Als u een revisie maakt, kunt u het bestand opsplitsen in onderdelen met afzonderlijke gedeelten voor revisieopmerkingen. Een revisie kan
bestaan uit onderdelen uit verschillende bestanden en toepassingen. Naarmate de revisie vordert, kunt u revisieonderdelen toevoegen en
verwijderen. Zo krijgt u een dynamisch revisieproces.
Kalenders en visitekaartjes maken op basis van sjablonen
U kunt sjablonen gebruiken voor het maken van kalenders, visitekaartjes, cv's of andere speciale documenten.
U vindt een groot aantal sjablonen via de gemeenschappen Uitwisselingsbasis en Marktplaats op de website van Adobe:
www.adobe.com/go/exchange_nl
Gebruik de zoekfunctie om naar aanvullende bronnen voor speciale documenten te zoeken.
Meer Help-onderwerpen
Adobe Bridge
Mini Bridge
CS Review
Juridische kennisgevingen | Onlineprivacybeleid
Werken met beheerde bestanden
Naar boven
Naar boven
Gedeelde inhoud openen
Inhoud uitchecken
Beheerde bestanden openen (InCopy)
Toewijzingsbestanden bijwerken (InDesign)
Inhoud bijwerken
Uw werk per ongeluk bijwerken
De InDesign-layout bijwerken
Inhoud inchecken
Wijzigingen opslaan (InDesign)
Wijzigingen opslaan (InCopy)
Gedeelde inhoud openen
Alleen InCopy-gebruikers kunnen toewijzingsbestanden (.inca) openen. Als een InCopy-gebruiker een InDesign-bestand met toewijzingen opent,
heeft de gebruiker toegang tot alle beheerde inhoud, ongeacht de toewijzingen.
Ga op een van de volgende manieren te werk.
(InCopy) Kies Bestand > Openen, selecteer een toewijzingsbestand (.icma of .inca) en klik op Openen.
(InDesign of InCopy) Kies Bestand > Openen, selecteer een InDesign-bestand (.indd) met toegewezen inhoud en klik op
Openen.
Open een toewijzingspakket. Zie Pakketten ontvangen (InCopy)
De toewijzingsnamen en inhoud worden in het deelvenster Toewijzingen weergegeven.
Inhoud uitchecken
Wanneer u een item hebt uitgecheckt, wordt een verborgen vergrendelingsbestand (.idlk) op het bestandssysteem geplaatst. Zodra de inhoud is
uitgecheckt, hebt u exclusieve controle over de inhoud en kunnen er geen wijzigingen door andere gebruikers worden aangebracht. U kunt alleen
InCopy-inhoud uitchecken. InDesign-documenten met layoutgegevens kunnen niet worden uitgecheckt.
Als u een InDesign-document met een of meer InCopy-inhoudsbestanden wilt sluiten die voor u zijn uitgecheckt, verschijnt er een
waarschuwingsbericht waarin u wordt gevraagd alle inhoud in te checken. Als u het document sluit zonder de inhoudsbestanden in te checken, zijn
ze nog steeds voor u uitgecheckt wanneer u het InDesign-document weer opent. Door het InDesign-document automatisch op te slaan wordt elk
bewerkbaar InCopy-inhoudsbestand opgeslagen.
Inhoud uitchecken (InDesign)
Ga op een van de volgende manieren te werk:
Selecteer in de layout de tekst- of afbeeldingskaders die u wilt bewerken, en kies Bewerken > InCopy > Uitchecken.
Selecteer in het deelvenster Toewijzingen de bestanden en kies Uitchecken in het deelvenstermenu.
Wanneer u beschikbare inhoud in InDesign uitcheckt, verschijnt het pictogram Bewerkbaar in het InDesign-kader. In InCopy staat het pictogram
In gebruik in het InCopy-kader en in het deelvenster Toewijzingen als de toewijzingsbestanden op een lokale server zijn opgeslagen.
Inhoud uitchecken (InCopy)
1. Ga op een van de volgende manieren te werk:
Als de gewenste inhoud deel uitmaakt van een toewijzing, kiest u Bestand > Openen en selecteert u het
toewijzingsbestand (.icma of .inca).
Als de gewenste inhoud als afzonderlijke bestanden is geëxporteerd, kiest u Bestand > Openen en selecteert u het
InCopy-bestand (.icml of .incx). Als u de layout wilt weergeven zodat u de tekst passend kunt maken, selecteert u het
InDesign-document.
2. Ga op een van de volgende manieren te werk:
Om één InCopy-inhoudsbestand uit te checken kiest u Bestand > Uitchecken.
Om alle inhoud in een toewijzing tegelijkertijd uit te checken selecteert u de toewijzing in het deelvenster Toewijzingen en
Naar boven
Naar boven
Naar boven
kiest u Uitchecken in het deelvenstermenu.
Om afzonderlijke items in een toewijzing uit te checken opent u de toewijzingslijst in het deelvenster Toewijzingen,
selecteert u een of meer items en kiest u Uitchecken in het deelvenstermenu.
Het pictogram Bewerkbaar verschijnt naast het item of de items in het deelvenster Toewijzingen en geeft aan dat de
inhoud voor u is uitgecheckt, zodat u er exclusief mee kunt werken.
3. Als wordt gevraagd de inhoud met wijzigingen bij te werken, klikt u op OK.
Wanneer u beschikbare inhoud in InCopy uitcheckt, staat het pictogram Bewerkbaar in het InCopy-kader en in het deelvenster Toewijzingen. In
InDesign verschijnt het pictogram In gebruik in het InDesign-kader.
Beheerde bestanden openen (InCopy)
Als u snel tekst wilt invoeren en bewerken, kunt u het beste een beheerd inhoudsbestand (.icml of .incx) rechtstreeks in InCopy in de
artikelweergave openen. U hoeft een afzonderlijk beheerd bestand niet uit te checken om het te bewerken. Dit wordt automatisch door InCopy
gedaan. Wanneer u het bestand opslaat en sluit, wordt de inhoud automatisch door InCopy ingecheckt. De opdrachten voor Opslaan verschillen
wanneer u afzonderlijke bestanden opent.
Toewijzingsbestanden bijwerken (InDesign)
U kunt wijzigingen in toewijzingen handmatig opslaan of wanneer u het geopende document sluit. Het bijwerken van een toewijzingsbestand is de
enige manier om layoutwijzigingen beschikbaar te maken voor InCopy-gebruikers.
Ga op een van de volgende manieren te werk:
Als u geselecteerde toewijzingen wilt bijwerken, selecteert u deze in het deelvenster Toewijzingen en kiest u Geselecteerde
toewijzingen bijwerken in het menu van het deelvenster Toewijzingen.
Kies Verouderde toewijzingen bijwerken in het menu van het deelvenster Toewijzingen om alle verouderde toewijzingen in het
huidige document bij te werken. Alleen verouderde toewijzingen worden bijgewerkt.
Kies Alle toewijzingen bijwerken in het menu van het deelvenster Toewijzingen om alle toewijzingen in het geopende
document bij te werken.
Opmerking: Als een InCopy-gebruiker een toewijzing opent op het moment dat u de toewijzing bijwerkt, staat het pictogram Verouderd naast
de toewijzing in het InCopy-deelvenster Toewijzingen.
Inhoud bijwerken
Voordat u inhoud gaat bijwerken, moet u eerst aan de hand van de pictogrammen Verouderd in het deelvenster Toewijzingen controleren of u met
de meest actuele inhoud werkt. Wanneer u een InCopy-toewijzingsbestand en de inhoud of afzonderlijke inhoudsbestanden bijwerkt, worden
gegevens van de meest recente bestandssysteemkopie gekopieerd, zodat de versie op uw computer overeenkomt met de versie op het
bestandssysteem. Voor het bijwerken hoeft er niet te worden in- of uitgecheckt en krijgt u geen bewerkrechten. Het bijwerken kan echter
problemen geven als een andere gebruiker uw vergrendeling heeft verwijderd.
Opmerking: Bij het bijwerken van inhoud wordt niet de inhoud bijgewerkt in toewijzingsbestanden die niet zijn geretourneerd.
Een standaard bijwerkworkflow ziet er als volgt uit:
1. De InCopy-gebruiker opent een toewijzingsbestand of checkt een afzonderlijk inhoudsbestand uit en bewerkt de inhoud.
2. De InCopy-gebruiker slaat het inhoudsbestand op, waarmee de kopie op het bestandssysteem wordt bijgewerkt, en gaat
verder met werken.
3. De InDesign-gebruiker ziet het pictogram Verouderd in zowel het deelvenster Toewijzingen als het deelvenster
Koppelingen naast de selectie, en het pictogram In gebruik en het pictogram Tekstinhoud is verouderd of het pictogram
Afbeeldingsinhoud is verouderd in het bijbehorende kader.
Naar boven
Naar boven
Het deelvenster Toewijzingen met de pictogrammen In gebruik en Verouderd (links) en Layout met verouderde inhoud (rechts)
4. De InDesign-gebruiker werkt de inhoud bij.
Inhoud tijdens het openen van een beheerd document bijwerken (InDesign)
1. Kies Bestand > Openen, zoek het bestand dat u wilt openen, en klik op Openen.
2. Klik op Ja wanneer wordt gevraagd het document met de gewijzigde inhoud op het bestandssysteem bij te werken.
3. Ga op een van de volgende manieren te werk:
Als u de koppelingen in InDesign wilt laten bijwerken, klikt u op Koppelingen automatisch repareren.
Klik op Niet repareren als u de koppelingen handmatig wilt repareren, selecteer vervolgens in het deelvenster Koppelingen
het bestand dat u wilt bijwerken, en kies Koppeling bijwerken in het deelvenstermenu.
Inhoud tijdens werken bijwerken (InDesign)
Ga op een van de volgende manieren te werk:
Selecteer de tekst- of afbeeldingskaders in de layout en kies Bewerken > InCopy > Inhoud bijwerken.
Selecteer de tekst- of afbeeldingskaders in het deelvenster Koppelingen en klik op de knop Koppeling bijwerken of kies
Koppeling bijwerken in het menu van het deelvenster Toewijzingen.
Inhoud tijdens werken bijwerken (InCopy)
Ga op een van de volgende manieren te werk:
Klik met de invoegpositie in het tekstkader om dit te selecteren en kies Bestand > Inhoud bijwerken.
Selecteer de inhoud in het deelvenster Toewijzingen en klik op de knop Inhoud bijwerken of kies Inhoud bijwerken in het
menu van het deelvenster Toewijzingen.
U kunt inhoud ook bijwerken via het deelvenster Koppelingen.
Uw werk per ongeluk bijwerken
Over het algemeen zijn de bijwerkopdrachten voor uitgecheckte inhoud uitgeschakeld, omdat die inhoud altijd up-to-date is. Er kan zich echter een
ongewenste situatie voordoen als een andere gebruiker de vergrendeling op uitgecheckte inhoud verwijdert (door het vergrendelingsbestand (.idlk)
naar de Prullenbak [Windows] of Prullenmand [Mac OS] te slepen) en de inhoud wijzigt. In dit geval is het mogelijk dat de bijwerkopdrachten weer
beschikbaar worden, zelfs als de inhoud voor u is uitgecheckt. Dit betekent in feite dat twee personen de inhoud op hetzelfde moment kunnen
bewerken. Wanneer de inhoud wordt bijgewerkt, gaat werk verloren. U bereikt de beste resultaten wanneer u de vergrendelingsbestanden niet
verwijdert.
De InDesign-layout bijwerken
InDesign-gebruikers kunnen de layout wijzigen (bijvoorbeeld het formaat of de locatie van tekstkaders van een artikel wijzigen) en de wijzigingen
opslaan terwijl de InCopy-gebruikers de tekst van deze tekstkaders aan het wijzigen zijn. De manier waarop InCopy-gebruikers in een workflow op
een server worden gewaarschuwd over wijzigingen in de layout, hangt af van het feit of zij een toewijzingsbestand hebben geopend of
afzonderlijke inhoudsbestanden hebben uitgecheckt en ook het gekoppelde InDesign-bestand hebben geopend.
Neem het volgende in acht:
Als een InDesign-gebruiker de layout van kaders in een toewijzing wijzigt, moet de gebruiker de toewijzing bijwerken om de
ontwerpwijzigingen voor InCopy-gebruikers beschikbaar te stellen. InDesign werkt toewijzingsbestanden niet automatisch bij
wanneer het document wordt opgeslagen.
Naar boven
Naar boven
Zodra de InDesign-gebruiker de toewijzing op een gedeelde server bijwerkt, staat het pictogram Verouderd naast de
toewijzing in het InCopy-deelvenster Toewijzingen. De InCopy-gebruiker moet het ontwerp bijwerken om de huidige layout te
kunnen zien.
Als een InDesign-gebruiker de layout bijwerkt van geëxporteerde inhoud die geen deel uitmaakt van een toewijzing, staat het
pictogram Verouderd naast de naam van het InDesign-document in het deelvenster Toewijzingen en geeft de titelbalk van het
document aan dat de layout verouderd is. InCopy-gebruikers kunnen het actieve InDesign-document bijwerken met de meest
recente layout- en stijlwijzigingen.
Het bijwerken van de layout in InCopy is met name handig voor het passend maken van taken, omdat de laatste weergave en regeleinden
zichtbaar zijn in de layout- en drukproefweergaven.
Ga op een van de volgende manieren te werk:
Als u een toewijzingsbestand hebt geopend en in het deelvenster Toewijzingen, staat het pictogram Verouderd naast de
toewijzingsnaam, klikt u op de knop Ontwerp bijwerken of kiest u Bestand > Ontwerp bijwerken. Deze opdracht kan niet
ongedaan worden gemaakt.
Als u niet werkt met toewijzingsbestanden en u hebt meerdere InDesign-documenten geopend, selecteer dan het document
dat u wilt activeren, en kies Bestand > Ontwerp bijwerken.
Inhoud inchecken
Wanneer u een beheerd inhoudsbestand incheckt, slaat u het op een gedeelde locatie op een bestandssysteem op waar het voor bewerking door
anderen kan worden uitgecheckt. Bij het exporteren van een tekst- of afbeeldingskader vanuit InDesign wordt dit kader meteen ingecheckt.
Ondanks dat een ingecheckt bestand kan worden bewerkt, is dit feitelijk pas bewerkbaar als het is uitgecheckt (tenzij u de inhoud in de
zelfstandige modus in InCopy bewerkt). Bij het inchecken van inhoud is de bewerkfunctie niet meer beschikbaar, maar het bestand wordt niet
gesloten. De inhoud blijft op het scherm staan, maar kan alleen worden gelezen.
Met LiveEdit Workflow-plug-ins worden er geen meerdere versies van een bestand gemaakt. In plaats daarvan worden de bestanden
overschreven wanneer deze worden bijgewerkt in InCopy of InDesign.
Als u met een toewijzingspakket werkt, retourneert of stuurt u het toewijzingspakket door nadat u het hebt ingecheckt.
Beheerde inhoud inchecken (InDesign)
Ga op een van de volgende manieren te werk:
Selecteer de inhoud in de layout en kies Bewerken > InCopy > inchecken.
Selecteer in het deelvenster Toewijzingen de inhoud en kies Inchecken in het deelvenstermenu.
Beheerde inhoud inchecken (InCopy)
Ga op een van de volgende manieren te werk:
Selecteer de inhoud in de layoutweergave en kies Bestand > Inchecken.
Selecteer in het deelvenster Toewijzingen de inhoud en kies Inchecken in het deelvenstermenu.
Opmerking: U kunt de meest recente wijzigingen ongedaan maken, voordat u de inhoud gaat inchecken.
Wanneer u een bestand incheckt, staat het pictogram Beschikbaar in het tekst- of afbeeldingskader in de InDesign-layout, in de InCopy-
layoutweergave, in het deelvenster Toewijzingen en op de artikelbalk (InCopy).
Wijzigingen opslaan (InDesign)
Als u werkt met inhoud die u hebt uitgecheckt, kunt u de wijzigingen opslaan en het bestandssysteemexemplaar bijwerken.
Ga op een van de volgende manieren te werk:
Om de geselecteerde inhoud op te slaan zonder de wijzigingen in het InDesign-document of de gekoppelde bestanden op te
slaan selecteert u de inhoud in de layout en kiest u Bewerken > InCopy > Inhoud opslaan.
Om elk voor u uitgecheckt inhoudsbestand op te slaan kiest u Bestand > Opslaan. Bij deze manier van opslaan worden niet
automatisch toewijzingsbestanden of uitgecheckte inhoudsbestanden in InCopy bijgewerkt. Voor de uitgecheckte bestanden in
InCopy staat echter het pictogram Verouderd in het deelvenster Toewijzingen.
U slaat het InDesign-document onder een andere naam met koppelingen naar bestaande InCopy-bestanden op door
Bestand > Opslaan als te kiezen. Door deze actie worden de toewijzingen in het InDesign-bestand weergegeven als
ontbrekend, totdat ze worden bijgewerkt.
U slaat een kopie van het actieve document op door Bestand > Een kopie opslaan te kiezen. U kunt de kopie een nieuwe
naam en locatie met koppelingen naar bestaande InCopy-bestanden geven.
Naar boven
Wijzigingen opslaan (InCopy)
Ga op een van de volgende manieren te werk:
U slaat het InCopy-bestand onder dezelfde naam en op dezelfde locatie op het bestandssysteem op door Bestand >Inhoud
opslaan te kiezen. Het bestand is nog steeds uitgecheckt.
Als u het InCopy-inhoudsbestand onder een andere naam wilt opslaan, kiest u Bestand > Inhoud opslaan als. Het nieuwe
inhoudsbestand wordt niet in de workflow beheerd. De opdracht Inhoud opslaan als is alleen beschikbaar als u het InCopy-
inhoudsbestand (.icml of .incx) rechtstreeks hebt geopend.
U slaat een kopie van het actieve InCopy-inhoudsbestand op door Bestand > Kopie van inhoud opslaan te kiezen. U kunt de
kopie eventueel onder een andere naam en op een andere plaats opslaan. De opgeslagen kopie wordt niet in de workflow
beheerd. De opdracht Kopie van inhoud opslaan als is alleen beschikbaar als u het InCopy-inhoudsbestand (.icml of .incx)
rechtstreeks hebt geopend.
U slaat alle geopende en uitgecheckte InCopy-inhoudsbestanden op door Bestand > Alle inhoud opslaan te kiezen. Hiermee
worden alle bestanden op de huidige locatie opgeslagen. De opdracht Alle inhoud opslaan is alleen beschikbaar als u een
toewijzing of InDesign-bestand hebt geopend.
Meer Help-onderwerpen
Juridische kennisgevingen | Onlineprivacybeleid
Layout en ontwerp
Bepaalde inhoud waarnaar op deze pagina wordt gelinkt, is mogelijk alleen in het Engels beschikbaar.
Documenten maken
Naar boven
Naar boven
Het plakbord en de hulplijnen aanpassen
Documentinstelling, -marges en -kolommen wijzigen
Klik op onderstaande koppelingen voor gedetailleerde informatie en instructies.
Het plakbord en de hulplijnen aanpassen
U kunt bepalen welke kleuren worden gebruikt voor het weergeven van hulplijnen voor paginamarges en -kolommen. Ook kunt u de kleuren van
de hulplijnen selecteren voor het afloopgebied en de witruimte van de pagina op het plakbord. U kunt de achtergrondkleur van de voorvertoning
wijzigen zodat u gemakkelijker onderscheid kunt maken tussen de normale weergavemodus en de voorvertoningsmodus.
InDesign kunt u tevens bepalen hoe dicht een object bij een hulplijn moet staan voordat dit hierdoor wordt aangetrokken (magnetisch uitlijnen), of
hulplijnen voor of achter objecten moeten worden weergegeven en hoe groot het plakbord is.
1. Kies Bewerken > Voorkeuren > Hulplijnen en plakbord (Windows) of InDesign > Voorkeuren > Hulplijnen en plakbord
(Mac OS).
2. Kies onder Kleuren de gewenste kleuren uit elk van de volgende menu's of kies Aangepast om een aangepaste kleur met de
kleurkiezer op te geven.
MargesHiermee stelt u de kleur in van de paginamarges.
kolommenHiermee stelt u de kleur in van de kolomhulplijnen voor de pagina.
AflopendHiermee stelt u de kleur in van het afloopgebied (dat wordt ingesteld in het dialoogvenster Documentinstelling).
WitruimteHiermee stelt u de kleur in van de witruimte rond de pagina (die wordt ingesteld in het dialoogvenster
Documentinstelling).
Achtergrond voorvertoningHiermee stelt u de kleur in van het plakbord in de voorvertoningsmodus.
3. U kunt de afstand instellen waarbij een object magnetisch wordt uitgelijnd op een hulplijn of raster, door een waarde in pixels
op te geven bij Magnetisch gebied.
4. Als u hulplijnen achter objecten wilt weergeven, selecteert u Hulplijnen op achtergrond.
5. U kunt opgeven hoe ver het plakbord uitsteekt buiten de pagina of spread (of het afloopgebied of de witruimte rond de pagina,
indien opgegeven) door een waarde in te voeren bij Horizontale marges en Verticale marges.
6. Klik op OK om het venster Voorkeuren te sluiten.
U kunt ook de kleur van het papier op het scherm wijzigen. Zorg ervoor dat er geen tekst of objecten zijn geselecteerd en dubbelklik op de
papierkleur in het deelvenster Stalen (kies Venster > Stalen). De kleur Papier wordt alleen op het scherm weergegeven en heeft geen invloed
op de afdruk. Deze kleur is uitsluitend bedoeld voor situaties waarbij u op papier met een andere kleur dan wit moet ontwerpen.
Documentinstelling, -marges en -kolommen wijzigen
Het is mogelijk dat u bij nader inzien de instellingen van een document dat u hebt gemaakt, wilt wijzigen. Misschien wilt u enkele pagina's
gebruiken in plaats van naast elkaar liggende pagina's, of u wilt het paginaformaat of de instellingen voor de marges aanpassen.
Documentinstellingen wijzigen
Wanneer u opties in het dialoogvenster Documentinstelling wijzigt, geldt de wijziging voor elke pagina van uw document. Als u het paginaformaat
of de afdrukstand wijzigt nadat u objecten op de pagina's hebt geplaatst, kunt u met de functie Aanpassing layout de tijd die nodig is om de
bestaande objecten opnieuw te ordenen, tot een minimum beperken. Zie Over automatische aanpassing van de layout.
1. Kies bestand > Documentinstelling.
2. Geef de documentopties op en klik op OK. (Zie Opties voor nieuw document.)
De marge- en kolominstellingen wijzigen voor een pagina
U kunt de kolom- en marge-instellingen voor pagina's en spreads wijzigen. Als u de kolom- en marge-instellingen op een stramienpagina wijzigt,
worden de instellingen aangepast voor alle pagina's waarop de stramienpagina is toegepast. Als de kolommen en marges van normale pagina's
worden gewijzigd, veranderen alleen de instellingen van de pagina's die zijn geselecteerd in het deelvenster Pagina's.
Opmerking: Kolommen in tekstkaders kunnen niet via het dialoogvenster Marges en kolommen worden gewijzigd. De kolommen van tekstkaders
worden alleen binnen de afzonderlijke tekstkaders weergegeven en dus niet op de pagina. U kunt met behulp van het dialoogvenster Opties
tekstkader kolommen in tekstkaders maken. (Zie Kolommen toevoegen aan een tekstkader.) Kolommen in tekstkaders kunnen ook worden
aangepast met de optie Aanpassing layout.
1. Ga op een van de volgende manieren te werk:
Als u de marge- en kolominstellingen voor een enkele spread of pagina wilt wijzigen, gaat u naar de spread die u wilt
aanpassen, of selecteert u een spread of pagina in het deelvenster Pagina's.
Als u de marge- en kolominstellingen voor meerdere pagina's wilt wijzigen, moet u eerst deze pagina's in het deelvenster
Pagina's selecteren of een stramienpagina selecteren die is toegepast op de pagina's die u wilt wijzigen.
2. Kies Layout > Marges en kolommen, geef de volgende opties op en klik op OK.
MargesVoer de gewenste waarden in voor de afstand tussen de margehulplijnen en de randen van de pagina. Als in het
dialoogvenster Nieuw document of Documentinstelling de optie Pagina's naast elkaar is geselecteerd, veranderen de namen
van de margeopties Links en Rechts in Binnen en Buiten, zodat u extra ruimte kunt opgeven voor de bindzijde.
kolommenGeef het aantal kolommen op.
Kolommen van ongelijke breedte maken
Als u meerdere kolommen op een pagina hebt geplaatst, staan er twee kolomhulplijnen in het midden. Wanneer u een van deze kolomhulplijnen
naar een andere positie sleept, wordt de andere kolomhulplijn ook verplaatst. De ruimte tussen de kolomhulplijnen is de waarde die u voor de
tussenruimte hebt opgegeven. De twee hulplijnen worden tegelijk verplaatst, zodat deze waarde behouden blijft.
Opmerking: U kunt in een tekstkader geen kolommen van ongelijke breedte maken. Als u toch tekstkaders met kolommen van ongelijke breedte
wilt maken, maakt u naast elkaar tekstkaders, maakt u in elk tekstkader een kolom in de gewenste breedte en koppelt u die tekstkaders aan
elkaar.
1. Ga naar de stramienpagina of de spread die u wilt wijzigen.
2. Als de kolomhulplijnen zijn vergrendeld, kiest u Weergave > Rasters en hulplijnen > Kolomhulplijnen vergrendelen om de
kolomhulplijnen te ontgrendelen.
3. Sleep een kolomhulplijn met het gereedschap Selecteren . U kunt deze hulplijn niet voorbij een aangrenzende kolomhulplijn
of verder dan de rand van de pagina slepen.
Kolomhulplijnen verslepen om kolommen van ongelijke breedte te maken
Als u kolommen met ongelijke tussenruimten wilt maken, maakt u gelijkmatig verdeelde liniaalhulplijnen en sleept u de hulplijnen een voor een
naar de gewenste positie. (Zie Liniaalhulplijnen maken.)
Meer Help-onderwerpen
Juridische kennisgevingen | Onlineprivacybeleid
Nieuwe documenten maken
Naar boven
Naar boven
Voorinstelling document
Intentie
Aantal pagina's
Eerste paginanummer
Pagina's naast elkaar
Stramientekstkader
Nieuwe documenten maken
Een nieuw document maken
Opties voor nieuwe documenten
Overzicht van het documentvenster
Aangepaste paginaformaten maken
Voorinstellingen voor documenten definiëren
Een document op basis van een voorinstelling maken
Het begin van het ontwerpen van een pagina is vrijwel altijd hetzelfde: u maakt eerst een nieuw document, stelt de pagina's in en geeft marges en
kolommen op of wijzigt de instellingen van het raster.
Een nieuw document maken
1. Kies Bestand > Nieuw > Document.
In het dialoogvenster Nieuw document zijn de vensters Documentinstelling en Marges en kolommen geïntegreerd, zodat u het
paginaformaat, de marges en het aantal kolommen op een pagina in één venster kunt instellen. U kunt al deze instellingen op
elk gewenst moment wijzigen.
2. Geef documentinstellingsopties op. (Zie Opties voor nieuw document.)
Via Meer opties kunt u de afmetingen van het afloopgebied en de witruimte rond de pagina opgeven. Deze gebieden lopen
door tot voorbij de randen van het gedefinieerde paginaformaat. Als u het afloopgebied of de witruimte rond de pagina aan
alle kanten even groot wilt maken, klikt u op het pictogram Maak alle instellingen gelijk .
3. Klik op OK om een nieuw document met de opgegeven instellingen te openen.
Als u standaard layoutinstellingen voor alle nieuwe documenten wilt opgeven, kiest u Bestand > Documentinstelling of Layout > Marges en
kolommen en geeft u de opties op als er geen documenten zijn geopend.
Het layoutraster is alleen bestemd voor layoutdoeleinden. Als u tekst aan uw document wilt toevoegen, voegt u kaderrasters of tekstkaders toe.
Opties voor nieuw document
Kies een voorinstelling die u eerder hebt opgeslagen.
Wanneer u een internetdocument maakt dat moet worden uitgevoerd naar PDF of SWF en u de optie Web kiest, worden er diverse
opties in het dialoogvenster gewijzigd. Zo wordt de optie Pagina's naast elkaar bijvoorbeeld uitgeschakeld, wordt de afdrukstand Liggend gebruikt
en wordt het paginaformaat gebaseerd op de beeldschermresolutie. U kunt deze instellingen allemaal bewerken, maar u kunt de instelling Intentie
niet wijzigen nadat het document is gemaakt.
CS6: de intent Digitale publicatie is toegevoegd voor publicaties die bestemd zijn voor Digital Publishing Suite.
Geef het aantal pagina's op dat u in het nieuwe document wilt maken.
Geef op welk nummer de eerste pagina van het document heeft. Wanneer u een even nummer (bijvoorbeeld 2) opgeeft
en Pagina's naast elkaar is ingeschakeld, begint de eerste spread in het document met een spread van twee pagina's. Zie Een document maken
met een spread met twee pagina's.
Schakel deze optie in als u wilt dat de linker- en rechterpagina naast elkaar worden weergegeven in een spread met twee
pagina's, zoals bij boeken of tijdschriften. Schakel deze optie uit als u elke pagina afzonderlijk wilt weergeven, zoals wanneer u brochures of
posters wilt afdrukken of objecten in de binding wilt laten aflopen.
Nadat u een document hebt gemaakt, kunt u via het deelvenster Pagina's spreads met meer dan twee pagina's maken of de eerste twee pagina's
als een spread laten openen. (Zie Paginering van de spread besturen.)
CS5.5 en ouder: selecteer deze optie om een tekstframe ter grootte van het gebied binnen de margelijnen te maken, in
overeenstemming met de opgegeven kolominstellingen. Het stramientekstkader wordt aan het A-stramien toegevoegd. (Zie Tekstframes op
stramienpagina's gebruiken.)
De optie Stramientekstkader is alleen beschikbaar bij de opdracht Bestand > Nieuw Document.
Primair tekstkader
Paginaformaat
Afdrukstand
Afloopgebied
Witruimte rond pagina
Naar boven
Naar boven
Alleen CS6: selecteer deze optie om een primair tekstkader op de stramienpagina toe te voegen. Wanneer u een nieuwe
stramienpagina toepast, loopt het artikel in het primaire tekstkader automatisch door in het primaire tekstkader van de nieuwe stramienpagina.
Kies in het menu het gewenste paginaformaat of geef bij Breedte en Hoogte de afmetingen op. Het paginaformaat is de
uiteindelijke grootte van het document nadat het afloopgebied of andere markeringen buiten de pagina zijn afgesneden.
Klik op Staand (lang) of Liggend (breed). Deze pictogrammen veranderen als u andere afmetingen voor Paginaformaat
opgeeft. Als u voor Hoogte een hogere waarde invoert, wordt het pictogram Staand geselecteerd. Als u voor Breedte een hogere waarde invoert,
wordt het pictogram Liggend geselecteerd. Als u op een niet-geselecteerd pictogram klikt, veranderen de waarden in de vakken Hoogte en
Breedte.
Tip: Via Meer opties in het dialoogvenster Nieuw document kunt u de afmetingen van het afloopgebied en de witruimte rond de pagina opgeven.
Als u het afloopgebied of de witruimte rond de pagina aan alle kanten even groot wilt maken, klikt u op het pictogram Maak alle instellingen gelijk
.
Dankzij het afloopgebied kunt u objecten afdrukken die zich aan de buitenste rand van het gedefinieerde paginaformaat bevinden.
Als een object aan de rand van een pagina van de vereiste afmetingen wordt geplaatst, kan er enige witruimte zichtbaar zijn aan de rand van het
afgedrukte gebied ten gevolge van een enigszins onjuiste uitlijning tijdens het afdrukken of bijsnijden. Daarom is het verstandig een object dat zich
aan de rand van de pagina met de vereiste afmetingen bevindt, een eindje van de rand te plaatsen en het vervolgens na het afdrukken bij te
snijden. Het afloopgebied wordt weergegeven door middel van een rode lijn in het document. Het is ook mogelijk om voorinstellingen voor het
afloopgebied in het dialoogvenster Afdrukken op te geven.
De witruimte wordt verwijderd wanneer het document tot het definitieve paginaformaat wordt bijgesneden. Deze witruimte
bevat afdrukinformatie, informatie over aangepaste kleurbalken of andere instructies en omschrijvingen voor andere informatie in het document.
Objecten (met inbegrip van tekstkaders) die in de witruimte zijn geplaatst, worden afgedrukt maar verdwijnen als het document wordt bijgesneden
tot het uiteindelijke paginaformaat.
Objecten buiten het afloopgebied of de witruimte (al naar gelang welke het verst doorloopt) worden niet afgedrukt.
Opmerking: U kunt ook via Voorinstelling opslaan de documentinstellingen voor later gebruik opslaan.
Overzicht van het documentvenster
Elke pagina of spread in het document heeft zijn eigen plakbord en hulplijnen, die in de modus Normale weergave zijn te zien. (U schakelt over
naar de normale weergave door Weergave > Schermmodus > Normaal te kiezen.) Wanneer het document wordt weergegeven in een van de
voorvertoningsmodi, wordt het plakbord vervangen door een grijze achtergrond. (Zie Documenten voorvertonen.) U kunt de kleur van de
achtergrond van de voorvertoning en van de hulplijnen wijzigen in de voorkeuren van de hulplijnen en het plakbord.
Document en hulplijnen in de normale weergavemodus
A. Spread (zwarte lijnen) B. Pagina (zwarte lijnen) C. Margehulplijnen (magenta lijnen) D. Kolomhulplijnen (violette lijnen) E. Afloopgebied (rode
lijnen) F. Witruimte rond de pagina (blauwe lijnen)
Opmerkingen over het documentvenster:
De lijnen met een andere kleur zijn liniaalhulplijnen die worden weergegeven in de laagkleur wanneer de desbetreffende laag
is geselecteerd. Zie Lagen.
De kolomhulplijnen staan vóór de margehulplijnen. Als een kolomhulplijn precies vóór een margehulplijn staat, wordt de
margehulplijn hierdoor verborgen.
Aangepaste paginaformaten maken
U kunt aangepaste paginaformaten maken die worden weergegeven in het menu Paginaformaat in het dialoogvenster Nieuw document.
1. Kies Bestand > Nieuw > Document.
2. Kies Paginaformaat in het menu Paginaformaat.
De voorwaarden van Creative Commons zijn niet van toepassing op Twitter™- en Facebook-berichten.
Juridische kennisgevingen | Onlineprivacybeleid
Naar boven
Naar boven
3. Voer een naam voor het paginaformaat in en geef de instellingen voor het paginaformaat op. Klik vervolgens op Toevoegen.
Het bestand New Doc Sizes.txt, waarmee u aangepaste paginaformaten in oudere versies van InDesign kon maken, is niet beschikbaar in
InDesign CS5 of later.
Voorinstellingen voor documenten definiëren
U kunt documentinstellingen voor paginaformaat, kolommen, marges, afloopgebied en witruimte rond pagina's in een voorinstelling opslaan en zo
sneller soortgelijke documenten maken.
1. Kies Bestand > Voorinstellingen document > Opgeven.
2. Klik op Nieuw in het dialoogvenster dat verschijnt.
3. Geef een naam op voor de voorinstelling en selecteer opties voor de basislayout in het dialoogvenster Nieuwe voorinstelling
document. (Zie New Document options voor een beschrijving van elke optie.)
4. Klik tweemaal op OK.
U kunt een documentvoorinstelling als een apart bestand opslaan en dat bestand aan andere gebruikers geven. Met de knoppen Opslaan en
Laden in het dialoogvenster Voorinstellingen document kunt u bestanden met documentvoorinstellingen opslaan en laden.
Een document maken met behulp van een voorinstelling
1. Ga op een van de volgende manieren te werk:.
Kies Bestand > Voorinstelling document > [naam van voorinstelling]. (Hold Shift ingedrukt terwijl u de voorinstelling kiest
voor het maken van een nieuw document op basis van de voorinstelling zonder het dialoogvenster Nieuw document te
openen.)
Kies Bestand > Nieuw > Document en kies vervolgens een voorinstelling in het menu Voorinstelling document in het
dialoogvenster Nieuw document.
Het dialoogvenster Nieuw document wordt weergegeven met de reeds ingestelde layoutopties.
2. Breng indien nodig wijzigingen aan en klik op OK.
Als u het dialoogvenster Nieuw document niet wilt zien, drukt u op de toets Shift wanneer u een voorinstelling in het menu Voorinstelling
document selecteert.
Aanbevolen workflow voor InDesign-documenten
Documentsjablonen gebruiken
documenten aan een boekbestand toevoegen
Documentinstelling, -marges en -kolommen wijzigen
Linialen en maateenheden
Naar boven
Linialen en maateenheden wijzigen
Het nulpunt wijzigen
Objecten meten
Overzicht van het deelvenster Info
Klik op onderstaande koppelingen voor gedetailleerde informatie en instructies.
Linialen en maateenheden wijzigen
U kunt de maateenheden wijzigen voor de linialen op het scherm en voor gebruik in de deelvensters en dialoogvensters. Deze instellingen kunt u
altijd wijzigen en de huidige maateenheden tijdelijk uitschakelen wanneer u een waarde gaat invoeren. Standaard begint de liniaalmeting
linksboven op een pagina of spread. U kunt dit veranderen door het nulpunt te verplaatsen. (Zie Het nulpunt wijzigen.)
Bij het wijzigen van maateenheden worden de hulplijnen, rasters en objecten niet verplaatst. Wanneer de verdeelstreepjes op de liniaal worden
verplaatst, zijn deze mogelijk niet meer uitgelijnd met de objecten die op de vorige verdeelstreepjes waren uitgelijnd.
Linialen in een documentweergave
A.Verdeelstreepjes met opschriftB. HoofdverdeelstreepjesC. Tussenverdeelstreepjes
U kunt verschillende maatstelsels instellen voor horizontale en verticale linialen. Het maatstelsel dat u voor de horizontale liniaal kiest, bepaalt ook
de instellingen van de tabs, marges, inspringingen en andere afstanden. Elke spread heeft een eigen verticale liniaal. Bij alle verticale linialen
worden echter de instellingen gebruikt die u onder Eenheden en toenamen hebt opgegeven.
De standaardmaateenheden voor de linialen zijn pica's (één pica is 12 punten). Maar u kunt de aangepaste maateenheden van de liniaal zelf
instellen en bepalen waar de hoofdverdeelstreepjes op een liniaal moeten staan. Als u bijvoorbeeld de aangepaste liniaaleenheden voor de
verticale liniaal wijzigt in 12 punten, staat er na elke 12 punten een hoofdverdeelstreepje (mits dit bij de ingestelde vergroting kan worden
weergegeven). De labels voor de verdeelstreepjes gelden ook voor de aangepaste hoofdverdeelstreepjes. Als in hetzelfde voorbeeld 3 op de
liniaal staat, is het derde hoofdverdeelstreepje gemarkeerd, dus 36 punten.
Linialen tonen of verbergen
Kies in de weergavemodus Normaal (Weergave > Schermmodus > Normaal) Weergave > Linialen tonen of Linialen verbergen.
Maateenheden en linialen wijzigen
1. Kies Bewerken > Voorkeuren > Eenheden en toenamen (Windows) of InDesign > Voorkeuren > Eenheden en toenamen
(Mac OS).
2. Als u de oorsprong van het nulpunt wilt wijzigen, kiest u een van de volgende opties in het menu Oorsprong onder
Liniaaleenheden:
Om de oorsprong van de liniaal op de linkerbovenhoek van elke spread in te stellen kiest u Spread. De horizontale liniaal
loopt over de hele spread door.
Om de oorsprong van de liniaal op de linkerbovenhoek van elke pagina in te stellen kiest u Pagina. De horizontale liniaal
begint bij elke pagina in een spread op nul.
Om de oorsprong van de liniaal op het midden van de rug in te stellen, kiest u Rug. De horizontale liniaal meet in
negatieve waarden links van de rug en in positieve waarden rechts van de rug.
3. U kunt het maatstelsel dat wordt gebruikt voor linialen, dialoogvensters en deelvensters, wijzigen door het gewenste stelsel
voor Horizontaal en Verticaal te kiezen, maar u kunt ook Aangepast kiezen en de verdeling in punten voor de
hoofdverdeelstreepjes op de liniaal opgeven.
Als u een maatstelsel opgeeft dat geen punten gebruikt, wordt de basislijnrasterwaarde bij "Toename elke" nog steeds in
Naar boven
punten weergegeven. Hierdoor wordt het eenvoudiger om tekstgrootte en waarde van de regelafstand op elkaar af te
stemmen, die worden weergegeven in punten.
4. Als u de waarde voor de tekengrootte wilt wijzigen, kiest u Punten of Pixels in het menu Formaat tekst. Deze optie is vooral
handig wanneer u documenten ontwerpt voor het web.
5. Als u de waarde voor lijndikte-instellingen wilt wijzigen, kiest u Punten, Millimeters of Pixels in het menu Lijn. Deze optie is
vooral handig wanneer u documenten ontwerpt voor het web.
6. Als u de punten met een andere waarde wilt berekenen, geeft u de gewenste puntgrootte op bij Punten/inch.
7. Stel een of meer van de volgende toetsenbordspecificaties in:
CursortoetsHiermee regelt u de mate van verplaatsen met de pijltoetsen bij het stapsgewijs verplaatsen van objecten.
Grootte/regelafstandHiermee bestuurt u de toe- of afname voor grootte of regelafstand met behulp van de sneltoetsen.
Verschuiving basislijnHiermee bestuurt u de toename voor verticale verplaatsing met behulp van de sneltoetsen.
Spatiëring/reeksspatiëringHiermee bestuurt u de toename voor spatiëring en reeksspatiëring met behulp van de
sneltoetsen.
8. Klik op OK.
U kunt de eenheden van de liniaal ook wijzigen door met de rechtermuisknop op een liniaal te klikken (Windows) of Control ingedrukt te
houden en te klikken (Mac OS) en in het contextmenu de gewenste eenheden te selecteren. Als u met de rechtermuisknop of met Control
ingedrukt klikt op het snijpunt van de horizontale en verticale liniaal, kunt u de eenheden voor beide linialen tegelijk wijzigen.
Standaardmaateenheden overschrijven
U kunt een andere maateenheid dan de standaardmaateenheid opgeven.
Markeer de ingevoerde waarde in een deelvenster of in een dialoogvenster en typ de nieuwe waarde in een van de notaties uit de volgende
tabel:
Om dit op te geven:Typt u deze tekens na de
waarde:VoorbeeldenResultaat
Inchesi
in
inch
"
5,25i
5.25 in
5,25inch
5,25”
5 1/4 inch
Millimetersmm48 mm48 millimeter
Centimeterscm12 cm12 centimeter
Pica'sp3p3 pica
Puntenpt
p (vóór het getal)
6 pt
p6
6 punten
Pica's en puntenp (tussen de getallen)3p63 pica, 6 punten
Pixelspx5 px5 pixels
Cicero'sc5c5 cicero
Agatesag5 ag5 agate
Het nulpunt wijzigen
Het nulpunt is de positie waar de horizontale en verticale liniaal elkaar snijden. Het nulpunt staat standaard linksboven op de eerste pagina van
elke spread. Dit betekent dat de standaardpositie van het nulpunt altijd gelijk is ten opzichte van een spread, maar niet ten opzichte van het
plakbord.
De X- en Y-coördinaten in het regelpaneel en de deelvensters Info en Transformeren worden ten opzichte van het nulpunt weergegeven. U kunt
het nulpunt verplaatsen om afstanden te meten, om een nieuw referentiepunt voor afstanden in te stellen of om te grote pagina's naast elkaar te
plaatsen. Elke spread heeft standaard één nulpunt linksboven op de eerste pagina, maar u kunt het nulpunt ook op de bindrug plaatsen of voor
elke pagina in een spread een eigen nulpunt opgeven.
Naar boven
Het nulpunt aanpassen
Wanneer u het nulpunt verplaatst, wordt het op alle spreads op dezelfde relatieve positie neergezet. Als u het nulpunt bijvoorbeeld naar de
linkerbovenhoek op de tweede pagina van een paginaspread verplaatst, komt het nulpunt op de tweede pagina van alle andere spreads in dat
document op die plaats te staan.
Ga op een van de volgende manieren te werk:
Om het nulpunt te verplaatsen sleept u van het snijpunt van de horizontale en verticale liniaal naar de positie op de layout
waar u het nieuwe nulpunt wilt instellen.
Een nieuw nulpunt bepalen
Om de standaardpositie van het nulpunt opnieuw in te stellen dubbelklikt u op het snijpunt van de horizontale en verticale
liniaal .
Om het nulpunt vast te zetten of los te maken, klikt u met de rechtermuisknop (Windows) of houdt u Control ingedrukt en klikt
u (Mac OS) op het nulpunt van de linialen en kiest u in het contextmenu de optie Nulpunt vastzetten.
Het standaardnulpunt wijzigen
Met de instelling Oorsprong in het dialoogvenster Voorkeuren kunt u het standaardnulpunt voor linialen en het bereik van de horizontale liniaal
instellen. Met bereik bepaalt u of de metingen met de liniaal over de pagina, over de volledige spread of, bij spreads van meerdere pagina's, vanuit
het midden van de rug worden uitgevoerd.
Als u de oorsprong van de liniaal instelt op de bindzijde van elke spread, wordt de oorsprong vergrendeld op de rugzijde. U kunt de oorsprong van
een liniaal niet opnieuw plaatsen door dit punt te slepen vanaf het snijpunt van de linialen, tenzij u een andere optie voor de oorsprong kiest.
1. Kies Bewerken > Voorkeuren > Eenheden en toenamen (Windows) of InDesign > Voorkeuren > Eenheden en toenamen
(Mac OS).
2. Kies een van de volgende opties in het menu Oorsprong van het deelvenster Liniaaleenheden:
Om de oorsprong van de liniaal op de linkerbovenhoek van elke spread in te stellen kiest u Spread. De horizontale liniaal
loopt over de hele spread door.
Om de oorsprong van de liniaal op de linkerbovenhoek van elke pagina in te stellen kiest u Pagina. De horizontale liniaal
begint bij elke pagina in een spread op nul.
Om de oorsprong van de liniaal op het midden van de rug in te stellen, kiest u Rug. De horizontale liniaal meet in
negatieve waarden links van de rug en in positieve waarden rechts van de rug.
De instellingen voor de oorsprong van de horizontale liniaal kunnen ook worden gewijzigd via het contextmenu dat verschijnt wanneer u met de
rechtermuisknop (Windows) of met Control ingedrukt (Mac OS) klikt op de horizontale liniaal.
Objecten meten
Met het gereedschap Meetlat kunt u de afstand tussen twee punten in een documentvenster meten. Wanneer u tussen twee punten meet, wordt
de afstand in het deelvenster Info weergegeven. Alle metingen met uitzondering van de hoek worden berekend in de maateenheid die voor het
document is ingesteld.
Als u met het meetgereedschap een item hebt opgemeten, blijft de lijn of blijven de lijnen zichtbaar totdat u een andere maat neemt of een ander
gereedschap kiest.
De afstand tussen twee punten meten
1. Zorg ervoor dat het deelvenster Info zichtbaar is (Venster > Info).
2. Selecteer het gereedschap Meetlat . (Klik op het gereedschap Pipet en houd de muisknop ingedrukt om het gereedschap
Meetlat weer te geven.)
3. Klik op het eerste punt en sleep naar het tweede punt. Druk op Shift en sleep om de beweging van de richtingslijn te
beperken tot stappen van 45°. U kunt niet buiten het plakbord en de spread ervan slepen.
De breedte en hoogte worden in het deelvenster Info weergegeven.
Naar boven
Hoeken meten
1. Zorg ervoor dat het deelvenster Info zichtbaar is (Venster > Info).
2. Selecteer het gereedschap Meetlat . (Klik op het gereedschap Pipet en houd de muisknop ingedrukt om het gereedschap
Meetlat weer te geven.)
3. Ga op een van de volgende manieren te werk:
Om een hoek vanaf de X-as te meten sleept u het gereedschap.
Om een aangepaste hoek te meten maakt u de eerste lijn van de hoek door te slepen. Plaats het gereedschap boven een
van de eindpunten van de meetlijn. Om de tweede lijn van de hoek te maken dubbelklikt en sleept u of drukt u op Alt
(Windows) of Option (Mac OS) en sleept u.
Wanneer u een aangepaste hoek meet, worden in het deelvenster Info de lengte van de eerste lijn als D1 en de lengte
van de tweede lijn als D2 weergegeven.
Overzicht van het deelvenster Info
In het deelvenster Info staat informatie voor geselecteerde objecten, het actieve document of het gebied onder het actieve gereedschap,
waaronder positie, grootte en rotatie. Wanneer u een object verplaatst, wordt in het deelvenster Info ook de positie van het object ten opzichte van
het beginpunt weergegeven.
Daarnaast kunt u het deelvenster Info gebruiken om het aantal woorden en tekens in artikelen vast te stellen.
Het deelvenster Info is in tegenstelling tot de andere deelvensters van InDesign alleen bedoeld ter informatie. U kunt er geen waarden mee
invoeren of weergegeven waarden mee bewerken. Met Opties tonen in het deelvenstermenu kunt u extra informatie over een geselecteerd object
weergeven.
Deelvenster Info
A.Horizontale (X) positie van de cursorB.Verticale (Y) positie van de cursorC.Afstand die een object of gereedschap ten opzichte van de
beginpositie is verplaatstD.Breedte in huidige eenhedenE.Hoogte in huidige eenhedenF.Mate van rotatie
Het deelvenster Info weergeven
Kies Venster > Info.
U kiest een ander maatsysteem door te klikken op het kleine driehoekje naast het pictogram.
Woorden tellen
1. Plaats het invoegpunt in een tekstkader of selecteer de gewenste tekst.
2. Kies Venster > Info.
Het deelvenster Info geeft het aantal woorden en tekens in het artikel of de geselecteerde tekst weer. In geval van overlopende tekst staat er een
plusteken (+), gevolgd door het aantal tekens, woorden of regels van die tekst.
Andere opties van het deelvenster Info weergeven
Kies Opties tonen in het menu van het deelvenster Info.
Afhankelijk van het geselecteerde object of gereedschap ziet u het volgende:
Waarden voor kleuren van de vulling en lijn van het geselecteerde object en informatie over verlopen .
De namen van stalen. U kunt de waarden van de kleurenruimte ook weergeven door te klikken op het kleine driehoekje naast
het pictogram voor de vulling of kleur.
Informatie over het huidige document, zoals locatie, datum laatste wijziging, auteur en bestandsgrootte wanneer er niets in het
document is geselecteerd.
Aantal tekens, woorden, regels en alinea's wanneer u de invoegpositie in de tekst plaatst of met een van de
tekstgereedschappen tekst selecteert. (In geval van overlopende tekst staat er een plusteken (+), gevolgd door het aantal
tekens, woorden of regels van die tekst.)
Bestandstype, resolutie en kleurenruimte wanneer een afbeeldingsbestand is geselecteerd. De resolutie wordt weergegeven
als het werkelijke aantal pixels per inch (de resolutie van het afbeeldingsbestand) en het effectieve aantal pixels per inch (de
resolutie van het afbeeldingsbestand nadat het is vergroot/verkleind in InDesign). Als kleurbeheer is ingeschakeld, wordt het
ICC-kleurenprofiel ook weergegeven.
De schuintrekhoek of de horizontale en verticale schaal als het gereedschap Schuintrekken, het gereedschap Schalen of het
gereedschap Vrije transformatie is geselecteerd.
Meer Help-onderwerpen
Juridische kennisgevingen | Onlineprivacybeleid
Rasters
Naar boven
Rasters gebruiken
Objecten magnetisch uitlijnen op rasters
Rasters gebruiken
U kunt twee soorten niet-afdrukbare rasters gebruiken: een basislijnraster voor het uitlijnen van tekstkolommen en een documentraster waarop u
objecten kunt uitlijnen. Op het scherm lijkt een basislijnraster op een kladblok met horizontale lijnen, terwijl een documentraster veel weg heeft van
ruitjespapier. U kunt de instellingen voor de beide typen rasters aanpassen.
Basislijnraster (links) en documentraster (rechts)
Wanneer een raster zichtbaar is, kunt u het volgende zien:
Het basislijnraster bedekt de hele spread en het documentraster bedekt het hele plakbord.
Basislijn- en documentrasters verschijnen op elke spread en kunnen niet worden toegewezen aan een stramien.
Het documentraster kan boven op of achter alle hulplijnen, lagen en objecten worden geplaatst, maar kan niet aan een laag
worden toegewezen.
Een basislijnraster instellen
Gebruik Rastervoorkeuren om een basislijnraster in te stellen voor het hele document.
U kunt ook een basislijnraster instellen voor een kader met behulp van het dialoogvenster Opties tekstkader. (Zie Eigenschappen van
tekstkaders wijzigen)
1. Kies Bewerken > Voorkeuren > Rasters (Windows) of InDesign > Voorkeuren > Rasters (Mac OS).
2. Geef een kleur voor het basislijnraster op door een kleur in het menu Kleur te kiezen. U kunt ook Aangepast in het menu
Kleur kiezen.
3. Geef bij Ten opzichte van aan of u het raster aan de bovenkant van de pagina of de bovenmarge van de pagina wilt laten
beginnen.
4. Typ om te beginnen een waarde voor de afstand van het raster tot de bovenkant van de pagina of de bovenmarge van de
pagina, afhankelijk van de optie die u hebt gekozen in het menu Ten opzichte van. Als u de verticale liniaal niet goed op dit
raster kunt uitlijnen, voert u eerst de waarde nul in.
5. Geef in het vak Toename bij elke een waarde op voor de afstand tussen de rasterlijnen. In de meeste gevallen voert u hier
een waarde in die gelijk is aan de regelafstand van de platte tekst, zodat de tekstregels perfect op dit raster worden uitgelijnd.
Basislijnraster in documentvenster
A.
Eerste rasterlijn
B.
Toename tussen de rasterlijnen
Naar boven
6. Voer in het vak Weergavedrempel een vergrotingswaarde in waaronder het raster niet meer hoeft te worden weergeven. Geef
een grotere waarde voor de weergavedrempel op als u wilt voorkomen dat er bij een lagere vergrotingswaarde te veel
rasterlijnen op het scherm staan.
Het basislijnraster met een vergrotingsfactor onder de weergavedrempel (links) en boven de weergavedrempel (rechts)
7. Klik op OK.
Opmerking: De opdracht Hulplijnen magnetisch bepaalt de magnetische uitlijning op zowel de hulplijnen als het basislijnraster.
Documentraster instellen
1. Kies Bewerken > Voorkeuren > Rasters (Windows) of InDesign > Voorkeuren > Rasters (Mac OS).
2. Geef een kleur voor het basislijnraster op door een kleur in het menu Kleur te kiezen. U kunt ook Aangepast in het menu
Kleur kiezen.
3. Om de horizontale rasterspatiëring in te stellen voert u bij Horizontaal in de sectie Documentraster een waarde in het vak
Rasterlijn om de in en typt u een waarde in het vak Onderverdelingen.
4. Om de verticale rasterspatiëring in te stellen voert u bij Verticaal in de sectie Documentraster een waarde in het vak Rasterlijn
om de in en typt u een waarde in het vak Onderverdelingen.
5. Stel de gewenste optie in en klik op OK:
Om het document- en basislijnraster achter alle andere objecten te plaatsen, selecteert u Rasters op achtergrond.
Om het document- en basislijnraster vóór alle andere objecten te plaatsen, schakelt u Rasters op achtergrond uit.
Als u de hulplijnen achter alle andere objecten wilt plaatsen, kiest u Hulplijnen op achtergrond in het contextmenu dat verschijnt wanneer u met
de rechtermuisknop (Windows) of met Control ingedrukt (Mac OS) klikt op een leeg gedeelte van het documentvenster.
Rasters tonen of verbergen
Als u het basislijnraster wilt tonen of verbergen, kiest u Weergave > Rasters en hulplijnen > Basislijnraster tonen/verbergen.
Als u het documentraster wilt tonen of verbergen, kiest u Weergave > Rasters en hulplijnen > Documentraster
tonen/verbergen.
Objecten magnetisch uitlijnen op rasters
Als magnetisch uitlijnen is ingeschakeld, wordt tijdens het verplaatsen van een object binnen de zone voor magnetisch uitlijnen van een
rasterlocatie het object magnetisch uitgelijnd op die locatie.
Objecten magnetisch uitlijnen op het documentraster
1. Kies Weergave > Rasters en hulplijnen en zorg ervoor dat Documentraster magnetisch is geselecteerd (ingeschakeld). Als
deze optie niet is geselecteerd, klikt u erop.
Opmerking: De opdracht Hulplijnen magnetisch bepaalt de magnetische uitlijning op zowel de hulplijnen als het
basislijnraster.
2. Kies Bewerken > Voorkeuren > Hulplijnen en plakbord (Windows) of InDesign > Voorkeuren > Hulplijnen en plakbord
(Mac OS ), geef voor Magnetisch gebied de gewenste waarde op en klik op OK. De waarde voor Magnetisch gebied wordt
altijd uitgedrukt in pixels.
U lijnt een object magnetisch op een raster uit door het desbetreffende object naar het raster te slepen totdat een of meer zijden van het object
binnen het magnetische gebied van het raster komen.
Meer Help-onderwerpen
Juridische kennisgevingen | Onlineprivacybeleid
Liniaalhulplijnen
Naar boven
Liniaalhulplijnen maken
Werken met liniaalhulplijnen
Slimme hulplijnen gebruiken
Liniaalhulplijnen maken
Liniaalhulplijnen verschillen van rasters omdat u deze hulplijnen overal op een pagina of een plakbord kunt plaatsen. Er zijn twee soorten
liniaalhulplijnen: paginahulplijnen die uitsluitend op de pagina staan waarop u deze hebt gemaakt, of spreadhulplijnen die op alle pagina's en het
plakbord van een spread met meerdere pagina's staan. U kunt elke liniaalhulplijn naar het plakbord slepen. Een liniaalhulplijn wordt weergegeven
of verborgen met de laag waarop de hulplijn is gemaakt.
Nieuwe liniaalhulplijnen staan altijd op de doelspread. Als bijvoorbeeld meerdere spreads in het documentvenster worden weergegeven en u sleept
een nieuwe hulplijn het venster in, staat de nieuwe hulplijn alleen op de doelspread.
Hulplijnen in het documentvenster
A. SpreadhulplijnB. Paginahulplijn
Hulplijnen voor een liniaal maken
1. De linialen en hulplijnen moeten zichtbaar zijn, de juiste spread moet zijn geselecteerd en het document moet in de normale
weergavemodus en niet in de voorvertoningsmodus zijn geopend.
2. Als het document meerdere lagen bevat, klikt u in het deelvenster Lagen op de naam van de laag die u als doellaag wilt
instellen.
3. Ga op een van de volgende manieren te werk:
Om een paginahulplijn te maken plaatst u de aanwijzer op een horizontale of verticale liniaal, houdt u de muisknop
ingedrukt en sleept u naar de gewenste positie op de doelspread. Als u de hulplijn op het plakbord neerzet, loopt de lijn
over het plakbord en de spread. Sleept u de hulplijn naderhand naar een pagina, dan wordt deze hulplijn een
paginahulplijn.
Om een spreadhulplijn te maken sleept u de aanwijzer van de horizontale of verticale liniaal, houdt u de aanwijzer op het
plakbord maar plaatst u de hulplijn op de gewenste positie op de doelspread.
U schakelt tussen horizontale en verticale hulplijnen door de hulplijn te selecteren en Alt (Windows) of Option (Mac OS) in
gedrukt te houden.
Als u een spreadhulplijn wilt maken wanneer het plakbord niet zichtbaar is, houdt u Ctrl (Windows) of Command (Mac OS)
ingedrukt en sleept u de horizontale of verticale hulplijn naar de doelspread.
Om een spreadhulplijn te maken zonder te slepen dubbelklikt u op de gewenste positie op de horizontale of verticale
liniaal. Als u de hulplijn magnetisch wilt uitlijnen op het dichtstbijzijnde verdeelstreepje, houdt u Shift ingedrukt en
dubbelklikt u op de liniaal.
Als u gelijktijdig verticale en horizontale hulplijnen wilt maken, houdt u Ctrl (Windows) of Command (Mac OS) ingedrukt en
sleept u de hulplijn vanuit het snijpunt van de linialen op de doelspread naar de gewenste positie.
Naar boven
Tegelijkertijd een verticale en een horizontale hulplijn maken
Om de liniaalhulplijn numeriek te plaatsen selecteert u de hulplijnen en voert u in het regelpaneel waarden voor X en Y in.
Een aantal gelijkmatig verdeelde paginahulplijnen maken
1. Als het document meerdere lagen bevat, klikt u in het deelvenster Lagen op de naam van de laag die u als doellaag wilt
instellen.
2. Kies Layout > Hulplijnen maken.
3. Geef bij Aantal een waarde op voor het aantal rijen of kolommen dat u wilt maken.
4. Geef bij Tussenruimte een waarde op voor de afstand tussen de rijen of kolommen. Geef aanvankelijk een lage waarde op,
bijvoorbeeld 1 pica. Bij een grote tussenruimte blijft er weinig ruimte over voor de kolommen.
Kolommen die u maakt met de opdracht Hulplijnen maken, zijn niet dezelfde als de kolommen die u via Layout > Marges en
kolommen maakt. Zo kunt u in kolommen die zijn gemaakt met Hulplijnen maken, niet de tekstdoorloop bepalen als u hierin
een tekstbestand plaatst. Gebruik de opdracht Marges en kolommen als u kolomscheidingen wilt maken die geschikt zijn voor
automatische tekstdoorloop, en gebruik de opdracht Hulplijnen maken als u kolomrasters en andere hulpmiddelen voor de
layout wilt maken.
5. Kies de optie Marges bij Hulplijnen aanpassen aan als u de hulplijnen binnen de marges van de pagina wilt plaatsen en kies
Pagina als u de hulplijnen binnen de paginaranden wilt plaatsen.
Gelijkmatig verspreide liniaalhulplijnen binnen de marges van de pagina (links) en de paginaranden (rechts)
6. Als u bestaande hulplijnen (ook de hulplijnen op vergrendelde of verborgen lagen) wilt verwijderen, selecteert u Bestaande
liniaalhulplijnen verwijderen.
7. U kunt desgewenst eerst de opdracht Voorvertoning kiezen om het effect van de instellingen op de pagina te bekijken,
waarna u op OK klikt.
Opmerking: Met Hulplijnen maken kunt u alleen paginahulplijnen en geen spreadhulplijnen maken.
Als u bestaande hulplijnen op gelijke afstand van elkaar wilt plaatsen, selecteert u de hulplijnen (door te slepen of op Shift te drukken terwijl u
met de muis klikt). Selecteer vervolgens Afstand gebruiken in het regelpaneel, typ de waarde voor de afstand in het tekstvak en druk op Enter
of Return om te bevestigen. Klik op Horizontaal midden distribueren of Verticaal midden distribueren links van de optie Afstand gebruiken.
Hulplijnen tonen of verbergen
Als u alle marge-, kolom en liniaalhulplijnen wilt tonen of verbergen, kiest u Weergave > Rasters en hulplijnen > Hulplijnen
tonen/verbergen.
U kunt liniaalhulplijnen op één laag tonen of verbergen zonder de zichtbaarheid van de objecten op de laag te wijzigen, door te
dubbelklikken op de naam van de laag in het deelvenster Lagen, de optie Hulplijnen tonen in of uit te schakelen en vervolgens
op OK te klikken.
U kunt hulplijnen en alle niet-afdrukbare elementen tonen of verbergen door op het pictogram Voorvertoningsmodus onder
in de gereedschapsset te klikken.
Werken met liniaalhulplijnen
U kunt de kenmerken van alle liniaalhulplijnen afzonderlijk wijzigen en meerdere liniaalhulplijnen tegelijk verplaatsen, knippen, kopiëren, plakken en
verwijderen. Liniaalhulplijnen die u hebt geknipt of gekopieerd, kunt u plakken op andere pagina's of documenten, maar niet in andere
programma's. Om de kenmerken van bepaalde hulplijnen te wijzigen selecteert u eerst de hulplijnen die u wilt wijzigen. Als er geen hulplijnen zijn
geselecteerd, worden met de opdracht Liniaalhulplijnen de standaardinstellingen alleen voor nieuwe hulplijnen ingesteld.
Liniaalhulplijnen selecteren
Niet-geselecteerde liniaalhulplijnen hebben standaard een lichtblauwe kleur. Geselecteerde liniaalhulplijnen worden in de laagkleur gemarkeerd.
Wanneer een hulplijn is geselecteerd, verandert het pictogram Referentiepunt in het regelpaneel in of , als symbool van de geselecteerde
hulplijn.
U selecteert één liniaalhulplijn door met het gereedschap Selecteren of het gereedschap Direct selecteren op de hulplijn
te klikken waarmee de hulplijn in de laagkleur wordt geselecteerd.
Als u geen liniaalhulplijn kunt selecteren en Weergave > Rasters en hulplijnen > Hulplijnen vergrendelen al is
uitgeschakeld, bevindt de hulplijn zich mogelijk op de stramienpagina van deze pagina of op een laag waarop de hulplijnen
zijn vergrendeld.
Als u meerdere liniaalhulplijnen wilt selecteren, houdt u Shift ingedrukt terwijl u met het gereedschap Selecteren of Direct
selecteren op hulplijnen klikt. U kunt de aanwijzer ook over meerdere hulplijnen slepen, zolang de selectierechthoek maar
geen andere objecten raakt of omsluit.
U kunt alle liniaalhulplijnen op de doelspread selecteren door op Ctrl+Alt+G (Windows) of Command+Option+G (Mac OS) te
drukken.
Liniaalhulplijnen verplaatsen
Voer met het gereedschap Selecteren of het gereedschap Direct selecteren een van de volgende handelingen uit:
Een liniaalhulplijn verplaatsen door deze te slepen.
Meerdere liniaalhulplijnen verplaatsen door op Shift te drukken, de hulplijnen te selecteren die u wilt verplaatsen, en vervolgens
de hulplijnen te slepen.
Verplaats de geselecteerde hulplijnen zoals u elk ander geselecteerd object verplaatst, waaronder het stapsgewijs verplaatsen
met de pijltoetsen en verplaatsen via het deelvenster Transformeren of het regelpaneel.
Als u een hulplijn magnetisch wilt uitlijnen op een verdeelstreepje op de liniaal, houdt u tijdens het slepen van de hulplijn Shift
ingedrukt. U kunt de hulplijn ook selecteren, Shift ingedrukt houden en met de muisknop op de gewenste positie klikken.
