvoertuigen (Specificatie EN
590)
Emissieniveau Euro 5 Euro 6
172
TECHNISCHE GEGEVENS
Versies 1.6 16V 105 pk MultiJet 1.6 16V 120 pk MultiJet
Typecode 199B5000
955A3000
(*) / 940C1000 (**)
Cyclus Diesel Diesel
Aantal en opstelling cilinders 4 in lijn 4 in lijn
Boring en slag zuigers (mm) 79,5 x 80,5 79,5 x 80,5
Cilinderinhoud (cm³) 1598 1598
Compressieverhouding 16,5 ± 0,4 16,5 ± 0,4
Maximum vermogen (EG) (kW) 77 88
Maximum vermogen (EG) (pk) 105 120
overeenkomstig motortoerental (tpm) 3750 3750
Maximum koppel (EG) (Nm) 320 320
Maximum koppel (EG) (kgm) 32,6 32,6
overeenkomstig motortoerental (tpm) 1750 1750
Brandstof
Diesel voor motorvoertuigen (Specificatie EN
590)
Diesel voor motorvoertuigen (Specificatie EN
590)
Emissieniveau Euro 5 Euro5/Euro6
(*) Euro 5 versies
(**) Euro 6 versies
173
WIELEN
165) 166)
STANDAARD VELGEN EN BANDEN
BELANGRIJK Als de gegevens in het instructieboek afwijken van die van het kentekenbewijs, dient men zich altijd aan de
gegevens van het kentekenbewijs te houden. Voor de rijveiligheid moeten alle wielen zijn voorzien van banden van hetzelfde
merk en type.
500L versies
Versies Velgen Banden Winterbanden
Noodreservewiel
(*)
Velg / Band
0.9 TwinAir Turbo
Natural Power
6Jx15 H2 ET 39 195/65 R15 91H 195/65 R15 91Q (M+S)
4JX16 H ET 15
T135/70 R16 100M
6Jx16 H2 ET 36.5
205/55 R16 91H 205/55 R16 91Q (M+S)
6½Jx16 H2 ET 39
7J x 17 H2 ET 41 225/45 R17 91V 225/45 R17 91Q (M+S)
0.9 TwinAir Turbo
6Jx15 H2 ET 39 195/65 R15 91H 195/65 R15 91Q (M+S)
4JX16 H ET 15
T135/70 R16 100M
6Jx16 H2 ET 36.5
205/55 R16 91H 205/55 R16 91Q (M+S)
6½Jx16 H2 ET 39
7Jx17 H2 ET 41 225/45 R17 91V 225/45 R17 91Q (M+S)
1.4 16V 95 pk
6Jx15 H2 ET 39 195/65 R15 91H 195/65 R15 91Q (M+S)
4JX16 H ET 15
T135/70 R16 100M
6Jx16 H2 ET 36.5
205/55 R16 91H 205/55 R16 91Q (M+S)
6½Jx16 H2 ET 39
7Jx17 H2 ET 41 225/45 R17 91V 225/45 R17 91Q (M+S)
(*) Voor bepaalde versies/markten
174
TECHNISCHE GEGEVENS
105 pk
Versies Velgen Banden Winterbanden
Noodreservewiel
(*)
Velg / Band
1.4 16V 120 pk
6Jx16 H2 ET 36.5
205/55 R16 91H 205/55 R16 91Q (M+S)
4JX16 H ET 15
T135/70 R16 100M
6½Jx16 H2 ET 39
7Jx17 H2 ET 41 225/45 R17 91V 225/45 R17 91Q (M+S)
1.3 16V MultiJet
6Jx15 H2 ET 39 195/65 R15 91H 195/65 R15 91Q (M+S)
4JX16 H ET 15
T135/70 R16 100M
6Jx16 H2 ET 36.5
205/55 R16 91H 205/55 R16 91Q (M+S)
6½Jx16 H2 ET 39
7Jx17 H2 ET 41 225/45 R17 91V 225/45 R17 91Q (M+S)
1.6 16V Multijet
6Jx15 H2 ET 39
195/65 R15 91H
(***)
195/65 R15 91Q (M+S)
4JX16 H ET 15
T135/70 R16 100M
6Jx16 H2 ET 36.5
205/55 R16 91H 205/55 R16 91Q (M+S)
6½Jx16 H2 ET 39
7Jx17 H2 ET 41 225/45 R17 91V 225/45 R17 91Q (M+S)
(*) Voor bepaalde versies/markten
(***) 1.6 16V 105 PK MultiJet-versies
500L Trekking versies
Versies Velgen Banden Winterbanden
Noodreservewiel
(*)
Velg / Band
Alle versies
6Jx16 H2 ET 36.5
205/55 R16 91H 205/55 R16 91Q (M+S)
4JX16 H ET 15
T135/70 R16 100M
6½Jx16 H2 ET 39
7Jx17 H2 ET 41 225/45 R17 91V 225/45 R17 91Q (M+S)
(*) Voor bepaalde versies/markten
175
500L LIVING versies
Versies Velgen Banden Winterbanden
Noodreservewiel
(*)
Velg / Band
0.9 TwinAir Turbo
Natural Power
6Jx15 H2 ET 39 195/65 R15 91H 195/65 R15 91Q (M+S)
4JX16 H ET 15
T135/70 R16 100M
6Jx16 H2 ET 36.5
205/55 R16 91H 205/55 R16 91Q (M+S)
6½Jx16 H2 ET 39
7J x 17 H2 ET 41 225/45 R17 91V 225/45 R17 91Q (M+S)
0.9 TwinAir Turbo
6Jx15 H2 ET 39
(**) 195/65 R15 91H (**)
195/65 R15 91Q (M+S)
4JX16 H ET 15
T135/70 R16 100M
6Jx16 H2 ET 36.5
205/55 R16 91H 205/55 R16 91Q (M+S)
6½Jx16 H2 ET 39
7Jx17 H2 ET 41 225/45 R17 91V 225/45 R17 91Q (M+S)
1.4 16V 95 pk
6Jx15 H2 ET 39 195/65 R15 91H 195/65 R15 91Q (M+S)
4JX16 H ET 15
T135/70 R16 100M
6Jx16 H2 ET 36.5
205/55 R16 91H 205/55 R16 91Q (M+S)
6½Jx16 H2 ET 39
7J x 17 H2 ET 41 225/45 R17 91V 225/45 R17 91Q (M+S)
1.4 16V 120 pk
6Jx16 H2 ET 36.5
205/55 R16 91H 205/55 R16 91Q (M+S)
4JX16 H ET 15
T135/70 R16 100M
6½Jx16 H2 ET 39
7Jx17 H2 ET 41 225/45 R17 91V 225/45 R17 91Q (M+S)
1.3 16V MultiJet
6Jx15 H2 ET 39 195/65 R15 91H 195/65 R15 91Q (M+S)
4JX16 H ET 15
T135/70 R16 100M
6Jx16 H2 ET 36.5
205/55 R16 91H 205/55 R16 91Q (M+S)
6½Jx16 H2 ET 39
7Jx17 H2 ET 41 225/45 R17 91V 225/45 R17 91Q (M+S)
(*) Voor bepaalde versies/markten
(**) versies met 5 zitplaatsen
176
TECHNISCHE GEGEVENS
105pk
Versies Velgen Banden Winterbanden
Noodreservewiel
(*)
Velg / Band
1.6 16V Multijet
6Jx15 H2 ET 39
(***) 195/65 R15 91H (***)
195/65 R15 91Q (M+S)
4JX16 H ET 15
T135/70 R16 100M
6Jx16 H2 ET 36.5
205/55 R16 91H 205/55 R16 91Q (M+S)
6½Jx16 H2 ET 39
7Jx17 H2 ET 41 225/45 R17 91V 225/45 R17 91Q (M+S)
(*) Voor bepaalde versies/markten
(***) Alleen 1.6 16V 105 pk Multijet-versies met 5 zitplaatsen
177
BANDENSPANNING IN KOUDE TOESTAND (bar)
Bij warme banden moet de bandenspanning +0,3 bar hoger zijn dan de voorgeschreven waarde. Controleer de
bandenspanning nogmaals als de banden koud zijn. Bij winterbanden moet de bandenspanning +0,2 bar worden verhoogd
t.o.v. de voorgeschreven spanningswaarde voor standaardbanden.
500L versies
Banden
Onbelast/gemiddelde belasting Volledige belasting
Noodreservewiel
(*)
Voor Achter Voor Achter
195/65 R15 91H 2.2 2.0 2.5 2.5
4.2
195/65 R15 91H
(**)
2,4 2,4 2,8 2,9
205/55 R16 91H 2.2 2.0 2.5 2.5
205/55 R16 91H
(****)
2,4 2,0 2,5 2,5
205/55 R16 91H
(***)
2.4 2.2 2.6 2.8
225/45 R17 91V 2,2 2,0 2,5 2,5
225/45 R17 91V
(****)
2,4 2,0 2,5 2,5
225/45 R17 91V
(***)
2,4 2,2 2,6 2,8
(*) Voor bepaalde versies/markten
(**) 1.6 16V 105 pk Multijet-versies
(****) 1.6 16V 120 pk Multijet-versies
(***) Trekking versies
178
TECHNISCHE GEGEVENS
0.9 TwinAir Turbo Natural Power versies
Banden
Onbelast/gemiddelde belasting Volledige belasting
Noodreservewiel
(*)
Voor Achter Voor Achter
195/65 R15 91H 2.4 2.4 2.8 2.8
4.2
205/55 R16 91H 2.2 2.0 2.5 2.8
205/55 R16 91H GoodYear
(**)
2,6 (***) 2,4 (***) 2,6 (***) 2,8 (***)
205/55 R16 91H GoodYear
(**)
2,2 (****) 2,0 (****) 2,5 (****) 2,5 (****)
225/45 R17 91V 2,2 2,0 2,5 2,8
(*) Voor bepaalde versies/markten
(**) Voor specifieke markten
(***) ECO
(****) ECO-verbruik is niet gegarandeerd bij een comfortspanning
500L LIVING versies
Banden
Onbelast/gemiddelde belasting Volledige belasting
Noodreservewiel
(*)
Voor Achter Voor Achter
195/65 R15 91H 2,4 2,4 2,8 2,7
4,2
205/55 R16 91H 2,4 2,2
2,5 / 2,7
(**) 2,5 / 2,7 (**)
225/45 R17 91V 2.4 2.2
2.5 / 2.7
(**) 2.5 / 2.7 (**)
(*) Voor bepaalde versies/markten
(**) versies met 7 zitplaatsen
179
SNEEUWKETTINGEN
Belangrijk
83)
Opmerking Sneeuwkettingen met beperkte breedte die maximaal 9 mm buiten het bandprofiel uitsteken kunnen gemonteerd
worden op 195/65 R15 91H en 205/55 R16 91H banden. Op 225/45 R17 91V banden kunnen geen sneeuwkettingen
gemonteerd worden.
Het gebruik van sneeuwkettingen moet aan de plaatselijke voorschriften in elk land voldoen. In bepaalde landen worden
banden gemarkeerd met de M+S (Mud and Snow) beschouwd als winteruitrusting; het gebruik hiervan is gelijkwaardig aan dat
van de sneeuwkettingen.
Sneeuwkettingen mogen alleen op de banden van de voorwielen (aandrijfwielen) gemonteerd worden.
Controleer de spanning van de sneeuwkettingen na enkele tientallen meters rijden.
Het gebruik van sneeuwkettingen met banden met niet-originele afmetingen kan het voertuig beschadigen.
Het gebruik van verschillende maten of types (M+S, winter-, enz.) banden op de voor- en achterassen kan van negatieve
invloed zijn op de bestuurbaarheid van het voertuig, met het risico van verlies van controle over het voertuig en dientengevolge
van ongevallen.
Er kunnen geen sneeuwkettingen op het noodreservewiel gemonteerd worden (bij bepaalde versies/markten). Als er een
voorband lek is, vervang dan een achterwiel door het noodreservewiel en monteer het achterwiel op de vooras. Op die manier
kunnen, met twee normale aandrijfwielen aan de voorkant, sneeuwkettingen gemonteerd worden.
BELANGRIJK
165) De maximumsnelheid voor winterbanden met de indicatie “Q” is 160 km/h; 190 km/h voor winterbanden met de indicatie “T” en 210
km/h voor winterbanden met de indicatie"H". Men dient zich echter altijd strikt te houden aan de snelheidsbeperkingen van de
wegenverkeerswetgeving.
166) Indien op stalen velgen met integrale wieldeksels (met veerbevestiging) aftersales-banden met velgbeschermers worden gemonteerd,
dan mogen de wieldeksels NIET gemonteerd worden. Het gebruik van ongeschikte banden en wieldeksels kan leiden tot een plotselinge
afname van de bandenspanning.
BELANGRIJK
83) Beperk de snelheid als sneeuwkettingen gemonteerd zijn; rijd niet harder dan 50 km/h. Vermijd kuilen, trottoirbanden en stoepen en rijd
geen lange stukken op sneeuwvrije wegen om de auto en het wegdek niet te beschadigen.
180
TECHNISCHE GEGEVENS
AFMETINGEN
De afmetingen zijn uitgedrukt in mm en hebben betrekking op een voertuig met standaard bijgeleverde banden. De hoogte
heeft betrekking op een onbeladen auto.
500L versies
A B C D E F (*) G H (*) I
4147 829 2612 706
1658/1678
(**)
1522 2018 1519 1784
(*) Afhankelijk van de velgmaat kunnen er kleine variaties in de afmetingen voorkomen.
(**) Natural Power versies.
159
F0Y0214C
181
500L Trekking versies
A B C D E F (*) G H (*) I
4270 868 2612 790 1679 1513/1522 2018 1511/1519 1800
(*) Afhankelijk van de velgmaat kunnen er kleine variaties in de afmetingen voorkomen.
160
F0Y0334C
182
TECHNISCHE GEGEVENS
500L LIVING versies
A B C D E F (*) G H (*) I
4352 829 2612 911 1667 1513/1522 2018 1511/1519 1784
(*) Afhankelijk van de velgmaat kunnen er kleine variaties in de afmetingen voorkomen.
161
F0Y0335C
183
PRESTATIES
Topsnelheden na de inrijperiode van het voertuig.
500L versies
Versies km/h
0.9 TwinAir Turbo Natural Power
167
(*) / 163 (**)
0.9 TwinAir Turbo 105 pk 180
1.4 16V 95 pk 178
1.4 16V 95 HP PRO 178
1.4 16V 120 pk 189
1.4 16V 120 pk LPG 189
1.3 16V 85 pk Multijet 165
1.3 16V 85 pk Multijet PRO 165
1.3 16V 85 pk Multijet Dualogic 164
1.3 16V 95 pk Multijet 171
1.3 16V 95 pk Multijet PRO 171
1.3 16V 95 pk Multijet Dualogic 169
1.6 16V 105 pk MultiJet 181
1.6 16V 105 HP MultiJet PRO 181
1.6 16V 120 pk MultiJet 189
1.6 16V 120 pk Multijet PRO 189
(*) Op benzine
(**) Op aardgas
184
TECHNISCHE GEGEVENS
500L Trekking versies
Versies km/h
0.9 TwinAir Turbo 105 pk 173
1.4 16V 95 pk 165
1.4 16V 120 pk 183
1.4 16V 120 pk LPG 183
1.3 16V 85 pk Multijet 160
1.3 16V 85 pk Multijet Dualogic 158
1.3 16V 95 pk Multijet 166
1.3 16V 95 pk Multijet Dualogic 163
1.6 16V 105 pk MultiJet 175
1.6 16V 120 pk MultiJet 183
185
500L LIVING versies
Versies km/h
0.9 TwinAir Turbo Natural Power
167
(*) / 163 (**)
0.9 TwinAir Turbo 105 pk 180
1.4 16V 95 pk 178
1.4 16V 120 pk 189
1.3 16V 85 pk Multijet 165
1.3 16V 85 pk Multijet Dualogic 164
1.3 16V 95 pk Multijet 171
1.3 16V 95 pk Multijet Dualogic 169
1.6 16V 105 pk MultiJet 181
1.6 16V 120 pk MultiJet 189
(*) Op benzine
(**) Op aardgas
186
TECHNISCHE GEGEVENS
GEWICHTEN
500L / 500L Trekking VERSIES
Gewichten (kg) 0.9 TwinAir Turbo Natural Power 0.9 TwinAir Turbo 105 pk
Leeggewicht (met alle vloeistoffen, brandstoftank
90% gevuld en zonder opties):
1390
1260 / 1270
(*)
Nuttig laadvermogen inclusief de bestuurder (**)
505
560 / 545
(*)
Maximum toelaatbare belastingen (***)
1050 1050– vooras:
– achteras: 1000 1000
– totaal:
1895 1820 / 1815
(*)
Trekgewichten
1000
– geremde aanhanger:
– ongeremde aanhanger: 400
Max. dakbelasting: 60 60
Max. toelaatbare kogeldruk (geremde aanhanger): 60
(*) Trekking versies
(**) Als er speciale uitrustingen zijn gemonteerd (schuifdak, trekhaak enz.) dan stijgt het leeggewicht van het voertuig, waardoor het laadvermogen daalt in
verhouding tot de maximaal toelaatbare belasting.
(***) Belastingen die niet overschreden mogen worden. Het is de verantwoordelijkheid van de gebruiker dat goederen zodanig over de bagageruimte en/of laadvloer
worden verdeeld, dat de maximum toelaatbare belastingen niet worden overschreden.
187
Gewichten (kg) 1.4 16V 95 pk 1.4 16V 120 pk
Leeggewicht (met alle vloeistoffen, brandstoftank
90% gevuld en zonder opties):
1245 / 1255
(*) / 1270 (**) 1290 / 1300 (*)
Nuttig laadvermogen inclusief de bestuurder (***) 560 / 545 (*) / 575 (**)
560
Maximum toelaatbare belastingen
(****)
1050 1050– vooras:
– achteras: 1000 1000
– totaal:
1805 / 1800
(*) / 1845 (**) 1850 / 1860 (*)
Trekgewichten
1000 1000
– geremde aanhanger:
– ongeremde aanhanger: 400 400
Max. dakbelasting: 60 60
Max. toelaatbare kogeldruk (geremde aanhanger): 60 60
(*) Trekking versies
(**) PRO versies
