466596
142
Verklein
Vergroot
Pagina terug
1/143
Pagina verder
Digitale Camera
QV-R3/QV-R4
Gebruiksaanwijzing
K862PCM1DMX
D
QV-R4
Alle afbeeldingen in deze gebruiksaanwijzing
laten de QV-R4 zien. Zie de tekst die bij de
afbeeldingen staat voor meer informatie over
hoe de QV-R3 en QV-R4 van elkaar verschillen.
Gefeliciteerd met de aanschaf van dit CASIO
product. Voordat u het in gebruik neemt dient u
eerst de voorzorgsmaatregelen in deze
gebruiksaanwijzing aandachtig door te lezen.
Houd de gebruiksaanwijzing daarna op een
veilige plaats voor latere naslag.
INLEIDING
2
INLEIDING
Uitpakken
Controleer dat alle hier getoonde items inderdaad meegeleverd zijn met de camera. Mocht er iets missen, neem dan zo snel
mogelijk contact op met de dealer.
Camera Oplaadbare lithium-ion accu (NP-30)
Polsriem CD-ROM Speciale USB kabel Basisreferentie
Oplaadeenheid (BC-20)
CHARGE
INLEIDING
3
Inhoudsopgave
2 INLEIDING
Uitpakken ..................................................................... 2
Inhoudsopgave............................................................. 3
Kenmerken ................................................................... 8
Voorzorgsmaatregelen ................................................. 9
Algemene voorzorgsmaatregelen 9
Voorzorgsmaatregelen bij data foutlezingen 11
Voorwaarden voor juiste werking 11
Condens 12
LED achtergrondverlichting 12
Lens 12
Overige 13
14 SNELSTARTGIDS
Voorbereidingen ......................................................... 14
Opnemen van een beeld............................................ 14
Bekijken van een opgenomen beeld ......................... 15
Wissen van een beeld................................................ 15
16 VOORBEREIDINGEN
Algemene gids ........................................................... 16
Voorkant 16
Onderkant 16
Achterkant 17
Inhoud van het beeldscherm ..................................... 18
Opnamefunctie 18
Weergavefunctie 19
Veranderen van de inhoud van het beeldscherm 20
Indicators .................................................................... 20
Vastmaken van de polsriem ....................................... 21
Gebruik van het étui (los verkrijgbaar) ...................... 21
Spanningsvereisten ................................................... 23
Gebruik van de oplaadeenheid 23
Accu in de camera plaatsen 25
Levensduur accu 26
Voorzorgsmaatregelen voor stroomtoevoer 28
Gebruik van netspanning 31
In- en uitschakelen van de camera 32
Configureren van de stroomspaarinstellingen 33
Gebruik van de in-beeld menu’s ................................ 34
Configureren van de displaytaal en de klokinstellingen ...
36
38 ELEMENTAIRE BEELDOPNAME
Opnemen van een beeld............................................ 38
Opname voorzorgsmaatregelen 40
INLEIDING
4
Opnemen van opeenvolgende beelden
(doorlopende sluiterfunctie) ....................................... 59
Combineren van shots van twee mensen tot een enkel
beeld (Coupling Shot (combinatieshot)) .................... 60
Opnemen van een onderwerp over een bestaand
achtergrondbeeld (Pre-shot (vooropname)) .............. 62
Gebruiken van de beste shotfunctie .......................... 64
Creëren van uw eigen beste shot instelling 65
Gebruiken van de nachtdecor functie........................ 67
Shots maken met handmatige belichting .................. 67
Gebruiken van de filmfunctie ..................................... 69
Shots maken met regelmatige tussenpozen ............. 70
Bijstellen van de witbalans......................................... 72
Handmatig bijstellen van de witbalans 73
Selecteren van de meetfunctie .................................. 74
Gebruiken van het histogram..................................... 75
Opnamefunctie instellingen ....................................... 76
Specificeren van de gevoeligheid 77
Versterken van bepaalde kleuren 77
Gebruiken van de filterfunctie 78
Specificeren van kleurverzadiging 78
Specificeren van het contrast 79
Speciferen van de contourscherpte 79
In- en uitschakelen van het in-beeld raster 80
Specificeren van de defaultinstellingen bij
inschakelen van de spanning 80
Terugstellen (reset) van de camera 81
Aangaande autofocus 41
Aangaande het beeldscherm van de opnamefunctie 41
Voorvertoning van het laatst opgenomen beeld ........ 42
Wissen van een beeld tijdens de opnamefunctie 42
Gebruiken van de optische zoeker ............................ 43
Bijstellen van het zicht van de optische zoeker 43
Gebruiken van de zoom ............................................. 44
Optische zoom 44
Digitale zoom 45
Gebruiken van de flitser ............................................. 46
Flitsereenheid status 47
Veranderen van de flitssterkte instelling 48
Voorzorgsmaatregelen voor de flitser 48
Gebruiken van de zelfontspanner.............................. 49
Specificeren van beeldgrootte en beeldkwaliteit ....... 51
Beeldgrootte specificeren 51
Beeldkwaliteit specificeren 52
53 OVERIGE OPNAMEFUNCTIES
Selecteren van de scherpstelfunctie ......................... 53
Gebruik van autofocus 53
Gebruik van de macrofunctie 54
Gebruik van de oneindig-functie 55
Gebruik van handmatig scherpstellen 55
Gebruik van de scherpstelvergrendeling 56
Belichtingscompensatie (EV verschuiving) ............... 57
INLEIDING
5
PRINT Image Matching II .............................................95
Exif Print ..................................................................... 95
96 ANDERE INSTELLINGEN
Specificeren van de bestandsnaam serienummer
generatiemethode ...................................................... 96
In- en uitschakelen van de toetstoon......................... 96
Specificeren van een beeld voor het beginscherm ... 97
Gebruiken van het alarm ........................................... 97
Instellen van een alarm 97
Stoppen van het alarm 98
Veranderen van de datum- en tijdinstellingen ........... 99
Veranderen van de datumopmaak 99
Gebruiken van wereldtijd ......................................... 100
Overschakelen tussen de thuistijd- en de
wereldtijdschermen 100
Configureren van wereldtijdinstellingen 100
Configureren van de zomertijdinstellingen (DST) 101
Veranderen van de displaytaal ................................ 102
Formatteren van het ingebouwde geheugen........... 103
104 GEBRUIKEN VAN EEN GEHEUGENKAART
Gebruiken van een geheugenkaart ......................... 105
Insteken van een geheugenkaart in de camera 105
Verwijderen van een geheugenkaart uit de camera 105
82 WEERGAVE
Elementaire weergavebediening ............................... 82
Inzoomen op het weergegeven beeld ....................... 83
Afmetingen van een beeld heraanpassen ................. 84
Trimmen van een beeld ............................................. 85
Weergeven van een film ............................................ 86
Tonen van een 9-beelden scherm ............................. 87
Selecteren van een specifiek beeld in het
9-beelden scherm 88
89 WISSEN VAN BESTANDEN
Wissen van een enkel bestand .................................. 89
Wissen van alle bestanden ........................................ 90
91 BEHEER VAN BESTANDEN
Mappen....................................................................... 91
Geheugenmappen en -bestanden 91
Beschermen van bestanden ...................................... 92
Beveiligd en onbeveiligd maken van een enkel bestand 92
Beveiligd maken van alle bestanden in het geheugen 92
DPOF.......................................................................... 93
Configureren van de afdrukinstellingen voor een
enkel beeld 93
Configureren van de afdrukinstellingen voor alle beelden 94
INLEIDING
6
Formatteren van een geheugenkaart 106
Voorzorgsmaatregelen voor de geheugenkaart 107
Kopiëren van bestanden .......................................... 107
Kopiëren van alle bestanden in het ingebouwde
geheugen naar een geheugenkaart 107
Kopiëren van een bestand van een geheugenkaart naar
het ingebouwde geheugen 108
110 GEBRUIKEN VAN DE CAMERA MET EEN
COMPUTER
Installeren van de software van de CD-ROM...........110
Aangaande de gebundelde CD-ROM.......................110
Computersysteem vereisten ..................................... 111
Installeren van de software van de CD-ROM in
Windows ....................................................................112
Voorbereidingen 112
Selecteren van een taal 112
Bekijken van het “Read me” bestand 113
Installeren van een applicatie 113
Bekijken van gebruikersdocumentatie (PDF bestanden) 114
Verlaten van de menu applicatie 114
Installeren van software van de CD-ROM op een
Macintosh computer ..................................................114
Installeren van software 114
Bekijken van gebruikersdocumentatie (PDF bestanden) 117
Overschrijven van bestanden naar een computer .....118
Overschrijven van bestanden via een USB aansluiting 118
Gebruiken van een geheugenkaart om beelden
over te schrijven 120
Geheugendata 121
Geheugendirectorystructuur 122
Ondersteunde beeldbestanden 123
Voorzorgsmaatregelen voor het ingebouwde
geheugen en geheugenkaart 123
Gebruik van de albumfunctie ................................... 124
Creëren van een album 124
Selecteren van een album layout 125
Configureren van gedetailleerde albuminstellingen 126
Bekijken van albumbestanden 128
Opslaan van een album 130
131 APPENDIX
Menureferentie ......................................................... 131
Opnamefunctiemenu 131
PLAY (weergave) functiemenu 132
Indicator referentie ................................................... 133
Opnamefunctie 133
Weergavefunctie 134
Oplaadeenheid 135
Gids voor het oplossen van moeilijkheden.............. 136
Tonen van boodschappen 139
Technische gegevens .............................................. 140
Belangrijkste technische gegevens 140
INLEIDING
7
BELANGRIJK!
The inhoud van deze gebruiksaanwijzing is onder
voorbehoud en kan zonder voorafgaande mededeling
worden veranderd.
CASIO COMPUTER CO., LTD. aanvaardt geen ver-
antwoordelijkheid voor schade of verlies voort-
vloeiend uit het gebruik van deze gebruiksaanwijzing.
CASIO COMPUTER CO., LTD. aanvaardt geen ver-
antwoordelijkheid voor verlies of eisen tot schadever-
goeding door derden die voortvloeien uit het gebruik
van de QV-R3/QV-R4.
• CASIO COMPUTER CO., LTD. zal niet aansprakelijk
gesteld worden voor schade of verlies door u of door
derden door het gebruik van Photo Loader en of
Photohands.
CASIO COMPUTER CO., LTD. aanvaardt geen ver-
antwoordelijkheid voor schade of verlies door het wis-
sen van data als gevolg van een defect, reparaties of
het vervangen van de accu. Zorg er altijd voor een
reservekopie te maken van belangrijke data op
andere media om u in te dekken tegen verlies.
Het SD logo is een geregistreerd handelsmerk.
Windows, Internet Explorer en DirectX zijn geregis-
treerde handelsmerken van Microsoft Corporation.
Macintosh is een geregistreerd handelsmerk van
Apple Computer, Inc.
MultiMediaCard
TM
is een handelsmerk van Infineon
Technologies AG van Duitsland en onder licentie aan
MultiMediaCard Association (MMCA).
Acrobat en Acrobat Reader zijn handelsmerken van
Adobe System Incorporated.
De USB driver (massa-opslag) gebruikt Phoenix
Technologies Ltd. software.
Compatibility Software Copyright
C
1997
Phoenix Technologies Ltd., alle rechten voorbehou-
den.
Namen van andere fabrikanten, producten en service
die gebruikt worden in deze gebruiksaanwijzing kun-
nen ook handelsmerken of dienst merken zijn van an-
deren.
Photo Loader en Photohands zijn eigendom van
CASIO COMPUTER CO., LTD. Met uitzondering van
het bovengenoemde, vallen alle auteursrechten en
andere gerelateerde rechten van deze applicaties aan
CASIO COMPUTER CO., LTD.
INLEIDING
8
Kenmerken
Hoge-resolutie primaire kleuren CCD
Van rijke huidskleuren in portretten tot fijne details in
landschapopnamen komt alles in verbazingwekkend rea-
listische helderheid tot haar recht.
Effectieve beeldpunten
QV-R3: 3,20 million beeldpunten (3,34 miljoen beeld-
punten in het totaal)
QV-R4: 4,00 million beeldpunten (4,13 miljoen beeld-
punten in het totaal)
1,6-inch TFT LCD kleurenscherm
9,6X naadloze zoom
3X optische zoom, 3,2X digitale zoom
11MB flashgeheugen
Beelden kunnen opgenomen worden zonder gebruik van
een geheugenkaart.
Ondersteuning voor SD geheugenkaarten en MMC
(MultiMedia Card = multimedia kaart) voor geheugen-
uitbreiding.
Combinatieshot (Coupling Shot) en vooropname (Pre-shot)
Combinatieshot (Coupling Shot)
laat u twee onderwerpen
combineren tot een enkel beeld terwijl
vooropname (Pre-
shot)
u een onderwerp laat toevoegen aan een eerder opge-
nomen achtergrondbeeld. Dat betekent dat u beelden kunt
creëren waar u en een vriend onderdeel worden van een
ander beeld, terwijl alleen u en die vriend in de buurt zijn.
Drievoudige zelfontspanner
De zelfontspanner kan ingesteld worden om drie maal au-
tomatisch te werken.
Best shot
Selecteer eenvoudigweg het voorbeelddécor dat overeen-
komt met het type beeld dat u probeert op te nemen en de
camera voert ingewikkelde instellingen geheel automa-
tisch om elke keer opnieuw mooie beelden te maken.
Real-time histogram
Een in-beeld histogram laat u de belichting bijstellen terwijl be-
kijkt hoe dit de algehele beeldhelderheid beïnvloedt, hetgeen
het maken van shots bij moeilijke belichtingsomstandigheden
nu makkelijker maakt dan ooit te voren.
Wereldtijd
Door een eenvoudige bediening wordt de huidige tijd inge-
steld voor de huidige plaats. U kunt uw selectie maken uit
162 steden in 32 tijdzones.
Alarm
Een ingebouwd alarm helpt u bij het zich houden aan be-
langrijke afspraken en kan zelfs gebruikt worden i.p.v. een
alarmklok. U kunt zelfs een bepaald beeld laten verschijnen
op het beeldscherm wanneer de alarmtijd bereikt wordt.
Albumfunctie
Er worden automatisch HTML bestanden gegenereerd om
een album te creëren van opgenomen beelden. De inhoud
van het album kan worden bekeken en afgedrukt m.b.v.
een standaard Web browser. Beelden kunnen tevens snel
en gemakkelijk worden ingepast in Web pagina’s.
INLEIDING
9
Voorzorgsmaatregelen
Algemene voorzorgsmaatregelen
Let erop altijd de volgende belangrijke voorzorgsmaatrege-
len na te leven wanneer u de QV-R3/QV-R4 gebruikt.
Alle verwijzingen in deze gebruiksaanwijzing naar “deze ca-
mera” en “de camera” verwijzen naar de CASIO QV-R3/QV-
R4 digitale camera.
Probeer nooit beelden op te nemen of de ingebouwde
display te gebruiken terwijl u een motorvoertuig aan het
besturen bent of terwijl u aan het lopen bent. Dit creëert
namelijk het gevaar op een ernstig ongeluk.
Probeer nooit de behuizing van de camera te openen of uw
eigen reparaties uit te voeren. Als de interne
hoogspanningscomponenten ontbloot worden, creëert dit
gevaar op elektrische schok. Laat onderhoud en reparatie-
werkzaamheden altijd over aan door een CASIO
onderhoudswerkplaats.
Kijk nooit door de zoeker van de camera naar de zon of
naar een ander helder licht. Hierdoor kunt u uw gezichts-
vermogen beschadigen.
Houd de kleine onderdelen en accesoires van deze ca-
mera buiten het bereik van kleine kinderen. Mocht een
klein onderdeel per ongeluk ingeslikt worden, neem dan
onmiddellijk contact op met uw arts.
Gemakkelijk oversturen van beelden
Stuur beelden gemakkelijk over naar een computer door
de camera aan te sluiten met een USB kabel.
Bijgesloten met Photo Loader en Photohands
Uw camera wordt geleverd met de nieuwste versie van
Photo Loader, de populaire applicatie die automatisch
beelden laadt van uw camera naar uw PC. Ook is
Photohands bijgesloten, een applicatie die het retoucheren
van beelden versnelt en vergemakkelijkt.
DCF data opslag
Het DCF (Design rule for Camera File systemen) data
opslagprotocol voorziet in beeld compatibiliteit tussen ca-
mera en printers.
Digitale Print Order Format (DPOF)
Beelden kunnen gemakkelijk afgedrukt worden in de ge-
wenste volgorde door gebruik te maken van een DPOF-
compatibele printer. DPOF kan ook gebruikt worden voor
het specificeren van beelden en hoeveelheden door pro-
fessionele afdrukdienstverleningen.
PRINT Image Matching II Compatibel
Beelden omvatten PRINT Image Matching II data (functie
instelling en andere camera instelinformatie). Een printer
die PRINT Image Matching II ondersteunt, leest deze data
en stemt het afgedrukte beeld daarop af zodat de beelden
er uit komen zoals u bedoeld had toen u ze opnam.
INLEIDING
10
Richt de flitser nooit op een persoon die een motorvoertuig
aan het besturen is. Dit kan hinder veroorzaken en het ge-
vaar op een ongeluk met zich meebrengen.
Gebruik de flitser nooit als het te dicht bij de ogen van het
onderwerp is. Intens licht kan schade toebrengen aan het
gezichtsvermogen als de flitser op te korte afstand wordt
gebruikt, in het bijzonder geldt dit voor kinderen. Bij gebruik
van de flitser dient de camera minstens één meter van het
onderwerp gehouden te worden.
Houd de camera uit de buurt van water en andere vloeistof-
fen en laat hem nooit nat worden. Vocht brengt het gevaar
op elektrische schok en brand met zich mee. Gebruik de
camera nooit buiten in de regen of sneeuw, bij de kust of op
het strand, in de badkamer, enz.
Mochten vreemde voorwerpen of water de camera binnen-
dringen, schakel de camera dan onmiddellijk uit, haal de
netadapter uit het stopcontact en neem contact op met de
dealer of de dichtstbijzijnde CASIO onderhouds-
werkplaats. Als het gebruik van de camera onder deze om-
standigheden wordt voortgezet, brengt dit het gevaar op
elektrische schok en brand met zich mee.
• Mocht u ooit rook of een vreemde geur bespeuren bij de
camera, schakel de camera onmiddellijk uit, haal de
netadapter uit het stopcontact. Overtuig u er eerst van dat
er geen rook meer uit de camera komt en neem de camera
dan ter reparatie mee naar de dichtstbijzijnde CASIO
onderhoudswerkplaats. Probeer onderhoud en reparaties
nooit zelf uit te voeren.
Gebruik de netadapter nooit om andere apparatuur dan
deze camera van spanning te voorzien. Gebruik ook nooit
een andere netadapter dan de meegeleverde om deze ca-
mera van spanning te voorzien.
Bedek de netadapter nooit met een plaid, een deken of een
andere afdekking terwijl hij gebruikt wordt en gebruik de
adapter ook niet bij een kachel.
Trek de netadapter minstens eens per jaar uit het stopcon-
tact en reinig het gedeelte bij de stekers van de stekker.
Stof kan zich ophopen rond de stekers en gevaar op brand
met zich meebrengen.
Mocht de behuizing van de camera ooit breken doordat de
camera gevallen is of op andere manier blootgesteld is aan
een ruwe behandeling, schakel dan onmiddellijk de span-
ning uit, haal de netadapter uit het stopcontact en neem
contact op met de dichtstbijzijnde CASIO onderhouds-
werkplaats.
Gebruik de camera nooit in een vliegtuig of een andere
plaats waar het gebruik ervan verboden is. Dit kan namelijk
tot een ongeluk leiden.
Materiële schade en defecten van deze camera kunnen er
toe leiden dat de in het geheugen opgeslagen data gewist
wordt. Maak altijd reservekopieën van data door ze over te
sturen naar het geheugen van een PC.
• Open nooit het accudeksel, verbreek nooit de aansluiting
van de netadapter met de camera en trek deze nooit uit het
stopcontact terwijl u beelden aan het opnemen bent. Niet
alleen maakt dit het onmogelijk de huidige beelden op te
nemen, het kan ook de andere beelddata beschadigen die
reeds opgeslagen waren in het geheugen van de camera.
INLEIDING
11
Voorwaarden voor juiste werking
• Deze camera is ontworpen voor gebruik bij temperaturen
tussen 0ºC en 40ºC.
Gebruik de camera niet en berg hem niet op op de vol-
gende plaatsen.
Op plaatsen die blootstaan aan het directe zonlicht.
Op plaatsen die blootstaan aan hoge vochtigheid of
veel stof.
In de omgeving van airconditionings, kachels of andere
plaatsen die blootstaan aan extreme temperaturen.
— Binnenin een gesloten voertuig, in het bijzonder wan-
neer deze in de zon geparkeerd staat.
Op plaatsen die blootstaan aan sterke trillingen.
Voorzorgsmaatregelen bij data fout-
lezingen
Uw digitale camera is vervaardigd met digitale precisie-on-
derdelen. Bij elk van de volgende omstandigheden bestaat
het gevaar op de beschadiging van data in het camera-
geheugen.
— Het verwijderen van de accu terwijl het opnemen van
beelden of het oversturen van data plaatsvindt.
Het verwijderen van een geheugenkaart terwijl het op-
nemen van beelden plaatsvindt.
— Het verwijderen van de accu, het verwijderen van de
geheugenkaart of het aansluiten van de USB kaart ter-
wijl de groene bedrijfsindicator aan het knipperen is na-
dat u de camera uitgeschakeld heeft.
Het verbreken van de aansluiting van de USB kabel of
het loskoppelen van de camera van de PC terwijl het
versturen van data plaatsvindt.
Het gebruik van een zwakke accu.
Andere abnormale omstandigheden.
Elk van de bovengenoemde omstandigheden kan er toe lei-
den dat een foutlezing op het scherm verschijnt (pagina
139). Volg de aanwijzingen die te vinden zijn bij de melding
om de situatie te corrigeren.
INLEIDING
12
LED achtergrondverlichting
Het beeldscherm wordt door een LED achtergrondlamp
verlicht. Een donker beeldscherm geeft aan dat het LED
achtergrond het eind van haar levensduur heeft bereikt en
vervangen dient te worden door een CASIO onderhouds-
werkplaats. Merk op dat u voor het vervangen van het LED
achtergrondlicht in rekening wordt gebracht. De helderheid
van het LED achtergrondlicht zal na ongeveer 1000 uren
tot ongeveer de helft teruglopen.
Lens
Oefen nooit te veel kracht uit bij het reinigen van het opper-
vlak van de lens. Word dit toch gedaan, dan kan de lens
bekrast raken en defecten worden veroorzaakt.
• Vingerafdrukken, stof en anderszins bevuilen van de lens
kan op de juiste manier opnemen belemmeren. Raak de
lens nooit met de vingers aan. U kunt stofdeeltjes van de
lens verwijderen met een lensblazer. Veeg vervolgens het
oppervlak van de lens af met een zachte lensdoek.
Condens
Wanneer u de camera binnen brengt op een koude dag of
op een andere manier blootstelt aan plotselinge verande-
ringen in temperatuur, bestaat de mogelijkheid dat
condens zich kan gaan vormen op de buitenkant of op de
inwendige componenten. Condens kan defectieve werking
veroorzaken zodat u moet vermijden dat de hij blootstaat
aan omstandigheden die condens kunnen veroorzaken.
Om te voorkomen dat condens überhaupt gevormd wordt,
dient u de camera in een plastic tas te plaatsen voordat u
hem naar een plaats brengt die veel warmer of kouder is
dan de huidige plaats. Laat de camera in de plastic tas tot-
dat de lucht in de tas de kans heeft gekregen om dezelfde
temperatuur als die van de nieuwe plaats heeft bereikt.
Mocht condens zich toch gevormd hebben, verwijder dan
de accu van de camera en laat het accudeksel voor enkele
uren open.
INLEIDING
13
Overige
Tijdens het gebruik kan de camera ietwat warm worden. Dit
duidt niet op een defect.
SNELSTARTGIDS
14
SNELSTARTGIDS
Voorbereidingen
C
H
A
R
G
E
Opnemen van een beeld
(Zie pagina 38 voor details.)
1.
Monteer de accu op de laadeenheid en laad
hem dan op (pagina 23).
Het kost ongeveer twee uur om een accu volledig op
te laden.
2.
Leg de accu in de camera (pagina 25).
3.
Configureer de instellingen voor de taal voor
meldingen op het beeldscherm, de thuistijd-
zone en de huidige tijd (pagina 36).
MF
DPOF
PREVIEW
MENU
DISP
SET
ON/OF
F
1
4
2
3
1.
Druk op de spanningstoets om de camera in te
schakelen.
2.
Stel de functieschijfregelaaraf op (snap-
shot functie).
3.
Richt de camera op het onderwerp, gebruik het
beeldscherm of druk op de zoeker om het
beeld te componeren en druk de sluiter
ontspanningstoets half in.
4.
Houd de camera stil en druk langzaam de slui-
ter ontspanningstoets geheel in.
SNELSTARTGIDS
15
Bekijken van een opgenomen beeld
(Zie pagina 82 voor details.)
MF
D
P
O
F
PREVIEW
MENU
DISP
SET
ON/OF
F
1
2
3
Wissen van een beeld
(Zie pagina 89 voor details.)
MF
D
P
O
F
PR
E
V
I
E
W
MEN
U
DISP
SET
ON/OF
F
1
3
2
4, 5
6
1.
Druk op de spanningstoets om de camera
in te schakelen.
2.
Stel de functieschijfregelaaraf op
(weergavefunctie).
3.
Blader m.b.v. [ ] en [ ] door de beelden.
1.
Druk op de spanningstoets om de camera in te
schakelen.
2.
Stel de functieschijfregelaar af op (weergave-
functie).
3.
Druk op .
4.
Laat het beeld zien dat u wilt uitwissen m.b.v. [ ]
en [
].
5.
Selecteer “Delete” (wissen) m.b.v. [ ] en [ ].
Selecteer Cancel (annuleren) om de beeldwisfunctie te
verlaten zonder iets uit te wissen.
6.
Druk op SET om het beeld te wissen.
VOORBEREIDINGEN
16
VOORBEREIDINGEN
Dit hoofdstuk bevat alles wat u dient te weten aangaande het gebruik van de camera en wat u dient te doen voordat u daaraan
gaat beginnen.
Algemene gids
De volgende afbeeldingen tonen de namen van elk component, elke toets en elke schakelaar op de camera.
1 Zoomcontroleregelaar
2 Sluiterontspanningstoets
3 Spanningstoets
4 Zelfontspannerindicator
5 Flitser
6 AF sensor
7 Lens
8 Aansluitingpaneeldeksel
9 USB aansluiting
0 4,5 gelijkspannings-
aansluiting (DC IN 4.5V)
O
N
/
O
F
F
7 6
1
2
3
4
5
9
8
0
Voorkant
A B
Onderkant
Open het aansluitingpaneeldeksel
A Accuvakdeksel
B Statiefschroefgat
* Gebruik dit gat
bij montage van
een statief.
VOORBEREIDINGEN
17
Achterkant
MF
D
P
O
F
PR
E
V
I
E
W
MEN
U
D
I
SP
SET
ON/OF
F
K
F
C
D
E
L
O
M
Q
G
H
I
N
J
P
C Beeldscherm
D Zoeker
E Dioptrieschuifregelaar
F Bedrijfsindicator
G / DPOF (zelfontspanner/doorlopende sluiter/DPOF) toets
H (flitser/wis) toets
I MF (Macro/oneindig/handmatig scherpstellen/beveiliging) toets
J PREVIEW (Voorvertoning/album) toets
K Functieschijfregelaar
: Weergavefunctie
: Snapshot functie
: Beste shotfunctie
: Combinatieshotfunctie
: Nachtdecorfunctie
M : Handmatige belichtingsfunctie
: Filmfunctie
: Tussenpauzefunctie
L
[ ]
/
[ ]
/
[
]
/
[
]
M Insteltoets (SET)
N Menutoets (MENU)
O Displaytoets (DISP)
P Polsriemring
Q Geheugenkaart sleufdeksel
Opnamefuncties
VOORBEREIDINGEN
18
Inhoud van het beeldscherm
Het beeldscherm houd u via verschillende indicatoren en ikonen op de hoogte van de status van uw camera.
Opnamefunctie
Kwaliteit
Fijn (FINE)
Normaal (NORMAL)
Economisch (ECONOMY)
Accucapaciteit
Beeldformaat
2304 ҂ 1712 beeldpunten (QV-R4)
2240 ҂ 1680 beeldpunten (QV-R4)
2048 ҂ 1536 beeldpunten (QV-R3)
1600 ҂ 1200 beeldpunten
1280 ҂ 960 beeldpunten
640 ҂ 480 beeldpunten
Filmopname: opnametijd (seconden)
Datum en tijdEV waarde
Geheugencapaciteit
(resterend aantal
beelden dat kan
worden opgeslagen)
Ingebouwd geheugen
ingesteld voor data opslag.
Geheugenkaart geselecteerd
voor data opslag.
Scherpstelfunctie indicator
Geen Autofocus
Macro
Oneindig
Handmatig scherpstellen
Zelfontspanner/doorlopend
Geen 1-beeld
10
s
Zelfontspanner 10 sec.
2
s
Zelfontspanner 2 sec.
x3
Drievoudige zelfontspanner
Doorlopende sluiterindicator
Scherpstelbeeld
Scherpstellen voltooid: groene indicator brandt
Scherpstelstoring: groene indicator knippert
Opnamefunctie
Weergavefunctie
Snapshot
Best shot
Combinatieshot
Nachtdecor
Handmatige belichting
Film
Tussenpauze
Opnamefuncties
Handmatige scherpstelstand
VOORBEREIDINGEN
19
Mapnummer/
bestandnummer
Kwaliteit
Fijn (FINE)
Normaal (NORMAL)
Economisch (ECONOMY)
Accucapaciteit
Beeldformaat
2304 ҂ 1712 beeldpunten (QV-R4)
2240 ҂ 1680 beeldpunten (QV-R4)
2048 ҂ 1536 beeldpunten (QV-R3)
1600 ҂ 1200 beeldpunten
1280 ҂ 960 beeldpunten
640 ҂ 480 beeldpunten
Datum en tijd
Beeldbeveiligingindicator
Ingebouwd geheugen
ingesteld voor data opslag.
Geheugenkaart
geselecteerd voor data
opslag.
Weergavefunctie
Flitserfunctie indicator
Geen Automatisch
Flitser uit
Flitser aan
Reductie van rode ogen
Wanneer automatisch flitsen
geselecteerd is, verschijnt de