Als u een spreadhulplijn wilt verplaatsen, moet u het gedeelte van de hulplijn slepen dat zich op het plakbord bevindt of Ctrl
(Windows) of Command (Mac OS) ingedrukt houden terwijl u de hulplijn op de pagina versleept.
Als u hulplijnen naar een andere pagina of een ander document wilt verplaatsen, selecteert u een of meer hulplijnen, kiest u
Bewerken > Kopiëren of Bewerken > Knippen, gaat u naar een andere pagina en kiest u vervolgens Bewerken > Plakken. Als
u de hulplijnen plakt op een pagina met hetzelfde formaat en dezelfde afdrukstand als de oorspronkelijke pagina van de
hulplijnen, worden de hulplijnen op precies dezelfde positie geplaatst.
Opmerking: De optie Lagen behouden bij plakken heeft invloed op de laag waarop de hulplijnen worden geplakt.
Liniaalhulplijnen verwijderen
Als u afzonderlijke hulplijnen wilt verwijderen, selecteert u een of meer liniaalhulplijnen en drukt u op Delete. (U kunt
liniaalhulplijnen ook verwijderen door ze naar een liniaal te slepen.)
Als u alle liniaalhulplijnen op de doelspread wilt verwijderen, klikt u met de rechtermuisknop (Windows) of houdt u Ctrl
ingedrukt en klikt u (Mac OS) op een geselecteerde hulplijn of liniaal en kiest u Alle hulplijnen op spread verwijderen.
Als een hulplijn niet kan worden verwijderd, is de laag waarschijnlijk vergrendeld of bevindt de laag zich mogelijk op een stramienpagina, of de
hulpijn bevindt zich op een vergrendelde laag.
Liniaalhulplijnen aanpassen
1. Ga op een van de volgende manieren te werk:
Om de opties voor een of meer bestaande liniaalhulplijnen te wijzigen selecteert u eerst de gewenste liniaalhulplijnen.
Om de standaardopties voor nieuwe liniaalhulplijnen in te stellen deselecteert u eerst alle hulplijnen door op een leeg
gebied te klikken.
2. Kies Layout > Liniaalhulplijnen.
3. Geef bij Weergavedrempel de vergrotingsfactor op waaronder de liniaalhulplijnen niet worden weergegeven. Hiermee
voorkomt u dat de liniaalhulplijnen te dicht tegen elkaar liggen bij een lagere vergrotingsfactor.
4. Kies bij Kleur een kleur of kies Aangepast om een kleur in de kleurkiezer te definiëren. Klik op OK.
U kunt de huidige vergroting als de weergavedrempel voor nieuwe liniaalhulplijnen instellen door Alt (Windows) of Option (Mac OS) ingedrukt
te houden terwijl u de geselecteerde liniaalhulplijnen sleept.
Liniaalhulplijnen vergrendelen of ontgrendelen
Naar boven
U kunt alle liniaalhulplijnen vergrendelen of ontgrendelen door Weergave > Rasters en hulplijnen > Hulplijnen vergrendelen te
kiezen om de menuopdracht te selecteren of te deselecteren.
U kunt liniaalhulplijnen op één laag vergrendelen of ontgrendelen, zonder de zichtbaarheid van de objecten op de laag te
wijzigen, door te dubbelklikken op de naam van de laag in het deelvenster Lagen, de optie Hulplijnen vergrendelen in of uit te
schakelen en vervolgens op OK te klikken.
De stapelvolgorde van de liniaalhulplijnen wijzigen
Liniaalhulplijnen worden standaard vóór alle andere hulplijnen en objecten geplaatst. Bepaalde liniaalhulplijnen kunnen echter de weergave van
objecten zoals lijnen met een dunne breedte belemmeren. U kunt de instelling Hulplijnen op achtergrond wijzigen om de liniaalhulplijnen voor of
achter alle andere objecten weer te geven. Ongeacht de instelling voor Hulplijnen op achtergrond zullen objecten en liniaalhulplijnen altijd voor de
marge- en kolomhulplijnen worden weergegeven. Hoewel u de hulplijnen structureel gezien op verschillende lagen kunt ordenen, heeft dit geen
invloed op hun visuele stapelvolgorde. De voorkeursinstelling Hulplijnen op achtergrond stapelt alle liniaalhulplijnen als één set ten opzichte van
alle paginaobjecten.
Standaard stapelvolgorde
A. LiniaalhulplijnenB. PaginaobjectenC.Marge- en kolomhulplijnenD. Pagina
1. Kies Bewerken > Voorkeuren > Hulplijnen en plakbord (Windows) of InDesign > Voorkeuren > Hulplijnen en plakbord
(Mac OS).
2. Selecteer Hulplijnen op achtergrond en klik op OK.
Objecten magnetisch uitlijnen op hulplijnen en rasters
Als u objecten nauwkeurig op hulplijnen wilt uitlijnen, gebruikt u de opdrachten Hulplijnen magnetisch en Documentraster magnetisch. De randen
van het object worden magnetisch uitgelijnd op (getrokken naar) het dichtstbijzijnde snijpunt van het raster of de hulplijn wanneer u objecten
tekent, verplaatst of vergroot/verkleint.
De precieze afstand waarbinnen een object magnetisch op de hulplijnen wordt uitgelijnd, wordt het magnetische bereik genoemd en kan worden
aangepast. Als u zowel Hulplijnen magnetisch als Documentraster magnetisch hebt ingeschakeld, heeft het raster voorrang op de hulplijnen.
Houd u bij het uitlijnen van objecten op hulplijnen en rasters aan de volgende richtlijnen:
U lijnt een object magnetisch op een hulplijn uit door het desbetreffende object naar de hulplijn te slepen totdat een of meer
zijden van het object binnen het magnetische gebied van de hulplijn komen.
De hulplijnen moeten zichtbaar zijn als u wilt dat de objecten hierop magnetisch worden uitgelijnd. De objecten kunnen echter
wel magnetisch worden uitgelijnd op de document- en basislijnrasters, ongeacht of deze wel of niet zichtbaar zijn.
Objecten op de ene laag zullen magnetisch worden uitgelijnd op de liniaalhulplijnen die op een andere laag zichtbaar zijn. Als u
niet wilt dat objecten magnetisch worden uitgelijnd op de hulplijnen op een bepaalde laag, verbergt u de hulplijnen van die
laag.
Als u de basislijnen van tekst magnetisch wilt uitlijnen op het basislijnraster, klikt u voor de afzonderlijke alinea's of alineastijlen
op de knop Uitlijnen op basislijnraster .
1. Kies Weergave > Rasters en hulplijnen en zorg ervoor dat Documentraster magnetisch is geselecteerd (ingeschakeld).
Opmerking: De opdracht Hulplijnen magnetisch bepaalt de magnetische uitlijning op zowel de hulplijnen als het
basislijnraster.
2. Kies Bewerken > Voorkeuren > Hulplijnen en plakbord (Windows) of InDesign > Voorkeuren > Hulplijnen en plakbord
(Mac OS ), geef voor Magnetisch gebied de gewenste waarde op en klik op OK. De waarde voor Magnetisch gebied wordt
altijd uitgedrukt in pixels.
Slimme hulplijnen gebruiken
Met de functie Slimme hulplijnen kunt u objecten magnetisch uitlijnen met elementen in uw layout. Terwijl u een object sleept of maakt, worden er
tijdelijke hulplijnen weergegeven, als aanduiding dat het object wordt uitgelijnd met een rand of het midden van de pagina of met een ander
element op de pagina.
De functie Slimme hulplijnen is standaard geselecteerd. U kunt slimme hulplijnen uitschakelen of een of meer categorieën van slimme hulplijnen
uitschakelen:
Slimme objectuitlijningMet de functie voor slimme objectuitlijning kunt u objecten gemakkelijk magnetisch uitlijnen met een rand of het midden
van pagina-elementen. De objecten worden niet alleen magnetisch uitgelijnd, maar er worden ook automatisch slimme hulplijnen getekend om aan
te geven met welk element het object wordt uitgelijnd.
Slimme afmetingenEr wordt feedback over slimme afmetingen weergegeven wanneer u pagina-elementen vergroot of verkleint, maakt of roteert.
Als u bijvoorbeeld een object op uw pagina 24 graden roteert, wordt een rotatiepictogram weergegeven wanneer u een ander object roteert met
een waarde die dichtbij 24 graden ligt. Dit pictogram fungeert als hint en u kunt hiermee het object magnetisch uitlijnen met dezelfde rotatiehoek
als die van het object ernaast. Hetzelfde geldt als u het formaat van een object naast een ander object vergroot of verkleint. Er wordt dan een
lijnsegment met pijlen aan beide uiteinden weergegeven waarmee u het object magnetisch kunt vastzetten op dezelfde breedte of hoogte als het
object ernaast.
Slimme spatiëringMet slimme spatiëring kunt u pagina-items snel schikken met behulp van tijdelijke hulplijnen die aangeven dat de afstand
tussen objecten gelijkmatig is.
Slimme cursorsIn een grijs vak wordt slimme cursorfeedback weergegeven in de vorm van X- en Y-waarden als u objecten verplaatst of het
formaat van objecten aanpast, of metingen uitvoert waarbij waarden worden omgekeerd. Met de optie Transformatiewaarden tonen in
Interfacevoorkeuren kunt u slimme cursors in- en uitschakelen.
Op www.adobe.com/go/lrvid4029_id_nl vindt u een videodemo over het gebruik van slimme hulplijnen.
Slimme hulplijnen in- of uitschakelen
Kies Weergave > Rasters en hulplijnen > Slimme hulplijnen.
Categorieën voor slimme hulpijnen in- of uitschakelen
1. Open de voorkeuren voor hulplijnen en het plakbord.
2. Schakel Uitlijnen op middelpunt object, Uitlijnen op objectranden, Slimme afmetingen en Slimme spatiëring in of uit en klik op
OK.
Als u slimme cursors, waarmee de X- en Y-waarden van objecten worden weergegeven als u de cursor boven het object houdt, wilt
uitschakelen, schakelt u de optie Transformatiewaarden tonen bij Interfacevoorkeuren uit.
De vormgeving van slimme hulplijnen wijzigen
1. Open het gedeelte Hulplijnen en plakbord van het dialoogvenster Voorkeuren.
2. Kies een andere kleur in het menu Slimme hulplijnen en klik op OK.
Tips voor het gebruik van slimme hulplijnen
Slimme hulplijnen zijn alleen van kracht op pagina-items en snijpunten in de actieve paginaweergave. Als een pagina een groot aantal objecten
bevat en u wilt een object uitlijnen met een ander specifiek object of andere specifieke objecten, zoomt u in op het desbetreffende gebied. Als u
slimme hulplijnen niet op kolomhulplijnen wilt uitlijnen, schakelt u Op hulplijnen uitlijnen tijdelijk uit door Weergave > Rasters en hulplijnen > Op
hulplijnen uitlijnen te selecteren. De functie Slimme hulplijnen levert nauwkeurige resultaten op, ongeacht het zoompercentage, dus u hoeft
bijvoorbeeld niet in te zoomen om te na te gaan of de linkerranden van twee objecten daadwerkelijk met elkaar zijn uitgelijnd.
Meer Help-onderwerpen
Juridische kennisgevingen | Onlineprivacybeleid
Stramienpagina's
Naar boven
Naar boven
Over stramienen, stapelvolgorde en lagen
Stramienen maken
Stramienpagina's toepassen
Stramienen kopiëren
Een stramien uit een document verwijderen
Stramienitems overschrijven of loskoppelen
Een stramien uit een ander document importeren
Klik op onderstaande koppelingen voor gedetailleerde informatie en instructies.
Over stramienen, stapelvolgorde en lagen
Een stramien is te vergelijken met een achtergrond die u snel op een reeks pagina's kunt toepassen. Objecten in een stramien staan op alle
pagina's waarop dat stramien is toegepast. Stramienitems op documentpagina's zijn te herkennen aan een gestippelde rand. De wijzigingen die u
in het stramien aanbrengt, worden automatisch op alle betrokken pagina's doorgevoerd. Stramienen bevatten doorgaans logo's, paginanummers
en kop- en voetteksten. Zij kunnen ook lege tekst- of afbeeldingskaders bevatten die als plaatsaanduidingen op documentpagina's fungeren.
Stramienitems kunnen niet op een documentpagina worden geselecteerd, tenzij die objecten zijn overschreven.
Stramienen kunnen meerdere lagen hebben, net als pagina's in een document. Objecten op een enkele laag hebben hun eigen stapelvolgorde
binnen deze laag. Objecten op de laag van een stramienpagina staan achter de objecten die aan dezelfde laag op de documentpagina zijn
toegewezen.
Als u een stramienitem vóór objecten op de documentpagina wilt plaatsen, moet u een hogere laag aan het object op het stramien toewijzen. Een
stramienitem op een hogere laag staat vóór alle objecten op lagere lagen. Wanneer u alle lagen samenvoegt, worden de stramienitems achter de
documentpaginaobjecten geplaatst.
Stramienitems (linksboven) achter de paginaobjecten op dezelfde laag (linksonder). Als u een stramienitem naar een hogere laag verplaatst
(rechtsboven), wordt dit vóór alle objecten op de lagere lagen geplaatst (rechtsonder).
Tips en richtlijnen voor werken met stramienen
U kunt uw verschillende ontwerpideeën met elkaar vergelijken door hiervoor een reeks stramienen te maken en deze na elkaar
toe te passen op de voorbeeldpagina's met inhoud.
Om documenten snel op te maken slaat u een set stramienen samen met alinea- en tekenstijlen, kleurbibliotheken en andere
stijlen en voorinstellingen in een documentsjabloon op.
Als u de instellingen voor kolommen en marges op een stramien wijzigt of een nieuw stramien met andere instellingen toepast,
kunt u objecten op een pagina automatisch aan de nieuwe layout laten aanpassen. (Zie Over automatische aanpassing van de
layout.)
Automatische paginanummers die op een stramien zijn ingevoegd, geven het juiste paginanummer aan voor elke sectie van
het document waarop het stramien wordt toegepast. (Zie Standaardpaginanummering toevoegen.)
Stramienen maken
Elk bestand dat u maakt, heeft standaard een stramienpagina. U kunt nieuwe stramienpagina's maken of een bestaande stramien- of
documentpagina als basis nemen. Nadat u stramienpagina's hebt toegepast op andere pagina's, wordt elke wijziging in het bronstramien
doorgevoerd in de stramienen en de documentpagina's die hierop zijn gebaseerd. Op deze manier kunt u heel eenvoudig de layout van meerdere
pagina's in een document wijzigen.
Op www.adobe.com/go/vid0069_nl vindt u een videodemo over het werken met stramienpagina's.
Een nieuw leeg stramien maken
1. Kies Nieuw stramien in het menu van het deelvenster Pagina's.
2. Geef de volgende opties op en klik op OK:
Voer in het vak Voorvoegsel een voorvoegsel in dat verwijst naar het stramien dat wordt toegepast op elke pagina in het
deelvenster Pagina's. U kunt maximaal vier tekens invoeren.
Typ in het tekstvak Naam een naam voor de stramienspread.
Kies in de lijst Gebaseerd op stramien een bestaande stramienspread waarop u deze stramienspread wilt baseren of kies
Geen.
Typ in het tekstvak Aantal pagina's een waarde voor het aantal pagina's dat u in de stramienspread wilt gebruiken
(maximaal tien).
Een stramien maken op basis van een bestaande pagina of spread
Sleep een volledige spread van de sectie Pagina's in het deelvenster Pagina's naar de sectie Stramienen.
Selecteer een spread in het deelvenster Pagina's en kies de optie Opslaan als Stramien in het menu van het deelvenster
Pagina's.
Alle objecten die op de originele pagina of spread stonden, maken nu deel uit van het nieuwe stramien. Als op de originele pagina een stramien is
toegepast, zal het nieuwe stramien gebaseerd zijn op het stramien van de originele pagina.
Een nieuwe stramienspread maken op basis van een andere pagina of spread
Een stramien op een ander stramien baseren
U kunt een variant op een stramien maken dat is gebaseerd op een ander stramien in hetzelfde document en dat tegelijk wordt bijgewerkt. Een
dergelijk stramien wordt hoofdstramien genoemd. De stramienspreads die op een hoofdstramien zijn gebaseerd, worden substramienen genoemd.
Als uw document bijvoorbeeld tien hoofdstukken bevat waarvoor stramienspreads worden gebruikt die maar weinig van elkaar verschillen, baseert
u alle stramienspreads op een stramienspread die de layout en objecten bevat die alle tien hoofdstukken gemeenschappelijk hebben. Op die
manier hoeft u voor wijzigingen in het basisontwerp alleen aanpassingen uit te voeren op één stramienspread – het hoofdstramien – en hoeft u
niet alle tien stramienspreads afzonderlijk te bewerken. Varieer de opmaak in de substramienen. U kunt de objecten van een hoofdstramien op een
substramien overschrijven om zo varianten van een stramien te maken, net zoals u stramienitems op documentpagina's kunt overschrijven. Dit is
een uiterst krachtige en handige methode als u een consistent en toch gevarieerd ontwerp wilt behouden en aanpassen.
Oorspronkelijke hoofdstramien en substramien (links); als het hoofdstramien wordt gewijzigd, worden de substramienen automatisch bijgewerkt
(rechts).
Als u een stramien op een ander stramien wilt baseren, voert u een van de volgende handelingen uit in de sectie Stramienen van het
deelvenster Pagina's:
Selecteer een stramienspread en kies Stramienopties voor [naam van stramienspread] in het menu van het deelvenster
Pagina's. Kies in de lijst Gebaseerd op stramien een ander stramien en klik op OK.
Selecteer de naam van de stramienspread die u als basis wilt gebruiken, en sleep deze naar de naam van een ander stramien
om die spread toe te passen.
Naar boven
B-stramien gebaseerd op A-stramien
De layout van een stramien bewerken
U kunt de layout van stramienpagina's te allen tijde wijzigen. De wijzigingen worden automatisch doorgevoerd op alle pagina's waarop dat stramien
is toegepast. Zo worden alle tekst en afbeeldingen die u aan een stramien toevoegt, weergegeven op documentpagina's waarop het stramien
wordt toegepast.
Opmerking: Wanneer u een stramienpagina-object op een bepaalde pagina overschrijft of loskoppelt, wordt dat object niet meer bijgewerkt met
de wijzigingen die op de stramienpagina zijn aangebracht.
1. Dubbelklik in het deelvenster Pagina's op het pictogram voor het stramien dat u wilt bewerken, of selecteer de gewenste
stramienpagina in het tekstvak onder in het documentvenster. De stramienspread wordt weergegeven in het documentvenster.
2. Breng de wijzigingen in het stramien aan.
Alle pagina's waarop dit stramien is toegepast, worden automatisch bijgewerkt.
Als u het formaat van de stramienpagina wilt wijzigen, selecteert u de desbetreffende pagina met het gereedschap Pagina en past u de afmetingen
aan met de opties in het regelpaneel. Zie Meerdere paginaformaten gebruiken.
Gebruik meerdere weergaven om het resultaat van de wijzigingen in het stramien te controleren. Kies Venster > Schikken > Nieuw venster en
kies vervolgens Venster > Schikken > Naast elkaar. Stel de ene weergave in op een pagina en de andere weergave op het stramien dat op
deze pagina is toegepast. Breng de wijzigingen in het stramien aan en kijk hoe de pagina wordt bijgewerkt.
Opties van stramienpagina's wijzigen
U kunt ook met de opties van de stramienpagina de naam of het voorvoegsel van het stramien wijzigen, het stramien baseren op een ander
stramien of het aantal pagina's in de stramienspread veranderen.
1. Selecteer een stramienspread door op de naam ervan in het deelvenster Pagina's te klikken.
2. Kies Stramienopties voor [naam van stramien] in het menu van het deelvenster Pagina's.
3. Wijzig de gewenste opties en klik op OK.
Stramienpagina's toepassen
Als het document aangepaste spreads bevat (zoals een uitvouwbare pagina van 3 of 4 pagina's in een tijdschrift), moet elk stramien dat u toepast,
hetzelfde aantal pagina's hebben.
Als uw stramienpagina een ander paginaformaat heeft dan de layoutpagina, wordt het formaat van de layoutpagina gewijzigd wanneer u de
stramienpagina toepast. Als de layoutpagina een aangepast paginaformaat heeft, kunt u opgeven of u het aangepaste formaat van de
layoutpagina wilt behouden of het formaat van de stramienpagina wilt toepassen.
Opmerking: Stramienitems op documentpagina's zijn te herkennen aan een gestippelde rand. Als u geen stramienitems op een documentpagina
ziet, kunnen die stramienitems op een lagere laag staan of verborgen zijn. Kies Stramienitems tonen in het menu van het deelvenster Pagina's.
Een stramien op een documentpagina of spread toepassen
U past een stramien toe op één pagina door het pictogram van de stramienpagina naar een paginapictogram in het
deelvenster Pagina's te slepen. Wanneer er rond de gewenste pagina een zwarte rechthoek wordt weergegeven, laat u de
muisknop los.
U past een stramien toe op een spread door het pictogram van de stramienpagina naar een hoek van de spread in het
deelvenster Pagina's te slepen. Wanneer er rond alle pagina's in de gewenste spread een zwarte rechthoek wordt
weergegeven, laat u de muisknop los.
Een stramien toepassen op een pagina (links) en een stramien toepassen op een spread (rechts)
Een stramien op meerdere pagina's toepassen
Naar boven
Naar boven
Ga op een van de volgende manieren te werk:
Selecteer in het deelvenster Pagina's de pagina's waarop u een nieuw stramien wilt toepassen. Houd Alt (Windows) of Option
(Mac OS) ingedrukt terwijl u op een stramien klikt.
Kies Stramien op pagina's toepassen in het menu van het deelvenster Pagina's, selecteer een stramien in de lijst Stramien
toepassen (let er hierbij op dat de paginabereiken voor de optie Op pagina's de correcte paginabereiken zijn) en klik op OK.
Het is mogelijk een stramien op meerdere pagina's tegelijk toe te passen. U kunt bijvoorbeeld 5, 79, 1316 typen om hetzelfde
stramien op de pagina's 5, 79 en 1316 toe te passen. (Zie De absolute nummering of sectienummering in het deelvenster
Pagina's weergeven.)
Een stramien op een niet aangrenzend bereik van pagina's toepassen
Toewijzing van stramienen aan documentpagina's ongedaan maken
Pas het stramien Geen toe vanuit de sectie Stramienen van het deelvenster Pagina's.
Wanneer u een stramien van een pagina loskoppelt, worden de opmaak en items van het stramien niet meer gebruikt voor de pagina. Als een
stramien de meeste elementen bevat die u nodig hebt, maar u hoeft alleen de vormgeving van enkele pagina's te veranderen, kunt u de
stramienpagina-items overschrijven en ze op die pagina's bewerken of wijzigen in plaats van het stramien te verwijderen.
Stramienen kopiëren
U kunt stramienen binnen hetzelfde documenten of van het ene naar het andere document kopiëren en als basis voor een nieuw stramien
gebruiken. Ook kunt u stramienen naar andere documenten kopiëren wanneer u documenten in een boek synchroniseert of stramienpagina's uit
een ander document importeert.
Een stramien in een document kopiëren
Voer in het deelvenster Pagina's een van de volgende handelingen uit:
Sleep de naam van de pagina van een stramienspread naar de knop Nieuwe pagina onder in het deelvenster.
Selecteer de paginanaam van een stramienspread en kies Stramienspread [naam van de spread] dupliceren in het
deelvenstermenu.
Wanneer u een stramien kopieert, wordt het voorvoegsel van het gekopieerde stramien de volgende letter van het alfabet.
Een stramien naar een ander document kopiëren of verplaatsen
1. Open het document waaraan u het stramien wilt toevoegen. Open vervolgens het document met het stramien dat u wilt
kopiëren.
2. Voer een van de volgende handelingen uit in het deelvenster Pagina's van het brondocument:
Klik op het hoofdstramien en sleep dit naar het venster van het doeldocument, waarmee u het stramien kopieert.
Selecteer het stramien dat u wilt verplaatsen of kopiëren. Kies Layout > Pagina's > Stramien verplaatsen en kies het
doeldocument in het menu Verplaatsen naar. Als u daarbij ook de pagina of pagina's uit het brondocument wilt
verwijderen, selecteert u de optie Pagina's na verplaatsen verwijderen en klikt u op OK.
Als het doeldocument al een stramien met hetzelfde voorvoegsel heeft, wordt aan het verplaatste stramien de volgende beschikbare letter uit het
alfabet toegewezen.
Een stramien uit een document verwijderen
1. Selecteer in het deelvenster Pagina's een of meer stramienpaginapictogrammen.
Als u alle niet-gebruikte stramienpagina's wilt selecteren, kiest u Ongebruikte stramienen selecteren in het menu van het
deelvenster Pagina's.
2. Ga op een van de volgende manieren te werk:
Sleep het pictogram van een geselecteerde stramienpagina of spread naar de knop Verwijderen onder in het deelvenster.
Klik op het pictogram Verwijderen onder in het deelvenster.
Kies Stramienspread [spreadnaam] verwijderen in het deelvenstermenu.
Als u een stramien verwijdert, wordt het stramien [Geen] toegepast op elke documentpagina waarop het verwijderde stramien is toegepast.
Naar boven
Stramienitems overschrijven of loskoppelen
Als u een stramienpagina toepast op een documentpagina, worden alle objecten in het stramien, die stramienitems worden genoemd,
weergegeven op de documentpagina. Soms zal een bepaalde pagina iets moeten afwijken van het stramien. In dergelijke situaties hoeft u het
stramienontwerp op de pagina niet helemaal opnieuw te maken of een nieuw stramien te ontwerpen. U kunt het stramienitem overschrijven of
loskoppelen. De andere stramienitems op de documentpagina worden steeds bijgewerkt met de stramien.
Let op het verschil tussen het overschrijven en het loskoppelen van stramienitems van een documentpagina:
Kenmerken van het stramienitem overschrijvenBij het overschrijven van een stramienitem wordt er een kopie van het stramienitem op de
documentpagina geplaatst zonder dat de koppeling met de stramienpagina wordt verbroken. Nadat het item is overschreven, kunt u een of meer
kenmerken van het item overschrijven en zo het item geleidelijk wijzigen. U kunt bijvoorbeeld de vulkleur van de lokale kopie wijzigen. Als u
daarna de vulkleur op de stramienpagina wijzigt, wordt die wijziging niet doorgevoerd in de lokale kopie. De andere kenmerken, zoals de afmeting,
worden wel bijgewerkt omdat die niet in de lokale kopie zijn overschreven. De wijzigingen kunnen naderhand worden verwijderd om het object
conform het stramien te maken.
De kenmerken die u voor een stramienpagina-object kunt overschrijven, zijn lijnen, vullingen, inhoud van een kader en alle transformaties (zoals
roteren, schalen, schuintrekken of wijzigen van het formaat), hoekopties, tekstkaderopties, vergrendeling, transparantie en objecteffecten.
Items loskoppelen van het stramienOp een documentpagina kunt u een stramienitem van het stramien loskoppelen. Voordat u een item kunt
loskoppelen, moet u dat item eerst op de documentpagina overschrijven, waardoor er een lokale kopie van wordt gemaakt. Een losgekoppeld item
wordt niet meer bijgewerkt met het stramien, omdat de koppeling met de stramienpagina is verbroken.
Een stramienitem overschrijven
1. Zorg ervoor dat het stramienitem kan worden overschreven.
U kunt een stramienitem alleen overschrijven als de optie Overschrijven van stramienitems bij selectie toestaan voor dat item
is geselecteerd in het menu van het deelvenster Pagina's.
2. Voer een van de volgende handelingen uit:
U overschrijft specifieke stramienitems op een documentpagina door te drukken op Ctrl+Shift (Windows) of
Command+Shift (Mac OS) en vervolgens op het item te klikken (of te slepen als u meerdere items wilt selecteren). Wijzig
de geselecteerde stramienitems. Het item kan nu worden geselecteerd als elk ander pagina-item, maar het blijft gekoppeld
aan de stramienpagina.
U overschrijft alle stramienpagina-items door een documentspread te activeren en vervolgens Alle stramienpagina-items
overschrijven te selecteren in het menu van het deelvenster Pagina's. U kunt nu elk gewenst stramienpagina-item of alle
stramienpagina-items selecteren.
Het gestippelde kader van stramienitems die zijn overschreven, wordt een effen lijn, ten teken dat er een lokale kopie is
gemaakt.
Opmerking: Als u een verbonden tekstkader overschrijft, worden alle zichtbare kaders in de verbindingsreeks overschreven,
zelfs als die zich op een andere pagina in een spread bevinden.
Een stramienitem loskoppelen
Als u één stramienitem van het stramien wilt loskoppelen, moet u eerst het item overschrijven door op Ctrl+Shift (Windows) of
Command+Shift (Mac OS) te drukken en vervolgens op het item op een documentpagina te klikken. Vervolgens kiest u de
optie Selectie scheiden van stramien in het menu van het deelvenster Pagina's.
Als u alle overschreven stramienitems op een spread wilt loskoppelen, overschrijft u de stramienpagina-items die u wilt
loskoppelen en activeert u vervolgens de spread in het document. (Ga niet naar de originele stramienpagina.) Selecteer Alle
objecten scheiden van stramien in het menu van het deelvenster Pagina's. Als deze opdracht niet beschikbaar is, staan er
geen overschreven objecten op deze spread.
Voorkomen dat een stramienitem wordt overschreven
In sommige gevallen zult u niet alle stramienitems willen overschrijven. U wilt bijvoorbeeld stramienitems zoals achtergrondafbeeldingen op een
documentpagina overschrijven, maar wilt niet dat daarbij ook de koptekst met de paginanummering wordt overschreven. U voorkomt dat de
koptekst wordt overschreven door de optie Alle stramienitems overschrijven wel voor de andere stramienitems maar niet voor de koptekst te
selecteren.
1. Selecteer het item op de stramienpagina.
2. Schakel de optie Overschrijven van stramienitems bij selectie toestaan in het menu van het deelvenster Pagina's uit.
Stramienitems die niet mogen worden overschreven, hebben geen kaderrand wanneer zij op de documentpagina worden weergegeven. Als u
instelt dat een verbonden tekstkader niet mag worden overschreven, worden alle andere tekstkaders in de verbinding ook niet overschreven.
Stramienitems opnieuw toepassen
Naar boven
Nadat u de stramienitems hebt overschreven, kunt u ze herstellen en aan de stramienpagina aanpassen. De kenmerken van het object worden
dan hersteld op basis van het overeenkomstige stramien en het object wordt opnieuw bijgewerkt als u het stramien bewerkt. De lokale kopie van
het object wordt verwijderd en het stramienitem kan niet worden geselecteerd, wat wordt aangegeven door de gestippelde rand. U kunt
overschrijvingen voor geselecteerde objecten of voor alle objecten op een spread verwijderen, maar niet tegelijk voor het volledige document.
Ga op een van de volgende manieren te werk:
Om stramienoverschrijvingen van een of meer objecten te verwijderen selecteert u objecten die oorspronkelijk stramienitems
waren. Activeer een spread in het deelvenster Pagina's en kies in het menu van het deelvenster Pagina's de optie
Geselecteerde lokale overschrijvingen verwijderen.
Om alle stramienoverschrijvingen uit een spread te verwijderen activeert u in het deelvenster Pagina's de spread (of
stramienspread) waaruit u alle stramienoverschrijvingen wilt verwijderen. Kies Bewerken > Alles deselecteren om ervoor te
zorgen dat geen enkel object is geselecteerd. Kies in het menu van het deelvenster Pagina's de optie Alle lokale
overschrijvingen verwijderen.
Als u stramienpagina-objecten loskoppelt, kunt u ze niet meer herstellen naar de stramienpagina, maar u kunt de losgekoppelde objecten wel
verwijderen en vervolgens het stramien op de pagina toepassen.
Als u een stramien opnieuw toepast op een pagina die overschreven stramienpagina-objecten bevat, worden de objecten met overschrijvingen
losgekoppeld en worden alle stramienpagina-objecten opnieuw toegepast. Sommige objecten op een pagina kunnen hierbij worden gedupliceerd.
U moet de losgekoppelde objecten verwijderen om de exacte vormgeving van het stramien te herstellen.
Stramienitems verbergen
Gebruik de opdracht Stramienitems verbergen om elementen op stramienpagina's op een of meerdere pagina's in uw document te verbergen.
Verborgen stramienitems worden niet afgedrukt of uitgevoerd.
1. Selecteer in het deelvenster Pagina's de pagina's en spreads met de stramienitems die u wilt verbergen.
2. Kies Stramienitems verbergen in het menu van het deelvenster Pagina's.
Als u de stramienitems weer zichtbaar wilt maken, selecteert u de spreads in het deelvenster Pagina's en kiest u Stramienitems tonen in het menu
van het deelvenster Pagina's.
Een stramien uit een ander document importeren
U kunt stramienen vanuit een document van InDesign (elke versie) in het actieve document importeren. Als het doeldocument stramienpagina's
bevat die een andere naam hebben dan de stramienpagina's in het brondocument, veranderen die pagina's en de bijbehorende overschrijvingen
van de documentpagina niet.
1. Kies Stramienpagina's laden in het menu van het deelvenster Pagina's.
2. Dubbelklik op het InDesign-document met de stramienpagina's die u wilt importeren.
3. Bepaal wat er moet gebeuren als een geladen stramien dezelfde naam heeft als een stramien in het huidige document.
Kies Stramienpagina's vervangen als de stramienen in het doeldocumenten moeten worden overschreven door de
stramienen met dezelfde naam uit het brondocument. Als er geen overschreven items in het doeldocument staan, kunt u
de stramienpagina's veilig bij het importeren vervangen.
Kies Naam stramienpagina's wijzigen om de paginavoorvoegsels in te stellen op de volgende beschikbare letter van het
alfabet.
Nadat u de geïmporteerde stramienen uit het brondocument hebt geïmporteerd, wordt er een koppeling gemaakt tussen het bron- en het
doeldocument. Wanneer u vervolgens stramienen uit hetzelfde brondocument laadt, blijft de koppeling tussen de overschreven items en hun
bovenliggende items op de opnieuw geladen stramienpagina's behouden. Met deze koppeling kunt u stramienpagina's in verschillende
documenten consistent houden zonder dat u die documenten in een boek hoeft op te nemen.
Als u deze methode voor het consistent houden van stramienpagina's wilt gebruiken, moet u de stramienpagina's uit het brondocument laden
voordat u objecten op het stramien overschrijft. Als er in het document overschreven items staan en u hebt nog nooit stramienen uit een andere
bron geïmporteerd, worden die overschreven items losgekoppeld wanneer u voor de eerste keer stramienen uit een brondocument laadt en
stramienpagina's met dezelfde naam als het hoofdstramien van de overschreven items vervangt.
Gaat u echter stramienen uit een ander brondocument importeren en u kiest Stramienpagina's vervangen, dan kunnen de overschreven items
worden losgekoppeld. Stramienen met dezelfde namen uit het nieuwe brondocument worden toegepast op de documentpagina waarop de
overschreven items staan. Er worden dan twee sets met objecten gemaakt.
Meer Help-onderwerpen
Video over stramienpagina's
Juridische kennisgevingen | Onlineprivacybeleid
Vloeiende layouts en alternatieve indelingen | CS6
Opmerking:
Naar boven
Regels voor alternatieve layouts en vloeiende paginalayouts geven u de flexibiliteit om efficiënte ontwerpen te maken voor meerdere
paginagrootten, standen of verhoudingen.
Als u wilt publiceren in meerdere indelingen en formaten, kunt u een ontwerpstrategie kiezen die het meest geschikt is voor het project in kwestie:
handmatig, halfautomatisch of volledig automatisch. De mate van het controle tijdens het ontwerp neemt af wanneer u volledig automatische
workflows gebruikt. InDesign bevat verschillende verbeteringen voor de strategie die u hebt gekozen, zodat u verzekerd bent van een evenwichtige
balans tussen kosten en controle.
Publiceren op basis van automatische vloeiende layout is nog niet mogelijk omdat er nog geen, compatibele viewertechnologieën
beschikbaar zijn.
Aanbevolen workflow
A. Workflow met alternatieve layout B. Regels voor alternatieve layout en vloeibare pagina
STAP 1: Kies een doelapparaat en de overeenkomstige afmeting en stand. Creëer vervolgens de primaire layout voor alle pagina's.
STAP 2: Voeg desgewenst de paginaregels voor vloeiende layout van Adobe toe voor het aanpassen van de inhoud aan verschillende
verhoudingen en grootten. De regels voor vloeiende pagina's zijn handig als u zich op meerdere apparaten richt. Zonder regels voor vloeiende
pagina's zult u voor elke mogelijke grootte en richting handmatig een unieke layout moeten maken. Zie Vloeiende layouts.
STAP 3: Gebruik de functie Alternatieve layout maken om in hetzelfde document nieuwe pagina's te maken. Afhankelijk van uw primaire layout en
regels voor vloeiende pagina, moet de layout wellicht handmatig worden aangepast. Herhaal deze stap voor elke nieuwe grootte en richting. Zie
Alternatieve layouts.
Vloeiende layouts
Vloeiende layouts
Schalen
De functie Vloeiende layouts maakt het gemakkelijker om inhoud voor meerdere paginagrootten, standen of apparaten te ontwerpen. Pas regels
voor vloeiende pagina toe om te bepalen hoe objecten op een pagina worden aangepast wanneer u alternatieve indelingen creëert en de grootte,
de stand of de verhouding wijzigt.
U kunt op verschillende pagina's verschillende regels toepassen, afhankelijk van de layout en de doelen. Op een pagina kan slechts één regel
voor vloeiende pagina tegelijk worden toegepast. Vloeiende layout is een algemene term die staat voor een bepaalde set regels voor vloeiende
pagina's: schalen, opnieuw centreren en op hulplijn en op object gebaseerde paginaregels.
Gebruik de regels voor vloeiende pagina om inhoud voor uitvoerformaten aan te passen.
Layouts aanpassen bij het maken van nieuwe pagina's in hetzelfde document met alternatieve indelingen.
Layouts aanpassen bij het wijzigen van bestaande paginaformaten. Dit is efficiënter dan de vorige functie voor aanpassing van
de layout.
Als u een regel voor vloeiende pagina wilt toepassen, selecteert u het Gereedschap Pagina en klikt u op een pagina. Kies vervolgens een regel
voor vloeiende pagina in de besturingsbalk. U kunt ook Layout > Vloeiende layouts gebruiken.
U kunt een voorvertoning van de effecten van de toegepaste regel zien door het gereedschap Pagina te gebruiken om de paginahandgrepen te
slepen om de pagina te vergroten of te verkleinen. De pagina gaat weer terug naar de oorspronkelijke grootte wanneer u deze loslaat.
Als u het formaat van de pagina wilt wijzigen, drukt u op Alt (Windows) of Option (Mac OS) en sleept u met de muis. Het gebruik van de muis
voor het wijzigen van het paginaformaat kan echter resulteren in pagina's die net niet de gewenste grootte hebben. Het werkt nauwkeuriger om
het formaat van de pagina aan te passen met de widgets Hoogte en Breedte in de besturingsbalk.
Regels voor vloeiende pagina's
A. Gereedschap Pagina B. Regels voor vloeiende pagina vanuit de besturingsbalk C. Paginahandgrepen D. Pinnen voor op object gebaseerde
regels E. Scherm Vloeibare layout
Regels voor vloeiende pagina's
Op verschillende pagina's kunt u verschillende regels toepassen. Op een pagina kan slechts één regel voor vloeiende pagina tegelijk worden
toegepast.
Bekijk deze video en leer hoe u Geen, Schalen en Recentere regels kunt toepassen wanneer u de grootte van een layout aanpast. Ontdek ook de
betekenis achter 'Gebaseerd op stramien'. Using basic Liquid Layout rules: Scale, Recenter, and Based on Master (Engelstalig).
Alle inhoud op de pagina wordt behandeld als een groep en wanneer het paginaformaat wordt gewijzigd, worden alle elementen op
schaal aangepast. Het resultaat is vergelijkbaar met letterboxing of pillarboxing op HD-televisieschermen.
Opnieuw centreren
Op hulplijn gebaseerd
Regels voor vloeiende pagina's: schalen
Alle inhoud op de pagina wordt automatisch opnieuw gecentreerd, ongeacht de breedte. In tegenstelling tot Schalen, blijft de
inhoud de oorspronkelijke grootte. Met zorgvuldige planning en layout kunt u met de regel voor opnieuw centreren een vergelijkbaar resultaat
bereiken op videoproductieveilige zones.
Regels voor vloeiende pagina's: opnieuw centreren
Hulplijnen definiëren een rechte lijn over de pagina waar de inhoud kan worden aangepast.
Er kan lege ruimte worden toegevoegd
Het formaat van de tekstkaders wordt gewijzigd en de tekst vloeit terug (maar wordt niet geschaald).
Het formaat van geplaatste afbeeldingskaders wordt gewijzigd en de afmeting van de uitsnederand van het bovenliggende
kader wordt aangepast.
Als u een vloeiende hulplijn wilt toevoegen, selecteert u eerst het gereedschap Pagina. Vervolgens trekt u de hulplijnen uit de liniaal.
De op hulplijnen gebaseerde regels zijn vergelijkbaar met het schalen in 3 en 9 segmenten in Illustrator, Fireworks en Flash. Bekijk de
video Applying guide-based Liquid Layout rules (Engelstalig).
Als u een hulplijn uit de liniaal wilt transformeren in een vloeiende hulplijn selecteert u het gereedschap Pagina en klikt u op de hulplijn op het
pictogram Converteren naar vloeiende hulplijn. De vloeiende hulplijn wordt weergegeven als een onderbroken lijn, terwijl een hulplijn uit de
liniaal een effen lijn is.
Regels voor vloeiende pagina's: op hulplijn gebaseerd
Op object gebaseerd
Naar boven
U kunt gedrag voor uitvloeien, grootte en locatie ten opzichte van de paginarand opgeven voor elk vast of relatief object.
Elke zijde van het omsluitende kader van een object kan vast zijn of gerelateerd zijn aan de desbetreffende paginarand. Zo
kan de linkerzijde van het kader een alleen gerelateerd zijn aan de linkerrand van de pagina.
De hoogte en breedte kunnen vast zijn of in verhouding met de pagina worden aangepast.
Bekijk de video Applying object-based Liquid Layout rules (Engelstalig).
Regels voor vloeiende pagina's: op object gebaseerd
Alternatieve layouts
Gebruik Alternatieve layouts als u verschillende paginaformaten voor afdrukken of digitaal publiceren nodig hebt in hetzelfde document. U kunt
deze optie gebruiken om een gedrukte advertentie van verschillende groottes te maken. U kunt er ook horizontale en verticale layouts voor
apparaten zoals de Apple iPad of Android-tablets mee ontwerpen.
Deelvenster Alternatieve layouts en pagina's
Wordt gebruikt in combinatie met Vloeiende layouts. U kunt de hoeveelheid handmatig werk die nodig is om een nieuwe inhoudslayout voor elke
nieuwe paginagrootte en stand te maken aanzienlijk verkleinen.
Bekijk de video van Lynda.com op Alternatieve layouts voor een kort overzicht.
Alternatieve layouts maken
Voer een van de volgende handelingen uit om een alternatieve layout te maken:
Kies Layout > Alternatieve layout maken
KiesAlternatieve layout maken in het deelvenstermenu Pagina's
De voorwaarden van Creative Commons zijn niet van toepassing op Twitter™- en Facebook-berichten.
Juridische kennisgevingen | Onlineprivacybeleid
Naam
Van bronpagina's
Paginaformaat
Breedte en Hoogte
Stand
Regel voor vloeiende pagina's
Artikelen koppelen
Tekststijlen kopiëren naar nieuwe stijlgroep
Slim opnieuw tekst plaatsen
Alternatieve layouts maken
Geef in het dialoogvenster Alternatieve layouts maken de volgende opties op:
Voer de naam van de andere layout in.
Selecteer de bronlayout waarin uw inhoud zich bevindt.
Selecteer een paginagrootte of voer een aangepaste grootte in voor de alternatieve layout.
In deze velden wordt de grootte van de alternatieve layout weergegeven. U kunt uw eigen waarden invoeren, maar daarmee
wordt de Paginagrootte gewijzigd in Aangepast.
Kies een stand voor de alternatieve layout. Bij overschakelen tussen Staand en Liggend worden de Hoogte en Breedte bijgewerkt.
Kies de regel voor vloeiende pagina's die u wilt toepassen op de alternatieve layout. Selecteer Bestaande
behouden om de regels voor vloeiende pagina's die zijn toegepast op de bronpagina's over te nemen. Selecteer een andere regel om nieuwe
regels voor vloeiende pagina's toe te passen.
Schakel deze optie in om objecten te plaatsen en deze te koppelen aan de oorspronkelijke objecten in de layout. Wanneer u
het oorspronkelijke object bijwerkt, is het eenvoudiger om updates voor gekoppelde objecten te beheren. Zie Gekoppelde inhoud.
Schakel deze optie in om alle tekststijlen te kopiëren en ze in een nieuwe groep te plaatsen. Deze
optie is handig als u de tekststijlen tussen verschillende layouts moet variëren.
Schakel deze optie in om geforceerde regeleinden en andere stijloverschrijvingen in de tekst te verwijderen.
Standaardpaginanummering toevoegen
Naar boven
Naar boven
Galerie paginanummering
Paginanummering instellen
Een paginanummermarkering toevoegen aan een stramienpagina
De stijl van de paginanummering wijzigen
Algemene taken voor paginanummering
U kunt op uw pagina's een markering voor huidig paginanummer toevoegen om aan te geven waar een paginanummer op de pagina moet komen
te staan en hoe dit eruit moet zien. Omdat een paginanummermarkering automatisch wordt bijgewerkt, is het paginanummer altijd correct, zelfs
wanneer u pagina's aan het document toevoegt, eruit verwijdert of opnieuw rangschikt. Paginanummers kunnen als tekst worden opgemaakt.
Galerie paginanummering
Een paginanummermarkering toevoegen aan een stramienpagina
Markeringen voor paginanummers worden doorgaans toegevoegd aan stramienpagina's. Als stramienpagina's op documentpagina's worden
toegepast, wordt de paginanummering automatisch bijgewerkt. Hetzelfde geldt voor kop- en voetteksten.
Paginanummer op stramien A (links) en pagina 5 op basis van hetzelfde stramien (rechts)
Als het automatische paginanummer op een stramienpagina staat, wordt het voorvoegsel van de stramienpagina weergegeven. Op een
documentpagina geeft het automatische paginanummer het paginanummer weer. Op een plakbord verschijnt de code PB.
1. Dubbelklik in het deelvenster Pagina's op de stramienpagina waaraan u het paginanummer wilt toevoegen. Voor informatie
over het maken van stramienpagina's raadpleegt u Stramienen maken.
2. Maak een nieuw tekstkader dat groot genoeg is voor het langste paginanummer en de tekst die u desgewenst naast het
paginanummer wilt weergeven. Plaats dat tekstkader daar waar u het paginanummer wilt laten weergeven.
Bij documenten met naast elkaar liggende pagina's maakt u aparte tekstkaders voor de linker- en rechterstramienpagina's.
3. Plaats in het tekstkader voor het paginanummer de tekst die voor of na het paginanummer moeten komen te staan (zoals
"Pagina").
4. Klik met de invoegpositie daar waar u het paginanummer wilt plaatsen en kies Tekst > Speciaal teken invoegen >
Markeringen > Huidig paginanummer.
5. Pas de stramienpagina toe op de documentpagina's waarop u de paginanummering wilt weergeven. Voor informatie over het
toepassen van stramienpagina's raadpleegt u Stramienpagina's toepassen.
Als u het paginanummer van de eerste pagina in het document wilt verwijderen, kunt u daarvoor uit twee mogelijkheden kiezen. U kunt een
Een visuele galerie en handige tips voor het
toevoegen van paginanummers.... Lees
meer
http://goo.gl/KKJvd
door Bob Bringhurst
Lever een bijdrage aan
Adobe Community Help
De voorwaarden van Creative Commons zijn niet van toepassing op Twitter™- en Facebook-berichten.
Juridische kennisgevingen | Onlineprivacybeleid
Naar boven
Opmerking:
Naar boven
ander stramien of het stramien Geen toepassen, of het stramientekstkader op de documentpagina vervangen en verwijderen. Houd de
toetsencombinatie Ctrl/Cmd+Shift ingedrukt en klik op een stramientekstkader om het nummer te vervangen.
De stijl van de paginanummering wijzigen
Pagina's worden standaard genummerd met Arabische cijfers (1, 2, 3...), maar u kunt pagina's ook met kleine Romeinse cijfers (i, ii, iii...),
standaard Romeinse cijfers (I, II, III...) of alfanumeriek (a, b, c...) nummeren. U kunt ook pagina's nummeren met gebruikmaking van voorafgaande
nullen. Elk deel van het document waarvoor een andere nummeringsstijl wordt gebruikt, wordt een sectie genoemd. Voor meer informatie over
secties raadpleegt u Sectienummering definiëren.
In Japanse, Chinese of Koreaanse versies worden standaard de Arabische cijfers gebruikt voor paginanummers. Als u echter de opdracht
Nummerings- en sectie-opties gebruikt, kunt u de stijl van de nummering opgeven, zoals Romeinse cijfers, Arabische cijfers, Kanji enzovoort. Met
de optie Stijl kunt u het aantal cijfers in het paginanummer selecteren, bijvoorbeeld 001 of 0001. Elk deel van het document waarvoor een andere
nummeringsstijl wordt gebruikt, wordt een sectie genoemd. Voor meer informatie over secties raadpleegt u Sectienummering definiëren.
In het dialoogvenster Nummerings- en sectie-opties kunt u een andere opmaak voor de paginanummeringsstijl instellen. U kunt dit dialoogvenster
ook gebruiken om de paginanummering opnieuw te laten starten of om een specifiek nummer in te stellen waarmee u de paginanummering wilt
laten starten.
1. Selecteer in het deelvenster Pagina's de pagina waarop u de nieuwe nummeringsstijlsectie wilt laten beginnen.
2. Kies Layout > Nummerings- en sectie-opties.
3. Geef de gewenste opties op en klik op OK. Zie Opties voor documentnummering.
Een pictogram van de sectie-indicator verschijnt boven het paginapictogram in het deelvenster Pagina's, ter indicatie van het begin van een
nieuwe sectie.
Een cijfer of letter vóór het huidige paginanummer dat u hebt ingevoegd, geeft aan dat er een sectievoorvoegsel is opgenomen. Als
u dit voorvoegsel niet wilt gebruiken, schakelt u Voorvoegsel opnemen bij paginanummering in het dialoogvenster Nummerings- en sectie-opties
uit.
Algemene taken voor paginanummering
InDesign bevat verschillende functies waarmee u paginanummeringseffecten kunt maken.
Resultaat:Handeling:
Paginanummering toevoegen aan documenten in een boek.Zie Paginanummering toevoegen aan pagina's, hoofdstukken en
paragrafen in een boek.
Sectie- en hoofdstuknummers toevoegen.Zie Sectie- en hoofdstuknummering toevoegen.
Doorlopende kop- of voettekst maken die gebruikmaakt van
tekstvariabelen zoals de aanmaakdatum, de bestandsnaam of de
actieve koptekst of titel.
Zie Kop- en voetteksten en tekstvariabelen maken.
Het effect "Pagina x van y" maken waarin x de huidige pagina is
en y het totale aantal pagina's.Een markering voor het huidige paginanummer voor x invoegen
en de tekstvariabele voor het laatste paginanummer voor y
invoegen (kies Tekst > Tekstvariabelen > Variabele invoegen >
Laatste paginanummer).
Een "Vervolg op pagina x"-sprongregel voor artikelen maken.Zie Automatische paginanummers toevoegen voor
artikelsprongen.
Gekoppelde inhoud | CS6
Naar boven
Inhoud verzamelen
Inhoud plaatsen
Koppeling maken
Stijlen toewijzen
Gereedschappen voor Inhoud verzamelen
Plaatsen en koppelen
Koppelingsopties opgeven
Aangepaste stijltoewijzing
Een gekoppeld item bijwerken
Het is niet eenvoudig om inhoud van verschillende pagina's te dupliceren. Daarnaast is het kopiëren en plakken vaak omslachtig en kost het veel
tijd. Gebruik de eigenschappen van gekoppelde inhoud om meerdere versies van inhoud te beheren. U kunt inhoud plaatsen of koppelen binnen
hetzelfde document of zelfs in verschillende documenten. Met gekoppelde inhoud wordt het gemakkelijker om opkomende workflows te
ondersteunen waarin u bijvoorbeeld voor verticale en horizontale layouts moet ontwerpen. Gekoppelde inhoud is ook handig voor traditionele
drukwerk- en publicatieworkflows waarin u vaste gegevens op verschillende pagina's synchroniseert.
Het gedrag van gekoppelde inhoud is vergelijkbaar met dat van conventionele koppelingen. Zie Het deelvenster Koppelingen gebruiken voor een
overzicht. U kunt een object aanwijzen als bovenliggend item en dit vervolgens op andere locaties plaatsen als een onderliggende object. Wanneer
u het bovenliggende object bijwerkt, worden de onderliggende objecten gemarkeerd en kunt u ze bijwerken zodat ze gelijk zijn aan het
bovenliggende item.
U kunt objecten plaatsen en koppelen met het gereedschap Inhoud verzamelen, of door de menuopdracht Bewerken > Plaatsen en koppelen te
kiezen.
Het pictogram wordt weergegeven in de linkerbovenhoek van het gekoppelde object. Het item wordt in het deelvenster Koppelingen
weergegeven als een gekoppeld object.
Gereedschappen voor Inhoud verzamelen
Met de gereedschappen Inhoud verzamelen en Inhoud plaatsen kunt u pagina-items dupliceren en deze in geopende InDesign-documenten
plaatsen. Terwijl inhoud wordt verzameld, wordt deze weergegeven in de inhoudsconveyor. Gebruik de inhoudsconveyor om gemakkelijk en snel
meerdere pagina-items binnen en tussen geopende documenten te plaatsen en te koppelen.
Klik op in de gereedschapsset om de inhoudsconveyor te openen.
Gebruik het gereedschap Inhoud verzamelen om een object te selecteren en toe te voegen aan de conveyor
Gebruik Inhoud plaatsen om een paginaobject op een pagina te plaatsen
Druk op B om te schakelen tussen Inhoud verzamelen en Inhoud plaatsen.
Inhoudsconveyor
A. Inhoud verzamelen B. Inhoud plaatsen C. Koppeling maken D. Stijlen toewijzen E. Aangepaste stijltoewijzing bewerken F. Opties voor
plaatsen G. Bladeren H. Alle verbonden kaders verzamelen I. Conveyor laden
Gebruik Inhoud verzamelen om pagina-items aan de inhoudsconveyor toe te voegen.
Gebruik Inhoud plaatsen om de items in de inhoudsconveyor toe te voegen aan het document. Wanneer u dit gereedschap
selecteert, wordt het huidige item toegevoegd aan het gereedschap Plaatsen.
Schakel Koppeling maken in om het geplaatste item aan de oorspronkelijke locatie van het verzamelde item te koppelen. U
kunt de koppelingen beheren met behulp van het deelvenster Koppelingen.
Wijs alinea-, teken-, tabel- of celstijlen toe tussen de oorspronkelijke en geplaatste objecten. Standaard worden stijlnamen
gebruikt voor toewijzingen. Zie Aangepaste stijltoewijzing.
Aangepaste stijltoewijzing bewerken
Opties voor plaatsen
Bladeren
Alle verbonden kaders verzamelen
Conveyor laden
Naar boven
Naar boven
Definieer de aangepaste stijltoewijzing tussen de originele en geplaatste items. Wijs de stijlen toe
om originele stijlen in het geplaatste item automatisch te vervangen.
Geef de opties voor de conveyor op tijdens het plaatsen van items.
Items verwijderen uit de conveyor nadat u ze hebt geplaatst
Plaats het huidige item meerdere malen. Het item blijft geladen in het gereedschap Plaatsen.
Plaats het item en ga door naar het volgende item. Het item wordt echter in de conveyor bewaard.
Hiermee bladert u door de items in de inhoudsconveyor.
Schakel deze optie in om alle verbonden kaders te verzamelen. Het artikel en alle kaders worden
verzameld. Als deze optie is uitgeschakeld, wordt het artikel verzameld in één kader.
Gebruik om items in de inhoudsconveyor te laden.
Selectie: Gebruik deze optie om alle geselecteerde items te laden
Pagina's: Gebruik deze optie om alle items op de opgegeven pagina's te laden
Alles: Gebruik deze optie om items op alle pagina's en het plakbord te laden
Schakel Eén set maken in om alle items in één set te groeperen.
U kunt afzonderlijke pagina-items verzamelen, of verwante items verzamelen als 'sets'. In sommige gevallen creëert InDesign automatisch sets om
de relationele integriteit van de pagina-items te behouden.
Hieronder volgen enkele methoden voor het verzamelen van items, zoals handmatig als automatisch:
Een aantal items selecteren met het selectiekader
Gebruik de optie Conveyor laden en selecteer vervolgens het paginabereik of alle documentinhoud of geselecteerde items. De
items worden dan dienovereenkomstig verzameld in een set.
Verzamel een item met gekoppelde inhoud als onderdeel van een interactieve knop waaraan andere items en statussen zijn
gekoppeld; hierdoor worden alle verwante items verzameld in een set (deze set wordt altijd in een beweging gemaakt).
Verzamel een tekstvak met tekst met verbindingen die andere objecten omvatten en als het selectievakje 'Alle verbonden
kaders verzamelen' op de conveyor is ingeschakeld, worden alle verbonden tekstvakken in een set gekozen.
Plaatsen en koppelen
1. Selecteer een paginafunctie door het tekstkader te selecteren of de invoegcursor in de tekst te plaatsen. U kunt ook meerdere
items ook selecteren door Shift+klikken te gebruiken.
2. Kies Bewerken > Plaatsen en koppelen. De cursor wordt met de items geladen en weergeven in de Inhoudsconveyor.
3. Klik op een pagina of teken een kader om het gekoppelde item te plaatsen.
Koppelingsopties opgeven
1. Selecteer het gekoppelde item in het deelvenster Koppelingen.
2. Kies de optie Koppelingsopties in het menu van het deelvenster Koppelingen.
Koppeling bijwerken tijdens opslaan van document
Waarschuwen als bijwerken van koppeling lokale bewerkingen overschrijft
Lokale bewerkingen behouden wanneer objectkoppelingen worden bijgewerkt
Geforceerde regeleinden verwijderen uit artikel
Aangepaste stijltoewijzing definiëren
Druk op Alt (Windows) of Option (Mac OS) om de knop Annuleren te wijzigen in Herstellen. Klik op Herstellen om terug te
gaan naar de standaardopties.
3. Selecteer de gewenste opties:
Schakel deze optie in als u de koppeling wilt bijwerken wanneer u het
document opslaat.
Schakel deze optie in om een
waarschuwingsbericht weer te geven wanneer met het bijwerken van de koppeling eventuele lokale bewerkingen in het
gekoppelde object worden overschreven.
Selecteer een van de beschikbare
categorieën om lokale bewerkingen op te slaan bij het bijwerken van koppelingen.
Inschakelen om geforceerde regeleinden in het artikel te verwijderen. Door
het verwijderen van regeleinden kan de tekst opnieuw gelijkmatig in het gekoppelde kader worden geplaatst als het wordt
gewijzigd of opnieuw wordt uitgevoerd.
Schakel deze optie in als u stijlen wilt toewijzen en in plaats daarvan automatisch een
andere stijl wilt toepassen op de gekoppelde inhoud. Zie Aangepaste stijltoewijzing.
Als u standaardkoppelingsopties wilt opgeven met alle documenten gesloten, opent u het menu van het deelvenster Koppelingen en kiest u
Koppelingsopties.
CategorieVoorbeelden
Vormgeving
Stijlkenmerken van objecten zoals Lijn, Vulling, Effecten.
Hiermee sluit u tekst of aan tekstkaders gerelateerde
kenmerken, zoals overdrukken, niet-afdrukbare
instellingen enzovoort, uit.
Grootte en vormHoogte, breedte, transformaties, tekstkaderkenmerken
geplaatst of geplakt en effecten en instellingen die
rechtstreeks op dergelijke objecten worden toegepast.
Overige
Kenmerken die zijn uitgesloten van andere categorieën,
zoals tekstomloop in kaders, objectexportopties,
tekstkaderkenmerken, zoals basislijnopties, opties voor
automatisch passend maken, verticale uitvulling
enzovoort.
De voorwaarden van Creative Commons zijn niet van toepassing op Twitter™- en Facebook-berichten.
Juridische kennisgevingen | Onlineprivacybeleid
Naar boven
Naar boven
Aangepaste stijltoewijzing
Tekststijlen (alinea, teken, tabel, cel) of stijlgroepen kunnen aan verschillende stijlen worden toegewezen tijdens het koppelen. De toegewezen
stijlen worden automatisch toegepast op de gekoppelde inhoud in plaats van de oorspronkelijke stijl die is toegepast op de bovenliggende inhoud.
Aangepaste stijltoewijzing is bijvoorbeeld handig wanneer u sans-serif lettertypen wilt gebruiken voor digitale publicaties en lettertypen met serif
voor gedrukte publicaties, of als u voor horizontale en verticale layouts een verschillende tekststijl wilt gebruiken.
U definieert de aangepaste stijltoewijzing als volgt:
Schakel in het dialoogvenster Koppelingsopties (deelvenster Koppelingen > Koppelingsopties) Aangepaste stijltoewijzing
definiëren in en klik vervolgens op Instellingen.
Klik op in de Inhoudsconveyor.
Aangepaste stijltoewijzing
1. Selecteer een brondocument en Stijltype.
2. Klik op Nieuwe stijltoewijzing.
3. Kies de bron en toegewezen stijlen of stijlgroepen uit de lijst
Druk op Alt (Windows) of Option (Mac OS) om de Knop Annuleren te wijzigen in Herstellen. Klik op Herstellen om terug te gaan naar de
standaardopties.
Een gekoppeld item bijwerken
Als een origineel item wordt gewijzigd, wordt het symbool weergegeven boven het kader en in het deelvenster Koppelingen. Bijwerken doet u
als volgt:
Klik op bijna links boven aan het kader.
Dubbelklik in het deelvenster Koppelingen op het symbool .
Als u lokale wijzigingen hebt aangebracht in een onderliggend artikel, worden de wijzigingen overschreven met inhoud van het originele artikel. Als
u de optie Waarschuwen als bijwerken van koppeling lokale bewerkingen overschrijft instelt, wordt er een waarschuwingsbericht weergegeven.
Gebruik het deelvenster Koppelingsinfo om te controleren of u plaatselijk wijzigingen in het artikel hebt aangebracht; de Artikelstatus geeft
“Tekst gewijzigd” aan als u wijzigingen hebt aangebracht.
Over pagina's en spreads
Naar boven
De weergave van de pagina en spread wijzigen
Een pagina of spread activeren of selecteren
Nieuwe pagina's toevoegen aan een document
Kleurlabels voor paginaminiaturen maken
Wanneer u de optie Pagina's naast elkaar selecteert in het venster Documentinstelling (Bestand > Documentinstelling), worden de pagina's van
het document gerangschikt in spreads. Een spread is een reeks pagina's die samen worden weergegeven, zoals de twee pagina's die u ziet
wanneer u een boek of tijdschrift openslaat. Elke spread in InDesign bevat een eigen plakbord. Dit is een gebied buiten de pagina waarop u
objecten kunt plaatsen die nog niet op de pagina moeten worden geplaatst. Op het plakbord van elke spread kunt u de objecten plaatsen die
aflopen of buiten de rand van een pagina vallen.
Het venster Pagina's
A. Paginapictogrammen B. Pagina met stramien “A” toegepast C. Geselecteerde spread
Wanneer u de optie Binding instelt op Van rechts naar links in het dialoogvenster Documentinstelling, worden de nummers van rechts naar links
gekoppeld aan de paginapictogrammen in het deelvenster Pagina's.
In een groot document kunt u snel naar een bepaalde pagina gaan door Layout > Ga naar pagina te kiezen.
De weergave van de pagina en spread wijzigen
Het deelvenster Pagina's biedt informatie en controle over pagina's, spreads en stramienen (pagina's of spreads die automatisch de opmaak van
andere pagina's of spreads bepalen). Standaard wordt in het deelvenster Pagina's de inhoud van elke pagina als een miniatuur weergegeven.
1. Als het deelvenster Pagina's niet zichtbaar is, kiest u Venster > Pagina's.
2. Kies Deelvensteropties in het menu van het deelvenster Pagina's.
3. Geef in het gedeelte Pictogrammen op welke pictogrammen u wilt weergeven naast de paginaminiaturen in het deelvenster
Pagina's. Deze pictogrammen geven aan of transparantie of paginaovergangen aan een spread zijn toegevoegd en of de
spreadweergave geroteerd is.
4. Doe het volgende in de secties Pagina's en Stramienen:
Selecteer een pictogramgrootte voor pagina's en stramienen.
Schakel de optie Verticaal tonen in als u de spreads in één verticale kolom wilt weergeven. Schakel deze optie uit als u de
spreads naast elkaar wilt weergeven.
Selecteer Miniaturen tonen om de inhoud van elke pagina of stramien als een miniatuur weer te geven. (Deze optie is niet
beschikbaar wanneer bepaalde instellingen zijn geselecteerd voor de pictogramgrootte.)
5. Selecteer in de sectie Layout van deelvenster de optie Pagina's boven om de sectie met het paginapictogram boven de sectie
met het stramienpictogram weer te geven of selecteer Stramienen boven om de sectie met het stramienpictogram boven de
sectie met het paginapictogram weer te geven.
6. Kies een optie in het menu Formaat wijzigen om te bepalen hoe de secties worden weergegeven wanneer het formaat van
het deelvenster wordt gewijzigd:
Naar boven
Naar boven
Naar boven
Proportioneel om het formaat van de pagina- en de stramiensectie van het deelvenster te wijzigen.
Vaste pagina's om het formaat van de sectie Pagina's te behouden en alleen het formaat van de stramiensectie te
wijzigen.
Vaste stramienen om het formaat van de stramiensectie te behouden en alleen het formaat van de paginasectie te
wijzigen.
Een pagina of spread activeren of selecteren
U kunt pagina's of spreads selecteren of activeren, afhankelijk van de taak die u uitvoert. Sommige opdrachten zijn van invloed op de
geselecteerde pagina of spread, terwijl andere opdrachten van invloed zijn op de doelpagina of -spread. Zo kunt u bijvoorbeeld liniaalhulplijnen
alleen naar de doelpagina of -spread slepen, maar paginagerelateerde opdrachten, zoals Spread dupliceren of Pagina verwijderen, zijn van
invloed op de pagina of spread die is geselecteerd in het deelvenster Pagina's. Bij activering wordt een pagina of spread actief. Dit is handig
wanneer er bijvoorbeeld meerdere spreads in het documentvenster zichtbaar zijn en u een object wilt plakken op een bepaalde spread.