(***) Als er speciale uitrustingen zijn gemonteerd (schuifdak, trekhaak enz.) dan stijgt het leeggewicht van het voertuig, waardoor het laadvermogen daalt in
verhouding tot de maximaal toelaatbare belasting.
(****) Belastingen die niet overschreden mogen worden. Het is de verantwoordelijkheid van de gebruiker dat goederen zodanig over de bagageruimte en/of
laadvloer worden verdeeld, dat de maximum toelaatbare belastingen niet worden overschreden.
188
TECHNISCHE GEGEVENS
Gewichten (kg) 1.4 16V 120 pk LPG 1.3 16V 85 pk Multijet
1.3 16V 85 pk Multijet
Dualogic
Leeggewicht (met alle vloeistoffen,
brandstoftank 90% gevuld en zonder opties):
1310 / 1320
(*) 1295 / 1305 (*) / 1320 (**) 1300 / 1310 (*)
Nuttig laadvermogen inclusief de bestuurder
(****)
560
550 / 545
(*) / 575 (**) 560 / 545 (*)
Maximum toelaatbare belastingen (*****)
1050 1050 1050– vooras:
– achteras: 1000 1000 1000
– totaal:
1870 / 1880
(*) 1845 / 1850 (*) / 1895 (**) 1850 / 1855 (*)
Trekgewichten
1000 1000 1000
– geremde aanhanger:
– ongeremde aanhanger: 400 400 400
Max. dakbelasting: 60 60 60
Max. toelaatbare kogeldruk (geremde
aanhanger):
60 60 60
(*) Trekking versies
(**) PRO versies
(****) Als er speciale uitrustingen zijn gemonteerd (schuifdak, trekhaak enz.) dan stijgt het leeggewicht van het voertuig, waardoor het laadvermogen daalt in
verhouding tot de maximaal toelaatbare belasting.
(*****) Belastingen die niet overschreden mogen worden. Het is de verantwoordelijkheid van de gebruiker dat goederen zodanig over de bagageruimte en/of
laadvloer worden verdeeld, dat de maximum toelaatbare belastingen niet worden overschreden.
189
Gewichten (kg) 1.3 16V 95 pk Multijet 1.3 16V 95 pk Multijet Dualogic
Leeggewicht (met alle vloeistoffen, brandstoftank
90% gevuld en zonder opties):
1305 / 1315
(*) / 1320 (**) 1305 / 1315 (*)
Nuttig laadvermogen inclusief de bestuurder (****) 540 / 575 (**) 545 / 540 (*)
Maximum toelaatbare belastingen (*****)
1050 1050– vooras:
– achteras: 1000 1000
– totaal:
1845 / 1855
(*) / 1895 (**) 1850 / 1855 (*)
Trekgewichten
1000 1000
– geremde aanhanger:
– ongeremde aanhanger: 400 400
Max. dakbelasting: 60 60
Max. toelaatbare kogeldruk (geremde aanhanger): 60 60
(*) Trekking versies
(**) PRO versies
(****) Als er speciale uitrustingen zijn gemonteerd (schuifdak, trekhaak enz.) dan stijgt het leeggewicht van het voertuig, waardoor het laadvermogen daalt in
verhouding tot de maximaal toelaatbare belasting.
(*****) Belastingen die niet overschreden mogen worden. Het is de verantwoordelijkheid van de gebruiker dat goederen zodanig over de bagageruimte en/of
laadvloer worden verdeeld, dat de maximum toelaatbare belastingen niet worden overschreden.
190
TECHNISCHE GEGEVENS
Gewichten (kg) 1.6 16V 105 pk MultiJet 1.6 16V 120 pk Multijet Euro 5
Leeggewicht (met alle vloeistoffen, brandstoftank
90% gevuld en zonder opties):
1365 / 1375
(*) / 1365 (**) 1370 / 1380 (*)
Nuttig laadvermogen inclusief de bestuurder (***) 560 / 550 (*) / 575 (**)
550
Maximum toelaatbare belastingen
(****)
1050 1050– vooras:
– achteras: 1000 1000
– totaal:
1925 / 1940
(**) 1920 / 1930 (*)
Trekgewichten
1100 1100
– geremde aanhanger:
– ongeremde aanhanger: 400 400
Max. dakbelasting: 60 60
Max. toelaatbare kogeldruk (geremde aanhanger): 60 60
(*) Trekking versies
(**) PRO versies
(***) Als er speciale uitrustingen zijn gemonteerd (schuifdak, trekhaak enz.) dan stijgt het leeggewicht van het voertuig, waardoor het laadvermogen daalt in
verhouding tot de maximaal toelaatbare belasting.
(****) Belastingen die niet overschreden mogen worden. Het is de verantwoordelijkheid van de gebruiker dat goederen zodanig over de bagageruimte en/of
laadvloer worden verdeeld, dat de maximum toelaatbare belastingen niet worden overschreden.
191
Gewichten (kg) 1.6 16V 120 pk MultiJet
1.6 16V 120 pk Multijet Trekking
(*)
Leeggewicht (met alle vloeistoffen, brandstoftank
90% gevuld en zonder opties):
1380 / 1390
(**)
1430
Nuttig laadvermogen inclusief de bestuurder
(****) 540 / 560 (***)
505
Maximum toelaatbare belastingen
(*****)
1050 1050– vooras:
– achteras: 1000 1000
– totaal:
1920 / 1930
(**) / 1940 (***) 1935
Trekgewichten
1100 1100
– geremde aanhanger:
– ongeremde aanhanger: 400 400
Max. dakbelasting: 60 60
Max. toelaatbare kogeldruk (geremde aanhanger): 60 60
(*) Versie voor specifieke markten
(**) Trekking versies
(****) Als er speciale uitrustingen zijn gemonteerd (schuifdak, trekhaak enz.) dan stijgt het leeggewicht van het voertuig, waardoor het laadvermogen daalt in
verhouding tot de maximaal toelaatbare belasting.
(***) PRO versies
(*****) Belastingen die niet overschreden mogen worden. Het is de verantwoordelijkheid van de gebruiker dat goederen zodanig over de bagageruimte en/of
laadvloer worden verdeeld, dat de maximum toelaatbare belastingen niet worden overschreden.
192
TECHNISCHE GEGEVENS
500L LIVING VERSIES
Gewichten (kg)
0.9 TwinAir Turbo
Natural Power
0.9 TwinAir Turbo 105 pk
versies met 5
zitplaatsen
versies met 7
zitplaatsen
Leeggewicht (met alle vloeistoffen, brandstoftank
90% gevuld en zonder opties):
1420 1290 1320
Nuttig laadvermogen inclusief de bestuurder
(*)
500 515 645
Maximum toelaatbare belastingen
(**)
- vooras: 1050 1050 1050
– achteras: 1000 1000 1080
- totaal: 1920 1805 1965
Trekgewichten
– geremde aanhanger: 1000 1000
– ongeremde aanhanger: 400 400
Max. dakbelasting: 60 60 60
Max. toelaatbare kogeldruk (geremde aanhanger): 60 60
(*) Als er speciale uitrustingen zijn gemonteerd (schuifdak, trekhaak enz.) dan stijgt het leeggewicht van het voertuig, waardoor het laadvermogen daalt in
verhouding tot de maximaal toelaatbare belasting.
(**) Belastingen die niet overschreden mogen worden. Het is de verantwoordelijkheid van de gebruiker dat goederen zodanig over de bagageruimte en/of laadvloer
worden verdeeld, dat de maximum toelaatbare belastingen niet worden overschreden.
193
Gewichten (kg)
1.4 16V 95 pk 1.4 16V 120 pk
versies met 5
zitplaatsen
versies met 5
zitplaatsen
versies met 7
zitplaatsen
Leeggewicht (met alle vloeistoffen, brandstoftank
90% gevuld en zonder opties):
1275 1320 1360
Nuttig laadvermogen inclusief de bestuurder
(*)
545 560 560
Maximum toelaatbare belastingen
(**)
- vooras: 1050 1050 1050
– achteras: 1000 1000 1000
- totaal: 1800 1880 1920
Trekgewichten
– geremde aanhanger: 1000 1000 1000
– ongeremde aanhanger: 400 400 400
Max. dakbelasting: 60 60 60
Max. toelaatbare kogeldruk (geremde aanhanger): 60 60 60
(*) Als er speciale uitrustingen zijn gemonteerd (schuifdak, trekhaak enz.) dan stijgt het leeggewicht van het voertuig, waardoor het laadvermogen daalt in
verhouding tot de maximaal toelaatbare belasting.
(**) Belastingen die niet overschreden mogen worden. Het is de verantwoordelijkheid van de gebruiker dat goederen zodanig over de bagageruimte en/of laadvloer
worden verdeeld, dat de maximum toelaatbare belastingen niet worden overschreden.
194
TECHNISCHE GEGEVENS
Versies
1.3 16V 85 pk Multijet 1.3 16V 85 pk Multijet Dualogic
versies met 5
zitplaatsen
versies met 7
zitplaatsen
versies met 5
zitplaatsen
versies met 7
zitplaatsen
Leeggewicht (met alle vloeistoffen, brandstoftank
90% gevuld en zonder opties)
1315 1305 1320 1310
Nuttig laadvermogen inclusief de bestuurder
(*)
550 715 550 715
Maximum toelaatbare belastingen
(**)
– vooras: 1050 1050 1050 1050
– achteras: 1000 1080 1000 1080
– totaal: 1865 2020 1870 2025
Trekgewichten:
– geremde aanhanger: 1000 1000 1000 1000
– ongeremde aanhanger: 400 400 400 400
Max. dakbelasting: 60 60 60 60
Max. toelaatbare kogeldruk (geremde aanhanger): 60 60 60 60
(*) Als er speciale uitrustingen zijn gemonteerd (schuifdak, trekhaak enz.) dan stijgt het leeggewicht van het voertuig, waardoor het laadvermogen daalt in
verhouding tot de maximaal toelaatbare belasting.
(**) Belastingen die niet overschreden mogen worden. Het is de verantwoordelijkheid van de gebruiker dat goederen zodanig over de bagageruimte en/of laadvloer
worden verdeeld, dat de maximum toelaatbare belastingen niet worden overschreden.
195
Versies
1.3 16V 95 pk Multijet 1.3 16V 95 pk Multijet Dualogic
versies met 5
zitplaatsen
versies met 7
zitplaatsen
versies met 5
zitplaatsen
versies met 7
zitplaatsen
Leeggewicht (met alle vloeistoffen, brandstoftank
90% gevuld en zonder opties)
1320 1320 1320 1320
Nuttig laadvermogen inclusief de bestuurder
(*)
575 700 575 705
Maximum toelaatbare belastingen
(**)
– vooras: 1050 1050 1050 1050
– achteras: 1000 1080 1000 1080
- totaal: 1895 2020 1895 2025
Trekgewichten:
– geremde aanhanger: 1000 1000 1000 1000
– ongeremde aanhanger: 400 400 400 400
Max. dakbelasting: 60 60 60 60
Max. toelaatbare kogeldruk (geremde aanhanger): 60 60 60 60
(*) Als er speciale uitrustingen zijn gemonteerd (schuifdak, trekhaak enz.) dan stijgt het leeggewicht van het voertuig, waardoor het laadvermogen daalt in
verhouding tot de maximaal toelaatbare belasting.
(**) Belastingen die niet overschreden mogen worden. Het is de verantwoordelijkheid van de gebruiker dat goederen zodanig over de bagageruimte en/of laadvloer
worden verdeeld, dat de maximum toelaatbare belastingen niet worden overschreden.
196
TECHNISCHE GEGEVENS
Versies
1.6 16V 105 pk MultiJet 1.6 16V 120 pk MultiJet
versies met 5
zitplaatsen
versies met 7
zitplaatsen
versies met 5
zitplaatsen
versies met 7
zitplaatsen
Leeggewicht (met alle vloeistoffen, brandstoftank
90% gevuld en zonder opties)
1395 1425
1400
(*) / 1410 (**)
1430
Nuttig laadvermogen inclusief de bestuurder
(***)
520 650
540
(*) / 530 (**)
645
Maximum toelaatbare belastingen
(****)
– vooras: 1050 1050 1050 1050
– achteras: 1000 1080 1000 1080
– totaal: 1915 2075 1940 2075
Trekgewichten:
– geremde aanhanger: 1100 1100 1100 1100
– ongeremde aanhanger: 400 400 400 400
Max. dakbelasting: 60 60 60 60
Max. toelaatbare kogeldruk (geremde aanhanger): 60 60 60 60
(*) Euro 5 versies
(**) Euro 6 versies
(***) Als er speciale uitrustingen zijn gemonteerd (schuifdak, trekhaak enz.) dan stijgt het leeggewicht van het voertuig, waardoor het laadvermogen daalt in
verhouding tot de maximaal toelaatbare belasting.
(****) Belastingen die niet overschreden mogen worden. Het is de verantwoordelijkheid van de gebruiker dat goederen zodanig over de bagageruimte en/of
laadvloer worden verdeeld, dat de maximum toelaatbare belastingen niet worden overschreden.
197
VULINHOUDEN
0.9 TwinAir Turbo 1.4 16V 95 pk 1.4 16V 120 pk
Voorgeschreven
brandstof en originele
smeermiddelen
Tankinhoud (liter) 50 50 50
Loodvrije benzine met
octaangetal van ten
minste 95 RON
(specificatie EN228)
inclusief een reserve van
(liter)
6÷8 6÷8 6÷8
Motorkoelsysteem (liter)
5.3 / 5.5
(*)
4.5
5.2 / 5.5
(**)
Mengsel van gedestilleerd
water en 50%
PARAFLU
UP
(***)
Carterpan (liter) 2.8 2.8 2.75
SELENIA DIGITEK P.E.
(0.9 Turbo TwinAir versies)
SELENIA K P.E. (1.4 16V
95 pk en 1.4 16V 120 pk)
Carterpan en filters (liter) 3.3 2.95 3.1
Versnellingsbak-/
differentieelhuis (liter)
1,76 1,76 2,0
TUTELA TRANSMISSION
GEARFORCE
Hydraulisch remcircuit
(kg)
0,5 0,5 0,5 TUTELA TOP 4/S
Vloeistofreservoir
ruitensproeiers/
achterruitsproeier (liter)
2.9 2.9 2.9
Mengsel van water en
TUTELA PROFESSIONAL
SC35
(*) Natural Power versies
(**) LPG-versies
(***) Wanneer de auto onder bijzonder extreme klimaatomstandigheden wordt gebruikt, adviseren wij een 60/40 mengsel van PARAFLU
UP
en gedistilleerd water.
198
TECHNISCHE GEGEVENS
1.3 16V MultiJet 1.6 16V MultiJet
Voorgeschreven brandstof en
originele smeermiddelen
Tankinhoud (liter) 50 50
Diesel voor motorvoertuigen (EN
590-specificatie)
inclusief een reserve van (liter) 6 ÷ 8 6 ÷ 8
Motorkoelsysteem (liter) 5,9 6,35
Mengsel van gedestilleerd water
en 50% PARAFLU
UP
(*)
Carterpan (liter) 3.0 4.3
SELENIA WR P.E.
Carterpan en filters (liter) 3.2 4.75
Versnellingsbak-/differentieelhuis
(liter)
2.0 (°) 2,0 (°°)
(°) TUTELA TRANSMISSION
TECHNYX
(°°) TUTELA TRANSMISSION
GEARFORCE
Dualogic versnellingsbak
hydraulisch bedieningssysteem
(liter)
0.7 TUTELA CS SPEED
Hydraulisch remcircuit (kg) 0,5 0,5 TUTELA TOP 4/S
Vloeistofreservoir ruitensproeiers/
achterruitsproeier (liter)
2.9 2.9
Mengsel van water en TUTELA
PROFESSIONAL SC35
(*) Wanneer de auto onder bijzonder extreme klimaatomstandigheden wordt gebruikt, adviseren wij een 60/40 mengsel van PARAFLU
UP
en gedistilleerd water.
199
VLOEISTOFFEN EN SMEERMIDDELEN
Het voertuig is voorzien van een motorolie die grondig ontwikkeld en getest is om aan de vereisten van het Geprogrammeerd
