637543
15
Verklein
Vergroot
Pagina terug
1/372
Pagina verder
INSTRUCTIEBOEKJE
Het online-instructieboekje
Als u het instructieboekje online raadpleegt, hebt u tevens
toegang tot de meest recente informatie. Deze informatie is
gemakkelijk te herkennen aan de paginamarkering die wordt
weergegeven met dit pictogram:
Als de rubriek "MyCitroën" niet beschikbaar is op de website van
Citroën voor uw land, kunt u uw instructieboekje op het volgende
internetadres raadplegen:
http://service.citroen.com
Selecteer:
Uw instructieboekje is ook te vinden op de website van Citroën, in
de rubriek "MyCitroën".
Op deze persoonlijke pagina vindt u informatie over onze producten
en diensten en kunt u rechtstreeks contact opnemen met het merk.
de link "Boorddocumentatie" op de startpagina (u hoeft zich niet aan te
melden),
de taal,
het model van uw auto en de carrosserie-uitvoering,
de uitgifteperiode van uw instructieboekje die overeenkomt met de
datum van deel 1A van het kentekenbewijs van uw auto.
U kunt hier online uw instructieboekje bekijken en hebt toegang tot
de meest recente gegevens via het pictogram:
Citroën beschikt wereldwijd over
een uitgebreid gamma modellen.
Modellen die worden gekenmerkt door
een geraffineerde mix van hoogwaardige
techniek en constante innovatie, evenals
een moderne en creatieve benadering
van het begrip mobiliteit.
Wij danken u voor uw keuze en wensen
u veel plezier met uw auto.
Het gedeelte "Eerste kennismaking" vóór
in dit document is bedoeld om uw auto op
eenvoudige wijze te leren kennen. Om optimaal
en in alle veiligheid gebruik te kunnen maken
van uw auto is het lezen van de hoofdstukken
met uitgebreide informatie echter noodzakelijk.
Uw auto is, afhankelijk van het
uitrustingsniveau, de uitvoering en de
specifieke kenmerken voor het land waarvoor
uw auto bestemd is, slechts van een deel van
de in dit boekje vermelde uitrustingen voorzien.
Het monteren van elektrische uitrustingen of
accessoires die niet onder een artikelnummer
in het assortiment van Citrn voorkomen,
kan storingen in het elektronisch systeem
van uw auto veroorzaken. Wij verzoeken u
hier rekening mee te houden en contact op te
nemen met een vertegenwoordiger van het
merk Citrn om u te laten informeren over
het assortiment uitrustingen en accessoires
voorzien van een artikelnummer.
Achter het stuur van uw nieuwe auto
geniet u optimaal
als u elke uitrusting,
elke schakelaar
en elke instelling kent.
Goede Reis.
Wij maken u attent op het volgende:
Inhoudsopgave
Inhoudsopgave
6
IN EEN OOGOPSLAG
356
TREFWOORDENREGISTER
361
ZOEKEN OP AFBEELDING
Symbolen
veiligheidswaarschuwing
aanvullende informatie
adviezen met betrekking tot de
bescherming van het milieu
programmeren van een functie via het
configuratiemenu
verwijzing naar aangegeven pagina
001
001
002
002
003
003
004
004COMFORTTOEGANG TOT
DE AUTO
CONTROLE TIJDENS
HET RIJDEN
RIJDEN
30 Instrumentenpaneel
31 Verklikkerlampjes
42 Meters
46 Regelknoppen
48 Datum en tijd instellen
48 Klokje
50 Boordcomputer
54 Elektronische sleutel -
afstandsbediening
56 "Keyless entry and start"-
systeem
64 Achterklep
65 Alarm
68 Elektrisch bedienbare ruiten
70 Cockpit roof
72 Brandstoftank
73 Vulpistoolrestrictie (diesel)
78 Voorstoelen
83 Achterbank
86 Spiegels
87 Stuurwielverstelling
88 Voorzieningen interieur
92 Voorzieningen van de
bagageruimte
93 Gevarendriehoek (opbergen)
94 Verwarming en ventilatie
96 Automatische airconditioning
met gescheiden regeling
100 Achterruitverwarming
104
Starten - afzetten van de motor
107 Elektrische parkeerrem
114 Hill holder
115 Handgeschakelde
versnellingsbak
116 Automatische
versnellingsbak
120 Elektronisch gestuurde
versnellingsbak
124 Schakelindicator
125
Controlesysteem bandenspanning
127 Stop & Start
130 Lane Departure Warning
System (LDWS)
131 Head-up display
134 Snelheidsbegrenzer
136 Snelheidsregelaar
138 Parkeerhulp
140 Achteruitrijcamera
005
005
006
006
007
007
008
008
VEILIGHEID
PRAKTISCHE
INFORMATIE
VEILIG VERVOEREN
VAN KINDEREN
ZICHT
144 Lichtschakelaar
147 Verlichting overdag
148 Automatische verlichting
149 Automatische schakeling
grootlicht/dimlicht
152 Koplampen verstellen
153 Meedraaiende koplampen
155 Ruitenwisserschakelaar
157 Automatische ruitenwissers
159 Plafonniers
160 Sfeerverlichting
164 Kinderzitjes
166 Uitschakelen van de
passagiersairbag vóór
172 ISOFIX-bevestigingen
177 Kinderbeveiliging
180 Richtingaanwijzers
181 Urgence-oproep of
Assistance-oproep
181 Claxon
182 ESP
186 Veiligheidsgordels
189 Airbags
196 Bandenreparatieset
202 Wiel verwisselen
210 Sneeuwkettingen
211 Een lamp vervangen
219 Zekeringen vervangen
222 12V-accu
225 Eco-mode
226 Wisserbladen vervangen
227 Slepen van uw auto
228 Trekken van een aanhanger
230 Allesdragers monteren
231 Accessoires
009
009
010
010
011
011
ONDERHOUD TECHNISCHE
GEGEVENS
AUDIO EN
DATACOMMUNICATIE
237 Openen van de motorkap
238 Benzinemotoren
239 Dieselmotoren
240 Brandstoftank leeg (Diesel)
241 Niveaus controleren
245 Controles
250 Benzinemotoren
251 Gewichten (benzine)
253 Dieselmotoren
255 Gewichten (diesel)
259 Afmetingen
260 Identi catie
264 Urgence-oproep of
Assistance-oproep
267 eMyWay
323 Audio-installatie
In één oogopslag
In één oogopslag
56, 104
127
153147
Elektronische sleutel: keyless
entry and start
Met dit systeem kunt u de auto openen en
sluiten en de motor starten zonder dat u de
sleutel uit uw zak hoeft te halen. De sleutel
moet zich wel in het detectiegebied bevinden.
Buitenzijde
Stop & Start
Dit systeem zet de motor tijdelijk af als u stopt (bij rood licht,
opstoppingen enz.). De motor wordt automatisch weer gestart als u
weer weg wilt rijden. Het Stop & Start-systeem zorgt voor een lager
brandstofverbruik, minder uitstoot van schadelijke stoffen en een
aangename rust in het interieur tijdens het wachten.
Meedraaiende koplampen
Deze voorziening geeft u automatisch meer
zicht in bochten.
Dagrijverlichting
Deze verlichting, die automatisch gaat branden
bij het starten van de motor, zorgt ervoor dat de
auto beter gezien kan worden door de overige
weggebruikers.
149
138
196
140
9
Eerste kennismaking
Automatische schakeling
grootlicht/dimlicht
Dit systeem zorgt ervoor dat, afhankelijk van
de hoeveelheid licht in de omgeving en de
verkeerssituatie, automatisch wordt overgeschakeld
van grootlicht naar dimlicht en omgekeerd. Hiertoe
bevindt zich een camera op de binnenspiegel.
Parkeerhulp voor- en achter
Deze voorziening waarschuwt u tijdens
parkeermanoeuvres voor obstakels vóór en
achter de auto.
Bandenreparatieset
Met deze complete set, bestaande uit een
compressor en een flacon met afdichtmiddel,
kunt u een noodreparatie aan een band
uitvoeren.
Buitenzijde
Achteruitrijcamera
Deze functie, die alleen beschikbaar is op
uitvoeringen met navigatie, wordt automatisch
geactiveerd als u de achteruitversnelling
inschakelt; het zicht naar achteren wordt
vervolgens weergegeven op het kleurenscherm.
Stickersets voor
persoonlijke styling
Het wassen van de auto in een autowasstation
met hogedrukreinigingsinstallatie is niet
toegestaan.
72
54
64
56
Openen
1. Openen van de brandstoftankklep.
Inhoud van de brandstoftank: ongeveer 60 liter.
Brandstoftank
Openen
Houd uw hand, terwijl de elektronische sleutel zich in het
detectiegebied A bevindt, achter de buitenportiergreep
om de auto te ontgrendelen, trek vervolgens aan de
portiergreep om het portier te openen.
Sluiten
Houd, terwijl de elektronische sleutel zich in het
detectiegebied A bevindt, een vinger tegen de
portiergreep (bij de merktekens) om de auto te
vergrendelen.
Elektronische sleutel
A. Ontgrendelen van de auto.
B. Vergrendelen van de auto.
C. Openen van de achterklep en volledig
ontgrendelen van de auto.
Keyless entry and start
Achterklep
1. Openen achterklep (druk op de knop tot u
de achterklep hoort ontgrendelen).
131
90
323
267
82
107
312
347
11
Eerste kennismaking
Interieur
Head-up display
Dit systeem projecteert de informatie over de
wagensnelheid en de snelheidsbegrenzer/
snelheidsregelaar op een getint scherm in het
gezichtsveld van de bestuurder, zodat deze
de blik op de weg gericht kan houden.
Centraal opbergvak met uitrusting
Dit opbergvak, dat diverse compartimenten
bevat, is voorzien van verlichting en heeft een
koelfunctie. Het bevat verder ruimte voor een
halve-literfles en is uitgerust met een USB-box.
Audio- en
communicatiesystemen
Deze systemen zijn voorzien van de
nieuwste technologie: autoradio met MP3-
afspeelmogelijkheid, USB-aansluiting,
Bluetooth-handsfree set, navigatiesysteem
met kleurenscherm, AUX-aansluitingen, hifi-
audiosysteem, ...
eMyWay
Autoradio - Bluetooth
®
Massagefunctie
Deze functie masseert uw lendenen
gedurende circa 60 minuten. De massage
bestaat uit zes cycli van tien minuten.
Elektrische parkeerrem
Deze parkeerrem wordt automatisch
aangetrokken wanneer de motor wordt
afgezet, en vrijgezet bij het wegrijden. Het blijft
echter mogelijk de parkeerrem handmatig te
bedienen.
U kunt verschillende functies
van uw auto configureren via het
configuratiemenu.
Met eMyWay
Met Autoradio - Bluetooth
®
72
65
64
107
104
128
139
177
184
149
130
62
Het branden van een verklikkerlampje geeft aan of de bijbehorende functie is in- of uitgeschakeld.
Schakelaars
Openen van de brandstofvulklep.
Openen van de koffer.
Inbraakalarm uitschakelen.
Elektrische parkeerrem geactiveerd.
Keyless starten en afzetten van de motor.
Uitschakelen van het Stop & Start-systeem.
Uitschakelen parkeerhulp.
Elektrische kinderbeveiliging.
Uitschakelen van het CDS/ASR-
systeem.
Inschakelen van Automatische
schakeling grootlicht/dimlicht.
Inschakelen van Lane Departure
Warning.
Vergrendelen/ontgrendelen van het
interieur.
78
79
13
Eerste kennismaking
Juiste zitpositie
Voorstoelen
Handmatig verstellen
1.
Hoogte- en hoekverstelling van de hoofdsteun.
2. Rugleuningverstelling.
3. Hoogteverstelling van de zitting.
4. Verstelling in lengterichting van de stoel.
5. Verstelling van de lendensteun van de
bestuurdersstoel .
Elektrisch
1. Hoek- en hoogteverstelling van de zitting
en verstelling in lengterichting.
2. Rugleuningverstelling.
3. Verstelling van de lendensteun van de
bestuurdersstoel .
4. Handmatig verstellen van de zitting.
14. Schakelaars ruiten / elektrisch bediende
kindersloten / centrale vergrendeling.
15. Bedieningspaneel van eMyWay.
16. Versnellingspook.
17. Bedieningspaneel verwarming/
airconditioning.
18. Autoradio.
19. Alarmknipperlichten.
20. Display.
21. Middelste verstelbare en afsluitbare
ventilatieroosters.
22. Klokje.
23. Starten met START/STOP-knop.
24. Lezer van de elektronische sleutel.
25. Schakelaar ruitenwissers/ruitensproeiers/
boordcomputer.
26. Bediening van de autoradio vanaf het
stuurwiel .
Cockpit
1. Hendel motorkapontgrendeling.
2. Koplampverstelling.
3. Verstelbare en afsluitbare
zijventilatieroosters.
4. Ontwaseming van de voorportierruiten.
5. Ontwaseming voorste zijruiten.
6. Head-up display.
7. Voorruitontwaseming.
8. Airbag passagier.
9. Dashboardkastje / Uitschakeling
passagiersairbag.
10. 12V-aansluiting.
11. Bediening ruiten achter.
12. Middenarmsteun met opbergvakken
USB/Jack-aansluiting.
13. Elektrische parkeerrem.
27. Airbag bestuurder.
Claxon.
28. Schakelaars snelheidsregelaar/-begrenzer.
29. Schakelaarpaneel (zie vorige pagina).
30. Afstellen buitenspiegels.
31. Schakelaar verlichting en
richtingaanwijzers.
32. Instrumentenpaneel.
33. Verklikkerlampjes veiligheidsgordels
en airbags.
34. Plafonnier.
35. Bediening head-up display.
36. Bediening zonnescherm cockpit roof.
37. Oproep naar Citrn Urgence met
lokalisering - Oproep naar Citrn
Assistance met lokalisering (per land
verschillend).
15
Eerste kennismaking
81
87
82
Juiste zitpositie
Verstellen van de hoofdsteun
1. Ontgrendelen van het stuurwiel met de
hendel.
2. Verstellen in hoogte en diepte.
3. Vergrendelen van het stuurwiel met de
hendel.
Stuurwiel verstellen
Deze handelingen moeten uit
veiligheidsoverwegingen uitsluitend
worden uitgevoerd als de auto stilstaat.
Bediening stoelverwarming
0 : uit.
1 : laag.
2 : gemiddeld.
3 : hoog.
Druk de nok A in en druk tegelijkerrtijd de
hoofdsteun naar beneden om deze lager te zetten.
Beweeg om de hoofdsteun hoger te zetten deze
omhoog tot de gewenste positie is bereikt.
Beweeg om de hoek van de hoofdsteun te
verstellen de onderzijde van de hoofdsteun naar
voren of naar achteren.
86
87
186
17
Eerste kennismaking
Comfort
Buitenspiegels
Verstellen
1.
Selecteren van de linker of rechter buitenspiegel.
2. Verstellen van de buitenspiegel.
3. In de neutraalstand zetten van de
selectieschakelaar van de buitenspiegel.
4. Inklappen van de buitenspiegel.
Binnenspiegel
1.
Automatisch instellen van de dag- of nachtstand.
2. Verstellen van de binnenspiegel.
Veiligheidsgordels vóór
1. Vastmaken.
2. Hoogteverstelling.
146
155
157
156
145
Zicht
Verlichting
Ring A
Ring B
Ruitenwissers
Schakelaar A: ruitenwissers vóór
2 . Hoge snelheid.
1. Normale snelheid.
Int. Interval.
0. Uit.
AUTO Automatische ruitenwissers.
È Een keer wissen: trek de hendel één
keer naar u toe.
Ruitensproeiers: trek de hendel naar u toe en
houd de hendel enige tijd in deze stand.
Inschakelen van de stand "AUTO"
) Beweeg de hendel één keer omlaag.
Uitschakelen van de stand "AUTO"
) Beweeg de hendel nogmaals één keer
omlaag of zet de hendel in een andere
stand (Int., 1 of 2).
Ring B: ruitenwisser achter
Uit.
Automatische verlichting.
Parkeerlicht.
Dimlicht/grootlicht.
Mistlampen vóór en mistachterlicht.
Uit.
Interval.
Ruitensproeier.
31
73, 45
19
Eerste kennismaking
1. Als het contact wordt aangezet, gaan de
oranje en rode waarschuwingslampjes
branden.
2. Bij draaiende motor moeten deze lampjes
weer uitgaan.
Raadpleeg de desbetreffende bladzijde als er
lampjes blijven branden.
Verklikkerlampjes
Wanneer u het contact aanzet, slaan alle
meters uit en keren vervolgens terug naar de
'0"-stand.
A. Als het contact wordt aangezet, geven de
lichtblokjes het resterende brandstofniveau
weer.
B. Bij draaiende motor moet het
verklikkerlampje laag brandstofniveau
uitgaan.
Instrumentenpaneel
C. Als het contact wordt aangezet, wordt op
het display van het instrumentenpaneel het
motorolieniveau weergegeven. *
Ga indien nodig tanken of vul olie bij.
Controle tijdens het rijden
* Volgens uitvoering.
190
187, 190
A. Verklikkerlampje niet-vastgemaakte/
losgemaakte veiligheidsgordel linksvoor.
B. Verklikkerlampje niet-vastgemaakte/
losgemaakte veiligheidsgordel rechtsvoor.
C. Verklikkerlampje niet-vastgemaakte/
losgemaakte veiligheidsgordel rechtsachter.
D. Verklikkerlampje niet-vastgemaakte/
losgemaakte veiligheidsgordel middenachter.
Veiligheidsgordels voor en
frontairbag aan passagierszijde
E. Verklikkerlampje niet-vastgemaakte/
losgemaakte veiligheidsgordel linksachter.
F. Verklikkerlampje uitgeschakelde airbag
vóór aan passagierszijde.
G. Verklikkerlampje ingeschakelde airbag
vóór aan passagierszijde.
1. Open het dashboardkastje.
2. Steek de sleutel (geïntegreerd in de
elektronische sleutel) in de schakelaar.
3. Selecteer de stand:
"ON" (inschakelen) wanneer een
passagier op de voorstoel zit of een
kinderzitje voor vervoer met het gezicht in
de rijrichting is bevestigd,
"OFF" (uitschakelen) wanneer een kinderzitje voor
vervoer met de rug in de rijrichting is bevestigd.
4. Verwijder de sleutel zonder de stand van de
schakelaar te veranderen.
Airbag voorpassagier
Veiligheid voor alle inzittenden
107
21
Eerste kennismaking
Als het verklikkerlampje op het
instrumentenpaneel brandt, is de functie
van het automatisch aantrekken/
vrijzetten uitgeschakeld . Trek de
parkeerrem dan handmatig aan.
Controleer voordat u uitstapt of
het parkeerremlampje en het
verklikkerlampje P op de bediening A
permanent branden .
Als u een aanhanger of een caravan
trekt en de hellingscondities mogelijk
variëren (transport via de boot,
vrachtauto, slepen...) trek dan de
parkeerrem met de hand maximaal
aan - trek de hendel A zo ver mogelijk
uit - totdat de auto stilstaat.
* Volgens uitvoering.
Automatisch aantrekken/
vrijzetten van de parkeerrem *
Laat het koppelingspedaal langzaam
opkomen terwijl u gasgeeft (handgeschakelde
versnellingsbak): de parkeerrem wordt automatisch
en geleidelijk vrijgezet terwijl u gasgeeft.
Wanneer de auto stilstaat en de motor is
afgezet, wordt de parkeerrem automatisch
aangetrokken.
Wanneer u bij draaiende motor
het bestuurdersportier opent en u
een geluidssignaal hoort, trek dan
handmatig de parkeerrem aan.
Laat nooit een kind zonder toezicht in
de auto achter wanneer het contact
aanstaat; het kind zou de parkeerrem
dan kunnen vrijzetten.
Handmatig aantrekken/vrijzetten
van de parkeerrem
Het handmatig aantrekken van de parkeerrem
is mogelijk door aan de bediening A te trekken .
Wanneer het contact aanstaat, kunt u de
parkeerrem handmatig vrijzetten door het
rempedaal in te trappen en de hendel A naar
u toe te trekken en vervolgens los te laten.
Elektronisch bediende parkeerrem
Veilig rijden
104
Starten bij temperaturen boven
nul
- Houd het rempedaal ingetrapt.
- Druk de START/STOP -knop kort in
(ongeveer 1 seconde).
Starten bij temperaturen
onder nul
Wacht tot het voorgloeilampje is gedoofd:
- Druk zonder het rempedaal in te trappen
kort op de START/STOP-knop.
- Wacht tot het voorgloeilampje is gedoofd.
- Druk, terwijl u het rempedaal ingetrapt
houdt , kort op de START/STOP-knop.
Rijden
Starten - afzetten van de moter
Alvorens u de auto start
- Zet de schakelhendel in de vrijstand
of in de stand N bij de elektronisch
gestuurde versnellingsbak of automatische
transmissie.
- Steek de elektronische sleutel van het
Keyless entry and start-systeem in de lezer
of leg deze in de auto.
134
136
124
23
Eerste kennismaking
Rijden
Snelheidsbegrenzer "LIMIT"
1. Selecteren van de snelheidsbegrenzer.
2. Verlagen van de ingestelde snelheid.
3. Verhogen van de ingestelde snelheid.
4. Onderbreken/hervatten van de
snelheidsbegrenzing (pause).
5. Weergave van de lijst met opgeslagen
snelheden (via het menu van de autoradio).
Het instellen van de snelheid is alleen mogelijk
bij draaiende motor.
Snelheidsregelaar
"CRUISE"
1. Selecteren van de snelheidsregelaar.
2. Instellen van een snelheid / Verlagen van
de ingestelde snelheid.
3. Instellen van een snelheid / Verhogen van
de ingestelde snelheid.
4. Onderbreken/hervatten van de
snelheidsregeling (pause).
5. Weergave van de lijst met
geprogrammeerde snelheden (via het
menu van de autoradio)
Het instellen van een snelheid en het activeren
van de snelheidsregelaar is alleen mogelijk
bij een rijsnelheid hoger dan 40 km/h, vanaf
de 4e versnelling bij een handgeschakelde
versnellingsbak (2e bij een elektronisch gestuurde
versnellingsbak of automatische transmissie).
Weergave op het instrumentenpaneel
Als de snelheidsregelaar of -begrenzer is
ingeschakeld, verschijnen de instellingen van
het systeem op het instrumentenpaneel.
Schakelindicator
Dit systeem kan u adviseren de versnelling in te schakelen
die het best geschikt is voor de rijomstandigheden.
127
128 128
Onder het rijden
Stop & Start
Overgang naar de STOP-stand
van de motor
Het verklikkerlampje "ECO" op het
instrumentenpaneel gaat branden en
de motor komt in de standby-stand:
Overgang naar de START-stand
van de motor
Uit-/inschakelen
Het systeem wordt automatisch
opnieuw ingeschakeld zodra u opnieuw
start met de START/STOP-knop.
Zet tijdens het tanken en als u
handelingen onder de motorkap wilt
uitvoeren, altijd het contact af met de
START/STOP-knop.
Het verklikkerlampje "ECO" gaat uit
en de motor wordt gestart:
- als u, bij een handgeschakelde
versnellingsbak, het koppelingspedaal
volledig intrapt,
- bij een elektronisch gestuurde
versnellingsbak:
als u, met de selectiehendel in de stand
A of M , het rempedaal loslaat,
of als u, met de selectiehendel in de
stand N en het rempedaal losgelaten, de
selectiehendel in de stand A of M zet,
of als u de achteruitversnelling
inschakelt.
- bij een automatische transmissie:
als u, met de selectiehendel in de stand
D of M , het rempedaal loslaat,
of als u, met de selectiehendel in de
stand N en het rempedaal losgelaten, de
selectiehendel in de stand D of M zet,
of als u de achteruitversnelling inschakelt.
U kunt deze functie op elk willekeurig moment
uitschakelen door de schakelaar "ECO OFF"
in te drukken; het verklikkerlampje in de
schakelaar gaat branden.
- als u, bij een handgeschakelde
versnellingsbak, bij een snelheid
lager dan 20 km/h of bij stilstaande
auto bij de uitvoering Blue HDi 120, de
versnellingshendel in de neutraalstand zet
en het koppelingspedaal loslaat,
- als u, bij een elektronisch gestuurde
versnellingsbak, bij een snelheid lager
dan 8 km/h het rempedaal intrapt of de
selectiehendel in de stand N zet,
- als u,
bij een automatische transmissie,
bij stilstaande auto het rempedaal intrapt of
de selectiehendel in de stand N zet.
Onder bepaalde omstandigheden is de STOP-
stand niet beschikbaar; het verklikkerlampje
"ECO" knippert enkele seconden en gaat dan
uit.
Onder bepaalde omstandigheden wordt de
START-stand automatisch geactiveerd; het
verklikkerlampje "ECO" knippert enkele
seconden en gaat dan uit.
25
Eerste kennismaking
Eco-rijden
Door in de dagelijkse praktijk een aantal aanwijzingen op te volgen kunt u het brandstofverbruik en de CO
2
-uitstoot van uw auto verminderen.
Maak optimaal gebruik van de
versnellingsbak
Als uw auto is voorzien van een handgeschakelde versnellingsbak, rijd dan
rustig weg, schakel zo snel mogelijk de tweede versnelling in en schakel bij
het accelereren bij voorkeur relatief snel over naar een hogere versnelling.
Als uw auto is voorzien van een automatische transmissie of een
elektronisch gestuurde versnellingsbak, gebruik dan bij voorkeur de
automatische stand en trap het gaspedaal niet bruusk of diep in.
De schakelindicator adviseert u de versnelling in te schakelen die
het best geschikt is voor de rijomstandigheden: volg het op het
instrumentenpaneel weergegeven schakeladvies zo snel mogelijk op.
Bij auto's met een elektronisch gestuurde versnellingsbak of een
automatische transmissie wordt de opschakelindicator uitsluitend in de
handmatige stand weergegeven.
Kies voor een soepele rijstijl
Houd afstand van de auto's voor u, rem bij voorkeur af op de motor in
plaats van het rempedaal te gebruiken en trap het gaspedaal geleidelijk
in. Als u deze aanwijzingen naleeft, neemt het brandstofverbruik en de
CO
2
-uitstoot af en wordt de geluidsoverlast door het verkeer beperkt.
Als het verkeer goed doorstroomt, gebruik dan vanaf een snelheid van
ongeveer 40 km/h de snelheidsregelaar (indien aanwezig).
Gebruik op slimme wijze de elektrische
voorzieningen
Als bij het instappen blijkt dat de temperatuur in de auto hoog is
opgelopen, open dan alle ruiten en de ventilatieroosters alvorens de
airconditioning in te schakelen.
Sluit vanaf een snelheid van 50 km/h de ruiten, maar laat de
ventilatieroosters geopend.
Gebruik de voorzieningen in het interieur die de temperatuurstijging
kunnen beperken (blinderingspaneel van het panoramadak,
zonneschermen, enz.).
Schakel de airconditioning uit zodra de gewenste temperatuur is
bereikt (behalve bij auto's met een automatische airconditioning).
Schakel de achterruitverwarming en de ontwaseming uit zodra deze
niet meer nodig zijn als deze niet automatisch worden aangestuurd.
Schakel de stoelverwarming zo snel mogelijk uit.
Schakel de verlichting en de mistlampen uit als het zicht voldoende is.
Laat de motor vooral 's winters na het starten niet stationair
warmdraaien, maar rijd zo snel mogelijk weg: uw auto warmt sneller op
als u rijdt.
Sluit als passagier zo min mogelijk multimedia-apparatuur
(DVD-speler, MP3-speler, spelcomputer, enz.) op de auto aan om het
elektriciteitsverbruik, en dus het brandstofverbruik, te beperken.
Koppel externe apparatuur los als u de auto verlaat.
Beperk de oorzaken van een hoger brandstofverbruik
Verdeel het gewicht evenwichtig over de auto: plaats de zwaarste
voorwerpen in de bagageruimte, zo dicht mogelijk bij de achterbank.
Beperk de belading en de luchtweerstand (dakdragers, imperiaal,
fietsendrager, aanhanger, enz.) van uw auto. Gebruik liever een
dakkoffer.
Verwijder na gebruik de dakdragers en het imperiaal.
Vervang na de winter zo snel mogelijk de winterbanden door
zomerbanden.
Houd u aan de onderhoudsvoorschriften
Controleer regelmatig de bandenspanning (bij koude banden), houd u
daarbij aan de bandenspanning die staat vermeld op de sticker op de
portiersponning aan bestuurderszijde.
Controleer de bandenspanning met name:
- voor een lange rit,
- bij de wisseling van de seizoenen,
- als de auto gedurende langere tijd niet is gebruikt.
Vergeet niet de bandenspanning van het reservewiel en van de wielen
van de aanhanger of de caravan te controleren.
Laat uw auto regelmatig onderhouden (olie verversen, oliefilter en
luchtfilter vervangen, enz.) en houd u daarbij aan het door de fabrikant
voorgeschreven interval.
Laat bij het tanken het vulpistool niet meer dan drie keer afslaan; zo
voorkomt u dat brandstof uit de tank stroomt.
U zult bij een nieuwe auto merken dat pas na 3000 km het gemiddelde
brandstofverbruik zich stabiliseert.
27
Eerste kennismaking
001
Controle van de werking
Instrumentenpaneel benzine-diesel
1. Toerenteller (x 1000 t/min of rpm),
schaalverdeling afhankelijk van de
motoruitvoering (benzine of diesel).
2. Brandstofniveaumeter.
3. Koelvloeistoftemperatuurmeter.
4. Snelheidsmeter (km/h of mph).
5. Aanwijzingen van de snelheidsregelaar of
de snelheidsbegrenzer.
A. Dimmer dashboardverlichting en verlichting
bedieningselementen.
B. - Herhaaldelijk kort indrukken:
bandenspanningscontrole, opnieuw
weergeven onderhoudsinformatie,
logboek waarschuwingsmeldingen.
- Lang indrukken: resetten
van de geselecteerde functie
(onderhoudsindicator of dagteller).
6. Schakelindicator of weergave positie
selectiehendel (elektronisch gestuurde
versnellingsbak of automatische
transmissie).
7. Display van het instrumentenpaneel:
dagteller, waarschuwingsmeldingen,
meldingen over de status van functies
(bijv.: oliedruk, accu, geopend portier, ...),
boordcomputer, multimedia, navigatie.
8. Digitale snelheidsmeter (km/h of mph).
Meters en displays Bedieningstoetsen
31
Controle tijdens het rijden
Verklikkerlampjes
Zodra de motor wordt gestart, moeten deze
lampjes weer uitgaan.
Als het lampje blijft branden, controleer dan
voordat u gaat rijden welke functie het betreft.
Bijbehorende waarschuwingen
Sommige verklikkerlampjes kunnen gaan
branden in combinatie met een geluidssignaal
en een melding op het display van het
instrumentenpaneel.
Verklikkerlampjes kunnen constant branden of
knipperen. Sommige verklikkerlampjes kunnen
op twee manieren oplichten: permanent of
knipperend.
Aan de manier van oplichten in
combinatie met de werkingsfase van de
auto valt af te lezen of er sprake is van
een normale situatie of een storing.
Raadpleeg de onderstaande tabellen
voor meer informatie.
De verklikkerlampjes geven de bestuurder
informatie over de werking van een
systeem (ingeschakeld of uitgeschakeld) of
waarschuwen de bestuurder in het geval van
een storing (waarschuwingslampje).
Bij het aanzetten van het contact
Als het contact wordt aangezet, gaan
bepaalde waarschuwingslampjes op het
instrumentenpaneel en/of op het display van
het instrumentenpaneel enkele seconden
branden.
Controlelampje Status Oorzaak Acties / Opmerkingen
Richtingaanwijzer
links
knippert, met
geluidssignaal.
Als u de lichtschakelaar omlaag
beweegt.
Richtingaanwijzer
rechts
knippert, met
geluidssignaal.
Als u de lichtschakelaar omhoog
beweegt.
Parkeerlichten permanent. De lichtschakelaar staat in de stand
"Parkeerlichten".
Dimlicht permanent. De lichtschakelaar staat in de stand
"Dimlicht".
Grootlicht permanent. Als u de lichtschakelaar naar u toe
trekt.
Trek aan de lichtschakelaar om terug te schakelen
naar dimlicht.
Mistlampen vóór permanent. De mistlampen vóór zijn
ingeschakeld.
Draai de ring twee standen naar achteren om de
mistlampen vóór uit te schakelen.
Raadpleeg voor meer informatie over de lichtschakelaar de desbetreffende rubriek.
Automatische
schakeling
grootlicht/
dimlicht
permanent. U hebt de lichtschakelaar naar u toe
getrokken en de toets (links van het
stuurwiel) is ingedrukt.
Het controlelampje van de toets
brandt.
De camera op de binnenspiegel geeft al of niet
toestemming voor het overschakelen van het
grootlicht naar het dimlicht, afhankelijk van de
buitenverlichting en de verkeerssituatie.
Trek de lichtschakelaar naar u toe om het dimlicht
weer in te schakelen.
Verklikkerlampjes ingeschakelde functies
De volgende verklikkerlampjes op het instrumentenpaneel en/of op het display van het instrumentenpaneel geven aan dat de desbetreffende functie is ingeschakeld.
33
Controle tijdens het rijden
Mistachterlichten permanent. De mistachterlichten zijn
ingeschakeld.
Draai de ring naar achteren om de mistachterlichten
uit te schakelen.
Controlelampje Status Oorzaak Acties / Opmerkingen
Voorgloeien
dieselmotor
permanent. De startknop "START/STOP" is
ingedrukt (Contact).
Wacht met starten tot het controlelampje uitgaat.
Wanneer het lampje uitgaat, wordt de motor onmiddellijk
gestart, op voorwaarde dat het rempedaal ingetrapt blijft
bij auto's met automatische transmissie of elektronisch
gestuurde versnellingsbak, of het koppelingspedaal bij
een handgeschakelde versnellingsbak.
De wachttijd is afhankelijk van de weersomstandigheden
(tot ongeveer 30 seconden bij koud winterweer).
Als de motor niet wil aanslaan, zet dan het contact af.
Zet het contact vervolgens weer aan en wacht opnieuw
tot het lampje uitgaat voordat u de motor start.
Elektrisch
bediende
handrem
permanent. De elektrisch bediende handrem is
aangetrokken.
Zet de elektrisch bediende handrem vrij zodat het
controlelampje uitgaat: trap het rempedaal in en trek
aan de hendel van de elektrisch bediende handrem.
Houd u aan de veiligheidsvoorschriften.
Raadpleeg de desbetreffende rubriek voor meer
informatie over de elektrisch bediende handrem.
Uitschakeling
van de
automatische
werking van
de elektrische
parkeerrem
permanent. De functies "automatisch aantrekken"
(bij het afzetten van de motor)
en "automatisch vrijzetten" zijn
uitgeschakeld of werken niet.
Activeer de functie (volgens land van bestemming)
via het configuratiemenu van de auto of raadpleeg het
CITROËN-netwerk of een gekwalificeerde werkplaats
als de parkeerrem niet meer automatisch wordt
aangetrokken of vrijgezet.
Raadpleeg voor meer informatie over de elektrische
parkeerrem de desbetreffende rubriek.
Controlelampje Status Oorzaak Acties / Opmerkingen
Automatische
ruitenwissers
permanent. De ruitenwisserschakelaar is naar
beneden bewogen.
De automatische stand van de ruitenwissers vóór is
geactiveerd.
Beweeg om de automatische stand van de
ruitenwissers te deactiveren de hendel omlaag of zet
de hendel in een andere stand.
Airbag aan
passagierszijde
permanent op het
display van de
verklikkerlampjes voor
de veiligheidsgordels
en de airbag vóór aan
passagierszijde.
De schakelaar in het dashboardkastje
staat in de stand " ON ".
De passagiersairbag vóór is
geactiveerd.
Plaats in dit geval geen kinderzitje
met de rug in de rijrichting op de stoel
van de voorpassagier.
Zet de schakelaar in de stand "OFF" om de
passagiersairbag vóór uit te schakelen.
In dit geval kunt u een kinderzitje met de rug in de
rijrichting plaatsen.
Stop & Start permanent. Het Stop & Start-systeem heeft
de motor in de STOP-stand gezet
(verkeerslicht, stopbord, opstopping,
enz.).
Het lampje gaat uit en de motor wordt automatisch
gestart als u wilt wegrijden.
knippert enkele
seconden en gaat
dan uit.
De STOP-stand is nu niet
beschikbaar.
of
De motor wordt automatisch in de
START-stand gezet.
Raadpleeg voor meer informatie over de
bijzonderheden van de STOP- en START-stand de
rubriek "Stop & Start".
35
Controle tijdens het rijden
Verklikkerlampjes uitgeschakelde functies
De volgende verklikkerlampjes geven aan dat de desbetreffende functie handmatig is uitgeschakeld.
Soms klinkt er ook een geluidssignaal en verschijnt er een melding op het display van het instrumentenpaneel.
Controlelampje Status Oorzaak Acties / Opmerkingen
Passagiersairbag permanent, op
het display van de
verklikkerlampjes voor
de veiligheidsgordels
en de airbag vóór aan
passagierszijde.
De schakelaar in het dashboardkastje
staat in de stand " OFF ".
De airbag vóór aan passagierszijde is
uitgeschakeld.
Zet de schakelaar in de stand " ON " om de airbag vóór
aan passagierszijde in te schakelen.
Bevestig in dit geval op deze zitplaats geen kinderzitje
met de rug in de rijrichting.
Waarschuwingslampjes
Als bij draaiende motor of tijdens het rijden een van de volgende verklikkerlampjes gaat branden, wijst dit op een storing in het desbetreffende systeem
en moet de bestuurder actie ondernemen.
Lees in het geval van een storing waarbij een waarschuwingslampje gaat branden de aanvullende informatie, die via een melding op het display van
het instrumentenpaneel wordt weergegeven.
Raadpleeg indien nodig het CITROËN-netwerk of een gekwalificeerde werkplaats.
Controlelampje Status Oorzaak Acties / Opmerkingen
STOP
permanent, in combinatie
met een ander
waarschuwingslampje,
een geluidssignaal en
een melding op het
display.
Dit waarschuwingslampje gaat branden
bij een ernstige storing met betrekking tot
het remsysteem, de stuurbekrachtiging,
een te lage motoroliedruk, een te hoge
koelvloeistoftemperatuur of bij een
ernstige elektrische storing.
Zet de auto zo snel mogelijk stil op een veilige
plaats, omdat u anders het risico loopt op ernstige
motorschade.
Zet het contact af en raadpleeg het CITROËN-netwerk
of een gekwalificeerde werkplaats.
37
Controle tijdens het rijden
Service brandt tijdelijk. Er is een kleine storing opgetreden
waarbij geen specifiek controlelampje
gaat branden.
Identificeer de storing met behulp van de melding op
het display, bijvoorbeeld:
- het geopend zijn van de portieren, achterklep of
motorkap,
- een laag motorolieniveau,
- een laag niveau van de ruitensproeiervloeistof,
- een lege batterij van de afstandsbediening,
- vervuiling van het roetfilter (diesel),
Ga om het roetfilter te regenereren, als de
omstandigheden het toelaten, met een snelheid
van meer dan 60 km/h rijden tot het lampje dooft.
- een storing in het controlesysteem voor de
bandenspanning,
- ...
Raadpleeg in andere gevallen het CITROËN-netwerk
of een gekwalificeerde werkplaats.
permanent. Er is een ernstige storing opgetreden
waarbij geen specifiek controlelampje
gaat branden.
Identificeer de storing met behulp van de melding op
het display en raadpleeg het CITROËN-netwerk of
een gekwalificeerde werkplaats.
permanent, gekoppeld
aan het knipperen en
vervolgens blijven branden
van de onderhoudssleutel.
Het onderhoudsinterval is
overschreden.
Alleen bij Blue HDi uitvoeringen met dieselmotor.
Laat het onderhoud aan uw auto zo snel mogelijk
uitvoeren.
Controlelampje Status Oorzaak Acties / Opmerkingen
Controlelampje Status Oorzaak Acties / Opmerkingen
Elektrische
parkeerrem
knippert. Het aantrekken van de elektrische
parkeerrem is onderbroken.
Het aantrekken/vrijzetten werkt niet.
Zet de auto zo snel mogelijk stil op een veilige plaats.
Parkeer de auto op een vlakke, horizontale
ondergrond, schakel een versnelling in (auto met
automatische transmissie: zet de selectiehendel
in de stand P ), zet het contact af en raadpleeg het
CITROËN-netwerk of een gekwalificeerde werkplaats.
Storing
elektrische
parkeerrem
permanent. Storing in de elektrische parkeerrem. Raadpleeg zo snel mogelijk het CITROËN-netwerk of
een gekwalificeerde werkplaats.
Raadpleeg voor meer informatie over de elektrische
parkeerrem de desbetreffende rubriek.
Uitschakeling
van de
automatische
werking van
de elektrische
parkeerrem
permanent. De functies "automatisch aantrekken"
(bij het afzetten van de motor)
en "automatisch vrijzetten" zijn
uitgeschakeld of werken niet.
Activeer de functie (volgens land van bestemming)
via het configuratiemenu van de auto of raadpleeg het
CITROËN-netwerk of een gekwalificeerde werkplaats
als de parkeerrem niet meer automatisch wordt
aangetrokken of vrijgezet.
Raadpleeg voor meer informatie over de elektrische
parkeerrem de desbetreffende rubriek.
39
Controle tijdens het rijden
Remsysteem permanent. Het remvloeistofniveau is te laag. Zet de auto zo snel mogelijk stil op een veilige plaats.
Vul het niveau bij met een vloeistof voorzien van een
artikelnummer van CITROËN.
Als het probleem zich blijft voordoen, laat het systeem
dan controleren door het CITROËN-netwerk of door
een gekwalificeerde werkplaats.
+ permanent, in
combinatie met het
waarschuwingslampje
ABS.
Er is een storing in de elektronische
remdrukregelaar (REF).
Zet de auto zo snel mogelijk stil op een veilige plaats.
Laat het systeem controleren door het
CITROËN-netwerk of door een gekwalificeerde
werkplaats.
Controlelampje Status Oorzaak Acties / Opmerkingen
Dynamische
stabiliteitscontrole
(CDS/ASR)
knippert. De CDS-/ASR-regeling is actief. Deze functie verbetert de aandrijving en zorgt voor
een betere koersstabiliteit als de wielen te weinig grip
hebben of de auto uit de koers dreigt te raken.
permanent. Storing in het CDS-/ASR-systeem. Laat het systeem controleren door het CITROËN-
netwerk of door een gekwalificeerde werkplaats.
Antiblokkeersysteem
(ABS)
permanent. Er is een storing in het
antiblokkeersysteem.
De normale remwerking blijft behouden.
Rijd voorzichtig met lage snelheid en raadpleeg
zo snel mogelijk het CITROËN-netwerk of een
gekwalificeerde werkplaats.
Bandenspanning
te laag
permanent. De bandenspanning van een of
meerdere wielen is te laag.
Controleer zo snel mogelijk de bandenspanning.
De controle dient bij voorkeur bij koude banden te
worden uitgevoerd.
+ knipperend en
vervolgens permanent,
in combinatie met
het verklikkerlampje
Service.
Het controlesysteem voor de
bandenspanning is defect of de sensor
van een van de wielen wordt niet
gedetecteerd.
De bandenspanning wordt niet meer gecontroleerd.
Laat het systeem controleren door het CITROËN-
netwerk of een gekwalificeerde werkplaats.
Controlelampje Status Oorzaak Acties / Opmerkingen
Zelfdiagnose
motor
knippert. Er is een storing in het
motormanagementsysteem.
Kans op beschadiging van de katalysator.
Laat dit controleren door het CITROËN-netwerk of
door een gekwalificeerde werkplaats.
permanent. Er is een storing in de
emissieregeling.
Het verklikkerlampje moet doven als de motor wordt gestart.
Raadpleeg het CITROËN-netwerk of een
gekwalificeerde werkplaats als dit niet het geval is.
Laag
brandstofniveau
permanent, terwijl de
2 laatste segmenten
knipperen, in
combinatie met een
melding en een
geluidssignaal.
Als het lampje gaat branden zit er
nog ongeveer 6 liter brandstof in
de tank.
Ga zo snel mogelijk tanken om te voorkomen dat u
met een lege tank strandt.
Dit verklikkerlampje gaat elke keer na het aanzetten
van het contact branden in combinatie met een
melding en een geluidssignaal zolang er niet
voldoende brandstof getankt is.
Dit geluidssignaal en deze melding worden met een
toenemende frequentie herhaald naarmate het niveau
daalt en dichter bij de "0" komt.
Inhoud brandstoftank: 60 liter.
Rijd nooit door tot de tank helemaal leeg is,
omdat anders het emissieregelsysteem en het
injectiesysteem beschadigd kunnen raken.
41
Controle tijdens het rijden
Controlelampje Status Oorzaak Acties / Opmerkingen
Airbags tijdelijk. Het lampje brandt gedurende enkele
seconden en dooft als het contact
wordt aangezet.
Het lampje moet doven zodra de motor wordt gestart.
Raadpleeg het CITROËN-netwerk of een
gekwalificeerde werkplaats als dit niet het geval is.
permanent. Er is een storing in een van de
airbags of de pyrotechnische
gordelspanners.
Laat dit controleren door het CITROËN-netwerk of
een gekwalificeerde werkplaats.
Bochtverlichting knippert. Er is een storing in de
bochtverlichting.
Laat dit controleren door het CITROËN-netwerk of
een gekwalificeerde werkplaats.
Autogordel(s)
niet vastgemaakt
of weer
losgemaakt
permanent
of knippert in
combinatie met een
geluidssignaal.
Een van de autogordels is niet
vastgemaakt of weer losgemaakt.
Trek aan de gordel en klik de gesp vast in de
gesphouder.
Koelvloeistoftemperatuurmeter
Bij draaiende motor:
- in zone A , de temperatuur is in orde,
- in zone B , de temperatuur is te hoog. Het
waarschuwingslampje STOP gaat branden,
in combinatie met een geluidssignaal
en een melding op het display van het
instrumentenpaneel.
Stop zo snel mogelijk op een veilige plaats.
Wacht enkele minuten voordat u de motor afzet.
Raadpleeg het CITROËN-netwerk of een
gekwalificeerde werkplaats.
De temperatuur en de druk in het koelcircuit
beginnen na enkele minuten rijden te stijgen.
Om koelvloeistof bij te vullen:
) wacht tot de motor is afgekoeld,
) draai de dop twee omwentelingen los om
de druk te laten dalen,
) verwijder vervolgens de dop,
) vul bij tot aan het merkteken "MAXI".
Wees voorzichtig bij het bijvullen
van de koelvloeistof: kans op
brandwonden. Vul niet bij tot boven het
maximumniveau (aangegeven op het
reservoir).
43
Controle tijdens het rijden
Onderhoudsindicator
De afstand tot de eerstvolgende
beurt is meer dan 3000 km
Als het contact wordt aangezet, verschijnt er
geen onderhoudsinformatie op het display.
De onderhoudsindicator geeft aan hoeveel
kilometer u nog verwijderd bent van de
eerstvolgende onderhoudsbeurt volgens het
onderhoudsschema van de fabrikant.
Deze afstand wordt berekend vanaf de laatste
nulstelling van de onderhoudsindicator op basis
van twee parameters:
- het aantal afgelegde kilometers,
- de verstreken tijd sinds de laatste
onderhoudsbeurt.
De afstand tot de eerstvolgende
beurt is 1000 tot 3000 km
Als het contact wordt aangezet, gaat
gedurende 5 seconden de onderhoudssleutel
branden. De kilometerteller geeft de
resterende kilometers tot de eerstvolgende
onderhoudsbeurt aan.
Voorbeeld: de afstand tot de eerstvolgende
onderhoudsbeurt bedraagt 2800 km.
Als het contact wordt aangezet, geeft het display
gedurende 5 seconden het volgende aan:
5 seconden na het aanzetten van het contact
verdwijnt de sleutel ; de teller geeft weer de
kilometerstand en de stand van de dagteller
aan.
De afstand tot de eerstvolgende
beurt is minder dan 1000 km
Voorbeeld: de afstand tot de eerstvolgende
onderhoudsbeurt bedraagt 900 km.
Als het contact wordt aangezet, geeft het display
gedurende 5 seconden het volgende aan:
5 seconden na het aanzetten van het contact
treedt de kilometerteller weer in werking en
blijft de sleutel branden om aan te geven
dat er binnenkort onderhoudswerkzaamheden
uitgevoerd moeten worden.
Het pictogram van de sleutel brandt
in combinatie met een melding op het
display van het instrumentenpaneel.
De afstand tot de eerstvolgende
beurt is overschreden
Als het contact wordt aangezet, gaat gedurende
5 seconden de sleutel knipperen om aan te geven
dat de onderhoudswerkzaamheden zo spoedig
mogelijk uitgevoerd moeten worden.
Voorbeeld: u hebt de afstand tot de eerstvolgende
onderhoudsbeurt met 300 km overschreden.
Bij de Blue HDi-uitvoeringen met
dieselmotor gaat bij het aanzetten van
het contact ook het verklikkerlampje
Service branden.
De factor tijd kan worden meegewogen bij
de nog af te leggen kilometers, afhankelijk
van de rijgewoonten van de bestuurder.
De sleutel kan dus ook gaan branden
als het interval in tijd sinds de laatste
onderhoudsbeurt, zoals vermeld
in het garantie- en onderhoudsboekje,
is overschreden.
Als u na deze handeling de accu wilt
loskoppelen, vergrendel dan de auto
en wacht minimaal 5 minuten. Het op
0 zetten van de onderhoudsindicator zal
anders niet worden opgeslagen.
Als het contact wordt aangezet, geeft het display
gedurende 5 seconden het volgende aan:
5 seconden na het aanzetten van het contact
treedt de kilometerteller weer in werking en
blijft de sleutel branden .
Op 0 zetten van de
onderhoudsindicator
De onderhoudsindicator moet na elke
onderhoudsbeurt op 0 gezet worden.
Voer dit als volgt uit:
) zet het contact af,
) druk op de resetknop van de dagteller en
houd deze ingedrukt,
) zet het contact aan; de kilometerteller
begint terug te tellen,
) laat de knop los als het display "=0"
aangeeft; de sleutel verdwijnt.
Opnieuw weergeven van de
onderhoudsinformatie
U kunt op elk moment de onderhoudsinformatie
weergeven.
) Druk op de knop voor nulstelling van de
dagteller.
De onderhoudsinformatie wordt enkele
seconden weergegeven en verdwijnt
vervolgens weer.
45
Controle tijdens het rijden
Motorolieniveaumeter * *
Te weinig olie
Als het motorolieniveau te laag is, wordt
de melding "Te laag olieniveau" op het
instrumentenpaneel weergegeven in
combinatie met het branden van het
verklikkerlampje Service en een geluidssignaal.
Controleer het olieniveau met de peilstok. Als
blijkt dat het olieniveau te laag is, moet olie
worden bijgevuld om te voorkomen dat ernstige
motorschade ontstaat.
Raadpleeg de rubriek "Niveaus controleren".
Storing van de motorolieniveaumeter
Als de melding "Ongeldige meting olieniveau"
wordt weergegeven, duidt dit op een storing in
de motorolieniveaumeter.
Raadpleeg het CITROËN-netwerk of een
gekwalificeerde werkplaats.
Als de motorolieniveaumeter niet werkt, wordt
het motoroliepeil niet meer gecontroleerd.
Zolang het systeem niet werkt, moet u het
motoroliepeil controleren met de peilstok in de
motorruimte.
Raadpleeg de rubriek "Niveaus controleren".
Bij uitvoeringen met een motorolieniveaumeter
wordt bij het aanzetten van het contact eerst
de onderhoudsindicator weergegeven en
vervolgens gedurende enkele seconden het
motorolieniveau.
Een controle van het olieniveau is alleen
betrouwbaar als de auto op een vlakke,
horizontale ondergrond staat en de motor
minstens 30 minuten niet heeft gedraaid.
Olieniveau correct
* Volgens uitvoering.
U kunt de lichtsterkte van de
dashboardverlichting handmatig aanpassen
aan het licht van de omgeving.
Dimmer dashboardverlichting
Actief
Als de verlichting van de auto is ingeschakeld:
) druk op de knop om de sterkte van de
dashboardverlichting te variëren,
) laat de knop los zodra de gewenste
lichtsterkte is bereikt.
Inactief
De dashboardverlichting kan niet worden
ingesteld als de verlichting van de auto is
uitgeschakeld of, bij auto's met verlichting
overdag, in de dagstand staat.
De kilometerteller en dagteller worden gedurende 30 seconden weergegeven bij het afzetten van het
contact, bij het openen van het bestuurdersportier en bij het vergrendelen en ontgrendelen van de auto.
Kilometerteller en dagteller
Kilometerteller
De kilometerteller geeft de totale
kilometerstand van de auto aan.
Verander om aan de plaatselijke regelgeving te
kunnen voldoen de eenheid van de afstand (km
of mijl) zodat deze overeenkomt met de eenheid
die wordt gebruikt in het land waar u zich bevindt.
Dit kunt u doen via het configuratiemenu.
Dagteller
De dagteller geeft het aantal gereden
kilometers weer nadat de bestuurder de teller
op 0 heeft gezet.
) Druk bij aangezet contact op de knop tot de
dagteller op 0 staat.
47
Controle tijdens het rijden
Met dit systeem kan de verlichting van
bepaalde displays worden uitgeschakeld voor
een rustiger beeld tijdens nachtelijke ritten
(uitsluitend in combinatie met eMyWay.
Op het instrumentenpaneel blijft de rijsnelheid,
de weergave van de gekozen versnelling van
de elektronisch gestuurde versnellingsbak
en de informatie van de snelheidsregelaar/-
begrenzer (indien ingeschakeld) verlicht;
dat geldt ook voor de waarschuwing
"minimumbrandstofniveau", indien van
toepassing.
De black-panelfunctie wordt uitgeschakeld
als er een waarschuwingsmelding wordt
doorgegeven en bij het wijzigen van functies of
instellingen.
Black-panelfunctie (donker
scherm) met eMyWay
Raadpleeg voor meer informatie het
gedeelte eMyWay van de rubriek "Audio
en datacommunicatie".
Klokje
Het analoge klokje is niet voorzien van een
instelknop.
Raadpleeg voor het op tijd zetten de
paragraaf over het configuratiemenu van het
display (autoradio).
Het klokje wordt gesynchroniseerd met de
tijd op het display; zodra de tijd op het display
gewijzigd en opgeslagen wordt, verdraaien de
wijzers en worden ze telkens na het aanzetten
van het contact gesynchroniseerd met de door
u ingestelde tijd.
Datum en tijd instellen
Autoradio / Bluetooth
Druk op MENU .
Selecteer met de pijltjestoetsen " Persoonlijke
instellingen - Configuratie " en bevestig uw
keuze.
Selecteer met de pijltjestoetsen " Configuratie
display " en bevestig uw keuze.
Selecteer met de pijltjestoetsen " Datum en
tijd instellen " en bevestig uw keuze.
Selecteer de parameter die u wilt wijzigen.
Bevestig uw keuze door op de toets OK te
drukken, verander dan de waarde en bevestig dit
nogmaals om de nieuwe instelling op te slaan.
Stel de parameters één voor één in en bevestig dit
steeds door op de toets " OK " te drukken. Selecteer dan
de tab " OK" op het display en bevestig uw keuze om
het menu " Datum en tijd instellen " te verlaten.
49
Controle tijdens het rijden
eMyWay
Selecteer " Minuten synchroniseren
via GPS " om de instelling van de
minuten automatisch te laten doen door
het systeem.
Het klokje op het dashboard loopt
synchroon met de tijd op het display. Bij
het instellen van de tijd via het menu "
SETUP " en elke keer dat het contact
wordt aangezet, wordt het klokje
automatisch gesynchroniseerd.
Druk op SETUP voor het menu
" Configuratie ".
Selecteer " Configuratie display " en bevestig
uw keuze.
Selecteer " Datum en tijd instellen " en
bevestig uw keuze.
Selecteer het item dat u wilt wijzigen.
Druk op de toets OK om de selectie te
bevestigen, verander de instelling en bevestig
de wijziging nogmaals om de nieuwe gegevens
op te slaan.
Verander de instellingen één voor één.
Selecteer vervolgens " OK " op het scherm en
bevestig de wijzigingen om ze in het geheugen
op te slaan.
Boordcomputer
De boordcomputer geeft actuele informatie over het rijden (actieradius, brandstofverbruik...).
) Druk zodra het gewenste traject wordt
aangegeven de toets op het uiteinde van
de ruitenwisserschakelaar langer dan
twee seconden in.
De trajecten "1" en "2" zijn onafhankelijk en
hebben dezelfde eigenschappen.
Traject "1" kan bijvoorbeeld gebruikt worden
voor een dagelijks verbruik en traject "2" voor
een maandelijks verbruik.
Display van het instrumentenpaneel
Weergave van de informatie
) Druk op de toets op het uiteinde van
de ruitenwisserschakelaar om
achtereenvolgens de verschillende
functies weer te geven.
- Actuele informatie:
actieradius,
actueel brandstofverbruik,
de teller van het Stop & Start-
systeem.
- Traject "1" :
gemiddelde snelheid,
voor het eerste traject.
gemiddeld brandstofverbruik.
- Traject "2" :
gemiddelde snelheid,
voor het tweede traject.
gemiddeld brandstofverbruik.
Traject resetten
- Radio of mediadrager.
- Navigatiesysteem.
51
Controle tijdens het rijden
Raadpleeg het CITROËN-netwerk of
een gekwalificeerde werkplaats als
tijdens het rijden de streepjes continu
worden weergegeven.
Deze waarde kan variëren door een
gewijzigde rijstijl of het rijden op een
helling, waardoor het momentele
brandstofverbruik aanzienlijk kan wijzigen.
Boordcomputer, enkele definities...
Actieradius
(km of miles)
De actieradius geeft aan
hoeveel kilometer u nog met
de resterende hoeveelheid
brandstof kunt rijden, berekend
op basis van het gemiddelde
verbruik over de laatste
afgelegde kilometers.