Doe het volgende in het deelvenster Pagina's:
Als u een pagina of spread wilt activeren en selecteren, dubbelklikt u op het bijbehorende pictogram of de paginanummers
onder het pictogram. Als de pagina of spread niet zichtbaar is in het documentvenster, komt deze in beeld.
Tip: U kunt een pagina of spread ook activeren en selecteren door op een pagina, een object op de pagina of het plakbord
van de pagina in het documentvenster te klikken.
De verticale liniaal wordt overal grijs behalve op de geactiveerde pagina of spread.
U selecteert een pagina door op het pictogram van de pagina te klikken. Dubbelklik alleen op een pagina als u deze wilt
activeren en helemaal wilt weergeven.
U selecteert een spread door op de paginanummers onder het pictogram van de spread te klikken.
Opmerking: Bepaalde opties voor spreads, zoals de opties in het menu van het deelvenster Pagina's, zijn alleen
beschikbaar wanneer u een volledige spread hebt geselecteerd.
Pagina 1 is geactiveerd en pagina 5 is geselecteerd (links), en pagina 1 is geactiveerd en de hele spread is geselecteerd
(rechts).
Nieuwe pagina's toevoegen aan een document
Ga als volgt te werk:
U voegt een pagina na de actieve pagina of spread in door te klikken op de knop Nieuwe pagina in het deelvenster
Pagina's of door Layout > Pagina's > Pagina toevoegen te kiezen. De nieuwe pagina is gebaseerd op hetzelfde stramien
als de bestaande actieve pagina.
U kunt meerdere pagina's toevoegen aan het einde van het document door Bestand > Documentinstelling te kiezen. Geef
in het dialoogvenster Documentinstelling het totale aantal pagina's voor het document op. In InDesign worden pagina's na
de laatste pagina of spread toegevoegd.
U kunt pagina's toevoegen en het documentstramien opgeven door Pagina's invoegen te kiezen in het menu van het
deelvenster Pagina's, of met de opdracht Layout > Pagina's > Pagina's invoegen. Kies waar de pagina's worden
toegevoegd en selecteer een stramienpagina die u wilt toepassen.
Kleurlabels voor paginaminiaturen maken
U kunt in het deelvenster Pagina's kleurlabels toewijzen aan de paginaminiaturen. Met kleurlabels kunt u bijvoorbeeld de status van de pagina's
aangeven, zo kan een groen label naar voltooide spreads verwijzen, een geel label naar spreads die nog niet klaar zijn en een rood label naar
spreads waaraan nog niet is gewerkt.
1. Selecteer in het deelvenster Pagina's de pagina's waarop u de kleurlabels wilt toepassen.
De voorwaarden van Creative Commons zijn niet van toepassing op Twitter™- en Facebook-berichten.
Juridische kennisgevingen | Onlineprivacybeleid
2. Kies Kleurlabel in het menu van het deelvenster Pagina's en kies de gewenste kleur.
Het kleurlabel wordt onder de miniatuur weergegeven in het deelvenster Pagina's.
Een kleurlabel dat op stramienpagina's wordt toegepast, beïnvloedt alle pagina's waarop de stramienpagina wordt toegepast. Wanneer u echter
een kleurlabel toepast op afzonderlijke documentpagina's, wordt het kleurlabel voor de documentpagina's gebruikt. U kunt een kleurlabel gebruiken
voor stramienpagina's door de documentpagina's die u wilt wijzigen te selecteren en Kleurlabel > Hoofdkleur gebruiken in het deelvenstermenu
Pagina's te kiezen.
Objecten uitlijnen en verdelen
Naar boven
Naar boven
Overzicht van het deelvenster Uitlijnen
Objecten uitlijnen of verdelen
Objecten uitlijnen met het gereedschap Tussenruimte
Objecten verdelen met Actief verdelen
Overzicht van het deelvenster Uitlijnen
U kunt het deelvenster Uitlijnen (Venster > Object en layout > Uitlijnen) gebruiken om objecten horizontaal of verticaal uit te lijnen of te verdelen
langs de selectie, marges, pagina of spread. Denk aan het volgende wanneer u werkt met het deelvenster Uitlijnen:
Het deelvenster Uitlijnen is niet van invloed op objecten waarvoor u de opdracht Positie vergrendelen hebt gekozen en wijzigt
de uitlijning van tekstalinea's in kaders niet.
Tekstuitlijning wordt niet beïnvloed door de opties die zijn ingesteld bij Objecten uitlijnen. (Zie Tekst uitlijnen of uitvullen.)
In het dialoogvenster Sneltoetsen (Bewerken > Sneltoetsen) kunt u aangepaste sneltoetsen instellen voor uitlijning en
verdeling. (Selecteer Objecten in Productgebied.)
Uitlijnen, deelvenster
A.Knoppen voor verticale uitlijningB.Knoppen voor verticale verdelingC.Afstandverdeling gebruikenD.Knoppen voor horizontale
uitlijningE.Knoppen voor horizontale verdelingF.Opties voor uitlijningslocatie
Objecten uitlijnen of verdelen
In het deelvenster Uitlijnen kunt u geselecteerde objecten horizontaal of verticaal uitlijnen of gelijkmatig verdelen op de selectie, marges, pagina of
spread.
Horizontaal verdeelde objecten op basis van selectie (boven) en ten opzicht van marges (onder)
1. Selecteer de objecten die u wilt uitlijnen of verdelen.
2. Kies Venster > Object en layout > Uitlijnen om het deelvenster Uitlijnen weer te geven.
Als u meer deelvensteropties wilt weergeven of verbergen, kiest u Opties tonen of Opties verbergen in het menu van het
deelvenster.
3. Geef in het menu onder aan het deelvenster op of u de objecten wilt uitlijnen of verdelen op basis van de selectie, marges,
pagina of spread.
4. Ga op een van de volgende manieren te werk:
Als u objecten wilt uitlijnen, klikt u op de knop voor het gewenste type uitlijning.
Als u objecten wilt verdelen, klikt u op de knop voor het gewenste type verdeling. Als u bijvoorbeeld op de knop
Linkerranden distribueren klikt en Uitlijnen op selectie is ingeschakeld, wordt aan elke linkerrand van alle geselecteerde
objecten dezelfde afstand toegevoegd.
De opties van Horizontaal midden distribueren gebruiken voor een gelijkmatige verdeling
A.Hiermee zorgt u dat de afstand tussen de middelpunten van de objecten steeds gelijk isB.Hiermee houdt u de
algehele breedte hetzelfde als voorafgaand aan de transformatie
Als u de afstand tussen de middelpunten of de randen van objecten wilt instellen, selecteert u Afstand gebruiken onder
Objecten verdelen en typt u vervolgens de afstand die u wilt toepassen. Klik op een knop om de geselecteerde objecten
langs hun horizontale of verticale as te verdelen.
De opties van Horizontaal midden distribueren gebruiken en een waarde toevoegen voor Afstand gebruiken
A.Hiermee worden de middelpunten van de objecten op een gelijke afstand geplaatst op basis van een opgegeven
waardeB.Hiermee wordt de algehele breedte van de objecten als een groep gewijzigd
Als u de afstand tussen objecten wilt instellen (tussen tegenoverliggende randen), selecteert u Afstand gebruiken onder
Afstand verdelen en geeft u de gewenste afstand tussen de objecten op. (Als de optie Afstand verdelen niet zichtbaar is,
kiest u Opties tonen in het menu van het deelvenster Uitlijnen.) Klik op de knop Afstand verdelen om de objecten te
verdelen over de horizontale of verticale as.
Naar boven
Naar boven
De opties van Horizontale ruimte distribueren gebruiken en een waarde toevoegen voor Afstand gebruiken
A.Hiermee maakt u afstanden van een opgegeven waarde tussen elk objectB.Hiermee wordt de algehele breedte van
de objecten als een groep gewijzigd
Wanneer u gelijkmatige afstand met verticale verdeling gebruikt, worden de geselecteerde objecten van onder tot boven gelijkmatig verdeeld, te
beginnen bij het bovenste object. Wanneer u gelijkmatige afstand met horizontale verdeling gebruikt, worden geselecteerde objecten van links tot
rechts gelijkmatig verdeeld, te beginnen bij het object dat zich het meest links bevindt.
U kunt ook gebruikmaken van de functie Slim spatiëren om objecten uit te lijnen of te verdelen terwijl u ze verplaatst. Als twee verticale
objecten bijvoorbeeld 12 punten van elkaar verwijderd zijn, worden, als u een derde object 12 punten onder het tweede object verplaatst,
tijdelijke hulplijnen weergegeven, zodat u het object magnetisch kunt uitlijnen.
Objecten uitlijnen met het gereedschap Tussenruimte
Met het gereedschap Tussenruimte kunt u snel de tussenruimte tussen twee of meer objecten aanpassen. U kunt het gereedschap ook gebruiken
om tegelijkertijd het formaat te wijzigen van meerdere objecten met op dezelfde manier uitgelijnde randen, waarbij de tussenruimte tussen de
objecten ongewijzigd blijft. U kunt zo uw layout in één stap aanpassen door de ruimte tussen objecten rechtstreeks te bewerken.
Het gereedschap Tussenruimte negeert vergrendelde objecten en stamienpagina-items.
Op www.adobe.com/go/lrvid5155_id_nl vindt u een videodemo over het gebruik van het gereedschap Tussenruimte.
1. Selecteer het gereedschap Tussenruimte .
2. Plaats de aanwijzer tussen twee objecten en voer een of meer van de volgende handelingen uit.
Sleep om de tussenruimte te verplaatsen en het formaat van alle objecten langs de tussenruimte te wijzigen.
Houd Shift ingedrukt en sleep om alleen de tussenruimte tussen de twee dichtstbijzijnde objecten te verplaatsen.
Houd Ctrl (Windows) of Command (Mac OS) ingedrukt om het formaat van de tussenruimte te wijzigen in plaats van deze
te verplaatsen. Als u Shift ook ingedrukt houdt, wordt alleen de tussenruimte tussen de twee dichtstbijzijnde objecten
aangepast.
Houd Alt (Windows) of Option (Mac OS) ingedrukt om de tussenruimte en de objecten in dezelfde richting te verplaatsen.
Als u ook Shift ingedrukt houdt, worden alleen de twee dichtstbijzijnde objecten verplaatst.
Houd Ctrl+Alt (Windows) of Command+Option (Mac OS) ingedrukt om de grootte van de tussenruimte te wijzigen en de
objecten te verplaatsen. Houd ook Shift ingedrukt om alleen de tussenruimte tussen de twee dichtstbijzijnde objecten te
wijzigen en alleen deze objecten te verplaatsen.
Selecteer het gereedschap Tussenruimte en open het deelvenster Gereedschaphints (Venster > Hulpmiddelen > Gereedschaphints) om
informatie over het gereedschap Tussenruimte weer te geven.
Objecten verdelen met Actief verdelen
Wanneer u meerdere geselecteerde objecten transformeert, kunt u de ruimte tussen de geselecteerde objecten proportioneel aanpassen. U hoeft
het formaat van de objecten dan niet aan te passen. U kunt dus de tussenruimte tussen vijf uitgelijnde rechthoeken aanpassen zonder de
opdrachten voor verdelen te gebruiken.
Op http://tv.adobe.com/go/4949/nl vindt u een video over het gebruik van Live Distribute.
1. Selecteer de objecten.
2. Begin een selectiekadergreep te slepen en houd de spatiebalk tijdens het slepen ingedrukt. Blijf slepen om de tussenruimte
tussen de objecten te wijzigen.
Meer Help-onderwerpen
Juridische kennisgevingen | Onlineprivacybeleid
Uitknippaden
Naar boven
Naar boven
Uitknippaden
Bijsnijden met het pad of alfakanaal van een afbeelding
Automatisch een uitknippad maken
Opties voor uitknippaden
Een uitknippad omzetten in een afbeeldingskader
Uitknippaden
Met uitknippaden kunt u een gedeelte van de illustratie uitsnijden, zodat alleen dit gedeelte zichtbaar is door de vorm of vormen die u maakt. U
kunt met uitknippaden ongewenste delen van een afbeelding verbergen door zowel een pad voor de afbeelding als een kader voor de afbeelding
te maken. Houd het uitknippad en het afbeeldingskader gescheiden, zodat u met het gereedschap Direct selecteren en andere
tekengereedschappen in de gereedschapsset het pad kunt wijzigen zonder het kader aan te passen.
U kunt op de volgende manieren uitknippaden maken:
Plaats opgeslagen afbeeldingen met paden of alfakanalen (maskers), die automatisch door InDesign kunnen worden gebruikt.
Met programma's als Adobe Photoshop kunt u paden en alfakanalen aan afbeeldingen toevoegen.
Gebruik de optie Randen zoeken van de opdracht Uitknippad om een uitknippad te genereren voor een afbeelding die zonder
pad is opgeslagen.
Teken met het gereedschap Pen een pad in de gewenste vorm en plak de afbeelding in het pad met de opdracht Plakken in.
Als u automatisch een uitknippad genereert, wordt een InDesign-uitknippad aan de afbeelding gekoppeld. De afbeelding is dan uitgeknipt door het
pad en bijgesneden door het kader.
Opmerking: Het afbeeldingskader heeft de kleur van de laag waarop het verschijnt en het uitknippad wordt getekend in een contrasterende kleur.
Als bijvoorbeeld de laag blauw is, is het afbeeldingskader blauw en het uitknippad oranje.
Bijsnijden met het pad of alfakanaal van een afbeelding
InDesign kan een geïmporteerde EPS-, TIFF- of Photoshop-afbeelding uitsnijden met het uitknippad of alfakanaal dat is opgeslagen met het
bestand. Als een geïmporteerde afbeelding meerdere paden of alfakanalen bevat, kunt u het pad of alfakanaal kiezen dat u wilt gebruiken voor het
uitknippad.
Een alfakanaal is een onzichtbaar kanaal waarmee de transparante gebieden van een afbeelding worden gedefinieerd. Alfakanalen worden in een
afbeelding met de RGB- of CMYK-kanalen opgeslagen. Alfakanalen worden veel in video-effecten gebruikt. De standaardtransparantie (het
schaakbordpatroon) van Photoshop wordt automatisch door InDesign als een alfakanaal herkend. Als de afbeelding een dekkende achtergrond
heeft, moet u Photoshop gebruiken voor het verwijderen van de achtergrond of voor het maken en opslaan van een of meer alfakanalen bij de
afbeelding. In Adobe Photoshop kunt u alfakanalen maken met de functies voor het verwijderen van de achtergrond, zoals laagmaskers, het palet
Kanalen, het achtergrondgummetje of het tovergummetje.
Resultaten van alfakanalen en ingesloten paden
A.Originele afbeeldingB. AlfakanaalC.Geplaatste afbeeldingD.Originele afbeeldingE.Afbeelding met ingesloten padF. Geplaatste
afbeelding
Naar boven
Naar boven
Wanneer u een Photoshop-bestand plaatst, kunt u in het dialoogvenster Importopties afbeelding een standaarduitknippad kiezen of een
alfakanaal selecteren voor het uitknippen.
1. Selecteer een geïmporteerde afbeelding en kies Object > Uitknippad.
2. Kies de optie Photoshop-pad of Alfakanaal in het menu Type van het dialoogvenster Photoshop-pad .
3. Kies het gewenste pad of alfakanaal in het menu Pad of Alfa.
Opmerking: Is de opdracht in het menu Alfakanaal niet beschikbaar, dan zijn er geen alfakanalen bij de afbeelding
opgeslagen.
4. Als u het uitknippad wilt inzetten, typt u een waarde in het veld Pad krimpen.
5. Als u wilt schakelen tussen zichtbare en verborgen gebieden, kiest u Omkeren.
6. Als u een alfakanaal kiest, geeft u eventuele andere gewenste opties voor uitknippaden op en klikt u op OK.
Als u het uitknippad wilt uitschakelen, selecteert u de geïmporteerde afbeelding en kiest u Object > Uitknippad. Kies Geen in het menu Soort
en klik op OK.
Automatisch een uitknippad maken
Als u de achtergrond wilt verwijderen van een afbeelding zonder uitknippad, doet u dat automatisch met de optie Randen zoeken in het venster
Uitknippad. Met de optie Randen zoeken verbergt u de lichtste of donkerste delen van een afbeelding. Het resultaat is dus het fraaist als het
onderwerp tegen een witte of zwarte achtergrond is geplaatst.
Geschikt (links) en ongeschikt (rechts) voor automatisch uitknippad.
1. Selecteer een geïmporteerde afbeelding en kies Object > Uitknippad.
2. Kies in het venster Uitknippad de optie Randen zoeken in het menu Type. Standaard worden de lichtste tonen uitgesloten.
Selecteer ook Omkeren om de donkerste tonen uit te sluiten.
3. Geef de opties voor uitknippaden op en klik op OK.
Opties voor uitknippaden
DrempelHiermee geeft u de donkerste pixelwaarde op om het uiteindelijke uitknippad te definiëren. Met een hogere waarde maakt u meer pixels
transparant doordat u een hogere lichtheidswaarde aan het verborgen gebied toevoegt. De laagste waarde is 0 (wit). Als u bijvoorbeeld een zeer
lichte slagschaduw wilt verwijderen bij het gebruik van Randen zoeken, verhoogt u de drempel tot de schaduw is verdwenen. Als lichtpixels
onbedoeld onzichtbaar zijn geworden, is de drempelwaarde te hoog.
Drempelwaarde 25 (links) en 55 (rechts)
TolerantieHiermee geeft u aan in hoeverre de lichtheidswaarde van een pixel mag overeenkomen met de drempelwaarde voordat de pixel door
het uitknippad wordt verborgen. Een hogere tolerantiewaarde is nuttig voor het verwijderen van ongewenste hobbels als gevolg van losse pixels
die iets donkerder zijn dan de lichtheidswaarde bij Drempel. Met hogere tolerantiewaarden maakt u meestal een vloeiender, losser uitknippad,
doordat u de reeks waarden verhoogt bij de tolerantiewaarde die losse, donkerdere pixels omvat. Met een lagere tolerantiewaarde genereert u een
strakker uitknippad met kleinere variaties in waarden. Lagere tolerantiewaarden zorgen voor een grover uitknippad door het toevoegen van
ankerpunten, wat het afdrukken van de afbeelding kan bemoeilijken.
Naar boven
Tolerantiewaarde 0 (links) en 5 (rechts)
Pad krimpenHiermee zorgt u dat het resulterende uitknippad wordt aangepast aan het uitknippad dat met de waarde bij Drempel en Tolerantie is
gedefinieerd. In tegenstelling tot Drempel en Tolerantie houdt Pad krimpen geen rekening met lichtheidswaarden, maar krimpt de vorm van het
uitknippad proportioneel. Als u de waarde voor Pad krimpen wijzigt, kunt u soms losse pixels verbergen die niet zijn verwijderd met de waarden
voor Drempel en Tolerantie. Geef een negatieve waarde op om het resulterende uitknippad groter te maken dan het pad dat met de waarde bij
Drempel en Tolerantie is gedefinieerd.
Pad krimpen op -0p1 (links) en 0p3 (rechts)
OmkerenHiermee wisselt u de zichtbare en verborgen gedeelten om. Het uitknippad krijgt eerst de donkerste tonen.
Inclusief binnenranden Hiermee maakt u gebieden transparant als ze zich in het oorspronkelijke uitknippad bevinden en als de
lichtheidswaarden ervan binnen de reeks bij Drempel en Tolerantie vallen. Standaard maakt u met Uitknippad alleen de buitenste gebieden
transparant. Met Inclusief binnenranden geeft u "gaten" in een afbeelding goed weer. Deze optie werkt het beste als de helderheidsniveaus van
gebieden die u transparant wilt maken, niet overeenkomen met gebieden die zichtbaar moeten zijn. Als u bijvoorbeeld de optie Inclusief
binnenranden kiest voor een afbeelding van een zilverkleurige bril waarvan de glazen transparant worden, kunnen zeer lichte gebieden van het
montuur ook transparant worden. Als gebieden onbedoeld transparant worden, wijzigt u de waarden bij Drempel, Tolerantie en Pad krimpen.
Beperken tot kaderHiermee maakt u een uitknippad dat bij de zichtbare rand van de afbeelding stopt. Dit kan resulteren in een eenvoudiger pad
als u de afbeelding uitsnijdt met behulp van het afbeeldingskader.
Afbeelding met hoge resolutie gebruiken Hiermee berekent u transparante gebieden met behulp van het bestand zelf om een maximale
precisie te verkrijgen. Als u deze optie uitschakelt, berekent u transparantie op basis van de resolutie van de schermweergave, wat sneller maar
minder nauwkeurig is. Deze optie is niet beschikbaar als u Alfakanaal hebt gekozen, omdat InDesign alfakanalen altijd met de werkelijke resolutie
gebruikt. (Zie Transparantie.)
Een uitknippad omzetten in een afbeeldingskader
Kies Object > Uitknippad > Uitknippad in kader omzetten.
Meer Help-onderwerpen
Alfakanaalmaskers maken en bewerken
Juridische kennisgevingen | Onlineprivacybeleid
Nieuwe documenten maken
Naar boven
Naar boven
Voorinstelling document
Intentie
Aantal pagina's
Eerste paginanummer
Pagina's naast elkaar
Stramientekstkader
Nieuwe documenten maken
Een nieuw document maken
Opties voor nieuwe documenten
Overzicht van het documentvenster
Aangepaste paginaformaten maken
Voorinstellingen voor documenten definiëren
Een document op basis van een voorinstelling maken
Het begin van het ontwerpen van een pagina is vrijwel altijd hetzelfde: u maakt eerst een nieuw document, stelt de pagina's in en geeft marges en
kolommen op of wijzigt de instellingen van het raster.
Een nieuw document maken
1. Kies Bestand > Nieuw > Document.
In het dialoogvenster Nieuw document zijn de vensters Documentinstelling en Marges en kolommen geïntegreerd, zodat u het
paginaformaat, de marges en het aantal kolommen op een pagina in één venster kunt instellen. U kunt al deze instellingen op
elk gewenst moment wijzigen.
2. Geef documentinstellingsopties op. (Zie Opties voor nieuw document.)
Via Meer opties kunt u de afmetingen van het afloopgebied en de witruimte rond de pagina opgeven. Deze gebieden lopen
door tot voorbij de randen van het gedefinieerde paginaformaat. Als u het afloopgebied of de witruimte rond de pagina aan
alle kanten even groot wilt maken, klikt u op het pictogram Maak alle instellingen gelijk .
3. Klik op OK om een nieuw document met de opgegeven instellingen te openen.
Als u standaard layoutinstellingen voor alle nieuwe documenten wilt opgeven, kiest u Bestand > Documentinstelling of Layout > Marges en
kolommen en geeft u de opties op als er geen documenten zijn geopend.
Het layoutraster is alleen bestemd voor layoutdoeleinden. Als u tekst aan uw document wilt toevoegen, voegt u kaderrasters of tekstkaders toe.
Opties voor nieuw document
Kies een voorinstelling die u eerder hebt opgeslagen.
Wanneer u een internetdocument maakt dat moet worden uitgevoerd naar PDF of SWF en u de optie Web kiest, worden er diverse
opties in het dialoogvenster gewijzigd. Zo wordt de optie Pagina's naast elkaar bijvoorbeeld uitgeschakeld, wordt de afdrukstand Liggend gebruikt
en wordt het paginaformaat gebaseerd op de beeldschermresolutie. U kunt deze instellingen allemaal bewerken, maar u kunt de instelling Intentie
niet wijzigen nadat het document is gemaakt.
CS6: de intent Digitale publicatie is toegevoegd voor publicaties die bestemd zijn voor Digital Publishing Suite.
Geef het aantal pagina's op dat u in het nieuwe document wilt maken.
Geef op welk nummer de eerste pagina van het document heeft. Wanneer u een even nummer (bijvoorbeeld 2) opgeeft
en Pagina's naast elkaar is ingeschakeld, begint de eerste spread in het document met een spread van twee pagina's. Zie Een document maken
met een spread met twee pagina's.
Schakel deze optie in als u wilt dat de linker- en rechterpagina naast elkaar worden weergegeven in een spread met twee
pagina's, zoals bij boeken of tijdschriften. Schakel deze optie uit als u elke pagina afzonderlijk wilt weergeven, zoals wanneer u brochures of
posters wilt afdrukken of objecten in de binding wilt laten aflopen.
Nadat u een document hebt gemaakt, kunt u via het deelvenster Pagina's spreads met meer dan twee pagina's maken of de eerste twee pagina's
als een spread laten openen. (Zie Paginering van de spread besturen.)
CS5.5 en ouder: selecteer deze optie om een tekstframe ter grootte van het gebied binnen de margelijnen te maken, in
overeenstemming met de opgegeven kolominstellingen. Het stramientekstkader wordt aan het A-stramien toegevoegd. (Zie Tekstframes op
stramienpagina's gebruiken.)
De optie Stramientekstkader is alleen beschikbaar bij de opdracht Bestand > Nieuw Document.
Primair tekstkader
Paginaformaat
Afdrukstand
Afloopgebied
Witruimte rond pagina
Naar boven
Naar boven
Alleen CS6: selecteer deze optie om een primair tekstkader op de stramienpagina toe te voegen. Wanneer u een nieuwe
stramienpagina toepast, loopt het artikel in het primaire tekstkader automatisch door in het primaire tekstkader van de nieuwe stramienpagina.
Kies in het menu het gewenste paginaformaat of geef bij Breedte en Hoogte de afmetingen op. Het paginaformaat is de
uiteindelijke grootte van het document nadat het afloopgebied of andere markeringen buiten de pagina zijn afgesneden.
Klik op Staand (lang) of Liggend (breed). Deze pictogrammen veranderen als u andere afmetingen voor Paginaformaat
opgeeft. Als u voor Hoogte een hogere waarde invoert, wordt het pictogram Staand geselecteerd. Als u voor Breedte een hogere waarde invoert,
wordt het pictogram Liggend geselecteerd. Als u op een niet-geselecteerd pictogram klikt, veranderen de waarden in de vakken Hoogte en
Breedte.
Tip: Via Meer opties in het dialoogvenster Nieuw document kunt u de afmetingen van het afloopgebied en de witruimte rond de pagina opgeven.
Als u het afloopgebied of de witruimte rond de pagina aan alle kanten even groot wilt maken, klikt u op het pictogram Maak alle instellingen gelijk
.
Dankzij het afloopgebied kunt u objecten afdrukken die zich aan de buitenste rand van het gedefinieerde paginaformaat bevinden.
Als een object aan de rand van een pagina van de vereiste afmetingen wordt geplaatst, kan er enige witruimte zichtbaar zijn aan de rand van het
afgedrukte gebied ten gevolge van een enigszins onjuiste uitlijning tijdens het afdrukken of bijsnijden. Daarom is het verstandig een object dat zich
aan de rand van de pagina met de vereiste afmetingen bevindt, een eindje van de rand te plaatsen en het vervolgens na het afdrukken bij te
snijden. Het afloopgebied wordt weergegeven door middel van een rode lijn in het document. Het is ook mogelijk om voorinstellingen voor het
afloopgebied in het dialoogvenster Afdrukken op te geven.
De witruimte wordt verwijderd wanneer het document tot het definitieve paginaformaat wordt bijgesneden. Deze witruimte
bevat afdrukinformatie, informatie over aangepaste kleurbalken of andere instructies en omschrijvingen voor andere informatie in het document.
Objecten (met inbegrip van tekstkaders) die in de witruimte zijn geplaatst, worden afgedrukt maar verdwijnen als het document wordt bijgesneden
tot het uiteindelijke paginaformaat.
Objecten buiten het afloopgebied of de witruimte (al naar gelang welke het verst doorloopt) worden niet afgedrukt.
Opmerking: U kunt ook via Voorinstelling opslaan de documentinstellingen voor later gebruik opslaan.
Overzicht van het documentvenster
Elke pagina of spread in het document heeft zijn eigen plakbord en hulplijnen, die in de modus Normale weergave zijn te zien. (U schakelt over
naar de normale weergave door Weergave > Schermmodus > Normaal te kiezen.) Wanneer het document wordt weergegeven in een van de
voorvertoningsmodi, wordt het plakbord vervangen door een grijze achtergrond. (Zie Documenten voorvertonen.) U kunt de kleur van de
achtergrond van de voorvertoning en van de hulplijnen wijzigen in de voorkeuren van de hulplijnen en het plakbord.
Document en hulplijnen in de normale weergavemodus
A. Spread (zwarte lijnen) B. Pagina (zwarte lijnen) C. Margehulplijnen (magenta lijnen) D. Kolomhulplijnen (violette lijnen) E. Afloopgebied (rode
lijnen) F. Witruimte rond de pagina (blauwe lijnen)
Opmerkingen over het documentvenster:
De lijnen met een andere kleur zijn liniaalhulplijnen die worden weergegeven in de laagkleur wanneer de desbetreffende laag
is geselecteerd. Zie Lagen.
De kolomhulplijnen staan vóór de margehulplijnen. Als een kolomhulplijn precies vóór een margehulplijn staat, wordt de
margehulplijn hierdoor verborgen.
Aangepaste paginaformaten maken
U kunt aangepaste paginaformaten maken die worden weergegeven in het menu Paginaformaat in het dialoogvenster Nieuw document.
1. Kies Bestand > Nieuw > Document.
2. Kies Paginaformaat in het menu Paginaformaat.
De voorwaarden van Creative Commons zijn niet van toepassing op Twitter™- en Facebook-berichten.
Juridische kennisgevingen | Onlineprivacybeleid
Naar boven
Naar boven
3. Voer een naam voor het paginaformaat in en geef de instellingen voor het paginaformaat op. Klik vervolgens op Toevoegen.
Het bestand New Doc Sizes.txt, waarmee u aangepaste paginaformaten in oudere versies van InDesign kon maken, is niet beschikbaar in
InDesign CS5 of later.
Voorinstellingen voor documenten definiëren
U kunt documentinstellingen voor paginaformaat, kolommen, marges, afloopgebied en witruimte rond pagina's in een voorinstelling opslaan en zo
sneller soortgelijke documenten maken.
1. Kies Bestand > Voorinstellingen document > Opgeven.
2. Klik op Nieuw in het dialoogvenster dat verschijnt.
3. Geef een naam op voor de voorinstelling en selecteer opties voor de basislayout in het dialoogvenster Nieuwe voorinstelling
document. (Zie New Document options voor een beschrijving van elke optie.)
4. Klik tweemaal op OK.
U kunt een documentvoorinstelling als een apart bestand opslaan en dat bestand aan andere gebruikers geven. Met de knoppen Opslaan en
Laden in het dialoogvenster Voorinstellingen document kunt u bestanden met documentvoorinstellingen opslaan en laden.
Een document maken met behulp van een voorinstelling
1. Ga op een van de volgende manieren te werk:.
Kies Bestand > Voorinstelling document > [naam van voorinstelling]. (Hold Shift ingedrukt terwijl u de voorinstelling kiest
voor het maken van een nieuw document op basis van de voorinstelling zonder het dialoogvenster Nieuw document te
openen.)
Kies Bestand > Nieuw > Document en kies vervolgens een voorinstelling in het menu Voorinstelling document in het
dialoogvenster Nieuw document.
Het dialoogvenster Nieuw document wordt weergegeven met de reeds ingestelde layoutopties.
2. Breng indien nodig wijzigingen aan en klik op OK.
Als u het dialoogvenster Nieuw document niet wilt zien, drukt u op de toets Shift wanneer u een voorinstelling in het menu Voorinstelling
document selecteert.
Aanbevolen workflow voor InDesign-documenten
Documentsjablonen gebruiken
documenten aan een boekbestand toevoegen
Documentinstelling, -marges en -kolommen wijzigen
Een inhoudsopgave maken
Naar boven
Naar boven
Over inhoudsopgaven
Inhoudsopgaven maken in boeken
Een inhoudsopgave genereren
Inhoudsopgavestijlen maken voor meerdere lijsten
Opties voor het opmaken van een inhoudsopgave
Inhoudsopgave-items met opvultekens maken
Een alineastijl met een opvulteken maken
Een inhoudsopgave bijwerken en bewerken
Over inhoudsopgaven
Een inhoudsopgave kan de inhoud van een boek, blad of andere publicatie of een lijst met illustraties, adverteerders of kennisgevingen zijn, en
kan ook informatie bevatten waarmee lezers informatie in een document of boekbestand kunnen opzoeken. Een document kan meerdere
inhoudsopgaven bevatten, bijvoorbeeld voor hoofdstukken en voor illustraties.
Elke inhoudsopgave is een afzonderlijk artikel met een kop en een lijst items die op paginanummer of alfabetisch zijn gesorteerd. Items,
waaronder de paginanummers, worden uit het document opgehaald en kunnen op elk moment worden bijgewerkt, zelfs in meerdere documenten in
een boekbestand.
Het maken van een inhoudsopgave bestaat uit drie stappen. Als eerste gaat u de alineastijlen die u als basis voor de inhoudsopgave wilt
gebruiken, maken en toepassen. Vervolgens geeft u op welke stijlen in de inhoudsopgave moeten worden gebruikt en hoe de inhoudsopgave moet
worden opgemaakt. Als laatste plaatst u de inhoudsopgave in het boek.
Items voor de inhoudsopgave kunnen automatisch worden toegevoegd aan het deelvenster Bladwijzers en worden gebruikt in documenten die als
Adobe PDF zijn geëxporteerd.
Op www.adobe.com/go/vid0219_nl vindt u een videodemo over het maken van een inhoudsopgave.
Tips voor het maken van een inhoudsopgave
Denk aan het volgende wanneer u een inhoudsopgave gaat maken:
Sommige inhoudsopgaven worden samengesteld met inhoud die niet in het gepubliceerde document staat, zoals een lijst met
adverteerders in een tijdschrift. U doet dit in InDesign door die inhoud op een verborgen laag te plaatsen en die op te nemen
wanneer u de inhoudsopgave gaat genereren.
U kunt inhoudsopgavestijlen vanuit andere documenten of boeken laden en er nieuwe inhoudsopgaven mee maken die
daarmee dezelfde instellingen en opmaak krijgen. (Soms zult u een geïmporteerde inhoudsopgavestijl moeten bewerken als de
namen van de alineastijlen in het document niet gelijk zijn aan die van het brondocument.)
U kunt alineastijlen maken voor de titel en items van de inhoudsopgave, zoals tabstops en opvultekens. Deze alineastijlen kunt
u tijdens het genereren van de inhoudsopgave toepassen.
U kunt tekenstijlen maken en daarmee de paginanummers en de tekens opmaken die tussen de paginanummers en de items
staan. Als u de paginanummers bijvoorbeeld vet wilt weergeven, maakt u een tekenstijl met het kenmerk Vet en selecteert u
die tekenstijl wanneer u de inhoudsopgave maakt.
Inhoudsopgaven maken in boeken
U krijgt het beste resultaat als u het volgende doet voordat u een inhoudsopgave voor een boek gaat maken:
Voordat u een inhoudsopgave maakt, moet u nagaan of de boekenlijst compleet is, of alle documenten in de juiste volgorde
staan en of alle koppen met de juiste alineastijlen zijn opgemaakt.
Gebruik de alineastijlen in het hele boek op dezelfde manier. Maak geen documenten met stijlen die identieke namen maar
verschillende definities hebben. Als meerdere stijlen dezelfde naam maar verschillende stijldefinities hebben, wordt de
stijldefinitie in het actieve document (als hiervoor een definitie bestaat) of de eerste instantie van de stijl in het boek gebruikt.
Als de noodzakelijke stijlen niet in de pop-upmenu's in het venster Inhoudsopgave staan, moet u het boek synchroniseren
zodat de stijlen naar het document met de inhoudsopgave worden gekopieerd.
Als u wilt dat nummervoorvoegsels (zoals 1-1, 1-3, enzovoort) worden weergegeven in de inhoudsopgave, maakt u gebruik
van sectienummering in plaats van hoofdstuknummering. Sectienummervoorvoegsels kunnen worden opgenomen in een
inhoudsopgave.
Naar boven
Naar boven
Een inhoudsopgave genereren
Voordat u een inhoudsopgave genereert, moet u bepalen welke alinea's, zoals titels van hoofdstukken en sectiekoppen, moeten worden
opgenomen en vervolgens voor elke alinea een alineastijl definiëren. Zorg dat deze alineastijlen op alle nodige alinea's in het document of de
boekdocumenten worden toegepast.
Wanneer u de inhoudsopgave genereert, kunt u de inhoudsopgave ook opmaken met alinea- en tekenstijlen.
Inhoudsopgave zonder alineastijlen (links) en met alineastijlen op items toegepast (rechts)
Wanneer alinea's die in de inhoudsopgave moeten worden opgenomen, zich in verschillende artikelen op dezelfde pagina bevinden, wordt de
volgorde die de alinea's in de inhoudsopgave krijgen, bepaald door de positie van de alinea's op de pagina.
1. Ga op een van de volgende manieren te werk:
Als u een inhoudsopgave voor slechts één document maakt, kunt u aan het begin van het document een nieuwe pagina
toevoegen.
Maakt u een inhoudsopgave voor meerdere documenten in een boek, dan maakt of opent u het document dat voor de
inhoudsopgave moet worden gebruikt, controleert u of het document in het boek staat en opent u het boekbestand.
2. Kies Layout > Inhoudsopgave.
Als u een inhoudsopgavestijl met de gewenste instellingen voor de inhoudsopgave hebt gemaakt, kunt u die stijl in het menu
Inhoudsopgavestijl kiezen.
3. Typ in het vak Titel een titel voor de inhoudsopgave (zoals Inhoud of Lijst met afbeeldingen). Deze titel komt boven aan de
inhoudsopgave te staan. Maak de titel op door een stijl te selecteren in het menu Stijl.
4. Selecteer Inclusief boekdocumenten om een enkele inhoudsopgave te maken voor alle documenten in de boekenlijst en om
de pagina's van het boek opnieuw te nummeren. Schakel deze optie uit als u alleen voor het actieve document een
inhoudsopgave wilt maken. (Deze optie is niet beschikbaar als het huidige document onderdeel van een boekbestand is.)
5. Bepaal welke inhoud u in de inhoudsopgave wilt opnemen door te dubbelklikken op alineastijlen in de lijst Andere stijlen, zodat
deze in de lijst Alineastijlen opnemen worden geplaatst.
6. Selecteer Bestaande inhoudsopgave vervangen als u alle bestaande inhoudsopgaveartikelen in het document wilt vervangen.
Schakel deze optie uit als u een nieuwe inhoudsopgave wilt genereren, bijvoorbeeld een lijst met afbeeldingen.
7. Geef opties op om te bepalen hoe elke alineastijl in de inhoudsopgave wordt opgemaakt. (Zie Opties voor het opmaken van
een inhoudsopgave.)
Het is een goed idee om een inhoudsopgavestijl te bepalen die de opmaak en andere opties voor uw inhoudsopgave
bevat, vooral wanneer u meerdere inhoudsopgaven in uw document wilt opnemen. U doet dat door op Stijl opslaan te
klikken. U kunt ook inhoudsopgavestijlen maken door Layout > Stijlen van inhoudsopgave te kiezen.
8. Klik op OK.
De cursor voor geladen tekst verschijnt. Voordat u klikt of sleept, kunt u naar een andere pagina gaan of een nieuwe
pagina maken zonder dat u de geladen tekst kwijtraakt.
9. Klik met de cursor voor geladen tekst of sleep met deze cursor op de plaats waar u de nieuwe inhoudsopgave wilt plaatsen.
Opmerking: Koppel het kader met de inhoudsopgave niet aan andere tekstkaders in het document. Als u de bestaande inhoudsopgave vervangt,
wordt namelijk het hele artikel door de bijgewerkte inhoudsopgave vervangen.
Inhoudsopgavestijlen maken voor meerdere lijsten
Het is raadzaam inhoudsopgavestijlen te gebruiken wanneer u verschillende inhoudsopgaven in uw document of boek moet maken. U kunt
bijvoorbeeld een bepaalde inhoudsopgavestijl gebruiken voor de inhoud en een andere voor een lijst met adverteerders, een lijst met afbeeldingen
of een lijst met de namen van fotografen. Maak een inhoudsopgavestijl voor elk type lijst.
Inhoudsopgavestijlen zijn ook handig wanneer u in een ander document dezelfde inhoudsopgaveopmaak wilt gebruiken.
Opmerking: Verwar inhoudsopgavestijlen niet met alineastijlen met het voorvoegsel 'inhoud'. Alineastijlen met het voorvoegsel 'inhoud'
(bijvoorbeeld 'Inhoudsopgave Titel') worden gebruikt voor het opmaken van de vermeldingen in de inhoudsopgave. Een inhoudsopgavestijl
Naar boven
daarentegen is een verzameling instellingen voor het automatisch maken van een inhoudsopgave.
Een inhoudsopgavestijl maken
1. Kies Layout > Stijlen van inhoudsopgave.
2. Klik op Nieuw.
3. Typ een naam voor de inhoudsopgavestijl die u gaat maken.
4. Typ in het vak Titel een titel voor de inhoudsopgave (zoals Inhoud of Lijst met afbeeldingen). Deze titel komt boven aan de
inhoudsopgave te staan. Geef een titelstijl op door een stijl te selecteren in het menu Stijl.
5. Selecteer in de lijst Andere stijlen de alineastijlen die overeenkomen met de inhoud die u wilt opnemen in de inhoudsopgave.
Klik vervolgens op Toevoegen om deze stijlen toe te voegen aan de lijst Alineastijlen opnemen.
6. Geef opties voor het opmaken van elke alineastijl op. (Zie Opties voor het opmaken van een inhoudsopgave.)
Inhoudsopgavestijlen uit een ander document importeren
1. Kies Layout > Stijlen van inhoudsopgave.
2. Klik op Laden, selecteer het InDesign-bestand met de inhoudsopgavestijlen die u wilt kopiëren en klik op Openen.
3. Klik op OK.
Opmerking: Als de alineastijlen in het document niet overeenkomen met de alineastijlen in de inhoudsopgavestijl die u importeert, zult u de
inhoudsopgavestijl moeten aanpassen voordat u de inhoudsopgave gaat genereren.
Opties voor het opmaken van een inhoudsopgave
Gebruik deze opties bij het genereren of bewerken van een inhoudsopgave om de vormgeving van de tekst van de gegenereerde inhoudsopgave
te bepalen. Sommige van deze opties zijn alleen beschikbaar wanneer u op Meer opties in het dialoogvenster klikt.
Opmerking: De instellingen in de sectie Stijl hebben alleen effect op de stijl die onder Alineastijlen opnemen is geselecteerd. U kunt voor elke
stijl andere opmaakopties instellen.
Stijl itemKies voor elke stijl in Alineastijlen opnemen de alineastijl die u wilt toepassen op de items van de inhoudsopgave.
PaginanummerU kunt een tekenstijl voor het opmaken van het paginanummer maken. U kunt deze stijl dan selecteren in de vervolgkeuzelijst
Stijl rechts van Paginanummer. (Zie Alinea- en tekenstijlen toevoegen.)
Zie Sectienummering definiëren voor het toevoegen van voorvoegsels aan de paginanummers van de inhoudsopgave of het gebruiken van een
andere nummeringsconventie.
Tussen item en nummerGeef op welke tekens u tussen het inhoudsopgave-item en het bijbehorende paginanummer wilt plaatsen. Het
standaardteken is ^t, dat aangeeft waar een tab moet worden ingevoegd. U kunt ook andere speciale tekens uit de lijst kiezen, zoals een rechts
ingesprongen tab of een em-spatie. Zie Glyphs en speciale tekens invoegen voor een complete lijst van speciale tekens en hoe die te gebruiken.
Selecteer de tekst in het vak voordat u een ander speciaal teken kiest om er zeker van te zijn dat u niet beide tekens opneemt.
U kunt ook een tekenstijl maken waarmee de ruimte tussen het item en het paginanummer wordt opgemaakt. Vervolgens kunt u deze stijl
selecteren in de pop-uplijst Stijl rechts van Tussen item en nummer. (Zie Alinea- en tekenstijlen toevoegen.)
Als er in de alineastijl van het item een instelling voor een opvulteken is gedefinieerd en het tabteken (^t) is geselecteerd, wordt in de
inhoudsopgave een opvulteken weergegeven. Zie Inhoudsopgave-items met opvultekens maken.
U kunt een teken opgeven waarmee u het item wilt scheiden van het paginanummer, en de stijl die u wilt toepassen op dat teken.
Items op alfabetische volgorde sorterenSelecteer deze optie om de items van de inhoudsopgave in de geselecteerde stijl alfabetisch te
sorteren. Deze optie is vooral bedoeld voor het maken van eenvoudige lijsten, zoals lijsten van adverteerders. Geneste items (niveau 2 of 3)
Naar boven
Naar boven
Naar boven
worden alfabetisch binnen de groep gesorteerd (dat wil zeggen niveau 1 of niveau 2).
Opmerking: De sorteervolgorde van een inhoudsopgave wordt bepaald door de standaardtaalinstelling van het document. U wijzigt deze
instelling door een taal in het menu Taal in het deelvenster Teken te selecteren (hierbij mag er niets zijn geselecteerd).
NiveauElk item dat in het vak Alineastijlen opnemen wordt geplaatst, komt standaard één niveau lager te staan dan het item dat er direct boven
staat. U kunt deze hiërarchie wijzigen door een nieuw niveaunummer voor de geselecteerde alineastijl op te geven. Met deze optie past u alleen
de weergave in het dialoogvenster aan. De optie heeft geen gevolgen voor de uiteindelijke inhoudsopgave, tenzij de lijst in alfabetische volgorde
wordt weergegeven. In dat geval worden de items op niveau gesorteerd.
PDF-bladwijzers makenSelecteer deze optie als de items van de inhoudsopgave moeten worden weergegeven in het deelvenster Bladwijzers
van Adobe Acrobat of Adobe Reader® wanneer het document wordt geëxporteerd naar PDF.
Run-inSelecteer deze optie als alle inhoudsopgave-items op een enkele alinea moeten komen te staan. De items worden van elkaar gescheiden
door een puntkomma, gevolgd door een spatie (; ).
Inclusief tekst op verborgen lagenSelecteer deze optie alleen als u de alinea's op verborgen lagen in de inhoudsopgave wilt opnemen. Dit is
handig bij het maken van bijvoorbeeld een lijst met adverteerders of illustraties die niet als tekst in het document zelf staan. Schakel deze optie uit
wanneer u lagen hebt gebruikt voor het opslaan van diverse versies of vertalingen van dezelfde tekst.
Genummerde alinea'sAls er in de inhoudsopgave een alineastijl met nummering wordt gebruikt, geeft u op of het inhoudsopgave-item de
volledige alinea (zowel de nummering als de tekst), alleen de nummering of alleen de alinea moet bevatten.
Inhoudsopgave-items met opvultekens maken
Bij items in een inhoudsopgave staan vaak puntjes of opvultekens waarmee het item van het paginanummer wordt gescheiden.
Inhoudsopgave met punten als opvultekens
1. Maak een alineastijl met een opvulteken. (Zie Een alineastijl met een opvulteken maken.)
2. Werk de instellingen voor de inhoudsopgave bij door een van de volgende handelingen uit te voeren:
Kies Layout > Stijlen van inhoudsopgave. Selecteer een inhoudsopgavestijl en klik op Bewerken.
Kies Layout > Inhoudsopgave (als u geen stijl voor de inhoudsopgave gebruikt).
3. Selecteer onder Alineastijlen opnemen het item dat in de inhoudsopgave met een opvulteken moet worden weergegeven.
4. Selecteer voor Itemstijl de alineastijl met het opvulteken.
5. Klik op Meer opties.
6. Controleer of Tussen item en nummer is ingesteld op ^t (^t is een tab). Klik op OK of Opslaan om af te sluiten.
7. Werk indien nodig de inhoudsopgave bij door Layout > Inhoudsopgave bijwerken te kiezen. Plaats anders het artikel voor de
nieuwe inhoudsopgave.
Een alineastijl met een opvulteken maken
1. Kies Venster > Stijlen > Alineastijlen om het deelvenster Alineastijlen te openen.
2. Voer in het deelvenster Alineastijlen een van de volgende handelingen uit:
Dubbelklik op de naam van de alineastijl die is toegepast op de items in de inhoudsopgave.
Kies Nieuwe alineastijl in het deelvenstermenu.
3. Voer indien nodig een naam voor de alineastijl in.
4. Klik op Tabs.
5. Selecteer het pictogram van de rechts uitgelijnde tab en klik op de liniaal om die tab te plaatsen.
Als de alinea's waarop u de stijl toepast, een genummerde opsommingslijst bevat, zorg dan dat u twee tabinstellingen instelt -
de eerste voor het ingesprongen, genummerde item en de tweede voor het opvulteken.
6. Typ een punt (.) bij Vulteken.
7. Selecteer de gewenste andere stijlopties en klik op OK.
Een inhoudsopgave bijwerken en bewerken
De inhoudsopgave is eigenlijk een momentopname van de inhoud van het document. Als de paginanummers in het document veranderen of als u
koppen of andere elementen wijzigt die ook in de inhoudsopgave terugkomen, moet u de inhoudsopgave opnieuw genereren om die wijzigingen
door te voeren.
Een inhoudsopgave bijwerken
1. Open het document met de inhoudsopgave.
2. Ga als volgt te werk:
Om items in de inhoudsopgave te wijzigen, bewerkt u het document of de documenten in het boek en niet de
inhoudsopgave zelf.
Om de opmaak van de titel, items of paginanummers van de inhoudsopgave te wijzigen, bewerkt u de toegepaste alinea-
of tekenstijlen.
Om pagina's anders te nummeren (bijvoorbeeld 1, 2, 3 of i, ii, iii), wijzigt u de sectienummering in het document of boek.
(Zie Pagina's, hoofdstukken en alinea's in een boek nummeren.)
Om een nieuwe titel toe te voegen, andere alineastijlen in de inhoudsopgave op te nemen of de items in de
inhoudsopgave anders op te maken, bewerkt u de inhoudsopgavestijl.
3. Selecteer of plaats de invoegpositie in het tekstkader dat de inhoudsopgave bevat en kies Layout > Inhoudsopgave bijwerken.
4. Als uw document meerdere inhoudsopgaven bevat, zoals een lijst met afbeeldingen en een lijst met adverteerders, selecteert
u het tekstkader met een andere lijst en kiest u Layout > Inhoudsopgave bijwerken.
Een inhoudsopgave bewerken
Als de inhoudsopgave moet worden bewerkt, moet u de alinea's in de documenten bewerken en niet het artikel van de inhoudsopgave. Daarna
moet u een nieuwe inhoudsopgave genereren. Zou u namelijk het artikel van de inhoudsopgave bewerken, dan gaan de wijzigingen verloren
wanneer u een nieuwe inhoudsopgave genereert. Hetzelfde geldt voor de stijlen die voor de opmaak van de inhoudsopgave-items worden
gebruikt.
Meer Help-onderwerpen
Video over het maken van een inhoudsopgave
Juridische kennisgevingen | Onlineprivacybeleid
Een index maken
Naar boven
Over indexering
Overzicht van het deelvenster Index
Een onderwerpenlijst voor een index maken
Indexitems toevoegen
Opties voor paginabereik in indexen
“Zie”- of “Zie ook”-kruisverwijzingen toevoegen aan een index
Een index genereren
De sorteervolgorde van indexen wijzigen
Een index beheren
Over indexering
U kunt een korte trefwoordenindex of een uitgebreide, gedetailleerde gids maken over de informatie in het boek. U kunt slechts één index maken
voor een document of boek. Als u een index wilt maken, plaatst u eerst indexmarkeringen in de tekst. Elke indexmarkering koppelt u aan het
woord, een onderwerp genoemd, die u in de index wilt opnemen.
Wanneer u de index genereert, wordt elk onderwerp weergegeven met een verwijzing naar de pagina waarop het onderwerp staat. De items in
een index worden alfabetisch gesorteerd, vaak onder sectiekoppen (A, B, C enzovoort). Een indexitem bestaat uit een onderwerp (dat de lezer kan
opzoeken) en een paginaverwijzing (paginanummer of paginabereik) of een kruisverwijzing. Een kruisverwijzing met "Zie" of "Zie ook" verwijst naar
andere items in de index en niet naar een paginanummer.
Opbouw van een index
A. TitelB. SectiekopC. IndexitemD. SubitemE. OnderwerpF. PaginaverwijzingG. Kruisverwijzing
Op www.adobe.com/go/vid0220_nl vindt u een videodemo over het maken van een index.
Tips voor het maken van een index
Met een goed geplande en complete index heeft de lezer direct toegang tot de informatie in het document. Hierbij moet u enkele richtlijnen in acht
nemen:
Bedenk van tevoren hoe de index eruit moet komen te zien. Hoeveel onderwerpniveaus wilt u opnemen? Wilt u de lezer naar
andere, verwante onderwerpen verwijzen? Is een eenvoudige index met alleen trefwoorden voldoende of wilt u een
uitgebreidere index met kruisverwijzingen naar verwante onderwerpen en een lijst met equivalente termen?
Houd rekening met de verschillende manieren waarop de lezers naar informatie kunnen zoeken. Een lezer kan bijvoorbeeld
informatie over dieren zoeken en op beesten zoeken, terwijl een ander op wild of fauna zoekt.
Voeg indexitems toe als de inhoud van het document voor het overgrote deel vaststaat. Als u naderhand grote delen van de
tekst verwijdert, raakt u hoogstwaarschijnlijk ook een deel van de index kwijt.
In een goed opgezette index worden de onderwerpen consequent gepresenteerd. Veel voorkomende indexproblemen ontstaan
door het door elkaar halen van kleine letters en hoofdletters (katten en Katten) en enkelvoud en meervoud (kat en katten).
Gebruik een onderwerpenlijst om de termen consistent te houden.
Kijk uw index diverse keren na voordat u de index gaat genereren. Zoek naar dubbele items, zwakke onderwerpgebieden,
spelfouten en inconsistenties in hoofdlettergebruik en formulering. De woorden Tijger, tijger en tijgers worden bijvoorbeeld als
afzonderlijke items beschouwd.
Workflow voor het maken van een index
U maakt als volgt een index:
1. Maak een onderwerpenlijst (optioneel).Een onderwerpenlijst zorgt voor consistentie bij de indexitems. (Zie Een onderwerpenlijst voor een
Naar boven
Naar boven
index maken.)
2. Voeg indexmarkeringen toe.Voeg indexmarkeringen toe op de pagina's in uw document waar de indexitems naar moeten verwijzen. (Zie
Indexitems toevoegen.)
3. Genereer de index.Als u de index genereert, wordt een reeks items voor markeringen met de bijbehorende paginanummers gemaakt. (Zie
Een index genereren.)
4. Laat het indexartikel doorlopen.Gebruik de cursor voor geladen tekst om de index te laten doorlopen in een tekstkader. Normaal gesproken
zult u de index op een nieuwe pagina willen laten beginnen. Nadat u de index hebt laten doorlopen, kunt u de pagina's en index gaan opmaken.
U zult deze stappen waarschijnlijk diverse malen uitvoeren voordat de index geschikt is om te worden gepubliceerd.
Overzicht van het deelvenster Index
In het deelvenster Index (Venster > Tekst en tabellen > Index) kunt u de index maken, bewerken en een voorvertoning ervan bekijken. Dit
deelvenster bevat twee modi: Verwijzing en Onderwerp. In de modus Verwijzing worden complete indexitems voor het actieve document of boek in
de voorvertoning weergegeven. In de modus Onderwerp worden alleen onderwerpen en geen paginanummers of kruisverwijzingen in de
voorvertoning weergegeven. De modus Onderwerp wordt hoofdzakelijk gebruikt voor het maken van de indexstructuur, terwijl in de modus
Verwijzing indexitems worden toegevoegd.
In de modus Verwijzing worden de indexitems in alfabetische volgorde gezet en op beginletter onderverdeeld. Met het driehoekje naast de items
kunt u het item uit- of samenvouwen en zo subitems, paginanummers en kruisverwijzingen weergeven of verbergen.
De volgende codes vervangen de paginaverwijzingen bij indexitems die waarschijnlijk niet in de gegenereerde index worden opgenomen. U moet
misschien Voorvertoning bijwerken kiezen in het deelvenster Index om de codes te bekijken.
KB Geeft indexitems op het plakbord aan. Deze items worden echter niet in de gegenereerde index weergegeven.
VLGeeft indexitems op een verborgen laag aan. Als u de index genereert, hebt u de mogelijkheid om indexitems op een verborgen laag op te
nemen.
VTGeeft indexitems in een verborgen voorwaarde aan. Indexitems in verborgen voorwaarden zijn niet opgenomen in de index.
PNGeeft indexitems in overlopende tekst aan. Wanneer u deze items in de gegenereerde index opneemt, staat er bij die items geen
paginanummer.
StramienGeeft indexitems op een stramienpagina aan. Deze items worden echter niet in de gegenereerde index weergegeven.
Klik op een driehoekje om een afzonderlijk item samen te vouwen of uit te vouwen. Houd Alt (Windows) of Option (Mac OS) ingedrukt en klik op
een driehoekje om alle subitems van een item uit of samen te vouwen. Houd Ctrl (Windows) of Command (Mac OS) ingedrukt en klik op een
driehoekje om alle items uit of samen te vouwen.
Kies Voorvertoning bijwerken in het menu van het deelvenster Index om het voorvertoningsgebied bij te werken. Deze optie is vooral handig
als u het document grondig hebt bewerkt of indexmarkeringen in het documentvenster hebt verplaatst.
Een onderwerpenlijst voor een index maken
U kunt een lijst met onderwerpen maken of importeren en die lijst als basis voor het maken van indexitems gebruiken. Wanneer u naderhand
items aan de index toevoegt, kunt u onderwerpen uit de lijst met onderwerpen kiezen in plaats van ze te typen. De gegevens worden zo altijd
consistent in het hele document of boek geïndexeerd.
U maakt een onderwerpenlijst met het deelvenster Index in de modus Onderwerp. In de modus Onderwerp worden alleen onderwerpen
weergegeven. Gebruik de modus Verwijzing voor een voorvertoning van de indexitems met de paginanummers en kruisverwijzingen.
Deelvenster Index in de modus Verwijzing (links) en in de modus Onderwerp (rechts)
De onderwerpen in de lijst staan ook in het dialoogvenster Nieuwe paginaverwijzing. U maakt een indexitem door een onderwerp te selecteren en
dat te koppelen aan een pagina of kruisverwijzing. Ongebruikte onderwerpen (onderwerpen zonder paginanummer of kruisverwijzing) worden niet
Naar boven
in de gegenereerde index opgenomen.
U hoeft geen onderwerpenlijst te maken voordat u indexitems gaat toevoegen. Wanneer u een indexitem maakt, wordt het onderwerp ervan
automatisch aan de lijst met onderwerpen toegevoegd.
Standaard worden onderwerpen die u toevoegt aan de lijst met onderwerpen niet weergegeven in de lijst met verwijzingen, omdat deze lijst
alleen de onderwerpen bevat die zijn verbonden aan een pagina. Als u de toegevoegde onderwerpen echter wilt weergeven in de lijst met
verwijzingen, selecteert u de optie Niet-gebruikte onderwerpen tonen in het menu van het deelvenster Index in de modus Verwijzing.
Onderwerpen aan de lijst met onderwerpen toevoegen
1. Kies Venster > Tekst en tabellen > Index om het deelvenster Index te openen.
2. Selecteer Onderwerp.
3. Kies Nieuw onderwerp in het menu van het deelvenster Index of klik op het pictogram Nieuw indexitem maken onder in het
deelvenster.
4. Ga op een van de volgende manieren te werk:
Typ in het eerste vak onder Onderwerpniveaus de naam van het onderwerp (bijvoorbeeld dieren). Wanneer u een
subonderwerp wilt maken, typt u in het tweede vak een naam (katten). In dit voorbeeld springt “katten” in onder “dieren”.
Maak een subonderwerp onder het subonderwerp door een naam (lapjeskatten) te typen in het derde vak, enzovoort.
Selecteer een bestaand onderwerp. Geef subonderwerpen op in het tweede, derde en vierde vak.
5. Klik op Toevoegen om het onderwerp toe te voegen. Dit onderwerp komt zowel in het dialoogvenster Nieuw onderwerp als in
het deelvenster Index te staan.
6. Klik op Gereed wanneer u de gewenste onderwerpen hebt toegevoegd.
U verwijdert een zojuist toegevoegd onderwerp door te klikken op Gereed, het onderwerp in het deelvenster Index te selecteren en te klikken
op de knop Geselecteerd item verwijderen.
Onderwerpen vanuit een ander InDesign-document importeren
1. Kies Onderwerpen importeren in het menu van het deelvenster Index.
2. Selecteer het document met de indexonderwerpen die u wilt importeren en klik op Openen.
Een indexonderwerp bewerken
Gebruik het deelvenster Index om voor of na het genereren van een index items te bewerken. Wijzigingen die u aanbrengt in de items in het
deelvenster Index worden weergegeven in de volgende index die u genereert, maar wijzigingen die u maakt in het gegenereerde indexartikel gaan
bij het opnieuw genereren van de index verloren.
1. Open een document met onderwerpen voor de index.
2. Selecteer Onderwerp in het deelvenster Index.
3. Dubbelklik in het voorvertoningsgebied op het onderwerp dat u wilt bewerken.
4. Bewerk het onderwerp en klik op OK.
Indexitems toevoegen
U maakt indexitems met het deelvenster Index in de modus Verwijzing. Een indexitem bestaat uit twee delen: een onderwerp en een verwijzing.
Onderwerpen kunt u van tevoren met een onderwerpenlijst definiëren. Verwijzingen zijn paginanummers of kruisverwijzingen naar andere
onderwerpen.
Het deelvenster Index in de modus Verwijzing
A. IngangB. SubitemC. PaginaverwijzingD. Kruisverwijzing
Een indexmarkering wordt ingevoegd aan het begin van het woord waarin tekst is geselecteerd of bij de invoegpositie. U geeft deze
indexmarkeringen weer door Tekst > Verborgen tekens tonen te kiezen.
Een indexitem toevoegen
1. Plaats met het gereedschap Tekst de invoegpositie waar u de indexmarkering wilt invoegen of selecteer de tekst die u als
basis voor een indexverwijzing wilt gebruiken.
Wanneer geselecteerde tekst inline-afbeeldingen of speciale tekens bevat, worden een aantal tekens (zoals indexmarkeringen
en inline-afbeeldingen) in het vak Onderwerpniveau verwijderd. Andere tekens, zoals em-streepjes en copyrightsymbolen,
worden omgezet in metatekens (bijvoorbeeld ^_ of ^2).
2. Kies Venster > Tekst en tabellen > Index om het deelvenster Index te openen.
3. Selecteer Verwijzing.
Als items die zijn toegevoegd aan de onderwerpenlijst niet worden weergegeven in de verwijzing, kiest u Niet-gebruikte
onderwerpen tonen in het menu van het deelvenster Index. Vervolgens kunt u gebruikmaken van die onderwerpen als u
items toevoegt.
4. Selecteer Boek om indexitems van de geopende documenten in een boekbestand weer te geven.
5. Kies Nieuwe paginaverwijzing in het menu van het deelvenster Index. Als deze opdracht niet in het menu staat, moet u
nagaan of Verwijzing is geselecteerd en of er in het document een invoegpositie staat of tekst is geselecteerd.
6. Voer een van de volgende handelingen uit om tekst aan het onderwerpniveauvak toe te voegen:
Wanneer u een eenvoudig indexitem wilt maken (zoals katten), typt u dit item in het vak Onderwerpniveaus. (Als er al
tekst was geselecteerd, staat deze tekst in het vak Onderwerpniveaus.)
Typ de naam van hoofditems (bijvoorbeeld dieren) in het eerste onderwerpniveauvak en typ subitems (katten en
lapjeskatten) in de volgende vakken. Indien nodig klikt u op Pijl-omhoog of Pijl-omlaag om het item boven of onder het
geselecteerde item te verplaatsen.
Indexitem in het onderwerpniveauvak (links) en de uiteindelijke weergave in de index (rechts).
Dubbelklik op een onderwerp in de lijst onder in het dialoogvenster.
7. Wijzig de sortering van items in de index met de vakken Sorteren op. Als bijvoorbeeld het onderwerp Van der Hart is
gesorteerd op H in plaats van op V, typt u Hart in het vak Sorteren op en Van der Hart in het vak Onderwerpniveaus.
U kunt ook de sorteervolgorde van getallen, symbolen en talen kiezen en de sorteergegevens van Chinese tekens bewerken.
(Zie De sorteervolgorde van indexen wijzigen.)
8. Geef het type indexitem op:
Om indexitems met een paginanummer of paginabereik te maken, zoals katten 82–87, kiest u een optie in het
pop-upmenu Tekst. (Zie Opties voor paginabereik in indexen.)
Om een indexitem zonder een paginanummer te maken, kiest u Paginabereik onderdrukken in het menu Type. Er komt
dan geen paginanummer in de gegenereerde index te staan, maar wel een paginanummer tussen haakjes in het
deelvenster Index.
Om een indexitem te maken dat verwijst naar een ander item, selecteert u een van de opties voor kruisverwijzingen (zoals
Zie of Zie ook) in het pop-upmenu Tekst en typt u de naam van het item in het vak Met verwijzing of sleept u het
bestaande item vanuit de lijst aan de onderkant naar het vak Met verwijzing. U past de termen Zie en Zie ook aan die
worden weergegeven in de items met kruisverwijzing door Aangepaste kruisverwijzing te selecteren in het pop-upmenu
Type. (Zie “Zie”- of “Zie ook”-kruisverwijzingen toevoegen aan een index.)
9. Leg de nadruk op een bepaald indexitem door Andere stijl op nummer toepassen te selecteren en de tekenstijl op te geven.
10. Voeg een item aan de index toe door een van de volgende handelingen uit te voeren:
Klik op Toevoegen om het huidige item toe te voegen. Het dialoogvenster blijft geopend, zodat u nog meer items kunt
toevoegen.
Klik op Alles toevoegen om alle instanties te zoeken van de tekst die is geselecteerd in het documentvenster, en om een
indexmarkering voor elke instantie te maken. De optie Alles toevoegen is alleen beschikbaar als er tekst in het document
is geselecteerd.
Klik op OK om het indexitem toe te voegen en het dialoogvenster te sluiten.
Opmerking: De toegevoegde items worden niet verwijderd wanneer u op Annuleren klikt nadat u op Toevoegen hebt
geklikt. U kunt deze items verwijderen met de opdracht Ongedaan maken.
