768066
188
Verklein
Vergroot
Pagina terug
1/215
Pagina verder
Onderhouds- en gebruiksaanwijzingen
Onderhouds- en gebruiksaanwijzingen Nederlands
1
Deze handleiding is een onderdeel van de motorfiets en moet gedurende de hele levensduur ervan worden
bewaard.
Overhandig deze handleiding in het geval van verkoop aan de nieuwe eigenaar.
Bewaar de handleiding zorgvuldig: vraag onmiddellijk bij een Dealer of een erkende Ducati Garage een nieuw
exemplaar aan als ze beschadigd raakt is of u haar verloren heeft.
De kwaliteit en veiligheid van Ducati motorfietsen worden constant bijgewerkt met aanpassingen en
ontwikkelingen op het gebied van het ontwerp, de uitrusting en de accessoires. Ondanks dat de handleiding
bijgewerkt is tot op het moment dat ze gedrukt wordt behoudt Ducati Motor Holding S.p.A. zich het recht
voor op ieder moment zonder mededeling of verplichting wijzigingen te kunnen toepassen. Om deze reden
kan het zijn dat u verschillen opmerkt als u de afbeeldingen met uw nieuwe motorfiets vergelijkt.
De verveelvoudiging of openbaarmaking, ook gedeeltelijk, van de inhoud van deze uitgave is absoluut
verboden. Alle rechten zijn voorbehouden aan Ducati Motor Holding S.p.A. waaraan een (schriftelijke)
toestemming met verklaring van reden gevraagd moet worden.
Veel rijplezier!
2
Inhoud
Inleiding 7
Richtlijnen voor de veiligheid 7
Waarschuwingssymbolen die in deze handleiding
gebruikt worden 8
Toegestaan gebruik 9
Verplichtingen van de bestuurder 9
Scholing van de bestuurder 10
Kleding 11
"Best Practices" voor uw veiligheid 12
Tanken 15
Rijden met volle bepakking 16
Informatie omtrent de te vervoeren lading 16
Gevaarlijke producten - waarschuwingen 17
Identificatienummer voertuig 19
Identificatienummer motor 20
Instrumentenpaneel (Dashboard) 21
Instrumentenpaneel 21
Technologisch Woordenboek 24
Functieknoppen 26
LCD - Hoofdfuncties 27
LCD - Parameters programmeren/weergeven 28
Snelheidsmeter 30
Toerental (RPM) 31
Functies Menu 1 32
Functies Menu 1: Kilometerteller (TOT) 33
Functies Menu 1: indicator afgelegde ruimte (TRIP
1) 34
Functies Menu 1: indicator afgelegde ruimte (TRIP
2) 35
Functies Menu 1: Dagteller brandstofreserve (TRIP
FUEL) 36
Functies Menu 1: Indicator gemiddeld verbruik
(CONS. AVG) 37
Functies Menu 1: Indicator actueel verbruik
(CONS.) 38
Functies Menu 1: Indicator gemiddelde snelheid
(SPEED AVG) 39
Functies Menu 1: Indicator Reistijd (TIME
TRIP) 40
Functies Menu 2 41
3
Functies Menu 2: Temperatuur koelvloeistof
motor 42
Functies Menu 2: Buitentemperatuur (AIR) 44
Functies Menu 2: Klok 45
SET UP - Indicatie ingestelde Rijstijl 46
Functie SERVICE - Onderhoudsbeurten 47
Indicatie wel / niet actieve FOUTEN 50
Indicatie LAP functie wel / niet geactiveerd 51
Functie SET UP Riding Mode (rijstijl wijzigen) 52
Weergave Fouten (ERRORS) 55
SETTING MENU 61
Rijstijlen Aanpassen (R.MODE) 63
DTC set up 67
ABS set up 74
ENGINE set up 78
ALL DEFAULT (de default parameters van de Riding
Modes herstellen) 80
DEFAULT (de default parameters van een Riding
Mode herstellen) 82
De achtergrondverlichting van het
instrumentenpaneel (B.LIGHT) instellen 84
Functie Rondetijd (LAP): Activering / Deactivering
LAP 86
Functie Rondetijd (LAP): Registratie LAP 88
Functie Rondetijd (LAP): Weergave opgeslagen
LAP 90
Functie klok instellen (CLOCK) 94
Functie Accuspanning (BATTERY) 96
Digitale weergave toerental motor (RPM) 97
Immobilizer code (PIN CODE) 98
Immobilizer systeem 106
Sleutels 107
Functie PIN CODE invoeren voor het deblokkeren van
het voertuig 108
Werkingsprincipe 111
De sleutels laten bijmaken 112
Verlichtingsregeling 113
Functie Meeteenheid wijzigen (UNITS) 116
Overige functies 126
Bedieningsorganen 128
Plaats van de bedieningsorganen op de
motorfiets 128
Contactschakelaar en stuurslot 129
Schakelaar links 130
De koppelinghendel 131
De stuurschakelaar rechts 134
De gashendel 135
De hendel van de voorrem 136
Het achterrempedaal 137
Het versnellingspedaal 138
4
De stand van het versnellingspedaal en het
achterrempedaal afstellen 139
De belangrijkste elementen en
mechanismen 141
Plaats van deze elementen op de motorfiets 141
Dop op benzinetank 142
Zadelslot 143
Helmkabeltje 145
De zijstandaard 147
Achterdemper afstellen 148
Gebruiksvoorschriften 150
Voorzorgsmaatregelen tijdens de inrijperiode van de
motorfiets 150
Controleren voor het starten 152
ABS 154
De motorfiets starten 155
De motorfiets starten en ermee rijden 157
Remmen 158
De motorfiets stilzetten 160
Parkeren 161
Tanken 162
Meegeleverde accessoires 163
Belangrijkste gebruiks- en
onderhoudswerkzaamheden 164
Controle en eventueel bijvullen van het
koelvloeistofpeil 164
Het peil van de remvloeistof controleren 165
De slijtage van de remblokken controleren 167
De accu opladen 168
De spanning van de aandrijfketting
controleren 172
De aandrijfketting smeren 174
De lampen van de koplamp vervangen 175
De lampen van de richtingaanwijzers
vervangen 178
Kentekenplaatverlichting 179
De hoogte van de koplamp afstellen 180
De achteruitkijkspiegels afstellen 182
Tubeless banden 183
Controle motoroliepeil 186
De bougies reinigen en vervangen 188
Algemene reiniging 189
De motorfiets een lange tijd niet gebruiken 190
Belangrijke waarschuwingen 190
Geprogrammeerd onderhoudsplan 191
5
Geprogrammeerd onderhoudsplan: werkzaamheden
die door de dealer verricht moeten worden 191
Geprogrammeerd onderhoudsplan: werkzaamheden
die door de eigenaar verricht moeten worden 194
Technische kenmerken 195
Gewicht 195
Afmetingen 196
Brandstof 197
Motor 198
Distributie 199
Prestaties 200
Bougies 200
Voeding 200
Remmen 200
Overbrenging 201
Frame 202
Wielen 202
Banden 202
Ophangingen 202
Uitlaat 203
Verkrijgbare kleuren 203
Elektrische installatie 204
Geheugensteuntje voor
onderhoudsbeurten 210
Geheugensteuntje voor onderhoudsbeurten 210
6
Inleiding
Richtlijnen voor de veiligheid
Welkom in de "Ducatisti" club, u heeft een
uitstekende keuze gemaakt. Wij denken dat u deze
nieuwe Ducati niet alleen als normaal vervoermiddel,
maar ook voor lange reizen zult gebruiken. Ducati
Motor Holding S.p.A. wenst u dan ook veel rijplezier
toe.
Uw motorfiets is het resultaat van constant
onderzoek en de constante ontwikkeling van Ducati
Motor Holding S.p.A.: het is belangrijk dat de kwaliteit
ervan behouden wordt door het onderhoudsplan
nauwgezet in acht te nemen en door originele
reserveonderdelen te gebruiken. In deze handleiding
treft u alle aanwijzingen voor klein onderhoud. Het
belangrijkste onderhoud is opgenomen in de Garage
Handleiding die ter beschikking staat van de Erkende
Ducati Motor Holding S.p.A. Garages.
Voor uw belang en uw veiligheid en om de
betrouwbaarheid van het product te waarborgen,
raden we u aan dat u zich wendt tot een Dealer of een
Erkende Ducati Garage voor het onderhoud
beschreven in het geprogrammeerde
onderhoudsplan zie pag. 191.
Ons uiterst gespecialiseerde personeel beschikt over
alle uitrustingen en apparatuur die nodig zijn voor
perfect uitgevoerde reparaties en
onderhoudsbeurten, waarbij uitsluitend gebruik
wordt gemaakt van originele Ducati
reserveonderdelen. Deze reserveonderdelen passen
altijd en staan garant voor een perfect rijdende
motorfiets die lang meegaat.
Alle Ducati motorfietsen zijn voorzien van een
Garantieboekje.
De garantie is niet van toepassing op motorfietsen die
in sportwedstrijden gebruikt worden.
U verliest het recht op garantie als u onderdelen, ook
slechts gedeeltelijk, wijzigt of onklaar maakt. In het
geval van verkeerd of onvoldoende onderhoud of het
gebruik van niet originele of niet door Ducati
goedgekeurde reserveonderdelen kunt U het recht
op garantie verliezen en bovendien kunnen de
voorziene prestaties beperkt worden of verloren
gaan.
Uw veiligheid en die van anderen is erg belangrijk.
Motor Holding S.p.A. raadt u daarom aan de
7
motorfiets op een verantwoordelijke wijze te
gebruiken.
Lees deze handleiding helemaal door alvorens u van
uw motorfiets gebruik zult maken en neem de
richtlijnen erin zorgvuldig in acht. Op deze manier
beschikt u over alle nuttige informatie met betrekking
tot het correcte gebruik en een correct onderhoud
van uw motorfiets. Neem in geval van twijfel contact
op met een Dealer of een Erkende Ducati Garage.
Waarschuwingssymbolen die in deze
handleiding gebruikt worden
Om de gevaren voor uzelf en voor anderen te
benadrukken zijn in deze handleiding verschillende
vormen van informatie toegepast, zoals:
- Veiligheidsetiketten op de motor;
- Veiligheidsmededelingen in combinatie met een
waarschuwingssymbool en de begrippen LET
OP of BELANGRIJK.
Let op
Het niet naleven van deze voorschriften kan
gevaarlijke situaties en ernstig persoonlijk letsel met
mogelijk dodelijk gevolg aan de bestuurder of andere
personen veroorzaken.
Belangrijk
Er bestaat kans op schade aan de motorfiets en/
of de componenten ervan.
Opmerkingen
Meer informatie over de uit te voeren
werkzaamheden.
De aanduidingen RECHTS of LINKS gaan uit van de
rijrichting van de motorfiets.
8
Toegestaan gebruik
Deze motorfiets mag niet op onverharde wegen of
voor de motorcross gebruikt worden.
Let op
De motorfiets mag niet gebruikt worden voor
het slepen van een aanhanger of een sidecar,
aangezien in dit geval de macht over het stuur en dus
over de motorfiets verloren kan gaan met mogelijke
ongevallen van dien.
Deze motorfiets vervoert de bestuurder en kan een
passagier vervoeren.
Let op
Het totale gewicht van de motorfiets rijklaar met
bestuurder, passagier, bagage en extra accessoires
mag niet meer dan 406 kg/895 lb bedragen.
Verplichtingen van de bestuurder
Alle bestuurders moeten een rijbewijs bezitten.
Let op
Rijden zonder rijbewijs is illegaal en zal volgens
de wet worden bestraft. Controleer altijd of u uw
rijbewijs bij u heeft als u uw motorfiets zult gebruiken.
Laat de motorfiets niet gebruiken door onervaren
bestuurders of mensen die geen geldig rijbewijs
hebben.
Rijd nooit onder invloed van alcohol en/of verdovende
middelen.
Let op
Rijden onder invloed van alcohol en/of
verdovende middelen is illegaal en wordt volgens de
wet bestraft.
Neem geen geneesmiddelen in zonder dat u zich bij
uw arts over de bijwerkingen inlichtingen heeft
aangevraagd alvorens u de motorfiets zult gebruiken.
9
Let op
Bepaalde geneesmiddelen kunnen slaperigheid
of andere reactes veroorzaken die het
reactievermogen en de controle van bestuurder over
de motorfiets kunnen beperken met mogelijke
ongevallen van dien.
In bepaalde landen is een verzekering verplicht.
Let op
Controleer de wetgeving van uw land. Sluit een
verzekering af en bewaar de polis samen met de
andere documenten van uw motorfiets.
Voor de veiligheid van de bestuurder en/of de
eventuele passagiers is in bepaalde landen het
gebruik van een goedgekeurde helm verplicht.
Let op
Controleer de wetgeving van uw land. Rijden
zonder goedgekeurde helm kan met boetes worden
bestraft.
Let op
Tijdens een ongeval kunt u ernstig lichamelijk
letsel met mogelijk dodelijke gevolg oplopen als u
geen goedgekeurde helm draagt.
Let op
Controleer of de helm voldoet aan de
veiligheidsvoorschriften, goed zicht biedt, de juiste
afmeting heeft en voorzien is van het certificatie-
etiket dat in uw land van toepassing is. De
verkeerswetgeving varieert per land. Controleer de
wetten die in uw land van kracht zijn alvorens u de
motorfiets zult gebruiken en neem ze altijd in acht.
Scholing van de bestuurder
Vaak zijn ongevallen te wijten aan rijden zonder
ervaring. Het besturen, manoeuvres en remmen zijn
handelingen die van andere voertuigen afwijken.
Let op
Een niet voorbereide bestuurder of een
verkeerd gebruik van het voertuig kan verlies over het
stuur, dodelijk letsel of ernstige schade veroorzaken.
10
Tijdens het gebruik van een motorfiets speelt kleding
een zeer belangrijke rol op het gebied van veiligheid.
De motorfiets biedt in het geval van een botsing de
persoon immers niet de bescherming die een auto
biedt.
Passende kleding bestaat uit: een helm, een bril,
handschoenen, laarzen, een jas met lange mouwen
en een lange broek.
- De helm moet voldoen aan de voorwaarden
beschreven op pag. pag. 9. Draag een geschikte
bril als de helm niet voorzien is van een vizier;
- De handschoenen moeten 5 vingers hebben en
moeten gemaakt zijn van leer of schuurbestendig
materiaal;
- De laarzen of schoenen moeten antislipzolen en
enkelbescherming hebben;
- De jas en de broek of de beschermende overall
moeten gemaakt zijn van leer of schuurbestendig
materiaal en moeten delen in een goed zichtbare
kleur bevatten.
Belangrijk
Het gebruik van fladderende kleding of
voorwerpen die aan de onderdelen van de motor
kunnen vasthaken is verboden.
Belangrijk
Voor uw veiligheid moet u deze kleding zowel
in de zomer als in de winter dragen.
Belangrijk
Voor de veiligheid van de bijrijder moet u zich
ervan vergewissen dat ook hij/zij passende kleding
draagt.
11
Kleding
"Best Practices" voor uw veiligheid
Onthoud dat u voor, tijdens en na het gebruik van uw
motorfiets een aantal eenvoudige handelingen
verricht die voor de veiligheid van personen zeer
belangrijk zijn en tevens uw motorfiets in perfecte
staat houden.
Belangrijk
Neem tijdens de inrijperiode zorgvuldig de
aanwijzingen van het hoofdstuk "Gebruiksnormen" in
deze handleiding in acht.
Het niet naleven van deze voorschriften ontheft
Ducati Motor Holding S.p.A. van elke vorm van
aansprakelijkheid voor eventuele schade aan de
motor en de levensduur ervan.
Let op
Ga nooit met de motor rijden als u niet
voldoende met de bedieningen die u tijdens het rijden
moet gebruiken bekend bent.
Verricht de controles beschreven in deze handleiding
(zie pag. 155) alvorens u de motor start.
Let op
Het niet verrichten van deze controles kan
schade aan het voertuig en ernstig letsel aan de
bestuurder en/of de eventuele bijrijder veroorzaken.
Let op
Start de motor in de buitenlucht of in een goed
geventileerde ruimte. Start de motor nooit in een
afgesloten ruimte.
De uitlaatgassen zijn giftig en kunnen
bewusteloosheid of binnen heel korte tijd zelfs
dodelijke afloop tot gevolg hebben.
Neem tijdens het rijden met het lichaam een juiste
positie aan en vergewis u ervan dat de bijrijder
hetzelfde doet.
Belangrijk
De bestuurder moet de beide handen ALTIJD
op het stuur houden.
Belangrijk
De bestuurder en de passagier dienen hun
voeten tijdens het rijden altijd op de voetsteunen te
zetten.
12
Belangrijk
De passagier moet altijd met beide handen de
handgrepen van het frame onder het zadel
vasthouden.
Belangrijk
Rijd voorzichtig op kruispunten, bij het verlaten
van een privé- terrein of parkeerplaats of als u de
autoweg oprijdt.
Belangrijk
Zorg ervoor dat u altijd goed zichtbaar bent en
rijd niet in de "dode hoek " van de voertuigen die voor
u rijden.
Belangrijk
Gebruik ALTIJD en op tijd de richtingaanwijzers
om aan te duiden dat u van richting gaat veranderen
of een andere rijbaan kiest.
Belangrijk
Parkeer de motorfiets zo, dat niemand ertegen
kan stoten en zet hem altijd op de zijstandaard.
Parkeer de motorfiets nooit op een ondergrond die
niet vlak en recht of niet hard genoeg is, omdat de
motorfiets hierop kan omvallen.
Belangrijk
Controleer regelmatig of er geen barsten of
sneden in de banden zitten, vooral op de zijkanten, en
of er geen verdikkingen of grote slijtageplekken te
zien zijn, hetgeen wijst op schade aan de binnenkant
van de band; vervang ze als ze ernstig beschadigd
zijn.
Verwijder steentjes of ander vuil dat in de groeven
van de band is blijven zitten.
Let op
De motor, de uitlaat en de uitlaatdempers
blijven nog lang heet nadat de motor is uitgezet raak
het uitlaatgedeelte dus niet aan met uw lichaam, pas
goed op en parkeer het voertuig niet in de buurt van
ontvlambare materialen (met inbegrip van hout,
bladeren, enz.).
13
Let op
Verwijder altijd de sleutel als u de motorfiets
onbewaakt achterlaat en bewaar de sleutel op
dergelijke wijze dat onbevoegde personen de motor
niet kunnen starten.
14
Tanken
Tank in de buitenlucht en bij uitgeschakelde motor.
Roken en het gebruik van open vuur tijdens het
tanken is verboden.
Zorg ervoor dat u geen brandstof op de motor of de
uitlaat laat lekken.
Vul tijdens het tanken de brandstoftank nooit
helemaal: het brandstofpeil moet onder de
vulopening in de holte van de dop blijven.
Zorg ervoor dat u tijdens het tanken de
benzinedampen niet inademt en dat de brandstof niet
met de ogen, de huid of de kleding in aanraking komt.
Let op
Het voertuig is uitsluitend compatibel met
brandstof met een maximum ethanolgehalte van
10% (E10).
Het gebruik van benzine met een ethanolgehalte van
meer dan 10% is verboden. Het gebruik van
dergelijke brandstof kan ernstige schade aan de
motor en de onderdelen van de motorfiets
veroorzaken. U verliest het recht op garantie als u
benzine met een ethanolgehalte van meer dan 10%
gebruikt.
Let op
Blijf in de open lucht en raadpleeg onmiddellijk
een arts als u zich wegens het langdurig inademen
van de benzinedampen onwel voelt. Bij aanraking
met de ogen met ruim water spoelen en bij aanraking
met de huid onmiddellijk grondig met water en zeep
wassen.
Let op
Brandstof is erg ontvlambaar. Bij morsen de
verontreinigde kleding onmiddellijk uittrekken.
15
Rijden met volle bepakking
Dit motorvoertuig is ontworpen voor het veilig
afleggen van lange afstanden met volle bepakking.
Het goed verdelen van het gewicht van de lading op
het voertuig is uiterst belangrijk om de veiligheid van
de motorfiets te behouden en niet in moeilijkheden
te komen bij plotselinge stuurbewegingen of op
slecht wegdek.
Let op
De maximum toelaatbare snelheid met de
zijtassen bedraagt 180 Km/h. Bovendien moet men
zich altijd aan de voorgeschreven snelheidslimieten
houden.
Let op
Overschrijd het maximaal toegestane
totaalgewicht van de motorfiets niet en houd
rekening met de hierna gegeven informatie over de
te vervoeren lading.
Informatie omtrent de te vervoeren lading
Belangrijk
De zwaarste bagage of accessoires dienen zo
laag mogelijk en zo veel mogelijk in het midden van
het voertuig te worden vastgemaakt.
Belangrijk
Maak geen zware of grote voorwerpen vast aan
het stuur of het voorste spatbord, omdat dit de
motorfiets gevaarlijk uit evenwicht brengt.
Belangrijk
Bevestig de bagage aan de structuur van de
motorfiets. Onvoldoende bevestigde bagage kan de
motorfiets uit balans brengen.
Belangrijk
Steek geen lading tussen de frameconstructie,
aangezien deze verstrikt kan raken in bewegende
delen van de motorfiets.
Let op
Controleer of de bandenspanning
overeenstemt met de voorschriften en controleer of
de banden in goede staat verkeren.
16
Raadpleeg de paragraaf "Banden" op pag. 183.
Gevaarlijke producten - waarschuwingen
Gebruikte motorolie
Let op
Gebruikte motorolie kan huidkanker
veroorzaken als de olie vaak en langdurig met de huid
in aanraking komt. We raden aan om de handen zo
spoedig mogelijk na de hantering met water en zeep
te wassen, als men dagelijks met gebruikte motorolie
in aanraking komt. Houd gebruikte motorolie buiten
het bereik van kinderen.
Remstof
Maak de remmen nooit schoon met perslucht of
droge borstels.
Remvloeistof
Let op
De kunststof, rubberen of gelakte onderdelen
van de motorfiets kunnen schade oplopen als de
vloeistof erop terechtkomt. Bedek deze onderdelen,
elke keer dat u werkzaamheden verricht, met een
schone lap, alvorens u het systeem onderhoudt.
Houd gebruikte motorolie buiten het bereik van
kinderen.
Let op
De vloeistof van het remcircuit is bijtend. Was
bij aanraking met de remvloeistof de ogen en de huid
grondig met stromend water.
De koelvloeistof
De koelvloeistof van de motor bevat ethyleenglycol,
een stof die ontvlambaar is en met een onzichtbare
vlam brandt. De vlammen van brandend
ethyleenglycol zijn niet zichtbaar, maar kunnen
desondanks ernstige brandwonden veroorzaken.
Let op
Giet geen koelvloeistof over de uitlaat of delen
van de motor.
17
Deze delen kunnen dusdanig warm zijn dat de
vloeistof ontvlamt en zonder zichtbare vlammen gaat
branden. De koelvloeistof (ethyleenglycol) kan
huidirritatie veroorzaken en is bij inslikken giftig.
Buiten het bereik van kinderen bewaren. Haal de dop
nooit van de radiator als de motor nog warm is. De
koelvloeistof staat onder druk en kan brandwonden
veroorzaken.
Houd de handen en de kleding buiten het bereik van
de koelventilator aangezien deze automatisch
opgestart wordt.
Accu
Let op
De accu geeft explosieve gassen af. Houd
vonken, open vuur en sigaretten op een afstand.
Verifieer tijdens het opladen van de accu of de ruimte
voldoende wordt geventileerd.
18
Identificatienummer voertuig
Opmerkingen
Deze nummers geven het model van de
motorfiets aan en dienen te worden vermeld bij het
bestellen van reserveonderdelen.
We raden u aan het framenummer van uw motorfiets
in de onderstaande ruimte te noteren.
Framenr.
Fig 1
19
Identificatienummer motor
Opmerkingen
Deze nummers geven het model van de
motorfiets aan en dienen te worden vermeld bij het
bestellen van reserveonderdelen.
We raden u aan het nummer van de motor van uw
motorfiets in de onderstaande ruimte te noteren.
Motornr.
Fig 2
20
Instrumentenpaneel
(Dashboard)
Instrumentenpaneel
1) LCD Dot-Matrix.
2) TOERENTELLER (min-1).
Geeft het motortoerental per minuut aan.
3) WAARSCHUWINGSLAMPJE VRIJLOOP N
(GROEN).
Gaat branden als de versnelling in zijn vrij staat.
4) GROOT LICHT LAMPJE (BLAUW).
Gaat branden als het grootlicht is ingeschakeld.
5) WAARSCHUWINGSLAMPJE MOTOROLIEDRUK
(ROOD).
Gaat branden om u ervoor te waarschuwen dat er
onvoldoende motoroliedruk is. Het lampje moet gaan
branden bij “Key-on”, en moet een aantal seconden
na het starten van de motor uit gaan. Soms kan dit
lampje even gaan branden als de motor erg heet is
geworden. Het lampje moet echter uitgaan zodra het
toerental toeneemt.
1
2
7
59 6 47 8 3 10
Fig 3
Belangrijk
Gebruik de motorfiets niet als het lampje
MOTOROLIE blijft branden. Hiermee kunt u de motor
beschadigen.
21
6) WAARSCHUWINGSLAMPJE
BRANDSTOFRESERVE (GEEL).
Gaat branden als de reserve in de brandstoftank
aangesproken wordt. U heeft nu nog ongeveer 4 liter
brandstof.
7) WAARSCHUWINGSLAMPJES
RICHTINGAANWIJZERS (GROEN).
Het lampje van de ingeschakelde richtingaanwijzer
gaat branden en knippert. Ze gaan allebei knipperen
als de Hazard functie (4 pijlen) geactiveerd is