Onderhoudsschema te kunnen voldoen. Constant gebruik van de voorgeschreven smeermiddelen garandeert de specificaties
van brandstofverbruik en emissies. De kwaliteit van het smeermiddel is van essentieel belang voor de werking en de levensduur
van de motor.
84)
PRODUCTSPECIFICATIES
Gebruik Kenmerken Specificatie
Originele vloeistoffen
en smeermiddelen
Verversingsinterval
Smeermiddel voor
benzinemotoren (0.9
TwinAir Turbo 105
pk-versies)
SAE 0W-30 ACEA C2 /
API SN
9.55535-GS1 of
MS.90048
SELENIA DIGITEK P.E.
Contractuele Technische
Referentie nr. F020.B12
Volgens het
Geprogrammeerde
Onderhoudsschema
Smeermiddel voor
benzinemotoren (1.4
16V-versies)
SAE 5W-40 ACEA C3 9.55535-S2
SELENIA K P.E.
Contractuele Technische
Referentie nr. F603.C07
Volgens het
Geprogrammeerde
Onderhoudsschema
Smeermiddel voor
benzine/aardgas- en
benzine/LPG-motoren
SAE 5W-40 ACEA C3 9.55535-T2
SELENIA MULTIPOWER
GAS 5W-40 Contractuele
Technische Referentie nr.
F922.E09
Volgens het
Geprogrammeerde
Onderhoudsschema
Smeermiddel voor
dieselmotoren
SAE 0W-30 ACEA C2
9.55535-DS1 of
MS.90047
SELENIA WR
FORWARD Contractuele
Technische Referentie nr.
F842.F13
Volgens het
Geprogrammeerde
Onderhoudsschema
Als er geen smeermiddelen beschikbaar zijn die voldoen aan het specifieke verzoek, kunnen voor het bijvullen producten
gebruikt worden die voldoen aan de aangegeven specificaties; in dat geval wordt de optimale prestatie van de motor niet
gegarandeerd.
200
TECHNISCHE GEGEVENS
BELANGRIJK
84) Het gebruik van producten met andere dan de hierboven aangegeven specificaties kan leiden tot beschadiging van de motor die niet
door de garantie wordt gedekt.
201
Gebruik Kenmerken Specificatie
Originele vloeistoffen
en smeermiddelen
Toepassingen
Smeermiddelen en
vetten voor
krachtoverbrengingen
SAE 75W- 85 synthetisch
smeermiddel. 9.55550-
MX3
9.55550-MX3
TUTELA
TRANSMISSION
TECHNYX Contractuele
Technische Referentie Nr.
F010.B05
Handgeschakelde
versnellingsbak en
differentieel (alleen voor
1.3 16V MultiJet-versies)
SAE 75W synthetisch
smeermiddel.
9.55550-MZ6 of
MS.90030-M1
TUTELA
TRANSMISSION
GEARFORCE
Contractuele Technische
Referentie nr. F002.F10
Handgeschakelde
versnellingsbak en
differentieel
Volledig synthetisch
smeermiddel met speciaal
additief.
9.55550-SA1 of
MS.90030-H1
TUTELA CS SPEED
Contractuele Technische
Referentie nr. F005.F98
Dualogic versnellingsbak
hydraulisch
bedieningssysteem
Vet met
molybdeendisulfide, voor
gebruik op hoge
bedrijfstemperaturen.
N.L.G.I. 1-2 consistentie.
9.55580-GRAS II
TUTELA ALL STAR
Contractuele Technische
Referentie Nr. F702.G07
Homokinetische
koppelingen aan wielzijde
Speciaal vet met een lage
wrijvingscoëfficiënt voor
homokinetische
koppelingen. N.L.G.I. 0-1
consistentie.
9.55580-GRAS II
TUTELA STAR 700
Contractuele Technische
Referentie nr. F701.C07
Homokinetische
koppelingen aan
differentieelzijde
Remvloeistof
Synthetische vloeistof
voor rem- en
koppelingssystemen.
Overtreft specificaties:
FMVSS nr. 116 DOT 4,
ISO 4925 SAE J1704 -
9.55597 of MS.90039
TUTELA TOP 4/S
Contractuele Technische
Referentie nr. F001.A93
Hydraulisch remsysteem
en hydraulische
koppelingsbediening
202
TECHNISCHE GEGEVENS
Gebruik Kenmerken Specificatie
Originele vloeistoffen
en smeermiddelen
Toepassingen
Beschermingsmiddel
voor radiateurs
Roodgekleurd
beschermingsmiddel met
antivrieswerking, op basis
van geïnhibeerd
monoethyleenglycol met
organische formule.
Overtreft CUNA NC 956-
16, ASTM D 3306
specificaties.
9.55523 of MS.90032
PARAFLU
UP
Contractuele
Technische Referentie nr.
F101.M01
Gebruikspercentage
koelcircuit: 50% water
50% PARAFLU
UP
(*)
Vloeistof voor
ruitensproeiers/
achterruitsproeier
Mengsel van alcoholen en
oppervlakteactieve
stoffen. Overtreft CUNA
NC 956-11 specificaties.
9.55522 of MS.90043
TUTELA
PROFESSIONAL SC 35
Contractuele Technische
Referentie nr. F201.D02
Verdund of onverdund
gebruiken voor
ruitenwissers/
ruitensproeiers
(*) Wanneer de auto onder bijzonder extreme klimaatomstandigheden wordt gebruikt, adviseren wij een mengsel van 60% PARAFLU
UP
en 40% gedemineraliseerd
water.
203
BRANDSTOFVERBRUIK
De gegevens over het brandstofverbruik die vermeld zijn in onderstaande tabellen zijn bepaald op basis van de
typegoedkeuringstests in overeenstemming met specifieke Europese Richtlijnen.
BELANGRIJK Het type route, de verkeerssituatie, weersomstandigheden, rijstijl, algemene conditie van het voertuig,
uitrustingsniveau/accessoires, gebruik van de klimaatregeling, lading van het voertuig, imperiaal op het dak en andere situaties
die de aerodynamica kunnen beïnvloeden, leiden tot andere verbruikscijfers dan de hier vermelde cijfers. Het brandstofverbruik
wordt pas regelmatiger als de eerste 3000 km zijn gereden.
BELANGRIJK Voor sommige versies/markten worden voor het "ECO-brandstofverbruik" de waarden in de volgende tabellen,
met gebruik van uitsluitend de band GoodYear 205/55 R16 91H, verkregen.
BRANDSTOFVERBRUIK VOLGENS GELDENDE EUROPESE RICHTLIJNEN (liter/100 km)
500L versies
Versies Stadsverkeer Buitenwegen Gecombineerd
0.9 TwinAir Turbo Natural Power (Euro 5)
6,4 / 6,5
(A) 4,6 / 4,6 (A) 5,3 / 5,3 (A)
0.9 TwinAir Turbo Natural Power (Euro 6)
7,2 / 7,2
(A) 5,2 / 5,1 (A) 5,9 / 5,9 (A)
0.9 TwinAir Turbo 105 pk (Euro 6) (B)
5,7 4,3 4,8
0.9 TwinAir Turbo 105 pk (Euro 6)
(B) (C)
5,6 4,2 4,7
0.9 TwinAir Turbo 105 pk (Euro 6)
(B) (D)
5,7 4,2 4,8
0.9 TwinAir Turbo 105 pk (Euro 6)
(B) (C) (D)
5,6 4,1 4,7
1.4 16V 95 pk (Euro 6) / 1.4 16V 95 pk PRO (Euro 6)
(C)
8,1 5,0 6,1
1.4 16V 120 pk (Euro 6) 9,1 5,6 6,9
(A) Gastoevoer (m
3
/100 km)
(B) Test typegoedkeuring startend in de 2
e
versnelling
(C) Versies voor specifieke markten met controleband 205/55 R16 GoodYear
(D) Versies die voldoen aan de nieuwe normen (zie de tabel "Motorcodes - Carrosserieversies" in dit hoofdstuk)
204
TECHNISCHE GEGEVENS
Versies Stadsverkeer Buitenwegen Gecombineerd
1.4 16V 120 pk (Euro 6) (C)
8,2 5,1 6,2
1.4 16V 120 pk (Euro 6)
(D)
8,8 5,4 6,7
1.4 16V 120 pk LPG (Euro 6)
9,1
(E)
/ 11,7
(F) 5,6 (E)
/ 7,2
(F) 6,9 (E)
/ 8,9
(F)
1.4 16V 120 pk LPG (Euro 6) (D) 8,8 (E)
/ 11,4
(F) 5,4 (E)
/ 7,0
(F) 6,7 (E)
/ 8,6
(F)
1.3 16V 85 pk Multijet (Euro 5) / 1.3 16V 85 pk Multijet PRO (Euro 5) 5,0 3,7 4,2
1.3 16V 95 pk Multijet (Euro 6) / 1.3 16V 95 pk Multijet PRO (Euro 6) 4,9 3,6 4,1
1.3 16V 85 pk Multijet Dualogic (Euro 5) 4,5 3,7 4,0
1.3 16V 95 pk Multijet Dualogic (Euro 6) 4,5 3,6 3,9
1.6 16V 105 pk Multijet (Euro 5) / 1.6 16V 105 pk Multijet PRO (Euro 5) 5,4 3,9 4,5
1.6 16V 105 pk Multijet (Euro 5) / 1.6 16V 105 pk Multijet PRO (Euro 5)
(C)
5,3 3,8 4,4
1.6 16V 120 pk Multijet (Euro 5) 5,5 4,0 4,6
1.6 16V 120 pk Multijet (Euro 5)
(C)
5,4 3,9 4,5
1.6 16V 120 pk Multijet (Euro 6) / 1.6 16V 120 pk Multijet PRO (Euro 6) 4,6 4,0 4,2
1.6 16V 120 pk Multijet (Euro 6)
(C)
4,5 3,9 4,1
(C) Versies voor specifieke markten met controleband 205/55 R16 GoodYear
(D) Versies die voldoen aan de nieuwe normen (zie de tabel "Motorcodes - Carrosserieversies" in dit hoofdstuk)
(E) Op benzine
(F) Op LPG
De verbruikscijfers voor de Dualogic versies hebben betrekking op de AUTO-ECO functie.
205
500L Trekking versies
Versies Stadsverkeer Buitenwegen Gecombineerd
0.9 TwinAir Turbo 105 pk (Euro 6) (A)
6,0 4,6 5,1
0.9 TwinAir Turbo 105 pk (Euro 6)
(A) (C)
5,8 4,5 5,0
0.9 TwinAir Turbo 105 pk (Euro 6)
(A) (B)
5,8 4,3 4,9
0.9 TwinAir Turbo 105 pk (Euro 6)
(A) (B) (C)
5,6 4,3 4,8
1.4 16V 95 pk (Euro 6) 8,4 5,3 6,4
1.4 16V 95 pk (Euro 6)
(B)
8,2 5,0 6,2
1.4 16V 120 pk (Euro 6) 9,3 5,7 7,0
1.4 16V 120 pk (Euro 6)
(C)
8,2 5,1 6,2
1.4 16V 120 pk (Euro 6)
(B)
9,0 5,4 6,7
1.4 16V 120 pk LPG (Euro 6)
9,3
(D)
/ 12,1
(E) 5,7 (D)
/ 7,4
(E) 7,0 (D)
/ 9,1
(E)
1.4 16V 120 pk LPG (Euro 6) (B) 9,0 (D)
/ 11,7
(E) 5,4 (D)
/ 7,0
(E) 6,7 (D)
/ 8,7
(E)
1.3 16V 85 pk Multijet (Euro 5) 5,2 3,8 4,3
1.3 16V 95 pk Multijet (Euro 6) 5,1 3,6 4,2
1.3 16V 85 pk Multijet Dualogic (Euro 5) 4,7 3,9 4,2
1.3 16V 95 pk Multijet Dualogic (Euro 6) 4,5 3,7 4,0
1.6 16V Multijet 105 pk (Euro 5) 5,6 4,1 4,7
1.6 16V Multijet 105 pk (Euro 5)
(C)
5,5 4,0 4,6
(A) Test typegoedkeuring startend in de 2
e
versnelling
(C) Versies voor specifieke markten met controleband 205/55 R16 GoodYear
(B) Versies die voldoen aan de nieuwe normen (zie de tabel "Motorcodes - Carrosserieversies" in dit hoofdstuk)
(D) Op benzine
(E) Op LPG
206
TECHNISCHE GEGEVENS
Versies Stadsverkeer Buitenwegen Gecombineerd
1.6 16V 120 pk Multijet (Euro 5) 5,8 4,2 4,8
1.6 16V 120 pk Multijet (Euro 5)
(C)
5,6 4,1 4,7
1.6 16V 120 pk Multijet (Euro 6) 4,9 4,0 4,3
1.6 16V 120 pk Multijet (Euro 6)
(C)
4,7 4,0 4,3
(C) Versies voor specifieke markten met controleband 205/55 R16 GoodYear
De verbruikscijfers voor de Dualogic versies hebben betrekking op de AUTO-ECO functie.
207
500L LIVING versies
Versies Stadsverkeer Buitenwegen Gecombineerd
0.9 TwinAir Turbo Natural Power (Euro 5) (C) 7,2 (A) / 7,2 (B) 5,2 (A) / 5,2 (B) 5,9 (A) / 5,9 (B)
0.9 TwinAir Turbo Natural Power (Euro 6) (C) 7,2 (A)
/ 7,2
(B) 5,2 (A) / 5,1 (B) 5,9 (A) / 5,9 (B)
0.9 TwinAir Turbo 105 pk (Euro 6) (C)
5,7 4,3 4,8
0.9 TwinAir Turbo 105 pk (Euro 6)
(C) (D)
5,7 4,2 4,8
1.4 16V 95 pk (Euro 6) 8,1 5,0 6,1
1.4 16V 120 pk (Euro 6)
9,1
(E)
/ 9,3
(F) 5,6 (E)
/ 5,7
(F) 6,9 (E)
/ 7,0
(F)
1.4 16V 120 pk (Euro 6) (G)
8,2 5,1 6,2
1.4 16V 120 pk (Euro 6)
(D) 8,8 (E)
/ 9,1
(F) 5,4 (E)
/ 5,5
(F) 6,7 (E)
/ 6,8
(F)
1.3 16V 85 pk Multijet (Euro 5) 5,0 3,7 4,2
1.3 16V 95 pk Multijet (Euro 6) 4,9 3,6 4,1
1.3 16V 85 pk Multijet Dualogic (Euro 5) 4,5 3,7 4,0
1.3 16V 95 pk Multijet Dualogic (Euro 6) 4,5 3,6 3,9
1.6 16V 105 pk Multijet (Euro 5) 5,4 3,9 4,5
1.6 16V 120 pk Multijet (Euro 5) 5,5 4,0 4,6
1.6 16V 120 pk Multijet (Euro 6) 4,6 4,0 4,2
(C) Test typegoedkeuring startend in de 2
e
versnelling
(A) Op benzine
(B) Gastoevoer (m
3
/100 km)
(D) Versies die voldoen aan de nieuwe normen (zie de tabel "Motorcodes - Carrosserieversies" in dit hoofdstuk)
(E) versies met 5 zitplaatsen
(F) versies met 7 zitplaatsen
(G) Versies voor specifieke markten met controleband 205/55 R16 GoodYear
De verbruikscijfers voor de Dualogic versies hebben betrekking op de AUTO-ECO functie.
208
TECHNISCHE GEGEVENS
CO
2
-EMISSIE
De CO
2
emissieniveaus in de volgende tabellen hebben betrekking op het gecombineerde verbruik.
BELANGRIJK Voor sommige versies/markten worden de CO
2
-emissiewaarden in de volgende tabel, met gebruik van
uitsluitend de band GoodYear 205/55 R16 91H, verkregen.
500L versies
Versies CO
2
-EMISSIE VOLGENS HUIDIGE EUROPESE RICHTLIJN (g/km)
0.9 TwinAir Turbo Natural Power (Euro 5)
137
(A) / 105 (B)
0.9 TwinAir Turbo Natural Power (Euro 6)
137
(A) / 105 (B)
0.9 TwinAir Turbo 105 pk (Euro 6) 112
0.9 TwinAir Turbo 105 pk (Euro 6)
(C)
109
0.9 TwinAir Turbo 105 pk (Euro 6)
(D)
111
0.9 TwinAir Turbo 105 pk (Euro 6)
(C) (D)
108
1.4 16V 95 pk (Euro 6) / 1.4 16V 95 pk PRO (Euro 6) 143
1.4 16V 120 pk (Euro 6) 159
1.4 16V 120 pk (Euro 6)
(C)
145
1.4 16V 120 pk (Euro 6)
(D)
155
1.4 16V 120 pk LPG (Euro 6)
159
(A) / 144 (E)
1.4 16V 120 pk LPG (Euro 6) (D) 155 (A) / 140 (E)
(A) Op benzine
(B) Op aardgas
(C) Versies voor specifieke markten met controleband 205/55 R16 GoodYear
(D) Versies die voldoen aan de nieuwe normen (zie de tabel "Motorcodes - Carrosserieversies" in dit hoofdstuk)
(E) Op LPG
209
Versies CO
2
-EMISSIE VOLGENS HUIDIGE EUROPESE RICHTLIJN (g/km)
1.3 16V 85 pk Multijet (Euro 5) / 1.3 16V 85 pk
Multijet PRO (Euro 5)
110
1.3 16V 95 pk Multijet (Euro 6) / 1.3 16V 95 pk
Multijet PRO (Euro 6)
107
1.3 16V 85 pk Multijet Dualogic (Euro 5) 105
1.3 16V 95 pk Multijet Dualogic (Euro 6) 104
1.6 16V Multijet 105 pk (Euro 5) / 1.6 16V Multijet 105
pk PRO (Euro 5)
117
1.6 16V Multijet 105 pk (Euro 5) / 1.6 16V Multijet 105
pk PRO (Euro 5)
(C)
114
1.6 16V Multijet 120 pk (Euro 5) 120
1.6 16V Multijet 120 pk (Euro 5)
(C)
117
1.6 16V Multijet 120 pk (Euro 6) / 1.6 16V Multijet 120
pk PRO (Euro 6)
112
1.6 16V Multijet 120 pk (Euro 6)
(C)
109
(C) Versies voor specifieke markten met controleband 205/55 R16 GoodYear
210
TECHNISCHE GEGEVENS
500L Trekking versies
Versies CO
2
-EMISSIE VOLGENS HUIDIGE EUROPESE RICHTLIJN (g/km)
0.9 TwinAir Turbo 105 pk (Euro 6) 119
0.9 TwinAir Turbo 105 pk (Euro 6)
(A)
116
0.9 TwinAir Turbo 105 pk (Euro 6)
(B)
113
0.9 TwinAir Turbo 105 pk (Euro 6)
(A) (B)
110
1.4 16V 95 pk (Euro 6) 149
1.4 16V 95 pk (Euro 6)
(B)
144
1.4 16V 120 pk (Euro 6) 163
1.4 16V 120 pk (Euro 6)
(A)
145
1.4 16V 120 pk (Euro 6)
(B)
157
1.4 16V 120 pk LPG (Euro 6)
163