11. Klik op OK of Gereed om het dialoogvenster te sluiten.
Snel een woord, tekstfragment of lijst indexeren
Met een sneltoets voor indexering kunt u snel afzonderlijke woorden, woordgroepen of een lijst met woorden of woordgroepen indexeren. In Adobe
InDesign zijn twee sneltoetsen voor indexering: een sneltoets voor standaard indexitems en een sneltoets voor eigennamen. Met de sneltoets
voor eigennamen worden indexitems gemaakt door de volgorde van een naam om te keren zodat de namen in alfabetische volgorde op
achternaam worden weergegeven. Op deze manier kunt u een naam in de lijst weergeven met de voornaam vooraan, maar gesorteerd op
achternaam in de index. Als bijvoorbeeld Jan Paul Willems is geselecteerd, wordt deze naam geïndexeerd als Willems, Jan Paul.
U kunt een lijst voorbereiden voor indexering door elk item dat u wilt indexeren, met een van de volgende tekens van elkaar te scheiden: een
return, een zachte return (Shift + toets Return), een tab, een rechts ingesprongen tab (Shift + Tab), een puntkomma of een komma. Met de
sneltoets voor indexering wordt een markering toegevoegd vóór elk item en worden alle items in de index geplaatst.
1. Selecteer in het documentvenster het woord of de woorden die u wilt indexeren.
2. Ga op een van de volgende manieren te werk:
Voor standaardwoorden of -woordgroepen drukt u op Shift+Alt+Ctrl+[ (Windows) of Shift+Option+Command+[ (Mac OS).
Voor eigennamen die u wilt indexeren op achternaam drukt u op Shift+Alt+Ctrl+] (Windows) of Shift+Option+Command+]
(Mac OS).
Er wordt een indexmarkering met de standaardinstellingen aan het begin van de selectie of aan het begin van elk
geselecteerd item toegevoegd.
Als u samengestelde achternamen of namen met een titel wilt indexeren, voegt u een of meer vaste spaties toe tussen
de woorden. Wanneer u bijvoorbeeld "Jan Paul Willems Jr." wilt indexeren op Willems in plaats van op Jr., plaatst u
een vaste spatie tussen "Willems" en "Jr". U voegt een vaste spatie in door Tekst > Spatie(s) invoegen > Vaste spatie
te kiezen.
Een nieuw item op basis van een bestaand item maken
Vaak komt een onderwerp dat u wilt indexeren op meerdere plaatsen in een document of boek voor. In dat geval kunt u meerdere items maken op
basis van andere items die al in de index staan.
1. Klik in het documentvenster op een invoegpositie of selecteer de tekst waarin de indexmarkering moet komen te staan.
2. Selecteer Verwijzing in het deelvenster Index en schuif in de voorvertoning naar het item dat u wilt kopiëren.
3. Ga op een van de volgende manieren te werk:
Sleep een item naar de knop Nieuw item om een indexmarkering op de invoegpositie of aan het begin van de selectie in
te voegen.
Selecteer een item in de voorvertoning van het deelvenster en houd Alt (Windows) of Option (Mac OS) ingedrukt terwijl u
op de knop Nieuw item klikt. Het dialoogvenster Nieuwe paginaverwijzing verschijnt met informatie over het geselecteerde
item. Breng eventueel wijzigingen aan en klik op Toevoegen of op OK.
U kunt echter ook een onderwerpenlijst maken en bij het maken van indexitems onderwerpen uit die lijst kiezen.
Automatisch elke instantie van een woord indexeren
De optie Alles toevoegen is een effectieve manier om alle instanties van een opgegeven term in een document of boek te indexeren. Wanneer u
op Alles toevoegen klikt, worden er indexmarkeringen gemaakt bij elke instantie van de woorden die in het document zijn geselecteerd, en niet van
de tekst die in het dialoogvenster is opgegeven. (Naderhand kunt u items verwijderen die naar informatie verwijzen die niet van belang is.)
Bij het zoeken naar instanties van de geselecteerde tekst wordt alleen naar hele woorden gezocht, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen
hoofdletters en kleine letters. Als bijvoorbeeld het woord tijger is geselecteerd, worden de woorden tijgers en Tijger niet geïndexeerd.
1. Selecteer in het documentvenster de tekst die u wilt zoeken.
2. Selecteer Verwijzing in het deelvenster Index.
3. Selecteer Boek om indexitems te maken voor alle geopende documenten in het boek.
4. Kies Nieuwe paginaverwijzing in het menu van het deelvenster Index.
5. Kies Alles toevoegen. In InDesign worden indexmarkeringen aan alle tekst toegevoegd die met de geselecteerde tekst
overeenkomt, ongeacht of de tekst is geïndexeerd. Het kan dus voorkomen dat er meerdere items voor hetzelfde woord of
Naar boven
Naar boven
dezelfde woorden zijn.
Een indexitem bewerken
Gebruik het deelvenster Index in de modus Onderwerp om een onderwerp te wijzigen (bijvoorbeeld hernoemen of anders sorteren) en alle items
bij waarbij dat onderwerp wordt gebruikt automatisch bij te werken. Als u één item tegelijk wilt wijzigen, gebruikt u de modus Verwijzing. In de
modus Verwijzing kunt u ook kruisverwijzingen toevoegen of de indexmarkering opzoeken die aan een paginaverwijzing is gekoppeld.
1. Open het document dat de indexitems bevat.
2. Voer in het deelvenster Index een van de volgende handelingen uit:
Selecteer Onderwerp om een onderwerp te bewerken en automatisch alle indexitems die gebruikmaken van dat
onderwerp bij te werken.
Selecteer Verwijzing om een afzonderlijk indexitem te bewerken.
3. Selecteer in de voorvertoning een item of paginaverwijzing. Selecteer het paginapictogram onder het item om een
paginaverwijzing te selecteren.
4. Dubbelklik op het gewenste item of de gewenste paginaverwijzing.
5. Bewerk het item en klik op OK.
Opties voor paginabereik in indexen
U kunt indexitems met een paginabereik (zoals katten 82–87) in plaats van met één paginanummer maken. Het pop-upmenu Type in het
dialoogvenster Nieuwe paginaverwijzing bevat de volgende opties voor paginabereik:
Huidige paginaHet paginabereik eindigt bij de huidige pagina.
Tot volgende stijlwijzigingHet paginabereik begint bij de indexmarkering en eindigt bij de volgende wijziging van de alineastijl.
Tot volgend gebruik van stijlHet paginabereik begint bij de indexmarkering en eindigt bij de pagina waar de volgende instantie van de alineastijl
staat die is opgegeven in het pop-upmenu Alineastijl.
Tot einde van artikelHet paginabereik begint bij de indexmarkering en eindigt bij het einde van de actieve verbinding van tekstkaders met
tekst.
Tot einde van documentHet paginabereik begint bij de indexmarkering en eindigt bij het einde van het document.
Tot einde van sectieHet paginabereik begint bij de indexmarkering en eindigt bij het einde van de actieve sectie zoals die is gedefinieerd in het
Voor volgende aantal alinea'sHet paginabereik begint bij de indexmarkering en eindigt bij het einde van het aantal alinea's dat in het
aangrenzende vak is opgegeven, of bij het einde van het totale aantal alinea's.
Voor volgende aantal pagina'sHet paginabereik begint bij de indexmarkering en eindigt bij het einde van het aantal pagina's dat in het
aangrenzende vak is opgegeven, of bij het einde van het totale aantal pagina's.
Paginabereik onderdrukkenSchakelt het paginabereik uit.
“Zie”- of “Zie ook”-kruisverwijzingen toevoegen aan een index
Kruisverwijzingen zijn indexitems die naar een ander, verwant item en niet naar een paginanummer verwijzen. U maakt kruisverwijzingen met het
deelvenster Index. Kruisverwijzingen in een index kunnen voor diverse doeleinden worden gebruikt:
Kruisverwijzingen koppelen algemene termen aan equivalente termen in een document of boek. Bijvoorbeeld Fauna. Zie
Dieren. Items met dergelijke kruisverwijzingen hebben geen paginanummer. Zij verwijzen naar een equivalente term die
uitgebreider is geïndexeerd.
Kruisverwijzingen verwijzen naar andere items die verband houden met een onderwerp maar niet gelijk zijn aan dat
onderwerp. Bijvoorbeeld Katten. Zie ook Katachtigen. In dit geval bevat het indexitem met de kruisverwijzing ook
paginanummers en/of subitems die direct verband houden met het onderwerp van het item.
Twee typen kruisverwijzingen
A.Kruisverwijzing naar verwante informatie (Zie ook)B.Kruisverwijzing naar een equivalente term (Zie)
Bij het maken van een kruisverwijzing in InDesign kunt u ook een voorvoegsel voor de kruisverwijzing selecteren. "Zie" en "Zie ook" zijn statische
tekst. Wanneer u "Zie [ook]" kiest, wordt automatisch het juiste voorvoegsel aan de kruisverwijzing toegewezen in InDesign wanneer de index
wordt gegenereerd:
Naar boven
Items met paginanummers en/of subitems krijgen het voorvoegsel "Zie ook".
Items zonder paginanummers of subitems krijgen het voorvoegsel "Zie".
Dankzij de optie "Zie [ook]" hoeft u niet zelf de kruisverwijzingen bij te werken als de inhoud van de indexitems wordt gewijzigd.
1. Kies Venster > Tekst en tabellen > Index.
2. Selecteer Verwijzing.
3. (Optioneel) Selecteer Boek om de indexitems van de geopende documenten in een boekbestand te bekijken.
4. Kies Nieuwe paginaverwijzing in het menu van het deelvenster Index.
5. Voer een of meer onderwerpen in de vakken Onderwerpniveaus in.
6. Kies in het menu Tekst een voorvoegsel voor de kruisverwijzing (zoals Zie ook) onder in het menu.
7. Typ een onderwerp in het vak Met verwijzing of sleep een onderwerp vanuit de onderwerpenlijst onder in het venster.
8. Klik op Toevoegen om de kruisverwijzing aan de index toe te voegen.
Kruisverwijzingen staan in het deelvenster Index en de gegenereerde index, maar zijn niet gekoppeld aan de indexmarkeringen in het document.
Kruisverwijzingen met “Zie [ook]” staan als “Zie [ook]” in het deelvenster Index, maar het juiste voorvoegsel komt in het gegenereerde indexartikel
te staan.
Een index genereren
Nadat u indexitems hebt toegevoegd en het resultaat hebt bekeken in het deelvenster Index, kunt u het indexartikel genereren en in het te
publiceren document plaatsen.
Een indexartikel kan een afzonderlijk document of onderdeel van een bestaand document zijn. Wanneer u een indexartikel genereert, worden de
indexitems gecompileerd en worden de paginanummers aan de hand van het document of boek bijgewerkt. Als u indexitems toevoegt of verwijdert
of de nummering in het document wijzigt, moet u de index opnieuw genereren.
Als er een indexmarkering in overlopende tekst staat, wordt u gevraagd of u deze markeringen in de index wilt opnemen. Als u op Ja klikt, komt
het item zonder paginanummer in de index te staan. Als een indexmarkering wordt weergegeven in verborgen voorwaardelijke tekst, wordt het
item uitgesloten van de index.
Op www.adobe.com/go/vid0220_nl vindt u een videodemo over het maken van een index.
1. Ga op een van de volgende manieren te werk:
Als u de index voor een enkel document maakt, kunt u aan het einde van het document een nieuwe pagina toevoegen.
Maakt u een index voor meerdere documenten in een boek, dan maakt of opent u het document dat voor de index moet
worden gebruikt en plaatst u dat document in het boek.
2. Kies Index genereren in het menu van het deelvenster Index. Geef instellingen op voor de volgende opties:
Typ voor Titel de tekst die boven aan de index komt te staan. Selecteer voor de opmaak van de titel een stijl in het
pop-upmenu Stijl.
Selecteer Bestaande index vervangen om een bestaande index bij te werken. De optie is grijs als u geen index hebt
gegenereerd. Als u deze optie uitschakelt, kunt u meerdere indexen maken.
Selecteer Inclusief boekdocumenten om een enkele index te maken voor alle documenten in de actieve boekenlijst om de
pagina's van het boek opnieuw te nummeren. Schakel deze optie uit als u alleen een index voor het actieve document wilt
maken.
Selecteer Inclusief items op verborgen lagen als u indexmarkeringen op verborgen lagen in de index wilt opnemen.
Klik op Meer opties als u de extra indexopties wilt bekijken.
3. Klik op OK. Als u de optie Bestaande index vervangen uitschakelt, verschijnt er een geladen-tekstpictogram. Plaats het artikel
van de index op dezelfde manier als elke andere tekst.
Wijzigingen die u aanbrengt door items in de index te bewerken, worden overschreven wanneer u de index opnieuw genereert. Voor het beste
resultaat bewerkt u de index in het deelvenster Index en genereert u vervolgens de index opnieuw.
Opties voor het opmaken van een index
Als u op Meer opties in het venster Index genereren klikt, verschijnen er opmaakopties waarmee u de stijl en de vormgeving van de gegenereerde
index kunt bepalen. InDesign bevat een aantal ingebouwde alinea- en tekenstijlen waarmee u de gegenereerde index kunt opmaken. U kunt ook
eigen stijlen maken en selecteren. Nadat u de index hebt gegenereerd, kunt u deze stijlen in de deelvensters Alineastijlen en Tekenstijlen
bewerken.
Naar boven
Index met geneste items
A. TitelB. SectiekopC.Item niveau 1D.Subitem niveau 2E. OnderwerpF. Kruisverwijzing
Als u de scheidingstekens voor indexitems (zoals de waarden voor Volgend onderwerp of Tussen items) wilt vervangen, selecteert u het
bestaande scheidingsteken en typt of kiest u een vervangend teken.
Genest of Run-inSelecteer Genest als u de index wilt opmaken in de standaardstijl, waarbij de subitems genest als afzonderlijke, inspringende
alinea's onder een item worden weergegeven. Selecteer Run-in als u wilt dat alle niveaus van een indexitem in één alinea worden weergegeven.
De optie Tussen items bepaalt door welk teken de items van elkaar worden gescheiden.
Inclusief sectiekoppen indexSelecteer deze optie om sectiekoppen te genereren die uit letters bestaan (A, B, C enz.) die de volgende sectie
aangeven.
Inclusief lege indexsecties Selecteer deze optie om sectiekoppen te genereren voor alle letters van het alfabet, zelfs als er in de index geen
items van het eerste niveau staan die met een bepaalde letter beginnen.
Niveau-opmaakKies voor elk indexniveau een alineastijl die op elk niveau van indexitems moet worden toegepast. Nadat u de index hebt
gegenereerd, kunt u deze stijlen bewerken in het deelvenster Alineastijlen.
SectiekopSelecteer de alineastijl waarmee de sectiekoppen (A, B, C, enz.) in de gegenereerde index zijn opgemaakt.
PaginanummerSelecteer de tekenstijl waarmee de paginanummers in de gegenereerde index zijn opgemaakt. Deze instelling heeft geen invloed
op indexitems die u met de optie Andere stijl op nummer toepassen hebt opgemaakt.
Opmerking: Zie Sectienummering definiëren voor het toevoegen van voorvoegsels aan de paginanummers in de index, zoals B-1 of II-1.
KruisverwijzingSelecteer de tekenstijl waarmee de tekst van de kruisverwijzing (zoals Zie en Zie ook) in de gegenereerde index is opgemaakt.
Onderwerp waarnaar wordt verwezenSelecteer de tekenstijl waarmee het onderwerp waarnaar wordt verwezen (zoals beesten in Zie ook
beesten) in de gegenereerde index is opgemaakt.
Volgend onderwerpTyp of selecteer een speciaal teken om het item van het paginanummer te scheiden (bijvoorbeeld Dieren 38). Standaard
zijn dit twee spaties. Bepaal de opmaak voor dit teken door de desbetreffende niveau-opmaak te bewerken of door een andere opmaak te
selecteren.
Tussen paginanummersTyp of selecteer een speciaal teken om paginanummers of bereiken van elkaar te scheiden. Standaard is dit een
komma gevolgd door een spatie.
Tussen itemsAls Run-in is geselecteerd, typt of selecteert u een speciaal teken waarmee u items en subitems van elkaar wilt scheiden. Is
Genest geselecteerd, dan bepaalt deze optie hoe twee kruisverwijzingen onder een enkel item moeten worden gescheiden.
Voor kruisverwijzingTyp of selecteer een speciaal teken dat tussen een verwijzing en een kruisverwijzing moet komen te staan, zoals bij
Dieren. Zie ook beesten. Standaard is dit een punt gevolgd door een spatie. Bepaal de opmaak voor dit teken door de overeenkomstige niveaustijl
te veranderen of te bewerken.
PaginabereikTyp of selecteer een speciaal teken waarmee de eerste en laatste nummers in een paginabereik van elkaar moeten worden
gescheiden (zoals Dieren 8-43). Standaard is dit een en-streepje. Bepaal de opmaak van dit teken door de overeenkomstige paginanummerstijl te
veranderen of te bewerken.
ItemeindeTyp of selecteer het speciale teken dat aan het einde van items moet komen te staan. Als Run-in is geselecteerd, verschijnt het
opgegeven teken aan het einde van de laatste kruisverwijzing. De standaardinstelling is geen teken.
De sorteervolgorde van indexen wijzigen
U kunt de sorteervolgorde van talen en symbolen wijzigen. Dit is met name handig voor Grieks en voor Cyrillische en Aziatische talen. De functie
is ook handig als u de locatie van symbolen in uw index wilt wijzigen. Als u symbolen aan het einde van de index wilt weergeven, kunt u de
categorie Symbool onder aan de prioriteitslijst zetten.
Het wijzigen van de sorteervolgorde heeft gevolgen voor de sorteervolgorde in het deelvenster Index en in de indexartikelen die daarna worden
gegenereerd. U kunt meerdere indexen met een verschillende sorteervolgorde maken. U kunt bijvoorbeeld een index in het Duits genereren, de
sorteervolgorde wijzigen en vervolgens een andere index in het Zweeds genereren. Bij het genereren van de indexen moet echter de optie
Bestaande index vervangen niet zijn ingeschakeld.
1. Kies Sorteeropties in het menu van het deelvenster Index.
2. Zorg ervoor dat alle items die u wilt sorteren, zijn geselecteerd.
3. Bepaal welk type taalscript wordt gebruikt door te klikken op het item onder Kopteksttype en een andere optie in het menu te
kiezen.
Bij Cyrillisch kunt u bijvoorbeeld Russisch, Witrussisch, Bulgaars of Oekraïens kiezen. Bij Chinees hebt u de keuze uit Pinyin,
dat vooral wordt gebruikt voor vereenvoudigd Chinees, of Aantal lijnen, dat vooral wordt gebruikt voor traditioneel Chinees.
Naar boven
4. Wijzig de volgorde van een taal of een symbool door de gewenste taal of het symbool in de lijst te selecteren en vervolgens
op de knop Omhoog of Omlaag rechtsonder in de lijst te klikken.
Items die hoger in de lijst staan, worden eerder gesorteerd dan items die lager in de lijst staan. Tekens uit talen die niet in het
dialoogvenster Sorteeropties staan, worden onder symbolen gesorteerd. Als er bijvoorbeeld Griekse tekst in het document
staat en Grieks staat niet bij de sorteeropties, wordt alle Griekse tekst onder symbolen gesorteerd.
Sorteervolgorde van indexen in het Japans en Koreaans
Houd bij het maken van indexitems voor Aziatische talen rekening met het volgende:
Voor Aziatische talen wordt een andere sorteerconventie gebruikt, die is gebaseerd op taalspecifieke typografische regels.
Bij het maken van een index voor tekst in het Japans, moet de yomi (sorteerspecificatie) voor indexitems in het
onderwerpniveauvak worden ingevoerd in het vak Yomi met gebruik van hiragana en katakana in volledige breedte. Het is niet
nodig de yomi voor hiragana, katakana, alfanumerieke tekens en bepaalde symbolen in volledige breedte, alfanumerieke
tekens in halve breedte of indexitems die alleen uit symbolen bestaan, in te voeren in het vak Yomi. De in het
onderwerpniveauvak ingevoerde items worden gesorteerd. In bepaalde gevallen, wanneer een item zowel symbolen in
volledige breedte als in halve breedte bevat, levert het sorteren mogelijk niet het verwachte resultaat op. In dergelijke gevallen
moet een geschikte yomi worden ingevoerd.
U kunt geen katakana of kanji in halve breedte invoeren in het tekstvak Yomi. Het is echter wel mogelijk om symbolen in
volledige breedte, zoals en , in te voeren.
Er wordt onderscheid gemaakt tussen hiragana en katakana, en hiragana wordt vóór katakana gesorteerd. Er wordt ook
onderscheid gemaakt tussen alfabetische tekens in hoofdletters en kleine letters waarbij hoofdletters vóór kleine letters worden
gesorteerd.
Wanneer identieke tekens worden ingevoerd in het onderwerpniveauvak, worden deze verwerkt als aparte indexitems wanneer
voor de tekens een verschillende yomi is opgegeven. Als bijvoorbeeld “Kat” wordt ingevoerd als een indexitem met een
waarde “Neko” in katakana en vervolgens wordt “Kat” nogmaals ingevoerd met een waarde “Neko” in hiragana, worden twee
indexitems voor “Kat” gegenereerd. Deze functie kan ook worden gebruikt om dezelfde term in te delen onder verschillende
indexonderwerpen. Als bijvoorbeeld de term “De katten” in een index wordt ingevoerd en als “Katten” is ingevoerd in het
tekstvak Yomi en er twee indexitems zijn gegenereerd zonder enige invoer, wordt de term “De katten” gegenereerd onder de
indexonderwerpen D en K.
Voor de Koreaanse sorteervolgorde kunt u kiezen uit Koreaanse medeklinker of Koreaanse medeklinker plus klinker.
Sorteervolgorde van indexen in het Chinees
Bij het maken of bewerken van een indexitem kunt u de sorteervolgorde van Chinese tekens op twee plaatsen instellen: in het dialoogvenster
Sorteeropties en in het veld Sorteren op.
Dialoogvenster SorteeroptiesAls u Sorteeropties kiest in het deelvenster Index, kunt u de sorteervolgorde wijzigen en opgeven of u gebruik wilt
maken van Pinyin of Aantal lijnen.
Sorteren opWanneer u bij het maken of bewerken van een indexitem Chinese tekens typt in de onderwerpniveauvelden, kunt u de Chinese
sorteervolgorde bewerken.
Voor Pinyin geldt dat als meerdere woorden dezelfde Pinyin hebben, de volgorde wordt gesorteerd op (1) kleurtint en (2) aantal lijnen in oplopende
volgorde. Bij Aantal lijnen wordt elk teken gesorteerd op (1) het aantal lijnen, (2) de eerste lijn en (3) de tweede lijn. U kunt de sorteervolgorde
rechtstreeks in het veld Sorteren op bewerken of u kunt klikken op de pijl rechts van het veld Sorteren op om het dialoogvenster Pinyin-invoer of
Invoer bij Aantal lijnen te openen. Bewerk de velden en klik op OK. Herhaal deze procedure voor elk onderwerpniveau.
Een index beheren
Nadat u de index hebt opgezet en indexmarkeringen aan het document hebt toegevoegd, kunt u de index op diverse manieren beheren. U kunt
alle onderwerpen uit een boek bekijken, onderwerpen die niet in de lijst met verwijzingen staan uit de lijst met onderwerpen verwijderen, items in
de lijst met verwijzingen en de lijst met onderwerpen opzoeken en indexmarkeringen uit het document verwijderen.
Alle indexonderwerpen in een boek weergeven
Wanneer de optie Boek is geselecteerd, worden in het deelvenster Index de items uit het gehele boek en niet alleen uit het huidige document
weergegeven.
1. Open het boekbestand met alle daarin staande documenten.
2. Selecteer Boek boven aan het deelvenster Index.
Als iemand anders tijdens het genereren van de index een document in het boek moet openen, kunt u een hoofdlijst met onderwerpen in een apart
document maken en die onderwerpen vanuit de hoofdlijst naar elk document in het boek kopiëren. Als de hoofdlijst wordt gewijzigd, moet u de
onderwerpen in elk document opnieuw importeren.
Wanneer u een boek met meerdere documenten indexeert, kunt u de indexonderwerpen voor al die documenten weergeven door de index van
het boek te genereren, en daarin alle documenten op te nemen. U hoeft dan Onderwerpen importeren in het menu Index niet te gebruiken om
de onderwerpen handmatig in elk document te importeren.
Ongebruikte onderwerpen uit de lijst met onderwerpen verwijderen
Nadat u de index hebt gemaakt, kunt u de onderwerpen verwijderen die niet in de index zijn opgenomen.
1. Kies Venster > Tekst en tabellen > Index om het deelvenster Index te openen.
2. Kies Niet-gebruikte onderwerpen verwijderen in het menu van het deelvenster Index. Alle onderwerpen waaraan geen
paginanummers zijn gekoppeld, worden verwijderd.
Indexmarkeringen verwijderen
Voer een van de volgende handelingen uit:
Selecteer in het deelvenster Index het item of onderwerp dat u wilt verwijderen. Klik op de knop Geselecteerd item
verwijderen .
Opmerking: Als het geselecteerde item een kop is met meerdere subkoppen, worden ook alle subkoppen verwijderd.
Selecteer de indexmarkering in het documentvenster en druk op Backspace of Delete.
Opmerking: Als u indexmarkeringen wilt weergeven in het documentvenster, kiest u Tekst > Verborgen tekens tonen.
Een indexitem in het deelvenster Index opzoeken
1. Kies Zoekveld tonen in het menu van het deelvenster Index.
2. Typ de naam van het item dat u wilt opzoeken in het vak Zoeken en klik op Pijl-omhoog of Pijl-omlaag.
Indexmarkeringen zoeken in een document
1. Kies Tekst > Verborgen tekens tonen om de indexmarkeringen in het documentvenster weer te geven.
2. Klik op Verwijzing in het deelvenster Index en selecteer het item of onderwerp dat u wilt opzoeken.
3. Kies Naar geselecteerde markering in het menu van het deelvenster Index. De invoegpositie staat rechts van de
indexmarkering. U selecteert de markering door op Shift+Pijl-links te drukken waarna u de markering kunt knippen, kopiëren of
verwijderen.
Indexitems in hoofdletters weergeven
Het dialoogvenster In hoofdletters verschaft een globale oplossing voor het bewerken van het hoofdlettergebruik van indexitems, zodat u de items
niet afzonderlijk hoeft te bewerken. Als u bijvoorbeeld een aantal indexitems met een kleine beginletter hebt geïndexeerd (katten) en andere met
een hoofdletter (Katten), worden deze items als afzonderlijke onderwerpen beschouwd. U lost dit op door de beginletter van de geselecteerde
items in een hoofdletter te veranderen.
1. Selecteer een item in de voorvertoning van het deelvenster Index.
2. Kies In hoofdletters in het menu van het deelvenster Index.
3. Selecteer of u alleen het geselecteerde onderwerp, het geselecteerde onderwerp en alle subonderwerpen, alle onderwerpen
op niveau 1 of alle onderwerpen wilt weergeven met een beginhoofdletter en klik op OK.
Meer Help-onderwerpen
Video over het maken van een index
Juridische kennisgevingen | Onlineprivacybeleid
Boekbestanden maken
Naar boven
Naar boven
Naar boven
Een boekbestand maken
Documenten aan een boekbestand toevoegen
Boekbestanden beheren
Documenten in een boekbestand synchroniseren
Boekbestanden vanuit eerdere versies van InDesign omzetten
Pagina's, hoofdstukken en alinea's in een boek nummeren
Een boekbestand afdrukken of uitvoeren
Een boekbestand maken
Een boekbestand is een verzameling documenten waarbij dezelfde stijlen, stalen, stramienpagina's en andere elementen kunnen worden gebruikt.
U kunt de pagina's van boekdocumenten opeenvolgend nummeren, geselecteerde documenten afdrukken of naar PDF exporteren. Een document
kan in meerdere boekbestanden worden geplaatst.
Een van de documenten die worden toegevoegd aan een boekbestand is de stijlbron. Hoewel de stijlbron standaard het eerste document van het
boek is, kunt u altijd een nieuwe stijlbron selecteren. Wanneer u documenten in een boek synchroniseert, worden de stijlen en stalen in de andere
boekdocumenten vervangen door de stijlen en stalen uit de stijlbron.
In Book Basics (Engelstalig) vindt u een videodemo van Michael Murphy over het maken van boeken.
1. Kies Bestand > Nieuw > Boek.
2. Typ een naam voor het boek, geef een locatie op en klik op Opslaan.
Het deelvenster Boek wordt geopend. Het boekbestand wordt opgeslagen met de bestandsnaamextensie .INDB.
3. Voeg documenten aan het boekbestand toe.
Documenten aan een boekbestand toevoegen
Als u een boekbestand maakt, wordt dit geopend in het deelvenster Boek. Het deelvenster Boek is het werkgebied van een boekbestand waar u
documenten toevoegt, verwijdert en opnieuw rangschikt.
1. Kies Document toevoegen in het menu van het deelvenster Boek of klik op het plusteken onder in het deelvenster Boek.
2. Selecteer het Adobe InDesign-document of de Adobe InDesign-documenten die u wilt toevoegen en klik op Openen.
U kunt bestanden vanuit de Verkenner (Windows) of Finder (Mac OS) naar het deelvenster Boek slepen. Ook kunt u
documenten van het ene naar het andere boek slepen. Houd Alt (Windows) of Option (Mac OS) ingedrukt om het
document te kopiëren.
3. Als u documenten die zijn gemaakt in eerdere versies van InDesign aan het boek toevoegt, worden deze documenten
omgezet naar de Adobe InDesign CS5-indeling. Geef in het dialoogvenster Opslaan als een andere naam voor het omgezette
document op (of gebruik de oorspronkelijke naam) en klik op Opslaan.
Opmerking: Adobe PageMaker- of QuarkXPress-documenten moeten worden omgezet voordat u ze aan het boekbestand
kunt toevoegen.
4. Indien nodig wijzigt u de volgorde van documenten door deze omhoog of omlaag te slepen naar de juiste locatie in de lijst.
5. U kunt een document als de stijlbron aanwijzen door het selectievakje naast de naam van het document in het deelvenster in
te schakelen.
U opent een document in een boekbestand door te dubbelklikken op de naam van dat document in het deelvenster Boek.
Boekbestanden beheren
Elk boekbestand dat u opent, wordt op een eigen tabblad in het deelvenster Boek weergegeven. Als er meerdere boeken zijn geopend, haalt u
een boek naar voren door op het tabblad van dat boek te klikken. Vervolgens kunt u de opties in het menu van het deelvenster gebruiken.
Pictogrammen in het deelvenster Boek geven de status van een document aan, zoals geopend , ontbreekt (het document is verplaatst,
hernoemd of verwijderd), gewijzigd (het document is bewerkt of de pagina- of sectienummering ervan is veranderd toen het boek gesloten was)
of in gebruik (iemand anders heeft het boek geopend in een beheerde workflow ). Naast gesloten documenten staat geen pictogram.
Als u de padnaam van een document in een boek wilt weten, plaatst u de muisaanwijzer op de naam van het desbetreffende document totdat
de gereedschapstip verschijnt. U kunt ook Documentgegevens kiezen in het menu van het deelvenster Boek.
Naar boven
Een boekbestand opslaan
Boekbestanden zijn niet hetzelfde als documentbestanden. Wanneer u bijvoorbeeld de opdracht Boek opslaan kiest, worden de wijzigingen in het
boek opgeslagen en niet de documenten in het boek.
Ga op een van de volgende manieren te werk:
Om een boek een andere naam te geven, kiest u Boek opslaan als in het menu van het deelvenster Boek, geeft u een locatie
en bestandsnaam op en klikt u op Opslaan.
Om een bestaand boek onder dezelfde naam op te slaan, kiest u Boek opslaan in het menu van het deelvenster Boek of klikt u
op de knop Opslaan onder in het deelvenster Boek.
Opmerking: Als u boekbestanden via een server deelt, moet u zorgen dat er een bestandsbeheersysteem is, zodat u niet per ongeluk de
wijzigingen van een ander overschrijft.
Een boekbestand sluiten
Als u één boek wilt sluiten, kiest u Boek sluiten in het menu van het deelvenster Boek.
Als u alle geopende boeken wilt sluiten die in hetzelfde deelvenster aan elkaar zijn gekoppeld, klikt u op de knop Sluiten op de
titelbalk van het deelvenster Boek.
Documenten uit een boekbestand verwijderen
1. Selecteer het document in het deelvenster Boek.
2. Kies Document verwijderen in het menu van het deelvenster Boek.
Hierbij wordt alleen het document uit het boekbestand verwijderd en niet van de vaste schijf.
Documenten in een boekbestand vervangen
1. Selecteer het document in het deelvenster Boek.
2. Kies Document vervangen in het menu van het deelvenster Boek, zoek het document waardoor u het andere document wilt
vervangen en klik op Openen.
Een boekbestand openen in Windows Verkenner of de Finder
1. Selecteer een document in het deelvenster Boek.
2. Kies Tonen in Verkenner (Windows) of Tonen in Finder (Mac OS) in het menu van het deelvenster Boek.
Het geselecteerde bestand wordt nu in een browservenster weergegeven.
Documenten in een boekbestand synchroniseren
Als u documenten in een boek synchroniseert, worden de items die u opgeeft, zoals stijlen, variabelen, stramienpagina's, overvulvoorinstellingen,
opmaak voor kruisverwijzingen, instellingen voor voorwaardelijke tekst, genummerde lijsten en stalen, gekopieerd vanuit de stijlbron naar de
opgegeven documenten in het boek. Hierbij worden eventuele items met identieke namen vervangen.
Als het document dat wordt gesynchroniseerd geen elementen van de stijlbron bevat, worden deze elementen toegevoegd. Elementen die niet in
de stijlbron staan, blijven ongewijzigd wanneer de documenten worden gesynchroniseerd.
Op www.adobe.com/go/vid0216_nl vindt u een videodemo over het synchroniseren van boekdocumenten.
Elementen voor het synchroniseren selecteren
1. Kies Synchronisatieopties in het menu van het deelvenster Boek.
2. Selecteer de elementen die u vanuit de stijlbron naar andere boekdocumenten wilt kopiëren.
Zorg ervoor dat u alle stijlen selecteert die zijn opgenomen in de definitie van andere stijlen. Zo kan bijvoorbeeld een objectstijl
alinea- en tekenstijlen bevatten, waarin op hun beurt weer stalen zijn opgenomen.
3. Selecteer Slimme match stijlgroepen om te voorkomen dat stijlen met unieke namen die naar of uit stijlgroepen zijn verplaatst,
worden gedupliceerd.
Stel dat de stijlbron een tekenstijl in een stijlgroep bevat en dat de documenten die worden gesynchroniseerd dezelfde
tekenstijl buiten de stijlgroep bevatten. Als deze optie wordt geselecteerd, wordt de tekenstijl verplaatst naar de stijlgroep in
gesynchroniseerde documenten.
Als deze optie niet is geselecteerd, wordt er een tweede instantie van de tekenstijl gemaakt in de stijlgroep met opties die
overeenkomen met de stijlbron. De tekenstijl buiten de stijlgroep verandert niet.
Opmerking: Als een document meerdere stijlen bevat die dezelfde naam hebben (bijvoorbeeld Tekenstijl 1 in een stijlgroep
en Tekenstijl 1 buiten een stijlgroep), gedraagt InDesign zich alsof de optie niet is geselecteerd. Voor de beste resultaten
Naar boven
maakt u stijlen met unieke namen.
4. Klik op OK.
Documenten in een boekbestand synchroniseren
U kunt het boek ook synchroniseren als de documenten in het boek zijn gesloten. InDesign opent de gesloten documenten, brengt wijzigingen
aan, slaat de documenten op en sluit ze weer. Documenten die tijdens het synchroniseren zijn geopend, worden gewijzigd maar niet opgeslagen.
1. Klik in het deelvenster Boek op het lege vakje naast het document dat u als stijlbron wilt instellen. Het pictogram Stijlbron
geeft aan welk document de stijlbron is.
Geselecteerde stijlbron
2. Controleer of alle elementen die u vanuit de stijlbron wilt kopiëren, zijn geselecteerd in het dialoogvenster
Synchronisatieopties.
3. Selecteer in het deelvenster Boek de documenten die u met het stijlbrondocument wilt synchroniseren. Als er geen document
is geselecteerd, wordt het hele boek gesynchroniseerd.
U zorgt ervoor dat er geen documenten zijn geselecteerd door op het lege, grijze gedeelte onder de boekdocumenten te
klikken. Hiervoor moet u mogelijk door het deelvenster Boek schuiven of de grootte van dit deelvenster wijzigen. U kunt
ook de toets Ctrl (Windows) of Command (Mac OS) ingedrukt houden en op een geselecteerd document klikken om de
selectie hiervan ongedaan te maken.
4. Kies Geselecteerde documenten synchroniseren of Boek synchroniseren in het menu van het deelvenster Boek of klik op de
knop Synchroniseren onder in het deelvenster Boek.
Opmerking: Wanneer u Bewerken > Ongedaan maken kiest, worden wijzigingen alleen ongedaan gemaakt als de bestanden tijdens het
synchroniseren zijn geopend.
Stramienpagina's synchroniseren
Stramienpagina's worden op dezelfde manier gesynchroniseerd als andere objecten. De stramienpagina's met dezelfde naam (bijvoorbeeld
Stramienpagina A) als de stramienpagina's in de stijlbron worden vervangen. Het synchroniseren van stramienpagina's bewijst zijn nut bij
documenten waarbij dezelfde ontwerpelementen worden gebruikt, zoals doorlopende kop- en voetteksten. Als u paginaonderdelen op een
stramienpagina van andere documenten dan de stijlbron wilt behouden, moet u geen stramienpagina's synchroniseren of moet u stramienpagina's
met een andere naam maken.
Alle onderdelen op een stramienpagina die worden overschreven op documentpagina's nadat u stramienpagina's voor de eerste keer
synchroniseert, worden losgekoppeld van de stramienpagina. Als u dus de stramienpagina's van een boek wilt gaan synchroniseren, is het
raadzaam eerst alle documenten te synchroniseren voordat u met het ontwerp gaat beginnen. Op die manier blijven overschreven onderdelen op
stramienpagina's aan de stramienpagina gekoppeld en worden die onderdelen bijgewerkt met de gewijzigde stramienpaginaonderdelen uit de
stijlbron.
Het wordt ook aangeraden stramienpagina's maar met één stijlbron te synchroniseren. Als u vanuit een andere stijlbron synchroniseert, kunnen
overschreven stramienpaginaonderdelen van de stramienpagina worden losgekoppeld. Moet u echter met een andere stijlbron synchroniseren, dan
schakelt u eerst de optie Stramienpagina's in het dialoogvenster Synchronisatieopties uit.
Boekbestanden vanuit eerdere versies van InDesign omzetten
U kunt een boekbestand dat in een vorige versie van InDesign is gemaakt, omzetten door het in InDesign CS5 te openen en op te slaan.
Wanneer u een omgezet boek synchroniseert, opnieuw nummert, afdrukt, comprimeert of exporteert, worden de documenten in dat boek ook naar
InDesign CS5 omgezet. U kunt de originele documentbestanden overschrijven of behouden.
Een boekbestand omzetten voor gebruik in InDesign CS5
1. Kies in InDesign CS5 de optie Bestand > Openen.
2. Selecteer het boekbestand dat in een vorige versie van InDesign is gemaakt en klik op OK.
Er verschijnt een waarschuwing als het boekbestand documenten in een eerdere indeling van InDesign bevat.
3. Kies Boek opslaan als in het menu van het deelvenster Boek. Geef een nieuwe naam voor het omgezette boekbestand op en
klik op Opslaan.
Documenten in een boekbestand omzetten
1. Open het boekbestand in InDesign CS5.
Naar boven
2. Ga als volgt te werk in het menu van het deelvenster Boek:
Als u de originele documenten tijdens het omzetten wilt laten overschrijven, schakelt u de optie Documenten automatisch
omzetten in.
Als u de originele documenten wilt bewaren en de omgezette documenten onder een andere naam wilt opslaan, schakelt
u de optie Documenten automatisch omzetten uit. (De boekenlijst wordt bijgewerkt met de omgezette bestanden en niet
met de originele bestanden.)
3. Voer een van de volgende handelingen uit om de documenten om te zetten:
Kies Boek synchroniseren in het menu van het deelvenster Boek. (Zie Documenten in een boekbestand synchroniseren.)
Kies Nummering bijwerken > Alle nummers bijwerken in het menu van het deelvenster Boek.
4. Als Documenten automatisch omzetten niet is geselecteerd, wordt u in InDesign gevraagd elk omgezet document onder een
andere naam op te slaan.
Opmerking: Documenten worden ook omgezet wanneer u het boek afdrukt of exporteert naar Adobe PDF.
Pagina's, hoofdstukken en alinea's in een boek nummeren
U kunt zelf bepalen hoe pagina's, hoofdstukken en alinea's in een boek worden genummerd. De nummeringsstijlen en beginnummers voor
pagina's en hoofdstukken in een boekbestand worden bepaald door de instellingen van elk document in het dialoogvenster Nummerings- en
sectie-opties of Opties documentnummering. U kunt een van deze dialoogvensters openen door Layout > Nummerings- en sectie-opties te kiezen
in het document of door Opties documentnummering te kiezen in het menu van het deelvenster Boek.
Zie Standaardpaginanummering toevoegen voor informatie over het toevoegen van paginanummers aan een document.
Voor genummerde alinea's (zoals een lijst met afbeeldingen) wordt de nummering bepaald door de gedefinieerde stijl voor genummerde lijsten die
onderdeel is van de alineastijl.
Naast elke documentnaam in het deelvenster Boek staat het paginabereik. Wanneer u pagina's aan boekdocumenten toevoegt of eruit verwijdert,
of wijzigingen in het boekbestand aanbrengt (documenten opnieuw schikt, toevoegt of verwijdert), worden de pagina's en secties standaard
opnieuw genummerd in het deelvenster Boek. Als u de instelling voor het automatisch bijwerken van de pagina- en sectienummering uitschakelt,
kunt u de nummering in een boek handmatig bijwerken.
Als het boek wordt bijgewerkt en de nummering onjuist lijkt, kan het zijn dat bij de algemene voorkeuren absolute nummers worden weergegeven
in plaats van sectienummers. Zie De absolute nummering of sectienummering in het deelvenster Pagina's weergeven.
Als er een document ontbreekt of als een document niet kan worden geopend, wordt het paginabereik weergegeven als '?' vanaf de plaats waar
het document zou moeten staan tot aan het einde van het boek. Het vraagteken geeft aan dat het feitelijke paginabereik niet bekend is. Verwijder
of vervang het ontbrekende document voordat u de nummering gaat bijwerken. Als het pictogram In gebruik wordt weergegeven, heeft iemand
anders het document geopend in een beheerde workflow. Deze persoon moet het document eerst sluiten voordat u de nummering kunt bijwerken.
Op www.adobe.com/go/vid0217_nl vindt u een videodemo over het nummeren van pagina's in een boek.
De opties voor de pagina- en hoofdstuknummering voor elk document wijzigen
1. Selecteer het document in het deelvenster Boek.
2. Kies Opties documentnummering in het menu van het deelvenster Boek of dubbelklik in het deelvenster Boek op een
paginanummer van het document.
3. Geef de opties voor het nummeren van pagina's, secties en hoofdstukken op. (Zie Opties documentnummering.)
4. Klik op OK.
Opmerking: Als u het eerste paginanummer in een boekdocument opgeeft in plaats van de functie Automatische paginanummering te gebruiken,
begint het boekdocument op de opgegeven pagina. Alle volgende documenten in het boek worden dienovereenkomstig genummerd.
Nummering op even of oneven pagina's beginnen
De nummering kan zowel op even als op oneven genummerde pagina's in boekdocumenten worden gestart.
1. Kies Nummeringsopties boekpagina's in het menu van het deelvenster Boek.
2. Kies Doorgaan op volgende oneven pagina of Doorgaan op volgende even pagina.
3. Selecteer Lege pagina invoegen om aan het einde van elk document een lege pagina toe te voegen als het volgende
document op een even of oneven pagina moet beginnen en klik op OK.
Automatisch nummeren van pagina's in een boek uitschakelen
1. Kies Nummeringsopties boekpagina's in het menu van het deelvenster Boek.
2. Schakel de optie Pagina- en sectienummers automatisch bijwerken uit en klik op OK.
3. Als u de paginanummering zelf wilt bijwerken, kiest u Nummering bijwerken > Alle nummers bijwerken in het menu van het
deelvenster Boek.
Naar boven
U kunt ook alleen de pagina- en sectienummering of alleen de hoofdstuk- en alineanummering bijwerken.
Alinea's in een boek doorlopend nummeren
Als u een doorlopende alineanummering voor lijsten met afbeeldingen, tabellen of andere elementen wilt gebruiken, moet u eerst een
genummerde lijst maken die in een alineastijl wordt gebruikt. Deze genummerde lijst bepaalt of alinea's in de documenten in een boek doorlopend
worden genummerd.
1. Open het document dat de stijlbron voor het document is.
2. Kies Tekst > Lijst met opsommingstekens en nummers > Lijsten definiëren.
3. Klik op Volgende om een lijst te definiëren of selecteer een bestaande lijst en klik op Bewerken.
4. Selecteer Doornummeren in artikelen en Doornummeren vanuit vorig document in boek.
5. Klik op OK.
6. Definieer een alineastijl waarin de genummerde lijst wordt gebruikt en pas deze stijl toe op de tekst in elk document waarin de
lijst voorkomt. (Zie Een alineastijl maken voor doorlopende lijsten.)
Als u de stijl van de genummerde lijst in alle documenten in het boek wilt gebruiken, schakelt u de opties Alineastijlen en Genummerde lijsten in
het dialoogvenster Synchronisatieopties in en synchroniseert u vervolgens het boek.
Een boekbestand afdrukken of uitvoeren
Het voordeel van een boekbestand is dat u voor het uitvoeren (afdrukken, preflighting, pakketten maken, of naar EPUB of PDF exporteren) van
geselecteerde boekdocumenten of het hele boek slechts één opdracht hoeft te kiezen.
1. Voer in het deelvenster Boek een van de volgende handelingen uit:
Selecteer de gewenste documenten als u specifieke documenten wilt uitvoeren.
Zorg ervoor dat er geen documenten zijn geselecteerd als u het hele boek wilt uitvoeren.
2. Kies een uitvoeropdracht (zoals Boek afdrukken of Geselecteerde documenten afdrukken) in het menu van het deelvenster
Boek.
Meer Help-onderwerpen
Video over het synchroniseren van documenten in een boekbestand
Video over het instellen van paginanummering
Juridische kennisgevingen | Onlineprivacybeleid
Tekst en tekstkaders maken
Naar boven
Naar boven
Tekstkaders maken
Tekstkaders verplaatsen en het formaat ervan wijzigen.
Tekstkaders op stramienpagina's gebruiken
Eigenschappen van tekstkaders wijzigen
Woord- en tekenaantallen vaststellen
Werken met extra talen
Tekstkaders maken
Tekst in InDesign staat in vakken, de zogenaamde tekstkaders. (Een tekstkader is vergelijkbaar met een tekstvak in QuarkXPress en een
tekstblok in Adobe PageMaker.) Op www.adobe.com/go/lrvid4274_id_nl vindt u een videodemo over het maken van een tekstkader.
Tekstkaders kunnen net zoals afbeeldingskaders worden verplaatst, groter en kleiner worden gemaakt en worden gewijzigd. Het soort wijzigingen
dat u kunt maken, hangt af van het gereedschap waarmee u een tekstkader selecteert:
Met het gereedschap Tekst kunt u tekst in een kader invoeren of bewerken.
Gebruik het gereedschap Selecteren voor algemene opmaaktaken, zoals het plaatsen en vergroten/verkleinen van kaders.
Gebruik het gereedschap Direct selecteren voor het wijzigen van de vorm van een kader.
Tekstkaders kunnen ook aan elkaar worden gekoppeld zodat de tekst van het ene kader kan doorlopen in het andere. Dergelijke kaders worden
verbonden kaders genoemd. De tekst die door een of meer verbonden kaders loopt, wordt artikel genoemd. Als u een tekstverwerkingsbestand
plaatst (importeert), komt dit in het document te staan als één artikel, ongeacht het aantal kaders dat de tekst inneemt.
Tekstkaders kunnen uit meerdere kolommen bestaan. Tekstkaders kunnen worden gebaseerd op paginakolommen maar staan er los van. Een
tekstkader dat uit twee kolommen bestaat kan dus staan op een pagina met vier kolommen. Tekstkaders kunnen ook op stramienpagina's worden
geplaatst en toch worden gevuld met tekst op documentpagina's.
Als u hetzelfde type tekstkader herhaaldelijk gebruikt, kunt u een objectstijl met tekstkaderopmaak maken, zoals lijn- en vulkleuren,
tekstkaderopties en tekstomloop en transparantie-effecten.
Wanneer u tekst plaatst of plakt, hoeft u geen tekstkader te maken. InDesign voegt namelijk automatisch kaders toe op basis van de
kolominstellingen van de pagina.
Ga als volgt te werk:
Sleep met het gereedschap Tekst om de breedte en hoogte van het nieuwe tekstkader te bepalen. Houd Shift ingedrukt en
sleep om het kader te beperken tot een vierkant. Als u de muisknop loslaat, verschijnt een tekstinvoegpositie in het kader.
Een nieuw tekstkader maken door te slepen
Klik met het gereedschap Selecteren op de in- of uitpoort van een ander tekstkader en klik of sleep om nog een tekstkader te
maken.
Plaats een tekstbestand met de opdracht Plaatsen.
Klik in een leeg kader met het gereedschap Tekst . Als de optie Tekstgereedschap zet kaders om naar tekstkaders is
geselecteerd bij de voorkeuren voor Tekst, wordt het lege kader omgezet naar een tekstkader.
Tekstkaders verplaatsen en het formaat ervan wijzigen.
Gebruik het gereedschap Selecteren om tekstkaders te verplaatsen of te vergroten of te verkleinen.
Naar boven
Als u een tekstkader wilt verplaatsen of vergroten of verkleinen zonder van het gereedschap Tekst over te schakelen op een
selectiegereedschap, houdt u Ctrl (Windows) of Command (Mac OS) ingedrukt en sleept u het kader.
Een tekstkader verplaatsen
Sleep met het gereedschap Selecteren het kader.
Houd Ctrl (Windows) of Command (Mac OS) ingedrukt en sleep het kader met het gereedschap Tekst. Wanneer u de toets
loslaat, is het gereedschap Tekst nog steeds geselecteerd.
Het formaat van een tekstkader wijzigen
Ga als volgt te werk:
Houd Ctrl (Windows) of Command (Mac OS) ingedrukt en sleep een handgreep van het kader met het gereedschap Tekst .
Als u voordat u gaat slepen, de muisknop één seconde ingedrukt houdt, wordt de tekst opnieuw samengesteld terwijl u het
formaat van het kader wijzigt.
Opmerking: Als u in plaats van slepen op het tekstkader klikt, wordt de geselecteerde tekst gedeselecteerd of raakt u het
invoegpunt kwijt.
Sleep met het gereedschap Selecteren een van de handgrepen aan de rand van het kader. Houd Ctrl (Windows) of
Command (Mac OS) ingedrukt om de tekst in het kader te schalen. (Zie Tekst schalen.)
Als u het kader snel aan de inhoud wilt aanpassen, selecteert u het tekstkader met het gereedschap Selecteren en dubbelklikt
u op een willekeurige handgreep. Als u bijvoorbeeld op de middelste handgreep aan de onderzijde dubbelklikt, wordt de
onderzijde van het kader uitgelijnd op de onderzijde van de tekst. Als u op de middelste handgreep aan de rechterzijde klikt,
blijft de hoogte gelijk, maar wordt de breedte aangepast.
U kunt ook dubbelklikken op een handgreep op een overlopend tekstkader om de hoogte of breedte uit te breiden en aan te
passen aan alle tekst in het kader. Als een tekstkader meer overlopende tekst bevat dan normaal gesproken op een pagina
past, wordt het formaat van het tekstkader niet gewijzigd.
Dubbelklik op een handgreep om het formaat van het tekstkader te wijzigen.
Als u het tekstkader aan de inhoud wilt aanpassen, selecteert u het kader met het gereedschap Selecteren en kiest u Object >
Aanpassen > Kader aan inhoud aanpassen. De onderzijde van het tekstkader wordt aangepast aan de inhoud van de tekst.
Als een tekstkader meer overlopende tekst bevat dan normaal gesproken op een pagina past, wordt het formaat van het
tekstkader niet gewijzigd.
Als u het formaat wilt wijzigen met het gereedschap Schalen , sleept u om het formaat van het kader te wijzigen. (Zie Tekst
schalen.)
Tekstkaders op stramienpagina's gebruiken
Als u een nieuw document start, kunt u de optie Stramientekstkader selecteren waarmee een leeg tekstkader wordt geplaatst op de
standaardstramienpagina van het document. Dit kader heeft de kolom- en marge-eigenschappen die zijn opgegeven in het dialoogvenster Nieuw
document.
Volg deze richtlijnen bij het gebruik van tekstkaders op stramienpagina's:
Stel stramientekstkaders in als u wilt dat iedere pagina in het document een paginagroot tekstkader bevat waarin u tekst kunt
typen of laten doorlopen. Als u meer variatie in uw document wilt aanbrengen, bijvoorbeeld door pagina's met verschillende
aantallen kaders of kaders van verschillende lengtes te gebruiken, laat u de optie Stramientekstkader uitgeschakeld en
gebruikt u het gereedschap Tekst om tekstkaders te maken op stramienen.
Het al dan niet selecteren van de optie Stramientekstkader heeft geen invloed op de mogelijkheid om tekstkaders als
plaatsaanduiding toe te voegen aan een stramienpagina. U kunt deze lege plaatsaanduidingskaders met elkaar verbinden
zodat doorloop mogelijk wordt.
Naar boven
U kunt tekst laten doorlopen in stramientekstkaders op dezelfde manier als bij kaders die zijn gemaakt op documentpagina's.
Als u tekst wilt typen in een stramientekstkader op een documentpagina, houdt u Ctrl+Shift (Windows) of Command+Shift
(Mac OS) ingedrukt terwijl u klikt op het tekstkader op de documentpagina. Klik vervolgens met het gereedschap Tekst in het
kader en typ de tekst.
Met Slim opnieuw tekst plaatsen kunt u tijdens het typen of bewerken van tekst automatisch pagina's toevoegen of
verwijderen. Als u tekst typt aan het einde van een verbonden tekstkader dat is gebaseerd op een stramienpagina, wordt met
deze optie standaard een nieuwe pagina toegevoegd, zodat u verder kunt typen in het nieuwe tekstkader. U kunt de
instellingen voor Slim opnieuw tekst plaatsen bewerken.
Als u de paginamarges wijzigt, worden tekstkaders alleen aangepast aan de nieuwe marges als de optie voor aanpassing van
de layout inschakelen is geselecteerd.
Het selecteren van Stramientekstkader heeft geen invloed op het toevoegen van nieuwe pagina's als u tekst automatisch laat
doorlopen.
Eigenschappen van tekstkaders wijzigen
Met Opties tekstkader wijzigt u instellingen zoals het aantal kolommen in het kader, de verticale uitlijning van tekst in het kader of de inzetafstand
(de afstand van de marges tussen de tekst en het kader).
Voor (links) en na (rechts) het instellen en maken van twee kolommen in een tekstkader
Als u dezelfde tekstkadereigenschappen voor meerdere tekstkaders wilt gebruiken, maakt u een objectstijl die u op de tekstkaders kunt
toepassen.
1. Selecteer een kader met het gereedschap Selecteren , klik met het gereedschap Tekst in het tekstkader of selecteer
tekst.
2. Kies Object >Opties tekstkader of houd Alt (Windows) of Option (Mac OS) ingedrukt en dubbelklik vervolgens met een
selectiegereedschap op het tekstkader.
3. Wijzig de tekstkaderopties en klik op OK.
Deze tekstkaderopties zijn beschikbaar wanneer u een objectstijl voor tekstvakken definieert. Zie Objectstijlen.
Kolommen toevoegen aan een tekstkader
U kunt kolommen in een tekstkader maken met het dialoogvenster Opties tekstkader.
U kunt in een tekstkader geen kolommen van ongelijke breedte maken. Als u kolommen van ongelijke breedte of hoogte wilt maken, voegt u
verbonden tekstkaders naast elkaar toe op een documentpagina of op een stramienpagina.
1. Selecteer een kader met het gereedschap Selecteren, klik met het gereedschap Tekst in het tekstkader of selecteer tekst.
2. Kies Object > Opties tekstkader.
3. Geef het aantal kolommen, de breedte van elke kolom en de afstand tussen elke kolom (tussenruimte) voor het tekstkader op.
4. (Optioneel) Selecteer Vaste kolombreedte om de kolombreedte te behouden wanneer u het formaat van het kader wijzigt. Als
deze optie is geselecteerd, kan door het wijzigen van het formaat van het kader het aantal kolommen veranderen. De breedte
van de kolommen verandert niet.
Vaste kolombreedte
A.Oorspronkelijk tekstkader met twee kolommenB.Formaat gewijzigd met Vaste kolombreedte uitgeschakeld (nog steeds
2 kolommen)C.Formaat gewijzigd met Vaste kolombreedte geselecteerd (4 kolommen)
5. (Optioneel) Selecteer Kolommen uitbalanceren om de tekst onder aan een tekstkader met meerdere kolommen regelmatig te
maken.
Voor en na het uitbalanceren van kolommen
De inzetafstand (marges) van tekstkaders wijzigen
1. Selecteer een kader met het gereedschap Selecteren, klik met het gereedschap Tekst in het tekstkader of selecteer tekst.
2. Kies Object > Opties tekstkader.
3. Typ in het gedeelte Inzetafstand op het tabblad Algemeen de verschuivingsafstanden voor Boven, Links, Onder en Rechts.
(Klik op het pictogram Maak alle instellingen gelijk als u aan alle zijden dezelfde afstand wilt gebruiken.)
Als het geselecteerde kader geen rechthoek is, zijn Boven, Links, Onder en Rechts grijs en is in plaats daarvan de optie Inzet beschikbaar.
Verschuivingsopties eerste basislijn
Als u de eerste-basislijnopties van een geselecteerd tekstkader wilt wijzigen, kiest u Object > Opties tekstkader en klikt u op het tabblad Opties
basislijn. De volgende opties worden weergegeven in het menu Verschuiving onder Eerste basislijn:
StokhoogteDe hoogte van het teken 'd' in het lettertype is lager dan de bovenste inzet van het tekstkader.
HoofdletterhoogteDe bovenkant van hoofdletters raakt de bovenste inzet van het tekstkader.
RegelafstandGebruik de regelafstandwaarde van de tekst als de afstand tussen de basislijn van de eerste tekstregel en de bovenste inzet van
het kader.
x-HoogteDe hoogte van het teken 'x' in het lettertype is lager dan de bovenste inzet van het tekstkader.
VastKies Vast om de afstand op te geven tussen de basislijn van de eerste tekstregel en de bovenste inzet van het kader.
MinKies een minimumwaarde voor de basislijnverschuiving. Als bijvoorbeeld Regelafstand is geselecteerd en u geeft een minimumwaarde op van
1p, gebruikt InDesign de regelafstandwaarde alleen als die groter is dan 1 pica.
Als u de bovenkant van het tekstkader magnetisch op een raster wilt uitlijnen, kiest u Regelafstand of Vast, waarmee u de locatie van de eerste
basislijn van tekst in tekstkaders kunt bepalen.
Basislijnrasters voor een tekstkader instellen
In sommige gevallen zult u een basislijnraster willen gebruiken voor een kader in plaats van voor het hele document. Pas met het dialoogvenster
Opties tekstkader een basislijnraster toe op een tekstkader. Let op het volgende wanneer u een basislijnraster voor een tekstkader instelt:
Het basislijnraster van het document verschijnt niet achter of voor tekstkaders die hun eigen basislijnrasters gebruiken.
Naar boven
Naar boven
Als Rasters naar achteren is geselecteerd bij de rastervoorkeuren, hebben basislijnrasters die zijn gebaseerd op kaders
voorrang op basislijnrasters die zijn gebaseerd op documenten. Als Rasters naar achteren niet is geselecteerd, hebben
basislijnrasters die zijn gebaseerd op documenten voorrang op basislijnrasters die zijn gebaseerd op kaders.
1. Kies Weergave > Rasters en hulplijnen > Basislijnraster tonen om alle basislijnrasters weer te geven, inclusief de rasters in
een tekstkader.
2. Selecteer het tekstkader of plaats de invoegpositie in een tekstkader en kies vervolgens Object > Opties tekstkader.
Als u het basislijnraster wilt toepassen op alle kaders in een verbinding (ook als een of meerdere verbonden kaders geen
tekst bevatten), plaatst u de invoegpositie in tekst, kiest u Bewerken > Alles selecteren en past u de basislijnrasterinstellingen
toe in het dialoogvenster Opties tekstkader.
3. Klik op het tabblad Opties basislijn.
4. Selecteer onder Basislijnraster de optie Aangepast basislijnraster gebruiken en voer een van de volgende handelingen uit:
StartTyp hier een waarde voor de verschuiving van het raster boven aan de pagina, de bovenmarge van de pagina, de
bovenkant van het kader of de bovenste inzet van het kader, afhankelijk van wat u in het menu Ten opzichte van kiest.
Ten opzichte vanBepaal of u het basislijnraster wilt laten beginnen ten opzichte van de bovenzijde van de pagina, de
bovenmarge van de pagina, de bovenzijde van het tekstkader of de bovenzijde van de inzet van het tekstkader.
Toename bij elkeTyp een waarde voor de afstand tussen rasterlijnen. In de meeste gevallen voert u hier een waarde in die
gelijk is aan de regelafstand van de platte tekst, zodat de tekstregels perfect op het raster worden uitgelijnd.
KleurSelecteer een kleur voor de rasterlijnen of kies Laagkleur om dezelfde kleur te gebruiken als de laag waarop het
tekstkader wordt weergegeven.
Als u het basislijnraster niet kunt zien in een tekstkader, kiest u Weergave > Rasters en hulplijnen > Basislijnraster tonen om er zeker van te
zijn dat basislijnrasters niet worden verborgen. Is het basislijnraster dan nog steeds niet zichtbaar, controleer dan de drempel voor het tonen
van basislijnrasters in het gedeelte Rasters van het dialoogvenster Voorkeuren. Soms zult u moeten inzoomen op het kader of het
drempelniveau moeten verlagen om het raster te kunnen zien.
Woord- en tekenaantallen vaststellen
1. Plaats de invoegpositie in een tekstkader om de aantallen voor de gehele verbinding van kaders (het artikel) te bekijken of
selecteer de tekst waarvan u de aantallen wilt bekijken.
2. Kies Venster > Info om het deelvenster Info te openen.
Het deelvenster Info geeft het aantal tekens, woorden, regels en alinea's in een tekstkader weer. De plaats van het invoegpunt in het tekstkader
wordt ook weergegeven.
Werken met extra talen
U kunt talen toewijzen aan tekst. Toewijzing van de juiste taal aan tekst is vooral nuttig voor spellingcontrole en woordafbreking. (Zie Een taal aan
tekst toewijzen.)
Als u werkt met Aziatische tekst, kunt u speciale versies van InDesign voor het Japans, Vereenvoudigd Chinees, Traditioneel Chinees en
Koreaans gebruiken. Met deze versies kunt u layout- en kaderrasters maken voor het samenstellen van multibyte-tekens. De versies bevatten
verschillende functies voor de opmaak van tekst met multibyte-tekens, en extra lettertypen.
Er is ook een speciale versie van InDesign verkrijgbaar voor de opmaak van talen van het Midden-Oosten, zoals Hebreeuws, Arabisch, Farsi en
Urdu, waarin tekstopmaak van rechts naar links wordt toegepast. Deze versie heet InDesign ME.
Meer informatie over het aanschaffen van InDesign ME of een versie van InDesign in een Aziatische taal vindt u op de website van Adobe.
Meer Help-onderwerpen
Juridische kennisgevingen | Onlineprivacybeleid
Padtekst maken
Naar boven
Tekst op een pad maken
Padtekst bewerken of verwijderen
De positie van padtekst aanpassen
Een effect op padtekst toepassen
Verankerde objecten toevoegen aan padtekst
Tekst op een pad maken
U kunt tekst zodanig opmaken dat deze langs de rand van een open of gesloten pad met een willekeurige vorm loopt. Ook kunt u opties en
effecten op padtekst toepassen, zoals langs een pad verschuiven, naar de andere kant van het pad spiegelen of tekens vervormen met de vorm
van het pad. Padtekst heeft een inpoort en een uitpoort net zoals andere tekstkaders, zodat u de tekst ermee kunt verbinden.
U kunt slechts één regel tekst op een pad weergeven, dus tekst die niet op het pad past, loopt over (wordt verborgen) tenzij u de tekst met een
ander pad of tekstkader verbindt. U kunt objecten die inline of boven de regel zijn verankerd, aan padtekst toevoegen. U kunt geen padtekst
maken met samengestelde paden, zoals paden die zijn gemaakt met de opdracht Contouren maken.
Padtekst
A. BeginhaakjeB. InpoortC.Middelste haakjeD. EindhaakjeE.Uitpoort die verbonden tekst aangeeft
1. Selecteer het gereedschap Padtekst . (Klik op het gereedschap Tekst en houd de muisknop ingedrukt om een menu weer
te geven met het gereedschap Padtekst.)
2. Plaats de aanwijzer op het pad waarna er een klein plusteken verschijnt naast de aanwijzer en voer een van onderstaande
handelingen uit:
Klik op het pad om de standaardinstellingen te gebruiken. Er wordt standaard een invoegpositie weergegeven aan het
begin van het pad. De invoegpositie kan ergens anders op het pad staan als de huidige standaardinstellingen van de
alinea een inspringing of een uitlijning (geen linkse uitlijning) bevatten.
Als u de tekst wilt beperken tot een specifiek deel van het pad, klikt u op het pad op de positie waar u de tekst wilt laten
beginnen en sleept u vervolgens langs het pad naar de positie waar u de tekst wilt laten eindigen. Vervolgens laat u de
muisknop los. Zie De positie van padtekst aanpassen voor informatie over het wijzigen van de begin- en eindpositie van
tekst.)
Locatie van padtekst wijzigen
Opmerking: Als klikken of slepen niet werkt, controleert u of het plusteken naast de aanwijzer van het gereedschap
Padtekst staat.
3. Typ de gewenste tekst. Door met de invoegpositie op het pad te klikken, wordt de tekst weergegeven over de hele lengte van
het pad. Door te slepen wordt de tekst weergegeven langs de afstand die u hebt gesleept.