flitsindicator wanneer de
sluiterontspanningstoets
halverwege ingedrukt is om aan te
geven dat de flitser zal gaan
flitsen.
Witbalansindicator
Geen Automatisch
Zonlicht
Schaduw
Gloeilamp
TL-verlichting
Handmatig
Zoomindicator
De linkerkant geeft optische zoom aan.
De rechterkant geeft digitale zoom aan.
Lensopening
Sluitersnelheids-
waarde
Bij een lensopening
of sluitersnelheid die
buiten het bereik
ligt, wordt de
corresponderende
waarde in het
beeldscherm oranje.
Meetfunctie indicator
Multi-patroon meten
Centrum-georiënteerd meten
Puntmeten
Digitale zoomindicator
Filmopname
indicator
VOORBEREIDINGEN
20
Indicators
op
(pagina 18)
Histogram
op
(pagina 75)
Indicators
uit
Beeldscherm
uit
*
Indicators
Middels de kleur en status (brandend, niet brandend, knippe-
rend) van de indicators wordt u op de hoogte gehouden van
de huidige status van de camera. Zie Indicator referentie op
pagina 133 voor details.
Zelfontspannerindicator
Veranderen van de inhoud van het beeld-
scherm
Telkens bij indrukken van de DISP toets verandert de inhoud
van het beeldscherm zoals hieronder aangegeven.
Groene bedrijfsindicator
Rode bedrijfsindicator
* Tijdens de weergavefunctie kan het beeldscherm niet worden uit-
geschakeld.
VOORBEREIDINGEN
21
Vastmaken van de polsriem
Maak de polsriem vast aan de polsriemring zoals aangege-
ven in de afbeelding.
BELANGRIJK!
• Zorg ervoor de polsriem om uw pols te houden wan-
neer u de camera aan het gebruiken bent om te voor-
komen dat hij onverhoeds valt.
• De meegeleverde polsriem is enkel bedoeld voor ge-
bruik met deze camera. Gebruik de polsriem niet voor
andere toepassingen.
Gebruik de polsriem nooit om de camera mee rond te
zwaaien.
MF
D
P
O
F
PREVIEW
MENU
DISP
SET
ON/OF
F
Gebruik van het étui (los verkrijgbaar)
Het wordt aanbevolen dat u de camera in de los verkrijgbare
étui houdt wanneer u hem niet gebruikt.
Maak de polsriem van het étui vast aan de ring zoals aange-
geven in de afbeelding.
Etui: QSC-4
Ring
Stel de lengte van de polsriem van het etui bij m.b.v. de
gesp.
Gesp
VOORBEREIDINGEN
22
BELANGRIJK!
Gebruik het étui alleen voor het opbergen van deze
camera en de extra accu en een extra geheugenkaart.
De meegeleverde polsriem is enkel bedoeld voor ge-
bruik met deze camera. Gebruik de polsriem niet voor
andere toepassingen.
Gebruik de polsriem van het étui nooit om de camera
mee rond te zwaaien.
Door het étui rond uw nek te dragen waardoor de ca-
mera vrij kan bewegen kan dit gevaar op een ongeluk
en persoonlijk letsel vormen door een klap van de ca-
mera of doordat de camera tussen een deur klem
komt te zitten, enz.
Houd deze camera buiten het bereik van kleine kinde-
ren. Als kinderen de camera hanteren kan dit een ern-
stig ongeluk veroorzaken mocht de polsriem van het
étui onverhoeds om de nek raken.
Broekriemlus
U kunt de tas aan uw
broekriem bevestigen.
Drukgesp
Door de drukgesp dicht te
doen voorkomt u dat de
geheugenkaart en de accu
er uit vallen.
Het étui heeft
ruimte voor het
opbergen van
een extra accu.
Het étui heeft
ruimte voor het
opbergen van
een extra
geheugenkaart.
Steek de camera in
met het beeldscherm
naar beneden.
VOORBEREIDINGEN
23
Spanningsvereisten
Uw camera kan werken op ofwel accuspanning ofwel op net-
spanning.
Accu
Eén NP-30 oplaadbare lithium-ion accu
De accu is niet opgeladen wanneer u de camera aan-
schaft. U dient dus de accu eerst op te laden voordat u
de camera voor de eerste maal in gebruik neemt.
Netspanning
Netadapter: AD-C40 (los verkrijgbaar)
Gebruik van de oplaadeenheid
Oplaadeenheid algemene gids
C
H
AR
G
E
PUSH
Contact-
punten
CHARGE
indicator
Netstekker
*
Monteren van de accu op de oplaadeenheid
Zorg ervoor dat de positieve en negatieve contactpunten in
de juiste richting wijzen en monteer dan de accu op de
oplaadeenheid. Merk op dat de accu niet goed opgeladen
wordt als hij niet correct aangebracht is op de oplaad-
eenheid.
CHARGE
* De vorm van de stekker van de met de camera meegeleverde
oplaadeenheid hangt af van het land waar de camera wordt aange-
schaft.
VOORBEREIDINGEN
24
Opladen van de accu
1.
Monteer de accu op de oplaadeenheid met de
positieve en negatieve aansluitingen van de
accu zoals aangegeven in de afbeelding.
Steek de oplaadeeenheid in een stopcontact.
2.
De CHARGE indicator
van de oplaadeenheid
zou rood dienen te
gaan oplichten om
aan te geven dat het
laden is begonnen.
3.
Het opladen is voltooid wanneer de CHARGE
indicator groen gaat branden. Trek de oplaad-
eenheid uit het stopcontact en verwijder dan
de accu van de oplaadeenheid.
BELANGRIJK
Het duurt ongeveer twee uur om te accu volledig op te
laden. De werkelijke oplaadtijd hangt af van de hui-
dige accucapaciteit en de oplaadomstandigheden.
Gebruik enkel de oplaadeenheid (BC-20) die met de
camera meegeleverd is om de speciale lithium-ion
accu (NP-30) op te laden. Gebruik nooit een ander
oplaadapparaat.
Het opladen begint soms niet onmiddellijk als u de ca-
mera net daarvoor nog gebruikte of als u de accu pro-
beert op te laden terwijl hij heel heet of heel koud is.
Deze conditie wordt aangegeven door de CHARGE
indicator die dat langzaam knippert. Als dit gebeurt
kunt u de accu het beste op een plaats leggen waar de
temperatuur gematigd is (om en nabij de 25ºC). De
CHARGE indicator wordt rood en het opladen begint
wanneer de accu zich binnen het toegelaten oplaad-
temperatuurbereik bevindt.
De CHARGE indicator gaat snel rood knipperen tij-
dens het opladen als de accu niet juist op de oplaad-
eenheid gemonteerd is. Neem hem eerst af en mon-
teer hem opnieuw. Mocht dit het probleem niet corri-
geren dan kan dat betekenen dat er iets aan de hand
is met de oplaadeenheid of met de accu.
Mochten de contactpunten van de oplaadeenheid of
de accu-aansluitingen vuil zijn, veeg deze dan af met
een doekje of een katoenen wattipje.
Hoewel het lijkt alsof deze afneembaar is, probeer
nooit de stekker van de oplaadeenheid los te maken.
C
H
A
R
G
E
CHARGE
indicator
VOORBEREIDINGEN
25
Accu in de camera plaatsen
1.
Schuif het accudeksel
van de camera in de
richting aangegeven
door de pijl en klap
hem dan open.
2.
Schuif het nokje in de
richting van de pijl in
de afbeelding en
houd hem vast.
3.
Leg de accu daarna
zodanig in dat de
contactmarkeringen
op de accu in de-
zelfde volgorde zijn
als de markeringen
aan de binnenkant
van het accudeksel
en schuif de accu in
de accusleuf.
Los verkrijgbare accu
U kunt indien nodig extra NP-30 oplaadbare lithium-ion ac-
cu’s aanschaffen voor gebruik met deze camera.
Oplaadbare lithium-ion accu: NP-30
• Mocht een eventuele extra accu niet in gebruik zijn, berg
hem dan op in de opbergdoos die met elke accu wordt
meegeleverd.
• Bij opbergen van een accu met de aansluitingen open en
bloot werkt dit het gevaar op kortsluiting in de hand.
Gebruikt u gewoonlijk slechts één accu dat kunt u deze tij-
dens vervoer het beste opgeladen in de camera houden.
De accu die met de camera wordt geleverd, is niet voorzien
van haar eigen opbergdoos.
Opbergen van een accu in haar opbergdoos
Contactpunten
Nokje
Contactmarkeringen
VOORBEREIDINGEN
26
4.
Klap het accudeksel
omhoog en schuif
hem dicht terwijl u
deze op het punt dat
door de pijl in de
afbeelding wordt
aangegeven, naar
beneden drukt.
BELANGRIJK!
Gebruik alleen de speciale oplaadbare lithium-ion
accu om deze camera van stroom te voorzien. Het
gebruik van een ander type accu wordt niet onder-
steund.
OPMERKING
Open om de accu uit de camera te halen het accu-
paneeldeksel en houd de nok vast zodat deze de accu
niet tegenhoudt. Kantel de camera naar beneden zo-
dat de accu er vanzelf uitkomt maar let er daarbij op
dat de accu niet plotseling kan vallen. Trek de accu er
daarna uit.
Levensduur accu
Richtlijnen voor de levensduur van de accu
De onderstaande waarden voor de richtlijnen van de levens-
duur van de accu geven de hoeveelheid tijd bij standaard
temperatuur (25ºC) totdat de spanning automatisch uitge-
schakeld wordt doordat de accu leeggeraakt is. Deze waar-
den zijn geen garantie dat de accu inderdaad de aangege-
ven hoeveelheid diensttijd zal verstrekken. De levensduur
van de accu kan gereduceerd worden door lage temperatu-
ren en lang en intensief gebruik.
*1 Bij doorlopende opname
Normale temperatuur: 25ºC (77ºF)
Flitser: Off (uit)
Beeldscherm: On (aan)
Beeld wordt elke 10 seconden opgenomen met de vol-
gende handelingen: Inzoomen naar volledige groot-
hoek Autofocus Volledige inzoomen tot close-up
Autofocus Beeldopname
Levensduur accu
QV-R3
120 minuten (720 opnamen)
QV-R4
110 minuten (660 opnamen)
QV-R3 220
minuten
QV-R4 220
minuten
Werking
Doorlopend opnemen*
1
Doorlopende weergave*
2
(Doorlopend opnemen van
snapshots)
VOORBEREIDINGEN
27
*2 Bij doorlopende weergave
Normale temperatuur: 25ºC (77ºF)
Door één beeld per 10 seconden bladeren
De bovenstaande waarde zijn gebaseerd op een nieuwe
accu die volledig opgeladen is. De levensduur van de accu
loopt terug naarmate hij vaker wordt opgeladen.
De levensduur van de accu hangt nauw samen met hoe
vaak u de flitser en de andere functie gebruikt en hoe lang
u de spanning ingeschakeld laat.
Tips om de lading van de accu langer te laten
meegaan
Mocht u de flitser niet te hoeven gebruiken tijdens het op-
nemen, selecteer dan (flitser uit - flash off) als de
flitserfunctie. Zie pagina 46 voor meer informatie.
Schakel de automatische stroomonderbreker (Auto Power
Off) en de sluimerfunctie (Sleep) (pagina 33) in om u te
beschermen tegen het onnodig verkwisten van stroom als
u vergeet de spanning van de camera uit te schakelen.
Schakel het beeldscherm uit m.b.v. de DISP toets.
Lege accu indicator
Hieronder wordt aangegeven hoe de accucapaciteitsindicator
op het beeldscherm verandert naarmate meer accustroom
wordt gebruikt. Als u de camera blijft gebruiken terwijl het
accuniveau reeds is, dan zal de camera automatisch uit-
geschakeld worden. Laad de accu in dit geval zo snel mogelijk
op.
Accuniveau Hoog Laag
Indicator
Bij indrukken van de sluiterontspanningstoets terwijl
getoond wordt, zal de camera onmiddellijk uitgeschakeld
worden.
VOORBEREIDINGEN
28
Voorzorgsmaatregelen voor stroomtoevoer
Voorzorgsmaatregelen voor hanteren van de
accu
VEILIGHEIDSVOORZORGSMAATREGELEN
Gefeliciteerd met uw keus van dit CASIO product. Voordat u
het product voor de eerste maal in gebruik neemt dient u
eerst de veiligheidsvoorzorgsmaatregelen aandachtig door
te lezen. Houd de gebruiksaanwijzing daarna op een veilige
plaats voor latere naslag.
OPMERKING
Alle verwijzingen van de accu in de volgende voor-
zorgsmaatregelen refereren aan de oplaadbare
lithium-ion accu CASIO NP-30.
Wanneer één van de volgende voorzorgsmaatregelen
in de wind wordt geslagen tijdens het gebruik van de
accu, kan dit leiden tot oververhitting en mogelijk tot
brand of een ontploffing.
Gebruik nooit een ander type oplaadeenheid dat
de eenheid die speciaal voor de accu gespecifi-
ceerd wordt.
Gebruik deze accu alleen met een product waar-
voor het uitdrukkelijk vermeld is.
Gebruik de accu of laat hem nooit achter op een
plaats waar open vuur is.
Plaats de accu nooit in een magnetron, gooi hem
nooit in het vuur en stel hem niet op andere wijze
bloot aan extreme hitte.
Let erop dat de accu correct ingelegd is (+/ in de
juiste richting) bij aansluiting op de oplaadeenheid.
Draag de accu nooit samen met of berg hem nooit
op met voorwerpen die electrisch geleidend zijn
(halsketting, potlood, enz.).
Open de accu nooit, knutsel er nooit aan en stel
hem nooit bloot aan harde stoten.
Dompel de accu niet in zoet water of zeewater.
Plaats of gebruik de accu niet in het directe zon-
licht of op een andere plaats die blootstaat aan
hoge temperaturen.
VOORBEREIDINGEN
29
Mocht u ooit een lek, vreemde geur, opwekking van
hitte, verkleuring, vervorming of een andere abnor-
male conditie constateren tijdens het opladen of op-
bergen van een accu, koppel hem dan onmiddellijk los
van de camera of de oplaadeenheid en houd hem uit
de buurt van open vuur.
Mocht de accu niet volledig opladen binnen de nor-
male oplaadtijd, stop dan met opladen. Verder opla-
den kan het gevaar op oververhitting en brand of ex-
plosie in de hand werken.
Mocht accuvloeistof onverhoeds in uw ogen komen,
dan kan dit ernstige schade toebrengen aan de ogen.
Spoel onmiddellijk uw ogen uit met schoon leidingwa-
ter en raadpleeg daarna uw arts.
Voordat u de accu gebruikt of gaat opladen, dient u
eerst de gebruiksaanwijzingen die met de camera en
de speciale oplaadeenheid meegeleverd zijn aan-
dachtig door te lezen.
Mocht de accu gebruikt worden door jonge kinderen,
zie er dan op toe dat een verantwoordelijke volwas-
sene de kinderen attent maakt op de voorzorgsmaat-
regelen en op de juiste behandelingsaanwijzingen zo-
als beschreven in de gebruiksaanwijzing en let erop
dat ze de accu inderdaad op de juiste manier behan-
delen.
Mocht accuvloeistof onverhoeds op uw kleding of op
uw huid komen, was dan onmiddellijk af met schoon
leidingwater. Langdurig lichamelijk contact met accu-
vloeistof kan leiden tot huidirritatie.
VOORZORGSMAATREGELEN TIJDENS HET GEBRUIK
Deze accu is ontworpen voor exclusief gebruik met
een CASIO digitale camera. Zie de gebruiksaanwij-
zing van uw camera om op te zoeken of deze het ge-
bruik van deze accu inderdaad ondersteunt.
Gebruik enkel de speciale oplaadeenheid om de accu
op te laden. Gebruik nooit een andere type oplaad-
eenheid voor het opladen.
De accu is aanvankelijk niet opgeladen. Zorg er dus
voor de accu eerst op te laden voordat u hem voor de
eerste maal in gebruik neemt.
Wordt de accu gebruikt op een koude plaats, dan ver-
kort dit de gebruikstijd.die u kunt verwachten van een
volledig opgeladen accu.
Laad de accu op een plaats op waar de temperatuur
tussen 10ºC en 35ºC is. Bij opladen buiten dit
temperatuursbereik kan het opladen veel langer gaan
duren dan gewoonlijk of kan het opladen zelfs niet of
niet geheel plaatsvinden.
Mocht de accu na volledig opladen maar korte tijd
werken en daarna weer uitgeput zijn, dan heeft de
accu het einde van zijn levensduur bereikt. Vervang
hem door een nieuwe.
VOORBEREIDINGEN
30
VOORZORGSMAATREGELEN VOOR OPBERGEN
VAN DE ACCU
Let erop dat u de accu uit de camera verwijdert als u
de camera voor langere tijd niet van plan bent te ge-
bruiken. Wordt de accu in de camera gelaten dan zal
deze heel kleine hoeveelheden stroom afgeven zelfs
wanneer de spanning uitgeschakeld is, hetgeen kan
leiden tot een lege batterij of een langere oplaadtijd.
Berg de accu op een koele, droge plaats (20ºC of la-
ger).
GEBRUIK VAN DE ACCU
Zie de gebruiksaanwijzingen die met de speciale
oplaadeenheid en de digitale camera meegeleverd
worden voor informatie betreffende de oplaad-
procedures en de oplaadtijd.
Bij vervoer van een accu, dient u die ofwel in opgela-
den toestand in de digitale camera te houden of op te
bergen in de doos.
Voorzorgsmaatregelen voor de oplaadeenheid
Steek de stekker van de oplaadeenheid nooit in een
stopcontact waarvan het voltage verschilt van het op
de oplaadeenheid aangegeven voltage. Dit kan name-
lijk gevaar op brand, defecten en elektrische schok
met zich meebrengen.
Steek de oplaadeenheid nooit in het stopcontact of
haal hem er nooit uit met natte handen Dit kan name-
lijk gevaar op elektrische schok met zich meebrengen.
Steek de oplaadeenheid niet in een stopcontact of
verlengsnoer dat gedeeld wordt met andere appara-
ten. Dit kan namelijk gevaar op brand, defecten en
elektrische schok met zich meebrengen.
Tijdens het gebruik kan de oplaadeenheid ietwat
warm worden. Dit is normaal en duidt niet op een de-
fect.
Trek de oplaadeenheid uit het stopcontact wanneer u
hem niet gebruikt.
VOORBEREIDINGEN
31
Voorzorgsmaatregelen voor de adapter
Steek de stekker van de oplaadeenheid nooit in een stop-
contact waarvan het voltage verschilt van het op de
netadapter aangegeven voltage. Dit kan namelijk het ge-
vaar op brand, defecten en elektrische schok met zich
meebrengen.
Laat onder geen omstandigheden toe dat het netsnoer
breekt of doorgesneden wordt, plaats er geen zware voor-
werpen op en houd het uit de buurt van hitte. Een bescha-
digd netsnoer brengt namelijk het gevaar op brand en elek-
trische schok met zich mee.
Knutsel nooit aan het netsnoer van de netadapter, buig of
draai het niet te veel en trek er niet te hard aan. Dit brengt
namelijk het gevaar op brand en elektrische schok met zich
mee.
Raak de netadapter nooit met natte handen aan. Dit kan
namelijk gevaar op elektrische schok met zich meebren-
gen.
Stel verlengsnoeren en stopcontacten niet bloot aan over-
lading. Dit brengt namelijk het gevaar op brand en elektri-
sche schok met zich mee.
Mocht het snoer van de netadapter beschadigd raken (met
een blootliggende interne bedrading) laat deze dan ver-
vangen door een CASIO onderhoudswerkplaats. Een be-
schadigd netadaptersnoer brengt namelijk het gevaar op
brand en elektrische schok met zich mee.
Zorg er altijd voor de spanning uit te schakelen voordat u
de adapter in het stopcontact steekt of hem er uit trekt.
Gebruik van netspanning
Gebruik de adapter zoals hieronder is aangegeven om de
camera van spanning te voorzien via een stopcontact.
1.
Open het aansluitingpaneeldeksel van de ca-
mera.
2.
Steek de netadapter in de gelijkstroom-
ingangsaansluiting (DC IN 4.5V).
Netsnoer
Aansluitingpaneeldeksel
Netadapter
Gelijkstroom-
ingangsaansluiting
(DC IN 4.5V)
Netadapter: AD-C40
De netadapter kan gebruikt worden met elke stroombron
waarvan het voltage tussen 100V en 240V wisselstroom is.
Wilt u de netadapter in het buitenland gebruiken dan dient
u zelf het netsnoer aan te schaffen dat past bij het stopcon-
tact en het netsysteem van dat land.
VOORBEREIDINGEN
32
In- en uitschakelen van de camera
Druk op de spanningstoets om de camera in en uit te scha-
kelen. Bij indrukken van de spanningstoets om de spanning
in te schakelen gaat de groene bedrijfsindicator branden.
Druk nogmaals op de spanningstoets om de camera uit te
schakelen.
Groene bedrijfsindicator
ON/OFF
Spanningstoets
BELANGRIJK!
Mocht de spanning uitgeschakeld worden door de au-
tomatische stroomonderbreker druk dan op de
spanningstoets om de spanning opnieuw in te schake-
len.
Bij inschakelen van de camera terwijl de opname-
functie ingeschakeld is, komt de lens van de camera
naar buiten. Let erop dat er zich niets voor de camera
bevindt dat door de lens kan worden geraakt wanneer
u de camera inschakelt.
Schakel altijd de spanning van de camera uit voordat u de
aansluiting met de netadapter verbreekt zelfs als er een
accu geïnstalleerd is in de camera. Doet u dat niet dan zal
de camera zichzelf automatisch uitschakelen wanneer u
de aansluiting met de netadapter verbreekt. Daarnaast
loopt u ook gevaar dat de camera beschadigd raakt als u
de aansluiting van de netadapter verbreekt zonder eerst de
spanning uitgeschakeld te hebben.
Na lang gebruik kan de netadapter warm worden. Dit is
normaal en geen reden tot ongerustheid.
Schakel de camera uit en trek de netadapter uit het stop-
contact na gebruik van de camera.
De camera schakelt automatisch over naar werking op net-
spanning wanneer de netadapter in de camera gestoken
wordt.
Gebruik altijd de netadapter om de camera van stroom te
voorzien wanneer deze op een PC aangesloten is.
Plaats nooit een deken of een andere afdekking op de
netadapter. Dit kan namelijk het gevaar op brand met zich
meebrengen.
VOORBEREIDINGEN
33
5.
Verander m.b.v. [ ] en [ ] de momenteel gese-
lecteerde instelling en druk daarna op SET.
Er zijn drie automatisch stroomonderbreker instellin-
gen beschikbaar: 3 minuten, 5 minuten en uit.
Er zijn vier sluimer instellingen beschikbaar: 30 se-
conden, 1 minuut, 2 minuten en uit.
Merk op dat de sluimerfunctie niet werkt tijdens de
weergavefunctie.
Het beeldscherm wordt onmiddellijk weer ingescha-
keld als op een willekeurige toets wordt gedrukt terwijl
de sluimerfunctie ingeschakeld is.
De automatische stroomonderbreker en de sluimer-
functie werken niet wanneer de camera via de USB
poort aangesloten is op een computer.
Configureren van de stroomspaarinstellingen
U kunt de hieronder beschreven instellingen configureren
om accustroom te besparen.
Automatische stroomonderbreker (Auto Power Off) :
Schakel de spanning uit als u geen bediening uitvoert
voor een bepaalde tijd.
Sluimer (Sleep) :
Schakelt automatisch het beeldscherm uit als als u geen
bediening uitvoert voor een bepaalde tijd tijdens de
opnamefunctie. Het beeldscherm wordt opnieuw inge-
schakeld als u op willekeurig welke toets drukt.
1.
Zet de functieschijfregelaar op (Snapshot
functie).
2.
Druk op MENU.
3.
Selecteer de Set Up tab m.b.v. [ ] en [ ].
4.
Selecteer m.b.v. [ ] en [ ] de functie waarvan
u de instelling wilt configureren en druk
daarna op SET.
Zie pagina 34 voor informatie hoe de menus worden
gebruikt.
Configureren van deze functie:
Auto Power Off (automatische
stroomonderbreker)
Sleep (sluimer)
Selecteer deze instelling:
Auto Power Off (automati-
sche stroomonderbreker)
Sleep (sluimer)
VOORBEREIDINGEN
34
Gebruik van de in-beeld menus
Bij indrukken van de MENU toets wordt een menu met
bedienings- en werkingsinstellingen verkregen op het beeld-
scherm van de camera. De inhoud van de menus hangt af
van of de opnamefunctie of de weergavefunctie van de ca-
mera ingeschakeld is. De volgende toelichting van bedie-
ning van de basismenu gebruikt de opnamefunctiemenu.
1.
Schakel de spanning
in en zet de functie-
schijfregelaar op .
Wilt in in plaats daarvan
de weergavefunctie
inschakelen, zet de
functieschijfregelaardan
op .
2.
Druk op MENU.
Dit toont het menu-
beeldscherm
MF
PREVIEW
DPOF
Functiedraaischijf
Bediening van het menubeeldscherm
Wanneer u dit wilt doen:
Beweeg heen en weer tussen
tabs
Beweeg van de tab naar de
instellingen
Beweeg van de instellingen
naar de tab.
Beweeg heen en weer tussen
instellingen.
Toon de opties die beschik-
baar zijn voor de instelling.
Selecteer een optie.
Register een optieselectie en
verlaat het menubeeldscherm.
Register een optieselectie en
ga terug naar het menu-
beeldscherm.
Verlaat het menubeeldscherm.
Doe dit:
Druk op [
] en [ ].
Druk op [ ].
Druk op [ ].
Druk op [ ] en [ ].
Druk op [ ] of druk op SET.
Druk op [ ] en [ ].
Druk op SET.
Druk op [ ].
Druk op de MENU toets.
Instellingen
Selectiecursor (toont het
momenteel ingestelde item)
Tab
MENU
SET
DISP
[ ][ ][ ][ ]
Insteltoets
(SET)
MENU
toets
VOORBEREIDINGEN
35
3.
Druk op [ ] of [ ] om de gewenste tab te selec-
teren en druk daarna op SET om de
selectiecursor van de tab naar de instellingen
te verplaatsen.
4.
Gebruik [ ] en [ ]
om de functie te
selecteren waarvan u
de instelling wilt
configureren en druk
daarna op [ ].
In plaats van [ ] kunt u
ook op SET drukken.
5.
Gebruik [ ] en [ ] om de momenteel geselec-
teerde instelling te veranderen en druk daarna
op SET.
Dit past de instelling toe.
OPMERKING
Het opnamefunctiemenu verschijnt als u de MENU
toets drukt voordat u een opnamefunctie start. Deze
verschijnt niet wanneer u op de MENU toets drukt tij-
dens de instelprocedure, terwijl de camera standby
staat voor het opnemen van een tweede beeld voor
een combinatieshot, enz.
Zie Menureferentie op pagina 131 voor meer informatie
aangaande menus.
Voorbeeld:om het Afmeting
item (Size) te
selecteren.
VOORBEREIDINGEN
36
Configureren van de displaytaal en de
klokinstellingen
Zorg ervoor de volgende instellingen te configureren voordat
u de camera gebruikt om beelden mee op te nemen.
Displaytaal
Thuisstad
Datum en tijd
Merk op dat de huidige datum- en tijdinstellingen door de
camera gebruikt worden om de datum en tijd te genereren
die opgeslagen worden samen met de beelddata, enz.
BELANGRIJK!
De klokinstellingen van de camera worden gewist
wanneer de stroomtoevoer naar de camera gedu-
rende ongeveer 12 uur afgesneden is. Dit kan gebeu-
ren als de accu volledig leeg raakt en de camera niet
van stroom voorzien wordt via netspanning. Het klok-
instelbeeldscherm verschijnt automatisch de vol-
gende keer dat u de spanning inschakelt nadat de in-
stellingen zijn gewist. Stel de datum en tijd in voordat
u de camera gebruikt.
U dient ook de klokinstellingen te configureren wan-
neer u de accu vervangt.
Worden beelden opgenomen zonder eerste de klok-
instellingen te hebben geconfigureerd dan zal
incorrecte tijdinformatie worden geregistreerd. Zorg
ervoor de klokinstellingen te configureren voordat u
de camera gebruikt.
VOORBEREIDINGEN
37
4.
Gebruik [ ] en [ ]om
de naam van stad
waar u woont te
selecteren en druk
dan op SET.
5.
Gebruik [ ] en [ ] om de gewenste zomertijd-
instelling (DST) te selecteren en druk dan op SET.
1.
Druk op de spanningstoets om de camera in te
schakelen.
2.
Gebruik [ ] en [ ] om de gewenste taal te se-
lecteren en druk dan op SET.
: Japans
English : Engels
Français : Frans
Deutsch : German
Español : Spaans
Italiano : Italiaans
3.
Gebruik [ ], [ ], [ ],
en [ ] om het geogra-
fische gebied te
selecteren waar u
woont en druk daarna
op SET.
6.
Stel de huidige datum en tijd in.
Wanneer u dit wilt doen:
Houd de tijd bij d.m.v. de standaard tijd
Houd de tijd bij d.m.v. de zomertijd
(DST = Daylight Saving Time)
Selecteer deze
instelling:
Off (uit)
On (aan)
Om dit te doen:
Verplaatsen van de cursor tussen
instellingen
Verander de instelling bij de huidige
plaats van de cursor
Overschakelen tussen de 12-uur en
de 24-uur tijdaanduiding.
Doe dit:
Druk op [
] en [ ].
Druk op [ ] en [ ].
Druk op DISP.
7.
Druk op SET om de instellingen te registreren
en verlaat daarna het instelbeeldscherm.
38
ELEMENTAIRE BEELDOPNAME
2.
Zet de functieschijf-
regelaar op
(Snapshot functie).
3.
Zet het beeld op het
beeldscherm zo op
dat het hoofd-
onderwerp zich
binnen het scherp-
stelkader bevindt.
Het scherpstelbereik
van de camera is
ongeveer 40 cm tot
oneindig ().
U kunt beelden opzetten m.b.v. ofwel het beeld-
scherm ofwel de optische zoeker (pagina 43).
U kunt bij het gebruik van de optische zoeker voor het
opzetten van beelden de DISP toets gebruiken om het
beeldscherm uit te schakelen en op die manier accu-
stroom sparen.
ELEMENTAIRE BEELDOPNAME
Dit hoofdstuk beschrijft de basisprocedure voor het opne-
men van een beeld.
Opnemen van een beeld
Uw camera is uitgerust met een grote hoeveelheid van ver-
schillende opnamefuncties. De toelichting in dit hoofdstuk
wordt gepresenteerd m.b.v. de snapshot functie. De camera
stelt automatisch de sluitertijd en de lensopeninginstellingen
bij overeenkomstig de helderheid van het onderwerp. Beel-
den die u opneemt, worden opgeslagen in het ingebouwde
flash-geheugen van deze camera.
U kunt ook los verkrijgbare SD geheugenkaarten en
MultiMedia kaarten (MMC) gebruiken om beelden op te
slaan (pagina 104).
1.
Druk op de
spanningstoets van
de camera.
Hierdoor verschijnt een
beeld of een boodschap
op het beeldscherm.
Spanningstoets
ON/OFF
MF
PREVIEW
DPOF
Functiedraaischijf
1200
1200
1600
1600
NORMAL
NORMAL
99
99
02
02
/12
12
/24
24
12
12
:
58
58
IN
Scherpstelkader
39
ELEMENTAIRE BEELDOPNAME
4.
Druk de sluiterontspannings-
toets halverwege in om op
het beeld scherp te stellen.
Bij halverwege indrukken van de
sluiterontspanningstoets stelt de
autofocus functie van de camera
automatisch scherp op het beeld
en worden de sluitersnelheid- en
lensopeningwaarden getoond.
U kunt controleren of
scherpgesteld is op het beeld
door naar het scherpstel-
kader te kijken en met de
groene indicator.
Sluiterontspannings-
toets
Dat betekent dit:
Er is scherpgesteld op het
beeld.
Er is niet scherpgesteld op
het beeld.
Wanneer u dit ziet:
Groen scherpstelkader
Groene bedrijfsindicator
Rood scherpstelkader
Groene bedrijfsindicator knippert