Als de actieradius minder dan 30 km bedraagt,
verschijnen streepjes op het display. Na het
tanken van minimaal 5 liter brandstof wordt de
actieradius opnieuw berekend en weergegeven
als deze meer dan 100 km bedraagt.
Deze functie wordt alleen weergegeven
bij snelheden vanaf 30 km/h.
Momenteel verbruik
(l/100 km, km/l of mpg)
Dit is het gemiddelde
brandstofverbruik over de laatste
seconden.
Gemiddeld verbruik
(l/100 km, km/l of mpg)
Dit is het gemiddelde verbruik
sinds de laatste nulstelling van
de boordcomputer.
Gemiddelde snelheid
(km/h of mph)
Dit is de gemiddelde snelheid
sinds de laatste nulstelling van de
boordcomputer (contact aan).
Stop & Start-teller
(minuten/seconden of uren/
minuten)
Als uw auto is uitgerust met het Stop & Start-
systeem, registreert een teller hoelang de
STOP-stand tijdens een traject is geactiveerd.
De teller wordt, elke keer als u het contact met
de "START/STOP"-knop aanzet, weer op nul
gezet.
002
Toegang tot de auto
Elektronische sleutel
afstandsbediening
Openen van de auto
Volledig ontgrendelen Selectief ontgrendelen
U kunt om de auto te ontgrendelen of vergrendelen
de centrale vergrendeling bedienen met de sleutel
in het portierslot of met de afstandsbediening. De
sleutel met afstandsbediening dient tevens voor
de lokalisatie en het starten van de auto en maakt
deel uit van de diefstalbeveiliging.
Deze functie kan via het
configuratiemenu worden ingesteld.
Standaard is de volledige
ontgrendeling geactiveerd.
Het ontgrendelen wordt bevestigd door
het gedurende ongeveer
twee seconden snel knipperen van de
richtingaanwijzers.
Afhankelijk van de uitvoering worden
gelijktijdig de buitenspiegels uitgeklapt.
) Druk om uitsluitend het
bestuurdersportier te
ontgrendelen één keer op de
toets met het geopende hangslot.
) Druk op het geopende hangslot
om de auto te ontgrendelen.
) Druk nogmaals op de toets met het
geopende hangslot om de overige
portieren te ontgrendelen en de achterklep
te openen.
55
Toegang tot de auto
Openen van de achterklep Sluiten van de auto
Het vergrendelen wordt bevestigd
door het gedurende ongeveer
twee seconden branden van de
richtingaanwijzers.
Tegelijkertijd worden de buitenspiegels
ingeklapt.
) Druk op de toets met het
gesloten hangslot om de auto
volledig te vergrendelen.
Houd deze toets ingedrukt tot de
ruiten volledig gesloten zijn.
) Druk op deze knop tot u hoort
dat de achterklep ontgrendeld
wordt. De auto is nu geheel
ontgrendeld.
Zorg ervoor dat kinderen zich tijdens
het bedienen van de ruiten niet kunnen
bezeren.
Als één van de portieren of de
achterklep niet goed is gesloten, zal de
auto niet vergrendeld worden.
Als de auto per ongeluk wordt
ontgrendeld zonder dat binnen
ongeveer 30 seconden een van de
portieren wordt geopend, wordt de auto
automatisch weer vergrendeld.
Als het alarmsysteem al was
ingeschakeld, wordt dit niet automatisch
weer ingeschakeld.
Openen van de auto
"Keyless entry and start"-systeem
Systeem waarmee de auto geopend, gesloten
en gestart kan worden zonder dat u de
elektronische sleutel tevoorschijn hoeft te halen.
Volledig ontgrendelen
) Als u de elektronische sleutel op zak
hebt binnen de detectiezone A , kunt u de
auto ontgrendelen door uw hand op de
achterzijde van de portiergreep te leggen.
Trek vervolgens aan de portiergreep om
het portier te openen.
Ook uw passagiers kunnen de portieren
openen als de elektronische sleutel zich in
de detectiezone bevindt.
Selectief ontgrendelen
U kunt dit instellen via het
configuratiemenu.
Standaard staat de auto ingesteld op
volledig ontgrendelen.
)
Wanneer u de elektronische sleutel op zak
hebt en u alleen het bestuurdersportier wilt
ontgrendelen, legt u uw hand achter de
portiergreep van het bestuurdersportier en trekt
u aan de portiergreep om het portier te openen.
) Wanneer u met de elektronische sleutel
op zak de volledige auto wilt ontgrendelen,
legt u uw hand achter de portiergreep van
een passagiersportier aan de zijde waar
zich de elektronische sleutel bevindt en
trekt u vervolgens aan de portiergreep om
het portier te openen.
Het ontgrendelen wordt bevestigd
door het gedurende ongeveer
2 seconden snel knipperen van de
richtingaanwijzers.
Tegelijkertijd worden de buitenspiegels
uitgeklapt.
Wanneer het alarm actief is, zal het
geluidssignaal dat te horen is tijdens
het openen van een van de portieren
met de sleutel geïntegreerd in de
afstandsbediening stoppen, zodra de
motor wordt gestart.
Kan ook worden gebruikt als
afstandsbediening; zie de
rubriek "Elektronische sleutel /
afstandsbediening".
Omwille van de veiligheid en ter
voorkoming van diefstal: laat nooit de
elektronische sleutel in de auto achter,
ook niet wanneer u in de buurt bent.
Het is raadzaam de sleutel bij u te
houden, bijvoorbeeld in uw kleding of tas.
57
Toegang tot de auto
Sluiten van de auto
) Druk, als de sleutel zich binnen het
detectiegebied A bevindt, met een van uw
vingers op een van de portiergrepen (bij de
merktekens) om de auto te vergrendelen.
Houd uw vinger op de portiergreep tot de
ruiten volledig gesloten zijn.
Het vergrendelen wordt bevestigd
door het gedurende ongeveer
twee seconden branden van de
richtingaanwijzers.
Tegelijkertijd worden de buitenspiegels
ingeklapt.
Als een van de portieren of de
achterklep geopend is, als een van
de sleutels van het Keyless entry and
start-systeem zich in de auto bevindt
of als het contact is aangezet, werkt de
centrale vergrendeling niet.
Als de auto is vergrendeld en per
ongeluk wordt ontgrendeld zonder dat
binnen ongeveer 30 seconden een van
de portieren wordt geopend, wordt de
auto automatisch weer vergrendeld.
Als het alarmsysteem al was
ingeschakeld, wordt dit niet automatisch
weer ingeschakeld.
Het in- en uitklappen van
de buitenspiegels met de
afstandsbediening kan worden
uitgeschakeld door het CITROËN-
netwerk of een gekwalificeerde
werkplaats.
Verlaat om veiligheidsredenen
(kinderen in de auto) de auto nooit,
zelfs niet voor een korte tijd, zonder de
sleutel van het Keyless entry and start-
systeem mee te nemen.
Wees bedacht op diefstal als de sleutel
van het Keyless entry and start-
systeem zich binnen het detectiebereik
bevindt terwijl uw auto ontgrendeld is.
Om te voorkomen dat de batterij van
de elektronische sleutel ontladen raakt,
gaan de "Keyless entry"-functies over
in de waakfase als de auto langer
dan 21 dagen niet is gebruikt. Om
de functies weer te activeren, dient
u op een van de knoppen van de
afstandsbediening te drukken of de
motor te starten met de elektronische
sleutel in de lezer.
Let erop dat niemand het correcte
sluiten van de ruiten in de weg staat.
Zorg ervoor dat kinderen zich tijdens
het bedienen van de ruit niet kunnen
bezeren.
Met deze functie kunt u uw auto
op afstand lokaliseren, wat vooral
praktisch is bij weinig licht. De auto
dient hiervoor wel vergrendeld te zijn.
Lokaliseren van de auto
) Druk op het gesloten hangslot op de
afstandsbediening.
Hierna zullen gedurende ongeveer tien
seconden de plafonniers gaan branden en de
richtingaanwijzers gaan knipperen.
Supervergrendeling
De supervergrendeling blokkeert het van
buitenaf en van binnenuit openen van de
portieren.
Als de supervergrendeling is ingeschakeld,
is ook de vergrendelingsschakelaar in het
interieur buiten werking.
Schakel daarom nooit de
supervergrendeling in als er zich iemand in
de auto bevindt.
Met de afstandsbediening
) Druk op het gesloten hangslot
om de auto volledig te
vergrendelen.
Houd het hangslot ingedrukt om
de ramen te sluiten.
Met het Keyless entry and
start-systeem
Via de portieren:
) Druk, als de elektronische sleutel zich in de
detectiezone A bevindt, met een vinger op
de portiergreep (bij de merktekens) om de
auto te vergrendelen.
) Druk binnen vijf seconden nogmaals op de
portiergreep om de supervergrendeling in
te schakelen.
Zorg ervoor dat het correct sluiten van
de ramen niet gehinderd wordt door
personen.
Let op in de auto aanwezige kinderen
wanneer u de ramen sluit.
) Druk binnen 5 seconden nogmaals
op het gesloten hangslot om de
supervergrendeling van de auto in te
schakelen.
59
Toegang tot de auto
Mechanische noodsleutel
Openen/sluiten met de geïntegreerde sleutel
Met de geïntegreerde sleutel kan de auto
vergrendeld en ontgrendeld worden als de
elektronische sleutel niet werkt:
- lege batterij, accu ontladen of
losgekoppeld, ...
- auto bevindt zich in een omgeving met veel
elektromagnetische straling.
) Trek aan de knop 1 en wacht tot de
geïntegreerde sleutel 2 naar buiten komt.
Volledig ontgrendelen
) Verdraai de sleutel naar de voorzijde van
de auto om de auto te ontgrendelen.
Volledig vergrendelen
) Verdraai de sleutel naar de achterzijde van
de auto om de auto volledig te vergrendelen.
Supervergrendeling
) Draai de sleutel richting de achterzijde
van de auto om de auto volledig te
vergrendelen.
) Draai binnen 5 seconden de sleutel
nogmaals richting de achterzijde van de
auto om de supervergrendeling van de
auto in te schakelen.
Als het inbraakalarm is geactiveerd, zal het
geluidssignaal dat klinkt bij het met de sleutel
(geïntegreerd in de afstandsbediening) openen
van een portier, bij het starten van de motor
stoppen.
Gooi de lege batterijen van de
afstandsbediening niet weg: ze bevatten
metalen die schadelijk zijn voor het milieu.
Lever lege batterijen in bij een speciaal
verzamelpunt.
Batterij van de elektronische
sleutel vervangen
Batterij ref.: CR2032 / 3 V.
Deze batterij is via het CITROËN-netwerk of
een gekwalificeerde werkplaats verkrijgbaar.
Als de batterij vervangen moet worden, wordt u
gewaarschuwd door een melding op het display
van het instrumentenpaneel.
) Wip het deksel met een kleine
schroevendraaier bij de uitsparing los.
) Verwijder het deksel.
) Verwijder de lege batterij.
) Plaats een nieuwe batterij in de juiste
richting in de houder.
) Druk het deksel vast.
Storing in en resetten van
de afstandsbediening
Na het losnemen en weer aansluiten van de
accukabels, het vervangen van de batterij
van de afstandsbediening of een storing in de
afstandsbediening kan de auto niet meer met
de afstandsbediening ontgrendeld, vergrendeld
en gelokaliseerd worden.
) Steek eerst de mechanische sleutel
(ondergebracht in de afstandsbediening) in
het slot om de auto te ontgrendelen.
) Plaats de elektronische sleutel in de lezer.
) Zet het contact aan door op "START/
STOP" te drukken.
De elektronische sleutel werkt nu weer.
Raadpleeg zo snel mogelijk het CITROËN-
netwerk of een gekwalificeerde werkplaats als
de storing niet is verholpen.
61
Toegang tot de auto
Elektronische sleutel verloren
Ga met het kentekenbewijs van de auto, uw legitimatiebewijs en, indien mogelijk, met het kaartje voorzien van de sleutelcode naar het
CITROËN-netwerk.
Het CITROËN-netwerk kan de speciale code van de sleutel en de transponder opzoeken en een nieuwe bestellen.
Elektronische sleutel
De radiografische elektronische sleutel is een systeem met een groot bereik. Het is raadzaam om niet met de knoppen van de sleutel te spelen
om te voorkomen dat de portieren per ongeluk ontgrendeld worden.
Druk nooit op de knoppen van uw elektronische sleutel buiten het bereik en het zicht van uw auto. De sleutel kan dan onbruikbaar worden en
moet in dat geval opnieuw worden gesynchroniseerd.
De elektronische sleutel kan niet als afstandsbediening functioneren als de sleutel in de lezer zit of als het contact is aangezet.
Vergrendelen van de auto
Het rijden met vergrendelde portieren kan in geval van nood de toegang tot het interieur belemmeren.
Laat uit veiligheidsoverwegingen geen kinderen alleen achter in de auto (behalve als dit slechts heel even is).
Neem in alle gevallen de afstandsbediening of de elektronische sleutel (bij Keyless entry and start) mee als u de auto verlaat.
Elektrische storingen
De sleutel van het keyless entry and start-systeem werkt in sommige gevallen niet correct in de nabijheid van elektronische apparatuur:
telefoon, laptop, sterke magnetische velden, ...
Diefstalbeveiliging
Breng geen wijzigingen aan in de elektronische startblokkering; dit kan tot storingen leiden.
Vergeet niet aan het stuurwiel te draaien om het stuurslot te activeren.
Bij het aanschaffen van een gebruikte auto
Laat door het CITROËN-netwerk controleren of er een pairing van uw autosleutels heeft plaatsgevonden, zodat u er zeker van kunt zijn dat de
in uw bezit zijnde sleutels de enige zijn waarmee de auto kan worden gestart.
Bediening centrale vergrendeling
Automatische centrale
vergrendeling van de portieren
(beveiliging tegen agressie)
De portieren en de koffer kunnen tijdens het
rijden automatisch worden vergrendeld (bij een
snelheid hoger dan 10 km/h).
Om deze functie, die standaard op 'actief '
staat, in of uit te schakelen:
Als de supervergrendeling is
ingeschakeld, is de knop buiten
werking. Gebruik in dat geval de
afstandsbediening om de auto te
ontgrendelen of trek aan een van de
binnenportiergrepen.
Als een van de portieren open staat
of niet goed dicht zit, vindt de centrale
interieurvergrendeling niet plaats.
Het rijden met vergrendelde portieren
kan bij een noodgeval de toegang tot de
auto voor de hulpdiensten belemmeren.
) Bedien de knop.
Hiermee kunt u de portieren en de koffer
vergrendelen en ontgrendelen.
) Bedien de knop tot er een
bericht op het display van het
instrumentenpaneel wordt
weergegeven.
Vervoer van lange of grote
voorwerpen
Mocht u met geopende achterklep
willen rijden, druk dan op de toets
voor de centrale vergrendeling om de
portieren te vergrendelen.
Noodbediening
Functie die het mogelijk maakt om de portieren
mechanisch te vergrendelen of te ontgrendelen
bij een lege accu of in het geval van een storing
in de centrale vergrendeling.
Vergrendelen van het
bestuurdersportier
) Steek de sleutel in het portierslot en draai
deze rechtsom.
U kunt deze procedure ook bij het andere
voorportier uitvoeren.
Ontgrendelen van het
bestuurdersportier
) Steek de sleutel in het portierslot en draai
deze linksom.
63
Toegang tot de auto
Vergrendelen van het portier aan
passagierszijde en de achterportieren
) Open de portieren.
) Controleer of de kinderbeveiliging van de
achterportieren niet geactiveerd is (zie de
desbetreffende rubriek).
) Verwijder met behulp van de sleutel het
zwarte dopje op de smalle zijde van het
portier.
)
Steek de sleutel voorzichtig in de opening en
duw de hendel zonder de sleutel te verdraaien,
naar de binnenzijde van het portier.
) Verwijder de sleutel en plaats het kapje terug.
) Sluit de portieren en controleer van
buitenaf of de auto goed is vergrendeld.
Ontgrendelen van het portier
aan passagierszijde en de
achterportieren
) Trek aan de portiergreep aan de
binnenzijde.
Achterklep
) Druk, nadat de achterklep of alle portieren
van de auto met de elektronische sleutel /
afstandsbediening zijn ontgrendeld, op
de schakelaar voor het openen van de
achterklep en open de achterklep.
Openen van buitenaf
) Druk op deze knop tot u hoort dat de
achterklep ontgrendeld wordt.
Noodbediening
Ontgrendelen
) Klap de achterbank naar voren om bij het
slot in de bagageruimte te komen,
) Steek een kleine schroevendraaier in de
opening A van het slot om de achterklep te
ontgrendelen.
) Verplaats de nok naar links.
Hiermee kan bij een lege accu of een eventuele
storing in het systeem van de centrale
vergrendeling de achterklep mechanisch
ontgrendeld worden.
Vergrendeling na het sluiten
Wanneer de achterklep weer wordt gesloten,
wordt deze weer vergrendeld als het probleem
niet is verholpen.
Sluiten
) Trek de achterklep omlaag met behulp van
de handgreep aan de binnenzijde.
Als de achterklep niet goed is gesloten bij
draaiende motor of rijdende auto (snelheid
boven de 10 km/h), verschijnt er gedurende
enkele seconden een melding op het display
van het instumentenpaneel.
Openen vanuit het interieur
OFF
65
Toegang tot de auto
Dit systeem beveiligt uw auto tegen inbraak en
diefstal. Het systeem bestaat uit de volgende
typen beveiliging:
Alarm
- Omtrekbeveiliging
Dit systeem houdt de te openen
carrosseriedelen van de auto in de gaten.
Het alarm gaat af als iemand een portier, de
achterklep of de motorkap probeert te openen.
- Interieurbeveiliging
Dit systeem treedt in werking als er bewegingen
in het interieur worden waargenomen.
Het alarm gaat af als er een ruit wordt ingeslagen,
als iets of iemand de auto binnendringt of als iets
of iemand in de auto beweegt.
- Wegsleepbeveiliging
Dit systeem treedt in werking als er veranderingen
in de wagenhoogte worden waargenomen.
Het alarm gaat af als de auto wordt opgetild,
verplaatst of aangestoten.
Automatische
beveiligingsfunctie
Dit systeem treedt in werking als iemand
probeert het alarm te saboteren.
Het alarm gaat af als iemand probeert de
accu, de knop of de kabels van de sirene
uit te schakelen of te beschadigen.
Raadpleeg het CITROËN-netwerk
of een gekwalificeerde werkplaats
alvorens wijzigingen aan het
alarmsysteem aan te brengen.
Vergrendelen van de auto met
volledig ingeschakeld alarm
Inschakelen
) Zet het contact af en verlaat de auto.
) Druk op de vergrendelknop
van de afstandsbediening of
vergrendel de auto met het
"Keyless entry and start"-
systeem.
Het alarmsysteem is geactiveerd: het
controlelampje van de knop zal één keer per
seconde knipperen.
Nadat de vergrendelknop van de
afstandsbediening is ingedrukt of nadat de
auto met het "Keyless entry and start"-systeem
vergrendeld is, wordt de uitwendige beveiliging
na 5 seconden, de interieurbeveiliging na
45 seconden en de wegsleepbeveiliging na
1 minuut en 30 seconden geactiveerd.
Indien een portier of de achterklep niet goed is
gesloten, wordt de auto niet vergrendeld, maar
wordt de uitwendige beveiliging na
45 seconden wel ingeschakeld.
) Druk op de ontgrendelknop
van de afstandsbediening
of ontgrendel de auto met
het "Keyless entry
and start"-systeem.
Uitschakelen van de
interieurbeveiliging
De interieurbeveiliging wordt
uitgeschakeld; het controlelampje
van de knop gaat uit.
OFF
Vergrendelen van de auto
met alleen de uitwendige
beveiliging ingeschakeld
Schakel de interieur- en wegsleepbeveiliging uit
om te voorkomen dat het alarm onnodig wordt
ingeschakeld als bijvoorbeeld:
- een ruit op een kier blijft staan,
- de auto wordt gewassen,
- een wiel wordt verwisseld,
- de auto wordt gesleept,
- de auto op een boot wordt vervoerd.
Uitschakelen van de interieur- en
wegsleepbeveiliging
) Zet het contact af en druk binnen
10 seconden op deze knop tot
het controlelampje blijft branden.
) Verlaat de auto.
) Druk onmiddellijk op de
vergrendelknop van de
afstandsbediening of vergrendel
de auto met het "Keyless entry
and start"-systeem.
Alleen de uitwendige beveiliging wordt
ingeschakeld; het controlelampje van de knop
zal één keer per seconde knipperen.
De interieur- en wegsleepbeveiliging worden
uitsluitend uitgeschakeld als deze procedure
elke keer na het afzetten van het contact wordt
uitgevoerd.
Wanneer de auto automatisch weer
wordt vergrendeld (als niet binnen
30 seconden een portier of de
achterklep wordt geopend), wordt het
alarmsysteem niet automatisch weer
ingeschakeld.
Om het alarmsysteem weer in te
schakelen moet u de auto ontgrendelen
en weer vergrendelen met de
afstandsbediening of met het "Keyless
entry and start"-systeem.
OFF
OFF
67
Toegang tot de auto
Opnieuw inschakelen van de
interieur- en wegsleepbeveiliging
Afgaan van het alarm
Als het alarm afgaat, treedt de sirene in
werking en knipperen de richtingaanwijzers
gedurende dertig seconden.
Als het alarm voor de 11
e
keer afgaat, worden
de alarmsystemen uitgeschakeld.
) Druk op de ontgrendelknop
van de afstandsbediening of
ontgrendel de auto met het
"Keyless entry and start"-
systeem om de omtrekbeveiliging
uit te schakelen.
) Druk op de vergrendelknop van de
afstandsbediening of vergrendel
de auto met het "Keyless entry
and start"-systeem om alle
alarmsystemen in te schakelen.
Het controlelampje van de knop
zal opnieuw één keer per seconde
knipperen.
Als het controlelampje van de knop
snel knippert bij het ontgrendelen van
de auto met de afstandsbediening of
met het "Keyless entry and start"-
systeem, is het alarm tijdens uw afwezigheid
afgegaan. Het lampje stopt met knipperen als
het contact wordt aangezet.
Storing afstandsbediening
Om de alarmsystemen uit te schakelen:
) Ontgrendel de auto met de sleutel
(in de afstandsbediening) in het slot
van het bestuurdersportier.
) Open het portier; het alarm gaat af.
) Zet het contact aan, het alarm stopt. Het
controlelampje van de knop gaat uit.
Vergrendelen van de auto
zonder het alarm in te schakelen
) Vergrendel de auto of schakel de
supervergrendeling in met de sleutel
(in de afstandsbediening) in het slot van
het bestuurdersportier.
Storing
Als bij het aanzetten van het contact het
controlelampje van de knop blijft branden, duidt
dit op een storing in het systeem.
Laat het systeem controleren door het CITROËN-
netwerk of door een gekwalificeerde werkplaats.
* Volgens land van bestemming.
Automatisch inschakelen *
Het systeem wordt 2 minuten nadat het
laatste portier of de achterklep is gesloten,
automatisch ingeschakeld.
) Om het afgaan van het alarm bij het
openen van een portier of de achterklep te
voorkomen, moet eerst op de ontgrendelknop
van de afstandsbediening worden gedrukt
of moet de auto ontgrendeld worden met het
"Keyless entry and start"-systeem.
Elektrisch bedienbare ruiten
1. Schakelaar ruitbediening linksvoor .
2. Schakelaar ruitbediening rechtsvoor .
3. Schakelaar ruitbediening rechtsachter .
Handbediening
Duw of trek de schakelaar tot het zware punt
om de ruit te openen of sluiten. De ruit stopt
zodra de schakelaar wordt losgelaten.
Automatische bediening
Duw of trek de schakelaar voorbij het zware
punt om de ruit te openen of te sluiten. Als u de
schakelaar hebt losgelaten, opent of sluit de
ruit volledig. Druk opnieuw op de schakelaar
om het openen of sluiten te stoppen.
Ongeveer 45 seconden nadat het contact is
afgezet, kunnen de ruiten niet meer worden
bediend.
Zet het contact aan om de ruiten weer te
kunnen bedienen.
4. Schakelaar ruitbediening linksachter .
5. Blokkeerschakelaar elektrisch
bedienbare ruiten achter ,
vergrendeling van de achterportieren
(kinderbeveiliging).
69
Toegang tot de auto
Antiklemvoorziening
Als de ruit sluit en tegen een obstakel stuit,
stopt de ruit en gaat deze direct gedeeltelijk
weer open.
Als de ruit niet wil sluiten, druk dan op de
schakelaar om de ruit helemaal te openen en
trek vervolgens de schakelaar omhoog tot de
ruit volledig is gesloten. Houd de schakelaar na
het sluiten nog ongeveer 1 seconde vast.
Tijdens deze handelingen is de
antiklemvoorziening uitgeschakeld.
Blokkering van de ruitbediening
achter
Resetten van de
ruitbediening
Wanneer tijdens het bedienen van de
ruit iets tussen de ruit en de sponning
bekneld raakt, moet de ruit weer
worden geopend. Druk daarvoor op de
desbetreffende schakelaar.
Wanneer de bestuurder de ruit aan
passagierszijde bedient, moet deze
ervan verzekerd zijn dat niets het
correcte sluiten van de ruit hindert.
De bestuurder moet ervan verzekerd
zijn dat de passagiers op de juiste
manier gebruik maken van de
elektrische ruitbediening.
Zorg ervoor dat kinderen zich tijdens het
bedienen van de ruit niet kunnen bezeren.
Let op inzittenden en/of personen in de
buurt van de auto tijdens het sluiten van
de ruiten met de elektronische sleutel of
het "keyless entry and start"-systeem.
Als de accu losgekoppeld is geweest, moet de
ruitbediening gereset worden.
Tijdens deze handelingen is de
antiklemvoorziening uitgeschakeld:
- open de ruit volledig en sluit de ruit.
Telkens als de schakelaar omhoog wordt
getrokken, sluit de ruit enkele centimeters.
Laat de schakelaar los en trek hem
opnieuw omhoog totdat de ruit volledig is
gesloten,
- houd de schakelaar na het sluiten nog
minimaal 1 seconde vast.
Druk, voor de veiligheid van uw
kinderen, op de schakelaar 5 om de
ruitbediening achter, ongeacht de
stand van de ruiten, te blokkeren.
Ter bevestiging gaat het controlelampje van
de knop branden en wordt er een melding
weergegeven. Het lampje blijft branden zolang
de kinderbeveiliging is ingeschakeld.
De binnenportiergrepen van de achterportieren
worden in dat geval ook geblokkeerd.
Het blijft mogelijk om de portieren van buitenaf
te openen en de achterportierruiten via het
bedieningspaneel op het bestuurdersportier te
bedienen.
Cockpit roof
U hebt de beschikking over een panoramisch
oppervlak van getint glas, waardoor de
lichtinval en het zicht in het interieur worden
vergroot.
De drie elektrisch bedienbare zonneschermen
zorgen voor een beter thermisch comfort.
Daarnaast hebben ze een geluidsisolerende
werking voor het interieur.
Zowel het openen als het sluiten is op twee
manieren mogelijk:
Elektrische zonneschermen
) Duw of trek de schakelaar tot voorbij het
zware punt.
Bedien de schakelaar één keer om het
scherm volledig te openen of te sluiten.
Nadat u de schakelaar nogmaals hebt
bediend, verplaatst het scherm zich nog
ongeveer 2 cm, waarna het stopt.
) Duw of trek de schakelaar tot aan het
zware punt (naar voren voor het sluiten,
naar achteren voor het openen).
Wanneer de schakelaar wordt losgelaten,
verplaatst het scherm zich nog ongeveer
2 cm, waarna het stopt.
71
Toegang tot de auto
Klembeveiliging
Meteen nadat het scherm tijdens het sluiten
stopt en weer opengaat:
) bedien de schakelaar tot het scherm
volledig is geopend,
) bedien vervolgens de schakelaar tot het
scherm volledig is gesloten.
Tijdens deze handelingen werkt de
klembeveiliging niet.
Wanneer tijdens het bedienen van
het scherm iets bekneld raakt, moet
het scherm weer worden geopend.
Druk daarvoor op de desbetreffende
schakelaar.
Wanneer de bestuurder het scherm
bedient, moet deze ervan verzekerd zijn
dat niets het correcte sluiten van het
scherm verhindert.
De bestuurder moet ervan verzekerd
zijn dat de passagiers op de juiste
manier gebruik maken van het
zonnescherm.
Zorg ervoor dat kinderen zich tijdens
het bedienen van het scherm niet
kunnen bezeren.
Resetten
Wanneer de elektrische voeding van het
zonnescherm tijdens de werking ervan
onderbroken is geweest, moet u de
klembeveiliging resetten:
) bedien de schakelaar tot het scherm
volledig is gesloten,
) houd de schakelaar nog minimaal
3 seconden ingedrukt. Er zal dan een lichte
beweging van het scherm waarneembaar
zijn, ter bevestiging van het resetten.
Als het zonnescherm tijdens het automatisch
sluiten bijna volledig is gesloten en op een
obstakel stuit, stopt het scherm en gaat het
gedeeltelijk weer open.
Brandstoftank
Inhoud van de brandstoftank: ongeveer 60 liter.
Als er minder dan 5 liter brandstof
getankt wordt, wordt deze stijging van het
brandstofniveau niet weergegeven op de
brandstofmeter.
Tijdens het openen van de tankdop kan een
geluid van aangezogen lucht hoorbaar zijn.
Dit wordt veroorzaakt door de onderdruk
die ontstaat door de afdichting van het
brandstofcircuit. Dit geluid is normaal.
)
Kies bij het tankstation de juiste brandstof (deze
staat vermeld op de sticker aan de binnenzijde
van de brandstofvulklep van uw auto).
) Open de vuldop door deze een kwart
omwenteling linksom te draaien.
) Verwijder de vuldop en plaats deze op de
steun (aan de klep).
Openen
Indien u per vergissing de verkeerde
brandstof voor uw auto tankt, moet
de tank beslist worden afgetapt
voordat de motor kan worden
gestart.
Tank nooit als de motor door het Stop &
Start-systeem in de STOP-stand is
geschakeld; zet in dat geval altijd het
contact af met "START/STOP"-knop.
Tanken
) Steek bij een benzine-uitvoering het
vulpistool zo ver mogelijk in de vulopening
en druk hierbij de metalen klep A in.
) Vul de brandstoftank. Laat het vulpistool
maximaal drie keer afslaan, aangezien er
anders storingen kunnen optreden.
) Plaats de vuldop terug en sluit deze door
de dop een kwart omwenteling rechtsom te
draaien.
) Druk de klep van de tankdop dicht.
Uw auto is voorzien van een katalysator, die de
schadelijke bestanddelen in de uitlaatgassen
vermindert.
Door de vernauwde vulpijp kan alleen benzine
worden getankt.
Bij benzinemotoren mag uitsluitend
loodvrije benzine worden gebruikt.
) Druk op de toets.
Na afzetten van het contact is deze toets
nog enkele minuten actief. Zet eventueel
opnieuw het contact aan om deze toets weer te
activeren.
73
Toegang tot de auto
Minimumbrandstofniveau
Als het minimumbrandstofniveau
is bereikt, gaat dit
waarschuwingslampje branden, in
combinatie met een geluidssignaal
en een melding op het display van
het instrumentenpaneel.
Als dit lampje gaat branden, zit er nog
ongeveer 6 liter brandstof in de tank.
Zolang er niet voldoende brandstof is
bijgetankt, gaat dit lampje elke keer dat het
contact wordt aangezet opnieuw branden in
combinatie met een geluidssignaal en een
melding. Dit geluidssignaal en deze melding
worden met een toenemende frequentie
herhaald naarmate het niveau daalt en dichter
bij de "0" komt.
Ga zo snel mogelijk tanken om te voorkomen
dat u zonder brandstof komt te staan.
Onderbreking
brandstoftoevoer
Uw auto is voorzien van een beveiliging die bij
een aanrijding onmiddellijk de brandstoftoevoer
afsluit.
Het vullen van de brandstoftank met
behulp van een jerrycan is wel mogelijk.
Houd de tuit van de jerrycan recht,
druk deze niet tegen de klep van de
vulpistoolrestrictie en giet voorzichtig
om ervoor te zorgen dat de brandstof
netjes in de vulopening stroomt.
Vulpistoolrestrictie (diesel) *
Dit mechanisme is aangebracht in auto's met een dieselmotor, waardoor het onmogelijk is om
benzine te tanken. Hiermee wordt schade aan motoren, ontstaan door het tanken van de verkeerde
brandstof, voorkomen.
Deze voorziening, die in de tankopening is ingebouwd, is zichtbaar zodra u de brandstoftankdop verwijdert.
Wanneer u bij een dieseluitvoering een
benzinetankpistool in de tankopening plaatst,
wordt dit tegengehouden door een klep,
waardoor het vergrendeld blijft en er dus niet
getankt kan worden.
Probeer in dat geval niet toch te tanken
maar kies een dieseltankpistool.
Werking
Reizen naar het buitenland
Omdat de tankpistolen voor het tanken van
Diesel per land kunnen verschillen, kan de
aanwezigheid van een tankbeveiliging op de
auto er toe leiden dat tanken niet mogelijk is.
Wij adviseren u daarom voordat u naar het
buitenland afreist bij het CITROËN-netwerk
te informeren of uw auto geschikt is om in het
desbetreffende land te kunnen tanken.
* Volgens land van bestemming.
DIESEL
Brandstofkwaliteit voor
benzinemotoren
Auto's met benzinemotoren kunnen
probleemloos rijden op biobrandstoffen van
het type E10 en E24 (deze bevatten resp. 10%
en 24% ethanol) die voldoen aan de Europese
richtlijnen EN 228 en EN 15376.
Brandstoffen van het type E85 (deze bevatten
tot 85% ethanol) zijn uitsluitend geschikt voor
auto's die speciaal bestemd zijn voor dit type
brandstof (BioFlex-auto's). De kwaliteit van de
ethanol moet voldoen aan de Europese richtlijn
EN 15293.
Auto's die kunnen rijden op brandstoffen met
een ethanolgehalte tot 100% (type E100),
worden alleen verkocht in Brazilië.
Brandstofkwaliteit voor
dieselmotoren
Auto's met dieselmotoren kunnen probleemloos
rijden op biobrandstoffen die aan de
huidige en toekomstige Europese richtlijnen
voldoen (diesel die voldoet aan de richtlijn
EN 590 gemengd met biobrandstof die voldoet
aan de richtlijn EN 14214) en die aan de pomp
getankt kunnen worden (met een gehalte aan
methyl-estervetzuren van 0 tot 7%).
Het gebruik van biobrandstof B30 is mogelijk
bij bepaalde dieselmotoren op voorwaarde dat
de bijzondere onderhoudsvoorschriften strikt
worden nageleefd. Raadpleeg het CITROËN-
netwerk of een gekwalificeerde werkplaats.
Het gebruik van elk ander type (bio)brandstof
(zuivere of verdunde plantaardige of dierlijke
olie, stookolie ...) is nadrukkelijk verboden
(kans op schade aan de motor en het
brandstofcircuit).
75
Toegang tot de auto
003
Comfort
Voorstoelen
Handmatig
1. Hoofdsteun in hoogte verstellen en
kantelen
Trek de hoofdsteun omhoog om deze
hoger te stellen.
Houd de pal ingedrukt en druk gelijktijdig
op de hoofdsteun om de hoofdsteun lager
te stellen.
2. Kantelen van de rugleuning
Draai aan de draaiknop om de rugleuning
in de gewenste hellingshoek te zetten.
3. Instellen van de zithoogte
Beweeg de hendel net zo lang omhoog
of omlaag tot de gewenste instelling is
bereikt.
4. Verstellen van de stoel in lengterichting
Til de beugel op en schuif de stoel naar
voren of naar achteren.
5. Lendensteun bestuurdersstoel verstellen
Draai aan de draaiknop om de gewenste
mate van steun voor de lendenen in te
stellen.
Zorg er bij het verstellen van de stoel naar achteren voor dat het schuiven van de stoel niet
wordt verhinderd door personen of hinderlijke voorwerpen op de vloer achter de stoel om te
voorkomen dat de stoel wordt geblokkeerd. Onderbreek het schuiven van de stoel meteen
als dit het geval is.
79
Comfort
Zet het contact aan of start de motor als de eco-mode is ingeschakeld.
Na het openen van het voorportier kan de bediening van de elektrische
verstelling van de bestuurdersstoel nog ongeveer 45 seconden worden
gebruikt. Ongeveer 45 seconden na het afzetten van het contact en in de eco-
mode, wordt de bediening van de elektrische stoelverstelling uitgeschakeld.
Als het contact wordt aangezet, wordt de bediening van de elektrische
stoelverstelling weer ingeschakeld.
Elektrisch
1. Zitting kantelen en in hoogte en in
lengterichting verstellen
) Licht de schakelaar aan de voorzijde op
of druk deze neer om de zitting van de
stoel te kantelen.
) Licht de schakelaar aan de achterzijde
op of druk deze neer om de zitting te
verhogen of te verlagen.
) Beweeg de schakelaar naar voren of
naar achteren om de stoel naar voren of
naar achteren te bewegen.
2. Kantelen van de rugleuning
Beweeg de schakelaar naar voren of
naar achteren om de hellingshoek van de
rugleuning in te stellen.
3. Lendensteun bestuurdersstoel verstellen
Druk op de schakelaars om de gewenste
mate van steun voor de lendenen in te stellen.
4. Handmatig verstellen van de zitting
Trek aan de handgreep om de lengte van
de zitting in te stellen.
Zorg er bij het verstellen van de stoel naar achteren voor
dat het schuiven van de stoel niet wordt verhinderd door
personen of hinderlijke voorwerpen op de vloer achter de
stoel om te voorkomen dat de stoel wordt geblokkeerd.
Onderbreek het schuiven van de stoel meteen als dit het
geval is.
Opslaan van zitposities in
het geheugen
Dit systeem slaat de elektrische instellingen
van de bestuurdersstoel en het head-up display
op. U kunt twee standen opslaan met de
toetsen aan de zijkant van de bestuurdersstoel.
Opslaan van een zitpositie met
de toetsen M / 1 / 2
) Zet het contact aan.
) Zet uw stoel en de head-up display in de
gewenste stand.
) Druk op de toets M en vervolgens binnen
4 seconden op de toets 1 of 2 .
Een geluidssignaal geeft aan dat de
zitpositie is opgeslagen.
Het opslaan van een andere stand annuleert de
vorige, in het geheugen opgeslagen stand.
Oproepen van een opgeslagen zitpositie
) Druk kort op de toets 1 of 2 om de
desbetreffende zitpositie op te roepen.
Een geluidssignaal geeft aan dat de
opgeslagen zitpositie is ingenomen.
U kunt de beweging onderbreken door
op de toets M , 1 of 2 te drukken of
door een van de schakelaars van de
stoelverstelling te bedienen.
U kunt een zitpositie niet oproepen
tijdens het rijden.
Het opvragen van een opgeslagen
zitpositie is tot 45 s na het afzetten van
het contact mogelijk.
81
Comfort
Voor de veiligheid is het frame van de
hoofdsteun gekarteld om te voorkomen
dat de hoofdsteun zakt in het geval van
een aanrijding.
De juiste stand van de hoofdsteun is
als de bovenzijde van de hoofdsteun
zich ter hoogte van de bovenzijde
van het hoofd bevindt.
Ga nooit rijden als de hoofdsteunen zijn
verwijderd. De hoofdsteunen moeten
zijn geplaatst en correct zijn afgesteld.
Hoogte- en hoekverstelling
hoofdsteun
) Trek de hoofdsteun omhoog om hem hoger
te zetten.
) Druk op de pal A en trek de hoofdsteun
omhoog om hem te verwijderen.
) Steek om de hoofdsteun terug te zetten
de pennen van de hoofdsteun recht in
de openingen van de rugleuning tot de
hoofdsteun op zijn plaats blijft.
) Druk gelijktijdig op de pal A en op de
hoofdsteun om deze lager te zetten.
) Beweeg om de hoek van de hoofdsteun te
verstellen de onderzijde van de hoofdsteun
naar voren of naar achteren.
Massagefunctie
Deze functie zorgt voor een massage ter
hoogte van de lendenen en werkt alleen bij
draaiende motor en als de STOP-stand van het
Stop & Start-systeem is geactiveerd.
Inschakelen
) Druk op deze knop.
Het controlelampje van de functie gaat branden
en de massagefunctie wordt voor een tijdsduur
van 1 uur ingeschakeld.
Gedurende deze tijdsduur wordt de massage
in 6 cycli van 10 minuten uitgevoerd (6 minuten
massage worden gevolgd door 4 minuten rust).
Na een uur wordt de functie uitgeschakeld, het
controlelampje gaat dan uit.
Uitschakelen
U kunt de massagefunctie op elk
gewenst moment uitschakelen
door op deze knop te drukken, het
controlelampje gaat dan uit.
Bediening
stoelverwarming
) Met de draaiknop kan de stoelverwarming
ingeschakeld worden en kan een
verwarmingsstand worden geselecteerd:
0 : Uit.
1 : Laag.
2 : Gemiddeld.
3 : Hoog.
Bij draaiende motor is de stoelverwarming voor
beide voorstoelen afzonderlijk regelbaar.
83
Comfort
Achterbank
U kunt het linkerdeel (2/3) en/of het rechterdeel (1/3) van de rugleuning van de achterbank neerklappen om de bagageruimte te vergroten.
) Schuif de desbetreffende voorstoel indien
nodig naar voren.
) Zet de hoofdsteunen in de laagste stand of
verwijder ze.
) Trek de gordel uit de geleider.
Neerklappen van het
zitgedeelte en de rugleuning
) Zet het zitgedeelte 1 via de achterkant
rechtop.
) Kantel het zitgedeelte 1 helemaal tegen de
voorstoel.
) Houd de gordelgeleider 2 tegen de zijwand
van de auto.
) Trek de hendel 3 naar voren om de
rugleuning 4 te ontgrendelen.
) Kantel de rugleuning 4 .
Terugplaatsen van de
rugleuning en het zitgedeelte
) Houd de gordelgeleider 2 tegen de zijwand
om te voorkomen dat de gordel beklemd
raakt tijdens het terugplaatsen van het
zitgedeelte.
) Zet de rugleuning 4 rechtop, plaats de
hoofdsteunen terug en vergrendel de
rugleuning.
) Controleer of de rode markering bij de
hendel 3 niet meer zichtbaar is.
) Plaats het zitgedeelte 1 terug.
) Laat de geleider van de gordel 2 los.
) Plaats de veiligheidsgordel terug in de
geleider.
Let erop dat bij het terugplaatsen van
de rugleuning van de achterbank de
veiligheidsgordels niet klem komen te
zitten.
85
Comfort
De hoofdsteunen hebben een gebruiksstand
(hoog) en een ingeklapte stand (laag).
De hoofdsteunen kunnen ook worden verwijderd.
Verwijderen van een hoofdsteun:
) ontgrendel de rugleuning met de hendel 1 ,
) kantel de rugleuning 2 enigszins naar
voren,
) trek de hoofdsteun omhoog tot aan de
aanslag,
) druk vervolgens de pal A in.
Hoofdsteunen achter
Ga nooit rijden als de hoofdsteunen zijn
verwijderd; de hoofdsteunen moeten zijn
geplaatst en correct zijn afgesteld.
) Verwijder de zitting 1 uit de bevestigingen
door de zitting omhoog te trekken.
Verwijderen van de zitting
Terugplaatsen van de zitting
) Plaats de zitting 1 in verticale richting in de
bevestigingen.
Spiegels
De verstelbare buitenspiegels zorgen voor
het benodigde zicht naar achteren bij een
inhaalmanoeuvre of het parkeren van de auto.
De buitenspiegels kunnen ook worden ingeklapt
voor het parkeren in een smalle straat.
Buitenspiegels
Als de buitenspiegels zijn ingeklapt met behulp
van de schakelaar A , worden ze niet automatisch
uitgeklapt als de auto wordt ontgrendeld.
Het automatisch in- en uitklappen van
de buitenspiegels met behulp van
de elektronische sleutel kan worden
gedeactiveerd door het CITROËN-netwerk
of een gekwalificeerde werkplaats.
Klap de buitenspiegels in als u uw auto
in een automatische autowasstraat laat
wassen.
De waargenomen objecten in de
buitenspiegels lijken verder af dan ze in
werkelijkheid zijn.
Hiermee moet rekening worden
gehouden om de afstand ten opzichte van
achteropkomend verkeer goed in te schatten.
Ontwaseming - ontdooiing
Verstellen
) Draai de knop A naar links of rechts om de
desbetreffende spiegel te selecteren.
) Duw de knop A in de vier richtingen om de
spiegel af te stellen.
) Zet de knop A weer in het midden.
Inklappen
Automatisch: vergrendel de auto met behulp
van de elektronische sleutel.
Uitklappen
Automatisch: ontgrendel de auto met de
elektronische sleutel.
Handmatig: draai bij aangezet
contact de schakelaar A naar
beneden.
Handmatig: draai bij aangezet
contact de schakelaar A naar boven.
Deze functie kunt u inschakelen
door op de toets van de
achterruitverwarming te drukken.
Voor meer informatie, zie de rubriek
"Ontwaseming - Ontdooiing achterruit".
De achterruitverwarming werkt
uitsluitend bij draaiende motor.
Indien nodig kunnen de buitenspiegels
handmatig worden ingeklapt.
87
Comfort
Automatisch dimmende binnenspiegel
Dankzij een sensor die de hoeveelheid licht die
vanaf de achterzijde van de auto op de spiegel
valt meet, gaat de binnenspiegel geleidelijk en
automatisch over van de dag- in de nachtstand.
Verstelbare spiegel voor het zicht recht achter de auto.
De binnenspiegel is voorzien van
een nachtstand waardoor de spiegel
donkerder wordt en de bestuurder minder
hinder ondervindt van de zon en van
koplampverlichting van achteropkomend
verkeer ...
Binnenspiegel
Zodra de achteruitversnelling wordt
ingeschakeld, wordt de spiegel in de
dagstand gezet voor een maximaal
zicht naar achteren.
Stuurwielverstelling
) Zorg dat de auto stilstaat en trek aan de
hendel om het stuurwiel te ontgrendelen.
) Verstel het stuurwiel in hoogte en diepte
voor een optimale zithouding.
) Druk de hendel goed vast om het stuurwiel
te vergrendelen.
Voer deze handelingen om
veiligheidsredenen uitsluitend uit bij
stilstaande auto.
Om veiligheidsredenen moeten de
spiegels zo zijn ingesteld dat de "dode
hoek" zo klein mogelijk is.
Zicht
Stel voor een beter zicht naar achteren de
binnenspiegel zo af dat onder in de spiegel het
onderste deel van de achterruit zichtbaar is.
Voorzieningen
interieur
1. Dashboardkastje
2. Opbergvak
3. Opbergvakken (volgens uitvoering)
4. Kaartenvak (volgens uitvoering)
5. Uitneembare asbak / 12V-aansluiting
(120 W)
Druk op het deksel om de asbak te openen.
Asbak legen: trek de asbak omhoog om
deze te verwijderen.
6. Middenarmsteun vóór met bergruimte
Deze is verlicht, gekoeld en voorzien van
bergruimte (fles van 1,5 liter, ...).
7. USB-box
8. 12V-aansluiting (120 W)
Houd u aan het maximaal toegestane
vermogen om schade aan uw apparatuur
te voorkomen.
9. Bekerhouders in de portierbekleding
89
Comfort
Matten
De matten zijn uitneembaar en beschermen de vloerbedekking van de auto.
) zet de stoel in de achterste stand,
) plaats de mat,
) maak de bevestigingen vast door er op te
drukken.
Bevestigen
Verwijderen
Verwijderen van de mat aan de bestuurderszijde:
) zet de stoel in de achterste stand,
) maak de bevestigingen los; houd daarbij
de bevestigingspluggen die op de
vloerbedekking zijn gemonteerd vast,
) verwijder de mat.
Terugplaatsen
Terugplaatsen van de mat aan de
bestuurderszijde:
) leg de mat goed op zijn plaats,
) druk de bevestigingen vast,
) controleer of de mat goed vastzit.
Om te voorkomen dat de pedalen
blijven hangen:
- gebruik uitsluitend matten die op de
bevestigingen van de auto passen;
het gebruik van deze bevestigingen
is verplicht.
- gebruik nooit meer dan één mat per
plaats.
Bij gebruik van niet door CITROËN
goedgekeurde matten kan de
bediening van de pedalen worden
gehinderd en kan de werking van de
snelheidsregelaar/-begrenzer negatief
worden beïnvloed.
) Druk wanneer u de aansteker wilt
gebruiken, deze in en wacht enkele
seconden tot de aansteker uit zichzelf naar
buiten springt.
) Verwijder de aansteker en sluit een
geschikte adapter aan als u een
12V-accessoire (maximaal vermogen:
120 W) wilt aansluiten.
U kunt bijvoorbeeld een telefoonlader of een
flessenwarmer op deze aansluiting aansluiten.
Plaats na het gebruik direct de aansteker terug.
Aansteker /
12V-aansluiting
USB-box
Deze aansluitmodule, die bestaat uit een
JACK-aansluiting en een USB-poort, bevindt
zich in de armsteun vóór (onder het deksel).
Hierop kunt u draagbare apparatuur aansluiten,
zoals een iPod
®
of een USB-stick.
Dankzij de aansluitmodule kunt u de
audiobestanden op uw draagbare apparatuur
beluisteren via de luidsprekers van uw
autoradio.
U kunt deze bestanden beheren met de toetsen
op het stuurwiel of het bedieningspaneel van
de autoradio en ze weergeven op het display
van het instrumentenpaneel.
Tijdens het gebruik van de USB-poort kan de
draagbare apparatuur automatisch worden
opgeladen.
Raadpleeg voor meer informatie over
het gebruik van deze uitrusting de
rubriek "Audio en datacommunicatie".
Voor het comfort en als opbergmogelijkheid
voor de bestuurder en voorpassagier.
Middenarmsteun
Opbergvakken
) Toegang tot het grote opbergvak: druk op
de knop 1 en til het deksel op.
) Toegang tot het kleine opbergvak (onder
de klep van de armsteun): druk op de knop
2 en til de klep op.
In deze opbergvakken kunt u draagbare
apparatuur (telefoon, MP3-speler, ...) opbergen
die op de USB-/Jack-aansluiting kan worden
aangesloten.
Het grote opbergvak is voorzien van een
regelbare ventilatieopening zodat gekoelde
lucht het vak in kan stromen.
91
Comfort
Skiluik
Het skiluik kan worden gebruikt voor het
vervoeren van lange voorwerpen.
) Klap de middenarmsteun achter omlaag
voor een optimaal zitcomfort.
De armsteun is bij bepaalde uitvoeringen
voorzien van bekerhouders. Tevens hebt u, als
de armsteun is neergeklapt, toegang tot het
skiluik.
Middenarmsteun achter
Openen
) Klap de middenarmsteun omlaag.
) Druk op de ontgrendelingsknop van het luik.
) Laat het skiluik zakken.
) Steek voorwerpen vanuit de bagageruimte
door het skiluik.
Sluit het luik wanneer u het niet meer gebruikt.
Voorzieningen van
de bagageruimte
1. Hoedenplank
Deze kan worden verwijderd zodat grotere
voorwerpen vervoerd kunnen worden.
2. Haken (voor tassen)
3. Sjorogen
4. Riemen voor de gevarendriehoek
93
Comfort
Gevarendriehoek (opbergen)
Gebruik de op de binnenbekleding van de
achterklep gemonteerde riemen om een
opgevouwen gevarendriehoek, al dan niet in
een koker, op te bergen.
Op de weg plaatsen van de
gevarendriehoek
Plaats de gevarendriehoek achter de auto en
houd u aan de ter plaatse geldende wettelijke
voorschriften.
Verwarming en ventilatie
Bedieningspaneel
De lucht kan afhankelijk van de instellingen
van de bestuurder, voorpassagier of
achterpassagiers via verschillende circuits
worden toegevoerd.
Stel de temperatuurregeling in: de lucht van de
verschillende circuits wordt gemengd om het
gewenste comfortniveau te bereiken.
Stel de luchtverdeling in met de desbetreffende
(combinatie van) toetsen: de lucht wordt via de
gewenste uitstroomopeningen verdeeld.
Stel de luchtopbrengst in: de aanjagersnelheid
wordt verhoogd of verlaagd.
De bedieningsschakelaars bevinden zich op
het paneel A van de middenconsole.
1. Uitstroomopeningen voor het ontdooien of
ontwasemen van de voorruit.
2. Uitstroomopeningen voor het ontdooien of
ontwasemen van de voorste zijruiten en de
voorportierruiten.
3. Afsluitbare en verstelbare
zijventilatieroosters.
4. Afsluitbare en verstelbare middelste
ventilatieroosters.
De ventilatie zorgt voor een optimaal comfort
en zicht in het interieur.
5. Uitstroomopeningen beenruimte
bestuurder en voorpassagier.
6. Afsluitbare en verstelbare ventilatieroosters
voor de achterpassagiers.
7. Uitstroomopeningen beenruimte
achterpassagiers.
Luchtverdeling
95
Comfort
Neem voor een optimale werking van de verwarming, ventilatie en airconditioning de
volgende gebruiksadviezen in acht:
) Let erop dat voor een gelijkmatige verdeling van de lucht naar het interieur de
uitstroomopening onder de voorruit, de verschillende luchtkanalen, luchtroosters en
overige uitstroomopeningen alsmede de ventilatieopening in de bagageruimte vrij
blijven.
) Let erop dat de zonnesensor op het dashboard niet wordt afgedekt. Deze sensor dient
voor de regeling van de automatische airconditioning.
) Zet de airconditioning minstens één tot twee keer per maand vijf tot tien minuten aan
om het systeem in perfecte staat te houden.
) Controleer regelmatig de staat van het interieurfilter en laat de filterelementen periodiek
vervangen (zie de rubriek "Controles").
Wij raden u een gecombineerd interieurfilter aan. Dankzij het toegevoegde speciale
actieve middel draagt het bij tot een gezuiverde lucht voor de inzittenden en een schoon
interieur (vermindering van allergische reacties, stank en vetaanslag).
) Laat de airconditioning regelmatig controleren zoals voorgeschreven in het garantie- en
onderhoudsboekje, om het systeem in perfecte staat te houden.
) Gebruik de airconditioning niet als deze niet koelt en raadpleeg het CITROËN-netwerk
of een gekwalificeerde werkplaats.
Om het brandstofverbruik te verminderen kunt u de airconditioning uitschakelen (toets A/C)
terwijl de automatische stand ingeschakeld blijft. Als in deze stand de ruiten beginnen te
beslaan, kunt u de airconditioning tijdelijk inschakelen om de ruiten te ontwasemen.
Bij een zware belasting van de motor (trekken van een aanhanger op een steile helling bij
een hoge buitentemperatuur) kan de airconditioning tijdelijk worden uitgeschakeld voor een
optimale trekkracht van de motor.
Gebruiksadviezen voor de verwarming, ventilatie en airconditioning
Als de auto lange tijd in de zon heeft
gestaan en de temperatuur in het
interieur hoog is opgelopen, zet dan de
ruiten enige tijd open.
Zorg ervoor dat de aanjagersnelheid
voldoende hoog is ingesteld, zodat de
lucht in het interieur goed ververst wordt.
Het airconditioningssysteem is chloorvrij
en is niet schadelijk voor de ozonlaag.
Condensvorming door de
airconditioning kan ertoe leiden dat zich
een klein plasje water onder de auto
vormt. Dit is een normaal verschijnsel.
Als u geen concessies wilt doen aan het
thermische comfort, start dan de motor
of laat deze permanent draaien door op
de toets ECO OFF te drukken.
Automatische airconditioning met gescheiden regeling
1. Automatisch programma "comfort"
Wij raden aan om een van de drie
AUTO-standen te gebruiken: het
systeem zorgt voor een aangenaam
klimaat in de auto op basis van de
door u ingestelde waarde.
In alle drie de standen regelt het systeem zelf
de comforttemperatuur om zo snel mogelijk het
door u gewenste klimaat te verkrijgen.
) Druk herhaaldelijk op de toets "AUTO" .
- één lampje brandt; milde instelling,
- twee lampjes branden; gemiddelde
instelling,
- drie lampjes branden; hoge instelling.
Gebruik bij voorkeur de instellingen
"gemiddeld" en "hoog" voor het behoud
van een aangename temperatuur voor de
achterzitplaatsen.
Om bij koude motor te voorkomen dat
er koude wind in uw gezicht geblazen
wordt, wordt de aanjagersnelheid in
dergelijke situaties geleidelijk verhoogd
tot het gewenste niveau is bereikt.
Als de temperatuur in de auto bij het
instappen veel lager of hoger is dan
de ingestelde waarde, heeft het geen
zin om voor het gewenste comfort de
ingestelde waarde te wijzigen. Het
systeem compenseert bij gesloten
ramen en ongeacht het seizoen
automatisch en zo snel mogelijk het
temperatuurverschil.
Het systeem kan in alle jaargetijden effectief
gebruikt worden, mits de ruiten zijn gesloten.