Opmerking: Als het pad in eerste instantie zichtbaar was, blijft dit ook zichtbaar nadat u er tekst aan hebt toegevoegd. U verbergt het pad door
dit te selecteren met het gereedschap Selecteren of het gereedschap Direct selecteren en er de optie Geen voor lijn of vulling op toe te passen.
Naar boven
Naar boven
Padtekst bewerken of verwijderen
U kunt teken- en alineaopties op padtekst toepassen. Opties voor alinealijnen en -spatiëring hebben echter geen enkel effect op padtekst. De
uitlijningsinstelling in het deelvenster Alinea is van invloed op de uitlijning van padtekst.
Padteksttekens bewerken en opmaken
1. Voer met het gereedschap Padtekst een van de volgende handelingen uit:
Om een invoegpositie toe te voegen, klikt u tussen twee tekens in de padtekst.
Om tekens te selecteren, sleept u door de padtekst.
2. Bewerk de tekst en maak deze indien nodig op.
Tekst van een pad verwijderen
1. Selecteer een of meer padtekstobjecten met het gereedschap Selecteren of het gereedschap Direct selecteren .
2. Kies Tekst > Padtekst > Tekst van pad verwijderen.
Als de padtekst is verbonden, wordt deze verplaatst naar het volgende verbonden tekstkader of padtekstobject. Als de padtekst niet is verbonden,
wordt de tekst verwijderd. Het pad blijft bestaan maar de padtekstkenmerken gaan verloren. Alle haakjes, in- en uitpoorten en verbindingen
worden verwijderd.
Opmerking: Als de vulling en lijn zijn ingesteld op Geen, is het pad niet meer zichtbaar nadat de tekst is verwijderd. U kunt het pad weer
zichtbaar maken door op de D-toets te drukken direct nadat u Tekst > Padtekst > Tekst van pad verwijderen hebt gekozen. Hierdoor worden de
standaardvulling en -lijn toegepast op het geselecteerde pad.
Tekens langs sterk gebogen krommen en scherpe hoeken dichter op elkaar plaatsen
1. Selecteer de padtekst met het gereedschap Selecteren of het gereedschap Tekst.
2. Kies Tekst > Padtekst > Opties of dubbelklik op het gereedschap Padtekst.
3. Voer voor Spatiëring een waarde in punten in. Hoe hoger de waarde, des te meer ruimte er wordt verwijderd tussen de tekens
langs sterk gebogen curven of scherpe hoeken.
Padtekst voor (links) en na (rechts) het toepassen van een gewijzigde spatiëring
Opmerking: De spatiëringswaarde compenseert de manier waarop tekens langs een curve of scherpe hoek uitwaaieren. Dit heeft geen effect op
tekens langs rechte segmenten. U wijzigt de spatiëring voor tekens langs een pad door de tekens te selecteren en er vervolgens spatiëring op toe
te passen.
De positie van padtekst aanpassen
U kunt de begin- en eindpositie van padtekst wijzigen, tekst laten verschuiven en de positie van het pad op andere manieren wijzigen.
De begin- en eindpositie van padtekst wijzigen
1. Selecteer met het gereedschap Selecteren de padtekst.
2. Plaats de aanwijzer op het begin- of eindhaakje van de padtekst waarna er een klein pictogram naast de aanwijzer
verschijnt. Plaats de aanwijzer niet op de in- of uitpoort van het haakje.
Zoom in op het pad om gemakkelijker het haakje te kunnen selecteren.
3. Sleep het begin- of eindhaakje over het pad.
Naar boven
Plaats de aanwijzer op het begin- of eindhaakje en sleep om de grens van de padtekst te verplaatsen.
Opmerking: Als u een alinea-inspringing toepast, wordt deze gemeten vanaf de begin- en eindhaakjes.
Tekst langs een pad verschuiven
1. Selecteer met het gereedschap Selecteren de padtekst.
2. Plaats de aanwijzer op het middelste haakje van de padtekst waarna er een pictogram van het middelste haakje naast de
aanwijzer komt te staan.
Zoom in op het pad om gemakkelijker het haakje te kunnen selecteren.
3. Sleep het middelste haakje langs het pad.
Opmerking: De tekst wordt niet verplaatst als zowel het begin- als het eindhaakje zich aan de uiteinden van het pad bevinden. Als u ruimte wilt
maken voor het slepen van tekst, moet u het begin- of eindhaakje van het uiteinde van het pad wegslepen.
Padtekst spiegelen
1. Klik met het gereedschap Selecteren en selecteer de padtekst.
2. Plaats de aanwijzer op het middelste haakje van de padtekst waarna er een pictogram van het middelste haakje naast de
aanwijzer komt te staan .
3. Sleep het middelste haakje langs het pad.
Plaats de aanwijzer op het middelste haakje en sleep langs het pad om te spiegelen.
U kunt padtekst ook via een dialoogvenster spiegelen. Selecteer de padtekst met het gereedschap Selecteren of het
gereedschap Tekst. Kies Tekst > Padtekst > Opties. Selecteer de optie Spiegelen en klik op OK.
Een effect op padtekst toepassen
1. Selecteer de padtekst met het gereedschap Selecteren of het gereedschap Tekst.
2. Kies Tekst > Padtekst > Opties of dubbelklik op het gereedschap Padtekst.
3. Kies een van de volgende opties in het menu Effect en klik op OK:
Kies Regenboog als u het midden van de basislijn van elk teken op de raaklijn van het pad wilt houden. Dit is de
standaardinstelling.
Naar boven
Effecten padtekst
A. RegenboogB. SchuintrekkenC. 3D-lintD. TraptredeE. Zwaartekracht
Kies Schuintrekken als u de verticale randen van tekens perfect verticaal wilt houden, ongeacht de vorm van het pad,
terwijl de horizontale randen van de tekens worden schuingetrokken in de richting van het pad. De zo ontstane horizontale
vervorming is zeer geschikt voor golvende tekst of tekst die rond een cilinder zoals een bierblikje loopt.
Kies 3D-lint als u de horizontale randen van tekens perfect horizontaal wilt houden, ongeacht de vorm van het pad, terwijl
de verticale rand van elk teken loodrecht op het pad blijft staan.
Selecteer Traptrede om de linkerkant van de basislijn van elk teken op het pad te houden zonder daarbij tekens te roteren.
Selecteer Zwaartekracht om het midden van de basislijn van elk teken op het pad en elke verticale rand in lijn te houden
met het middelpunt van het pad. U kunt het perspectief van deze optie bepalen door de boog van het tekstpad aan te
passen.
Verankerde objecten toevoegen aan padtekst
1. Klik met het gereedschap Tekst of het gereedschap Padtekst op een invoegpositie in de tekst waar u het anker voor het
object wilt plaatsen.
2. Voeg het verankerde object toe. U kunt verankerde objecten of kaders die inline of boven de regel zijn verankerd, aan het
pad toevoegen. (Zie Verankerde objecten.)
Opmerking: De opties die beschikbaar zijn voor objecten die boven de regel zijn verankerd in een tekstpad, wijken enigszins af van de opties
voor verankerde objecten in een normaal tekstkader: de optie Uitlijning is relatief ten opzichte van de markering voor het verankerde object en de
optie Ruimte voor is niet beschikbaar.
Juridische kennisgevingen | Onlineprivacybeleid
Voetnoten
Naar boven
Naar boven
Voetnoten maken
Nummering en layout van voetnoot wijzigen
Voetnoten verwijderen
Tekst in voetnoten
Voetnoten maken
Een voetnoot bestaat uit twee gekoppelde delen: het verwijzingsnummer van de voetnoot dat in de tekst wordt weergegeven, en de voetnoottekst
die onder aan de kolom staat. U kunt voetnoten maken of importeren vanuit Word- of RTF-documenten. Voetnoten worden automatisch
genummerd als deze aan een document worden toegevoegd. In elk artikel wordt er opnieuw genummerd. U kunt de nummeringsstijl, vormgeving
en layout van voetnoten bepalen. U kunt geen voetnoten aan tabellen of aan voetnoottekst toevoegen.
De breedte van de voetnoottekst wordt gebaseerd op de breedte van de kolom die de verwijzingsmarkering van de voetnoot bevat. Voetnoten
kunnen niet worden gebruikt voor het bepalen van de ruimte tussen kolommen in een tekstkader.
U kunt in InDesign geen eindnoten maken. In Endnotes in InDesign CS4 geeft Bob Bringhurst echter een alternatief voor het maken van
eindnoten. Eindnoten in omgezette Microsoft Word-documenten worden opgemaakt als tekst, niet als voetnoten.
Op www.adobe.com/go/vid0218_nl vindt u een videodemo over het maken van voetnoten.
1. Plaats het invoegpunt op de plaats waar u het verwijzingsnummer van de voetnoot wilt weergeven.
2. Kies Tekst > Voetnoot invoegen.
3. Typ de voetnoottekst.
Voetnoot aan document toegevoegd
A. VerwijzingsnummerB. Voetnoottekst
Tijdens het typen wordt het voetnootgedeelte groter maar wordt het formaat van het tekstkader niet gewijzigd. Het voetnootgedeelte kan groter
worden tot aan de regel met de voetnootverwijzing. Als dit het geval is, wordt de voetnoot indien mogelijk gesplitst naar de volgende
tekstkaderkolom of het volgende verbonden kader. Kan de voetnoot niet worden gesplitst en wordt er meer tekst toegevoegd dan in het
voetnootgedeelte mogelijk is, dan wordt de regel met de voetnootverwijzing naar de volgende kolom verplaatst, of verschijnt er een
overlooppictogram. U moet dan het formaat van het kader of de tekstopmaak wijzigen.
Wanneer de invoegpositie in een voetnoot staat, kiest u Tekst > Naar voetnootverwijzing om terug te keren naar het punt waar u aan het typen
was. Als u deze optie regelmatig gebruikt, kunt u er eventueel een sneltoets voor maken.
Nummering en layout van voetnoot wijzigen
De wijzigingen in de nummering en layout van de voetnoot hebben effect op bestaande en nieuwe voetnoten.
1. Kies Tekst > Opties voetnoten document.
2. Selecteer op het tabblad Nummering en opmaak de opties die het nummeringsschema en de opmaakweergave van het
verwijzingsnummer en de voetnoottekst bepalen.
3. Klik op het tabblad Layout en selecteer de opties die de vormgeving van de voetnootsectie op de pagina bepalen.
4. Klik op OK.
Nummerings- en opmaakopties voor voetnoot
De volgende opties worden in het gedeelte Nummering en opmaak in het dialoogvenster Opties voetnoten weergegeven:
NummeringsstijlKies de nummeringsstijl voor nummers van voetnootverwijzing.
Beginnen bijGeef het nummer op dat wordt gebruikt voor de eerste voetnoot in het artikel. Elk artikel in een document begint met hetzelfde
Beginnen bij-nummer. Als u een boek hebt met opeenvolgende paginanummering en dat bestaat uit meerdere documenten, kunt u de
voetnootnummering in elk hoofdstuk laten beginnen met het nummer na het nummer waarmee het laatste hoofdstuk is geëindigd.
De optie Beginnen bij is vooral handig voor documenten in een boek. De voetnoten worden niet doorgenummerd in documenten in een boek.
Nummering opnieuw beginnen op elkeAls de nummering opnieuw moet beginnen in het document, selecteert u deze optie en kiest u Pagina,
Spread of Sectie om op te geven wanneer de voetnootnummering opnieuw moet worden gestart. Sommige nummeringsstijlen, zoals sterretjes (*),
werken het beste als elke pagina opnieuw wordt ingesteld.
Voorvoegsel/achtervoegsel tonen inSelecteer deze optie om voorvoegsels en achtervoegsels in de voetnootverwijzing, de voetnoottekst of
beide weer te geven. Voorvoegsels worden weergegeven vóór het nummer (bijvoorbeeld [1) en achtervoegsels worden weergegeven achter het
nummer (bijvoorbeeld 1]). Deze optie is met name handig voor het plaatsen van voetnoten binnen tekens, zoals [1]. Typ een teken of tekens of
selecteer een optie voor Voorvoegsel en/of Achtervoegsel. Als u speciale tekens wilt invoegen, klikt u op de pictogrammen naast Voorvoegsel en
Achtervoegsel om een menu weer te geven.
Als u vindt dat het verwijzingsnummer van de voetnoot te dicht bij de voorgaande tekst ligt, kunt u de vormgeving verbeteren door een
spatieteken ervoor toe te voegen. U kunt ook een tekenstijl aan het verwijzingsnummer toevoegen.
PositieMet deze optie bepaalt u de vormgeving van het verwijzingsnummer van de voetnoot. Standaard staat deze optie ingesteld op superscript.
Als u het nummer met een tekenstijl wilt opmaken (zoals een tekenstijl met OpenType-superscriptinstellingen), kiest u Normaal toepassen en geeft
u de tekenstijl op.
TekenstijlU kunt een tekenstijl kiezen om het verwijzingsnummer van de voetnoot op te maken. U kunt bijvoorbeeld in plaats van superscript een
tekenstijl gebruiken op een normale positie met een verhoogde basislijn. In het menu staan de beschikbare tekenstijlen uit het deelvenster
Tekenstijlen.
AlineastijlU wilt mogelijk een alineastijl kiezen die de voetnoottekst voor alle voetnoten in het document opmaakt. In het menu staan de
beschikbare alineastijlen uit het deelvenster Alineastijlen. Standaard wordt de stijl [Basisalinea] gebruikt. De stijl [Basisalinea] kan van vormgeving
verschillen met de standaard lettertype-instellingen voor het document.
ScheidingstekenHet scheidingsteken is de spatie die wordt ingevoegd tussen het voetnootnummer en het begin van de voetnoottekst. U wijzigt
het scheidingsteken door eerst het bestaande scheidingsteken te selecteren of te verwijderen en vervolgens een nieuw scheidingsteken te kiezen.
U kunt meerdere tekens opnemen. Gebruik het juiste metateken zoals een ^m voor een em-spatie om spatietekens in te voegen.
Layoutopties voor voetnoot
De volgende opties worden in het gedeelte Layout in het dialoogvenster Opties voetnoten weergegeven:
Minimumruimte vóór eerste voetnootMet deze optie stelt u de minimum hoeveelheid ruimte tussen de onderkant van de kolom en de eerste
voetnootregel in. Gebruik geen negatieve waarde. Een instelling van Ruimte voor wordt in de voetnootalinea genegeerd.
Ruimte tussen voetnotenMet deze optie stelt u de afstand tussen de laatste alinea van een voetnoot en de eerste alinea van de volgende
voetnoot in een kolom in. Gebruik geen negatieve waarde. De waarden voor Ruimte voor/Ruimte na in een voetnootalinea zijn alleen van
toepassing als de voetnoot meerdere alinea's bevat.
Eerste basislijn verschuivenMet deze optie stelt u de afstand in tussen het begin van het voetnootgedeelte (waar de scheidingslijn van de
voetnoot standaard verschijnt) en de eerste regel van de voetnoottekst.
Zie Eigenschappen van tekstkaders wijzigen voor informatie over de eerste-basislijnopties.
Voetnoten voor einde artikel onder aan tekst plaatsenSelecteer deze optie als de voetnoten van de laatste kolom net onder de tekst in het
laatste kader van het artikel moeten verschijnen. Als deze optie niet is geselecteerd, worden voetnoten in het laatste kader van het artikel onder
aan de kolom weergegeven.
Gesplitste voetnoten toestaanSelecteer deze optie als de voetnoten moeten worden verbroken in een kolom wanneer de voetnoot te groot is
voor de beschikbare voetnootruimte in die kolom. Als splitsen niet is toegestaan, wordt de lijn met het verwijzingsnummer van de voetnoot naar de
volgende kolom verplaatst, of wordt de tekst overgelopen.
Voetnoten worden in een kolom verbroken.
Als Gesplitste voetnoten toestaan is ingeschakeld, kunt u voorkomen dat één voetnoot wordt gesplitst door de invoegpositie in de voetnoottekst
te plaatsen, Opties bijeenhouden in het menu van het deelvenster Alinea te kiezen en vervolgens de opties Regels bij elkaar houden en Alle
regels in alinea te selecteren. Bevat de voetnoot meerdere alinea's, gebruik dan de optie Houden bij volgende _ regels in de eerste alinea van
de voetnoottekst. U kunt Tekst > Afbrekingsteken invoegen > Kolomeinde kiezen om te bepalen waar de voetnoot wordt gesplitst.
Lijn bovenBepaal de locatie en de vormgeving van de scheidingslijn die boven de tekst van de voetnoot wordt weergegeven. Ook boven alle
voetnoottekst die in een apart kader wordt vervolgd, wordt een scheidingslijn weergegeven. De geselecteerde opties zijn van toepassing op Eerste
Naar boven
Naar boven
voettekst in kolom of Vervolgvoetnoten, afhankelijk van welke optie in het menu is geselecteerd. Deze opties zijn gelijk aan de opties die u bij het
opgeven van een alinearegel kunt gebruiken. Schakel de optie voor de scheidingslijn uit als u geen scheidingslijn voor de voetnoot wilt gebruiken.
Voetnoten verwijderen
U verwijdert een voetnoot door het verwijzingsnummer van de voetnoot dat in de tekst wordt weergegeven, te deselecteren en vervolgens op
Backspace of Delete te drukken. Als u alleen de voetnoottekst verwijdert, blijven het verwijzingsnummer en de structuur van de voetnoot
behouden.
Tekst in voetnoten
Neem het volgende in acht wanneer u de tekst in voetnoten bewerkt:
Wanneer de invoegpositie in de voetnoottekst staat, wordt met Bewerken > Alles selecteren alle voetnoottekst voor die
voetnoot, maar geen andere voetnoot of tekst geselecteerd.
U kunt met de pijltoetsen door de voetnoten navigeren.
De voetnoten worden niet doorgenummerd in documenten in een boek. Als u niet wilt dat de nummering in elk document van
het boek opnieuw wordt gestart, moet u de waarde voor Beginnen bij in elk document handmatig wijzigen nadat u de
bewerkingen hebt voltooid.
In de artikeleditor kunt u voetnoten in- of uitvouwen door op het voetnootpictogram te klikken. Met Weergave > Artikeleditor >
Alle voetnoten uitvouwen of Alle voetnoten samenvouwen kunt u alle voetnoten uit- of samenvouwen.
U kunt teken- en alineaopmaak selecteren en toepassen op voetnoottekst. Daarnaast kunt u ook de vormgeving van het
verwijzingsnummer van de voetnoot selecteren en wijzigen. Het wordt echter aangeraden hiervoor het dialoogvenster Opties
voetnoten document te gebruiken.
Wanneer u tekst dat het verwijzingsnummer van de voetnoot bevat, knipt of plakt, wordt de voetnoottekst ook op het klembord
geplaatst. Als u de tekst naar een ander document kopieert, gebruiken de voetnoten in die tekst de kenmerken van de
nummering en layoutweergave van het nieuwe document.
Als u per ongeluk het voetnootnummer aan het begin van de voetnoottekst hebt verwijderd, kunt u dit nummer weer toevoegen
door de invoegpositie aan het begin van de voetnoottekst te plaatsen, met de rechtermuisknop te klikken (Windows) of Control
ingedrukt te houden en te klikken (Mac OS) en vervolgens Speciaal teken invoegen > Markeringen > Voetnootnummer te
kiezen.
Tekstomloop heeft geen effect op voetnoottekst.
Als u overschrijvingen en tekenstijlen van een alinea met een verwijzingsmarkering van een voetnoot verwijdert, gaan de
kenmerken verloren van de verwijzingsnummers van de voetnoot die u hebt toegepast in het dialoogvenster Opties voetnoten
document.
Meer Help-onderwerpen
Video over het maken van voetnoten
Juridische kennisgevingen | Onlineprivacybeleid
Objecten groeperen, vergrendelen en dupliceren
Naar boven
Naar boven
Naar boven
Objecten groeperen of degroeperen
Objecten vergrendelen of ontgrendelen
Objecten verbergen
Objecten dupliceren
Niet-afdrukbare objecten maken
Objecten groeperen of degroeperen
U kunt meerdere objecten samenvoegen tot een groep, zodat de objecten als eenheid worden gezien. U kunt dan meerdere objecten verplaatsen
zonder dat de afzonderlijke posities of kenmerken van de objecten worden gewijzigd. Zo kunt u bijvoorbeeld de objecten in een logo groeperen,
zodat u het logo als eenheid kunt verplaatsen en schalen.
Gegroepeerd object
U kunt groepen ook nesten. In dat geval plaatst u subgroepen in grotere groepen. Met de gereedschappen Selecteren, Direct selecteren en Groep
selecteren selecteert u de verschillende niveaus van de hiërarchie van een geneste groep.
Als u met een stapel overlappende objecten werkt en enkele objecten groepeert die in de stapelvolgorde niet naast elkaar liggen, worden de
geselecteerde objecten naast elkaar in de volgorde geplaatst, achter het voorste geselecteerde object. (Als alle objecten bijvoorbeeld van voren
naar achteren zijn gestapeld als A, B, C, D en u B en D bij elkaar wilt groeperen, wordt de stapelvolgorde A, B, D, C.) Als u objecten groepeert die
zich op verschillende benoemde lagen bevinden, worden alle objecten verplaatst naar de voorste laag waarop u een object hebt geselecteerd. Alle
geselecteerde objecten moeten zijn vergrendeld of ontgrendeld.
1. Selecteer de objecten die moeten worden gegroepeerd of gedegroepeerd. Als u een deel van een object selecteert (zoals een
ankerpunt), wordt het gehele object gegroepeerd.
2. Kies Object > Groeperen of Object > Degroeperen.
U kunt ook het deelvenster Lagen gebruiken om objecten toe te voegen aan of te verwijderen uit een groep. Zie Lagen.
Als u niet weet of een object deel uitmaakt van een groep, selecteert u het object met het gereedschap Selecteren en opent u het menu
Object. Is de opdracht Object > Degroeperen beschikbaar, dan hebt u een groep geselecteerd.
Objecten vergrendelen of ontgrendelen
Met de opdracht Vergrendelen geeft u op dat bepaalde objecten niet in het document mogen worden verplaatst. Vergrendelde objecten blijven
vergrendeld als een document wordt opgeslagen, gesloten en opnieuw geopend.
Zolang een object is vergrendeld, kan het niet worden verplaatst. U kunt vergrendelde objecten echter selecteren als u de optie Selectie van
vergrendelde objecten voorkomen in Voorkeuren > Algemeen uit te schakelen. U kunt kenmerken zoals de kleur wijzigen wanneer u een
vergrendeld object selecteert.
1. Selecteer de objecten die u wilt vergrendelen.
2. Ga als volgt te werk:
Als u de objecten wilt vergrendelen, kiest u Object > Vergrendelen.
Als u een object wilt ontgrendelen, klikt u op het pictogram Vergrendelen.
Als u de objecten op de huidige spread wilt ontgrendelen, kiest u Object > Alles op spread ontgrendelen.
U kunt het deelvenster Lagen ook gebruiken om objecten en lagen te vergrendelen of ontgrendelen. Wanneer u een laag vergrendelt, wordt de
positie van alle objecten op een laag vergrendeld en kunnen de objecten niet worden geselecteerd. Zie Lagen.
Objecten verbergen
Naar boven
Naar boven
Verborgen objecten worden niet afgedrukt of geëxporteerd en kunnen niet worden geselecteerd.
Ga als volgt te werk:
Selecteer een object en kies Object > Verbergen om het object te verbergen.
Kies Object > Alles op spread tonen om verborgen objecten te tonen.
Objecten dupliceren
U kunt objecten op een aantal verschillende manieren dupliceren.
Een object dupliceren met de opdracht Dupliceren
Met de opdracht Dupliceren beschikt u direct over een kopie van een geselecteerd object. U ziet de nieuwe versie iets rechtsonder het
oorspronkelijke object.
Selecteer een of meer objecten en kies Bewerken > Dupliceren.
Een geselecteerd object tijdens een transformatie dupliceren
U kunt een object telkens dupliceren bij het wijzigen van de positie, stand of verhoudingen. U maakt bijvoorbeeld een bloem door één bloemblad
te tekenen met het referentiepunt op de basis van het blad. Daarna roteert u het blad met steeds grotere hoeken en maakt u tegelijkertijd bij elke
hoek een nieuwe kopie van het blad.
Tijdens het transformeren voert u een van de volgende handelingen uit:
Als u met het gereedschap Selecteren , Roteren , Schalen of Schuintrekken sleept, houdt u tijdens het slepen de
toets Alt (Windows) of Option (Mac OS) ingedrukt. Als u de kopie in bepaalde stappen wilt transformeren, houdt u tijdens het
slepen Alt+Shift (Windows) of Option+Shift (Mac OS) ingedrukt.
Als u een waarde opgeeft in het deelvenster Transformeren of in het regelpaneel, drukt u na het opgeven van de waarde op
Alt+Enter (Windows) of Option+Return (Mac OS).
Als u objecten met de pijltoetsen verplaatst, houdt u Alt (Windows) of Option (Mac OS) daarbij ingedrukt.
Objecten dupliceren met Stap en herhalen
Met Stap en herhalen maakt u snel rijen of kolommen van duplicaten. Zo vult u bijvoorbeeld een pagina met gelijkmatig verdeelde duplicaten van
het ontwerp van een visitekaartje.
1. Selecteer de objecten die u wilt dupliceren.
2. Kies Bewerken > Stap en herhalen.
3. Geef bij Aantal herhalingen op hoeveel duplicaten u wilt maken. Tel daarbij het origineel niet mee.
4. Geef bij Horizontale verschuiving en Verticale verschuiving op hoe ver elk volgend duplicaat van het eraan voorafgaande
duplicaat op de x- en y-as wordt geplaatst en klik op OK.
Als u een pagina vol duplicaten wilt maken, gebruikt u Stap en herhalen en de waarde nul bij Verticale verschuiving. U maakt dan één rij
duplicaten. Selecteer de hele rij en kies Stap en herhalen en de waarde nul bij Horizontale verschuiving. De rij wordt dan over de pagina naar
beneden herhaald.
Objecten in een raster dupliceren
U kunt wijzigingstoetsen slepen en gebruiken om een raster met objecten te maken die identiek zijn aan het object dat u dupliceert.
Op http://tv.adobe.com/go/4949/nl vindt u een video over het gebruik van de rastermodus.
1. Selecteer een object.
2. Selecteer het gereedschap Selecteren, houd Alt (Windows) of Option (Mac OS) ingedrukt en begin te slepen.
3. Laat Alt of Option los terwijl u nog aan het slepen bent. Druk op Pijl-links of Pijl-rechts om het aantal kolommen te wijzigen.
Druk op Pijl-omhoog of Pijl-omlaag om het aantal rijen te wijzigen. Sleep een rechthoek om de grootte van het raster op te
geven.
4. Laat de muisknop los.
Niet-afdrukbare objecten maken
Het kan wenselijk zijn om objecten te maken die worden weergegeven op het scherm, maar niet worden afgedrukt en niet in PDF-versies van een
document verschijnen.
U kunt lagen ook gebruiken om te bepalen welke elementen in een document worden weergegeven of verborgen. Ook kunt u bepalen dat
lagen niet worden afgedrukt.
1. Selecteer het object of het tekstkader dat u wilt afdrukken.
2. Open het deelvenster Kenmerken (Venster > Uitvoer > Kenmerken).
3. Selecteer Niet-afdrukbaar in het deelvenster Kenmerken.
Meer Help-onderwerpen
Juridische kennisgevingen | Onlineprivacybeleid
Bestanden vanuit andere toepassingen importeren
Naar boven
Adobe Illustrator-afbeeldingen importeren
Adobe Photoshop-bestanden (.psd) importeren
PDF-pagina's importeren
InDesign-pagina's (.indd) importeren
Andere grafische indelingen importeren
Adobe Illustrator-afbeeldingen importeren
De manier waarop u Illustrator-afbeeldingen importeert, hangt af van de mate waarin u de afbeeldingen na het importeren nog moet bijwerken. U
kunt Illustrator-afbeeldingen in de eigen bestandsindeling van InDesign (.ai) importeren.
Als u de zichtbaarheid van lagen wilt aanpassen in InDesign...
... importeert u de afbeelding met de opdracht Plaatsen. Wanneer u de geïmporteerde afbeelding wilt bewerken, kiest u Bewerken > Origineel
bewerken om de afbeelding in Illustrator te openen en te bewerken. Bij bijvoorbeeld een publicatie in meerdere talen kunt u een enkele illustratie
maken die één tekstlaag voor elke taal bevat. U kunt de illustratie als één enkel object transformeren in InDesign. De paden, objecten of tekst
binnen de illustratie kunt u echter niet bewerken.
Gelaagd bestand met Spaanse en Engelse lagen
Als u objecten en paden wilt bewerken in InDesign...
... kopieert u de afbeeldingen vanuit Illustrator en plakt u deze in een InDesign-document. Zo kunt u bijvoorbeeld in elk nummer van een tijdschrift
hetzelfde ontwerpelement gebruiken, terwijl u elke maand een andere kleur gebruikt. Als u een afbeelding in InDesign plakt, kunt u met de speciale
gereedschappen van InDesign de kleur, het pad en de transparantie van het object wijzigen.
Illustrator-afbeeldingen met meerdere tekengebieden importeren
Illustrator CS4-afbeeldingen kunnen meerdere tekengebieden bevatten. Bij het importeren van een Illustrator-afbeelding met meerdere
tekengebieden kunt u via de importopties opgeven welk tekengebied, ofwel “pagina”, wordt geïmporteerd.
Een gelaagde PDF maken in Adobe Illustrator
U kunt een Illustrator-afbeelding als een gelaagd PDF-bestand opslaan en de zichtbaarheid van de lagen in InDesign regelen. Door de
zichtbaarheid van lagen in te stellen in InDesign kunt u een illustratie afhankelijk van de context aanpassen. U kunt niet alleen meerdere versies
van dezelfde illustratie maken, bijvoorbeeld voor een meertalige publicatie, maar u kunt dezelfde illustratie ook op meerdere plaatsen neerzetten
en de zichtbaarheid van de lagen naar behoefte aanpassen.
U kunt een PDF-bestand transformeren als één enkel object (bijvoorbeeld roteren of het formaat ervan wijzigen), maar de paden, objecten of tekst
binnen de illustratie kunnen niet worden bewerkt.
Als u een Illustrator-bestand plaatst dat meerdere artboards omvat, kunt u opgeven welk artboard wordt gebruikt, zoals tijdens het plaatsen van
PDF-bestanden die uit meerdere bestanden bestaan.
Opmerking: Plaats geen lagen in geneste lagensets als u de lagen in InDesign wilt kunnen aanpassen.
1. Kies in Illustrator Bestand > Opslaan als.
2. Voer in het dialoogvenster Opslaan als een bestandsnaam in en kies een locatie voor het bestand.
3. Kies Adobe PDF (.pdf) als indeling en klik op Opslaan.
4. Kies bij Compatibiliteit de optie Acrobat 6 (1.5) of hoger in het dialoogvenster Adobe PDF-opties.
5. Selecteer Acrobat-lagen maken bij Bovenste lagen en klik op PDF opslaan.
Illustrator-afbeeldingen plakken in InDesign
Naar boven
Wanneer u een afbeelding vanuit Illustrator 8.0 of hoger in een InDesign-document plakt, wordt de illustratie in InDesign als een gegroepeerde
verzameling bewerkbare objecten weergegeven. Als u bijvoorbeeld vanuit Illustrator een tekening kopieert van een voetbal, waarvan de lappen
allemaal apart zijn gemaakt, en die tekening in InDesign plakt, worden die lappen als een groep geplakt. Deze groep kan worden gedegroepeerd
en de afzonderlijke objecten kunnen dan met de gereedschappen van InDesign worden bewerkt. U kunt de zichtbaarheid van de lagen binnen de
illustratie niet wijzigen.
Afbeelding van voetbal in Illustrator (links) en dezelfde afbeelding geplakt in InDesign (rechts).
Belangrijk: Voordat u een afbeelding gaat plakken, controleert u of Illustrator zo is ingesteld dat de afbeelding als een AICB-bestand kan worden
gekopieerd (zie de Help bij Illustrator). In InDesign mag de optie PDF bij plakken niet zijn ingeschakeld in de voorkeuren van
Klembordafhandeling. Als deze opties niet correct zijn ingesteld, kan de Illustrator-afbeelding niet worden bewerkt in InDesign.
Problemen die zich kunnen voordoen bij het plakken of slepen van afbeeldingen vanuit Illustrator naar
InDesign
KleurIllustrator ondersteunt de volgende kleurmodellen: grijswaarden, RGB, HSB, CMYK en webveilige RGB. InDesign ondersteunt de volgende
kleurmodellen: Lab, CMYK en RGB. Wanneer u een afbeelding vanuit Illustrator in InDesign plakt of naar InDesign sleept, worden de RGB- en
CMYK-kleuren naar het verwachte kleurmodel omgezet. Grijswaarden worden naar de overeenkomende K-waarde in een CMYK-kleur in InDesign
omgezet. HSB- en webveilige RGB-objecten worden naar RGB-kleuren in InDesign omgezet. In InDesign kunnen kleuren in vloeiende schaduwen
en verlopen worden bewerkt.
VerlopenLineaire of radiale verlopen die in Illustrator zijn gemaakt, kunnen worden gewijzigd met het gereedschap of het deelvenster Verloop van
InDesign. Verlopen met meerdere steunkleuren of complexe patronen kunnen in InDesign worden weergegeven als items die niet kunnen worden
bewerkt. Als de illustratie complexe verlopen bevat, moet u de illustratie importeren met de opdracht Plaatsen.
TransparantieDe transparantie wordt afgevlakt wanneer Illustrator-afbeeldingen in InDesign worden geplaatst.
AfbeeldingsstijlenIllustrator-afbeeldingsstijlen worden geen InDesign-objectstijlen wanneer afbeeldingen vanuit Illustrator in InDesign worden
geplakt of naar InDesign worden gesleept.
PatronenIllustrator-objecten met patronen of gestreepte patronen worden ingesloten EPS-objecten wanneer deze objecten in InDesign worden
geplakt of naar InDesign worden gesleept.
TekstAls u tekst vanuit Illustrator naar InDesign sleept, wordt de tekst omgezet naar contouren. De tekst kan dan niet meer met het gereedschap
Tekst worden bewerkt. Als u in Illustrator tekst met het gereedschap Tekst selecteert en deze vervolgens in een tekstkader in InDesign plakt, raakt
de tekst zijn opmaak kwijt maar kan nog wel worden bewerkt. Als u tekst naar InDesign sleept zonder dat er een tekstkader is geselecteerd, raakt
de tekst zijn opmaak kwijt en kan deze niet meer worden bewerkt.
Wanneer u tekst vanuit Illustrator plakt, wordt deze tekst als een of meer objecten geïmporteerd die in InDesign kunnen worden getransformeerd
en gekleurd, maar niet kunnen worden bewerkt. Als u bijvoorbeeld in Illustrator padtekst maakt en deze in InDesign plakt, kunt u de tekst kleuren,
roteren en schalen maar niet bewerken met het gereedschap Tekst. Wilt u de tekst toch bewerken, dan gebruikt u het gereedschap Tekst en plakt
u de tekst in een tekstkader.
IllustratiesIllustraties die van Illustrator naar InDesign worden gekopieerd, worden ingesloten in het InDesign-document. Er wordt daarbij geen
koppeling met het originele Illustrator-bestand gemaakt.
Adobe Photoshop-bestanden (.psd) importeren
U kunt afbeeldingen die in Adobe Photoshop 4.0 en hoger zijn gemaakt, rechtstreeks in een InDesign-layout plaatsen.
Lagen en laagsamenstellingenU kunt de zichtbaarheid van de bovenste lagen in InDesign aanpassen en verschillende laagsamenstellingen
weergeven. Als u de zichtbaarheid van lagen of laagsamenstellingen in InDesign wijzigt, wordt het originele Photoshop-bestand niet gewijzigd.
Paden, maskers of alfakanalenAls u paden, maskers of alfakanalen in een Photoshop-bestand opslaat, kunnen deze in InDesign worden
gebruikt om achtergronden te verwijderen of tekst om afbeeldingen te laten lopen. Afbeeldingen die paden, maskers of alfakanalen bevatten,
fungeren tijdens het importeren als transparante objecten.
ICC-kleurbeheerprofielAls u een Photoshop-afbeelding met een ingesloten ICC-kleurbeheerprofiel plaatst, wordt het ingesloten profiel door
InDesign gelezen, vooropgesteld dat kleurenbeheer actief is. U kunt het ingesloten profiel voor de afbeelding overschrijven via het dialoogvenster
Importopties of een ander kleurenprofiel aan de afbeelding in InDesign toewijzen. Als u het kleurenprofiel in InDesign overschrijft, wordt het
ingesloten profiel in de Photoshop-afbeelding niet verwijderd of gewijzigd.
SteunkleurkanalenSteunkleurkanalen in Adobe Photoshop PSD- of TIFF-bestanden worden in InDesign als steunkleuren in het deelvenster
Stalen weergegeven. Als er in een afbeelding een onbekende steunkleur wordt gebruikt, kan die steunkleur grijs worden weergegeven in het
InDesign-document en ten onrechte als een samengestelde kleur worden afgedrukt. (De afbeelding wordt echter wel goed afgedrukt op
kleurscheidingen.) Als u de afbeelding als een samengestelde afbeelding wilt simuleren, kunt u een steunkleur met de juiste kleurwaarden maken
en vervolgens de PSD-kleur naar deze nieuwe steunkleur omzetten. De afbeelding wordt als een samengestelde afbeelding afgedrukt en juist op
Naar boven
Naar boven
het scherm weergegeven als Voorvertoning overdruk is ingeschakeld (kies Weergave > Voorvertoning overdruk). Verwijder de alias voordat u
scheidingen gaat afdrukken, zodat de afbeelding op de juiste plaat wordt afgedrukt.
PDF-pagina's importeren
Met de opdracht Plaatsen kunt u opgeven welke pagina's u wilt importeren vanuit een PDF-bestand met meerdere pagina's of vanuit een
Illustrator-bestand met meerdere artboards. U kunt een enkele pagina plaatsen, een reeks van pagina's of alle pagina's. In PDF-bestanden met
meerdere pagina's kunnen ontwerpers illustraties combineren en deze in één enkel bestand publiceren.
De opties voor paginabereik zijn beschikbaar wanneer u Importopties tonen in het dialoogvenster Plaatsen selecteert. Zie Importopties voor
Acrobat- (.pdf) en Illustrator-bestanden (.ai). Het dialoogvenster bevat een voorvertoning, waarmee u een miniatuurweergave van de pagina's kunt
bekijken voordat u deze plaatst. Als u meerdere pagina's plaatst, wordt in InDesign het afbeeldingspictogram opnieuw geladen op de volgende
pagina, zodat u de pagina's achter elkaar kunt plaatsen. InDesign importeert bij het plaatsen van een PDF-bestand echter niet de geïntegreerde
filmfragmenten, geluidsfragmenten, koppelingen of knoppen.
Scherm- en apparaatresolutie van geplaatste PDF-pagina's vergelijken
Een geplaatste PDF-pagina wordt weergegeven met de best mogelijke resolutie voor de specifieke schaal en schermresolutie. Wanneer u een
geplaatste PDF-pagina op een PostScript-apparaat afdrukt, wordt deze altijd met de resolutie van het apparaat afgedrukt. Wanneer u een
geplaatste PDF-pagina op een niet-PostScript-printer afdrukt, wordt deze altijd met de resolutie van de overige InDesign-objecten in het document
afgedrukt. Zo worden (getekende) vectorobjecten bijvoorbeeld met de resolutie van de overige vectorobjecten in het document afgedrukt.
Bitmapafbeeldingen worden afgedrukt met de hoogste resolutie die in het geplaatste PDF-bestand is gedefinieerd.
Koppelen aan geplaatste PDF-bestanden
Een geplaatste PDF-pagina wordt in het InDesign-document weergegeven als een schermvoorvertoning die is gekoppeld aan een specifieke
pagina van het originele PDF-bestand. Nadat u een PDF-pagina hebt geplaatst, kunt u de koppelingen als volgt verbreken:
Als u een wachtwoord toevoegt aan het originele PDF-bestand dat in een InDesign-document is geplaatst, en u werkt de
koppeling bij, wordt u om het wachtwoord gevraagd.
Als u pagina's uit het originele PDF-bestand verwijdert en de koppeling bijwerkt, verandert de geplaatste PDF-pagina in de
pagina die nu het paginanummer krijgt van de oorspronkelijk geplaatste pagina.
Als u de volgorde van de pagina's in het originele PDF-bestand wijzigt en de koppeling bijwerkt, voldoet de geplaatste PDF-
pagina mogelijk niet meer aan uw verwachtingen. In dat geval plaatst u de pagina opnieuw.
Kleuren in geplaatste PDF-pagina's
InDesign behoudt de kleuren die zijn ingesloten in PDF-pagina's, zelfs als de kleur uit een kleurbibliotheek komt die niet is geïnstalleerd met
InDesign (zoals de PANTONE Hexachrome®-bibliotheek). Bovendien blijven kleurovervullingen in een geplaatste PDF-pagina behouden.
Wanneer kleurbeheer actief is, wordt het geplaatste PDF-bestand weergegeven met behulp van het ingesloten ICC- of uitvoerintentieprofiel (alleen
PDF/X). Als kleurbeheer is uitgeschakeld of als u een PDF-bestand plaatst dat geen ICC- of uitvoerintentieprofiel bevat, worden de kleuren in het
geplaatste bestand gekalibreerd met behulp van het kleurenprofiel in het InDesign-document.
Wanneer u het document exporteert of afdrukt, kunt u het ingesloten ICC-profiel in het geplaatste PDF-bestand behouden of door het
documentprofiel vervangen. Uitvoerintentieprofielen worden gebruikt voor weergave en zijn aanwezig wanneer u als PDF/X exporteert. Deze
profielen worden niet gebruikt bij het afdrukken van het document en worden niet meegenomen wanneer u naar een andere bestandsindeling
exporteert.
Beveiligingsinstellingen in geplaatste PDF-pagina's
Aangezien een geplaatste PDF-pagina aan het originele PDF-bestand is gekoppeld, bevat de geplaatste pagina ook de beveiligingsinstellingen
van het originele bestand. Als u later de beveiligingsinstellingen in het originele bestand wijzigt, worden deze instellingen in de geplaatste PDF-
pagina bijgewerkt wanneer u de koppelingen bijwerkt.
Als u bij het plaatsen van een PDF-pagina een vereist stramienwachtwoord invoert, overschrijft u alle beperkingen van de PDF-pagina en kan de
geplaatste PDF-pagina naar behoren worden geëxporteerd.
InDesign-pagina's (.indd) importeren
Met de opdracht Plaatsen kunt u in InDesign pagina's vanuit het ene document naar een ander document overbrengen. U kunt een enkele pagina,
een paginabereik of alle pagina's in een document importeren. De pagina's worden als objecten geïmporteerd (te vergelijken met het importeren
van pagina's uit een PDF-bestand).
Voeg pagina's aan het document toe voor het aantal pagina's dat u wilt importeren. Nadat u Bestand > Plaatsen hebt gekozen en een INDD-
bestand hebt geselecteerd, kiest u Importopties tonen en selecteert u de pagina's die u wilt importeren, welke lagen zichtbaar moeten worden en
hoe de geïmporteerde afbeeldingen moeten worden bijgesneden. U kunt in het voorvertoningsvenster de miniatuurpagina's nauwkeurig bekijken.
De pagina of pagina's die u selecteert, worden in het afbeeldingspictogram geladen. Als u meerdere pagina's plaatst, wordt in InDesign het
afbeeldingspictogram op de volgende pagina geladen, zodat u de pagina's achter elkaar kunt importeren.
Opmerking: In het deelvenster Koppelingen staan de namen van de pagina's die u hebt geïmporteerd. Als er op de geïmporteerde pagina een
Naar boven
afbeelding of een ander item staat dat naar die pagina is geïmporteerd, wordt dat item ook in het deelvenster Koppelingen vermeld. De namen van
deze secundaire geïmporteerde items worden onder een driehoekje in het deelvenster Koppelingen weergegeven, zodat ze te onderscheiden zijn
van geïmporteerde pagina's.
Andere grafische indelingen importeren
InDesign ondersteunt een groot aantal grafische indelingen, waaronder bitmapindelingen zoals TIFF, GIF, JPEG en BMP, en vectorindelingen
zoals EPS. Andere ondersteunde indelingen zijn bijvoorbeeld DCS, PICT, WMF, EMF, PCX, PNG en Scitex CT (.sct). U kunt een SWF-bestand
als een filmbestand importeren.
TIFF-bestanden (.tif)
TIFF is een flexibele indeling voor bitmapafbeeldingen, die door vrijwel alle teken-, beeldbewerking- en paginalayoutprogramma’s wordt
ondersteund. Ook kunnen nagenoeg alle bureauscanners TIFF-afbeeldingen produceren.
TIFF ondersteunt CMYK-, RGB-, grijswaarden-, Lab-, geïndexeerde-kleuren- en bitmapbestanden met alfa- en steunkleurkanalen. U kunt bij het
plaatsen van een TIFF-bestand een alfakanaal selecteren. Steunkleurkanalen worden in InDesign als steunkleuren weergegeven in het
deelvenster Stalen.
Met een grafisch programma zoals Photoshop kunt u een uitknippad maken en daarmee een transparante achtergrond voor een TIFF-afbeelding
maken. InDesign ondersteunt uitknippaden in TIFF-afbeeldingen en herkent gecodeerde OPI-opmerkingen.
GIF-bestanden (Graphics Interchange Format)
Graphics Interchange Format (GIF) is een standaard voor het weergeven van afbeeldingen op internet en andere online services. Aangezien bij
deze compressiemethode de afbeeldingsgegevens zonder detailverlies worden gecomprimeerd, wordt de methode verliesloos genoemd. Een
dergelijke compressie is geschikt voor afbeeldingen met een beperkt aantal effen kleuren, zoals logo's en grafieken. GIF-afbeeldingen kunnen
echter niet meer dan 256 kleuren bevatten, waardoor de indeling minder geschikt is voor de online weergave van foto's (gebruik in plaats hiervan
JPEG) en niet wordt aangeraden voor commercieel drukwerk. Als een geïmporteerd GIF-bestand transparantie bevat, verandert de afbeelding
alleen op plaatsen waar de achtergrond transparant is.
JPEG-bestanden (.JPG)
De JPEG-indeling (Joint Photographic Experts Group) wordt vooral gebruikt om foto's en andere ongerasterde halftonen in HTML-bestanden op
internet en in andere online media weer te geven. Deze indeling ondersteunt de kleurmodi CMYK, RGB en grijswaarden. In tegenstelling tot GIF
behoudt JPEG alle kleurinformatie in een RGB-afbeelding.
JPEG gebruikt een aanpasbaar compressieschema met gegevensverlies, dat het bestand effectief verkleint door alle gegevens te verwijderen die
niet nodig zijn voor de weergave van de afbeelding. Hoe hoger de compressieverhouding, hoe lager de beeldkwaliteit. Hoe lager de
compressieverhouding, hoe hoger de kwaliteit maar hoe groter het bestand. In de meeste gevallen biedt compressie met de optie voor maximale
kwaliteit een resultaat dat niet van het origineel is te onderscheiden. Wanneer u een JPEG-afbeelding opent, wordt deze automatisch
gedecomprimeerd.
Opmerking: Bij JPEG-codering, die kan worden uitgevoerd op een EPS- of DCS-bestand in een grafisch programma zoals Photoshop, wordt
geen JPEG-bestand gemaakt. In plaats daarvan wordt het bestand gecomprimeerd volgens het hierboven beschreven JPEG-compressieschema.
JPEG is geschikt voor foto's, maar JPEG-afbeeldingen met effen kleuren (afbeeldingen met grote vlakken in één kleur) worden vaak minder
scherp. InDesign herkent en ondersteunt uitknippaden in JPEG-bestanden die zijn gemaakt in Photoshop. U kunt JPEG voor zowel online als
commerciële gedrukte documenten gebruiken. Vraag uw servicebureau hoe u de JPEG-kwaliteit bij het afdrukken kunt behouden.
BMP-bestanden (.bmp)
BMP is de standaard Windows-indeling voor bitmapafbeeldingen op computers die compatibel zijn met DOS en Windows. Deze indeling biedt
echter geen ondersteuning voor CMYK en de kleurenondersteuning is beperkt tot 1, 4, 8 of 24 bits. Deze indeling is niet echt geschikt voor
commerciële gedrukte of online documenten en wordt niet door alle webbrowsers ondersteund. De kwaliteit van BMP-afbeeldingen kan acceptabel
zijn wanneer ze op lage-resolutie- of niet-PostScript-printers worden afgedrukt.
Encapsulated PostScript-bestanden (.eps)
De EPS-bestandsindeling (Encapsulated PostScript) wordt gebruikt om illustraties in de taal PostScript uit te wisselen tussen toepassingen en
wordt ondersteund door de meeste programma's voor illustraties en paginalayouts. EPS-bestanden zijn doorgaans losse illustraties of tabellen die
op uw layout worden geplaatst, maar een EPS-bestand kan ook een complete pagina omvatten.
Omdat EPS-bestanden op PostScript zijn gebaseerd, kunnen ze tekst, en vector- en bitmapafbeeldingen bevatten. Aangezien PostScript
normaliter niet op het scherm kan worden weergegeven, maakt InDesign een bitmapvoorvertoning van een EPS-bestand voor schermweergave.
InDesign herkent uitknippaden in EPS-bestanden die met Photoshop zijn gemaakt.
Wanneer u een EPS-bestand importeert, worden alle steunkleuren uit dat bestand toegevoegd aan het deelvenster Stalen in InDesign. EPS biedt
resolutie, precisie en kleuren van prepress-kwaliteit. Deze indeling bevat alle kleur- en afbeeldingsgegevens voor DCS-afbeeldingen met
kleurscheiding die zijn ingesloten in de EPS-afbeelding. EPS is niet echt geschikt voor online publiceren in HTML, maar is ruimschoots voldoende
voor het online publiceren in PDF.
EPS-bestanden kunnen OPI-opmerkingen (Open Prepress Interface) bevatten, waardoor u snelle versies met lage resolutie (proxy's) van
afbeeldingen kunt gebruiken voor het plaatsen op een pagina. Voor de uiteindelijke uitvoer kan InDesign of uw servicebureau de proxy's
automatisch vervangen door de versies met hoge resolutie.
DCS-bestanden (Desktop Color Separations)
Desktop Color Separations (DCS) is een door Quark ontwikkelde versie van de standaard EPS-indeling. De indeling DCS 2.0 ondersteunt
meerkanalige CMYK-bestanden met meerdere steunkanalen. (Deze steunkanalen worden in InDesign als steunkleuren weergegeven in het
deelvenster Stalen.) De indeling DCS 1.0 ondersteunt CMYK-bestanden zonder steunkanalen. InDesign herkent uitknippaden in DCS 1.0 en DCS
2.0 Photoshop-bestanden.
DCS-bestanden worden doorgaans gebruikt in workflows met preseparatie op een host. Over het algemeen worden kleurscheidingsbestanden die
bij een DCS-afbeelding horen, weggelaten wanneer u een samengestelde afdruk maakt of naar een PDF-, EPS- of PostScript-bestand exporteert.
(De enige uitzondering wordt gemaakt voor 8-bits DCS-bestanden die zijn gemaakt in Photoshop en die geen vectorafbeeldingen bevatten.)
InDesign kan een samengestelde afbeelding van DCS 2.0- of 1.0-scheidingsbestanden opnieuw opbouwen als de bestanden zijn gemaakt in
Photoshop. Als u samengestelde-kleurproeven met hoge resolutie maakt of een document in-RIP of op basis van een samengesteld bestand
scheidt, krijgt u het beste resultaat als u alleen DCS 1.0- of DCS 2.0-bestanden opneemt die zijn gemaakt in Photoshop.
Macintosh PICT-bestanden (.pict)
De Macintosh-indeling PICT (of Picture) wordt gebruikt in Mac OS-toepassingen voor beeldbewerking en paginalayout, en voor het overbrengen
van bestanden tussen toepassingen. Bij de PICT-indeling worden afbeeldingen met grote gebieden met effen kleuren gecomprimeerd. InDesign
kan PICT-bestanden importeren die zijn gemaakt op basis van Mac OS-schermafbeeldingen en een groot aantal andere toepassingen, waaronder
clipartverzamelingen. PICT-bestanden worden echter niet aanbevolen voor commercieel drukwerk met hoge resolutie.
InDesign ondersteunt RGB PICT-afbeeldingen met variabele resolutie en ingesloten QuickTime-afbeeldingen. PICT-afbeeldingen ondersteunen
geen kleurscheidingen, zijn apparaatafhankelijk en worden niet aanbevolen voor commerciële afdrukken met hoge resolutie. De kwaliteit van PICT-
afbeeldingen is alleen acceptabel wanneer ze op lage-resolutie- of niet-PostScript-printers worden afgedrukt.
Bestanden in Windows Metafile Format (.wmf) en Enhanced Metafile Format (.emf)
Windows Metafile Format (WMF) en Windows Enhanced Metafile Format (EMF) zijn bestandsindelingen van Windows die voornamelijk worden
gebruikt voor vectorafbeeldingen, zoals clipart, die door Windows-programma's worden gebruikt. Metafile-bestanden kunnen rasterafbeeldingen
bevatten. InDesign herkent de vectorgegevens en biedt een beperkte ondersteuning voor rasterbewerkingen. De kleurondersteuning is beperkt tot
16-bits RGB en geen van deze indelingen ondersteunt kleurscheidingen. Het verdient aanbeveling om geen Metafile-indelingen te gebruiken voor
commercieel gedrukte documenten.
PCX-bestanden (.pcx)
De PCX-indeling wordt veel gebruikt op Windows-systemen. De meeste Windows-software ondersteunt versie 5 van deze indeling.
PCX ondersteunt de kleurmodi RGB, geïndexeerde kleuren, grijswaarden en bitmaps, evenals de compressiemethode RLE zonder
gegevensverlies. De indeling ondersteunt geen alfakanalen. Afbeeldingen kunnen een bitdiepte van 1, 4, 8 of 24 bits hebben. PCX is echter niet
echt geschikt voor commerciële gedrukte of online documenten. De kwaliteit van PCX-afbeeldingen is alleen acceptabel wanneer ze op lage-
resolutie- of niet-PostScript-printers worden afgedrukt.
PNG-bestanden (Portable Network Graphics)
De PNG-indeling (Portable Network Graphics) gebruikt aanpasbare compressie zonder gegevensverlies om 24-bits foto's of afbeeldingen met
effen kleuren weer te geven op internet en in andere online media. PNG is ontwikkeld als patentvrij alternatief voor de bestandsindeling GIF. De
indeling ondersteunt transparantie in een alfakanaal of een specifieke kleur. PNG kan het beste worden gebruikt voor onlinedocumenten. PNG-
kleurenafbeeldingen worden als RGB-bitmapafbeeldingen in een InDesign-document geplaatst.
SCT-bestanden (Scitex CT)
De indeling Scitex Continuous Tone (CT) wordt gebruikt voor geavanceerde beeldverwerking op Scitex-computers. Scitex CT-bestanden worden
vaak geproduceerd door Scitex-scanners, die scans van hoge kwaliteit voor commercieel drukwerk produceren. De Scitex CT-indeling ondersteunt
CMYK-, RGB- en grijswaardenbestanden maar geen alfakanalen. Neem contact op met Scitex voor hulpprogramma's waarmee u bestanden die
zijn opgeslagen in de indeling Scitex CT, kunt overbrengen naar een Scitex-systeem.
Meer Help-onderwerpen
Importeren, exporteren en opslaan
Kleurbeheer
Afbeeldingen opslaan en exporteren
Illustraties exporteren
Juridische kennisgevingen | Onlineprivacybeleid
Lagen
Naar boven
Wat zijn lagen?
Lagen maken
Objecten aan lagen toevoegen
Een laag dupliceren
De volgorde van lagen wijzigen
Lagen tonen of verbergen tonen of verbergen
Een laag als een niet af te drukken laag instellen
Lagen vergrendelen of ontgrendelen
Lagen verwijderen
Lagen in een document samenvoegen
Wat zijn lagen?
Elk document bevat minstens één benoemde laag. Door het gebruik van meerdere lagen kunt u specifieke gebieden of inhoud in uw document
maken en bewerken zonder dat de andere gebieden of inhoud hierdoor worden beïnvloed. Als het afdrukken van uw document bijvoorbeeld veel
tijd in beslag neemt omdat het document veel grote afbeeldingen bevat, kunt u de tekst van het document op een aparte laag plaatsen. Als u de
tekst moet reviseren, kunt u alle andere lagen verbergen en hoeft u alleen de laag met tekst af te drukken. U kunt lagen ook gebruiken om een
ander ontwerp van dezelfde layout weer te geven of om andere versies van advertenties in verschillende regio's te laten zien.
Lagen zijn als het ware transparante bladen die op elkaar liggen. Als een laag geen objecten bevat, is de laag doorzichtig en kunt u de
onderliggende lagen zien.
Extra opmerkingen over lagen:
Elke documentlaag heeft een driehoekje dat kan worden uitgevouwen om de objecten en de stapelvolgorde op die laag weer
te geven voor de actieve spread. Groepen, knoppen en objecten met meerdere statussen hebben ook driehoekjes die kunnen
worden uitgevouwen om de ingesloten objecten weer te geven. U kunt deze objecten vergrendelen en ontgrendelen, in een
andere volgorde plaatsen en toevoegen aan of verwijderen uit een groep.
Objecten op stramienen staan onder aan elke laag. Stramienitems staan vóór documentpagina-objecten als de
stramienpagina-objecten op een hogere laag staan. (Zie Over stramienen, stapelvolgorde en lagen.)
Lagen gelden voor alle pagina's in een document, inclusief de stramienen. Als u bijvoorbeeld Laag 1 verbergt terwijl u pagina 1
van uw document bewerkt, wordt deze laag ook op alle andere pagina's verborgen totdat u de laag weer weergeeft.
Meer informatie over het omzetten van lagen van Adobe PageMaker® of QuarkXPress vindt u in QuarkXPress- en
PageMaker-documenten omzetten.
In het deelvenster Lagen staan de lagen met de voorste laag boven in het deelvenster.
Op http://tv.adobe.com/go/4953/nl vindt u een videozelfstudie over het gebruik van lagen.
Naar boven
Naar boven
Lagen maken
U kunt op elk ogenblik lagen toevoegen met de opdracht Nieuwe laag in het menu van het deelvenster Lagen of met de knop Nieuwe laag onder
in het deelvenster Lagen. Het maximum aantal lagen in een document hangt af van de hoeveelheid RAM-geheugen dat in InDesign beschikbaar
is.
Lagen maken
1. Selecteer Venster > Lagen.
2. Voer een van de volgende stappen uit om een nieuwe laag te maken:
Als u een nieuwe laag boven de geselecteerde laag wilt maken, klikt u op de knop Nieuwe laag.
Als u een nieuwe laag onder de geselecteerde laag wilt maken, houdt u Ctrl (Windows) of Command (Mac OS) ingedrukt
terwijl u op de knop Nieuwe laag klikt.
Als u een nieuwe laag boven aan de lijst wilt maken, houdt u Ctrl+Shift (Windows) of Command+Shift (Mac OS) ingedrukt
terwijl u op de knop Nieuwe laag klikt.
Als u een nieuwe laag wilt maken en het dialoogvenster Nieuwe laag wilt openen, houdt u Alt (Windows) of Option
(Mac OS) ingedrukt terwijl u op de knop Nieuwe laag klikt.
Laagopties instellen
1. Kies Nieuwe laag in het menu van het deelvenster Lagen of dubbelklik op een bestaande laag.
2. Geef de volgende opties op en klik op OK.
KleurWijs een kleur toe om de objecten op die laag van elkaar te onderscheiden.
Laag tonenSelecteer deze optie om een laag zichtbaar te maken. Het selecteren van deze optie is hetzelfde als het
zichtbaar maken van het oogpictogram in het deelvenster Lagen.
Hulplijnen tonenSelecteer deze optie als de hulplijnen op de laag zichtbaar moeten zijn. Als deze optie niet is geselecteerd
voor een laag, kunnen de hulplijnen niet zichtbaar worden gemaakt, zelfs niet door Weergave > Hulplijnen tonen te selecteren
waarmee de hulplijnen in het hele document worden weergegeven.
Laag vergrendelenSelecteer deze optie als u wilt verhinderen dat de objecten op de laag worden gewijzigd. Het selecteren
van deze optie is hetzelfde als het pictogram van een doorgestreept potlood in het deelvenster Lagen zichtbaar maken.
Hulplijnen vergrendelenSelecteer deze optie als u wilt verhinderen dat alle liniaalhulplijnen op de laag worden gewijzigd.
Laag afdrukkenSelecteer deze optie als u de laag niet wilt laten afdrukken. Bij het afdrukken of exporteren naar PDF kunt u
instellen of verborgen en niet-afdrukbare lagen wel of niet worden afgedrukt.
Tekstomloop onderdrukken wanneer laag wordt verborgenSelecteer deze optie als u de tekst op andere lagen normaal
wilt laten doorlopen wanneer de laag wordt verborgen en er op die laag objecten staan waarop tekstomloop is toegepast.
Een laagkleur toewijzen
Als u een kleur aan een laag toewijst, kunt u de lagen van de verschillende geselecteerde objecten makkelijker herkennen. Voor elke laag die een
geselecteerd object bevat, staat in het deelvenster Lagen een punt in de kleur van de laag. Op de pagina wordt de kleur van elke laag voor het
object weergegeven in de selectiehandgrepen, het selectiekader, de tekstpoorten, de tekstomloopgrens (indien gebruikt), de kaderranden (inclusief
de 'X' in een leeg afbeeldingskader) en de verborgen tekens. De laagkleur wordt niet weergegeven voor kaders die niet zijn geselecteerd en
waarvan de randen zijn verborgen.
1. Dubbelklik in het deelvenster Lagen op een laag of selecteer een laag en kies de opdracht Laagopties voor [laagnaam].
2. Kies bij Kleur een kleur of kies Aangepast om een kleur in de kleurkiezer te definiëren.
Objecten aan lagen toevoegen
Een nieuw object wordt altijd geplaatst op de doellaag, de laag waarop op dat ogenblik in het deelvenster Lagen het penpictogram wordt
weergegeven. Als u naar een laag toegaat, wordt deze ook automatisch geselecteerd. Als u meerdere lagen hebt geselecteerd en u gaat naar een
van de lagen toe, verandert er niets aan de selectie. Wanneer u echter naar een niet-geselecteerde laag gaat, wordt de selectie van de andere
lagen opgeheven.
U kunt objecten aan de doellaag toevoegen door:
Nieuwe objecten te maken met het gereedschap Tekst of met de tekengereedschappen.
Tekst of afbeeldingen te importeren, te plaatsen of te plakken.
Objecten op andere lagen te selecteren en ze naar de nieuwe laag te verplaatsen.
U kunt op een verborgen of vergrendelde laag geen nieuwe objecten tekenen of plaatsen. Wanneer u een tekengereedschap
of het gereedschap Tekst selecteert of een bestand plaatst wanneer de doellaag is verborgen of vergrendeld, wordt de
muisaanwijzer een doorgestreept potlood als u de aanwijzer op het documentvenster plaatst. In dat geval moet u de verborgen
doellaag opnieuw tonen of ontgrendelen of een zichtbare, niet-vergrendelde doellaag activeren. Als u de opdracht Bewerken >
Plakken kiest wanneer de doellaag is verborgen of vergrendeld, verschijnt er een waarschuwing met de vraag of u de doellaag
wilt tonen of ontgrendelen.
Wanneer u in het deelvenster Lagen op een laag klikt om die te activeren, wordt het Pen-pictogram weergegeven op de laag waarop u hebt
geklikt, en wordt die laag ook gemarkeerd, ten teken dat de laag is geactiveerd.
Objecten op lagen selecteren, verplaatsen en kopiëren
U kunt standaard elk object op elke laag selecteren. In het deelvenster Lagen geven punten de lagen aan die geselecteerde objecten bevatten.
Aan de hand van de selectiekleur van de laag kunt u een objectlaag herkennen. Als u wilt voorkomen dat objecten op een bepaalde laag worden
geselecteerd, vergrendelt u de desbetreffende laag.
Ga als volgt te werk:
Als u een individuele objecten in een laag wilt selecteren, klikt u op het driehoekje naast de laag om alles te tonen en
selecteert u het doelobject. U kunt het doelobject ook naar een andere locatie slepen zonder het te selecteren.
Objecten slepen van de ene laag naar de andere
U selecteert alle objecten op een bepaalde laag door Alt (Windows) of Option (Mac OS) ingedrukt te houden wanneer u in het
deelvenster Lagen op een laag klikt.
Als u objecten naar een andere laag wilt verplaatsen of kopiëren, selecteert u met het gereedschap Selecteren een of meer
objecten op een documentpagina of stramienpagina. Ga naar het deelvenster Lagen en sleep de gekleurde punt rechts van de
lijst met lagen om de geselecteerde objecten naar de andere laag te verplaatsen.
Een object naar een nieuwe laag verplaatsen
Om de geselecteerde objecten naar een vergrendelde laag te verplaatsen, houdt u Ctrl (Windows) of Command (Mac OS) ingedrukt en sleept u
het gekleurde punt. Om geselecteerde objecten naar een andere laag te kopiëren, houdt u Alt (Windows) of Option (Mac OS) ingedrukt en
sleept u het gekleurde punt rechts van de lijst met lagen naar de andere laag. Om de geselecteerde objecten naar een vergrendelde laag te
kopiëren, houdt u Ctrl+Alt (Windows) of Command+Option (Mac OS) ingedrukt terwijl u het gekleurde punt sleept.
Objecten op een andere laag plakken
De opdracht Lagen behouden bij plakken bepaalt wat er op de bestaande lagen gebeurt met objecten die vanuit andere locaties worden geplakt.
Als u de opdracht Lagen behouden bij plakken hebt geselecteerd, behouden de objecten die vanuit andere lagen zijn geknipt of gekopieerd, hun
Naar boven
Naar boven
Naar boven
laagtoewijzingen wanneer ze op een nieuwe pagina of positie worden geplakt. Als u objecten plakt in een document dat niet dezelfde lagen heeft
als het document waaruit de objecten zijn gekopieerd, worden de laagnamen van de objecten toegevoegd aan de lijst in het deelvenster Lagen
van het tweede document, en wordt elk object op zijn eigen laag geplakt.
Als de opdracht Lagen behouden bij plakken niet is geselecteerd, worden objecten die van andere lagen zijn geknipt of gekopieerd, samen op de
doellaag geplakt.