8) LAMPJE "DIAGNOSE MOTOR/VOERTUIG -
EOBD" (GEEL).
Gaat branden bij storingen aan de "motor en/of het
voertuig"; in enkele gevallen wordt de werking van de
motor geblokkeerd.
9) LAMPJE BEGRENZER "OVER REV" /
TRACTIECONTROLE "DTC" (ROOD).
Lampje Over rev
Geen onderbreking Off
1ste drempel - eerste
toerentalwaarde voor
begrenzer (*)
Aan - VAST
Begrenzer (onderbre-
king te hoog toerental)
(*)
Aan - Knipperend
(*) telkens als de motor regeleenheid wordt
gekalibreerd, kan afhankelijk van het model een
andere "instelling" van de drempels voor de begrenzer
en de begrenzer zelf worden ingesteld.
Waarschuwingslampje In-
greep DTC
Niet ingeschakeld Off
Vervroegde onderbre-
king
Aan - VAST
Onderbreking injectie Aan - VAST
Opmerkingen
Onder bijzondere omstandigheden als
tegelijkertijd de lampjes Over rev en DTC gaan
branden, wordt voorrang gegeven aan de functie
Over rev.
22
10) WAARSCHUWINGSLAMPJE ABS (GEEL)
(Fig 3).
Motor uit / snelheid lager dan 5 km/h
Lampje uit Lampje knipperend Lampje vast
- ABS uitgeschakeld met functie in
menu (**)
ABS ingeschakeld maar nog niet
werkend
Motor ingeschakeld / snelheid lager dan 5 km/h
Lampje uit Lampje knipperend Lampje vast
- ABS uitgeschakeld met functie in
menu
ABS ingeschakeld maar nog niet
werkend
Motor ingeschakeld / snelheid hoger dan 5 km/h
Lampje uit Lampje knipperend Lampje vast
ABS ingeschakeld en werkend ABS uitgeschakeld met functie in
menu
ABS uitgeschakeld en functioneert
niet wegens een probleem
(**) het ABS blijft alleen uitgeschakeld bij een knipperend lampje, ook na het starten van de motor.
23
Technologisch Woordenboek
Acroniemen en afkortingen die in de
handleiding gebruikt worden
ABS
Antilock Braking System
BBS
Black Box System
CAN
Controller Area Network
DDA
DUCATI Data Acquisition
DSB
Dashboard
DTC
DUCATI Traction control;
ECU
Engine Control Unit
Riding Mode
De bestuurder kan uit drie verschillende ingestelde
configuraties (Riding Modes) de configuratie kiezen
die het beste bij zijn rijstijl of het wegdek past. Met
de Riding Modes kunt u onmiddellijk het vermogen
van de motor (ENGINE), de controleniveaus van het
remsysteem (ABS) en de ingreep van de
tractiecontrole (DTC) wijzigen.
De volgende configuraties zijn mogelijk:
Sport, Touring en Urban (voor Hypermotard en
Hyperstrada);
Race, Sport en Wet (voor Hypermotard SP).
De bestuurder kan de ingestelde instellingen van
ieder Riding Mode aanpassen.
DUCATI Traction control (DTC)
Het Ducati Traction Control (DTC) systeem
controleert het slippen van het achterwiel en
functioneert aan de hand van acht verschillende
interventieniveaus die op dusdanige wijze
geprogrammeerd zijn dat ieder een andere
tolerantiewaarde voor het slippen van het achterwiel
biedt. Voor iedere Riding Mode is een
interventieniveau geprogrammeerd. Het niveau acht
zorgt ervoor dat het systeem ingrijpt zodra het wiel
een beetje slipt, terwijl het niveau een, speciaal
bestemd voor zeer ervaren bestuurders, een grotere
tolerantie heeft en dus minder snel het systeem laat
ingrijpen.
24
De ABS van de Multistrada is een systeem dat voor
een integrale afremming en een controle van het
opheffen van het achterwiel zorgt. Op deze manier
worden niet alleen de kortste remafstand, maar ook
een grotere stabiliteit tijdens het afremmen
gewaarborgd. De ABS heeft verschillende
interventieniveaus, een voor iedere Riding Mode.
Ride by Wire (RbW)
Het Ride by Wire systeem is een elektronisch
systeem dat het openen en sluiten van de kleppen
controleert. De regeleenheid van de motor kan de
verdeling van het vermogen regelen door de
openingshoek van de kleppen te wijzigen aangezien
een mechanische verbinding tussen de gashendel en
het gasklephuis ontbreekt.
De Ride by Wire biedt geheel afhankelijk van de
gekozen Riding Mode (Engine) verschillende
vermogens en verdelingen en controleert tevens het
slippen van het achterwiel (DTC).
25
Anti-lock Braking System (ABS)
Functieknoppen
1) BEDIENINGSKNOP
Knop voor het weergeven en instellen van de
parameters van het instrumentenpaneel met stand
”.
2) BEDIENINGSKNOP
Knop voor het weergeven en instellen van de
parameters van het instrumentenpaneel met stand
”.
3) DRUKKNOP KNIPPEREND GROOT LICHT FLASH
De knop die wordt gebruikt voor het grootlichtsignaal
kan ook worden gebruikt voor de LAP-functies.
4) KNOP DEACTIVERING RICHTINGAANWIJZERS
De knop die wordt gebruikt voor het activeren en
deactiveren van de richtingaanwijzers kan ook voor
de navigatie in het MENU en voor de activering van
de "Riding Mode" worden gebruikt.
De functie Hazard (vier knipperlichten) wordt
geactiveerd als u deze knop 3 seconden links indrukt.
4
3
2
1
Fig 4
26
LCD - Hoofdfuncties
Let op
Programmeer de parameters uitsluitend als de
motorfiets stilstaat. Voorkom dat u het
instrumentenpaneel aanraakt terwijl u rijdt.
Het hoofdscherm toont de volgende informatie:
1) Indicator Toerental Motor:
2) Indicator Snelheid voertuig;
3) MENU 1 (Kilometerteller, Trip 1, Trip 2, Trip Fuel,
Gemiddeld Verbruik, Actueel Verbruik, Gemiddelde
Snelheid en Reistijd) – Menu UP-MAP en Menu set-
up Riding Mode;
4) MENU 2 (Temperatuur koelvloeistof motor,
Buitentemperatuur en Klok);
5) Naam ingestelde Riding Mode;
6) Instellingen DTC en ABS van de Riding Mode.
2
1
45
3
6
Fig 5
Belangrijk
Om schade aan de motor te vermijden, gebruik
het voertuig niet als de motorfiets de maximum
temperatuur heeft bereikt.
27
LCD - Parameters programmeren/
weergeven
Bij de inschakeling activeert het instrumentenpaneel
de toerenteller die stijgt van 0 tot 11000 en
vervolgens weer daalt naar 0; in het deel Dot-Matrix
wordt bewegend het bericht "DUCATI
HYPERMOTARD" weergegeven, terwijl de lampjes
achtereenvolgens van buiten naar binnen gaan
branden.
Aan het einde van de controle geeft het
instrumentenpaneel altijd de "belangrijkste"
gegevens weer: Kilometerteller (TOT), de
temperatuur van de koelvloeistof van de motor en de
"Rijstijl".
1
2
Fig 6
28
Aan het einde van de controle zal het
instrumentenpaneel de "hoofdweergave" tonen en
geeft u de volgende informatie:
- MENU 1 (3): TOT - Kilometerteller
- MENU 2 (4): weergave temperatuur
koelvloeistof motor
- SET UP - Weergave ingestelde "Rijstijl" (5);
- Toerental (RPM) (7);
- Snelheid van het voertuig (8);
- "SERVICE" (alleen als deze geactiveerd zijn).
Met de knop (2) kunt u door het MENU 1 en dus langs
de volgende functies lopen:
- TRIP 1 - Dagteller 1;
- TRIP 2 - Dagteller 2;
- TRIP FUEL - Dagteller brandstofreserve
(uitsluitend als deze geactiveerd is);
- CONS.AVG - Gemiddeld Verbruik;
- CONS. - Actueel Verbruik;
- SPEED AVG - Gemiddelde Snelheid;
- TRIP TIME - Reistijd.
14
83
5 6
2
Fig 7
Met de knop (2) kunt u door het MENU 1 en dus langs
de volgende functies lopen:
- AIR - Luchttemperatuur;
- Klok.
29
Snelheidsmeter
Deze functie geeft op het hoofddisplay de snelheid
van het voertuig (afhankelijk van de gekozen
meeteenheid in Km/h of mph) weer.
Het instrumentenpaneel ontvangt de informatie van
de werkelijke snelheid (berekend in km/h) en geeft dit
gegeven vermeerderd met 5% weer.
De maximaal weergegeven snelheid is 299 km/h (186
mph).
Boven 299 km/h (186 mph) worden streepjes
weergegeven “- - -” (niet knipperend).
Opmerkingen
Als het instrumentenpaneel geen gegevens
ontvangt, worden de streepjes "- - -" (niet knipperend)
weergegeven.
Fig 8
30
Toerental (RPM)
Deze functie toont u het toerental van de motor.
Het instrumentenpaneel ontvangt de informatie over
het motortoerental en geeft de informatie weer.
De waarde wordt oplopend van links naar rechts
weergegeven, waarbij het toerental wordt
aangegeven.
Fig 9
31
Functies Menu 1
Het MENU 1 bevat de volgende functies:
- Totaalteller (TOT);
- Dagteller 1 (TRIP1);
- Dagteller 2 (TRIP2);
- Dagteller brandstofreserve (TRIP FUEL);
- Gemiddeld Verbruik (CONS. AVG);
- Actueel Verbruik (CONS.);
- Gemiddelde Snelheid (SPEED AVG);
- Reistijd (TRIP TIME).
Fig 10
32
Functies Menu 1: Kilometerteller (TOT)
Deze functie toont u de totaal afgelegde afstand
(afhankelijk van de specifieke applicatie in km of in
mijl).
Bij Key-On gaat het systeem automatisch naar deze
functie.
Het gegeven is permanent opgeslagen en kan niet
gereset worden.
Als het gegeven de kilometerstand 199999 km (of
199999 mijl) overschrijdt, wordt het getal “199999”
permanent weergegeven.
Opmerkingen
Het gegeven gaat dus niet verloren als de
voeding onderbroken wordt (Battery Off).
Opmerkingen
Raadpleeg een Dealer of een erkende Ducati
garage als de kilometerteller de knipperende
streepjes "----" weergeeft.
Fig 11
33
Functies Menu 1: indicator afgelegde
ruimte (TRIP 1)
Deze functie toont u de afgelegde afstand (afhankelijk
van de specifieke applicatie in km of in mijl) sinds de
laatste reset zien.
Als deze functie wordt weergegeven en u 3
seconden lang op de knop (1) drukt, wordt de waarde
op nul gezet. De afgelegde ruimte wordt gereset en
de telling wordt automatisch hervat als het gegeven
het nummer 9999.9 overschrijdt. Als een andere
eenheid wordt gekozen of als de accuspanning wordt
onderbroken (Battery Off), wordt de waarde op nul
gezet en begint het tellen weer vanaf nul (waarbij
rekening wordt gehouden met de eventuele nieuwe
gekozen eenheid).
Opmerkingen
Als u deze waarde op nul zet, worden ook de
functies "Gemiddeld verbruik", "Gemiddelde snelheid"
en "Reistijd" gereset.
1
Fig 12
34
Functies Menu 1: indicator afgelegde
ruimte (TRIP 2)
Deze functie toont u de afgelegde afstand (afhankelijk
van de specifieke applicatie in km of in mijl) sinds de
laatste reset zien.
Als deze functie wordt weergegeven en u 3
seconden lang op de knop (1) drukt, wordt de waarde
op nul gezet. De afgelegde ruimte wordt gereset en
de telling wordt automatisch hervat als het gegeven
het nummer 9999.9 overschrijdt. Als een andere
eenheid wordt gekozen of als de accuspanning wordt
onderbroken (Battery Off), wordt de waarde op nul
gezet en begint het tellen weer vanaf nul (waarbij
rekening wordt gehouden met de eventuele nieuwe
gekozen eenheid).
1
Fig 13
35
Functies Menu 1: Dagteller
brandstofreserve (TRIP FUEL)
Deze functie toont u de afstand (afhankelijk van de
specifieke applicatie in km of in mijl) die met de
brandstofreserve is afgelegd. De functie TRIP FUEL
wordt automatisch geactiveerd op het moment dat
het lampje brandstofreserve gaat branden;
vervolgens kunt u alsnog met knop (2) langs de
functies van het Menu 1 lopen.
Als men blijft rijden met de reservebenzine, dan
wordt het gegeven ook na Key-Off gehandhaafd in
het geheugen. De telling wordt automatisch
onderbroken als het voertuig niet langer met de
reserve rijdt. Als het gegeven het getal 9999.9
overschrijdt, dan wordt de teller op nul gezet en
begint de telling opnieuw.
Als de functie TRIP FUEL niet geactiveerd is, zal de
relatieve pagina niet in het Menu 1 worden
weergegeven.
2
Fig 14
36
Functies Menu 1: Indicator gemiddeld
verbruik (CONS. AVG)
Deze functie geeft het gemiddelde verbruik van het
voertuig weer. De berekening wordt verricht aan de
hand van de gebruikte hoeveelheid brandstof en de
afstand die sinds de laatste reset van Trip 1 afgelegd
is. Dit gegeven wordt gereset zodra u Trip 1 reset.
Het eerste gegeven is 10 seconden na de reset
beschikbaar. Tijdens de eerste 10 seconden, als nog
geen waarde beschikbaar is, worden streepjes “- -.-”
weergegeven. Op de versies Europa en Japan wordt
het gegeven uitgedrukt in "L / 100” (liter / 100 Km). U
kunt er echter voor kiezen om de meeteenheid "Km /
L" (kilometer / liter) in te stellen met behulp van de
functie “Setting special”. Op de versie UK wordt het
gegeven uitgedrukt in “mpg UK” (mijl per gallon UK).
De actieve berekeningsfase vindt plaats als de motor
gestart is. Dit geldt ook als het voertuig stilstaat (de
onderbrekingen van de rit waarbij u de motor
uitschakelt, worden niet in beschouwing genomen).
Fig 15
37
Functies Menu 1: Indicator actueel
verbruik (CONS.)
Deze functie geeft het huidige brandstofverbruik van
het voertuig aan. De berekening wordt verricht aan
de hand van de hoeveelheid gebruikte brandstof en
afstand die tijdens de laatste seconde is afgelegd. Op
de versies Europa en Japan wordt het gegeven
uitgedrukt in "L / 100” (liter / 100 Km). U kunt er echter
voor kiezen om de meeteenheid "Km / L" (kilometer /
liter) in te stellen met behulp van de functie “Setting
special”. Op de versie UK wordt het gegeven
uitgedrukt in “mpg UK” (mijl per gallon UK).
De berekening wordt alleen uitgevoerd als de motor
draait en het voertuig beweegt (er wordt geen
rekening gehouden met een onderbreking van de rit
als de snelheid gelijk aan 0 km/h is en/of de motor is
uitgeschakeld). Tijdens de fase waarin geen
berekening wordt verricht, zullen op het display
streepjes "- -.-" worden weergegeven.
Fig 16
38
Functies Menu 1: Indicator gemiddelde
snelheid (SPEED AVG)
Deze functie geeft de gemiddelde snelheid van het
voertuig weer.
De berekening wordt verricht aan de hand van de
afgelegde afstand en de tijd die sinds de laatste reset
van Trip 1 verstreken is. Dit gegeven wordt gereset
zodra u Trip 1 reset. Het eerste gegeven is 10
seconden na de reset beschikbaar.
Tijdens de eerste 10 seconden, als nog geen waarde
beschikbaar is, worden streepjes “- -.-”
weergegeven. De actieve berekeningsfase vindt
plaats als de motor gestart is. Dit geldt ook als het
voertuig stilstaat (de onderbrekingen van de rit
waarbij u de motor uitschakelt, worden niet in
beschouwing genomen).
De berekende waarde wordt verhoogd met 5%,
zodat de gelijk is aan de snelheidsaanduiding van het
voertuig.
Fig 17
39
Functies Menu 1: Indicator Reistijd (TIME
TRIP)
Deze functie geeft de reistijd aan.
De berekening wordt verricht aan de hand van de tijd
die sinds de laatste reset van Trip 1 verstreken is. Het
gegeven wordt gereset als u Trip 1 reset.
De actieve berekeningsfase vindt plaats als de motor
gestart is. Dit is ook het geval als het voertuig stilstaat
(tijdens de onderbrekingen van de rit en u de motor
uitschakelt wordt de tijd automatisch stopgezet; de
tijd begint weer te lopen als de actieve telfase hervat
wordt).
Fig 18
40
Functies Menu 2
Het MENU 2 bevat de volgende functies:
- Temperatuur koelvloeistof motor;
- Buitentemperatuur (AIR);
- Klok.
Fig 19
41
Functies Menu 2: Temperatuur
koelvloeistof motor
Met deze functie kunt u de temperatuur van de
koelvloeistof (afhankelijk van de specifieke applicatie
in °C of °F) weergeven.
Het instrumentenpaneel ontvangt de informatie over
de temperatuur en geeft deze weer.
De gegevens worden als volgt weergegeven:
-als de waarde tussen - 39°C en +39°C ligt, geeft
het instrumentenpaneel vast “LO” aan;
-als de waarde tussen +40°C en +120°C ligt, geeft
het instrumentenpaneel vast de waarde aan;
-als de temperatuur gelijk of hoger is dan +121°C,
geeft het instrumentenpaneel knipperend “HI”
aan.
Fig 20
42
Opmerkingen
Bij een "storing" aan de sensor worden
knipperend streepjes ( "- - - ") weergegeven en gaat
tegelijkertijd het lampje "Diagnose motor/voertuig -
EOBD" branden.
Fig 21
43
Functies Menu 2: Buitentemperatuur (AIR)
Deze functie toont de buitentemperatuur.
Het instrumentenpaneel meet de buitentemperatuur
aan de hand van de sensor en geeft deze vervolgens
op het display weer.
Opmerkingen
Bij een stilstaand voertuig kan de warmte van
de motor de temperatuurweergave beïnvloeden.
Fig 22
44
Functies Menu 2: Klok
Met deze functie wordt de tijd weergegeven.
De tijd wordt altijd in de volgende volgorde
weergegeven:
- AM van 0:00 tot 11:59;
- PM van 12:00 tot 11:59;.
Het klokje wordt bij de volgende (Key-On) gereset en
begint automatisch te tellen bij "0:00" als de
accuspanning onderbroken (Batt-OFF) en weer
hersteld wordt.
Fig 23
45
SET UP - Indicatie ingestelde Rijstijl
Deze functie geeft de op het voertuig ingestelde
Rijstijl aan.
Elke rijstijl kan met behulp van de functie Riding
Mode worden gewijzigd.
De ingestelde rijstijl, het niveau van de Traction
Control (DTC) en het bijbehorende niveau van de ABS
worden weergegeven.
U kunt drie verschillende rijstijlen instellen: SPORT,
TOURING, URBAN.
Fig 24
46
Functie SERVICE - Onderhoudsbeurten
Deze bericht geeft de gebruiker aan wanneer hij zich
voor het geprogrammeerde onderhoud
(servicebeurt) aan het voertuig naar een Erkende
Ducati Garage moet begeven.
De indicaties kunnen uitsluitend door de Erkende
Ducati Garage die het onderhoud verricht "gereset"
worden.
Eerste bericht: OIL SERVICE (1000 Km)
Het eerste onderhoud dat aangegeven zal worden, is
het bericht "OIL SERVICE". Dit bericht wordt
weergegeven zodra de kilometerteller de stand van
1000 km (600 mijl) aangeeft. De indicatie "OIL
SERVICE" wordt bij iedere Key-On 5 seconden lang
knipperend weergegeven. Het symbool OIL
SERVICE wordt echter continu op het display
weergegeven. De beide signaleringen blijven actief
tot ze door de erkende Ducati Garage worden
gereset.
Fig 25
47
Indicatie resterend aantal kilometers - OIL
SERVICE of DESMO SERVICE (countdown)
Als de eerste "Reset" van de indicatie "OIL SERVICE"
(bij 1000 Km) is verricht, zal bij iedere Key-On op het
instrumentenpaneel de indicatie van de
onderhoudsbeurt worden weergegeven die u
vervolgens moet laten verrichten ("OIL SERVICE" of
"DESMO SERVICE") en het resterende aantal
kilometers tot deze onderhoudsbeurt moet worden
verricht.
De indicatie "OIL SERVICE" of "DESMO SERVICE", de
bijbehorende symbolen en het resterende aantal
kilometers worden bij iedere Key-On 2 seconden lang
"niet-knipperend" weergegeven.
Zodra 1000 km ontbreekt tot aan het moment waarop
u de onderhoudsbeurt moet laten verrichten, zal de
indicatie bij iedere Key-On niet langer 2 maar 5
seconden lang worden weergegeven.
De beide signaleringen blijven actief tot ze door de
erkende Ducati Garage worden gereset.
Fig 26
48
Indicatie OIL SERVICE of DESMO SERVICE
(kilometerstand bereikt)
Als u de kilometerstand bereikt waarop u de
onderhoudsbeurt moet laten verrichten, zal het
systeem bij iedere Key-On aangeven welk onderhoud
vereist is: "OIL SERVICE" of "DESMO SERVICE".
De indicatie "OIL SERVICE" of "DESMO SERVICE"
wordt bij iedere Key-On 5 seconden lang knipperend
weergegeven. Het symbool OIL SERVICE of DESMO
SERVICE wordt echter continu op het display
weergegeven.
De beide signaleringen blijven actief tot ze door de
erkende Ducati Garage worden gereset.
Fig 27
49
Indicatie wel / niet actieve FOUTEN
Deze functie geeft aan of er een of meerdere
storingen zijn.
In het Menu Setting kunt u met behulp van de functie
ERRORS bekijken welke en het aantal storingen zijn
gedetecteerd. Er zijn geen storingen als het bericht
"ERRORS" niet wordt weergegeven.
Fig 28
50
Indicatie LAP functie wel / niet geactiveerd
Deze functie geeft of de LAP-functie (Rondetijd)
geactiveerd is.
De functie is gedeactiveerd als het bericht "LAP" niet
wordt weergegeven.
Fig 29
51
Functie SET UP Riding Mode (rijstijl
wijzigen)
Met deze functie kunt u de rijstijl van het voertuig
wijzigen. Bij iedere rijstijl hoort een ander
interventieniveau van de tractiecontrole (DTC - Ducati
Traction Control), een andere remcontrole (ABS -
Anti-lock Braking System) en een andere verdeling en
vermogen van de motor (Engine). Druk, om de rijstijl
van de motor te wijzigen, de resetknop (4) een keer
in; op het display wordt het menu weergegeven.
Door de rijstijl te wijzigen verandert u:
- het interventieniveau van de "DTC"
tractiecontrole (1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8 en OFF);
- het vermogen van de motor "Engine" dat op zijn
beurt het gedrag van de gasklep wijzigt (HIGH,
MEDIUM en LOW);
-de afstelling van het ABS systeem (1, 2 en OFF).
Iedere keer dat u op de knop (4) drukt, zal het
instrumentenpaneel een voor een de verschillende
rijstijlen aanduiden.
4
4
4
4
4
Fig 30
52
Zodra u de gewenste rijstijl heeft gevonden zal, door
3 seconden lang de knop (4) ingedrukt te houden, het
instrumentenpaneel de stand van de gashendel en de
druk op de voor- en achterrem controleren:
- als de gashendel "dicht" is en de remmen
losgelaten zijn of het voertuig stil staat, zal het
Instrumentenpaneel de gekozen rijstijl
bevestigen (*), waarna de standaard weergave
op het display wordt hersteld;
-als de gashendel "open" is, of de remmen worden
ingetrokken en het voertuig rijdt, zal het
Instrumentenpaneel op het display het bericht
"CLOSE THROTTLE AND RELEASE BRAKES"
weergeven. Pas als alle voorwaarden (gashendel
dicht, remmen losgelaten of voertuig staat stil)
gecontroleerd zijn, zal het instrumentenpaneel
de gekozen rijstijl (*) bevestigen en wordt de
standaard weergave op het display hersteld.
Opmerkingen
(*) Op het moment dat de gekozen rijstijl wordt
bevestigd zal het instrumentenpaneel tevens
procedure "ABS activeren / deactiveren" opstarten als
het wijzigen van de Riding Mode geassocieerd is met
een wijziging van de staat on/off van de ABS.
Fig 31
De procedure voor het wijzigen van de "Riding Mode"
wordt niet verricht en het instrumentenpaneel
herstelt de standaard weergave zonder dat een
instelling wordt gewijzigd, als u binnen 5 seconden
na de weergave van het bericht "CLOSE THROTTLE
AND RELEASE BRAKES" de gashendel niet sluit en u
de remmen niet loslaat of het voertuig niet tot
stilstand wordt gebracht.
53
Als het “SET UP” menu is geactiveerd en de
resetknop (4) gedurende 10 seconden niet wordt
ingedrukt, verlaat het instrumentenpaneel
automatisch deze functie en worden geen
wijzigingen verricht.
Let op
Ducati raadt aan om de rijstijl te wijzigen
wanneer het voertuig stilstaat. Als de rijstijl wordt
gewijzigd bij een rijdende motor, wees dan zeer
voorzichtig (het verdient aanbeveling om de rijstijl
uitsluitend bij een lage snelheid te wijzigen).
4
Fig 32
54
Weergave Fouten (ERRORS)
Met deze functie kunnen eventuele storingen van het
voertuig worden vastgesteld.
Het instrumentenpaneel activeert onmiddellijk
eventuele storingsmeldingen van het voertuig
(STORINGEN).
Rechts op het display wordt het bericht "ERRORS"
weergegeven als tijdens de functionering een of
meer "storingen" worden geactiveerd.
Bij de activering van een of meer storingen gaat altijd
het lampje "EOBD" branden.
U kunt de lijst van storingen weergeven door in het
Menu Setting de pagina "ERRORS" te openen. Deze
pagina wordt uitsluitend weergegeven als minstens
een storing aanwezig is.
Fig 33
Fig 34
55