Let erop dat u de lens,
de AF sensor en de
flitser niet met uw
vingers blokkeert tijdens
het opnemen van een
beeld.
Groene bedrijfsindicator
Werking van de bedrijfsindicator en het scherpstelkader
AF sensor
Lens
Flitser
40
ELEMENTAIRE BEELDOPNAME
Opname voorzorgsmaatregelen
Open het accupaneeldeksel nooit terwijl de groene
bedrijfsindicator aan het knipperen is. Doet u dit toch dan
zal niet enkel het huidige beeld verloren gaan maar kunnen
de reeds in het camerageheugen opgeslagen beelden ook
beschadigd raken en kan de camera zelf defect raken.
• Verwijder de geheugenkaart nooit terwijl een beeld opge-
nomen wordt op de geheugenkaart.
TL-verlichting knippert met een frequentie die niet waarge-
nomen kan worden door het menselijk oog. Bij gebruik van
de camera binnenshuis terwijl TL-verlichting aanstaat, kunt
u bepaalde problemen ondervinden met de helderheid of
de kleuren.
• De camera stelt de gevoeligheid van de camera automa-
tisch bij in overeenstemming met de helderheid van het
onderwerp. Dit kan de oorzaak vormen van statische ruis
bij beelden van relatief donkere voorwerpen.
• Bij een onderwerp met weinig licht zal de camera de ge-
voeligheid verhogen en een snellere sluitersnelheid ge-
bruiken. Hierom dient u zich tegen bewegen van de ca-
mera te behoeden wanneer de flitser uitgeschakeld is ( )
bij het opnemen van een weinig verlicht onderwerp (pagina
46).
5.
Na u ervan te hebben over-
tuigd dat scherp is afgesteld
op het beeld, drukt u de
sluiterontspanningstoets
geheel in om te gaan opne-
men.
Het opgenomen beeld wordt
eerst tijdelijk opgeslagen in het
buffergeheugen. Daarna wordt
het vastgelegd in het ingebouwde
flash-geheugen van de camera of
op een geheugenkaart. U kunt
achtereenvolgende continue
sluiterbeelden opnemen zolang
als er nog buffergeheugen
beschikbaar is om ze op te slaan.
Het aantal beelden dat in het geheugen kan worden
opgeslagen hangt af van de resolutie instelling die u
gebruikt (pagina 140).
Druk zachtjes op de sluiterontspanningstoets om be-
wegen van de camera te vermijden.
Sluiterontspannings-
toets
41
ELEMENTAIRE BEELDOPNAME
Aangaande autofocus
Autofocus heeft de neiging niet goed te werken als de ca-
mera bewogen wordt tijdens het opnemen of bij het opne-
men van de onderstaande types onderwerpen.
Effen kleuren of onderwerpen met weinig contrast
Onderwerpen met sterk tegenlicht
— Gepoetst metaal of andere helder reflecterende voor-
werpen
Jaloezieën (luxaflex) of andere patronen die zich hori-
zontaal repeteren.
Meervoudige beelden die zich op verschillende afstan-
den van de camera bevinden
Onderwerpen op slecht verlichte plaatsen
Bewegende onderwerpen
Merk op dat een groene bedrijfsindicator en scherpstelkader
niet noodzakelijkerwijze garant staan voor een scherp
beeld.
Als de autofocus om één of andere reden de gewenste re-
sultaten niet produceert, probeer dan scherpstelvergren-
deling (pagina 56) of handmatige scherpstelling (pagina
55)
Aangaande het beeldscherm van de
opnamefunctie
Het tijdens een opnamefunctie op het beeldscherm ge-
toonde beeld is een vereenvoudigd beeld voor het maken
van een compositie. Het daadwerkelijke beeld wordt opge-
nomen overeenkomstig de beeldkwaliteitinstellingen die
op dat moment geselecteerd zijn bij uw camera. Het beeld
dat in het geheugen opgeslagen wordt heeft een veel beter
resolutie en beter detail dan het beeld van het scherm-
beeld tijdens een opnamefunctie.
Bepaalde niveau’s van helderheid van het onderwerp kun-
nen de respons van het beeldscherm doen vertragen het-
geen statische ruis veroorzaakt op het beeldscherm.
42
ELEMENTAIRE BEELDOPNAME
Voorvertoning van het laatst opgenomen beeld
Gebruik de volgende procedure om voorvertoning van het
laatst opgenomen beeld te verkrijgen zonder de huidige
opnamefunctie te verlaten.
1.
Druk op de PREVIEW (voorvertoning) toets om
het laatst opgenomen beeld te tonen.
Door nogmaals op de PREVIEW toets te drukken
wordt teruggegaan naar de opnamefunctie.
De PREVIEW toets heeft geen functie als u hem in-
drukt onmiddellijk na inschakelen van de spanning
van de camera of onmiddellijk na inschakelen van een
opnamefunctie vanuit de weergavefunctie.
Beeldvoorvertoning kan niet worden gebruikt tijdens
de filmfunctie. Het voorvertoningsbeeld wordt auto-
matisch gewist wanneer van opnamefunctie wordt
veranderd.
Wissen van een beeld tijdens de opname-
functie
U kunt de volgende procedure gebruiken om het laatst opge-
nomen beeld te wissen zonder de huidige opnamefunctie te
verlaten.
BELANGRIJK!
Merk op dat het wissen van een beeld niet ongedaan
kan worden gemaakt. Wees er dus zeker van dat u het
beeld niet langer nodig heeft voordat u het daadwer-
kelijk uitwist.
1.
Druk tijdens de opnamefunctie op de PREVIEW
(voorvertoning) toets om het laatst opgeno-
men beeld te tonen.
2.
Druk op .
3.
Selecteer “Delete” (wissen) in antwoord op de
bevestigingsboodschap die verschijnt.
Selecteer “Cancel” (annuleren) om het wissen de an-
nuleren zonder iets uit te wissen.
4.
Druk op SET.
Dit wist het beeld uit en keert terug naar de opname-
functie.
43
ELEMENTAIRE BEELDOPNAME
ZoekerkaderKorte afstand tot het onderwerp
Scherpstelkader
Bijstellen van het zicht van de optische
zoeker
U kunt de dioptrieschuifregelaar gebruiken om het zicht van
de zoeker aan te passen aan uw gezichtsvermogen. Stel de
dioptrieschuifregelaar zodanig bij dat het beeld in de zoeker
helder is.
Dioptrieschuifregelaar
BELANGRIJK!
De dioptrieschuifregelaar werkt niet wanneer de ca-
mera is uitgeschakeld of als de weergavefunctie inge-
schakeld is. Schakel dus eerst een opnamefunctie in
om de dioptrieschuifregelaar bij te stellen.
Gebruiken van de optische zoeker
Door het uitschakelen can het beeldscherm van de camera
en door gebruik te maken van de optische zoeker om beeld-
compositie uit te voeren, kunt u accustroom besparen.
BELANGRIJK!
Het kader dat binnenin de zoeker zichtbaar is geeft
aan dat een beeld opgenomen wordt op een afstand
van ongeveer drie meter. Bij een afstand die groter of
kleiner is dan drie meter, kan het opgenomen beeld
verschillen van het beeld dat u binnenin het zoeker-
kader kunt zien.
Het beeldscherm wordt automatisch ingeschakeld
wanneer u de macrofunctie (Macro) of de handmatige
scherpstelfunctie (Manual Focus) selecteert. Gebruik
het beeldscherm altijd om beeldcompositie uit te voe-
ren voor deze functies.
44
ELEMENTAIRE BEELDOPNAME
3.
Voer beeldcompositie uit en druk dan op de
sluiterontspanningstoets.
OPMERKINGEN
De optische zoomfactor heeft ook invloed op de lens-
opening.
• Het wordt aanbevolen een statief te gebruiken om te
behoeden voor handbewegingen bij het gebruiken
van de telefotostand (inzoomen).
Gebruiken van de zoom
Uw camera is uitgerust met twee types zoom: optische zoom
en digitale zoom.
Optische zoom
Optische zoom verandert de brandspuntsafstand van de
lens. Het bereik van de zoomfactor is hieronder gegeven.
Zoomfactorbereik: 1X – 3X
1.
Schakel een opnamefunctie in.
2.
Verdraai de zoom-
regelaar om de
zoomfactor te veran-
deren.
(groothoek) : Zoomt uit.
(telelens) : Zoomt in.
Zoom uitZoom in
ON/OFF
Zoomregelaar
45
ELEMENTAIRE BEELDOPNAME
5.
Schuif de zoomrege-
laar naar (Telefoto)/
om de zoomfactor te
veranderen.
Wanneer de zoom de
maximale optische
zoomstand bereikt, stopt
hij even. Houd de
zoomregelaar ingedrukt
naar (telefoto)/
maat en de zoom
schakelt over naar
digitale zoom.
Hierdoor verschijnt de zoomindicator op het beeld-
scherm. De zoomindicator geeft een benadering van
de huidige zoomfactor.
6.
Voer compositie van het beeld uit en druk op
de sluiterontspanningstoets.
BELANGRIJK!
De digitale zoomfunctie werkt niet wanneer het beeld-
scherm uitgeschakeld is (pagina 20).
Digitale zoom
De digitale zoom wordt geactiveerd nadat u de maximale op-
tische zoomfactor (3X) bereikt. Het vergroot het deel van het
beeld dat zich in het midden bevindt van het beeldscherm.
Het bereik van de zoomfactor is hieronder gegeven.
Zoomfactorbereik : 3X – 9,6X
(in combinatie met de optische zoom)
1.
Druk tijdens een opnamefunctie op MENU.
2.
Selecteer de “REC” (opname) tab m.b.v. [ ] en
[ ].
3.
Selecteer de “Digital Zoom” (digitale zoom)
m.b.v. [ ] en [ ] en druk vervolgens op [ ].
4.
Selecteer “On” (aan) en druk daarna op SET.
Door “Off” (uit) te selecteren.
1x 3x 9.6x
Current zoom factor
Optical Zoom
Digital
Zoom
Zoom indicator
Digitale zoomindicator
46
ELEMENTAIRE BEELDOPNAME
Gebruiken van de flitser
Voer de volgende stappen uit om de flitserfunctie te selecte-
ren die u wilt gebruiken.
1.
Druk tijdens een opnamefunctie op MENU.
2.
Druk op om de
flitserfunctie te selecteren.
Telkens bij indrukken van
wordt naar de volgende
instelling van de flitserfunctie
doorgegaan in een oneindige
lus, zoals aangegeven in het
beeldscherm hieronder.
MF
PREVIEW
DPOF
Flitserfunctie indicator
3.
Neem het beeld op.
BELANGRIJK!
De flitsereenheid van deze camera flists een aantal
malen bij het opnemen van een beeld. De aanvanke-
lijke flitsen zijn voorflitsen waarbij de camera informatie
inwint die nodig is voor de belichtingsinstellingen. De
laatste flits is voor het opnemen. Zorg ervoor dat u de
camera stil houdt totdat de camera de sluiter ontspant.
Het beeld kan mogelijk niet worden opgenomen als u
op de sluiterontspanningstoets drukt terwijl de rode
bedrijfsindicator knippert.
Om dit te doen:
Laat de flitser automatisch flitsen
wanneer dit nodig is (Auto Flash -
automatisch flitsen).
Schakel de flitser uit (Flash Off - Flitser
uit).
Altijd flitsen (Flash On - flitser aan).
Voer een voorflits uit gevolgd door
beeldopname met flits, hetgeen het gevaar
op rode ogen in het beeld reduceert (rode
ogen-effect vermindering).
Laat de flitser automatisch flitsen
wanneer dit nodig is.
Selecteer deze
instelling:
None (geen)
47
ELEMENTAIRE BEELDOPNAME
Aangaande vermindering van het rode ogen -
effect
Wanneer gebruik gemaakt van de flitser om ’s nachts of in
een slecht verlichte kamer op te nemen, kan dit rode vlekken
veroorzaken in de ogen van de mensen in beeld. Dit wordt
veroorzaakt doordat het licht van de flitser weerkaatst tegen
het netvlies van de ogen. Wanneer rode ogen-effect vermin-
dering wordt geselecteerd als flitserfunctie, voert de camera
twee voorflitsen uit, de eerste om de iris in de ogen van de
mensen in beeld te doen sluiten en de tweede voor werking
van de autofocus. Deze twee voorflitsen worden dan ge-
volgd door de flits die gebruikt wordt voor het opnemen van
het beeld.
BELANGRIJK!
Merk de volgende punten op voor rode ogen-effect ver-
mindering.
De functie voor de rode ogen-effect vermindering
werkt niet tenzij de mensen in beeld direct naar de
camera kijken tijdens de voorflits of tijdens flitsen met
de AF sensor. Roep voordat u op de sluiter-
ontspanningstoets drukt naar de onderwerpen zodat
ze allen naar de camera kijken terwijl het voorflitsen
wordt uitgevoerd.
De rode ogen-effect vermindering werkt niet goed als
de onderwerpen zich ver van de camera bevinden.
Flitsereenheid status
U kunt de huidige flitseenheid status opzoeken door de
sluiterontspanningstoets halverwege in te drukken en het
beeldscherm en de rode bedrijfsindicator te checken.
Rode bedrijfsindicator
*
De indicator wordt
ook in het beeldscherm
getoond wanneer de
flitser klaar is om de
flitsen.
* Rode bedrijfsindicator
Betekent dat:
Dat de flitseenheid aan het opladen is
Dat de flitseenheid klaar is om te flitsen
Wanneer de rode
bedrijfsindicator:
Klippert
Brandt
48
ELEMENTAIRE BEELDOPNAME
Veranderen van de flitssterkte instelling
Voer de volgende stappen uit om de flitssterkte instelling te
veranderen.
1.
Druk tijdens een opnamefunctie op MENU.
2.
Selecteer de “REC” (opname) tab m.b.v. [ ] en
[ ].
3.
Selecteer de “Flash Intensity” (flitsintensiteit)
m.b.v. [ ] en [ ] en druk vervolgens op [ ].
4.
Selecteer de gewenste instelling en druk
daarna op SET.
Om dit te doen:
Flits met hoge intensiteit
Flits met normale intensiteit
Flits met lage intensiteit
Selecteer deze instelling:
Strong (Sterk)
Normal (Normaal)
Weak (Zwak)
Voorzorgsmaatregelen voor de flitser
Let erop dat uw vingers de
flitser niet blokkeren terwijl u
de camera vasthoudt.
Afdekken van de flitser zal het
effect grotendeels teniet doen.
Een benadering van het effectieve bereik van de flitser
wordt hieronder gegeven. De flitser kan onderwerpen bui-
ten dit bereik niet voldoende belichten.
QV-R3: 0,4 meter tot 3,2 meters
QV-R4: 0,4 meter tot 2,8 meters
• De flitser heeft ergens tussen enkele seconden en 10 se-
conden nodig om zich volledig op te laden nadat hij geflitst
heeft. De werkelijke tijd hangt af van het accuniveau, de
temperatuur en andere omstandigheden.
De flitser flitst niet tijdens de filmfunctie (Movie) en de door-
lopende sluiterfunctie (Continuous Shutter). Dit wordt aan-
gegeven door (Flash Off - flitser uit) in het beeld-
scherm.
Flitser
De flitsintensiteit verandert mogelijk niet wanneer het
onderwerp zich te ver van of te dicht bij de camera
bevindt.
49
ELEMENTAIRE BEELDOPNAME
Gebruiken van de zelfontspanner
Met de zelfontspanner kunt u een vertraging van 2 seconden
of 10 seconden selecteren voordat de sluiterontspanning
plaatsvindt nadat u de sluiterontspanningstoets indrukt. Met
de drievoudige zelfontspanner kunt u de zelfontspanner drie
maal achtereenvolgens laten werken om drie beelden op te
nemen.
1.
Druk tijdens de
opnamefunctie op /
DPOF om de
gewenste
zelfontspannerinstelling
te selecteren.
Telkens bij indrukken
van / DPOF wordt
naar de volgende
instelling van de
zelfontspanner doorge-
gaan in een oneindige
lus, zoals hieronder
aangegeven.
Zelfontspanner instelling
De flitsereenheid kan zich mogelijk niet geheel opladen als
de accuspanning laag is. Als de accuspanning laag is,
wordt dit aangegeven door (Flash Off - flitser uit) in het
beedscherm en wanneer de flitser niet goed flitst hetgeen
een slechte belichting van het beeld tot gevolg zal hebben.
Mochten dergelijk symptomen te bespeuren zijn, laad dan
de accu van de camera zo snel mogelijk op.
Bij gebruik de van rode ogen-effect verminderingsfunctie
( ) wordt de flitsintensiteit automatisch bijgesteld in over-
eenstemming met de belichting. De flitser kan mogelijk in
het geheel niet flitsen wanneer het onderwerp reeds helder
verlicht is.
De witbalans wordt vergrendeld tijdens het gebruik van de
flitser zodat zonlicht, TL-verlichting of andere lichtbronnen
in de onmiddelijke omgeving de kleuren van het opgeno-
men beeld (negatief) kunnen beïnvloeden.
50
ELEMENTAIRE BEELDOPNAME
Zie pagina 59 voor informatie aangaande doorlo-
pende sluiteropname (Continuous Shutter).
Bij de drievoudige zelfontspanner wordt het eerste
beeld opgenomen na 10 seconden aftellen. Daarna
wordt het tweede beeld opgenomen na 3 seconden
aftellen en het derde beeld wordt na nog eens 3 se-
conden aftellen opgenomen.
2.
Neem het beeld op.
Bij indrukken van de
sluiterontspannings-
toets gaat de
zelfontspannerindicator
knipperen en de sluiter
ontspant zich nadat de
zelfontspanner het
aftellen heeft voltooid.
U kunt het aftellen van
de zelfontspanner op
dat moment stop zetten
door op de sluiter-
ontspanningstoets te
drukken terwijl de
zelfontspannerindicator
knippert.
OPMERKINGEN
• De anti-trilling stabilisator is ingeschakeld wanneer u
een langzame sluitersnelheid en de twee-seconden
zelfontspanner op tegelijkertijd gebruikt.
U kunt de zelfontspanner niet in combinatie met de
doorlopende sluiterfunctie (Continuous Shutter Mode)
gebruiken (pagina 59).
Zelfontspannerindicator
Om dit te doen:
Schakel de zelfontspanner uit
Specificeer een 10 seconden
zelfontspanner
Specificeer een 2 seconden
zelfontspanner
Specificeer een drievoudige
zelfontspanner
Specificeer doorlopende sluiter-
opname (Continuous Shutter) (Geen
zelfontspanner)
Selecteer deze
instelling:
Geen icoon wordt
getoond.
10
s
2
s
x3
51
ELEMENTAIRE BEELDOPNAME
Specificeren van beeldgrootte en beeldkwaliteit
U kunt de beeldgrootte en beeldkwaliteit specificeren voor
aanpassing aan het type beeld dat u aan het opnemen bent.
Beeldgrootte specificeren
1.
Druk tijdens een opnamefunctie op MENU.
2.
Selecteer de REC (opname) tab m.b.v. [ ] en
[ ].
3.
Selecteer Size (grootte) m.b.v. [ ] en [ ] en
druk vervolgens op [ ].
4.
Verander m.b.v. [ ] en [ ] de huidige instel-
ling en druk daarna op SET.
OPMERKING
U kunt de hogere beeldpuntinstellingen gebruiken
wanneer u van plan bent een grote afdruk te maken
van het beeld. Gebruik 640 X 480 wanneer u ruimte
wilt besparen omdat u van plan bent beelden met e-
mail te verzenden, enz.
Om een beeld van deze grootte
op te nemen:
2304 X1712 beeldpunten (QV-R4)
2240 X1680 beeldpunten (QV-R4)
2048 X1536 beeldpunten (QV-R3)
1600 X1200 beeldpunten
1280 X 960 beeldpunten
640 X 480 beeldpunten
Selecteer deze
instelling:
2304 X 1712
2240 X 1680
2048 X 1536
1600 X 1200
1280 X 960
640 X 480
52
ELEMENTAIRE BEELDOPNAME
Beeldkwaliteit specificeren
1.
Druk tijdens een opnamefunctie op MENU.
2.
Selecteer de REC (opname) tab m.b.v. [ ] en
[ ].
3.
Selecteer Quality (kwaliteit) m.b.v. [ ] en [ ]
en druk vervolgens op [ ].
4.
Verander m.b.v. [ ] en [ ] de huidige instel-
ling en druk daarna op SET.
OPMERKING
Gebruik de “Fine” (fijn) instelling wanneer de beeld-
kwaliteit uw grootste prioriteit is en de bestands-
grootte ondergeschikt is. Omgekeerd als uw grootste
prioriteit de bestandsgrootte is en de beeldkwaliteit
secundair, gebruik dan de “Economy” (economisch)
instelling.
BELANGRIJK!
• De werkelijke bestandsgrootte hangt af van het type
beeld dat u opneemt. Dat betekent dat de resterende
beeldcapaciteit die in het beeldscherm aangegeven
wordt niet precies kloppen (pagina 18 en 140).
Om dit te verkrijgen:
Bijzonder hoge kwaliteit maar
grote bestandsgrootte
Normale kwaliteit
Kleine bestandsgrootte maar lage
kwalteit
Selecteer deze
instelling:
Fine (fijn)
Normal (normaal)
Economy (economisch)
53
OVERIGE OPNAMEFUNCTIES
OVERIGE OPNAMEFUNCTIES
MF
PREVIEW
DPOF
MF
Scherpstelfunctie indicator
Geen indicator
(autofocus)
Macro (groothoek)
Infinity (oneindig)
MF Manual (handmatig)
Gebruik van autofocus
In het Engels betekent het woord “focus” scherpstellen, dus
Auto Focus betekent automatisch scherpstellen - we zullen
in deze gebruiksaanwijzing echter de technische term ‚auto-
focus‘ aanhouden. Werking van autofocus begint wanneer u
de sluiterontspanningstoets halverwege indrukt. Het bereik
van autofocus is als volgt.
Bereik: Ca. 40cm –
1.
Houd MF ingedrukt totdat de
focusindicator uit de display is verdwenen.
2.
Voer compositie van
het beeld zodanig uit
dat hoofdonderwerp
zich binnen het
scherpstelkader
bevindt en druk
vervolgens de sluiter-
ontspanningstoets
halverwege in.
U kunt controleren of op het beeld scherpgesteld is
door het scherpstelkader en de groene bedrijfsindicator
te bekijken.
1200
1200
1600
1600
NORMAL
NORMAL
99
99
02
02
/12
12
/24
24
12
12
:
58
58
IN
Scherpstelkader
Dit hoofdstuk beschrijft de andere indrukwekkende kenmer-
ken en functies die beschikbaar staan voor het opnemen.
Selecteren van de scherpstelfunctie
U kunt vier verschillende scherpstelfuncties selecteren: Auto
Focus (autofocus = automatisch scherpstellen), Macro
(groothoek), Infinity (oneindig) en Manual (handmatig).
1.
Schakel een opnamefunctie in.
2.
Druk MF in.
Telkens bij indrukken van
MF wordt naar de
volgende instelling van de
scherpstelfunctie doorgegaan
in een oneindige lus zoals
hieronder aangegeven.
54
OVERIGE OPNAMEFUNCTIES
Wanneer u dit ziet:
Groen scherpstelkader
Groene bedrijfsindicator
Groen scherpstelkader knippert
Groene bedrijfsindicator knippert
Dat betekent dit:
Er is scherpgesteld op
het beeld.
Er is niet scherpgesteld
op het beeld.
3.
Druk de sluiterontspanningstoets nu geheel in
om het beeld op te nemen.
Gebruik van de macrofunctie
De macrofunctie laat u automatisch scherpstellen op close-
up onderwerpen. Het automatische scherpstellen begint
wanneer u de sluiterontspanningstoets halverwege indrukt.
Het bereik van het scherpstelbereik van de macrofunctie is
als volgt.
Bereik: Ca. 14 cm – 50 cm
1.
Houd MF ingedrukt totdat de in de
display verschijnt.
2.
Neem het beeld op.
Het scherpstellen en het opnemen van het beeld zijn
identiek aan wat u doet tijdens de autofocus functie.
U kunt controleren of op het beeld scherpgesteld is
door het scherpstelkader en de groene
bedrijfsindicator te bekijken. De aanduidingen van het
scherpstelkader en de groene bedrijfsindicator zijn
hetzelfde als bij de autofocus functie.
BELANGRIJK!
Tijdens macrozoomen kan de optische zoom niet wor-
den gebruikt. Zoomen is vastgezet op de maximale
groothoek.
55
OVERIGE OPNAMEFUNCTIES
Gebruik van de oneindig-functie
De oneindig functie zet de scherpstelling vast op oneindig
(). Gebruik deze functie voor het opnemen van landschap-
pen en van andere beelden die zich op grote afstand bevin-
den.
1.
Houd MF ingedrukt totdat de in de
display verschijnt.
2.
Neem het beeld op.
Gebruik van handmatig scherpstellen
Met de handmatige scherpstelfunctie kunt u met de hand op
een beeld scherpstellen. Hieronder volgen de scherpstel-
bereiken tijdens de groothoekfunctie voor de twee optische
zoomfactoren.
Optische zoomfactor
1X
3X
Benadering van scherpstelbereik
14 cm tot oneindig ()
40 cm tot oneindig ()
1.
Houd MF
ingedrukt totdat MF in
de display verschijnt.
Op dit ogenblik
verschijnt er ook een
kader in de display om
het gedeelte van het
beeld aan te geven dat
gebruikt wordt voor
handmatig scherpst-
ellen.
Kader
56
OVERIGE OPNAMEFUNCTIES
Door op [ ] of [ ] te drukken zal het gedeelte binnen
het kader in stap 1 het beeldscherm tijdelijk geheel
vullen om het scherpstellen te vergemakkelijken. En-
kele ogenblikken later zal het normale beeld opnieuw
verkregen worden.
3.
Druk op de sluiterontspanningstoets om het
beeld op te nemen.
Om dit te doen:
Stel scherp van het onderwerp weg
Stel scherp op het voorwerp
Doe dit:
Druk op [ ].
Druk op [
].
2.
Terwijl u het beeld via
het beeldscherm
bekijkt, gebruikt u [ ]
en [ ] om scherp te
stellen.
Handmatige scherpstelstand
Gebruik van de scherpstelvergrendeling
Scherpstelvergrendeling is een techniek die u kunt gebrui-
ken om scherp te stellen op een onderwerp dat zich niet bin-
nen het scherpstelkader bevindt terwijl u een beeld aan het
opnemen bent. U kunt scherpstelvergrendeling gebruiken tij-
dens de autofocus functie en tijdens de macrofunctie ( ).
1.
Voer de compositie
van het beeld op het
beeldscherm zodanig
uit dat het hoofd-
onderwerp zich
binnen het scherp-
stelkader bevindt en
druk vervolgens de
sluiterontspannings-
toets halverwege in.
Het scherpstellen en het opnemen van het beeld zijn
identiek aan wat u doet tijdens de autofocus functie.
U kunt controleren of op het beeld scherpgesteld is
door het scherpstelkader en de groene
bedrijfsindicator te bekijken. De aanduidingen van het
scherpstelkader en de groene bedrijfsindicator zijn
hetzelfde als bij de autofocus functie.
1200
1200
1600
1600
NORMAL
NORMAL
99
99
02
02
/12
12
/24
24
12
12
:
58
58
IN
Scherpstelkader
57
OVERIGE OPNAMEFUNCTIES
1200
1200
1600
1600
NORMAL
NORMAL
99
99
02
02
/12
12
/24
24
12
12
:
58
58
IN
2.
Houd de sluiter-
ontspanningstoets
halverwege ingedrukt
en voer her-
compositie van het
beeld uit zoals u dat
schikt.
3.
Wanneer u nu hercompositie van het beeld
naar wens uitgevoerd heeft, druk de sluiter-
ontspanningstoets geheel in om het op te ne-
men.
OPMERKING
Door de scherpstelling te vergrendelen wordt de
belichting ook vergrendeld.
Belichtingscompensatie (EV verschuiving)
De belichtingscompensatie laat u de belichtingsinstelling
(EV waarde) met de hand veranderen voor aanpassing aan
de belichting van het onderwerp. Deze functie helpt u bij het
verkrijgen van betere resultaten bij het opnemen van onder-
werpen met tegenlicht, een sterk verlicht onderwerp bin-
nenshuis of een onderwerp tegen een donkere achtergrond.
Belichtingscompensatiebereik: –2,0EV – + 2,0EV
Stappen: 1/3EV
1.
Druk tijdens een
opnamefunctie op [ ]
en [ ].
Hierdoor verschijnt de
belichtingscompensatie-
waarde op het beeld-
scherm.
EV waarde
58
OVERIGE OPNAMEFUNCTIES
Druk op [ ] om de EV waarde te verhogen. Een hogere
EV waarde wordt het best gebruikt voor licht-gekleurde
onderwerpen en onderwerpen met tegenlicht.
Druk op [ ] om de EV waarde te verlagen. Een lagere
EV waarde wordt het best gebruikt voor donker-ge-
kleurde onderwerpen en voor het maken van buiten-
opnamen op een heldere dag.
Stel om de belichtingscompensatie te annuleren de
waarde bij tot hij nul is.
2.
Voer compositie uit van het beeld en druk dan
op de sluiterontspanningstoets.
BELANGRIJK!
Bij het opnemen onder bijzonder donkere of juist lichte
omstandigheden kunt u mogelijk geen bevredigende resul-
taten verkrijgen ook al gebruikt u belichtingscompensatie.
59
OVERIGE OPNAMEFUNCTIES
Opnemen van opeenvolgende beelden
(doorlopende sluiterfunctie)
De doorlopende sluiterfunctie neemt beelden op zolang als u
de sluiterontspanningstoets ingedrukt houdt. Merk op dat de
lengte van de pauze tussen de beelden afhangt van de
beeldkwaliteitsinstelling.
1.
Druk op / DPOF
om de doorlopende
sluiterfunctie te
selecteren (pagina
49).
De doorlopende
sluiterfunctie is
geselecteerd als de
indicator zich in het
beeldscherm bevindt.
2.
Houd de sluiterontspanningstoets ingedrukt
om de gewenste beelden op te nemen.
BELANGRIJK!
De flitser flitst niet tijdens opnemen met de doorlo-
pende sluiterfunctie.
• Het is niet mogelijk de zelfontspanner samen met de
doorlopende sluiterfunctie te gebruiken.
• Verwijder de accu of de geheugenkaart nooit van de
camera en koppel de netadapter nooit los terwijl beel-
den opgeslagen worden in het geheugen.
60
OVERIGE OPNAMEFUNCTIES
Combineren van shots van twee mensen tot een
enkel beeld (Coupling Shot (combinatieshot))
De combinatieshotfunctie stelt u in staat om beelden op te
nemen van twee mensen en die dan te combineren tot een
enkel beeld. Dit maakt het mogelijk om uzelf in een groep te
plaatsen zelfs als er niemand in de buurt is op dat beeld voor
u op te nemen.
Eerste beeld Dit is het deel
van het beeld
waarbij de
persoon die het
eerste beeld
opneemt, niet
zelf in beeld is.
Tweede
beeld
Gecombi-
neerde
beelden
Let erop dat de
achtergrond van
het beeld correct
aansluit en neem
het beeld op van
de persoon die
het eerste beeld
opnam.
1.
Zet de functieschijfregelaarop
(combinatieshotfunctie).
2.
Lijn eerst het
scherpstelkader in
het beeldscherm uit
met het onderwerp
dat u aan de linker-
kant van het beeld
wilt en druk op de
sluiterontspannings-
toets om het beeld op
te nemen.
De volgende instellingen zijn voor dit beeld vastge-
legd: scherpstellen, belichting, witbalans, zoom en flit-
sen.
Scherpstelkader
61
OVERIGE OPNAMEFUNCTIES
3.
Lijn vervolgens het
scherpstelkader uit
met het onderwerp
dat u aan de rechter-
kant van het beeld
wilt en let er daarbij
op dat de achter-
grond van deze
opname uitgelijnd is
met de achtergrond
van het half-
doorzichtige beeld
van het eerste beeld
dat op het beeld-
scherm wordt ge-
toond. Is alles dan
goed uitgelijnd, neem
dan het beeld op.
Wanneer MENU ingedrukt wordt op welk moment dan
ook na stap 2 van de bovenstaande procedure, zal dit
het eerste beeld annuleren en wordt teruggekeerd
naar stap 2.
Halfdoorzichtige beeld
OPMERKING
De beste shot functie (pagina 64) gebruikt drie
voorbeeldscènes die de combinatieshot gebruiken.
Eén van de scènes gebruikt twee shots aan de linker-
helft en de rechterhelft van het beeld zoals beschre-
ven in de bovenstaande procedure. Het eerste shot
van de overige twee combinatieshot voorbeeldscènes
gebruikt het linker derde van het beeld terwijl dat van
de overblijvende voorbeeldscène het rechter derde
van het beeld gebruikt. Merk echter op dat de