1. Zorg ervoor dat Lagen behouden bij plakken in het menu van het deelvenster Lagen is uitgeschakeld.
2. Selecteer objecten en kies Bewerken > Kopiëren of Bewerken > Knippen.
3. Klik in het deelvenster Lagen op de andere laag om deze te activeren.
4. Kies Bewerken > Plakken.
Een laag dupliceren
Wanneer u een laag dupliceert, kopieert u ook de inhoud en instellingen van deze laag. De gedupliceerde laag zal in het deelvenster Lagen boven
de oorspronkelijke laag komen te staan. De gedupliceerde kaders die waren gekoppeld aan andere kaders op de laag, blijven met elkaar
verbonden. Gedupliceerde kaders waarvan de originele versie was verbonden met kaders op andere lagen, zullen niet meer met deze kaders
verbonden zijn.
Voer in het deelvenster Lagen een van de volgende handelingen uit:
Selecteer de naam van de laag en kies Laag [laagnaam] dupliceren in het menu van het deelvenster Lagen.
Sleep de naam van een laag en zet deze neer op de knop Nieuwe laag.
De volgorde van lagen wijzigen
U kunt de stapelvolgorde van de lagen in uw document wijzigen door de lagen in de lijst van het deelvenster Lagen opnieuw te schikken. Als u de
lagen opnieuw rangschikt, verandert de volgorde van de lagen op elke pagina en dus niet alleen op de doelspread.
U kunt ook de stapelvolgorde van objecten binnen een laag wijzigen door de objecten in een laag opnieuw in te delen Zie Objecten in een stapel
schikken.
Sleep in het deelvenster Lagen een laag in de lijst omhoog of omlaag. U kunt ook meerdere lagen selecteren en slepen.
Lagen opnieuw rangschikken
Lagen tonen of verbergen tonen of verbergen
U kunt lagen te allen tijde tonen of verbergen en u kunt objecten op een laag tonen of verbergen. Verborgen lagen en objecten kunnen niet
worden bewerkt en worden niet weergegeven op het scherm of afgedrukt. Het kan nuttig zijn lagen te verbergen wanneer u een van de volgende
handelingen moet uitvoeren:
Delen van een document verbergen die niet in het definitieve document mogen komen te staan.
Andere versies van een document verbergen.
De weergave van een document vereenvoudigen, zodat andere delen in het document makkelijker kunnen worden bewerkt.
Voorkomen dat een laag wordt afgedrukt.
De weergave op het scherm versnellen wanneer een laag afbeeldingen met een hoge resolutie bevat.
Standaard loopt tekst rond objecten op verborgen lagen. Als u de tekstomloopinstellingen voor verborgen objecten wilt negeren, kiest u de
opdracht Laagopties in het menu van het deelvenster Lagen en selecteert u vervolgens de optie Tekstomloop onderdrukken wanneer laag
wordt verborgen.
Ga als volgt te werk:
Naar boven
Naar boven
Naar boven
Naar boven
U kunt telkens één laag tegelijk tonen of verbergen door in het deelvenster Lagen op het vierkantje links van de laagnaam te
klikken om het oogpictogram voor deze laag te verbergen of weer te geven.
U kunt afzonderlijke objecten in een laag tonen of verbergen door eerst op het driehoekje te klikken om alle objecten in een
laag weer te geven en vervolgens op het oogje om het object te tonen of te verbergen.
U kunt alle lagen behalve de geselecteerde laag verbergen of alle objecten op een laag behalve het geselecteerde object
verbergen door Overige verbergen in het deelvenstermenu Lagen te kiezen. U kunt ook Alt (Windows) of Option (Mac OS)
ingedrukt houden en klikken op het vierkantje helemaal aan de linkerkant van de laag of het object dat u zichbaar wilt laten
blijven.
U geeft alle lagen weer door de optie Alle lagen tonen in het menu van het deelvenster Lagen te selecteren. U kunt ook Alt
(Windows) of Option (Mac OS) ingedrukt houden en klikken op het vierkantje helemaal aan de linkerkant van een zichtbare
laag of het object om alle lagen of alle objecten in een laag te tonen.
Een laag als een niet af te drukken laag instellen
1. Selecteer de laag in het deelvenster Lagen.
2. Kies Laagopties in het menu van het deelvenster Lagen.
3. U voorkomt dat de laag wordt afgedrukt door de optie Laag afdrukken uit te schakelen en op OK te klikken.
Opmerking: Wanneer u afdrukt of naar PDF exporteert, hebt u toch de mogelijkheid om verborgen en niet-afdrukbare lagen af te drukken.
Lagen vergrendelen of ontgrendelen
Door lagen te vergrendelen voorkomt u dat ze per ongeluk worden gewijzigd. Naast een vergrendelde laag in het deelvenster Lagen staat een
pictogram van een doorgestreept potlood. De objecten op vergrendelde lagen kunnen niet rechtstreeks worden geselecteerd of bewerkt. Als
objecten op vergrendelde lagen kenmerken hebben die indirect wel kunnen worden gewijzigd, worden deze wel gewijzigd. Als u bijvoorbeeld een
tintstaal wijzigt, zullen de objecten op vergrendelde lagen waarop het tintstaal is toegepast, overeenkomstig worden aangepast. Als u een reeks
verbonden tekstkaders op zowel vergrendelde als niet-vergrendelde lagen plaatst, zal de tekst op de vergrendelde lagen ook opnieuw worden
samengesteld.
U kunt ook het deelvenster Lagen gebruiken om objecten in een laag te vergrendelen of te ontgrendelen. Zie Objecten vergrendelen of
ontgrendelen.
Ga als volgt te werk:
Als u één laag wilt vergrendelen of ontgrendelen, klikt u in het deelvenster Lagen op een vakje in de tweede kolom links om de
laag weer te geven (vergrendelen) of te verbergen (ontgrendelen).
U kunt alle lagen behalve de doellaag vergrendelen door Overige vergrendelen in het menu van het deelvenster Lagen te
selecteren. U kunt ook Alt (Windows) of Option (Mac OS) ingedrukt hounden en klikken op het vierkantje helemaal links van de
laag die u ontgrendeld wilt laten blijven.
U kunt alle lagen ontgrendelen door Alle lagen ontgrendelen in het menu van het deelvenster Lagen te selecteren.
Lagen verwijderen
Vergeet niet dat elke laag in het hele document wordt toegepast. De laag staat dus op elke pagina van een document. Voordat u een laag
verwijdert, doet u er goed aan eerst alle andere lagen te verbergen en elke pagina in het document te bekijken om na te gaan of de resterende
objecten veilig kunnen worden verwijderd.
Ga als volgt te werk:
U verwijdert een laag door de laag vanuit het deelvenster Lagen naar het pictogram Verwijderen te slepen of door Laag
[laagnaam] verwijderen in het menu van het deelvenster Lagen te kiezen.
U kunt meerdere lagen verwijderen door Ctrl (Windows) of Command (Mac OS) ingedrukt te houden terwijl u op de lagen klikt
om ze te selecteren. Sleep vervolgens de lagen vanuit het deelvenster Lagen naar het pictogram Verwijderen of kies Lagen
verwijderen in het menu van het deelvenster Lagen.
U kunt alle lege lagen verwijderen door Ongebruikte lagen verwijderen in het menu van het deelvenster Lagen te selecteren.
U kunt een object op een laag verwijderen door het object in het deelvenster Lagen te selecteren en op het pictogram
Verwijderen te klikken.
Lagen in een document samenvoegen
U kunt het aantal lagen in een document verminderen zonder objecten te verwijderen door lagen samen te voegen. Wanneer u lagen samenvoegt,
worden alle objecten op de geselecteerde lagen naar de doellaag verplaatst. Van alle lagen die u samenvoegt, zal alleen de doellaag in het
document overblijven. De andere geselecteerde lagen worden verwijderd. U kunt een document ook afvlakken door alle lagen samen te voegen.
Opmerking: Als u lagen samenvoegt die pagina- en stramienitems bevatten, worden de stramienitems op de achtergrond van de
samengevoegde laag geplaatst.
1. Selecteer in het deelvenster Lagen de gewenste lagen. Zorg ervoor dat ook de laag is geselecteerd die u als doellaag wilt
gebruiken. Als u het document wilt afvlakken, selecteert u alle lagen in het deelvenster.
2. Klik op een geselecteerde laag om deze als doellaag te activeren, zoals wordt aangegeven door het penpictogram.
3. Kies Lagen samenvoegen in het menu van het deelvenster Lagen.
U kunt lagen met dezelfde naam samenvoegen wanneer u een boek naar PDF gaat exporteren.
Meer Help-onderwerpen
Juridische kennisgevingen | Onlineprivacybeleid
Kaders en pagina's opmaken
Naar boven
Naar boven
Over paden en kaders
Kaderranden tonen of verbergen
Met plaatsaanduidingen pagina's ontwerpen
Paden en kaders opnieuw definiëren
Over automatische aanpassing van de layout
Klik op onderstaande koppelingen voor gedetailleerde informatie en instructies.
Over paden en kaders
U kunt objecten tekenen in een document en deze gebruiken als paden of als kaders. Paden zijn vectorafbeeldingen die zijn gemaakt in een
tekenprogramma zoals Adobe Illustrator®. Kaders zijn identiek aan paden, maar kaders kunnen containers voor tekst of andere objecten zijn. Een
kader kan ook als plaatsaanduiding (container zonder inhoud) worden gebruikt. Als containers en plaatsaanduidingen zijn kaders de belangrijkste
bouwstenen voor de layout van een document.
Paden en kaders
A. PadB.Kader als container voor afbeeldingC.Kader met geplaatste afbeelding
Met de gereedschappen in de gereedschapsset kunt u zowel paden als kaders tekenen. Ook kunt u kaders maken door objecten gewoon in een
pad te plaatsen (importeren) of te plakken.
Opmerking: In QuarkXPress worden paden 'lijnen' genoemd en worden kaders 'vakken' genoemd.
Omdat een kader niet meer is dan een containerversie van een pad, kunt u alles met een kader doen wat u met een pad kunt doen, zoals het
toevoegen van een kleur of verlooptint aan de vulling of lijn, of de vorm van het kader zelf bewerken met het gereedschap Pen. U kunt zelfs op elk
gewenst moment een kader als pad gebruiken of een pad als kader. Dankzij deze flexibiliteit kunt u uw ontwerp gemakkelijk aanpassen en
beschikt u over een ruime keuze aan ontwerpopties.
Kaders kunnen tekst of afbeeldingen bevatten. Een tekstkader bepaalt waar tekst kan worden geplaatst en hoe de tekst door de layout zal lopen.
U kunt tekstkaders herkennen aan de tekstpoorten in hun linkerboven- en rechterbenedenhoek.
Een afbeeldingskader kan worden gebruikt als een rand en achtergrond en kan een afbeelding uitsnijden of bedekken. Als het wordt gebruikt als
een lege plaatsaanduiding, staat er een kruis in.
Tekstkader (links) en leeg afbeeldingskader (rechts)
Als u het kruis niet in een leeg afbeeldingskader ziet staan, is de weergave van de kaderranden mogelijk uitgeschakeld.
Kaderranden tonen of verbergen
In tegenstelling tot paden zijn de niet-afdrukbare lijnen (contouren) van kaders standaard zichtbaar, zelfs wanneer de kaders niet zijn geselecteerd.
Als het documentvenster vol staat, kunt u met de opdracht Kaderranden tonen/verbergen de weergave op het scherm vereenvoudigen door de
kaderranden te verbergen. Hierdoor wordt ook het kruis verborgen in een afbeeldingskader dat als plaatsaanduiding wordt gebruikt. De instelling
Naar boven
Naar boven
Naar boven
voor de weergave van de kaderranden heeft geen invloed op de weergave van de tekstpoorten op tekstkaders.
Opmerking: De kaderrand wordt getekend als een kaderlijn en is dus niet de buitenrand van de dikte van de lijn.
Ga als volgt te werk:
Als u kaderranden wilt tonen of verbergen, kiest u Weergave > Extra > Kaderranden tonen/verbergen.
U verbergt kaderranden door op Voorvertoningsmodus onder in de gereedschapsset te klikken.
Met plaatsaanduidingen pagina's ontwerpen
Wanneer uw definitieve tekst en afbeeldingen beschikbaar zijn, kunt u deze gewoon aan een document toevoegen. Er worden dan automatisch
kaders gemaakt wanneer u deze objecten importeert (tenzij u de tekst en illustraties rechtstreeks in bestaande kaders importeert). Als de inhoud
echter nog niet klaar is of u wilt een ruw ontwerp maken voordat u tekst en afbeeldingen gaat plaatsen, kunt u kaders als plaatsaanduidingen
gebruiken.
Typen plaatsaanduidingen
A.Plaatsaanduiding voor afbeeldingskaderB.Plaatsaanduiding voor tekstkader
U kunt bijvoorbeeld een van de volgende procedures volgen:
Teken tekstkaders met het gereedschap Tekst en afbeeldingskaders met de tekengereedschappen. Verbind de lege
tekstkaders met elkaar zodat u bij het importeren van de definitieve tekst slechts één stap hoeft uit te voeren.
Teken lege plaatsaanduidingen met de tekengereedschappen. Als u zover bent dat u de gebieden voor de tekst en
afbeeldingen kunt bepalen, kunt u de plaatsaanduidingen opnieuw definiëren als tekst- dan wel afbeeldingskaders.
Stel opties voor aanpassen aan kader voor het plaatsaanduidingskader in zodat, wanneer u een afbeelding in het kader
plaatst, de afbeelding aan de grootte van het kader wordt aangepast.
Paden en kaders opnieuw definiëren
Als u een pad of tekstkader als plaatsaanduidingskader voor afbeeldingen wilt gebruiken, selecteert u een pad of een leeg
tekstkader en kiest u Object > Inhoud > Afbeelding.
Als u een pad of afbeeldingskader als plaatsaanduidingskader voor tekst wilt gebruiken, selecteert u een pad of een leeg
afbeeldingskader en kiest u Object > Inhoud > Tekst.
Als u een tekst- of afbeeldingskader alleen als een pad wilt gebruiken, selecteert u een leeg kader en kiest u Object >
Inhoud > Niet toegewezen.
Opmerking: Wanneer een kader tekst of afbeeldingen bevat, kunt u dit kader niet opnieuw definiëren via het menu Object > Inhoud. Als u een
afbeelding vervangt door tekst, wordt het inhoudstype echter automatisch opnieuw gedefinieerd.
Over automatische aanpassing van de layout
Als u met de opdrachten Documentinstelling of Marges en kolommen een bestaande layout wijzigt, kan het heel wat tijd en moeite vergen om
objecten opnieuw te schikken zodat ze in de nieuwe layout passen. Met de functie Aanpassing layout kan heel wat werk automatisch worden
uitgevoerd. Zo kunt u de layout van een liggend document met vier kolommen dat is ontworpen voor een A4-pagina, snel omzetten naar een
staand document met twee kolommen en het paginaformaat Legal. Met de functie Aanpassing layout worden de tekst- en afbeeldingskaders
verplaatst en waar nodig vergroot of verkleind op basis van de nieuwe relatieve posities van de kolomhulplijnen, paginamarges en paginaranden.
Opmerking: Als u de kolomhulplijnen sleept en verplaatst, wordt de layout niet automatisch aangepast.
Het resultaat van de functie Aanpassing layout zal beter zijn als de layout sterk is gebaseerd op een structuur van marges, paginakolommen en
liniaalhulplijnen en de objecten op de hulplijnen zijn uitgelijnd. Het resultaat is minder voorspelbaar wanneer de objecten niet zijn uitgelijnd op
marges, kolommen en hulplijnen of wanneer er buitensporig veel liniaal- en kolomhulplijnen door elkaar op de pagina zijn geplaatst. De
aanpassing van de layout wordt niet beïnvloed door het documentraster of het basislijnraster.
Pagina met rechtopstaand ontwerp, klaar voor afdruk (links); afdrukstand gewijzigd voor schermweergave, met automatische aanpassing door de
functie Aanpassing layout (rechts)
U kunt de regels wijzigen in het dialoogvenster Aanpassing layout. De functie Aanpassing layout probeert de verhoudingen in de vorige layout te
benaderen in de nieuwe layout door het volgende te doen:
Kolomhulplijnen toevoegen of verwijderen als voor de nieuwe layout een ander aantal kolommen is opgegeven.
Als de paginagrootte verandert, liniaalhulplijnen verplaatsen om de proportionele afstanden tot paginaranden, marges of
kolomhulplijnen te behouden.
Objecten verplaatsen die al op een marge-, kolom-, of liniaalhulplijn, hulplijn voor afloopgebied/witruimte rond pagina's of op
een willekeurig paar loodrecht op elkaar geplaatste hulplijnen zijn uitgelijnd, zodat de objecten bij deze hulplijnen blijven
wanneer de hulplijnen door een aanpassing van de layout worden verplaatst. Ook worden objecten verplaatst die al zijn
uitgelijnd op een willekeurige paginarand of op willekeurige paginaranden die loodrecht op elkaar staan.
Objecten proportioneel vergroten of verkleinen die al op twee parallelle marge-, kolom- of liniaalhulplijnen, hulplijnen voor
afloopgebied/witruimte rond pagina's of op hulplijnen aan drie kanten zijn uitgelijnd, zodat de objecten bij deze hulplijnen
blijven wanneer de hulplijnen door een aanpassing van de layout worden verplaatst. Ook worden objecten verplaatst die zijn
uitgelijnd op twee parallelle paginaranden of op paginaranden aan drie kanten.
De relatieve positie van objecten behouden die zijn verankerd aan de tekst zoals opgegeven in het dialoogvenster Opties
verankerd object.
Objecten verplaatsen om hun relatieve positie op de pagina te behouden als het formaat van de pagina wijzigt.
Opmerking: Aanpassing layout heeft een ander effect op kolommen binnen een tekstkader dan op paginakolommen. Als de grootte van het
kader zelf met Aanpassing layout wordt aangepast en de optie Vaste kolombreedte in het venster Opties tekstkader (te openen via het menu
Object) niet is ingeschakeld, wordt de grootte van de kolommen in het tekstkader proportioneel aangepast. Als Vaste kolombreedte is
ingeschakeld, worden waar nodig kolommen toegevoegd of verwijderd.
Opties voor aanpassing layout instellen
Het is belangrijk te weten dat niets direct wordt gewijzigd als u de opties in het dialoogvenster Aanpassing layout aanpast. Aanpassing layout
wordt alleen geactiveerd als het paginaformaat, de afdrukstand of de instellingen van marges of kolommen worden gewijzigd of als er een nieuw
stramien wordt toegepast. Als u de instelling van de vorige layout wilt terughalen, maakt u de bewerking ongedaan waarmee u de layout hebt
gewijzigd.
1. Kies Layout > Aanpassing layout.
2. Selecteer Aanpassing van layout inschakelen.
3. Stel de opties voor aanpassing van de layout in en klik op OK.
Opties aanpassing layout
Aanpassing van layout inschakelenSchakel deze optie in zodat de aanpassing van de layout wordt uitgevoerd wanneer u het formaat, de
afdrukstand, marges of kolommen van de pagina verandert.
Magnetisch gebiedTyp een waarde in dit vak om aan te geven hoe dicht een object zich bij de margehulplijn, kolomhulplijn of paginarand moet
bevinden om daarop automatisch tijdens de aanpassing van de layout te worden uitgelijnd (magnetisch uitlijnen).
Wijzigen afmeting afbeeldingen en groepen toestaanSchakel deze optie in als u wilt dat bij de aanpassing van de layout afbeeldingen, kaders
en groepen worden geschaald. Als deze optie is uitgeschakeld, kunnen de afbeeldingen en groepen tijdens de aanpassing van de layout wel
worden verplaatst maar niet worden vergroot of verkleind.
Verplaatsen liniaalhulplijnen toestaanSchakel deze optie in als u wilt dat bij de aanpassing van de layout de positie van de liniaalhulplijnen
wordt aangepast.
Uitlijning liniaalhulplijnen negerenSchakel deze optie in als de liniaalhulplijnen voor de aanpassing van de layout niet goed zijn geplaatst. De
objecten blijven in dat geval uitgelijnd op de kolom- en margehulplijnen en op de paginaranden.
Vergrendeling object en laag negerenSchakel deze optie in als u wilt dat tijdens de aanpassing van de layout objecten die afzonderlijk zijn
vergrendeld of zijn vergrendeld omdat ze zich bevinden op een vergrendelde laag, opnieuw worden geplaatst.
Meer Help-onderwerpen
Juridische kennisgevingen | Onlineprivacybeleid
Koppelingen naar afbeeldingen beheren
Naar boven
Naar boven
Over koppelingen en ingesloten afbeeldingen
Overzicht van het deelvenster Koppelingen
Een afbeelding in het document insluiten
Koppelingen bijwerken, herstellen en vervangen
Originele illustraties bewerken
Over koppelingen en ingesloten afbeeldingen
Als u een afbeelding plaatst, ziet u een versie van het bestand met schermresolutie in de layout, zodat u de afbeelding kunt bekijken en
positioneren. Het daadwerkelijke afbeeldingsbestand kan echter gekoppeld of ingesloten zijn.
Gekoppelde illustraties zijn verbonden met het document maar staan daar niet in, zodat het bestand klein blijft. U kunt
gekoppelde illustraties met behulp van de transformatiegereedschappen en -effecten wijzigen. De onderdelen in de illustraties
kunnen echter niet afzonderlijk worden geselecteerd en bewerkt. U kunt de gekoppelde afbeelding meerdere malen gebruiken
zonder dat daardoor het document veel groter wordt. Ook kunt u alle koppelingen tegelijk bijwerken. Wanneer u exporteert of
afdrukt, wordt de originele afbeelding opgehaald en wordt de uiteindelijke uitvoer gebaseerd op de volledige resolutie van de
originelen.
Ingesloten illustraties worden met behoud van de resolutie in het document geplaatst, waardoor het document groter wordt. U
kunt de versies op elk gewenst moment beheren en het bestand bijwerken. Zolang de illustraties in het bestand staan
(ingesloten), is het document niet afhankelijk van externe bestanden.
Met het deelvenster Koppelingen kunt u vaststellen of illustraties zijn gekoppeld of ingesloten en de status van de illustraties wijzigen (van
ingesloten in gekoppeld en vice versa).
Als u een bitmapafbeelding van maximaal 48 kB plaatst, wordt de afbeelding automatisch met volledige resolutie (in plaats van de versie met
schermresolutie) in de layout van InDesign ingesloten. Deze afbeeldingen worden in het deelvenster Koppelingen weergegeven, zodat u de versies
op elk gewenst moment kunt beheren en het bestand kunt bijwerken. De koppeling is echter niet vereist voor optimale uitvoer.
Opmerking: als u een document naar een andere map of een ander station verplaatst (bijvoorbeeld om het aan een servicebureau over te
dragen), moet u ook de gekoppelde grafische bestanden verplaatsen, omdat deze niet in het document zijn opgeslagen. U kunt alle gekoppelde
bestanden automatisch laten kopiëren met de functies Preflight en Pakket.
Overzicht van het deelvenster Koppelingen
Alle bestanden die in een document zijn geplaatst, staan in het deelvenster Koppelingen. Dit zijn zowel lokale bestanden (op schijf) als bestanden
op een server. Bestanden die vanaf een website in Internet Explorer zijn geplakt, worden echter niet in dit deelvenster weergegeven.
Deelvenster Koppelingen
A. CategoriekolommenB.Koppelingsinformatie tonen/verbergenC.Pictogram Eén of meerdere gewijzigdD.Pictogram GewijzigdE.
SjablonenEen sjabloon is een document dat plaatsaanduidingstekst en afbeeldingen bevat. (Zie Documentsjablonen gebruiken.)
Fragmenten gebruiken
Een fragment is een bestand waarin objecten staan, en beschrijft de locatie van die objecten ten opzichte van elkaar op een pagina of spread met
pagina's. Met fragmenten kunt u paginaobjecten op een makkelijke manier hergebruiken en plaatsen. U maakt een fragment door objecten in een
fragmentbestand op te slaan. Fragmentbestanden hebben de extensie .idms. (In oudere versies van InDesign hadden deze bestanden de extensie
.inds.) Wanneer u het fragmentbestand in InDesign plaatst, kunt u bepalen of de objecten op hun originele plaats komen te staan of op de plaats
waar u klikt. U kunt fragmenten in de objectbibliotheek, in Adobe Bridge en op de vaste schijf van uw computer opslaan.
De laagkoppelingen binnen fragmenten blijven behouden wanneer u die fragmenten plaatst. Wanneer een fragment brondefinities bevat en deze
definities komen ook voor in het document waarnaar u het fragment hebt gekopieerd, gebruikt het fragment de brondefinities uit het document.
Fragmenten die u in InDesign CS5 maakt, kunnen worden geopend in InDesign CS4, maar niet in versies van InDesign die ouder zijn dan CS4.
Fragmenten maken
Ga op een van de volgende manieren te werk:
Selecteer een of meer objecten met een van de selectiegereedschappen en kies vervolgens Bestand > Exporteren. Kies
InDesign-fragment bij Opslaan als type (Windows) of Structuur (Mac OS). Voer een naam in voor het bestand en klik op
Opslaan.
Selecteer een of meer objecten met een van de selectiegereedschappen en sleep de selectie naar uw bureaublad. Er wordt
een fragmentbestand gemaakt. Geef het bestand een nieuwe naam.
Selecteer een of meerdere objecten en sleep de selectie naar het deelvenster Mini Bridge. Er wordt een fragmentbestand
gemaakt. Geef het bestand een nieuwe naam.
Sleep een item vanuit de structuurweergave naar uw bureaublad.
Fragmenten aan een document toevoegen
1. Kies Bestand > Plaatsen.
2. Selecteer een of meer fragmentbestanden (*idms of *.inds).
3. Klik met de geladen fragmentcursor op de gewenste locatie voor de linkerbovenhoek van het fragmentbestand.
Als u het invoegpunt in een tekstkader hebt geplaatst, wordt het fragment in de tekst geplaatst als een verankerd object.
Alle objecten blijven geselecteerd nadat u het fragment hebt geplaatst. U kunt de positie van de objecten wijzigen door deze
te slepen.
4. Als u meerdere fragmenten hebt geselecteerd, klikt u met de fragmentcursor daar waar u de andere fragmenten wilt plaatsen.
U kunt een fragmentbestand vanaf het bureaublad naar het InDesign-document slepen en klikken op de plaats waar de linkerbovenhoek van
het fragment moet komen.
Kiezen hoe fragmenten moeten worden geplaatst
In plaats van dat u fragmentobjecten plaatst waar u klikt, kunt u ze ook op hun originele plaats neerzetten. Een tekstkader dat bijvoorbeeld in het
midden van een pagina stond toen het tekstkader als onderdeel van een fragment werd gemaakt, kan op dezelfde plaats worden neergezet
Naar boven
wanneer u dat tekstkader als een fragment plaatst.
Kies in de voorkeuren onder Bestandsafhandeling de optie Originele locatie in het menu Positie bij om de originele locaties van de objecten in
fragmenten te behouden. Kies Cursorlocatie in het menu Positie bij als u fragmenten wilt plaatsen op het punt op een pagina waar u klikt.
U kunt op Alt (Windows) of Option (Mac) drukken om de positie-instelling te overschrijven die u voor het verwerken van fragmenten hebt
geselecteerd. Als u bijvoorbeeld de optie Positie bij cursorlocatie hebt geselecteerd, maar u wilt de fragmentobjecten op hun originele locatie
plaatsen, houdt u Alt (Windows) of Option (Mac) ingedrukt wanneer u met de fragmentcursor op de pagina klikt.
Objectbibliotheken gebruiken
Met objectbibliotheken kunt u de afbeeldingen, tekst en pagina's indelen die u het meeste gebruikt. U kunt ook liniaalhulplijnen, rasters, getekende
vormen en gegroepeerde afbeeldingen aan een bibliotheek toevoegen. Het aantal bibliotheken is onbeperkt. U kunt bijvoorbeeld aparte
objectbibliotheken per project of klant maken.
Het aantal bibliotheken dat u tijdens een werksessie kunt openen, is afhankelijk van het systeemgeheugen. Objectbibliotheken kunnen op servers
en allerlei platforms worden gebruikt, maar per keer kan er maar één gebruiker de bibliotheek openen. Als een objectbibliotheek tekstbestanden
bevat, controleert u of de lettertypen beschikbaar en actief zijn op alle systemen die de bibliotheek zullen gebruiken.
Wanneer u een pagina-element zoals een afbeelding aan een objectbibliotheek toevoegt, blijven alle geïmporteerde of toegepaste kenmerken
behouden. Als u bijvoorbeeld een afbeelding uit een InDesign-document aan een bibliotheek toevoegt, is de kopie in de bibliotheek een duplicaat
van het origineel, inclusief de koppelingsinformatie van het origineel, zodat u de afbeelding kunt bijwerken wanneer het bestand op de schijf wordt
gewijzigd.
Verwijdert u het object uit het InDesign-document, dan blijft de miniatuur van het object in het deelvenster Bibliotheek staan en blijven de
koppelingsgegevens intact. Als u het originele object verplaatst of verwijdert, wordt het pictogram voor ontbrekende koppelingen naast de naam
van het object weergegeven in het deelvenster Koppelingen wanneer u het object vanaf het deelvenster Bibliotheek in een document plaatst.
Binnen elke objectbibliotheek kunt u items opzoeken op titel, op datum waarop ze aan de bibliotheek zijn toegevoegd, en op sleutelwoorden. Ook
kunt u de weergave van een objectbibliotheek vereenvoudigen door de items in de bibliotheek te sorteren en hun subsets weer te geven. U kunt
bijvoorbeeld alle items behalve EPS-bestanden verbergen.
Objectbibliotheek in het deelvenster Bibliotheek
A.Miniatuur en naam van objectB.Knop Informatie bibliotheekitemC.Knop Bibliotheeksubset tonenD.Knop Nieuw bibliotheekitemE.
Knop Bibliotheekitem verwijderen
Wanneer u een item aan een objectbibliotheek toevoegt, worden in InDesign alle pagina-, tekst- en afbeeldingskenmerken opgeslagen. De relaties
tussen bibliotheekobjecten en andere pagina-elementen blijven op de volgende manieren behouden:
Elementen die gegroepeerd waren toen ze naar het deelvenster Bibliotheek werden gesleept, blijven gegroepeerd als u ze uit
het deelvenster Bibliotheek sleept.
De opmaak van de tekst blijft behouden.
Alinea-, teken- en objectstijlen die dezelfde naam hebben als de stijlen in het doeldocument, worden omgezet naar de stijlen
van het doeldocument. Stijlen met een andere naam worden aan het document toegevoegd.
Als de optie Lagen behouden bij plakken in het menu van het deelvenster Lagen is geselecteerd, blijven de originele lagen van
een object behouden.
Een objectbibliotheek maken
Een objectbibliotheek wordt als een gewoon bestand op schijf opgeslagen. Wanneer u een objectbibliotheek maakt, moet u opgeven waar u deze
wilt opslaan. Als u een bibliotheek opent, wordt deze weergegeven als een deelvenster dat u met andere deelvensters kunt groeperen. De
bestandsnaam van de objectbibliotheek staat op het tabblad van het deelvenster. Sluit u een objectbibliotheek, dan wordt deze uit de huidige
sessie verwijderd. Het bestand wordt echter niet verwijderd.
U kunt objecten, geselecteerde pagina-elementen of een gehele pagina met elementen aan een objectbibliotheek toevoegen of eruit verwijderen.
U kunt ook bibliotheekobjecten toevoegen of van de ene bibliotheek naar een andere verplaatsen.
1. Kies Bestand > Nieuw > Bibliotheek.
2. Geef een locatie en naam voor de bibliotheek op en klik op Opslaan. De naam die u opgeeft, wordt de naam van het tabblad
van het deelvenster Bibliotheek.
Een bestaande bibliotheek openen
Ga op een van de volgende manieren te werk:
Als u al een bibliotheek hebt geopend in de huidige sessie (en nog niet hebt gesloten), kiest u het bibliotheekbestand in het
menu Venster.
Als u nog geen bibliotheek hebt geopend, kiest u Bestand > Openen en selecteert u een of meer bibliotheken. In Windows
hebben bibliotheekbestanden de extensie .indl. Bibliotheken uit vorige versies van InDesign die in de nieuwe versie van
InDesign worden geopend, worden omgezet naar de nieuwe bestandsindeling en u wordt gevraagd deze bibliotheken onder
een andere naam op te slaan.
Een bibliotheek sluiten
1. Klik op het tabblad van de bibliotheek die u wilt sluiten.
2. Ga op een van de volgende manieren te werk:
Kies Bibliotheek sluiten in het menu van het deelvenster Objectbibliotheek.
Kies de naam van het bibliotheekbestand in het menu Venster.
Een bibliotheek verwijderen
Sleep in de Verkenner (Windows) of de Finder (Mac OS) een bibliotheekbestand naar de prullenmand. In Windows hebben
bibliotheekbestanden de extensie INDL.
Een object of pagina aan een bibliotheek toevoegen
Ga als volgt te werk:
Sleep een of meer objecten van een documentvenster naar een geopend deelvenster van een objectbibliotheek.
Selecteer een of meer objecten in een documentvenster en klik op de knop Nieuw bibliotheekitem in het deelvenster
Objectbibliotheek.
Selecteer een of meer objecten in een documentvenster en kies Item toevoegen in het menu van het deelvenster
Objectbibliotheek.
Kies in het menu van het deelvenster Objectbibliotheek de optie Items op pagina [nummer] toevoegen als afzonderlijke
objecten om alle objecten als afzonderlijke bibliotheekobjecten toe te voegen.
Kies Items op pagina [nummer] toevoegen in het menu van het deelvenster Objectbibliotheek als u alle objecten als één
bibliotheekobject wilt toevoegen.
Sleep een element vanuit het deelvenster Structuur naar een geopend deelvenster van een objectbibliotheek.
Als u Alt (Windows) of Option (Mac OS) ingedrukt houdt wanneer u deze opdrachten uitvoert, wordt het venster Item-informatie weergegeven
wanneer het item aan de bibliotheek is toegevoegd.
Een object uit een bibliotheek aan het document toevoegen
Ga op een van de volgende manieren te werk:
Sleep een object vanuit het deelvenster Objectbibliotheek naar een documentvenster.
Selecteer een object in het deelvenster Objectbibliotheek en kies Item(s) plaatsen in het menu van het deelvenster
Objectbibliotheek. Bij deze methode wordt het object op de originele locatie (X- en Y-coördinaten) geplaatst.
Sleep een XML-element naar een bovenliggend element in het deelvenster Structuur of naar de pagina.
Bibliotheekobjecten beheren
Gebruik het deelvenster Objectbibliotheek voor het beheren van objecten.
Een bibliotheekobject bijwerken met een nieuw item
1. Selecteer in het documentvenster het item dat u wilt toevoegen aan het deelvenster Bibliotheek.
2. Selecteer in het deelvenster Bibliotheek het object dat u wilt vervangen, en kies vervolgens Bibliotheekitem bijwerken in het
menu van het deelvenster Objectbibliotheek.
Een object van de ene bibliotheek naar een andere bibliotheek kopiëren of verplaatsen
1. Sleep het deelvenstertabblad van een bibliotheek uit de deelvenstergroep Objectbibliotheek om de bibliotheken te scheiden,
zodat u ze allebei tegelijk ziet.
2. Ga op een van de volgende manieren te werk:
Om een object van de ene bibliotheek naar een andere te kopiëren, sleept u een item van het ene tabblad van het
deelvenster Bibliotheek naar een ander tabblad.
Om een object van de ene bibliotheek naar een andere te verplaatsen, houdt u Alt (Windows) of Option (Mac OS)
ingedrukt terwijl u het object van het ene bibliotheektabblad naar een ander bibliotheektabblad in het deelvenster sleept.
Een object uit een objectbibliotheek verwijderen
Selecteer een object in het deelvenster Objectbibliotheek en ga op een van de volgende manieren te werk:
Klik op de knop Bibliotheekitem verwijderen.
Sleep het item naar de knop Bibliotheekitem verwijderen.
Kies Item(s) verwijderen in het menu van het deelvenster Objectbibliotheek.
De weergave van objectbibliotheken wijzigen
In de objectbibliotheek worden objecten als miniaturen of als een tekstlijst weergegeven. U kunt de miniaturen of lijst sorteren op naam, leeftijd en
type. De lijstweergave en sorteeropties werken het beste als u de objecten hebt gecatalogiseerd.
Ga als volgt te werk:
Om objecten als miniaturen weer te geven, kiest u Miniatuurweergave of Grote miniatuurweergave in het menu van het
deelvenster Objectbibliotheek.
Om objecten als een tekstlijst weer te geven, kiest u Lijstweergave in het menu van het deelvenster Objectbibliotheek.
Om de objecten te sorteren kiest u Items sorteren in het menu van het deelvenster Objectbibliotheek en selecteert u
vervolgens een sorteermethode.
Alle objecten weergeven
Kies Alles tonen in het menu van het deelvenster Objectbibliotheek.
Bibliotheekgegevens weergeven, toevoegen of bewerken
Als u grote of een groot aantal objectbibliotheken gebruikt, kunt u de bibliotheekgegevens catalogiseren op naam, objecttype of woorden in een
beschrijving.
1. Ga in het deelvenster Objectbibliotheek op een van de volgende manieren te werk:
Dubbelklik op een object.
Selecteer een object en klik op de knop Informatie bibliotheekitem.
Selecteer een object en kies Item-informatie in het menu van het deelvenster Objectbibliotheek.
2. Bekijk of wijzig de opties Itemnaam, Objecttype of Beschrijving en klik op OK.
Objecten zoeken in een bibliotheek
Wanneer u objecten zoekt, worden alle objecten behalve de resultaten van de zoekactie verborgen. U kunt met de zoekfunctie ook specifieke
objectcategorieën tonen of verbergen. Zo kunt u bijvoorbeeld alleen objectitems met het woord "ster" in de naam weergeven.
1. Kies Subset tonen in het menu van het deelvenster Objectbibliotheek of klik op de knop Bibliotheeksubset weergeven.
2. Ga op een van de volgende manieren te werk:
Om alle objecten in de bibliotheek te zoeken, selecteert u Gehele bibliotheek doorzoeken.
Om alleen te zoeken in de objecten die in de bibliotheek worden weergegeven (een vorige zoekactie verfijnen) selecteert u
Getoonde items zoeken.
3. Kies een categorie in het eerste menu onder Parameters.
4. Geef in het tweede menu aan of de gekozen categorie uit het eerste menu moet worden opgenomen in de zoekactie.
5. Rechts van het tweede menu typt u een of meer woorden waarnaar u in de opgegeven categorie wilt zoeken.
6. Met Grotere keuze kunt u maximaal vijf zoekcriteria toevoegen. Elke muisklik voegt één zoekterm toe. Door te klikken op
Kleinere keuze verwijdert u een zoekcriterium. Met elke muisklik verwijdert u één zoekterm.
7. Selecteer Weergeven wanneer alle overeenkomen om alleen de objecten weer te geven die voldoen aan alle zoekcriteria.
Selecteer Weergeven wanneer één overeenkomt om objecten weer te geven die aan een van de criteria voldoen.
8. Klik op OK om de zoekactie te starten.
U geeft opnieuw alle objecten weer door Alles tonen te kiezen in het menu van het deelvenster Objectbibliotheek.
Meer Help-onderwerpen
Juridische kennisgevingen | Onlineprivacybeleid
Tekst
Bepaalde inhoud waarnaar op deze pagina wordt gelinkt, is mogelijk alleen in het Engels beschikbaar.
Tekst en tekstkaders maken
Naar boven
Naar boven
Tekstkaders maken
Tekstkaders verplaatsen en het formaat ervan wijzigen.
Tekstkaders op stramienpagina's gebruiken
Eigenschappen van tekstkaders wijzigen
Woord- en tekenaantallen vaststellen
Werken met extra talen
Tekstkaders maken
Tekst in InDesign staat in vakken, de zogenaamde tekstkaders. (Een tekstkader is vergelijkbaar met een tekstvak in QuarkXPress en een
tekstblok in Adobe PageMaker.) Op www.adobe.com/go/lrvid4274_id_nl vindt u een videodemo over het maken van een tekstkader.
Tekstkaders kunnen net zoals afbeeldingskaders worden verplaatst, groter en kleiner worden gemaakt en worden gewijzigd. Het soort wijzigingen
dat u kunt maken, hangt af van het gereedschap waarmee u een tekstkader selecteert:
Met het gereedschap Tekst kunt u tekst in een kader invoeren of bewerken.
Gebruik het gereedschap Selecteren voor algemene opmaaktaken, zoals het plaatsen en vergroten/verkleinen van kaders.
Gebruik het gereedschap Direct selecteren voor het wijzigen van de vorm van een kader.
Tekstkaders kunnen ook aan elkaar worden gekoppeld zodat de tekst van het ene kader kan doorlopen in het andere. Dergelijke kaders worden
verbonden kaders genoemd. De tekst die door een of meer verbonden kaders loopt, wordt artikel genoemd. Als u een tekstverwerkingsbestand
plaatst (importeert), komt dit in het document te staan als één artikel, ongeacht het aantal kaders dat de tekst inneemt.
Tekstkaders kunnen uit meerdere kolommen bestaan. Tekstkaders kunnen worden gebaseerd op paginakolommen maar staan er los van. Een
tekstkader dat uit twee kolommen bestaat kan dus staan op een pagina met vier kolommen. Tekstkaders kunnen ook op stramienpagina's worden
geplaatst en toch worden gevuld met tekst op documentpagina's.
Als u hetzelfde type tekstkader herhaaldelijk gebruikt, kunt u een objectstijl met tekstkaderopmaak maken, zoals lijn- en vulkleuren,
tekstkaderopties en tekstomloop en transparantie-effecten.
Wanneer u tekst plaatst of plakt, hoeft u geen tekstkader te maken. InDesign voegt namelijk automatisch kaders toe op basis van de
kolominstellingen van de pagina.
Ga als volgt te werk:
Sleep met het gereedschap Tekst om de breedte en hoogte van het nieuwe tekstkader te bepalen. Houd Shift ingedrukt en
sleep om het kader te beperken tot een vierkant. Als u de muisknop loslaat, verschijnt een tekstinvoegpositie in het kader.
Een nieuw tekstkader maken door te slepen
Klik met het gereedschap Selecteren op de in- of uitpoort van een ander tekstkader en klik of sleep om nog een tekstkader te
maken.
Plaats een tekstbestand met de opdracht Plaatsen.
Klik in een leeg kader met het gereedschap Tekst . Als de optie Tekstgereedschap zet kaders om naar tekstkaders is
geselecteerd bij de voorkeuren voor Tekst, wordt het lege kader omgezet naar een tekstkader.
Tekstkaders verplaatsen en het formaat ervan wijzigen.
Gebruik het gereedschap Selecteren om tekstkaders te verplaatsen of te vergroten of te verkleinen.
Naar boven
Als u een tekstkader wilt verplaatsen of vergroten of verkleinen zonder van het gereedschap Tekst over te schakelen op een
selectiegereedschap, houdt u Ctrl (Windows) of Command (Mac OS) ingedrukt en sleept u het kader.
Een tekstkader verplaatsen
Sleep met het gereedschap Selecteren het kader.
Houd Ctrl (Windows) of Command (Mac OS) ingedrukt en sleep het kader met het gereedschap Tekst. Wanneer u de toets
loslaat, is het gereedschap Tekst nog steeds geselecteerd.
Het formaat van een tekstkader wijzigen
Ga als volgt te werk:
Houd Ctrl (Windows) of Command (Mac OS) ingedrukt en sleep een handgreep van het kader met het gereedschap Tekst .
Als u voordat u gaat slepen, de muisknop één seconde ingedrukt houdt, wordt de tekst opnieuw samengesteld terwijl u het
formaat van het kader wijzigt.
Opmerking: Als u in plaats van slepen op het tekstkader klikt, wordt de geselecteerde tekst gedeselecteerd of raakt u het
invoegpunt kwijt.
Sleep met het gereedschap Selecteren een van de handgrepen aan de rand van het kader. Houd Ctrl (Windows) of
Command (Mac OS) ingedrukt om de tekst in het kader te schalen. (Zie Tekst schalen.)
Als u het kader snel aan de inhoud wilt aanpassen, selecteert u het tekstkader met het gereedschap Selecteren en dubbelklikt
u op een willekeurige handgreep. Als u bijvoorbeeld op de middelste handgreep aan de onderzijde dubbelklikt, wordt de
onderzijde van het kader uitgelijnd op de onderzijde van de tekst. Als u op de middelste handgreep aan de rechterzijde klikt,
blijft de hoogte gelijk, maar wordt de breedte aangepast.
U kunt ook dubbelklikken op een handgreep op een overlopend tekstkader om de hoogte of breedte uit te breiden en aan te
passen aan alle tekst in het kader. Als een tekstkader meer overlopende tekst bevat dan normaal gesproken op een pagina
past, wordt het formaat van het tekstkader niet gewijzigd.
Dubbelklik op een handgreep om het formaat van het tekstkader te wijzigen.
Als u het tekstkader aan de inhoud wilt aanpassen, selecteert u het kader met het gereedschap Selecteren en kiest u Object >
Aanpassen > Kader aan inhoud aanpassen. De onderzijde van het tekstkader wordt aangepast aan de inhoud van de tekst.
Als een tekstkader meer overlopende tekst bevat dan normaal gesproken op een pagina past, wordt het formaat van het
tekstkader niet gewijzigd.
Als u het formaat wilt wijzigen met het gereedschap Schalen , sleept u om het formaat van het kader te wijzigen. (Zie Tekst
schalen.)
Tekstkaders op stramienpagina's gebruiken
Als u een nieuw document start, kunt u de optie Stramientekstkader selecteren waarmee een leeg tekstkader wordt geplaatst op de
standaardstramienpagina van het document. Dit kader heeft de kolom- en marge-eigenschappen die zijn opgegeven in het dialoogvenster Nieuw
document.
Volg deze richtlijnen bij het gebruik van tekstkaders op stramienpagina's:
Stel stramientekstkaders in als u wilt dat iedere pagina in het document een paginagroot tekstkader bevat waarin u tekst kunt
typen of laten doorlopen. Als u meer variatie in uw document wilt aanbrengen, bijvoorbeeld door pagina's met verschillende
aantallen kaders of kaders van verschillende lengtes te gebruiken, laat u de optie Stramientekstkader uitgeschakeld en
gebruikt u het gereedschap Tekst om tekstkaders te maken op stramienen.
Het al dan niet selecteren van de optie Stramientekstkader heeft geen invloed op de mogelijkheid om tekstkaders als
plaatsaanduiding toe te voegen aan een stramienpagina. U kunt deze lege plaatsaanduidingskaders met elkaar verbinden
zodat doorloop mogelijk wordt.
Naar boven
U kunt tekst laten doorlopen in stramientekstkaders op dezelfde manier als bij kaders die zijn gemaakt op documentpagina's.
Als u tekst wilt typen in een stramientekstkader op een documentpagina, houdt u Ctrl+Shift (Windows) of Command+Shift
(Mac OS) ingedrukt terwijl u klikt op het tekstkader op de documentpagina. Klik vervolgens met het gereedschap Tekst in het
kader en typ de tekst.
Met Slim opnieuw tekst plaatsen kunt u tijdens het typen of bewerken van tekst automatisch pagina's toevoegen of
verwijderen. Als u tekst typt aan het einde van een verbonden tekstkader dat is gebaseerd op een stramienpagina, wordt met
deze optie standaard een nieuwe pagina toegevoegd, zodat u verder kunt typen in het nieuwe tekstkader. U kunt de
instellingen voor Slim opnieuw tekst plaatsen bewerken.
Als u de paginamarges wijzigt, worden tekstkaders alleen aangepast aan de nieuwe marges als de optie voor aanpassing van
de layout inschakelen is geselecteerd.
Het selecteren van Stramientekstkader heeft geen invloed op het toevoegen van nieuwe pagina's als u tekst automatisch laat
doorlopen.
Eigenschappen van tekstkaders wijzigen
Met Opties tekstkader wijzigt u instellingen zoals het aantal kolommen in het kader, de verticale uitlijning van tekst in het kader of de inzetafstand
(de afstand van de marges tussen de tekst en het kader).
Voor (links) en na (rechts) het instellen en maken van twee kolommen in een tekstkader
Als u dezelfde tekstkadereigenschappen voor meerdere tekstkaders wilt gebruiken, maakt u een objectstijl die u op de tekstkaders kunt
toepassen.
1. Selecteer een kader met het gereedschap Selecteren , klik met het gereedschap Tekst in het tekstkader of selecteer
tekst.
2. Kies Object >Opties tekstkader of houd Alt (Windows) of Option (Mac OS) ingedrukt en dubbelklik vervolgens met een
selectiegereedschap op het tekstkader.
3. Wijzig de tekstkaderopties en klik op OK.
Deze tekstkaderopties zijn beschikbaar wanneer u een objectstijl voor tekstvakken definieert. Zie Objectstijlen.
Kolommen toevoegen aan een tekstkader
U kunt kolommen in een tekstkader maken met het dialoogvenster Opties tekstkader.
U kunt in een tekstkader geen kolommen van ongelijke breedte maken. Als u kolommen van ongelijke breedte of hoogte wilt maken, voegt u
verbonden tekstkaders naast elkaar toe op een documentpagina of op een stramienpagina.
1. Selecteer een kader met het gereedschap Selecteren, klik met het gereedschap Tekst in het tekstkader of selecteer tekst.
2. Kies Object > Opties tekstkader.
3. Geef het aantal kolommen, de breedte van elke kolom en de afstand tussen elke kolom (tussenruimte) voor het tekstkader op.
4. (Optioneel) Selecteer Vaste kolombreedte om de kolombreedte te behouden wanneer u het formaat van het kader wijzigt. Als
deze optie is geselecteerd, kan door het wijzigen van het formaat van het kader het aantal kolommen veranderen. De breedte
van de kolommen verandert niet.
Vaste kolombreedte
A.Oorspronkelijk tekstkader met twee kolommenB.Formaat gewijzigd met Vaste kolombreedte uitgeschakeld (nog steeds
2 kolommen)C.Formaat gewijzigd met Vaste kolombreedte geselecteerd (4 kolommen)
5. (Optioneel) Selecteer Kolommen uitbalanceren om de tekst onder aan een tekstkader met meerdere kolommen regelmatig te
maken.
Voor en na het uitbalanceren van kolommen
De inzetafstand (marges) van tekstkaders wijzigen
1. Selecteer een kader met het gereedschap Selecteren, klik met het gereedschap Tekst in het tekstkader of selecteer tekst.
2. Kies Object > Opties tekstkader.
3. Typ in het gedeelte Inzetafstand op het tabblad Algemeen de verschuivingsafstanden voor Boven, Links, Onder en Rechts.
(Klik op het pictogram Maak alle instellingen gelijk als u aan alle zijden dezelfde afstand wilt gebruiken.)
Als het geselecteerde kader geen rechthoek is, zijn Boven, Links, Onder en Rechts grijs en is in plaats daarvan de optie Inzet beschikbaar.
Verschuivingsopties eerste basislijn
Als u de eerste-basislijnopties van een geselecteerd tekstkader wilt wijzigen, kiest u Object > Opties tekstkader en klikt u op het tabblad Opties
basislijn. De volgende opties worden weergegeven in het menu Verschuiving onder Eerste basislijn:
StokhoogteDe hoogte van het teken 'd' in het lettertype is lager dan de bovenste inzet van het tekstkader.
HoofdletterhoogteDe bovenkant van hoofdletters raakt de bovenste inzet van het tekstkader.
RegelafstandGebruik de regelafstandwaarde van de tekst als de afstand tussen de basislijn van de eerste tekstregel en de bovenste inzet van
het kader.
x-HoogteDe hoogte van het teken 'x' in het lettertype is lager dan de bovenste inzet van het tekstkader.
VastKies Vast om de afstand op te geven tussen de basislijn van de eerste tekstregel en de bovenste inzet van het kader.
MinKies een minimumwaarde voor de basislijnverschuiving. Als bijvoorbeeld Regelafstand is geselecteerd en u geeft een minimumwaarde op van
1p, gebruikt InDesign de regelafstandwaarde alleen als die groter is dan 1 pica.
Als u de bovenkant van het tekstkader magnetisch op een raster wilt uitlijnen, kiest u Regelafstand of Vast, waarmee u de locatie van de eerste
basislijn van tekst in tekstkaders kunt bepalen.
Basislijnrasters voor een tekstkader instellen
In sommige gevallen zult u een basislijnraster willen gebruiken voor een kader in plaats van voor het hele document. Pas met het dialoogvenster
Opties tekstkader een basislijnraster toe op een tekstkader. Let op het volgende wanneer u een basislijnraster voor een tekstkader instelt:
Het basislijnraster van het document verschijnt niet achter of voor tekstkaders die hun eigen basislijnrasters gebruiken.
Naar boven
Naar boven
Als Rasters naar achteren is geselecteerd bij de rastervoorkeuren, hebben basislijnrasters die zijn gebaseerd op kaders
voorrang op basislijnrasters die zijn gebaseerd op documenten. Als Rasters naar achteren niet is geselecteerd, hebben
basislijnrasters die zijn gebaseerd op documenten voorrang op basislijnrasters die zijn gebaseerd op kaders.
1. Kies Weergave > Rasters en hulplijnen > Basislijnraster tonen om alle basislijnrasters weer te geven, inclusief de rasters in
een tekstkader.
2. Selecteer het tekstkader of plaats de invoegpositie in een tekstkader en kies vervolgens Object > Opties tekstkader.
Als u het basislijnraster wilt toepassen op alle kaders in een verbinding (ook als een of meerdere verbonden kaders geen
tekst bevatten), plaatst u de invoegpositie in tekst, kiest u Bewerken > Alles selecteren en past u de basislijnrasterinstellingen
toe in het dialoogvenster Opties tekstkader.
3. Klik op het tabblad Opties basislijn.
4. Selecteer onder Basislijnraster de optie Aangepast basislijnraster gebruiken en voer een van de volgende handelingen uit:
StartTyp hier een waarde voor de verschuiving van het raster boven aan de pagina, de bovenmarge van de pagina, de
bovenkant van het kader of de bovenste inzet van het kader, afhankelijk van wat u in het menu Ten opzichte van kiest.
Ten opzichte vanBepaal of u het basislijnraster wilt laten beginnen ten opzichte van de bovenzijde van de pagina, de
bovenmarge van de pagina, de bovenzijde van het tekstkader of de bovenzijde van de inzet van het tekstkader.
Toename bij elkeTyp een waarde voor de afstand tussen rasterlijnen. In de meeste gevallen voert u hier een waarde in die
gelijk is aan de regelafstand van de platte tekst, zodat de tekstregels perfect op het raster worden uitgelijnd.
KleurSelecteer een kleur voor de rasterlijnen of kies Laagkleur om dezelfde kleur te gebruiken als de laag waarop het
tekstkader wordt weergegeven.
Als u het basislijnraster niet kunt zien in een tekstkader, kiest u Weergave > Rasters en hulplijnen > Basislijnraster tonen om er zeker van te
zijn dat basislijnrasters niet worden verborgen. Is het basislijnraster dan nog steeds niet zichtbaar, controleer dan de drempel voor het tonen
van basislijnrasters in het gedeelte Rasters van het dialoogvenster Voorkeuren. Soms zult u moeten inzoomen op het kader of het
drempelniveau moeten verlagen om het raster te kunnen zien.
Woord- en tekenaantallen vaststellen
1. Plaats de invoegpositie in een tekstkader om de aantallen voor de gehele verbinding van kaders (het artikel) te bekijken of
selecteer de tekst waarvan u de aantallen wilt bekijken.
2. Kies Venster > Info om het deelvenster Info te openen.
Het deelvenster Info geeft het aantal tekens, woorden, regels en alinea's in een tekstkader weer. De plaats van het invoegpunt in het tekstkader
wordt ook weergegeven.
Werken met extra talen
U kunt talen toewijzen aan tekst. Toewijzing van de juiste taal aan tekst is vooral nuttig voor spellingcontrole en woordafbreking. (Zie Een taal aan
tekst toewijzen.)
Als u werkt met Aziatische tekst, kunt u speciale versies van InDesign voor het Japans, Vereenvoudigd Chinees, Traditioneel Chinees en
Koreaans gebruiken. Met deze versies kunt u layout- en kaderrasters maken voor het samenstellen van multibyte-tekens. De versies bevatten
verschillende functies voor de opmaak van tekst met multibyte-tekens, en extra lettertypen.
Er is ook een speciale versie van InDesign verkrijgbaar voor de opmaak van talen van het Midden-Oosten, zoals Hebreeuws, Arabisch, Farsi en
Urdu, waarin tekstopmaak van rechts naar links wordt toegepast. Deze versie heet InDesign ME.
Meer informatie over het aanschaffen van InDesign ME of een versie van InDesign in een Aziatische taal vindt u op de website van Adobe.
Meer Help-onderwerpen
Juridische kennisgevingen | Onlineprivacybeleid
Tekst aan kaders toevoegen
Naar boven
Tekst aan een document toevoegen
Tekst plakken
Tekst slepen en neerzetten
Tekst plaatsen (importeren)
Import Buzzword documents
Geïmporteerde tekstbestanden koppelen of insluiten
Tekst aan een document toevoegen
U kunt tekst toevoegen aan een document door tekst te typen, te plakken of te plaatsen vanuit een tekstverwerker. Als uw
tekstverwerkingsprogramma slepen-en-neerzetten ondersteunt kunt u ook via slepen tekst aan InDesign-kaders toevoegen. Bij grote tekstblokken
is de opdracht Plaatsen een efficiënte, flexibele manier om tekst toe te voegen aan uw document. InDesign ondersteunt een groot aantal
tekstverwerkings-, spreadsheet- en tekstbestandsindelingen.
Wanneer u tekst plaatst of plakt, hoeft u niet eerst een tekstkader te maken. Dit wordt automatisch in InDesign gedaan.
Wanneer u tekst plakt, kunt u met Importopties tonen bepalen of de geïmporteerde tekst de stijlen en opmaak behoudt. Voordat u tekst plakt, kunt
u Alle informatie of Alleen tekst selecteren in de voorkeuren voor klembordafhandeling om te bepalen of de geplakte tekst aanvullende informatie,
zoals stalen en stijlen, bevat.
Als de geïmporteerde tekst roze of groene tekst of tekst in een andere kleur bevat, zijn er waarschijnlijk een of meer compositievoorkeuren
ingeschakeld. Open de sectie Compositie van het dialoogvenster Voorkeuren en bekijk welke opties onder Markeren zijn ingeschakeld. Als
bijvoorbeeld de geplakte tekst is opgemaakt met lettertypen die niet beschikbaar zijn, is de gemarkeerde tekst roze.
Tekst in een document typen
1. Plaats als volgt het invoegpunt in het tekstkader:
Sleep met het gereedschap Tekst om een nieuw tekstkader te maken of klik in een bestaand tekstkader.
Dubbelklik met een selectiegereedschap in een tekstkader. Het gereedschap Tekst wordt automatisch geselecteerd.
2. Begin te typen.
Als u een tekstkader op een stramienpagina hebt gemaakt, houdt u Ctrl+Shift (Windows) of Command+Shift (Mac OS) ingedrukt en klikt u in het
kader op de documentpagina. Hiermee wordt er een kopie van het stramienpaginakader op de documentpagina gemaakt. U kunt dan met het
gereedschap Tekst tekst toevoegen aan het geselecteerde kader.
Aziatische tekst met behulp van inline-invoer typen
1. Kies Bewerken > Voorkeuren > Geavanceerde tekst (Windows) of InDesign > Voorkeuren > Geavanceerde tekst (Mac OS).
2. Selecteer Inline-invoer voor niet-Latijnse tekst gebruiken en klik op OK.
Gebruik een systeeminvoermethode (indien beschikbaar) wanneer u tekens van 2 en 4 bytes invoert. Deze methode is vooral bedoeld voor het
invoeren van Aziatische tekens.
Plaatsaanduidingstekst invoegen
InDesign kan plaatsaanduidingstekst toevoegen die u naderhand kunt vervangen door de eigenlijke tekst. Door plaatsaanduidingstekst toe te
voegen, krijgt u een beter idee van het ontwerp van het document.
1. Selecteer een of meerdere tekstkaders met het gereedschap Selecteren of klik met het gereedschap Tekst in een tekstkader.
2. Kies Tekst > Vullen met plaatsaanduidingstekst.
Voegt u plaatsaanduidingstekst toe aan een kader dat is verbonden met andere kaders, dan wordt de plaatsaanduidingstekst ingevoegd aan het
begin van het eerste tekstkader (als alle kaders leeg zijn) of aan het einde van de bestaande tekst (als er al tekst in de verbonden kaders staat),
tot aan het einde van het laatste verbonden kader.
Als u plaatsaanduidingstekst wilt verwijderen of vervangen, dubbelklikt u op een willekeurig kader in de verbinding, kiest u Bewerken > Alles
selecteren en verwijdert u de tekst.
U wijzigt de tekst die wordt gebruikt als plaatsaanduidingstekst, door een tekstbestand te maken met de tekst die u wilt gebruiken, dit bestand
Plaatsaanduiding.txt te noemen en in de toepassingsmap op te slaan.
Naar boven
Naar boven
Tekst plakken
Als de invoegpositie zich niet in een tekstkader bevindt wanneer u tekst plakt in InDesign, wordt er een nieuw standaardtekstkader gemaakt. Als
de invoegpositie zich in een tekstkader bevindt, wordt de tekst in dat kader geplakt. Als er tijdens het plakken tekst is geselecteerd, overschrijft de
geplakte tekst de geselecteerde tekst.
Tekst uit een andere toepassing plakken
1. Als u de opmaak en informatie, zoals stijlen en indexmarkeringen, wilt behouden, opent u het gedeelte Klembordafhandeling
van het dialoogvenster Voorkeuren en selecteert u bij Plakken de optie Alle informatie. Selecteer Alleen tekst als u deze items
en andere opmaak tijdens het plakken wilt verwijderen.
2. Knip of kopieer tekst naar een andere toepassing of naar een InDesign-document.
3. Indien gewenst, selecteert u tekst of klikt u in een tekstkader. Doet u dit niet, dan wordt de tekst geplakt in een daarvoor
bestemd, nieuw kader.
4. Ga op een van de volgende manieren te werk:
Kies Bewerken > Plakken. Als de geplakte tekst niet alle opmaak bevat, moet u de instellingen in het dialoogvenster
Importopties wijzigen voor RTF-documenten.
Kies Bewerken > Plakken zonder opmaak. (Plakken zonder opmaak is niet beschikbaar (grijs) als u tekst uit een andere
toepassing plakt en Alleen tekst is geselecteerd in het gedeelte Klembordafhandeling van het dialoogvenster Voorkeuren.)
U kunt tekst ook slepen vanuit een andere toepassing en in een InDesign-document plaatsen of een tekstbestand of tekstverwerkingsbestand
rechtstreeks vanuit Windows Verkenner of Mac OS Finder invoegen in een InDesign-document. De tekst wordt dan toegevoegd aan een nieuw
kader. Houd Shift tijdens het slepen ingedrukt om de opmaak te verwijderen. De optie die u in het gedeelte Klembordafhandeling van het
dialoogvenster Voorkeuren selecteert, bepaalt of informatie met betrekking tot bijvoorbeeld indexmarkeringen en stalen behouden blijft.
Afstand automatisch tijdens plakken van tekst aanpassen
Wanneer u tekst plakt, kunnen, afhankelijk van de context, automatisch spaties worden toegevoegd of verwijderd. Als u bijvoorbeeld een woord
knipt en het vervolgens tussen twee woorden plakt, wordt er voor en achter het woord een spatie ingevoegd. Plakt u dat woord aan het einde van
de zin vóór de punt, dan wordt er geen spatie toegevoegd.
1. Kies Bewerken > Voorkeuren > Tekst (Windows) of InDesign > Voorkeuren > Tekst (Mac OS).
2. Selecteer Afstand automatisch aanpassen bij het knippen en plakken van woorden en klik op OK.
Tekst slepen en neerzetten
Met de muis kunt u tekst in de artikeleditor of de layoutweergave slepen en neerzetten. U kunt zelfs tekst slepen vanuit de artikeleditor naar het
layoutvenster (of vice versa) of naar dialoogvensters zoals Zoeken/Wijzigen. Door tekst vanuit een vergrendeld of ingecheckt artikel te slepen
wordt de tekst gekopieerd en niet verplaatst. U kunt tijdens het slepen en neerzetten van tekst ook tekst kopiëren of een nieuw kader maken.
In Using InDesign Drag and Drop Text vindt u een videodemo van Jeff Witchel over slepen en neerzetten.
1. Kies Bewerken > Voorkeuren > Tekst (Windows) of InDesign > Voorkeuren > Tekst (Mac OS), selecteer Toestaan in
layoutweergave, Toestaan in artikeleditor (InDesign) of Toestaan in drukproef-/artikelweergave (InCopy) en klik op OK om
slepen en neerzetten in te schakelen.
2. Selecteer de tekst die u wilt verplaatsen of kopiëren.
3. Plaats de aanwijzer op de geselecteerde tekst totdat deze verandert in een pictogram voor slepen en neerzetten en sleep
de tekst.
Tijdens het slepen blijft de geselecteerde tekst op zijn plaats, maar wordt er met een verticale balk aangegeven waar de tekst
wordt geplaatst wanneer u de muisknop loslaat. De verticale balk verschijnt in elk tekstkader waarover u de muis sleept.
4. Ga als volgt te werk:
Om de tekst op een nieuwe locatie te plaatsen, plaatst u de verticale balk daar waar u de tekst wilt neerzetten en laat u de
muisknop los.
Als u de tekst in een nieuw kader wilt plaatsen, houdt u Ctrl (Windows) of Command (Mac OS) tijdens het slepen
ingedrukt en laat u de muisknop los voordat u Ctrl of Command loslaat.
Als u de tekst zonder opmaak wilt neerzetten, houdt u tijdens het slepen Shift ingedrukt en laat u de muisknop los voordat
u Shift loslaat.
U kopieert de tekst door tijdens het slepen Alt (Windows) of Option (Mac OS) ingedrukt te houden en vervolgens eerst de
muisknop en daarna Alt of Option los te laten.
U kunt ook een combinatie van deze wijzigingstoetsen gebruiken. Als u bijvoorbeeld onopgemaakte tekst naar een nieuw kader wilt kopiëren,
houdt u Alt+Shift+Ctrl (Windows) of Option+Shift+Command (Mac OS) tijdens het slepen ingedrukt.
Als de tekst die u plaatst, niet de juiste afstand heeft, selecteert u de optie Afstand automatisch aanpassen in het gedeelte Tekst van het
Naar boven
dialoogvenster Voorkeuren.
Tekst plaatsen (importeren)
Wanneer u een tekst- of spreadsheetbestand plaatst, kunt u opties opgeven om te bepalen hoe de geïmporteerde tekst wordt opgemaakt.