Automatische werking
97
Comfort
4. Automatisch programma
"zicht"
Om het interieur maximaal te verkoelen
of te verwarmen is het mogelijk de
minimale waarde 14 of de maximale
waarde 28 te overschrijden.
) Draai de knop 2 of 3 naar links
totdat "LO" verschijnt of naar
rechts totdat "HI" verschijnt.
Zie "Voorruitontwaseming -
Ontdooien".
2-3. Regeling bestuurder-
passagier
De bestuurder en de voorpassagier
kunnen de temperatuur afzonderlijk
naar wens instellen.
De op het display weergegeven
waarde heeft betrekking op een bepaald
comfortniveau en niet op de werkelijke
temperatuur in graden Celsius of Fahrenheit.
) Draai de knop 2 of 3 naar links of naar
rechts om deze waarde te verlagen of te
verhogen.
Voor een optimaal comfort wordt de waarde
21 aanbevolen. Niettemin is afhankelijk
van uw wensen een afstelling tussen 18 en
24 gebruikelijk.
Voor een optimaal comfort is het raadzaam
dat het verschil in instelling links en rechts niet
meer dan 3 bedraagt.
Handmatig verstellen
Als u dat wenst, kunt u de automatische
bediening van het systeem handmatig
aanpassen. De controlelampjes in de toets
"AUTO" gaan uit; de overige functies blijven
automatisch geregeld, met uitzondering van de
airconditioning.
) Druk op de toets "AUTO" om het systeem
weer volledig automatisch te laten
functioneren.
Bij auto's met een Stop & Start-
systeem geldt dat zolang de
voorruitontwaseming in werking is,
de STOP-functie niet beschikbaar is.
5. Airconditioning aan/uit
) Druk op deze toets om de
airconditioning uit te schakelen.
Als de airconditioning wordt uitgeschakeld,
wordt het thermische comfort niet meer
geregeld (vocht, beslagen ruiten).
) Druk de toets nogmaals in zodra dit
mogelijk is om de automatische werking
van de airconditioning te hervatten. Het
lampje van de toets "A/C" gaat branden.
Om het interieur sneller te verkoelen kunt u
korte tijd de recirculatiestand inschakelen.
Schakel vervolgens weer over op de stand
"Buitenlucht".
6. Regeling luchtverdeling
) Druk op één of meer toetsen
om de luchtstroom te verdelen
naar:
- de voorruit en de zijruiten,
- de centrale en zijventilatieroosters,
- de beenruimte van de passagiers.
U kunt de drie luchtstromen ook naar eigen
wens combineren.
7. Regeling luchtopbrengst
) Draai deze knop naar links
om de luchtopbrengst te
verminderen of naar rechts om
deze te verhogen.
De lampjes van de luchtopbrengst, tussen
de twee propellers, gaan afhankelijk van de
ingestelde waarde geleidelijk branden.
8. Toevoer van buitenlucht/
luchtrecirculatie
De luchtrecirculatie dient om de toevoer van
buitenlucht bij stank en stofoverlast af te
sluiten: in geval van detectie van vervuiling van
de buitenlucht (indien uw auto voorzien is van
een luchtkwaliteitssonde).
Deze treedt in werking bij activering van de
ruitensproeier.
De werking stopt wanneer de
buitentemperatuur beneden de 5°C komt, om te
voorkomen dat de ruiten beslaan.
- Het branden van het lampje
met de "A" duidt erop dat de
luchtrecirculatie automatisch
wordt geregeld.
- Het branden van het lampje
zonder de "A" duidt erop dat de
luchtrecirculatie handmatig in
werking is gesteld.
- Wanneer de lampjes uit
zijn, betekent dat dat de
luchtrecirculatie automatisch
wordt geregeld onafhankelijk van
de detectie van luchtvervuiling.
Geen luchtkwaliteitsensor
Indien uw auto niet voorzien is
van een luchtkwaliteitsensor,
druk dan op deze toets om de
luchtrecirculatie handmatig in
werking te stellen.
99
Comfort
Uitschakelen van het systeem
) Draai de knop van de
luchtopbrengst naar links tot
alle lampjes uitgaan.
Vermijd het te lang rijden met
ingeschakelde luchtrecirculatie of
een uitgeschakeld systeem, om te
voorkomen dat de ruiten beslaan of de
luchtkwaliteit vermindert.
Alle functies van de airconditioning en het
ventilatiesysteem worden dan uitgeschakeld.
De temperatuur wordt dan niet meer
geregeld, maar er blijft een kleine luchtstroom
gehandhaafd.
) Wijzig de instellingen (temperatuur,
luchthoeveelheid en luchtverdeling) of druk
op de toets "AUTO" om het systeem weer
met de laatst ingestelde waarden in te
schakelen.
9. "REST"-functie: maximale
airconditioning
) Als u de interieurlucht snel wilt
koelen, druk dan op deze toets:
"LO" wordt weergegeven.
Om vorige instellingen te hervatten, drukt u
opnieuw op deze toets.
) Schakel, zodra de omstandigheden
het toelaten, de achterruit- en
buitenspiegelverwarming uit,
omdat een geringer stroomverbruik
leidt tot een verlaging van het
brandstofverbruik.
Ontwasemen -
Ontdooien vóór
Achterruit- en buitenspiegelverwarming
) U kunt de achterruitverwarming
ook eerder uitschakelen
door nogmaals op de toets te
drukken. Het controlelampje
van de toets gaat uit.
Automatisch programma
"Zicht"
Aan
Bij auto's met een Stop & Start-
systeem geldt dat zolang de
voorruitontwaseming in werking is,
de STOP-functie niet beschikbaar is.
UIT
De achterruitverwarming wordt automatisch
uitgeschakeld om onnodig stroomverbruik te
voorkomen.
) Selecteer dit programma om
de voorruit en de zijruiten snel
te ontwasemen of te ontdooien.
Het systeem werkt volledig automatisch
en regelt de luchttemperatuur, de
aanjagersnelheid en de luchttoevoer; het stelt
de luchtverdeling zodanig in dat de voorruit en
de zijruiten zo snel mogelijk schoon worden.
) Druk nogmaals op de toets "Zicht" of op
"AUTO" om deze functie uit te schakelen;
het controlelampje in de toets gaat uit en
dat van de toets "AUTO" gaat branden.
Het systeem keert terug naar dezelfde
instellingen als die van vóór het uitschakelen.
) Druk op deze toets (op
het bedieningspaneel van
de airconditioning) om de
achterruit en de buitenspiegels
te ontwasemen. Het
controlelampje van de toets
gaat branden.
De achterruitverwarming werkt
uitsluitend bij draaiende motor.
101
Comfort
004
Rijden
Starten - afzetten van de motor
) Steek de elektronische sleutel in de lezer.
) Houd het rempedaal ingetrapt (auto's
met automatische of elektronisch
gestuurde versnellingsbak) of houd het
koppelingspedaal volledig ingetrapt (auto's
met handgeschakelde versnellingsbak).
Starten met de
elektronische sleutel
Starten met het keyless
entry and start-systeem
Als aan een van de voorwaarden voor
het starten niet wordt voldaan, wordt
ter herinnering een melding op het
display van het instrumentenpaneel
weergegeven. In sommige gevallen
moet het stuurwiel heen en weer
worden bewogen terwijl de knop
"START/STOP" wordt ingedrukt om
het stuurslot te ontgrendelen; u wordt
hiervan via een melding op de hoogte
gebracht.
Handgeschakelde versnellingsbak : zet de versnellingshendel in de neutraalstand.
Elektronisch gestuurde versnellingsbak : zet de selectiehendel in de stand N .
Automatische transmissie : zet de selectiehendel in de stand P of N .
Bij temperaturen onder
0 graden wordt bij auto's met
een dieselmotor de motor pas
na het doven van het verklikkerlampje
"Voorgloeien" gestart.
Als dit lampje gaat branden nadat u
op START/STOP-knop hebt gedrukt,
moet u het rem- of koppelingspedaal
ingetrapt houden tot dit lampje uitgaat
en niet opnieuw op de "START/
STOP-knop drukken, tot de motor is
aangeslagen.
) Houd, als de elektronische sleutel zich
in de auto bevindt (u hoeft hem niet in de
lezer te steken), het rempedaal ingetrapt
bij auto's met automatische of elektronisch
gestuurde versnellingsbak of houd het
koppelingspedaal volledig ingetrapt bij auto's
met handgeschakelde versnellingsbak.
)
Druk op de knop " START/STOP ".
De motor wordt gestart (zie de
navolgende waarschuwing, die
geldt voor dieseluitvoeringen).
) Druk op de knop " START/STOP ".
De motor wordt gestart (zie de
navolgende waarschuwing, die
geldt voor dieseluitvoeringen).
De elektronische sleutel van het
Keyless entry and start-systeem moet
zich binnen de detectiezone bevinden.
Verlaat om veiligheidsredenen deze
zone niet terwijl de motor nog draait.
105
Rijden
Afzetten met de
elektronische sleutel
) Zet de auto stil.
Als u de elektronische sleutel vergeet
Als u de elektronische sleutel in
de lezer laat zitten, wordt u bij het
openen van het bestuurdersportier
gewaarschuwd door een melding.
Afzetten met het keyless
entry and start - systeem
) Zet de auto stil.
Als de auto niet stilstaat, wordt de motor
niet afgezet.
Contact aan
zonder starten
) Druk terwijl de elektronische
sleutel zich in de auto bevindt op
de knop " START/STOP ".
De motor wordt afgezet en het
stuurslot wordt vergrendeld.
) Druk op de knop " START/STOP ".
De motor wordt afgezet en het
stuurslot wordt vergrendeld.
Diefstalbeveiliging
Elektronische startbeveiliging
In de sleutels is een chip aangebracht die over
een geheime code beschikt. Om te kunnen
starten, moet bij het aanzetten van het contact
de code van de sleutel worden herkend door de
startbeveiliging.
Deze elektronische startbeveiliging blokkeert
het motormanagementsysteem zodra het
contact wordt afgezet en voorkomt zo het
starten van de motor bij een inbraak.
Bij een storing in het systeem wordt u
gewaarschuwd door een melding op het display
van het instrumentenpaneel.
De auto kan dan niet gestart worden.
Raadpleeg zo snel mogelijk het
CITROËN-netwerk.
Druk, met de elektronische sleutel van het
keyless entry and start-systeem in de lezer of
in het interieur van de auto, zonder een pedaal
in te trappen op de "START/STOP"-knop om
het contact aan te zetten.
) Verwijder de elektronische sleutel uit de
lezer.
) Druk op de "START/STOP"-
knop: de verlichting en lampjes
van het instrumentenpaneel gaan
branden zonder dat de motor
wordt gestart.
) Druk nogmaals op de knop om
het contact af te zetten en de
auto te kunnen vergrendelen.
Als het contact is aangezet, gaat
het systeem vanaf een bepaalde
laadtoestand van de accu automatisch
over op de eco-mode.
Bij het afzetten van de motor is de
rembekrachtiging niet meer actief.
Noodprocedure voor het starten
met het keyless entry and start-
systeem
Als de elektronische sleutel zich in het
detectiegebied bevindt en uw auto niet start als
u op de knop "START/STOP" drukt:
) Steek de elektronische sleutel in de lezer.
) Houd bij auto's met automatische of
elektronische versnellingsbak het
rempedaal ingetrapt of houd bij auto's met
handgeschakelde versnellingsbak het
koppelingspedaal volledig ingetrapt.
) Druk op de knop "START/STOP".
De motor wordt gestart.
In noodgevallen kan de motor geforceerd
worden afgezet door de knop "START/STOP"
ongeveer drie seconden ingedrukt te houden.
In dat geval wordt het stuurslot ingeschakeld
zodra de auto stilstaat.
Als de elektronische sleutel zich niet meer in
het detectiegebied bevindt tijdens het rijden of
wanneer u (op een later moment) de motor wilt
afzetten, wordt een melding weergegeven op
het display van het instrumentenpaneel.
Noodprocedure voor het afzetten
van de motor
Als de elektronische sleutel niet
wordt herkend door het keyless
entry and start-systeem
) Houd de knop "START/STOP" ongeveer
drie seconden ingedrukt als u de motor
geforceerd wilt afzetten (let op: zonder
de sleutel kan de motor niet meer gestart
worden).
107
Rijden
Wij raden u aan de parkeerrem niet te
gebruiken bij zeer lage temperaturen
(vorst) en bij het trekken van een
aanhanger (slepen, caravan, enz.).
Zet in dat geval bij aangezet contact
de parkeerrem handmatig vrij en voer,
voordat u het contact afzet, de volgende
handeling uit:
) Handgeschakelde
versnellingsbak: schakel
de 1
e
versnelling of de
achteruitversnelling in.
) Elektronisch gestuurde
versnellingsbak: zet de
selectiehendel in de stand A of R .
) Automatische versnellingsbak:
zet de selectiehendel in de stand P
of R .
De elektrische parkeerrem kan op twee
manieren worden bediend:
- Automatisch aantrekken/vrijzetten
De parkeerrem wordt automatisch
aangetrokken bij het afzetten van de motor
en automatisch vrijgezet bij het wegrijden
(standaard geactiveerde functies),
- Handmatig aantrekken/vrijzetten
De parkeerrem kan handmatig worden
aangetrokken door aan de hendel A te trekken.
U kunt de parkeerrem handmatig weer
vrijzetten door het rempedaal ingetrapt
te houden en gelijktijdig aan de hendel te
trekken en deze vervolgens los te laten.
Als de parkeerrem nog niet is aangetrokken en
het bestuurdersportier wordt geopend, klinkt er
een geluidssignaal en verschijnt er een melding
op het display.
Programmeren van de
automatische werking
Afhankelijk van het land van bestemming kan
de functie voor het automatisch aantrekken van
de parkeerrem bij het afzetten van de motor en
het automatisch vrijzetten van de parkeerrem
bij het wegrijden worden uitgeschakeld.
Raadpleeg het CITROËN-netwerk of een
gekwalificeerde werkplaats om de functie weer
te activeren.
De functie wordt in dat geval
geprogrammeerd via het configuratiemenu.
Elektrische parkeerrem
Als de functie is uitgeschakeld, dient
u de parkeerrem dus handmatig te
bedienen.
Als dit verklikkerlampje brandt
op het instrumentenpaneel, is de
automatische functie uitgeschakeld.
Verlaat de auto nooit zonder dat u
zich ervan hebt verzekerd dat de
parkeerrem is aangetrokken.
Dit verklikkerlampje blijft
permanent branden.
Sticker op het portierpaneel
Om bij aangezet contact of draaiende motor
de parkeerrem vrij te zetten, trapt u het
rempedaal in, trekt u aan de hendel A in en
laat u deze vervolgens weer los.
De vrijgezette toestand van de parkeerrem
wordt aangegeven door:
Handmatig vrijzetten
- het uitgaan van het
verklikkerlampje parkeerrem
en het verklikkerlampje P op de
hendel A ,
- de melding "Parkeerrem vrijgezet".
Als u aan de hendel A trekt zonder het
rempedaal in te trappen, wordt de parkeerrem
niet vrijgezet en verschijnt een melding op het
instrumentenpaneel.
U kunt, indien nodig, de parkeerrem extra
stevig aantrekken . Dit gebeurt door de
hendel A langer te bedienen , tot de melding
"Parkeerrem maximaal aangetrokken" op het
display verschijnt en er een geluidsignaal klinkt.
Het extra stevig aantrekken van de
parkeerrem is noodzakelijk in de volgende
omstandigheden:
- wanneer een caravan of aanhanger aan
de auto is gekoppeld en de automatische
bediening is geactiveerd, terwijl u de
parkeerrem handmatig bedient,
- wanneer de hellingcondities vermoedelijk
zullen variëren terwijl de auto stilstaat
(bijvoorbeeld wanneer de auto vervoerd
wordt op een boot of trailer, of bij slepen).
Extra stevig aantrekken
In het geval van een aangekoppelde
aanhanger, wanneer de auto beladen is of op
een steile helling staat, dient u de parkeerrem
extra stevig aan te trekken, bij het parkeren
de voorwielen naar de stoeprand te sturen en
een versnelling in te schakelen.
Na het extra stevig aantrekken van de
parkeerrem duurt het langer voordat de
parkeerrem weer is vrijgezet.
Controleer voordat u de auto verlaat of
de verklikkerlampjes van de parkeerrem
op het instrumentenpaneel en op de
hendel A constant branden.
Wanneer de auto stilstaat en u bij draaiende of
afgezette motor de parkeerrem wilt aantrekken,
trekt u aan de hendel A .
Handmatig aantrekken
De aangetrokken toestand van de parkeerrem
wordt aangegeven door:
- het branden van het
verklikkerlampje parkeerrem
en het verklikkerlampje P op de
hendel A ,
- de melding "Parkeerrem
aangetrokken".
Wanneer u het bestuurdersportier opent bij
draaiende motor terwijl de parkeerrem niet
is aangetrokken, klinkt er een geluidssignaal
en verschijnt er een melding op het display
(behalve bij auto's met automatische
transmissie, als de selectiehendel in
de stand P (Park) staat).
109
Rijden
Controleer voordat u de auto verlaat of
de verklikkerlampjes van de parkeerrem
op het instrumentenpaneel en op de
hendel A constant branden.
Laat kinderen nooit alleen in de auto
wanneer het contact is aangezet:
ze zouden de parkeerrem kunnen
vrijzetten.
Automatisch aantrekken,
motor afgezet
- het branden van het
verklikkerlampje parkeerrem
en het verklikkerlampje P op de
hendel A ,
- de melding "Parkeerrem
aangetrokken".
Wanneer de auto stilstaat en u de motor
afzet, wordt de parkeerrem automatisch
aangetrokken .
De aangetrokken toestand van de parkeerrem
wordt aangegeven door:
Automatisch vrijzetten
De elektrische parkeerrem wordt automatisch
geleidelijk vrijgezet bij het wegrijden :
) Handgeschakelde versnellingsbak : trap
het koppelingspedaal volledig in en schakel
de 1
e
versnelling of de achteruitversnelling
in; geef gas en laat het koppelingspedaal
opkomen tot de parkeerrem wordt vrijgezet.
) Elektronisch gestuurde
versnellingsbak : selecteer de stand A , M
of R en geef gas.
) Automatische versnellingsbak : selecteer
de stand D , M of R en geef gas.
De vrijgezette toestand van de parkeerrem
wordt aangegeven door:
- het doven van het
verklikkerlampje parkeerrem
en het verklikkerlampje P op de
hendel A ,
- de melding "Parkeerrem
vrijgezet".
Geef, wanneer de auto stilstaat met
draaiende motor, niet onnodig gas,
omdat u dan het risico loopt dat de
parkeerrem wordt vrijgezet.
Controleer voordat u de auto verlaat of
de verklikkerlampjes van de parkeerrem
op het instrumentenpaneel en op de
hendel A constant branden.
Parkeerrem aantrekken,
bij draaiende motor
Wanneer de auto stilstaat met draaiende motor,
dient u de auto tegen wegrollen te beveiligen
door de parkeerrem handmatig aan te trekken.
Trek daarvoor aan de hendel A .
De aangetrokken toestand van de parkeerrem
wordt aangegeven door:
- het branden van het
verklikkerlampje parkeerrem en het
verklikkerlampje P op de hendel A ,
- de melding "parkeerrem
aangetrokken".
Wanneer u het bestuurdersportier opent om
uit te stappen terwijl de parkeerrem niet is
aangetrokken, klinkt er een geluidssignaal en
verschijnt er een melding op het display (behalve
bij auto's met automatische versnellingsbak, als
de selectiehendel in de stand P (Park) staat).
Noodremfunctie
Wanneer het rempedaal niet werkt of bij
uitzonderlijke situaties (bijv. wanneer de bestuurder
onwel wordt), kan de auto worden gestopt door aan
de hendel A te trekken en deze vast te houden.
De dynamische stabiliteitsregeling zorgt ervoor dat
de auto stabiel blijft wanneer de noodremfunctie
actief is.
In geval van een storing aan het systeem van de
noodremfunctie verschijnt de melding "Parkeerrem
defect".
De noodremfunctie mag uitsluitend in
uitzonderlijke gevallen worden gebruikt.
Bij een storing aan het CDS,
aangegeven door het branden van dit
verklikkerlampje, kan de stabiliteit bij het
remmen niet worden gegarandeerd.
In dat geval moet de bestuurder er zelf
voor zorgen dat de auto stabiel blijft door
afwisselend aan de hendel A te trekken en
deze weer los te laten.
111
Rijden
Storingen
Als het storingslampje van de elektrische parkeerrem gaat branden in combinatie met één of meer verklikkerlampjes uit de onderstaande tabel, zet de auto
dan op een veilige plaats stil (vlakke ondergrond, met ingeschakelde versnelling) en raadpleeg zo snel mogelijk het CITRN-netwerk of een gekwalificeerde
werkplaats.
Situaties Gevolgen
Weergave van de melding " Storing parkeerrem " en branden van de
volgende verklikkerlampjes:
- De automatische bediening is uitgeschakeld.
- De hill holder is niet beschikbaar.
- De elektrische parkeerrem kan alleen handmatig worden bediend.
Weergave van de melding " Storing parkeerrem " en branden van de
volgende verklikkerlampjes:
- De elektrische parkeerrem kan alleen handmatig worden vrijgezet
door het rempedaal in te trappen en aan de hendel te trekken.
- De hill holder is niet beschikbaar.
- De automatische bediening en het handmatig aantrekken van de
parkeerrem blijven mogelijk.
Weergave van de melding " Storing parkeerrem " en branden van de
volgende verklikkerlampjes:
- De automatische bediening is uitgeschakeld.
- De hill holder is niet beschikbaar.
Situaties Gevolgen
Om de elektrische parkeerrem aan te trekken:
) parkeer de auto en zet het contact uit,
) trek de hendel ten minste 5 seconden uit tot de parkeerrem is
aangetrokken,
) zet het contact aan en controleer of de verklikkerlampjes van de
elektrische parkeerrem gaan branden.
Het aantrekken van de parkeerrem duurt langer dan normaal.
Om de elektrische parkeerrem vrij te zetten:
) zet het contact aan,
) houd de hendel ongeveer 3 seconden aangetrokken en laat de
hendel weer los.
Als het controlelampje van de elektrische parkeerrem knippert of als
de verklikkerlampjes niet gaan branden als het contact wordt aangezet,
werken deze procedures niet. Parkeer de auto op een vlakke ondergrond
en laat het systeem controleren door het CITROËN-netwerk of door een
gekwalificeerde werkplaats.
en/of
knipperend.
Weergave van de melding " Storing parkeerrem " en branden van de
volgende verklikkerlampjes:
- Alleen de functies automatisch aantrekken bij het afzetten van de
motor en automatisch vrijzetten bij het wegrijden zijn beschikbaar.
- Het handmatig aantrekken/vrijzetten van de elektrische parkeerrem
is niet mogelijk en de dynamische noodremfunctie is niet
beschikbaar.
en/of
knipperend.
Weergave van de melding "Storing accu" . - Zet de auto zo snel mogelijk stil (rekening houdend met het overige
verkeer) en beveilig de auto tegen wegrollen (plaats indien nodig een
wielblok achter een wiel).
- Trek de elektrische parkeerrem aan alvorens de motor af te zetten.
113
Rijden
Bijzondere omstandigheden
Als de parkeerrem door een storing of bij een
ontladen accu niet kan worden vrijgezet , is
een noodontgrendeling mogelijk.
Om een goede werking en dus uw veiligheid
te waarborgen, kan de parkeerrem maximaal
acht keer achter elkaar worden aangetrokken
en vrijgezet.
Bij overmatig gebruik wordt u gewaarschuwd
door de melding "Storing parkeerrem" en
een knipperend verklikkerlampje.
Onder bepaalde omstandigheden (starten
van de motor...) kan de kracht waarmee de
parkeerrem is aangetrokken automatisch
worden aangepast. Dit is normaal.
Trap wanneer u de auto enkele centimeters
wilt verplaatsen zonder de motor te starten
bij aangezet contact het rempedaal in
en zet de parkeerrem vrij door aan de
hendel A te trekken en deze vervolgens
weer los te laten . Als de parkeerrem
volledig is vrijgezet, gaan het lampje op de
hendel A en het verklikkerlampje op het
instrumentenpaneel uit en wordt de melding
"Parkeerrem vrijgezet" weergegeven.
Hill holder
Dit systeem houdt bij het wegrijden op een
helling uw auto ongeveer 2 seconden op
zijn plaats. In die tijd kunt u uw voet van het
rempedaal naar het gaspedaal verplaatsen.
Deze functie is alleen actief:
- als de auto volledig stilstaat met het
rempedaal ingedrukt,
- bij bepaalde hellingcondities,
- als het bestuurdersportier is gesloten.
De hill holder kan niet worden uitgeschakeld.
Als de auto bergopwaarts stilstaat, wordt
deze even op zijn plaats gehouden wanneer
u het rempedaal loslaat:
- als bij de handgeschakelde versnellingsbak
de eerste versnelling of de neutraalstand is
ingeschakeld,
- als bij de elektronisch gestuurde
versnellingsbak de stand A of M is
ingeschakeld,
- als bij de automatische transmissie de
stand D of M is ingeschakeld.
Werking
Als de auto bergafwaarts stilstaat en de
achteruitversnelling ingeschakeld is, wordt
de auto even op zijn plaats gehouden
wanneer u het rempedaal loslaat.
Verlaat de auto niet in de korte periode
dat u de hill holder gebruikt.
Als u de auto moet verlaten terwijl de
motor draait, trek de parkeerrem dan
handmatig aan en controleer of het
verklikkerlampje van de parkeerrem en
het lampje P op de hendel (elektrische
parkeerrem) permanent branden.
Storing
Bij een storing in de hill holder gaan deze
verklikkerlampjes branden. Raadpleeg het
CITROËN-netwerk of een gekwalificeerde
werkplaats om het systeem te laten controleren.
115
Rijden
Schakel de achteruitversnelling alleen
in als de auto stilstaat en de motor
stationair draait.
Voor uw veiligheid en om het starten
van de motor te vergemakkelijken: zorg
dat de versnellingshendel altijd in de
vrijstand staat.
Handgeschakelde
6-versnellingsbak
) Beweeg de versnellingshendel zo ver
mogelijk naar rechts om de 5
e
of de 6
e
versnelling in te schakelen.
Inschakelen van de 5
e
of de
6
e
versnelling
Inschakelen van de
achteruitversnelling
) Trek de ring onder de pookknop omhoog
en beweeg de versnellingshendel eerst
naar links en dan naar voren.
Weergave op het instrumentenpaneel
Wanneer u de selectiehendel door het
schakelpatroon beweegt, verschijnt
het desbetreffende pictogram op het
instrumentenpaneel.
P Parking (parkeerstand)
R Reverse (achteruitversnelling)
N Neutral (neutraalstand)
D Drive (automatisch schakelen)
S Programma Sport
7 Programma Sneeuw
1 t/m 6 Ingeschakelde versnelling bij
handmatig schakelen
- Ongeldige waarde bij handmatig schakelen
Bij de automatische 6-versnellingsbak kunt u
kiezen uit automatische bediening, aangevuld
met de programma's Sport en Sneeuw. U
kunt met de selectiehendel ook handmatig
schakelen.
Deze versnellingsbak heeft vier
gebruiksmogelijkheden:
- automatisch schakelen : het schakelen
wordt elektronisch aangestuurd,
- programma Sport : dit schakelprogramma
maakt een meer dynamische rijstijl mogelijk,
- programma Sneeuw : dit
schakelprogramma vereenvoudigt het
rijden op een ondergrond met weinig grip,
- handmatig schakelen : deze stand maakt
het zelf schakelen met de selectiehendel
mogelijk.
Automatische versnellingsbak
1. Selectiehendel.
2. Toets "S" (Sport) .
3. Toets " 7 " (Sneeuw) .
Selectiehendel
Schakelpatroon
P. Parkeerstand.
- Stilzetten van de auto, met of zonder
aangetrokken handrem.
- Starten van de motor.
R. Achteruitversnelling.
- Achteruitrijden, stilstaande auto, stationair
toerental.
N. Neutraalstand.
- Stilzetten van de auto, met aangetrokken
handrem.
- Starten van de motor.
D. Automatische werking.
M.+ / - Zelf schakelen tussen de zes
versnellingen.
) Beweeg de selectiehendel kort naar voren
om op te schakelen.
of
) Beweeg de selectiehendel kort naar
achteren om terug te schakelen.
117
Rijden
) Trap het rempedaal in en selecteer de
stand P of N .
) Start de motor.
Als niet aan de bovenstaande voorwaarden
wordt voldaan, klinkt een geluidssignaal en
verschijnt een melding op het display van het
instrumentenpaneel.
) Trap bij draaiende motor het rempedaal in.
) Zet de handrem vrij als deze niet in de
automatische stand staat.
) Selecteer de stand R , D of M ,
) Laat het rempedaal geleidelijk los.
De auto begint te rijden.
Wegrijden
Als de motor stationair draait, het
rempedaal is losgelaten en de stand R ,
D of M is geselecteerd, zet de auto zich
zelfs al in beweging als het gaspedaal
niet is ingetrapt.
Laat bij draaiende motor daarom geen
kinderen alleen in de auto achter.
Trek de handrem aan en
selecteer de stand P indien er
onderhoudswerkzaamheden moeten
worden uitgevoerd bij draaiende motor.
Als tijdens het rijden per ongeluk de
stand N wordt geselecteerd, laat het
motortoerental dan zakken tot stationair
toerental, zet de selectiehendel in de
stand D en trap het gaspedaal weer in.
Zet de selectiehendel nooit in de stand
N als de auto rijdt.
Zet de selectiehendel nooit in de stand
P of R als de auto niet volledig stilstaat.
Automatisch
schakelprogramma
) Selecteer de stand D om automatisch
te laten schakelen tussen de zes
versnellingen.
De versnellingsbak werkt dan in de auto-
adaptieve stand, zonder dat u zelf hoeft
te schakelen. De versnellingsbak kiest
voortdurend de meest geschikte versnelling,
afhankelijk van de rijstijl, het profiel van de weg
en de belading van de auto.
Voor een maximale acceleratie zonder de
stand van de selectiehendel te wijzigen,
moet het gaspedaal volledig worden
ingetrapt (kickdown). De versnellingsbak
schakelt automatisch terug of handhaaft de
ingeschakelde versnelling totdat de motor het
maximum toerental bereikt.
Bij het remmen schakelt de versnellingsbak
automatisch terug om sterker op de motor af te
remmen.
Om de veiligheid te verbeteren schakelt de
versnellingbak niet naar een hogere versnelling
als u het gaspedaal plotseling loslaat.
Als u de selectiehendel uit
de stand P haalt zonder het
rempedaal ingetrapt te houden,
zal op het instrumentenpaneel dit
verklikkerlampje gaan branden of dit
pictogram verschijnen in combinatie
met een melding, het knipperen van
de P op het instrumentenpaneel en
een geluidssignaal.
Handmatig schakelen
) Selecteer de stand M om sequentieel te
schakelen in de zes versnellingen.
) Duw de selectiehendel naar het symbool +
om één versnelling op te schakelen.
) Trek de selectiehendel naar het symbool -
om één versnelling terug te schakelen.
Het schakelen naar een andere versnelling
kan alleen als de snelheid van de auto en
het toerental van de motor dit toestaan,
anders wordt er tijdelijk overgegaan op de
automatische bediening.
Op het instrumentenpaneel verdwijnt de
aanduiding D en verschijnen achtereenvolgens
de ingeschakelde versnellingen.
Als het motortoerental te laag of te hoog is,
knippert de geselecteerde versnelling enkele
seconden en vervolgens wordt de werkelijk
ingeschakelde versnelling weergegeven.
Er kan elk moment van de stand D (rijden in de
automatische stand) naar de stand M (rijden in
de handbediende stand) worden geschakeld.
Als de auto stopt of langzaam rijdt, kiest de
automatische versnellingsbak automatisch de
1e versnelling.
De programma's Sport en Sneeuw kunnen
niet worden ingeschakeld in de handbediende
stand.
Programma's Sport en Sneeuw
Programma Sport "S"
) Druk op de toets "S" als de motor is
gestart.
Het schakelprogramma maakt dan automatisch
een dynamische rijstijl mogelijk.
Op het instrumentenpaneel verschijnt
de aanduiding S .
Programma Sneeuw " 7 "
) Druk op de toets " 7 " als de motor is
gestart.
De versnellingsbak past zich aan voor het
rijden op gladde wegen.
Het schakelprogramma zorgt ervoor dat u
gemakkelijker kunt rijden op een ondergrond
met weinig grip.
Op het instrumentenpaneel verschijnt
de aanduiding 7 .
Terugkeren naar het
automatische programma
) Om terug te keren naar het automatische
programma kunt u het programma Sport
of Sneeuw op elk gewenst moment
uitschakelen door opnieuw op de
desbetreffende toets te drukken.
Deze twee specifieke programma's vullen de
automatische werking aan onder bijzondere
rijomstandigheden.
119
Rijden
Onjuiste waarde bij handmatige
bediening
Dit symbool verschijnt als een
versnelling niet goed is ingeschakeld
(de selectiehendel bevindt zich
tussen twee standen in).
Parkeren van de auto
Zet, voordat u de motor afzet, de
selectiehendel in de stand P of N om de
neutraalstand te selecteren.
Trek in beide gevallen de handrem aan om de
auto te blokkeren (als de handrem niet in de
automatische stand staat).
Als de selectiehendel niet in de stand
P staat, klinkt bij het openen van het
bestuurdersportier of na ongeveer
45 seconden een geluidssignaal en
verschijnt een melding op het display.
) Zet de selectiehendel in de stand
P ; het geluidssignaal stopt en de
melding verdwijnt.
Storing
Bij aangezet contact wordt een melding
op het display van het instrumentenpaneel
weergegeven die duidt op een storing in de
versnellingsbak.
In dit geval werkt de versnellingsbak met een
noodprogramma en blijft de 3e versnelling
ingeschakeld. U kunt dan een hevige schok
waarnemen bij het selecteren van R vanuit
de stand P , of R vanuit de stand N . Dit is niet
schadelijk voor de versnellingsbak.
Rijd niet harder dan 100 km/h (afhankelijk van
de geldende snelheidslimiet).
Laat het systeem controleren door het
CITROËN-netwerk of door een gekwalificeerde
werkplaats.
De automatische versnellingsbak kan
beschadigd raken:
- als u het gaspedaal en het
rempedaal gelijktijdig intrapt,
- als u, indien de accu geen stroom
levert, de selectiehendel vanuit
de stand P geforceerd naar een
andere stand schakelt.
Zet, om het brandstofverbruik tijdens
langdurig stilstaan met draaiende motor
(file...) te beperken, de selectiehendel
in de stand N en trek de handrem aan,
behalve als deze in de automatische
stand staat.
Elektronisch gestuurde versnellingsbak
Bij de elektronisch gestuurde versnellingsbak
kunt u kiezen tussen automatische bediening
en handmatig schakelen.
Deze versnellingsbak heeft twee
gebruiksmogelijkheden:
- automatische bediening, waarbij het op-
en terugschakelen volledig automatisch
wordt geregeld,
- handmatige bediening, waarbij de
bestuurder zelf sequentieel kan schakelen.
In beide gevallen kunt u kiezen voor een
Sport -stand die uitstekend past bij een meer
dynamische rijstijl.
Bij de automatische bediening blijft het altijd
mogelijk om zelf te schakelen met behulp van
de flippers achter het stuurwiel, bijvoorbeeld
om even snel in te halen.
R. Achteruit.
) Trap het rempedaal in, trek de
selectiehendel omhoog en duw deze naar
voren.
N. Neutraalstand.
) Trap het rempedaal in en selecteer deze
stand om de motor te kunnen starten.
A. Automatische bediening.
) Duw de selectiehendel naar achteren om
deze stand te selecteren.
M. Handmatig, sequentieel schakelen.
) Til de selectiehendel op en beweeg deze
naar achteren om deze stand te selecteren
en schakel vervolgens met behulp van de
flippers achter het stuurwiel.
S. Sport-stand.
) Druk op de knop om deze stand in of uit te
schakelen.
Selectiehendel
+. Opschakelen (rechts van het stuurwiel).
) Trek de flipper aan de rechterzijde achter
het stuurwiel "+" een keer naar u toe om
op te schakelen.
-. Terugschakelen (links van het stuurwiel).
) Trek de flipper aan de linkerzijde achter het
stuurwiel "-" een keer naar u toe om terug
te schakelen.
Flippers achter het stuurwiel
Met de flippers is het niet mogelijk de
neutraalstand of de achteruitversnelling
in te schakelen of uit de
achteruitversnelling te schakelen.
121
Rijden
Bij het inschakelen van de
achteruitversnelling klinkt een
geluidssignaal.
Als de motor niet aanslaat:
- Als de N knippert op het
instrumentenpaneel, zet dan de
selectiehendel in de stand A en
vervolgens in de stand N .
- Als de melding "Trap het rempedaal
in" verschijnt, houd dan stevig het
rempedaal ingetrapt.
Als de motor stationair draait, u niet
remt, de parkeerrem is vrijgezet en de
stand R , A of M is geselecteerd, rijdt de
auto zonder dat u gas hoeft te geven.
Weergave op het
instrumentenpaneel
Als u de selectiehendel in een andere stand zet, wordt dit
aangegeven door de indicator op het instrumentenpaneel.
N Neutral (neutraalstand).
R Reverse (achteruitversnelling).
1, 2, 3, 4, 5, 6 Versnellingen bij handmatig
schakelen.
AUTO Gaat branden als u kiest voor
automatische bediening en gaat uit als
u kiest voor handmatige bediening.
S Sport (Sport-stand).
)
Op het instrumentenpaneel verschijnt
de melding "Trap het rempedaal in "
om aan te geven dat u het rempedaal
ingetrapt moet houden.
Starten van de auto
) Zet om de auto te starten de selectiehendel
in de stand N .
) Houd het rempedaal ingetrapt.
) Start de motor.
) Selecteer een modus (stand M of A ) of de
achteruitversnelling (stand R ).
) Zet de parkeerrem vrij als deze niet
automatisch wordt bediend.
) Neem uw voet van het rempedaal en geef
gas.
Op het display van het
instrumentenpaneel verschijnen de
aanduidingen AUTO en 1 of R .
Automatische bediening
) Start de auto en selecteer de stand A om
de parkeerrem op automatische bediening
te zetten.
Op het display van het instrumentenpaneel
verschijnen de aanduiding AUTO en de
ingeschakelde versnelling.
De versnellingsbak werkt dan automatisch,
zonder dat u zelf hoeft te schakelen. De
versnellingsbak kiest voortdurend de meest
geschikte versnelling, afhankelijk van de
volgende parameters:
- de rijstijl,
- het profiel van de weg.
Trap om krachtig te accelereren
(bijvoorbeeld voor een
inhaalmanoeuvre) het gaspedaal met
kracht in, tot voorbij het zware punt.
Handmatig schakelen
) Zet na het starten de selectiehendel in de
stand M om de handbediende stand in te
schakelen.
) Bedien de flippers + of - .
De aanduiding AUTO verdwijnt
en de achtereenvolgens
ingeschakelde versnellingen worden
weergegeven op het display van het
instrumentenpaneel.
Het schakelen naar een andere versnelling is
alleen mogelijk als de snelheid van de auto en
het motortoerental dit toestaan.
Het is niet noodzakelijk om bij het schakelen
het gaspedaal los te laten.
Bij het remmen of het verminderen van
de snelheid schakelt de versnellingsbak
automatisch terug, zodat de juiste versnelling
is geselecteerd op het moment dat u het
gaspedaal weer intrapt.
Bij de automatische bediening blijft het altijd
mogelijk om zelf te schakelen met behulp van
de flippers achter het stuurwiel, bijvoorbeeld
om even snel in te halen.
) Bedien de flippers "+" of "-" achter het
stuur.
De versnellingsbak wordt dan in de
desbetreffende versnelling geschakeld, mits
de snelheid van de auto en het motortoerental
dit toestaan. De aanduiding AUTO blijft op het
display staan.
Als de stuurbediening enige tijd niet meer
gebruikt wordt, gaat de versnellingsbak weer
over op de automatische stand.
Handmatig schakelen
Als bij stapvoets rijden de
achteruitversnelling wordt geselecteerd,
wordt deze pas ingeschakeld als de
auto volledig tot stilstand is gekomen
(rempedaal ingetrapt). Op het display
van het instrumentenpaneel wordt een
pictogram weergegeven.
In de handbediende stand wordt
bij krachtig accelereren de hoogste
versnelling niet ingeschakeld als de
bestuurder de flippers achter het stuurwiel
niet bedient.
Selecteer de neutraalstand N nooit tijdens
het rijden.
Selecteer de achteruitversnelling (stand R )
uitsluitend als de auto volledig stilstaat en
de voet op het rempedaal wordt gehouden.
123
Rijden
Houd bij het starten van de motor altijd
het rempedaal ingetrapt.
Trek de parkeerrem stevig aan om de
auto volledig te blokkeren, behalve
wanneer de parkeerrem automatisch
wordt bediend.
Selecteer wanneer u de auto met
draaiende motor stilzet altijd de
neutraalstand N .
Controleer voordat u werkzaamheden
onder de motorkap uitvoert altijd of de
selectiehendel in de neutraalstand N
staat en de parkeerrem is aangetrokken.
Stilzetten van de auto
Als dit waarschuwingslampje
bij het aanzetten van het
contact gaat knipperen,
in combinatie met een
geluidssignaal en een melding op het display
van het instrumentenpaneel, duidt dit op een
storing in de versnellingsbak.
Laat het systeem controleren door het CITROËN-
netwerk of door een gekwalificeerde werkplaats.
Voordat u de motor afzet, kunt u:
- de selectiehendel in de stand N bewegen
om de neutraalstand te selecteren,
- een versnelling ingeschakeld laten. In dat
geval kan de auto niet worden verplaatst.
Trek in beide gevallen de parkeerrem aan
om de auto volledig stil te zetten (als de
parkeerrem niet in de automatische stand staat
ingesteld).
Storing Sport-stand
) Druk na het selecteren van
de handbediende of de
automatische stand op de
knop S om de Sport-stand in
te schakelen. Deze stand is bij
uitstek geschikt voor een meer
dynamische rijstijl.
Naast de ingeschakelde
versnelling wordt de letter S
weergegeven op het display van
het instrumentenpaneel.
) Druk nogmaals op de knop S om de stand
uit te schakelen.
De letter S wordt niet meer weergegeven
op het display van het instrumentenpaneel.
Als het contact wordt afgezet, wordt de Sport-
stand uitgeschakeld.
Schakelindicator
Dit systeem geeft aan welke versnelling moet worden ingeschakeld om het brandstofverbruik te reduceren.
Werking
Afhankelijk van de rijomstandigheden en de
uitrusting van uw auto kan het systeem u
adviseren één of meer versnellingen op te
schakelen. U kunt deze aanwijzingen opvolgen
zonder de tussenliggende versnellingen in te
hoeven schakelen.
Het is niet verplicht om de aanbevolen
versnellingen ook daadwerkelijk in te
schakelen. De keuze van de optimale
versnelling hangt namelijk altijd af van de
situatie op de weg, de verkeersdrukte en
de veiligheid. De bestuurder blijft derhalve
altijd zelf verantwoordelijk voor het al dan
niet opvolgen van een schakeladvies van het
systeem.
De functie kan niet worden uitgeschakeld.
- U rijdt in de derde versnelling.
Voorbeeld:
- U trapt het gaspedaal in.
- Het systeem kan u in dit geval adviseren
een hogere versnelling in te schakelen.
De informatie wordt in de vorm van een pijl op
het instrumentenpaneel weergegeven.
Het systeem past het schakeladvies
aan de rijomstandigheden (helling,
belading van de auto, ...) en de rijstijl
van de bestuurder (veel vermogen
nodig, accelereren, remmen, ...) aan.
Het systeem zal u nooit adviseren om:
- de eerste versnelling in te schakelen,
- de achteruitversnelling in te
schakelen.
Bij een elektronisch gestuurde of automatische
versnellingsbak is dit systeem uitsluitend actief
in de handgeschakelde stand.
Bij auto's met handgeschakelde versnellingsbak
kan naast de pijl ook de geadviseerde
versnelling worden weergegeven.
125
Rijden
Controlesysteem bandenspanning
Dit systeem controleert automatisch de
bandenspanning tijdens het rijden.
Zodra de auto rijdt, controleert het systeem
permanent de spanning van de vier banden.
In het ventiel van elke band (met uitzondering
van het reservewiel) is een druksensor
gemonteerd.
Het systeem waarschuwt de bestuurder zodra
het een daling van de spanning van een of
meer banden detecteert.
Ondanks de aanwezigheid van dit
systeem dient u maandelijks en voor
elke lange reis de bandenspanning (ook
die van het reservewiel) handmatig te
controleren.
Een te lage bandenspanning heeft
een negatief effect op de wegligging,
verlengt de remweg en versnelt de
bandenslijtage, met name onder zware
omstandigheden (zware belading, hoge
snelheid, lange rit).
Een te lage bandenspanning leidt ook
tot een hoger brandstofverbruik.
De door de fabrikant voor uw auto
aanbevolen bandenspanning staat
vermeld op de bandenspanningssticker
(zie de rubriek "Identificatie").
De bandenspanning moet bij "koude"
banden worden gecontroleerd (auto
die langer dan 1 uur heeft stilgestaan
of na een traject van maximaal 10 km
met gematigde snelheid). Is dit niet het
geval, verhoog dan de op de sticker
vermelde waarden met 0,3 bar.
Het controlesysteem van de bandenspanning
is een hulpsysteem; de bestuurder moet
waakzaam blijven en blijft verantwoordelijk.
Waarschuwing te lage
bandenspanning
Bij een te lage bandenspanning brandt
dit verklikkerlampje in combinatie met
een geluidssignaal en, afhankelijk van
de uitrusting, in combinatie met de
weergave van een melding.
Als er een afwijking in de bandenspanning
van één band wordt geconstateerd, kan deze
band worden herkend aan het pictogram of,
afhankelijk van de uitvoering, de weergegeven
melding.
) Verlaag onmiddellijk de snelheid, maak
geen bruuske stuurbewegingen en rem niet
plotseling hard af.
) Zet uw auto stil zodra de verkeerssituatie
dit toelaat.
) Gebruik in geval van een lekke band
de noodreparatieset of het reservewiel
(volgens uitrusting),
of
) controleer de spanning van de vier
banden (bij koude banden) als u over een
compressor beschikt, bijvoorbeeld die van
de bandenreparatieset,
of
) rijd voorzichtig met lage snelheid verder
als u niet direct de bandenspanning kunt
controleren.
De waarschuwing wordt weergegeven
zolang de desbetreffende band(en) niet
op spanning is (zijn) gebracht, is (zijn)
gerepareerd of is (zijn) vervangen.
Het reservewiel (noodreservewiel of
wiel met stalen velg) is niet voorzien
van een sensor.
Een lagere bandenspanning is niet altijd
zichtbaar aan een vervorming van de
band. Beperk u daarom niet alleen tot
een visuele controle.
Storing
Als het verklikkerlampje "te lage
bandenspanning" knippert en
vervolgens permanent brandt in
combinatie met het verklikkerlampje
"service", duidt dit op een storing in
het systeem.
Deze waarschuwing wordt ook
weergegeven als een of meerdere
wielen niet zijn voorzien van een sensor
(bijvoorbeeld een noodreservewiel of
een reservewiel met stalen velg).
Raadpleeg het CITROËN-netwerk of een
gekwalificeerde werkplaats om het systeem te
laten controleren of monteer na een lekke band
het wiel met de originele velg, dat is voorzien
van een sensor.
In dat geval wordt de bandenspanning niet
meer gecontroleerd.
127
Rijden
Stop & Start
Werking
Overgang naar de STOP-stand
Het verklikkerlampje "ECO" op het
instrumentenpaneel gaat branden en de motor
wordt automatisch in de STOP-stand gezet:
- als u, bij een handgeschakelde
versnellingsbak, bij een snelheid
lager dan 20 km/h of bij stilstaande
auto bij de uitvoering Blue HDi 120, de
versnellingshendel in de neutraalstand zet
en het koppelingspedaal loslaat,
- als u, bij een elektronisch gestuurde
versnellingsbak , bij een snelheid lager
dan 8 km/h het rempedaal intrapt of de
selectiehendel in de stand N zet,
- als u, bij een automatische transmissie ,
bij stilstaande auto het rempedaal intrapt of
de selectiehendel in de stand N zet.
Als uw auto is uitgerust met een teller, wordt de
duur van de momenten dat de motor afgezet is,
opgeteld en weergegeven. Elke keer als u het
contact opnieuw aanzet met de knop "START/
STOP", wordt deze teller op 0 gezet.
Tank nooit als de motor door het Stop
& Start-systeem in de STOP-stand is
gezet. Zet in dat geval altijd het contact
af met de knop "START/STOP".
Het systeem werkt de eerste
10 seconden na het inschakelen van de
achteruitversnelling niet.
Als de motor door het systeem in de
STOP-stand wordt gezet, blijven alle
andere componenten zoals de remmen
en de stuurbekrachtiging normaal
functioneren.
Bijzonderheden: STOP-stand niet
beschikbaar
De STOP-stand wordt niet geactiveerd als:
- de auto op een steile helling staat
(bergopwaarts of bergafwaarts),
- het bestuurderportier geopend is,
- de veiligheidsgordel van de bestuurder
losgemaakt is,
- de auto sinds de laatste start met de knop
"START/STOP" niet sneller dan 10 km/h
heeft gereden,
- de elektrische parkeerrem wordt/is
aangetrokken,
- de klimaatregeling in het interieur dat niet
toelaat,
- de voorruitontwaseming is ingeschakeld,
- er bepaalde bijzondere omstandigheden
zijn (laadtoestand accu, motortemperatuur,
rembekrachtiging, buitentemperatuur...).
In dit geval knippert het
verklikkerlampje "ECO" een paar
seconden, waarna het uitgaat.
Het Stop & Start-systeem zet de motor tijdelijk af (STOP-stand) als u stopt (bij rood licht, opstoppingen enz.). De motor wordt automatisch gestart
(START-stand) als u weer weg wilt rijden. Het starten gebeurt direct, snel en stil.
Het Stop & Start-systeem is perfect afgestemd op stadsgebruik en zorgt voor een lager brandstofverbruik, minder uitstoot van schadelijke stoffen en
een aangename rust in het interieur tijdens het wachten.
Deze werking van het systeem is volkomen
normaal.
Overgang naar de START-stand
Het verklikkerlampje "ECO" gaat uit en
de motor wordt automatisch gestart:
- als u, bij een handgeschakelde
versnellingsbak , het koppelingspedaal
volledig intrapt,
- bij een elektronisch gestuurde
versnellingsbak :
als u, met de selectiehendel in de stand
A of M , het rempedaal loslaat,
of als u, met de selectiehendel in de
stand N en het rempedaal losgelaten, de
selectiehendel in de stand A of M zet,
of als u de achteruitversnelling
inschakelt.
- bij een automatische transmissie :
als u, met de selectiehendel in de stand
D of M , het rempedaal loslaat,
of als u, met de selectiehendel in de
stand N en het rempedaal losgelaten, de
selectiehendel in de stand D of M zet,
of als u de achteruitversnelling
inschakelt.
De START-stand wordt automatisch
geactiveerd als:
- het bestuurderportier geopend is,
- de veiligheidsgordel van de bestuurder
losgemaakt is,
- de snelheid van de auto hoger is dan
25 km/h bij een handgeschakelde
versnellingsbak (3 km/h bij de uitvoering
Blue HDi 120), hoger is dan 11 km/h bij een
elektronisch gestuurde versnellingsbak of
hoger is dan 3 km/h bij een automatische
versnellingsbak,
- de elektrische parkeerrem wordt
aangetrokken,
- er bepaalde bijzondere omstandigheden
zijn (laadtoestand accu, motortemperatuur,
rembekrachtiging, instelling
airconditioning...).
Bijzonderheden: automatisch
activeren van de START-stand
Als het systeem in de STOP-stand
wordt uitgeschakeld, dan wordt de
motor direct weer gestart.
U kunt deze functie op elk willekeurig moment
uitschakelen door de schakelaar "ECO OFF" in
te drukken.
Het verklikkerlampje in de schakelaar gaat
branden en er verschijnt een melding op het
display.
Uitschakelen
Het verklikkerlampje "ECO" knippert
een paar seconden en gaat dan uit.
Dat onder deze omstandigheden de START-
stand wordt geactiveerd, is volkomen
normaal.
129
Rijden
Het systeem wordt automatisch
ingeschakeld zodra u het contact
opnieuw aanzet met de knop "START/
STOP".
Inschakelen
Druk nogmaals op de schakelaar "ECO OFF" .
Het systeem is dan weer ingeschakeld; het
verklikkerlampje in de schakelaar gaat uit en er
wordt een melding op het display weergegeven.
Storing
Bij een storing in het systeem gaat het
verklikkerlampje in de schakelaar "ECO OFF"
knipperen en vervolgens constant branden.
Laat het systeem controleren door het
CITROËN-netwerk of door een gekwalificeerde
werkplaats.
Als er in de STOP-stand een storing zou
optreden, kan het zijn dat de motor niet meer
wil aanslaan of direct afslaat.
Alle verklikkerlampjes gaan branden.
Afhankelijk van de uitvoering kan er daarnaast
een waarschuwingsmelding verschijnen, waarbij
verzocht wordt om de schakelhendel in de stand N
te zetten en opnieuw het rempedaal in te trappen.
In dat geval moet u het contact uitzetten en
opnieuw starten door op de START/STOP-knop
te drukken.
Schakel omwille van de veiligheid het
Stop & Start-systeem altijd uit als u
handelingen onder de motorkap wilt
uitvoeren.
Dit systeem heeft specifieke kenmerken en
maakt gebruik van een speciale 12V-accu
(raadpleeg voor meer informatie het CITROËN-
netwerk).
Het gebruik van een andere dan de door
CITROËN voorgeschreven accu's kan leiden tot
storingen in het systeem.
Maak voor het opladen van de 12V-accu gebruik
van een 12V-acculader. De polariteiten mogen
hierbij niet worden omgekeerd.
Onderhoud
Het Stop & Start-systeem maakt
gebruik van geavanceerde technologie.
Laat eventuele werkzaamheden
uitvoeren bij een gekwalificeerde
werkplaats, bijvoorbeeld een
servicepunt van het CITROËN-netwerk,
die over alle deskundigheid en speciale
gereedschappen beschikt.
Lane Departure Warning System (LDWS)
Dit systeem signaleert, met behulp van een
camera die doorgetrokken of onderbroken
strepen herkent, het onvrijwillig overschrijden
van een rijstrookmarkering.
Om de actieve veiligheid te verhogen
analyseert de camera de beelden en activeert
een waarschuwing, wanneer de aandacht van
de bestuurder verslapt en de auto de markering
overschrijdt (bij een wagensnelheid hoger dan
80 km/h).
Dit systeem werkt optimaal op snelwegen en
autowegen.
Activering
) Druk op de knop: het lampje gaat
branden.
Het Lane Departure Warning System is
een hulpmiddel voor de bestuurder, die
desondanks waakzaam moet blijven en
verantwoordelijk is.
Uitschakelen
U wordt gewaarschuwd door het trillen van de
zitting van de bestuurdersstoel:
- rechts: als de rechter rijstrookmarkering
wordt overschreden,
- links: als de linker rijstrookmarkering wordt
overschreden.
Als de richtingaanwijzer is ingeschakeld,
en ongeveer 20 seconden nadat deze
is uitgeschakeld, wordt er geen enkele
waarschuwing gegeven.
Signalering - waarschuwing
Storing
Er kunnen storingen in de signalering
optreden:
- als de rijstrookmarkeringen
weggesleten zijn,
- als er weinig contrast is tussen het
wegdek en de markeringen,
- als de voorruit vuil is,
- onder bepaalde extreme
weersomstandigheden: mist,
zware neerslag, sneeuw, sterke
zonnestraling of bij direct zonlicht
(zeer laagstaande zon, uitrijden van
een tunnel, ...) en schaduw.
) Druk opnieuw op de knop: het
lampje gaat uit.
In het geval van een storing knippert het lampje