combinatieshot voorbeeldscènes van de beste shot
functie niet gebruikt kunnen worden tijdens de beste
shot functie zelf.
62
OVERIGE OPNAMEFUNCTIES
Opnemen van een onderwerp over een bestaand
achtergrondbeeld (Pre-shot (vooropname))
Het de vooropname functie helpt bij het verkrijgen van de
gewenste achtergrond zelfs als u iemand anders moet vra-
gen om het beeld voor u op te nemen. In principe is voorop-
name een tweestaps procedure.
1. U stelt de compositie voor de gewenste achtergrond sa-
men en drukt op de sluiterontspanningstoets waardoor
een half-doorzichtig beeld van de achtergrond op het
beeldscherm blijft staan.
2. Vraag dan iemand om een foto van u te maken met de
oorspronkelijke achtergrond en vertel hem om de compo-
sitie van het beeld te maken m.b.v. het half-doorzichtige
beeldscherm als gids.
De camera slaat enkel het beeld op dat in stap 2 gepro-
duceerd wordt.
De achtergrond kan iets afwijken van die u in stap 1 sa-
mengesteld had afhankelijk van hoe de compositie van
het beeld in stap wordt gemaakt.
Merk op dat de vooropname functie enkel beschikbaar is tij-
dens de beste shotfunctie (pagina 64).
Zet de achtergrond stil op
het beeldscherm.
Neem het beeld op m.b.v.
de achtergrond in het
beeldscherm als gids.
Hierdoor wordt het beeld
opgenomen.
63
OVERIGE OPNAMEFUNCTIES
1.
Zet de functieschijfregelaar op .
2.
Gebruik [ ] en [ ] om
“Pre-shot” te selecte-
ren en druk vervol-
gens op SET.
3.
Zet de achtergrond stil op het beeldscherm.
Hoewel een halfdoorzichtig beeld van de achtergrond
in het beeldscherm verschijnt in stap 4 wordt het
achtergrondbeeld op dit moment niet in het geheugen
vastgelegd.
De volgende instellingen zijn voor dit beeld vastge-
legd: scherpstellen, belichting, witbalans, zoom en flit-
sen.
4.
Lijn vervolgens het
scherpstelkader uit
met het onderwerp en
voer daarbij composi-
tie uit van het onder-
werp tegen de half-
doorzichtige achter-
grond die op het
beeldscherm te zien
is. Neem het beeld op
als alles correct
uitgelijnd is.
Dit neemt het beeld op waarvan de compositie in stap
4 op het beeldscherm werd gemaakt. Het
achtergrondbeeld dat ter referentie werd gebruikt,
wordt niet opgenomen.
Wanneer MENU ingedrukt wordt op welk moment dan
ook na stap 3 van de bovenstaande procedure, zal dit
het achtergrondbeeld annuleren en wordt terugge-
keerd naar stap 3.
Halfdoorzichtige beeld
64
OVERIGE OPNAMEFUNCTIES
Gebruiken van de beste shotfunctie
Door één van de 33 beste shot achtergronden te selecteren
wordt de camera automatisch klaar gemaakt voor het opne-
men van een soortgelijk beeld.
Voorbeeld achtergronden
Compositie contour
Bij het selecteren van bepaalde
beste shot achtergronden verschijnt
een samengesteld contour op het
beeldscherm. Gebruik de composi-
tie contour om compositie van uw
beeld en de juiste balans op te
zetten. De plaats van het composi-
tie contour hangt af van de
voorbeeld achtergrond die u
selecteert.
Scherpstelkader
Voorbeeld: Opnemen van
een portret.
Compositie
achtergrond
1.
Zet de functieschijf-
regelaar op .
Hierdoor wordt de beste
shotfunctie ingescha-
keld en een voorbeeld
achtergrond getoond.
2.
Gebruik [ ] en [ ] om de gewenste voorbeeld
achtergrond te selecteren en druk vervolgens
op SET.
3.
Neem het beeld op.
BELANGRIJK!
Voorbeeld achtergronden 5 – 7 zijn combinatieshot
achtergronden (pagina 60) en voorbeelddécor num-
mer 8 is een vooropname décor (pagina 62).
Beste shot achtegronden werden niet met deze ca-
mera opgenomen. Ze dienen enkel als voorbeeld.
De beelden die u opneemt met een beste shot achter-
grond kunnen mogelijk niet de verwachte resultaten
opleveren. Dit kan o.a. komen door de omstandighe-
den tijdens het opnemen en talloze andere factoren.
U kunt veranderen naar een andere voorbeeld achter-
grond door [ ] en [ ] te gebruiken om de achtergrond
te selecteren die u wilt en vervolgens op SET te druk-
ken.
65
OVERIGE OPNAMEFUNCTIES
Creëren van uw eigen beste shot instelling
U kunt de onderstaande procedure gebruiken om een instel-
ling van een door u opgenomen beeld op te slaan om dat
beeld later weer op te roepen wanneer u het nodig heeft. Bij
oproepen van een instelling die u eerder heeft opgeslagen
zal de camera automatisch weer zo worden ingesteld.
1.
Zet de functieschijfregelaar op .
Hierdoor wordt de beste shotfunctie ingeschakeld en
een voorbeeld achtergrond getoond.
2.
Gebruik [ ] en [ ] om
“Register Favorites”
(gebruikersinstelling)
te selecteren.
3.
Druk op SET.
4.
Gebruik [ ] en [ ] om
het beeld te tonen dat
u wilt registreren als
een beste shot
achtergrond.
5.
Gebruik [ ] en [ ]
om “Save” (opslaan)
te selecteren en druk
vervolgens op SET.
Hierdoor wordt de
instelling geregistreerd.
Nu kunt u de procedure
op pagina 64 gebruiken
om uw gebruikers-
instelling te selecteren
voor het maken van een
opname.
66
OVERIGE OPNAMEFUNCTIES
BELANGRIJK!
Instellingen die u registreerde als beste shot voor-
beeld achtergronden bevinden zich na de ingebouwde
voorbeeld achtergronden.
• Merk op dat het formatteren van het ingebouwde ge-
heugen (pagina 103) alle beste shot gebruikers-
instellingen uitwist.
OPMERKINGEN
Gebruikersinstellingen in de best shot functie bevin-
den zich in het geheugen na de ingebouwde
voorbeelddécors.
Hieronder volgen de instellingen die zich bevinden
onder de best shotfunctie gebruikersinstellingen.
Focusfunctie, EV verschuivingswaarde, meetfunctie,
witbalansfunctie, kleurverbetering, flitsintensiteit,
scherpte, verzadiging, contrast, flitsfunctie, ISO ge-
voeligheid en lensopening en sluitersnelheid.
Merk op dat alleen beelden opgenomen met deze ca-
mera gebruikt kunnen worden voor registratie als
beste shotfunctie gebruikersinstellingen.
U kunt maximaal 999 beste shotfunctie gebruikers-
instellingen registreren.
U kunt de huidige instelling van een achtergrond con-
troleren door verschillende instelmenu’s te tonen.
Gebruikersinstellingen worden bestandnamen toege-
wezen die het formaat “UQVR3nnn.jpe” (waar n = 0 – 9)
of “UQVR4nnn.jpe” (waar n = 0 – 9) hebben.
Wissen van een beste shotfunctie gebruikers-
instelling
1.
Zet de functieschijfregelaar op .
Hierdoor wordt de beste shotfunctie ingeschakeld en
een voorbeeld achtergrond getoond.
2.
Gebruik [ ] en [ ] om de gebruikersinstelling
te tonen die u wilt uitwissen.
3.
Druk op om de gebruikersinstelling te wis-
sen.
U kunt een gebruikersinstelling ook wissen m.b.v. uw
computer door het betreffende bestand in de
“SCENE” (décor) map in het camerageheugen te wis-
sen (pagina 122).
67
OVERIGE OPNAMEFUNCTIES
Shots maken met handmatige belichting
Tijdens de handmatige belichtingsfunctie kunt u de sluiter-
snelheid en de lensopening met de hand bijregelen.
Sluitersnelheid - instelbereik
Lensopening - instelbereik
Sluitersnelheid
Helderheid
Beweging
Langzamer Sneller
2 seconden 1/1000 seconde (F2.6)
2 seconden 1/2000 seconde (F5.0)
Helderder Donkerder
Vloeiend
Gestopt
Lensopening
Helderheid
Scherpstelling
Groter Kleiner
F2.6, F5.0 (groothoekzoom)*
Helderder Donkerder
Ondiep
Diep
* Het volgende geeft aan hoe de optische zoominstelling de
lensopening beïnvloedt.
Zoom
Grote lensopening
Kleine lensopening
(groothoek) (telelens)
F2.6/3.0/3.4/3.8/4.2/4.6/4.8
F5.0/5.8/6.5/7.3/8.0/8.7/9.2
Gebruiken van de nachtdecor functie
De nachtdecor functie verlengt de belichtingstijd om mooie
nachtbeelden te maken.
1.
Zet de functieschijfregelaar op .
2.
Neem het beeld op.
OPMERKING
Als u een portret of een onderwerp tegen een
schemerachtige of nachtdécor wilt opnemen, kunt u
de nachtdecor functie samen met de flitser gebruiken
om een langzaam synchroniserende effect te berei-
ken dat het onderwerp beter tot zijn recht doet komen.
BELANGRIJK!
Monteer de camera altijd op een statief als u de nacht-
decor functie gebruikt. Dit behoedt u tegen wazige
beelden bij een lage sluitersnelheid.
Autofocus werkt mogelijk niet goed wanneer de
belichting onvoldoende is. Mocht dit het geval zijn, stel
dan met de hand scherp (pagina 55) op het onderwerp.
Proberen op een snel bewegend voorwerp scherp te
stellen zal waarschijnlijk een wazig beeld geven.
Des te langzamer de sluitersnelheid, des te waar-
schijnlijker het is dat het opgenomen beeld niet het-
zelfde is als het beeld op het beeldscherm op het mo-
ment dat u de sluiterontspanningstoets indrukt.
68
OVERIGE OPNAMEFUNCTIES
1.
Zet de functieschijfregelaar op M (handmatige
belichting).
2.
Specificeer m.b.v. [ ]
en [ ] de sluiter-
snelheid en specifeer
vervolgens m.b.v. [ ]
en [ ] de lens-
openingwaarde.
3.
Voer compositie van het beeld uit en druk op
de sluiterontspanningstoets.
BELANGRIJK!
De sluitersnelheid en de lensopeningwaarde op het
beeldscherm worden oranje wanneer u de sluiter-
ontspanningstoets halverweg indrukt als het beeld
overbelicht of onderbelicht is.
U kunt mogelijk niet de gewenste helderheid verkrij-
gen bij het opnemen van een beeld dat bijzonder don-
ker of juist bijzonder helder is. Mocht dit het geval zijn,
regel dan de sluitersnelheid bij.
Het gebruik van een langzame sluitersnelheid kan
statische ruis in het beeld veroorzaken.
Bij sluitersnelheden langzamer dan 1/8ste seconde
kan de helderheid van het opgenomen beeld mogelijk
niet hetzelfde zijn als de helderheid van het beeld dat
verschijnt op het beeldscherm.
Sluitersnelheidwaarde
Lensopeningwaarde
69
OVERIGE OPNAMEFUNCTIES
Gebruiken van de filmfunctie
U kunt filmpjes opnemen van maximaal 30 seconden.
Bestandsformaat: AVI
Het AVI formaat voldoet aan het Motion JPEG formaat dat
wordt verbreid door de Open DML groep.
Beeldgrootte: 320 x 240 beeldpunten
Filmbestand grootte: ca. 200KB/seconde.
Maximale filmlengte
Eén filmpje: 30 seconden
Totale filmtijd:
60 seconden met het ingebouwde geheugen; 330 se-
conden met de 64MB SD geheugenkaart.
1.
Zet de functieschijf-
regelaar op .
De “Resterende
capaciteit” toont
hoeveel 30 seconden
filmpjes nog in het
geheugen kunnen
worden opgenomen.
Resterende capaciteit
Resterende opnametijd
2.
Richt de camera op het onderwerp en druk
daarna op de sluiterontspanningstoets.
De filmopname duurt 30 seconden of totdat u de op-
name stopt door nogmaals op de sluiterontspannings-
toets te drukken.
De resterende opnametijd wordt afgeteld op het
beeldscherm terwijl u aan het opnemen bent.
Druk nogmaals op de sluiterontspanningstoets als u
de opname eerder wilt stoppen dan pas na 30 secon-
den.
3.
Het filmbestand wordt in het camerageheugen
opgeslagen nadat de opname is gestopt.
Druk om het opslaan van het filmbestand te annuleren
terwijl dit uitgevoerd wordt op , selecteer “Delete”
(wissen) m.b.v. [ ] en [ ] en druk vervolgens op
SET.
BELANGRIJK!
De flitser flitst niet tijdens de filmfunctie.
70
OVERIGE OPNAMEFUNCTIES
Shots maken met regelmatige tussenpozen
U kunt de camera instellen voor opname met regelmatige
pauzes, waarbij u het aantal op te nemen beelden kunt spe-
cificeren, de pauze er tussen en een starttijd. Hieronder vol-
gen de types opnamevariaties die u kunt configureren.
Pauze opname
Neemt beelden op met regelmatige tussenpauzes, met in-
gang van dat moment.
Timeropname
Neemt een enkel beeld op een bepaalde tijd op.
Pauzetimeropname
Neemt beelden op met regelmatige tussenpauzes, te be-
ginnen op een ingestelde tijd.
1.
Zet de functieschijfregelaar op .
2.
Verander de “Shots” (shots maken) instelling
m.b.v. [ ] en [ ] en druk vervolgens op [ ].
Specificeer het aantal shots dat u wilt opnemen. Sla
deze stap over door op SET te drukken zonder de
default instelling (1) te veranderen als u een enkel
beeld wilt opnemen.
Selecteer de “MAX” optie als u het opnemen wilt
voortzetten totdat het geheugen vol is.
3.
Verander de “Interval” (pauze) instelling m.b.v.
[ ] en [ ] en druk vervolgens op [ ].
Specificeer de tussenpozen (pauze) tussen de shots.
U kunt een waarde instellen tussen één minuut tot 60
minuten in stapjes van één minuut.
4.
Gebruik [ ] en [ ] om de starttijd in te stellen
en druk daarna op SET.
De defaultinstelling voor de starttijd is “Start”.
U kunt de starttijd instellen op een waarde binnen het
bereik van 1 minuut tot en met 240 minuten. Het opne-
men start nadat het aantal gespecificeerde minuten
verlopen is wanneer u op de sluiterontspanningstoets
is stap 6 drukt.
71
OVERIGE OPNAMEFUNCTIES
Als u het opnemen meteen wilt laten beginnen bij in-
drukken van de sluiterontspanningstoets, selecteer
dan “Start” voor deze instelling en druk vervolgens op
SET om naar de volgende stap door te gaan.
5.
Configureer beeldopname instellingen.
Op dit moment dient u de witbalans en andere instel-
lingen uit te voeren.
6.
Lijn het scherpstelkader uit met het onderwerp
en druk vervolgens de sluiterontspannings-
toets geheel in.
Hierdoor gaat de spanning van de camera uit. De
spanning van de camera gaat weer aan en het opne-
men van een beeld wordt uitgevoerd in overeenstem-
ming met de pauzetimer opname instellingen zoals u
die in de bovenstaande stappen heeft geconfigureerd.
Annuleren van bediening van de pauze-
functie timer
Bij inschakelen van de camera terwijl deze standby staat
voor pauzefunctie opname, wordt de boodschap “Interval
recording was canceled” (pauzeopname wordt geannuleerd)
getoond hetgeen de bediening van de pauze opname annu-
leert. Pauzeopname wordt ook geannuleerd door verande-
ren van de functieschijfregelaar naar iets anders dan .
72
OVERIGE OPNAMEFUNCTIES
Tijdens opnemen onder deze
omstandigheden:
Normale omstandigheden
Verlichting buiten
Schaduw
Gloeilamp (roodachtige gloed)
TL verlichting (groenachtige gloed)
Moeilijke verlichting die handmatige
bediening vereist (zie hieronder).
Selecteer deze
instelling:
Auto
(automatisch)
Manual
(handmatig)
3.
Verander de huidige instelling m.b.v. [ ] en
[ ] en druk vervolgens op SET.
OPMERKING
Bij selecteren van “Manual” (handmatig) verandert de
witbalans naar de instellingen die de laatste maal ver-
kregen werden dat de witbalans handmatig ingesteld
werd.
Bijstellen van de witbalans
De golflengte van het licht dat geproduceerd wordt door de
verschillende lichtbronnen (zonlicht, gloeilamp, enz.) kan de
kleur beïnvloeden van het onderwerp dat wordt opgenomen.
Met de witbalans kunt u kunt u bijstellingen maken om te
compenseren voor de verschillende types verlichting om zo
de kleuren van een beeld natuurlijker te maken.
1.
Druk tijdens een opnamefunctie op MENU.
2.
Selecteer de “REC”
(opname) tab, selec-
teer “White Balance”
(witbalans) en druk
vervolgens op [ ].
73
OVERIGE OPNAMEFUNCTIES
2.
Richt de camera op een wit stuk papier of een
soortgelijk voorwerp onder dezelfde licht-
omstandigheden waarvoor u de witbalans in
wilt stellen en druk vervolgens op de
sluiterontgrendelingstoets.
Hierdoor wordt de witbalans ingesteld.
3.
Druk op SET.
Dit registreert de witbalansinstellingen en verlaat het
instelscherm.
Als de camera bij flauwe verlichting op een donker
gekleurd onderwerp wordt gericht, zal de witbalans tot
voltooiing een lange tijd in beslag nemen.
Handmatig bijstellen van de witbalans
Onder sommige lichtbronnen kan de automatische witbalans
met de “Auto” (automatische witbalans) functie veel tijd kos-
ten tot deze voltooid is. Daarnaast is het bereik van de auto-
matische witbalans (kleurtemperatuurbereik) beperkt. De
handmatige witbalans helpt te garanderen dat kleuren juist
worden opgenomen bij een bepaalde lichtbron.
Merk op dat u handmatige witbalans dient uit te voeren on-
der dezelfde omstandigheden als wanneer u daadwerkelijk
aan het opnemen bent. U dient ook een wit stuk papier of
een dergelijk voorwerp bij de hand te hebben om hand-
matige witbalans uit te voeren.
1.
Selecteer “Manual”
(handmatig) in stap 3
onder “ Bijstellen van
de witbalans” (pagina
72).
Hierdoor verschijnt het
voorwerp dat u het
laatst gebruikte voor het
instellen van de
handmatige witbalans
op het beeldscherm.
74
OVERIGE OPNAMEFUNCTIES
Selecteren van de meetfunctie
Gebruik de volgende procedure om multi-patroon meten,
puntmeten of centrum-georiënteerd meten als meetmethode
te specificeren.
1.
Druk in een opnamefunctie op MENU.
2.
Selecteer de “REC” (opname) tab, selecteer
“Metering” (meten) en druk op [ ].
3.
Selecteer de gewenste instelling en druk
daarna op SET.
Multi-pattern (Multi-patroon meten):
Multi-patroon meten verdeelt het beeld in
raster onderdelen en meet het licht bij elke
sectie voor een gebalanceerde
belichtingaflezing. De camera bepaalt au-
tomatisch de opname omstandigheden in
overeenkomst met de gemeten licht-
patronen en stelt de belichtingsinstelling
daarmee in overeenkomst af. Dit type me-
ten voorziet u van foutvrije
belichtingsinstellingen voor een groot be-
reik aan opname omstandigheden.
Center-weighted (Centrum-georiënteerd meten):
Centrum-georiënteerd meten concen-
treert zich op het midden van het
scherpstelkader en meet het licht daar.
Gebruik deze meetmethode als u wat
controle wilt uitoefenen over de belichting zonder de
instellingen geheel over te laten aan de camera.
Spot (Puntmeten):
Puntmeten neemt aflezingen van een
bijzonder beperkt gebied. Gebruik deze
meetmethode wanneer u de belichting
ingesteld wilt hebben op de helderheid van
een bepaald onderwerp zonder te worden beïnvloed
door omringende omstandigheden.
BELANGRIJK!
Als “Multi” (multi-patroon meten) als meetmethode
wordt geselecteerd, kunnen bepaalde procedures de
instelling voor de meetfunctie automatisch verande-
ren zoals hieronder beschreven.
Door de belichtingscompensatie instelling (pagina 58) te
veranderen naar een waarde anders dan 0.0 verandert
de meetfunctie naar “Center Weighted” (centrum-ge-
oriënteerd meten). Als u de de belichtingscompensatie
instelling terugverandert naar 0.0 zal de meetfunctie ook
terugveranderen naar “Multi” (multi-patroon meten).
Door selecteren van handmatige belichting (pagina 67)
verandert de meetfunctie naar “Center Weighted” (cen-
trum-georiënteerd meten). De meetfunctie verandert te-
rug naar “Multi” (multi-patroon meten) als u een
belichtingsfunctie anders dan de handmatige selecteert.
75
OVERIGE OPNAMEFUNCTIES
Gebruiken van het histogram
Door gebruik te maken van de DISP toets kunt u het histogram
op het beeldscherm tonen om belichtingsomstandigheden te
controleren terwijl u aan het opnemen bent (pagina 20).
U kunt
ook het histogram van een opgenomen beeld tonen tijdens
de weergavefunctie.
Histogram
Een histogram is een grafiek die de helderheid van een beeld
voorstelt uitgedrukt in het aantal beeldpunten. De vertikale as
stelt het aantal beeldpunten voor terwijl de horizontale as de
helderheid aangeeft. U kunt het histogram gebruiken om te
bepalen of een beeld schaduwen (linker kant), middenbereik
tonen (midden) en verlichting (rechts) omvat om voldoende
beelddetail tot uitdrukking te brengen. Mocht het histogram er
om de één of andere reden te éénzijdig uit zien, dan kunt u de
belichtingsverschuiving (EV shift = EV verschuiving) gebrui-
ken om de balans naar links of rechts te bewegen en zo een
betere balans te verkrijgen. Optimale belichting kan worden
verkregen door de belichting te corrigeren zodat de grafiek zo
veel mogelijk rond het midden is geconcentreerd.
Neigt het histogram te veel
naar links, dan betekent dit
dat er te veel donkere
beeldpunten zijn. Dit type
histogram is het resultaat van
een beeld dat in het algemeen
te donker is. De donkere
gedeelten van het beeld
kunnen zelfs verduisterd
worden als het histogram te
ver naar links toe neigt.
Neigt het histogram te veel
naar rechts, dan betekent dit
dat er te veel lichte beeld-
punten zijn. Dit type histogram
is het resultaat van een beeld
dat in het algemeen te licht is.
De lichte gedeelten van het
beeld kunnen zelfs geheel wit
worden als het histogram te
ver naar rechts toe neigt.
Een histogram dat in het
midden geconcentreerd is
duidt op een goede verdeling
van lichte en donkere
beeldpunten. Dit type
histogram is het resultaat van
een beeld dat over het geheel
genomen een optimale
helderheid heeft.
76
OVERIGE OPNAMEFUNCTIES
BELANGRIJK!
Merk op dat het bovenstaande histogram enkel als
toelichting wordt verstrekt. Het is mogelijk is dat u voor
een bepaald onderwerp niet precies deze vormen
kunt verkrijgen.
Een op het midden geconcentreerd histogram is geen
garantie voor optimale belichting. Het opgenomen
beeld kan overbelicht of onderbelicht zijn zelfs als het
histogram rond het midden is geconcenteerd.
• U kunt mogelijk geen optimale histogramconfiguratie
verkrijgen door de beperkingen van de
belichtingscompensatie.
• Het gebruik van de flitser of multipatroon meten als-
mede bepaalde opname omstandigheden kunnen er
de oorzaak van zijn dat het histogram een belichting
aangeeft die afwijkt van de feitelijke belichting van het
beeld ten tijde van de opname.
Bij gebruik van de doorlopende sluiterfunctie ver-
schijnt het histogram enkel voor het eerste beeld (pa-
gina 59).
Deze histogram verschijnt niet wanneer u de Coupling
functie gebruikt (pagina 60).
Opnamefunctie instellingen
Volgend zijn de instellingen die u kunt maken voordat u een
beeld opneemt m.b.v. een opnamefunctie.
ISO gevoeligheid
Verhoging/verbetering
Kleurfiltratie
Verzadiging
Contrast
Scherpte
Raster aan/uit
Default instelling bij inschakelen van de spanning
OPMERKING
U kunt ook de hieronder beschreven instellingen con-
figureren. Zie de referentiepagina’s voor nadere infor-
matie.
Grootte en kwaliteit (pagina 51)
Witbalans (pagina 72)
Meten (pagina 74)
Flitsniveau (pagina 48)
Digitale zoom (pagina 45)
77
OVERIGE OPNAMEFUNCTIES
Specificeren van de gevoeligheid
Gebruik de volgende procedure om de gevoeligheidsin-
stelling te selecteren die het beste past bij het type beeld dat
u opneemt.
1.
Druk tijdens een opnamefunctie op MENU.
2.
Selecteer de “REC” tab, selecteer “ISO” en
druk daarna op [ ].
3.
Selecteer de gewenste instelling en druk ver-
volgens op SET.
Versterken van bepaalde kleuren
Gebruik de volgende procedure om een bepaalde kleur te
versterken in het beeld dat u opneemt.
1.
Druk tijdens een opnamefunctie op MENU.
2.
Selecteer de “REC” tab, selecteer “Enhance”
en druk daarna op [ ].
3.
Selecteer de gewenste instelling en druk ver-
volgens op SET.
OPMERKINGEN
• Door de kleuren te versterken wordt hetzelfde resul-
taat geproduceerd als het monteren van een kleur-
versterkend lensfilter op de lens.
• Als de kleurversterking en de filterfunctie (pagina 78)
beide op hetzelfde moment ingeschakeld worden,
wordt de filterfunctie voorrang gegeven (en wordt
kleurversterking niet uitgevoerd).
Om dit te doen:
Schakel de kleurversterking uit
Versterk rood
Versterk groen
Versterk blauw
Versterk huidskleur
Selecteer deze instelling:
Off (uit)
Red (rood)
Green (groen)
Blue (blauw)
Flesh Tones (huidskleur)
BELANGRIJK!
Door de gevoeligheid te verhogen kan statische elek-
triciteit op een beeld verschijnen. Selecteer de
gevoeligheidsinstelling die de nodig is voor de op-
name.
QV-R3
Auto : Automatische gevoeligheidsselectie
ISO125: Voldoet aan ISO125
ISO250: Voldoet aan ISO250
QV-R4
Auto : Automatische gevoeligheidsselectie
ISO100: Voldoet aan ISO100
ISO200: Voldoet aan ISO200
78
OVERIGE OPNAMEFUNCTIES
Gebruiken van de filterfunctie
Met de filterfunctie van de camera kunt u de kleurtoon van
een beeld veranderen tijdens het opnemen.
1.
Druk tijdens een opnamefunctie op MENU.
2.
Selecteer de “REC” tab, selecteer “Filter” en
druk daarna op [ ].
3.
Selecteer de gewenste instelling en druk ver-
volgens op SET.
De volgende filterinstelling staan tot de beschikking:
Off (Uit), B/W (zwart/wit), Sepia, Red (rood), Green
(groen), Blue (blauw), Yellow (geel), Pink (roze),
Purple (paars)
BELANGRIJK!
Door de filterfunctie van de camera te gebruiken wordt
hetzelfde resultaat geproduceerd als het monteren
van een kleurfilter op de lens.
• Als de kleurversterking en de filterfunctie (pagina 77)
beide op hetzelfde moment ingeschakeld worden,
wordt de filterfunctie voorrang gegeven (en wordt
kleurversterking niet uitgevoerd).
Specificeren van kleurverzadiging
Gebruik de volgende procedure om de gevoeligheid te rege-
len van het beeld dat u opneemt.
1.
Druk tijdens een opnamefunctie op MENU.
2.
Selecteer de “REC” tab, selecteer “Saturation”
(verzadiging) en druk daarna op [ ].
3.
Selecteer de gewenste instelling en druk ver-
volgens op SET.
Om dit te doen:
Hoge kleurenverzadiging (intensiteit)
Normale kleurenverzadiging (intensiteit)
Lage kleurenverzadiging (intensiteit)
Selecteer deze
instelling:
High (hoog)
Normal (normaal)
Low (laag)
79
OVERIGE OPNAMEFUNCTIES
Specificeren van het contrast
Gebruik de volgende procedure om het relatieve verschil
tussen de lichte delen en de donkere delen te regelen van
het beeld dat u opneemt.
1.
Druk tijdens een opnamefunctie op MENU.
2.
Selecteer de “REC” tab, selecteer “Contrast”
en druk daarna op [ ].
3.
Selecteer de gewenste instelling en druk ver-
volgens op SET.
Om dit te doen:
Hoog contrast
Normaal contrast
Laag contrast
Selecteer deze instelling:
High (hoog)
Normal (normaal)
Low (laag)
Speciferen van de contourscherpte
Gebruik de volgende procedure om de scherpte van de con-
touren in het beeld te regelen.
1.
Druk tijdens een opnamefunctie op MENU.
2.
Selecteer de “REC” tab, selecteer “Sharpness”
(scherpte) en druk daarna op [ ].
3.
Selecteer de gewenste instelling en druk ver-
volgens op SET.
Om dit te doen:
Hoge scherpte
Normale scherpte
Lage scherpte
Selecteer deze instelling:
Hard (hard)
Normal (normaal)
Soft (zacht)
80
OVERIGE OPNAMEFUNCTIES
In- en uitschakelen van het in-beeld raster
U kunt rasterlijnen op het beeldscherm verkrijgen om u te
helpen bij de compositie van beelden en om er zeker van te
zijn dat de camera tijdens het opnemen recht gehouden
wordt.
Om dit te doen:
Toon het raster
Verberg het raster
Selecteer deze instelling:
On (aan)
Off (uit)
1.
Druk tijdens een opnamefunctie op MENU.
2.
Selecteer de “REC” tab, selecteer “Grid” (ras-
ter) en druk daarna op [ ].
3.
Selecteer de gewenste instelling en druk ver-
volgens op SET.
Specificeren van de defaultinstellingen
bij inschakelen van de spanning
U kunt de camera configureren om bepaalde instellingen op
te slaan tijdens de “mode memory” (functiegeheugen) wan-
neer de camera uitgeschakeld is en verkrijg de instellingen
opnieuw wanneer u de camera weer inschakelt. Dit vermijdt
dat u de camera telkens bij inschakelen opnieuw dient te
configureren.
Functiegeheugen instellingen
Hieronder volgen de instellingen die in het functiegeheugen
kunnen worden opgeslagen en opnieuw worden verkregen
de volgende maal dat u de camera inschakelt:
flitsfunctie, scherpstelfunctie, witbalans, ISO gevoeligheid,
meterfunctie, flitsgevoeligheid, digitale zoom, handmatige
scherpstelstand
1.
Druk tijdens een opnamefunctie op MENU.
2.
Selecteer de “Memory” (geheugen) tab, en
druk daarna op [ ].
3.
Selecteer de gewenste instelling en druk ver-
volgens op SET.
4.
Selecteer de gewenste instelling en druk ver-
volgens op SET.
81
OVERIGE OPNAMEFUNCTIES
Om dit te doen:
Sla de huidige status van de
instelling op en verkrijg hem de
volgende keer bij inschakelen van de
camera.
Verkrijg de defaultinstelling die in de
fabriek vooraf ingesteld is wanneer
de camera ingeschakeld wordt.
Selecteer deze
instelling:
On (aan)
Off (uit)
5.
Druk nadat u klaar bent met het configureren
van de instellingen op de MENU toets om het
beeldscherm te verlaten.
Terugstellen (reset) van de camera
Gebruik de volgende procedure om alle instellingen van de
camera terug te stellen (reset) tot hun oorspronkelijke
defaultwaarden zoals aangegeven bij “Menureferentie” op
pagina 131.
1.
Druk tijdens een opnamefunctie op MENU.
2.
Selecteer de “Set Up” tab, selecteer “Reset” en
druk daarna op [ ].
3.
Selecteer “Reset” (terugstellen) en druk ver-
volgens op SET.