Op www.adobe.com/go/vid0067_nl vindt u een videodemo over het importeren van inhoud in InDesign. Op www.adobe.com/go/lrvid4278_id_nl
vindt u een videodemo over het plaatsen en laten doorlopen van tekst.
1. (Optioneel) Als u koppelingen wilt maken in bestanden die worden geplaatst, klikt u op Bestandsafhandeling in het
dialoogvenster Voorkeuren en schakelt u Koppelingen maken bij het plaatsen van tekst- en spreadsheetbestanden in.
Als u deze optie inschakelt, wordt een koppeling naar het geplaatste bestand gemaakt. In het deelvenster Koppelingen kunt u
koppelingen naar tekstbestanden bijwerken of opnieuw koppelen en kunt u koppelingen naar tekstbestanden verwijderen. Als
u echter gekoppelde tekst opmaakt in InDesign, blijft deze opmaak wellicht niet behouden wanneer u de koppeling bijwerkt.
Als u de optie niet inschakelt, worden geïmporteerde tekst- en spreadsheetbestanden ingesloten (niet gekoppeld).
2. Ga op een van de volgende manieren te werk:
Zorg dat er geen invoegpunt aanwezig is en dat er geen tekst of kaders zijn geselecteerd als u een nieuw kader voor de
geplaatste tekst gaat maken.
U voegt tekst aan een kader toe door tekst te selecteren met het gereedschap Tekst of door de invoegpositie te
plaatsen.
U vervangt de inhoud van een bestaand kader door het kader met een selectiegereedschap te selecteren. Als het kader
is verbonden met andere kaders, wordt er een geladen tekstcursor weergegeven.
Als u met deze methode per ongeluk een tekstbestand of afbeelding vervangt, kiest u Bewerken > Ongedaan maken
Vervangen en klikt of sleept u om een tekstkader te maken.
3. Kies Bestand > Plaatsen.
4. Selecteer Geselecteerd item vervangen als het geïmporteerde bestand de inhoud van het geselecteerde kader moet
vervangen, geselecteerde tekst moet vervangen of aan het tekstkader bij de invoegpositie moet worden toegevoegd.
Deselecteer deze optie als u het geïmporteerde bestand in een nieuw kader wilt laten doorlopen.
5. Selecteer Importopties tonen en dubbelklik op het bestand dat u wilt importeren.
6. Stel importopties in en klik op OK.
Als u nog geen bestaand kader hebt opgegeven voor de tekst, verandert de aanwijzer in een geladen-tekstpictogram en kunt u de tekst plaatsen
als u klikt of sleept.
Als er een waarschuwingsbericht verschijnt met de mededeling dat het aangevraagde filter niet is gevonden, probeert u mogelijk een bestand uit
een ander tekstverwerkingsprogramma of een eerdere versie van Microsoft® Word (bijvoorbeeld Word 6) te plaatsen. Open het bestand in de
originele toepassing en sla het op in de RTF-indeling. In deze indeling blijft de meeste opmaak behouden.
Als in het geïmporteerde Microsoft Excel-document rode stippen worden weergegeven in de cellen, past u de celgrootte of de tekstkenmerken
aan, zodat de overlopende inhoud zichtbaar wordt. U kunt het bestand ook plaatsen als gelabelde tekst zonder opmaak die u vervolgens kunt
omzetten naar een tabel.
Over importfilters
InDesign kan de meeste kenmerken van teken- en alineaopmaak uit tekstbestanden importeren, maar negeert het merendeel van de layout, zoals
pagina-einden, marges en kolommen (die u overigens in InDesign kunt instellen). Belangrijk:
Wanneer u stijlen importeert, importeert InDesign normaal gesroken alle opmaakinformatie die in de tekstverwerker is
gedefinieerd. Functies die niet beschikbaar zijn in InDesign worden niet geïmporteerd.
In InDesign kunnen geïmporteerde opmaakstijlen worden toegevoegd aan de lijst met bestaande opmaakstijlen voor het
document. Naast de geïmporteerde stijlen staat een schijfpictogram . (Zie Stijlen van Word naar InDesign-stijlen omzetten.)
De importopties verschijnen wanneer u Importopties tonen in het dialoogvenster Plaatsen selecteert of wanneer u een Excel-
bestand importeert. Als Importopties tonen niet is geselecteerd, worden de importopties gebruikt die de laatste keer bij een
gelijksoortig documenttype zijn gebruikt. De ingestelde opties blijven actief totdat u andere opties kiest.
Als InDesign geen filter kan vinden dat het bestand herkent aan het type of de extensie van het bestand, wordt dit
meegedeeld. Voor het beste resultaat in Windows gebruikt u de standaardextensie (zoals .doc, .docx, .txt, .rtf, .xls of .xlsx) voor
het bestandstype dat u importeert. U moet het bestand mogelijk openen in de originele toepassing en het opslaan in een
andere indeling, zoals RTF of TXT.
Voor meer informatie over importfilters raadpleegt u het leesmij-bestand over filters (pdf-bestand) op www.adobe.com/go/lr_indesignfilters_cs5_nl.
Importopties voor Microsoft Word- en RTF-documenten
Als u een Word- of een RTF-bestand plaatst en Importopties tonen selecteert, kunt u uit de volgende opties kiezen:
Tekst inhoudsopgaveImporteert de inhoudsopgave als onderdeel van de tekst in het artikel. Deze items worden als tekst geïmporteerd.
Tekst indexImporteert de index als onderdeel van de tekst in het artikel. Deze items worden als tekst geïmporteerd.
VoetnotenImporteert Word-voetnoten. Voetnoten en verwijzingen worden behouden, maar opnieuw genummerd op basis van de
voetnootinstellingen van het document. Als de Word-voetnoten niet goed worden geïmporteerd, kunt u het Word-document opslaan als een RTF-
bestand en dat RTF-bestand vervolgens importeren.
EindnotenImporteert eindnoten als onderdeel van de tekst aan het einde van het artikel.
Typografische aanhalingstekens gebruikenZorgt ervoor dat in de geïmporteerde tekst gekrulde aanhalingstekens (“ ”) en gekrulde
apostroffen (’) in plaats van rechte aanhalingstekens (" ") en apostroffen (') worden gebruikt.
Stijlen en opmaak in tekst en tabellen verwijderenVerwijdert opmaak, zoals lettertype, tekstkleur en tekststijl uit de geïmporteerde tekst,
waaronder ook tekst in tabellen. Als deze optie is geselecteerd, worden alineastijlen en inline-afbeeldingen niet geïmporteerd.
Lokale overschrijvingen behoudenAls u stijlen en opmaak van tekst en tabellen wilt verwijderen, kunt u met Lokale overschrijvingen behouden
de tekenopmaak (zoals vette of cursieve tekst) behouden die is toegepast op een deel van een alinea. Deselecteer deze optie om alle opmaak te
verwijderen.
Tabellen omzetten naarAls u stijlen en opmaak van tekst en tabellen wilt verwijderen, kunt u tabellen omzetten naar standaardtabellen zonder
opmaak of naar tabgescheiden tekst zonder opmaak.
Als u tekst zonder opmaak en tabellen met opmaak wilt importeren, importeert u de tekst zonder opmaak en plakt u vervolgens de tabellen vanuit
Word naar InDesign.
Stijlen en opmaak in tekst en tabellen behoudenBehoudt de opmaak van het Word-document in het InDesign- of InCopy-document. Aan de
hand van de overige opties in het gedeelte Opmaak kunt u opgeven hoe stijlen en opmaak worden behouden.
Handmatige pagina-eindenBepaalt hoe pagina-einden uit het Word-bestand worden opgemaakt in InDesign of InCopy. Selecteer Pagina-einden
behouden om dezelfde pagina-einden als die van Word te gebruiken of selecteer Omzetten naar kolomeinden of Geen einden.
Inline-afbeeldingen importerenBehoudt de inline-afbeeldingen van Word-documenten in InDesign.
Niet-gebruikte stijlen importerenImporteert alle stijlen van het Word-document, zelfs als de stijlen niet op tekst zijn toegepast.
Opsommingstekens en nummers omzetten naar tekstImporteert opsommingstekens en nummers als feitelijke tekens, waarbij de vormgeving
van de alinea behouden blijft. In genummerde lijsten worden de nummers echter niet automatisch bijgewerkt wanneer de lijstonderdelen worden
gewijzigd.
Wijzigingen bijhoudenWanneer u deze optie selecteert, wordt de opmaak van Wijzigingen bijhouden in het Word-document toegepast in het
InDesign-document. In InDesign worden wijzigingen bijgehouden in de Artikeleditor.
Stijlen automatisch importerenImporteert stijlen vanuit het Word-document naar het InDesign- of InCopy-document. Als er naast
Stijlnaamconflicten een geel waarschuwingsdriehoekje staat, hebben een of meer alinea- of tekenstijlen van het Word-document dezelfde naam
als een InDesign-stijl.
Om te bepalen hoe deze stijlnaamconflicten worden opgelost, selecteert u een optie in het menu Conflicten alineastijl en Conflicten tekenstijl. Met
de InDesign-stijldefinitie wordt de geïmporteerde stijltekst opgemaakt op basis van de InDesign-stijl. Met InDesign-stijl opnieuw definiëren wordt
de geïmporteerde stijltekst opgemaakt op basis van de Word-stijl en wordt de bestaande InDesign-tekst opgemaakt met de Word-stijl. Met Naam
automatisch wijzigen worden de namen van de geïmporteerde Word-stijlen gewijzigd. Als de optie Naam automatisch wijzigen is geselecteerd en
InDesign en Word hebben bijvoorbeeld een subkopstijl, wordt de naam van de geïmporteerde Word-stijl gewijzigd in Subkop_wrd_1.
Opmerking: InDesign zet alinea- en tekenstijlen wel om, maar stijlen voor lijsten met opsommingstekens en nummering niet.
Importeren van stijlen aanpassenHiermee kunt u het dialoogvenster Stijltoewijzing gebruiken waarin u kunt opgeven welke InDesign-stijl voor
elke Word-stijl in het geïmporteerde document moet worden gebruikt.
Voorinstelling opslaanSlaat de huidige Word-importopties voor toekomstig gebruik op. Geef de importopties op, klik op Voorinstelling opslaan,
typ de naam van de voorinstelling en klik op OK. De volgende keer dat u een Word-stijl importeert, kunt u de voorinstelling selecteren die u in het
menu Voorinstelling hebt gemaakt. Klik op Als standaard instellen als de geselecteerde voorinstelling als standaard voor verdere imports van
Word-documenten moet worden gebruikt.
Importopties voor tekstbestanden
Als u bij het plaatsen van een tekstbestand Importopties tonen selecteert, kunt u uit de volgende opties kiezen:
TekensetGeeft de tekenset aan, zoals ANSI, Unicode UTF8 of Windows CE, waarmee het tekstbestand is gemaakt. De standaardselectie is de
tekenset die overeenkomt met de standaardtaal en het standaardplatform van InDesign of InCopy.
PlatformGeeft aan of het bestand is gemaakt in Windows of Mac OS.
Woordenboek instellen opBepaalt welk woordenboek bij de geïmporteerde tekst wordt gebruikt.
Extra harde returnsBepaalt hoe extra alinea-einden worden geïmporteerd. Kies Aan einde van elke regel verwijderen of Tussen alinea's
verwijderen.
VervangenVervangt het opgegeven aantal spaties door een tab.
Typografische aanhalingstekens gebruikenZorgt ervoor dat in de geïmporteerde tekst gekrulde aanhalingstekens (“ ”) en gekrulde
apostroffen (’) in plaats van rechte aanhalingstekens (" ") en apostroffen (') worden gebruikt.
Importopties voor Microsoft Excel
U kunt bij het importeren van een Excel-bestand uit de volgende opties kiezen:
WerkbladGeeft het werkblad op dat u wilt importeren.
WeergaveHiermee kunt u kiezen of eigen of persoonlijke weergaven worden geïmporteerd of genegeerd.
CelbereikGeeft het bereik van de cellen op waarbij de dubbele punt het bereik bepaalt, zoals in A1:G15. Als het werkblad benoemde bereiken
Naar boven
bevat, staan deze namen in het menu Celbereik.
Verborgen cellen importeren die niet in de weergave zijn opgeslagenBevat alle cellen die zijn opgemaakt als verborgen cellen in het Excel-
spreadsheet.
TabelGeeft op hoe de spreadsheetgegevens in het document worden weergegeven.
Opgemaakte tabelInDesign probeert de Excel-opmaak te behouden, maar het is mogelijk dat niet alle opmaak van tekst in iedere cel
behouden blijft. Als de spreadsheet niet is ingesloten, maar gekoppeld en u de koppeling bijwerkt, wordt alle opmaak die in InDesign op de
tabel is toegepast, overschreven.
Niet-opgemaakte tabelDe tabel wordt geïmporteerd zonder opmaak van de spreadsheet. Als u deze optie selecteert, kunt u een
tabelstijl toepassen op de geïmporteerde tabel. Als u tekst opmaakt met behulp van alinea- en tekenstijlen, blijft de opmaak ook behouden
als u de koppeling naar de spreadsheet bijwerkt.
Niet-opgemaakte gelabelde tekstDe tabel wordt geïmporteerd als tabgescheiden tekst die u in InDesign of in InCopy kunt omzetten
naar een tabel.
Slechts één keer opgemaaktDe in Excel gebruikte opmaak blijft tijdens het importeren in eerste instantie behouden in InDesign. Als het
spreadsheet gekoppeld is, in plaats van ingesloten, worden opmaakwijzigingen die worden aangebracht in het spreadsheet genegeerd in
de gekoppelde tabel als u de koppeling bijwerkt. Deze optie is niet beschikbaar in InCopy.
TabelstijlPast de door u opgegeven tabelstijl toe op het geïmporteerde document. Deze optie is alleen beschikbaar als Niet-opgemaakte tabel is
geselecteerd.
CeluitlijningBepaalt de celuitlijning voor het geïmporteerde document.
Inclusief inline-afbeeldingenBehoudt de inline-afbeeldingen van Excel-documenten in InDesign.
Aantal op te nemen decimalenBepaalt het aantal decimalen in spreadsheetgetallen.
Typografische aanhalingstekens gebruikenZorgt ervoor dat in de geïmporteerde tekst gekrulde aanhalingstekens (“ ”) en gekrulde
apostroffen (’) in plaats van rechte aanhalingstekens (" ") en apostroffen (') worden gebruikt.
Importopties gelabelde tekst
U kunt een tekstbestand importeren (of exporteren) en daarbij via gelabelde tekst de opmaakmogelijkheden van InDesign gebruiken. Gelabelde-
tekstbestanden zijn tekstbestanden met informatie over de opmaak die u in InDesign wilt toepassen. Tekst die op de juiste manier is gelabeld, kan
vrijwel alles beschrijven wat in een InDesign-artikel kan worden weergegeven, inclusief de kenmerken op alinea- en tekenniveau, en speciale
tekens.
Voor informatie over het opgeven van labels bekijkt u het bestand Tagged Text op www.adobe.com/go/learn_id_taggedtext_cs5_nl (dit is een
PDF-bestand).
De volgende opties zijn beschikbaar wanneer u een gelabeld tekstbestand importeert en Importopties selecteert in het dialoogvenster Plaatsen.
Typografische aanhalingstekens gebruikenZorgt ervoor dat in de geïmporteerde tekst gekrulde aanhalingstekens (“ ”) en gekrulde
apostroffen (’) in plaats van rechte aanhalingstekens (" ") en apostroffen (') worden gebruikt.
Tekstopmaak verwijderenVerwijdert opmaak, zoals lettertype, tekstkleur en tekststijl uit de geïmporteerde tekst.
Conflicten met tekststijlen oplossen metBepaalt welke teken- of alineaopmaakstijl wordt toegepast bij een conflict tussen de opmaakstijl in het
gelabelde tekstbestand en de opmaakstijl in het InDesign-document. Selecteer Publicatiedefinitie om de definitie te gebruiken die reeds is
gedefinieerd voor die opmaakstijl in het InDesign-document. Selecteer Gelabelde-bestandsdefinitie als u de stijl wilt gebruiken die is gedefinieerd
in de gelabelde tekst.
Lijst met probleemlabels tonen vóór plaatsenGeeft een lijst met onbekende labels weer. Als een lijst wordt weergegeven, kunt u het
importeren annuleren of ermee doorgaan. Als u het bestand toch importeert, kan dat er anders uitzien.
Opties voor het importeren van Word- of RTF-bestanden opslaan als voorinstellingen
1. Zorg er tijdens het plaatsen van een Word- of RTF-bestand voor dat Importopties tonen is geselecteerd en kies Openen.
2. Geef de gewenste instellingen op in het dialoogvenster Importopties tonen.
3. Klik op Voorinstelling opslaan, typ een naam voor de voorinstelling en klik op OK.
4. (Optioneel) Klik op Als standaard instellen als u de voorinstelling iedere keer wilt gebruiken als u een bestand van dat type
importeert.
U kunt dan aangepaste voorinstellingen selecteren in het menu Voorinstelling in het dialoogvenster Importopties wanneer u een Word- of RTF-
bestand opent.
Import Buzzword documents
Buzzword is een op het web gebaseerde teksteditor waarin gebruikers tekstbestanden op een webserver kunnen maken en opslaan. In InDesign
CS5 kunt tekst uit Buzzword-documenten importeren en exporteren.
Wanneer u een Buzzword-document importeert, wordt er een URL-koppeling naar het Buzzword-document op de server tot stand gebracht.
Wanneer het Buzzword-document nu buiten InDesign wordt bijgewerkt, kunt u de geïmporteerde versie via het deelvenster Koppelingen
importeren in InDesign. In dat geval gaan de wijzigingen verloren die u in de Buzzword-tekst in InDesign hebt aangebracht.
Opmerking: De Buzzword-toepassing van Acrobat.com is alleen verkrijgbaar in het Engels, Frans en Duits.
1. Kies Bestand > Plaatsen vanuit Buzzword.
Naar boven
2. Als u zich nog niet hebt aangemeld bij CS Live, klikt u op Sign In (Aanmelden), geeft u uw e-mailadres en wachtwoord op en
klikt u nogmaals op Sign In.
Als u zich hebt aangemeld, verschijnt in het dialoogvenster Buzzword-documenten plaatsen een lijst met de Buzzword-
documenten die u kunt importeren.
3. Selecteer een of meerdere documenten die u wilt importeren of plak de URL van het Buzzword-document in het veld URL
plakken.
4. Stel een of meer van de volgende opties in en klik op OK.
Importopties tonenAls u deze optie selecteert, wordt het dialoogvenster Importopties Buzzword weergegeven voordat u het
bestand plaatst.
Geselecteerd item vervangenSelecteer deze optie om het object te vervangen dat momenteel in het document is
geselecteerd.
Koppelen aan documentSelecteer deze optie om een koppeling tot stand te brengen tussen het Buzzword-document en de
geplaatste tekst. Als u een koppeling tot stand brengt en het Buzzword-document bijwerkt, ziet u in het deelvenster
Koppelingen dat het bestand is gewijzigd. Als u de koppeling bijwerkt, wordt ook de tekst in InDesign bijgewerkt. Eventuele
opmaakwijzigingen die u in deze tekst hebt aangebracht in InDesign, gaan echter verloren.
5. Als u Importopties tonen hebt geselecteerd, geeft u instellingen op in het dialoogvenster Importopties Buzzword.
Dit dialoogvenster bevat vrijwel dezelfde opties als het dialoogvenster Importopties RTF. Zie Importopties voor Microsoft
Word- en RTF-documenten. Buzzword beschikt momenteel niet over een stijlfunctie en de stijlopties zijn dus nog niet
beschikbaar.
6. Klik of sleep met de geladen tekstcursor om een tekstkader te maken.
Geïmporteerde tekstbestanden koppelen of insluiten
Standaard is tekst die u in InDesign plaatst, niet gekoppeld aan het originele tekstbestand. Selecteert u de optie Koppelingen maken bij het
plaatsen van tekst- en spreadsheetbestanden in de voorkeuren voor Bestandsafhandeling voordat u het bestand plaatst, dan wordt de naam van
het tekstbestand in het deelvenster Koppelingen weergegeven. U kunt het bestand met het deelvenster Koppelingen bijwerken en beheren. Als u
een gekoppeld tekstbestand bijwerkt, gaan alle bewerkings- of opmaakkenmerken die zijn toegepast binnen InDesign verloren. Vanwege dit risico
worden verbonden tekstbestanden niet automatisch bijgewerkt als het originele bestand wordt bewerkt. U kunt inhoud echter gemakkelijk bijwerken
of de koppeling naar het bestand gemakkelijk verbreken in het deelvenster Koppelingen.
1. Ga op een van de volgende manieren te werk:
U past deze wijziging op een document toe door het document te openen.
U past deze wijziging op nieuwe documenten toe door alle documenten te sluiten.
2. Kies Bewerken > Voorkeuren > Bestandsafhandeling (Windows) of InDesign > Voorkeuren > Bestandsafhandeling (Mac OS).
3. U maakt koppelingen in geplaatste bestanden door Koppelingen maken bij het plaatsen van tekst- en spreadsheetbestanden
te selecteren. Als deze optie is ingeschakeld, gebruikt u het deelvenster Koppelingen voor het bijwerken, opnieuw koppelen of
verwijderen van koppelingen. Als deze optie is uitgeschakeld, worden tekstbestanden ingesloten (niet gekoppeld).
U verbreekt de koppeling met een tekstbestand (en sluit zo het bestand in) door het bestand te selecteren in het deelvenster Koppelingen en
vervolgens de optie Ontkoppelen te kiezen in het menu van het deelvenster Koppelingen.
Meer Help-onderwerpen
Video over het importeren van inhoud
Juridische kennisgevingen | Onlineprivacybeleid
Tekst met verbindingen
Naar boven
Tekstkaders verbinden
Verbonden tekstkaders knippen of verwijderen
Tekst handmatig of automatisch laten doorlopen
Slim opnieuw tekst plaatsen gebruiken
Tekstkaders verbinden
Tekst in een kader kan onafhankelijk zijn van andere kaders of kan lopen tussen verbonden kaders. Als u tekst in verbonden kaders (ook wel
tekstkaders genoemd) wilt laten doorlopen, moet u de kaders eerst met elkaar verbinden. Verbonden kaders kunnen zich op dezelfde pagina of
spread bevinden, of op een andere pagina in het document. Tekst die doorloopt in meerdere kaders, heet tekst met verbindingen. Het laten
doorlopen van tekst in kaders wordt ook wel het koppelen van tekstkaders of het koppelen van tekstvakken genoemd.
Elk tekstkader heeft een inpoort en een uitpoort waarmee het aan andere tekstkaders kan worden gekoppeld. Een lege in- of uitpoort geeft het
begin respectievelijk het einde van een artikel aan. Een pijl in een poort geeft aan dat het kader is gekoppeld aan een ander kader. Een rood
plusteken (+) in een uitpoort geeft aan dat er nog meer tekst in het artikel is die moet worden geplaatst, maar dat er geen tekstkader meer is
waarin de tekst kan worden geplaatst. Deze verborgen tekst wordt overlopende tekst genoemd.
Verbonden kaders
A. Inpoort bij begin van artikel B. Uitpoort die verbinding met volgende kader aangeeft C. Tekstverbinding D. Inpoort die verbinding met vorige
kader aangeeft E. Uitpoort die overlopende tekst aangeeft
Kies Weergave > Extra's > Tekstverbindingen tonen voor een visuele weergave van de verbonden kaders. U kunt tekstkaders met elkaar
verbinden, ongeacht of ze daadwerkelijk tekst bevatten.
Een nieuw kader toevoegen aan de verbinding
1. Selecteer een tekstkader met het gereedschap Selecteren en klik op de inpoort of de uitpoort om een tekstpictogram te
laden.
Als u klikt op de inpoort, kunt u een kader toevoegen vóór het geselecteerde kader; klikt u op de uitpoort dan kunt u een
kader toevoegen na het geselecteerde kader.
2. Plaats het geladen-tekstpictogram op de gewenste plaats voor een nieuw tekstkader en klik of sleep om een nieuw
tekstkader te maken.
Als het geladen-tekstpictogram actief is, kunt u verschillende handelingen uitvoeren, zoals pagina's omslaan, nieuwe pagina's maken en in- en
uitzoomen. Als u bent begonnen met het verbinden van twee kaders, kunt u de verbinding altijd annuleren door te klikken op een willekeurig
gereedschap in de gereedschapsset. Er gaat dan geen tekst verloren.
Een bestaand kader toevoegen aan de verbinding
1. Selecteer een tekstkader met het gereedschap Selecteren en klik op de inpoort of de uitpoort om een tekstpictogram te laden.
2. Plaats het geladen-tekstpictogram op het kader dat u wilt toevoegen aan de verbinding. Het geladen-tekstpictogram verandert
nu in een verbindingspictogram.
Een bestaand kader aan een verbinding toevoegen
3. Klik binnen het tweede kader om dit met het eerste te verbinden.
Naar boven
Wanneer u een kaderraster verbindt met een kader met onbewerkte tekst of met een ander kaderraster met andere rasterinstellingen, wordt het
tekstkader van het verbonden kader opnieuw gedefinieerd om de instellingen van het kaderraster af te stemmen op die van het kaderraster van
waaruit de verbinding tot stand wordt gebracht
U kunt automatisch "vervolg op"- of "vervolg van"-sprongregels toevoegen die verbonden artikelen zoeken die van het ene kader naar het
andere overgaan. (Zie Automatische paginanummers toevoegen voor artikelsprongen.)
Een kader toevoegen binnen een reeks verbonden kaders
1. Klik met het gereedschap Selecteren op de uitpoort op het punt in het artikel waar u een kader wilt toevoegen. Als u de
muisknop loslaat, verschijnt het geladen-tekstpictogram.
2. Sleep om een nieuw kader te maken of selecteer een ander tekstkader. InDesign verbindt nu het kader met de reeks
gekoppelde kaders waarin het artikel zich bevindt.
Kader toevoegen binnen een verbinding (boven) en resultaat (onder)
De verbinding van tekstkaders verbreken
Wanneer u een tekstkader loskoppelt, verbreekt u de verbinding tussen het kader en alle volgende kaders in de verbinding. De tekst die in de
kaders stond, wordt overlopende tekst (er wordt geen tekst verwijderd). Alle volgende kaders zijn leeg.
Doe het volgende met het gereedschap Selecteren:
De verbinding tussen kaders kan ook worden verbroken door te dubbelklikken op een inpoort of een uitpoort.
Klik op de inpoort of de uitpoort die een verbinding met een ander kader aangeeft. In een verbinding met twee kaders klikt
u bijvoorbeeld op de uitpoort van het eerste kader of de inpoort van het tweede kader. Plaats het geladen-tekstpictogram
op het vorige of volgende kader om het pictogram voor het verbreken van de verbinding weer te geven. Klik in het
kader dat u uit de verbinding wilt verwijderen.
Kader uit verbinding verwijderen
Als u een artikel in twee artikelen wilt opsplitsen, knipt u de tekst die in het tweede artikel moet komen te staan, verbreekt u de verbinding
tussen de kaders en plakt u de tekst in het eerste kader van het tweede artikel.
Verbonden tekstkaders knippen of verwijderen
Wanneer u tekstkaders knipt of verwijdert, wordt er geen tekst verwijderd en de tekst blijft in de verbinding.
Een kader uit een verbinding loskoppelen
U kunt een kader uit een verbinding knippen en ergens anders in de verbinding plakken. Hoewel het kader is verwijderd met een kopie van de
tekst, wordt er geen tekst verwijderd uit het oorspronkelijke artikel. Als u een reeks verbonden tekstkaders tegelijk knipt en plakt, behouden de
geplakte kaders hun onderlinge verbinding, maar de verbinding met andere kaders in het oorspronkelijke artikel gaat verloren.
Naar boven
1. Selecteer een of meer kaders met het gereedschap Selecteren (houd Shift ingedrukt en klik om meerdere objecten te
selecteren).
2. Kies Bewerken > Knippen. Het kader verdwijnt en alle tekst in het kader loopt door naar het volgende kader in het artikel. Als
u het laatste kader in een artikel verwijdert, wordt de tekst opgeslagen als overlopende tekst in het vorige kader.
3. Als u het ontkoppelde kader elders in het document wilt gebruiken, gaat u naar de pagina waar u de ontkoppelde tekst wilt
opnemen en kiest u Bewerken > Plakken.
Een kader uit een verbinding verwijderen
Wanneer u een tekstkader uit een verbinding verwijdert, wordt er geen tekst verwijderd. De tekst loopt over of loopt door in het volgende kader. Als
het tekstkader niet met een ander kader is verbonden, worden het kader en de tekst verwijderd.
1. U verwijdert een tekstkader door een van de volgende handelingen uit te voeren:
Klik met een selectiegereedschap op het kader.
Houd Ctrl (Windows) of Command (Mac OS) ingedrukt en klik met het gereedschap Tekst op het kader.
2. Druk op Backspace of Delete.
Tekst handmatig of automatisch laten doorlopen
De aanwijzer neemt de vorm van een geladen-tekstpictogram aan als u de tekst hebt geplaatst of op een in- of uitpoort hebt geklikt. Met het
geladen-tekstpictogram kunt u tekst op pagina's laten doorlopen. Door een wijzigingstoets ingedrukt te houden kunt u aangeven hoe de tekst moet
doorlopen. Het geladen-tekstpictogram krijgt een andere vorm afhankelijk van waar het wordt geplaatst.
Als u het geladen-tekstpictogram op een tekstkader plaatst, wordt het pictogram tussen haakjes geplaatst. Wanneer u het geladen-
tekstpictogram bij een hulplijn of een magnetisch rasterpunt plaatst, wordt de zwarte aanwijzer wit .
U kunt tekst op de volgende vier manieren laten doorlopen:
Voor het laten doorlopen van tekst in kaders stelt InDesign vast of tekst horizontaal of verticaal is. Bij halfautomatische of automatische
tekstdoorloop laat InDesign de tekst doorlopen op basis van het kadertype en de richting die zijn ingesteld in het deelvenster Artikel. Het pictogram
biedt gebruikers visuele feedback over de richting waarin de tekst zal doorlopen.
Een videozelfstudie over het plaatsen en laten doorlopen van tekst vindt u op www.adobe.com/go/lrvid4278_id_nl.
Tekst handmatig laten doorlopen
1. Selecteer een bestand met de opdracht Plaatsen of klik op de uitpoort van een geselecteerd tekstkader.
2. Ga op een van de volgende manieren te werk:
Plaats het geladen-tekstpictogram ergens in een bestaand kader of pad en klik. De tekst loopt nu door in het kader en
eventuele hiermee verbonden kaders. De tekstdoorloop begint altijd boven aan de linkerkolom, zelfs als u in een andere
kolom hebt geklikt.
Plaats het geladen-tekstpictogram in een kolom om een tekstkader te maken met de breedte van die kolom. De bovenkant
van het kader verschijnt op de plaats waar u klikt.
Sleep het geladen-tekstpictogram om een tekstkader te maken met de breedte en hoogte van het gebied dat u definieert.
3. Als er meer tekst moet worden geplaatst, klikt u op de uitpoort en herhaalt u stap 1 en 2 totdat alle tekst is geplaatst.
MethodeBeschrijving
Handmatige tekstdoorloop Voegt per keer aan één kader tekst toe. U moet het
tekstpictogram opnieuw laden om door te gaan met de
tekstdoorloop.
Halfautomatische doorloop door Alt (Windows) of Option
(Mac OS) ingedrukt te houden als u klikt.
Halfautomatische tekstdoorloop werkt net als handmatige
tekstdoorloop, maar de aanwijzer verandert in een geladen-
tekstpictogram als het einde van een kader is bereikt, totdat u
alle tekst hebt laten doorlopen in het document.
Automatische doorloop door Shift ingedrukt te houden en te
klikken.
Voegt pagina's en kaders toe totdat u alle tekst in het document
hebt laten doorlopen.
Automatische doorloop met vaste pagina's door Shift+Alt
(Windows) of Shift+Option (Mac OS) ingedrukt te houden als u
klikt.
Laat alle tekst doorlopen in het document en voegt indien nodig
kaders toe zonder pagina's toe te voegen. Eventuele resterende
tekst loopt over.
Opmerking:
Naar boven
Pagina's toevoegen aan
Beperken tot stramientekstkaders
Spreads met pagina's naast elkaar behouden
Als u tekst plaatst in een kader dat is verbonden met andere kaders, loopt de tekst automatisch door in de verbonden kaders,
ongeacht de gekozen tekstdoorloopmethode.
Tekst halfautomatisch laten doorlopen
Houd Alt (Windows) of Option (Mac OS) ingedrukt en klik met een geladen-tekstpictogram op een pagina of kader.
De tekst loopt in iedere kolom afzonderlijk door, net als bij handmatige tekstdoorloop, maar het geladen-tekstpictogram wordt automatisch geladen
nadat iedere kolom is geplaatst.
Tekst automatisch laten doorlopen
Als het geladen-tekstpictogram wordt weergegeven, houdt u Shift ingedrukt en voert u een van de volgende handelingen uit:
Klik met het geladen-tekstpictogram in een kolom om een kader te maken met de breedte van die kolom. InDesign maakt
nieuwe tekstkaders en documentpagina's totdat alle tekst is toegevoegd aan het document.
Klik binnen een tekstkader dat is gebaseerd op een stramientekstkader. De tekst loopt automatisch door het kader op de
documentpagina en indien nodig worden nieuwe pagina's gemaakt aan de hand van de kenmerken van het stramienkader.
(Zie Over stramienen, stapelvolgorde en lagen.)
Tekst automatisch laten doorlopen zonder pagina's toe te voegen
Houd Shift+Alt (Windows) of Shift+Option (Mac OS) ingedrukt met het geladen-tekstpictogram.
Slim opnieuw tekst plaatsen gebruiken
Met de functie Slim opnieuw tekst plaatsen kunt u tijdens het invoeren of bewerken van tekst pagina's toevoegen of verwijderen. Deze functie is
handig als u InDesign als teksteditor gebruikt en u een nieuwe pagina wilt toevoegen wanneer u meer tekst hebt getypt dan op de huidige pagina
past. De functie komt ook goed van pas als u overlopende tekst of lege pagina's wilt voorkomen in gevallen waarbij de tekstdoorloop verandert
doordat de tekst wordt bewerkt, voorwaardelijke tekst wordt getoond of verborgen, of andere wijzigingen in de tekstdoorloop worden aangebracht.
Slim opnieuw tekst plaatsen is standaard beperkt tot stramientekstkaders (tekstkaders die zijn gebaseerd op een stramienpagina). Als het
document pagina's naast elkaar bevat, moeten stramientekstkaders zowel op de linker- als de rechterstramienpagina worden weergegeven. Slim
opnieuw tekst plaatsen kan bovendien alleen worden gebruikt als de stramientekstkaders verbonden zijn.
U kunt instellingen zodanig aanpassen dat pagina's kunnen worden toegevoegd of verwijderd wanneer u werkt in tekstkaders die niet op
stramienpagina's zijn gebaseerd. Een tekstkader moet echter wel met ten minste één ander tekstkader op een andere pagina verbonden zijn
voordat u Slim opnieuw tekst plaatsen kunt gebruiken.
De instellingen voor Slim opnieuw tekst plaatsen worden weergegeven in de voorkeuren voor tekst. Deze instellingen gelden voor het actieve
document. Als u de standaardinstellingen voor alle nieuwe documenten wilt wijzigen, sluit u alle documenten en geeft u de gewenste instellingen
op.
1. Kies Bewerken > Voorkeuren > Tekst (Windows) of InDesign > Voorkeuren > Tekst (Mac OS).
2. Selecteer Slim opnieuw tekst plaatsen.
3. Stel de gewenste optie(s) in en klik op OK.
Met deze optie bepaalt u waar de nieuwe pagina wordt gemaakt. Stel dat u een document van drie pagina's hebt met
tekstkaders op de eerste twee pagina's en een paginagrote afbeelding op de derde pagina. Als u bij het typen het einde van de tweede pagina
bereikt, kunt u bepalen of de nieuwe pagina vóór of na de derde pagina met de paginagrote afbeelding wordt ingevoegd. Kies Einde van artikel als
u een nieuwe pagina na de tweede pagina wilt invoegen. Kies Einde van document als u een nieuwe pagina na de pagina met de paginagrote
afbeelding wilt invoegen.
In een document dat uit meerdere secties bestaat, kunt u Einde van sectie kiezen om de pagina aan het einde van de sectie in te voegen.
Als deze optie is uitgeschakeld, kunt u ook pagina's toevoegen of verwijderen bij het bewerken van
tekstkaders die niet op stramienpagina's zijn gebaseerd. Slim opnieuw tekst plaatsen kan alleen worden gebruikt wanneer het tekstkader dat u
bewerkt met minstens één ander tekstkader op een andere pagina verbonden is. Hiermee wordt ongewenste tekstdoorloop voorkomen.
Opmerking: Als u Slim opnieuw tekst plaatsen gebruikt in tekstkaders die niet op stramienpagina's zijn gebaseerd, worden pagina's toegevoegd
met paginagrote tekstkaders die bestaan uit één kolom, ongeacht de kenmerken van het tekstkader waarmee het nieuwe kader is verbonden.
Met deze optie bepaalt u of spreads met pagina's naast elkaar behouden blijven wanneer tekst
opnieuw wordt geplaatst in het midden van een document. Als deze optie is geselecteerd wanneer tekst opnieuw wordt geplaatst in het midden
van het document, wordt een nieuwe spread van twee pagina's toegevoegd. Als de optie niet is geselecteerd, wordt één nieuwe pagina
toegevoegd en wordt de volgorde van de volgende pagina's gewijzigd.
Schakel deze optie in als uw layout ontwerpelementen bevat die specifiek bestemd zijn voor de linker- of rechterzijde van de spread. U kunt de
optie uitschakelen als de linker- en rechterpagina onderling verwisselbaar zijn. Deze optie is grijs als het document geen pagina's naast elkaar
heeft.
De voorwaarden van Creative Commons zijn niet van toepassing op Twitter™- en Facebook-berichten.
Juridische kennisgevingen | Onlineprivacybeleid
Lege pagina's verwijderenSelecteer deze optie om pagina's te verwijderen als u tekst bewerkt of voorwaarden verbergt. Pagina's worden alleen
verwijderd als het lege tekstkader het enige object op de pagina is.
Als u wilt zien hoe u InDesign als teksteditor kunt gebruiken met behulp van Slim opnieuw tekst plaatsen, maakt u een document met de optie
Pagina's naast elkaar uitgeschakeld en Stramientekstkader geselecteerd. Controleer of in de voorkeuren voor tekst de opties Slim opnieuw
tekst plaatsen en Lege pagina's verwijderen zijn geselecteerd. Ga naar de eerste pagina, houd Ctrl+Shift (Windows) of Command+Shift
(Mac OS) ingedrukt en klik op het stramientekstkader om dit te overschrijven. Zodra u dit eerste tekstkader volledig met tekst hebt gevuld,
worden automatisch een nieuwe pagina en een nieuw tekstkader toegevoegd. Als u voldoende tekst wist, wordt een pagina verwijderd.
Artikelen (CS5.5)
Naar boven
Naar boven
Naar boven
Naar boven
Een artikel maken en inhoud er aan toevoegen
Alle pagina-items in een document aan een artikel toevoegen
Artikelen beheren
Artikelen opnemen voor export
Artikelen zijn een gemakkelijke manier om relaties tussen pagina-items te maken. Deze relaties kunnen worden gebruikt om de inhoud te
definiëren die naar EPUB, HTML of toegankelijke PDF's moet worden geëxporteerd, en om de volgorde van de inhoud te bepalen. U kunt artikelen
maken op basis van een combinatie van bestaande pagina-items binnen een layout, inclusief afbeeldingen en tekst. Nadat u een artikel hebt
gemaakt, kunt u pagina-items toevoegen, verwijderen of de volgorde ervan wijzigen. Artikelen kunnen handmatig worden gemaakt door een of
meerdere pagina-items naar een artikel in het deelvenster Artikelen te slepen.
U kunt ook grote hoeveelheden inhoud aan een artikel toevoegen. Het toevoegen van geselecteerde inhoud aan een geselecteerd artikel of het
toevoegen van een heel document aan een artikel wordt ondersteund.
Opmerking: Het deelvenster XML-structuur bevat een ander mechanisme waarmee u de volgorde bepaalt van de inhoud die naar de workflows
van EPUB-, HTML- en toegankelijke PDF-exportbewerkingen moet worden geëxporteerd. Het ontwerp van het deelvenster Artikelen is
eenvoudiger, gebruiksvriendelijker en toegankelijker gemaakt voor mensen zonder XML-vaardigheden. U kunt echter nog steeds het deelvenster
XML-structuur gebruiken; dit is nu een optie naast het gebruik van het deelvenster Artikelen tijdens het exportproces. Zie Documenten voor XML
structureren.
Een artikel maken en inhoud er aan toevoegen
1. Kies Venster > Artikelen om het deelvenster Artikelen te openen.
2. Selecteer de pagina-items die u aan het artikel wilt toevoegen.
Selecteer geen pagina-item in de layout als u een leeg artikel wilt maken.
3. Ga op een van de volgende manieren te werk:
Kies Nieuw artikel in het menu van het deelvenster Artikelen.
Klik onder aan het deelvenster Artikelen op Nieuw artikel maken .
Sleep een artikel of pagina-element naar het deelvenster Artikelen.
4. Voer in het dialoogvenster Nieuw artikel een naam in voor het artikel.
5. Selecteer Opnemen bij exporteren om het artikel aan de EPUB/HTML-export toe te voegen.
Alle pagina-items in een document aan een artikel toevoegen
Ga als volgt te werk om alle pagina-items aan een artikel toe te voegen:
1. Kies Venster > Artikelen om het deelvenster Artikelen te openen.
2. Selecteer een artikel waaraan u de items wilt toevoegen. Als u geen artikel selecteert, wordt er een nieuw artikel gemaakt.
3. Druk op Command (Mac OS) of Ctrl (Windows) en klik vervolgens op in het deelvenster Artikelen.
4. Als het dialoogvenster Nieuw artikel wordt geopend, voert u een naam in voor het artikel.
5. Selecteer Opnemen bij exporteren om het artikel aan de EPUB/HTML-export toe te voegen.
Als u een artikel hebt geselecteerd, kiest u Inhoud van document aan geselecteerde artikelen toevoegen in het deelvenstermenu Artikelen.
Artikelen beheren
Met behulp van het deelvenster Artikelen kunt u artikelen beheren. U kunt pagina-elementen naar het deelvenster Artikelen slepen om ze aan een
artikel toe te voegen. Door items in het deelvenster Artikelen te verslepen, kunt u de volgorde wijzigen of de items van het ene artikel naar het
andere verplaatsen.
Het pop-upmenu van het deelvenster Artikelen bevat ook opties voor het beheer van de inhoud.
Artikelen opnemen voor export
U kunt artikelen maken en selecteren welke artikelen u wilt opnemen tijdens het exporteren naar EPUB of HTML. Standaard zijn alle artikelen
geselecteerd voor export.
Als u een artikel wilt opnemen tijdens het exporteren, selecteert u in het deelvenster Artikelen het gewenste artikel. Ga vervolgens op een van de
volgende manieren te werk:
Schakel het selectievakje naast het artikel in.
Kies Artikelopties in het pop-upmenu van het deelvenster Artikelen en selecteer vervolgens Opnemen bij exporteren.
Juridische kennisgevingen | Onlineprivacybeleid
Tekst rond objecten laten lopen
Naar boven
Tekst om selectiekader
Tekst om objectvorm
Object overslaan
Naar volgende kolom springen
Tekst rond objecten laten lopen
De vorm van een tekstomloop aanpassen
Tekstomloop toepassen op stramienpagina-items
Tekst om verankerde objecten laten lopen
Tekstomloop op verborgen lagen onderdrukken
Tekst naast omloopobjecten uitvullen
Tekstomloop negeren in een tekstkader
Tekst rond objecten laten lopen
U kunt tekst rond objecten laten lopen zoals tekstkaders, geïmporteerde afbeeldingen en objecten die u hebt getekend in InDesign. Wanneer u
tekst om een object laat lopen, maakt InDesign rond het object een kader dat de tekst tegenhoudt. Het object waar de tekst omheen loopt, wordt
het omloopobject genoemd. Tekstomloop wordt ook wel omlopende tekst genoemd.
Houd er rekening mee dat de opties voor tekstomloop gelden voor het object waar de tekst omheen loopt, en niet voor de tekst zelf. Elke wijziging
aan de omloopgrens blijft intact als u het omloopobject bij een ander tekstkader plaatst.
Voor een videozelfstudie over het gebruik van tekstomloop, zie www.adobe.com/go/lrvid4280_id_nl.
Voor meer informatie over tekstomloop leest u het artikel Take Control of Text Wrap (Engelstalig) in InDesign Magazine.
Tekst om eenvoudige objecten laten lopen
1. U opent het deelvenster Tekstomloop door Venster > Tekstomloop te kiezen.
2. Selecteer met het gereedschap Selecteren of Direct selecteren het object waar u de tekst omheen wilt laten lopen.
3. Klik in het deelvenster Tekstomloop op de gewenste omloopvorm:
Hiermee maakt u een rechthoekige omloop waarvan de breedte en hoogte worden bepaald door het selectiekader van het
geplaatst of geplakt en effecten en instellingen die
rechtstreeks op dergelijke objecten worden toegepast.
Overige
Kenmerken die zijn uitgesloten van andere categorieën,
zoals tekstomloop in kaders, objectexportopties,
tekstkaderkenmerken, zoals basislijnopties, opties voor
automatisch passend maken, verticale uitvulling
enzovoort.
De voorwaarden van Creative Commons zijn niet van toepassing op Twitter™- en Facebook-berichten.
Juridische kennisgevingen | Onlineprivacybeleid
Naar boven
Naar boven
Aangepaste stijltoewijzing
Tekststijlen (alinea, teken, tabel, cel) of stijlgroepen kunnen aan verschillende stijlen worden toegewezen tijdens het koppelen. De toegewezen
stijlen worden automatisch toegepast op de gekoppelde inhoud in plaats van de oorspronkelijke stijl die is toegepast op de bovenliggende inhoud.
Aangepaste stijltoewijzing is bijvoorbeeld handig wanneer u sans-serif lettertypen wilt gebruiken voor digitale publicaties en lettertypen met serif
voor gedrukte publicaties, of als u voor horizontale en verticale layouts een verschillende tekststijl wilt gebruiken.
U definieert de aangepaste stijltoewijzing als volgt:
Schakel in het dialoogvenster Koppelingsopties (deelvenster Koppelingen > Koppelingsopties) Aangepaste stijltoewijzing
definiëren in en klik vervolgens op Instellingen.
Klik op in de Inhoudsconveyor.
Aangepaste stijltoewijzing
1. Selecteer een brondocument en Stijltype.
2. Klik op Nieuwe stijltoewijzing.
3. Kies de bron en toegewezen stijlen of stijlgroepen uit de lijst
Druk op Alt (Windows) of Option (Mac OS) om de Knop Annuleren te wijzigen in Herstellen. Klik op Herstellen om terug te gaan naar de
standaardopties.
Een gekoppeld item bijwerken
Als een origineel item wordt gewijzigd, wordt het symbool weergegeven boven het kader en in het deelvenster Koppelingen. Bijwerken doet u
als volgt:
Klik op bijna links boven aan het kader.
Dubbelklik in het deelvenster Koppelingen op het symbool .
Als u lokale wijzigingen hebt aangebracht in een onderliggend artikel, worden de wijzigingen overschreven met inhoud van het originele artikel. Als
u de optie Waarschuwen als bijwerken van koppeling lokale bewerkingen overschrijft instelt, wordt er een waarschuwingsbericht weergegeven.
Gebruik het deelvenster Koppelingsinfo om te controleren of u plaatselijk wijzigingen in het artikel hebt aangebracht; de Artikelstatus geeft
“Tekst gewijzigd” aan als u wijzigingen hebt aangebracht.
Gekoppelde artikelen | CS5.5
Naar boven
Naar boven
Een gekoppeld artikel maken
Opties voor een gekoppeld artikel opgeven
Een gekoppeld artikel bijwerken
Origineel artikel bewerken
Het is niet eenvoudig om inhoud van verschillende pagina's te dupliceren. Daarnaast leidt kopiëren en plakken vaak tot fouten en kost het veel tijd.
Door artikelen aan elkaar te koppelen, kunt u meerdere versies van een artikel of tekstinhoud in hetzelfde document beheren. Met gekoppelde
artikelen wordt het gemakkelijker om opkomende workflows te ondersteunen waarin u bijvoorbeeld voor verticale en horizontale layouts moet
ontwerpen. Gekoppelde artikelen zijn ook handig voor traditionele drukwerk- en publicatieworkflows waarin u bijvoorbeeld vaste gegevens op
verschillende pagina's moet synchroniseren.
Gekoppelde artikelen werken op dezelfde manier als gewone koppelingen. U kunt een artikel als bovenliggend element aanduiden en vervolgens
hetzelfde artikel op andere locaties in het document als onderliggende artikelen plaatsen. Wanneer u het bovenliggende artikel bijwerkt, worden de
onderliggende artikelen in het deelvenster Koppelingen gemarkeerd en kunt u ze bijwerken zodat ze gelijk zijn aan het bovenliggende artikel. U
kunt gekoppelde artikelen maken met behulp van normale artikelen of artikelen met padtekst. Verankerde artikelen binnen artikelen worden ook
ondersteund.
Gekoppelde artikelen blijven gesynchroniseerd wanneer u toegepaste InDesign-stijlen bijwerkt.
Gekoppelde artikelen worden gemarkeerd als niet meer gesynchroniseerd in het deelvenster Koppelingen, ook al zijn er geen zichtbare
wijzigingen. Globale documentwijzigingen die ertoe leiden dat de artikelen opnieuw worden samengesteld, zorgen ervoor dat de koppelingen
worden gemarkeerd. Deze globale wijzigingen kunnen te wijten zijn aan updates van opties of definities voor:
Voetnoten
Tekstvariabelen
Voorwaardelijke tekst
Stalen
XML-labels
Benoemde rasters
Als u alle lettertypen of alle instanties van een object vervangt, stelt InDesign alle artikelen opnieuw samen en worden de koppelingen
gemarkeerd.
Een gekoppeld artikel maken
1. Selecteer een artikel door het tekstkader te selecteren of de invoegcursor in de tekst te plaatsen. U kunt ook meerdere
artikelen selecteren door Shift ingedrukt te houden en te klikken als u tekstkaders selecteert.
2. Kies Bewerken > Artikel plaatsen en koppelen. De cursor wordt geladen met het artikel.
3. Klik in een bestaand leeg tekstkader of teken een kader waarin u het gekoppelde artikel plaatst.
Het pictogram wordt weergegeven in de linkerbovenhoek van het gekoppelde artikel. Het artikel wordt in het deelvenster Koppelingen als een
gekoppeld artikel weergegeven. Standaard wordt de naam van het artikel in het deelvenster Koppelingen gemaakt met behulp van de eerste paar
tekens van het originele artikel.
U kunt de standaardnaam van het gekoppelde artikel ook wijzigen via het deelvenster Lagen.
Opties voor het gekoppelde artikel opgeven
1. Selecteer het gekoppelde artikel in het deelvenster Koppelingen.
2. Ga in het deelvenster Koppelingen naar Opties voor gekoppeld artikel.
3. Selecteer de gewenste opties:
Koppeling bijwerken tijdens opslaan van document
Waarschuwen als bijwerken van koppeling lokale bewerkingen overschrijft
Geforceerde regeleinden verwijderen
De voorwaarden van Creative Commons zijn niet van toepassing op Twitter™- en Facebook-berichten.
Juridische kennisgevingen | Onlineprivacybeleid
Naar boven
Naar boven
Tip: Als u standaardartikelopties wilt opgeven met alle documenten gesloten, opent u het menu van het deelvenster Koppelingen en kiest u Opties
voor gekoppeld artikel.
Tip: Als u Opties voor gekoppeld artikel wilt opgeven terwijl u gekoppelde artikelen maakt, houdt u de Shift-toets ingedrukt en kiest u Bewerken >
Artikel plaatsen en koppelen.
Een gekoppeld artikel bijwerken
Als een origineel artikel wordt bewerkt, wordt het deelvenster Koppelingen weergegeven naast het gekoppelde artikel.
Dubbelklik in het deelvenster Koppelingen op om het gekoppelde artikel bij te werken.
Als u plaatselijk wijzigingen in een gekoppeld artikel hebt aangebracht, worden de wijzigingen overschreven met de inhoud van het originele
artikel. Als u de optie Waarschuwen als bijwerken van koppeling lokale bewerkingen overschrijft kiest, wordt er een waarschuwingsbericht
weergegeven.
Gebruik het deelvenster Koppelingsinfo om te controleren of u plaatselijk wijzigingen in het artikel hebt aangebracht; de Artikelstatus geeft
“Tekst gewijzigd” aan als u wijzigingen hebt aangebracht.
Het originele artikel bewerken
Als u aan een gekoppeld artikel werkt en u moet in het originele artikel zijn, gaat u als volgt te werk:
1. Selecteer het gekoppelde artikel in het deelvenster Koppelingen.
2. Klik op of kies Origineel bewerken in het menu van het deelvenster Koppelingen ().
De focus wordt verplaatst naar de pagina die het originele artikel bevat.
Redactionele notities toevoegen in InDesign
Naar boven
Naar boven
Naar boven
Redactionele notities toevoegen
Notitiemodus gebruiken
Notities beheren
Notitievoorkeuren bewerken
Met de functie Notities in InDesign wordt de auteur van een notitie of een bijgehouden wijziging aan de hand van gebruikersnamen vastgesteld.
Notities en bijgehouden wijzigingen zijn voor iedere gebruiker kleurgecodeerd, zoals gedefinieerd in de voorkeuren voor notities in InDesign of in
het dialoogvenster Gebruiker in InCopy (Bestand > Gebruiker).
Notities kunnen alleen in tekst worden weergegeven. In InDesign kunnen ze alleen worden afgedrukt vanuit de artikeleditor en ze kunnen niet naar
PDF worden geëxporteerd.
Redactionele notities toevoegen
Wanneer u redactionele notities aan beheerde inhoud in InDesign toevoegt, kunnen deze notities door anderen in de workflow worden
geraadpleegd. De notities zijn hoofdzakelijk bedoeld voor gebruik met een InCopy-workflow, maar ze kunnen natuurlijk ook met InDesign worden
gebruikt. Zo kunt u in notities tekst plaatsen die u later in een artikel wilt opnemen. Wanneer u bestanden vanuit InCopy exporteert naar Adobe
PDF, kunnen notities worden omgezet in PDF-opmerkingen.
1. Klik met het gereedschap Tekst op de plaats waar u de notitie wilt invoegen en kies Tekst > Notities > Nieuwe notitie.
Als u tekst bewerkt in de artikeleditor, worden boekensteunen weergegeven. In de layoutweergave verschijnt het deelvenster
Notities.
2. Typ uw notitie tussen de boekensteunen of in het deelvenster Notities.
U kunt zoveel notities toevoegen als u wilt op elke gewenste positie. U kunt echter geen notitie maken binnen een andere notitie.
Als u notities wilt tonen of verbergen, kiest u Weergave > Extra's > Notities tonen of Notities verbergen.
Notitiemodus gebruiken
De Notitiemodus is een handige manier om notities toe te voegen, te splitsen of te verwijderen, afhankelijk van waar de invoegpositie zich bevindt
of van de geselecteerde tekst.
1. Ga als volgt te werk:
Maak een nieuwe notitie door de invoegpositie in de tekst te plaatsen.
Zet tekst naar een notitie om door de tekst te selecteren.
Splits een notitie door de invoegpositie binnen de notitie te plaatsen.
Zet de notitie om in tekst door de pictogrammen voor de notitie te selecteren (in de artikelweergave).
Plaats de invoegpositie aan het begin of einde van de notitie als u de invoegpositie buiten een notitie wilt plaatsen.
2. Kies Tekst > Notities > Notitiemodus.
Notities beheren
Een notitieankerpunt geeft de locatie van een notitie aan. In het deelvenster Notities wordt de inhoud van de notitie weergegeven, plus specifieke
informatie over de notitie.
Als u tekst wilt omzetten in een notitie, selecteert u de tekst en kiest u Tekst > Notities > Omzetten in notitie. Er wordt een
nieuwe notitie gemaakt. De geselecteerde tekst wordt verwijderd uit de hoofdtekst van het artikel en in de nieuwe notitie
geplakt. Het notitieankerpunt of het pictogram bevindt zich op de plek waar de geselecteerde tekst is verwijderd.
Als u een notitie wilt omzetten in tekst, selecteert u in het deelvenster Notities de tekst die u aan de tekst van het document
wilt toevoegen. In de artikeleditor selecteert u de tekst in de inline-notitie. Kies vervolgens Tekst > Notities > Omzetten in tekst.
Als u een notitie wilt splitsen, zet u het invoegpunt op de plaats in de notitie waar u deze wilt splitsen en vervolgens kiest u
Tekst > Notities > Notitie splitsen.
U kunt notities doorlopen door met het invoegpunt te klikken in het artikel en Tekst > Notities > Vorige notitie of Tekst >
Naar boven
Notities > Volgende notitie te kiezen.
Notitievoorkeuren bewerken
Via voorkeursinstellingen kunt u de kleur voor notitieankerpunten, -boekensteunen en -achtergronden instellen in de artikeleditor. U kunt notitie-
informatie ook weergeven als knopinfo en kiezen of u de inhoud van notities wilt opnemen bij gebruik van de functie Zoeken/Wijzigen en bij
spellingcontrole in de artikeleditor.
1. Kies Bewerken > Voorkeuren > Notities (Windows) of InDesign > Voorkeuren > Notities (Mac OS).
2. Selecteer een kleur voor notitieankerpunten en notitiepictogrammen in het menu Notitiekleur. Selecteer [Kleur gebruiker] om
de kleur te gebruiken die is opgegeven in het dialoogvenster Gebruiker. Dit is vooral handig als meerdere gebruikers aan het
bestand werken.
3. Selecteer Notitie-informatie tonen om notitie-informatie en de gehele of gedeeltelijke inhoud van de notitie weer te geven als
knopinfo als de muisaanwijzer op een notitieankerpunt wordt geplaatst in de layoutweergave of op een boekensteunpictogram
in de artikeleditor.
4. Geef op of u de inhoud van inline-notities wilt meenemen bij het gebruik van de opdrachten Zoeken/Wijzigen en
Spellingcontrole (uitsluitend in de artikeleditor).
Opmerking: In de layoutweergave kunt u de opdrachten Zoeken/Wijzigen en Spellingcontrole niet gebruiken om de inhoud
van notities te doorzoeken, ongeacht de instellingen in het dialoogvenster Voorkeuren. Met de opdracht Alles wijzigen kan de
inhoud van notities wel worden bewerkt.
5. Selecteer [Geen] of [Notitiekleur] (de kleur die u hebt gekozen in stap 2) om de achtergrondkleur van een inline-notitie te
gebruiken.
6. Klik op OK.
Meer Help-onderwerpen
Juridische kennisgevingen | Onlineprivacybeleid
Verankerde objecten
Naar boven
Naar boven
Over verankerde objecten
Een verankerd object maken
Een verankerd object met aangepaste positie positioneren
Werken met verankerde objecten met behulp van slepen en neerzetten (CS5.5)
Verankerde objecten selecteren en kopiëren
Ankerpunten voor verankerde objecten weergeven op de pagina
Een verankerd object handmatig opnieuw positioneren op de pagina
Het formaat van een verankerd object wijzigen
Een verankerd object vrijgeven
Over verankerde objecten
Verankerde objecten zijn items, bijvoorbeeld afbeeldingen of tekstvakken, die aan tekst zijn gekoppeld, oftewel verankerd. Als de tekst doorloopt,
wordt het verankerde object verplaatst met de tekst die het anker bevat. Gebruik verankerde objecten voor alle objecten die u wilt koppelen aan
een tekstregel of tekstblok, zoals zijbalken en bijschriften, figuren of pictogrammen die aan een bepaald woord zijn gekoppeld.
U kunt een verankerd object maken door een object (of kader) in de tekst te plakken of te plaatsen met het gereedschap Tekst of met de opdracht
Verankerd object invoegen. Als u het object plaatst, wordt in Adobe InDesign CS4 een ankerpuntmarkering bij de invoegpositie ingevoegd.
Verankerde objecten nemen de kenmerken voor roteren en schuintrekken over van het tekstkader waaraan zij zijn verankerd, zelfs als het object
buiten het tekstkader is geplaatst. U kunt het object selecteren en deze kenmerken wijzigen.
U kunt verankerde objecten maken die op een van de volgende posities worden geplaatst:
InlineLijnt het verankerde object uit op de basislijn van de invoegpositie. U kunt het object boven of onder de basislijn plaatsen door de Y-
verschuiving aan te passen. Dit is het standaardtype verankerd object. In de vorige versies van InDesign worden deze objecten inline-
afbeeldingen genoemd.
Boven regelPlaatst het verankerde object met behulp van de volgende uitlijningsopties boven de regel: Links, Gecentreerd, Rechts, Naar rug,
Weg van rug en (Tekstuitlijning). Tekstuitlijning is de uitlijning die wordt toegepast op de alinea waarin het ankerpunt staat.
AangepastPlaatst het verankerde object op de positie die u definieert in het dialoogvenster Opties verankerd object. U kunt het object op een
willekeurige positie binnen of buiten het tekstkader plaatsen.
Opmerking: U kunt inline-objecten of objecten die boven de regel zijn geplaatst met padtekst gebruiken. (Zie Verankerde objecten toevoegen
aan padtekst.)
Voorbeelddocument met verankerde objecten
A. InlineB.Boven de regel (links uitgelijnd)C.Aangepast (uitgelijnd op de rand van het tekstkader)
Op www.adobe.com/go/vid0073_nl vindt u een videodemo over het werken met verankerde kaders.
In Anchored Frames Productivity Shortcut biedt Tim Cole een snelkoppeling voor het invoegen van verankerde kaders.
Een verankerd object maken
Als een object niet in het document kan worden geplaatst (bijvoorbeeld tekst in een zijbalk die nog moet worden geschreven), kunt u een leeg
verankerd kader maken als plaatsaanduiding voor inhoud die later kan worden toegevoegd. U kunt de grootte van een verankerd kader op elk
gewenst moment aanpassen. De positie van het kader wordt dan automatisch bijgewerkt.
1. Ga op een van de volgende manieren te werk:
Om een verankerd object toe te voegen, gebruikt u het gereedschap Tekst om een invoegpositie te plaatsen op de locatie
waar het anker voor het object moet worden weergegeven. Vervolgens plaatst of plakt u het object.
Als het kader voor het object groter is dan de tekstregel waarin het kader wordt weergegeven, kan de geïmporteerde
afbeelding worden overlapt door tekst of wordt de ruimte boven de regel groter. U kunt een andere positie voor het
verankerde object kiezen, een zacht of hard regeleinde invoegen, het formaat van het inline-object aanpassen of een
andere regelafstand voor de omringende regels opgeven.
U kunt een bestaand object verankeren door dit object te selecteren en Bewerken > Knippen te kiezen. Plaats vervolgens
met het gereedschap Tekst de invoegpositie op de locatie waar u het object wilt invoegen en kies Bewerken > Plakken.
Standaard wordt het verankerde object op de regel (inline) geplaatst.
Als u een kader voor plaatsaanduidingen wilt toevoegen voor een object dat niet beschikbaar is (bijvoorbeeld tekst voor
een zijbalk die u nog moet schrijven), gebruikt u het gereedschap Tekst om de invoegpositie op de gewenste positie voor
het anker voor het object te plaatsen en kiest u Object > Verankerd object > Invoegen.
U kunt teksttekens verankeren door contouren van de tekst te maken. Bij het maken van contouren wordt automatisch
elk tekstteken omgezet in een verankerd inline-object.
2. U kunt het object plaatsen door het te selecteren met een selectiegereedschap en vervolgens Object > Verankerd object >
Opties te kiezen. Geef de gewenste opties op.
Als u het dialoogvenster Verankerd object wilt overslaan, gebruikt u de sneltoets Verankerd object invoegen/naar ankerpuntmarkering. In de
sneltoetseditor moet u toetsen toewijzen voor deze sneltoets (deze editor is te vinden in het gebied Tekst en tabellen). Als u tweemaal op de
sneltoets drukt, wordt de selectie van het object ongedaan gemaakt en wordt de cursor weer in de hoofdtekst geplaatst. (Zie Sneltoetssets
gebruiken.)
Opties voor ingevoegde verankerde objecten
Wanneer u een plaatsaanduiding voor een verankerd object invoegt, kunt u de volgende opties voor de inhoud opgeven:
InhoudHiermee geeft u het type object op dat in het kader voor plaatsaanduidingen wordt opgenomen.
Opmerking: Als u Tekst kiest, staat er een invoegpositie in het tekstkader. Kiest u Afbeelding of Niet toegewezen, dan wordt het objectkader
geselecteerd in InDesign.
ObjectstijlGeeft de stijl op waarmee u het object kunt opmaken. De objectstijlen die u hebt gedefinieerd en opgeslagen, staan in dit menu.
AlineastijlGeeft de alineastijl op waarmee u het object kunt opmaken. De alineastijlen die u hebt gedefinieerd en opgeslagen, staan in dit menu.
Opmerking: Als voor de objectstijl een alineastijl is geactiveerd en u kiest een andere stijl in het menu Alineastijl, of als u wijzigingen aanbrengt
in de opties voor Verankerde positie voor een stijl, staat er een plusteken (+) in het menu Objectstijl ten teken dat er overschrijvingen hebben
plaatsgevonden.
Hoogte en breedteGeef de afmetingen van het kader voor plaatsaanduidingen op.
Opties voor inline-positionering en positionering boven de regel
Als u Inline of Boven regel selecteert in het menu Positie in het dialoogvenster Opties verankerd object, zijn de volgende opties beschikbaar voor
het instellen van de positie van het verankerde object. (U kunt deze opties ook gebruiken via het dialoogvenster Verankerd object invoegen.)
InlineLijnt de onderkant van het verankerde object op de basislijn uit. Voor inline-objecten gelden bepaalde beperkingen als deze worden
verplaatst langs de y-as: de bovenkant van het object kan niet voorbij de witruimte aan de onderkant worden verplaatst en de onderkant van het
object kan niet boven de witruimte aan de bovenkant uitkomen.
Y verschuivenPast de positie van de basislijn aan. U kunt het object ook verticaal met de muis over de pagina slepen.
Boven regelLijnt het object uit boven de tekstregel waarin het ankerpunt staat, en onder de tekstregel boven het ankerpunt.