(C) / 148 (D)
1.4 16V 120 pk LPG (Euro 6) (B) 157 (C) / 142 (D)
1.3 16V 85 pk Multijet (Euro 5) 114
1.3 16V 95 pk Multijet (Euro 6) 114
1.3 16V 85 pk Multijet Dualogic (Euro 5) 109
1.3 16V 95 pk Multijet Dualogic (Euro 6) 106
1.6 16V Multijet 105 pk (Euro 5) 122
1.6 16V Multijet 105 pk (Euro 5)
(A)
119
1.6 16V Multijet 120 pk (Euro 5) 125
(A) Versies voor specifieke markten met controleband 205/55 R16 GoodYear
(B) Versies die voldoen aan de nieuwe normen (zie de tabel "Motorcodes - Carrosserieversies" in dit hoofdstuk)
(C) Op benzine
(D) Op LPG
211
Versies CO
2
-EMISSIE VOLGENS HUIDIGE EUROPESE RICHTLIJN (g/km)
1.6 16V Multijet 120 pk (Euro 5) (A)
122
1.6 16V Multijet 120 pk (Euro 6) 114
1.6 16V Multijet 120 pk (Euro 6)
(A)
111
(A) Versies voor specifieke markten met controleband 205/55 R16 GoodYear
212
TECHNISCHE GEGEVENS
500L LIVING versies
Versies CO
2
-EMISSIE VOLGENS HUIDIGE EUROPESE RICHTLIJN (g/km)
0.9 TwinAir Turbo Natural Power (Euro 5)
137
(A) / 105 (B)
0.9 TwinAir Turbo Natural Power (Euro 6)
137
(A) / 105 (B)
0.9 TwinAir Turbo 105 pk (Euro 6) 112
0.9 TwinAir Turbo 105 pk (Euro 6)
(C)
111
1.4 16V 95 pk (Euro 6) 145
1.4 16V 120 pk (Euro 6)
159
(D) / 163 (E)
1.4 16V 120 pk (Euro 6) (D)
145
1.4 16V 120 pk (Euro 6)
(C) 155 (D) / 158 (E)
1.3 16V 85 pk Multijet (Euro 5) 110
1.3 16V 85 pk Multijet Dualogic (Euro 5) 105
1.3 16V 95 pk Multijet (Euro 6) 110
1.3 16V 95 pk Multijet Dualogic (Euro 6) 104
1.6 16V Multijet 105 pk (Euro 5) 117
1.6 16V Multijet 120 pk (Euro 5) 120
1.6 16V Multijet 120 pk (Euro 6) 112
(A) Op benzine
(B) Op aardgas
(C) Versies die voldoen aan de nieuwe normen (zie de tabel "Motorcodes - Carrosserieversies" in dit hoofdstuk)
(D) versies met 5 zitplaatsen
(E) versies met 7 zitplaatsen
213
RICHTLIJNEN VOOR DE BEHANDELING VAN HET VOERTUIG AAN
HET EINDE VAN DE LEVENSDUUR
Al jaren zet FCA zich volledig in voor de bescherming van het milieu via de continue verbetering van de productieprocessen en
de realisatie van producten die steeds "eco-compatibeler" zijn. Om de klanten de best mogelijke service te garanderen in
overeenstemming met de milieuwetgeving en conform de Europese richtlijn 2000/53/EG inzake de behandeling van voertuigen
aan het einde van hun levensduur, biedt FCA haar klanten de mogelijkheid hun voertuig aan het einde van zijn levensduur
zonder extra kosten in te leveren. De Europese richtlijn bepaalt namelijk dat het voertuig kan worden ingeleverd zonder kosten
voor de laatste houder of eigenaar als het voertuig geen of een negatieve marktwaarde heeft.
Voor de kosteloze inlevering van het voertuig aan het einde van zijn levensduur kunt u zich tot een van onze dealers of tot een
bevoegd FCA inzamelings- en verwerkingsbedrijf wenden. Deze bedrijven zijn zorgvuldig geselecteerd en bieden
kwaliteitservice voor de inzameling, verwerking en recycling van afgedankte auto’s met respect voor het milieu.
Meer informatie over deze centra voor inzameling en verwerking kunt u vinden bij het FCA Servicenetwerk of door het nummer
te bellen in het Garantieboekje of door de websites van de verschillende FCA-merken te raadplegen.
214
TECHNISCHE GEGEVENS
MULTIMEDIA
In dit hoofdstuk zijn de belangrijkste
functies beschreven van de
infotainmentsystemen voor de
Uconnect 5" Radio, of Uconnect
5" Radio Nav die op het voertuig
kunnen worden geïnstalleerd.
TIPS, BEDIENING EN ALGEMENE
INFORMATIE...................................216
UCONNECT 5" RADIO LIVE /
UCONNECT 5" RADIO NAV LIVE ....218
215
TIPS, BEDIENING EN
ALGEMENE
INFORMATIE
VERKEERSVEILIGHEID
167) 168)
Zorg ervoor dat u weet hoe de
verschillende systeemfuncties gebruikt
moeten worden voordat u gaat rijden.
Lees de gebruiksaanwijzingen van
het systeem zorgvuldig door voordat u
gaat rijden.
ONTVANGSTOMSTANDIGHEDEN
Tijdens het rijden veranderen de
ontvangstomstandigheden
voortdurend. De ontvangst kan
gestoord worden door de aanwezigheid
van bergen, gebouwen of bruggen,
vooral wanneer u ver verwijderd bent
van de zender.
BELANGRIJK Het volume kan
toenemen wanneer verkeersinformatie
of nieuws wordt ontvangen.
ONDERHOUD EN ZORG
85) 86)
Neem de volgende
voorzorgsmaatregelen in acht zodat het
systeem optimaal blijft werken:
het glas van het display mag niet in
contact komen met scherpe of harde
voorwerpen die het oppervlak ervan
kunnen beschadigen; gebruik een
zachte, droge anti-statische doek om
het schoon te maken en oefen hierbij
geen druk uit.
gebruik nooit alcohol, benzine en
afgeleide producten om het glas van
het display te reinigen.
voorkom dat vloeistoffen in het
systeem komen: dit kan het systeem
op onherstelbare wijze beschadigen.
MULTIMEDIA-APPARATEN
BELANGRIJK Sommige
multimediaspelers zijn mogelijk niet
compatibel met het
Uconnect™-systeem.
DIEFSTALBEVEILIGING
Het systeem is uitgerust met een
diefstalbeveiliging die gebaseerd is op
informatie-uitwisseling met de
elektronische regeleenheid (Body
Computer) in het voertuig.
Dit garandeert maximale veiligheid en
voorkomt dat elke keer dat de
stroomvoorziening uitvalt, de geheime
code opnieuw ingevoerd moet worden.
Als de controle een positief resultaat
oplevert, dan begint het systeem te
werken. Als de codes bij de vergelijking
echter niet overeenkomen of als de
elektronische regeleenheid (Body
Computer) wordt vervangen, dan zal
het systeem de gebruiker vragen om de
geheime code in te voeren op de
manier die in de volgende paragraaf is
beschreven.
De geheime code invoeren
Wanneer het systeem wordt
ingeschakeld, toont het display, als de
code wordt gevraagd, het opschrift
"Diefstalbeveiligingscode invoeren
a.u.b.", gevolgd door een scherm met
een toetsenbord waarmee de geheime
code kan worden ingevoerd.
De geheime code bestaat uit vier cijfers
van 0 t/m 9: draai voor het invoeren
van het eerste cijfer van de code aan
de rechter BROWSE/ENTER knop
en druk deze in om te bevestigen.
Na het vierde cijfer te hebben
ingevoerd, begint het systeem te
werken.
Als er een verkeerde code is ingevoerd,
geeft het systeem "Code verkeerd"
weer om de gebruiker te laten weten
dat de juiste code ingevoerd moet
worden.
216
MULTIMEDIA
Na 3 mislukte invoerpogingen,
verschijnt op het display "Code
verkeerd. Radio geblokkeerd. 30
minuten wachten a.u.b.". Als dit
opschrift is verdwenen, kan de code
opnieuw worden ingevoerd.
Paspoort autoradio
Dit document is het eigendomsbewijs
van het systeem. In het paspoort van
de autoradio staan het model, het
serienummer en de geheime code
aangegeven.
Neem, in geval van zoekraken van het
paspoort van de autoradio, contact
op met het Fiat Servicenetwerk, neem
uw identiteitsbewijs en de
eigendomsdocumenten van uw
voertuig mee.
BELANGRIJK Bewaar dit
autoradiopaspoort op een veilige plek,
zodat bij diefstal van het systeem de
betreffende informatie aan de bevoegde
instanties gegeven kan worden.
BELANGRIJK
In geval van een storing, mag het
systeem alleen gecontroleerd en
gerepareerd worden door het Fiat
Servicenetwerk.
Als de temperatuur erg laag is, kan het
even duren voordat het display de
optimale lichtsterkte heeft bereikt.
Als het voertuig enige tijd bij een hoge
buitentemperatuur wordt geparkeerd,
kan de "thermische beveiligingsfunctie"
van het systeem in werking treden tot
de temperatuur in het interieur naar een
acceptabel niveau is teruggekeerd.
Kijk alleen naar het scherm wanneer dit
nodig en veilig is. Als u langere tijd
naar het scherm moet kijken, ga dan de
weg af en parkeer op een veilige plek,
zodat u niet tijdens het rijden wordt
afgeleid.
Stop onmiddellijk met het gebruik van
het systeem in geval van een storing. In
tegengesteld geval kan het systeem
beschadigd raken. Neem zo snel
mogelijk contact op met het Fiat
Servicenetwerk om het systeem te
laten repareren.
BELANGRIJK
167) Volg onderstaande
veiligheidsvoorschriften, want anders
kunnen de inzittenden ernstig gewond
raken of kan het systeem beschadigd
raken.
168) Als het volume te hoog staat, kan dat
gevaarlijk zijn. Stel het volume zo af dat
omgevingsgeluiden (bijv. claxons,
ambulances, politievoertuigen enz.) nog
hoorbaar zijn.
BELANGRIJK
85) Maak het frontpaneel en het display
alleen schoon met een zachte, schone,
droge, anti-statische doek. Reinigings- en
glansmiddelen kunnen het oppervlak
beschadigen. Gebruik geen alcohol of
soortgelijke producten om het paneel of
het display schoon te maken.
86) Gebruik het display niet als basis voor
steunen met zuignappen of kleefmiddelen
voor externe navigatiesystemen,
smartphones of dergelijke apparaten.
217
Uconnect 5" Radio LIVE / Uconnect 5" Radio Nav LIVE
.
SNELGIDS
Bedieningselementen op het frontpaneel
162
F0Y0712C
218
MULTIMEDIA
Overzichtstabel bedieningselementen frontpaneel
Toets Functies Modus
1-
Inschakeling/uitschakeling Toets kort indrukken
Volumeregeling Knop naar links/rechts draaien
2-
Volume in-/uitschakelen (Mute/Pauze) Toets kort indrukken
3-
CD uitwerpen Toets kort indrukken
4 CD-sleuf
5-
Display aan/uit Toets kort indrukken
6-
Selectie afsluiten/naar vorige scherm
terugkeren
Toets kort indrukken
7 - BROWSE ENTER
Lijst doorbladeren of op een radiostation
afstemmen
Knop naar links/rechts draaien
Op display weergegeven optie bevestigen Toets kort indrukken
8 - MORE/APPS
Toegang tot de extra functies (weergave van
Tijd, Kompas, Buitentemperatuur, Media,
Radio, functiegegevens van eco:Drive en
Uconnect LIVE Services, indien aanwezig)
Toets kort indrukken
9 - PHONE Weergave telefoongegevens Toets kort indrukken
10 - SETTINGS
(Uconnect 5" Radio LIVE-versies)
Toegang tot het menu met voertuiginstellingen Toets kort indrukken
10-NAV
(Uconnect 5" Radio Nav LIVE-versies)
Toegang tot het Navigatiemenu Toets kort indrukken
11 - MEDIA
Selectie bron: CD, USB/iPod, AUX of
Bluetooth
®
Toets kort indrukken
12 - RADIO Toegang tot de radio-modus Toets kort indrukken
219
BEDIENINGSTOETSEN OP STUURWIEL
De bedieningstoetsen voor de belangrijkste functies van het systeem bevinden zich op het stuurwiel,fig. 163 om het systeem
gemakkelijker te kunnen bedienen.
De inschakeling van de gekozen functie is in sommige gevallen afhankelijk van hoelang de knop wordt ingedrukt (kort
indrukken of ingedrukt houden) zoals in onderstaande tabel is aangegeven.
163
F0Y0002C
220
MULTIMEDIA
Overzichtstabel bedieningstoetsen op stuurwiel
Toets Bediening (drukken/draaien)
Een tweede inkomend gesprek aannemen en het lopende gesprek in de wacht zetten
Spraakherkenning inschakelen voor de Telefoonfunctie
Spraakbericht onderbreken om nieuwe spraakopdracht te kunnen geven
Spraakherkenning onderbreken
Inkomend gesprek weigeren/lopend gesprek beëindigen
In het midden van het linker wieltje drukken:
uitschakelen/opnieuw inschakelen van de microfoon tijdens een telefoongesprek
inschakelen/uitschakelen van de Pauze van de bronnen CD, USB/iPod,
Bluetooth®
inschakelen/uitschakelen van de Mute-functie van de radio
+/–
Wieltje naar boven of beneden draaien: regelen van het geluidsvolume: handsfree, SMS-lezer, spraakberichten en
muziekbronnen
Wieltje kort indrukken: volume met kleine stappen verhogen/verlagen/ Lang indrukken: volume continu verhogen/
verlagen tot loslaten
Doorlopen van de opgeslagen radiostations (preset)
Spraakherkenning inschakelen
Spraakbericht onderbreken om nieuwe spraakopdracht te kunnen geven
Spraakherkenning onderbreken
Wieltje naar boven of beneden draaien:
Kort indrukken: (Radiomodus): selectie van volgende/vorige radiostation
Lang indrukken (Radiomodus): scannen van hogere/lagere frequenties tot de toets wordt losgelaten.
Kort indrukken (CD, USB/iPod,
Bluetooth® modus): selectie van vorige/volgende nummer
Lang indrukken (CD, USB/iPod-Bluetooth®modus): snel vooruit-/terugspoelen tot de toets wordt losgelaten.
SRC
In het midden van het rechter wieltje drukken: selectie van beschikbare audiobronnen: radio, CD, USB/iPod, AUX en
Blue-
tooth
®
221
"TOUCHSCREEN"
FUNCTIE
Het systeem maakt gebruik van de
"touchscreen" functie; druk, om van de
verschillende functies gebruik te
maken, op de weergegeven "grafische
toetsen".
Bevestiging van een selectien: druk
op de knop "OK".
Terugkeren naar het vorige scherm:
druk op de toets
(Wissen) of,
afhankelijk van het ingeschakelde
scherm,
/Gereed.
ONDERSTEUNING
USB/iPod/AUX
Het voertuig heeft een USB/AUX-
aansluiting op de tunnelconsole.
RADIOMODUS
Nadat het gewenste radiostation op het
display is gekozen (zie fig. 164), wordt
de volgende informatie getoond:
Bovenaan: de lijst van opgeslagen
(preset) radiostations wordt
weergegeven; het station dat