Selecteer “Cancel” (annuleren) en druk op SET als u
deze procedure wilt annuleren zonder de camera te-
rug te stellen.
Functie
Flash (Flitser)
Focus (Scherpstellen)
White Balance (Witbalans)
ISO
Metering (Meten)
Flash Intensity (flitsintensiteit)
Digital Zoom (Digitale zoom)
MF Position
(MF stand)
Aan
Instelling
wanneer
de camera
uitgescha-
keld is
Uit
Auto (Automatisch)
Auto (Automatisch)
Auto (Automatisch)
Auto (Automatisch)
Multi (Multi)
Normal (Normaal)
On (Aan)
Laatste autofocus stand
die van kracht was
voordat u overscha-
kelde op handmatig
scherpstellen
82
WEERGAVE
3.
Blader m.b.v. [ ], [ ], [ ] en [ ] door de beel-
den op het beeldscherm.
WEERGAVE
U kunt het ingebouwde beeldscherm gebruiken om bestan-
den weer te geven.
Elementaire weergavebediening
Gebruik de volgende procedure om door bestanden te bla-
deren die in het geheugen van de camera opgeslagen zijn.
1.
Druk op de
spanningstoets om
de camera in te
schakelen.
Hierdoor verschijnt een
beeld of een boodschap
(melding) op het
beeldscherm.
2.
Zet de functieschijf-
regelaar op
(weergavefunctie).
Hierdoor wordt de
weergavefunctie
ingeschakeld.
ON/OFF
MF
PREVIEW
DPOF
Spanningstoets (ON/OFF)
Functieschijfregelaar
OPMERKINGEN
Door [ ] of [ ] ingedrukt te houden bladert u met ver-
hoogde snelheid door de beelden.
Merk op dat de via het beeldscherm van deze camera
getoonde beelden vereenvoudigde versies zijn van de
feitelijke beelden in het geheugen.
Om dit te doen:
Naar voren bladeren
Naar achteren bladeren
Toon het eerste beeld
Toon het laatste beeld
Doe dit:
Druk op [ ].
Druk op [ ].
Druk op [ ].
Druk op [
].
[ ]
[ ]
[ ]
[ ]
[ ]
[ ]
83
WEERGAVE
Inzoomen op het weergegeven beeld
Voer de volgende procedure uit om in te zoomen op het
beeld dat zich op dat moment op het beeldscherm.
Inzoomen kan tot maximaal vier maal de oorspronkelijke
grootte worden uitgevoerd.
1.
Gebruik tijdens de weergavefunctie [ ] en [ ]
om het gewenste beeld te tonen.
2.
Schuif de
zoomregelaar naar
om het beeld te
vergroten.
Dit toont een indicator
die de huidige zoom-
factor laat zien.
3.
Verschuif het beeld
d.m.v. [ ], [ ], [ ] en
[ ] naar boven, naar
beneden, naar links
of naar rechts.
4.
Druk op een willekeurige toets behalve DISP
om het beeld tetrug te brengen naar de oor-
spronkelijke grootte.
BELANGRIJK!
Een filmbeeld kan niet worden vergroot.
Huidige zoomfactor
84
WEERGAVE
BELANGRIJK!
Door heraanpassen van een beeld wordt een nieuwe
(heraangepaste) versie opgeslagen als een geschei-
den bestand.
Van beelden kleiner dan 640 x 480 beeldpunten kun-
nen de afmetingen niet worden heraangepast.
Heraanpassen van de afmetingen wordt alleen onder-
steund voor beelden die opgenomen zijn met deze ca-
mera.
• Als de boodschap “The function is not supported for
this file” (de functie wordt niet ondersteund voor dit be-
stand) verschijnt, houdt dat in dat de afmetingen van
het huidige beeld niet kunnen worden heraangepast.
De functie voor heraanpassen van de afmetingen kan
niet worden uitgevoerd als er niet genoeg geheugen is
om het heraangepaste beeld op te slaan.
Om dit te doen:
Aanpassen tot 1280 x 960
beeldpunten (SXGA)
Aanpassen tot 640 x 480
beeldpunten (VGA)
Annuleer het heraanpassen van
de afmetingen
Selecteer deze instelling:
1280 x 960
640 x 480
Cancel (annuleren)
Afmetingen van een beeld heraanpassen
U kunt de volgende procedure gebruiken om een beeld te
veranderen naar één van deze twee afmetingen: SXGA
maat (1280 x 960 beeldpunten) of VGA maat (680 x 480
beeldpunten).
1.
Druk tijdens de weergavefunctie op MENU.
2.
Selecteer de “PLAY”
(weergave) tab,
selecteer “Resize”
(afmetingen her-
aanpassen) en druk
daarna op [ ].
3.
Gebruik [ ] en [ ] om door de beelden de bla-
deren en de afmetingen van het gewenste
beeld her aan te passen.
4.
Gebruik [ ] en [ ] om de gewenste afmetin-
gen de selecteren en druk vervolgens op SET.
85
WEERGAVE
5.
Gebruik om het trimkader te verplaatsen [ ],
[ ], [ ] en [ ] totdat het gebied van het beeld
dat u wilt extraheren zich binnen het kader be-
vindt.
6.
Druk op SET om het deel van het beeld te extra-
heren dat zich binnen het trimkader bevindt.
Druk op MENU als u de procedure op een gegeven
moment toch wilt annuleren.
BELANGRIJK!
De getrimde versie van het beeld wordt opgeslagen
als een nieuw bestand.
Het originele beeld voordat het werd getrimd, blijft ook
in het geheugen opgeslagen.
Een filmfunctie beeld kan niet worden getrimd.
• Als de boodschap “The function is not supported for
this file” (de functie wordt niet ondersteund voor dit be-
stand) verschijnt, houdt dat in dat de afmetingen van
het huidige beeld niet kunnen worden getrimd.
Het trimmen kan niet worden uitgevoerd als er niet
genoeg ruimte in het geheugen is om het getrimde
beeld op te slaan.
Trimmen van een beeld
Gebruik de volgende procedure wanneer u een bepaald ge-
deelte van een vergroot beeld wilt trimmen en het resterende
deel van het beeld wilt gebruiken als e-mail bijlage, enz.
1.
Gebruik tijdens de weergavefunctie [ ] en [ ]
om door de beelden te bladeren en het beeld te
tonen dat u wilt tonen.
2.
Druk op MENU.
3.
Selecteer de “PLAY”
(weergave) tab,
selecteer “Trimming”
(trimmen) en druk
daarna op [ ].
4.
Schuif de zoomregelaar naar om de grootte
van het kader op het beeldscherm te vergro-
ten.
De afmetingen van het trimkader hangen af van de
afmetingen van het beeld op de display.
86
WEERGAVE
BELANGRIJK!
Een film wordt tot het einde weergegeven en stopt
dan. Een film kan niet herhaaldelijk weergegeven wor-
den.
Weergeven van een film
Gebruik de volgende procedure om een fim weer te geven
die opgenomen werd met de filmfunctie.
1.
Gebruik [ ] en [ ]
tijdens de weergave-
functie om de film te
tonen die u wilt
weergeven.
2.
Druk op SET om de weergave van de film te
starten.
U kunt de volgende bediening uitvoeren terwijl de film
weergegeven wordt.
Filmicoon
Om dit te doen:
Snel voorwaarts weergeven
Snel achterwaarts weergeven
Weergave pauzeren of hervatten
Vooruit- of achteruit springen
terwijl de weergave is gepauzeerd.
Weergave stoppen
Selecteer deze instelling:
Druk op [ ].
Druk op [ ].
Druk op SET.
Druk op [
] of [ ].
Druk op MENU.
87
WEERGAVE
Tonen van een 9-beelden scherm
Met de volgende procedure verkrijgt u negen beelden tege-
lijkertijd op het beeldscherm.
1.
Schakel de weergavefunctie in.
2.
Verschuif de zoomregelaar naar .
Dit toont het 9-beelden scherm met een selectiekader
er om heen met in het midden het beeld dat zich op
het beeldscherm bevond in stap 2.
3.
Gebruik [ ], [ ], [ ] en [ ] om het selectie-
kader te verplaatsen naar het gewenste beeld.
Door op [ ] te drukken terwijl het selectiekader
zich in de rechterkolom bevindt of op [ ] te
drukken terwijl het selectiekader zich in de
linkerkolom bevindt, wordt doorgebladert naar
het volgende scherm met 9-beelden.
Voorbeeld: Wanneer er zich 20 beelden in het geheu-
gen bevinden en beeld 1 eerst wordt weer-
gegeven.
2 3
17 18 19
20 1 2
345
678
91011
12 13 14
15 16 17
18 19 20
1
Wanneer er negen of minder beelden zijn, worden ze
getoond in de volgorde van beeld 1 in de linker boven-
hoek met het selectiekader er om heen.
4.
Door op een willekeurige toets anders dan [ ],
[ ], [ ] en [ ] te drukken wordt een volledige
versie van het beeld op ware grootte getoond
op de plaats waar het selectiekader zich be-
vindt.
88
WEERGAVE
Selecteren van een specifiek beeld in het
9-beelden scherm
1.
Toon het 9-beelden scherm.
2.
Gebruik om het
selectiekader te
verplaatsen [ ], [ ],
[ ] en [ ] totdat het
zich op het beeld
bevindt dat u wilt
bekijken.
3.
Door op een willekeu-
rige toets anders dan
[ ], [ ], [ ] en [ ] te
drukken wordt het
geselecteerde beeld
getoond.
Dit toont de de versie
van het geselecteerde
beeld op ware grootte.
Selectiekader
WISSEN VAN BESTANDEN
89
WISSEN VAN BESTANDEN
U kunt een enkel bestand wissen of u kunt alle bestanden
wissen die zich op dat ogenblik in het geheugen bevinden.
BELANGRIJK!
Merk op dat het wissen van bestanden niet ongedaan
gemaakt kan worden. Als u een bestand eenmaal ge-
wist heeft, is hij voorgoed verdwenen. Let er dus goed
op dat u een bestand echt niet meer nodig heeft voor-
dat u het wist. In het bijzonder geldt dit voor het wissen
van alle bestanden - controleer eerst alle bestanden
voordat u deze handeling uitvoert.
• Het wissen kan niet worden uitgevoerd wanneer alle
bestanden in het geheugen beveiligd zijn (pagina 92).
Een beveiligd bestand kan niet worden uitgewist. Om
een bestand te wissen dient u het eerst onbeveiligd te
maken (pagina 92).
Wissen van een enkel bestand
Voer de volgende stappen uit om een enkel bestand uit te
wissen.
1.
Druk tijdens de
weergavefunctie op
.
2.
Gebruik [ ] en [ ] om het beeld te tonen dat u
wilt wissen.
3.
Gebruik [ ] en [ ] om “Delete” (wissen) te
selecteren.
Selecteer “Cancel” (annuleren) om de wisfunctie te
verlaten zonder een bestand uit te wissen.
4.
Druk op SET om het beeld te wissen.
Herhaal de stappen 2 tot en met 4 om andere bestan-
den te wissen als u dat wilt.
5.
Druk op MENU om de wisfunctie te verlaten.
WISSEN VAN BESTANDEN
90
Wissen van alle bestanden
De volgende procedure wist alle onbeveiligde bestanden die
zich op het moment in het geheugen bevinden.
1.
Druk tijdens de weergavefunctie op .
2.
Gebruik [ ] en [ ] om “All File Delete” (alle be-
standen wissen) te selecteren en druk vervol-
gens op SET.
3.
Gebruik [ ] en [ ] om “Yes” (ja) te selecteren.
Selecteer “No” (nee) om de wisfunctie te verlaten zon-
der een bestand uit te wissen.
4.
Drukken op SET wist alle beelden.
BELANGRIJK!
• Als een bestand om een bepaalde reden niet gewist
kan worden verschijnt de boodschap “The function is
not supported for this file” (de functie wordt niet onder-
steund voor dit bestand) wanneer u dat bestand pro-
beert te wissen.
BEHEER VAN BESTANDEN
91
BEHEER VAN BESTANDEN
Dankzij de cameras mogelijkheden voor bestandsbeheer
kunt u makkelijk uw beelden in het oog houden. U kunt be-
standen beveiligen tegen onverhoeds wissen en zelfs de
DPOF functie gebruiken om beelden te specificeren voor het
afdrukken.
Mappen
Uw camera creëert automatisch een directory van mappen
in het ingebouwde flash-geheugen of op de geheugenkaart
om beelden op te slaan.
Geheugenmappen en -bestanden
Een beeld dat u opneemt wordt automatisch opgeslagen in
een map waarvan de naam een serienummer is. U kunt
maximaal 900 mappen op hetzelfde moment in het geheu-
gen houden. Mapnamen worden als volgt gegenereerd.
Voorbeeld: Naam van de 100ste map
Elke map kan maximaal 9999 bestanden bevatten.
Als u probeert het 10000ste bestand op te slaan in een map,
wordt automatisch de volgende map met het volgende serie-
nummer gecreëerd. Bestandsnamen worden als volgt gege-
nereerd.
Voorbeeld: Naam van het 26ste bestand
Het werkelijke aantal bestanden dat u op een geheugen-
kaart kunt opslaan hangt af van de instellingen voor de
beeldkwaliteit, de capaciteit van de kaart, enz.
Zie voor details aangaande de directory structuur
Geheugendirectorystructuur op pagina 122.
100CASIO
Serienummer (3 cijfers)
Extensie
CIMG0026.JPG
Serienummer (4 cijfers)
BEHEER VAN BESTANDEN
92
Beschermen van bestanden
Als u een bestand eenmaal beveiligd heeft kan hij niet wor-
den gewist. U kunt bestanden afzonderlijk beveiligen of u
kunt alle bestanden in het geheugen beveiligen door een
enkele bedieningshandeling.
Beveiligd en onbeveiligd maken van een
enkel bestand
1.
Druk tijdens de weergavefunctie op MF .
2.
Toon het te beveiligen beeld m.b.v. [ ] en [ ].
3.
Selecteer ofwel On (aan, d.w.z. beveiligd) of
Off (uit, d.w.z. onbeveiligd) m.b.v. [ ] en [ ].
4.
Druk op SET om de
instelling toe te
passen.
Door een beeld te
beveiligen verschijnt
er over heen.
5.
Druk op MENU om het beeldbeveiligings-
scherm te verlaten.
Beveiligd maken van alle bestanden in
het geheugen
1.
Druk tijdens de weergavefunctie op MF .
2.
Selecteer ofwel All Files: On (Alle bestanden
aan, d.w.z. beveiligd) m.b.v. [ ] en [ ] en druk
op SET.
Om alle beelden onbeveiligd te maken, selecteer All
Files: Off (Alle bestanden uit, d.w.z. onbeveiligd) en
druk op SET.
Door All Files: On (Alle bestanden aan, d.w.z. bevei-
ligd) te selecteren zijn alle beelden beveiligd en ver-
schijnt over de beelden heen.
3.
Druk op MENU om het beeldbeveiligings-
scherm te verlaten.
BEHEER VAN BESTANDEN
93
DPOF
De letters DPOF zijn de afkorting van Digital
Print Order Format hetgeen een formaat is
voor opnemen op een geheugenkaart of een
ander medium met informatie welke digitale
camerabeelden afgedrukt dienen te worden
en hoeveel kopieën.
Daarna kunt u op een DPOF-compatibele
printer of bij een professionele drukkerij die
DPOF ondersteunt, afdrukken maken over-
eenkomstig de instellingen voor de bestands-
naam en het aantal kopieën zoals opgeslagen
is op de kaart.
Met deze camera dient u altijd beelden te selecteren door ze
te bekijken via het beeldscherm. Specificeer beelden niet
door alleen naar de bestannaam te kijken zonder de inhoud
van het bestand te bekijken.
DPOF instellingen
Bestandsnaam,
aantal kopieën,
datum
Configureren van de afdrukinstellingen
voor een enkel beeld
1.
Druk tijdens de
weergavefunctie op
/ DPOF.
2.
Selecteer Select images (selecteer beelden)
m.b.v. [ ] en [ ] en druk daarna op SET.
3.
Toon het te gewenste
beeld m.b.v. [ ] en
[ ].
4.
Specificeer het aantal kopieën m.b.v. [ ] en
[ ].
U kunt maximaal 99 specificeren voor het aantal ko-
pieën. Specificeer 00 als u het beeld niet afgedrukt
wilt hebben.
BEHEER VAN BESTANDEN
94
5.
Druk op DISP zodat
12
12
1
wordt getoond om
datumafstempeling voor de afdrukken in te
schakelen.
Druk op DISP zodat
12
12
1
niet wordt getoond om de
datumafstempeling uit te schakelen.
Herhaal de stappen 3 tot en met 5 als u andere beel-
den wilt configureren voor het afdrukken.
6.
Druk op SET om ze toe te passen nadat alle in-
stellingen zijn zoals u wilt.
Configureren van de afdrukinstellingen
voor alle beelden
1.
Druk tijdens de weergavefunctie op /
DPOF.
2.
Selecteer All ima-
ges (alle beelden)
m.b.v. [ ] en [ ] en
druk daarna op SET.
3.
Specificeer het aantal kopieën m.b.v. [ ] en
[ ].
U kunt maximaal 99 specificeren voor het aantal ko-
pieën. Specificeer 00 als u het beeld niet afgedrukt
wilt hebben.
4.
Druk op DISP zodat
12
12
1
wordt getoond om
datumafstempeling voor de afdrukken in te
schakelen.
Druk op DISP zodat
12
12
1
niet wordt getoond om de
datumafstempeling uit te schakelen.
5.
Druk op SET om ze toe te passen nadat alle in-
stellingen zijn zoals u wilt.
BEHEER VAN BESTANDEN
95
PRINT Image Matching II
Beelden omvatten PRINT Image
Matching II data (functie instelling en an-
dere camera instelinformatie). Een prin-
ter die Print Image Matching II onder-
steunt leest deze data en stelt het afge-
drukte beeld automatisch bij zodat de
beelden worden afgedrukt op de manier
die u in gedachten had toen u ze beel-
den opnam.
* PRINT Image Matching en PRINT
Image Matching II. zijn geregistreerde
handelsmerken van SEIKO EPSON
Corporation.
Exif Print
Exif Print is een internatio-
naal ondersteund, open
standaard bestandformaat
waarmee het mogelijk is om
levendige digitale beelden
met getrouwe kleuren weer
te geven. Bij Exif 2.2 bevat-
ten bestanden een groot
aantal data aangaande de
opname omstandigheden
die door een Exif Print prin-
ter kunnen worden geïnter-
preteerd om afdrukken te
produceren die er beter uit
zien.
BELANGRIJK!
Informatie aangaande de beschikbaarheid van Exif
Print compatibele printermodellen kan verkregen wor-
den bij elke fabrikant van printers.
ANDERE INSTELLINGEN
96
ANDERE INSTELLINGEN
Specificeren van de bestandsnaam serie-
nummer generatiemethode
Gebruik de volgende procedure om de methode te specifice-
ren voor het genereren van het serienummer dat gebruikt
wordt voor bestandsnaam (pagina 91).
1.
Druk tijdens een opnamefunctie of tijdens de
weergavefunctie op MENU.
2.
Selecteer de Set Up (instelling) tab en selec-
teer File No. (bestandsnaam) en druk vervol-
gens op [ ].
3.
Verander de instelling m.b.v. [ ] en [ ] en
druk daarna op SET.
Selecteer deze
instelling:
Continue
(voortzetten)
Reset
(terugstellen)
Om dit te doen voor een juist
opgeslagen bestand:
Sla het laatste gebruikte bestand-
nummer op en verhoog dit met één
ongeacht of bestanden uitgewist zijn
of de geheugenkaart door een
nieuwe werd vervangen.
Zoek het hoogste bestandnummer in
de huidige map op en verhoog het
met één.
In- en uitschakelen van de toetstoon
Gebruik de volgende procedure om de toon die klinkt bij in-
drukken van een toets in of uit te schakelen.
1.
Druk tijdens een opnamefunctie of tijdens de
weergavefunctie op MENU.
2.
Selecteer de Set Up (instelling) tab en selec-
teer Beep (pieptoon) en druk vervolgens op
[ ].
3.
Verander de instelling m.b.v. [ ] en [ ] en
druk daarna op SET.
Selecteer deze instelling:
On (aan)
Off (uit)
Om dit te doen:
Schakel de toetstoon in
Schakel de toetstoon uit
ANDERE INSTELLINGEN
97
Specificeren van een beeld voor het
beginscherm
U kunt een opgenomen beeld specificeren als het beeld voor
het beginscherm, waardoor dit voor ongeveer 2 seconden
op het beeldscherm verschijnt telkens wanneer u de camera
inschakelt.
1.
Druk tijdens een opnamefunctie of tijdens de
weergavefunctie op MENU.
2.
Selecteer de “Set Up” (instelling) tab en selec-
teer “Startup” (start) en druk vervolgens op [ ].
3.
Toon m.b.v. [ ] en [ ] het beeld dat u wilt ge-
bruiken voor het beginscherm.
U kunt een snapshot beeld specificeren of een filmbeeld
dat twee seconden (200KB) of minder in lengte is.
4.
Verander de instelling m.b.v. [ ] en [ ]en druk
daarna op SET.
Selecteer deze instelling:
On (aan)
Off (uit)
Om dit te doen:
Gebruik het beeld dat op het
moment wordt getoond als het
beginschermbeeld
Schakel het beginscherm uit
Gebruiken van het alarm
U kunt maximaal drie alarmtijden configureren die de ca-
mera een pieptoon laat geven en een gespecificeerd beeld
laat zien op het tijdstip dat u specificeerde.
Instellen van een alarm
1.
Druk tijdens de weergavefunctie op MENU.
BELANGRIJK!
Het snapshot beeld of het filmpje dat u als het begin-
schermbeeld selecteert, wordt opgeslagen in een
speciale geheugenplaats die het “beginschermbeeld-
geheugen” heet. Er kan per keer slechts één beeld op-
geslagen zijn in het beginschermbeeldgeheugen. Als
een nieuw beginschermbeeld wordt geselecteerd, zal
dat nieuwe beeld het eerdere beeld uit het begin-
schermbeeldgeheugen verdringen. Daarom dient u
gescheiden kopie van het beeld in het standaard
beeldopslaggeheugen van de camera te hebben op-
geslagen als u naar een eerder beginschermbeeld wilt
teruggaan. Merk op dat het niet mogelijk is een beeld
uit het beginschermbeeldgeheugen kunt wissen. U
kunt het enkel vervangen door een ander (nieuw)
beeld.
ANDERE INSTELLINGEN
98
2.
Selecteer de “PLAY” (weergave) tab en selec-
teer “Alarm” en druk vervolgens op [ ].
3.
Selecteer m.b.v. [ ] en [ ] het alarm waarvan
u de instelling wilt configureren en druk
daarna op SET.
4.
Selecteer m.b.v. [ ] en [ ] de instelling die u
wilt veranderen en verander de geselecteerde
instelling m.b.v. [ ] en [ ].
U kunt een alarmtijd instellen en een alarm instellen
om een of twee maal per dag af te gaan. U kunt het
alarm ook in- en uitschakelen.
5.
Druk op DISP.
U kunt op SET drukken in plaats van op DISP als u het
alarm wilt configureren zonder beeld.
6.
Selecteer m.b.v. [ ] en [ ] het décor dat u wilt
laten verschijnen op de alarmtijd en druk
daarna op SET.
7.
Druk op SET nadat alle instellingen naar wens
zijn.
U kunt maximaal drie alarmtijden configureren die 1, 2
en 3 heten.
Stoppen van het alarm
Wanneer een alarmtijd wordt bereikt terwijl de camera uitge-
schakeld is, klinkt het alarm voor ongeveer één minuut (of
totdat u het stopt) zelfs als de camera uitgeschakeld is. De
camera schakelt automatisch aan wanneer het alarm klinkt.
Druk om het alarm te stoppen nadat dit begint te klinken op
willekeurig welke toets.
BELANGRIJK!
Het alarm klinkt niet tijdens één van de volgende om-
standigheden.
Wanneer de camera ingeschakeld is.
Terwijl u de tussenpauzefunctie gebruikt.
ANDERE INSTELLINGEN
99
Veranderen van de datumopmaak
U kunt een selectie maken uit drie verschillende opmaken
van het tonen van de datum.
1.
Druk tijdens een opnamefunctie of tijdens de
weergavefunctie op MENU.
2.
Selecteer de “Set Up” (instel) tab en selecteer
“Date Style” (datumstijl) en druk vervolgens
op [ ].
3.
Druk op [ ] en [ ] om de instelling te verande-
ren en druk vervolgens op SET.
Voorbeeld: 23 oktober, 2002
Selecteer deze opmaak:
YY/MM/DD
DD/MM/YY
MM/DD/YY
Om de datum zo te tonen:
02/10/23
23/10/02
10/23/02
Veranderen van de datum- en tijdinstellingen
Gebruik de volgende procedure om de datum- en tijd-
instelling te veranderen. De hier gemaakte instellingen heb-
ben invloed op de thuistijdzone.
1.
Druk tijdens een opnamefunctie of tijdens de
weergavefunctie op MENU.
2.
Selecteer de “Set Up” (instel) tab en selecteer
“Adjust” (bijstellen) en druk vervolgens op [ ].
3.
Stel de huidige tijd en de tijd in.
Doe dit:
Druk op [
] en [ ].
Druk op [ ] en [ ].
Druk op DISP.
Om dit te doen:
Verplaatsen van de cursor tussen
instellingen
Veranderen van de instelling op de
plaats waar de cursor zich bevindt
Overschakelen tussen de 12-uur en
de 24-uur tijdaanduiding.
4.
Druk nadat alle instellingen naar wens zijn op
SET om ze te registreren en het instelscherm
te verlaten.
ANDERE INSTELLINGEN
100
Gebruiken van wereldtijd
U kunt het wereldtijdscherm gebruiken om een tijdzone te
bekijken die anders is van de thuistijdzone wanneer u op
vakantie gaat, enz. De wereldtijd kan de tijd tonen voor 162
steden en 32 tijdzones.
Overschakelen tussen de thuistijd- en de
wereldtijdschermen
1.
Druk tijdens een opnamefunctie of tijdens de
weergavefunctie op MENU.
2.
Selecteer de Set Up (instel) tab en selecteer
World Time (wereldtijd) en druk vervolgens
op [ ].
Hierdoor wordt de huidige wereldtijdzone getoond.
3.
Druk op [ ] en [ ] om de thuistijd of de
wereldtijd te selecteren
4.
Druk nogmaals op SET om het instelscherm te
verlaten.
Selecteer dit:
Home (thuistijd)
World (wereldtijd)
Om dit te doen:
Toon de tijd in uw thuistijdzone
Toon de tijd in een andere tijdzone
Configureren van wereldtijdinstellingen
1.
Druk tijdens een opnamefunctie of tijdens de
weergavefunctie op MENU.
2.
Selecteer de Set Up (instel) tab en selecteer
World Time (wereldtijd) en druk vervolgens
op [ ].
Hierdoor wordt de huidige wereldtijdzone getoond.
3.
Druk op [ ] en [ ] om World (wereld) te se-
lecteren en druk vervolgens op [ ].
Selecteer Home (thuis) als u de instellingen voor de
thuistijd wilt configureren.
4.
Druk op [ ] en [ ] om City (stad) te selecte-
ren en druk vervolgens op [ ].
5.
Selecteer m.b.v. [ ],
[ ], [ ] en [ ] het
gewenste geografi-
sche gebied en druk
vervolgens op SET.
ANDERE INSTELLINGEN
101
6.
Druk op [ ] en [ ]
om de gewenste stad
te selecteren en druk
vervolgens op SET.
Hierdoor wordt de
huidige tijd getoond in
de stad die u selec-
teerde.
7.
Druk nadat alle instellingen naar wens zijn op
SET om de instellingen toe te passen en het
instelscherm te verlaten.
Configureren van de zomertijdinstellingen
(DST)
1.
Druk tijdens een opnamefunctie of tijdens de
weergavefunctie op MENU.
2.
Selecteer de Set Up (instel) tab en selecteer
World Time (wereldtijd) en druk vervolgens
op [ ].
Hierdoor wordt de huidige instellingen van de wereld-
tijd getoond.
3.
Druk op [ ] en [ ] om World (wereld) te se-
lecteren en druk vervolgens op [ ].
Selecteer Home (thuis) als u de instellingen voor de
thuistijd wilt configureren.
4.
Druk op [ ] en [ ] om de gewenste DST (zo-
mertijd) instelling te selecteren en druk vervol-
gens op [ ].
Selecteer dit:
On (aan)
Off (uit)
Om dit te doen:
Zet de huidige tijdinstelling een uur vooruit.
Toon de huidige tijd zoals hij werkelijk is
ANDERE INSTELLINGEN
102
Veranderen van de displaytaal
U kunt de volgende procedure gebruiken om één van de on-
derstaande zes talen te selecteren als de displaytaal.
1.
Druk tijdens een opnamefunctie of tijdens de
weergavefunctie op MENU.
2.
Selecteer de Set Up (instel) tab en selecteer
Language (taal) en druk vervolgens op [ ].
3.
Druk op [ ] en [ ] om de instelling te verande-
ren en druk vervolgens op SET.
: Japans
English : Engels
Français : Frans
Deutsch : German
Español : Spaans
Italiano : Italiaans
5.
Druk nadat alle instellingen naar wens zijn op
SET.
Hierdoor wordt de huidige tijd getoond overeenkom-
stig uw instelling.
6.
Druk nogmaals op SET om het instelscherm te
verlaten.
ANDERE INSTELLINGEN
103
Formatteren van het ingebouwde geheugen
Mocht u het ingebouwde geheugen formatteren dan wordt
alle opgeslagen data uitgewist.
BELANGRIJK!
Merk op dat data die gewist is door formatteren niet
meer kan worden herkregen. Controleer dus dat u
geen enkele data in het geheugen nodig heeft voordat
u het gaat formatteren.
Het formatteren van het geheugen wist alle bestanden
uit het geheugen, inclusief beveiligde bestanden (pa-
gina 92) en gebruikersinstellingen van de beste shot
functie (pagina 65).
• Het startscherm wordt bij formatteren van het geheu-
gen niet gewist.
1.
Controleer dat er geen geheugenkaart in de
camera geladen is.
Mocht er zich toch een geheugenkaart in de camera
bevinden, verwijder deze dan (pagina 105).
2.
Druk tijdens een opnamefunctie of tijdens de
weergavefunctie op MENU.
3.
Selecteer de “Set Up” (instel) tab en selecteer
“Format” (formaat) en druk vervolgens op [ ].
4.
Selecteer “Format” en druk vervolgens op
SET.
Selecteer “Cancel” (annuleren) om de formatteerfunctie
te verlaten zonder te formatteren.
104
GEBRUIKEN VAN EEN GEHEUGENKAART
GEBRUIKEN VAN EEN GEHEUGENKAART
U kunt de opslagmogelijkheden van uw camera uitbreiden
door een los verkrijgbare geheugenkaart (SD geheugen-
kaart of MultiMedia kaart) te gebruiken. U kunt ook bestan-
den kopiëren van het ingebouwde flash-geheugen naar een
geheugenkaart en van een geheugenkaart naar flash-
geheugen.
Gewoonlijk worden bestanden opgeslagen in het inge-
bouwde flash-geheugen. Wanneer u echter een
geheugenkaart insteekt, zal de camera automatisch be-
standen op de kaart opslaan.
Merk op dat u geen bestanden kunt opslaan in het inge-
bouwde geheugen terwijl een geheugenkaart in de camera
gestoken is.
BELANGRIJK!
Zorg ervoor dat u de camera uitschakelt voordat u een
geheugenkaart insteekt of verwijdert.
Let er op dat u de camera in de juiste richting insteekt.
Probeer nooit een geheugenkaart in de sleuf te druk-
ken terwijl u weerstand voelt.
Zie de gebruiksaanwijzing van de geheugenkaart voor
informatie hoe u deze kunt gebruiken.
Bepaalde types kaarten kunnen de verwerkings-
snelheid afremmen.
• SD geheugenkaarten hebben een schrijfbeveiligings-
schakelaar die u kunt gebruiken voor beveiliging te-
gen onverhoeds uitwissen van beelddata. Merk echter
op dat als u een SD geheugenkaart beveiligt, u de
schrijfbeveiliging telkens dient te verwijderen wanneer
u op de kaart wilt opnemen, hem wilt formatteren of
eventueel bestanden wilt uitwissen.
GEBRUIKEN VAN EEN GEHEUGENKAART
105
Verwijderen van een geheugenkaart uit
de camera
1.
Open het deksel van de geheugenkaart.
2.
Druk de geheugenkaart
in de richting van de
camera en laat hem dan
los. Hierdoor komt de
kaart gedeeltelijk uit de
camera.
3.
Trek de geheugenkaart uit de sleuf.
BELANGRIJK!
Steek nooit een ander voorwerp dan een geheugen-
kaart in de kaartsleuf van de camera. Dit kan namelijk
schade toebrengen aan zowel de camera als de kaart.
Mocht water of een ongepast voorwerp toch de kaart-
sleuf binnendringen, schakel dan onmiddellijk de ca-
mera uit, verwijder de accu en neem contact op met
de dealer of met de dichtstbijzijnde CASIO