Als er meer dan een storing geactiveerd is, zullen
tevens de indicaties "NEXT" en "PREVIEW" worden
weergegeven, zodat u door de pagina's kunt
bladeren.
Blader door met de knoppen (1) en (2) de indicaties
"NEXT" en "PREVIEW" te selecteren en druk
vervolgens op de knop (4).
U kunt de pagina op ieder gewenst moment afsluiten
en naar het Menu Setting terugkeren door de
indicatie "EXIT" te selecteren en vervolgens op de
knop (4) te drukken.
Let op
Raadpleeg altijd een Dealer of een Erkende
Ducati Garage als één of meerdere storingen
weergegeven worden.
56
1
2
4
1
2
2
1
2
Fig 35
57
Hier volgt de tabel met de storingen die kunnen worden weergegeven:
Weergegeven storing Beschrijving
CAN LINE "BUS Off" CAN-lijn (communicatielijn van de verschillende regeleenhe-
den)
UNKNOWN DEVICE Regeleenheid niet door systeem erkend - SW verkeerd
ABS (Antilock Braking System) ABS regeleenheid communiceert niet / functioneert niet op correcte wij-
ze
BBS (Black Box System) BBS regeleenheid communiceert niet / functioneert niet op correcte wij-
ze
Algemene storing tijdens de functionering van de BBS regeleenheid
Storing functionering motor uitlaatklep EXVL
DASHBOARD DSB regeleenheid communiceert niet / functioneert niet op correcte wij-
ze
IMMOBILIZER Sleutel ontbreekt
Sleutel niet herkend
Antenne functioneert niet
ENGINE ECU regeleenheid communiceert niet / functioneert niet op correcte wij-
ze
Algemene storing ECU regeleenheid
Storing gasklep positiesensor
58
Weergegeven storing Beschrijving
Storing relais of motor gasklep
Storing druksensor
Storing sensor temperatuur koelvloeistof motor
Storing sensor temperatuur lucht aanzuigleiding
Storing relais injectie
Storing ontstekingsbougie
Storing inspuitventiel
Storing toerentalsensor motor
Storing lambdasonde of verwarmer lambdasonde
Storing relais start voertuig
Storing sensor secundaire lucht
FUEL SENSOR Storing functionering NTC sensor reserve
SPEED SENSOR Storing functionering snelheidssensor voor en/of achter
BATTERY Accuspanning te hoog of te laag
STOP LIGHT Remlicht functioneert niet
FAN Storing elektro-koelventilator
T_AIR SENSOR Storing buitenlucht temperatuursensor
59
Weergegeven storing Beschrijving
H.GRIPS Een van de verwarmde handgrepen of de beide verwarmde handgrepen
vertonen een storing
60
SETTING MENU
Met dit menu kunnen enkele functies van het
voertuig worden ingesteld/ingeschakeld.
Druk twee seconden lang op de knop (2) om het
Menu Setting te kunnen openen: zodra u zich in dit
menu bevindt, kunt u niet langer langs de functies op
het segmenten display lopen.
Belangrijk
Om veiligheidsredenen kan het "setting"-menu
alleen worden bereikt bij een snelheid lager of gelijk
aan 20 km/h; als dit menu wordt weergegeven en u
de snelheid van 20 km/h overschrijdt, wordt het menu
gesloten en geeft het instrumentenpaneel
automatisch het "hoofdscherm" weer.
Het menu setting bevat de volgende functies:
- rijstijlen aanpassen (R.MODE);
- achtergrondverlichting afstellen (B. LIGHT);
- rondetijd activeren en weergeven (LAP);
- PIN CODE activeren en wijzigen (PIN);
- klok instellen (CLOCK);
- meeteenheden instellen (UNITS);
- accuspanning weergeven (BATT.)
- toerental weergeven (RPM);
-storingen weergeven, uitsluitend als een of meer
storingen geactiveerd zijn (ERRORS);
- EXIT.
Selecteer met de knoppen (1) of (2) het bericht "EXIT"
en druk op de knop (4) om het menu setting te kunnen
afsluiten.
61
1
2
4
12
4
Fig 36
62
Rijstijlen Aanpassen (R.MODE)
Met deze functie kan elke rijstijl worden aangepast.
U kunt de functie laten weergeven door in het menu
setting de pagina R.MODE te openen.
Zodra u deze functie betreedt, zullen op het display
de drie rijstijlen SPORT, TOURING en URBAN
worden weergegeven.
Bovendien wordt de functie "ALL DEFAULT"
weergegeven, waarmee u van alle rijstijlen de door
Ducati ingestelde fabrieksparameters herstelt.
Met de knoppen (1) en (2) kunt u de functie ALL
DEFAULT of de rijstijl kiezen die u wilt wijzigen.
Opmerkingen
Als rechts van het bericht ALL DEFAULT een
symbool wordt weergegeven, dan zijn de default
instellingen, en dus de parameters van Ducati,
ingevoerd.
63
1
2
4
12
4
Fig 37
64
U kunt de parameters wijzigen door de rijstijl die u wilt
aanpassen te selecteren en vervolgens op de knop
(4) te drukken.
De parameters die u kunt aanpassen zijn: DTC (Ducati
Traction Control), ABS (Antilock Braking System) en
ENGINE (vermogen motor).
Met de knoppen (1) en (2) kunt u de parameter kiezen
die u wilt aanpassen.
De gewijzigde (aangepaste) parameter wordt in het
geheugen bewaard, ook na een Battery-Off.
Bovendien kunt u met de functie DEFAULT de
parameters van een enkele rijstijl herstellen.
Opmerkingen
Als rechts van het bericht DEFAULT een
symbool wordt weergegeven, dan zijn de default
instellingen, en dus de parameters van Ducati,
ingevoerd.
Let op
We raden u aan om de parameters uitsluitend
te wijzigen als u bekend bent met de "Set-up" van het
voertuig. Gebruik de "DEFAULT"-functie om de
parameters te herstellen als u ongewenst de
parameters wijzigt.
65
1
2
44
2
1
1
Fig 38
66
DTC set up
Met deze functie kan de manier van ingrijpen van het
DTC (Ducati Traction Control) worden aangepast en
eventueel worden gedeactiveerd.
U kunt de functie laten weergeven door in het menu
setting de pagina R.MODE te openen.
Selecteer met de toetsen (1) en (2) de rijstijl die u wilt
wijzigen en druk op de knop (4).
Selecteer de functie DTC met de toetsen (1) en (2) en
open de instelling door op de knop (4) te drukken.
Nu kunt u met de knoppen (1) en (2) het niveau van
de DTC verhogen of verlagen; bevestig het nieuwe
niveau met een druk op knop (4).
De mogelijke instellingen lopen van 01 tot 08 en OFF.
Opmerkingen
De DTC wordt gedeactiveerd als u OFF
selecteert.
Druk op knop (4) als u de nieuwe instelling heeft
gekozen.
Het instrumentenpaneel geeft automatisch de
indicatie "MEMORY" aan; druk 3 seconden op knop
(4) om de nieuwe instelling definitief op te slaan. Als
de 3 seconden zijn verstreken, toont het
instrumentenpaneel 2 seconden lang het bericht
"MEMORIZED" om de daadwerkelijke wijziging te
bevestigen.
Automatisch wordt de indicatie "EXIT" aangegeven.
Verlaat de pagina en keer naar het menu setting terug
door op de knop (4) te drukken.
Opmerkingen
Als rechts van het bericht DEFAULT een
symbool wordt weergegeven, dan zijn de default
instellingen, en dus de parameters van Ducati,
ingevoerd.
67
1
2
4
1
4
4
4
1
1
2
Fig 39
68
De onderstaande tabel geeft het DTC interventieniveau aan dat voor de verschillende rijstijlen geschikt is en
welke niveaus default voor de mogelijke "Riding Mode" zijn ingesteld:
DTC-NIVEAU RIJSTIJL GEBRUIK DEFAULT?
1 TRACK Professional Gebruik op het racecircuit
door zeer ervaren gebrui-
kers. Het systeem staat
slippen toe.
NEE
2 TRACK Gebruik op het racecircuit
(en op de openbare weg
voor ervaren gebruikers).
NEE
3 SPORT Sportieve rijstijl op de weg
en op het circuit.
Dit is het default niveau
van de Riding Mode
"SPORT"
4 TOURING Toeristische rijstijl buiten
de stad.
Dit is het default niveau
van de Riding Mode
"TOURING"
5 CRUISE Toeristische rijstijl over
grote afstand.
NEE
6 URBAN Rijstijl in de stad. Dit is het default niveau
van de Riding Mode "UR-
BAN"
7 RAIN Nat of vochtig wegdek. NEE
69
DTC-NIVEAU RIJSTIJL GEBRUIK DEFAULT?
8 HEAVY RAIN Nat wegdek en harde re-
gen of zeer glad asfalt.
NEE
70
Aanwijzingen voor de keuze van het niveau
Let op
De afstelling van de 8 niveaus van het DTC-
systeem dat in uw voertuig is ingesteld, is verricht
met de originele banden van de motor (merk, model
en specifieke maten). Het gebruik van banden met
maten en eigenschappen die afwijken van de
originele exemplaren kan de specifieke werking van
het systeem wijzigen.
De originele banden van de motor zijn: (voor
120/70ZR17 - achter 180/55ZR17).
- Pirelli Diablo Supercorsa SP;
- Pirelli Diablo Rosso II;
- Pirelli Scorpion Trail.
In het geval van kleine verschillen, zoals bijvoorbeeld
in het geval van een ander merk/model banden dan
de originele banden die tot dezelfde maatklasse
behoren (achter = 180/55-17 ; voor = 120/70-17), dan
is het voldoende dat u voor het herstellen van de
optimale functionering van het systeem het meest
geschikte interventieniveau kiest. In het geval dat
banden gebruikt worden die tot een andere
maatklasse behoren of die duidelijk afwijkende
afmetingen hebben, is het mogelijk dat de
functionering van het systeem in dergelijke mate
gewijzigd wordt dat geen van de 8 beschikbare
niveaus aan de eisen voldoet. In dat geval wordt
geadviseerd om het systeem te deactiveren. Door
niveau 8 te kiezen, zal de DTC regeleenheid ingrijpen
bij ook maar de geringste spinning van de achterband.
Tussen niveau 8 en niveau 1 liggen 8 tussenniveaus.
Het ingrijpen van de DTC neemt gelijkmatig af van
niveau 8 tot niveau 1. Met de niveaus 1, en 2 stelt de
DTC regeleenheid de achterband in staat om zowel
te spinnen als te slippen bij het uitkomen van de
bocht. We raden aan dat dit interventieniveau
uitsluitend op het circuit en door zeer ervaren
bestuurders gebruikt wordt.
De keuze van het correcte niveau is met name
afhankelijk van 3 variabelen:
1) De wegligging (soort band, slijtage van de band,
het soort asfalt, weersomstandigheden, enz.);
2) De weg/het parcours (bochten met min of meer
gelijke of met afwijkende doorrijsnelheid);
3) De rijstijl ("vloeiend" of "grillig").
Keuze van het niveau op grond van de wegligging
71
Bij het zoeken van het juiste niveau moet de
wegligging van het traject/parcours nauwgezet in
aanmerking worden genomen (zie verderop,
adviezen voor het gebruik op het circuit en op de
weg).
Keuze van het niveau op grond van het type traject
Als de weg/het traject bochten vertoont die u met
dezelfde snelheid kunt doorrijden, dan is het
eenvoudiger om het juiste interventieniveau in te
stellen. Een weg/traject met een scherpe
haarspeldbocht die u langzamer dan de andere
bochten zult doorrijden, vereist echter een
compromis (in de haarspeldbocht zal de DTC meer
ingrijpen dan in het geval van de andere bochten).
Keuze van het niveau op grond van de rijstijl
De DTC zal sterker ingrijpen bij een “vloeiendere”
rijstijl waarbij de motorfiets langer schuin hangt, dan
bij een “grilligere” rijstijl waarbij de motor zo snel
mogelijk overeind gebracht wordt bij het uitkomen
van de bocht.
Tips voor het gebruik op het circuit
We raden u aan om het interventieniveau 6 een aantal
rondes uit te proberen (zodat de banden opwarmen)
en een contact met het systeem mogelijk te maken.
Probeer vervolgens de andere interventieniveaus 5,
4 enz. uit tot u het gewenste interventieniveau
gevonden heeft (probeer elk niveau een aantal rondes
uit zodat de banden kunnen opwarmen).
Als het gevonden niveau in alle bochten beval,
behalve bij één of twee langzame bochten waarin de
ingreep te sterk is, kunt u proberen uw rijstijl iets aan
te passen door de motorfiets eerder overeind te laten
komen bij het uitkomen van langzame bochten, in
plaats van meteen een ander interventieniveau te
zoeken.
Tips voor het gebruik op de weg
Activeer de DTC, selecteer DTC 6 en rijdt op een voor
u normale wijze met de motor; als de DTC te sterk
ingrijpt, raden we u aan om het interventieniveau DTC
5 uit te proberen. Als ook deze RM voor u te sterk
ingrijpt, probeer dan het interventieniveau DTC 4. Als
geen enkel niveau bij uw rijstijl past, kunt u het
gewenste niveau selecteren aan de hand van de
aanwijzingen van de onderstaande tabel, tot u het
meest aangename interventieniveau heeft
gevonden.
Bij veranderingen in de wegligging en/of het type
parcours en/of uw eigen rijstijl, waardoor het
ingestelde niveau niet langer bevredigend is, gaat u
72
over naar het volgende niveau, tot u het meest
geschikte niveau gevonden heeft (bijv. als het
interventieniveau 7 van de DTC te sterk is, gaat u over
naar niveau 6; als het interventieniveau 7 te laag is,
gaat u over naar het niveau 8).
73
ABS set up
Met deze functie kunt u het interventieniveau van de
ABS (Antilock Braking System) aanpassen en
eventueel deactiveren. U kunt de functie laten
weergeven door in het menu setting de pagina
R.MODE te openen.
Selecteer met de toetsen (1) en (2) de rijstijl die u wilt
wijzigen en druk op de knop (4). Selecteer de functie
ABS met de toetsen (1) en (2) en open de instelling
door op de knop (4) te drukken. Nu kunt u met de
knoppen (1) en (2) het niveau van de ABS verhogen
of verlagen; bevestig het nieuwe niveau met een druk
op knop (4).
U kunt kiezen voor de instellingen 01, 02 en OFF.
Opmerkingen
De ABS wordt gedeactiveerd als u "OFF"
selecteert en het lampje van de ABS gaat knipperen.
Druk op knop (4) als u de nieuwe instelling heeft
gekozen. Het instrumentenpaneel geeft automatisch
de indicatie "MEMORY" aan; druk 3 seconden op
knop (4) om de nieuwe instelling definitief op te slaan;
Als de 3 seconden zijn verstreken, toont het
instrumentenpaneel 2 seconden lang het bericht
"MEMORIZED" om de daadwerkelijke wijziging te
bevestigen. Automatisch wordt de indicatie "EXIT"
aangegeven. Verlaat de pagina en keer naar het menu
setting terug door op de knop (4) te drukken.
Opmerkingen
Als u ervoor kiest om de ABS in te stellen op
OFF en u deze instelling opslaat, raadt Ducati u aan
voorzichtig te rijden en goed op te letten als u remt.
Opmerkingen
Als rechts van het bericht DEFAULT een
symbool wordt weergegeven, dan zijn de default
instellingen, en dus de parameters van Ducati,
ingevoerd.
74
1
2
4
1
4
4
4
1
1
2
Fig 40
75
De onderstaande tabel geeft het ABS interventieniveau aan dat het meest geschikt is voor de diverse rijstijlen
in combinatie met de niveaus die als fabrieksinstelling in "Riding Mode" ingesteld zijn en door de gebruiker
gekozen kunnen worden:
NIVEAU STIJL GEBRUIK DEFAULT?
OFF Het ABS systeem is gedeactiveerd. NEE
1 SPORT Gebruik op de verharde weg met een goede weg-
ligging. In dit geval functioneert de ABS op de bei-
de wielen. De anti-lift up controles zijn geacti-
veerd. Deze instelling bevordert het remvermo-
gen en waarborgt tegelijkertijd een goede stabili-
teit tijdens het remmen en een controle van de lift
up*.
Dit is het default ni-
veau van de riding
modes "SPORT" en
"TOURING".
2 URBAN Gebruik onder alle omstandigheden. In dit geval
functioneert de ABS op de beide wielen. Deze in-
stelling bevordert de maximale stabiliteit van het
voertuig, voorkomt de lift up en waarborgt tegelij-
kertijd hoge prestaties wat betreft het snel afrem-
men.
Dit is het default ni-
veau van de riding
mode "URBAN".
76
Aanwijzingen voor de keuze van het niveau
Let op
De afstelling van de niveaus van het ABS-
systeem van uw voertuig is verricht met de originele
banden van de motor.
Het gebruik van banden met maten en
eigenschappen die afwijken van de originele
exemplaren kan de werking en de veiligheid van het
systeem wijzigen. We raden u af om banden met een
andere maat te gebruiken dan degene die voor uw
voertuig zijn goedgekeurd.
De originele banden van de motor zijn: (voor
120/70ZR17 - achter 180/55ZR17).
- Pirelli Diablo Supercorsa SP;
- Pirelli Diablo Rosso II;
- Pirelli Scorpion Trail.
Als u voor het niveau 2 kiest zal de ABS ingrijpen en
een stabiele afremming en een goede controle
garanderen en de lift up vermijden, terwijl het
voertuig tijdens het remmen goed op een lijn blijft
rijden. Door van niveau 2 op niveau 1 over te gaan,
wordt het remvermogen bevorderd met betrekking
ten opzichte van de controle van de stabiliteit en de
anti-lift up. Deze controle is echter nog wel actief.
De juiste keuze van het niveau hangt af van de
volgende parameters:
1) De wegligging band/wegdek (soort band, slijtage
van de band, het soort wegdek,
weersomstandigheden, enz...).
2) De ervaring en gevoeligheid van de bestuurder.
We raden het gebruik aan van het niveau 2 als de
omstandigheden niet optimaal zijn (zie punt 1) en/of
als de bestuurder minder ervaring heeft.
77
ENGINE set up
Met deze functie kunt u het vermogen en de
verdeling van de ENGINE (motor) aanpassen.
U kunt de functie laten weergeven door in het menu
setting de pagina "R.MODE" te openen. Selecteer
met de toetsen (1) en (2) de rijstijl die u wilt wijzigen
en druk op de knop (4).
Selecteer de functie ENGINE met de toetsen (1) en
(2) en open de instelling door op de knop (4) te
drukken.
Nu kunt u met de knoppen (1) en (2) het niveau van
de ENGINE verhogen of verlagen; bevestig het
nieuwe niveau met een druk op knop (4).
U kunt kiezen voor de instellingen HIGH, MEDIUM en
LOW. Druk op knop (4) als u de nieuwe instelling
heeft gekozen. Het instrumentenpaneel geeft
automatisch de indicatie "MEMORY" aan; druk 3
seconden op knop (4) om de nieuwe instelling
definitief op te slaan.
Als de 3 seconden zijn verstreken, toont het
instrumentenpaneel 2 seconden lang het bericht
"MEMORIZED" om de daadwerkelijke wijziging te
bevestigen. Automatisch wordt de indicatie "EXIT"
aangegeven. Verlaat de pagina en keer naar het menu
setting terug door op de knop (4) te drukken.
Opmerkingen
Als rechts van het bericht DEFAULT een
symbool wordt weergegeven, dan zijn de default
instellingen, en dus de parameters van Ducati,
ingevoerd.
78
1
2
4
1
4
4
4
1
1
2
Fig 41
79
ALL DEFAULT (de default parameters van
de Riding Modes herstellen)
Met deze functie kunt u alle parameters herstellen die
Ducati voor de Riding Mode SPORT, TOURING en
URBAN heeft ingesteld.
U kunt de functie laten weergeven door in het menu
setting de pagina "R.MODE" te openen.
Selecteer de functie ALL DEFAULT met de toetsen
(1) en (2) en open de instelling door 3 seconden lang
op knop (4) te drukken.
Nu wordt in plaats van het bericht "ALL DEFAULT" 3
seconden lang de indicatie "PLEASE WAIT…"
weergegeven ter indicatie dat het
instrumentenpaneel de default parameters van alle
Riding Modes herstelt.
Als deze 3 seconden zijn verstreken, wordt
automatisch de indicatie "EXIT" aangegeven. Verlaat
de pagina en keer naar het menu setting terug door
op de knop (4) te drukken.
Opmerkingen
Als rechts van het bericht ALL DEFAULT een
symbool wordt weergegeven, dan zijn de default
instellingen, en dus de parameters van Ducati,
ingevoerd.
80
1
2
4
1
1
4
4
1
1
2
Fig 42
81
DEFAULT (de default parameters van een
Riding Mode herstellen)
Met deze functie kunt u de door Ducati ingestelde
parameters voor een enkele Riding Mode herstellen.
U kunt de functie laten weergeven door in het menu
setting de pagina "R.MODE" te openen.
Selecteer met de toetsen (1) en (2) de rijstijl waarvan
u de default parameters wilt herstellen en druk op de
knop (4). Selecteer de functie "DEFAULT" met de
toetsen (1) en (2) en open de instelling door 3
seconden lang op knop (4) te drukken.
Nu wordt in plaats van het bericht "DEFAULT" 3
seconden lang de indicatie "PLEASE WAIT…"
weergegeven ter indicatie dat het
instrumentenpaneel de default parameters van de
gekozen Riding Mode herstelt.
Als deze 3 seconden zijn verstreken, wordt
automatisch de indicatie "EXIT" aangegeven. Verlaat
de pagina en keer naar het menu setting terug door
op de knop (4) te drukken.
Opmerkingen
Rechts van de indicatie DEFAULT wordt altijd
een symbool (cirkel met punt) weergegeven als de
instellingen de default instellingen zijn.
82
1
2
4
1
1
1
4
1
Fig 43
83
De achtergrondverlichting van het
instrumentenpaneel (B.LIGHT) instellen
Deze functie maakt het mogelijk om de intensiteit van
de instrumentenpaneelverlichting in te stellen.
Open voor het weergeven van de functie het menu
setting en vervolgens de pagina "B.LIGHT".
Op het display wordt op de volgende wijze de
informatie gegeven:
-het vinkje (V) duidt de geactiveerde afstelling aan;
- met de knoppen (1) en (2) kunt u een nieuwe
instelling aanduiden;
- druk op de knop (4) om de nieuwe afstelling op
te slaan; het vinkje (V) verplaatst zich naar de
opgeslagen afstelling.
Selecteer "EXIT" om de pagina te verlaten en druk op
de resetknop (4).
1) Instelling HIGH: als u deze situatie opslaat, wordt
het display met een maximum vermogen
verlicht.
2) Instelling MEDIUM: als u deze situatie opslaat,
wordt het display 30% minder dan het maximum
vermogen verlicht.
3) Instelling LOW: als u deze situatie opslaat, wordt
het display 70% minder dan het maximum
vermogen verlicht.
Opmerkingen
Als de accuspanning wordt onderbroken en de
spanning weer wordt hersteld, brandt de verlichting
na de volgende Key-on met het maximale vermogen.
84
1
2
4
1
1
4
1
1
Fig 44
85
Functie Rondetijd (LAP): Activering /
Deactivering LAP
Met deze functie kan de LAP-functie worden in- en
uitgeschakeld (rondetijd).
U kunt de functie laten weergeven door in het menu
setting de pagina "LAP" te openen.
Op het display wordt op de volgende wijze de
informatie gegeven:
-het vinkje (V) duidt de geactiveerde afstelling aan;
- met de knoppen (1) en (2) kunt u een nieuwe
instelling aanduiden;
- druk op de knop (4) om de nieuwe afstelling op
te slaan; het vinkje (V) verplaatst zich naar de
opgeslagen afstelling.
Selecteer "EXIT" om de pagina te verlaten en druk op
de resetknop (4). De LAP-functie wordt
gedeactiveerd als u "OFF" opslaat.
De LAP-functie wordt geactiveerd als u "ON" opslaat.
Opmerkingen
Als de LAP-functie geactiveerd is, heeft de knop
(3) twee functies: het grootlichtsignaal Flash en Start/
Stop van de rondetijd.
86
Fig 45
87
Deze functie beschrijft hoe de rondetijden (LAP)
worden geregistreerd.
U kunt de rondetijd als volgt opslaan als de functie
geactiveerd is:
- met een eerste druk op de knop (3) wordt de
chronometer van de eerste ronde opgestart. Het
instrumentenpaneel geeft 4 seconden
knipperend "START LAP" weer en keert
vervolgens terug naar de vorige weergave;
- vanaf dat moment zal, iedere keer dat u op de
knop (3) drukt, het instrumentenpaneel
automatisch 10 seconden lang niet-knipperend
de rondetijd weergegeven; vervolgens keert het
instrumentenpaneel terug naar de vorige
weergave.
Er kunnen maximaal 30 rondetijden in het geheugen
worden opgeslagen. Het instrumentenpaneel zal,
iedere keer dat u op de knop (3) drukt, de rondetijd
niet langer opslaan als het geheugen vol is.
Tegelijkertijd wordt 4 seconden lang het bericht "LAP
MEM FULL" knipperend weergegeven tot u de
opgeslagen rondetijden reset.
functie wordt automatisch gedeactiveerd als het
voertuig per ongeluk uitgeschakeld wordt (Key-Off)