van de knop.
Raadpleeg het CITROËN-netwerk of een
gekwalificeerde werkplaats.
De status van het systeem blijft na het afzetten
van het contact in het geheugen opgeslagen.
Zorg ervoor dat u de verkeersregels
in acht neemt en iedere twee uur een
pauze neemt.
131
Rijden
Head-up display
Systeem dat bepaalde informatie op een
doorzichtig scherm projecteert, in het directe
gezichtsveld van de bestuurder, zodat deze zijn
ogen niet van de weg hoeft af te wenden.
Dit systeem werkt bij draaiende motor en de
instellingen worden opgeslagen bij het afzetten
van het contact.
1. Inschakelen/uitschakelen head-up display.
2. Hoogteverstelling weergave.
3. Regeling lichtsterkte.
Als de head-up display is ingeschakeld, geeft
deze de volgende informatie weer:
A. De snelheid van uw auto.
B. De informatie van de snelheidsregelaar/-
begrenzer.
Informatie op het head-up
display
C. De aanwijzingen van het navigatiesysteem
(volgens uitvoering).
Raadpleeg voor meer informatie over
het navigatiesysteem de rubriek "Audio
en telematica".
) Druk bij draaiende motor op de knop 1 .
De head-up display blijft ingeschakeld/
uitgeschakeld als de motor na het afzetten
weer wordt gestart.
Het scherm wordt automatisch ongeveer 3 seconden
na het uitzetten van de motor ingeklapt, behalve in
de STOP-stand van het Stop & Start-systeem.
Inschakelen / uitschakelen
) Stel bij draaiende motor de lichtsterkte van
de head-up display in met de knop 3 :
- naar achteren om de lichtsterkte te
verhogen,
- naar voren om de lichtsterkte te
verlagen.
Regelen van de lichtsterkte
Het is raadzaam de knoppen uitsluitend
bij stilstaande auto te bedienen.
Leg nooit voorwerpen rondom het
projectiescherm (of op de afdekking)
zodat het uitklappen en de goede
werking van het scherm niet verhinderd
wordt.
Bij bepaalde weersomstandigheden
(regen en/of sneeuw, zeer zonnig, ...)
kan de informatie op het head-up display
tijdelijk minder goed leesbaar zijn.
Sommige zonnebrillen kunnen het lezen
van de informatie hinderen.
Gebruik een schone en zachte doek
(bijvoorbeeld een brillendoekje
of microfiber doekje) om het
projectiescherm te reinigen. Gebruik
nooit een droge doek, een schuurspons,
schoonmaak- of oplosmiddel om te
voorkomen dat er krassen ontstaan
op het scherm of de anti-reflecterende
functie beschadigd raakt.
Hoogteverstelling
) Stel de head-up display bij draaiende
motor op de gewenste hoogte af met de
knop 2 :
- naar achteren om de head-up display
hoger af te stellen,
- naar voren om de head-up display lager
af te stellen.
133
Rijden
Snelheden opslaan
Het opslaan van snelheden geldt voor de snelheidsbegrenzer en voor de snelheidsregelaar.
) Selecteer het menu "Persoonlijke instellingen -
configuratie" en bevestig uw keuze.
) Selecteer het menu "Parameters auto" en
bevestig uw keuze.
) Selecteer "Hulp bij het rijden" en bevestig
uw keuze.
) Selecteer "Geprogrammeerde snelheden"
en bevestig uw keuze.
) Wijzig de snelheid.
) Selecteer " OK " en bevestig dit om de
wijzigingen op te slaan.
Voer deze handelingen omwille van de
veiligheid alleen uit als de auto stilstaat,
via het display van de autoradio.
U kunt vijf snelheden opslaan in het geheugen van het systeem.
Standaard zijn er al enkele snelheden opgeslagen.
) Selecteer het menu "Configuratie" en
bevestig uw keuze.
) Selecteer het menu "Parameters auto" en
bevestig uw keuze.
) Selecteer het item "Hulp bij het rijden" en
bevestig uw keuze.
) Selecteer het item "Geprogrammeerde
snelheden" en bevestig uw keuze.
) Wijzig de snelheid.
) Selecteer " OK " en bevestig uw keuze om
de wijzigingen op te slaan.
Via de Autoradio Via de eMyWay
) Ga naar het hoofdmenu
door op de toets
"MENU" te drukken.
) Ga naar het hoofdmenu
door op de toets "SET
UP" te drukken.
Toegang
) Druk op de toets "MEM" op het stuurwiel
om de lijst met opgeslagen snelheden weer
te geven.
Selecteren
Selecteren van een opgeslagen snelheid:
) Druk op de toets "+" of "-" en houd deze
ingedrukt; het systeem stopt bij de
eerstvolgende opgeslagen snelheid.
) Druk nogmaals op de toets "+" of "-" en
houd deze ingedrukt om een andere
opgeslagen snelheid te selecteren.
De ingestelde snelheid en de status van het
systeem (aan/uit) worden weergegeven op het
instrumentenpaneel.
De informatie van de snelheidsbegrenzer
wordt weergegeven op het display van het
instrumentenpaneel.
6. Snelheidsbegrenzer AAN/UIT.
7. Snelheidsbegrenzer geselecteerd.
8. Ingestelde snelheid.
9. Een eerder opgeslagen snelheid kiezen.
(zie "Snelheden opslaan")
Weergave op het display
Snelheidsbegrenzer
De snelheidsbegrenzer voorkomt dat de
wagensnelheid de door de bestuurder
ingestelde maximumsnelheid overschrijdt.
Als de ingestelde maximumsnelheid is bereikt,
heeft het dieper intrappen van het gaspedaal
geen effect.
Bij het gebruik van de
snelheidsbegrenzer moet de bestuurder
te allen tijde de snelheidslimiet in acht
nemen, zijn aandacht op het verkeer
blijven vestigen en verantwoord rijden.
De functies van de snelheidsbegrenzer worden
bediend met de toetsen op het stuur.
1. Knop voor het selecteren van de
snelheidsbegrenzer.
2. Toets voor het verlagen van de ingestelde
snelheid.
3. Toets voor het verhogen van de ingestelde
snelheid.
4. Toets voor het in-/uitschakelen van de
snelheidsbegrenzing.
5. Toets voor weergave van de opgeslagen
snelheden.
(zie de rubriek "Snelheden opslaan")
Bediening op het stuur
Werking
Het inschakelen van de snelheidsbegrenzer
geschiedt handmatig: de ingestelde snelheid
dient minimaal 30 km/h te bedragen.
Het uitschakelen van de snelheidsbegrenzer
geschiedt eveneens handmatig via de toets.
Trap het gaspedaal voorbij de weerstand in om
de ingestelde snelheid tijdelijk te overschrijden.
Laat het gaspedaal los om terug te keren naar
de ingestelde maximumsnelheid.
De ingestelde maximumsnelheid blijft na het
afzetten van het contact opgeslagen in het
geheugen.
Deze informatie wordt tevens
weergegeven op het head-up display.
Zie voor meer informatie de rubriek
"Head-up display".
135
Rijden
Programmeren
) Draai de knop 1 in de stand "LIMIT" : de
snelheidsbegrenzer is geselecteerd, maar
nog niet ingeschakeld (Pause).
Er kan een snelheid worden ingesteld zonder
de begrenzer in te schakelen.
) Stel de snelheid in door op de toets 2 of
3 te drukken (bijv.: 90 km/h).
Overschrijden van de ingestelde snelheid
Als het gaspedaal geleidelijk wordt ingetrapt, wordt de snelheid niet
verhoogd. Als het gaspedaal met kracht wordt ingetrapt, tot voorbij
het zware punt , wordt de begrenzer tijdelijk uitgeschakeld en gaat de
ingestelde snelheid op het display knipperen.
Het knipperen van de ingestelde snelheid stopt automatisch als het gas
wordt losgelaten.
Uitschakelen van de functie
) Draai de knop 1 in de stand "0" : de
selectie van de snelheidsbegrenzer
wordt ongedaan gemaakt. De
snelheidsbegrenzer wordt niet meer op het
display weergegeven.
Storing
In het geval van een storing in de
snelheidsbegrenzer wordt de ingestelde snelheid
gewist en knipperen de streepjes op het display.
Laat het systeem controleren door het
CITROËN-netwerk of een gekwalificeerde
werkplaats.
Bij een steile afdaling of bij snel
accelereren kan de snelheidsbegrenzer
niet voorkomen dat de ingestelde
snelheid wordt overschreden.
Om te voorkomen dat de pedalen blijven
hangen:
- controleer of de mat goed op zijn
plaats ligt,
- gebruik nooit meer dan één mat per
plaats.
) Weer inschakelen van de snelheidsbegrenzer: druk nogmaals op de
toets 4 .
U kunt de ingestelde snelheid vervolgens wijzigen met de toetsen 2 en 3 :
- +/- 1 km = kort indrukken,
- +/- in stappen van 5 km = ingedrukt houden.
Als er eerder snelheden zijn opgeslagen, zal de dichtsbijliggende
opgeslagen snelheid worden aangehouden; raadpleeg het
desbetreffende hoofdstuk voor meer informatie.
) Inschakelen van de snelheidsbegrenzer: druk op de toets 4 .
) Uitschakelen van de snelheidsbegrenzer: druk nogmaals op de
toets 4 : het uitschakelen wordt bevestigd op het display (Pause).
Bij het gebruik van de snelheidsregelaar
moet de bestuurder te allen tijde de
snelheidslimiet in acht nemen, zijn
aandacht op het verkeer blijven vestigen
en zijn verantwoordelijkheid nemen.
Houd uw voeten altijd in de buurt van de
pedalen.
Snelheidsregelaar
Met behulp van de snelheidsregelaar kan
de bestuurder met een ingestelde constante
snelheid rijden zonder gas te hoeven geven.
De functies van de snelheidsregelaar worden
bediend met de toetsen op het stuur.
1. Knop voor het selecteren van de
snelheidsregelaar.
2.
Toets voor het programmeren van een snelheid
en het verlagen van de ingestelde snelheid.
3. Toets voor het programmeren van
een snelheid en het verhogen van de
ingestelde snelheid.
4. Toets voor het uitschakelen / hervatten van
de snelheidsregeling.
5. Toets voor een overzicht van de
opgeslagen snelheden.
(zie paragraaf "Snelheden opslaan")
Bediening op het stuur
De informatie van de snelheidsregelaar wordt
weergegeven op het display van het instrumentenpaneel.
6. Snelheidsregelaar uitschakelen / hervatten
van de snelheidsregeling.
7. Snelheidsregelaar geselecteerd.
8. Ingestelde snelheid.
9. Opgeslagen snelheid selecteren.
(zie paragraaf "Snelheden opslaan")
Weergave op het display
Werking
Het inschakelen van de snelheidsregelaar
geschiedt handmatig: daarvoor moet de auto
met een snelheid van minstens 40 km/h en in
de volgende versnelling rijden:
- in de vierde versnelling bij auto's met een
handgeschakelde versnellingsbak,
- in de tweede versnelling (handmatige
stand) bij auto's met een elektronisch
gestuurde of automatische versnellingsbak,
- in stand A bij een elektronisch gestuurde
versnellingbak of stand D bij een
automatische versnellingsbak.
Het uitschakelen van de snelheidsregelaar
geschiedt handmatig met de hendel, door het
rem- of koppelingspedaal in te trappen of om
veiligheidsredenen, door activering van het
systeem voor dynamische stabiliteitscontrole.
Door het gaspedaal in te trappen, kan de
ingestelde snelheid tijdelijk worden overschreden.
Om weer terug te keren naar de ingestelde snelheid
is het voldoende het gaspedaal los te laten.
Na het afzetten van het contact worden alle
ingestelde snelheden gewist.
Deze informatie wordt tevens
weergegeven op het head-up display.
Zie voor meer informatie de rubriek
"Head-up display".
137
Rijden
Let tijdens het gebruik van de
snelheidsregelaar op wanneer u de
snelheid met de toetsen instelt; dit kan
een plotselinge verandering van de
wagensnelheid veroorzaken.
Gebruik de snelheidsregelaar niet op
gladde wegen of bij zeer druk verkeer.
Bij een steile afdaling kan de
snelheidsregelaar niet voorkomen dat de
ingestelde snelheid wordt overschreden.
Op een steile helling of bij het trekken
van een zware aanhanger kan het
voorkomen dat de ingestelde snelheid
niet wordt gehaald.
Om te voorkomen dat de pedalen blijven
hangen:
- controleer of de mat goed op zijn
plaats ligt,
- leg nooit meerdere matten op
elkaar.
Programmeren
) Draai de knop 1 in de stand "CRUISE" :
de snelheidsregelaar is geselecteerd,
maar nog niet ingeschakeld (Pause).
) Stel de snelheid in door de
wagensnelheid op het gewenste niveau
te brengen en vervolgens op de toets
2 of 3 te drukken (bijv.: 110 km/h); de
snelheidsregelaar is in werking (ON).
Overschrijden van de ingestelde snelheid
Als de ingestelde snelheid wordt overschreden, gaat de ingestelde
snelheid op het display knipperen.
Het knipperen van de ingestelde snelheid stopt automatisch als de
snelheid weer is gedaald tot de ingestelde snelheid.
Uitschakelen van de functie
) Draai de knop 1 in de stand "0" : de selectie van de
snelheidsregelaar wordt ongedaan gemaakt. De snelheidsregelaar
wordt niet meer op het display weergegeven.
) Snelheidsregelaar opnieuw inschakelen: druk nogmaals op de toets 4 .
Storing
In het geval van een storing in de
snelheidsregelaar wordt de ingestelde snelheid
gewist en knipperen de streepjes op het display.
Raadpleeg het CITROËN-netwerk of een
gekwalificeerde werkplaats.
U kunt de ingestelde snelheid vervolgens wijzigen met de toetsen 2 en 3 :
- +/- 1 km = kort indrukken,
- +/- in stappen van 5 km = ingedrukt houden.
Als er snelheden in het geheugen zijn opgeslagen, zal het systeem
stoppen bij de dichtstbijzijnde opgeslagen snelheid; raadpleeg de
desbetreffende paragraaf voor meer informatie.
) Snelheidsregelaar uitschakelen: druk op de toets 4: het uitschakelen
wordt bevestigd op het display (Pause).
Deze functie signaleert met behulp van
sensoren in de bumper obstakels in de
nabijheid van de auto (personen, auto's,
bomen, slagbomen, enz.) die binnen het
detectiebereik vallen.
Bepaalde obstakels (paaltjes, pionnen, enz.)
die aanvankelijk wel worden gedetecteerd,
worden door dode hoeken in het detectiebereik
mogelijk niet meer gedetecteerd als ze zich
vlak bij de auto bevinden.
Parkeerhulp
Deze functie is een hulpsysteem: de
bestuurder dient altijd alert te blijven en
is zelf verantwoordelijk.
Parkeerhulp achter
De functie wordt geactiveerd zodra de
achteruitversnelling wordt ingeschakeld. Hierbij
klinkt een geluidssignaal.
Zodra de achteruitversnelling wordt
uitgeschakeld, is de functie niet meer actief.
Geluidssignalen
De bestuurder wordt via een onderbroken
geluidssignaal gewaarschuwd bij het
naderen van obstakels. De frequentie van het
geluidssignaal neemt toe naarmate de auto het
obstakel nadert.
Aan de weergave van het geluidssignaal via
de luidspreker (rechts of links) is te herkennen
aan welke zijde van de auto het obstakel zich
bevindt.
Zodra de afstand tussen de auto en het
obstakel kleiner wordt dan dertig centimeter,
klinkt het geluidssignaal ononderbroken.
Gra sche weergave
De grafische weergave is een aanvulling op
het geluidssignaal. Op het multifunctionele
display worden blokjes weergegeven die het
pictogram van de auto steeds dichter naderen.
Als de auto het obstakel zeer dicht genaderd is,
verschijnt het symbool "Gevaar" op het display.
139
Rijden
Controleer bij slecht weer of in winterse
omstandigheden of de sensoren
soms bedekt zijn met modder, ijs
of sneeuw. Bij het inschakelen van
de achteruitversnelling geeft een
geluidssignaal (lange pieptoon) aan dat
de sensoren vuil kunnen zijn.
De parkeerhulp kan geluidssignalen
geven als reactie op bepaalde
omgevingsgeluiden (motoren,
vrachtwagens, drilboren, enz.).
Als er een storing optreedt,
gaat bij het inschakelen van
de achteruitversnelling dit
verklikkerlampje op het instrumentenpaneel
branden en/of wordt er een bericht op het
display weergegeven, in combinatie met een
geluidssignaal (korte pieptoon).
Raadpleeg het CITROËN-netwerk of een
gekwalificeerde werkplaats.
Storing
De parkeerhulp vóór is een aanvulling op
de parkeerhulp achter en wordt geactiveerd
zodra er bij een wagensnelheid van maximaal
10 km/h vóór de auto een obstakel wordt
gedetecteerd.
De parkeerhulp vóór wordt uitgeschakeld zodra
de auto langer dan drie seconden stilstaat met
een ingeschakelde versnelling vooruit, als er
geen obstakel meer wordt gedetecteerd of
wanneer de wagensnelheid hoger wordt dan
10 km/h.
Parkeerhulp vóór
De functie wordt automatisch
uitgeschakeld zodra een aanhanger
wordt aangekoppeld of een
fietsendrager wordt gemonteerd (auto's
voorzien van een door CITROËN
aanbevolen trekhaak of fietsendrager).
Uitschakelen/activeren van de
parkeerhulp vóór en achter
De functie kan worden uitgeschakeld door deze
knop in te drukken. Het controlelampje in de
knop gaat branden.
Door de knop opnieuw in te drukken wordt de
functie weer geactiveerd. Het controlelampje
dooft.
Aan de hand van het geluid dat via
de luidspreker (voor of achter) wordt
weergegeven, is te herkennen of het
obstakel zich voor of achter de auto bevindt.
Achteruitrijcamera
De achteruitrijcamera wordt automatisch
geactiveerd wanneer de versnellingsbak in de
achteruit staat.
De beelden van de camera worden in
kleur weergegeven op het scherm van het
navigatiesysteem.
De groene strepen geven de rijrichting van de
auto weer.
De rode strepen geven een ruimte van 30 cm
direct achter de achterbumper van uw auto
weer. Het geluidssignaal wordt continu
hoorbaar als een obstakel binnen deze ruimte
komt.
De blauwe strepen geven de maximale
draaicirkel weer.
Maak de achteruitrijcamera regelmatig
schoon met een spons of een zachte doek.
Als u bij het wassen van de auto
gebruikmaakt van een hogedrukspuit,
houd dan het uiteinde van de spuit op
een afstand van ten minste 30 cm van de
camera.
Dit systeem is een hulpsysteem; de
bestuurder moet waakzaam blijven en blijft
verantwoordelijk voor de controle over zijn
auto.
141
Rijden
005
Zicht
Lichtschakelaar
Met de lichtschakelaar kunt u de verlichting en signalering van de auto selecteren en inschakelen.
Hoofdverlichting
Uw auto is voorzien van verschillende
verlichtingsfuncties:
- parkeerlicht: om gezien te worden,
- dimlicht: voor een optimaal zicht zonder
medeweggebruikers te verblinden,
- grootlicht: voor een optimaal zicht op
wegen zonder ander verkeer,
- meedraaiende koplampen: voor een
optimaal zicht in bochten.
Aanvullende verlichting
Uw auto is voorzien van aanvullende verlichting
voor specifieke rijomstandigheden:
- mistachterlichten: voor een optimale
zichtbaarheid van achteren bij mist,
- mistlampen vóór: voor extra zicht bij mist
en voor een optimale verlichting van
kruispunten en tijdens parkeermanoeuvres,
- dagrijverlichting: voor een betere
zichtbaarheid van uw auto overdag.
Automatische functies
Het verlichtingssysteem van uw auto heeft
verschillende extra automatische functies die
afzonderlijk kunnen worden ingesteld:
- follow me home-verlichting,
- meedraaiende koplampen,
- instapverlichting,
- dagrijverlichting,
- automatische verlichting,
- "Automatische schakeling grootlicht/
dimlicht".
145
Zicht
Ring voor de selectie van de
stand van de hoofdverlichting
Draai aan de ring om het symbool van de
gewenste stand tegenover het merkteken te
zetten.
Lichten uit.
Automatische verlichting.
Alleen parkeerlicht.
Dimlicht of grootlicht.
Grootlichtschakelaar
Trek de hendel naar u toe om over te schakelen
van dim- naar grootlicht en terug.
Als de verlichting is uitgeschakeld of wanneer
alleen de parkeerlichten zijn ingeschakeld, kunt
u een lichtsignaal geven door de hendel naar u
toe te trekken.
Verklikkerlampjes
Een verklikkerlampje op het
instrumentenpaneel geeft aan dat de
geselecteerde verlichting is ingeschakeld.
Ring voor de selectie van de mistverlichting
De mistverlichting werkt in combinatie met het dimlicht en het grootlicht.
Mistlampen vóór en
mistachterlichten
Verdraai de ring:
) één stand naar voren om de mistlampen
vóór in te schakelen,
) twee standen naar voren om de
mistachterlichten in te schakelen,
) één stand naar achteren om de
mistachterlichten uit te schakelen,
) twee standen naar achteren om de
mistlampen vóór uit te schakelen.
Als de verlichting automatisch wordt
uitgeschakeld (uitvoeringen met automatische
verlichting) of als het dimlicht handmatig wordt
uitgeschakeld, blijven de mistverlichting en de
parkeerlichten branden.
) Draai de ring naar achteren om de
mistverlichting uit te schakelen.
De parkeerlichten worden dan ook
uitgeschakeld.
Bij helder of regenachtig weer,
zowel overdag als 's nachts,
zijn de mistlampen vóór en de
mistachterlichten verblindend voor
medeweggebruikers en daarom niet
toegestaan. Gebruik de mistlampen
vóór en de mistachterlichten uitsluitend
bij mist of sneeuwval.
Onder deze weersomstandigheden
dient u de mistlampen en het dimlicht
handmatig in te schakelen, omdat
de lichtsensor voldoende licht kan
waarnemen.
Vergeet niet de mistlampen uit te zetten
zodra ze niet meer nodig zijn.
147
Zicht
Vergeten verlichting
Als het contact is afgezet, de verlichting
handmatig is ingeschakeld en een van
de voorportieren wordt geopend, klinkt
een geluidssignaal om aan te geven dat
de verlichting nog brandt.
Het geluidssignaal stopt zodra de
verlichting wordt uitgeschakeld.
Als de dimlichten bij afgezet
contact blijven branden, gaat de
auto over in de ECO-mode om het
ontladen van de accu te
voorkomen.
Onder bepaalde weersomstandigheden
(lage temperatuur, vochtigheid) kan zich
een laagje condens aan de binnenzijde
van de koplampen en de achterlichten
vormen; dit verdwijnt enkele minuten na
het ontsteken van de koplampen.
De verlichting overdag
kan worden ingeschakeld
of uitgeschakeld via het
configuratiemenu.
Als het contact wordt afgezet, wordt
de verlichting gedoofd, maar kunt u de
verlichting altijd weer inschakelen met
de lichtschakelaar.
Verlichting overdag
(LED-verlichting)
Deze wordt automatisch ingeschakeld als de
motor wordt gestart.
Afhankelijk van het land van bestemming en
de plaatselijk geldende wetgeving doet deze
verlichting dienst als:
- verlichting overdag en als parkeerlicht 's
nachts (bij de verlichting overdag is de
lichtsterkte groter),
of als
- parkeerlichten overdag en 's nachts.
Het parkeerlicht en het dimlicht worden
automatisch ingeschakeld als de lichtsterkte
van de omgeving onvoldoende is of in
bepaalde gevallen dat de ruitenwissers worden
ingeschakeld.
De verlichting wordt uitgeschakeld als de
lichtsterkte van de omgeving weer voldoende is
of nadat het wissen is gestopt.
Automatische verlichting
Inschakelen
) Draai de ring in de stand "AUTO" :
de automatische verlichting wordt
ingeschakeld en er wordt ter bevestiging
een melding weergegeven op het display.
Uitschakelen
) Draai de ring in een andere stand. Het
uitschakelen wordt bevestigd door een
melding op het display.
Koppeling met de automatische
follow me home-verlichting
De koppeling van de automatische follow
me home-verlichting aan de automatische
verlichting biedt, nadat het contact is afgezet,
de volgende extra mogelijkheden:
- instellen van de duur van de follow
me home-verlichting (15, 30 of
60 seconden) via de instelfuncties in het
configuratiemenu van de auto,
- automatische inschakeling van de follow
me home-verlichting als de automatische
verlichting is ingeschakeld.
Storing
Bij een storing in de
lichtsensor gaat de
verlichting branden,
wordt dit pictogram weergegeven op het
instrumentenpaneel en/of verschijnt een
melding op het display, in combinatie met een
geluidssignaal.
Raadpleeg het CITROËN-netwerk of een
gekwalificeerde werkplaats.
Als de lichtsensor bij mist of sneeuw
voldoende licht waarneemt, wordt
de verlichting niet automatisch
ingeschakeld.
Dek de met de regensensor
gecombineerde lichtsensor die zich in
het midden van de voorruit achter de
binnenspiegel bevindt, niet af. De aan
de sensor gekoppelde functies worden
dan niet meer bediend.
149
Zicht
Automatische schakeling
grootlicht/dimlicht
Inschakelen
Dit systeem zorgt ervoor dat, afhankelijk
van de hoeveelheid licht in de omgeving
en de verkeerssituatie, automatisch wordt
overgeschakeld van grootlicht naar dimlicht en
omgekeerd. Hiertoe bevindt zich een camera
op de binnenspiegel.
) Zet de ring van de
lichtschakelaar in de stand
"AUTO".
Het automatische omschakelsysteem
is een hulpsysteem bij het rijden. De
bestuurder blijft zelf verantwoordelijk
voor de verlichting van zijn auto, voor
de aanpassing van de verlichting aan
de lichtsterkte van de omgeving, het
zicht en het verkeer en voor het naleven
van de verkeersregels.
) Geef een lichtsignaal
(beweeg de
lichtschakelaar tot voorbij
het zware punt) om de
functie te activeren.
Op het
instrumentenpaneel
gaat dit verklikkerlampje
branden om het activeren
te bevestigen.
) Druk op de toets; het lampje van
de toets gaat branden.
Uitschakelen
) Druk op de toets; het lampje van
de toets gaat uit. De verlichting
schakelt over op de stand
"automatische verlichting".
Onderbreken
) Geef nogmaals een
lichtsignaal om de
functie tijdelijk uit te
schakelen. De verlichting
schakelt over op de
stand "automatische
verlichting".
) Geef nogmaals een
lichtsignaal om de functie
weer te activeren.
Het systeem wordt geactiveerd vanaf
25 km/h.
Als de snelheid lager dan 15 km/h
wordt, is de functie niet meer actief.
Werking
De bestuurder kan indien nodig op elk moment
zelf de verlichting omschakelen.
Als de functie is geactiveerd, werkt het systeem
als volgt:
- als er voldoende omgevingslicht is en/of
de verkeersomstandigheden het gebruik
van grootlicht niet toestaan, blijven de
dimlichten branden,
- als de omgeving erg donker is en de
verkeersomstandigheden het gebruik van
grootlicht toestaan, wordt automatisch
overgeschakeld op grootlicht.
Parkeerlichten
De zijkant van de auto wordt gemarkeerd door
het inschakelen van de parkeerlichten aan de
kant van het verkeer.
) Duw de lichtschakelaar binnen één
minuut na het afzetten van het contact
omhoog of omlaag om de parkeerlichten
aan de kant van het verkeer in te
schakelen (voorbeeld: rechts van de weg
parkeren: lichtschakelaar omlaag duwen;
parkeerlichten links gaan branden).
Het inschakelen wordt bevestigd door
een geluidssignaal en het branden van
het controlelampje van de desbetreffende
richtingaanwijzer op het instrumentenpaneel.
Zet om de parkeerlichten uit te schakelen de
lichtschakelaar in de middenstand of zet het
contact aan.
Deze functie zorgt ervoor dat na het afzetten
van het contact de dimlichten nog even blijven
branden om het uitstappen in het donker te
vergemakkelijken.
Handbediende follow me
home-verlichting
Inschakelen
) Geef binnen 1 minuut na het afzetten
van het contact een "lichtsignaal" met de
lichtschakelaar.
) Geef nogmaals een "lichtsignaal" om de
functie uit te schakelen.
Uitschakelen
Na het vergrendelen van de auto wordt de
handbediende follow me home-verlichting
na een bepaalde tijd (deze tijd kan worden
geprogrammeerd in het configuratiemenu)
automatisch uitgeschakeld.
Er kunnen storingen in de werking van
het systeem optreden:
- als het zicht slecht is (bijvoorbeeld
bij sneeuwval, zware regenval of
dichte mist, ...),
- als het gedeelte van de voorruit voor
de camera vuil, beslagen of bedekt
is (bijvoorbeeld met een sticker),
- als de verlichting van uw auto wordt
weerkaatst door spiegelende of
reflecterende panelen (bijvoorbeeld
verkeersborden).
Het systeem signaleert geen:
- weggebruikers die geen verlichting
voeren, zoals voetgangers,
- weggebruikers van wie de
verlichting wordt afgeschermd
(bijvoorbeeld door een vangrail op
de snelweg),
- weggebruikers die zich aan de top
of de voet van een steile helling,
in een bocht of op een zijweg
bevinden.
151
Zicht
Instapverlichting
buitenzijde
De instapverlichting wordt afhankelijk van de
door de lichtsensor gesignaleerde hoeveelheid
licht geactiveerd om op donkere plaatsen het
lokaliseren van de auto en het instappen te
vergemakkelijken.
Inschakelen
Uitschakelen
De instapverlichting buitenzijde gaat na een
bepaalde tijd automatisch uit of gaat uit na het
afzetten van het contact of het vergrendelen
van de auto.
Programmeren
De duur van het branden
van de instapverlichting kan
worden geselecteerd via het
configuratiemenu van de auto.
De duur van het branden van de
instapverlichting is gekoppeld en gelijk
aan die van de automatische follow me
home verlichting.
) Druk op het geopende hangslot
van de afstandsbediening of op
de portierhandgreep met het
Keyless entry and start-systeem.
Verlichting
buitenspiegels
Inschakelen
De instapverlichting wordt ingeschakeld:
- bij het ontgrendelen,
- bij het afzetten van het contact,
- bij het openen van een portier,
- bij het lokaliseren van de auto via de
afstandsbediening.
Uitschakelen
De verlichting dooft na een bepaalde tijd
automatisch.
Om de toegang tot de auto te vergemakkelijken,
worden de volgende delen verlicht:
- het oppervlak naast het bestuurders- en
het passagiersportier,
- het oppervlak voor de buitenspiegels en
achter de voorportieren.
Het dimlicht en het parkeerlicht gaan branden
en uw auto wordt gelijktijdig ontgrendeld.
Halogeen
koplampen
handmatig verstellen
Automatische koplamphoogteverstelling bij
xenonlampen
Verstel de koplampen met halogeenlampen
afhankelijk van de belading van uw auto
om verblinding van medeweggebruikers te
voorkomen.
0. 1 of 2 personen op de voorstoelen.
-. Tussenstand.
1 . 5 personen + maximaal toegestane belading.
-. Tussenstand.
2 . Bestuurder + maximaal toegestane belading.
-. Tussenstand.
3 . 5 personen + maximaal toegestane
belading in de koffer.
Stand "0" : basisinstelling.
In het geval van een storing
verschijnt dit pictogram op
het instrumentenpaneel,
in combinatie met een geluidssignaal
en een melding op het display van het
instrumentenpaneel.
Het systeem zet in dat geval de koplampen in
de lage stand.
Om verblinding van andere weggebruikers
te voorkomen corrigeert dit systeem bij
stilstaande auto automatisch de hoogte van de
lichtbundel van de xenonlampen, afhankelijk
van de belading van de auto.
Raak in het geval van een storing de
xenonlampen niet aan. Raadpleeg
het CITROËN-netwerk of een
gekwalificeerde werkplaats.
153
Zicht
Als het dimlicht of grootlicht is ingeschakeld,
volgen de lichtbundels van de meedraaiende
koplampen de richting van de weg.
Deze functie is alleen mogelijk in combinatie
met xenonlampen en zorgt voor een aanzienlijk
beter zicht in bochten.
Meedraaiende koplampen
met meedraaiende koplampen
zonder meedraaiende koplampen
Programmeren
Storing
U kunt deze functie
desgewenst uitschakelen via
het configuratiemenu op het
multifunctionele display.
Standaard is deze functie ingeschakeld.
Bij het afzetten van het contact
blijven de instellingen gehandhaafd.
Deze functie werkt niet:
- bij stilstand of zeer lage snelheden,
- als de achteruit is ingeschakeld.
In het geval van een storing knippert
dit pictogram op het display in
combinatie met een melding op het
multifunctionele display.
Raadpleeg het CITROËN-netwerk of
een gekwalificeerde werkplaats.
Statische bochtverlichting
Tijdens het rijden met dim- of grootlicht wordt de
mistlamp vóór ingeschakeld om de binnenkant
van de bocht extra te verlichten bij snelheden tot
40 km/h (handig in de stad, op bochtige wegen,
kruispunten, parkeergarages enz.).
met statische bochtverlichting
zonder statische bochtverlichting
Statische bochtverlichting
ingeschakeld
De bochtverlichting wordt in de volgende
gevallen ingeschakeld:
- bij het inschakelen van een
richtingaanwijzer,
of
- als het stuurwiel ver genoeg wordt verdraaid.
Statische bochtverlichting werkt
niet
De verlichting werkt in de volgende gevallen
niet:
- bij een geringe stuuruitslag,
- bij snelheden boven 40 km/h,
- als de achteruit is ingeschakeld.
Programmeren
U kunt de statische bochtverlichting
desgewenst uitschakelen via het
configuratiemenu van de auto.
Standaard is de statische
bochtverlichting ingeschakeld.
155
Zicht
Ruitenwisserschakelaar
Instellen
Afhankelijk van de uitvoering zijn de volgende
automatische functies van de ruitenwissers
mogelijk:
- automatische werking van de
ruitenwissers vóór,
- automatisch inschakelen van de
ruitenwisser achter bij het inschakelen
van de achteruitversnelling.
Handmatige functies
De bestuurder schakelt de ruitenwissers
handmatig in.
De ruitenwissers voor en achter zorgen
voor een optimaal zicht voor de bestuurder,
ongeacht de weersomstandigheden.
Ruitenwissers vóór
Wissnelheid:
hoge snelheid (hevige neerslag),
normale snelheid (matige regenval),
interval (wissnelheid aangepast aan
de wagensnelheid),
uit,
automatisch (omlaag duwen en
loslaten),
één keer (de hendel even naar u toe trekken).
Ruitenwisser achter
Schakel de automatische werking van
de ruitenwisser achter uit bij sneeuwval
of strenge vorst en bij montage van
een fietsendrager op de achterklep.
Dit kan worden uitgevoerd via het
configuratiemenu.
uit,
interval,
wissen en sproeien
(gedurende enige tijd).
Achteruitversnelling
Als de ruitenwissers vóór zijn ingeschakeld
op het moment dat u de achteruitversnelling
inschakelt, wordt automatisch de ruitenwisser
achter ingeschakeld.
Deze functie kan worden geactiveerd
of gedeactiveerd via het
configuratiemenu.
Deze functie is standaard
geactiveerd.
Instellen
) Trek de ruitenwisserschakelaar naar u
toe. De ruitensproeiers treden in werking,
waarna enige tijd de ruitenwissers worden
ingeschakeld om de ruit schoon te wissen.
De koplampsproeiers worden alleen
geactiveerd als het dimlicht of het grootlicht
brandt en de auto rijdt .
Ruitensproeiers vóór en
koplampsproeiers
Ring voor de selectie van de ruitenwisser achter:
Om het verbruik van koplampsproeiervloeistof
te beperken werken de koplampsproeiers
tijdens één en hetzelfde traject slechts elke
zevende keer dat de ruitensproeiers worden
gebruikt of elke 40 km.
157
Zicht
Automatische ruitenwissers
ór
De ruitenwissers worden automatisch
ingeschakeld als de sensor achter de
binnenspiegel regen detecteert. De snelheid
van de ruitenwissers wordt aangepast aan de
hoeveelheid neerslag.
Inschakelen
Duw de hendel één keer omlaag.
De ruitenwissers maken één slag om
het inschakelen te bevestigen.
Duw de hendel nog een keer omlaag
of zet de hendel in een andere stand
(Int., 1 of 2).
Uitschakelen
Elke keer als het contact meer
dan 1 minuut is afgezet, moet u
de automatische werking van de
ruitenwissers opnieuw activeren door
de hendel één keer omlaag te duwen.
Dit verklikkerlampje op het instrumentenpaneel
gaat uit en er verschijnt een melding.
Dit verklikkerlampje op het instrumentenpaneel
gaat branden en er verschijnt een melding.
Dek de regensensor, die zich
gecombineerd met de lichtsensor in
het midden van de voorruit achter de
binnenspiegel bevindt, niet af.
Schakel de automatische werking van
de ruitenwissers uit als de auto wordt
gewassen in een wasstraat.
Wacht 's winters met het inschakelen
van de automatische ruitenwissers tot
de voorruit ontdooid is.
Storing
In het geval van een storing in de automatische
werking van de ruitenwissers werken deze in
de intervalstand.
Laat het systeem controleren door het
CITROËN-netwerk of een gekwalificeerde
werkplaats.
Speciale stand van de
ruitenwissers voor
Deze stand maakt het mogelijk de
ruitenwissers los te zetten van de voorruit.
In deze stand kunnen de ruitenwisserbladen
worden gereinigd of de ruitenwissers worden
vervangen. In de winter kan deze stand tevens
worden gebruikt om de ruitenwissers los te
zetten van de voorruit.
Om een goede werking van de flat-
blade ruitenwissers te behouden,
adviseren wij u:
- voorzichtig met de ruitenwissers
om te gaan,
- de ruitenwissers regelmatig te
reinigen met zeepsop,
- de ruitenwissers niet te gebruiken
om een stuk karton tegen de
voorruit te houden,
- de ruitenwissers te vervangen
zodra ze tekenen van slijtage
vertonen.
) Als de ruitenwisserschakelaar binnen een
minuut nadat het contact is afgezet wordt
bediend, worden de ruitenwissers in de
verticale stand gezet.
) Zet het contact aan en bedien de
ruitenwisserschakelaar om de
ruitenwissers na de werkzaamheden weer
in de ruststand te zetten.
159
Zicht
1. Plafonnier vóór - achter
2. Kaartleeslampjes ór
3. Kaartleeslampjes achter
4. Sfeerverlichting
Plafonniers
In deze stand gaat de
interieurverlichting geleidelijk branden:
Plafonnier vóór - achter
Zorg ervoor dat er geen voorwerpen in
contact zijn met de plafonniers.
In de stand "interieurverlichting permanent
ingeschakeld", blijft de interieurverlichting
afhankelijk van de omstandigheden
gedurende een bepaalde tijd branden:
- bij afgezet contact: ongeveer
10 minuten,
- in de eco-mode: ongeveer
30 seconden,
- bij draaiende motor: onbeperkt.
- als de auto wordt ontgrendeld,
- als de elektronische sleutel uit de lezer
wordt verwijderd,
- als een portier wordt geopend,
- als op de vergrendelingsknop van de
afstandsbediening wordt gedrukt om de
auto te lokaliseren.
De interieurverlichting gaat geleidelijk uit:
- als de auto wordt vergrendeld,
- als het contact wordt aangezet,
- 30 seconden na het sluiten van het laatste
portier.
Permanent uit.
Permanent aan.
Kaartleeslampjes vóór -
achter
) Druk bij aangezet contact op de
desbetreffende schakelaar.
Sfeerverlichting
De gedempte interieurverlichting verbetert het zicht in de auto als deze zich in een donkere
omgeving bevindt.
Als het buiten donker is, gaat de
sfeerverlichting automatisch branden als de
parkeerlichten worden ingeschakeld (zo wordt
de middenconsole bijvoorbeeld verlicht door
een lichtbundel waarvan de lichtbron in de
dakconsole is ondergebracht).
De sfeerverlichting gaat automatisch uit als de
parkeerlichten worden uitgeschakeld.
Verlichting ingeschakeld: u kunt kiezen uit
7 standen voor de lichtsterkte.
De lichtsterkte wordt elke keer dat op de knop
wordt gedrukt trapsgewijs verhoogd en keert
weer terug naar de laagste stand nadat de
hoogste stand is bereikt.
Houd de knop ingedrukt om direct de maximale
lichtsterkte te verkrijgen.
Met deze knop regelt u de lichtsterkte
van de plafonnier, de verlichting van de
binnenportiergrepen en de verlichting van de
portiervakken (volgens uitvoering).
Verlichting
beenruimte
Inschakelen
De werking is gelijk aan die van de plafonniers.
De lampen gaan branden zodra één van de
portieren wordt geopend.
De gedempte verlichting van de beenruimte
verbetert het zicht in de auto als deze zich in
een donkere omgeving bevindt.
Inschakelen Instellen van de lichtsterkte
van de plafonnier
161
Zicht
006
Veiligheidsvoorzieningen voor kinderen
Algemene informatie met betrekking tot kinderzitjes
Volg voor een optimale veiligheid de volgende
adviezen op:
- conform de Europese wetgeving dienen
kinderen jonger dan 12 jaar of kleiner
dan 1,50 m in gehomologeerde, aan
het lichaamsgewicht aangepaste
kinderzitjes op met veiligheidsgordels of
ISOFIX-bevestigingen uitgeruste plaatsen
te worden vervoerd * ,
- de veiligste plaats voor het vervoeren van
een kind is volgens de statistieken een
plaats op de achterbank van uw auto,
- kinderen tot 9 kg moeten zowel
voor- als achterin met de rug in de
rijrichting worden vervoerd.
CITROËN beveelt u aan kinderen op
de buitenste achterzitplaatsen van
uw auto te vervoeren:
- met de rug in de rijrichting tot 3 jaar,
- met het gezicht in de rijrichting
vanaf 3 jaar.
Hoewel CITROËN bij het ontwerp van uw auto veel aandacht heeft besteed aan
veiligheidsvoorzieningen voor uw kinderen, is hun veiligheid natuurlijk ook afhankelijk van uzelf.
* De regels voor het vervoeren van kinderen
zijn per land verschillend. Informeer hiervoor
naar de wetgeving in uw land.
165
Veilig vervoeren van kinderen
Kinderzitje op de passagiersstoel voor *
"Met de rug in de rijrichting"
"Met het gezicht in de rijrichting"
Controleer of de veiligheidsgordel goed
strak staat.
Controleer bij kinderzitjes met een
standaard of deze goed op de vloer
steunt. Verstel indien nodig de
passagiersstoel.
Passagiersstoel in de hoogste stand en zo
ver mogelijk naar achteren.
* Raadpleeg de wetgeving in uw land voordat u
een kinderzitje op deze plaats bevestigt.
Wanneer een kinderzitje met de rug in de
rijrichting op de passagiersstoel voor wordt
geplaatst, moet de stoel in de middelste stand
van de verstelling in lengterichting worden
geschoven, en in de hoogste stand en met de
rugleuning rechtop worden gezet.
De airbag aan passagierszijde moet zijn
uitgeschakeld. Gebeurt dit niet, dan kan
het kind bij het afgaan van de airbag
levensgevaarlijk gewond raken .
Wanneer een kinderzitje met het gezicht in de
rijrichting op de passagiersstoel voor wordt
geplaatst, moet de stoel in de middelste stand
van de verstelling in lengterichting worden
geschoven, en in de hoogste stand en met
de rugleuning rechtop worden gezet en mag
de airbag aan passagierszijde niet worden
uitgeschakeld.
Uitschakelen van de passagiersairbag
Raadpleeg de rubriek "Airbags" voor
meer informatie over het uitschakelen
van de airbag.
Airbag aan passagierszijde OFF
Plaats nooit een kind in een kinderzitje
"met de rug in de rijrichting" op de
voorpassagiersstoel als de airbag aan
passagierszijde is ingeschakeld. Het kind
kan in dat geval bij een aanrijding ernstig
en zelfs dodelijk gewond raken.
Dit voorschrift wordt tevens vermeld op de
waarschuwingssticker aan beide zijden van de
zonneklep aan passagierszijde. Conform de
wettelijke voorschriften vindt u op de volgende
twee bladzijden deze waarschuwing in alle
benodigde talen.
AR
BG НИКОГА НЕ инсталирайте детско столче на седалка с АКТИВИРАНА предна ВЪЗДУШНА ВЪЗГЛАВНИЦА. Това можеда причини СМЪРТ или
СЕРИОЗНО НАРАНЯВАНЕ на детето.
CS NIKDY neumisťujte dětské zádržné zařízení orientované směrem dozadu na sedadlo chráněné AKTIVOVAM čelním AIRBAGEM. Hrozí nebezpečí
SMRTI DÍTĚTE nebo VÁŽNÉHO ZRANĚNÍ.
DA Brug aldrig en bagudvendt barnestol på et sæde der er beskyttet af en aktiv airbag. Død eller alvorlig skade på barnet kan forekomme.
DE Verwenden Sie NIEMALS einen Kindersitz oder Babyschale gegen die Fahrtrichtung bei AKTIVIERTEM Airbag, TOD oder ERNSTHAFTE
VERLETZUNGEN können die Folge sein.
EL Μη χρησιμοποιείτε ΠΟΤΕ παιδικό κάθισμα με την πλάτη του προς το εμπρός μέρος του αυτοκινήτου, σε
μια θέση που προστατεύεται από ΜΕΤΩΠΙΚΟ
αερόσακο που είναι ΕΝΕΡΓΟΣ. Αυτό μπορεί να έχει σαν συνέπεια το ΘΑΝΑΤΟ ή το ΣΟΒΑΡΟ ΤΡΑΥΜΑΤΙΣΜΟ του ΠΑΙΔΙΟΥ
EN NEVER use a rearward facing child restraint on a seat protected by an ACTIVE AIRBAG in front of it, DEATH or SERIOUS INJURY to the CHILD can
occur
ES NO INSTALAR NUNCA EL SISTEMA DE RETENCN PARA NIÑOS DE ESPALDAS AL SENTIDO DE LA CIRCULACIÓN SOBRE UN ASIENTO
PROTEGIDO CON UN COJÍN INFLABLE FRONTAL ( AIRBAG ) ACTIVADO. ESTO PUEDE CAUSAR LA MUERTE DEL BEBE O HERIRLO
GRAVEMENTE.
ET Ärge kasutage kunagi lapse turvatooli seljaga sõidusuunas sõiduki istmel mis on kaitstud AKTIVEERITUD TURVAPADJAGA. See võib põhjustada lapsele
RASKEID VIGASTUSI või SURMA.
FI ÄLÄ KOSKAAN aseta lapsen turvaistuinta selkä ajosuuntaan istuimelle, jonka edessä suojana on käyttöön aktivoitu TURVATYYNY. Sen laukeaminen voi
aiheuttaa LAPSEN KUOLEMAN tai VAKAVAN LOUKKAANTUMISEN.
FR NE JAMAIS installer de système de retenue pour enfants faisant face vers l’arrière sur un sge protégé par un COUSSIN GONFLABLE frontal ACTI.
Cela peut provoquer la MORT de l’ENFANT ou le BLESSER GRAVEMENT
HR NIKADA ne postavljati dječju sjedalicu leđima u smjeru vožnje na sjedalo zaštićeno UKLJUČENIM prednjim ZRAČNIM JASTUKOM. To bi moglo
uzrokovati SMRT ili TEŠKU OZLJEDU djeteta.
HU SOHA ne használjon menetinynak háttal beszerelt gyermekülést olyan ülésen, amely AKTIVÁLT ÁLLAPOTÚ (BEKAPCSOLT) FRONTLÉGZSÁKKAL
van védve. Ez a gyermek halálát vagy súlyos sérülését okozhatja.
IT NON installare MAI seggiolini per bambini posizionati in senso contrario a quello di marcia su un sedile protetto da un AIRBAG frontale ATTIVATO. Ciò
potrebbe provocare la MORTE o FERITE GRAVI al bambino.
LT NIEK ADA neįrenkite vaiko prilaikymo priemonės su atgal atgręžtu vaiku ant sėdynės, kuri saugoma VEIKIANČIOS priekinės ORO PAGALVĖS.
siskleidus oro pagalvei vaikas gali būti MIRTINAI arba SUNKIAI TRAUMUOTAS.
167
Veilig vervoeren van kinderen
LV NAV PIEĻAUJAMS uzstādīt uz aizmuguri vērstu bērnu sēdeklīti priekšējā pasažiera vietā, kurā ir AKTIVIZĒTS priekšējais DROŠĪBAS GAISA SPILVENS.
Tas var izraisīt BĒRNA NĀVI vai radīt NOPIETNUS IEVAINOJUMUS.
MT Qatt m’ghandek thalli tifel/tifla marbut f’siggu dahru lejn l-Airbag attiva, ghaliex tista’ tikkawza korriment serju jew anke mewt lit-tifel/tifla
NL Plaats NOOIT een kinderzitje met de rug in de rijrichting op een zitplaats waarvan de AIRBAG is INGESCHAKELD. Bij het afgaan van de airbag kan het
KIND ERNSTIG OF DODELIJK GEWOND raken.
NO Installer ALDRI et barnesete med ryggen mot kjøreretningen i et sete som er beskyttet med en frontal AKTIVERT KOLLISJONSPUTE, BARNET risikerer
å bli DREPT eller HARDT SKADET.
PL NIGDY nie instalować fotelika dziecięcego w pozycji «tyłem do kierunku jazdy»na siedzeniu wyposażonym w CZOŁOWĄ PODUSZKĘ POWIETRZNĄ w
stanie AKTYWNYM.W przeciwnym razie dziecko narażone będzie na ŚMIERĆ lub BARDZO POWAŻNE OBRAŻENIA CIAŁA w momenicie wyzwolenia
poduszki powietrznej
PT NUNCA instale um sistema de retenção para crianças de costas para a estrada, num banco protegido por um AIRBAG frontal ACTIVADO. Esta instalação
poderá provocar FERIMENTOS GRAVES ou a MORTE da CRIANÇA.
RO Nu instalati NICIODATA un sistem de retinere pentru copii, dispus cu spatele in directia de mers, pe un loc din vehicul protejat cu AIRBAG frontal
ACTIVAT. Aceasta ar putea provoca MOARTEA COPILULUI sau RANIREA lui GRAVA.
RU ВО ВСЕХ СЛУЧАЯХ ЗАПРЕЩАЕТСЯ использовать обращенное назад детское
удерживающее устройство на сиденье, защищенном
ФУНКЦИОНИРУЮЩЕЙ ПОДУШКОЙ БЕЗОПАСНОСТИ, установленной перед этим сиденьем.
Это может привести к ГИБЕЛИ РЕБЕНКА или НАНЕСЕНИЮ ЕМУ СЕРЬЕЗНЫХ ТЕЛЕСНЫХ ПОВРЕЖДЕНИЙ
SK NIKDY nepoužívajte na prednom sedadle chránenom AKVNYM AIRBAGOM detské zadržiavacie zariadenie umiestnené v proti smere jazdy. Môže to
spôsobiť SMRŤ, alebo VÁŽNE ZRANENIE DIEŤAŤA.
SL NIKOLI ne nameščajte otroškega sedeža s hrbtom v smeri vožnje, če je VARNOSTNA BLAZINA pred sprednjim sopotnikovim sedežem AKTIVIRANA.
Takšna namestitev lahko povzroči SMRT OTROKA ali HUDE PKODBE.
SR NIKADA ne koristite dečje sedište koje se okreće unazad na sedištu ztićenim AKTIVNIM VAZDNIM JASTUKOM ispred njega, jer mogu nastupiti
SMRT ili OZBILJNA POVREDA DETETA.
SV Använd ALDRIG en bakåtnd barnstol i ett säte skyddat av en AKTIV AIRBAG framför det. Det kan orsaka ALLVARLIGA eller DÖDLIGA skador på
barnet.
TR KESİNLKLE HAVA YASTIĞI AKTİF olan ön koltuğa yüzü arkaya dök bir çocuk koltuğu yerleştirmeyiniz. Bu ÇOCUĞUN ÖLMESİNE veya ÇOK AĞIR
YARALANMASINA sebep olabilir.
169
Veilig vervoeren van kinderen
Kinderzitje achterin
"Rug in de rijrichting"
Schuif als u een kinderzitje "met de rug in de
rijrichting" achterin plaatst de voorstoel naar
voren en zet de rugleuning van de voorstoel
rechtop, zodat het kinderzitje de voorstoel niet
raakt.
"Gezicht in de rijrichting"
Schuif als u een kinderzitje "met het gezicht
in de rijrichting" achterin plaatst de voorstoel
naar voren en zet de rugleuning van de
voorstoel rechtop, zodat de benen van het kind
de voorstoel niet raken.
Middelste zitplaats achter
Een kinderzitje met steun mag nooit op de
middelste zitplaats achter worden bevestigd.
Controleer of de veiligheidsgordel goed
strak staat. Controleer bij kinderzitjes
met een standaard of deze goed op de
vloer steunt.
Groep 0+: vanaf de geboorte tot 13 kg Groep 1, 2 en 3: van 9 tot 36 kg
L1
"MER Baby-Safe Plus"
Wordt met de rug in de
rijrichting geplaatst.
L2
"KIDDY Comfort Pro"
Voor het vervoer van
jonge kinderen (van 9 tot
18 kg) is het gebruik van de
gordelbeschermer verplicht.
Groep 2 en 3: van 15 tot 36 kg
L4
"KLIPPAN Optima"
Vanaf ongeveer 6 jaar (vanaf 22 kg): gebruik alleen de zitverhoging.
L5
"RÖMER KIDFIX"
Kan aan de ISOFIX-verankeringen van de auto worden bevestigd.
Het kind wordt beschermd door de veiligheidsgordel.
Door CITROËN aanbevolen kinderzitjes
CITROËN levert een complete reeks kinderzitjes met artikelnummer die met een
driepuntsveiligheidsgordel kunnen worden vastgemaakt:
171
Veilig vervoeren van kinderen
Bevestiging kinderzitjes met de veiligheidsgordel
Conform de Europese wetgeving geeft dit overzicht de mogelijkheden weer met betrekking tot het bevestigen, met een veiligheidsgordel, van een
universeel gehomologeerd kinderzitje, gerangschikt naar gewicht van het kind en de plaats in de auto:
Gewicht van het kind en leeftijdsindicatie
Plaats
Minder dan 13 kg
(Categorie 0 ( b ) en 0+)
Tot ongeveer 1 jaar
Van 9 tot 18 kg
(Categorie 1)
Van 1 tot ongeveer 3 jaar
Van 15 tot 25 kg
(Categorie 2)
Van 3 tot ongeveer 6 jaar
Van 22 tot 36 kg
(Categorie 3)
Van 6 tot ongeveer 10 jaar
Passagiersstoel vóór ( c ) met
hoogteverstelling
U (R) U (R) U (R) U (R)
Buitenste zitplaatsen
achter (d)
U U U U
Middelste zitplaats achter
X X X X
(a) : Universeel kinderzitje: kinderzitje dat in alle auto's bevestigd kan worden met behulp van de veiligheidsgordel.
(b) : Groep 0: vanaf de geboorte tot 10 kg. Reiswiegen en autobedjes mogen niet op de passagiersplaats voor worden vervoerd.
Als deze op de 2e zitrij worden bevestigd, is het mogelijk dat andere zitplaatsen niet gebruikt kunnen worden.
( c) : Raadpleeg de wetgeving in uw land alvorens een kinderzitje op deze plaats te bevestigen.
(d) Schuif wanneer u een kinderzitje achterin plaatst "met de rug in de rijrichting" of "met het gezicht in de rijrichting" de voorstoel naar voren en zet de
Verwijder de hoofdsteun en berg
hem op alvorens een kinderzitje met
een rugleuning te bevestigen op een
passagiersstoel. Plaats de hoofdsteun
terug zodra het kinderzitje is verwijderd.
rugleuning rechtop, zodat er voldoende ruimte is voor het het kinderzitje en de benen van het kind.
U : zitplaats geschikt voor de bevestiging van een universeel gehomologeerd kinderzitje met een
veiligheidsgordel, zowel met de "rug in de rijrichting" als met het "gezicht in de rijrichting".
U (R): als U , waarbij de passagiersstoel in de hoogste stand en zo ver mogelijk naar achteren moet staan.
X: zitplaats die niet geschikt is voor een kinderzitje voor de aangegeven gewichtscategorie.
Uw auto voldoet aan de nieuwste ISOFIX-normen.
De hieronder aangegeven zitplaatsen zijn uitgerust met de voorgeschreven ISOFIX-bevestigingen:
ISOFIX-bevestigingen
- twee bevestigingsringen A , die zich tussen
de rugleuning en de zitting van de zitplaats
bevinden, aangegeven met een merkteken,
De ISOFIX-bevestigingen zorgen voor een
veilige, degelijke en snelle montage van het
kinderzitje in uw auto.
De ISOFIX-kinderzitjes beschikken over
twee sloten die eenvoudig aan de twee
bevestigingsringen A kunnen worden verankerd.
Sommige kinderzitjes zijn bovendien voorzien
van een bovenste bevestigingsriem die kan
worden vastgemaakt aan de bevestigingsring B .
Bij een onjuist geplaatst kinderzitje is
de bescherming van het kind bij een
aanrijding niet meer gewaarborgd.
Volg nauwkeurig de
montagevoorschriften in de handleiding
die bij het kinderzitje is geleverd.
- één bevestigingsring B onder een
afdekkapje boven aan de achterzijde van
de rugleuning, TOP TETHER genoemd,
voor de bevestiging van de bovenste riem.
De plaats hiervan wordt aangegeven met
een merkteken.
Kinderzitje vastmaken aan de TOP TETHER :
- verwijder de hoofdsteun en berg deze op
alvorens het kinderzitje op deze plaats te
bevestigen (vergeet niet de hoofdsteun
weer aan te brengen nadat u het kinderzitje
weer hebt verwijderd),
- trek het afdekkapje van de TOP TETHER
los,
- haal de riem van het kinderzitje naar de
achterzijde van de rugleuning van de stoel
en zorg dat deze precies tussen de gaten
voor de hoofdsteunpennen ligt,
- maak de haak van de bovenste riem vast
aan de ring B ,
- trek de bovenste riem strak.
Elke zitplaats is voorzien van drie
bevestigingsringen:
Aan de top tether, die aan de achterzijde van
de rugleuning is gemonteerd, kan de bovenste
riem van een kinderzitje (indien aanwezig)
worden vastgemaakt. Dit systeem beperkt het
naar voren kantelen van het kinderzitje bij een
frontale aanrijding.
Raadpleeg het schema voor meer
informatie over de mogelijkheden van
het plaatsen van ISOFIX-kinderzitjes in
uw auto.
173
Veilig vervoeren van kinderen
Door CITROËN aanbevolen en voor uw auto gehomologeerde
ISOFIX-kinderzitjes
Volg bij het plaatsen van de kinderzitjes de gebruiksaanwijzing van de fabrikant van het zitje.
"MER Duo Plus ISOFIX"
(gewichtsgroep B1 )
Groep 1: van 9 tot 18 kg
Dit wordt uitsluitend met het gezicht in de rijrichting geplaatst.
Wordt bevestigd aan de ogen A en, met behulp van de bovenste riem, aan het oog B ,
genaamd TOP TETHER.
Drie standen: rechtop, ruststand en ligstand.