onderhoudswerkplaats.
Verwijder de kaart nooit uit de camera terwijl de groene
bedrijfsindicator aan het knipperen is. Hierdoor kan het
opslaan van een bestand namelijk mislukken en zelfs
schade toebrengen aan de geheugenkaart.
Gebruiken van een geheugenkaart
Insteken van een geheugenkaart in de camera
1.
Open het deksel van de
geheugenkaart.
2.
Leg de geheugenkaart
zodanig in dat de
afgesneden hoek in de
richting wijst zoals
aangegeven in de
afbeelding en druk de
kaart vervolgens zover
mogelijk in de sleuf.
3.
Sluit het deksel van de
geheugenkaart.
Afgesneden hoek
106
GEBRUIKEN VAN EEN GEHEUGENKAART
Formatteren van een geheugenkaart
Mocht u een geheugenkaart formatteren dan wordt alle data
uitgewist die zijn opgeslagen op de kaart.
BELANGRIJK!
Gebruik voor het formatteren van een geheugenkaart
altijd de camera. Formatteren van een geheugenkaart
kan ook met een computer worden uitgevoerd maar
dat zal dataverwerking door de camera vertragen. Bij
een SD kaart, als u deze op een computer formatteerd
kan dit er toe leiden dat de kaart niet meer voldoet aan
het SD formaat, problemen veroorzaken met de
compatibiliteit en andere problemen met de werking.
Merk op dat data die gewist is door formatteren van
een geheugenkaart niet meer kan worden herkregen.
Controleer dus dat u geen enkele data op de
geheugenkaart nodig heeft voordat u deze gaat
formatteren.
• Het formatteren van een geheugenkaart wist alle be-
standen, inclusief bestanden die beveiligd zijn (pagina
92).
1.
Steek een geheugenkaart in de camera.
2.
Schakel de camera in. Druk tijdens een
opnamefunctie of tijdens de weergavefunctie
op MENU.
3.
Selecteer de “Set Up” (instel) tab en selecteer
“Format” (formaat) en druk vervolgens op [ ].
4.
Selecteer “Format” (formaat) en druk vervol-
gens op SET.
Selecteer “Cancel” (annuleren) om de formatteerfunctie
te verlaten zonder te formatteren.
GEBRUIKEN VAN EEN GEHEUGENKAART
107
Kopiëren van bestanden
Gebruik de onderstaande procedures om bestanden tussen
het ingebouwde geheugen en een geheugenkaart te kopië-
ren. U kunt alle bestanden van het ingebouwde geheugen
naar een geheugenkaart kopiëren of u kunt een enkel be-
stand van de geheugenkaart naar het ingebouwde geheu-
gen kopiëren.
Kopiëren van alle bestanden in het
ingebouwde geheugen naar een
geheugenkaart
1.
Steek een geheugenkaart in de camera.
2.
Schakel de camera in. Schakel de weergave-
functie in en druk vervolgens op MENU.
3.
Selecteer de PLAY
(weergave) tab,
selecteer Copy
(kopiëren) en druk
vervolgens op [ ].
Voorzorgsmaatregelen voor de
geheugenkaart
Gebruik bij deze camera enkel een SD geheugenkaart of
een MultiMedia kaart (MMC). Voor andere types kaarten
wordt een juiste werking niet gegarandeerd.
Elektrostatische lading, elektrische storing en andere feno-
menen kunnen er de oorzaak van zijn dat data beschadigd
wordt en zelfs verloren gaat. Zorg er altijd voor op welke
wijze dan ook belangrijke data op andere media te
backuppen (MO disk, harde schijf van een computer, enz.)
Mocht een geheugenkaart zich abnormaal gedragen, dan
zal hij waarschijnlijk weer normaal werken als hij opnieuw
gerformatteerd wordt. Het wordt echter aanbevolen meer
dan één geheugenkaart mee te nemen wanneer u de ca-
mera op een plaats ver van uw huis of kantoor grbruikt.
Het wordt aanbevolen een geheugenkaart te formatteren
voordat u hem voor de eerste maal in gebruik neemt of
wanneer de door u gebruikte kaart de oorzaak lijkt te zijn
van abnormale beelden.
Voordat u de formaatfunctie gebruikt, dient u eerst de
netadapter aan te sluiten of te controleren dat de accu ge-
heel opgeladen. Mocht de stroom namelijk uitvallen tijdens
het formatteren dan kan dit niet alleen onjuist formatteren
van de disk tot gevolg hebben maar de geheugenkaart
zelfs beschadigen en onbruikbaar maken.
108
GEBRUIKEN VAN EEN GEHEUGENKAART
Kopiëren van een bestand van een
geheugenkaart naar het ingebouwde
geheugen
1.
Voer de stappen 1 tot en met 3 van de proce-
dure onder Kopiëren van alle bestanden in
het ingebouwde geheugen naar een geheugen-
kaart uit.
2.
Selecteer Card Built-in (kaart inge-
bouwd) m.b.v. [ ] en [ ] en druk vervolgens
op SET.
3.
Blader m.b.v. [ ] en [ ] om door de beelden
heen te bladeren totdat het beeld dat u wilt ko-
piëren op het beeldscherm verschijnt.
4.
Selecteer Copy (kopiëren) m.b.v. [ ] en [ ]
en druk vervolgens op SET.
Hierdoor wordt het kopiëren gestart en de boodschap
Busy.... Please Wait.... (bezig. wachten a.u.b.) ge-
toond.
Het bestand verschijnt opnieuw op het beeldscherm
nadat het kopiëren voltooid is.
Herhaal de stappen 3 tot en met 4 om eventueel an-
dere beelden te kopiëren, indien dit gewenst is.
4.
Selecteer Built-in Card (ingebouwd
kaart) m.b.v. [ ] en [ ] en druk vervolgens op
SET.
Hierdoor wordt het kopiëren gestart en de boodschap
Busy.... Please Wait.... (bezig. wachten a.u.b.) ge-
toond.
Nadat het kopiëren voltooid is toont het beeldscherm
het laatste bestand in de map.
GEBRUIKEN VAN EEN GEHEUGENKAART
109
5.
Druk op MENU om de kopieerfunctie te verla-
ten.
OPMERKING
Bestanden worden gekopieerd naar de map in het in-
gebouwde geheugen waarvan de naam het grootste
nummer heeft.
GEBRUIKEN VAN DE CAMERA MET EEN COMPUTER
110
GEBRUIKEN VAN DE CAMERA MET EEN COMPUTER
De met de camera meegeleverde USB kabel maakt het aan-
sluiten op een computer die voorzien is van een USB poort
een fluitje van een cent. U kunt ook beelden overschrijven
m.b.v. de geheugenkaart als uw computer uitgerust is om
geheugenkaarten te lezen.
Installeren van de software van de CD-ROM
Voordat u bestanden kunt uitwisselen met uw computer
dient u eerst software te installeren die op de CD-ROM staat
die meegeleverd is met de camera.
Aangaande de gebundelde CD-ROM
De CD-ROM die met de camera gebundeld is, bevat de vol-
gende software.
Photo Loader (voor Windows/Macintosh)
Deze applicatie laadt beelddata van het JPEG en AVI for-
maat van een digitale camera naar uw computer.
Photohands (voor Windows)
Deze applicatie is voor het retoucheren en afdrukken van
beeldbestanden.
USB driver voor massale opslag (voor Windows/Macintosh)
Dit is de software die het mogelijk maakt voor de camera om
zich met uw persoonlijke computer te onderhouden via een
USB aansluiting.
Gebruikt u echter Windows XP, Mac OS 9 of Mac OS X ge-
bruik dan niet de USB driver van de CD-ROM. Bij deze
besturingssystemen kunt u USB communicatie uitvoeren
door eenvoudigweg de camera aan te sluiten op uw compu-
ter m.b.v. de USB kabel.
Computer
USB kabel (gebundeld)
USB
poort
USB
GEBRUIKEN VAN DE CAMERA MET EEN COMPUTER
111
Internet Explorer (voor Macintosh)
Dit is een browser applicatie voor het lezen van HTML be-
standen. Beelden die met Photo Loader worden geladen,
worden opgeslagen in mappen aangeduidt als “Bibliothe-
ken” (Libraries). Internet Explorer toont de inhoud van een
bibliotheek op uw computerscherm.
DirectX (voor Windows)
Deze software voorziet in een uitgebreide toolset inclusief
een codec (compressor/decompressor)die Windows 98 en
Windows 2000 in staat stellen een film te hanteren die met
een digitale camera is opgenomen. Het is niet nodig DirectX
te installeren als u Windows XP of Me runt.
Acrobat Reader (voor Windows/Macintosh)
Dit is een applicatie waarmee u PDF bestanden kunt lezen.
Gebruik het om de gebruikersdocumentatie te lezen die met
de camera, Photo Loader en Photohands worden mee-
geleverd op de gebundelde CD-ROM.
OPMERKING
Zie de gebruikersdocumentatiebestanden (PDF) op
de gebundelde CD-ROM voor details aangaande het
gebruik van Photo Loader en Photohands. Zie “Bekij-
ken van gebruikersdocumentatie (PDF bestanden)”
op pagina 114 (Windows) en op pagina 117
(Macintosh) van deze gebruiksaanwijzing voor meer
informatie.
Computersysteem vereisten
De computersysteem vereisten hangen af van de applicaties
zoals hieronder beschreven.
Windows
Zie de “Read me” bestanden op de gebundelde CD-ROM.
Macintosh
Zie de “readme” bestanden op de gebundelde CD-ROM.
GEBRUIKEN VAN DE CAMERA MET EEN COMPUTER
112
Installeren van de software van de CD-ROM
in Windows
Gebruik de procedures in dit hoofdstuk om software te instal-
leren van de gebundelde CD-ROM naar uw computer.
OPMERKING
U hoeft de software niet op uw computer te installeren
als deze reeds geïnstalleerd is.
De CD-ROM bevat software en gebruikersdocumentatie
voor verschillende talen. Controleer het CD-ROM menu-
scherm om te zien of applicaties en gebruikersdocumentatie
beschikbaar zijn voor een bepaalde taal.
Voorbereidingen
Start uw computer en steek
de CD-ROM in de CD-ROM
drive. Dit start de menu
applicatie automatisch die dan
een menuscherm op uw
computer toont.
OPMERKING
Bij sommige computers kan de menu applicatie moge-
lijk niet automatisch starten. Navigeer in dit geval de
CD-ROM en dubbelklik op “menu.exe” om de menu
applicatie te starten.
Selecteren van een taal
Selecteer eerst een taal. Merk op dat sommige software
pakketten niet in alle talen beschikbaar zijn.
1.
Klik in het menuscherm op de taaltoets in de
linker bovenhoek van de display.
2.
Selecteer van de lijst van talen die verschijnt
de gewenste taal.
GEBRUIKEN VAN DE CAMERA MET EEN COMPUTER
113
Bekijken van het “Read me” bestand
Voor de software (behalve voor Acrobat reader) gebruik de
Engelse versie.
U dient altijd eerst het “Read me” bestand te lezen voordat u
een applicatie installeert. Het “Read me” bestand bevat in-
formatie waarvan op de hoogte moet zijn bij het installeren
van de applicatie.
1.
Klik in het menuscherm op Software.
2.
Klik op de naam van de applicatie die u wilt in-
stalleren.
3.
Klik op de Read me toets.
BELANGRIJK!
Lees altijd eerst het “Read me” bestand voor informa-
tie aangaande het behouden van bestaande bibliothe-
ken (libraries) voordat u Photo Loader gaat upgraden
of opnieuw gaat installeren bij een andere computer.
Installeren van een applicatie
Voor de software (behalve voor Acrobat reader) gebruik de
Engelse versie.
1.
Klik in het menuscherm op Software.
2.
Klik op de naam van de applicatie die u wilt in-
stalleren.
3.
Klik op de Install toets.
4.
Volg de aanwijzingen die op het computer-
scherm verschijnen.
BELANGRIJK!
Volg de aanwijzingen zorgvuldig en geheel. Als u een
fout maakt tijdens het installeren van Photo Loader
dan is het mogelijk dat u reeds bestaande bibliotheek-
informatie en HTML bestanden niet meer kunt
browsen die automatisch gecreëerd worden door
Photo Loader. In sommige gevallen kunnen beeld-
bestanden zelfs verloren gaan.
Gebruikt u een ander besturingssysteem dan
Windows XP, sluit dan de camera nooit aan op de
computer zonder eerst de USB driver van de CD-
ROM te installeren.
GEBRUIKEN VAN DE CAMERA MET EEN COMPUTER
114
Bekijken van gebruikersdocumentatie
(PDF bestanden)
1.
Klik in het menuscherm op Handleiding.
2.
Klik op de naam van de applicatie waarvan u de
gebruikersdocumentatie wilt lezen.
3.
Klik op de Lees toets.
BELANGRIJK!
• Om de gebruikersdocumentatiebestanden te kunnen
lezen dient u Adobe Acrobat Reader geïnstalleerd te
hebben op uw computer. Als u Adobe Acrobat Reader
niet reeds geïnstalleerd heeft dan kunt u deze soft-
ware installeren vanaf de gebundelde CD-ROM.
Verlaten van de menu applicatie
1.
Klik op het menuscherm op Afsluiten om het
menu te verlaten.
Installeren van software van de CD-ROM
op een Macintosh computer
De CD-ROM bevat applicaties en gebruikersdocumentatie in
verschillende talen in mappen die genoemd zijn naar elke
taal: English (Engels), French (Frans), German (Duits),
Spanish (Spaans), Italian (Italiaans), Dutch (Nederlands) en
Chinese (Chinees). Controleer de CD-ROM mappen om
applicaties te bekijken of applicaties en gebruikers-
documentatie beschikbaar zijn voor een bepaalde taal.
Bestandnamen bevatten één van de volgende codes die de
taal aangeven van de data in het bestand zoals hieronder
aangegeven.
Engels: e, Frans: f, Duits: g, Spaans: sp, Italiaans: i, Neder-
lands: du, Chinees: ct
Gebruik de inhoud van de “English” (Engels) map als uw taal
niet bijgesloten is.
Installeren van software
Gebruik de volgende procedures om de software te installe-
ren. Het wordt aanbevolen dat u eerst Internet Explorer en
Outlook Express installeert voordat u Photo Loader en
Acrobat Reader installeert.
GEBRUIKEN VAN DE CAMERA MET EEN COMPUTER
115
Installeren van Internet Explorer en Outlook
Express
1.
Open het bestand dat Internet Explorer heet.
2.
Open de map voor de taalversie die u wilt in-
stalleren en open vervolgens het bestand dat
readme_casio heet.
3.
Volg de aanwijzingen in het readme bestand
om Internet Explorer en Outlook Express te in-
stalleren.
Installeren van Photo Loader
1.
Open de folder die Photo Loader heet.
2.
Open de map die English (Engels) heet en
open vervolgens het bestand dat Important
(belangrijk) heet.
3.
Open de map die Installer (installeerder) heet
en open het bestand dat readme (leesme) heet.
4.
Volg de aanwijzingen in het readme (leesme)
bestand om Photo Loader te installeren.
BELANGRIJK!
• Als u gaat upgraden van een eerdere versie naar de
nieuwe versie van Photo Loader en u wilt bibliotheek-
beheer (library management) data en HTML bestan-
den gebruiken die gecreëerd werden met de oude ver-
sie van Photo Loader, lees dan het “Important” (be-
langrijk) bestand in de “Photo Loader” map. Volg de
aanwijzingen in dit bestand om de bestaande
bibliotheekbeheer bestanden te gebruiken. Volgt u
deze procedure niet correct dan kan dit resulteren in
het verlies van of schade aan uw bestaande bestan-
den.
Installeren van Acrobat Reader
1.
Open de gebundelde CD-ROM de map
Acrobat Reader.
2.
Open de map voor de taal waarvan u de versie
van Acrobat Reader wilt installeren en open
dan het bestand dat readme-casio heet.
Volg de aanwijzingen in het lees mij bestand om
Acrobat Reader te installeren.
GEBRUIKEN VAN DE CAMERA MET EEN COMPUTER
116
Installeren van de USB Driver
1.
Schakel de camera uit en sluit alle applicaties
op uw Macintosh.
2.
Steek de gebundelde CD-ROM in de CD-ROM
drive.
3.
Open de harde schijf die gespecificeerd wordt
als de startdisk.
4.
Open “System Folder” (systeemmap) op de
startdisk.
5.
Open de “Extensions” (extensies) map in
“System Folder” (systeemmap).
6.
Open de “USB Driver” map op de CD-ROM.
7.
Sleep “CASIO-USB Storage Driver” en
“CASIO-USB Storage Class Shim” van de
“USB Driver” map naar de “Extentions”
(extensies) map.
8.
Bevestig dat de “CASIO-USB Storage Driver”
en “CASIO-USB Storage Class Shim” bestan-
den zich inderdaad in de “Extensions” map be-
vinden en start uw Macintosh opnieuw.
9.
Gebruik na opnieuw opstarten van het sys-
teem de USB kabel om de camera aan te slui-
ten op uw Macintosh.
10.
Schakel de camera in.
11.
Vanaf dat punt wordt
de camera herkend
als een drive telkens
wanneer u de camera
aansluit op uw
Macintosh.
De vorm van het icoon
dat verschijnt op het
scherm van uw
Macintosh hangt af van
de versie van uw Mac
OS.
BELANGRIJK!
Sluit de camera niet aan op uw Macintosh PC aan
voordat u de USB driver eerst geïnstalleerd heeft als u
een besturingssysteem gebruikt dat afwijkt van Mac
OS 9 of Mac OS X.
De USB driver uninstalleren
Wis “CASIO-USB Storage Driver” en “CASIO-USB
Storage Class Shim” van de “Extensions” map.
GEBRUIKEN VAN DE CAMERA MET EEN COMPUTER
117
Bekijken van gebruikersdocumentatie
(PDF bestanden)
Om de volgende procedure uit te voeren dient u Adobe
Acrobat Reader geïnstalleerd te hebben op uw Macintosh
(pagina 115).
1.
Open bij de gebundelde CD-ROM de map die
Acrobat Reader heet.
2.
Open de map voor de taal waarvoor u de versie
van Acrobat Reader wilt installeren en open
het bestand dat readme_casio heet.
3.
Volg de aanwijzingen in het readme bestand
om Acrobat Reader te installeren.
Bekijken van de gebruiksaanwijzing van de
camera
1.
Open op de CD-ROM het Manual bestand.
2.
Open de Digital Camera map en open dan de
map voor de taal waarvan u de gebruiksaanwij-
zing wilt bekijken.
3.
Open het bestand dat camera_xx.pdf heet.
4.
xx is de taalcode (Engels: e, Frans: f, Duits:
g, Spaans: sp, Italiaans: i, Nederlands: du, Chi-
nees: ct).
Om de gebruiksaanwijzing van de Photo
Loader te lezen
1.
Open de Manual (handleiding) map op de
CD-ROM.
2.
Open de Photo Loader folder en open vervol-
gens de English map.
3.
Open PhotoLoader_english.
GEBRUIKEN VAN DE CAMERA MET EEN COMPUTER
118
Overschrijven van bestanden naar een
computer
De met uw camera gebundelde CD-ROM bevat een kopie
van Photo Loader en een USB driver. Deze software stelt u
in staat om de inhoud van het geheugen van de computer
snel en gemakkelijk over te schrijven naar een computer. De
Photo Loader en de Photohands applicaties kunnen ook ge-
bruikt worden voor het beheer en het bewerken van beelden
op een hoog niveau.
Zie de gebruikersdocumentatiebestanden (PDF) op de ge-
bundelde CD-ROM voor informatie aangaande Photo
Loader en Photohands.
Overschrijven van bestanden via een
USB aansluiting
U kunt beelden overschrijven naar een computer m.b.v. een
USB poort door gewoonweg de camera aan te sluiten op de
computer met de USB kabel.
Merk op dat u een USB driver op uw computer dient te in-
stalleren voordat u de USB kabel voor de eerste maal aan-
sluit. Als u de kabel eenmaal gebruikt voor het tot stand
brengen van een USB aansluiting dan zal de computer de
camera zien als een uitwendig opslagapparaat (kaart-
schrijver/kaartlezer).
• Als u bestanddata wilt overschrijven van het ingebouwde
geheugen van de camera naar de computer let er dan op
dat er zich geen geheugenkaart in de camera bevindt. Be-
vindt er zich toch een geheugenkaart in de camera dan
dient deze eerst verwijderd te worden voordat u de USB
kabel aansluit.
OPMERKING
• Installeer de USB driver op de CD-ROM niet bij een
computer die runt op Windows XP, Mac OS 9 of Mac
OS X. Bij deze besturingssystemen is USB communi-
catie reeds mogelijk door gewoonweg de camera aan
te sluiten op de computer via een USB kabel.
GEBRUIKEN VAN DE CAMERA MET EEN COMPUTER
119
Aansluiten van de USB kabel
1.
Schakel de camera in.
2.
Open het aansluitingpaneeldeksel en sluit de
camera dan via de USB kabel aan op de com-
puter.
3.
Importeer de beelden naar de computer.
4.
Koppel de USB kabel los nadat bet overschrij-
ven van beelddata voltooid is.
Zie “Stoppen van een USB aansluiting” voor details.
USB poort
USB kabel
(gebundeld)
USB
Grote aansluitstekker (A)
Kleine aansluitstekker
(Mini-B)
BELANGRIJK!
Zorg ervoor de van toepassing zijnde informatie in de
gebruikersdocumentatie te lezen die meegeleverd
wordt met de computer voordat u de USB kabel aan-
sluit.
• Laat hetzelfde beeld niet te lang op het beeldscherm
staan. Hierdoor kan het beeld namelijk inbranden in
het beeldscherm.
• Let op bij het aansluiten van de USB kabel op de ca-
mera. De USB poort en de kabelstekker zijn gevormd
voor een juiste positie.
Steek de USB kabel stevig zover mogelijk in de poor-
ten. Juiste werking is niet mogelijk als de aansluitin-
gen niet goed tot stand zijn gebracht.
De camera verkrijgt geen stroom via de USB kabel.
Zorg er dus voor dat de netadapter aangesloten is op
de camera om deze van stroom te voorzien.
De los verkrijgbare CASIO QC-1U USB kabel kan niet
samen met deze camera worden gebruikt.
Verbreek de aansluiting van de USB kabel nooit terwijl
de PC juist toegang aan het verkrijgen is tot het ge-
heugen van de camera (hetgeen aangegeven wordt
door de knipperende USB indicator). Hierdoor kan na-
melijk de data worden beschadigd.
U kunt USB datacommunicatie uitvoeren terwijl de
opnamefunctie of de weergavefunctie ingeschakeld
is.
GEBRUIKEN VAN DE CAMERA MET EEN COMPUTER
120
Stoppen van een USB aansluiting
Windows Me of 98
Verbreek de aansluiting van de USB kabel en schakel de
camera uit.
Windows XP of 2000
Klik op de kaart in de taaklade op uw computerscherm en
schakel het drive nummer uit dat toegewezen is aan de ca-
mera. Verbreek vervolgens de aansluiting van de USB kabel
en schakel de spanning van de camera uit.
Macintosh
In “Finder” sleep de camera naar de prullebak. Verbreek ver-
volgens de aansluiting van de USB kabel en schakel de
spanning van de camera uit.
Gebruiken van een geheugenkaart om
beelden over te schrijven
De procedures in dit hoofdstuk beschrijven hoe beelden van
de camera m.b.v. een geheugenkaart kunnen worden over-
geschreven naar uw computer.
Gebruiken van een computer met een ingebouwde SD
geheugenkaartsleuf
Steek de SD geheugenkaart direct in de sleuf.
Gebruiken van een computer met een ingebouwde PC
kaartsleuf
Gebruik een los verkrijgbare PC kaartadapter (voor een
SD geheugenkaart/MMC). Zie voor volledige details de
gebruikersdocumentatie die meegeleverd wordt met de
PC kaartadapter en die van de computer.
GEBRUIKEN VAN DE CAMERA MET EEN COMPUTER
121
Gebruiken van een los verkrijgbare SD geheugenkaart
lezer/schrijver
Zie voor details aangaande het gebruik de gebruikers-
documentatie die meegeleverd wordt met de SD
geheugenkaart lezer/schrijver.
Gebruiken van een los verkrijgbare PC kaart lezer/
schrijver en de PC kaartadapter (voor SD geheugen-
kaarten en MMC’s)
Zie voor details aangaande het gebruik de gebruikers-
documentatie die meegeleverd wordt met de PC kaart le-
zer/schrijver en de PC kaartadapter (voor een SD
geheugenkaart/MMC).
Geheugendata
Met deze camera opgenomen beelden en andere data wor-
den in het geheugen opgeslagen m.b.v. het DCF (Design
Rule for Camera File System) protocol. Het DCF protocol is
ontworpen om het gemakkelijker te maken om beelden en
andere data uit te wisselen tussen digitale camera’s en an-
dere apparaten.
DCF protocol
DCF apparaten (digitale camera’s, printers, enz.) kunnen
beelden uitwisselen met elkaar. Het DCF protocol definiëert
het cameraformaat voor beeldbestanddata en de
directorystructuur voor het camerageheugen zodat beelden
bekeken kunnen worden met een DCF camera van een an-
dere fabrikant of afgedrukt kunnen worden met een DCF
printer.
GEBRUIKEN VAN DE CAMERA MET EEN COMPUTER
122
Geheugendirectorystructuur
Directorystructuur
<¥DCIM¥> (Bovenliggende map) (Parent map)
100CASIO (Opslagmap)
CIMG0001.JPG (Beeldbestand)
CIMG0002.AVI (Filmbestand)
101CASIO (Opslagmap)
102CASIO (Opslagmap)
ALBUM (Albummap)
INDEX.HTM (Album HTML bestand)
<¥MISC¥> (DPOF bestandmap)
AUTPRINT.MRK (DPOF bestand)
<¥SCENE¥>
*
(Beste shot map)
UQVR4001.JPE (Gebruikersinstellingsbestand)
UQVR4002.JPE (Gebruikersinstellingsbestand)
. . . . . . . . .
. . .
* <¥SCENE¥> wordt enkel voor het ingebouwde geheugen
gecreëerd.
Inhoud van mappen en bestanden
Bovenliggende map/parent map
Map die alle digitale camerabestanden opslaat.
Opslagmap
Mappen voor het opslaan van bestanden opgeslagen met
de digitale camera.
Beeldbestand
Bestand dat een beeld bevat dat opgenomen is met de di-
gitale camera.
Filmbestand
Bestand dat een film bevat die opgenomen is met de digi-
tale camera.
Albummap
Map die bestanden bevat die gebruikt worden door de
albumfunctie.
Album HTML bestand
Bestand gebruikt door de albumfunctie.
DPOF bestandmap
Map dat DPOF bestanden bevat.
Beste shot map (alleen voor het ingebouwde geheugen)
Map die de beste shot gebruikersinstellingsbestanden bevat.
Gebruikersinstellingsbestand
(alleen voor het ingebouwde geheugen)
Map die de gebruikersinstellingen bevat die gebruikt wor-
den door de beste shotfunctie.
GEBRUIKEN VAN DE CAMERA MET EEN COMPUTER
123
Ondersteunde beeldbestanden
Beeldbestanden die opgenomen zijn met de CASIO QV-
R3/QV-R4 digitale camera
Beeldbestanden die compatibel zijn met het DCF protocol
Bepaalde DCF functies worden niet ondersteund. Het tonen
van een beeld dat opgenomen was met een ander camera-
model kan lang op zich laten wachten voordat het op het
beeldscherm verschijnt.
Voorzorgsmaatregelen voor het
ingebouwde geheugen en geheugenkaart
Merk op dat de map die “DCIM” heet, de bovenliggende
(bovenste) map is van alle bestanden in het geheugen. Bij
het oversturen van de inhoud van het geheugen naar een
harde schijf, een MO disk of andere externe opslag-
apparatuur, dient u de inhoud van de DCIM map altijd als
één geheel te behandelen en altijd bij elkaar te houden. U
kunt de naam van de DCIM map op uw computer verande-
ren. Het veranderen van de naam naar een datum is een
goede manier om op de hoogte te blijven van meerdere
DCIM mappen. Zorg er echter altijd voor de naam van de
DCIM map altijd terug te veranderen naar “DCIM” voordat
u deze terug kopiëert naar het geheugen voor weergave
via de camera. De camera herkent geen andere mapnaam
dan “DCIM”.
Het wordt ook sterk aanbevolen dat u na het oversturen
van data van het geheugen naar andere externe opslag-
apparatuur, het geheugen opnieuw formatteert en de in-
houd wist voordat u meer (nieuwe) bestanden opslaat.
Denk eraan dat het formatteren van het geheugen de ge-
hele inhoud ervan uitwist. Controleer dat u inderdaad geen
van de bestanden in het geheugen nog nodig heeft voordat
u het gaat formatteren.
GEBRUIKEN VAN DE CAMERA MET EEN COMPUTER
124
Gebruik van de albumfunctie
De albumfunctie van de camera creëert een HTML layout
die uw beelden toont. U kunt de HTML layout gebruiken om
uw beelden in een web pagina te plakken of voor het afdruk-
ken van beelden.
• U kunt de onderstaande web browser gebruiken voor het
bekijken of afdrukken van de inhoud van een album. Merk
op voor het bekijken van een film via de computer waarop
Windows 2000, of 98 draait, u DirectX dient te installeren.
Microsoft Internet Explorer Ver. 5.5 of later
Creëren van een album
1.
Druk tijdens de
weergavefunctie op
.
2.
Selecteer “Create” (creëren) m.b.v. [ ] en [ ]
en druk vervolgens op SET.
Dit start het creëren van het album en doet de bood-
schap “Busy.... Please Wait....” (bezig. wachten
a.u.b.) verschijnen op het beeldscherm.
Druk nadat het creëren van het album voltooid is op
de MENU toets om het menuscherm te verlaten.
Door een album te creëren wordt een bestandmap die
“ALBUM” heet aangemaakt, die een bestand met de
naam “INDEX.HTM” en andere bestanden bevat.
Deze bestanden worden aangemaakt in het camera-
geheugen of op de geheugenkaart.
Voorbeeld layout
GEBRUIKEN VAN DE CAMERA MET EEN COMPUTER
125
BELANGRIJK!
Open het accupaneeldeksel of verwijder de
geheugenkaart van de camera nooit terwijl een album
aangemaakt wordt. Dit brengt niet enkel het risico met
zich mee dat bepaalde albumbestanden worden over-
geslagen maar het kan er bovendien de oorzaak van
zijn dat beelddata en andere data in het geheugen
worden beschadigd.
Als het geheugen vol raakt tijdens het creëren van een
album, verschijnt de boodschap “Memory Full” (ge-
heugen vol) op het beeldscherm en het aanmaken
van het album wordt stop gezet.
Een album zal niet juist worden gecreëerd als de accu
leeg raakt terwijl het aanmaken van een album juist
aan de gang is.
U kunt de camera ook configureren om automatisch
albums te creëren (pagina 127). Maar de boven-
staande procedure creëert een album ongeacht of de
functie voor automatische albumcreatie ingeschakeld
is of niet.
Selecteren van een album layout
Voor een album kunt u een selectie maken uit 10 verschil-
lende layouts.
1.
Druk tijdens de weergavefunctie op .
2.
Selecteer “Layout” m.b.v. [ ] en [ ].
3.
Selecteer de gwenste layout m.b.v. [ ] en [ ].
Door de layout te veranderen zal ook het layout voor-
beeld aan de rechterkant van het beeldscherm veran-
deren.
BELANGRIJK!
Het layout voorbeeld toont de opstelling van de items
en de achtergrondkleur. Het toont niet of de layout een
lijstweergave of een gedetailleerde weergave gebruikt
of dat hot linking in- of uitgeschakeld is.
GEBRUIKEN VAN DE CAMERA MET EEN COMPUTER
126
Configureren van gedetailleerde
albuminstellingen
1.
Druk tijdens de weergavefunctie op .