terwijl de functie geactiveerd is; als de chronometer
op dit moment loopt, zal de rondetijd van de gereden
ronde niet worden opgeslagen.
De chronometer zal vanaf 0 (nul) beginnen te tellen,
net zolang tot u de functie deactiveert, als u de tijd
niet "stopt" en de chronometer een tijd van 9 minuten,
59 seconden en 99 honderdsten bereikt.
Het instrumentenpaneel toont de rondes die
ontbreken tot het geheugen vol is als u de LAP-
functie activeert en u het geheugen niet reset, en het
aantal opgeslagen rondes lager dan 30 (bijvoorbeeld
18 opgeslagen rondes) is (in dit geval kunnen dus nog
12 rondes worden opgeslagen).
De functie geeft uitsluitend de rondetijden van de
gereden ronde weer. Er worden echter ook andere
gegevens opgeslagen (MAX. snelheid, RPM MAX,
begrenzer, indien bereikt), die later allen kunnen
worden bekeken met de functie weergave
opgeslagen LAP.
88
Functie Rondetijd (LAP): Registratie LAP Als u de LAP-functie deactiveert, wordt de ronde die
u op dat moment rijdt niet meer opgeslagen. De LAP-
3
3
Fig 46
89
Functie Rondetijd (LAP): Weergave
opgeslagen LAP
Met deze functie kunnen de opgeslagen rondes
worden weergegeven. U kunt de functie laten
weergeven door in het menu setting de pagina LAP
te openen. Geef op de pagina met de knoppen (1) en
(2) de indicatie "LAP DATA" aan en druk op de knop
(4).
Op het instrumentenpaneel wordt op de volgende
wijze de informatie gegeven:
- nummer van de ronde die wordt weergegeven
(bijv.: N.1):
- NEXT om naar de weergave van de volgende
ronde (LAP) over te gaan;
- ERASE om de opgeslagen tijden te wissen;
- TIME: en vervolgens de rondetijd (bijvoorbeeld:
1’50’’97);
- RPM MAX: het maximum toerental (RPM) dat
tijdens de opgeslagen LAP werd bereikt;
- SPEED MAX: de maximum snelheid die tijdens
de opgeslagen LAP werd bereikt.
Selecteer "EXIT" om de pagina te verlaten en druk op
de resetknop (4).
4
1
2
4
Fig 47
90
Opmerkingen
De opgeslagen MAX snelheid is gelijk aan de
snelheid die tijdens de ronde wordt bereikt
(vermeerderd met 5%).
Opmerkingen
De bereikte snelheid wordt weergegeven als
tijdens het opslaan in het geheugen de MAX.
snelheid van 299 km/h (186 mph) overschreden
wordt (bijvoorbeeld: 316 Km/h).
Opmerkingen
Als in het geheugen geen gegevens aanwezig
zijn, worden de 30 rondetijden 0'00"00, het maximum
toerental MAX = 0 (nul) en de snelheid MAX = 0 (nul)
weergegeven.
Opmerkingen
Als tijdens het registreren van de ronde de
motor de drempelwaarde bereikt waarop de
toerentalbegrenzer inschakelt, gaat tijdens de
weergave van de opgeslagen tijden het lampje Over
Rev branden.
Fig 48
91
Geef met de knoppen (1) en (2) het bericht NEXT (of
PREV) aan en druk op de knop (4) om de andere
opgeslagen rondetijden te kunnen bekijken. Iedere
keer dat u op de knop (4) drukt, wordt de volgende
ronde weergegeven.
Selecteer ERASE om de opgeslagen tijden te wissen
en druk 3 seconden lang op de resetknop (4).
Opmerkingen
Als de opgeslagen tijden worden gewist en de
LAP-functie is ingeschakeld, dan wordt deze functie
automatisch uitgeschakeld.
92
1
2
4
2
1
4
1
4
4
Fig 49
93
Functie klok instellen (CLOCK)
Met deze functie kunt u het klokje instellen. U kunt
de functie laten weergeven door in het menu setting
de pagina "CLOCK" te openen. Druk de knop (4) 3
seconden lang in om de pagina te openen. Als deze
3 seconden zijn verstreken, wordt het bericht
"SETTING…." weergegeven ter indicatie dat u de
pagina heeft geopend.
Bij het activeren van deze functie knippert de tekst
AM;
- met een druk op de knop (2) gaat de tekst PM
knipperen;
- met een druk op de knop (2) keert u naar de
vorige stap terug (als de tijd 00:00 is, zal 12:00
worden weergegeven als u van AM naar PM
overschakelt).
Als u op de knop (4) drukt, gaat de weergave van de
uren knipperen en kunnen de uren worden ingesteld;
-iedere keer dat u op de knop (2) drukt, verspringt
de tijd in stappen van 1 uur;
- als u de knop (2) ingedrukt houdt, verspringt de
tijd in stappen van 1 uur per seconde (als de knop
langer ingedrukt wordt gehouden, knippert de
tijdweergave niet).
Met een druk op knop (4) gaat u over naar het
instellen van de minuten, die zullen gaan knipperen
-iedere keer dat u op de knop (2) drukt, verspringt
de tijd in stappen van 1 minuut;
- als u de knop (2) ingedrukt houdt, verspringt de
tijd in stappen van 1 minuut per seconde.
-Als u de knop (2) meer dan 5 seconden ingedrukt
houdt, verspringt de tijd in stappen van 1
seconde per 100 ms (tijdens een langere druk op
de knop (2) knipperen de seconden niet).
Druk om de nieuwe tijd te bevestigen (op te slaan) op
de knop (4). Automatisch wordt de indicatie "EXIT"
aangegeven. Verlaat de pagina en keer naar het menu
setting terug door op de knop (4) te drukken.
Opmerkingen
Als de accuspanning wordt onderbroken en de
spanning weer wordt hersteld, moet na de volgende
Key-on het klokje worden ingesteld (het klokje start
automatisch bij 00:00).
94
3
4
2
4
2
4
2
4
2
4
Fig 50
95
Functie Accuspanning (BATTERY)
Met deze functie kunt u de status van de accu van
het voertuig controleren. U kunt de functie laten
weergeven door in het menu setting de pagina
"BATT" te openen.
Op het display wordt op de volgende wijze de
informatie gegeven:
-als de accuspanning tussen 11.8 en 14.9 Volt lig,
wordt dit niet knipperend aangegeven;
-als de accuspanning tussen 11.0 en 11.7 Volt ligt,
wordt dit knipperend aangegeven;
-als de accuspanning tussen 15.0 en 16.0 volt ligt,
wordt dit knipperend aangegeven;
- het bericht "LOW" wordt knipperend
weergegeven als de accuspanning lager dan of
gelijk is aan 10.9 Volt;
- het bericht "HIGH" wordt knipperend
weergegeven als de accuspanning hoger dan of
gelijk is aan 16.1 Volt.
Opmerkingen
Als het gegeven niet beschikbaar is, worden
streepjes "- - - " weergegeven.
Fig 51
96
Digitale weergave toerental motor (RPM)
Met deze functie kan het motortoerental (RPM)
worden weergegeven, zodat het stationair toerental
nauwkeuriger kan worden geregeld.
U kunt de functie laten weergeven door in het menu
setting de pagina "RPM" te openen.
Op het display wordt het toerental als getal met een
nauwkeurigheid van 50 rpm weergegeven.
Fig 52
97
Immobilizer code (PIN CODE)
Met deze functie kunt u de motorfiets tijdelijk starten
als de Immobilizer niet werkt.
Opmerkingen
De functie PIN CODE moet worden geactiveerd
door de juiste 4-cijferige pincode in het
instrumentenpaneel in te voeren; anders is het niet
mogelijk om de motor bij een storing te starten.
U kunt de functie laten weergeven door in het menu
setting met een druk op de knop (4) de pagina "PIN"
te openen.
- De functie "PIN Activeren (INSERT NEW PIN)"
wordt weergegeven als u nog geen PIN CODE
heeft ingevoerd.
- De functie PIN Wijzigen (MODIFY PIN CODE)
wordt echter weergegeven als u al een PIN
CODE heeft ingevoerd.
Zie de functie "PINCODE invoeren om het voertuig te
deblokkerenpag. 108" als u uw voertuig bij een
storing aan de Immobilizer tijdelijk wilt starten.
Let op
De eigenaar van het voertuig moet de pincode
activeren (opslaan). Raadpleeg een Erkende Ducati
Dealer om de functie te laten "resetten" als er al een
pincode opgeslagen is. Om deze procedure uit te
voeren, zal de Dealer of een Erkende Ducati Garage
u vragen om te bewijzen dat u de eigenaar van het
voertuig bent.
98
4
4
Fig 53
99
PIN Activeren
Met deze functie kunt u uw PINCODE activeren.
Deze pincode kunt u gebruiken om uw voertuig te
starten als de Immobilizer storingen vertoont.
U kunt de functie laten weergeven door in het menu
setting de pagina "PIN" te openen.
Opmerkingen
Bij de betreding van deze functie wordt het
bericht "MODIFY PIN CODE" weergegeven. Dit geeft
aan dat reeds een pincode aanwezig is en dat de
functie dus al geactiveerd is.
Zodra u de functie activeert, worden op het display
het bericht "INSERT NEW PIN" en vier streepjes "- - -
-" weergegeven. Voer nu een 4-cijferige pincode in.
Code invoeren:
-iedere keer dat u op de knop (2) drukt neemt het
weergegeven nummer van 0 tot 9 toe en keert
vervolgens terug naar "0". Druk op de knop (4) om
het nummer te bevestigen;
- herhaal de procedure tot het vierde cijfer is
ingevoerd.
- Druk ter bevestiging nogmaals op de knop (4).
De indicatie "MEMORY" wordt automatisch
weergegeven als u de code heeft ingevoerd.
Druk de knop (4) 3 seconden lang in om de
ingevoerde PINCODE op te slaan.
Op het display wordt de indicatie "MEMORIZED"
weergegeven ter indicatie dat de PINCODE is
opgeslagen.
Van nu af aan wordt het bericht "MODIFY PIN CODE"
weergegeven als u de functie "PIN CODE" opnieuw
opent, en kunt u dus de pincode wijzigen.
100
2
2
4
1
4
2
4
2
4
2
2
4
4
Fig 54
101
Pin Code Wijzigen
Met deze functie kan de 4-cijferige pincode worden
gewijzigd.
U kunt de functie laten weergeven door in het menu
setting de pagina "PIN" te openen.
Opmerkingen
Zodra u deze functie opent en het bericht
"INSERT NEW PIN" en de streepjes "- - - -" worden
weergegeven, dan is de functie niet geactiveerd
aangezien nog geen pincode is ingevoerd. Voer
vervolgens uw PIN in met behulp van de functie "PIN
activeren".
Zodra u de functie opent, zal de indicatie "MODIFY
PIN CODE" worden weergegeven. Wijzig nu uw
PINCODE door op de knop (1) of (2) te drukken.
Opmerkingen
Om de pincode te wijzigen, moet de reeds
opgeslagen pincode bekend zijn.
Zodra u de functie opent worden op het ronde display
het bericht "OLD" en vier streepjes "- - - -"
weergegeven. Voer nu de oude 4-cijferige pincode in.
De oude PINCODE invoeren (OLD PIN):
-iedere keer dat u op de knop (2) drukt neemt het
weergegeven nummer van 0 tot 9 toe en keert
vervolgens terug naar "0". Druk op de knop (4) om
het nummer te bevestigen;
- herhaal de procedure tot het vierde cijfer is
ingevoerd.
- Druk ter bevestiging nogmaals op de knop (4).
Als u een verkeerde pincode invoert, zal 3 seconden
lang indicatie "ERROR" (oude pincode onjuist) worden
weergegeven. Vervolgens keert het
instrumentenpaneel terug naar de indicatie "EXIT".
Als u de juiste pincode invoert, zal de indicatie
"CORRECT" op het display worden weergegeven.
Automatisch wordt het eerste streepje eronder
aangeduid ter indicatie dat u de nieuwe 4-cijferige
pincode kunt invoeren.
102
2
2
2
4
4
4
2
4
2
4
2
4
4
4
Fig 55
103
De nieuwe PINCODE invoeren (NEW PIN):
-iedere keer dat u op de knop (2) drukt, neemt het
weergegeven nummer van 0 tot 9 toe en keert
vervolgens terug naar "0". Druk op de knop (4) om
het nummer te bevestigen;
- herhaal de procedure tot het vierde cijfer is
ingevoerd.
- Druk ter bevestiging nogmaals op de knop (4).
De indicatie "MEMORY" wordt automatisch
weergegeven zodra u het vierde cijfer heeft
ingevoerd.
Druk de knop (4) 3 seconden lang in om de nieuwe
PINCODE op te slaan.
Ter bevestiging dat de pincode gewijzigd is, wordt op
het display de indicatie "MEMORIZED"
weergegeven. Vervolgens wordt het bericht "EXIT"
aangeduid.
Druk op de knop (4) om naar het menu setting terug
te keren.
De procedure voor het wijzigen van de pincode is
beëindigd.
Opmerkingen
De pincode kan een oneindig aantal keren
worden gewijzigd.
104
2
2
2
4
1
4
2
4
2
4
2
4
4
Fig 56
105
Immobilizer systeem
Voor een betere beveiliging tegen diefstal is het
voertuig uitgerust met een elektronisch
antidiefstalsysteem dat de motor blokkeert
(IMMOBILIZER) en dat automatisch wordt
ingeschakeld als u het instrumentenpaneel uitzet.
In elke sleutelhandgreep zit hiervoor een elektronisch
mechanisme, dat het signaal verwerkt dat wordt
uitgezonden telkens wanneer het voertuig wordt
aangezet door een speciale antenne in de
stuurschakelaar.
Dit signaal is een “wachtwoord” dat varieert als de
motor wordt ingeschakeld. Dankzij dit signaal wordt
de sleutel door de regeleenheid herkend waarna u de
motor kunt starten.
106
Sleutels
Samen met de motorfiets worden 2 sleutels B
(ZWART) geleverd.
Deze bevatten de “code” van het
antidiefstalsysteem.
De zwarte sleutels (B) zijn sleutels voor alledaags
gebruik; deze dienen om:
- te starten.
- de dop van de brandstoftank te openen.
- het slot van het zadel te ontgrendelen.
Let op
Scheid de sleutels en gebruik er slechts één
voor het gebruik van de motorfiets.
1
B
Fig 57
107
Functie PIN CODE invoeren voor het
deblokkeren van het voertuig
Aan de hand van deze functie kunt u uw voertuig
tijdelijk inschakelen als de motor wegens een storing
aan de Immobilizer geblokkeerd is.
Het instrumentenpaneel activeert automatisch de
procedure voor het invoeren van uw PINCODE als de
immobilizer bij Key-On een storing vertoont.
Code invoeren:
-iedere keer dat u op de knop (2) drukt, neemt het
weergegeven nummer van 0 tot 9 toe en keert
vervolgens terug naar 0. Druk op de knop (4) om
het nummer te bevestigen;
- herhaal de procedure tot het vierde cijfer is
ingevoerd.
- Druk ter bevestiging nogmaals op de knop (4).
Als de pincode niet juist is, geeft het
instrumentenpaneel 2 seconden lang de indicatie
"WRONG" weer. Vervolgens wordt de initiële
indicatie weergegeven zodat u de procedure voor het
invoeren van de pincode kunt herhalen.
Als de ingevoerde pincode echter juist is, geeft het
instrumentenpaneel 2 seconden lang de indicatie
"CORRECT" weer.
Na deze 2 seconden herstelt het instrumentenpaneel
de"normale weergave (waarbij alle aanwijzingen
actief blijven).
Opmerkingen
U kunt de pincode oneindig veel keren proberen
in te voeren. Het instrumentenpaneel schakelt zich
echter uit als u 120 seconden lang heeft geprobeerd
de juiste pincode in te voeren en geeft 2 seconden
het bericht "TIME OUT", waarna het het beginscherm
weergeeft.
108
2
2
4
1
4
2
4
2
4
2
4
4
Fig 58
109
Nu kunt u het voertuig opstarten met de knop (5).
Opmerkingen
Starten is mogelijk, totdat het voertuig wordt
uitgeschakeld (Key-off); als bij de volgende
startpoging het probleem nog steeds aanwezig is,
moet - om het voertuig "tijdelijk" te kunnen starten -
de procedure vanaf het begin worden herhaald.
Belangrijk
Raadpleeg een Erkende Ducati Garage om het
probleem zo snel mogelijk te laten verhelpen als u het
voertuig op deze manier moet starten.
5
Fig 59
110
Werkingsprincipe
Telkens als de startsleutel van ON op OFF wordt
gezet, blokkeert het beveiligingssysteem de motor.
Bij het starten van de motor, door de sleutel van OFF
op ON te zetten:
1) als de pincode herkend wordt, maakt het
beveiligingssysteem de blokkering van de motor
ongedaan. Met een druk op de knop START (5)
start u de motor;
2) Het instrumentenpaneel activeert automatisch
de procedure voor het invoeren van uw
PINCODE als de pincode niet wordt herkend.
Raadpleeg de procedure voor het invoeren van
de PINCODE om het voertuig te deblokkeren.
Wend u tot een Ducati Dealer of een Erkende
Ducati Garage als u de motor nog altijd niet kunt
starten.
5
Fig 60
Let op
Zware stoten kunnen de elektronische
componenten in de sleutel beschadigen. Gebruik
altijd dezelfde sleutel tijdens de procedure. Als u
verschillende sleutels gebruikt, kan het zijn dat het
systeem de sleutelcode niet herkent.
111
De sleutels laten bijmaken
Als u extra sleutels nodig heeft, moet u zich wenden
tot de Dealer of een Erkende Ducati Garage met de
reeds in uw bezit zijnde sleutels.
De Dealer of een Erkende Ducati Garage zal alle
nieuwe sleutels en degene die u al in uw bezit heeft
opnieuw in het geheugen opslaan.
Het kan zijn dat de Dealer of een Erkende Ducati
Garage u verzoekt te bewijzen dat u de rechtmatige
eigenaar van het voertuig bent.
Sleutels die niet worden voorgelegd voor de
programmaprocedure, worden uit het geheugen
gewist, zodat sleutels die eventueel verloren zijn
geraakt, niet meer kunnen worden gebruikt om de
motor te starten.
Opmerkingen
Als de motorfiets van eigenaar verandert, dient
u alle sleutels aan de nieuwe eigenaar te
overhandigen.
112
Verlichtingsregeling
Koplampregeling
Met deze functie spaart u accu-energie. U kunt kiezen
of de lamp automatisch wordt uitgezet.
Bij Key-on zijn het dimlicht en het grote licht
uitgeschakeld (Off). Het dimlicht wordt automatisch
ingeschakeld als u de motor start. Nu wordt de
"normale" functionering geactiveerd, waarin u met
een druk op de knop (3) in stand (V) van dimlicht naar
groot licht en omgekeerd kunt overschakelen of u
met een druk op de knop (3) in stand (O) het
grootlichtsignaal "FLASH" kunt geven. Als bij Key-on
de motor niet ingeschakeld wordt, kunt u hoe dan ook
de lampen inschakelen door op de linker
stuurschakelaar voor het omschakelen dimlicht/groot
licht te drukken: knop (3) op stand (V).
Met een "eerste" druk wordt het dimlicht
ingeschakeld: nu kunt u met behulp van deze knop
van dimlicht het grote licht in- of uitschakelen (als u
binnen 60 seconden de motor niet start zullen het
dimlicht en het ingeschakelde grote licht worden
uitgeschakeld).
3
O
V
Fig 61
In het geval de koplamp ingeschakeld is voordat de
motor met de hierboven beschreven procedure
gestart wordt, dan wordt de koplamp tijdens het
inschakelen van het voertuig automatisch
uitgeschakeld en weer ingeschakeld als de motor
helemaal gestart is.
113
Richtingaanwijzers (automatisch uitschakelen)
Het instrumentenpaneel controleert de automatische
uitschakeling van de richtingaanwijzers.
U kunt de richtingaanwijzers met de resetknop (4)
uitschakelen als u een van de beide
richtingaanwijzers heeft ingeschakeld. Als geen
handmatige "reset" plaatsvindt, schakelt het
instrumentenpaneel de richtingaanwijzers 500 meter
(0,3 mijl) nadat ze zijn ingeschakeld weer uit.
De afstand die gebruikt wordt voor het automatisch
uitschakelen wordt gemeten bij een snelheid lager
dan 80 km/h (50 mph).
Als het meten van de afstand voor het automatisch
uitschakelen wordt gestart en de snelheid wordt
hoger dan 80 km/h (50 mph), wordt de berekening
onderbroken en begint weer zodra de snelheid weer
onder de drempelwaarde komt.
4
Fig 62
114
Hazard (4 knipperlichten)
U kunt de alarmlichten (4 knipperlichten) inschakelen.
Activeer de Hazard functie (inschakeling 4
knipperlichten) door 3 seconden lang de knop in te
drukken waarmee u doorgaans het linker knipperlicht
inschakelt (knop(4) op stand (6)).
U kunt de Hazard functie uitsluitend in Key-On
activeren (en dus niet in Key-Off).
Als de Hazard functie geactiveerd is, zullen de
lampjes (7) op het Instrumentenpaneel tegelijkertijd
knipperen.
U kunt de Hazard functie deactiveren, en dus de 4
knipperlichten uitschakelen, door eenmaal de knop in
te drukken die doorgaans het linker knipperlicht
inschakelt (knop (4) op stand (6)). Maar u kunt ook op
de knop drukken die de knipperlichten uitschakelt
(knop (4) in het midden).
U kunt de Hazard functie ook in Key-Off deactiveren,
maar in dit geval uitsluitend met een druk op de knop
die doorgaans het linker knipperlicht inschakelt (knop
(4) op stand (6)).
6
4
Fig 63
Als u de Hazard functie heeft geactiveerd, blijvende
4 knipperlichten functioneren door de
sleutelschakelaar van On op Off te draaien. Na 120
minuten (2 uur) worden de knipperlichten vervolgens
automatisch uitgeschakeld, tenzij u ze "met de hand"
uitschakelt, waardoor de automatisch countdown zal
worden onderbroken.
115
Functie Meeteenheid wijzigen (UNITS)
Deze functie biedt u de mogelijkheid de
weergegeven meeteenheden te wijzigen.
U kunt de functie laten weergeven door in het menu
setting de pagina "UNITS" te openen.
Het instrumentenpaneel geeft de grootheden weer
die u kunt wijzigen (Speed, Temperature of
Consumption); selecteer met de toetsen (1) en (2) de
grootheid die u wilt wijzigen en druk wederom op de
knop (4).
Opmerkingen
Rechts van de indicatie DEFAULT wordt altijd
een symbool (cirkel met punt) weergegeven als de
instellingen de default instellingen zijn.
116
1
2
4
1
4
1
1
1
Fig 64
117
(SPEED) instellen
Met deze functie kunt u de meeteenheden van de
volgende aanduidingen wijzigen: Snelheid voertuig,
Kilometerteller, Trip 1, Trip2, Trip Fuel (als deze
geactiveerd is) en Gemiddelde Snelheid.
Selecteer de indicatie "SPEED" en druk op knop (4).
Nu zal het instrumentenpaneel de meeteenheid
aanduiden die op dit moment wordt gebruikt. Met
een druk op de knop (1) of (2) kunt u langs de
beschikbare meeteenheden (Km/h en mph) lopen.
Druk nogmaals op de knop (4) als u de gewenste
meeteenheden heeft gekozen. Het
instrumentenpaneel geeft automatisch de indicatie
"MEMORY" aan; druk 3 seconden op knop (4) om de
nieuwe meeteenheid definitief op te slaan.
Als de 3 seconden zijn verstreken, toont het
instrumentenpaneel 2 seconden lang het bericht
"MEMORIZED" om de daadwerkelijke wijziging te
bevestigen.
Automatisch wordt de indicatie "EXIT" aangegeven.
Verlaat de pagina en keer naar het menu setting terug
door op de knop (4) te drukken.
KM/H: als u deze instelling kiest, zullen de volgende
grootheden met dezelfde meeteenheden worden
weergegeven:
- TOT, TRIP1, TRIP2, TRIP FUEL: Km
- Snelheid Voertuig en SPEED AVG: Km/h
MPH: als u deze instelling kiest, zullen de volgende
grootheden met dezelfde meeteenheden worden
weergegeven:
- TOT, TRIP1, TRIP2, TRIP FUEL: mijl
- Snelheid Voertuig en SPEED AVG: mph
Opmerkingen
Rechts van de indicatie DEFAULT wordt altijd
een symbool (cirkel met punt) weergegeven als de
instellingen de default instellingen zijn.
118
1
2
4
1
4
4
1
1
Fig 65
119
(TEMPERATURE) instellen
Met deze functie kunt u de meeteenheden van de
volgende aanduidingen wijzigen: Temperatuur
koelvloeistof motor en Buitentemperatuur.
Selecteer de indicatie "TEMPERATURE" en druk op
knop (4). Nu zal het instrumentenpaneel de
meeteenheid aanduiden die op dit moment wordt
gebruikt.
Met een druk op de knop (1) of (2) kunt u langs de
beschikbare meeteenheden (°C en °F) lopen. Druk
nogmaals op de knop (4) als u de gewenste
meeteenheden heeft gekozen.
Het instrumentenpaneel geeft automatisch de
indicatie "MEMORY" aan; druk 3 seconden op knop
(4) om de nieuwe meeteenheid definitief op te slaan.
Als de 3 seconden zijn verstreken, toont het
instrumentenpaneel 2 seconden lang het bericht
"MEMORIZED" om de daadwerkelijke wijziging te
bevestigen.
Automatisch wordt de indicatie "EXIT" aangegeven.
Verlaat de pagina en keer naar het menu setting terug
door op de knop (4) te drukken.
°C: als u deze instelling kiest, zullen de volgende
grootheden met dezelfde meeteenheden worden
weergegeven:
-Temperatuur van de koelvloeistof in de motor en
T_AIR: °C
°F: als u deze instelling kiest, zullen de volgende
grootheden met dezelfde meeteenheden worden