Dit kinderzitje kan ook worden bevestigd op zitplaatsen die niet zijn voorzien van ISOFIX-
bevestigingen. Het is in dat geval verplicht het kinderzitje met de normale driepunts
veiligheidsgordel op de zitplaats van de auto te bevestigen.
Baby P2C Midi met ISOFIX -basis
(gewichtsgroepen: D, C, A, B, B1 )
Groep 1 : van 9 tot 18 kg
Dit kinderzitje wordt met de rug in de rijrichting geplaatst met behulp van een ISOFIX-
basis die aan de ogen A wordt bevestigd.
De basis is voorzien van een in hoogte verstelbare steun die op de vloer van de auto rust.
Dit kinderzitje kan ook met het gezicht in de rijrichting worden geplaatst.
Dit kinderzitje kan niet met een veiligheidsgordel worden vastgezet.
Wij adviseren u het zitje met de rug in de rijrichting te plaatsen voor kinderen tot en
met 3 jaar oud.
Overzicht bevestiging ISOFIX-kinderzitjes
Overeenkomstig de Europese wetgeving geeft het overzicht de mogelijkheden aan voor het bevestigen van een ISOFIX-kinderzitje op een plaats in de
auto voorzien van ISOFIX-bevestigingen.
Bij universele en semi-universele ISOFIX-kinderzitjes wordt de ISOFIX-maat op het kinderzitje naast het ISOFIX-logo aangegeven met een letter
( A t/m G ).
Gewicht van het kind / leeftijdsindicatie
Tot 10 kg
(categorie 0)
Tot ca.
6 maanden
Tot 10 kg
(categorie 0)
Tot 13 kg
(categorie 0+)
Tot ca. 1 jaar
Van 9 tot 18 kg (categorie 1)
Van ca. 1 tot ca. 3 jaar
Type ISOFIX-kinderzitje Reiswieg * "rug in de rijrichting"
"rug in de rijrichting"
"gezicht in de rijrichting"
ISOFIX-maat F G C D E C D A B B1
Passagiersstoel voor
X
Buitenste zitplaatsen achter
IL-SU ** IL-SU IL-SU
IUF
IL-SU
Middelste zitplaats achter
X
175
Veilig vervoeren van kinderen
IUF: zitplaats geschikt voor de bevestiging van
een universeel gehomologeerd ISOFIX-
kinderzitje met het gezicht in de rijrichting
en een bovenste riem aan de bovenste
ring van de ISOFIX-plaatsen.
IL-SU: zitplaats geschikt voor de
bevestiging van een semi-universeel
gehomologeerd ISOFIX-kinderzitje:
- rug in de rijrichting voorzien van een
bovenste riem of een steun,
- gezicht in de rijrichting voorzien van een
steun,
- reiswieg voorzien van een bovenste riem of
een steun.
* Reiswiegen en babyautostoeltjes kunnen niet
op de passagiersstoel vóór worden geplaatst.
** De ISOFIX reiswieg die aan de onderste
ringen van een ISOFIX-plaats wordt
bevestigd, neemt de totale ruimte van de
achterbank in beslag.
Verwijder de hoofdsteun en berg
hem op alvorens een kinderzitje met
een rugleuning te bevestigen op een
passagiersstoel. Plaats de hoofdsteun
terug zodra het kinderzitje is verwijderd.
Raadpleeg de rubriek "Isofix-bevestigingen"
voor meer informatie over de bevestiging van
de bovenste riem.
X: zitplaats niet geschikt voor de bevestiging
van een kinderzitje of een reiswieg uit de
aangegeven gewichtsklasse.
De onjuiste bevestiging van een kinderzitje
brengt de veiligheid van het kind in gevaar bij
een aanrijding.
Controleer of er geen veiligheidsgordel of
gesp van de veiligheidsgordel onder het
kinderzitje zit; dat zou de stabiliteit van het
zitje in gevaar kunnen brengen.
Zorg ervoor dat de veiligheidsgordels of het
tuigje van het kinderzitje, zelfs bij korte ritten,
worden vastgemaakt waarbij de speling ten
opzichte van het lichaam van het kind zoveel
mogelijk moet worden beperkt.
Zorg er bij het bevestigen van het
kinderzitje met de veiligheidsgordel voor
dat de veiligheidsgordel correct tegen het
kinderzitje is gespannen en dat de gordel het
kinderzitje stevig op zijn plaats houdt. Schuif
de passagiersstoel, wanneer deze versteld
kan worden, indien nodig naar voren.
Laat bij de achterzitplaatsen altijd voldoende
ruimte tussen de voorstoel en:
- het kinderzitje "met de rug in de
rijrichting",
- de voeten van het kind in het kinderzitje
"met het gezicht in de rijrichting".
Schuif daartoe de voorstoel naar voren
en zet de rugleuning ervan, indien nodig,
rechter op.
Adviezen voor kinderzitjes
Zorg er voor een optimale bevestiging
van het kinderzitje "met het gezicht in de
rijrichting" voor dat de afstand tussen de
rugleuning van het zitje en de rugleuning
van de stoel van de auto zo klein mogelijk
is. Laat indien mogelijk de rugleuning van
het zitje tegen de rugleuning van de stoel
aandrukken.
Verwijder de hoofdsteun alvorens een
kinderzitje met een rugleuning te plaatsen op
een passagiersstoel.
Berg de hoofdsteun zorgvuldig op om te
voorkomen dat de hoofdsteun door de auto
vliegt bij krachtig afremmen. Plaats de
hoofdsteun terug zodra het kinderzitje is
verwijderd.
Kinderen voorin
Plaatsen van een
stoelverhoger
Het bovenste gedeelte van de
veiligheidsgordel moet over de schouder van
het kind liggen zonder de hals te raken.
Controleer of de heupgordel goed over de
bovenbenen van het kind ligt.
CITROËN beveelt aan een stoelverhoger
met rugleuning te gebruiken voorzien
van een gordelgeleider ter hoogte van de
schouder.
Laat uit veiligheidsoverwegingen:
- geen kinderen zonder toezicht achter in
een auto,
- nooit een kind of een dier in een auto
achter wanneer alle ruiten gesloten zijn
en de auto in de zon staat,
- de sleutels nooit binnen bereik van de
kinderen achter in de auto.
Gebruik de kindersloten om te voorkomen
dat de portieren en de portierruiten achter
per ongeluk geopend worden.
Zorg er voor dat de portierruiten achter niet
verder dan voor 1/3 deel geopend worden.
Plaats zonneschermen om uw jonge
kinderen tegen de zon te beschermen.
De regelgeving met betrekking tot het
vervoer van kinderen op de passagiersstoel
vóór is per land verschillend. Raadpleeg de
in uw land geldende regelgeving.
Schakel de airbag aan passagierszijde
uit zodra een kinderzitje met de rug in de
rijrichting op de voorstoel wordt geplaatst.
Het kind kan anders bij het afgaan van de
airbag levensgevaarlijk gewond raken.
177
Veilig vervoeren van kinderen
Elektrische kinderbeveiliging
De elektrische kinderbeveiliging voorkomt dat beide achterportieren van binnenuit kunnen worden geopend en blokkeert de bediening van de
achterportierruiten.
Inschakelen Uitschakelen
Als het lampje een ander signaal geeft,
wijst dit op een storing in de elektrische
kinderbeveiliging.
Laat het systeem controleren door
het CITROËN-netwerk of door een
gekwalificeerde werkplaats.
Dit systeem werkt onafhankelijk van
de centrale vergrendeling; gebruik het
nooit in plaats daarvan.
Controleer bij het aanzetten van
het contact altijd de stand van de
kinderbeveiliging.
Neem vóór het verlaten van de auto
altijd de sleutel uit het contact, zelfs
voor korte periodes.
Bij een ernstige aanrijding wordt
de elektrische kinderbeveiliging
automatisch uitgeschakeld, zodat de
achterpassagiers de auto ongehinderd
kunnen verlaten.
) Druk bij ingeschakeld contact op
deze knop.
) Druk nogmaals bij ingeschakeld
contact op deze knop.
Het verklikkerlampje van de knop gaat
branden in combinatie met een melding die het
inschakelen bevestigt.
Het lampje blijft branden zolang de elektrische
kinderbeveiliging is ingeschakeld.
Het blijft mogelijk de portieren van buitenaf te
openen en de elektrisch bedienbare achterste
zijruiten te bedienen vanaf de bestuurdersstoel.
Het verklikkerlampje van de knop gaat
uit in combinatie met een melding die het
uitschakelen bevestigt.
Het lampje blijft uit zolang de elektrische
kinderbeveiliging is uitgeschakeld.
007
Veiligheid
Richtingaanwijzers
) Links: duw de hendel helemaal omlaag.
) Rechts: duw de hendel helemaal omhoog.
Drie keer knipperen
Beweeg de hendel iets omhoog of omlaag,
zonder het zware punt te passeren; de
desbetreffende richtingaanwijzers knipperen
vervolgens drie keer.
Wanneer de richtingaanwijzers na
meer dan 20 seconden nog niet zijn
uitgeschakeld, wordt bij een snelheid
van meer dan 60 km/h automatisch het
knippergeluid versterkt.
Alarmknipperlichten
Druk de knop in, de richtingaanwijzers
knipperen tegelijkertijd.
De alarmknipperlichten werken ook als het
contact is afgezet.
Automatisch inschakelen
van de alarmknipperlichten
Bij een noodstop - afhankelijk van de mate
van remvertraging, als het ABS ingrijpt, maar
ook als er een aanrijding wordt gesignaleerd,
worden de alarmknipperlichten automatisch
ingeschakeld.
Zodra er weer gas wordt gegeven gaan de
alarmknipperlichten uit.
) U kunt de alarmknipperlichten echter ook
uitschakelen door de knop in te drukken.
Deze functie kunt u bij elke snelheid
gebruiken, maar komt vooral van pas bij
het wisselen van rijstrook op wegen met
meerdere rijstroken per rijbaan.
181
Veiligheid
Claxon Urgence-oproep of
Assistance-oproep
Hiermee kunt u een noodoproep of
hulpoproep doen naar de hulpdiensten of de
desbetreffende CITROËN-helpdesk.
Systeem om uw medeweggebruikers met een
geluidssignaal te waarschuwen voor direct
gevaar.
) Druk op het middelste gedeelte van het
stuur met bedieningstoetsen.
Beperk het gebruik van de claxon tot de
volgende gevallen:
- direct gevaar,
- inhalen van een fietser of
voetganger,
- naderen van een ooverzichtelijke
situatie.
Raadpleeg de rubriek "Audio en
datacommunicatie" voor meer
informatie over het gebruik van deze
voorziening.
Elektronisch stabiliteitsprogramma dat de
volgende systemen omvat:
- het antiblokkeersysteem (ABS) en de
elektronische remdrukregelaar (EBD),
- de noodremassistentie (AFU),
- de antislipregeling (ASR),
- de dynamische stabiliteitscontrole (CDS).
Elektronisch stabiliteitsprogramma (ESP)
Begrippen
Antiblokkeersysteem (ABS) en
elektronische remdrukregelaar
(EBD)
Deze systemen zorgen tijdens het remmen
voor een betere stabiliteit en bestuurbaarheid
van uw auto en voor een betere controle in
bochten, vooral op een slecht of glad wegdek.
Het ABS voorkomt het blokkeren van de wielen
in het geval van een noodstop.
De EBD verdeelt de remdruk over de wielen.
Noodremassistentie (AFU)
Dit systeem zorgt ervoor dat in noodgevallen
de optimale remdruk sneller wordt bereikt,
zodat de remafstand kleiner wordt.
Het systeem wordt ingeschakeld als het
rempedaal snel wordt ingetrapt en zorgt ervoor
dat de benodigde bedieningskracht wordt
verminderd en de effectiviteit van het remmen
wordt vergroot.
Antislipregeling (ASR)
De ASR past de aandrijfkracht aan om het
doorspinnen van de wielen te voorkomen
via de remmen van de aangedreven wielen
en de motor. De ASR zorgt ook voor meer
koersstabiliteit bij het accelereren.
Dynamische stabiliteitscontrole
(CDS)
De CDS houdt de vier wielen in de gaten en
grijpt, als de koers van de auto afwijkt van
de door de bestuurder gewenste richting,
automatisch in via de remmen van een of
meerdere wielen en het motorkoppel om de
auto voor zover mogelijk weer in de juiste koers
te brengen.
183
Veiligheid
Intelligente Tractiecontrole
("Snow motion")
Deze auto is uitgerust met een systeem dat
zorgt voor extra tractie op besneeuwde wegen:
intelligente tractiecontrole .
Deze functie signaleert situaties met weinig
grip, zoals wegrijden en voortbewegen van
de auto in verse en diepe sneeuw of over
platgereden sneeuw.
In dergelijke omstandigheden regelt de
intelligente tractiecontrole het doorslippen
van de voorwielen om voor een optimale
grip te zorgen. Zo wordt de aandrijving en de
bestuurbaarheid verbeterd.
Als het onder barre omstandigheden (diepe
sneeuw, modder) niet lukt om weg te rijden,
kan het nuttig zijn de systemen ESP/ASR
tijdelijk uit te schakelen. U kunt dan de wielen
laten spinnen zodat de auto in beweging kan
komen.
Werking
Antiblokkeersysteem (ABS) en
elektronische remdrukregelaar
(REF)
Trap het rempedaal bij een noodstop
krachtig en volledig in en laat het
niet los.
Zorg er bij vervanging van de wielen
(banden en velgen) voor dat wielen
worden gemonteerd die voor uw auto
zijn gehomologeerd.
De normale werking van het
antiblokkeersysteem kan merkbaar zijn
door het trillen van het rempedaal.
Als dit lampje gaat branden in
combinatie met een geluidssignaal en
een melding op het display, duidt dit
op een storing in het ABS-systeem,
waardoor u tijdens het remmen de controle over
uw auto zou kunnen verliezen.
Als dit lampje gaat branden in
combinatie met het lampje STOP ,
een geluidssignaal en een melding
op het display, duidt dit op een
storing in de elektronische remdrukregelaar
waardoor u tijdens het remmen de controle
over uw auto zou kunnen verliezen.
Stop onmiddellijk.
Raadpleeg in beide gevallen het CITROËN-
netwerk of een gekwalificeerde werkplaats.
Onder gladde omstandigheden is het raadzaam
te rijden op winterbanden.
Dynamische stabiliteitscontrole
(CDS) en antispinregeling
(ASR)
Inschakelen
Deze systemen worden automatisch ingeschakeld
zodra de motor wordt gestart.
Zodra deze systemen signaleren dat de wielen te
weinig grip hebben of de koers van de auto afwijkt
van de door de bestuurder gewenste richting, grijpen
ze in op de werking van de motor en het remsysteem.
In dat geval gaat dit verklikkerlampje
op het instrumentenpaneel
knipperen.
Uitschakelen
Storing
Als dit verklikkerlampje en het lampje
van de uitschakelknop gaan branden
in combinatie met een geluidssignaal
en een melding, duidt dit op een
storing in het systeem.
Opnieuw inschakelen
) Druk op deze knop.
Het lampje van de knop gaat branden.
De systemen CDS en ASR grijpen niet meer in
op de werking van de motor en het remsysteem
als de auto uit de koers raakt.
) Druk nogmaals op deze knop.
Schakel deze systemen weer in zodra er weer
voldoende grip is.
Raadpleeg het CITROËN-netwerk of een
gekwalificeerde werkplaats om het systeem te
laten controleren.
In bijzondere omstandigheden (als de auto
vastzit in de modder, sneeuw, in mulle grond,...)
kan het nuttig zijn de systemen CDS en ASR uit
te schakelen, zodat de wielen kunnen spinnen
en weer grip kunnen krijgen.
Deze systemen worden automatisch weer
ingeschakeld als het contact opnieuw wordt
aangezet of vanaf snelheden boven 50 km/h.
Bij snelheden tot 50 km/h kunt u de systemen
handmatig weer inschakelen:
185
Veiligheid
CDS/ASR
De systemen CDS en ASR zorgen voor
meer veiligheid tijdens het rijden. De
bestuurder mag zich echter nooit laten
verleiden tot het nemen van meer risico's of
te hard rijden.
In situaties die tot gladheid kunnen leiden
(regen, sneeuw, ijzel) wordt de kans dat
de wielen hun grip verliezen groter. Het
is voor uw veiligheid dus van het grootste
belang dat de systemen CDS en ASR
altijd ingeschakeld zijn, zeker als de
omstandigheden gevaarlijker worden.
Laat het systeem na een aanrijding
controleren door het CITROËN-netwerk
of door een gekwalificeerde werkplaats.
De goede werking van deze systemen
wordt verzekerd door de naleving van
de voorschriften van de fabrikant met
betrekking tot de wielen (banden en
velgen), onderdelen van het remsysteem,
elektronische onderdelen alsmede de
montageprocedure en het uitvoeren van
werkzaamheden door het CITROËN-
netwerk.
Voor een doeltreffende werking van de
systemen CDS en ASR onder winterse
omstandigheden is het noodzakelijk de
auto te voorzien van winterbanden voor en
achter die ervoor zorgen dat de wegligging
zo neutraal mogelijk is.
Veiligheidsgordels
Veiligheidsgordels vóór Veiligheidsgordels achter
De achterzitplaatsen zijn voorzien van een
driepuntsveiligheidsgordel met oprolautomaat
en spankrachtbegrenzer (met uitzondering van
de middelste zitplaats achter).
Omdoen
) Trek aan de gordel en steek de gesp in de
gordelsluiting.
) Controleer of de gordel goed is
vastgemaakt door even aan de riem te
trekken.
Losmaken
) Druk op de rode knop van de
gordelsluiting.
) Houd de gordel vast terwijl deze zich oprolt.
De veiligheidsgordels vóór zijn voorzien van
een pyrotechnische gordelspanner en een
spankrachtbegrenzer.
Deze systemen zorgen voor extra
bescherming van de bestuurder en passagier
bij frontale en zijdelingse aanrijdingen.
Bij een krachtige aanrijding zorgen de
pyrotechnische gordelspanners ervoor dat de
veiligheidsgordels stevig tegen de lichamen
van de inzittenden worden getrokken.
De pyrotechnische gordelspanners zijn actief
zodra het contact wordt aangezet.
De spankrachtbegrenzer beperkt de kracht
waarmee de gordel tegen het lichaam van
de inzittenden getrokken wordt en bevordert
daarmee de veiligheid.
187
Veiligheid
Hoogteverstelling vóór
) Knijp, om het bevestigingspunt te vinden,
de knop in en schuif deze in één van de
standen.
Als de wagensnelheid hoger is
dan 20 km/h, knippert (knipperen)
het pictogram (de pictogrammen)
gedurende twee minuten in combinatie
met een geluidssignaal. Na deze 2 minuten blijft
(blijven) het pictogram (de pictogrammen) branden
zolang de bestuurder of passagier(s) zijn gordel
(hun gordels) niet heeft (hebben) vastgemaakt.
Pictogram(men) veiligheidsgordel(s)
losgemaakt/niet vastgemaakt *
1. Pictogram veiligheidsgordels voor en/of
achter losgemaakt/niet vastgemaakt, op
het instrumentenpaneel.
2. Pictogram veiligheidsgordel linksvoor.
3. Pictogram veiligheidsgordel rechtsvoor.
4. Pictogram veiligheidsgordel rechtsachter.
5. Pictogram veiligheidsgordel middenachter.
6. Pictogram veiligheidsgordel linksachter.
Pictogram(men) veiligheidsgordel(s) vóór
Bij het aanzetten van het contact
gaat het pictogram 1 op het
instrumentenpaneel en de
pictogrammen 2 en/of 3 op het
pictogrammendisplay van de veiligheidsgordels
en passagiersairbag rood branden als de
desbetreffende veiligheidsgordel niet is
vastgemaakt of weer is losgemaakt.
Pictogram(men) veiligheidsgordel(s) achter
Bij het aanzetten van het
contact gaan de desbetreffende
pictogrammen 4 , 5 en 6 gedurende
ongeveer 30 seconden rood branden
als de veiligheidsgordel niet is vastgemaakt.
Bij een snelheid hoger dan ongeveer 20 km/h
brandt het desbetreffende pictogram 4 ,
5 of 6 rood, in combinatie met een
geluidssignaal en een melding op het
display van het instrumentenpaneel, als een
achterpassagier zijn veiligheidsgordel heeft
losgemaakt.
* Volgens uitvoering en/of verkoopland.
Alvorens te gaan rijden dient de bestuurder
te controleren of alle passagiers hun
veiligheidsgordel goed hebben omgedaan
en vastgemaakt.
Zorg ervoor dat alle inzittenden tijdens het
rijden hun veiligheidsgordel dragen, ook al
betreft het een korte rit.
Draai de gespen van de veiligheidsgordels
niet om; de gordels zijn dan niet voldoende
effectief.
De veiligheidsgordels zijn voorzien van een
oprolautomaat die ervoor zorgt dat de lengte
van de gordel automatisch wordt aangepast
aan de lichaamsbouw van de gebruiker. De
gordel wordt automatisch opgerold als deze
niet wordt gebruikt.
Controleer zowel voor en na het gebruik van
de gordel of deze goed is opgerold.
De heupgordel moet zo laag mogelijk op het
bekken worden geplaatst.
De schoudergordel moet langs het holle
gedeelte van de schouder worden geplaatst.
De oprolautomaten zijn voorzien van
een automatische blokkeerinrichting die
in werking treedt bij een aanrijding, een
noodstop of het over de kop slaan van
de auto. U kunt de blokkeerinrichting
deblokkeren door stevig aan de riem te
trekken en deze weer los te laten, zodat de
riem weer een stukje wordt opgerold.
Voorschriften voor kinderen
Maak voor kinderen tot 12 jaar of kleiner dan
1,50 m gebruik van een geschikt kinderzitje.
De veiligheidsgordel mag door niet meer dan
één persoon gedragen worden.
Laat nooit een kind op schoot zitten tijdens
het rijden.
Voor een effectieve werking van de
veiligheidsgordel:
- dient deze strak om het lichaam te worden
gedragen,
- moet deze in een vloeiende beweging naar
voren worden getrokken, zonder dat de
gordel gedraaid raakt,
- mag deze door niet meer dan één persoon
worden gedragen,
- mag deze geen beschadigingen of rafels
vertonen,
- mag er om te voorkomen dat de gordel niet
goed werkt, niets aan worden gewijzigd.
Vanwege de wettelijke veiligheidsvoorschriften
moeten werkzaamheden en controles aan de
veiligheidsgordels worden uitgevoerd door het
CITROËN-netwerk of een gekwalificeerde
werkplaats, die tevens voor de garantie zorgt en
de werkzaamheden volgens de voorschriften
uitvoert.
Laat de veiligheidsgordels van uw auto
regelmatig controleren door het CITROËN-
netwerk of een gekwalificeerde werkplaats,
vooral als de gordels beschadigingen vertonen.
Reinig de veiligheidsgordels met zeepsop of
een reinigingsmiddel voor textiel, verkrijgbaar bij
het CITROËN-netwerk.
Controleer na het neerklappen of verstellen van
een stoel of de achterbank of de gordel zich op
de juiste plaats bevindt en goed is opgerold.
Bij aanrijdingen
De gordelspanners kunnen, afhankelijk van
de aard en de kracht van de aanrijding ,
vóór en onafhankelijk van de airbags afgaan.
Het activeren van de gordelspanners gaat
gepaard met wat onschadelijke rook en een
knal, als gevolg van de activering van de
pyrotechnische lading die in het systeem is
geïntegreerd.
In alle gevallen gaat het verklikkerlampje van
de airbag branden.
Laat het systeem na een aanrijding
controleren en eventueel vervangen door het
CITROËN-netwerk of een gekwalificeerde
werkplaats.
189
Veiligheid
Airbags
De airbags zijn speciaal ontworpen om de
veiligheid van de inzittenden (uitgezonderd
de middelste passagier achter) bij ernstige
aanrijdingen te verbeteren. De airbags
vormen een aanvulling op de werking van
de veiligheidsgordels met spanbegrenzers
(behalve bij de middelste passagier achter).
De elektronische schoksensoren registreren
de frontale en zijdelingse aanrijdingen waaraan
de registratiezones voor een aanrijding worden
blootgesteld:
- bij een ernstige aanrijding gaan de airbags
onmiddellijk af om de inzittenden van de
auto (uitgezonderd de middelste passagier
achter) te helpen beschermen. Direct
na de aanrijding ontsnapt het gas snel
uit de airbags, zodat het zicht niet wordt
belemmerd en de inzittenden de auto
eventueel kunnen verlaten,
- bij een minder ernstige aanrijding of een
aanrijding van achteren en in bepaalde
gevallen waarbij de auto over de kop
slaat, treden de airbags niet in werking.
De veiligheidsgordels helpen u in deze
situaties voldoende te beschermen.
De airbags werken alleen als het
contact aan is.
De airbags werken slechts eenmaal.
Als er een tweede aanrijding plaatsvindt
(tijdens hetzelfde of een volgend
ongeval), worden de airbags niet meer
opgeblazen.
Het activeren van de airbags gaat
gepaard met wat rook en een knal,
als gevolg van de activering van
de pyrotechnische lading die in het
systeem is geïntegreerd.
De rook is niet schadelijk, maar kan
voor personen die hier gevoelig voor
zijn, irriterend zijn.
De knal die bij het afgaan wordt
geproduceerd, kan het gehoor gedurende
een korte periode enigszins verminderen.
Registratiezones voor een
aanrijding
A. Impactzone vóór.
B. Impactzone opzij.
Frontairbags
Activering
De airbags worden opgeblazen, met
uitzondering van de airbag aan passagierszijde
als deze is uitgeschakeld, bij een ernstige
frontale aanrijding binnen (een gedeelte van)
de impactzone vóór (A) , in de lengterichting
van de auto en vanaf de voorzijde richting
de achterzijde van de auto, die zich op een
horizontale ondergrond moet bevinden.
De frontairbag wordt opgeblazen tussen de
bestuurder en het stuur of tussen de passagier
voorin en het dashboard om te verhinderen dat
deze naar voren wordt geslingerd.
De frontairbags beschermen de bestuurder
en voorpassagier bij een ernstige frontale
aanrijding, om de kans op hoofd- en borstletsel
te verkleinen.
De bestuurdersairbag is geïntegreerd in
het stuurwiel en de passagiersairbag in het
dashboard boven het dashboardkastje.
Uitschakelen
Alleen de airbag aan passagierszijde kan
worden uitgeschakeld:
) steek de sleutel in de schakelaar
voor uitschakelen van de airbag aan
passagierszijde,
) draai deze in de stand "OFF" ,
) verwijder de sleutel zonder de stand van
de schakelaar te veranderen.
Afhankelijk van de uitvoering
van uw auto brandt dit
waarschuwingslampje hetzij op het
instrumentenpaneel, hetzij op het display voor
de waarschuwingslampjes van de autogordels
en de airbag aan passagierszijde, bij aangezet
contact en zolang de airbag is uitgeschakeld.
Schakel voor de veiligheid van uw kind
de airbag aan passagierszijde altijd uit
als u een kinderzitje met de rug in de
rijrichting op de voorstoel plaatst.
Anders kan een kind bij het afgaan
van de airbag levensgevaarlijk gewond
raken.
Opnieuw inschakelen
Als u het kinderzitje hebt verwijderd, zet dan
met afgezet contact de schakelaar weer op
"ON" om de airbag opnieuw in te schakelen
en zo de veiligheid van uw passagier te
garanderen.
Als het contact is aangezet en
de airbag aan passagierszijde
opnieuw wordt ingeschakeld, gaat dit
waarschuwingslampje op het display
van de waarschuwingslampjes van
de autogordels en de airbag aan
passagierszijde gedurende ongeveer
1 minuut branden.
Storing
Als dit lampje op het
instrumentenpaneel gaat branden in
combinatie met een geluidssignaal
en een melding op het display van
het instrumentenpaneel, laat het systeem dan
controleren door het CITROËN-netwerk of een
gekwalificeerde werkplaats. De kans bestaat
dat de airbags bij een ernstige aanrijding niet
worden geactiveerd.
191
Veiligheid
Zijairbags
Activering
De zijairbags worden aan de desbetreffende
zijde opgeblazen bij een ernstige zijdelingse
aanrijding binnen (een gedeelte van) de
impactzone opzij ( B ), loodrecht op de lengteas
van de auto en vanaf de buitenzijde richting de
binnenzijde van de auto.
De zijairbag wordt opgeblazen tussen de
inzittende voorin en het desbetreffende
portierpaneel.
De zijairbags beschermen de bestuurder en
de voorpassagier bij een ernstige zijdelingse
aanrijding om de kans op letsel te verkleinen.
De zijairbags zijn aangebracht in het frame van
de rugleuning, aan de portierzijde.
Detectiezones voor een aanrijding
A. Impactzone vóór.
B. Impactzone opzij.
Windowairbags
De windowairbags beschermen de bestuurder
en passagiers (uitgezonderd de middelste
passagier achter) bij een ernstige zijdelingse
aanrijding, om de kans op letsel aan de zijkant
van het hoofd te verkleinen.
De windowairbags zijn aangebracht in de stijlen
en in de hemelbekleding.
Bij een lichte zijdelingse aanrijding of
bij over de kop slaan kan het zijn dat de
airbag niet wordt geactiveerd.
Bij een aanrijding van achteren of
een frontale aanrijding wordt de
windowairbag niet geactiveerd.
Activering
De windowairbag wordt gelijktijdig met
de zijairbag aan de desbetreffende zijde
opgeblazen bij een ernstige zijdelingse
aanrijding binnen (een gedeelte van) de
impactzone opzij ( B ), waarbij de krachten
loodrecht op de lengterichting van de auto en
vanaf de buitenzijde richting de binnenzijde van
de auto worden uitgeoefend.
De windowairbag wordt opgeblazen tussen de
inzittenden vóór en achter en de ruiten.
Als dit waarschuwingslampje gaat
branden in combinatie met een
geluidssignaal en een melding op het
display van het instrumentenpaneel,
raadpleeg dan het CITROËN-netwerk of een
gekwalificeerde werkplaats om het systeem te
laten controleren. De kans bestaat dat de airbags
bij een ernstige aanrijding niet worden geactiveerd.
Storing
Maak er een gewoonte van om normaal
rechtop in de voorstoelen te zitten.
Draag altijd een correct afgestelde
autogordel.
Zorg dat er zich niets bevindt tussen
de airbag en de inzittenden (kinderen,
huisdieren, objecten...). Dit kan de goede
werking van de airbag belemmeren en/of
de inzittende bij het opblazen van de airbag
verwonden.
Laat na een aanrijding of diefstal van uw
auto de airbagsystemen controleren.
Werkzaamheden aan airbagsystemen
mogen uitsluitend door het CITROËN-
netwerk of door een gekwalificeerde
werkplaats worden uitgevoerd.
Zelfs als alle bovenstaande voorschriften
worden nageleefd, blijft de kans bestaan
op letsel of lichte brandwonden aan het
hoofd, de borst of de armen als de airbag
wordt geactiveerd. De airbag wordt namelijk
zeer snel opgeblazen (binnen enkele
milliseconden) en loopt vervolgens even
snel leeg, waarbij de warme gassen via de
daarvoor bestemde openingen naar buiten
stromen.
Zijairbags
Bedek de stoelen uitsluitend met daarvoor
goedgekeurde stoelhoezen, die in combinatie
met actieve zijairbags gebruikt kunnen
worden. Voor informatie over de stoelhoezen
die geschikt zijn voor uw auto kunt u zich
wenden tot het CITROËN-netwerk.
Raadpleeg de rubriek "Accessoires".
Bevestig nooit iets aan de rugleuning van de
stoelen (kleding...): dit zou bij het afgaan van
de airbags kunnen leiden tot verwondingen
aan armen of borstkas.
Ga niet onnodig dicht tegen het
portierpaneel zitten.
Airbags vóór
Houd het stuurwiel niet aan de spaken
vast en laat uw handen niet op het
stuurwielkussen rusten.
De voorpassagier mag zijn voeten niet op
het dashboard laten rusten.
Het is raadzaam niet te roken in de auto.
Als de airbag wordt opgeblazen, kunnen
brandende sigaretten of een pijp brandwonden
of ander letsel veroorzaken.
Verwijder het stuurwiel nooit, maak geen gaten
in de stuurwielbekleding en sla er niet op.
Houd u aan de volgende veiligheidsvoorschriften voor een maximale effectiviteit van de airbags:
Window-airbags
Bevestig nooit iets op de hemelbekleding;
dit zou bij het afgaan van de window-airbags
kunnen leiden tot hoofdletsel.
Demonteer nooit de handgrepen van het dak
(indien aanwezig); deze maken deel uit van
de bevestiging van de window-airbags.
193
Veiligheid
008
Praktische informatie
Deze set bevindt zich in de opbergbak onder de
vloerplaat van de bagageruimte.
De volledige set voor de reparatie van een
band bestaat uit een compressor en een flacon
met afdichtmiddel. Hiermee kunt u de band
tijdelijk repareren , zodat u de dichtstbijzijnde
garage kunt bereiken.
Met deze reparatieset kunnen de meeste lekke
banden worden gerepareerd, als het lek zich in
het loopvlak of de hiel van de band bevindt.
Bandenreparatieset
Toegang tot de set
Overzicht gereedschap
Al het gereedschap is specifiek bestemd
voor uw auto; gebruik het niet voor andere
doeleinden. Afhankelijk van de uitvoering is uw
auto voorzien van het volgende gereedschap.
1. 12V-compressor.
De compressor bevat een
afdichtingsproduct voor het tijdelijk
repareren van een band en regelt de
bandenspanning.
2. Wielblokken * om de wielen te blokkeren,
zodat de auto niet weg kan rollen.
3. Sleutel voor wielboutdoppen * .
Voor het verwijderen van de
wielboutdoppen op lichtmetalen velgen.
4. Wieldopsleutel.
Voor het verwijderen van wieldoppen van
lichtmetalen velgen.
5. Afneembaar sleepoog.
Zie paragraaf "Slepen van de auto".
* Volgens land van bestemming of uitvoering.
197
Praktische informatie
A. Schakelaar stand "Reparatie" of "Op
spanning brengen".
B. Aan/uit schakelaar "I/O" .
C. Knop voor leeg laten lopen.
D. Manometer (bar en psi).
E. Opbergvak met:
- kabel + adapter voor 12V-aansluiting,
- diverse opblaasnippels voor accessoires
als ballonnen, fietsbanden, ...
Beschrijving van de set
F. Flacon met afdichtmiddel.
G. Witte slang met dop voor de reparatie.
H. Zwarte slang voor het op spanning
brengen.
I. Sticker met snelheidslimiet.
De sticker met snelheidslimiet I moet
op het stuurwiel worden geplakt om u
te herinneren aan het feit dat de band
tijdelijk is gerepareerd.
Rijd na het repareren met behulp van
de bandenreparatieset niet sneller dan
80 km/h.
Op deze sticker staat de bandenspanning
aangegeven.
Reparatiemethode
) Zet het contact af.
) Rol de witte slang G volledig uit.
) Draai de dop van de witte slang los.
) Sluit de witte slang aan op het ventiel van
de lekke band.
) Sluit de stekker van de compressor aan op
de 12V-aansluiting in de auto.
) Start de motor en laat deze draaien.
Let op: dit product is schadelijk
(ethyleenglycol, colofonium...) bij
inname en irriterend voor de ogen.
Houd het middel buiten het bereik van
kinderen.
Verwijder het voorwerp dat de lekkage
heeft veroorzaakt niet uit de band.
1. Afdichting van het lek
) Zet de schakelaar A in de stand
"Reparatie".
) Controleer of de schakelaar B in
de stand "O" staat.
De elektrische installatie van de auto
biedt de mogelijkheid een compressor
aan te sluiten en te gebruiken voor de
duur die nodig is om een gerepareerde
lekke band op spanning te brengen of om
een klein opblaasartikel op te blazen.
199
Praktische informatie
Schakel de compressor niet in voordat
de witte slang is aangesloten op het
ventiel van de band: het afdichtmiddel
wordt anders buiten de band gespoten.
) Activeer de compressor door de
schakelaar B in de stand "I" te zetten, tot
de bandenspanning 2,0 bar bedraagt.
Het afdichtmiddel wordt onder druk in
de band gespoten; neem gedurende
deze handeling de slang niet los van de
aansluiting (kans op spatten).
) Verwijder de set en draai de dop van de
witte slang vast.
Zorg ervoor dat restanten van de vloeistof
niet op of in de auto terecht kunnen komen.
Houd de set binnen handbereik.
) Maak direct een rit van ongeveer vijf
kilometer met matige snelheid (tussen
20 en 60 km/h), zodat het afdichtmiddel het
lek kan dichten.
) Zet de auto stil en controleer de reparatie
en de bandenspanning met de set.
Controlesysteem bandenspanning
Als uw auto is uitgerust met een
controlesysteem voor de bandenspanning,
zal het verklikkerlampje voor te lage
bandenspanning na het repareren van een
wiel blijven branden tot u het systeem laat
resetten door het CITROËN-netwerk of
een gekwalificeerde werkplaats.
Als na vijf tot zeven minuten de
gewenste bandenspanning niet is
bereikt, is de band niet te repareren met
de bandenreparatieset; neem contact
op met het CITROËN-netwerk of een
gekwalificeerde werkplaats om u verder
te helpen.
) Zet de schakelaar A in de stand
"Bandenspanning".
) Rol de zwarte slang H volledig
uit.
) Sluit de zwarte slang aan op het ventiel
van de gerepareerde band.
) Sluit de stekker van de compressor weer
aan op de 12V-aansluiting in de auto.
) Start de motor opnieuw en laat de motor
draaien.
) Breng de band met behulp van de
compressor op de voorgeschreven
spanning (spanning verhogen:
schakelaar B in stand "I" ; spanning
verlagen: schakelaar B in stand "O"
en knop C indrukken), zoals vermeld
op de bandenspanningssticker in de
portieropening aan bestuurderszijde.
Als de bandenspanning sterk daalt, is het lek
niet goed gedicht; neem contact op met het
CITROËN-netwerk of een gekwalificeerde
werkplaats om u verder te helpen.
) Verwijder de set en berg deze op.
) Rijd niet harder dan 80 km/h en niet verder
dan 200 km.
Ga zo snel mogelijk naar een
servicepunt van het CITROËN-netwerk
of een gekwalificeerde werkplaats.
Vergeet niet de technicus te vertellen
dat u de set hebt gebruikt. Na nadere
inspectie kan de technicus u vertellen
of de band gerepareerd kan worden of
moet worden vervangen.
2. Op spanning brengen
201
Praktische informatie
Uitnemen van de flacon
) Berg de zwarte slang op.
)
Neem het gebogen aansluitstuk van de witte slang los.
) Houd de compressor rechtop.
) Draai de flacon aan de onderzijde los.
Let op dat er geen afdichtmiddel uit de
flacon stroomt.
De uiterste gebruiksdatum staat op de
patroon vermeld.
De patroon met afdichtmiddel kan
slechts één keer gebruikt worden en
moet daarna worden vervangen, ook
als hij niet leeg is.
Werp de patroon na gebruik niet weg,
maar lever deze in bij het CITROËN-
netwerk of een officieel inzamelpunt.
Vergeet niet om bij het CITROËN-
netwerk of een gekwalificeerde
werkplaats een nieuwe patroon met
afdichtmiddel te kopen.
Controle / aanpassen
bandenspanning
U kunt de compressor, zonder inspuiting van
het afdichtmiddel, ook gebruiken om:
- uw bandenspanning te controleren of uw
banden op spanning te brengen,
- andere opblaasbare voorwerpen op te
pompen (ballen, fietsbanden...).
) Draai de schakelaar A in de
stand "Op spanning brengen".
) Rol de zwarte slang H volledig uit.
) Sluit de zwarte slang aan op het
ventiel van de band of van de accessoire.
Breng indien nodig eerst een van de
meegeleverde verloopstukken aan.
) Sluit de stekker van de compressor aan op
de 12V-aansluiting van de auto.
) Start de auto en laat de motor draaien.
) Breng de band op spanning met behulp
van de compressor (op spanning brengen:
schakelaar B in stand "I" ; leeg laten lopen:
schakelaar B in stand "O" en druk op de
knop C ), zoals staat aangegeven op de
bandenspanningssticker van de auto of het
opblaasbare voorwerp.
) Verwijder de set en berg deze op.
Wiel verwisselen
De krik is opgeborgen in een doos die is
bevestigd aan het reservewiel.
Het reservewiel is samen met deze doos
met een lier aan de onderzijde van de auto
bevestigd.
Het overige gereedschap bevindt zich in een
opbergbak onder de vloer.
Toegang tot het gereedschap
Detectie te lage bandenspanning
Het reservewiel is niet voorzien van
een bandenspanningssensor. Laat het
repareren van de lekke band uitvoeren
door het CITROËN-netwerk of door een
gekwalificeerde werkplaats.
In het geval van een lekke band kunt u het wiel
met het bij de auto geleverde gereedschap
verwisselen volgens de onderstaande
procedure * .
203
Praktische informatie
Beschikbaar gereedschap *
Toegang tot het reservewiel
Het reservewiel wordt met een lier tegen de
bodem van de bagageruimte vastgeklemd.
Dit gereedschap is specifiek voor uw auto en
kan, afhankelijk van de uitvoering van uw auto,
verschillen. Gebruik het niet voor andere doeleinden.
1. Wielsleutel.
Hiermee kan de wieldop worden verwijderd
en kunnen de wielbouten worden losgedraaid.
2. Krik met geïntegreerde slinger.
Hiermee kan de auto worden opgekrikt.
3. Gereedschap voor het verwijderen van
sierdoppen.
Hiermee kunnen bij lichtmetalen velgen
de sierdoppen van de wielbouten worden
verwijderd.
4.
Gereedschap voor het verwijderen van wieldoppen.
Hiermee kunnen bij lichtmetalen velgen de
wieldoppen worden verwijderd.
5. Dop voor het verwijderen van slotbouten
(in het dashboardkastje).
Hiermee kunnen met behulp van de
wielsleutel de speciale slotbouten worden
verwijderd.
6. Wielblokken om wegrollen van de auto te
voorkomen.
7. Sleepoog.
Zie de rubriek "Slepen van de auto".
8. Verlengstuk van de wielsleutel.
Hiermee kunt u de moer van de lierkabel
los- of vastdraaien.
* Afhankelijk van het land van bestemming.
) Druk op de borglip, schuif het deksel half
open en verwijder het vervolgens om de
krik uit de doos te kunnen halen.
Verwijderen van het reservewiel
) Til de vloerplaat op om de moer van de lier
te kunnen bereiken.
) Draai deze moer rechtsom tot de aanslag
met de wielsleutel 1 en het verlengstuk 8 ,
om de kabel van de lier los te draaien tot
het reservewiel plat op de grond ligt. Rol
de kabel ver genoeg uit om het wiel uit de
houder te kunnen halen.
) Verwijder het reservewiel met de doos via
de achterzijde van de auto.
) Haal de haak en het verbindingsstuk eruit
om het reservewiel met de doos uit de
houder te nemen, zoals aangegeven in de
afbeelding.
) Verwijder het wiel om de doos eruit te
kunnen halen.
205
Praktische informatie
Terugplaatsen van het
reservewiel
) Berg de krik op in de doos en breng het
deksel weer aan.
) Plaats de doos op de vloer.
) Plaats het reservewiel op de doos en zorg
ervoor dat de doos goed in het midden zit.
) Plaats de haak en het verbindingsstuk in
het wiel en vervolgens in de doos, zoals op
de afbeelding.
) Monteer het wiel met de doos onder de
auto door de moer van de lier linksom
te draaien met de wielsleutel 1 en het
verlengstuk 8 .
) Draai de bout tot de aanslag en controleer
of het wiel goed vlak tegen de bodem aan
ligt.
Demonteren van het wiel
Stilzetten van de auto
Zet de auto op een plaats waar het
verkeer niet gehinderd wordt en zorg
ervoor dat de auto op een horizontale,
stabiele en stroeve ondergrond staat.
Trek de parkeerrem aan (tenzij deze
geprogrammeerd is in de automatische
stand), zet het contact af en schakel de
eerste versnelling * in om de wielen te
blokkeren.
Controleer of het verklikkerlampje
remsysteem en het controlelampje P op
de parkeerremhendel branden.
Controleer of de inzittenden de auto
hebben verlaten en zich op een veilige
plaats bevinden.
Ga nooit onder een auto liggen die
alleen op de krik steunt; gebruik een
bok.
Werkwijze
) Verwijder de sierdop van de wielbouten met het gereedschap 3 (volgens uitvoering) of
verwijder de naafdop met behulp van gereedschap 4 .
) Bevestig de dop 5 op de wielsleutel 1 en draai de slotbout een omwenteling los (volgens
uitvoering).
) Draai de overige wielbouten niet meer dan een kwartslag los met alleen de wielsleutel 1 .
* Stand R van de elektronisch gestuurde
versnellingsbak of stand P van de
automatische transmissie.
207
Praktische informatie
) Plaats de krik 2 onder één van de twee
steunpunten aan de voorzijde A of
achterzijde B (bij het te verwisselen wiel).
) Krik de auto op tot er voldoende ruimte
tussen het wiel en de grond is om het (niet
lekke) reservewiel te monteren.
) Verwijder de wielbouten en leg ze op een
schone plaats weg.
) Verwijder het wiel.
) Draai de krik 2 uit tot het voetstuk op de
grond staat. Zorg ervoor dat het voetstuk
zich loodrecht onder het gebruikte
steunpunt A of B bevindt.
Monteren van het wiel
Bevestiging van het
noodreservewiel
Indien uw auto is voorzien van
lichtmetalen velgen is het normaal
dat bij het monteren van het
noodreservewiel de ringen van de
bouten de velg niet raken. Als de
bouten volledig zijn aangedraaid,
zorgt het conische draagvlak van de
bouten voor de bevestiging van het
reservewiel.
Na het verwisselen van het wiel
Verwijder de naafdop van het wiel
om het op de juiste manier in de
bagageruimte op te bergen ( niet in de
opbergruimte van het reservewiel ).
Rijd met een noodreservewiel niet
sneller dan 80 km/h.
Laat zo snel mogelijk het
aanhaalmoment van de wielbouten en
de bandenspanning van het reservewiel
controleren door het CITROËN-netwerk
of een gekwalificeerde werkplaats.
Laat de lekke band zo spoedig mogelijk
repareren en verwissel hem met het
reservewiel.
Procedure
) Plaats het wiel op de naaf.
) Draai de wielbouten met de hand vast.
) Draai de slotbout met de wielsleutel 1 en
de dop 5 enigszins vast.
) Draai de overige wielbouten enigszins vast
met alleen de wielsleutel 1 .
209
Praktische informatie
) Laat de krik zakken.
) Vouw de krik 2 op en verwijder hem.
) Draai de slotbout vast met de wielsleutel
1 en de dop 5 .
) Draai de overige wielbouten vast met
alleen de wielsleutel 1 .
) Bevestig de doppen op de overige
wielbouten (volgens uitvoering).
) Berg het gereedschap op in de houder.
Sneeuwkettingen
Onder winterse omstandigheden verbeteren sneeuwkettingen de tractie en het remgedrag van de auto.
Uitsluitend de voorwielen mogen van
sneeuwkettingen worden voorzien.
Een noodreservewiel mag niet worden
voorzien van een sneeuwketting.
Houd u altijd aan de ter plekke
geldende regelgeving over het gebruik
van sneeuwkettingen en de maximaal
toegestane snelheid.
Montagetips
) Als u onderweg sneeuwkettingen moet
monteren, zet de auto dan langs de kant
van de weg stil op een vlakke ondergrond.
) Trek de handrem aan en plaats eventueel
wielblokken voor of achter de wielen om te
voorkomen dat de auto wegglijdt.
) Monteer de sneeuwkettingen, volg daarbij
de aanwijzingen van de fabrikant.
) Rijd langzaam weg en rijd een klein stukje
met een snelheid van maximaal 50 km/h.
) Zet de auto stil en controleer of de
kettingen correct gespannen zijn.
Rijd niet met sneeuwkettingen op
een sneeuwvrij gemaakte weg om
schade aan de banden en het wegdek
te voorkomen. Het is raadzaam
voor vertrek het monteren van de
sneeuwkettingen te oefenen; doe dit op
een vlakke en droge ondergrond. Als
uw auto is voorzien van lichtmetalen
velgen, controleer dan of de ketting en
de bevestigingen de velg niet raken.
Gebruik uitsluitend kettingen die geschikt zijn
voor het type velg van uw auto:
Maat van de af
fabriek gemonteerde
banden
Maximale afmeting
van de schakels
215/60 R16
9 mm
225/50 R17
235/45 R18
sneeuwkettingen niet
mogelijk
235/40 R19
Neem voor meer informatie over
sneeuwkettingen contact op met het
CITROËN-netwerk of een gekwalificeerde
werkplaats.
211
Praktische informatie
Een lamp vervangen
Verlichting vóór
Uitvoering met xenonlampen
1. Grootlicht (H1-35W).
2. Dimlicht/bochtverlichting
(D1S-35W).
3. Verlichting overdag/parkeerlicht
(LED's).
4. Richtingaanwijzers (HY21-21W).
5. Mistlampen en bochtverlichting
(H11).
Uitvoering met halogeenlampen
1. Grootlicht (H1-55W).
2. Dimlicht (H7-55W).
3. Verlichting overdag /parkeerlichten
(LED).
4. Richtingaanwijzers (HY21-21W).
5. Mistlampen, meedraaiende koplampen
(H11).
Let er bij het monteren van onder
andere H7-lampen met nokjes op dat
deze nokjes goed in de uitsparingen
komen, zodat het licht in de juiste
richting schijnt.
Onder bepaalde weersomstandigheden
(lage temperatuur, vochtigheid) kan zich
een laagje condens aan de binnenzijde
van de koplampen en de achterlichten
vormen; dit verdwijnt enkele minuten na
het ontsteken van de koplampen.
Elektrocutiegevaar
Het vervangen van een xenonlamp
(D1S-35W) moet worden uitgevoerd
door het CITROËN-netwerk of door een
gekwalificeerde werkplaats.
Grootlicht (uitvoering met
xenonlampen)
) Trek aan de borglip om de plastic
beschermkap te verwijderen.
) Verwijder de stekker met de lamp door op
de pal aan de onderkant te drukken.
) Trek aan de lamp om deze te vervangen.
Voer het monteren uit in de omgekeerde
volgorde.
De koplampunits zijn voorzien van glas
van polycarbonaat met een speciale
vernislaag:
) reinig de koplampen nooit met
een droge of schurende doek en
gebruik geen oplosmiddelen,
) gebruik een spons met zeepwater
of een pH-neutraal product,
) wanneer u met een
hogedrukreiniger hardnekkig vuil
probeert te verwijderen, houd
de straal dan nooit langdurig op
de koplampen, de achterlichten
en de randen ervan gericht, om
beschadiging van de vernislaag en
de afdichtrubbers te voorkomen.
Bij het vervangen van lampen moet de
verlichting minstens enkele minuten
uitgeschakeld zijn (risico van ernstige
verbranding).
) Raak de lamp niet met de vingers
aan, maar gebruik een niet-
pluizende doek.
In verband met het behoud van de
kwaliteit van de koplampen mogen
uitsluitend anti-UV-lampen worden
gebruikt.
Vervang een kapotte lamp altijd
door een nieuwe lamp met dezelfde
specificaties.
Dimlicht (uitvoering met
xenonlampen)
Het vervangen van D1S-xenonlampen
dient vanwege elektrocutiegevaar te
worden uitgevoerd door het CITROËN-
netwerk of door een gekwalificeerde
werkplaats.
Het is raadzaam om beide D1S-lampen
gelijktijdig te laten vervangen als één
ervan defect is.
213
Praktische informatie
Dimlicht
(uitvoering met halogeenlampen)
Grootlicht
(uitvoering met halogeenlampen)
) Duw op de bovenzijde van de stekker en
kantel het geheel vervolgens omlaag.
) Verwijder de stekker met de lamp.
) Trek aan de lamp om deze te vervangen.
Voer het monteren uit in de omgekeerde
volgorde, maar begin bij het aanbrengen bij het
onderste deel van de lamp.
) Trek aan de borglip om de plastic
beschermkap te verwijderen.
) Trek aan de borglip om de plastic
beschermkap te verwijderen.
) Verwijder de stekker met de lamp door op
de pal aan de onderkant te drukken.
) Trek aan de lamp om deze te vervangen.
Voer het monteren uit in de omgekeerde
volgorde.
Verlichting overdag / parkeerlicht
Neem voor het vervangen van dit type lamp
met LED’s en lichtgeleiders contact op met
het CITROËN-netwerk of een gekwalificeerde
werkplaats.
Het CITROËN-netwerk kan u voor de LED's
een vervangingsset leveren.
Richtingaanwijzers
Als een controlelampje (rechts of
links) van de richtingaanwijzers sneller
knippert, is een van de lampen aan de
desbetreffende zijde defect.
De lamp van de richtingaanwijzers bevindt zich
onder de koplamp.
) Draai de lamphouder een kwart
omwenteling links- of rechtsom en
verwijder deze.
) Vervang de defecte lamp.
Voer voor de montage dezelfde handelingen in
omgekeerde volgorde uit.
U kunt voor het vervangen van deze
lampen ook het CITROËN-netwerk of een
gekwalificeerde werkplaats raadplegen.
215
Praktische informatie
Mistlampen
) Verwijder de spatplaat aan de onderzijde
van de carrosserie.
) Neem de stekker van de lamp los.
) Draai de lamp een kwart omwenteling en
vervang de lamp.
Voer het monteren uit in de omgekeerde
volgorde.
Voor het vervangen van deze lampen
kunt u ook het CITROËN-netwerk of een
gekwalificeerde werkplaats raadplegen.
Geïntegreerde
zijknipperlichten
Instapverlichting in de
buitenspiegels
Voor het vervangen van deze lampen dient u
het CITROËN-netwerk of een gekwalificeerde
werkplaats te raadplegen.
Voor het vervangen van de LED dient u het
CITROËN-netwerk of een gekwalificeerde
werkplaats te raadplegen.
1. Parkeerlichten
(LED).
2. Richtingaanwijzers (PY21W
amberkleurig).
3. Achteruitrijlichten (P21W).
4. Remlichten (P21W).
5. Mistachterlichten (P21W).
Achterlichten
Richtingaanwijzers en remlichten
(op de schermen)
) Open de achterklep en verwijder
vervolgens het afdekplaatje.
) Neem de stekker van de lamp los.
) Draai de twee bevestigingsmoeren van de
lamp los.
) Verwijder de lamp voorzichtig via de
buitenzijde van de auto.
De bevestigingsklemmen gaan
automatisch los.
) Draai de lamphouder een kwart
omwenteling en vervang de lamp.
Voer het monteren uit in de omgekeerde
volgorde.
LED's vervangen
Neem voor het vervangen van LED's
contact op met het CITROËN-netwerk
of met een gekwalificeerde werkplaats.
217
Praktische informatie
Achteruitrijlichten (achterklep)
) Verwijder de lamp voorzichtig via
de buitenzijde van de auto. De
bevestigingsklemmen worden automatisch
losgemaakt.
) Draai de lamphouder een kwart
omwenteling en vervang de lamp.
Voer het monteren uit in de omgekeerde
volgorde.
Mistlamp
) Open de achterklep.
) Maak de achterlichtlijst los.
) Verwijder het deksel en draai de
bevestigingsmoer van de lamp los.
De mistlamp is vanaf de onderzijde van de
bumper bereikbaar.
) Draai de fitting een kwart omwenteling en
verwijder het geheel.
) Vervang de lamp.
Voer het monteren uit in de omgekeerde
volgorde.
Voor het vervangen van deze lampen
kunt u ook het CITROËN-netwerk of een
gekwalificeerde werkplaats raadplegen.
Kentekenplaatverlichting
) Steek een kleine schroevendraaier in de
spleet van het lampglas.
) Duw de schroevendraaier naar buiten om
het lampglas los te maken.
) Verwijder het lampglas.
) Trek de lamp uit de lamphouder en vervang
de lamp.
Derde remlicht (LED's)
Raadpleeg het CITROËN-netwerk of een
gekwalificeerde werkplaats.
219
Praktische informatie
Zekeringen vervangen
In het geval van een storing in een bepaalde functie kunt u de desbetreffende defecte zekering vervangen volgens de onderstaande procedure.
De tang voor het verwijderen van zekeringen
bevindt aan de binnenzijde van de klep van het
zekeringkastje in het dashboard.
Toegang:
) verwijder de klep,
) trek de tang los.
Toegang tot het gereedschap
Voordat u een zekering vervangt, dient u de
oorzaak van de storing op te sporen en te
(laten) verhelpen.
) U kunt aan de draad van een zekering zien
of deze defect is.
Vervangen van een zekering
Goed Defect
) Gebruik de speciale tang om de zekering
uit de zekeringkast te verwijderen.
) Vervang een defecte zekering altijd door
een zekering met dezelfde stroomsterkte.
) Selecteer de zekering aan de hand van
het nummer op de zekeringkast, de op de
zekering aangegeven stroomsterkte en de
navolgende tabellen.
CITROËN is niet aansprakelijk voor
kosten die voortvloeien uit storingen
veroorzaakt door het monteren van
extra accessoires die door CITROËN
noch aanbevolen noch geleverd worden
en die bovendien niet volgens haar
voorschriften zijn gemonteerd. Dit
geldt met name als het gezamenlijke
stroomverbruik van de extra
accessoires meer dan 10 milliampère
bedraagt.
Montage van elektrische
accessoires
Bij het ontwerp van het elektrische
circuit van uw auto is reeds rekening
gehouden met de montage van zowel de