momenteel beluisterd wordt, is
gemarkeerd.
In het midden: weergave van de naam
van het huidige radiostation en de
toetsen (
/ ) om het vorige of
het volgende radiostation te selecteren.
Onderaan: weergave van de volgende
toetsen:
"Browse": lijst van beschikbare
radiostations;
"AM/FM", "AM/DAB", "FM/DAB":
selectie van de gewenste golfband
(herconfigureerbare toets al naar gelang
de geselecteerde golfband: AM, FM of
DAB);
"Afstem.": handmatige afstemming
op het radiostation (niet beschikbaar
voor DAB-radio's);
"Info": aanvullende informatie over de
beluisterde bron;
"Audio": toegang tot het scherm
"Audio-instellingen".
Audiomenu
Via het menu "Audio" kunnen de
volgende regelingen worden gemaakt:
"Equalizer" (voor bepaalde
versies/markten);
"Balance/Fade" (om balans
rechts/links en voor/achter te regelen);
"Volume/Snelheid" (uitgezonderd
versies met hifi-systeem) automatische
snelheidsafhankelijke volumeregeling;
"Loudness" (voor bepaalde
versies/markten);
"Auto-On Radio";
"Vertrag. uitsch. radio"
MEDIA-MODUS
Bij ingeschakelde Media-modus, de
knoppen
/ kort indrukken om
het vorige/volgende nummer af te
spelen of de knoppen
/
ingedrukt houden om het nummer
snel vooruit/achteruit te spoelen.
Nummer kiezen (Browse)
OPMERKING Voor talen met speciale
tekens (bijv. Grieks) die niet door het
systeem worden ondersteund, is het
toetsenbord niet beschikbaar. In deze
gevallen is deze functie beperkt.
Bluetooth® BRON
Een audioapparaat koppelen
Blue-
tooth®
Ga als volgt te werk om een Blue-
tooth® audioapparaat te koppelen:
activeer de Bluetooth® functie op
het apparaat;
druk op de toets MEDIA op het
frontpaneel;
164
F0Y1000C
222
MULTIMEDIA
als de "Media" bron actief is, druk
dan op de toets "Bron";
selecteer de Bluetooth® Mediabron;
druk op de toets "Toestel toev.";
zoek Uconnect op het Blue-
tooth® audioapparaat (tijdens de kop-
pelingsfase verschijnt op het scherm de
voortgang van het proces);
voer, als het audioapparaat hierom
vraagt, de PIN-code in die wordt
getoond op het display van het
systeem of bevestig de op het apparaat
getoonde PIN;
als de koppelingsprocedure met
succes is afgesloten, wordt een scherm
getoond. Als "Ja" op de vraag wordt
geselecteerd, wordt het Bluetooth®
audioapparaat als favoriet gekoppeld
(het apparaat heeft voorrang op alle
andere apparaten die later worden
gekoppeld). Als "Nee" wordt geselect-
eerd, wordt de prioriteit op basis van de
volgorde van koppeling bepaald. Het
laatst verbonden apparaat heeft de
hoogste prioriteit;
een audioapparaat kan ook
gekoppeld worden door te drukken op
de toets PHONE op het frontpaneel
en door "Instellingen" te selecteren of
door, vanuit het menu "Instellingen",
"Telefoon/Bluetooth" te selecteren.
BELANGRIJK Raadpleeg het
instructieboekje van de mobiele
telefoon als de Bluetooth® verbinding
tussen mobiele telefoon en systeem
wordt verbroken.
TELEFOONMODUS
Inschakeling telefoonmodus: druk
op de toets PHONE op het frontpaneel.
Met de toetsen op het display kan
men:
het telefoonnummer kiezen (met
behulp van het grafische toetsenbord
op het display);
de contacten in het telefoonboek van
de mobiele telefoon tonen en bellen;
de contacten uit de registers van
vorige gesprekken tonen en bellen;
een maximum van 10 telefoons/
audioapparaten koppelen om de
toegang en de verbinding eenvoudiger
en sneller te maken;
gesprekken van het systeem naar de
mobiele telefoon en andersom
overzetten en het geluid van de
microfoon uitschakelen bij
privégesprekken.
Het geluid van de mobiele telefoon
wordt over het audiosysteem van de
auto verzonden: het systeem schakelt
automatisch het geluid van de
autoradio uit wanneer de
Telefoonfunctie wordt gebruikt.
Mobiele telefoon registreren
Ga als volgt te werk:
activeer de functie Bluetooth ®op
de mobiele telefoon;
druk op de PHONE-toets (9-fig. 1) op
het frontpaneel;
als er nog geen telefoon aan het
systeem gekoppeld is, toont het display
een speciaal scherm;
selecteer "Ja" om de
koppelingsprocedure te starten en zoek
vervolgens het uconnect apparaat
op de mobiele telefoon (als "Nee" wordt
geselecteerd, wordt het hoofdscherm
van de Telefoon getoond);
voer, als de mobiele telefoon hierom
vraagt, de PIN-code getoond op het
display van het systeem in op het
toetsenbord van uw telefoon of
bevestig de op de mobiele telefoon
getoonde PIN;
vanuit het scherm "Telefoon" kan de
mobiele telefoon altijd gekoppeld
worden door op de toets "Instell:" te
drukken: druk op de toets "Toestel
toev." en ga verder zoals hierboven
beschreven;
tijdens de koppelingsfase verschijnt
een scherm dat de voortgang van
het proces toont;
223
als de koppelingsprocedure met
succes is voltooid, wordt een scherm
getoond: als "Ja" op de vraag wordt
geselecteerd, wordt de mobiele
telefoon als favoriet gekoppeld (de
mobiele telefoon heeft voorrang op alle
andere mobiele telefoons die later
worden gekoppeld). Als geen andere
apparaten worden gekoppeld, zal
het systeem het eerst gekoppelde
apparaat als favoriet beschouwen.
Ga als volgt te werk:
activeer de functie Bluetooth®op
de mobiele telefoon;
druk op de toets PHONE op het
frontpaneel;
als er nog geen telefoon aan het
systeem gekoppeld is, toont het display
een speciaal scherm;
selecteer "Ja" om de
koppelingsprocedure te starten en zoek
vervolgens het Uconnect apparaat
op de mobiele telefoon (als "Nee" wordt
geselecteerd, wordt het hoofdscherm
van de Telefoon getoond);
voer, als de mobiele telefoon hierom
vraagt, de PIN-code getoond op het
display van het systeem in op het
toetsenbord van uw telefoon of
bevestig de op de mobiele telefoon
getoonde PIN;
vanuit het scherm "Telefoon" kan de
mobiele telefoon altijd gekoppeld
worden door op de toets "Instelling:" te
drukken: druk op de toets "Toestel
toev." en ga verder zoals hierboven
beschreven;
tijdens de koppelingsfase verschijnt
een scherm dat de voortgang van
het proces toont;
als de koppelingsprocedure met
succes is voltooid, wordt een scherm
getoond: als "Ja" op de vraag wordt
geselecteerd, wordt de mobiele
telefoon als favoriet gekoppeld (de
mobiele telefoon heeft voorrang op alle
andere mobiele telefoons die later
worden gekoppeld). Als geen andere
apparaten worden gekoppeld, zal
het systeem het eerst gekoppelde
apparaat als favoriet beschouwen.
Een nummer bellen
Men kan op de volgende manieren een
nummer bellen:
selectie van het pictogram
(telefoonboek van mobiele
telefoon);
selectie van "Recente oproep.";
selectie van het pictogram
;
drukken op de toets "Opnieuw
bellen".
OPMERKING De hierboven beschreven
procedures zijn alleen toegankelijk
indien ze door de gebruikte mobiele
telefoon worden ondersteund.
SMS-lezer
Het systeem kan de SMS-berichten die
de mobiele telefoon ontvangt voorlezen.
Om deze functie te gebruiken, moet
de mobiele telefoon de uitwisseling van
SMS via Bluetooth ® ondersteunen.
Als deze functie niet door de telefoon
wordt ondersteund, is de betreffende
toets
niet geactiveerd (grijs).
Bij ontvangst van een tekstbericht,
toont het display een scherm waarop
de opties "Luisteren", "Bellen" of
"Negeer" gekozen kunnen worden.
Druk op de toets
voor toegang tot
de lijst van SMS-berichten die door
de mobiele telefoon zijn ontvangen (de
lijst toont een maximum van 60
ontvangen berichten).
OPMERKING Bij sommige mobiele
telefoons moet, om de leesfunctie van
gesproken SMS-berichten ter
beschikking te krijgen, de optie
SMS-melding op de telefoon
ingeschakeld worden.
224
MULTIMEDIA
LIVE Uconnect™
SERVICES
(waar aanwezig)
Door op de toets MORE/APPS te
drukke wordt het menu geopend met
alle applicatiefuncties van het systeem,
zoals: tijdsweergave,
eco:Drivefunctiegegevens, Trip
Computer, Instellingen, Kompas (alleen
Uconnect 5" Radio Nav LIVE),
Uconnect LIVE-applicaties.
Als het Uconnect LIVE-pictogram
aanwezig is, is het systeem van tevoren
ingesteld voor de verbonden services
en kunnen deze direct gebruikt worden
vanuit het menu van Uconnect,
van applicaties, voor een efficiënter en
geavanceerder gebruik van het
voertuig.
De applicatiefuncties zijn beschikbaar
volgens de voertuigconfiguratie en
de markt.
Om gebruik te maken van Uconnect
LIVE-services, doet u het volgende:
download Uconnect LIVE App
van de "App Store" of "Google Play" op
uw compatibele smartphone; zorg er
daarbij voor dat de gegevensverbinding
is ingeschakeld;
registreer via Uconnect LIVE App
op de website www.driveuconnect.eu
or www.fiat.it;
start Uconnect LIVE App op uw
smartphone en voer uw gegevens in.
Ga voor nadere informatie over de
services die op uw markt beschikbaar
zijn, naar de website
www.DriveUconnect.eu.
Eerste gebruik van het voertuig
Na het openen van de Uconnect
LIVE App en het invoeren van uw
gegevens, om de Uconnect
LIVE-services in uw auto te openen,
verbindt u Bluetooth® uw smartphone
met het systeem Uconnect, zoals
beschreven in de paragraaf "Verbinding
maken met uw mobiele telefoon". De
lijst met ondersteunde mobiele tel-
efoons is beschikbaar op www.driveu-
connect.eu.
Als u verbinding hebt gemaakt, drukt u
op de Uconnect LIVE-toets op
het display om de verbonden services
te openen.
Wanneer de activering is voltooid,
verschijnt een speciaal bericht op het
display. Als voor de services een
persoonlijk profiel nodig is, kunnen uw
accounts worden verbonden via de
Uconnect LIVE App, of uw
persoonlijke gedeelte op
www.driveuconnect.eu.
Gebruiker niet verbonden
Als de telefoon Bluetooth® niet is ver-
bonden, wordt door het indrukken van
de Uconnect LIVE-toets het sys-
teemmenu weergegeven met uit-
geschakelde pictogrammen, behalve
dat van eco:Drive.
Raadpleeg voor nadere informatie over
de functie eco:Drive de
desbetreffende paragraaf.
Services-instellingen Uconnect
LIVE dat kan worden beheerd via
het Uconnect-systeem
In het systeemmenu Uconnect
toegewijd aan Uconnect
LIVE-services, drukt u op het
pictogram
om "Instellingen" te
openen. In dit gedeelte kunt u de
systeemopties controleren en naar
voorkeur aanpassen.
Systeemupdates
Wanneer een systeemupdate
beschikbaar is Uconnect als de
Uconnect LIVE-services worden
gebruikt, wordt een speciaal bericht op
het display weergegeven.
225
De update omvat het downloaden van
de nieuwe softwareversie voor het
beheer van de Uconnect LIVE
Services. De update wordt verricht via
de gegevensverbinding van de
verbonden smartphone: de bestuurder
wordt geïnformeerd over de grootte
van de gegevensstroom.
BELANGRIJK Om te voorkomen dat
afbreuk wordt gedaan aan de juiste
werking van Uconnect tijdens de
installatie, is het beter om geen andere
handelingen te verrichten, maar te
wachten tot de installatie is voltooid.
De Uconnect LIVE app
Om de verbonden services op het
voertuig te openen, moetUconnect
LIVE op uw smartphone worden
geïnstalleerd, waarmee u uw profiel
kunt beheren en uw Uconnect
LIVE-ervaring kunt personaliseren. De
App kan worden gedownload via de
"App Store" of "Google play".
Uit veiligheidsoverwegingen, als de
telefoon met het systeem is verbonden
Uconnect, kan de App niet worden
geopend.
Om de Uconnect LIVE-services te
openen met gebruik van het
Uconnect systeemmenu zijn
persoonlijke gegevens (e-mail en
wachtwoord) nodig, en de inhoud van
uw persoonlijke accounts is daarom
beveiligd en kan alleen worden
geopend door de echte gebruiker.
Verbonden services die met het
voertuig kunnen worden geopend
De Uconnect LIVE services die
in het systeemmenu beschikbaar zijn,
Uconnect kunnen variëren
afhankelijk van de markt.
De eco:Drive-applicatie is
ontwikkeld om de rijervaring te
verbeteren en kan daarom worden
gebruikt op alle markten waar
Uconnectde LIVE-services
beschikbaar zijn. Ga voor nadere
informatie naar de website
www.DriveUconnect.eu.
Alleen voor Uconnect 5" Radio
Nav LIVE: door de Uconnect
LIVE-services te openen, hebt u ook
toegang tot de TomTom LIVE-services.
Raadpleeg voor meer informatie over
de LIVE-functies het betreffende
hoofdstuk.
eco:Drive
Met de eco:Drive-applicatie kan uw
rijgedrag in realtime worden
weergegeven, om u te helpen een
efficiëntere rijstijl te behalen, voor wat
betreft verbruik en emissies.
Bovendien kunnen de gegevens
worden opgeslagen op een USB-stick
of via de Uconnect LIVE App, en
kunnen de gegevens dankzij de
eco:Drive-desktopapplicatie,
beschikbaar op www.fiat.it of
www.DriveUconnect.eu, op uw PC
worden geanalyseerd.
De evaluatie van de rijstijl is afhankelijk
van vier indexen die de volgende
parameters bewaken:
Acceleratie
Deceleratie
Versnellingsbak/transmissie
Snelheid
Weergave van de eco:Drive