weergegeven:
-Temperatuur van de koelvloeistof in de motor en
T_AIR: °F
Opmerkingen
Rechts van de indicatie DEFAULT wordt altijd
een symbool (cirkel met punt) weergegeven als de
instellingen de default instellingen zijn.
120
1
2
4
1
4
1
1
1
Fig 66
121
(CONSUMPTION) instellen
Met deze functie kunt u de meeteenheden van de
volgende aanduidingen wijzigen: Gemiddelde
Verbruik en Actueel Verbruik.
Selecteer de indicatie "CONSUMPTION" en druk op
knop (4). Nu zal het instrumentenpaneel de
meeteenheid aanduiden die op dit moment wordt
gebruikt. Met een druk op de knop (1) of (2) kunt u
langs de beschikbare meeteenheden (L/100, KM/L,
MPG-UK e MPG-USA) lopen.
Druk nogmaals op de knop (4) als u de gewenste
meeteenheden heeft gekozen. Het
instrumentenpaneel geeft automatisch de indicatie
"MEMORY" aan; druk 3 seconden op knop (4) om de
nieuwe meeteenheid definitief op te slaan. Als de 3
seconden zijn verstreken, toont het
instrumentenpaneel 2 seconden lang het bericht
"MEMORIZED" om de daadwerkelijke wijziging te
bevestigen. Automatisch wordt de indicatie "EXIT"
aangegeven. Verlaat de pagina en keer naar het menu
setting terug door op de knop (4) te drukken.
Km/L: als u deze instelling kiest, zullen de volgende
grootheden met dezelfde meeteenheden worden
weergegeven:
- CONS. en CONS AVG: Km/L
L/100: als u deze instelling kiest, zullen de volgende
grootheden met dezelfde meeteenheden worden
weergegeven:
- CONS. en CONS AVG: L/100
MPG UK: als u deze instelling kiest, zullen de
volgende grootheden met dezelfde meeteenheden
worden weergegeven:
- CONS. en CONS AVG: mpgal UK
MPG USA: als u deze instelling kiest, zullen de
volgende grootheden met dezelfde meeteenheden
worden weergegeven:
- CONS. en CONS AVG: mpgal USA
Opmerkingen
Rechts van de indicatie DEFAULT wordt altijd
een symbool (cirkel met punt) weergegeven als de
instellingen de default instellingen zijn.
122
1
2
4
1
4
1
1
1
Fig 67
123
(DEFAULT) instellen
Met deze functie kunt u de meeteenheden instellen
die "DEFAULT" voor de versie van uw voertuig zijn
opgeslagen. Druk de knop (4) 3 seconden lang in als
u met de toetsen (1) en (2) de indicatie "DEFAULT"
geeft geselecteerd. Nu wordt in plaats van het bericht
"DEFAULT" 3 seconden lang de indicatie "PLEASE
WAIT…" weergegeven ter indicatie dat het
instrumentenpaneel de default meeteenheden
herstelt.
Als deze 3 seconden zijn verstreken, worden de
aangegeven meeteenheden bijgewerkt en wordt
automatisch de indicatie "EXIT" aangeduid. Verlaat de
pagina en keer naar het menu setting terug door op
de knop (4) te drukken.
Opmerkingen
Rechts van de indicatie DEFAULT wordt altijd
een symbool (cirkel met punt) weergegeven als de
instellingen de default instellingen zijn.
1
2
4
1
4
Fig 68
124
DEFAULT afhankelijk van de versies van het
voertuig
TOT, TRIP1, TRIP2,
TRIP FUEL
SNELHEID GEMID-
DELDE SNELHEID
T_ENGINE
T_AIR
ACTUEEL VERBRUIK GEMID-
DELD VERBRUIK
Europe Km km/h °C l/100km
UK mijlen mph °C mpg UK
USA mijlen mph °F mgp USA
Canada km km/h °C l/100km
France km km/h °C l/100km
Japan km km/h °C l/100km
Brazil km km/h °C l/100km
Taiwan km km/h °C l/100km
China km km/h °C l/100km
125
Overige functies
Functie controle Verwarmde Handgrepen
(Accessoire)
Met deze functie kunt u de verwarmde handgrepen
activeren en afstellen. Open het verwarmde
handgrepen "H.GRIPS" controlemenu door op de
knop (5) op de rechter stuurschakelaar te drukken. De
bedieningsknop (5) (startknop) neemt uitsluitend de
functie voor de controle van de verwarmde
handgrepen aan als de motor gestart is. Zodra u het
menu heeft geopend kunt u de gewenste indicatie
(door OFF, LOW, MEDIUM of HIGH te selecteren)
kiezen door meerdere keren op dezelfde knop te
drukken. U deactiveert de verwarmde handgrepen
als u OFF selecteert. Als u LOW selecteert, worden
de handgrepen op de laagste temperatuur
opgewarmd; als u MEDIUM selecteert, worden de
handgrepen op de medium temperatuur opgewarmd;
als u HIGH selecteert, worden de handgrepen op de
hoogste temperatuur opgewarmd.
5
5
5
5
5
5
Fig 69
126
U hoeft niet langer op de knop (5) te drukken als u de
gewenste instelling heeft gekozen. Het
instrumentenpaneel sluit de indicatie automatisch af
als u 3 seconden lang geen wijzigingen verricht en
slaat de laatst verrichte instelling op.
Opmerkingen
De verwarmde handgrepen worden pas
geactiveerd en produceren pas warmte als de motor
loopt en een toerental van minimaal 2000 RPM
maakt.
De handgrepen worden tijdelijk gedeactiveerd als u
ze geactiveerd heeft en de motor uitgeschakeld
wordt. Zodra u de motor weer start zullen de
handgrepen weer worden verwarmd.
Voor het verwarmen van de handgrepen is veel
stroom nodig, waardoor bij een laag toerental van de
motor de accu kan leeglopen.
Als de accu onvoldoende is opgeladen (accuspanning
lager dan 11,0 Volt), wordt het verwarmen van de
handgrepen gedeactiveerd zodat de motor kan
worden gestart. De handgrepen worden automatisch
weer verwarmd als de accuspanning de aangegeven
waarde overschrijdt.
Let op
Als u de handgrepen verwarmt bij een
buitentemperatuur hoger dan 15° ÷ 20° C, zal
automatisch de geproduceerde warmte worden
beperkt (proportioneel aan de buitentemperatuur) om
de handgrepen te beschermen tegen schade
veroorzaakt door een overmatige warmte.
127
Bedieningsorganen
Plaats van de bedieningsorganen op de
motorfiets
Let op
In dit hoofdstuk wordt uitgelegd waar de
bedieningsorganen zich bevinden die u moet
gebruiken om met de motorfiets te kunnen rijden.
Lees de beschrijvingen aandachtig door voordat u
deze bedieningsorganen gebruikt.
1) Instrumentenpaneel.
2) Startschakelaar en stuurslot met sleutel.
3) Stuurschakelaar links.
4) Koppelinghendel.
5) Pedaal achterrem.
6) Stuurschakelaar rechts.
7) Gashendel.
8) Remhendel voorrem.
9) Versnellingspedaal.
13
2
5
6
8
7
4
9
Fig 70
128
Contactschakelaar en stuurslot
Deze zit voor de brandstoftank en heeft vier standen:
A) ON: activeert de functie voor het inschakelen van
de lampen en de motor;
B) OFF: deactiveert de functie voor het inschakelen
van de lampen en de motor;
C) LOCK: het stuur is vergrendeld;
D) P: parkeerlicht ingeschakeld en stuur vergrendeld.
Opmerkingen
Om de contactsleutel op de laatste twee
standen te zetten, dient men de sleutel in het contact
te steken en deze vervolgens om te draaien. De
sleutel kan in de standen (B), (C) en (D) uit het contact
worden verwijderd.
A
B
C
D
Fig 71
129
Schakelaar links
1) stuurkolomschakelaar, keuzebediening
verlichting, met twee standen:
stand = dimlicht ingeschakeld (A);
stand = grootlicht ingeschakeld (B);
Knop = knipperen groot licht (FLASH) en
dashboard bediening (C).
2) Knop = richtingaanwijzer met drie standen:
middelste stand = uitgeschakeld;
stand = linksaf;
stand = rechtsaf.
Om de richtingaanwijzer uit te schakelen, drukt u
de schakelaar in zodra deze weer in het midden
staat.
3) Drukknop = claxon.
4) Bedieningsknop instrumentenpaneel stand
”;
5) Bedieningsknop instrumentenpaneel stand " ";
1
BC
A
Fig 72
3 5
2
1 4
Fig 73
130
De koppelinghendel
De hendel (1) stuurt het ontkoppelen van de
koppeling aan. De transmissie van de motor naar de
koppeling en dus het aandrijfwiel wordt onderbroken
op het moment dat u de koppelinghendel (1) intrekt.
Het gebruik van de koppelinghendel is heel belangrijk
tijdens alle rijfasen, maar vooral tijdens de startfase.
Belangrijk
Als u de koppelinghendel op een correcte
manier gebruikt, gaat de motor langer mee en
voorkomt u beschadigingen aan de transmissiedelen.
Opmerkingen
Men kan de motor aanzetten als de zijstandaard
uitgeklapt is en de versnelling in zijn vrij staat, of als
de koppelinghendel is ingetrokken en de motor in de
versnelling staat (in dit geval moet de zijstandaard
ingeklapt zijn).
1
Fig 74
131
De vrije slag van de koppelinghendel afstellen
Let op
Een verkeerde afstelling kan de functionering
en de levensduur van de koppeling nadelig
beïnvloeden.
Naargelang de slijtage van de koppeling neemt de
spanning op de koppelingskabel toe.
Controleer de vrije slag van de koppelinghendel altijd
voor u het voertuig gebruikt. Verricht deze controle bij
koude motor.
Tijdens het bedienen van de koppelinghendel moet u
een overgang van een zeer lage weerstand tot een
aanzienlijk hogere weerstand (arbeid) opmerken.
De vrije slag van de hendel is de slag waarbij de
weerstand van de hendel zeer laag blijft.
Laat de hendel de vrije slag verrichten en controleer
of de afstand "A" 3 - 4 mm bedraagt.
Controleer of u de vrije slag niet annuleert als u deze
op de aanbevolen waarde instelt. Draai aan de
primaire stelschroef (2) in de buurt van de
koppelinghendel.
2
A
Fig 75
132
Met de stelschroef (2) kunt u een afstelling van
maximaal 11 mm verrichten. De standaard afstelling
(begin) komt overeen met 5 mm. Draai aan de
secundaire stelschroef (3) als de afstelling met de
eerste stelschroef niet voldoende is.
Let op
Draai bij een wegens slijtage slippende
koppeling de stelschroef (2) op de hendel OM GEEN
ENKELE REDEN los maar vast, zoals hierboven is
beschreven.
Wend u tot een Dealer of een erkende Ducati Garage
als de koppeling blijft slippen.
2Q
Fig 76
3
Fig 77
133
De stuurschakelaar rechts
1) Rode IN-/UITSCHAKEL-knop.
2) Zwarte START-knop.
De schakelaar (1) heeft drie gebruiksstanden:
A) in het midden: RUN OFF. In deze stand kan de
motor niet worden gestart en zijn alle elektrische
systemen uitgeschakeld.
B) omlaag gedrukt: IN-/UITSCHAKELEN. In deze
stand kan het systeem ingeschakeld (key-on) en
uitgeschakeld (key-off) worden.
C) omhoog gedrukt: RUN ON. Alleen in deze stand
kan de motor worden gestart door de zwart knop (2)
in te drukken.
2
1
Fig 78
AB
2
1
C
Fig 79
134
De gashendel
Met de draaibare knop (1) aan de rechterkant van het
stuur worden de kleppen van het gasklephuis
geopend. Als de knop wordt losgelaten, keert deze
automatisch terug in de oorspronkelijke minimum
stand.
1
Fig 80
135
De hendel van de voorrem
Als men de hendel (1) in de richting van de draaiknop
trekt, remt men met de voorrem. Lichtjes trekken is
voldoende omdat dit mechanisme hydraulisch werkt.
De bedieningshendel is uitgerust met een knop (2)
waarmee men de afstand tussen de hendel zelf en
de knop op de stuurhelft kan afstellen. Trek voor de
afstelling ervan de hendel (1) helemaal uit, draai aan
de knop (2) en plaats deze op een van de vier
voorziene standen. Houd er rekening mee dat de
stand 1 gelijk is aan de maximum afstand tussen de
hendel en de draaiknop, terwijl stand 4 gelijk is aan
de minimum afstand.
Let op
De hendel van de voorrem dient te worden
afgesteld terwijl de motorfiets stilstaat.
1 2
Fig 81
136
Het achterrempedaal
Om met de achterrem (1) te remmen, drukt men het
pedaal met de voet in.
Dit remsysteem werkt hydraulisch.
1
Fig 82
137
Het versnellingspedaal
Het versnellingspedaal heeft een tussen-ruststand N
met automatische terugkeer. Het versnellingspedaal
bevindt zich in deze stand als het lampje N op het
instrumentenpaneel gaat branden.
Het pedaal kan worden verzet:
-omlaag = het pedaal indrukken om in de 1ste
versnelling te komen en om terug te schakelen.
Hierdoor gaat het waarschuwingslampje N op
het instrumentenpaneel uit;
- omhoog = het pedaal omhoog laten komen om
de 2de en respectievelijk de 3de, 4de, 5de en 6de
versnelling in te schakelen.
Een pedaalstand bedient telkens een versnelling.
Fig 83
N
1
6
5
4
3
2
Fig 84
138
De stand van het versnellingspedaal en het
achterrempedaal afstellen
De stand van versnellingspedaal en achterrempedaal
kan aan de behoeften van elke bestuurder worden
aangepast.
Ga voor het afstellen van deze pedalen als volgt te
werk:
Het versnellingspedaal
Blokkeer de kogel (1) op stang m.b.v. van een sleutel
(2) en draai de contramoer (3) vast.
Draai de bout (4) los, zodat de stang geheel van de
versnellingshendel verwijderd kan worden.
Verdraai de stang (5) totdat het versnellingspedaal in
de gewenste stand staat.
Bevestig de versnellingshendel met behulp van de
schroef (4) aan de stang (5).
Draai de contramoer (3) vast tegen de kogel (1).
1 2 3 5 4
Fig 85
139
Het pedaal voor de achterrem
De contramoer (7) losdraaien.
Aan de regelschroef (6) van het pedaal draaien totdat
deze in de gewenste stand staat. De contramoer (7)
vastdraaien.
Met de hand op het pedaal controleren of er een
speling van ong. 1,5÷2 mm op zit voordat u ermee
remt. Als de speling niet correct is, past u de lengte
van het pompstangetje op de volgende manier aan.
De contramoer (10) op het pompstangetje losdraaien.
Het stangetje (8) op de vork (9) vastdraaien voor meer
speling en losdraaien voor minder speling.
De contramoer (10) vastdraaien en de speling
opnieuw controleren.
9
10
6 7
8
Fig 86
140
De belangrijkste elementen
en mechanismen
Plaats van deze elementen op de
motorfiets
1) Dop op de brandstoftank.
2) Zadelslot.
3) Zijstandaard.
4) Achteruitkijkspiegels.
5) Stelmechanisme voor schokdemper achter.
6) Katalysator.
7) Uitlaatdemper.
4
4
4 1
3 2 6 7
5
Fig 87
141
Dop op benzinetank
Openen
Steek de sleutel in het slot.
De sleutel 1/4 slag naar rechts draaien om het slot te
openen.
De dop openmaken (1).
Sluiten
Sluit de dop (1) weer bij ingestoken sleutel en druk
deze op zijn plaats.
De sleutel naar links draaien totdat het slot weer in
zijn oorspronkelijke stand staat en de sleutel eruit
halen.
Opmerkingen
U kunt de dop enkel met de sleutel sluiten.
Let op
Verzeker u er altijd van dat de dop perfect is
aangebracht en is gesloten.
Fig 88
1
Fig 89
142
Zadelslot
Openen
Steek de sleutel (1) in het slot, draai hem met de klok
mee en duw hem tegelijkertijd omlaag in de buurt van
de grendel om het ontgrendelen te vergemakkelijken.
Trek het zadel (2) naar achteren om de bevestigingen
aan de voorkant los te maken.
Sluiten
Zorg ervoor dat alle voorwerpen in de ruimte onder
het zadel goed opgeborgen en bevestigd zijn.
Steek de uiteinden vooraan (A) aan de onderkant van
het zadel onder de zittingen (B) op de tank.
2
1
Fig 90
2
A
B
Fig 91
143
Houd de achterkant van het zadel (2) opgeheven en
breng de bevestiging in het midden aan door erop te
drukken.
Druk op het achterste uiteinde van het zadel (2) tot u
het slot hoort klikken.
Controleer of het zadel stevig aan het frame is
bevestigd en haal de sleutel (1) uit het slot.
Fig 92
2
1
Fig 93
144
Helmkabeltje
Verwijder het zadel volgens de aanwijzingen in de
paragraaf "Zadelslot pag. 143".
Verwijder het kabeltje (1) van het zadel.
Haal het kabeltje (1) door de helm en breng één van
de uiteinden ervan aan op de pinnen (2) van het
frame, zie de afbeelding.
Laat de helm hangen en blokkeer deze door het zadel
te hermonteren.
Let op
Dit systeem beveiligt uw helm als uw
motorfiets geparkeerd is. Laat de helm niet hangen
tijdens het rijden, dit kan het rijden beïnvloeden.
Bovendien kunt u de macht over de motorfiets
verliezen.
1
Fig 94
1
2
Fig 95
145
Breng het andere uiteinde van het kabeltje (1) aan op
de pinnen (2).
De afbeelding (Fig 97) toont de juiste plaatsing van de
uiteinden van het kabeltje (1) op de pinnen (2).
2
1
Fig 96
2
11
Fig 97
146
De zijstandaard
Belangrijk
Maak uitsluitend gebruik van de zijstandaard om
de motorfiets tijdens een korte stilstand te
ondersteunen. Voordat u de zijstandaard gebruikt,
controleert u of het oppervlak waarop u deze wenst
te zetten stevig en vlak genoeg is.
Op zachte grond, kiezelstenen, door de zon verhit
asfalt enz. kan de geparkeerde motorfiets omvallen.
Parkeer de motorfiets altijd met het achterwiel naar
de voet van de helling gekeerd als u op een helling
parkeert.
Om de zijstandaard open te klappen, drukt u met uw
voet (terwijl u beide handen op het stuur van de
motorfiets houdt) tegen de standaard (1) en duwt u
deze helemaal uit. Laat de motorfiets naar links
overhellen om de standaard op de grond te zetten.
Om de zijstandaard in de "ruststand" in te klappen
(horizontaal) laat men de motorfiets naar rechts hellen
en duwt men tegelijkertijd de standaard (1) met de
voet naar boven.
2
1
Fig 98
Let op
Niet op de motorfiets blijven zitten als deze op
de zijstandaard geparkeerd is.
Opmerkingen
Wij raden u aan om regelmatig te controleren of
het systeem waarmee de zijstandaard in de ruststand
blijft zitten (twee in elkaar gedraaide trekveren) en de
veiligheidssensor (2) goed functioneren.
147
Achterdemper afstellen
De achterdemper is voorzien van bedieningsorganen
voor het afstellen van de wielophanging afhankelijk
van de belasting. Met de stelschroef (1) op de
voorvork kunt u de schokdemper in de uit-beweging
(terug) afstellen. Door de stelschroef (1) naar rechts
te draaien, verhoogt men de schokdemping; naar
links vermindert men deze. De twee schroefringen
(2) op de bovenkant van de schokdemper regelen de
voorspanning van de veer aan de buitenkant. Om de
voorspanning van de veer te wijzigen, draait u eerst
de bovenste borgring iets los. Vervolgens draait u de
onderste borgring LOSSER of VASTER voor een
GROTERE of KLEINERE voorspanning.
STANDAARDAFSTELLING vanuit geheel gesloten
stand (naar rechts):
- uit-beweging: stelschroef (1) 8 klikken vanuit
Max. (helemaal dicht) losdraaien;
- voorspanning veer: 20 mm. vanuit Min. (zonder
veervoorspanning).
- +
1
Fig 99
2
Fig 100
148
Let op
Gebruik een haaksleutel om aan de stelring van
de voorspanning te draaien. Draai uiterst voorzichtig
om uw hand niet te verwonden aangezien u tegen
onderdelen van motorfiets kun stoten als de "haak"
van de sleutel tijdens het draaien onverwachts uit de
ring schiet.
Let op
De schokdemper bevat gas onder hoge druk,
hetgeen ernstige problemen kan veroorzaken als
onervaren personen hem demonteren.
Stel de voorspanning van de schokdemper achter af
op de maximum waarde als u van plan bent met een
passagier en bagage te gaan rijden om zo het
dynamische gedrag van de motorfiets te verbeteren
en eventuele interferentie met de grond te vermijden.
Het kan zijn dat het hiervoor nodig is de hydraulische
schokdemping in uitbeweging af te stellen. De
schokdemper wordt afgesteld met behulp van
elektrische signalen die door het instrumentenpaneel
naar de stelmechanismen in het schokdemperhuis
gezonden worden.
149
Gebruiksvoorschriften
Voorzorgsmaatregelen tijdens de
inrijperiode van de motorfiets
Maximum toerental
Voorgeschreven toerental tijdens inrijden en normaal
gebruik:
1) tot 1000 km;
2) Van 1000 km tot 2500 km.
Tot 1000 km
Tijdens de eerste 1000 km dient men de toerenteller
in de gaten te houden. Overschrijd om geen enkele
reden de waarde van 5.500÷6.000 min-1.
Tijdens de eerste inrij-uren van de motorfiets verdient
het aanbeveling de belasting en het toerental
voortdurend te wijzigen, binnen de voorgeschreven
limieten.
Met name wegen met veel bochten en hellingen,
waarop de motor, de remmen en de ophangingen
goed kunnen inlopen, zijn geschikt.
Tijdens de eerste 100 km is voorzichtigheid geboden
en met name tijdens het remmen: voorkom dat u
bruusk en lang remt om het wrijvingsmateriaal op de
remblokjes de kans te geven gelijkmatig af te slijten.
Om alle mechanische delen tegelijkertijd de kans te
geven hun bewegingen op elkaar af te stemmen en
met name om de belangrijkste motororganen nooit in
gevaar te brengen, raden wij aan niet bruusk te
versnellen en de motor niet te lang op het hoogste
toerental te laten draaien. Voorkom dit met name op
hellingen.
Wij raden bovendien aan de ketting vaak te
controleren en indien nodig te smeren.
150
Van 1000 km tot 2500 km
Van 1000 km tot 2500 km kunt u de prestaties van de
motor gaan opdrijven maar nooit meer dan: 7.000
min-1.
Belangrijk
Tijdens de inrijperiode dient men het
onderhoudsprogramma strikt na te leven en de
garantiecontroles die in het boekje staan uit te laten
voeren. Het niet naleven van deze voorschriften
ontheft Ducati Motor Holding S.p.A. van elke vorm
van aansprakelijkheid voor eventuele schade aan de
motor en de levensduur ervan.
De motor gaat langer mee als u dit voorschrift naleeft,
waardoor de noodzaak voor reviseren en afstellingen
zal afnemen.
0÷1000 Km 1000 ÷ 2500 Km
Fig 101
151
Controleren voor het starten
Let op
Als u de motor niet inspecteert voordat u
vertrekt, kan deze zwaar beschadigd raken en lopen
bestuurder en bijrijder kans op ernstige
verwondingen.
Voordat u begint te rijden, dient u de volgende punten
te controleren:
- BRANDSTOF IN DE BRANDSTOFTANK
Controleren hoeveel brandstof er in de tank zit.
Eventueel bijtanken (pag. 162).
- MOTOROLIEPEIL
Controleer het peil in de carter door middel van
het peilglas. Eventueel bijvullen (pag. 186).
- REMVLOEISTOF
Controleren hoeveel vloeistof er in elk reservoir
zit (pag. 165).
- KOELVLOEISTOF
Controleer het peil van de vloeistof in het
expansievat. Vul de vloeistof eventueel bij (pag.
164).
- STAAT VAN DE BANDEN
De spanning en de slijtage van de banden
controleren (pag. 183).
- FUNCTIONERING VAN DE BEDIENINGEN
Controleren of de hendels en pedalen van
remmen, koppeling, gas en versnelling correct
werken.
- LAMPEN EN WAARSCHUWINGSSIGNALEN
Controleren of de lampen voor verlichting en
signalering goed werken en of de claxon goed
functioneert. Als de lampen stuk zijn, dient u
deze te vervangen (pag. 113).
- SLOTEN
Controleer of de sluitdop van de brandstoftank
(pag. 142) en het zadel (pag. 143) zijn vastgezet.
- STANDAARD
Controleer of de zijstandaard goed opent en sluit
en controleer de positie ervan (pag. 147).
152
Waarschuwingslampje ABS
Na Key-on blijft het ABS-lampje branden.
Het waarschuwingslampje gaat uit als u de snelheid
van 5 km/h overschrijdt om aan te geven dat het ABS-
systeem correct functioneert.
Let op
Stel in het geval van onregelmatigheden het
vertrek uit en neem contact op met een Dealer of een
Erkende Ducati Garage.
Fig 102
153
ABS
Controleer of de tandkransen voor (1) en achter (2)
goed schoon zijn.
Let op
Als de meetvenstertjes bedekt zijn, werkt het
ABS-systeem niet correct. Op erg modderige wegen
is het raadzaam om het ABS-systeem uit te schakelen
omdat deze plots verkeerd kan gaan werken.
Let op
Door langdurige vervuiling kan het ABS worden
uitgeschakeld.
1
Fig 103
2
Fig 104
154
De motorfiets starten
Let op
Zorg ervoor dat u de bedieningsorganen kent
die u tijdens het rijden nodig heeft.
Let op
Zet de motor nooit aan in een gesloten ruimte.
De uitlaatgassen zijn giftig en kunnen
bewusteloosheid of binnen zeer korte tijd zelfs een