standaarduitrusting als eventuele opties.
Raadpleeg het CITROËN-netwerk of
een gekwalificeerde werkplaats voordat
u andere elektrische voorzieningen of
accessoires in de auto monteert of laat
monteren.
Zekeringen dashboard
De zekeringkast bevindt zich aan de onderzijde
van het dashboard (linkerzijde).
Toegang tot de zekeringen
) Trek de klep los.
Zekering
nr.
Ampère
(A)
Functies
F6 A of B 15 Autoradio.
F8 3 Inbraakalarm.
F13 10 Aansteker vóór, 12V-aansluiting vóór.
F14 10 12V-aansluiting achter.
F16 3 Kaartleeslampen achter.
F17 3 Make-upspiegel.
F28 A of B 15 Autoradio.
F30 20 Ruitenwisser achter.
F32 10 Audioversterker.
221
Praktische informatie
Zekeringen motorruimte
De zekeringkast bevindt zich onder de
motorkap, naast de accu.
Toegang tot de zekeringen
) Maak het deksel los.
) Vervang de zekering (zie de
desbetreffende paragraaf).
) Sluit na het vervangen van de zekering
zorgvuldig het deksel voor een goede
afdichting van de zekeringkast.
Zekering
Ampère
(A)
Functies
F20 15 Ruitensproeierpomp voor en achter.
F21 20 Pomp koplampsproeiers.
F22 15 Claxon.
F23 15 Grootlicht rechts.
F24 15 Grootlicht links.
F27 5 Afschermklep koplamp links.
F28 5 Afschermklep koplamp rechts.
12V-accu
Deze sticker hoort bij het Stop &
Start-systeem en geeft aan dat er een
speciale 12V-loodaccu is gebruikt die
alleen losgekoppeld en/of vervangen
mag worden door het CITROËN-
netwerk of een gekwalificeerde
werkplaats.
De accu bevindt zich in de motorruimte.
Toegang tot de accu:
) open de motorkap via de hendel in
het interieur en gebruik vervolgens de
veiligheidshaak aan de buitenzijde,
) verwijder de kunststof afdekkap voor
toegang tot de pluspool,
) maak indien nodig de zekeringkast los om
de accu te kunnen verwijderen.
Toegang tot de accu
Loskoppelen van de pluspool (+)
) Trek de hendel D zo ver mogelijk omhoog
om de accupoolklem E te ontgrendelen.
Weer aansluiten van de pluspool (+)
) Plaats de geopende accupoolklem E op de
pluspool (+) van de accu.
) Druk verticaal op de accupoolklem E om
hem goed tegen de accu aan te drukken.
) Zet de accupoolklem vast door de pasnok
opzij te bewegen en vervolgens de hendel D
omlaag te duwen.
Forceer de hendel niet bij het
omlaagduwen, aangezien de
accupoolklem niet kan worden
vergrendeld als deze niet correct is
geplaatst; herhaal de procedure.
Procedure voor het gebruik van een hulpaccu voor het starten van de motor met behulp van startkabels en voor het laden van een lege accu.
223
Praktische informatie
Na het monteren van de accu duurt
het even voordat het Stop & Start-
systeem weer zal werken, hoe lang dit
duurt is afhankelijk van klimatologische
omstandigheden en de laadtoestand van
de accu (kan tot ongeveer 8 uur duren).
Bij auto's met het Stop & Start-systeem
hoeven de accukabels tijdens het
opladen niet losgenomen te worden.
Starten van de motor met
een hulpaccu en startkabels
Controleer eerst of de nominale spanning
van de hulpaccu 12 V bedraagt en of de
capaciteit van de hulpaccu minimaal gelijk
is aan die van de ontladen accu.
Start de motor niet door een acculader
aan te sluiten.
Koppel de pluspool (+) van de accu niet
los terwijl de motor draait.
) Sluit de rode kabel aan op de pluspool (+)
van de ontladen accu A en vervolgens op
de pluspool (+) van de hulpaccu B .
) Sluit de groene of zwarte kabel aan op de
minpool (-) van de hulpaccu B (of op het
massapunt van de auto met de hulpaccu).
) Sluit het andere uiteinde van de groene of
zwarte kabel aan op het massapunt C van de
auto met de lege accu (of op de motorsteun).
) Start de motor van de auto met de
hulpaccu en laat deze gedurende enkele
minuten draaien.
) Stel de startmotor in werking van de auto
met de lege accu en laat de motor draaien.
Als de motor niet direct start, zet dan het
contact af en wacht even alvorens een
nieuwe poging te doen.
) Wacht tot de motor stationair draait en
neem dan de kabels in omgekeerde
volgorde los.
) Maak de accupoolklemmen los.
) Volg de aanwijzingen van de fabrikant van
de acculader.
) Sluit de accukabels weer aan, te beginnen
met de (-) kabel.
) Controleer of de accupolen en de klemmen
schoon zijn. Indien ze bedekt zijn met een
(witte of groene) oxidatielaag, neem dan
de accukabels los en reinig de polen en
klemmen.
Laden met behulp van een
acculader
Als de accu van uw auto ontladen is, kan
de motor worden gestart met een hulpaccu
(externe accu of een accu van een andere
auto) en startkabels.
Accu's bevatten schadelijke stoffen,
zoals zwavelzuur en lood. Accu's
moeten volgens de wettelijke
voorschriften worden afgevoerd en
mogen in geen geval bij het huisvuil
terechtkomen.
Lever lege batterijen en accu's in bij
een speciaal afvalstoffendepot.
Het is raadzaam de accu los te
koppelen als uw auto langer dan een
maand buiten gebruik is.
Het aanduwen om de motor te starten is bij
een auto met een elektronisch gestuurde
versnellingsbak of een automatische
versnellingsbak niet toegestaan.
Bescherm uw ogen en gezicht voordat u
handelingen aan de accu uitvoert.
Voer ingrepen aan de accu uitsluitend uit in
een goed geventileerde ruimte, ver van open
vuur of vonken veroorzakende bronnen, om
elk risico van brand- of explosiegevaar uit te
sluiten.
Probeer niet een bevroren accu op te laden:
de accu moet eerst worden ontdooid om
explosiegevaar uit te sluiten. Als de accu
bevroren is geweest, laat deze dan eerst
controleren, voordat u hem laat opladen
door het CITROËN-netwerk of een
gekwalificeerde werkplaats. Zij controleren of
de inwendige componenten zijn beschadigd
en of de behuizing scheuren vertoont,
waardoor giftige en corrosie-veroorzakende
accuzuren zouden kunnen weglekken.
Keer de polariteiten niet om en gebruik
uitluitend een 12-volt accu.
Maak de accupoolklemmen niet los bij
draaiende motor.
Laad de accu niet op zonder de
accupoolklemmen los te nemen.
Was uw handen als de werkzaamheden
beëindigd zijn.
Vóór het loskoppelen van de
accukabels
Wacht 2 minuten na het afzetten van het
contact.
Sluit de ruiten en de voorportieren voordat u de
accukabels loskoppelt.
Na het weer aansluiten van de
accukabels
Zet het contact aan en wacht 1 minuut alvorens
de motor te starten, zodat de elektronische
systemen geïnitialiseerd kunnen worden.
Raadpleeg het CITROËN-netwerk of een
gekwalificeerde werkplaats als er zich na deze
handeling toch nog problemen voordoen.
Raadpleeg de desbetreffende rubriek voor het
zelf opnieuw initialiseren van de elektronische
systemen (afhankelijk van de uitvoering):
- de sleutel met afstandsbediening,
- het elektrische zonnescherm / de
elektrische zonneschermen,
- ...
Een aantal functies is niet beschikbaar
als de laadtoestand van de accu
onvoldoende is.
225
Praktische informatie
Spaarfase
De spaarfase stuurt de elektrische functies van
de auto aan om het ontladen van de accu te
voorkomen.
Tijdens het rijden kunnen in verband met de
laadtoestand van de accu enkele functies
(airconditioning, achterruitverwarming, ...)
tijdelijk worden uitgeschakeld.
Deze functies worden automatisch
ingeschakeld zodra de laadtoestand van de
accu dit toelaat.
De eco-mode bepaalt de maximale
gebruiksduur van een aantal functies om te
voorkomen dat de accu ontladen raakt.
Nadat de motor is afgezet, kunt u een
aantal elektrische functies zoals het audio-
en telematicasysteem, de ruitenwissers,
dimlichten, plafonniers, ... nog in totaal
maximaal 40 minuten gebruiken.
Eco-mode
Inschakelen van de eco-mode
Vervolgens geeft een melding op het display
van het instrumentenpaneel aan dat de eco-
mode is ingeschakeld en worden de actieve
functies in de ruststand gezet.
Als u op het moment dat de eco-mode wordt
ingeschakeld aan het telefoneren bent, kan het
gesprek nog gedurende ongeveer 10 minuten
worden voortgezet via de handsfree set van uw
autoradio.
Uitschakelen van de
eco-mode
De functies worden automatisch weer
ingeschakeld als de motor gestart wordt.
Start om de functies direct weer te kunnen
gebruiken de motor en laat deze draaien:
- minder dan tien minuten om de functies
ongeveer vijf minuten te kunnen gebruiken,
- meer dan tien minuten om de functies
ongeveer dertig minuten te kunnen
gebruiken.
Neem de tijd die nodig is voor het starten van
de motor in acht om een juiste lading van de
accu te garanderen.
Vermijd het herhaaldelijk en continu starten van
de motor om de accu bij te laden.
Als de accu ontladen is, kan de motor niet
gestart worden (zie de rubriek "Accu").
Wisserbladen vervangen
Voordat u een wisserblad
demonteert
) Bedien de ruitenwisserschakelaar binnen
één minuut na het afzetten van het contact
om de ruitenwissers naar het midden van
de voorruit te verplaatsen.
Demonteren
) Til de desbetreffende ruitenwisserarm op.
) Maak het wisserblad los en verwijder het.
Monteren
) Breng het nieuwe wisserblad aan en klik
het vast.
) Zet de ruitenwisserarm voorzichtig terug.
Na het monteren van een
wisserblad vóór
) Zet het contact aan.
) Bedien nogmaals de
ruitenwisserschakelaar om de
ruitenwissers in de ruststand te zetten.
227
Praktische informatie
Slepen van
uw auto
U kunt uw auto laten slepen door een andere
auto of een andere auto slepen met behulp van
het sleepoog.
Slepen van uw auto Slepen van een andere auto
Toegang tot het gereedschap
Het sleepoog bevindt zich onder de vloerplaat
van de bagageruimte:
) open de achterklep,
) pak het sleepoog uit de gereedschapsset.
) Maak het klepje in de voorbumper los door
op de onderkant ervan te drukken.
) Draai het sleepoog vast tot de aanslag.
) Bevestig de sleepstang.
) Schakel de alarmknipperlichten van uw
auto in.
) Trek het klepje in de achterbumper aan de
linkerkant los via de punt van de ring.
) Draai het sleepoog vast tot de aanslag.
) Bevestig de sleepstang.
) Schakel de alarmknipperlichten van de te
slepen auto in.
Gebruik voor het slepen van een auto
met de vier wielen op de grond altijd
een sleepstang.
Laat het takelen van de auto (met
twee wielen op de grond) uitsluitend
uitvoeren door een professioneel
takelbedrijf.
Bij het slepen van de auto met
stilstaande motor zijn de rem- en
stuurbekrachtiging uitgeschakeld.
) Zet de versnellingshendel in
de neutraalstand (stand N bij
de elektronisch gestuurde of
automatische versnellingsbak).
Het niet opvolgen van deze
aanwijzing kan er toe leiden dat
bepaalde onderdelen van het
remsysteem beschadigd raken
en dat de rembekrachtiger na het
starten mogelijk niet meer werkt.
Trekken van een aanhanger
Wij raden u aan gebruik te maken van
een speciaal door CITROËN geteste
en goedgekeurde trekhaak inclusief
bedrading en deze door het CITROËN-
netwerk of een gekwalificeerde
werkplaats te laten monteren.
Als de trekhaak wordt gemonteerd door
een bedrijf dat niet tot het CITROËN-
netwerk behoort, moet de montage
altijd volgens de voorschriften van de
fabrikant worden uitgevoerd.
De trekhaak bestaat uit een mechanisch systeem
voor het aankoppelen van een aanhanger of het
monteren van een fietsendrager en een elektrische
aansluiting voor de verlichting en signalering.
Ga wanneer geen aanhanger is
aangekoppeld niet rijden zonder dat de
afneembare kogel is verwijderd, omdat
deze anders voor het mistachterlicht zit.
Het rijden met een aanhanger heeft
veel invloed op het rijgedrag van de
auto en vergt daarom extra aandacht
van de bestuurder.
Uw auto is hoofdzakelijk bedoeld voor het
vervoer van personen en bagage, maar is
tevens geschikt voor het trekken van een
aanhanger.
229
Praktische informatie
Adviezen
Gewichtsverdeling
) Verdeel het gewicht in de caravan/
aanhanger gelijkmatig, plaats zware
voorwerpen zo dicht mogelijk bij de as en
houd u aan de toegestane kogeldruk.
Door een geringere luchtdichtheid nemen
de prestaties van de motor af als men op
grotere hoogte boven de zeespiegel komt.
Trek boven de 1000 m 10% van het maximale
aanhangergewicht af en herhaal dit voor elke
volgende 1000 m.
Zijwind
) Houd er rekening mee dat de
zijwindgevoeligheid van de auto groter is.
Koeling
Het trekken van een aanhanger op
een helling veroorzaakt een hogere
koelvloeistoftemperatuur.
De koelventilator wordt elektrisch bediend en is
niet afhankelijk van het motortoerental.
) Pas uw snelheid aan om het toerental te
beperken.
Het maximale aanhangergewicht is
afhankelijk van het hellingspercentage en de
buitentemperatuur.
Let in elk geval goed op de aanwijzing van de
koelvloeistoftemperatuurmeter.
) Als het waarschuwingslampje
van de koelvloeistoftemperatuur
gaat branden in combinatie met
het waarschuwingslampje STOP ,
stop dan zo snel mogelijk en zet
de motor af.
Remmen
Het trekken van een aanhanger verlengt de
remweg.
Bij een lange afdaling is het, om te voorkomen
dat de remmen oververhit raken, raadzaam om
op de motor af te remmen.
Banden
) Controleer de bandenspanning van de auto
en de aanhanger en breng deze indien
nodig op de juiste waarde.
Verlichting
) Controleer de verlichting van de
aanhanger.
De parkeerhulp wordt automatisch
uitgeschakeld als bij het aankoppelen
van een aanhanger een originele
CITROËN-trekhaak wordt gebruikt.
Raadpleeg de rubriek "Technische gegevens"
voor de gewichten en aanhangergewichten die
voor uw auto van toepassing zijn.
Allesdragers monteren
Maximale belasting van de dakstangen,
bij een maximale laadhoogte van 40 cm
(m.u.v. fietsendrager): 70 kg.
Pas bij een belading hoger dan
40 cm de rijsnelheid aan aan de
rijomstandigheden om schade aan de
allesdragers en de bevestigingsplaatsen
op het dak te voorkomen.
Raadpleeg de wetgeving van uw land
met betrekking tot het vervoeren van
voorwerpen die langer zijn dan de auto.
Houd u bij het monteren van de dwarsdragers
aan hun montageplaats:
Gebruik door CITROËN goedgekeurde
accessoires en houd u aan de
aanwijzingen en instructies in de
montagehandleiding van de fabrikant
om beschadiging van de carrosserie
(vervorming, krassen, ...) te voorkomen.
) Verwijder de dop met behulp van een
inbussleutel.
) Zet de dwarsdragers in de juiste stand en
draai de bevestigingsbouten vast.
231
Praktische informatie
Accessoires
Een ruime keuze aan accessoires en originele onderdelen wordt u aangeboden door het CITRN-netwerk.
Deze accessoires en onderdelen zijn getest en goedgekeurd ten aanzien van bedrijfszekerheid en veiligheid.
Ze zijn volledig aangepast aan uw auto, zijn voorzien van een artikelnummer en beschikken over de
garantie van CITROËN.
"Comfort":
windgeleiders, rolgordijnen zijruiten, rolgordijn
achter, koelbox, kleerhanger aan hoofdsteun,
leeslamp, caravanspiegels, parkeerhulp,
parfumeur, aansteker, enz.
"Transportmiddelen":
mat bagageruimte, bagagebak, bagagenet,
stutten, allesdrager, fietsendrager, skidrager,
dakkoffer, trekhaak, trekhaakbedrading, enz.
Bij montage van een trekhaak en bedrading
door een andere dan een dealer van het
CITROËN-netwerk, moeten de voorschriften
van de fabrikant worden opgevolgd en moet de
bedrading aangesloten worden op de daarvoor
bestemde aansluitingen van de auto.
"Styling":
aluminium pedalen, aluminium voetensteun,
lichtmetalen velgen, verchroomde
spiegelhuizen, enz.
* Om te voorkomen dat pedalen blijven
hangen:
- let erop dat vloermatten op de juiste
plaats liggen en goed zijn vastgemaakt,
- leg nooit meerdere matten op elkaar.
"Veiligheid":
alarminstallatie, anti-takelmodule, car tracking
system, zitverhogingen en kinderzitjes,
hondenrek, alcoholtester, verbanddoos,
brandblusser, gordelsnijder/noodhamer,
gevarendriehoek, veiligheidsvest, wielbouten
met slot, sneeuwkettingen, sneeuwsokken, enz.
"Bescherming":
vloermatten * , spatlappen, stootstrips,
dorpelbeschermer voor de bagageruimte,
beschermhoes voor de auto, enz.
De carosseriedelen van de achterzijde van
de auto zijn zo ontworpen dat het opspatten
van water of steenslag zo veel mogelijk wordt
voorkomen.
Het monteren van elektrische apparatuur
of accessoires die niet onder een
artikelnummer in het assortiment van
CITROËN voorkomen, kan leiden
tot storingen in het elektronisch
systeem van uw auto en een verhoogd
stroomverbruik veroorzaken.
Houd hier rekening mee en neem
contact op met een vertegenwoordiger
van het merk CITROËN om u te laten
informeren over het assortiment
uitrustingen en accessoires voorzien
van een artikelnummer.
Installeren van
radiocommunicatiezenders
Voordat u radiozenders met
buitenantenne als uitrusting
achteraf monteert, kunt u bij het
CITROËN-netwerk de technische
gegevens (frequentieband, maximaal
uitgangsvermogen, positie antenne,
specifieke installatievoorschriften) van
de voor montage geschikte zenders
opvragen, conform de Richtlijn
Elektromagnetische Compatibiliteit
(2004/104/EG).
Afhankelijk van de lokale wetgeving
kan de aanwezigheid van bepaalde
veiligheidsuitrusting verplicht zijn:
veiligheidsvesten, gevarendriehoeken,
een set reservelampen,
reservezekeringen, een brandblusser,
een verbandtrommel, spatlappen aan
de achterzijde van de auto.
In het CITROËN-netwerk kunt u ook reinigings-
en onderhoudsproducten kopen (interieur en
buitenkant) - waaronder milieuvriendelijke
producten uit de serie "TECHNATURE" -
bijvulmiddelen (ruitensproeiervloeistof...),
stiften en spuitbussen voor het bijwerken
van lakschades in de exacte kleur van de
carrosserie van uw auto, vulpatronen voor
bandenreparatieset, enz.
"Multimedia":
Bluetooth handsfree set, portable
navigatiesystemen, CD met update voor de
kaartgegevens, rijhulpsystemen, portable
videoscherm met steun, steun voor multimedia-
apparaat, 230V/50Hz-aansluiting, adapter
230 V/12 V, lader voor mobiele telefoon
(iPhone
®
-compatible), telefoonhouder, Wifi, enz.
233
Praktische informatie
009
Controles
TOTAL & CITROËN
Partners in prestaties en
respect voor het milieu
Innovatie voor nog betere prestaties
Sinds meer dan 40 jaar ontwikkelen de Research &
Development-teams van TOTAL voor CITROËN
smeermiddelen die geschikt zijn voor de nieuwste
technologieën die in auto’s van het merk CITROËN
worden toegepast, zowel voor wedstrijddoeleinden
als gebruik in het dagelijkse leven.
Zo kunt u rekenen op de beste prestaties van de
motor.
Een optimale bescherming
van uw motor
Het gebruik van TOTAL smeermiddelen
bij het onderhoud van uw CITROËN
zorgt voor een langere levensduur en
betere prestaties van de motor, waarbij
tevens het milieu wordt gerespecteerd.
prefereert
237
Onderhoud
Openen van de motorkap
Openen
) In het interieur : trek de handgreep links
onder het dashboard naar u toe.
Schakel het Stop & Start-systeem
altijd uit als u handelingen onder de
motorkap wilt uitvoeren, om letsel door
het automatisch activeren van de
START-stand te voorkomen.
Sluiten
) Laat de motorkap voorzichtig zakken en
laat deze aan het einde van de slag in het
slot vallen.
) Controleer of de motorkap goed
vergrendeld is.
) Aan de buitenzijde : beweeg de hendel
omhoog en til de motorkap op.
Een gasdemper opent de motorkap en houdt
deze omhoog.
In verband met de aanwezigheid
van elektrische uitrustingen in de
motorruimte wordt geadviseerd om
blootstelling aan water (regen,
wassen, ...) te beperken.
Dit overzicht is een hulpmiddel bij
het controleren van de verschillende
vloeistofniveaus en het vervangen van
bepaalde onderdelen.
Benzinemotoren
1. Reservoir stuurbekrachtiging.
2. Reservoir ruiten- en koplampsproeiers.
3. Reservoir koelvloeistof.
4. Reservoir remvloeistof.
5. Accu/zekeringen.
6. Zekeringkast.
7. Luchtfilter.
8. Oliepeilstok.
9. Motorolie (bij)vullen.
THP 155 Automaat 6
THP 200 Handgeschakeld 6
239
Onderhoud
Dit overzicht is een hulpmiddel bij
het controleren van de verschillende
vloeistofniveaus, het vervangen van bepaalde
onderdelen en het ontluchten van het
brandstofcircuit.
* Volgens motoruitvoering.
Dieselmotoren
1. Reservoir stuurbekrachtiging.
2. Reservoir ruiten- en koplampsproeiers.
3. Reservoir koelvloeistof.
4. Reservoir remvloeistof.
5. Accu/zekeringen.
6. Zekeringkast.
7. Luchtfilter.
8. Oliepeilstok.
9. Motorolie (bij)vullen.
10. Handopvoerpomp * .
11. Ontluchtnippel * .
e-HDi 115 BMP6
HDi 160 FAP BVM6 / HDi 160 FAP BVA6
Bij auto's met HDi-motor is het in het geval van
een lege brandstoftank noodzakelijk om het
brandstofsysteem te ontluchten: raadpleeg de
afbeelding van de desbetreffende motorruimte.
Brandstoftank leeg (Diesel)
Als de tank van uw auto is voorzien van
een tankbeveiliging, raadpleeg dan de
rubriek "Tankbeveiliging (Diesel)".
) Vul de brandstoftank met minimaal 5 liter
diesel.
) Open de motorkap.
) Maak indien nodig de sierkap los om de
handopvoerpomp te kunnen bereiken.
) Bedien de handopvoerpomp totdat er
weerstand wordt gevoeld (de eerste keer
indrukken kan zwaar zijn).
) Bedien de startmotor tot de motor aanslaat
(als de motor niet gelijk aanslaat, wacht
dan ongeveer 15 seconden en start de
motor opnieuw).
) Als de motor na meerdere pogingen niet
aanslaat, bedien dan de handopvoerpomp
en vervolgens de startmotor opnieuw.
) Plaats de sierkap terug en klem deze vast.
) Sluit de motorkap.
1.6 HDi-motor
) Vul de brandstoftank met minimaal 5 liter
diesel.
) Open de motorkap.
) Verwijder indien nodig de afdekkap van de
motor voor toegang tot de opvoerpomp.
) Draai de ontluchtingsnippel los.
) Bedien de handopvoerpomp tot u brandstof
door de transparante slang ziet stromen.
) Draai de ontluchtingsnippel vast.
) Bedien de startmotor tot de motor aanslaat
(als de motor bij de eerste poging niet
aanslaat, wacht dan vijftien seconden
alvorens opnieuw te starten).
) Als de motor na enkele pogingen niet
aanslaat, bedien dan de handopvoerpomp
en vervolgens de startmotor opnieuw.
) Breng de afdekkap van de motor aan en
controleer vervolgens of deze goed vastzit.
) Sluit de motorkap.
2.0 HDi-motor
Als de motor niet direct aanslaat,
beëindig dan uw startpoging en herhaal
de procedure.
241
Onderhoud
Niveaus controleren
Let bij werkzaamheden onder de motorkap goed op, want bepaalde delen van de motor kunnen zeer heet zijn (kans op brandwonden) en de
motorventilateur kan ieder moment aanslaan (zelfs bij afgezet contact).
Motorolieniveau
Het motorolieniveau kan bij aangezet
contact worden gecontroleerd
via de motorolieniveaumeter op
het instrumentenpaneel (volgens
uitvoering) of met de oliepeilstok.
Het is normaal dat u tussen twee
onderhoudsbeurten door olie moet bijvullen.
CITROËN adviseert u om elke 5000 km het
olieniveau te controleren en, indien nodig, olie
bij te vullen.
De controle van het motorolieniveau is
alleen betrouwbaar als de auto op een
vlakke ondergrond staat en de motor ten
minste 30 minuten niet heeft gedraaid.
Controleer deze niveaus regelmatig en respecteer de voorwaarden zoals vermeld in het garantie- en onderhoudsboekje. Vul indien nodig bij, tenzij anders aangegeven.
Laat in het geval van een sterk gedaald niveau het desbetreffende circuit controleren door het CITROËN-netwerk of door een gekwalificeerde werkplaats.
Controle met de oliepeilstok
Raadpleeg de rubriek "Benzinemotor" of
"Dieselmotor" om te zien waar de oliepeilstok
zich bevindt in de motorruimte van uw auto.
- Trek aan het gekleurde uiteinde om de
oliepeilstok volledig uit de schacht te
trekken.
- Veeg de peilstok af met een schone, niet
pluizende doek.
- Steek de oliepeilstok weer volledig in de
schacht en trek hem er weer uit om het
oliepeil te controleren: het oliepeil is correct
als het tussen de merktekens A en B ligt.
A = MAXI
B = MINI
Als u ziet dat het oliepeil boven het merkteken
A of onder het merkteken B ligt, start de
motor dan niet .
- Als het oliepeil boven het merkteken MAXI
ligt (kans op motorschade), neem dan
contact op met het CITROËN-netwerk of
met een gekwalificeerde werkplaats.
- Als het oliepeil lager is dan het merkteken
MINI , vul dan altijd motorolie bij.
Stuurbekrachtigingsvloeistofniveau
Het stuurbekrachtigingsvloeistofniveau
dient zich zo dicht mogelijk bij het
merkteken "MAXI" te bevinden. Draai
bij koude motor de dop open om het
niveau te controleren.
Het remvloeistofniveau dient zich
zo dicht mogelijk bij het merkteken
"MAXI" te bevinden. Controleer indien
dit niet het geval is of de remblokken
van uw auto zijn versleten.
Remvloeistofniveau
Remvloeistof verversen
Raadpleeg het garantie- en onderhoudsboekje
voor het voorgeschreven verversingsinterval.
Type remvloeistof
Gebruik de door de fabrikant voorgeschreven
remvloeistof.
Motorolie bijvullen
Eigenschappen van de olie
Gebruik de door de fabrikant aanbevolen
motorolie voor uw auto en motoruitvoering.
Raadpleeg de rubriek "Benzinemotor" of
"Dieselmotor" om te zien waar de olievuldop
zich bevindt in de motorruimte van uw auto.
- Draai de dop van de vulopening.
- Giet de olie voorzichtig in de opening om
morsen op motoronderdelen te voorkomen
(dit kan brand veroorzaken).
- Wacht enkele minuten en controleer
vervolgens nogmaals het oliepeil met de
peilstok.
- Vul indien nodig nog olie bij.
- Draai nadat u het oliepeil nogmaals hebt
gecontroleerd de dop zorgvuldig op de
vulopening en steek de peilstok weer in de
schacht.
Na het bijvullen zal de olieniveaumeter op het
dashboard bij het aanzetten van het contact na
30 minuten de juiste waarde aangeven.
Olie verversen
Raadpleeg het garantie- en onderhoudsboekje
voor het verversingsinterval voor uw auto.
Om een verminderde betrouwbaarheid van de
motor en de emissieregeling te voorkomen, is
het gebruik van additieven in de motorolie niet
toegestaan.
243
Onderhoud
Koelvloeistofniveau
Het koelvloeistofniveau dient zich zo dicht
mogelijk bij het merkteken "MAXI" te
bevinden, maar mag beslist niet hoger zijn.
Type koelvloeistof
Gebruik de door de fabrikant voorgeschreven
koelvloeistof.
Wacht bovendien alvorens
werkzaamheden aan het koelsysteem
uit te voeren ten minste 1 uur nadat
de motor gedraaid heeft, omdat het
koelsysteem onder druk staat.
Draai om brandwonden te voorkomen
de dop eerst 2 omwentelingen los om
de druk te laten dalen. Verwijder, als de
druk eenmaal gedaald is, de dop en vul
koelvloeistof bij.
Als de motor warm is, wordt de temperatuur van
de koelvloeistof geregeld door de koelventilator.
De koelventilator kan ook nog gaan draaien
nadat de motor is afgezet: houd daarom
voorwerpen en kleding uit de buurt van de
ventilator.
Gegevens van de vloeistof
Voor een optimale reiniging en om bevriezing
te voorkomen, mag nimmer water worden
gebruikt voor het verversen of bijvullen van de
vloeistof.
Onder winterse omstandigheden is het
raadzaam ruitensproeiervloeistof op basis van
ethanol of methanol te gebruiken.
Niveau vloeistof ruitensproeiers/
koplampsproeiers
Als uw auto voozien is van koplampsproeiers
en u wilt het niveau controleren of bijvullen,
parkeert u de auto en zet u de motor af.
) Controleer of de motor geheel is afgezet
voordat u de motorkap opent.
) Verwijder de dop van het
ruitensproeiervloeistofreservoir.
) Knijp de pipet af om te voorkomen dat er
lucht inkomt.
) Verwijder de pipet uit het reservoir en lees
via de doorzichtige buitenkant het niveau af.
) Vul indien nodig het niveau bij.
) Plaats de dop terug op het reservoir en
sluit de motorkap.
Vermijd langdurig huidcontact met
afgewerkte olie en andere vloeistoffen.
De meeste van deze vloeistoffen
zijn bijtend en schadelijk voor de
gezondheid.
Gooi afgewerkte olie en andere
vloeistoffen niet in het riool, in het water
of op de grond.
Deponeer afgewerkte olie in de
daarvoor bestemde containers
bij het CITROËN-netwerk of een
gekwalificeerde werkplaats.
Afgewerkte producten
Bijvullen
Laat het bijvullen zo spoedig mogelijk uitvoeren
door het CITROËN-netwerk of door een
gekwalificeerde werkplaats.
Niveau brandstofadditief
(diesel met roetfilter)
Een te laag additiefniveau
wordt aangegeven door het
verklikkerlampje Service in
combinatie met een geluidssignaal en een melding
op het display van het instrumentenpaneel.
245
Onderhoud
Controles
12V-accu
De accu is onderhoudsvrij.
Niettemin is het raadzaam om
regelmatig te controleren of de
accupolen en -klemmen schoon zijn,
vooral bij warm weer en in de winter.
Deze sticker, die hoort bij het Stop & Start-
systeem, geeft aan dat er een speciale
12V-loodaccu is gebruikt die alleen
losgekoppeld en/of vervangen mag worden
door het CITROËN-netwerk of door een
gekwalificeerde werkplaats.
Raadpleeg, tenzij anders aangegeven,
de bladzijden in het garantie- en
onderhoudsboekje die betrekking hebben
op de motoruitvoering van uw auto voor het
controleren van bepaalde onderdelen.
Laat de controles eventueel uitvoeren door
het CITROËN-netwerk of een gekwalificeerde
werkplaats.
Raadpleeg voordat u de accukabels losneemt
de rubriek "12V-accu" voor meer informatie
over de te nemen voorzorgsmaatregelen.
Roetfilter (diesel)
Als het roetfilter vervuild is,
wordt u hierop geattendeerd
door het tijdelijk branden van
dit lampje in combinatie met een melding op
het multifunctionele display.
Ga om het roetfilter te regenereren,
zodra de omstandigheden het toelaten,
met een snelheid van minimaal 60 km/h
rijden tot het lampje dooft.
Als het lampje blijft branden is het
minimum brandstofadditiefniveau
bereikt: raadpleeg de paragraaf "Niveau
brandstofadditief".
Bij een nieuwe auto kunt u de
eerste paar keer dat het roetfilter
geregenereerd wordt een brandlucht
ruiken; dit is volkomen normaal.
Als langdurig met zeer lage snelheid
wordt gereden of de motor langdurig
stationair draait, kan bij gasgeven
soms rook uit de uitlaat waargenomen
worden. Dit heeft geen invloed op de
prestaties en heeft geen gevolgen voor
het milieu.
Laat de filters periodiek vervangen
volgens de in het garantie- en
onderhoudsboekje aangegeven
intervallen.
Luchtfilter en interieurfilter
Laat bij het olie verversen tevens het
oliefilter vervangen.
Raadpleeg het garantie- en
onderhoudsboekje voor het
vervangingsinterval van dit
onderdeel.
Oliefilter
Als de omgeving (veel stof...) en het gebruik
(veel stadsverkeer...) daartoe aanleiding
geven, moeten de filters twee keer zo vaak
worden vervangen .
Een verstopt interieurfilter kan de prestaties
van de airconditioning verstoren en
onaangename geuren veroorzaken.
Handgeschakelde versnellingsbak
De versnellingsbak is onderhoudsvrij
(olie verversen niet noodzakelijk).
Raadpleeg het garantie- en
onderhoudsboekje voor het interval
van de niveaucontrole.
Elektronisch gestuurde versnellingsbak
De versnellingsbak is onderhoudsvrij
(olie verversen niet noodzakelijk).
Raadpleeg het garantie- en
onderhoudsboekje voor het interval
van de niveaucontrole.
Automatische transmissie
De automatische transmissie is
onderhoudsvrij (olie verversen niet
noodzakelijk).
Raadpleeg het garantie- en
onderhoudsboekje voor het interval
van de niveaucontrole.
247
Onderhoud
De slijtage van de remblokken is
sterk afhankelijk van de rijstijl, vooral
bij stadsverkeer en veel korte ritten.
Hierdoor kan het noodzakelijk blijken
om de remblokken vaker, tussen
twee onderhoudscontroles door, te laten
controleren.
Als het remsysteem vrij is van lekkages, duidt
een te laag remvloeistofniveau erop dat de
remblokken versleten zijn.
Remblokken
Raadpleeg het CITROËN-netwerk of
een gekwalificeerde werkplaats voor
informatie over het controleren van
de slijtage van de remschijven.
Staat van remschijven
Elektrische parkeerrem
Dit systeem hoeft niet apart gecontroleerd
te worden. Als er zich toch een probleem
voordoet, laat het systeem dan
controleren door het CITROËN-netwerk
of een gekwalificeerde werkplaats.
Gebruik uitsluitend door CITROËN
aanbevolen producten of gelijkwaardige
kwaliteitsproducten.
Om de werking van belangrijke organen
als het remsysteem te optimaliseren,
selecteert en biedt CITROËN specifieke
producten aan.
Na het wassen kan er zich een
laagje vocht of onder winterse
omstandigheden ijs vormen op de
remschijven en remblokken: de
remwerking kan daardoor afnemen.
Rem een paar keer lichtjes om de
remmen vocht- en ijsvrij te maken.
Raadpleeg voor meer informatie de rubriek
"Elektrische parkeerrem - § Storingen". N
010
Technische gegevens
Benzinemotoren
THP
155 BVA6
THP
150 BVA6
THP
160 BVA6
THP
200 BVM6
Versnellingsbak
Automaat
(6 versnellingen)
Automaat
(6 versnellingen)
Automaat
(6 versnellingen)
Handgeschakeld
(6 versnellingen)
Type Variant Uitvoering 5FVA - A/1 5FEA 5FMA - Y - A/D 5FU8
Cilinderinhoud (cm
3
) 1 598 1 598
Boring x slag (mm) 77 x 85,8 77 x 85,8
Max.vermogen: ECE-norm (kW) * 115 110 120 147
Toerental bij max.vermogen (t/min) 6 000 6 050 6000 5 800
Max.koppel: ECE-norm (Nm) 240 275
Toerental bij max.koppel (t/min) 1 400 1 700
Brandstof Loodvrij Loodvrij
Katalysator Ja Ja
Inhoud carter (in liter)
Motor (met vervangen filter) - -
Motoren en versnellingsbakken benzine-uitvoeringen
* Het maximumvermogen komt overeen met de op de testbank gehomologeerde waarde, onder de omstandigheden die zijn vastgelegd in de Europese
regelgeving (richtlijn 1999/99/CE).
251
Technische gegevens
Gewichten en aanhangergewichten (in kg) benzine-uitvoeringen
Benzinemotoren
THP
155 BVA6
THP
150 BVA6
THP
160 BVM6
THP
200 BVM6
Versnellingsbak
Automaat
(6 versnellingen)
Automaat
(6 versnellingen)
Automaat
(6 versnellingen)
Handgeschakeld
(6 versnellingen)
Type Variant Uitvoering 5FVA - A/1 5FEA 5FMA - Y - A/D 5FU 8
- Ledig gewicht 1 420 1 497 1 495 1 430
- Gewicht rijklaar * 1 495 1 570 1570 1 505
- Maximum technisch toegestane massa
totaal
2 035 2 030 2 030 2 050
- Maximum toegestaan treingewicht
helling max. 12%
3 335 2 830 2 830 2 800
-
Aanhanger geremd (binnen max. toegestaan treingewicht)
helling max. 10% of 12%
1 300 800 800 750
-
Aanhanger geremd ** (met verminderde belading
auto, binnen max. toegestaan
treingewicht)
1 500 800 800 1 050
- Aanhanger ongeremd 745 745 745 750
- Aanbevolen kogeldruk 75 75 75 75
* Het gewicht rijklaar staat gelijk aan het ledig gewicht + bestuurder (75 kg).
** Het totale gewicht van de aanhanger kan, binnen het maximaal toegestane treingewicht, worden verhoogd indien de belading van de auto wordt verminderd.
Houd er in dat geval rekening mee dat het trekken van een aanhanger met een licht beladen auto een negatieve invloed heeft op het weggedrag.
Het maximaal toegestane treingewicht en de aanhangergewichten gelden tot een hoogte van maximaal 1000 meter; het opgegeven aanhangergewicht
dient voor elke extra 1000 meter met 10% te worden verminderd.
Bij het trekken van een aanhanger mag niet harder worden gereden dan 100 km/h of de plaatselijk geldende snelheidslimiet (in Nederland wettelijk 90 km/h).
Bij hoge buitentemperaturen kunnen de prestaties van de auto minder worden om de motor te beschermen. Als de buitentemperatuur meer dan 37°C
bedraagt, moet het treingewicht worden verminderd.
* Het gewicht rijklaar staat gelijk aan het ledig gewicht + bestuurder (75 kg).
Benzinemotoren
THP
155 BVA6
THP
200 BVM6
Versnellingsbak
Automaat
(6 versnellingen)
Handgeschakeld
(6 versnellingen)
Type Variant Uitvoering 5FVA - A/1 5FU8
- Ledig gewicht 1 540 1 572
- Gewicht rijklaar * 1 615 1 647
- Maximum technisch toegestane massa
totaal
2 170 2 195
- Maximum toegestaan treingewicht
helling max. 12%
3 320 2 795
- Aanhanger geremd (binnen max. toegestaan treingewicht)
helling max. 10% of 12%
1 150 600
- Aanhanger ongeremd 745 600
- Aanbevolen kogeldruk 75 75
Het maximaal toegestane treingewicht en de aanhangergewichten gelden tot een hoogte van maximaal 1000 meter; het opgegeven aanhangergewicht
dient voor elke extra 1000 meter met 10% te worden verminderd.
Bij het trekken van een aanhanger mag niet harder worden gereden dan 80 km/h (of de plaatselijk geldende limiet als deze lager is).
Bij hoge buitentemperaturen kunnen de prestaties van de auto minder worden om de motor te beschermen. Als de buitentemperatuur meer dan 37°C
bedraagt, moet het treingewicht worden verminderd.
Gewichten en aanhangergewichten (in kg) benzine-uitvoeringen - N1-uitvoeringen.
253
Technische gegevens
Dieselmotor
e-HDi
115 BMP6
Blue HDi
115 BVM6
Blue HDi
120 BVM6
Versnellingsbak
Elektronisch gestuurd
(6 versnellingen)
Handgeschakeld
(6 versnellingen)
Handgeschakeld
(6 versnellingen)
Type Variant Uitvoering 9HR - 9HD8/PS BHZ - BHXM/S - M/1S - M/2S BHZ - BHXM/S - M/1S - M/2S
Cilinderinhoud (cm
3
) 1 560 1 560 1 560
Boring x slag (mm) 75 x 88,3 75 x 88,3 75 x 88,3
Max. vermogen: ECE-norm (kW) * 82 - 84 85 88
Toerental bij max. vermogen (t/min) 3 600 3 750 3 750
Max. koppel: ECE-norm (Nm) 270 254 300
Toerental bij max. koppel (t/min) 1 750 1 750 1 750
Brandstof Diesel Diesel Diesel
Katalysator Ja Ja Ja
Roetfilter Ja Ja Ja
Inhoud carter (in liter)
Motor (met vervangen filter) - - -
Motoren en versnellingsbakken dieseluitvoeringen
* Het maximumvermogen komt overeen met de op de testbank gehomologeerde waarde, onder de omstandigheden die zijn vastgelegd in de Europese
regelgeving (richtlijn 1999/99/CE).
Motoren en versnellingsbakken dieseluitvoeringen
* Het maximumvermogen komt overeen met de op de testbank gehomologeerde waarde, onder de omstandigheden die zijn vastgelegd in de Europese
regelgeving (richtlijn 1999/99/CE).
Dieselmotor
HDi
160 BVM6
HDi
160 BVA6
HDi
135 BVM6
HDi
135 BVA6
Blue HDi
180 BVA6
Versnellingsbak
Handgeschakeld
(6 versnellingen)
Automaat
(6 versnellingen)
Handgeschakeld
(6 versnellingen)
Automaat
(6 versnellingen)
Automaat
(6 versnellingen)
Type Variant Uitvoering
RRH - RHD8 -
8/1 - 8/1V
RRH - RHDA -
A/1
RRH - RHD8 -
8/1 - 8/1V
RRH - RHDA -
A/1
AHWT/S - T/1S -
T/2S
Cilinderinhoud (cm
3
) 1 997 1 997 1 997 1 997 1 997
Boring x slag (mm) 85 x 88 85 x 88 85 x 88 85 x 88 85 x 88
Max. vermogen * : ECE-norm (kW) 120 120 100 100 132
Toerental bij max. vermogen (t/min) 3 750 3 750 4 000 4 000 3 750
Max. koppel: ECE-norm (Nm) 340 340 320 320 400
Toerental bij max. koppel (t/min) 2 000 2 000 2 000 2 000 2 000
Brandstof Diesel Diesel Diesel Diesel Diesel
Katalysator Ja Ja Ja Ja Ja
Roetfilter Ja
Ja Ja Ja Ja
Inhoud carter (in liter)
Motor (met vervangen filter) - - - - -
255
Technische gegevens
Het maximaal toegestane treingewicht en de aanhangergewichten gelden tot een hoogte van maximaal 1000 meter; het opgegeven aanhangergewicht
dient voor elke extra 1000 meter met 10% te worden verminderd.
Bij het trekken van een aanhanger mag niet harder worden gereden dan 100 km/h of de plaatselijk geldende snelheidslimiet (in Nederland wettelijk 90 km/h).
Bij hoge buitentemperaturen kunnen de prestaties van de auto minder worden om de motor te beschermen. Als de buitentemperatuur meer dan 37°C
bedraagt, moet het treingewicht worden verminderd.
* Het gewicht rijklaar staat gelijk aan het ledig gewicht + bestuurder (75 kg).
** Het totale gewicht van de aanhanger kan, binnen het maximaal toegestane treingewicht, worden verhoogd indien de belading van de auto wordt verminderd.
Houd er in dat geval rekening mee dat het trekken van een aanhanger met een licht beladen auto een negatieve invloed heeft op het weggedrag.
Dieselmotoren
e-HDi
115 BMP6
Blue HDi
115 BVM6
Blue HDi
120 BVM6
Versnellingsbak
Elektronisch gestuurd
(6 versnellingen)
Handgeschakeld
(6 versnellingen)
Handgeschakeld
(6 versnellingen)
Type Variant Uitvoering 9HR - 9HD8/PS BHZ - BHXM/S - M/1S - M/2S BHZ - BHXM/S - M/1S - M/2S
- Ledig gewicht 1 420 1 428 1 428
- Gewicht rijklaar * 1 495 1 503 1 503
- Maximaal technisch toegestane massa
totaal
2 020 2 020 2 020
- Maximaal toegestaan treingewicht
helling max. 12%
3 120 3 120 3 120
- Aanhanger geremd (binnen max. toegestaan treingewicht)
helling max. 10% of 12%
1 100 1 100 1 100
- Aanhanger geremd ** (met verminderde belading
auto, binnen max. toegestaan treingewicht)
1 400 1 400 1 400
- Aanhanger ongeremd 745 745 745
- Aanbevolen kogeldruk 75 75 75
Gewichten en aanhangergewichten (in kg) dieseluitvoeringen
* Het gewicht rijklaar staat gelijk aan het ledig gewicht + bestuurder (75 kg).
** Het totale gewicht van de aanhanger kan, binnen het maximaal toegestane treingewicht, worden verhoogd indien de belading van de auto wordt verminderd.
Houd er in dat geval rekening mee dat het trekken van een aanhanger met een licht beladen auto een negatieve invloed heeft op het weggedrag.
Het maximaal toegestane treingewicht en de aanhangergewichten gelden tot een hoogte van maximaal 1000 meter; het opgegeven aanhangergewicht
dient voor elke extra 1000 meter met 10% te worden verminderd.
Bij het trekken van een aanhanger mag niet harder worden gereden dan 100 km/h of de plaatselijk geldende snelheidslimiet (in Nederland wettelijk 90 km/h).
Bij hoge buitentemperaturen kunnen de prestaties van de auto minder worden om de motor te beschermen. Als de buitentemperatuur meer dan 37°C
bedraagt, moet het treingewicht worden verminderd.
Dieselmotoren
HDi
160 BVM6
HDi
160 BVA6
HDi
135 BVM6
HDi
135 BVA6
Blue HDi
180 BVA6
Versnellingsbak
Handgeschakeld
(6 versnellingen)
Automaat
(6 versnellingen)
Handgeschakeld
(6 versnellingen)
Automaat
(6 versnellingen)
Automaat
(6 versnellingen)
Type Variant Uitvoering
RRH - RHD8 -
8/1 - 8/1V
RRH - RHDA -
A/1
RRH - RHD8 -
8/1 - 8/1V
RRH - RHDA -
A/1
AHWT/S - T/1S -
T/2S
- Ledig gewicht 1 530 1 540 1 530 1 540 1 540
- Gewicht rijklaar * 1 605 1 615 1 605 1 615 1 615
- Maximaal technisch toegestane massa
totaal
2 130 2 125 2 130 2 125 2 125
- Maximaal toegestaan treingewicht
helling max. 12%
3 330 3 325 3 330 3 325 3 325
- Aanhanger geremd (binnen max. toegestaan treingewicht)
helling max. 10% of 12%
1 200 1 200 1 200 1 200 1 200
- Aanhanger geremd ** (met verminderde belading
auto, binnen max. toegestaan treingewicht)
1 500 1 500 1 500 1 500 1 500
- Aanhanger ongeremd 750 750 750 750 750
- Aanbevolen kogeldruk 75 75 75 75 75
Gewichten en aanhangergewichten (en kg) Diesel
257
Technische gegevens
Het maximaal toegestane treingewicht en de aanhangergewichten gelden tot een hoogte van maximaal 1000 meter; het opgegeven aanhangergewicht
dient voor elke extra 1000 meter met 10% te worden verminderd.
Bij het trekken van een aanhanger mag niet harder worden gereden dan 80 km/h (of de plaatselijk geldende limiet als deze lager is).
Bij hoge buitentemperaturen kunnen de prestaties van de auto minder worden om de motor te beschermen. Als de buitentemperatuur meer dan 37°C
bedraagt, moet het treingewicht worden verminderd.
* Het gewicht rijklaar staat gelijk aan het ledig gewicht + bestuurder (75 kg).
Dieselmotoren
e-HDi
115 BMP6
HDiF
160 BVM6
HDiF
160 BVA6
Versnellingsbak
Elektronisch gestuurd
(6 versnellingen)
Handgeschakeld
(6 versnellingen)
Automaat
(6 versnellingen)
Type Variant Uitvoering 9HR - 9HD8/PS RHH8 - 8/1V RHHA - A/1
- Ledig gewicht 1 528 1 643 1 634
- Gewicht rijklaar * 1 603 1 718 1 709
- Maximaal technisch toegestane massa
totaal
2 150 2 265 2 255
- Maximaal toegestaan treingewicht
helling max. 12%
3 150
3 315 3 305
- Aanhanger geremd (binnen max. toegestaan treingewicht)
helling max. 10% of 12%
1 000 1 050 1 050
- Aanhanger ongeremd 745 750
- Aanbevolen kogeldruk 75
Gewichten en aanhangergewichten (in kg) dieseluitvoeringen - N1-uitvoeringen
* Het gewicht rijklaar staat gelijk aan het ledig gewicht + bestuurder (75 kg).
Het maximaal toegestane treingewicht en de aanhangergewichten gelden tot een hoogte van maximaal 1000 meter; het opgegeven aanhangergewicht
dient voor elke extra 1000 meter met 10% te worden verminderd.
Bij het trekken van een aanhanger mag niet harder worden gereden dan 80 km/h (of de plaatselijk geldende limiet als deze lager is).
Bij hoge buitentemperaturen kunnen de prestaties van de auto minder worden om de motor te beschermen. Als de buitentemperatuur meer dan 37°C
bedraagt, moet het treingewicht worden verminderd.
Dieselmotoren
Blue HDi 120
BVM6
Blue HDi 180
BVA6
Versnellingsbak
Handgeschakeld
(6 versnellingen)
Automaat
(6 versnellingen)
Type Variant Uitvoering BHZMS - M/1S - M/2S AHWTS - T/1S - T/2S
- Ledig gewicht 1 528 1 634
- Gewicht rijklaar * 1 603 1 709
- Maximaal technisch toegestane massa
totaal
2 150 2 255
- Maximaal toegestaan treingewicht
helling max. 12%
3 150 3 305
- Aanhanger geremd (binnen max. toegestaan treingewicht)
helling max. 10% of 12%
1 000 1 050
- Aanhanger ongeremd 745 750
- Aanbevolen kogeldruk 75 75
Gewichten en aanhangergewichten (in kg) dieseluitvoeringen - N1-uitvoeringen
259
Technische gegevens
Afmetingen (in mm)
Identi catie
De auto is voorzien van verschillende zichtbare merktekens voor de identificatie en registratie van de auto.
A. Serienummer onder de motorkap .
Dit nummer is ingeslagen in de carrosserie,
bij de schokdempersteun.
Controleer de bandenspanning
minimaal één keer per maand, bij koude
banden.
Een te lage bandenspanning
veroorzaakt een hoger
brandstofverbruik.
B. Serienummer op de onderste
voorruittraverse.
Dit nummer staat op een sticker en is
zichtbaar door de voorruit.
C. Constructeurssticker.
Dit nummer staat op een eenmalige
sticker op de portiersponning, aan
passagierszijde.
D.
Sticker bandenspanning/kleurcode van de lak.
Deze sticker is op de middenstijl aan
bestuurderszijde bevestigd,
en bevat de volgende informatie:
- bandenspanning zonder en met volle
belading,
- bandenmaat,
- bandenspanning van het reservewiel,
- kleurcode van de lak.
De achterste zijruit is van
polycarbonaat en kan daardoor niet
worden gegraveerd.
261
Technische gegevens
011
Audio en telematica
URGENCE-OPROEP OF ASSISTANCE-OPROEP
265
URGENCE-OPROEP OF ASSISTANCE-OPROEP
Citroën Urgence-oproep met
lokalisatiefunctie
Druk in geval van nood langer dan 2 seconden op deze
toets. Het knipperen van het groene LED-lampje en een
geluidssignaal bevestigen dat de oproep naar de helpdesk
van "Urgence" is verstuurd * .
Door deze toets meteen opnieuw in te drukken, wordt de oproep
geannuleerd. Het groene LED-lampje dooft.
De oproep wordt ook geannuleerd door, op ieder willekeurig moment, de
toets langer dan 8 seconden in te drukken.
Citroën Assistance-oproep met lokalisatiefunctie
Bij het aanzetten van het contact, gaat het
groene lampje 3 seconden branden. Dit duidt
op een goede werking van het systeem.
Het oranje lampje knippert: er is een
storing in het systeem.
Het oranje lampje blijft branden: de
noodbatterij moet vervangen worden.
Raadpleeg in beide gevallen het
CITROËN-netwerk.
Door deze toets meteen opnieuw in te drukken, wordt de aanvraag geannuleerd.
Dit wordt bevestigd door een gesproken bericht.
Druk langer dan 2 seconden op deze toets voor het
aanvragen van hulp bij het stranden van de auto.
Een gesproken bericht bevestigt dat de oproep is verstuurd. *
Werking van het systeem
Het groene LED-lampje blijft branden (zonder te knipperen) wanneer de verbinding
tot stand is gebracht. Aan het einde van het gesprek gaat het lampje uit.
Wanneer u uw auto buiten het CITRN-netwerk hebt gekocht, raden wij u
aan de aanwezigheid van deze diensten bij het netwerk te laten controleren
en eventueel configureren. In een meertalig land kunt u het systeem laten
configureren in de officiële landstaal van uw voorkeur.
Deze oproep wordt beheerd door de helpdesk van Urgence die de informatie
over de lokalisatie van de auto ontvangt en een waarschuwing kan zenden
naar de gekwalificeerde hulpdiensten. In landen waar de alarmcentrale niet
operationeel is of wanneer de lokalisatie uitdrukkelijk is geweigerd, wordt de
oproep meteen doorgestuurd naar de hulpdiensten (112), zonder lokalisatie.
Wanneer de elektronische eenheid airbags een botsing heeft
waargenomen, wordt onafhankelijk van het eventueel afgaan van de
airbags, automatisch een noodoproep gedaan.
* Deze diensten zijn afhankelijk van bepaalde voorwaarden en beschikbaarheid.
Raadpleeg het CITROËN-netwerk.
Indien u gebruik maakt van de dienst CITROËN eTouch, beschikt u ook
over aanvullende diensten via uw persoonlijke pagina MyCITROEN op de
CITROËN-internetsite voor uw land. Surf hiervoor naar www.citroen.com.
Om technische redenenen, zoals het verbeteren van de telematicadiensten
aan de klant, behoudt de constructeur zich het recht voor om op elk
willekeurig moment het telematicasysteem in de auto te wijzigen.
267
Dit systeem is zodanig gecodeerd dat het uitsluitend in
uw auto functioneert.
eMyWay
01 Basisfunctie - Bedieningspaneel
Om veiligheidsredenen mag de bestuurder handelingen
die zijn volledige aandacht vragen uitsluitend uitvoeren
bij stilstaande auto.
Wanneer de eco-mode is geactiveerd, schakelt
het systeem zichzelf na het afzetten van de motor
automatisch uit om te voorkomen dat de accu ontladen
raakt.
INHOUD
02 Stuurkolomschakelaars
03 Werking
04 Navigatie
05 Verkeersinformatie
06 Telefoneren
07 Index - ADDR BOOK
08 Radio
09 Multimediaspelers
10 Audio-instellingen
11 Configuratie
12 Menustructuur
blz.
blz.
blz.
blz.
blz.
blz.
blz.
blz.
blz.
blz.
blz.
blz.
268
270
271
273
286
289
297
300
304
310
311
313
Veelgestelde vragen blz.
316
GPS-NAVIGATIE
MULTIMEDIA-AUTORADIO/BLUETOOTH-
TELEFOON
01 BASISFUNCTIES
Kort indrukken: selecteren van
een in het geheugen opgeslagen
radiozender.
Lang indrukken: de radiozender
waar u op dat moment naar luistert
opslaan als voorkeuzezender.
Functie TA (verkeersinformatie)
aan/uit.
Weergave van de lijst met ontvangen radiozenders,
nummers of CD/MP3/Apple
®
-speellijsten.
Lang indrukken: beheer van de structuur van de
MP3/WMA-bestanden/bijwerken van de lijst met
ontvangen radiozenders.
Toegang tot de " Audio-
instellingen ": klankkleur,
bassen, hoge tonen,
loudness, geluidsverdeling,
balans links/rechts,
balans voor/achter,
snelheidsafhankelijke
volumeregeling.
Kiezen van de golfbanden
AM / FM / DAB * .
Ingedrukt houden:
resetten van het systeem.
Selecteren van de
geluidsbron: CD, USB,
AUX, Apple
®
-speler,
Bluetooth Streaming, Radio.
Annuleren van de bewerking,
omhoog in de menustructuur.
Lang indrukken: terug naar
de permanente weergave.
Aan/uit.
Toets MODE : selecteren
van het type permanente
weergave.
Draaien: volumeregeling
(voor elke geluidsbron
afzonderlijk, inclusief de
TA-meldingen en
navigatie-aanwijzingen).
Selecteren:
- van het vorige/volgende item in een lijst of in een menu.
- van de vorige/volgende afspeellijst van de mediadrager.
- stapsgewijs zoeken naar een radiozender met een
hogere/lagere frequentie.
- van de vorige/volgende MP3-afspeellijst.
De kaart omhoog/omlaag verplaatsen, met de functie
" De kaart verplaatsen ".
Selecteren:
- automatisch zoeken naar radiozenders in a opende/
oplopende volgorde.
- van het vorige/volgende nummer op de CD,
MP3-bestand of mediabestand.
De kaart naar links/naar rechts verplaatsen in de stand " De kaart verplaatsen ".
Display uitschakelen.
Kort indrukken:
onderbreken/herstellen
van het geluid.
* Afhankelijk van het model.
01
269
Toegang tot het menu " Telefoon "
en weergave van de laatste
gesprekken of aannemen van een
inkomend gesprek.
Toegang tot het menu " Navigatie "
en weergave van de laatst gekozen
bestemmingen.
Met de radio als geluidsbron,
toegang tot het menu " RADIO "
en weergave van de lijst met
ontvangen radiozenders.
Toegang tot het menu
" Con guratie ".
Lang indrukken: toegang tot het
GPS-bereik en de demo-modus.
Weigeren van een inkomend
gesprek of gesprek beëindigen.
Toegang tot het menu
" Verkeersinformatie TMC "
en weergave van de actuele
verkeersinformatie.
Weergave van de lijst met
contacten / Toegang tot het menu
" Contacten ".
Media als geluidsbron, toegang
tot het menu " MEDIA " en
weergave van de tracklist.
Annuleren van de bewerking, omhoog in
de menustructuur.
Lang indrukken: terug naar de
permanente weergave.
Draaiknopje voor selecteren en bevestigen:
Selecteer een item op het display en bevestig
uw keuze door het knopje kort in te drukken.
Druk als er geen menu of lijst wordt
weergegeven het knopje kort in om een
contextmenu op te vragen, afhankelijk van de
weergave op het scherm.
Draaien bij weergave van de kaart: in-/
uitzoomen op de kaart.
BASISFUNCTIES
SRC