Druk op de toets eco:Drive om van
deze functie gebruik te maken. Er wordt
een scherm weergegeven met de 4
hierboven beschreven indexen. Deze
indexen zijn grijs totdat het systeem
genoeg gegevens heeft om de rijstijl te
analyseren.
226
MULTIMEDIA
Zodra voldoende gegevens
beschikbaar zijn, nemen de indexen op
basis van de beoordeling 5 kleuren
aan: donkergroen (zeer goed),
lichtgroen, geel, oranje en rood (zeer
slecht).
"Current route index" (Index van de
huidige route) verwijst naar de gehele
waarde die in realtime is berekend
op grond van het gemiddelde van de
beschreven indexen. Deze index geeft
de eco-vriendelijkheid van de rijstijl
weer: van 0 (laag) tot 100 (hoog).
Bij langdurige inactiviteit geeft
het display het gemiddelde van de
indexen tot dat moment weer ("Average
index" - Gemiddelde index), en zodra
het voertuig opnieuw wordt gestart,
worden de indexen weer in kleur en in
realtime weergegeven.
Selecteer de toets "Previous route"
(Vorige route) om het gemiddelde van
de gegevens van de vorige route te
controleren (met "route" wordt de
periode bedoeld vanaf het moment dat
de sleutel naar MAR is gedraaid tot
het moment dat hij naar STOP wordt
gedraaid).
De gegevens van de vorige route
kunnen ook worden weergegeven door
op de toets "Details" (Gegevens) te
drukken, waarna de reisduur (tijd en
afstand) en de gemiddelde snelheid
worden weergegeven.
Opslag en overdracht van
routegegevens
De routegegevens kunnen in het
systeemgeheugen worden opgeslagen
en worden overgedragen via een
correct geconfigureerde USB-
geheugenstick of door de Uconnect
LIVE App.
Op die manier kunt u de geschiedenis
van de verzamelde gegevens, met
een volledige analyse van de
routegegevens en van uw rijstijl,
weergeven.
Ga voor nadere informatie naar de
website www.DriveUconnect.eu.
BELANGRIJK Verwijder de USB-
geheugenstick of verbreek de
verbinding van de smartphone met de
App Uconnect LIVE niet voordat
het systeem de gegevens heeft
gedownload, want anders kunnen de
gegevens verloren gaan. Tijdens de
gegevensoverdracht naar de
apparaten, zouden op het display van
Uconnect berichten kunnen worden
weergegeven om de handeling correct
uit te voeren: raadpleeg de opgegeven
informatie. Deze berichten worden
alleen weergegeven als de
contactsleutel naar STOP is gedraaid
en als een uitschakelvertraging van het
systeem is ingesteld. Uconnect.
De gegevens worden bij het afzetten
van de motor automatisch naar de
apparaten verzonden. De verzonden
gegevens worden op deze manier
uit het geheugen van het systeem
verwijderd. U kunt kiezen om de
routegegevens al dan niet op te slaan,
door op de toets "Settings"
(Instellingen) te drukken en door de
activering van de opslag en de
overdracht naar USB of Cloud in te
stellen.
Wanneer de USB-geheugenstick vol is,
worden speciale berichten
Uconnect op het radiodisplay
weergegeven.
227
Wanneer er langere tijd geen
eco:Drive-gegevens naar de
USB-geheugenstick worden verzonden,
kan het interne geheugen van het
systeem Uconnect verzadigd raken:
volg in dat geval de aanbevelingen in
de berichten op het display.
my:Car
Met my:Car kunt u de
"gezondheidstoestand" van uw voertuig
bewaken. De applicatie my:Car kan
storingen in realtime detecteren en de
bestuurder informeren over de
vervaldatum van het
onderhoudsinterval.
Druk voor interactie met de applicatie
op de "my: Car"-toets: op het display
wordt een scherm weergegeven met
het gedeelte "care:Index", waarin alle
gedetailleerde informatie over de status
van het voertuig wordt gegeven. Door
op de toets "Active warnings" (Actieve
waarschuwingen) te drukken, kunnen
de gegevens van de voertuigstoringen
(indien aanwezig) worden weergegeven
die een waarschuwingslampje hebben
geactiveerd.
De voertuigstatus kan zowel worden
weergegeven via
www.DriveUconnect.eu als via
deUconnect LIVE-applicatie.
MENU "INSTELLINGEN"
Weergave menu "Settings"
Versies met Uconnect 5" Radio LIVE:
druk op de toets SETTINGS op het
frontpaneel.
Versies met Uconnect 5" Radio Nav
LIVE: druk op de toets "Settings" op
het display.
Het menu bestaat uit de volgende
opties:
Display;
Klok & Datum;
Veiligheid/Hulp (voor bepaalde
uitvoeringen/markten);
Lichten (voor bepaalde uitvoeringen/
markten);
Portieren+Vergrend.;
Audio;
Telefoon/Bluetooth;
Radio;
Standaardinstellingen herstellen;
Persoonl. gegevens wissen.
NAVIGATIEMODUS
(Alleen Uconnect 5" Radio Nav
LIVE-versies)
Een route programmeren
BELANGRIJK In het belang van de
veiligheid en om afleiding tijdens het
rijden te beperken, kunt u het beste
altijd uw route plannen voordat u op
weg gaat.
Ga als volgt te werk om een route te
plannen:
tik op het scherm om het Hoofdmenu
weer te geven;
selecteer "Navigeer naar" of "Rijd
naar";
selecteer "Adres": u kunt de land- of
provincie-instelling wijzigen door de
vlag aan te raken voordat u een stad
selecteert;
voer de naam of de postcode van de
plaats in. Tijdens het typen worden
plaatsen met vergelijkbare namen in de
lijst weergegeven.
Tip: tik op de pijl rechts van de lijst om
de lijst met voorgestelde plaatsen uit
te vouwen.
Tik op de juiste plaatsnaam in de lijst
zodra deze verschijnt, om de
bestemming te selecteren.
228
MULTIMEDIA
voer de straatnaam in. Tijdens het
typen worden straten met vergelijkbare
namen in de lijst weergegeven. Zodra
de juiste straatnaam in de lijst
verschijnt, tikt u op de naam om de
bestemming te selecteren.
Voer het huisnummer in en tik op
"Gereed" .
De locatie wordt weergegeven op de
kaart. Tik op "Selecteer" om door te
gaan of op "Terug" om een ander adres
in te voeren.
Tip: als u als eindbestemming een
parkeerplaats wilt opgeven, tikt u op
"Parkeerplaats" en selecteert u in
de lijst met parkeerplaatsen een locatie
in de buurt van uw algemene
bestemming.
Wanneer de nieuwe route wordt
weergegeven, tikt u op "Gereed". Voor
meer informatie over de route tikt u
op "Details". Als u uw route wilt
wijzigen, bijvoorbeeld als u via een
bepaalde locatie wilt reizen of een
nieuwe bestemming wilt selecteren, tik
dan op "Wijzig route". U wordt dan naar
uw bestemming geleid aan de hand
van gesproken instructies en
aanwijzingen op het scherm.
UPDATE VAN KAARTEN
(Alleen Uconnect 5" Radio Nav
LIVE-versies)
De kaart kan op twee manieren worden
geüpdatet:
garantie meest recente kaarten: als er
een nieuwe kaart beschikbaar komt
binnen 90 dagen na het eerste gebruik,
kan deze eenmaal gratis gedownload
worden.
update van kaart: het is mogelijk een
nieuwe versie van de op uw systeem
geïnstalleerde kaart aan te schaffen.
Een USB-apparaat voorbereiden
Om de kaart te updaten moet u een
USB-apparaat gebruiken dat voldoet
aan de volgende vereisten:
idealiter moet het USB-apparaat leeg
zijn;
het USB-apparaat moet minstens
8 GB vrij geheugen hebben;
het USB-apparaat moet
gebruikmaken van een FAT-32
bestandssysteem;
het USB-apparaat mag niet
geblokkeerd zijn en het moet mogelijk
zijn hierop bestanden op te slaan.
OPMERKING Het gebruik van een
geheugenstick wordt aanbevolen,
terwijl het gebruik van massa-
opslagapparaten, zoals mobiele
telefoons of multimediaspelers
afgeraden wordt.
Ga als volgt te werk om een USB-
apparaat voor te bereiden:
verzeker u ervan dat de kaart die u
wilt updaten actief is in het
navigatiesysteem. Als het
navigatiesysteem verschillende kaarten
heeft en u wilt een kaart updaten die
op dit moment niet actief is, eerst
de kaart activeren. Om dit te doen,
"Kaart wijzigen" selecteren in het menu
"Instellingen" van de
navigatietoepassing;
selecteer "Navigatie updates" in het
menu "Instellingen". U wordt gevraagd
of u een USB-apparaat wilt
voorbereiden voor het downloaden van
updates;
selecteer "Ja";
sluit het USB-apparaat aan.
Het systeem begint het USB-apparaat
voor te bereiden.
Wanneer het USB-apparaat klaar is,
verschijnt een speciaal bericht op
het display.
229
Verwijder het USB-apparaat en sluit het
aan op de computer. De nieuwe kaart
kan nu gedownload worden naar het
USB-apparaat.
TomTom HOME installatie
Ga als volgt te werk om TomTom
HOME te installeren en een MyTomTom
account aan te maken:
download en installeer de toepassing
TomTom HOME op de computer. Ga
op de computer naar
www.tomtom.com/getstarted.
Selecteer "Download TomTom HOME"
en volg daarna de gegeven
aanwijzingen op.
sluit het voorbereide USB-apparaat
aan op de computer: TomTom HOME
wordt automatisch gestart.
selecteer "Enter" in de rechter
bovenhoek van TomTom HOME;
selecteer "Account aanmaken" en
voer de vereiste details in om een
MyTomTom account aan te maken. Een
MyTomTom account is vereist om
updates van kaarten te kunnen
ontvangen.
Na het aanmaken van het account,
wordt u gevraagd of u het Uconnect
systeem wilt koppelen aan uw
account. Het voorbereide USB-
apparaat vertegenwoordigt het
Uconnect systeem.
selecteer "Apparaat verbinden",
selecteer vervolgens "Sluiten".
Er kan nu een kaart gedownload
worden naar het USB-apparaat.
De kaart downloaden
Om te controleren of u recht hebt op
het downloaden van een gratis kaart op
basis van de Garantie Meest Recente
Kaarten, "Gereedschappen", "Garantie
meest recente kaarten gebruiken" in
TomTom HOME.
Om een update van een kaart aan te
schaffen, "Kaarten aanschaffen"
selecteren in TomTom HOME.
Als er al een update is aangeschaft,
"Apparaat updaten" selecteren in
TomTom HOME.
Een kaart downloaden
Als er een update voor een kaart voor
het systeem beschikbaar is, dan is
deze opgenomen in de lijst van
beschikbare updates.
OPMERKING Als de meest recente
kaart al op het systeem is geïnstalleerd,
wordt de update niet voorgesteld.
Selecteer de kaart die u wilt
downloaden, selecteer vervolgens
"Updaten en installeren". De kaart
wordt gedownload en gekopieerd naar
het USB-apparaat.
Selecteer "Gereed" wanneer het proces
voltooid is.
OPMERKING Koppel het USB-
apparaat niet los van de computer
tijdens het downloaden en kopiëren van
de kaart.
De kaart kan nu geïnstalleerd worden
op het systeem.
De kaart installeren
OPMERKINGEN
De update moet uitgevoerd
worden bij draaiende motor en kan
langer dan 30 minuten duren.
De USB-stick nooit verwijderen
om het updaten van de kaart niet in
gevaar te brengen.
Na het downloaden van een kaart op
het USB-apparaat, kan deze
geïnstalleerd worden op het systeem.
Ga als volgt te werk:
plaats het USB-apparaat met de
nieuwe kaart in het Uconnect
systeem. Het systeem detecteert een
nieuwe kaart op het USB-apparaat;
selecteer "Start": het systeem begint
de kaart te updaten.
230
MULTIMEDIA
OPMERKING Verwijder het USB-
apparaat niet en schakel de elektrische
voeding van het systeem niet uit
voordat de update voltooid is. Het
systeem kan niet gebruikt worden tot
de update correct voltooid is. Als het
updaten van het systeem wordt
onderbroken, het updaten opnieuw
starten.
Zodra de kaart geüpdatet is, verschijnt
er een speciaal bericht op het display:
selecteer "Sluiten". De nieuwe kaart
is nu op het systeem beschikbaar.
Probleemoplossing
De volgende problemen zouden zich
tijdens het updaten voor kunnen doen:
de kaart op het USB-apparaat is
niet geldig. In dat geval de kaart
nogmaals op het USB-apparaat
downloaden, met behulp van TomTom
HOME. Het kan noodzakelijk zijn het
USB-apparaat opnieuw voor te
bereiden;
de versie van de kaart op het
USB-apparaat is dezelfde of een
eerdere versie van de kaart die al op
het systeem aanwezig is. Als dit het
geval is, de kaart nogmaals op het
USB-apparaat downloaden, met
behulp van TomTom HOME. Het kan
noodzakelijk zijn het USB-apparaat
opnieuw voor te bereiden.
SPRAAKOPDRACHTEN
OPMERKING Voor talen die niet door
het systeem worden ondersteund,
zijn geen spraakopdrachten
beschikbaar.
Om de spaakopdrachten te gebruiken,
op de toets
drukken ("Stem" toets)
of
("Telefoon" toets) op de
bedieningstoetsen van het stuurwiel en
spreek de opdracht die u wilt activeren
luid uit.
Telefoonfuncties
Met de toets worden de volgende
functies ingeschakeld:
Bel
Kies
Opnieuw kiezen
Bel terug
Laatste oproepen
Uitgaande oproepen
Gemiste oproepen
Inkomende oproepen
Telefoonboek
Zoek
SMS tonen
Radiofuncties
Met de toets worden de volgende
functies ingeschakeld:
Afstemmen op XXX-FM
Afstemmen op XXX AM
Afstemmen op Radio XXX
Afstemmen op DAB-kanaal
Mediafuncties
Met de toets worden de volgende
functies ingeschakeld:
Speel muziekstuk…
Speel album…
Speel artiest...
Speel genre...
Speel playlist...
Speel podcast...
Speel luisterboek...
Speel track ...
Selecteer de media
Display
Navigatiefuncties
(Alleen Uconnect 5" Radio Nav
LIVE-versies)
Met de toets