dodelijke afloop tot gevolg hebben.
Verplaats de startschakelaar op (1, Fig 105).
Controleer of het groene lampje N en het rode lampje
op het instrumentenpaneel branden.
Belangrijk
Het oliedruklampje moet enkele seconden
nadat de motor is aangeslagen weer uit gaan.
1
Fig 105
Fig 106
155
Let op
De zijstandaard moet ingeklapt zijn (ruststand,
horizontaal), omdat anders de veiligheidssensor het
starten onmogelijk maakt.
Opmerkingen
Men kan de motorfiets starten als de
zijstandaard uitgeklapt is en de koppeling in zijn vrij
staat, of als de koppeling is ingeschakeld en de
koppelinghendel ingetrokken wordt (in dit geval moet
de zijstandaard ingeklapt zijn).
Verzeker u ervan dat de stopschakelaar (2, Fig 107)
op de stand (RUN) staat. Druk vervolgens op de
startknop (3, Fig 107).
Het voertuig moet spontaan starten, zonder gas te
geven.
3
2
Fig 107
Opmerkingen
Het systeem inhibiteert automatisch het slepen
van de startmotor als de accu leeg is.
Belangrijk
Breng de motor niet op een hoog toerental als
deze koud is. Wacht tot de olie warm is en tot alle
punten die dit nodig hebben hiermee zijn gesmeerd.
156
De motorfiets starten en ermee rijden
1) De koppeling ontkoppelen met de
bedieningshendel.
2) Met de punt van uw voet en een krachtige
beweging de versnellingshendel induwen om
deze in eerste versnelling te zetten.
3) Geef gas met behulp van de gashendel en laat
tegelijkertijd langzaamaan de koppelinghendel
los. Het voertuig begint te rollen.
4) De koppelingshendel helemaal loslaten en gas
geven.
5) Om over te schakelen naar een volgende
versnelling, de gashendel helemaal sluiten voor
een lager toerental, de koppeling uitzetten, de
versnellingshendel naar boven duwen en de
koppelingshendel loslaten.
U kunt als volgt van een hogere naar een lagere
versnelling terugschakelen: laat de gashendel los,
trek de koppelinghendel in, geef even gas om alle
tandwielen te synchroniseren, schakel terug naar een
lagere versnelling en laat de koppelinghendel los.
Gebruik de bedieningen op passende wijze en tijdig:
op een helling, wanneer de motorfiets snelheid
mindert, dient u onmiddellijk naar een lagere
versnelling terug te schakelen. Doet u dit niet, dan
onderwerpt u het hele voertuig (en niet alleen de
motorfiets) aan vreemde overbelastingen.
Let op
Niet bruusk gas geven: u kunt de motor
"verzuipen" en de transmissiedelen forceren. Laat de
koppeling niet uit staan tijdens het rijden: dit kan tot
oververhitting en dus overmatige slijtage van alle
wrijvingsorganen leiden.
Let op
Door langdurige vervuiling kan het ABS worden
uitgeschakeld.
157
Remmen
Op tijd de snelheid laten afnemen, terugschakelen
om op de motor af te remmen en vervolgens remmen
met beide remmen. Voordat de motorfiets stilstaat,
de koppelingshendel intrekken om te voorkomen dat
de motor plots afslaat.
ABS systeem
Voor remmen in moeilijke situaties is veel
rijdeskundigheid nodig. Remmen is een van de
moeilijkste en gevaarlijkste momenten tijdens het
besturen van een tweewieler: het gevaar voor vallen
of ongevallen is op dit moment immers aanzienlijk
groter dan in alle andere gevallen. Als het voorwiel
word geblokkeerd, ontbreekt de stabiliserende
werking van de wrijvingselementen, waardoor men
de controle over het voertuig verliest.
Om de volledige remkracht van de motorfiets in alle
noodsituaties, op moeilijke terreinen of in moeilijke
klimaatomstandigheden te benutten, werd het ABS-
systeem ontwikkeld om blokkering van de wielen
tegen te gaan.
Dit is een hydraulisch-elektronisch mechanisme dat
de druk in het remcircuit beheert op het ogenblik
waarop de sensor die op het wiel zit de ABS
signaleert dat het wiel wordt geblokkeerd.
De onmiddellijke drukafname zorgt ervoor dat het
wiel blijft draaien en het contact met het wegdek niet
verliest. De ABS-besturing zorgt ervoor dat de druk in
het circuit weer normaal wordt en dat het voertuig
dus weer remt, en herhaalt deze drukcyclus totdat
het probleem volledig is verdwenen.
Als het mechanisme tijdens het remmen in werking
treedt, kan dit worden waargenomen door een lichte
pulserende weerstand in het rempedaal en de
remhendel.
De gescheiden voor- en de achterremcircuits worden
door afzonderlijke bedieningsorganen op de
motorfiets bediend. Het ABS-systeem is dus geen
integraal remsysteem dat tegelijkertijd de voor- en de
achterrem beheert.
Indien u dit wenst, kan het systeem op het
instrumentenpaneel m.b.v. de "Functie ABS instellen"
(zie pag. 74) worden gedeactiveerd.
158
Let op
Als het ABS-systeem gedeactiveerd is, behoudt
het voertuig de eigenschappen van de standaard
reminstallatie. Een onafhankelijk gebruik van één van
de remhendels beperkt dus het remvermogen van de
motorfiets. Niet bruusk en overmatig hard remmen:
de wielen kunnen geblokkeerd raken en u kunt de
controle over het stuur verliezen. Als het regent of
wanneer men over glad wegdek rijdt, is het
remvermogen aanzienlijk minder. Rem in deze
gevallen zachtjes en voorzichtig. Door plotselinge
bewegingen te maken, kan het zijn dat u de macht
over het voertuig verliest. Op lange en steile hellingen
is het beter op de motor af te remmen, terug te
schakelen en de remmen afwisselend en kort te
gebruiken: door een continu gebruik van de remmen
zal het wrijvingsmateriaal oververhit raken en neemt
het remvermogen aanzienlijk af. Een lagere of hogere
bandenspanning dan voorgeschreven vermindert het
remvermogen, de hanteerbaarheid en de wegligging
van de motorfiets.
159
De motorfiets stilzetten
Snelheid verminderen, terugschakelen en de
gashendel loslaten.
Naar de eerste versnelling terugschakelen en dan de
versnelling in de neutrale stand zetten.
Remmen en de motorfiets tot stilstand brengen.
De motor uitzetten door de sleutel op stand (2) te
zetten.
Belangrijk
Bij uitgezette motor de sleutel niet op ON, stand
(1), laten om schade aan de elektrische componenten
te vermijden.
1
2
Fig 108
160
Parkeren
Zet de uitgeschakelde motorfiets op de zijstandaard.
Het stuur helemaal naar links draaien en de sleutel op
de stand (3) zetten om diefstal te voorkomen. Als u
in een garage of in een andere ruimte parkeert,
controleer dan of deze goed geventileerd is en de
motorfiets niet te dicht bij warmtebronnen staat. In
geval van nood kunt u de parkeerlichten laten
branden door de sleutel in de stand (4) te zetten.
Belangrijk
Houd de sleutel niet voor een lange tijd op stand
(4) omdat de accu daardoor leeg kan lopen. Laat de
sleutel nooit op een onbewaakt voertuig achter.
Let op
De uitlaat kan erg warm worden, ook als u de
motor uitgeschakeld heeft. Raak het uitlaatgedeelte
dus niet aan met uw lichaam, pas goed op en parkeer
het voertuig niet in de buurt van ontvlambare
materialen (met inbegrip van hout, bladeren, enz.).
4
3
Fig 109
Let op
Sloten of vergrendelingssystemen die beletten
dat de motorfiets kan worden verplaatst (bijv.
schijfremsloten, kettingtandwielsloten, enz...) zijn
bijzonder gevaarlijk en kunnen de motorfiets, de
bestuurder en de passagier in gevaar brengen.
161
Tanken
Niet te veel brandstof in de tank doen. Het
brandstofpeil moet onder de vulopening in de holte
van de dop (1) blijven.
Let op
Gebruik loodarme brandstof met een
oorspronkelijk octaangetal van minstens 95.
Let op
Het voertuig is uitsluitend compatibel met
brandstof met een maximum ethanolgehalte van
10% (E10).
Het gebruik van benzine met een ethanolgehalte van
meer dan 10% is verboden. Het gebruik van
dergelijke brandstof kan ernstige schade aan de
motor en de onderdelen van de motorfiets
veroorzaken. U verliest het recht op garantie als u
benzine met een ethanolgehalte van meer dan 10%
gebruikt.
1
Fig 110
Max level
Fig 111
162
Meegeleverde accessoires
Onder het zadel (1) zijn de gereedschapsset (2) en het
antidiefstal kabeltje aangebracht.
De gereedschapsset bevat:
- zekeringentang;
- dubbele steeksleutel 8/10;
- schroevendraaier;
- handgreep voor schroevendraaier;
- buissleutel 14x16 mm;
- stang 6 mm;
- inbussleutel 3 mm;
- inbussleutel 5 mm;
- inbussleutel 6 mm.
Verwijder het zadel voor toegang tot de ruimte pag.
143.
12
Fig 112
Fig 113
163
Belangrijkste gebruiks- en
onderhoudswerkzaamheden
Controle en eventueel bijvullen van het
koelvloeistofpeil
Controleer het koelvloeistofpeil in het
expansiereservoir aan de rechterzijde van het
balhoofd. Zet het stuur in de uiterste linker stand en
controleer of het vloeistofpeil tussen het MIN- en het
MAX-merkteken op de zijkant van het
expansiereservoir staat. Als het niveau onder het MIN
komt, moet er bijgevuld worden. Draai de vuldop (1)
los en vul antivriesmiddel ENI Agip Permanent
Spezial bij zonder aan te lengen tot u het MAX peil
heeft bereikt. Draai vervolgens de dop (1) weer vast.
Met dit mengsel worden de beste
bedrijfsomstandigheden bereikt (de vloeistof begint
pas te bevriezen bij -20 °C/-4 °F).
1
MAX
MIN
Fig 114
Inhoud koelvloeistofcircuit: 2,3 dm3 (liter).
Let op
Verricht deze handeling bij koude motor.
Koelvloeistof of hete damp kan uitgestoten worden
met mogelijk ernstig gevaar voor brandwonden van
dien als u deze handeling bij warmgelopen motor
verricht.
164
Het peil van de remvloeistof controleren
Het peil mag niet onder het MIN streepje in de
reservoirs dalen (in (Fig 115)zijn de
remvloeistofreservoirs voor en achter afgebeeld en in
(Fig 116) is het koppelingvloeistofreservoir
afgebeeld).
Als er te weinig vloeistof in zit, kan er lucht in de
leidingen komen waardoor het systeem niet langer
naar behoren zal functioneren.
Om de vloeistof bij te vullen of met de tussenpozen
te vervangen die voorgeschreven zijn in de tabel voor
Regelmatig onderhoud, weergegeven in het
Garantieboekje, dient men zich tot een Dealer of een
Erkende Ducati Garage te wenden.
Belangrijk
Om de 4 jaar is het raadzaam de leidingen te
laten vervangen.
MIN
Fig 115
MAX
Fig 116
165
Remsysteem
Wend u tot een Dealer of een Erkende Ducati Garage
om het remsysteem te laten controleren en
eventueel het mechanisme te laten ontluchten als u
teveel speling op de rempedaal of -hendel opmerkt
en de remblokken in goede staat verkeren.
Let op
Remvloeistof en koppelingolie zijn schadelijk
voor kunststof en gelakte delen, zorg dus dat hier
geen vloeistof op valt.
Hydraulische vloeistof is bijtend en kan schade en
verwondingen veroorzaken. Meng geen
verschillende kwaliteiten met elkaar. Controleer of
alle pakkingen en dichtingen perfect afsluiten.
166
De slijtage van de remblokken controleren
Controleer de slijtage van de remblokken door de
opening tussen de twee klauwhelften.
Vervang de beide remblokken als op een of beide
remblokken slechts ongeveer 1 mm
wrijvingsmateriaal is achtergebleven.
Let op
Een slijtage van het wrijvingsmateriaal buiten de
aangegeven limiet veroorzaakt de aanraking van de
metalen steun met de remschijf waardoor de
efficiëntie van de rem afneemt. Dit is van invloed op
de integriteit van de remschijf en de veiligheid van de
bestuurder.
Belangrijk
Neem contact op met een Dealer of een
Erkende Ducati Garage om de remblokken te laten
vervangen.
MIN
Fig 117
MIN
Fig 118
167
De accu opladen
Let op
Neem contact op met een Dealer of een
Erkende Ducati Garage om de accu te laten
demonteren.
Demonteer het zadel voor toegang tot de accu pag.
143. Draai de schroeven (1) los, verwijder de
positieve kabel (2) en de positieve kabel (ABS) (3) van
de positieve klem en verwijder de negatieve kabel (4)
van de negatieve klem. Begin altijd bij de negatieve
(-) pool. Verwijder vervolgens de accu door hem van
zijn plaats te halen.
Let op
De accu geeft explosieve gassen af. Houd
vonken, open vuur en sigaretten op een afstand.
Verifieer tijdens het opladen van de accu of de ruimte
voldoende wordt geventileerd.
Laad de accu op in een goed geluchte ruimte.
Sluit de draden van de acculader aan op de
aansluitklemmen: rood op de positieve pool (+) en
zwart op de negatieve pool (-).
1 4
-
+
3
1
2
Fig 119
Belangrijk
Sluit de accu op de acculader aan alvorens u
deze activeert: door de eventuele vonkvorming ter
hoogte van de accupolen kan het gas in de accucellen
ontploffen. Maak altijd eerst de rode pluspool vast (+).
168
De schroeven (1) invetten.
Breng de accu weer op de steun aan, sluit de
positieve kabel (2) en de positieve ABS kabel (3) aan
op de positieve klem en sluit de negatieve kabel (4)
aan op de negatieve klem van de accu. Begin altijd bij
de positieve (+) pool en breng de schroeven (1) aan.
Let op
Houd de accu buiten het bereik van kinderen.
Laad de accu op 0,9 A gedurende 5÷10 uur op.
1 4
-
+
3
1
2
Fig 120
169
Opladen en bijladen in de winter van de accu
Uw voertuig is voorzien van een connector (1) onder
het zadel waar u de acculader (2) (kit acculader art.
69924601A - verschillende landen, kit acculader art.
69924601AX - uitsluitend voor Japan, China en
Australië), verkrijgbaar bij onze dealers, op kunt
aansluiten.
Opmerkingen
De elektrische installatie van het model is op
dergelijke wijze ontworpen dat bij een uitgeschakeld
instrumentenpaneel het verbruik erg laag is.
Desondanks loopt de accu uit zichzelf een beetje
leeg. Dit fenomeen is fysiologisch en wordt beïnvloed
door de tijd waarin de motor "niet gebruikt" wordt en
door de omgevingsomstandigheden.
1
Fig 121
2
Fig 122
170
Belangrijk
Als de accu niet met de speciale acculader op
een minimum spanningswaarde gehouden wordt, zal
sulfatering optreden. Dit proces is onherstelbaar en
veroorzaakt de achteruitgang van de prestaties van
de accu.
Opmerkingen
Gedurende de periodes dat u de motorfiets niet
gebruikt (periodes langer dan 30 dagen), raden we u
aan om de acculader van Ducati te gebruiken (kit
Accuoplader art. 69924601A - diverse landen, kit
acculader art. 69924601AX - enkel voor Japan, China
en Australië). Deze acculader is voorzien van interne
elektronica die de spanning meet en heeft een
maximum oplaadspanning van 1,5 ampère/uur. Sluit
de acculader aan op de diagnoseconnector aan de
achterkant van de motor.
Opmerkingen
Het gebruik van acculaders die niet door Ducati
goedgekeurd zijn, kan schade aan de elektrische
installatie van de motor veroorzaken. De garantie dekt
schade aan de accu niet als blijkt dat deze schade
wegens de bovenstaande redenen en dus vanwege
verkeerd onderhoud veroorzaakt is.
171
De spanning van de aandrijfketting
controleren
Belangrijk
Richt u voor het opspannen van de
transmissieketting tot een Dealer of een Erkende
Ducati Garage.
Laat het achterwiel draaien tot u de stand heeft
gevonden waarin de ketting het meest is
opgespannen. Plaats het voertuig op de zijstandaard.
Duw met een vinger de ketting op het meetpunt
omlaag en laat de ketting vervolgens los. Meet de
afstand (A) tussen het midden van de pennen van de
ketting en de aluminium voorvork. Deze afstand
moet: A = 72 ÷ 74 mm bedragen.
Belangrijk
Stel de aandrijfketting af zodat de gemeten
waarde binnen de aangegeven waarden valt als de
ketting te slap of te strak is gespannen.
=
=
72 ÷ 74 mm
A
Fig 123
172
Let op
Voor de veiligheid van de bestuurder en de
passagier is het zeer belangrijk dat de bouten van de
voorvork (1) op de juiste wijze zijn vastgezet.
Belangrijk
Een niet goed gespannen ketting veroorzaakt
een snelle slijtage van het aandrijfmechanisme.
1
Fig 124
173
De aandrijfketting smeren
Op de drijfketting zitten O-ringen die de glijdende
elementen tegen weersinvloeden beschermen en de
smering langer behouden.
Om deze ringen tijdens het schoonmaken niet te
beschadigen, gebruikt u liefst speciaal hiervoor
bestemde oplosmiddelen, maar geen
hogedrukreiniger (met stoom).
Droog de ketting met perslucht of met
vochtabsorberend materiaal en smeer elk
kettingelement met SHELL Advance Chain of
Advance Teflon Chain.
Belangrijk
Het gebruik van verkeerde smeermiddelen kan
schade aan de ketting, het grote tandwiel en het
kleine motortandwiel tot gevolg hebben.
174
De lampen van de koplamp vervangen
Belangrijk
Richt u tot een Dealer of een Erkende Ducati
Garage om de lampen te laten vervangen.
Let op
Het is mogelijk dat de lens van de koplamp
beslaat als u de motorfiets tijdens de regen of na een
reiniging gebruikt. De condens in de koplamp kan
worden verwijderd door de koplamp een korte tijd aan
te zetten.
Controleer, alvorens u een doorgebrand lampje
vervangt, of het nieuwe lampje voldoet aan de
spanningswaarde en het vermogen beschreven in de
paragraaf "Elektrische Installatie" op pag. 204.
Controleer altijd of het nieuwe lampje functioneert
alvorens u de gedemonteerde onderdelen op hun
plaats aanbrengt.
Draai de schroeven (1) los. Til de steun van de
koplamp voorzichtig op.
1
Fig 125
Fig 126
175
Verwijder de steun van de koplamp van de rubberen
steunen (A).
Schuif de steun van de koplamp naar de voorkant van
de motorfiets tot de hendel (2) vrijkomt.
Draai de hendel (2) los, tegen de klok in.
A
Fig 127
2
Fig 128
176
Haal de connector (3) los.
Haal het klemmetje (4) los.
Het lampje (5) heeft een
bajonetkoppelingsmechanisme. Om het eruit te
halen, dient men erop te drukken en naar links te
draaien. Om het nieuwe lampje erin te steken, drukt
u erop en draait u het met de klok mee tot u het hoort
klikken.
Opmerkingen
Het glas van het nieuwe lampje kan zwart
worden als het wordt aangeraakt, waardoor de
lichtsterkte vermindert.
3
Fig 129
4
5
5
Fig 130
177
De lampen van de richtingaanwijzers
vervangen
Draai de schroef (1) los en verwijder de kap (2) om de
lampjes van de richtingaanwijzers voor/achter te
kunnen vervangen.
2 1
Fig 131
1 2
Fig 132
178
Kentekenplaatverlichting
Open, om de kentekenplaatverlichting te bereiken,
het glas (1), verwijder de lamp (2) en vervang deze.
1
Fig 133
1 2
Fig 134
179
De hoogte van de koplamp afstellen
Opmerkingen
De lichtbundel van de koplamp heeft een
dubbele afstelling, een links en een rechts
Controleer de lichtbundel van de lamp door de
motorfiets met de juiste bandenspanning en iemand
op het zadel perfect loodrecht met de lengteas op
een afstand van 10 meter voor een wand of een
scherm te zetten. Teken een horizontale lijn ter
hoogte van het midden van de koplamp en een
verticale lijn op de lengtelijn van het voertuig op de
muur. Controleer dit indien mogelijk tijdens de
schemering. Schakel het dimlicht in en stel de
lichtbundel links en rechts af: de bovenste
scheidingslijn tussen de donkere zone en de verlichte
zone op de muur mag niet hoger dan 9/10 komen van
de hoogte vanaf de vloer tot aan het midden van de
koplamp.
10 m
9
10
xx
Fig 135
Opmerkingen
De beschreven procedure is vastgelegd in de
Italiaanse wetgeving inzake de maximale hoogte van
de lichtbundel. Pas de procedure aan, aan de normen
die in het land van gebruik van toepassing zijn.
180
De koplamp afstellen
De horizontale regulering van de koplamp kan
handmatig gedaan worden door op de schroef (1) in
te spelen.
De verticale regulering van de koplamp kan
handmatig gedaan worden door op de schroef (2) in
te spelen.
Belangrijk
De stelschroeven van de koplamp hebben geen
eindaanslag.
Let op
Het is mogelijk dat de lens van de koplamp
beslaat als u de motorfiets tijdens de regen of na een
reiniging gebruikt. De condens in de koplamp kan
worden verwijderd door de koplamp een korte tijd aan
te zetten.
1
Fig 136
2
Fig 137
181
De achteruitkijkspiegels afstellen
Stel de achteruitkijkspiegel (A) met de hand af tot u
de gewenste stand heeft gevonden.
A
Fig 138
182
Tubeless banden
Spanning voorband:
2,50 bar (alleen bestuurder) - 2,50 bar (vol beladen).
Spanning achterband:
2,50 bar (alleen bestuurder) - 2,90 bar (vol beladen).
De druk van de banden hangt af van de
buitentemperatuur en de hoogte boven de
zeespiegel. Controleer de druk en corrigeer deze elke
keer dat u de motorfiets zult gebruiken in een gebied
met grote temperatuurschommelingen of op grote
hoogte.
Belangrijk
De bandenspanning moet bij "koude banden"
worden gemeten en afgesteld. Om de ronde vorm
van de wieldop van het voorwiel te behouden,
verhoogt u op erg oneffen wegdek de
bandenspanning met 0,2÷0,3 bar.
De (Tubeless) banden repareren of vervangen
Als er een klein gaatje komt in een band zonder
luchtkamer, duurt het een hele tijd voordat deze
helemaal leegloopt omdat hij vrij lekvast is.
Controleer dus goed of er geen lekken in een band
zitten die een beetje is leeggelopen.
Let op
Vervang de band als deze lek is. Monteer een
nieuwe band van hetzelfde merk en type als de
oorspronkelijke band. Controleer goed of u de
stofdopjes op de ventielen goed vastgeschroefd
heeft, zodat de lucht er tijdens het rijden niet uit kan
lopen. Gebruik nooit banden met een luchtkamer: de
band kan onverwachts klappen met zware gevolgen
voor de bestuurder en de bijrijder als dit voorschrift
wordt overschreden.
Als een band wordt vervangen, dient het wiel
vervolgens te worden uitgebalanceerd.
Let op
De tegengewichten van de wielen niet
verwijderen of verplaatsen.
183
Opmerkingen
Richt u tot een Dealer of een Erkende Ducati
Garage om de banden te laten vervangen zodat u er
zeker van bent dat de wielen op de juiste manier
worden ge(de)monteerd. Er zijn enkele elementen
van het ABS-systeem op gemonteerd die op een
bepaalde manier (sensoren, meetwielen) afgesteld
moeten worden.
184
Minimumdiepte van het loopvlak
Meet op het meest versleten punt de minimum
diepte (S,Fig 139) van het loopvlak op; deze mag niet
minder dan 2 mm zijn en moet altijd aan de
plaatselijke voorschriften voldoen.
Belangrijk
Controleer regelmatig of er geen barsten of
sneden in de banden zitten, vooral aan de zijkanten,
en of er geen verdikkingen of grote slijtageplekken te
zien zijn, hetgeen wijst op schade aan de binnenkant
van de band. Vervang de banden als deze duidelijke
tekens van schade vertonen. Verwijder steentjes of
ander vuil dat in de groeven van de band is blijven
zitten.
S
Fig 139
185
Controle motoroliepeil
Het motoroliepeil is zichtbaar door middel van het
peilglas ( 1) op de koppelingdeksel. Controleer het
oliepeil als het voertuig perfect recht staat en de
motor koud is. Het peil moet tussen de streepjes op
het kijkglas staan. Vul de olie bij met SHELL Advance
Ultra 4 motorolie als het peil laag is. Verwijder de
vuldop (2) en vul olie bij tot het aangegeven peil.
Steek daarna de dop er weer op.
Belangrijk
Richt u tot een Dealer of een Erkende Ducati
Garage om de motorolie en de oliefilters te laten
vervangen met de in het Garantieboekje opgenomen