02


-
+
STUURKOLOMSCHAKELAARS
- Draaien.
Radio: automatische selectie van
vorige/volgende zender.
Media: volgende/vorige track.
- Drukken en draaien: naar
6 opgeslagen voorkeurzenders.
- Geluidsbron wijzigen.
- Toets TEL (kort indrukken):
Binnenkomend gesprek aannemen.
Tijdens een telefoongesprek:
toegang tot het menu Telefoon:
Gesprek beëindigen, privé-modus,
handsfree functie.
- Toets TEL (even ingedrukt houden):
Binnenkomend gesprek weigeren of
telefoongesprek beëindigen.
Buiten een telefoongesprek om:
toegang tot het menu Telefoon
(nummer kiezen, contacten, lijst met
gesprekken, voice mail).
- Volume verhogen.
- Volume verlagen.
- Radio: weegave van zenders.
Media: weergave van tracklist.
03
271
Raadpleeg de rubriek "Menustructuur display" voor een
gedetailleerd overzicht van de menu's.
Gebruik voor het schoonmaken van het display een zacht,
niet-schurend doekje (bijvoorbeeld een brillendoekje) zonder
schoonmaakmiddel.
"RADIO"
" TELEFOON "
(tijdens communicatie)
SETUP : INSTELLINGEN:
datum en tijd, con guratie weergave, geluid,
parameters auto.
Geluidsbron veranderen:
RADIO : RADIO als geluidsbron.
MUSIC: MUSIC als geluidsbron.
Druk een paar keer achter elkaar op de toets MODE om naar de volgende menu's te gaan:
ALGEMENE WERKING
" KAART OP VOLLEDIG
SCHERM "
" KAART OP VERKLEIND
SCHERM "
(tijdens navigatie)
03
Door de draaiknop in te drukken krijgt u
toegang tot de snelkeuzemenu's.
ALGEMENE WERKING
Weergave afhankelijk van de context
MULTIMEDIASPELERS, CD
OF USB
(afhankelijk van media):
Afspeelwijze:
Normaal
Willekeurig
Willekeurig op elk medium
Herhalen
KAARTWEERGAVE OP VOLLEDIG
OF VERKLEIND SCHERM:
Navigatie stoppen / hervatten
Een bestemming kiezen
Adres invoeren
Index
GPS-coördinaten
Alternatieve route
De kaart verplaatsen
Info plaats
Als bestemm. Kiezen
Als etappe kiezen
Deze plaats opslaan (contacten)
Kaartmodus verlaten
Navigatiecriteria
1
1
1
1
1
2
2
2
2
2
1
2
2
2
1
1
1
DTMF-tonen
Ophangen
1
1
RADIO:
TA in-/uitschakelen
RDS in-/uitschakelen
TELEFOON (tijdens
communicatie):
Privémodus
In de wacht zetten
1
1
1
1
Veranderen van frequentieband
FM
AM
2
2
1
Verkeersbericht
1
04
273
Overzicht van de laatste
bestemmingen.
" Navigatie "
Selecteer " Opties " in het navigatiemenu en vervolgens
" Laatste bestemmingen wissen " en bevestig uw keuze
om de laatste bestemmingen te wissen. Selecteer " Ja " en
bevestig uw keuze.
Het is niet mogelijk om één enkele bestemming te wissen.
Wissel tussen het menu en de lijst (links/rechts).
" Bestemming kiezen "
" Etappes en route "
" Opties "
" Kaartbeheer "
" Navigatie stoppen / hervatten "
NAVIGATIE - ROUTEBEGELEIDING
Naar het menu "Navigatie"
Druk op NAV .
of
Druk kort op het uiteinde van
de lichtschakelaar om de
laatste gesproken instructie te
herhalen.
Om optimaal te pro teren
van alle functies van uw
navigatiesysteem is het
raadzaam regelmatig de
kaartgegevens te updaten.
Raadpleeg het CITROËN-
netwerk of bestel uw update
van de kaartgegevens op
http://citroen.navigation.com
04
Druk op NAV voor het menu
" Navigatie ".
Een nieuwe bestemming kiezen
NAVIGATIE - ROUTEBEGELEIDING
Een bestemming kiezen
Selecteer " Een bestemming kiezen "
en bevestig uw keuze, selecteer dan
" Adres invoeren " en bevestig uw
keuze.
Selecteer " Land " en bevestig uw
keuze.
Selecteer " Plaats " of "Postcode" en
bevestig uw keuze.
Selecteer één voor één de letters van
de plaats of de cijfers van de postcode
en bevestig elk karakter steeds met het
draaiknopje.
Selecteer een plaats uit de lijst en
bevestig uw keuze.
U kunt ook een lijst met plaatsen in
het opgegeven land opvragen door
een paar letters op te geven en dit te
bevestigen met "Lijst" .
Vul de gegevens zoals " Weg " en
" Nummer/Kruising " op dezelfde
manier in.
Selecteer " Opslaan " om de adreskaart op te slaan.
U kunt maximaal 400 kaarten opslaan.
Bevestig met " OK " om het navigeren te
starten.
Selecteer een navigatiecriterium:
" Snelste route ", " Kortste route "
of beste route " Afstand/Tijd ", en
selecteer indien gewenst, aanvullende
criteria zoals: " Met tolwegen ", " Met
veerpont ", of " Verkeersinformatie "
en bevestig uw keuze met " OK ".
04
275
NAVIGATIE - ROUTEBEGELEIDING
Naar één van de laatste bestemmingen
Druk op NAV voor het menu
" Navigatie ".
Selecteer de gewenste bestemming en
bevestig uw keuze om het navigeren te
starten.
Naar een contact uit het adresboek
Selecteer en bevestig " Bestemming
kiezen ", selecteer vervolgens
" Adresboek " en bevestig uw keuze.
Selecteer de gewenste bestemming en
bevestig uw keuze met " OK " om het
navigeren te starten.
Druk op NAV voor het menu
" Navigatie ".
Navigeren naar een contact is alleen mogelijk als voor dit contact
een adres is opgegeven in het radio-/navigatiesysteem.
Druk op NAV voor het menu
" Navigatie ".
Selecteer " Opties " en bevestig uw
keuze. Selecteer vervolgens " De laatste
bestemmingen wissen " en bevestig.
De laatste bestemmingen wissen
04
Selecteer en bevestig " Bestemming
kiezen ", selecteer " GPS-coördinaten "
en bevestig uw keuze.
Voer de GPS-coördinaten in en bevestig
uw invoer met " OK " om het navigeren
te starten.
Druk op NAV voor het menu
" Navigatie ".
NAVIGATIE - ROUTEBEGELEIDING
GPS-coördinaten als bestemming invoeren Naar een punt op de kaart
Druk, als de kaart op het scherm wordt
weergegeven, op OK om naar het
contextmenu te gaan. Selecteer dan
" Kaart verplaatsen " en bevestig uw
keuze.
Druk op OK voor het contextmenu van
de functie " Kaart verplaatsen ".
Selecteer " Als bestemming kiezen " of
" Als tussenstop kiezen " en bevestig
uw keuze.
Verplaats de cursor op het scherm
met de navigatietoets om een
bestemmingspunt te kiezen.
04
277
Naar Points of Interest (POI)
NAVIGATIE - ROUTEBEGELEIDING
Points of interest (POI) zijn openbare gebouwen en diensten in de
omgeving (hotels, bedrijven, vliegvelden...).
Selecteer "Een bestemming kiezen" en
bevestig dit, selecteer vervolgens "Een
adres invoeren" en bevestig dit.
Selecteer en bevestig " POI " en
selecteer en bevestig dan " Rondom
huidige plaats " om een POI in de buurt
te zoeken.
Selecteer en bevestig " POI " om
een POI in een etappe op te nemen,
selecteer vervolgens " Op de route " en
bevestig uw keuze.
Om een POI als bestemming op te
geven moet u eerst het land en de
plaats opgeven (zie "Naar nieuwe
bestemming"), vervolgens " POI "
selecteren en bevestigen en dan
" Dichtbij " selecteren en bevestigen.
Zoek een POI in één van de rubrieken
op de volgende pagina's.
Selecteer " Zoeken op Naam " om POI's op naam in plaats van op
afstand te zoeken.
Druk op NAV voor het menu
" Navigatie ".
Selecteer de gewenste POI en bevestig
uw keuze met " OK " om het navigeren
te starten.
04
NAVIGATIE - ROUTEBEGELEIDING
Dit pictogram verschijnt als er zich meerdere Points
of Interest in hetzelfde gebied bevinden. Door op dit
pictogram in te zoomen kunt u de verschillende Points
of Interest bekijken.
Tankstation
Garage
CITROËN
Parkeergarage
Parkeerterrein
Parkeerplaats
Hotel
Restaurant
Cafetaria
Bed & Breakfast
Treinstation
Busstation
Haven
Industrieterrein
Supermarkt
Geldautomaat
Sportcomplex, sporthal, sportveld
Zwembad
Wintersportcentrum
Luchthaven
Attractiepark
Ziekenhuis, Apotheek, Dierenarts
Politiebureau
Gemeentehuis
Postkantoor
Museum, Theater, Monument
Tourist info
Risicozones/Gevarenzones *
Lijst met belangrijkste POI's
*
Afhankelijk van beschikbaarheid
in het land
.
School
Bij de jaarlijke update van de kaartgegevens krijgt u ook de beschikking over nieuwe POI's.
Daarnaast kunt u elke maand de risicozones/gevarenzones bijwerken.
De exacte procedure vindt u op:
http://citroen.navigation.com.
Bioscoop
04
279
NAVIGATIE - ROUTEBEGELEIDING
Instellen waarschuwingsmeldingen risicozones / gevarenzones
Druk op NAV voor het menu
" Navigatie ".
U kunt nu kiezen uit:
- "Zichtbare meldingen"
- "Meldingen met geluidssignalen"
- "Alleen meldingen weergeven bij het
navigeren"
-
"Alleen meldingen geven bij een te hoge snelheid".
U kunt de tijd tussen het moment van de
waarschuwing voor een Risicogebied en
het passeren van de risicozone instellen.
Selecteer " OK " om de instellingen te
bevestigen.
Selecteer " Opties " en bevestig uw keuze;
selecteer vervolgens " Risicogebieden
instellen " en bevestig uw keuze.
Deze functies zijn alleen beschikbaar als de risicozones zijn
gedownload en in het systeem zijn geïnstalleerd.
De gedetailleerde procedure voor het updaten van de risicozones is
beschikbaar op de website http://citroen.navigation.com .
04 NAVIGATIE - ROUTEBEGELEIDING
Een etappe toevoegen
Druk op NAV voor het menu
" Navigatie ".
Selecteer " Etappes en routes " en
bevestig uw keuze.
Selecteer " Dichtbij " om in de buurt van
de etappe te komen of " Strikt " om de
etappe heel precies te rijden.
Bevestig met " OK " om het navigeren
te starten en globaal de richting aan te
geven.
Selecteer " Etappe toevoegen " en
bevestig uw keuze.
Het adres van de etappe geeft u als
bestemming op via " Adres invoeren ",
een kaart uit het " Adresboek ", of uit
" Laatste bestemmingen ".
Etappes beheren
Herhaal de handelingen 1 en 2, selecteer
" Etappes Ordenen/Wissen " en bevestig
uw keuzes om etappes te beheren.
Selecteer en bevestig uw keuze om de
wijzigingen op te slaan.
Selecteer de etappe die u wilt
verplaatsen.
Selecteer " Verwijderen " om een etappe te verwijderen.
04
281
NAVIGATIE - ROUTEBEGELEIDING
Navigatieopties
Criteria voor de berekening
Selecteer " Opties " en bevestig uw
keuze.
Selecteer " OK " en bevestig uw keuze
om de instellingen op te slaan.
Selecteer " Rekencriteria de niëren " en
bevestig uw keuze.
Met deze functie kunt u de verschillende criteria
voor het berekenen van de route instellen:
- de soort route (" Snelste route ",
" Kortste route ", " Afstand/Tijd "),
- aanvullende criteria zoals
(" Met tolwegen " of " Met veerpont "),
- al of niet rekening houden met de
verkeersinformatie
(" Verkeersinformatie ").
Druk op NAV voor het menu
" Navigatie ".
Als u opgeeft dat het systeem rekening moet houden met de
verkeersinformatie, wordt er automatisch een nieuwe route
berekend als de verkeerssituatie daar aanleiding toe geeft.
04 NAVIGATIE - ROUTEBEGELEIDING
Druk op NAV voor het menu
" Navigatie ".
Kaarten beheren
Points of interest op de kaart kiezen
Selecteer " Kaartbeheer " en bevestig
uw keuze.
Selecteer één of meer categorieën die u
op het scherm wilt zien.
Selecteer " Gegevens van de kaart "
en bevestig uw keuze.
Selecteer " Standaard " om alleen " Tankstations, garages "
en " Risicogebieden " (indien gedownload) weer te geven op
de kaart.
Selecteer " OK " en bevestig uw keuze,
selecteer nogmaals " OK " en bevestig dit
opnieuw om de instellingen op te slaan.
04
283
NAVIGATIE - ROUTEBEGELEIDING
Selecteer " Kaartbeheer " en bevestig
uw keuze.
Selecteer:
- " Op auto georiënteerd " om de
kaart op de auto te richten,
- " Op noorden georiënteerd " om
de kaart altijd naar het noorden te
richten,
- "Perspectief " om de kaart in
perspectief te zien.
Selecteer " Oriëntering van de kaart "
en bevestig uw keuze.
In het menu " SETUP " kunt u de kleur van de kaart veranderen
door weergave bij "Dag" of "Nacht" te kiezen.
Oriëntering van de kaart
Druk op NAV voor het menu
" Navigatie ".
De straatnamen worden op de kaart weergegeven bij een schaal
van 100 m of kleiner.
04 NAVIGATIE - ROUTEBEGELEIDING
Druk op NAV voor het menu
" Navigatie ".
Gesproken navigatieberichten instellen
Selecteer " Opties " en bevestig uw
keuze.
Volumeregeling / uitschakelen
Selecteer " Instellen gesproken
berichten " en bevestig uw keuze.
Selecteer de volumeweergave en
bevestig uw keuze.
Selecteer " Uitschakelen " om de gesproken instructies uit te
schakelen.
Selecteer " OK" en bevestig uw keuze.
Stel het gewenste volume in en bevestig
uw keuze.
Het instellen van het volume is mogelijk door de volumeknop te
bedienen tijdens de weergave van een route-aanwijzing.
Het volume van de instructies kunt u ook instellen via het menu
" SETUP " / " Spraaksynthese ".
04
285
NAVIGATIE - ROUTEBEGELEIDING
Mannenstem / Vrouwenstem
Druk op SETUP voor het
con guratiemenu.
Selecteer " Mannenstem kiezen " of
" Vrouwenstem kiezen " en bevestig
uw keuze met " Ja ". Het systeem wordt
vervolgens opnieuw opgestart.
Selecteer " Spraaksynthese " en
bevestig uw keuze.
05
VERKEERSINFORMATIE
Naar het menu "Verkeersinformatie"
De verkeersmeldingen zijn
op afstand van de auto
gerangschikt.
Wissel tussen het menu en de lijst (links/rechts).
" Verkeersinformatie TMC "
" Geogra sch lter "
" TMC-zender kiezen "
(automatisch, handmatig)
" Verkeersinformatie aan /
uit "
of
Druk op " TRAFFIC ".
05
287
VERKEERSINFORMATIE
Instellen van de filters en de weergave van TMC-berichten
Een TMC-bericht (Traf c Message Channel) is informatie met betrekking tot het verkeer en het weer die in real time wordt ontvangen en
doorgestuurd naar de bestuurder in de vorm van gesproken berichten en visuele waarschuwingen op de navigatiekaart.
Het navigatiesysteem kan in dat geval een alternatieve route voorstellen.
Druk op TRAFFIC voor weergave van
het menu "Verkeersinformatie TMC".
Selecteer de functie "Geogra sch
lter" en bevestig uw keuze.
Het systeem biedt de keuze:
- " Bewaar alle berichten : ",
of
- " Bewaar de berichten : "
- " Rondom de auto ", (bevestig
de opgegeven kilometers om
dit te wijzigen en de afstand te
kiezen),
- " Op de route ".
Bevestig met " OK " om de wijzigingen op
te slaan.
Wij adviseren:
- een lter op de route en
- een lter rondom de auto van:
- 20 km in de stad,
- 50 km op de snelweg.
05 VERKEERSINFORMATIE
Belangrijkste pictogrammen TMC
Rood-gele driehoek: verkeersberichten, bijvoorbeeld:
Zwart-blauwe driehoek: algemene informatie, bijvoorbeeld:
Weerberichten
Verkeerssituatie gewijzigd
Explosiegevaar
Verkeersinformatie
Wegversmalling
Wegafsluiting
Wind
Gladheid
Manifestatie
Mist
Ongeval
Gevaar
Parkeerplaats
Oponthoud
Verboden in te rijden
Sneeuw/ijs
Werkzaamheden
File
Verkeersberichten beluisteren
De functie TA (Traf c Announcement) geeft voorrang aan het luisteren
naar verkeersberichten. Om te worden geactiveerd moet deze functie een
radiozender die deze berichten uitzendt, goed kunnen ontvangen. Zodra een
verkeersbericht wordt uitgezonden, wordt de geluidsbron die op dat moment
wordt weergegeven (Radio, CD, USB, ...) automatisch onderbroken en wordt
het verkeersbericht weergegeven. Zodra het verkeersbericht is afgelopen,
wordt de weergave van de oorspronkelijke geluidsbron hervat.
Druk op RADIO om het menu "FM / AM-
band" weer te geven.
Selecteer " Opties " en bevestig uw
keuze.
Schakel "Verkeersbericht" in of uit en
bevestig uw keuze.
Het geluidsvolume van de verkeersberichten kunt u alleen instellen
tijdens de weergave van een dergelijk bericht.
U kunt de functie op elk moment in- of uitschakelen door op
de toets te drukken.
Druk tijdens een verkeersbericht op de toets wanneer u het
bericht wilt onderbreken.
06
289
TELEFONEREN
Naar het menu "Telefoon"
" Telefoon "
Overzicht van de laatste
binnengekomen en
uitgaande gesprekken als er
verbinding is met de telefoon.
Druk op deze toets.
Selecteer een nummer in de lijst en bevestig uw keuze met
" OK " om een gesprek te starten.
Als u verbinding met een andere telefoon maakt, wordt
de lijst met de laatste gesprekken gewist.
Geen verbinding met een
telefoon.
Verbinding met een
telefoon.
Binnenkomend gesprek.
Uitgaand gesprek.
Bezig met
synchroniseren van
adresboek.
Communicatie met
telefoon bezig.
In de bovenbalk wordt steeds
aangegeven
" Nummer kiezen "
" Contacten "
"Beheer contacten "
Telefoonfuncties"
" Bluetooth-functies "
" Verbreken "
Wissel tussen het menu en de lijst (links/rechts).
of
06
Bluetooth-telefoon koppelen
Eerste koppeling
Het koppelen van de Bluetooth-telefoon aan de handsfree-set mag
om veiligheidsredenen en vanwege het feit dat deze handeling de
volledige aandacht van de bestuurder vraagt, uitsluitend worden
uitgevoerd als de auto stilstaat .
Druk op deze toets.
Selecteer " Bluetooth-functies " en
bevestig uw keuze.
Selecteer " Randapparatuur zoeken "
en bevestig uw keuze.
Er verschijnt een overzicht van de
apparatuur die waargenomen is. Wacht
tot de knop " Verbinden " verschijnt.
Voer dezelfde code in het systeem in,
selecteer " OK " en bevestig.
TELEFONEREN
U kunt controleren of uw telefoon compatibel is op www.citroen.nl
(Services).
Snelle procedure via de telefoon
Selecteer in het menu Bluetooth van uw telefoon
de systeemnaam in de lijst met gedetecteerde
apparatuur.
Voer een code van minimaal 4 cijfers in op de
telefoon en bevestig.
Activeer de Bluetooth-functie van uw telefoon en
stel deze zo in dat de telefoon "gezien" wordt.
Procedure via het systeem
06
291
TELEFONEREN
Selecteer " Verbinden " en bevestig.
Het systeem stelt voor:
- het pro el " Handsfree functie "
(alleen telefoon),
- het pro el " Audio " (streaming:
lezen van muziekbestanden van de
telefoon),
- of beide pro elen " Alle ".
Selecteer met " OK " en bevestig uw
keuze.
Accepteer een automatische verbinding met de telefoon als u wilt
dat de telefoon automatisch aangesloten wordt bij het starten van
de auto.
Het systeem kan maar één pro el kiezen als de telefoon
geen extra functies heeft. U kunt allebei de pro elen als
standaardinstelling kiezen.
Kies het pro el " Handsfree functie " als u geen muziek wilt
beluisteren.
De beschikbaarheid van diensten hangt af van het GSM-netwerk, de simkaart en de compatibiliteit van de gebruikte Bluetooth-apparatuur.
Controleer in de gebruiksaanwijzing van uw telefoon en informeer bij uw provider welke diensten voor u toegankelijk zijn.
Het is afhankelijk van het type telefoon of het systeem u vraagt
om toestemming voor de overdracht van uw telefoonboek.
Bij terugkomst in de auto wordt de verbinding met de laatst
aangesloten telefoon binnen ongeveer 30 seconden na het
aanzetten van het contact, automatisch weer tot stand gebracht
(Bluetooth actief en apparatuur "zichtbaar").
Om het pro el van de automatische verbinding te veranderen, moet
u de koppeling met de desbetreffende telefoon ongedaan maken en
de telefoon daarna met het nieuwe pro el opnieuw koppelen.
Voer een code van minimaal 4 cijfers in op de
telefoon en bevestig.
Voer dezelfde code in het systeem in,
selecteer " OK " en bevestig.
Selecteer het gewenste apparaat in de
lijst en bevestig uw keuze.
06
SRC
TELEFONEREN
Druk op deze toets.
Selecteer " Bellen " en bevestig uw
keuze.
Selecteer " Contacten " en bevestig uw
keuze.
Toets het nummer in op het virtuele
toetsenbord door de cijfers te selecteren
en daarna te bevestigen.
Bevestig met " OK " om het ingevoerde
telefoonnummer te bellen.
Druk op deze toets of houd TEL/SRC op
het stuurwiel ingedrukt.
Een nieuw nummer bellen Een contact bellen
Selecteer het gewenste contact en
bevestig uw keuze.
Selecteer het nummer en bevestig uw
keuze om het bellen te starten.
Bellen
Gebruik de telefoon liever niet onder het rijden. Stop op een veilige
plaats of gebruik de toetsen op het stuur.
06
SRC
SRC
293
TELEFONEREN
Laatste nummers bellen
Druk op deze toets of houd TEL/SRC
ingedrukt, selecteer " Gesprekkenlijst "
en bevestig uw keuze.
Selecteer het gewenste nummer en
bevestig uw keuze.
Druk op PHONE , selecteer " Telefoonopties " en bevestig uw
keuze, en selecteer vervolgens " De gesprekkenlijst wissen "
als u de lijst met gesprekken wilt wissen, en bevestig uw keuze.
Een gesprek beëindigen
Druk op GESPREK BEËINDIGEN .
of
U kunt altijd rechtstreeks met uw telefoon bellen. Zet in dat geval
de auto uit veiligheidsoverwegingen stil.
Houd de toets TEL/SRC op het
stuurwiel even ingedrukt.
06
SRC
SRC
TELEFONEREN
Een gesprek aannemen
Als u gebeld wordt, klinkt een beltoon en verschijnt
een pop-upvenster op het scherm.
Standaard is het systeem ingesteld op
"Ja" om het gesprek aan te nemen.
Druk op " OK " om het gesprek aan te
nemen.
Selecteer " Nee " en bevestig uw keuze
om het gesprek te weigeren.
Druk deze toets of TEL/SRC even in om
een gesprek aan te nemen.
Houd deze toets of TEL/SRC langer
ingedrukt
of druk op OPHANGEN om een gesprek
te weigeren.
06
SRC
SRC
295
TELEFONEREN
Opties tijdens een gesprek *
Druk tijdens het gesprek een paar keer
op de toets MODE om het telefoonmenu
te selecteren en druk vervolgens op
" OK " om naar het contextmenu te gaan.
Selecteer " Privé-modus " en bevestig uw
keuze om het gesprek rechtstreeks via de
telefoon te voeren.
Of selecteer " Hands-freefunctie " en bevestig
uw keuze om het gesprek via de luidsprekers
van de audio-installatie weer te geven.
Selecteer en bevestig " In de wacht
zetten " om het gesprek in de wacht te
zetten.
Of selecteer " Gesprek hervatten " en
bevestig uw keuze om een gesprek dat
in de wacht is gezet, voort te zetten.
Selecteer " DTMF-tonen " om het
numerieke toetsenbord te kunnen
gebruiken voor het kiezen van eventuele
opties die u in een gesprek worden
aangegeven.
Selecteer " Verbreken " om het gesprek
te beëindigen.
* Afhankelijk van het type telefoon en het abonnement.
U kunt ook een conference-call met
3 deelnemers houden. Start daarvoor
eerst 2 afzonderlijke gesprekken* en
selecteer dan " Conference " in het
contextmenu dat verschijnt als u deze
toets indrukt.
Of druk deze toets even in.
06
Druk op deze toets.
Selecteer " Lijst met gekoppelde
randapparatuur " en bevestig uw
keuze.
U kunt nu:
-
verbinding maken met de
geselecteerde telefoon via " Verbinden "
of de verbinding " Verbreken ",
- de koppeling met de geselecteerde
telefoon verbreken.
U kunt ook alle koppelingen tegelijk verbreken.
TELEFONEREN
Beheer van telefoonverbindingen Beltonen instellen
Druk op deze toets.
Selecteer " Telefoonopties " en bevestig
uw keuze.
Selecteer " Opties beltonen " en
bevestig uw keuze.
U kunt het volume en het type beltoon
instellen.
Selecteer "Bluetooth-functies" .
Selecteer " OK " en bevestig uw keuze
om de wijzigingen op te slaan.
07
297
INDEX - ADDR BOOK
Toegang tot het menu "Contacten"
" Contacten weergeven "
(" Openen ", " Importeren ",
" Wissen ")
" Nieuw contact "
" Con guratie " (" Alle contacten
wissen ", " Alles importeren ",
" Synchronisatie-opties ")
" Staat van de contacten "
(maximaal 400)
Contactenlijst.
Bestemming:
- afkomstig van de contacten die in de mobiele telefoon en op de
SIM-kaart zijn opgeslagen (afhankelijk van de synchronisatie-opties
van het Bluetooth-menu en de compatibiliteit van de telefoon),
- opgeslagen in het systeem.
Selecteer een contact en bevestig uw keuze.
Selecteer vervolgens " Navigeren naar " en bevestig uw keuze.
Telefooncontacten:
- van de mobiele telefoon en de SIM-kaart (afhankelijk
van de synchronisatie-opties van het Bluetooth-menu
en de compatibiliteit van de telefoon),
- opgeslagen in het systeem.
Druk op ADDR BOOK .
Selecteer een telefooncontact en bevestig uw keuze om
het desbetreffende nummer te bellen.
De manier waarop de
contactenlijst geordend is,
hangt af van de gebruikte
telefoon.
" Contacten "
07
Een nieuw contact toevoegen / Synchroniseren met de telefoon
Druk twee keer op ADDR BOOK en
selecteer vervolgens " Nieuw contact "
om een nieuw contact op te slaan.
Druk twee keer op ADDR BOOK ,
selecteer vervolgens " Con guratie " en
bevestig uw keuze.
Selecteer " Alle contacten wissen "
om de opgeslagen contacten uit het
geheugen te verwijderen.
Selecteer " Alles importeren " om alle
contacten van de telefoon te importeren
en op te slaan.
Selecteer " Synchronisatie-opties " en
bevestig uw keuze:
- Geen synchronisatie: alleen de in het
geheugen van het systeem opgeslagen
contacten (altijd aanwezig).
-
Contacten van telefoon weergeven:
alleen de contacten die in het geheugen
van de telefoon zijn opgeslagen.
- Contacten van SIM-kaart weergeven:
alleen de contacten die op de SIM-
kaart van de telefoon zijn opgeslagen.
- Alle contacten weergeven: de
contacten die in het geheugen van
de telefoon én op de SIM-kaart zijn
opgeslagen.
Druk twee keer op ADDR BOOK en
selecteer vervolgens " Status van
contactengeheugen " als u wilt weten
hoeveel contacten er in het geheugen
zijn opgeslagen en hoeveel ruimte er nog
over is.
INDEX - ADDR BOOK
07
299
Een contact wijzigen, importeren of verwijderen
Druk twee keer op ADDR BOOK ,
selecteer vervolgens " Contacten
weergeven " en bevestig uw keuze.
Selecteer het gewenste contact en
bevestig uw keuze.
Selecteer " Importeren " om de
contacten naar het systeem te kopiëren.
Selecteer " Openen " om een extern
contact weer te geven of een opgeslagen
contact te wijzigen.
Selecteer " Verwijderen " en bevestig uw
keuze.
Een extern contact moet altijd eerst geïmporteerd worden voordat
u het kunt wijzigen. Het contact wordt in het geheugen van het
systeem opgeslagen. Contacten in het adresboek van de telefoon
of op de simkaart kunnen niet verwijderd of gewijzigd worden via de
Bluetooth-verbinding.
INDEX - ADDR BOOK
Selecteer OK of druk op deze toets om
dit menu te verlaten.
Via het menu " Contacten weergeven " kunnen de contacten één
voor één worden geïmporteerd of eruit worden verwijderd.
08

RADIO
Naar het menu "Radio"
" FM / AM-band / DAB "
" Wisselen tussen de band "
(" AM / FM / DAB ")
" Navigatie-opties " (" TA, RDS,
zendervolgsysteem FM / DAB ")
" Audio-instellingen "
(zie hoofdstuk)
" Radiolijst updaten "
Lijst met zenders in
alfabetische volgorde.
Druk op of of gebruik het draaiknopje om de
vorige of volgende zender van de lijst te kiezen.
Dit overzicht verschijnt ook als u de toets LIST op het
stuurwiel indrukt.
Wissel tussen het menu en de lijst (links/rechts).
of
Houd LIST even ingedrukt om
het overzicht van zenders te
verversen.
Druk op RADIO .
08
301
RADIO
Alfabetisch
Druk op RADIO of LIST , kies de
gewenste zender en bevestig uw keuze.
Automatisch zoeken
Druk op of om automatisch naar
lagere of hogere frequenties te zoeken.
Of draai het knopje van de bediening op
het stuur.
Handmatig zoeken
Druk op of om stapsgewijs naar
een andere frequentie te zoeken.
Selecteren van een zender
Er kunnen storingen in de ontvangst optreden door obstakels in de omgeving (bergen, gebouwen, tunnels, parkeergarages, enz.), ook als de
RDS-functie is ingeschakeld. Dit is een normaal verschijnsel en heeft niets te maken met een storing in de autoradio.
De kwaliteit van de ontvangst wordt aangegeven door het
aantal actieve golven in dit symbool.
Druk op RADIO of druk op " OK " om het
contextmenu weer te geven.
Selecteer " Veranderen van
frequentieband ".
Selecteer "AM / FM" en bevestig uw
keuze.
Veranderen van frequentieband
08
Druk op RADIO .
RDS inschakelen / uitschakelen
Als de RDS-functie is ingeschakeld, zoekt de radio steeds naar
de sterkste frequentie van een zender, zodat u ernaar kunt blijven
luisteren zonder dat u zelf de frequentie hoeft te wijzigen. Sommige
RDS-zenders zijn echter niet in het hele land te ontvangen, omdat de
frequenties van de zender niet het hele land dekken. Dit verklaart
dat de zender tijdens het rijden kan wegvallen.
Selecteer " Opties " en bevestig uw
keuze.
Schakel " RDS-volgsysteem " in of uit en
bevestig uw keuze.
RADIO
Druk op een van de toetsen van het
numerieke toetsenbord om de onder
dat nummer opgeslagen zender op te
vragen.
Of druk en draai aan het knopje op het
stuur.
Een zender opslaan
Houd, nadat u een zender hebt
geselecteerd, een van de toetsen van
het numerieke toetsenbord gedurende
2 seconden ingedrukt om deze zender
op te slaan in het geheugen.
Er klinkt een piepje ter bevestiging.
08
303
Druk op " RADIO ".
DAB (Digital Audio Broadcasting)
Digitale radio
Digitale radio zorgt voor een betere geluidskwaliteit en biedt de
mogelijkheid gra sche informatie weer te geven met actualiteiten
van de geselecteerde radiozender, wanneer u "Videomodus" hebt
geselecteerd onder "Voorkeursinstellingen radio" (Opties).
Via "multiplex/bundel" hebt u de keuze uit een aantal radiozenders
die in alfabetische volgorde zijn gerangschikt.
Selecteer " Golfbereik wijzigen " en bevestig.
Selecteer "DAB" en bevestig.
Digitale radio - Volgsysteem digitale
zender DAB/FM
Het "DAB" dekt niet het hele land.
Het "Volgsysteem digitale zender / FM" biedt de mogelijkheid om
bij slechte ontvangst van het digitale signaal automatisch over te
schakelen op de analoge radio "FM" (indien beschikbaar) zodat u
naar uw favoriete zender kunt blijven luisteren.
Wijzigen van een zender binnen dezelfde "multiplex/
bundel".
Handmatig zoeken naar "multiplex/bundel".
Druk op " RADIO ".
Selecteer " Opties " en bevestig.
Selecteer " FM/DAB " en bevestig.
Na het inschakelen van het "Volgsysteem digitale zender / FM" kan
het enkele seconden duren voordat het systeem overschakelt op de
analoge radio "FM" en kan het volume veranderen.
De weergave van de band "DAB" verandert in "DAB (FM)".
Zodra het digitale signaal weer stabiel genoeg is, schakelt de radio
automatisch weer over op digitale ontvangst "DAB".
Als de beluisterde "DAB"-zender niet beschikbaar is in "FM" (optie
" DAB/FM " grijs weergegeven), of als het "Volgsysteem digitale
zender / FM" niet is ingeschakeld, zal het geluid wegvallen als de
ontvangst van het digitale signaal slecht wordt.
RADIO
09

MULTIMEDIASPELERS
Naar het menu "Muziek-Media"
" MEDIA "
" Andere Media "
" Afspeelmodus " (" Normaal ",
" Willekeurig ", " Willekeurig op
elk medium ", " Herhalen ")
" Audio-instellingen " (zie het
desbetreffende hoofdstuk)
" AUX-ingang inschakelen/
uitschakelen "
Overzicht van de actuele
media.
Deze lijst verschijnt ook als u op toets LIST van
de bediening op het stuur drukt.
Wisselen van de lijst in het menu (links/rechts).
of
Druk op MEDIA .
09
305
MULTIMEDIASPELERS
CD, MP3-CD, USB-speler
De autoradio speelt bestanden met de extensie "wma, .aac, . ac,
.ogg, .mp3" met een bitrate van 32 kbps tot 320 kbps af.
Ook bestanden met een VBR (Variable Bit Rate) kunnen worden afgespeeld.
Geluidsbestanden met een andere extensie (.mp4, .m3u, ...) kunnen
niet worden afgespeeld.
WMA-bestanden moeten van het type WMA9 Standaard zijn.
De bemonsteringsfrequenties (sampling rates) zijn hoger dan 32 kHz.
Gebruik voor bestandsnamen maximaal 20 karakters en vermijd
speciale tekens (bijv.: " ", ?, ù) om problemen met het afspelen of de
weergave te voorkomen.
Selecteer bij het branden van een CD-R of CD-RW de standaard
ISO 9660 niveau 1, 2 of bij voorkeur Joliet om deze te kunnen
afspelen.
Als de CD in een ander formaat (udf,...) is gebrand, kan het zijn dat
deze niet goed wordt afgespeeld.
Het is raadzaam voor één CD niet meer dan één standaard voor het
branden te gebruiken. Stel de laagst mogelijke snelheid in (maximaal
4 x) voor een optimale geluidskwaliteit.
Voor het branden van een multisessie-CD is het raadzaam de
standaard Joliet te gebruiken.
Informatie en adviezen
Het systeem is geschikt voor externe geluidsdragers
(USB of iPod via USB-kabel - niet meegeleverd).
Indien een USB-stick die verscheidene partities bevat
wordt aangesloten op het systeem, wordt alleen de
eerste partitie herkend.
U kunt deze apparatuur bedienen via de audio-
installatie van de auto.
Het aantal tracks is beperkt tot een maximum van
2000, 999 tracks per map.
Als het stroomverbruik op de USB-poort boven
de 500 mA uitkomt, wordt het systeem in de
beschermmodus geschakeld en uitgezet.
Andere randapparatuur, die bij het aansluiten niet door
het systeem wordt herkend, moet met een kabel (niet
meegeleverd) op de Jack-plug worden aangesloten.
Een USB-stick moet geformatteerd zijn naar FAT 16 of 32 om te
kunnen worden afgespeeld.
Als tegelijkertijd een Apple
®
-speler en een USB-stick zijn aangesloten,
werkt het systeem niet.
Gebruik voor een goede werking bij voorkeur originele Apple
®
USB-kabels.
09
SRC
/
MULTIMEDIASPELERS
Audiobronnen
Plaats de CD in de speler, steek de USB-stick in de
USB-poort of sluit de USB-apparatuur via een kabel
(niet meegeleverd) op de USB-poort aan.
Het systeem maakt gebruik van afspeellijsten (in
het tijdelijke geheugen). Het maken van deze lijsten
kan enkele seconden of soms enkele minuten
duren nadat het apparaat voor de eerste keer is
aangesloten.
Het verwijderen van alle andere dan
muziekbestanden en het verminderen van het
aantal afspeellijsten zal het aanmaken van deze
afspeellijsten versnellen.
De afspeellijsten worden iedere keer na het
opnieuw aanzetten van het contact of het aansluiten
van een USB-stick vernieuwd. De autoradio slaat
de lijsten echter wel op en als ze niet zijn gewijzigd,
is de laadtijd korter. Het afspelen volgt na een korte
tijd, afhankelijk van de capaciteit van de USB-stick.
Geluidsbron kiezen
Via de toets SOURCE of SRC op het stuur kunt u van de ene naar
de andere geluidsbron overschakelen.
" CD/CD MP3 "
" USB, iPod "
" AUX " " STREAMING "
" RADIO "
Druk op MEDIA voor weergave van het
menu " MEDIA ".
Selecteer " Andere Media " en bevestig
uw keuze.
09
/
/
//
//
/
+/
-
+
/
307
Een track selecteren
MULTIMEDIASPELERS
Vorige track.
Volgende track.
Vorige afspeellijst.
Volgende afspeellijst.
Snel vooruit.
Snel achteruit.
Pauze: twee keer indrukken van de
toets Vol+/Vol- op het stuurwiel of Mute
op het bedieningspaneel.
LIST: Overzicht van tracks en
afspeellijsten op USB of CD
Omhoog en omlaag in de lijst.
Bevestigen, verder in de menustructuur.
Terug in de menustructuur.
Even ingedrukt houden
Even ingedrukt houden
09
Streaming audio
Streaming audio biedt de mogelijkheid om muziekbestanden op de
telefoon via de audio-installatie in de auto af te spelen.
Maak een verbinding met de telefoon: zie het hoofdstuk
"TELEFONEREN".
Kies het pro el " Audio " of " Alle ".
Als de weergave niet automatisch begint, kan het zijn dat u de
audioweergave moet starten via de telefoon.
Het bedienen is mogelijk via de randapparatuur of met de toetsen van
de autoradio.
Als de streaming audio eenmaal is gestart, wordt uw telefoon als een
geluidsbron beschouwd.
Wij adviseren de functie " Herhalen " voor Bluetooth-apparatuur in te
schakelen.
MULTIMEDIASPELERS
APPLE
®
-speler aansluiten
Sluit een Apple
®
-speler met behulp van een geschikte kabel (niet
meegeleverd) aan op de USB-aansluiting.
Het afspelen begint automatisch.
De bediening gebeurt via de audio-installatie in de auto.
De beschikbare indeling is die van het aangesloten apparaat
(artiesten / albums / genres / playlists / audiobooks / podcasts).
De standaardindeling is de indeling per artiest. Om dit te veranderen
moet u terug naar het eerste niveau in de structuur om vervolgens
een andere indeling te selecteren (bijvoorbeeld playlists). Bevestig uw
keuze voordat u in de structuur weer afzakt naar de gewenste track.
De modus "Shuf e tracks" bij de iPod
®
correspondeert met de modus
"Random" bij de autoradio.
De modus "Shuf e album" bij de iPod
®
correspondeert met de modus
"Random all" bij de autoradio.
De modus "Shuf e tracks" wordt standaard weergegeven bij
aansluiten van het apparaat.
De softwareversie van de autoradio kan incompatibel zijn met de
generatie van uw Apple
®
-speler.
09
309
MULTIMEDIASPELERS
AUX-ingang gebruiken
Audiokabel niet meegeleverd
Sluit het externe apparaat (MP3-speler enz.) met een geschikte kabel
aan op de JACK-aansluiting.
Druk op MEDIA voor weergave van het
menu " MEDIA ".
Selecteer " AUX-ingang inschakelen/
uitschakelen " en bevestig uw keuze.
Stel eerst het volume van het externe
apparaat in (luid). Regel daarna het
volume van de audioinstallatie in de
auto.
De bediening gebeurt via het externe apparaat.
10 AUDIO-INSTELLINGEN
Deze zijn op te vragen met de toets
MUSIC op het bedieningspaneel of door
de toets RADIO of MEDIA (afhankelijk
van de geluidsbron) even ingedrukt te
houden.
- " Klankkleur " (6 verschillende opties)
- " Bassen "
- " Hoge tonen "
- " Loudness " (In-/uitschakelen)
- " Verdeling " (" Bestuurder ", " Alle passagiers ")
- " Balans " (Links/Rechts)
- " Fader " (Voor/Achter)
- " Autom. volume " afhankelijk van de rijsnelheid (In-/uitschakelen)
De ( Klankkleur , Bassen , Hoge tonen en Loudness ) zijn voor elke
geluidsbron apart in te stellen.
De instellingen van de verdeling van het geluid en de balans zijn voor
alle geluidsbronnen gelijk.
De verdeling van het geluid (of de ruimtelijke verdeling dankzij het
Arkamys
©
-systeem) in de auto is belangrijk voor de kwaliteit van de
weergave en kan worden afgestemd op het aantal inzittenden.
Geïntegreerd audiosysteem: Sound Staging van Arkamys
©
.
Dankzij het Sound Staging-systeem krijgen de bestuurder en de
passagiers het gevoel bij een live-uitvoering aanwezig te zijn: het
geluid lijkt van voren te komen en omgeeft de inzittenden volledig.
Deze nieuwe ervaring wordt mogelijk gemaakt door de software van
de autoradio die de digitale signalen van de mediaspelers (radio,
CD, MP3, ...) bewerkt zonder dat de instellingen van de luidsprekers
veranderd hoeven te worden. Bij de bewerking van de signalen wordt
rekening gehouden met de vorm van het interieur, zodat de muziek
optimaal wordt weergegeven.
De Arkamys
©
-software in uw autoradio bewerkt het digitale signaal
van alle mediaspelers (autoradio, CD, MP3, enz.) waardoor een
natuurlijke geluidsweergave wordt verkregen, waarbij het geluid
van voren, ter hoogte van de voorruit, lijkt te komen waardoor zowel
stemmen als muziekinstrumenten optimaal tot hun recht komen.
11
311
CONFIGURATIE
Weergave instellen
Druk op SETUP voor het menu
" Con guratie ".
Selecteer " Kies de kleur " en bevestig
uw keuze om de weergave van de
kleuren en de kaart op het scherm in te
stellen:
- stand "Dag",
- stand "Nacht",
- automatische dag/nacht-stand,
op basis van het branden van de
verlichting.
Selecteer " Lichtsterkte instellen " en
bevestig uw keuze om de lichtsterkte in
te stellen.
Druk op " OK " om de wijzigingen op te
slaan.
De instellingen voor dag en nacht zijn
onafhankelijk van elkaar.
Selecteer " Con guratie weergave "
en bevestig uw keuze.
11
Druk op SETUP voor het menu
" Con guratie ".
Verander de instellingen één voor één.
Selecteer vervolgens " OK " op het
scherm en bevestig de wijzigingen om
ze in het geheugen op te slaan.
Selecteer " Parameters auto " en
bevestig uw keuze.
Configuratie van de auto
CONFIGURATIE
MENU "SETUP"
Parameters auto
Hulp bij het rijden
Inschakelen ruitenwisser achter bij
inschakelen achteruitversnelling
Automatische parkeerrem
1
2
Opgeslagen snelheden
3
3
3
Toegang auto
2
Selectiviteit van de opengaande delen
3
Rijverlichting
2
Verlichting overdag
3
Meedraaiende koplampen
3
Comfortverlichting
2
Instapverlichting
3
Follow me home-verlichting
3
12
313
MENU "Navigatie"
Adres invoeren
Een bestemming kiezen
Index
GPS-coördinaten (Opslaan)
Etappes en route
Een etappe toevoegen
Adres invoeren
Index
Laatste bestemmingen
Etappes Ordenen / Wissen
Alternatieve route
Gekozen bestemming
Navigatie-opties
De niëren rekencriteria
Instellen gesproken berichten
Laatste bestemmingen wissen
Kaartbeheer
Oriëntering van de kaart
TMC-zender kiezen
TMC automatisch volgen
TMC handmatig volgen
Lijst van TMC-zenders
Verkeersinformatie aan / uit
MENUSTRUCTUUR/MENUSTRUCTUREN DISPLAY(S)
BASISFUNCTIE
Keuze A1
Keuze A11
Keuze A
Keuze B...
Gegevens van de kaart
De kaart verplaatsen / "Volgen auto"
Cartogra e en update
Beschrijving van bestand met risicogebieden
Navigatie stoppen / hervatten
MENU
"VERKEERSINFORMATIE"
Geografisch filter
Bewaar alle berichten
Bewaar de berichten
Rondom de auto
Op de route
Risicozones instellen
1
2
1
2
2
2
1
2
2
3
3
1
1
3
3
2
2
2
2
1
3
1
1
2
2
2
2
2
2
2
2
2
2
2
1
2
1
2
12
MENUSTRUCTUUR/MENUSTRUCTUREN DISPLAY(S)
Bellen
Contacten
Telefoonopties
Opties beltonen
MENU "TELEFOON"
1
2
1
1
3
3
2
1
3
3
2
2
1
2
2
2
1
1
2
2
2
1
3
3
3
3
1
2
2
1
1
3
3
3
3
3
3
2
Configuratie
Alle contacten wissen
Alles importeren
Synchronisatie-opties
Geen synchronisatie
MENU "CONTACTEN"
Contacten weergeven
Openen
Importeren
Wissen
Nieuwe contact
Omgeving
MENU "RADIO"
Volgende band
Opties
TA inschakelen / uitschakelen
RDS inschakelen / uitschakelen
Audio-instellingen
Contacten van telefoon weergeven
Contacten van SIM-kaart weergeven
Staat van de contacten
Alle contacten weergeven
Bluetooth-functies
Lijst met gekoppelde randapparatuur
Verbinden
Verbreken
Wissen
Randapparatuur zoeken
Alles wis.
Naam van radiotelefoon wijzigen
Geen
Klassiek
Jazz
Rock
Techno
Spraak
12
315
MENUSTRUCTUUR/MENUSTRUCTUREN DISPLAY(S)
2
3
3
1
4
2
2
1
4
4
2
2
1
1
1
2
1
1
2
2
2
2
2
2
2
3
3
2
2
2
1
Willekeurig op hele medium
Herhalen
Audio-instellingen (idem RADIO)
AUX-ingang inschakelen /
uitschakelen
MENU "MEDIA"
Volgende medium
USB-medium uitwerpen
Afspeelmodus
Normaal
Willekeurig Alle passagiers
Balans L-R
Balans V-A
Autom. volume
Radiolijst updaten
Lage tonen
Hoge tonen
Volume
Verdeling
Bestuurder
Nachtstand
Dag/Nacht auto
Lichtsterkte instellen
Datum en tijd instellen
MENU "SETUP"
Configuratie display
Kies de kleur
Harmonie
Cartogra e
Dagstand
Spraaksynthese
Volume van de instructies
Mannenstem kiezen /
Vrouwenstem kiezen
1
Parameters auto
De parameters zijn afhankelijk van de
uitvoering van uw auto (zie hoofdstuk
"Con guratie").
VEELGESTELDE VRAGEN
In de volgende tabel vindt u de antwoorden op de meest gestelde vragen over uw radio.
VRAAG ANTWOORD OPLOSSING
De route wordt niet
berekend.
De criteria kunnen tegenstrijdig zijn met de huidige plaatsbepaling (bijv.
geen tolwegen terwijl de auto zich op een autosnelweg met tol bevindt).
Controleer de criteria in het Menu "Navigatie"\
"Opties"\"Rekencriteria de niëren".
Ik kan mijn postcode niet
invoeren.
Dit systeem werkt alleen met postcodes van maximaal 5 karakters.
De POI's worden niet
aangegeven.
De POI's zijn niet geselecteerd. Selecteer de POI's in de lijst met POI's.
Het geluidssignaal van
de "Risicogebieden"
functioneert niet.
Het geluidssignaal is niet geactiveerd. Activeer het geluidssignaal in het menu "Navigatie"\
"Opties"\"Risicogebieden instellen".
Het systeem stelt bij
belemmeringen geen
alternatieve routes voor.
Er wordt geen rekening gehouden met de actuele verkeersinformatie. Selecteer de functie "Verkeersinformatie" in het
overzicht met criteria.
Ontvangst van een
melding van een
"Risicogebied" dat niet op
mijn route ligt.
Het systeem meldt alle "Risicogebieden" die zich buiten de route in
een bepaalde zone rondom de auto bevinden. Hierdoor worden ook
"Risicogebieden" gesignaleerd die zich op nabij gelegen routes of op
parallelbanen bevinden.
Zoom in op de kaart om de exacte positie van het
"Risicogebied" te kunnen bepalen. Selecteer "Op
de route" om de waarschuwingen buiten de route
uit te schakelen of om de tijdsduur tussen het
moment van de melding en het passeren van het
risicogebied te verkorten.
317
VEELGESTELDE VRAGEN
VRAAG ANTWOORD OPLOSSING
Sommige les op de
route worden niet direct
gemeld.
Bij het opstarten heeft het systeem enkele minuten nodig om de
verkeersinformatie te ontvangen.
Wacht tot de verkeersinformatie goed wordt
ontvangen (weergave van de icoontjes van de
verkeersinformatie op de kaart).
Het lter is te krap ingesteld. Verander de instellingen via "Geogra sch lter".
In bepaalde landen is alleen voor de hoofdwegen (autosnelwegen...)
verkeersinformatie beschikbaar.
Dit is een normaal verschijnsel. Het systeem is
afhankelijk van de beschikbare verkeersinformatie.
De hoogte wordt niet
weergegeven.
Bij het opstarten kan de initialisatie van het GPS tot 3 minuten duren
voordat er meer dan 4 satellieten correct worden ontvangen.
Wacht tot het systeem volledig is opgestart.
Controleer of het GPS van ten minste 4 satellieten
een signaal ontvangt (druk lang op de toets
SETUP, selecteer vervolgens "GPS-bereik").
De kwaliteit van de GPS-ontvangst kan worden beïnvloed door de
omgeving (tunnel...) en het weer.
Dit is een normaal verschijnsel. De werking van het
systeem is afhankelijk van de ontvangst van het
GPS-signaal.
Het lukt me niet om mijn
Bluetooth-telefoon te
koppelen.
Het is mogelijk dat de Bluetooth-functie van de telefoon is uitgeschakeld of
dat uw telefoon niet zichtbaar is voor het systeem.
- Controleer of de Bluetooth-functie van uw
telefoon is ingeschakeld.
- Controleer bij de instellingen van uw telefoon
of deze op "Vind mij" staat.
De Bluetooth-telefoon is niet compatibel met het systeem. U kunt controleren of uw telefoon compatibel is op
www.citroen.nl (Services).
Het signaal van de
aangesloten Bluetooth-
telefoon is niet hoorbaar.
Het geluid is afhankelijk van zowel het systeem als de telefoon. Verhoog het volume van de radio eventueel tot het
maximum en verhoog het geluidsniveau van de
telefoon indien nodig.
Het geluid wordt verstoord door omgevingsgeluiden. Beperk het omgevingsgeluid (ramen sluiten,
aanjager lager zetten, snelheid verminderen enz.).
VEELGESTELDE VRAGEN
VRAAG ANTWOORD OPLOSSING
Sommige contacten
komen dubbel voor in de
lijst.
Bij het synchroniseren worden de contacten op de simkaart en/of die in het
geheugen van de telefoon overgenomen. Als beide geheugens worden
gesynchroniseerd kan het voorkomen dat sommige contacten dubbel
worden overgenomen.
Kies "Contacten van simkaart weergeven" of
"Contacten van telefoon weergeven".
De contacten worden niet
in alfabetische volgorde
weergegeven.
Sommige telefoons hebben speciale weergave-opties. Afhankelijk van
de instellingen kunnen contacten in een bepaalde volgorde worden
overgenomen.
Verander de instellingen voor de weergave van
contacten in de telefoon.
Het systeem ontvangt
geen SMS-berichten.
De Bluetooth-functie stuurt geen SMS-berichten door naar het systeem.
De CD wordt steeds
uitgeworpen of kan niet
worden afgespeeld door
de CD-speler.
De CD is ondersteboven in de speler geplaatst, kan niet worden gelezen,
bevat geen audiobestanden of bevat audiobestanden die niet door de
autoradio gelezen kunnen worden.
- Controleer of de CD op de juiste wijze in de speler is
geplaatst.
- Controleer de staat van de CD: de CD kan niet worden
gelezen als deze te veel is beschadigd.
- Controleer de inhoud van de CD als deze zelf is
gebrand: raadpleeg de informatie en tips in de rubriek
"MULTIMEDIASPELERS".
- De CD-speler van de autoradio kan geen DVD's afspelen.
- De kwaliteit van sommige zelfgebrande CD's is
onvoldoende om deze door de autoradio te laten afspelen.
De gebrande CD is niet compatibel met de CD-speler (UDF, ...).
De CD is voorzien van een beveiligingssysteem dat niet door de audio-
installatie wordt herkend.
Na het laden van een CD
of het aansluiten van een
USB-stick moet u enige
tijd wachten.
Bij het plaatsen van een nieuwe gegevensdrager leest het systeem een
aantal gegevens uit (index, titel, artiest, enz.). Dit kan enkele seconden tot
enkele minuten duren.
Dit is een normaal verschijnsel.
De CD-speler levert een
slechte geluidskwaliteit.
De gebruikte CD is gekrast of van slechte kwaliteit. Gebruik alleen CD's van goede kwaliteit en berg ze
zorgvuldig op.
De audio-instellingen (bassen, hoge tonen, klankkleur) zijn niet op de CD-
speler afgestemd.
Zet het niveau van de bassen of de hoge tonen op
0 en kies geen klankkleur.
319
VEELGESTELDE VRAGEN
VRAAG ANTWOORD OPLOSSING
Soms wordt de informatie
tijdens de weergave van
een mediaspeler niet
correct weergegeven.
De audio-installatie kan sommige karakters niet weergeven. Gebruik standaard karakters voor de benaming van
nummers en afspeellijsten.
Bij streaming audio start
het lezen van bestanden
niet.
De aangesloten randapparatuur biedt geen mogelijkheid om het lezen
automatisch te starten.
Start het afspelen via de aangesloten
randapparatuur.
De namen van de
nummers en de speelduur
verschijnen niet op het
scherm bij streaming audio.
De Bluetooth-verbinding biedt deze mogelijkheid niet.
De ontvangstkwaliteit
van de beluisterde
radiozender neemt
geleidelijk af of de
voorkeuzezenders
kunnen niet worden
ontvangen (geen
geluid, 87,5 Mhz wordt
weergegeven...).
De auto bevindt zich te ver van de zender van het beluisterde radiostation
of er bevindt zich geen zender in het gebied waarin de auto zich bevindt.
Activeer de functie "RDS" via het snelmenu om
het systeem te laten controleren of er een sterkere
zender in het gebied aanwezig is.
De omgeving waarin u rijdt (bergen, hoge gebouwen, bruggen, tunnels enz.)
kan leiden tot een slechte ontvangst, ook als de RDS-functie is ingeschakeld.
Dit is een normaal verschijnsel en heeft niets te
maken met een storing in de radio.
De antenne is niet aanwezig of beschadigd (bijvoorbeeld in een wasstraat
of een parkeergarage).
Laat de antenne controleren door het CITROËN-
netwerk.
Ik kan sommige
opgeslagen zenders uit
de lijst niet ontvangen.
De zender wordt niet meer ontvangen of de naam van de zender in de lijst
is veranderd.
Sommige zenders sturen in plaats van een naam andere informatie mee
(titel van het actuele nummer enz.).
Het systeem beschouwt deze informatie als de naam van de zender.
De naam van de zender
verandert.
VEELGESTELDE VRAGEN
VRAAG ANTWOORD OPLOSSING
Na het instellen van de
bassen en hoge tonen is
de geluidssfeer niet meer
geselecteerd.
De geluidssfeer is gekoppeld aan de bassen en hoge tonen.
Het is niet mogelijk deze afzonderlijk van elkaar in te stellen.
Wijzig de instelling van de bassen en de hoge
tonen of de geluidssfeer om de gewenste
geluidskwaliteit te verkrijgen.
Na het selecteren van
een geluidssfeer staan
de bassen en hoge tonen
weer op 0.
Bij het veranderen van
de balans wordt de
gekozen geluidsverdeling
uitgeschakeld.
De geluidsverdeling is gekoppeld aan de balans.
Het is niet mogelijk deze afzonderlijk van elkaar in te stellen.
Wijzig de instelling van de balans of de
geluidsverdeling om de gewenste geluidskwaliteit
te verkrijgen.
Bij het veranderen van de
geluidsverdeling worden
de instellingen van de
balans uitgeschakeld.
Er is een verschil in
geluidskwaliteit tussen
de verschillende
geluidsbronnen (radio,
CD...).
Voor een optimaal luistergenot kunt u de audio-instellingen (Volume,
Bassen, Hoge tonen, Klankkleur, Loudness) voor elke geluidsbron
afzonderlijk instellen. Hierdoor kunnen bij het selecteren van een andere
geluidsbron (radio, CD...) verschillen in de geluidskwaliteit hoorbaar zijn.
Controleer of de audio-instellingen (Volume,
Bassen, Hoge tonen, Klankkleur, Loudness) zijn
afgestemd op de verschillende geluidsbronnen.
Het is raadzaam de AUDIO-functies (Bassen, Hoge
tonen, Fader, Balans) in de middelste stand te
zetten, de klankkleur "Lineair" te selecteren en de
functie Loudness AAN te zetten als de CD-speler
is geselecteerd en UIT te zetten als de radio is
geselecteerd.
321
VRAAG ANTWOORD OPLOSSING
Na het afzetten van
de motor wordt het
systeem na enkele
minuten automatisch
uitgeschakeld.
Als de motor is afgezet, blijft het systeem nog werken zolang de
laadtoestand van de accu dat toestaat.
Het automatisch uitschakelen duidt erop dat de eco-mode van het systeem
is geactiveerd om te voorkomen dat de accu van de auto ontladen raakt.
Start de motor om de accu op te laden.
Het afspelen van de
muziek op mijn USB-
stick begint pas na lang
wachten (ongeveer 2 tot
3 minuten).
Door bepaalde bestanden die standaard op een USB-stick kunnen staan
kan het erg lang duren tot de muziek op de USB-stick wordt afgespeeld (tot
10 keer de fabrieksopgave).
Wis de bestanden die standaard op de USB-stick
staan en beperk het aantal submappen in de
mappenstructuur van de USB-stick.
Als ik met mijn iPhone
verbinding maak met
de telefoonfunctie en ik
hem gelijktijdig op de
USB-poort aansluit, kan ik
de muziekbestanden niet
afspelen.
Als de iPhone automatisch verbinding maakt met de telefoonfunctie,
forceert deze de streamingfunctie. De streamingfunctie krijgt voorrang
boven de USB-functie die daardoor niet gebruikt kan worden. Bij
apparatuur van Apple
®
wordt in dat geval een gedeelte van de track niet
afgespeeld.
Koppel de USB-aansluiting los en sluit deze weer
aan (de USB-functie krijgt dan voorrang boven de
streamingfunctie).
Als ik mijn Apple
®
of BlackBerry
®
smartphone aansluit op
de USB-poort, krijg ik
waarschuwingsmeldingen
over het elektrische
verbruik via de USB-poort.
Tijdens het opladen is het verbruik van deze smartphones hoger dan
500 mA, de maximale capaciteit van de USB-poort.
VEELGESTELDE VRAGEN
323
Het systeem is zodanig gecodeerd dat het alleen in uw
auto werkt.
AUDIO-INSTALLATIE/BLUETOOTH
01 Basisfuncties
Om veiligheidsredenen mag de bestuurder handelingen
die zijn volledige aandacht vragen uitsluitend uitvoeren
bij stilstaande auto.
Enkele minuten na het afzetten van de motor kan de
autoradio zichzelf uitschakelen om te voorkomen dat de
accu ontladen raakt.
INHOUD
02 Bediening op het stuurwiel
03 Hoofdmenu
04 Audio
05 Telefoon
06 Audio-instellingen
07 Menustructuur display
Veelgestelde vragen
blz.
blz.
blz.
blz.
blz.
blz.
blz.
blz.
324
325
326
327
337
345
346
348
01
Aan/uit.
BASISFUNCTIES
Volumeregeling.
Selecteren van de weergave
op het display:
Volledig scherm: Audio
(of telefoon als er een
gesprek gaande is)/
Verkleind scherm: Audio
(of telefoon als er een
gesprek gaande is) - Tijd of
Boordcomputer.
Lang indrukken: scherm uit
(DARK).
Selecteren van het golfbereik
AM/FM.
Selecteren van
een opgeslagen
voorkeuzezender.
Lang indrukken:
opslaan van een zender
als voorkeuzezender.
Weergave van de lijst met ontvangen
radiozenders, nummers of CD/MP3-
speellijsten.
Lang indrukken: ordenen van MP3-/
WMA-bestanden / bijwerken van de
lijst met ontvangen radiozenders.
Functie TA
(verkeersinformatie) aan/uit.
Lang indrukken: toegang tot
de soort informatie.
Bevestigen of
weergave van het
snelmenu.
Automatisch zoeken naar zenders
in a opende/oplopende volgorde.
Selecteren van het vorige/
volgende nummer van de CD,
USB, Streaming audio.
Navigeren in een lijst.
Annuleren van de bewerking.
Omhoog in de menustructuur
(menu of afspeellijst).
Stapsgewijs zoeken naar een radiozender met
een lagere/hogere frequentie.
Selecteren van de vorige/volgende
MP3-afspeellijst.
Selecteren van de vorige/volgende map/
muziekstijl/artiest/playlist van het USB-
apparaat.
Navigeren in een lijst.
Selecteren van de
geluidsbron:
Radio, CD, AUX, USB,
Streaming.
Aannemen van een
inkomende oproep.
Toegang tot het hoofdmenu.
Instellen van de audio-opties:
klankkleur, hoge tonen, bassen,
loudness, geluidsverdeling,
balans links/rechts, voor/
achter, snelheidsafhankelijke
volumeregeling.
02
SRC