worden de volgende
functies ingeschakeld:
Rij naar huis
2D-weergave
3D-weergave
Wis route
Voeg favoriet toe
Herhaal instructie
231
WAARSCHUWINGEN EN AANBEVELINGEN
BELANGRIJK
INTERIEURUITRUSTING
Rijd nooit met open dashboardkastje: bij een ongeval kunnen de inzittenden voorin hierdoor verwond raken.
De aansteker wordt zeer heet. Wees voorzichtig en zorg dat hij niet wordt gebruikt door kinderen: brandgevaar en/of gevaar voor
brandwonden.
IMPERIAAL/SKIDRAGER
Controleer na een korte rit of de schroeven van de bevestigingspunten nog goed zijn vastgedraaid.
Overschrijd nooit het maximum toegestane draagvermogen (zie hoofdstuk "Technische gegevens").
Verdeel de lading gelijkmatig en houd bij het rijden rekening met een verhoogde zijwindgevoeligheid.
INBOUWVOORBEREIDING LAVAZZA 500 ESPRESSO EXPERIENCE
Gebruik het accessoire bij stilstaand voertuig.
OPTIONELE ACCESSOIRES
Let op bij het monteren van aanvullende spoilers, lichtmetalen velgen of niet originele wieldeksels: deze accessoires kunnen namelijk de
ventilatie van de remmen beperken en de remwerking beïnvloeden bij herhaaldelijk hard remmen of op lange afdalingen. Let erop dat de slag
van de pedalen nergens door wordt belemmerd (matten, enz.).
INTERIEUR
Gebruik nooit ontvlambare producten zoals petroleum of wasbenzine voor het reinigen van het interieur van de auto. De elektrostatische
lading die door het wrijven tijdens het reinigen ontstaat, kan brand veroorzaken.
Bewaar geen spuitbussen in het voertuig: ontploffingsgevaar. Spuitbussen mogen niet blootgesteld worden aan temperaturen boven 50°C.
Wanneer het voertuig in de zon staat, kan de binnentemperatuur deze waarde ruim overschrijden.
Er mogen geen voorwerpen op de vloer onder de pedalen liggen; verzeker u ervan dat de matten altijd vlak liggen en geen contact met de
pedalen maken.
BRANDSTOFTOEVOER
Wijzigingen of reparaties aan het brandstoftoevoersysteem die niet correct zijn uitgevoerd en waarbij geen rekening wordt gehouden met
de technische systeemgegevens, kunnen storingen in de werking en zelfs brand tot gevolg hebben.
BELANGRIJK
IMPERIAAL/SKIDRAGER
De wettelijke voorschriften betreffende de maximale afmetingen moeten altijd in acht worden genomen.
INBOUWVOORBEREIDING LAVAZZA 500 ESPRESSO EXPERIENCE
Gebruik het accessoire alleen bij draaiende motor, om de acculading te beschermen. Indien verschillende apparaten die een grote
hoeveelheid stroom verbruiken (bijv. inschakeling van de airconditioning of de achterruitverwarming) tegelijkertijd gebruikt worden, kan het
accessoire mogelijk niet werken.
INBOUWVOORBEREIDING VOOR AUTORADIO
Neem voor aansluiting op de inbouwvoorbereiding voor de radio contact op met het Fiat Servicenetwerk om elk probleem te voorkomen dat
de veiligheid van het voertuig in gevaar kan brengen.
INTERIEUR
Gebruik nooit alcohol, benzine en hiervan afgeleide producten om het dashboard en het glas van het instrumentenpaneel te reinigen.
ALFABETISCH
REGISTER
3
e remlicht (lamp vervangen)......... 127
Aanhangers trekken...................... 110
Aanvullend veiligheidssysteem
(SRS) - Airbags ............................ 91
ABS (systeem) ............................... 68
Accu (opladen)............................... 160
Achterbank .................................... 12
Achterruitwisser/-sproeier .............. 24
Achterstoelen derde rij ................... 12
Achteruitkijkspiegels....................... 15
Achteruitrijcamera .......................... 109
Actieve veiligheidssystemen ........... 68
Afmetingen..................................... 181
Afsluiter van de brandstoftoevoer ... 135
Alarmknipperlichten........................ 115
ASR (systeem) ............................... 68
Automatische dual-zone
klimaatregeling ............................. 20
Bagageruimte ............................... 32
Bandenspanning............................ 178
Bedieningsknoppen ....................... 46
Bedieningspaneel en
boordinstrumenten....................... 43
Beschermingssystemen
inzittenden ................................... 75
Bochtverlichting ............................. 22
Brandstofverbruik........................... 204
Buitenverlichting............................. 21
argo Magic Space...................... 33
onderhoud) .................................. 164
City Brake Control - Collision
Mitigation Systeem....................... 71
CO2-emissie .................................. 209
Contactslot .................................... 10
Cruise-Control (constante
snelheidsregeling)......................... 105
Dagrijlichten (DRL) ........................ 21
Dak met vast glaspaneel ................ 26
Dashboard..................................... 7
De sleutels ..................................... 8
Dimlicht (lamp vervangen) .............. 124
Display........................................... 45
DST (systeem)................................ 69
Dualdrive (elektrische
stuurbekrachtiging)....................... 35
Elektrische ruitbediening ............... 30
Elektrisch schuifdak ....................... 27
ERM (systeem)............................... 69
ESC (systeem) ............................... 68
Fiat CODE systeem....................... 8
Fix&Go Automatic kit...................... 119
Follow Me Home (systeem) ............ 23
Frontairbags................................... 91
Gear Shift Indicator (systeem) ....... 45
Gebruik van de Dualogic
versnellingsbak ............................ 102
Gebruik van de
handgeschakelde
versnellingsbak ............................ 101
Gebruik van het Instructieboek....... 3
Geprogrammeerd onderhoud......... 139
Gewichten...................................... 187
Gordelspanners ............................. 78
Grootlicht (lamp vervangen)............ 125
Grootlicht ....................................... 22
Grootlichtsignaal ............................ 22
Handbediende klimaatregeling...... 19
Handrem........................................ 100
Herconfigureerbaar
multifunctioneel display ................ 45
Het voertuig opkrikken ................... 163
Hill Holder (systeem)....................... 68
Hoofdairbag................................... 95
Hoofdsteunen ................................ 14
Identificatiegegevens ..................... 167
Instrumenten
– herconfigureerbaar
multifunctioneel display ............. 44
– multifunctioneel display ............. 43
iTPMS............................................ 73
Kentekenverlichting (lamp
vervangen) ................................... 128
Kinderzitjes .................................... 80
Klimaatregeling............................... 17
ALFABETISCH REGISTER
C
Carrosserie (reiniging en
Lampjes en meldingen .................. 48
Lamp (vervangen)........................... 122
Mistlampen (lamp vervangen) ....... 126
Motorkap ....................................... 34
Motorruimte ................................... 152
Motor starten ................................. 99
Multifunctioneel display .................. 45
Niveaus controleren ...................... 152
Parkeersensoren........................... 107
Plafondverlichting........................... 25
Portieren ........................................ 28
Prestaties (topsnelheid) .................. 184
Regensensor ................................ 24
Richtingaanwijzers (lamp
vervangen) ................................... 124
Richtingaanwijzers ......................... 22
richtingaanwijzers zijkant (lamp
vervangen) ................................... 125
Richtlijnen voor de behandeling
van het voertuig aan het einde
van de levensduur........................ 214
Rijbaanwissel -functie ................... 22
Ruiten reinigen ............................... 24
Ruitenwissers/achterruitwisser ....... 162
Ruitenwissers/-sproeiers voorruit ... 24
SBR-systeem (Seat Belt
Reminder) .................................... 77
Schemersensor.............................. 22
Setup-menu................................... 46
Slepen van het voertuig.................. 136
Snelheidsbegrenzer........................ 106
Stadslichten/dagrijlichten (DRL)
(lamp vervangen).......................... 125
Stadslicht en dimlicht ..................... 22
Standaard velgen en banden ......... 174
Starten met hulpaccu..................... 134
Stoelen .......................................... 11
Stop/Start-systeem........................ 104
Stuurslot ........................................ 10
Stuurwiel........................................ 15
Symbolen....................................... 4
Tanken ......................................... 111
Tips, bediening en algemene
informatie ..................................... 216
Traction Plus systeem .................... 71
Uconnect 5 Radio/Uconnect 5
Radio Nav.................................... 218
Veiligheidsgordels ......................... 76
Versie met aardgassysteem
(Natural Power) ............................ 39
Versie met LPG-systeem................ 36
Verwarming en ventilatie................. 17
Vloeistoffen en smeermiddelen....... 200
Voorstoelen.................................... 11
Vulinhouden ................................... 198
Waarschuwingen en
aanbevelingen.............................. 232
Wielen en banden .......................... 164
Wielen............................................ 174
Wiel (verwisselen) ........................... 115
Zekeringen (vervangen) ................. 128
Zijairbags ....................................... 95
"
Rijhulpsystemen.............................. 71
Largo Senatore G. Agnelli, 3 - 10040
Volvera - Torino (Italia)
Editie
FCA
Italy
S.p.A. - MOPAR
- Technical Services - Service
Engineering
Druknummer 603.99.744NL- 12/2015 - 3
Wij, die uw auto hebben bedacht, ontworpen en gebouwd, kennen daarvan werkelijk elk detail en onderdeel.
In de erkende Fiat Service garages vindt u technici die rechtstreeks door ons zijn opgeleid die kwaliteit
en professionaliteit bieden voor alle onderhoudswerkzaamheden.
De Fiat garages staan altijd tot uw beschikking voor het periodieke onderhoud, de seizoenscontroles
en voor praktische adviezen van onze deskundigen.
Met de Originele Vervangingsonderdelen gedistribueerd door MOPAR
®
, worden de kenmerken
van betrouwbaarheid, comfort en prestaties, waarvoor u uw nieuwe voertuig gekozen heeft,
in de loop van de tijd in stand gehouden.
Vraag altijd om Originele Onderdelen van de componenten die wij gebruiken om onze auto’s te bouwen en
die wij u aanbevelen omdat die het resultaat zijn van ons engagement bij de research en de ontwikkeling
van steeds innovatievere technologieën.
Vertrouw om al deze redenen op Origenele Onderdelen:
de enige die speciaal door FCA voor uw auto ontworpen zijn.
VEILIGHEID:
REMSYSTEEM
ECOLOGIE: ROETFILTERS,
ONDERHOUD AIRCONDITIONING
COMFORT: WIELOPHANGING
EN RUITENWISSERS
PERFORMANCE: BOUGIES,
INSPUITVENTIELEN EN ACCU'S
LINEACCESSORI:
STANGEN IMPERIAAL, VELGEN
WAAROM KIEZEN VOOR
ORIGINELE ONDERDELEN
Dit Instructieboek is bedoeld om de bedrijfsomstandigheden van het voertuig te verduidelijken.
Voor de enthousiaste gebruiker die de inzichten, curiositeiten en gedetailleerde informatie over de eigenschappen en functies van het
voertuig wil weten, biedt Fiat de gelegenheid om een speciaal gedeelte te raadplegen dat beschikbaar is in elektronisch formaat.
ONLINE INSTRUCTIEBOEK
Het volgende symbool is weergegeven in de tekst van het Instructieboek, naast de onderwerpen waarvoor updates worden verschaft.
Ga naar de website www.mopar.eu/owner
en open uw persoonlijke zone.
Op de pagina “Onderhoud en zorg” vindt u alle informatie over uw voertuig en de link om toegang te krijgen tot eLUM, waar u alle details van het
Instructieboek zult kunnen vinden.
De eLUM website is gratis en zal u in de gelegenheid stellen, naast heel veel andere dingen, gemakkelijk de boorddocumenten te raadplegen van alle
andere voertuigen van de Group.
Veel leesplezier en goede reis!
COP 500L LUM NL_COP 500X LUM NL 18/11/14 10:05 Pagina 2
De gegevens in deze publicatie zijn uitsluitend indicatief bedoeld.
Fiat Chrysler Automobiles behoudt zich het recht voor op elk moment de in deze publicatie beschreven modellen om technische
of commerciële redenen te wijzigen. Wendt u voor nadere informatie tot het Fiat Servicenetwerk.
Gedrukt op milieuvriendelijk chloorvrij papier.
NEDERLANDS
GEBRUIK EN ONDERHOUD
FIAT500L
COP 500L LUM NL_COP 500X LUM NL 18/11/14 10:05 Pagina 1
14