tabel voor regelmatig onderhoud voorgeschreven
regelmaat.
1
Fig 140
186
Viscositeit
SAE 15W-50
De overige in de tabel weergegeven
viscositeitwaarden kunnen worden gebruikt als de
gemiddelde temperatuur van het gebied, waarin de
motorfiets wordt gebruikt, binnen de aangeduide
limietwaarden ligt.
10
Unigrade
Multigrade
0 10 20 30 40 C
40
20W–40 20W–50
15W–40 15W–50
10W–40
10W–30
10W
20W
20
30
Fig 141
187
De bougies reinigen en vervangen
De bougies vormen een belangrijk element van het
voertuig en dienen regelmatig te worden
gecontroleerd.
Neem contact op met een Dealer of een Erkende
Ducati Garage om de bougie te laten vervangen.
Fig 142
188
Algemene reiniging
Om de metalen en gelakte delen mooi glanzend te
houden, moet de motorfiets regelmatig gewassen en
gereinigd worden. De regelmaat hangt af van de
manier waarop en op welke wegen met de motorfiets
gereden wordt. Gebruik hiertoe speciale producten,
liefst biologisch afbreekbaar, en vermijd bijtende of
schurende reinigings- of oplosmiddelen.
Maak voor het reinigen van het plexiglas en het zadel
uitsluitend gebruik van water en een neutraal
reinigingsmiddel.
Maak de aluminium onderdelen regelmatig met de
hand schoon. Gebruik uitsluitend specifieke
reinigingsproducten voor aluminium die geen
schuurmiddelen of soda bevatten.
Opmerkingen
Gebruik geen schuursponsjes of krabbers maar
gebruik uitsluitend zachte doeken.
Het recht op garantie over de motorfiets vervalt als
onvoldoende onderhoud vastgesteld wordt.
Belangrijk
Was de motorfiets niet onmiddellijk nadat u
ermee heeft gereden om “kringen” van te snel
opdrogende producten op de nog warme
oppervlakken te vermijden.
Spuit niet met heet of onder hoge druk staand water
op de motorfiets.
Door het gebruik van hogedrukreinigers kunt ernstige
schade aan de veerelementen, de velgen, de
elektrische componenten, de dichtingen van de
veerelementen, luchtopeningen en uitlaat en
condens in de koplamp veroorzaken of kunnen
ernstige storingen ontstaan waardoor het voertuig
onveilig wordt en niet meer aan de
veiligheidsvoorschriften voldoet.
Als bepaalde motordelen bijzonder vuil zijn of er zit
olie of vet op, gebruik dan een ontvettingsmiddel en
zorg ervoor dat dit niet met transmissieorganen
(ketting, klein en groot tandwiel enz...) in aanraking
komt.
Spoel het voertuig af met lauw water en droog alle
delen met een zeem.
189
Let op
Na het wassen kan het voorkomen dat de
remmen minder goed werken. Smeer geen vet of olie
op de remschijven; hierdoor kan het remvermogen
van de motorfiets afnemen. Reinig de remschijven
met een oplosmiddel dat geen vet bevat.
Let op
Door een reinigingsbeurt, regen of vocht kan de
koplamp beslaan. Het is mogelijk de condens in de
koplamp te verwijderen door hem een korte tijd aan
te zetten.
Reinig de meetwielen van het ABS-remsysteem
zorgvuldig om de optimale werking van het systeem
te garanderen. Gebruik geen bijtende producten om
de meetwielen en sensoren niet te beschadigen.
De motorfiets een lange tijd niet gebruiken
Als de motorfiets een lange tijd niet wordt gebruikt,
raden wij u aan de volgende handelingen uit te
voeren:
- de motorfiets helemaal reinigen;.
- de brandstof uit de tank aftappen;
- breng via de bougie-openingen een beetje
motorolie in de cilinders aan en draai de motor
handmatig een paar slagen om het
beschermende laagje over de binnenwanden te
verdelen;
- de motorfiets op de hoofdstandaard zetten;
- de accu losmaken en eruit halen.
Indien de motorfiets langer dan een maand niet
gebruikt wordt, dient men de accu te controleren en
eventueel op te laden of te vervangen.
Bedek de motorfiets met een speciaal zeil dat de lak
niet beschadigt en geen condens vasthoudt.
Dit zeil kunt u bij Ducati Performance kopen.
Belangrijke waarschuwingen
In sommige landen (Frankrijk, Duitsland, Engeland,
Zwitserland, enz.) gelden plaatselijke milieu- en
lawaaivoorschriften.
Voer regelmatig de eventueel voorgeschreven
controles uit en gebruik alleen originele Ducati
reserveonderdelen, in overeenstemming met de
voorschriften die in de verschillende landen van
kracht zijn.
190
Geprogrammeerd
onderhoudsplan
Geprogrammeerd onderhoudsplan: werkzaamheden die door de dealer verricht moeten
worden
Lijst met handelingen met soort in-
greep
(regelmaat kilometer/mijl of tijd *)
Km. x1000 1 15 30 45 60 Tijd (maan-
den)
mijl x1000 0,6 9 18 27 36
Het storingengeheugen uitlezen met de DDS en de up-
date van de software versies voor de regeleenheden
controleren
12
Controleer of eventuele technische updates en terug-
roepcampagnes beschikbaar zijn 12
Motorolie en filter vervangen 12
Smeer de kabelklembout van de koppelingshendel 12
Reiniging aanzuigfilter motorolie -
Controle en/of afstelling kleppenspeling -
Vervanging distributieriemen -
De bougies vervangen -
Vervanging luchtfilter -
Controle remoliepeil 12
191
Lijst met handelingen met soort in-
greep
(regelmaat kilometer/mijl of tijd *)
Km. x1000 1 15 30 45 60 Tijd (maan-
den)
mijl x1000 0,6 9 18 27 36
Remolie verversen 36
De slijtage van de remblokken en remschijven controle-
ren. Indien nodig vervangen 12
De bevestiging van de veiligheidscomponenten contro-
leren (schroeven flens remschijven, schroeven remklau-
wen, moeren achter- en voorwiel, moeren rondsel en se-
cundaire tandkrans)
12
Spil achterwiel controleren en smeren -
Controle spanning en smering ketting 12
De slijtage van de aandrijving (ketting, rondsel en tand-
krans) en de sloffen van de ketting controleren 12
Visuele controle afdichtingen voorvork en schokdemper
achter 12
Olie voorvork verversen -
Controle bewegingsvrijheid en bevestiging zijstandaard
en middenbok (indien aanwezig) 12
Controle schuurplekken, speling en vrijheid van de be-
weging en plaats van de zichtbare bedieningskabels en
elektrische bedrading
12
192
Lijst met handelingen met soort in-
greep
(regelmaat kilometer/mijl of tijd *)
Km. x1000 1 15 30 45 60 Tijd (maan-
den)
mijl x1000 0,6 9 18 27 36
Controle koelvloeistofpeil 12
Verversing koelvloeistof 48
De functionering van de elektro-ventilatoren controleren 12
Controle bandenspanning en slijtage 12
De acculading controleren 12
Controle stationair toerental 12
De functionering van de elektrische beveiligingen (sensor
zijstandaard, schakelaars voor- en achterrem, motor stop-
schakelaar, sensor versnelling/vrijloop) controleren
12
Controle verlichting en signaalinrichtingen 12
Indicatie Service met de DDS resetten -
Testrit van het voertuig met controle van de beveiligings-
systemen (bijv. ABS en DTC) 12
Lichte reiniging van het voertuig 12
Het formulier van de onderhoudsbeurt in de Documen-
tatie (Onderhoudsboekje) invullen 12
193
Geprogrammeerd onderhoudsplan: werkzaamheden die door de eigenaar verricht
moeten worden
Opsomming van de handelingen met soort ingreep (regelmaat kilometer/
mijl of tijd*)
Km. x1000 1
mijl x1000 0,6
Maanden 6
Controle motoroliepeil
Controle remoliepeil
Controle bandenspanning en slijtage
Controle spanning en smering ketting
Controle remblokken. Ga indien nodig naar de dealer voor de vervanging
194
Technische kenmerken
Gewicht
Totaal Gewicht (rijklaar met 90% brandstof - 93/93/
EG): 198 kg.
Totaal Gewicht (zonder vloeistoffen en accu): 175 kg.
Maximum toelaatbaar gewicht (met volle belasting):
406 kg.
Let op
De motorfiets zal minder goed renderen en de
handelbaarheid neemt af waardoor u er de controle
over kunt verliezen als u de motorfiets zwaarder
belast dan voorgeschreven is.
195
Afmetingen
860±20
198
1500±20
2100±20
1150±20
870
Fig 143
196
Brandstof
BRANDSTOF TYPE
Brandstoftank, inclusief een reservetank
van 4 dm3 (liter)
Loodvrije benzine met een minimum oc-
taangetal van minstens RON 95.
16 dm3 (liter)
Smeercircuit SHELL - Advance 4T Ultra 3,3 dm3 (liter)
Remcircuit voor/achter en koppeling SHELL Advance Brake DOT 4 -
Beschermmiddel voor elektrische con-
tacten
SHELL Advance Contact Cleaner -
Voorvork SHELL - Advance Fork 7.5 of Donax TA 561 cc (rechter vor-
kpoot)
429 cc (linker vorkpoot)
Belangrijk
Het is niet toegestaan additieven voor brandstof of smeermiddelen te gebruiken. Het gebruik van
dergelijke brandstoffen kan ernstige schade aan de motor en de onderdelen van het voertuig veroorzaken.
Let op
Het voertuig is uitsluitend compatibel met brandstof met een maximum ethanolgehalte van 10% (E10).
Het gebruik van benzine met een ethanolgehalte van meer dan 10% is verboden. Het gebruik van dergelijke
brandstof kan ernstige schade aan de motor en de onderdelen van de motorfiets veroorzaken. U verliest het
recht op garantie als u benzine met een ethanolgehalte van meer dan 10% gebruikt.
197
Motor
Viertakt met twee op 90° in de “L” lengte liggende
cilinders.
Boring mm:
88.
Slag mm:
67,5.
Totale cilinderinhoud, cm3:
821,1.
In-beweging verhouding:
12,8±0,5:1
Maximum vermogen op de as (95/1/EG), kW/PK:
81 kW/110 PK bij 9.250 min-1.
Max. koppel op de as (95/1/EG):
9,1 kgm/89 Nm bij 7.750 min-1
Maximum toerental, min-1:
10.500.
Belangrijk
In geen enkele rijconditie mag men de
voorgeschreven snelheidsbeperkingen
overschrijden.
198
Distributie
DESMODROMISCH met vier kleppen per cilinder,
aangedreven door acht tuimelaars en twee frontale
distributie-assen. Motorasaandrijving met
cilindertandwielen, poelies en tandriemen.
Schema van de desmodromische distributie
1) Tuimelaar voor openen (of bovenste tuimelaar);
2) stelschroef bovenste tuimelaar;
3) stelschroef tuimelaar voor sluiten (of onderste
tuimelaar);
4) drukveer onderste drukveer;
5) tuimelaar voor sluiten (of onderste tuimelaar);
6) nokkenas;
7) klep.
6
1
2
2
2 1
5
3
5
4
7
Fig 144
199
Prestaties
U behaalt de maximale snelheid bij elke versnelling
uitsluitend als u de voorschriften voor het inrijden
stipt naleeft en regelmatig het voorgeschreven
onderhoud uitvoert.
Belangrijk
Het niet naleven van deze norm ontslaat Ducati
Motor Holding S.p.A. van elke vorm van
aansprakelijkheid voor eventuele schade aan de
motor en de levensduur ervan.
Bougies
Merk:
NGK
Type:
MAR9A-J
Voeding
Indirecte elektronische inspuiting MARELLI.
Gashuisklep met full Ride-by-Wire systeem met een
ronde doorsnede met een diameter van 52 mm.
inspuitventielen per cilinder: 1.
Openingen per inspuitventiel: 4.
Benzine: 95-98 RON.
Let op
Het voertuig is uitsluitend compatibel met
brandstof met een maximum ethanolgehalte van
10% (E10). Het gebruik van benzine met een
ethanolgehalte van meer dan 10% is verboden. Het
gebruik van dergelijke brandstof kan ernstige schade
aan de motor en de onderdelen van de motorfiets
veroorzaken. U verliest het recht op garantie als u
benzine met een ethanolgehalte van meer dan 10%
gebruikt.
Remmen
Antiblokkeersysteem met gescheiden remsysteem,
geregeld met Hall-sensoren op beide wielen met
aflezing op de meetwielen op de beide wielen: de
ABS kan gedeactiveerd worden.
VOOR
Met twee halfzwevende geperforeerde schijven.
Remmateriaal: staal.
Materiaal koppelingdeksel: zwart staal.
Diameter schijf: 320 mm.
Hydraulisch bedieningsorgaan: hendel op rechterkant
van stuur.
Merk remklauwen: BREMBO.
Type: M4.3 zuigers.
200
Wrijvingsmateriaal: TT 2182 FF.
Soort pomp: PR 16/22.
ACHTER
Met vaste, geperforeerde stalen schijf.
Diameter schijf: 245 mm.
Hydraulisch bedieningsorgaan: pedaal aan
rechterkant.
Merk: BREMBO
Type: P34e.
Wrijvingsmateriaal: FERIT I/D 450 FF.
Soort pomp: PR 11.
Let op
De vloeistof van het remcircuit is bijtend.
Was bij aanraking met de remvloeistof de ogen en de
huid grondig met stromend water.
Overbrenging
Natte koppeling met mechanische bediening, door
linker hendel op stuur bediend. Bekrachtingssysteem
en antislip.
Overbrenging tussen motor en drijvende
versnellingsas door middel van rechte tandwielen.
Verhouding motortandwiel/koppelingtandwiel: 33/61
Constante aangrijping, 6 versnellingen, met pedaal
aan linkerkant.
Verhouding motortandwiel uitgang versnelling/
achterste koppelingtandwiel: 15/45
Totale verhoudingen:
1ste 15/37
2de 17/30
3de 20/28
4de 22/26
5de 23/24
6de 24/23
Kettingoverbrenging tussen versnelling en
achterwiel.
Merk: DID
Type: 252 VAZ
Afmetingen: 5/8” x 1/16”
Aantal schakels: 108
Belangrijk
De motorfiets is goedgekeurd met de hier
vermelde verhoudingen; deze mogen dus niet
worden gewijzigd.
201
Als u de motorfiets wenst aan te passen voor
speciale trajecten of wedstrijden, stelt Ducati Motor
Holding S.p.A. zich beschikbaar om andere
verhoudingen, die van de standaard geleverde
verhoudingen afwijken, te leveren. Wend u daarvoor
tot een Dealer of Erkende Ducati Garage.
Let op
Raadpleeg voor het vervangen van het
achterste tandwiel de Dealer of een Erkende Ducati
Garage.
Als dit component niet correct wordt vervangen, kan
dit uw veiligheid ernstig in gevaar brengen en de
motorfiets onherroepelijk beschadigen.
Frame
Raamwerkconstructie: buizen van staal.
Achterframe van gegoten aluminium.
Stuurbalhoek: 25,5°.
Wielen
Voor
Lichtmetalen velgen met tien spaken.
Afmetingen: MT3.50x17"
Achter
Lichtmetalen velgen met tien spaken.
Afmetingen: MT5,50x17"
Beide wielen hebben een demonteerbare steekas.
Banden
Voor
"Tubeless” radiaalband.
Afmeting: 120/70-ZR17
Achter
"Tubeless” radiaalband.
Afmeting: 180/55-ZR17
Ophangingen
Voor
Hydraulische vork met omgekeerde poten
Diameter dragende buizen:
43 mm.
Afwijking wiel: 170 mm.
Achter
Met progressieve aandrijving. De in lengte en
voorspanning van de veer verstelbare schokdemper
scharniert aan de onderzijde in een enkelvoudige vork
van gegoten aluminium. Dit systeem maakt het
voertuig uiterst stabiel.
202
Slag schokdemper: 61,5 mm.
Slag achterwiel: 150 mm.
Uitlaat
Enkelvoudige uitlaatdemper van roestvrij staal.
Im demper geïntegreerde katalysator met twee
lambdasondes op de uitlaatkanalen van de koppen.
Verkrijgbare kleuren
Rood Anniversary Ducati code 473.101 (PPG);
Onderlaag (Acriflex Wit) code L0040652 (LECHLER);
Lak (Acriplast Red Stoner SF) code LMC06017
(LECHLER);
Achterframe Mercury Grey (Powder mercury grey)
code 79086 (INVER);
Frame Rood (Ducati rood) code 81784 (INVER);
Zwarte velgen.
Dark Stealth;
Onderlaag ( 2 K Zwart) code 873.A002 (PALINAL);
Basis (Black Stealth - Zwart 94) code 929.R223
(PALINAL);
Transparant ( 2K mat) code 923I.2176 (PALINAL);
Achterframe Mercury Grey (Powder mercury grey)
code 79086 (INVER);
Frame Rood (Ducati rood) code 81784 (INVER);
Zwarte velgen.
203
Elektrische installatie
Deze bestaat uit de volgende belangrijke onderdelen.
Koplamp:
dimlicht/groot licht: lamp H4 blue vision (12V –
60/55W);
parkeerlicht: 8 LED;
Elektrische bedieningen op het stuur.
Richtingaanwijzers:
voor: lamp GE 2641A 12VRY10W;
achter: lamp GE 2641A 12VRY10W;.
Claxon.
Schakelaars remlichten.
Accu, 12V -10 Ah, dry.
WISSELSTROOMDYNAMO 14V-490W.
ELEKTRONISCHE REGELAAR, beschermd door
zekering van 30A in de buurt van de zekeringendoos
achter (C, Fig 147).
Startmotor: 12V-0,7 kW.
Achterlicht:
parkeerlicht: 6 LEDS (0,27W/-13,5W);
remlicht: 6 LEDS (2,43W/-13,5W).
Kentekenplaatverlichting:
lamp: C5W (12-5W).
Opmerkingen
Raadpleeg voor het vervangen van de lampen
de paragraaf "Lampen groot licht en dimlicht
vervangen".
Zekeringen
Ter bescherming van de elektrische componenten
zijn dertien zekeringen aanwezig in de
zekeringendoos voor en achter en één op het
startrelais. In elke zekeringendoos bevindt zich een
reserve zekering.
Zie de tabel voor informatie over het gebruik en het
amperage.
204
De zekeringendoos voor (A, Fig 145) bevindt zich aan
de linkerzijde van de motorfiets en kan worden
bereikt door het linker kuipdeel voor te demonteren.
De zekeringen kunnen worden bereikt door het
beschermdeksel omhoog te plaatsen; op het
oppervlak zijn de montagevolgorde en het amperage
aangegeven.
De zekeringendoos achter (B, Fig 146) bevindt zich
onder het zadel naast de regeleenheid van de ABS.
Demonteer het zadel voor toegang tot de
zekeringendoos, zie pag. 143. Men kan bij de
zekeringen komen door eerst het deksel van de doos
te halen waarop de montage en de stroomsterkte zijn
aangegeven.
A
1 2 3 4 5 6
Fig 145
1
B
2 3 4 5 6 7
Fig 146
205
Legenda zekeringendoos voor
Pos Gebruikers Waarde
1 Verlichting 10 A
2 Instrumentenpaneel 10 A
3 Key-1 15 A
4 Key-2 10 A
5 Key-7SM 15 A
6 Injectie 20 A
7 - -
Legenda zekeringendoos achter
Pos Gebruikers Waarde
1 Key-sense 7,5 A
2 Diagnose 7,5 A
3 Black Box (BBS) 10 A
4 ABS 1 30 A
5 ABS 2 25 A
6 Alarm 10 A
7 ECU 7,5 A
206
De hoofdzekering (C) bevindt zich in de buurt van de
zekeringendoos achter op het startrelais (D). Om de
zekering te bereiken moet het beschermdeksel (E)
worden verwijderd. Een doorgebrande zekering kunt
u herkennen aan een onderbroken geleider in de
zekering (F).
Belangrijk
Om mogelijke kortsluitingen te voorkomen,
dient u de zekering te vervangen terwijl de
startsleutel op OFF staat.
Let op
Voorkom dat u zekeringen monteert die andere
eigenschappen dan voorgeschreven hebben.
Overtreding van dit voorschrift kan schade aan het
elektrisch systeem of zelfs brand tot gevolg hebben.
C D
E
Fig 147
F F
Fig 148
207
Legenda bedradingsschema elektrische
leiding/injectie
1) De stuurschakelaar rechts
2) Startmechanisme (sleutelblok)
3) Hoofdrelais
4) Schakelaar
5) Wisselstroomdynamo
6) Navigatie systeem
7) zekeringendoos voor
8) Startmotor
9) Met zekering beschermd relais
10) Accu
11) Massa bedrading
12) Verwerving gegevens / diagnose
13) zekeringendoos achter
14) ABS-besturing
15) Diagnose ABS
16) Snelheidssensor voorwiel
17) Snelheidssensor achterwiel
18) Rechterklep
19) Linkerklep
20) Achterlicht
21) Richtingaanwijzer rechtsachter
22) Kabel achter
23) Richtingaanwijzer linksachter
24) Uitlaatklepactuator
25) Voertuigregeleenheid (BBS)
26) Diefstalalarm
27) Schakelaar oliedruk
28) Versnellingssensor
29) Schakelaar zijstandaard
30) Koppelingschakelaar
31) Fasesensor
32) Verticale MAP-sensor
33) Horizontale MAP-sensor
34) Motortemperatuur
35) Verticale lambdasonde
36) Horizontale lambdasonde
37) Gashendelsensor (APS)
38) Startmotor potentiometer / ride-bywire (TPS/
ETV) horizontaal
39) Startmotor potentiometer / ride-bywire (TPS/
ETV) verticaal
40) Horizontale bobine
41) Verticale bobine
42) Horizontaal hoofdinspuitventiel
43) Verticaal hoofdinspuitventiel
44) Actuator secundaire lucht
45) Benzinepomp
46) Brandstofpomprelais
47) Regeleenheid - connector frame
208
48) Regeleenheid - connector motor
49) Schakelaar links
50) Richtingaanwijzer linksvoor
51) Claxon
52) Luchttemperatuursensor
53) Verwarmde handgrepen
54) Instrumentenpaneel
55) Remlicht achter
56) Remlicht voor
57) Richtingaanwijzer rechtsvoor
58) Koplamp
59) Seriële lijn
60) Immobilizer
Kabelkleuren: legenda
B Blauw
W Wit
V Paars
Bk Zwart
Y Geel
R Rood
Lb Lichtblauw
Gr Grijs
G Groen
Bn Bruin
O Oranje
P Roze
Opmerkingen
Het bedradingsschema zit achteraan in dit
boekje.
209
Geheugensteuntje voor
onderhoudsbeurten
Geheugensteuntje voor onderhoudsbeurten
KM NAAM
DUCATI SERVICE
KILOMETERSTAND DATUM
1000
15000
30000
45000
60000
210
Cod. 913.7.230.1Q
Stampato 01/2014
2 1
1 2 3 4 5 6 7
30A
BW Bk
FREE
PUSH
RW
OFFRUN
STARTER
RBk
3421
10 W
dx
sx
2
1
10 W
RB
OFF PUSH
OFF PUSH
TURN
HORN
PASSING
8
4
2
1
3
5
6
RB
BY
R
SET UP
SET DOWN
PUSH
Bk
R
PUSH FREE
RB
OFF PUSH
HI BEAM
RB
BW
B
O
Bk
Gr
N
LR
RB
C
Br
7
FREE
1 2 3
431
2
12 12 12
123 123
4
1
2
653
-+
Sns 1 Sns 2
4
1
2
653
-+
Sns 1 Sns 2
Sns 1 Sns 2 Sns 3
ADC B ADC B
212
13 4 31
2
2
13 4
8
2
7
3
1
6
4
5
14
15
25
28
32
12
31
11
18
10
1
19
3
2
30
27
W/Bk
W/G
Y
Bk
3
4
10 W
10 W
1
2
1
2
3
1212
HALL
21
10
11
26
15
16
17
19
21
22
12
20
13
23
25
8
1
18
9
2
3
24
4
5
6
7
14
HV
G/B
W/Bk
Bk
ENGINE STOP
Can Low
Can HI
In Left/Right indicator
Menu Input
Passing_Start_stop_lap
HI Beam input
Claxon Out
T air input
SnS Gnd
Claxon Input
Key_sense
VBatt1
Vbatt2
Gnd1
Gnd2
Can Low
Can Hi
Menu confirm_Off indicator
Front left ind out
Front right ind out
SnS 5V
brake sw
Gr/Bk
Gr
B/Y
Br
O
B
B/W
Gr
Br
O
B
B/W
B/Y
V/Bk
W/Bk
G/Bk
R/B
Bk/G
Lb
Y/Gr
R/Y
Gr/G
W/B
Bk
Bk
R/Y
R/Y
R/Bk
O
R/GR/G
Bk Bk
Y/W
Bk
Gr/Bk
Gr/G
R/Bk
R/Y
Bk/W
Bk/O
Y/B
Bn/R
Bk/B
Gr/R
Gr/R
Grip Heather
P/Bk
P/Bk
R/B
Bk
W/V
Gr/R
W/V
W/V
R/Bk
R/Bk
Pilotaggio_elettroventole
Motorino EXVL DC (+)
Motorino EXVL DC (-)
Indicatore sx
Pilotaggio luce stop Posteriore
Indicatore dx
Feed Back Pot E XVL
GND
GND Sensor
Sonda Livello Carb
V. batt.
Key sense
Bn/R
5V Acc/ex/Gera Supply
GND
Y
RGB Gy Y
Or B
R
R/Y
O
+-
Bk
R/Bk
BkBk
B/Bk
Y
YY
Bk
Bk
R
R
1 2 3 4
Gr/Bk
R/Y
R/Y
R
R/Y
Bk
UBVR
UBMR
R/Gr
R/Y
Gr/G
R
R
3 DBW2+
4 SNSSPLY2_GND
5 PPWS_GND
6 SNSSPLY1_GND
9 O2SENS+2
10 O2SENS+1
12 ENGINE TEMP.
13 PPS RED1
14 SERIAL LINE
15 DBW2-
16 PWS_GND
17 SNSSPLY1_GND
20 RPM-
21 TPSRED2
22 O2SENS-1
24 MANPRES1
25 SNSSPLY1
26 SNSSPLY2
27 IGN2
28 IGN1
32 O2HEAT1
35 RPM+
36 TPS2
37 AIRTEMP
38 O2SENS-2
39 PPS1
40 KEYREQ
41 DBW1+
42 PPWS_BAT
43 SUPP_AIR_VAL
44 O2HEAT2
47 PHASEIN
48 TPS1
49 MANPRES2
50 TPSRED1
52 PWS
53 INJ1_2
56 CLUTCHSW
57 SNSSPLY2_GND
58 ENGSTART
63 SNSSPLY2
64 NEUTRALSW
66 CANL
67 INJ2_2
69 AB_AVVIA
70 SIDESTAND
73 FPUMPREL
76 SPAREDIG_PRESS OIL
78 RUNSTOPSW
80 CANH
diretto
Key
Gnd
out pilot light
Led
V O
Bn/W Bn/W
Bk
Gr/BkGr/Y
VM OM
Bn/W
Bn/W G/Y
Bk/V
G/W
SC
W
Bk
W/Bk W/Y
Bn/W
R/Y
12 3 4 5 6 7 8 9 10 12 13 14 15 16 17 1811
B
HALL
21
B
+
-
R/W
Bk
Bn/W
AIS
51 SNSSPLY1
Lb/Bk
Lb/R
Bk/V
Bk
Bk/G
G/V
G/Y
G/W
O/Bk
Lb Bk
Bk/V O/G
Gr
G/Y
Bn/R
Bn/V
Gr/P
Gr/Y
Lb/O Lb/V
WO/Gr Bk/Y
G/B
R/BkR/Bk
B
W/Gr O/B
G/B
G/Y
R/Y
R/Bk
G/Y
W/Gr W/B
Y/G
Gr/G
Gr/G
B/Bk
W/Bk
Bn/Bk
W/Y
P/Bk
Gr/Bk
Bn/Bk
Lb/R
Lb/Bk
O/G
O/Gr
Bk/V
Bn/V O/B
G/Y
Lb/O
Lb/V
Bn/V
Bk/G G/B
Bn/R
Bk/G
Bk/V
Bn/V
O/Bk
G/V
Gr
R/Bk
W
R/Bk
W
G/V
Bk/Y G/Y G/B
G/O
G/O
Bk/V Bk/V
Bn/R Bn/V
Y/G
R/G
Bk
Bk/O
Bk/V
Y/B
W/Bk
Gr/R
Gr/R
W/G
Bk/B
Gnd Ecu
Can HI
in Signal Speed Front-DSV
Key sense-UZ
V batt 2-UBVR
MGnd
Can Low
Supply front Sns speed-DPV
Supply rear Sns speed-DPH
in Signal Speed Rear-DSH
Diretto UBMR
R/Bk R/Y Gr/G Bn/R R/Y
Bn/RBk
Gr/Bk
B Bk B
Bn/R Bn/R
Bk/V
R/Bk
Bk
R/Y
Y/Bk
R
R
G/B
29 DBW1-
23 PPS2
B
Lb
Bk
R/Y R/W
R
Bn
RR/Bk
R/Bk
R/BkR
R/W R/W
1 2 3 4 5 6 7
R
R
R
Low Beam
Hi Beam
Aerial +
Led Antifurto
Aerial -
21 3
K serial communication
Bk
Bk
Bk
Gr
W/Bk
W/G
Y
Bk
Y
Bk
G
G
R/W
R/Bk
R/Y R/Y
R/Y
R/Y
R/Y
Optional
Bk
Bk/W
n.c.
n.c.
n.c.
G
Bk
Y
Bk
Lb
R/Bk
R/Y
Bk/G
V/Bk
R/Y
Hypermotard
01
60 02
03
11
12 13
14 15 16 17
1918
20
21
22
23
24
33
05 06
07
09
08
10
25
27282930
26
32 31
34
35
36
37
3839
4041
42
4344
45
46
4748
50
49
51
52
53
54
55
56
57
58
59
04
cod. 913.7.230.1P
188