2.
Selecteer “Set Up”
m.b.v. [ ] en [ ] en
druk vervolgens op
[ ].
3.
Selecteer de te veranderen items m.b.v. [ ] en
[ ] en druk vervolgens op [ ].
Details aangaande de verschillende instellingen wor-
den gegeven in de volgende paragrafen.
4.
Selecteer de instelling items m.b.v. [ ] en [ ]
en druk vervolgens op SET.
Achtergrondkleur
U kunt als kleur voor de achtergrond van het album wit,
zwart of grijs specificeren onder de procedure “ Con-
figureren van gedetailleerde albuminstellingen”.
Albumtype
Er zijn twee soorten albums: normale en index/informatie.
Normaal type : Dit type toont beelden in overeen-
stemming met de momenteel gese-
lecteerde layout.
Index/Informatie type: Naast het normale albumscherm, be-
vat dit type album ook thumbnails van
beelden en gedetailleerde informatie
aangaande elk beeld.
Hot Linking aan/uit
Deze instelling bepaalt of u films al dan niet kunt vergroten of
films of geluidsbestanden kunt afspelen via uw Web
browser. Elk beeld in het album stelt een stilbeeld of een film
voor. Wanneer hot linking ingeschakeld is, zal na aanklikken
van het albumbeeld het corresponderende stilbeeld getoond
of de corresponderende film gespeeld worden. Met deze in-
stelling kunt u hot linking van albumbeelden in- en uitscha-
kelen.
GEBRUIKEN VAN DE CAMERA MET EEN COMPUTER
127
Selecteer deze optie:
Off (uit)
On (aan)
Om dit te doen:
Schakel automatisch albumcreatie uit
Schakel automatisch albumcreatie aan
Automatisch album creatie aan/uit
Deze instelling regelt of een album automatisch wordt ge-
creëerd telkens wanneer u de camera uitschakelt.
Bij inschakelen van automatisch albumcreatie wordt een
album automatisch gecreëerd in het ingebouwde geheu-
gen of op de geheugenkaart telkens bij uitschakelen van
de canera.
BELANGRIJK!
Bij uitschakelen van de camera terwijl de automatisch
albumcreatiefunctie ingeschakeld is, zal het beeld-
scherm uit gaan maar de bedrijfsindicator blijft nog en-
kele seconden knipperen om aan te geven dat album-
creatie plaatsvindt. Open het accudeksel. Open het
accudeksel of verwijder de geheugenkaart van de ca-
mera nooit terwijl de groene bedrijfsindicator knippert.
OPMERKING
Afhankelijk van het aantal beelden in het geheugen
kan het wel enige tijd duren voordat automatische
albumcreatie voltooid is nadat u de camera uitgescha-
keld heeft. Bent u niet van plan de albumfunctie te
gebruiken dan wordt het aanbevolen de automatische
albumcreatiefunctie uitgeschakeld te houden. Dit zal
namelijk tijd besparen wanneer de camera uitgescha-
keld wordt en daardoor ook bezuinigen op accu-
stroom.
Selecteer
deze optie:
Off (uit)
On (aan)
Om dit te doen:
Hoge resolutie albumbeelden bij het
afdrukken van albumpagins’s
OPMERKINGEN
Daar beelden een hoge resolutie hebben
kost het meer tijd om ze op uw computer-
scherm te tonen.
Bij deze instelling kunt u beelden niet
vergroten of filmpjes spelen.
Lagere resolutie albumbeelden voor het
browsen door een album en het publiceren
van thumbnails op een Web pagina.
OPMERKINGEN
Door op een beeld te klikken wordt een
vergrootte versie getoond die gebruikt
kan worden voor bekijken en afdrukken.
Bij deze instelling wordt het fimpje
getoond bij klikken op een AVI bestands-
beeld.
GEBRUIKEN VAN DE CAMERA MET EEN COMPUTER
128
Bekijken van albumbestanden
U kunt albumbestanden bekijken en afdrukken via de web
browser applicatie van uw computer.
1.
Verkrijg toegang tot de data in het ingebouwde
geheugen of op de geheugenkaart m.b.v. uw
computer of verkrijg toegang tot de geheugen-
kaart via uw computer (pagina 118 en 120).
2.
Open de “ALBUM” map in het ingebouwde ge-
heugen of de “ALBUM” map op de geheugen-
kaart die zich bevindt in de map “DCIM”.
3.
Open m.b.v. de web
browser van uw
computer het bestand
dat “INDEX.HTM”
heet.
Dit toont een lijst van
mappen in het inge-
bouwde geheugen of op
de geheugenkaart.
4.
Als u het album creëerde na selecteren van het
“Normal” (normale) type of “Index/Info” (index/
informatie) als albumtype onder “Configureren
van gedetailleerde albuminstellingen” op pa-
gina 126, dan kunt u één van de volgende
displaymogelijkheden aanklikken.
Album: Toont een album dat gecreëerd is door de ca-
mera.
Index : Toont een lijst van beelden die opgeslag zijn in
een map.
Info : Toont informatie aangaande ellk beeld.
Als hot linking ingeschakeld is voor het album kunt u
dubbelklikken op een beeld van het beeldscherm om
de versie op volledige grootte te tonen.
Index/informatie albumtype
BestandsnaamBeeld
Album
GEBRUIKEN VAN DE CAMERA MET EEN COMPUTER
129
Het volgende beschrijft de informatie die op het
informatiescherm komt te staan.
Dit informatiescherm item:
File Size
Resolution
Quality
Drive mode
AE
Light metering
Shutter speed
Aperture stop
Exposure comp
Focusing mode
Flash mode
Sharpness
Saturation
Contrast
White balance
Sensitivity
Filter
Enhancement
Flash intensity
Digital zoom
World
Date
Model
Laat dit zien:
Grootte van het beeldbestand
Resolutie
Kwaliteit
Drive functie
Belichtingsfunctie
Lichtmeetfunctie
Sluitersnelheid
Lensopening stop
Belichtingscompensatie
Scherpstelfunctie
Flitserfunctie
Scherpte
Verzadiging
Contrast
Witbalans
Gevoeligheid
Filterinstelling
Verbeteringsinstelling
Flitsintensiteit
Digitale zoominstelling
Plaats
Opgenomen datum en tijd
Camera modelnaam
Index
Info (informatie)
GEBRUIKEN VAN DE CAMERA MET EEN COMPUTER
130
OPMERKINGEN
Bij afdrukken van een beeld van een albumscherm
dient u de Web browser op te zetten zoals hieronder
beschreven.
Selecteer het browser kader waar de beelden ge-
selecteerd worden.
Stel de marges in op de laagst mogelijke waarden.
Stel de achtergrondkleur in op een kleur die afge-
drukt kan worden.
• Zie de documentatie die meegeleverd is met uw web
browser applicatie voor details betreffende het afdruk-
ken en het configureren van de instellingen daarvoor.
5.
Verlaat nadat u klaar bent met bekijken van het
album de web browser applicatie.
Opslaan van een album
Om een album op te slaan, kopiëert u de “DCIM” map van
het camerageheugen of de geheugenkaart naar de harde
schijf van de computer, naar een floppy diskette, een MO
diskette of een ander opslagmedium. Merk op dat het ko-
piëren van alleen de “ALBUM” de beelddata en andere no-
dige bestanden niet kopieert.
• Na kopiëren van de “DCIM” map mag u geen van de be-
standen in de map veranderen of uitwissen. Het toevoegen
van nieuwe beelden of het wissen van bestaande bestan-
den kan leiden tot abnormale weergave van het album.
Als u van plan bent de geheugenkaart nogmaals te gebrui-
ken na opslaan van het album er op, wis dan eerst alle
bestanden er van uit of formatteer hem voordat u hem in de
camera steekt.
APPENDIX
131
APPENDIX
Menureferentie
De tabellen in dit hoofdstuk tonen de items die verschijnen in
elke opnamefunctie- en weergavefunctietab. Onderstreepte
items zijn fabrieksinstellingen (default).
Opnamefunctiemenu
REC (opname) tab menu
Geheugen tab menu
Sharpness
(scherpte)
Saturation
(verzadiging)
Contrast
Flash Intensity
(flitsintensiteit)
Grid (raster)
Digital Zoom
(digitale zoom)
Soft (zacht) /
Normal (normaal) / Hard (hard)
Low (laag) / Normal (normaal) / High (hoog)
Low (laag) / Normal (normaal) / High (hoog)
Weak (zwak) /
Normal (normaal) / Strong
(sterk)
Off (uit) / On (aan)
Off (uit) /
On (aan)
Flash (flits)
Focus (scherpstellen)
White Balance
(witbalans)
ISO
Metering
(lichtmeting)
Flash Intensity
(flitsintensiteit)
Digital Zoom
(digitale zoom)
MF Position
(handmatige
scherpstelstand)
On (aan) / Off (uit)
On (aan) / Off (uit)
On (aan) /
Off (uit)
On (aan) / Off (uit)
On (aan) /
Off (uit)
On (aan) / Off (uit)
On (aan) / Off (uit)
On (aan) / Off (uit)
QV-R3: 2048 ҂ 1536 / 1600 ҂ 1200 /
1280 ҂ 960 / 640 ҂ 480
QV-R4:
2304 ҂ 1712 / 2240 ҂ 1680 /
1600 ҂ 1200 / 1280 ҂ 960 / 640 ҂ 480
Fine (fijn) / Normal (normaal) / Economy
(economie)
Auto (automatisch) / (zonlicht) /
(schaduw) / (Gloeilamp) /
(TL verlichting) / Manual (handmatig)
QV-R3:
Auto (automatisch) / ISO 125 / ISO 250
QV-R4:
Auto (automatisch) / ISO 100 / ISO 200
Multi (multi-patroon) / Center weighted
(centrum-georiënteerd) / Spot (puntmeten)
Off (uit) / B/W (zwart/wit) / Sepia / Red (rood) /
Green (groen) / Blue (blauw) / Yellow (geel) /
Pink (roze) / Purple (paars)
Off (uit) / Red (rood) / Green (groen) / Blue
(blauw) / Flesh Tones (huidskleur)
Size
(afmetingen/
grootte)
Quality (kwaliteit)
White Balance
(witbalans)
ISO
Metering
(lichtmeting)
Filter
Enhance
(verbeteren)
APPENDIX
132
Instelling tab menu
PLAY (weergave) functiemenu
PLAY (weergave) tabmenu
Resize (afmetingen
herinstellen)
Trimming (trimmen)
Alarm (wekker)
Copy (kopiëren)
1280 ҂ 960 / 640 ҂ 480 / Cancel (annuleren)
Wekkerinstellingen
Built-in (ingebouwd geheugen) Card (geheugenkaart) /
Card
Built-in / Cancel (annuleren)
Instelling tab menu
File No.
(bestandnummer)
Beep (pieptoon)
Startup
(startscherm)
World Time
(wereldtijd)
Date Style
(datumopmaak)
Adjust (bijstellen)
Language (taal)
Sleep (sluimer)
Auto Power Off
(automatische
stroomonderbreking)
Format (formatteren)
Reset (terugstellen)
On (aan) / Off (uit)
On (aan) / Off (uit)
On (aan) (instelbaar beeld) / Off (uit)
Home (thuis) / World (wereld)
Thuistijd instelling (stad, DST, enz.)
Wereldtijd instelling (stad, DST, enz.)
YY/MM/DD / DD/MM/YY / MM/DD/YY
Tijdinstelling
(Japans) / English (Engels) /
Français (Frans) / Deutsch (German) /
Español (Spaans) / Italiano (Italiaans)
30 sec / 1 min / 2 min / Off (uit)
3 min / 5 min / Off (uit)
Format (formatteren) / Cancel (annuleren)
Reset (terugstellen) /
Cancel (annuleren)
File No.
(bestandnummer)
Beep (pieptoon)
Startup (startscherm)
World Time
(wereldtijd)
Date Style
(datumopmaak)
Adjust (bijstellen)
Language (taal)
Sleep (sluimer)
Auto Power Off
(automatische
stroomonderbreking)
Format (formatteren)
Reset (terugstellen)
On (aan) / Off (uit)
On (aan) / Off (uit)
On (aan) (instelbaar beeld) / Off (uit)
Home (thuis) / World (wereld)
Thuistijd instelling (stad, DST, enz.)
Wereldtijd instelling (stad, DST, enz.)
YY/MM/DD / DD/MM/YY / MM/DD/YY
Tijdinstelling
(Japans) / English (Engels) /
Français (Frans) / Deutsch (German) /
Español (Spaans) / Italiano (Italiaans)
30 sec / 1 min / 2 min / Off (uit)
3 min / 5 min / Off (uit)
Format (formatteren) / Cancel (annuleren)
Reset (terugstellen) /
Cancel (annuleren)
APPENDIX
133
Indicator referentie
De camera heeft drie indicators: een groene bedrijfsindicator,
een rode bedrijfsindicator en een zelfontspannerindicator.
Deze indicators gaan branden en knipperen om de huidige
status van de camera te tonen.
* Er zijn drie indicatorflitspatronen. Patroon 1 knippert eens per se-
conde, patroon 2 knippert tweemaal per seconde en patroon 3
knippert 4 maal per seconde. De onderstaande tabel geeft een ver-
klaring van de diepere betekenis van elk flitspatroon.
Zelfontspannerindicator
Opnamefunctie
Bedrijfsindicator
Groen
Brandt
Patroon 1
Brandt
Patroon 3
Brandt
Patroon 2
Patroon 1
Rood
Patroon 1
Patroon 3
Brandt
Patroon 2
Patroon 1
Patroon 1
Patroon 2
Rood
Patroon 1
Patroon 2
Werking (spanning aan, opname
mogelijk)
Opname van tussenpauzes is gestopt.
Flitser is aan het opladen.
Opladen van flitser is voltooid.
Autofocus werkt goed.
Autofocus werkt niet.
Beeldscherm is uit.
Opslaan van beeld
Opslaan van film
Aftellen van zelfontspanner
(10 - 3 seconden)
Aftellen van zelfontspanner
(3 - 0 seconden)
Opladen van flitser is onmogelijk
Geheugenkaart problemen /
Geheugenkaart is niet geformatteerd. /
Best shot instelling kan niet worden
geregistreerd.
Betekenis
Groene bedrijfsindicator
Rode bedrijfsindicator
Zelfontspan-
nerindicator
APPENDIX
134
Weergavefunctie
Groen
Brandt
Patroon 1
Patroon 3
Rood
Patroon 2
Brandt
Patroon 3
Rood
Werking (spanning aan, opname
mogelijk)
Opname van tussenpauzes is gestopt.
Eén van de volgende functies vindt
plaats: wissen, DPOF, beeldbeveiliging,
kopiëren, albumcreatie, formatteren,
(langzaam) uitschakelen van de
spanning.
Geheugenkaart problemen /
Geheugenkaart is niet geformatteerd.
Geheugenkaart is geblokkeerd /
map kan niet worden gecreëerd. /
Geheugen is vol.
Lege accu waarschuwing
Groen Rood Rood
Patroon 3
Patroon 3
BELANGRIJK!
Bij gebruik van de geheugenkaart mag u de kaart
nooit uit de camera verwijderen wanneer de groene
bedrijfsindicator aan het knipperen is. Hierdoor kun-
nen namelijk alle opgenomen beelden verloren gaan.
Geheugenkaart is geblokkeerd /
map kan niet worden gecreëerd. /
Geheugen is vol. / Schrijf foutlezing
Lege accu waarschuwing
Kaart formatteren
Spanning wordt (langzaam)
uitgeschakeld
Brandt
Patroon 3
Bedrijfsindicator
Betekenis
Zelfontspan-
nerindicator
Bedrijfsindicator
Betekenis
Zelfontspan-
nerindicator
APPENDIX
135
Oplaadeenheid
De los verkrijgbare oplaad-
eenheid heeft een CHARGE
(oplaad) indicator die brandt en
knippert om de werking van de
oplaadeenheid aan te geven.
CHARGE
indicator
Groen Rood
Betekenis
Brandt
Brandt
Patroon 1
Patroon 3
Opladen
Opladen voltooid
Oplaadprobleem (omringende temperatuur is
te hoog of te laag).
Storing van oplaadeenheid of accu
C
HAR
G
E
CHARGE
indicator
APPENDIX
136
Spanning gaat niet aan.
De camera begint zichzelf
ineens uit te schakelen.
Het beeld wordt niet opge-
nomen bij indrukken van de
sluiterontgrendelingstoets.
1) De accu is onjuist ingelegd.
2) De accu is leeg.
1) De automatische stroomonderbreker is geacti-
veerd (pagina 33).
2) De accu is leeg.
1) De functieschijfregelaar staat op
(weergave-
functie).
2) De flitsereenheid wordt opgeladen.
3) Het geheugen is vol.
1) Plaats de accu in de juiste richting (pagina 25).
2) Laad de accu op (pagina 24). Als de accu na het
opladen weer snel leeg raakt, betekent dat dat de
accu het einde van zijn levensduur heeft bereikt
en te worden vervangen. Schaf een los verkrijg-
bare oplaadbare lithium-ion accu NP-30 aan.
1) Schakel de spanning opnieuw in.
2) Laad de accu op (pagina 24).
1) Gebruik de functieschijfregelaar om een
opnamefunctie te selecteren (pagina 38).
2) Wacht totdat de flitsereenheid stopt met knippe-
ren.
3) Schrijf bestanden die u wilt houden naar uw
computer en wis daarna de bestanden van het
camerageheugen of gebruik een andere
geheugenkaart.
Syroomvoorziening
Beeldopname
Symptoom Mogelijke oorzaak Handeling
Gids voor het oplossen van moeilijkheden
APPENDIX
137
Beeldopname
Symptoom Mogelijke oorzaak Handeling
Autofocus stelt niet goed
scherp.
Het onderwerp is niet scherp
bij het opgenomen beeld.
De camera schakelt zichzelf
langzaam uit tijdens het af-
tellen van de zelfontspanner.
Het beeld op het beeld-
scherm is niet scherp.
Opgenomen beelden wor-
den niet in het geheugen
opgeslagen.
1) De lens is vuil.
2) Het onderwerp bevindt zich niet in het midden
van het scherpstelkader tijdens de compositie
van het beeld.
3)
Het onderwerp dat u aan het opnemen bent is van een
type dat niet past bij de autofocusfunctie (pagina 41).
4) De camera wordt bewogen.
Er was niet scherpgesteld op het beeld.
De accu is leeg.
1) U gebruikt de handmatige scherpstelfunctie en u
heeft niet scherpgesteld op het beeld.
2) U probeert de macrofunctie te gebruiken tijdens
het opnemen van een landschap of tijdens het
maken van een portret.
3) U probeert autofocus te gebruiken of de onein-
dig-functie (
) te gebruiken bij het opnemen
van een close-up shot.
1) De camera schakelt zichzelf uit voordat het op-
slaan van beelden naar het geheugen voltooid is.
2) Verwijderen van de geheugenkaart voordat het
opslaan voltooid is.
1) Reinig de lens.
2) Let er op dat het onderwerp zich binnen het
scherpstelkader bevindt tijdens de compositie
van het beeld.
3) Stel met de hand scherp (pagina 55).
4) Zet de camera op een statief.
Bij het maken van de compositie van het beeld
dient u er op te letten dat.
Vervang de accu (pagina 24).
1) Stel scherp op het beeld (pagina 55)
2) Gebruik autofocus voor het opnemen van land-
schappen en voor het maken van portretten.
3) Gebruik de macrofunctie voor close-ups.
1) Als de accu indicator
toont, dient u de accu
zo snel mogelijk op te laden (pagina 24).
2) Verwijder de geheugenkaart nooit voordat het
opslaan voltooid is.
APPENDIX
138
Overige
Symptoom Mogelijke oorzaak Handeling
Plaats de camera zodanig dat zonlicht niet direct in
de lens kan schijnen.
Deze camera kan niet-DCF beelden niet tonen die
met een andere digitale camera op een geheugen-
kaart zijn opgenomen.
Verwijder de accu uit de camera, leg hem opnieuw
in en probeer opnieuw.
1) Ontkoppel de USB kabel na eerst te hebben be-
vestigd dat de computer geen toegang aan het
verkrijgen is tot het geheugen van de camera.
2) Druk op DISP om het beeldscherm in te schake-
len.
1) Controleer alle aansluitingen.
2) Installeer de USB driver op uw computer (pagina
110).
3) Schakel de camera in.
Zonlicht of licht van een andere lichtbron schijnt tij-
dens het opnemen direct in de lens.
Een geheugenkaart met niet-DCF beelden die op-
genomen zijn met een andere camera bevindt zich
in de camera.
Problemen met het elektronische circuit hetgeen
veroorzaakt wordt door elektrostatische lading, een
harde stoot, enz. terwijl de camera aangesloten
was op een ander apparaat.
1) USB communicatie vindt plaats.
2) Het beeldscherm wordt uitgeschakeld (tijdens de
opnamefunctie).
1) De USB kabel is niet juist aangesloten.
2) De USB driver is niet geïnstalleerd.
3) De camera is uitgeschakeld.
Weergave
De kleur van het weergave-
beeld verschilt van het
beeld op het beeldscherm
tijdens het opnemen.
Beelden worden niet ge-
toond.
Geen van de toetsen en
schakelaars werkt.
Het beeldscherm is uitge-
schakeld.
Het is niet mogelijk bestan-
den via een USB aanslui-
ting over te schrijven.
APPENDIX
139
Tonen van boodschappen
Battery is low.
BEST SHOT memory
is full.
Card ERROR
Folder cannot be
created
Memory Full
De accu is leeg.
U probeert een best shot instelling te registreren ter-
wijl de SCENE (décor) map reeds 999 instellingen
bevat.
Er trad een probleem op bij de geheugenkaart.
Schakel de camera uit, verwijder de kaart en steek
hem opnieuw is. Mocht dezelfde boodschap ver-
schijnen, formatteer dan de geheugenkaart (pagina
106).
BELANGRIJK!
Het formatteren van de geheugenkaart wist alle
bestanden op de geheugenkaart uit. Probeer
eerst eventuele werkbare bestanden naar een
computer of een ander opslagmedium over te
schrijven voordat u de geheugenkaart
formatteert.
Deze boodschap verschijnt wanneer u een beeld
probeert op te slaan terwijl er 9999 bestanden opge-
slagen zijn in de 999ste map. Wis bestanden die u
niet langer nodig heeft als u meer bestanden wilt
opnemen (pagina 89).
Het geheugen is vol. Wis bestanden die u niet lan-
ger nodig heeft als u meer bestanden wilt opnemen
(pagina 89).
Record Error
SYSTEM ERROR
The card is locked.
The card is not
formatted.
The function is not
supported for this
file.
There are no files.
This file cannot be
played.
This function cannot
be used.
Tijdens het opslaan van beelddata kon om de één of
andere reden de beelddata niet gecomprimeerd
worden. Voer de opname van het beeld nogmaals
uit.
Uw camerasysteem is beschadigd. Neem contact
op met een CASIO onderhoudswerkplaats.
De LOCK schakelaar van de SD geheugenkaart is
vergrendeld. U kunt beelden niet opslaan op of wis-
sen van een geheugenkaart die vergrendeld is.
De geheugenkaart is niet geformatteerd.
Formatteer de geheugenkaart (pagina 106).
De functie die u probeert uit te voeren wordt niet
ondersteund voor het bestand waarop u de functie
probeert uit te voeren.
Er bevinden zich geen bestanden in het inge-
bouwde geheugen of in de geheugenkaart.
Het beeldbestand of het audiobestand is bescha-
digd of is van een type dat niet door deze camera
kan worden getoond.
U probeerde bestanden te kopiëren van het inge-
bouwde geheugen naar een geheugenkaart terwijl
er zich geen geheugenkaart in de camera bevond
(pagina 107).
APPENDIX
140
Technische gegevens
Belangrijkste technische gegevens
Product ............................... Digitale camera
Model ..................................QV-R3/QV-R4
Camerafunctie
Beeldbestandformaat
Snapshots ....................... JPEG (Exif Ver. 2.2); DCF (Design rule
for Camera File systeem)
1.0 standaard; voldoet aan DPOF
Films ................................AVI (Motion JPEG)
Opnamemedia .................... 11MB ingebouwd flash-geheugen
SD geheugenkaart
MultiMedia kaart (MMC)
Beeldgrootte
Snapshots ...................... 2304 x 1712beeldpunten (QV-R4)
2240 x 1680beeldpunten (QV-R4)
2048 x 1536beeldpunten (QV-R3)
1600 x 1200beeldpunten
1280 x 960 beeldpunten
640 x 480 beeldpunten
Films ..................................320 x 240 beeldpunten
Geheugencapaciteit en bestandgrootte (naar schatting):
Snapshot
Bestandsgrootte
(beeldpunten)
2304 x 1712
(QV-R4)
2240 x 1680
(QV-R4)
2048 x 1536
(QV-R3)
1600 x 1200
(UXGA)
1280 x 960
(SXGA)
640 x 480
(VGA)
Kwaliteit
Fijn
Normaal
Economisch
Fijn
Normaal
Economisch
Fijn
Normaal
Economisch
Fijn
Normaal
Economisch
Fijn
Normaal
Economisch
Fijn
Normaal
Economisch
Beeldbestands-
grootte
(naar schatting)
1.8MB
1.4MB
1.0MB
1.8MB
1.4MB
1.0MB
1.6MB
1.2MB
630KB
1050KB
710KB
370KB
680KB
460KB
250KB
190KB
140KB
90KB
Ingebouwd
flash-geheugen
11 MB
5 opnamen
7 opnamen
9 opnamen
5 opnamen
7 opnamen
9 opnamen
6 opnamen
8 opnamen
15 opnamen
9 opnamen
14 opnamen
27 opnamen
14 opnamen
22 opnamen
39 opnamen
52 opnamen
68 opnamen
110 opnamen
SD
geheugenkaart*
64 MB
30 opnamen
40 opnamen
54 opnamen
30 opnamen
40 opnamen
54 opnamen
34 opnamen
45 opnamen
88 opnamen
53 opnamen
79 opnamen
154 opnamen
82 opnamen
126 opnamen
220 opnamen
294 opnamen
386 opnamen
618 opnamen
APPENDIX
141
Films (320 x 240 beeldpunten)
* Gebaseerd op Matsushita Electric Industrial Co., Ltd. producten. De capaci-
teit hangt af van de het merk van de geheugenkaart.
* Vermenigvuldig de capaciteit in de tabel met de geschatte waarde om het
aantal beelden te verkrijgen dat op een geheugenkaart van een andere capa-
citeit kan worden opgeslagen.
Wissen ................................ Enkel bestand, alle bestanden (met
beveiliging)
Effectieve beeldpunten
QV-R3 .............................3,20 miljoen
QV-R4 .............................4,00 miljoen
Beeldelement
QV-R3 .............................1/1,8-inch vierkante beeldpunten
kleuren CCD (totaal aantal beeld-
punten: 3,34 miljoen)
QV-R4 .............................1/1,8-inch vierkante beeldpunten
kleuren CCD (totaal aantal beeld-
punten: 4,13 miljoen)
Datagrootte
Opnametijd
Max. 200 KB/seconde
Eén film: max. 30 sec.
Totale filmtijd:
maximaal 60 sec. (ingebouwd geheugen)
maximaal 330 sec. (SD 64 MB geheugenkaart)
*
Lens/brandpuntsafstand
QV-R3 .............................F2.6 (groothoek) - 4.8 (telelens); f=7.6
(groothoek) - 22,8mm (telelens)
(gelijkwaardig aan ca. 37 (groothoek) -
111mm (telelens) voor 35mm film)
QV-R4 .............................F2.6 (groothoek) - 4.8 (telelens); f=7.6
(groothoek) - 22,8mm (telelens)
(gelijkwaardig aan ca. 37,5 (groothoek)
- 112,5mm (telelens) voor 35mm film)
Zoom ...................................3X optische zoom, 3,2X digitale zoom
(9,6X in combinatie met optische zoom)
Scherpstellen .....................Contrast-type autofocus (macrofunctie,
oneindig-functie); handmatig
scherpstellen; scherpstelvergrendeling
Geschat scherpstelbereik (van het oppervlak van de lens)
Normaal ........................... 40 cm -
Macro ..............................14 cm - 50 cm
Tijdens macrozoomen kan de optische
zoom niet worden gebruikt. Zoomen is
vastgezet op de maximale groothoek.
Belichtingsregeling
Lichtmeting ...................... Multi-patroon meten, centrum-
georiënteerd meten, puntmeten per
CCD
Belichting.........................Programma AE
Belichtingscompensatie ...2EV - +2EV (1/3EV eenheden)
Sluiter..................................CCD elektronische sluiter; mechani-
sche sluiter, 2 - 1/2000 seconde
Lensopening ...................... F2.6/5.0, automatisch overschakelen
APPENDIX
142
De bovenstaande waarden zijn benaderingen van de tijd totdat de stroom uitvalt
bij een normale temperatuur (25ºC). De bovenstaande waarden zijn echter
geen garantie dat dergelijke resultaten inderdaad behaald kunnen worden.
Lage temperaturen kunnen de levensduur van de accu bekorten (pagina 26).
Stroomverbruik..................4,5 V gelijkstroom, ca. 5,4 W
Afmetingen .........................90,0 (B) x 59,0 (H) x 31,0 (D) mm
(exclusief uitsteeksels
dikste gedeelte: 35,0 mm)
Gewicht ............................... ca. 200 g (exclusief accu en accessoi-
res)
Gebundelde accessoires..Oplaadbare lithium-ion accu (NP-30);
speciale accu-oplaadeenheid (BC-20);
speciale USB kabel; polsriem; CD-
ROM; gebruiksaanwijzing
Spanningsvereisten
Spanningsvereisten ..........Oplaadbare lithium-ion accu
(NP-30) x 1
Netadapter (AD-C40)
Levensduur accu (naar schatting):
Witbalans............................Automatisch, vast ingesteld
(4 functies), handmatig overschakelen
Zelfontspanner .................. 10 seconden, 2 seconden, drivoudige
zelfontspanner
Ingebouwde flitser
Flitserfuncties .................. AUTO (automatisch), ON (aan), OFF
(uit), rode ogenreductie
Flitsbereik ........................ Ca. 0,4 - 3,2 meter (QV-R3)
Ca. 0,4 - 2,8 meter (QV-R4)
Opnamefuncties ................ Snapshot (foto); Best Shot (beste
shot); Coupling Shot (combinatieshot);
Night Scene (nachtdécor); Manual
Exposure (handmatige belichting),
Movie (film); Interval Mode (tussen-
pauzefunctie)
Beeldscherm ......................1,6-inch TFT kleuren LCD
84.960 beeldpunten (354 x 240)
Zoeker .................................Beeldscherm en optische zoeker
Tijdbijhoud functies ..........Ingebouwde digitale kwartsklok
Datum en tijd .................... Opgenomen met beelddata
Automatisch kalender ...... Tot 2049
Wereldtijd: ..........................City (stad), Date (datum), Time (tijd),
Summer time (zomertijd), 162 steden
in 32 tijdzones
Ingangs/
uitgangsaansluitingen ......Netadapteraansluiting (DC IN 4,5 V);
USB poort (MINI-B)
QV-R3 120 minuten (720 opnamen)
QV-R4 110 minutes (660 opnamen)
QV-R3 220 minutes
QV-R4 220 minutes
Doorlopende opname
Doorlopende weergave (doorlo-
pende opname van snapshots)
APPENDIX
143
Oplaadbare lithium-ion accu (NP-30)
Nominale spanning ...........3,7 V
Nominale capaciteit .......... 1000 mAh
Bedrijfstemperatuur
Bereik .................................. 0°C - 40°C
Afmetingen ......................... 35,3 (B) x 53,1 (H) x 7,1 (D) mm
Gewicht ............................... Ca. 28 g
Speciale accu oplaadeenheid (BC-20)
Spanningsvereisten ..........100 V - 240 V wisselstroom, 0,2 A,
50/60 Hz
Uitgangsspanning .............4,2 V gelijkspanning, 650 mA
Oplaadtemperatuur ...........0°C - 40°C
Oplaadbaar accutype ........ CASIO lithium-ion oplaadbare accu
(NP-30)
Tijd tot volledig opladen....Ca. 2 uur
Afmetingen ......................... 65,0 (B) x 90,0 (H) x 30,5 (D) mm
(exclusief uitsteeksels)
Gewicht ............................... Ca. 120 g
Stroomvoorziening
Gebruik enkel de speciale oplaadbare lithium-ion accu NP-30 om deze ca-
mera van stroom te voorzien. Het gebruik van een ander type accu wordt niet
ondersteund.
Deze accu heeft geen gescheiden batterij voor de klok. De instellingen van de
datum en de tijd worden geheel uitgewist wanneer in het geheel geen stroom
wordt toegevoerd (van zowel de accu als de netadapter). Zorg er voor deze
instellingen opnieuw te configureren als de stroom wordt onderbroken (pagina
36).
LCD paneel
Het LCD paneel is een product van de nieuwste LCD fabrikagetechnologie die
een beeldpundeffecttiviteit van 99,99% behaalt. Dat betekent dat minder dat
0,01% van het totaal aan beeldpunten defect is (d.w.z. ze gaan niet branden
of ze blijven juist altijd branden.
142