+
-
325
STUURKOLOMSCHAKELAARS
- Draaien.
Radio: automatische selectie van
vorige/volgende zender.
Media: volgende/vorige track.
- Indrukken om te bevestigen.
- Geluidsbron wijzigen.
- Toets TEL (kort indrukken):
Binnenkomend gesprek aannemen.
Tijdens een telefoongesprek:
toegang tot het menu Telefoon:
Gesprek beëindigen, privé-modus,
handsfree functie.
- Toets TEL (even ingedrukt houden):
Binnenkomend gesprek weigeren of
telefoongesprek beëindigen.
Buiten een telefoongesprek om:
toegang tot het menu Telefoon
(nummer kiezen, contacten, lijst met
gesprekken, voice mail).
- Volume verhogen.
- Volume verlagen.
- Kort indrukken:
Radio: weergave van zenders.
Media: weergave van tracklist.
- Lang indrukken: lijst met ontvangen
zenders vernieuwen.
03
ALGEMEEN MENU
" Telefoon ": Bellen, Beheer
adresboek, Beheer telefoon,
Ophangen
Raadpleeg voor een compleet
overzicht van de beschikbare
menu's de rubriek "Menustructuur
display".
" Bluetooth-verbinding ":
Verbindingen beheren, Extern
apparaat zoeken.
" Multimedia ": Parameters media,
Radio-instellingen.
" Persoonlijke instellingen - Con guratie ":
Parameters van auto de niëren, Taalkeuze,
Con guratie display, Keuze van eenheden,
Datum en tijd instellen
> Display C
04

327
AUDIO
Druk een paar keer achter elkaar op
SOURCE of SRC om de radiofunctie te
selecteren.
Druk op BAND om het golfbereik te
selecteren.
Druk op LIST voor een overzicht van
de opgeslagen zenders in alfabetische
volgorde.
Druk een keer om naar de volgende of
vorige letter te gaan (bijv.: A, B, D, F, G,
J, K, ...).
Radio
Selecteer de gewenste zender en
bevestig uw keuze door op OK te
drukken.
Selecteren van een zender
Houd LIST even ingedrukt om een
nieuwe lijst met voorkeuzezenders te
maken; de radio-ontvangst wordt dan
tijdelijk onderbroken.
De omgeving waarin u rijdt (bergen, hoge gebouwen, bruggen,
tunnels enz.) kan leiden tot een slechte ontvangst, ook als de RDS-
functie is ingeschakeld. Dit is een normaal verschijnsel en heeft
niets te maken met een storing in de radio.
04
Als de RDS-functie is ingeschakeld, zoekt de radio steeds naar de
sterkste frequentie van een zender, zodat u ernaar kunt blijven luisteren.
Sommige RDS-zenders zijn echter niet in het hele land te ontvangen,
omdat de frequenties van de zender niet het hele land dekken. Dit
verklaart dat de zender tijdens het rijden kan wegvallen.
AUDIO
RDS
Verkeersinformatie beluisteren TA
De functie TA (Traf c Announcement) geeft voorrang aan het luisteren
naar verkeersberichten. Om te worden geactiveerd moet deze functie een
radiozender die deze berichten uitzendt, goed kunnen ontvangen. Zodra een
verkeersbericht wordt uitgezonden, wordt de geluidsbron die op dat moment
wordt weergegeven (Radio, CD, USB, ...) automatisch onderbroken en wordt
het verkeersbericht weergegeven. Zodra het verkeersbericht is afgelopen,
wordt de weergave van de oorspronkelijke geluidsbron hervat.
Druk op TA INFO om de weergave
van verkeersinformatie in- of uit te
schakelen.
Druk als de radiogegevens op het
scherm worden weergegeven op OK
om naar het contextmenu te gaan.
Selecteer " RDS " en bevestig uw keuze.
Op het scherm verschijnt " RDS ".
De functie INFO geeft voorrang aan de verkeersinformatie.
Om te kunnen functioneren moet er op een zender die dit soort
informatie meestuurt, afgestemd zijn en moet het signaal sterk
genoeg zijn. Zodra er een bericht verschijnt, wordt de weergave
van de geluidsbron (Radio, CD, USB ...) automatisch onderbroken
om het bericht weer te geven. Na a oop van het bericht wordt de
geluidsweergave weer hervat.
Houd de toets TA INFO even ingedrukt
voor een overzicht van categorieën.
Berichten beluisteren
Selecteer één of meerdere categorieën
of maak een selectie ongedaan om
de ontvangst van de desbetreffende
berichten in of uit te schakelen.
04
329
AUDIO
Druk als de radiogegevens op het
scherm worden weergegeven op OK om
naar het contextmenu te gaan.
Selecteer " RadioText (TXT) " en
bevestig uw keuze met OK .
Tekstberichten weergeven
Tekstberichten worden door een radiozender tijdens het luisteren
naar de muziek meegestuurd.
Display C
04 AUDIO
Audio-CD
Gebruik alleen ronde CD's met een diameter van 12 cm.
Bepaalde beveiligingssystemen op de originele CD of zelfgebrande
CD's kunnen storingen veroorzaken, ongeacht de kwaliteit van de
CD-speler.
Plaats zonder op de toets EJECT te drukken een CD in de CD-speler;
deze zal de CD automatisch afspelen.
Als er in de CD-speler al een CD is
geplaatst die u wilt beluisteren, druk dan
herhaalde malen op de toets SOURCE
of SRC en selecteer " CD ".
Druk op een van de toetsen om een
nummer van de CD te selecteren.
Een CD afspelen
Druk op de toets LIST om de lijst met
nummers van de CD weer te geven.
Houd een van de toetsen ingedrukt om
versneld vooruit of terug te spoelen.
04
331
AUDIO
CD, USB
Informatie en tips
Op deze schijf kunt u ook 255 MP3-bestanden zetten, verdeeld over
8 niveaus. Wij raden echter aan om ze over hooguit 2 niveau's te
verdelen om de duur van het lezen van de CD beperkt te houden.
Bij het lezen van de CD wordt de menustructuur genegeerd.
Selecteer voor het branden van een CD-R of CD-RW de standaard
ISO 9660 niveau 1, 2 of bij voorkeur Joliet om deze te kunnen
afspelen.
Als de CD in een ander formaat is gebrand, kan het zijn dat deze niet
goed wordt afgespeeld.
Het is raadzaam voor één CD niet meer dan één standaard voor het
branden te gebruiken. Stel de laagst mogelijke snelheid (maximaal 4x)
in voor een optimale geluidskwaliteit.
Voor het branden van een multisessie-CD is het raadzaam de
standaard Joliet te gebruiken.
Sluit geen externe harde schijf of USB-apparaten die niet bestemd zijn
voor audioweergave aan op de USB-poort; hierdoor zou namelijk de
audio-installatie beschadigd kunnen raken.
De autoradio speelt uitsluitend bestanden met de extensie ".mp3"
of "wma" met een vaste of variabele compressie van 32 Kbps tot
320 Kbps.
Gebruik voor bestandsnamen maximaal 20 karakters en gebruik
geen speciale tekens (bijv.: " ", ?, ù) om problemen met het afspelen
of de weergave te voorkomen.
Playlists moeten van het type .m3u of .pls zijn.
Het maximum aantal bestanden bedraagt 5.000 verdeeld over
500 afspeellijsten op maximaal 8 verschillende niveaus.
04
CD, USB
AUDIO
Een playlist afspelen
Plaats een MP3-CD in de speler of sluit
een USB-apparaat rechtstreeks of met een
kabeltje aan op de USB-aansluiting.
Het systeem leest alle afspeellijsten en slaat ze op in het tijdelijke
geheugen; dit kan enkele seconden tot enkele minuten duren.
Elke keer als het contact wordt aangezet en als er een nieuwe
verbinding via de USB-stick wordt gemaakt, worden de
afspeellijsten bijgewerkt.
Het afspelen begint vanzelf na enige tijd; hoe lang dit duurt is
afhankelijk van de capaciteit van de USB-stick.
De eerste keer dat er verbinding wordt gemaakt, wordt
voorgesteld om een indeling per bestand te maken.
Als er later opnieuw verbinding wordt gemaakt, blijft de
bestaande indeling behouden.
Als er al een CD in het apparaat zit of
een USB-stick is aangesloten die u wilt
beluisteren, druk dan een paar keer op
SOURCE of SRC en kies dan " CD " of
" USB ".
Druk op een van de toetsen om
het vorige of volgende nummer te
selecteren.
Druk op een van de toetsen om de
vorige of volgende afspeellijst te kiezen.
Houd een van de toetsen ingedrukt om
snel vooruit of terug te spelen.
Druk op LIST om de menustructuur van
de bestanden weer te geven.
04
333
Selecteer een regel uit de lijst.
Selecteer een nummer of een bestand.
Naar het volgende/vorige muziekstuk.
Omhoog in de menustructuur.
AUDIO
USB-stick - Afspeellijsten indelen
Druk na het kiezen van de indeling
(" Per map "/" Per artiest "/" Per genre "/
" Per playlist ") op OK .
Druk vervolgens nogmaals op OK om de
wijzigingen op te slaan.
- Per map : alle mappen met audio-
bestanden worden in een algemeen
overzicht en alfabetisch geordend
weergegeven, zonder dat daarbij rekening
is gehouden met de mappenstructuur.
- Per artiest : alle artiestennamen worden
weergegeven in ID3 Tag en in alfabetische
volgorde.
- Per genre : alle genres worden
weergegeven in ID3 Tag.
- Per playlist : zoals weergegeven in de
playlist.
Druk even op LIST of op MENU ,
selecteer " Multimedia ", dan
" Parameters media " en ten slotte
" Indeling afspeellijst kiezen " om de
indelingen weer te geven.
04 AUDIO
Het bedienen van de randapparatuur gebeurt via de audio-installatie
in de auto.
U kunt audio-bestanden op een Mass Storage Device *
via de luidsprekers van de audio-installatie in de auto
beluisteren door het apparaat met een geschikte kabel
(niet meegeleverd) op de USB-poort aan te sluiten.
Als de speler bij het aansluiten op de USB-poort niet wordt herkend,
sluit deze dan aan op de JACK-aansluiting.
Zorg voor een regelmatige update van de software van de Apple
®
-
speler om zeker te zijn van een goede verbinding.
De afspeellijsten zijn dezelfde als die op de Apple
®
-speler.
De Apple
®
-speler moet er een van de vijfde generatie of een
recentere versie zijn.
* Raadpleeg de gebruiksaanwijzing van uw speler.
APPLE
®
-Spelers of Mass Storage Device
04
335
AUDIO
Aux-ingang (AUX)
JACK-aansluiting
Sluit eenzelfde extern apparaat niet tegelijkertijd aan via de
USB-aansluiting en de Jack-aansluiting.
De Jack AUX-aansluiting is bedoeld om een extern (Non Mass
Storage) apparaat of een Apple
®
-speler aan te sluiten als die
niet via de USB-poort herkend wordt.
Sluit het externe apparaat met behulp van een adapterkabel
(niet meegeleverd) op de Jack-aansluiting aan.
Druk een paar keer op SOURCE of SRC
en selecteer " AUX ".
Stel eerst het geluidsvolume op het externe
apparaat in.
Stel dan het geluidsvolume van de
autoradio van de auto in.
De weergave van de informatie en de bediening
gebeurt via het externe apparaat.
04 AUDIO
Streaming - Audio via Bluetooth
Afhankelijk van de technische speci caties van de telefoon
De telefoon koppelen: zie het hoofdstuk TELEFOON.
Met streaming-audio kunt u muziekbestanden op uw telefoon via
de luidsprekers van de audio-installatie in de auto beluisteren.
De telefoon moet de desbetreffende Bluetooth-pro elen (A2DP/
AVRCP) ondersteunen.
Kies "streaming-audio" als geluidsbron door op de toets
SOURCE of SRC te drukken. Via de toetsen van de
radio kunt u op de gebruikelijke wijze de muziekstukken
aansturen. De informatie over de muziekstukken kan op
het display worden weergegeven.
In sommige gevallen moet het afspelen van audiobestanden via
het toetsenbord van de telefoon gestart worden.
De kwaliteit van de weergave is afhankelijk van de kwaliteit van
het signaal van de telefoon.
Afspeelmethode
Er zijn verschillende afspeelmethodes:
- Normaal: de tracks worden in de normale volgorde volgens de
afspeellijst afgespeeld.
- Shuf e: de tracks van een album of een map worden in een
willekeurige volgorde afgespeeld.
- Shuf e uitgebreid: alle tracks van alle mediaspelers worden in
een willekeurige volgorde afgespeeld.
- Herhaling: alleen de tracks van dit album of deze map worden
afgespeeld.
Selecteer " Multimedia " en bevestig
uw keuze.
Selecteer " Parameters media " en
bevestig uw keuze.
Selecteer " Afspeelmodus " en
bevestig uw keuze.
Kies de gewenste afspeelmethode
en bevestig uw keuze met OK om de
instellingen op te slaan.
Druk op OK om naar het contextmenu
te gaan.
of
Druk op MENU .
05
337
TELEFONEREN
Een telefoon koppelen
Eerste koppeling
De beschikbare functies zijn afhankelijk van het netwerk, de SIM-kaart en de compatibiliteit van de gebruikte Blutooth apparaten. Raadpleeg de
gebruiksaanwijzing van uw telefoon of neem contact op met uw provider voor meer informatie over de beschikbare functies.
Activeer de functie Bluetooth van uw telefoon
en controleer of uw telefoon "voor elk apparaat
zichtbaar" is (zie de gebruiksaanwijzing van uw
telefoon).
Druk op MENU .
Er wordt een venster weergegeven met de tekst "Bezig met
zoeken…" .
Selecteer in de lijst de te koppelen
telefoon en bevestig uw keuze. U
kunt slechts één telefoon per keer
koppelen.
Selecteer " Extern apparaat zoeken ".
Het koppelen van de Bluetooth-telefoon aan het Bluetooth-systeem van uw autoradio mag om veiligheidsredenen en vanwege het feit dat deze
handeling de volledige aandacht van de bestuurder vraagt, uitsluitend worden uitgevoerd bij stilstaande auto en met aangezet contact.
Ga voor meer informatie (compatibiliteit, extra hulp, enz.) naar www.citroen.nl.
Selecteer " Bluetooth-verbinding " en
bevestig uw keuze.
05
TELEFONEREN
Op het scherm wordt een toetsenbord
weergegeven: voer een code van
minimaal 4 cijfers in en bevestig uw
invoer met OK .
Op het scherm van de telefoon wordt een bericht
weergegeven: voer dezelfde code in en bevestig
uw invoer.
Op het scherm verschijnt een bericht ter bevestiging van de
koppeling.
U kunt ook via de telefoon de koppeling tot stand brengen door naar
gedetecteerde Bluetooth apparatuur te zoeken.
Accepteer de koppeling op de telefoon.
Mocht de koppeling niet gelukt zijn dan kunt u het, een onbeperkt
aantal keren, nogmaals proberen.
Het adresboek en de gesprekkenlijst zijn na de synchronisatie
beschikbaar (mits de telefoon compatibel is).
De automatische verbinding moet in de telefoon ingesteld worden om
elke keer bij het aanzetten van het contact automatisch verbinding te
kunnen maken met de telefoon.
Soms verschijnt de referentie van de telefoon of het Bluetooth-adres
in plaats van de naam van de telefoon.
De telefoon koppelen en vervolgens muziekbestanden afspelen: zie
het hoofdstuk AUDIO.
Streaming - Audio via Bluetooth
05
339
TELEFONEREN
De verbinding met de telefoon is automatisch ook geschikt voor
Bleutooth en Streaming audio.
De mogelijkheid van het systeem om één pro el te koppelen hangt
af van de telefoon. Het is mogelijk dat standaard beide pro elen
worden gekoppeld.
Druk op MENU .
Selecteer " Bluetooth-verbinding " en
bevestig uw keuze.
Geeft aan dat er een geschikte verbinding voor Streaming audio is.
Verbindingen beheren
Selecteer " Verbindingen beheren "
en bevestig uw keuze. Er verschijnt
nu een overzichtje van de gekoppelde
telefoons.
Selecteer een telefoon en bevestig uw
keuze.
Geeft aan dat er een geschikte verbinding voor een handsfree
telefoon is.
Vervolgens selecteert en bevestigt u:
- " Aansluiten telefoon "/" Telefoon
afsluiten ": voor het maken of
verbreken van de verbinding met een
telefoon of de handsfree set.
- " Aansluiten mediaspeler "/
" Mediaspeler afsluiten ": voor
het maken of verbreken van een
verbinding voor Streaming audio.
- " Aansluiten telefoon en
mediaspeler "/" Telefoon +
mediaspeler afsluiten ": voor het
maken of verbreken van de verbinding
met de telefoon én Streaming audio.
- "Verbinding verwijderen" : de
koppeling met de telefoon verbreken.
Geeft aan dat een apparaat is verbonden.
05
TELEFONEREN
Naar het menu " TELEFOON ":
- Houd SOURCE of SRC even
ingedrukt.
- Of druk op OK om naar het
contextmenu te gaan. Selecteer
" Bellen " en bevestig uw keuze.
- Of druk op MENU , selecteer en
bevestig " Telefoon ", selecteer dan
" Bellen " en bevestig uw keuze.
Selecteer " Nummer kiezen " en
bevestig uw keuze om een nummer
op te kunnen geven.
Om het menu "TELEFOON" weer te geven:
- Houd SRC/TEL lang ingedrukt.
- Of druk op de rolknop om het
snelmenu weer te geven. Selecteer
" Bellen " en bevestig uw keuze.
- Of druk op MENU , selecteer
" Telefoon " en bevestig uw keuze.
Selecteer " Bellen " en bevestig uw
keuze.
Selecteer OK en bevestig uw keuze
om het bellen te starten.
Selecteer " Gesprekkenlijst " en
bevestig uw keuze.
Bellen - nummer kiezen
Selecteer de cijfers één voor één
met behulp van de toetsen en
en bevestig uw invoer.
Bellen - laatst gekozen nummers *
Selecteer het gewenste nummer en
bevestig dit om het bellen te starten.
In de gesprekkenlijst zijn de nummers van alle binnenkomende en
uitgaande gesprekken opgeslagen sinds de laatste keer dat de auto
met de desbetreffende telefoon werd verbonden.
* Afhankelijk van de speci caties van de telefoon.
Als u een fout maakt, kunt u de nummers één voor één
wissen.
U kunt ook rechtstreeks met de telefoon bellen. Zet in dat geval uit
veiligheidsoverwegingen de auto stil.
05
SRC
341
TELEFONEREN
Om het menu "TELEFOON" weer te geven:
- Houd SRC/TEL lang ingedrukt.
- Of druk op de rolknop om het
snelmenu weer te geven. Selecteer
" Bellen " en bevestig uw keuze.
- Of druk op MENU , selecteer
" Telefoon " en bevestig uw keuze.
Selecteer " Bellen " en bevestig uw
keuze.
Selecteer " Adresboek " en
bevestig uw keuze.
Als u gebeld wordt, klinkt een beltoon en verschijnt een pop-upvenster
op het display van het instrumentenpaneel.
GSM
(afhankelijk van de beschikbare
gegevens in het geheugen van de
telefoon).
Standaard is het systeem ingesteld op
" JA " om het gesprek aan te nemen.
Druk op OK om het gesprek aan te
nemen.
Selecteer " NEE " en bevestig uw keuze
om het gesprek te weigeren.
of
Druk op een van deze toetsen om het
gesprek aan te nemen.
Bellen - Vanuit het adresboek
Selecteer een adres en bevestig uw keuze.
Een gesprek aannemen
Selecteer het nummer en bevestig
uw keuze.
U kunt een gesprek ook weigeren door
ESC , TEL , SOURCE of SRC even
ingedrukt te houden.
Werk
Thuis
05
SRC
TELEFONEREN
Druk tijdens het gesprek op OK om
naar het contextmenu te gaan.
Ophangen
In het contextmenu:
- vink " Micro OFF " aan om de
microfoon uit te schakelen.
- vink " Micro OFF " uit om de
microfoon weer in te schakelen.
Gesprekken beheren
U kunt ook een van deze toetsen even
ingedrukt houden om het gesprek te
beëindigen.
Selecteer in het contextmenu " Gespr.
beëindigen " om het gesprek te
beëindigen.
Privé-gesprek
(de gesprekspartner kan niet meeluisteren)
05
343
In het contextmenu:
- vink " Doorschakelfunctie " aan
om het gesprek via de telefoon
voort te zetten.
- vink " Doorschakelfunctie " uit om
het gesprek via de auto voort te
zetten.
In sommige gevallen moet u deze doorschakelfunctie via de telefoon
kiezen.
Als het contact is afgezet, wordt de Bluetooth-verbinding
automatisch weer tot stand gebracht als u in de auto stapt
(afhankelijk van de speci caties van de telefoon).
Doorschakelfunctie
(om de auto te kunnen verlaten zonder het gesprek te onderbreken)
TELEFONEREN
Selecteer in het contextmenu " DTMF-
tonen " en bevestig uw keuze om
het digitale toetsenbord te kunnen
gebruiken om door het menu van de
interactieve spraakserver te surfen.
Selecteer in het contextmenu
" Wisselgesprek " en bevestig uw
keuze om een in de wacht gezet
gesprek weer voort te zetten.
Spraakserver
Wisselgesprek
05
TELEFONEREN
Contactenlijst
Het systeem heeft, afhankelijk van de compatibiliteit van de telefoon
en gedurende de Bluetooth-verbinding, toegang tot de contactenlijst
van de telefoon.
Vanaf bepaalde typen gekoppelde Bluetooth-telefoons kunt u contacten
vanuit de telefoon opslaan in het geheugen van de autoradio.
De op deze manier geïmporteerde contacten worden opgeslagen
in een contactenlijst die, ongeacht welke telefoon is gekoppeld, vrij
toegankelijk is.
Het menu van de contactenlijst is niet beschikbaar als de
contactenlijst leeg is.
Druk op MENU als u gegevens van
contacten wilt veranderen, selecteer
dan " Telefoon " en bevestig uw keuze.
Selecteer " Beheer contacten " en
bevestig uw keuze.
U kunt kiezen uit:
- " Item raadplegen ",
- " Item verwijderen ",
- " Alle items verwijderen ".
Selecteer " Contacten " voor een
overzicht van alle contacten.
Houd SOURCE of SRC even ingedrukt
om de contactenlijst op te vragen.
of druk op OK ,
selecteer " Bellen " en bevestig uw
keuze.
06
345
Druk op om het menu met de
audio-instellingen op te vragen.
De volgende instellingen zijn mogelijk:
- Klankkleur,
- Bass,
- Hoge tonen,
- Loudness,
- Verdeling: Persoonlijk of Bestuurder,
- Balans,
- Fader,
- Autom. volumeregeling
Display C
De verdeling (of de ruimtelijke verdeling dankzij het Arkamys
©
-
systeem) van het geluid is een audio-instelling die zorgt voor een
optimale geluidsweergave afgestemd op het aantal inzittenden in
de auto.
AUDIO-INSTELLINGEN
Selecteer en bevestig " Overige
instellingen… " voor nog meer
instellingen.
De audio-instellingen Klankkleur, Hoge tonen en Bass zijn andere
instellingen, die u voor elke geluidsbron apart kunt verrichten.
Geïntegreerd audiosysteem: Sound Staging van Arkamys
©
.
Dankzij het Sound Staging-systeem krijgen de bestuurder en de
passagiers het gevoel bij een live-uitvoering aanwezig te zijn: het
geluid lijkt van voren te komen en omgeeft de inzittenden volledig.
Deze nieuwe ervaring wordt mogelijk gemaakt door de software
van de autoradio die de digitale signalen van de mediaspelers
(radio, CD, MP3, ...) bewerkt zonder dat de instellingen van de
luidsprekers veranderd hoeven te worden. Bij de bewerking van de
signalen wordt rekening gehouden met de vorm van het interieur,
zodat de muziek optimaal wordt weergegeven.
De Arkamys
©
-software in uw autoradio bewerkt het digitale signaal
van alle mediaspelers (autoradio, CD, MP3, enz.) waardoor een
natuurlijke geluidsweergave wordt verkregen, waarbij het geluid
van voren, ter hoogte van de voorruit, lijkt te komen waardoor zowel
stemmen als muziekinstrumenten optimaal tot hun recht komen.
07 MENUSTRUCTUUR/MENUSTRUCTUREN DISPLAY(S)
DISPLAY C
MEDIA
Parameters media
Afspeelmodus kiezen
Indeling afspeellijst kiezen
TELEFOON
Bellen
Nummer kiezen
Telefoonboek
Logboek
Voicemail
Beheer index
Een bestand raadplegen
Een bestand verwijderen
Alle bestanden verwijderen
Beheer telefoon
Telefoonstatus
Gesprek beëindigen
BLUETOOTH-VERBINDING
Normaal
Shuf e
Shuf e uitgebreid
Herhaling
Per map
Per artiest
Per genre
Per playlist
Radio-instellingen
1
2
2
1
2
2
2
2
1
2
2
2
1
2
1
1
1
3
3
3
3
3
3
3
3
1
BASISFUNCTIE
Keuze A
Keuze A1
Keuze A11
Keuze B...
1
2
2
1
Beheer aansluitingen
Extern apparaat zoeken
07
347
MENUSTRUCTUUR/MENUSTRUCTUREN DISPLAY(S)
Persoonlijke instelling -
configuratie
Parameters van de auto definiëren
Toegang tot de auto
Afstandsbd
Instel. bestuurdersplaats
Vergrendel. Koffer
Hulp bij het rijden
Ruitenw. aan bij achteruit
Automatische parkeerrem
Geprogrammeerde snelheden
Rijverlichting
Verlichting overdag
Bochtverlichting
Comfortverlichting
Instapverlichting
Follow-me-home verlichting
Taalkeuze
Configuratie beeldscherm
Keuze van eenheden
Datum en tijd instellen
Instellingen display
Lichtsterkte
Geluidkeuze
1
2
3
3
3
2
3
3
3
2
3
3
2
3
3
1
1
2
2
2
2
1
VEELGESTELDE VRAGEN
VRAAG ANTWOORD OPLOSSING
Er is een verschil in
geluidskwaliteit tussen
de verschillende
geluidsbronnen (radio,
CD...).
Voor een optimaal luistergenot kunt u de audio-instellingen (volume,
bassen, hoge tonen, klankkleur, loudness) voor elke geluidsbron
afzonderlijk instellen. Hierdoor kunnen bij het selecteren van een andere
geluidsbron (radio, CD...) verschillen in de geluidskwaliteit hoorbaar zijn.
Controleer of de audio-instellingen (volume,
bassen, hoge tonen, klankkleur, loudness) zijn
afgestemd op de verschillende geluidsbronnen.
Het is raadzaam de AUDIO-functies (bassen,
hoge tonen, balans V-A, balans L-R) in de
middelste stand te zetten, de klankkleur "Geen"
te selecteren en de functie Loudness in de stand
"Actief" te zetten als de CD-speler is geselecteerd
en in de stand "Inactief" te zetten als de radio is
geselecteerd.
Bij het veranderen van
de bassen en hoge
tonen wordt de gekozen
klankkleur uitgeschakeld.
Bij het veranderen van
de klankkleur worden de
bassen en de hoge tonen
op 0 gezet.
De klankkleur is gekoppeld aan de bassen en hoge tonen. Het is niet
mogelijk dit afzonderlijk van elkaar in te stellen.
Stel de bassen en hoge tonen of de klankkleur
naar eigen wens in.
Bij het veranderen
van de balans wordt
de geluidsverdeling
uitgeschakeld.
De geluidsverdeling is gekoppeld aan de balans. Het is niet mogelijk dit
afzonderlijk van elkaar in te stellen.
Stel de balans in of kies een geluidsverdeling naar
eigen wens.
In de volgende tabellen vindt u een antwoord op veelgestelde vragen.
349
VEELGESTELDE VRAGEN
VRAAG ANTWOORD OPLOSSING
De ontvangstkwaliteit
van de beluisterde
radiozender neemt
geleidelijk af of de
voorkeuzezenders
kunnen niet worden
ontvangen (geen
geluid, 87,5 Mhz wordt
weergegeven...).
De auto bevindt zich te ver van de zender van het beluisterde radiostation
of er bevindt zich geen zender in het gebied waarin de auto zich bevindt.
Activeer de functie RDS om het systeem te laten
controleren of er een sterkere zender in het
gebied aanwezig is.
De omgeving (bergen, gebouwen, tunnels, parkeergarages, enz.)
veroorzaakt storingen in de ontvangst, ook als de RDS-functie is
ingeschakeld.
Dit is een normaal verschijnsel en heeft niets te
maken met een storing in de autoradio.
De antenne is niet aanwezig of beschadigd (bijvoorbeeld in een wasstraat
of parkeergarage).
Laat de antenne controleren door het CITROËN-
netwerk.
Het geluid van de radio
valt 1 tot 2 seconden
weg.
Het RDS zoekt tijdens deze korte onderbreking van het geluid naar een
eventuele sterkere zender voor een betere ontvangst van het station.
Schakel de RDS-functie uit als dit verschijnsel zich
te vaak en steeds op hetzelfde traject voordoet.
De functie TA
(verkeersinformatie) is
ingeschakeld, maar ik krijg
geen verkeersinformatie
te horen.
De geselecteerde radiozender maakt geen deel uit van het regionale
netwerk van zenders die verkeersinformatie uitzenden.
Stem af op een zender die wel verkeersinformatie
uitzendt.
De voorkeuzezenders
kunnen niet worden
ontvangen (geen
geluid, 87,5 Mhz wordt
weergegeven...).
Het verkeerde golfbereik is geselecteerd. Druk op de toets BAND om het golfbereik
te vinden waarin de voorkeuzezenders zijn
opgeslagen.
VEELGESTELDE VRAGEN
VRAAG ANTWOORD OPLOSSING
De CD wordt steeds
uitgeworpen of kan niet
worden afgespeeld door
de CD-speler.
De CD is ondersteboven in de speler geplaatst, kan niet worden gelezen,
bevat geen audiobestanden of bevat audiobestanden die niet door de
autoradio gelezen kunnen worden.
De CD is voorzien van een beveiligingssysteem dat niet door de
autoradio wordt herkend.
- Controleer of de CD met de juiste zijde boven
in de speler is geplaatst.
- Controleer de staat van de CD: de CD kan
niet worden gelezen als deze te veel is
beschadigd.
-
Controleer de inhoud van de CD als deze zelf is
gebrand: raadpleeg de tips in het hoofdstuk Audio.
- De CD-speler van de autoradio kan geen
DVD's afspelen.
- De kwaliteit van sommige zelfgebrande CD's
is onvoldoende om deze door de autoradio te
laten afspelen.
De CD-speler levert een
slechte geluidskwaliteit.
De gebruikte CD is gekrast of van slechte kwaliteit. Gebruik alleen CD's van goede kwaliteit en berg
ze zorgvuldig op.
De audio-instellingen (bassen, hoge tonen, klankkleur) zijn niet op de
CD-speler afgestemd.
Zet het niveau van de bassen of de hoge tonen op
0, zonder een klankkleurte selecteren.
Het lukt niet om mijn
Bluetooth-telefoon te
koppelen.
Mogelijk is de Bluetooth-functie van de telefoon uitgeschakeld of is het
toestel niet zichtbaar voor andere apparatuur.
- Controleer of de Bluetooth-functie van uw
telefoon is ingeschakeld.
- Controleer in de instellingen van de telefoon
of deze zichtbaar is voor alle apparaten.
De Bluetooth-telefoon is niet compatibel met het systeem. U kunt controleren of uw telefoon compatibel is op
www.citroen.nl (Services)
De Bluetooth-verbinding
wordt onderbroken.
De batterijspanning van de randapparatuur is misschien te laag. Laad de batterij van de randapparatuur op.
VEELGESTELDE VRAGEN
VRAAG ANTWOORD OPLOSSING
Op het display wordt
de melding "Storing
USB-randapparatuur"
of "Randapparatuur niet
herkend" weergegeven.
De USB-stick wordt niet herkend.
De stick is misschien defect.
Formateer de stick opnieuw (FAT 32).
Een telefoon wordt
automatisch aangesloten
als een verbinding met
een andere telefoon
wordt verbroken.
Automatisch verbinding maken heeft voorrang op handmatig verbinding
maken.
Verander de instellingen van de telefoon om het
automatisch verbinding maken uit te schakelen.
De Apple
®
-speler wordt
bij het aansluiten op de
USB-aansluiting niet
herkend.
De Apple
®
-speler is niet compatibel met de USB-aansluiting. Sluit de Apple
®
-speler met een geschikte kabel
(niet meegeleverd) via de AUX-ingang aan.
Als ik mijn Apple
®
of BlackBerry
®
op
de USB-aansluiting
aansluit, verschijnen er
waarschuwingsmeldingen
over het elektrische
verbruik van de USB-poort.
Tijdens het opladen is het stroomverbruik van deze smartphones hoger
dan de maximale capaciteit van de USB-aansluiting (500 mA).
De harde schijf of andere
randapparatuur wordt
bij het aansluiten op de
USB-aansluiting niet
herkend.
Sommige schijven en randapparatuur hebben meer stroom nodig dan de
voeding die de radio levert.
Sluit de randapparatuur op het 230 V- stopcontact,
de 12 V-aansluiting of een externe voedingsbron
aan.
Let op: controleer of de randapparatuur zelf
geen signaal van meer dan 5 V afgeeft (kans op
schade).
351
VRAAG ANTWOORD OPLOSSING
Tijdens streaming audio
wordt het geluid tijdelijk
onderbroken.
Sommige telefoons geven voorrang aan de handsfree-signaalverbinding. Schakel de "handsfree"-verbinding uit voor een
betere weergave van de streaming-audio.
Bij het lezen tijdens
"Shuf e uitgebreid"
worden sommige
nummers overgeslagen.
De "Shuf e uitgebreid" kan maximaal 999 nummers lezen.
Na het afzetten van
de motor wordt de
radio na enkele
minuten automatisch
uitgeschakeld.
Als de motor is afgezet, blijft de radio nog werken zolang de laadtoestand
van de accu dat toestaat.
Het automatisch uitschakelen duidt erop dat de eco-modus van de
autoradio is geactiveerd om te voorkomen dat de accu van de auto
ontladen raakt.
Start de motor om de accu op te laden.
De melding "het
audiosysteem is
oververhit" verschijnt op
het display.
Om het audiosysteem te beschermen tegen een te hoge
omgevingstemperatuur, activeert de autoradio automatisch een
thermische beveiliging die het geluidsvolume verlaagt of de CD-speler
uitschakelt.
Schakel het audiosysteem enkele minuten uit om
het systeem te laten afkoelen.
VEELGESTELDE VRAGEN
353
Index
Trefwoordenregister- Zoeken via afbeeldingen
A
Aanhanger...................................................228
Aanhangergewichten .......................... 251, 255
Aansluiting 12V .......................................88, 89
Aansteker ......................................................89
ABS .............................................................182
Accessoires.........................................105, 231
Accessoirestand .........................................105
Accu ............................................ 222-224, 245
Accu laden ..........................................223, 224
Achterbank ..............................................83, 85
Achterruitverwarming ...........................86, 100
Achteruitrijcamera .......................................140
Achteruitrijlicht ............................................216
Afmetingen .................................................. 259
Afstandsbediening .............................54-57, 61
Afstandsbediening, batterij .....................60, 61
Afstandsbediening, batterij vervangen .........60
Afstandsbediening synchroniseren ..............60
Airbags .......................................................... 41
Airbags vóór ........................................189, 192
Airconditioning ..............................................25
Airconditioning, automatische ................95, 96
Airconditioning (handbediend) .....................95
Alarmknipperlichten .............................. 93, 180
Alarmsysteem ...............................................65
Algemeen menu ..........................................326
Allesdragers ................................................ 230
Allesdragers monteren ...............................230
Antiblokkeersysteem (ABS) ........................182
Antislipregeling .....................................39, 182
Ar mleuning .................................................... 8 8
Armleuning achter .........................................91
Armleuning vóór ............................................90
Asbak (uitneembaar) .....................................88
ASR ............................................................. 182
Audio-aansluitingen ..................... 90, 333, 335
Automatische ruitenwissers ................155, 157
Automatische schakeling
grootlicht/dimlicht ...............................32, 149
Automatisch inschakelen
alarmknipperlichten .................................. 180
Automatisch inschakelen verlichting ....... 145, 148
Auto radio .....................................................32 3
Autoradio, bedieningen aan
stuurkolom ........................................270, 325
AUX-aansluiting ..........................................335
AUX- ingang ................................................. 335
Bagageruimte ................................................64
Bagageruimte, indeling .................................92
Bagageruimte ontgrendelen .........................55
Bagageruimte openen ......................54-56, 64
Banden .......................................................... 25
Banden, noodreparatie ...............................196
Bandenreparatieset ....................................196
Bandenspanning ........................... 25, 197, 260
Bandenspanning, detectie ..........................125
Bandenspanningscontrole (met set) ...........196
Bandenspanning te laag (detectie) .............125
Bandreparatieset ........................................196
Bekerhouder .................................................88
Beladen .................................................25, 230
Benzinemotor ................................74, 238, 250
Bestuurdersplaats (instellingen) ...................80
B
Binnenspiegel ...............................................87
Black panel....................................................47
Bluetooth (handsfree set) ...................290, 337
Bluetooth (telefoon) .....................................290
Bochtverlichting .......................... 153, 154, 211
Boordcomputer .......................................50, 51
Brake Assist System (BAS) ........................182
Brandstof ................................................. 25, 74
Brandstofaddititiefniveau ............................244
Brandstofniveau ............................................ 72
Brandstofniveaumeter ...................................72
Brandstofsysteem ontluchten .....................240
Br and stof t an k ..........................................72, 73
Brandstoftankdop ..........................................72
Brandstof tanken ......................................72-74
Brandstoftank (inhoud) .................................72
Brandstof tank klep ................................... 72, 73
Brandstoftank leeg (diesel) .........................240
Brandstofverbruik .........................................25
Buitenspiegels...............................................86
Buitenspiegels, in- en uitklappen .................86
357
Trefwoordenregister
C
CD ...............................................................330
CD MP3 ...............................................331, 332
CD-/MP3 -speler .................................331, 332
Centrale vergrendeling ...........................55, 57
Citroën Hulpoproep gelokaliseerd ..............265
Citroën Noodoproep gelocaliseerd ............265
Claxon ......................................................... 181
Co ntact ........................................................10 5
Contact aangezet ........................................105
Controlelampjes ..........................33, 31, 35, 36
Controles ............................. 238, 239, 245-247
DAB (Digital Audio Broadcasting) -
Digitale radio.............................................303
Dagrijverlichting ...................147, 211, 214, 215
Dag telle r ........................................................ 46
Dagteller resetten .........................................46
Dashboardverlichting (dimmer) ....................46
Datum (display) ...........................................312
Datum instellen ...............................48, 49, 312
Derde remlicht .............................................218
Diesel ............................................................33
Dieselmotor ...........................74, 239, 240, 253
Dimlicht ....................................... 144, 211, 212
Display instrumentenpaneel .................50, 124
Dynamische noodrem ..........................107, 111
Foll ow-m e-home -verlic hting ............... 148, 150
Functie snelweg (richtingaanwijzers) .........180
Hal o ge en la mp en ......................................... 211
Handrem .....................................................247
Handrem, elektrisch bediend ........38, 107, 111
Handsfree set ......................................290, 337
Head-up display .......................... 131, 134, 136
Hill Start Assist ............................................ 114
Hoofdsteunen achter ....................................85
Hoofdsteunen verstellen .........................78, 81
Hoofdsteunen vóór..................................78, 81
Hulpoproep .................................181, 264, 265
D
EG
H
F
Eco - modu s .................................................. 225
Eco-rijden (adviezen) ....................................25
Electronic Brake Force
Distribution (EBD) .....................................182
Electronic Stability
Program (ESC) ...........................39, 182, 184
Elektronische remdrukregelaar (REF) .......182
Elektronische sleutel ......................... 54-57, 59
Elektronisch gestuurde
versnellingsbak .....25, 114, 120, 127, 224, 246
eMyWay ................................................ 47, 267
ESP uitschakelen ........................................184
Geheugen instellingen bestuurder ...............80
Gereedschap ..............................................202
Gevarendriehoek ..........................................93
Gewichten ...........................................251, 255
Gewichten, overzicht ..........................251, 255
Go rdel verste lling ......................................... 187
GPS ............................................................. 276
Grootlicht ........................ 32, 144, 211-213, 215
Kaartleeslampjes ........................................ 159
Kentekenplaatverlichting ............................218
Keyless entry and start ...........................56, 61
Ki lome ter tel ler ............................................... 4 6
Kinderbeveiliging ................................ 171, 177
Kinderen .......................................171, 173, 174
K
M
Kinderen
(veiligheidsvoorzieningen) ...............164, 165,
169, 171, 173, 174, 189
Kinderzitjes .................164, 165, 169, 170, 176
Kinderzitjes (conventioneel) ............... 170, 171
Kl emb eveili ging .............................................70
Kleurcode lak ..............................................260
Kleurendisplay met kaartweergave DT ......271
Klokje ......................................................48, 49
Klokje (instellen) ..............................48, 49, 312
Koel vlo eistof nivea u ............................... 42, 243
Koelvloeistoftemperatuur ..............................42
Koelvloeistoftemperatuurmeter ....................42
Kofferdeksel sluiten ......................................64
Kopl ampsp roei ers ............................... 156, 24 3
Koplampsproeiervloeistofniveau ................243
Koplampverstelling .....................................152
Krik ..............................................................202
I
L
N
Massagefunctie .............................................82
Matten ...........................................................89
Mat verwijderen ............................................89
Menustructuren display ..............313, 346, 347
Milieu .......................................................25, 60
Milieubewust rijden .......................................25
Mistachter licht .....................................146, 216
Mi stl amp en .................................................. 211
Mistlampen vóór .......... 146, 154, 211, 215, 217
Monochroom display ...........................326, 346
Motoren ...............................................250, 253
Motorenoverzicht ................................250, 253
Motorolieniveau, controle .............................45
Motorolieniveaumeter ........................... 45, 241
Motor ruimte .........................................238, 2 39
MP3 (CD) ............................................331, 332
Multifunctioneel display (met autoradio) .....326
Mul tim edi aspe ler s ....................................... 30 4
Navigatiesysteem........................273, 274, 281
Niveaus controleren .............................241-244
Niveaus en controles .......... 238, 239, 241-244
Noodbediening achterklep ............................64
Noodbediening portieren ..............................62
Noodprocedure starten ...............................223
Lampen (vervangen) ................... 211, 216, 218
Lane Departure Warning System (LDWS) ......130
Lange voorwerpen vervoeren ......................91
Lekke band ..................................................196
Lendensteun .................................................82
Lichtschakelaar ................................... 144, 150
Lokaliseren van de auto ................................57
Luchtfilter ....................................................246
Luchtfilter (vervangen) ................................246
JACK-aansluiting ..................................90, 335
J
Identificatie auto..........................................260
Identificatieplaatjes constructeur ...............260
Identificatie (stickers) ..................................260
Instapve rlic hting .......................................... 151
Instrumentenpanelen .................................... 30
Intelligente tractiecontrole ..........................183
Inte ri eurf ilte r ................................................246
Interieurfilter (vervangen) ...........................246
Interieurindeling ............................................88
Interieur ontgrendelen ..................................62
Interieurverlichting ..............................159, 160
ISOFIX ........................................................ 173
ISOFIX (bevestigingen)............................... 172
ISOFIX kinderzitjes .............................. 172-174
359
Trefwoordenregister
Parkeerhulp achter .....................................138
Parkeerhulp vóór .........................................139
Parkeerlichten .......144, 147, 150, 211, 213-216
Passagiersairbag uitschakelen ..................189
Plafonniers .................................................. 159
Portieren ontgrendelen .................................62
Portieren openen ....................................54, 56
Portieren sluiten ......................................55, 57
Portieren vergrendelen .................................62
O
P
S
Radio ...........................................300, 301, 327
Regelmatig onderhoud .................................25
Regeneratie roetfilter ..................................246
Remblokken ................................................ 247
Remlichten .................................................. 216
Remm en ......................................................247
Remschijven................................................247
Remvloeistofniveau ....................................242
Reservewiel ................................................202
Richtingaanwijzers ...... 150, 180, 211, 214, 216
Riem .............................................................. 92
Risicozones (update) ..................................278
Roetfilter ......................................243, 244, 246
Ruitbediening ................................................68
Ruitensproeier achter .................................156
Ruit ens pr oei er s ...........................................243
Ruitensproeiers vóór...................................156
Ruitensproeiervloeistofniveau .................... 243
Ruitenwisser achter ....................................156
Ruitenwisserbladen (vervangen) ........158, 226
Ruitenwissers ................................34, 155, 157
Ruitenwisserschakelaar .......................155-157
Schakelen automatische
ver snel ling sbak ......................................... 116
Schakelen elektronisch gestuurde
versnellingsbak ........................................ 115
Selectiehendel elektronisch gestuurde
ver snel ling sbak ......................................... 120
Serienummer auto ......................................260
R
Olief ilter ....................................................... 246
Oliefilter (vervangen) ..................................246
Olieniveau .............................................45, 241
Oliepeilstok ...........................................45, 241
Onderhoudscontroles ...................................25
Onderhoudsintervalindicator ........................43
Onderhoudsintervalindicator resetten ..........44
Ontdooien..............................................86, 100
Ontgrendelen ..........................................54, 56
Ont wasemen ............................................... 100
Op be rg vak ken ................................... 8 8 , 9 0- 92
Opschakelindicator ..................................... 124
Sfeer verlichting ........................................... 160
Sjo rog en ........................................................ 9 2
Skiluik ............................................................ 91
Slepen van een auto ...................................227
Sleutel ...................................54, 56, 57, 60, 61
Sleutel met afstandsbediening ...................105
Sneeuwkettingen ........................................210
Sne lhe idsb egr enzer ............................133 , 134
Sne lhei dsre gela ar ...............................133, 13 6
Snelmenu's .................................................272
Spaarfase ....................................................225
Spraaksynthese ..........................................284
Startblokkering, elektronische ..............61, 105
Starten.........................................................223
Starten van de auto.............104, 106, 116, 120
Stilzetten van de auto .........104, 106, 116, 120
Stoelen verstellen ...................................78, 79
Stoelverwarming, schakelaars .....................82
Stop & Start ..... 51, 72, 97, 100, 127, 222, 237, 245
Streaming audio Bluetooth ........ 308, 336, 338
Stuurbekrachtigingsvloeistofniveau ...........242
Stuurslot ...................................................... 105
Stuurwiel (verstellen) ....................................87
Supervergrendeling ................................58, 59
Synchroniseren afstandsbediening ..............60
VX
Z
U
Updaten risicozones ...................................278
Urgence-oproep ..........................181, 264, 265
USB-aansluiting ....................................90, 333
US B - box ........................................................ 9 0
Waarschuwingslampjes ....................33, 36, 38
Waarschuwing vergeten verlichting ...........146
Wassen (adviezen)......................................140
Wiel demonteren .........................................206
Wiel monteren .............................................206
Wiel verwisselen .........................................202
Window-airbags .................................. 191, 192
W
T
Tankbeveiliging .............................................73
Technische gegevens .........250, 251, 253, 255
Telefoon ..............................................290, 292
Tijd instellen ....................................48, 49, 312
TMC (verkeersinformatie) ...........................287
Trekhaak .....................................................228
Veiligheidsgordels ........................170, 186-188
Veiligheidsvoorzieningen
voor kinderen ....164, 165, 169, 173, 174, 189
Ventilatie ...........................................25, 94, 95
Ventilatieroosters ..........................................94
Vergrendeling van binnenuit .........................62
Verkeersinformatie (TA) ............. 288, 302, 328
Verkeersinformatie (TMC) .................. 287, 288
Verklikkerlampjes ....................... 32, 33, 35, 38
Verklikkerlampje service ...............................37
Verklikkerlampje voorgloeien (diesel) ..........33
Verlichting ...................................................160
Versnellingsbak,
automatische .............114, 116, 127, 224, 246
Versnellingsbak,
handgeschakeld ................114, 115, 127, 246
Versnellingshendel .......................................25
Verwarming ................................................... 25
Voorstoelen ............................................. 78 -80
Xenonlampen .............................................. 211
Zekeringen .................................................. 219
Zekeringentabel .......................................... 219
Zekeringen vervangen ................................219
Zekeringkast dashboard .............................219
Zekeringkast motorruimte ...........................219
Zicht.............................................................100
Zij-airbags ........................................... 191, 192
Zij knipp erlicht .............................................. 215
Zij spots ................................................ 151, 215
Zijverlichting ................................................ 151
Zuinig rijden ..................................................25
361
Zoeken op afbeelding
Exterieur
Elektronische sleutel/Keyless entry and
start 54-60, 104-105
- openen / sluiten
- diefstalbeveiliging
- batterij
- starten
Instapverlichting 151
Dynamische bochtverlichting 153
Statische bochtverlichting 154
Koplampverstelling 152
Lampen vervangen 211-215
- koplampen
- mistlampen vóór
- zijknipperlichten
Ruitenwissers 155-158
Ruitenwisserbladen vervangen 158, 226
Portieren 54-63
- Keyless entry and start
- openen/sluiten
- centrale vergrendeling
- noodbediening
Alarmsysteem 65-67
Brandstoftank, tankbeveiliging 72-73
Cockpit roof 70-71
Allesdragers 230
Accessoires 231-232
ESC: ABS, BAS, ASR, CDS 182-185
Detectie te lage
bandenspanning 125-126
Bandenspanning 125, 201, 260
Wiel verwisselen 202-209
- gereedschap
- demonteren/monteren
Sneeuwkettingen 210
Bandenreparatieset 196-201
Bagageruimte 55, 64
- openen / sluiten
- noodbediening
Lampen vervangen 216-218
- achterlichten
- derde remlicht
- kentekenplaatverlichting
- mistachterlichten
Parkeerhulp 138-139
Achteruitrijcamera 140
Slepen 227
Trekhaak 228-229
Buitenspiegels 86
Verlichting buitenspiegels 151
Cockpit
Plafonniers 159
Pictogrammendisplay
veiligheidsgordels / airbag aan
passagierszijde 187, 190
Binnenspiegel 87
Cockpit roof 70-71
Bediening head-up display 131-132
Urgence- of Assistance-
oproep 181, 265
Buitenspiegels 86
Verwarming, ventilatie 94-95
Automatische airconditioning met
gescheiden regeling 96-99
Ontwasemen / ontdooien 100
USB-box /
Jack-aansluiting 90, 305-309, 331-335
Zekeringen dashboard 219-220
Handgeschakelde
zesversnellingsbak 115
Automatische versnellingsbak 116-119
Elektronisch gestuurde
versnellingsbak 120-123
Schakelindicator 124
Hill Holder 114
eMyWay 267-321
Datum/tijd instellen 49
Configuratie van de auto 312
Autoradio/Bluetooh 323-352
Datum/tijd instellen 48
Configuratie van de auto 347
Motorkapontgrendeling 237
Ruitbediening achter 68-69
Accessoire-aansluiting 12-volts 88, 89
Ruitbediening, blokkering 68-69
363
Zoeken op afbeelding
Bediening van de eMyWay 269
Head-up display 131-132
Opslaan van snelheden 133
Snelheidsbegrenzer 134-135
Snelheidsregelaar 136-137
Lichtschakelaar 144-150
Automatische schakeling
grootlicht/dimlicht 149
Richtingaanwijzers 180
Ruitenwisserschakelaar 155-158
Boordcomputer 50-51
Instrumentenpaneel 30, 42-47
- check/onderhoudsindicator/dagteller
- dimmer dashboardverlichting /
black panel
Verklikkerlampjes 31-41
Meters 42-45
Opschakelindicator 124
Kleurendisplay 271, 313-315
Display C 326, 345-347
Cockpit (vervolg)
Elektrische parkeerrem 107-113
START/STOP, contact,
motor starten/afzetten 104-106
Stop & Start 127-129
Accessoirestand 105
Klokje 48
Alarmknipperlichten 180
Bediening van de autoradio 270, 325
Stuurwiel verstellen 87
Claxon 181
Rijen drukschakelaars, knoppen 12
Openen van de brandstoftankklep 72
Openen van de achterklep 64
Alarm 65-67
Eco OFF (Stop & Start) 127-129
Koplampverstelling 152
Interieur
Indeling bagageruimte 92
Gevarendriehoek 93
Conventionele kinderzitjes 164-171
Elektrische kinderbeveiliging 177
Voorstoelen 78-82
- hoofdsteunen
- stoelverwarming
- handmatig verstelbaar
- elektrisch verstelbaar
- massage
Middenarmsteun achter 91
Skiluik 91
Matten 89
Airbags 189-192
Indeling interieur 88
Aansteker / accessoire-aansluiting 89
Uitschakeling passagiersairbag 166, 190
Veiligheidsgordels 186-188
Achterzitplaatsen 83-85
ISOFIX-kinderzitjes 172-175
365
Zoeken op afbeelding
Onderhoud - Gegevens
Afmetingen 259
Identificatie 260
Niveaus controleren 241-244
- olie
- remvloeistof
- stuurbekrachtigingsvloeistof
- koelvloeistof
- ruitensproeier-/
koplampsproeiervloeistof
Controle van onderdelen 245-247
- luchtfilter
- interieurfilter
- oliefilter
- elektrische parkeerrem
- remblokken/-schijven
Lampen vervangen 211-218
- voor
- achter
12V-accu 222-224
Spaarfase accu, eco-mode 225
Zekeringen motorruimte 219, 221
Motorkapontgrendeling 237
Gewichten (benzine) 251-252
Gewichten (diesel) 255-258
Brandstoftank leeg (diesel) 240
Onder de motorkap (benzine) 238
Onder de motorkap (diesel) 239
Benzinemotoren 250
Dieselmotoren 253-254
4Dconcept
Diadeis
Edipro
08-13
Dit instructieboekje behandelt alle beschikbare
uitrustingen van dit model.
Uw auto is, afhankelijk van het uitrustingsniveau, de
uitvoering en de speci eke kenmerken voor het land
waarvoor de auto bestemd is, slechts van een deel
van de in dit boekje vermelde uitrustingen voorzien.
Aansprakelijkheid voor de gegeven beschrijvingen
en illustraties wordt niet aanvaard. Automobiles
CITROËN behoudt zich het recht voor tussentijds
wijzigingen aan te brengen in de door haar
gevoerde modellen en de bijbehorende uitrusting
en accessoires, zonder verplicht te zijn dit
instructieboekje aan te passen.
Dit instructieboekje maakt onlosmakelijk deel uit van
uw auto. Vergeet niet dit boekje bij doorverkoop van
uw auto aan de nieuwe eigenaar te geven.
Automobiles CITROËN verklaart dat, door
toepassing van de voorschriften in de Europese
regelgeving (Richtlijn 2000/53) met betrekking tot
autowrakken, wordt voldaan aan de in deze richtlijn
gestelde doelen en dat recycleerbare materialen
worden gebruikt voor de fabricage van producten
die door haar worden verkocht.
Reproductie of vertaling, zelfs gedeeltelijk, is
verboden zonder schriftelijke toestemming van
Automobiles CITROËN.
Gedrukt in de EU
Néerlandais
Neem voor alle werkzaamheden aan uw auto
contact op met een gekwali ceerde werkplaats
die beschikt over de juiste technische informatie,
vakkennis en apparatuur. Het CITROËN-netwerk is
in staat u dit te bieden.
13DS5.0070
Néerlandais
15

Hulp nodig? Stel uw vraag in het forum

Spelregels

Misbruik melden

Gebruikershandleiding.com neemt misbruik van zijn services uitermate serieus. U kunt hieronder aangeven waarom deze vraag ongepast is. Wij controleren de vraag en zonodig wordt deze verwijderd.

Product:

Bijvoorbeeld antisemitische inhoud, racistische inhoud, of materiaal dat gewelddadige fysieke handelingen tot gevolg kan hebben.

Bijvoorbeeld een creditcardnummer, een persoonlijk identificatienummer, of een geheim adres. E-mailadressen en volledige namen worden niet als privégegevens beschouwd.

Spelregels forum

Om tot zinvolle vragen te komen hanteren wij de volgende spelregels:

Belangrijk! Als er een antwoord wordt gegeven op uw vraag, dan is het voor de gever van het antwoord nuttig om te weten als u er wel (of niet) mee geholpen bent! Wij vragen u dus ook te reageren op een antwoord.

Belangrijk! Antwoorden worden ook per e-mail naar abonnees gestuurd. Laat uw emailadres achter op deze site, zodat u op de hoogte blijft. U krijgt dan ook andere vragen en antwoorden te zien.

Abonneren

Abonneer u voor het ontvangen van emails voor uw Citroen DS5 - 2013-2014 bij:


U ontvangt een email met instructies om u voor één of beide opties in te schrijven.


Ontvang uw handleiding per email

Vul uw emailadres in en ontvang de handleiding van Citroen DS5 - 2013-2014 in de taal/talen: Nederlands als bijlage per email.

De handleiding is 31,4 mb groot.

 

U ontvangt de handleiding per email binnen enkele minuten. Als u geen email heeft ontvangen, dan heeft u waarschijnlijk een verkeerd emailadres ingevuld of is uw mailbox te vol. Daarnaast kan het zijn dat uw internetprovider een maximum heeft aan de grootte per email. Omdat hier een handleiding wordt meegestuurd, kan het voorkomen dat de email groter is dan toegestaan bij uw provider.

Stel vragen via chat aan uw handleiding

Stel uw vraag over deze PDF

Uw handleiding is per email verstuurd. Controleer uw email

Als u niet binnen een kwartier uw email met handleiding ontvangen heeft, kan het zijn dat u een verkeerd emailadres heeft ingevuld of dat uw emailprovider een maximum grootte per email heeft ingesteld die kleiner is dan de grootte van de handleiding.

Er is een email naar u verstuurd om uw inschrijving definitief te maken.

Controleer uw email en volg de aanwijzingen op om uw inschrijving definitief te maken

U heeft geen emailadres opgegeven

Als u de handleiding per email wilt ontvangen, vul dan een geldig emailadres in.

Uw vraag is op deze pagina toegevoegd

Wilt u een email ontvangen bij een antwoord en/of nieuwe vragen? Vul dan hier uw emailadres in.



Info