Hulp nodig? Stel uw vraag in het forum

Spelregels

Misbruik melden

Gebruikershandleiding.com neemt misbruik van zijn services uitermate serieus. U kunt hieronder aangeven waarom deze vraag ongepast is. Wij controleren de vraag en zonodig wordt deze verwijderd.

Product:

Bijvoorbeeld antisemitische inhoud, racistische inhoud, of materiaal dat gewelddadige fysieke handelingen tot gevolg kan hebben.

Bijvoorbeeld een creditcardnummer, een persoonlijk identificatienummer, of een geheim adres. E-mailadressen en volledige namen worden niet als privégegevens beschouwd.

Spelregels forum

Om tot zinvolle vragen te komen hanteren wij de volgende spelregels:

Belangrijk! Als er een antwoord wordt gegeven op uw vraag, dan is het voor de gever van het antwoord nuttig om te weten als u er wel (of niet) mee geholpen bent! Wij vragen u dus ook te reageren op een antwoord.

Belangrijk! Antwoorden worden ook per e-mail naar abonnees gestuurd. Laat uw emailadres achter op deze site, zodat u op de hoogte blijft. U krijgt dan ook andere vragen en antwoorden te zien.

Abonneren

Abonneer u voor het ontvangen van emails voor uw Ducati Hypermotard - 2014 bij:


U ontvangt een email met instructies om u voor één of beide opties in te schrijven.


Ontvang uw handleiding per email

Vul uw emailadres in en ontvang de handleiding van Ducati Hypermotard - 2014 in de taal/talen: Nederlands als bijlage per email.

De handleiding is 5,94 mb groot.

 

U ontvangt de handleiding per email binnen enkele minuten. Als u geen email heeft ontvangen, dan heeft u waarschijnlijk een verkeerd emailadres ingevuld of is uw mailbox te vol. Daarnaast kan het zijn dat uw internetprovider een maximum heeft aan de grootte per email. Omdat hier een handleiding wordt meegestuurd, kan het voorkomen dat de email groter is dan toegestaan bij uw provider.

Stel vragen via chat aan uw handleiding

Stel uw vraag over deze PDF

Uw handleiding is per email verstuurd. Controleer uw email

Als u niet binnen een kwartier uw email met handleiding ontvangen heeft, kan het zijn dat u een verkeerd emailadres heeft ingevuld of dat uw emailprovider een maximum grootte per email heeft ingesteld die kleiner is dan de grootte van de handleiding.

Er is een email naar u verstuurd om uw inschrijving definitief te maken.

Controleer uw email en volg de aanwijzingen op om uw inschrijving definitief te maken

U heeft geen emailadres opgegeven

Als u de handleiding per email wilt ontvangen, vul dan een geldig emailadres in.

Uw vraag is op deze pagina toegevoegd

Wilt u een email ontvangen bij een antwoord en/of nieuwe vragen? Vul dan hier uw emailadres in.



Info