Hulp nodig? Stel uw vraag in het forum

Spelregels

Misbruik melden

Gebruikershandleiding.com neemt misbruik van zijn services uitermate serieus. U kunt hieronder aangeven waarom deze vraag ongepast is. Wij controleren de vraag en zonodig wordt deze verwijderd.

Product:

Bijvoorbeeld antisemitische inhoud, racistische inhoud, of materiaal dat gewelddadige fysieke handelingen tot gevolg kan hebben.

Bijvoorbeeld een creditcardnummer, een persoonlijk identificatienummer, of een geheim adres. E-mailadressen en volledige namen worden niet als privégegevens beschouwd.

Spelregels forum

Om tot zinvolle vragen te komen hanteren wij de volgende spelregels:

Belangrijk! Als er een antwoord wordt gegeven op uw vraag, dan is het voor de gever van het antwoord nuttig om te weten als u er wel (of niet) mee geholpen bent! Wij vragen u dus ook te reageren op een antwoord.

Belangrijk! Antwoorden worden ook per e-mail naar abonnees gestuurd. Laat uw emailadres achter op deze site, zodat u op de hoogte blijft. U krijgt dan ook andere vragen en antwoorden te zien.

Abonneren

Abonneer u voor het ontvangen van emails voor uw Casio QV-R3 bij:


U ontvangt een email met instructies om u voor één of beide opties in te schrijven.


Ontvang uw handleiding per email

Vul uw emailadres in en ontvang de handleiding van Casio QV-R3 in de taal/talen: Nederlands als bijlage per email.

De handleiding is 3,42 mb groot.

 

U ontvangt de handleiding per email binnen enkele minuten. Als u geen email heeft ontvangen, dan heeft u waarschijnlijk een verkeerd emailadres ingevuld of is uw mailbox te vol. Daarnaast kan het zijn dat uw internetprovider een maximum heeft aan de grootte per email. Omdat hier een handleiding wordt meegestuurd, kan het voorkomen dat de email groter is dan toegestaan bij uw provider.

Stel vragen via chat aan uw handleiding

Stel uw vraag over deze PDF

Andere handleiding(en) van Casio QV-R3

Casio QV-R3 Gebruiksaanwijzing - Deutsch - 143 pagina's

Casio QV-R3 Gebruiksaanwijzing - English - 40 pagina's

Casio QV-R3 Gebruiksaanwijzing - English - 51 pagina's

Casio QV-R3 Gebruiksaanwijzing - English - 52 pagina's


Uw handleiding is per email verstuurd. Controleer uw email

Als u niet binnen een kwartier uw email met handleiding ontvangen heeft, kan het zijn dat u een verkeerd emailadres heeft ingevuld of dat uw emailprovider een maximum grootte per email heeft ingesteld die kleiner is dan de grootte van de handleiding.

Er is een email naar u verstuurd om uw inschrijving definitief te maken.

Controleer uw email en volg de aanwijzingen op om uw inschrijving definitief te maken

U heeft geen emailadres opgegeven

Als u de handleiding per email wilt ontvangen, vul dan een geldig emailadres in.

Uw vraag is op deze pagina toegevoegd

Wilt u een email ontvangen bij een antwoord en/of nieuwe vragen? Vul dan hier uw emailadres in.



Info