Hulp nodig? Stel uw vraag in het forum

Spelregels
1

Forum

Fiat-500-L---2016

Misbruik melden

Gebruikershandleiding.com neemt misbruik van zijn services uitermate serieus. U kunt hieronder aangeven waarom deze vraag ongepast is. Wij controleren de vraag en zonodig wordt deze verwijderd.

Product:

Bijvoorbeeld antisemitische inhoud, racistische inhoud, of materiaal dat gewelddadige fysieke handelingen tot gevolg kan hebben.

Bijvoorbeeld een creditcardnummer, een persoonlijk identificatienummer, of een geheim adres. E-mailadressen en volledige namen worden niet als privégegevens beschouwd.

Spelregels forum

Om tot zinvolle vragen te komen hanteren wij de volgende spelregels:

Belangrijk! Als er een antwoord wordt gegeven op uw vraag, dan is het voor de gever van het antwoord nuttig om te weten als u er wel (of niet) mee geholpen bent! Wij vragen u dus ook te reageren op een antwoord.

Belangrijk! Antwoorden worden ook per e-mail naar abonnees gestuurd. Laat uw emailadres achter op deze site, zodat u op de hoogte blijft. U krijgt dan ook andere vragen en antwoorden te zien.

Abonneren

Abonneer u voor het ontvangen van emails voor uw Fiat 500 L - 2016 bij:


U ontvangt een email met instructies om u voor één of beide opties in te schrijven.


Ontvang uw handleiding per email

Vul uw emailadres in en ontvang de handleiding van Fiat 500 L - 2016 in de taal/talen: Nederlands als bijlage per email.

De handleiding is 5,47 mb groot.

 

U ontvangt de handleiding per email binnen enkele minuten. Als u geen email heeft ontvangen, dan heeft u waarschijnlijk een verkeerd emailadres ingevuld of is uw mailbox te vol. Daarnaast kan het zijn dat uw internetprovider een maximum heeft aan de grootte per email. Omdat hier een handleiding wordt meegestuurd, kan het voorkomen dat de email groter is dan toegestaan bij uw provider.

Stel vragen via chat aan uw handleiding

Stel uw vraag over deze PDF

Andere handleiding(en) van Fiat 500 L - 2016

Fiat 500 L - 2016 Gebruiksaanwijzing - Deutsch - 248 pagina's

Fiat 500 L - 2016 Gebruiksaanwijzing - English - 240 pagina's

Fiat 500 L - 2016 Gebruiksaanwijzing - Français - 244 pagina's


Uw handleiding is per email verstuurd. Controleer uw email

Als u niet binnen een kwartier uw email met handleiding ontvangen heeft, kan het zijn dat u een verkeerd emailadres heeft ingevuld of dat uw emailprovider een maximum grootte per email heeft ingesteld die kleiner is dan de grootte van de handleiding.

Er is een email naar u verstuurd om uw inschrijving definitief te maken.

Controleer uw email en volg de aanwijzingen op om uw inschrijving definitief te maken

U heeft geen emailadres opgegeven

Als u de handleiding per email wilt ontvangen, vul dan een geldig emailadres in.

Uw vraag is op deze pagina toegevoegd

Wilt u een email ontvangen bij een antwoord en/of nieuwe vragen? Vul dan hier uw emailadres in.



Info