UitlijningKies een van de volgende opties:
Links, Rechts en GecentreerdLijnt het object uit binnen de tekstkolom. Bij deze opties worden de inspringingswaarden genegeerd die
op de alinea worden toegepast, en wordt het object in de gehele kolom uitgelijnd.
Naar rug en Weg van rugLijnt het object links of rechts uit, afhankelijk van de plaats op de spread waar het object zich bevindt. Bij deze
opties worden de inspringingswaarden genegeerd die op de alinea worden toegepast, en wordt het object in de gehele kolom uitgelijnd.
(Tekstuitlijning)Lijnt het object uit op basis van de uitlijning die is gedefinieerd door de alinea. Bij deze optie worden bij het uitlijnen van
het object de inspringingswaarden voor de alinea gebruikt.
Ruimte voorGeeft de positie van het object ten opzichte van de onderkant van de witruimte in de voorafgaande tekstregel aan. Bij positieve
waarden worden zowel het object als de onderstaande tekst naar beneden verplaatst. Bij negatieve waarden wordt de tekst onder het object
omhoog verplaatst richting het object. De maximale negatieve waarde is de hoogte van het object.
Ruimte naGeeft de positie van het object aan ten opzichte van de hoogte van de hoofdletter van het eerste teken in de tekstregel onder het
object. Bij een waarde van 0 wordt de onderkant van het object uitgelijnd op de positie van de hoogte van de hoofdletter. Bij een positieve waarde
wordt de tekst onder het object omlaag verplaatst (weg van de onderkant van het object). Bij een negatieve waarde wordt de tekst onder het object
omhoog verplaatst (richting het object).
De opties Ruimte voor en Ruimte na gebruiken
A.Bij een waarde van 0P10 voor Ruimte voor worden het object en de bijbehorende tekst verder van de bovenstaande tekstregel
vandaan verplaatst.B.Bij een waarde van 0P10 voor Ruimte na worden het object en de bovenstaande tekst verder van de bijbehorende
tekstregel vandaan verplaatst (onder).
Opmerking: Verankerde objecten die zijn ingesteld op Boven lijn blijven altijd bij de regel met het anker staan. De tekst kan niet zodanig worden
opgemaakt dat het object zich onder aan de ene pagina bevindt terwijl de regel met het ankerpunt boven aan de volgende pagina staat.
Opties voor aangepaste positionering
U kunt de volgende opties gebruiken bij het plaatsen van een verankerd object met aangepaste positionering. U kunt deze opties ook opgeven via
het dialoogvenster Verankerd object invoegen of het dialoogvenster Opties verankerd object. Zie Een verankerd object met aangepaste positie
positioneren voor stapsgewijze instructies bij het instellen deze opties.
Ten opzichte van rugBepaalt of het object wordt uitgelijnd ten opzichte van de rug van het document. Als u deze optie selecteert, wordt de
proxy van het referentiepunt voor het verankerde object weergegeven als een spread van twee pagina's. De twee pagina's zijn gespiegeld. Als
deze optie is geselecteerd, blijven objecten die zich aan de ene kant van een spread bevinden, zoals de buitenmarge, in de buitenmarge staan
zelfs als de tekst doorloopt naar de tegenoverliggende pagina.
De optie Ten opzichte van rug gebruiken
A.Ten opzichte van rug niet geselecteerd: het object blijft aan de linkerkant van het tekstkader staan wanneer de tekst doorloopt naar de
rechterkant van de spread.B.Ten opzichte van rug wel geselecteerd: het object blijft aan de buitenrand van de pagina staan wanneer de tekst
doorloopt naar de rechterkant van de spread.
Opmerking: Als u na de optie Ten opzichte van rug te hebben geselecteerd, de waarde voor X-verschuiving aanpast, verandert mogelijk de
richting waarin het object wordt verplaatst. Deze wijziging vindt plaats omdat de richting van de verplaatsing gedeeltelijk afhankelijk is van de kant
van de spread waar zich het object bevindt.
Referentiepunt van verankerd object Geeft de locatie van het object aan dat u wilt uitlijnen op de locatie op de pagina (zoals opgegeven met
het referentiepunt voor verankerde positie). Als u bijvoorbeeld de rechterkant van het object wilt uitlijnen op een pagina- item, zoals een
tekstkader, klikt u op het meest rechtse punt van deze proxy. Zie Een verankerd object met aangepaste positie positioneren voor meer informatie
over het gebruiken van dit referentiepunt.
Referentiepunt van verankerde positie Geeft de locatie op de pagina op (zoals gedefinieerd door de opties X ten opzichte van en Y ten
opzichte van), waarop u het object wilt uitlijnen. Als u bijvoorbeeld Tekstkader kiest bij X ten opzichte van en Regel (basislijn) voor Y ten opzichte
van, geeft deze proxy het horizontale gebied aan van het tekstkader en het verticale gebied van de tekstregel die het ankerpunt van het object
bevat. Als u op het meest linkse punt van deze proxy klikt, wordt het referentiepunt van dit object uitgelijnd op de linkerrand van het tekstkader
en de basislijn van de tekst.
De rechterkant van het object uitgelijnd op de linkerkant van het tekstkader.
Opmerking: Afhankelijk van wat u kiest voor X ten opzichte van en Y ten opzichte van, worden drie of negen posities weergegeven voor de
proxy van het referentiepunt voor de verankerde positie. Regelopties zoals Regel (basislijn) bieden slechts drie mogelijkheden namelijk
middenlinks, midden en middenrechts, omdat de verticale positionering wordt bepaald door het ankerpunt in de tekst.
X ten opzichte vanHiermee geeft u op wat u als basis voor horizontale uitlijning wilt gebruiken. Met bijvoorbeeld Tekstkader kunt u het object
uitlijnen ten opzichte van de linkerkant, rechterkant of het midden van het tekstkader. Waar exact horizontaal op wordt uitgelijnd, is afhankelijk van
de referentiepunten die u kiest, en de verschuiving die u eventueel opgeeft voor X-verschuiving.
Als u bijvoorbeeld het object wilt weergeven in de paginamarge met de rechterrand uitgelijnd ten opzichte van de paginamarge, kiest u
Paginamarge bij X ten opzichte van en geeft u het meest rechtse punt op voor de proxy van het referentiepunt voor het verankerde object en het
meest linkse punt voor de proxy van het referentiepunt voor de verankerde positie.
De optie X ten opzichte van
A.De rechterkant van het object uitgelijnd op de linkerkant van het tekstkaderB.De rechterkant van het object uitgelijnd op de
linkerkant van de paginamarge
X verschuivenVerplaatst het object naar links of naar rechts. Of het naar links of naar rechts wordt verplaatst, is afhankelijk van het
referentiepunt. Bij uitlijnen op het midden van het pagina-item wordt het object bij een positieve waarde naar rechts verplaatst. De richting van de
verplaatsing is ook afhankelijk van het feit of u de optie Ten opzichte van rug hebt geselecteerd.
Y ten opzichte vanBepaalt waarop het object verticaal wordt uitgelijnd. Met bijvoorbeeld Paginarand kunt u de rand van de pagina gebruiken als
basis voor het uitlijnen van het object op de bovenkant, de onderkant of het midden van de pagina. Met het referentiepunt voor de verankerde
positie wordt het object uitgelijnd op de bovenkant, de onderkant of het midden van dit pagina-item. Als u een regeloptie kiest, zoals Regel
(basislijn), wordt met het referentiepunt voor de verankerde positie alleen de middelste horizontale rij met punten weergegeven.
De optie Y ten opzichte van
A.De bovenkant van het object uitgelijnd op de bovenrand van de paginaB.De onderkant van het object uitgelijnd op de onderrand
van de pagina
Y verschuivenVerplaatst het object omhoog of omlaag. Bij een positieve waarde wordt het object omlaag verplaatst.
Binnen bovenste/onderste kolomgrenzen houdenHoudt het object binnen de tekstkolom als dit anders buiten de grenzen zou vallen vanwege
het doorlopen van de tekst. In dergelijke gevallen wordt de onderkant van het object uitgelijnd op de onderste inzet of wordt de bovenkant van het
object uitgelijnd op de bovenste inzet. Zo kan een verankerd object aan de zijkant van een tekstregel en in het midden van een kolom er prima
uitzien. Als deze optie echter niet is geselecteerd, kan het object onder de kolomrand of gedeeltelijk buiten de pagina terechtkomen als het
ankerpunt naar de onderkant van de kolom doorloopt. Wanneer deze optie is geselecteerd, kunt u het object niet tot boven of onder de
Naar boven
kolomgrenzen slepen. Als u het formaat van het object wijzigt, wordt het indien nodig opnieuw uitgelijnd op de boven- of ondergrens van de
kolom. Deze optie is alleen beschikbaar als u een regeloptie selecteert, zoals Regel (basislijn) voor Y ten opzichte van.
Opmerking: Als in InDesign de positie van het object wordt gewijzigd zodat dit binnen de grenzen van de kolom valt, wordt de waarde voor de
opgegeven Y-verschuiving met een plusteken (+) in het dialoogvenster weergegeven.
Handmatige positionering voorkomenHiermee zorgt u ervoor dat het verankerde object niet kan worden verplaatst door het te slepen of
stapsgewijs te verschuiven op de pagina.
VoorvertoningGeeft de aanpassingen die u voor de positie aanbrengt, op de pagina weer.
Een verankerd object met aangepaste positie positioneren
Let op het volgende wanneer u met het dialoogvenster Opties verankerd object verankerde objecten met aangepaste positionering gaat plaatsen.
Er zijn vier hoofdopties voor aangepaste positionering: de twee referentiepuntproxy's en de menu's X ten opzichte van en Y
ten opzichte van. Deze opties werken allemaal samen bij de bepaling van de locatie van het object. Wat u bijvoorbeeld kiest
voor X ten opzichte van en Y ten opzichte van, is bepalend voor het referentiepunt voor de verankerde positie. Dat kan een
tekstkader, een tekstregel binnen een kolom of een hele pagina zijn. In de volgende afbeelding ziet u hoe u de locatie van het
object kunt wijzigen door een ander referentiepunt te kiezen, terwijl de opties voor X ten opzichte van en Y ten opzichte van
ongewijzigd blijven.
De locatie van het verankerde object wijzigen (X ten opzichte van ingesteld op Tekstkader; Y ten opzichte van ingesteld op
Regel (basislijn))
A.Het punt rechtsonder op de proxy voor het verankerde object en het punt links van het midden op de proxy voor de
verankerde positie kiezenB.Het proxypunt voor het verankerde object in de linkerbovenhoek plaatsen en het proxypunt voor
de verankerde positie links van het midden laten staanC.De proxy voor het verankerde object in de linkerbovenhoek laten
staan en het proxypunt voor de verankerde positie rechts van het midden plaatsen
Als u een verankerd object wilt maken dat op dezelfde positie op de pagina blijft staan (bijvoorbeeld de linkerbovenhoek) terwijl
tekst doorloopt en dat alleen wordt verplaatst als de tekst op een andere pagina doorloopt, verankert u het object op de
paginamarges of paginaranden. Stel bijvoorbeeld X ten opzichte van en Y ten opzichte van in op Paginamarge en klik op het
referentiepunt in de linkerbovenhoek van het object en op het referentiepunt in de linkerbovenhoek van het pagina-item .
Als de tekst doorloopt, blijft het object in de linkerbovenhoek binnen de paginamarges staan. Alleen als de tekstregel waarin
het anker staat, op een andere pagina doorloopt, wordt het object verplaatst en wel naar de linkerbovenhoek van de volgende
pagina.
Naar boven
Verankerd object op een specifieke locatie op de pagina plaatsen
A.Object plaatsen met behulp van Paginamarge of Paginarand voor X ten opzichte van en Y ten opzichte vanB.Als tekst
doorloopt, volgt het object de tekst pas als deze doorloopt op de volgende pagina
Als u het object wilt uitlijnen op een specifieke tekstregel zodat het object bij deze tekst blijft staan als de tekst doorloopt, kiest
u een regeloptie in het menu Y ten opzichte van.
Als u het object binnen het tekstkader maar niet bij een specifieke tekstregel wilt houden als de tekst doorloopt, kiest u
Tekstkader in het menu X ten opzichte van.
Als u het object ten opzichte van de marge wilt uitlijnen (bijvoorbeeld als u een zijbalk wilt maken die in de buitenmarge blijft
staan terwijl de tekst doorloopt op een andere pagina), selecteert u Ten opzichte van rug.
1. Selecteer een object en kies Object > Verankerd object > Opties.
2. Kies Aangepast in het menu Positie.
Als u tijdens het instellen van opties wilt zien hoe het object op de pagina wordt verplaatst, schakelt u Voorvertoning onder
in het dialoogvenster in.
3. Als u het object ten opzichte van de rug van het document aan dezelfde kant van de pagina wilt laten staan, selecteert u Ten
opzichte van rug. Selecteer bijvoorbeeld deze optie als u wilt dat het object zich altijd in de buitenmarge bevindt, ongeacht
aan welke kant van de spread het staat.
4. Klik op het punt van de proxy voor het referentiepunt van het verankerde object , dat het punt op het object aangeeft dat u
wilt uitlijnen met de pagina.
5. Kies in het menu X ten opzichte van het pagina-item dat u wilt gebruiken als de horizontale basis voor het uitlijnen van het
object. Kies bijvoorbeeld Tekstkader om het object uit te lijnen op de linkerkant, de rechterkant of het midden van het
tekstkader.
6. Kies in het menu Y ten opzichte van het pagina-item dat u wilt gebruiken als de verticale basis voor het uitlijnen van het
object. Als u het object bijvoorbeeld wilt uitlijnen op de basislijn van de tekst waaraan het is verankerd, kiest u Regel
(basislijn).
7. Klik op het punt op de proxy Referentiepunt voor verankerde positie die aangeeft op welke pagina-items die zijn gekozen
in de menu's X ten opzichte van en Y ten opzichte van, u het object wilt uitlijnen.
8. Geef een X-verschuiving of Y-verschuiving op om het object (stapsgewijs) bij het uitlijningspunt vandaan te verplaatsen.
9. Zorg ervoor dat het object niet onder of boven een kolomrand uitsteekt als de tekst doorloopt. Dit doet u door de optie Binnen
bovenste/onderste kolomgrenzen houden te selecteren. Deze optie is alleen beschikbaar wanneer u in het menu Y ten
opzichte van een regeloptie selecteert, zoals Regel (basislijn).
10. Klik op OK.
Werken met verankerde objecten met behulp van slepen en neerzetten (CS5.5)
U kunt een bestaand object naar een tekstkader slepen om het object te verankeren of te verplaatsen. Gebruik het gereedschap Selecteren of
Direct selecteren om het object te selecteren. Sleep vervolgens het blauwe vakje naast de rechterbovenhoek van het tekstkader. Ga op een van
de volgende manieren te werk:
Naar boven
Naar boven
Naar boven
Naar boven
Als u een bestaand object wilt verankeren, sleept u het blauwe vakje naar de positie waar het anker voor het object moet
worden weergegeven.
Als u een inline-object wilt maken, drukt u op Shift en sleept u het blauwe vakje naar de positie waar het object moet worden
weergegeven.
Als u opties voor een verankerd object wilt opgeven, houdt u Alt (Windows) of Option (Mac OS) ingedrukt en sleept u het
blauwe vakje naar de positie waar het anker voor het object moet worden weergegeven.
Verankerde objecten selecteren en kopiëren
Met het gereedschap Selecteren kunt u slechts één verankerd object tegelijk selecteren. Met het gereedschap Tekst kunt u een tekstfragment met
meerdere ankerpunten voor verankerde objecten selecteren. Wanneer u met het gereedschap Tekst meerdere ankerpuntmarkeringen selecteert,
kunt u de plaatsingsopties voor alle verankerde objecten tegelijk wijzigen.
Opmerking: Als er meerdere verankerde objecten op dezelfde positie staan, als bijvoorbeeld in één tekstregel de markeringen voor twee
verankerde objecten met dezelfde verankeringskenmerken staan, overlappen de objecten elkaar.
Wanneer u tekst kopieert die een markering voor een verankerd object bevat, kopieert u ook het verankerde object. Als u een verankerd object
kopieert en dit buiten tekst plakt, wordt het verankerde object een onafhankelijke afbeelding die niet aan tekst is gekoppeld.
Ankerpunten voor verankerde objecten weergeven op de pagina
U kunt ankers en de bijbehorende relaties met de tekst op de pagina bekijken door objectmarkeringen weer te geven. Gebruik hiervoor een van
de volgende methoden:
Om de ankerpunten in de tekst weer te geven, kiest u Tekst > Verborgen tekens tonen.
Om een stippellijn tussen een ankerpunt en het bijbehorende object met aangepaste positionering weer te geven, selecteert u
het object en kiest u Weergave > Extra's > Tekstverbindingen tonen. De verbinding loopt van het ankerpunt naar het huidige
proxypunt voor het verankerde object.
Om ankerpuntsymbolen van verankerde objecten weer te geven, kiest u Weergave > Extra's > Kaderranden tonen. Door
ankerpuntsymbolen te bekijken, kunt u zien welke objecten er zijn verankerd.
Een verankerd object handmatig opnieuw positioneren op de pagina
Als u een kader verplaatst, worden ook de verankerde objecten verplaatst, tenzij het object ten opzichte van marges of pagina's is geplaatst.
Opmerking: Voordat u een verankerd object gaat verplaatsen, controleert u eerst of de optie Handmatige positionering voorkomen in het
dialoogvenster Verankerde objecten is uitgeschakeld voor het object. U kunt echter ook Object > Positie ontgrendelen kiezen.
Ga op een van de volgende manieren te werk:
Om inline verankerde objecten te verplaatsen, selecteert u het object met het gereedschap Selecteren of het gereedschap
Direct selecteren en sleept u vervolgens dat object verticaal. U kunt inline-objecten alleen verticaal en niet horizontaal
verplaatsen.
Als u een inline verankerd object of een boven de regel verankerd object buiten het tekstkader wilt plaatsen, zet u het om
naar een object met aangepaste positie en verplaatst u het vervolgens naar de gewenste positie.
Als u een inline verankerd object parallel aan de basislijn wilt verschuiven, plaatst u de invoegpositie voor of achter het object
en geeft u een nieuwe spatiëringswaarde op.
Als u een inline verankerd object of een boven de regel verankerd object buiten het tekstkader wilt plaatsen, zet u het om
naar een object met aangepaste positie en verplaatst u het vervolgens naar de gewenste positie.
Als u verankerde objecten met aangepaste positionering wilt verplaatsen, selecteert u het object met Selecteren of Direct
selecteren en sleept u vervolgens dat object verticaal of horizontaal.
U kunt een verankerd object ook roteren en transformeren. (Zie Objecten transformeren en Objecten roteren.)
Het formaat van een verankerd object wijzigen
Voordat u het formaat van een verankerd object gaat wijzigen, controleert u eerst of de optie Handmatige positionering voorkomen in het
dialoogvenster Verankerde objecten is uitgeschakeld.
Selecteer het object met het gereedschap Selecteren of het gereedschap Direct selecteren en sleep vervolgens de zij- of hoekhandgreep.
Opmerking: Als het verticale formaat van ankerpunten op de regel (inline) of boven de regel wordt gewijzigd, kan het object overlopen. Loopt het
ankerpunt over, dan loopt ook het object over.
Wanneer het formaat van een verankerd object wordt gewijzigd, wordt het object mogelijk ook verplaatst. Als u bijvoorbeeld de rechterkant van
een object hebt uitgelijnd op de linkerkant van het tekstkader en vervolgens de rechterhandgreep van het object 1 pica naar links sleept (weg van
de rand van het tekstkader), wordt het formaat van het object gewijzigd en wordt het object vervolgens 1 pica naar rechts verplaatst.
Naar boven
Een verankerd object vrijgeven
Als u niet langer wilt dat een object wordt verplaatst ten opzichte van de bijbehorende tekst, kunt u het object vrijgeven om het anker te
verwijderen.
Selecteer het verankerde object met een selectiegereedschap en kies vervolgens Object > Verankerd object > Vrijgeven.
Het object op de pagina verandert niet van plaats.
Opmerking: De opdracht Vrijgeven kan niet worden gebruikt bij inline-objecten of objecten boven de regel. Als u Vrijgeven niet kunt gebruiken,
selecteert u het verankerde object, en knipt en plakt u het object. U kunt het verankerde object ook selecteren en knippen met het gereedschap
Tekst.
Juridische kennisgevingen | Onlineprivacybeleid
Opsommingstekens en nummering
Naar boven
Een lijst met opsommingstekens of nummers maken
Een lijst met opsommingstekens of nummers opmaken
Opsommingstekens wijzigen
Opties voor een genummerde lijst wijzigen
Lijsten definiëren
Een alineastijl maken voor doorlopende lijsten
Lijsten met meerdere niveaus maken
Doorlopende bijschriften maken voor figuren en tabellen
De nummering van een lijst opnieuw instellen of vervolgen
Lijsten met opsommingstekens of nummers omzetten naar tekst
Een lijst met opsommingstekens of nummers maken
Elke alinea in een opsommingslijst begint met een opsommingsteken. In genummerde lijsten begint elke alinea met een uitdrukking waarin een
nummer of letter en een scheidingsteken, zoals een punt of haakjes, zijn opgenomen. De nummers in een lijst met nummering worden
automatisch bijgewerkt als u alinea's uit de lijst verwijdert of eraan toevoegt. U kunt de volgende kenmerken wijzigen: het type opsommingsteken
of de nummeringsstijl, het scheidingsteken, de lettertypekenmerken en tekenstijlen en het type en de mate van de inspringing.
U kunt het gereedschap Tekst niet gebruiken om de opsommingstekens of nummers in een lijst te selecteren. U bewerkt de opmaak en de
inspringing via het dialoogvenster Lijsttekens of het deelvenster Alinea. Als de lijsttekens deel uitmaken van een stijl, kunt u ook het gedeelte
Opsommingstekens en nummering van het dialoogvenster Alineastijlen gebruiken.
Lijsten met opsommingstekens en nummering
U kunt snel een lijst met opsommingstekens of een genummerde lijst maken door de lijst te typen, deze te selecteren en vervolgens op de knop
Lijst met opsommingstekens of Genummerde lijst te klikken in het regelpaneel. Met deze knoppen kunt u lijsten in- of uitschakelen en van
opsommingstekens overstappen op nummers en andersom. U kunt de opsommingstekens en de nummering ook deel laten uitmaken van een
alineastijl en lijsten samenstellen door stijlen toe te wijzen aan alinea's.
Opmerking: Automatisch gegenereerde opsommingstekens en nummertekens worden niet daadwerkelijk in de tekst geplaatst. Daarom kunt u
deze niet vinden met een tekstzoekopdracht of selecteren met het gereedschap Tekst, tenzij u de tekens omzet naar tekst. Bovendien zijn
opsommingstekens en nummering niet zichtbaar in het venster van de artikeleditor (behalve in de alineastijlkolom).
Op www.adobe.com/go/vid0077_nl vindt u een videodemo over het maken van lijsten met opsommingstekens en nummers.
Op de blog InDesign Docs vindt u een reeks artikelen over het gebruik van opsommingstekens en nummering voor het maken van contouren,
lijsten met meerdere niveaus, afbeeldingsbijschriften en genummerde stappen.
1. Selecteer de alinea's die deel uit moeten maken van de lijst, of klik om een invoegpositie te plaatsen op de plek waar de lijst
moet beginnen.
2. Ga als volgt te werk:
Klik op de knop Lijst met opsommingstekens of de knop Genummerde lijst in het regelpaneel (in de modus
Alinea). Houd Alt (Windows) of Option (Mac OS) ingedrukt en klik op een knop om het dialoogvenster Opsommingstekens
en nummering weer te geven.
Naar boven
Kies Opsommingstekens en nummering in het deelvenster Alinea of in het regelpaneel. Kies Opsommingstekens of
Nummers bij Lijsttype. Geef de gewenste instellingen op en klik op OK.
Pas een alineastijl toe die opsommingstekens of nummering bevat.
3. Als u de lijst wilt voortzetten in de volgende alinea, verplaatst u het invoegpunt naar het einde van de lijst en drukt u op Enter
of Return.
4. U beëindigt de lijst (of het segment van de lijst als u de lijst verderop in het artikel wilt vervolgen) door nogmaals op de knop
Lijst met opsommingstekens of de knop Genummerde lijst in het regelpaneel te klikken of Opsommingstekens en nummering
te kiezen in het menu van het deelvenster Alinea.
Een lijst met opsommingstekens of nummers opmaken
1. Selecteer de alinea's met opsommingstekens of de genummerde alinea's die u opnieuw wilt opmaken met het gereedschap
Tekst .
2. Open het dialoogvenster Opsommingstekens en nummering op een van de volgende manieren:
Kies Opsommingstekens en nummering in het menu van het regelpaneel (in de modus Alinea) of in het menu van het
deelvenster Alinea.
Houd Alt (Windows) of Option (Mac OS) ingedrukt en klik op de knop Lijst met opsommingstekens of de knop
Genummerde lijst .
3. Voer in het dialoogvenster Opsommingstekens en nummering een of meerdere van de volgende handelingen uit:
Wijzig het opsommingsteken.
Wijzig de opties voor de genummerde lijst.
Kies een stijl voor de nummers of opsommingstekens in de lijst Tekenstijl.
4. Wijzig de positie van het opsommingsteken of het nummer met de volgende opties:
UitlijningHiermee kunt u de opsommingstekens en de nummers links, rechts, of gecentreerd uitlijnen in de horizontale ruimte
die is toegewezen aan de nummers. (Bij weinig ruimte is het verschil tussen de drie opties te verwaarlozen.)
Links inspringenHiermee kunt u aangeven hoe ver de regels na de eerste regel zijn ingesprongen.
Inspringing eerste regelHiermee bepaalt u waar het opsommingsteken of het nummer wordt geplaatst.
Voer een hogere waarde in voor Eerste regel inspringen als u de interpunctie in lange lijsten wilt uitlijnen. Als u bijvoorbeeld
wilt dat “9.” en “10.” op de punt worden uitgelijnd, wijzigt u de instelling voor Rechts uitgelijnd en verhoogt u geleidelijk de
waarde voor Eerste regel inspringen tot de getallen naar wens zijn uitgelijnd (vergeet niet om Voorvertoning in te schakelen).
Als u een hangende inspringing wilt maken, geeft u een positieve waarde op voor Links inspringen (bijvoorbeeld 2p0) en de
overeenkomende negatieve waarde voor Inspringing eerste regel (bijvoorbeeld -2p0).
Instellingen voor Positie
A. InspringingB.Links uitgelijnde lijst
Opmerking: De instellingen voor Links inspringen, Inspringing eerste regel en Tabpositie in het dialoogvenster
Opsommingstekens en nummering zijn alineakenmerken. Als u deze instellingen wijzigt in het deelvenster Alinea, wordt de
opmaak van de opsommingstekens en genummerde lijsten ook aangepast.
TabpositieHiermee activeert u de tabpositie, zodat er ruimte ontstaat tussen het opsommingsteken en het nummer enerzijds
en de lijstonderdelen anderzijds.
Standaard nemen de opsommingstekens en nummers bepaalde elementen van de tekstopmaak over van het eerste teken in de alinea waaraan ze
zijn gekoppeld. Als het eerste teken in een alinea verschilt van de eerste tekens in andere alinea's, kan het voorkomen dat het nummer of het
opsommingsteken er anders uitziet dan de andere lijstonderdelen. Als u deze opmaak niet wilt toepassen, kunt u een aparte tekenstijl
samenstellen voor nummers en opsommingstekens en deze stijl op de lijst toepassen via het dialoogvenster Opsommingstekens en nummering.
Naar boven
Het cursieve eerste woord van stap 3 zorgt ervoor dat de nummering ook cursief wordt, tenzij u een tekenstijl instelt voor nummers en deze stijl
toepast op de lijst.
Opsommingstekens wijzigen
Als u de bestaande opsommingstekens niet wilt gebruiken, kunt u andere opsommingstekens toevoegen aan het raster Opsommingsteken. Een
opsommingsteken dat beschikbaar is voor een bepaald lettertype, is niet altijd beschikbaar voor andere lettertypen. U kunt kiezen of het lettertype
wordt onthouden voor elk opsommingsteken dat u toevoegt.
Als u een opsommingsteken wilt gebruiken dat voor een bepaald lettertype geldt (zoals het wijzende handje in Dingbats), moet u niet vergeten in
te stellen dat het opsommingsteken dat lettertype onthoudt. Als u een standaardopsommingsteken gebruikt, kunt u het lettertype beter niet
onthouden, omdat de meeste lettertypen over een eigen versie van het opsommingsteken beschikken. Afhankelijk van het feit of u de optie
Lettertype bij opsomming onthouden hebt geselecteerd, kan een opsommingsteken dat u toevoegt, verwijzen naar een Unicode-waarde en een
specifieke lettertypefamilie en -stijl of alleen naar een Unicode-waarde.
Opmerking: Opsommingstekens die alleen verwijzen naar de Unicode-waarde (zonder een onthouden lettertype), worden aangeduid met een
rode “u”-indicator.
Het dialoogvenster Opsommingstekens en nummering
A.Opsommingsteken zonder onthouden lettertypeB.Opsommingsteken met onthouden lettertype
Het opsommingsteken wijzigen
1. Selecteer Opsommingstekens en nummering in het menu van het regelpaneel of in het menu van het deelvenster Alinea.
2. In het dialoogvenster Opsommingstekens en nummering selecteert u Opsommingstekens in het menu Lijsttype.
3. Selecteer een ander opsommingsteken en klik op OK.
Een opsommingsteken toevoegen
1. Selecteer Opsommingstekens in het menu Lijsttype van het dialoogvenster Opsommingstekens en nummering en klik op
Toevoegen.
2. Selecteer de glyph die u als opsommingsteken wilt gebruiken. (De verschillende lettertypefamilies en -stijlen bevatten
verschillende glyphs.)
3. Selecteer Lettertype bij opsommingsteken onthouden als u wilt dat het nieuwe opsommingsteken het op dat moment gekozen
lettertype en de stijl onthoudt.
4. Klik op Toevoegen.
Opmerking: De lijst met opsommingstekens wordt opgeslagen in het document, net als alinea- en tekenstijlen. Als u alineastijlen uit een ander
document plakt of laadt, kunnen alle opsommingstekens die in die stijlen worden gebruikt, worden weergegeven in het dialoogvenster
Opsommingstekens en nummering, samen met de andere opsommingstekens die zijn gedefinieerd voor het huidige document.
Naar boven
Naar boven
Een opsommingsteken verwijderen
1. In het dialoogvenster Opsommingstekens en nummering selecteert u Opsommingstekens in het menu Lijsttype.
2. Selecteer het opsommingsteken dat u wilt verwijderen en klik op Verwijderen. (Het eerste vooraf ingestelde opsommingsteken
kan niet worden verwijderd.)
Opties voor een genummerde lijst wijzigen
De nummers in een genummerde lijst worden automatisch bijgewerkt als u alinea's uit de lijst verwijdert of eraan toevoegt. Alinea's die onderdeel
vormen van dezelfde lijst worden doorlopend genummerd. Deze alinea's hoeven niet opeenvolgend te zijn, zolang u maar een lijst hebt
gedefinieerd voor de alinea's.
U kunt ook een lijst met meerdere niveaus maken waarin de lijstonderdelen genummerd zijn in een overzichtsvorm en verschillende
inspringingsniveaus hebben.
1. Open het dialoogvenster Opsommingstekens en nummering.
2. Selecteer het type stijl dat u wilt gebruiken in het menu Opmaak onder Nummeringsstijl.
3. In het vak Nummer gebruikt u de standaardpunt (.) en -tab (^t), of u maakt een eigen numerieke uitdrukking. Als u een
numerieke uitdrukking wilt invoeren, verwijdert u de punt na het metateken voor nummers (^#) en voert u een van de volgende
handelingen uit:
Typ een teken (bijvoorbeeld een haakje sluiten) of meerdere tekens in plaats van de punt.
Kies een item (zoals een liggend streepje of het weglatingsteken) in het menu Speciaal teken invoegen.
Typ een woord of teken vóór het metateken voor nummers. Als u bijvoorbeeld vragen in een lijst wilt nummeren, kunt u
het woord Vraag invoeren.
4. Kies een tekenstijl voor de uitdrukking. (De stijl die u kiest, wordt toegepast op de gehele numerieke uitdrukking en niet alleen
op het nummer.)
5. Kies een van de volgende opties voor Modus:
Doornummeren vanaf vorig nummerDe items in een lijst worden doorlopend genummerd.
Beginnen bijHet eerste nummer in de lijst wordt bepaald door het nummer of de andere waarde die u hebt ingevoerd in het
tekstvak. Voer een nummer in, geen letter, ook als de lijst letters of Romeinse cijfers gebruikt.
6. Geef eventuele andere opties op en klik op OK.
Lijsten definiëren
Een gedefinieerde lijst kan worden onderbroken door andere alinea's en lijsten, en kan verschillende artikelen en meerdere documenten in een
boek omspannen. Met gedefinieerde lijsten kunt u bijvoorbeeld een overzicht met meerdere niveaus of een doorlopende lijst maken waarmee u in
het hele document de tabelnamen nummert. U kunt ook lijsten definiëren voor afzonderlijk genummerde items of afzonderlijke items met
opsommingstekens die door elkaar worden gebruikt. In een lijst met vragen en antwoorden kunt u bijvoorbeeld één lijst definiëren voor het
nummeren van de vragen en een andere lijst voor het nummeren van de antwoorden.
Gedefinieerde lijsten worden vaak gebruikt om alinea's bij te houden voor nummeringsdoeleinden. Wanneer u een alineastijl voor nummering
maakt, kunt u de stijl toewijzen aan een gedefinieerde lijst: de alinea's krijgen de desbetreffende stijl toegewezen en worden genummerd op basis
van hun positie in de gedefinieerde lijst. De eerste alinea die verschijnt, krijgt bijvoorbeeld nummer 1 (“Tabel 1”) en de tweede alinea krijgt nummer
2 (“Tabel 2”), ook al staat deze alinea een aantal pagina's verderop. Aangezien beide alinea's tot dezelfde gedefinieerde lijst behoren, kunt u ze
opeenvolgend nummeren, ongeacht hoe ver ze uit elkaar staan in het document of boek.
Definieer een nieuwe lijst voor elk type item dat u wilt nummeren, bijvoorbeeld stapsgewijze instructies, tabellen en figuren. Als u meerdere lijsten
maakt, kunt u een lijst onderbreken door een andere lijst, waarbij de nummering in beide lijsten behouden blijft.
Wanneer onderdelen in niet-verbonden kaders op dezelfde pagina worden weergegeven, zijn de onderdelen genummerd in de volgorde waarin
de tekstkaders aan de pagina zijn toegevoegd. Als u de volgorde van de onderdelen wilt aanpassen, knipt en plakt u de tekstkaders een voor
een in de volgorde waarin u ze wilt weergeven.
Naar boven
Met gedefinieerde lijsten kunt u een lijst onderbreken door een andere lijst.
Op www.adobe.com/go/vid0077_nl vindt u een videodemo over het maken van lijsten met opsommingstekens en nummers.
Een lijst definiëren
1. Kies Tekst > Lijst met opsommingstekens en nummers > Lijsten definiëren.
2. Klik op Nieuw in het dialoogvenster Lijsten definiëren.
3. Voer een naam in voor de lijst, geef aan of u wilt doornummeren in de artikelen en of u wilt doornummeren vanuit vorige
documenten in het boek.
4. Klik twee keer op OK.
Nadat u een lijst hebt gedefinieerd, kunt u de lijst gebruiken in een alineastijl, zoals een stijl voor tabellen, figuren of voor lijsten die op volgorde
zijn gesorteerd. U kunt de lijst toepassen via het regelpaneel of het deelvenster Alinea.
Opmerking: Sommige lijsten worden automatisch gedefinieerd. Als u bijvoorbeeld een genummerde lijst importeert vanuit een Microsoft Word-
document, wordt in InDesign automatisch een lijst gedefinieerd voor het document.
Een gedefinieerde lijst bewerken
1. Kies Tekst > Lijst met opsommingstekens en nummers > Lijsten definiëren.
2. Selecteer een lijst en klik op Bewerken.
3. Voer een nieuwe naam in voor de lijst of wijzig de opties voor het doornummeren die u hebt geselecteerd.
Alineastijlen die aan de lijst zijn toegewezen, worden opnieuw toegewezen aan de lijst onder de nieuwe naam.
Een gedefinieerde lijst verwijderen
1. Kies Tekst > Lijst met opsommingstekens en nummers > Lijsten definiëren.
2. Selecteer een lijst.
3. Klik op Verwijderen en selecteer een andere lijst of de lijst [Standaard] om de huidige lijst te vervangen.
Een alineastijl maken voor doorlopende lijsten
Naar boven
Als u een doorlopende lijst wilt maken (een lijst die wordt onderbroken door andere alinea's en die meerdere artikelen of documenten omspant),
moet u eerst een alineastijl maken en deze stijl toepassen op de alinea's die u wilt opnemen in de lijst. Als u bijvoorbeeld een doorlopende lijst wilt
maken van de tabellen in uw document, maakt u een alineastijl genaamd Tabellen. Daarna neemt u een gedefinieerde lijst op in de stijl en
vervolgens past u de alineastijl Tabellen toe op alle alinea's die u in uw lijst met tabellen wilt opnemen.
Op de blog InDesign Docs vindt u een reeks artikelen over het gebruik van opsommingstekens en nummering voor maken van
afbeeldingsbijschriften en genummerde stappen.
1. Kies Nieuwe alineastijl in het menu van het deelvenster Alineastijlen.
2. Voer een stijlnaam in.
3. Klik links in het dialoogvenster Nieuwe alineastijl op Opsommingstekens en nummering.
4. Kies Opsommingstekens of Nummering bij Lijsttype.
5. Als u een stijl wilt maken voor genummerde lijsten, kiest u een gedefinieerde lijst in het menu Lijst of u kiest Nieuwe lijst,
waarna u de lijst definieert.
6. Bepaal de kenmerken voor de opsommingstekens of de nummering.
7. In het gedeelte Positie opsommingsteken of nummer van het dialoogvenster Nieuwe alineastijl kunt u de instellingen voor de
inspringing wijzigen. Als u bijvoorbeeld een hangende inspringing wilt instellen, typt u 2p bij Links inspringen en -2p bij Eerste
regel inspringen.
8. Geef andere alineastijlkenmerken op voor de stijl en klik op OK.
Lijsten met meerdere niveaus maken
Een lijst met meerdere niveaus is een lijst die meerdere niveaus bevat waarin de hiërarchische relaties tussen de alinea's in de lijst worden
weergegeven. De lijsten worden ook wel overzichtslijsten genoemd omdat ze er uitzien als een overzicht. In het nummeringsschema van de lijst
(en de inspringingen) wordt de hiërarchische positie en de relatieve positie van de items aangegeven. Op deze manier kunt u zien waar elke alinea
in de lijst past met betrekking tot de voorafgaande alinea en de volgende alinea. U kunt tot negen niveaus opnemen in een lijst met meerdere
niveaus.
Lijst met meerdere niveaus met nummers en letters waarmee de hiërarchische niveaus worden aangeduid
Als u een lijst met meerdere niveaus wilt maken, moet u eerst de lijst definiëren. Vervolgens maakt u een alineastijl voor elk niveau dat u wilt
instellen. Voor een lijst met vier niveaus zijn bijvoorbeeld vier alineastijlen vereist (en aan elke stijl is dezelfde gedefinieerde lijst toegewezen).
Wanneer u een stijl maakt, bepaalt u ook de nummer- en alinea-opmaak hiervan.
Op Creating an automatic numbered list vindt u een videodemo van Gabriel Powell over het maken van contouren en lijsten met meerdere
niveaus.
Bob Bringhurst heeft een reeks artikelen geschreven over het gebruik van opsommingstekens en nummering voor het maken van contouren,
lijsten met meerdere niveaus, afbeeldingsbijschriften en genummerde stappen.
1. Kies Nieuwe alineastijl in het menu van het deelvenster Alineastijlen.
2. Voer een stijlnaam in.
3. Als u al een stijl hebt gemaakt voor de lijst met meerdere niveaus, kiest u de stijl die u wilt toewijzen aan de niveaus die
boven het huidige niveau liggen. U kunt de stijl kiezen in het menu Gebaseerd op, of u kunt Geen alineastijl of Basisalinea
kiezen.
4. Klik links in het dialoogvenster Nieuwe alineastijl op Opsommingstekens en nummering..
5. Kies Nummers in het menu Lijsttype.
Naar boven
Naar boven
6. Kies een lijst die u hebt gedefinieerd in het menu Lijst. Als u nog geen lijst hebt gedefinieerd, kunt u Nieuwe lijst kiezen in het
menu en de lijst alsnog definiëren..
7. Typ een getal in het vak Niveau. Hiermee geeft u aan voor welk niveau binnen de lijst met meerdere niveaus u de stijl wilt
instellen.
8. Kies het type nummering dat u wilt gebruiken in het menu Opmaak.
9. In het vak Nummer typt u de metatekens (of u selecteert de gewenste metatekens in de menu's) voor de nummeropmaak die
u wilt toepassen op de lijstonderdelen op dit niveau.
Als u nummeringsvoorvoegsels van hogere niveaus wilt opnemen, voert u de gewenste tekst in of klikt u vooraan in het
vak Nummer en kiest u Plaatsaanduiding voor getal invoegen. Vervolgens selecteert u een optie voor het niveau
(bijvoorbeeld Niveau 1), of typt u ^ gevolgd door het lijstniveau (bijvoorbeeld ^1). Stel dat u een lijst hebt waarin het eerste
niveau is genummerd met 1, 2, 3, enzovoort en het tweede niveau met a, b, c, enzovoort. Als u het voorvoegsel van het
eerste niveau opneemt in het tweede niveau, krijgt u de volgende nummering in het tweede niveau: 1a, 1b, 1c; 2a, 2b, 2c;
3a, 3b, 3c..
Voor een numerieke uitdrukking moet u de leestekens opgeven en metatekens invoeren, of u kunt kiezen uit de opties in
de lijst Speciaal teken invoegen.
10. Selecteer de optie Nummering op dit niveau opnieuw beginnen na als u opnieuw wilt nummeren vanaf 1 wanneer een alinea
van dit niveau voorkomt na een alinea van een hoger niveau. Als u deze optie uitschakelt, worden alinea's van dit niveau in
de hele lijst doorlopend genummerd, onafhankelijk van de hiërarchische positie van de alinea's in de lijst.
Als u de nummering opnieuw wilt laten beginnen na een bepaald niveau of niveaubereik, typt u het niveaunummer of -bereik
(zoals 2-4) in het veld Nummering op dit niveau opnieuw beginnen na.
11. Kies de opties Inspringing of Tabpositie in het gedeelte Positie opsommingsteken of nummer om de lijstonderdelen van dit
niveau verder te laten inspringen dan de lijstonderdelen van hogere niveaus. Door de inspringing worden de onderliggende
lijstonderdelen duidelijker weergegeven.
12. Klik op OK.
In bepaalde gevallen, bijvoorbeeld bij het gebruik van genummerde stappen, wilt u wellicht de nummering opnieuw laten starten binnen hetzelfde
artikel. Als u wilt voorkomen dat de genummerde lijst handmatig opnieuw wordt gestart, maakt u een aparte stijl die, op één uitzondering na,
identiek is aan de Niveau 1-stijl. Kies bij Modus de optie Beginnen bij en geef 1 op. Geef deze stijl een naam zoals “Niveau 1 opnieuw starten”.
Doorlopende bijschriften maken voor figuren en tabellen
Met doorlopende bijschriften kunt u figuren, tabellen en andere items in een document opeenvolgend nummeren. Het bijschrift voor het eerste
figuur wordt “Figuur 1”, het volgende bijschrift wordt “Figuur 2”, enzovoort. Als u wilt dat afbeeldingen, tabellen en dergelijke opeenvolgend worden
genummerd, definieert u een lijst voor het item en vervolgens maakt u een alineastijl waarin u de gedefinieerde lijst opneemt. Desgewenst kunt u
beschrijvingen zoals “Afbeelding” of “Tabel” toevoegen aan het nummeringsschema van de alineastijl.
Op de blog Numbered Lists Part III - Figure Captions vindt u een artikel van Bob Bringhurst over het maken van bijschriften voor afbeeldingen.
Lijstonderdelen worden genummerd in de volgorde waarin ze aan de pagina worden toegevoegd. Als u de volgorde van de onderdelen wilt
aanpassen, knipt en plakt u de onderdelen een voor een in de volgorde waarin u ze wilt weergeven.
1. Maak een nieuwe alineastijl en kies Nummers in het menu Lijsttype in het gedeelte Opsommingstekens en nummering van het
dialoogvenster Opties alineastijl.
2. Kies een gedefinieerde lijst in het menu Lijst (of kies Nieuwe lijst om een lijst te definiëren).
3. Selecteer het type stijl dat u wilt gebruiken in het menu Opmaak onder Nummeringsstijl.
Selecteer bijvoorbeeld de optie A, B, C, D... als u een lijst wilt maken voor “Afbeelding A,” “Afbeelding B”, enzovoort.
4. Voer in het vak Nummer een beschrijving in, samen met de benodigde spatiëring of leestekens en de metatekens voor de
nummering.
Als u bijvoorbeeld een “Afbeelding A”-effect wilt maken, voert u het woord “Afbeelding” en een spatie in vóór de metatekens
voor de nummering (zoals Afbeelding ^#.^t). Op deze manier wordt het woord “Afbeelding” opgenomen in het
nummeringsschema, gevolgd door een opeenvolgend nummer (^#), een punt en een tab (^t).
Opmerking: Als u hoofdstuknummers wilt opnemen in doorlopende bijschriften, kiest u Plaatsaanduiding voor getal invoegen
> Hoofdstuknummer uit de nummerlijst. U kunt ook ^H invoeren op de positie in het nummeringsschema waar u het
hoofdstuknummer wilt weergeven.
5. Voltooi de stijl en klik op OK.
Nadat u de stijl hebt gemaakt, past u deze toe op bijschriften van afbeeldingen of titels van tabellen.
Met de functie Inhoudsopgave kunt u lijsten met tabellen of figuren genereren.
De nummering van een lijst opnieuw instellen of vervolgen
Naar boven
InDesign bevat opdrachten waarmee u de nummering van een lijst opnieuw kunt instellen of vervolgen:
De nummering van een lijst opnieuw instellenPlaats de invoegpositie in de alinea en kies Opnieuw nummering beginnen in het contextmenu of
kies Tekst > Lijst met opsommingstekens en nummers > Opnieuw nummering. Bij normale lijsten wordt hiermee het nummer 1 (of de letter A)
toegewezen aan een alinea, waarna de alinea wordt ingesteld als de eerste alinea van de lijst. Bij lijsten met meerdere niveaus wordt hiermee het
eerste nummer op het lagere niveau toegewezen aan een geneste alinea.
De nummering van een lijst vervolgenKies Vervolgen nummering in het contextmenu of kies Tekst > Lijst met opsommingstekens en
nummers > Vervolgen nummering. Hierdoor wordt de nummering vervolgd van een lijst die is onderbroken door opmerkingen, afbeeldingen of
geneste lijstonderdelen. InDesign bevat ook opdrachten voor het nummeren van lijsten die in één artikel of boek beginnen en worden vervolgd in
het volgende artikel of boek.
Een lijst nummeren vanaf het vorige of huidige artikel
Het feit of de nummering van een lijst in het huidige artikel wordt vervolgd vanaf het vorige artikel of dat de nummering opnieuw begint, is
afhankelijk van de wijze waarop de lijst is gedefinieerd.
1. Kies Tekst > Lijst met opsommingstekens en nummers > Lijsten definiëren.
2. Selecteer een lijst en klik op de knop Bewerken.
Kies niet de standaardlijst. Bij deze lijst kan worden doorgenummerd in verschillende artikelen.
3. Selecteer Doornummeren in artikelen om de nummering van de lijst door te laten lopen vanaf het vorige artikel. Schakel deze
optie uit als u de lijst in het huidige artikel opnieuw wilt nummeren vanaf 1 (of A).
4. Klik twee keer op OK.
Een lijst nummeren vanaf het vorige of huidige document in een boek
Het feit of de nummering van een lijst in het huidige document wordt vervolgd vanaf het vorige document in een boek of dat de nummering
opnieuw begint, is afhankelijk van de wijze waarop de lijst is gedefinieerd.
1. Kies Tekst > Lijst met opsommingstekens en nummers > Lijsten definiëren.
2. Selecteer een lijst en klik op de knop Bewerken.
3. Selecteer Doornummeren vanuit vorig document in boek om de nummering van de lijst door te laten lopen vanaf het vorige
document (u moet eerst Doornummeren in artikelen selecteren om deze optie te activeren). Schakel deze optie uit als u de
lijst in het huidige document opnieuw wilt nummeren vanaf 1 (of A).
4. Klik twee keer op OK.
U zorgt ervoor dat de nummering in een boek juist wordt bijgewerkt door de documenten in het boek te synchroniseren en Nummering
bijwerken > Alle nummers bijwerken te selecteren in het menu van het deelvenster Boeken.
Lijsten met opsommingstekens of nummers omzetten naar tekst
1. Selecteer de alinea's die de lijst met opsommingstekens of nummers bevatten.
2. Ga op een van de volgende manieren te werk:
Kies Nummering naar tekst omzetten of Opsommingstekens naar tekst omzetten in het menu van het deelvenster Alinea.
Klik met de rechtermuisknop (Windows) of houd Control ingedrukt en klik (Mac OS) op de geselecteerde tekst en kies
Nummering naar tekst omzetten of Opsommingstekens naar tekst omzetten.
Opmerking: Als u de nummers of opsommingstekens in de lijst wilt verwijderen, klikt u op de knop Lijst met
opsommingstekens of op de knop Genummerde lijst om het toepassen van lijstopmaak op de geselecteerde tekst ongedaan
te maken.
Meer Help-onderwerpen
Video over lijsten met opsommingstekens en nummers
Juridische kennisgevingen | Onlineprivacybeleid
Bijschriften
Naar boven
Naar boven
Een bijschrift genereren van een afbeelding
Opties voor het instellen van bijschriften opgeven
Bijschriften maken met gebruik van variabelen
Bijschriftvariabelen definiëren
Een bijschrift is een beschrijvende tekst onder een afbeelding. U kunt in InDesign op verschillende manieren bijschriften maken waarin door u
ingestelde metagegevens voor de afbeelding worden weergegeven. InDesign biedt een speciale variabele voor bijschriften waarin de opgegeven
metagegevens van een afbeelding staan. Als het tekstkader met de variabele zich naast of in dezelfde groep als de afbeelding bevindt, geeft de
variabele de metagegevens van die afbeelding weer. U kunt een bijschrift maken van een bestaande afbeelding of wanneer u de afbeelding
plaatst, en u kunt een tekstkader maken dat een bijschriftvariabele bevat.
Op www.adobe.com/go/lrvid5156_id_nl en http://tv.adobe.com/go/4958/nl vindt u videodemo's over het genereren van bijschriften op basis van
metagegevens.
Bijschrift dat is gegenereerd op basis van de metagegevens van een afbeelding
Een bijschrift genereren van een afbeelding
Wanneer u een bijschrift maakt op basis van een bestaande afbeelding, kunt u voor een statisch bijschrift of een actief bijschrift kiezen. Het eerste
type kan alleen handmatig worden gewijzigd, terwijl het tweede type wordt bijgewerkt wanneer de afbeelding of de metagegevens van de
afbeelding veranderen. Als u een actief bijschrift bijvoorbeeld naast een andere afbeelding plaatst, vermeldt het bijschrift de metagegevens van de
andere afbeelding.
Als u Actief bijschrift genereren kiest, wordt automatisch een nieuwe variabele gemaakt op basis van de actieve instellingen voor bijschriften. Als
het metagegevenstype Beschrijving bijvoorbeeld is geselecteerd in het dialoogvenster Bijschriftinstellingen, wordt de variabele ''Actief
metagegevensbijschrift: Beschrijving'' gemaakt.
1. Kies Object > Bijschriften > Bijschriftinstellingen en geef instellingen op om de inhoud en de weergave van het bijschrift te
bepalen. Zie Opties voor het instellen van bijschriften opgeven.
2. Kies Object > Bijschrift > Actief bijschrift genereren of Statisch bijschrift genereren.
Opmerking: Een actief bijschrift waarin een lange reeks tekst, zoals een beschrijving, wordt weergegeven, wordt niet afgebroken via een
regeleinde, aangezien het een variabele is. Als een bijschrift op één regel wordt gepropt, is het wellicht beter het actieve bijschrift om te zetten in
een statisch bijschrift. Als u dat wilt doen, selecteert u het actieve bijschrift en kiest u Object > Bijschriften > Omzetten in statisch bijschrift.
U kunt ook een statisch bijschrift maken wanneer u een afbeelding plaatst. Selecteer Statische bijschriften maken in het dialoogvenster Plaatsen
en plaats het tekstkader van het bijschrift nadat u de afbeelding hebt geplaatst.
Opties voor het instellen van bijschriften opgeven
In het dialoogvenster Bijschriftinstellingen bepaalt u de inhoud en opmaak van de bijschriften die u genereert. Deze instellingen betreffen alleen
nieuwe bijschriften die u maakt, ze hebben geen invloed op bestaande bijschriften.
1. Kies Object > Bijschriften > Bijschriftinstellingen.
2. Kies de gewenste metagegevens en bepaal welke tekst voor en na de metagegevens wordt weergegeven.
3. Klik op het pictogram met het plusteken als u meerdere rijen met metagegevens wilt opnemen.
4. Geef de volgende opties op en klik op OK.
Naar boven
Naar boven
Tekst voor/Tekst naDe tekst die voor of na de opgegeven metagegevens wordt weergegeven.
MetagegevensKies een metagegevensoptie in de lijst, zoals Beschrijving of Plaats.
UitlijningBepaal waar u het bijschrift in verhouding tot de afbeelding wilt plaatsen.
VerschuivenGeef op hoe ver het bijschrift verwijderd staat van de rand van de tekstkader naast de afbeelding.
AlineastijlGeef de alineastijl op die u wilt toepassen op de bijschrifttekst. Als u wilt dat een bijschrift automatisch genummerd
wordt, zoals ''Afbeelding 1'', ''Afbeelding 2'', enzovoort, neemt u de nummering op in de alineastijl. Zie Doorlopende bijschriften
maken voor figuren en tabellen.
LaagGeef op in welke laag het bijschrift moet worden opgenomen.
Bijschrift met afbeelding groeperenGeef op of u het abeeldingskader en het bijschriftkader wilt groeperen.
Bijschriften maken met gebruik van variabelen
Als een tekstkader met een bijschriftvariabele aan een afbeelding grenst of met een afbeelding is gegroepeerd, geeft de variabele de
metagegevens van die afbeelding weer.
Bijschriftvariabelen
A.Tekstkader met bijschriftvariabele niet naast de afbeeldingB.Tekstkader naast afbeelding geplaatst
1. Definieer, indien noodzakelijk, de bijschriftvariabele die u wilt gebruiken. Zie Bijschriftvariabelen definiëren.
2. Maak het tekstkader dat voor het bijschrift gebruikt moet worden.
3. Plaats het invoegpunt in het tekstkader, kies Type > Tekstvariabelen > Variabele invoegen en kies de gewenste
bijschriftvariabele. Voeg het gewenste aantal bijschriftvariabelen in.
4. Verplaats het bijschrifttekstkader naast een afbeeldingskader of groepeer het bijschrifttekstkader met het afbeeldingskader.
Als de bijschriftvariabele leeg is, bewerkt u de metagegevens van de afbeelding en werkt u de afbeelding bij in het deelvenster Koppelingen. Ga
naar Metagegevens in afbeeldingsbestanden bewerken als u metagegevens van afbeeldingen wilt bewerken.
Bijschriftvariabelen definiëren
Bijschriftvariabelen worden automatisch bijgewerkt wanneer een tekstkader met een bijschriftvariabele naast een afbeelding wordt geplaatst.
Standaard wordt het metagegeven Naam gebruikt voor het type variabele wanneer u kiest Type > Tekstvariabelen > Variabele invoegen >
Afbeeldingsnaam. U kunt de variabele Afbeeldingsnaam bewerken of nieuwe variabelen maken die de metagegevens van de afbeeldingen
aangegeven.
1. Kies Type > Tekstvariabelen > Definiëren.
2. Kies Nieuw om een variabele te maken of Bewerken om een bestaande variabele te bewerken.
3. Selecteer Metagegevensbijschrift bij Type.
4. Kies een optie in het menu Metagegevens.
5. Geef de tekst op die voor of na de metagegevens wordt weergegeven en kies OK.
Juridische kennisgevingen | Onlineprivacybeleid
Padtekst maken
Naar boven
Tekst op een pad maken
Padtekst bewerken of verwijderen
De positie van padtekst aanpassen
Een effect op padtekst toepassen
Verankerde objecten toevoegen aan padtekst
Tekst op een pad maken
U kunt tekst zodanig opmaken dat deze langs de rand van een open of gesloten pad met een willekeurige vorm loopt. Ook kunt u opties en
effecten op padtekst toepassen, zoals langs een pad verschuiven, naar de andere kant van het pad spiegelen of tekens vervormen met de vorm
van het pad. Padtekst heeft een inpoort en een uitpoort net zoals andere tekstkaders, zodat u de tekst ermee kunt verbinden.
U kunt slechts één regel tekst op een pad weergeven, dus tekst die niet op het pad past, loopt over (wordt verborgen) tenzij u de tekst met een
ander pad of tekstkader verbindt. U kunt objecten die inline of boven de regel zijn verankerd, aan padtekst toevoegen. U kunt geen padtekst
maken met samengestelde paden, zoals paden die zijn gemaakt met de opdracht Contouren maken.
Padtekst
A. BeginhaakjeB. InpoortC.Middelste haakjeD. EindhaakjeE.Uitpoort die verbonden tekst aangeeft
1. Selecteer het gereedschap Padtekst . (Klik op het gereedschap Tekst en houd de muisknop ingedrukt om een menu weer
te geven met het gereedschap Padtekst.)
2. Plaats de aanwijzer op het pad waarna er een klein plusteken verschijnt naast de aanwijzer en voer een van onderstaande
handelingen uit:
Klik op het pad om de standaardinstellingen te gebruiken. Er wordt standaard een invoegpositie weergegeven aan het
begin van het pad. De invoegpositie kan ergens anders op het pad staan als de huidige standaardinstellingen van de
alinea een inspringing of een uitlijning (geen linkse uitlijning) bevatten.
Als u de tekst wilt beperken tot een specifiek deel van het pad, klikt u op het pad op de positie waar u de tekst wilt laten
beginnen en sleept u vervolgens langs het pad naar de positie waar u de tekst wilt laten eindigen. Vervolgens laat u de
muisknop los. Zie De positie van padtekst aanpassen voor informatie over het wijzigen van de begin- en eindpositie van
tekst.)
Locatie van padtekst wijzigen
Opmerking: Als klikken of slepen niet werkt, controleert u of het plusteken naast de aanwijzer van het gereedschap
Padtekst staat.
3. Typ de gewenste tekst. Door met de invoegpositie op het pad te klikken, wordt de tekst weergegeven over de hele lengte van
het pad. Door te slepen wordt de tekst weergegeven langs de afstand die u hebt gesleept.
Opmerking: Als het pad in eerste instantie zichtbaar was, blijft dit ook zichtbaar nadat u er tekst aan hebt toegevoegd. U verbergt het pad door
dit te selecteren met het gereedschap Selecteren of het gereedschap Direct selecteren en er de optie Geen voor lijn of vulling op toe te passen.
Naar boven
Naar boven
Padtekst bewerken of verwijderen
U kunt teken- en alineaopties op padtekst toepassen. Opties voor alinealijnen en -spatiëring hebben echter geen enkel effect op padtekst. De
uitlijningsinstelling in het deelvenster Alinea is van invloed op de uitlijning van padtekst.
Padteksttekens bewerken en opmaken
1. Voer met het gereedschap Padtekst een van de volgende handelingen uit:
Om een invoegpositie toe te voegen, klikt u tussen twee tekens in de padtekst.
Om tekens te selecteren, sleept u door de padtekst.
2. Bewerk de tekst en maak deze indien nodig op.
Tekst van een pad verwijderen
1. Selecteer een of meer padtekstobjecten met het gereedschap Selecteren of het gereedschap Direct selecteren .
2. Kies Tekst > Padtekst > Tekst van pad verwijderen.
Als de padtekst is verbonden, wordt deze verplaatst naar het volgende verbonden tekstkader of padtekstobject. Als de padtekst niet is verbonden,
wordt de tekst verwijderd. Het pad blijft bestaan maar de padtekstkenmerken gaan verloren. Alle haakjes, in- en uitpoorten en verbindingen
worden verwijderd.
Opmerking: Als de vulling en lijn zijn ingesteld op Geen, is het pad niet meer zichtbaar nadat de tekst is verwijderd. U kunt het pad weer
zichtbaar maken door op de D-toets te drukken direct nadat u Tekst > Padtekst > Tekst van pad verwijderen hebt gekozen. Hierdoor worden de
standaardvulling en -lijn toegepast op het geselecteerde pad.
Tekens langs sterk gebogen krommen en scherpe hoeken dichter op elkaar plaatsen
1. Selecteer de padtekst met het gereedschap Selecteren of het gereedschap Tekst.
2. Kies Tekst > Padtekst > Opties of dubbelklik op het gereedschap Padtekst.
3. Voer voor Spatiëring een waarde in punten in. Hoe hoger de waarde, des te meer ruimte er wordt verwijderd tussen de tekens
langs sterk gebogen curven of scherpe hoeken.
Padtekst voor (links) en na (rechts) het toepassen van een gewijzigde spatiëring
Opmerking: De spatiëringswaarde compenseert de manier waarop tekens langs een curve of scherpe hoek uitwaaieren. Dit heeft geen effect op
tekens langs rechte segmenten. U wijzigt de spatiëring voor tekens langs een pad door de tekens te selecteren en er vervolgens spatiëring op toe
te passen.
De positie van padtekst aanpassen
U kunt de begin- en eindpositie van padtekst wijzigen, tekst laten verschuiven en de positie van het pad op andere manieren wijzigen.
De begin- en eindpositie van padtekst wijzigen
1. Selecteer met het gereedschap Selecteren de padtekst.
2. Plaats de aanwijzer op het begin- of eindhaakje van de padtekst waarna er een klein pictogram naast de aanwijzer
verschijnt. Plaats de aanwijzer niet op de in- of uitpoort van het haakje.
Zoom in op het pad om gemakkelijker het haakje te kunnen selecteren.
3. Sleep het begin- of eindhaakje over het pad.
Naar boven
Plaats de aanwijzer op het begin- of eindhaakje en sleep om de grens van de padtekst te verplaatsen.
Opmerking: Als u een alinea-inspringing toepast, wordt deze gemeten vanaf de begin- en eindhaakjes.
Tekst langs een pad verschuiven
1. Selecteer met het gereedschap Selecteren de padtekst.
2. Plaats de aanwijzer op het middelste haakje van de padtekst waarna er een pictogram van het middelste haakje naast de
aanwijzer komt te staan.
Zoom in op het pad om gemakkelijker het haakje te kunnen selecteren.
3. Sleep het middelste haakje langs het pad.
Opmerking: De tekst wordt niet verplaatst als zowel het begin- als het eindhaakje zich aan de uiteinden van het pad bevinden. Als u ruimte wilt
maken voor het slepen van tekst, moet u het begin- of eindhaakje van het uiteinde van het pad wegslepen.
Padtekst spiegelen
1. Klik met het gereedschap Selecteren en selecteer de padtekst.
2. Plaats de aanwijzer op het middelste haakje van de padtekst waarna er een pictogram van het middelste haakje naast de
aanwijzer komt te staan .
3. Sleep het middelste haakje langs het pad.
Plaats de aanwijzer op het middelste haakje en sleep langs het pad om te spiegelen.
U kunt padtekst ook via een dialoogvenster spiegelen. Selecteer de padtekst met het gereedschap Selecteren of het
gereedschap Tekst. Kies Tekst > Padtekst > Opties. Selecteer de optie Spiegelen en klik op OK.
Een effect op padtekst toepassen
1. Selecteer de padtekst met het gereedschap Selecteren of het gereedschap Tekst.
2. Kies Tekst > Padtekst > Opties of dubbelklik op het gereedschap Padtekst.
3. Kies een van de volgende opties in het menu Effect en klik op OK:
Kies Regenboog als u het midden van de basislijn van elk teken op de raaklijn van het pad wilt houden. Dit is de
standaardinstelling.
Naar boven
Effecten padtekst
A. RegenboogB. SchuintrekkenC. 3D-lintD. TraptredeE. Zwaartekracht
Kies Schuintrekken als u de verticale randen van tekens perfect verticaal wilt houden, ongeacht de vorm van het pad,
terwijl de horizontale randen van de tekens worden schuingetrokken in de richting van het pad. De zo ontstane horizontale
vervorming is zeer geschikt voor golvende tekst of tekst die rond een cilinder zoals een bierblikje loopt.
Kies 3D-lint als u de horizontale randen van tekens perfect horizontaal wilt houden, ongeacht de vorm van het pad, terwijl
de verticale rand van elk teken loodrecht op het pad blijft staan.
Selecteer Traptrede om de linkerkant van de basislijn van elk teken op het pad te houden zonder daarbij tekens te roteren.
Selecteer Zwaartekracht om het midden van de basislijn van elk teken op het pad en elke verticale rand in lijn te houden
met het middelpunt van het pad. U kunt het perspectief van deze optie bepalen door de boog van het tekstpad aan te
passen.
Verankerde objecten toevoegen aan padtekst
1. Klik met het gereedschap Tekst of het gereedschap Padtekst op een invoegpositie in de tekst waar u het anker voor het
object wilt plaatsen.
2. Voeg het verankerde object toe. U kunt verankerde objecten of kaders die inline of boven de regel zijn verankerd, aan het
pad toevoegen. (Zie Verankerde objecten.)
Opmerking: De opties die beschikbaar zijn voor objecten die boven de regel zijn verankerd in een tekstpad, wijken enigszins af van de opties
voor verankerde objecten in een normaal tekstkader: de optie Uitlijning is relatief ten opzichte van de markering voor het verankerde object en de
optie Ruimte voor is niet beschikbaar.
Juridische kennisgevingen | Onlineprivacybeleid
Tekst bewerken
Naar boven
Naar boven
Tekst selecteren
Verborgen (niet-afdrukbare) tekens weergeven
Kolom-, kader- en pagina-einden toevoegen
De artikeleditor gebruiken
Voorwaardelijke tekst gebruiken
Tekst selecteren
Voer met het gereedschap Tekst een van de volgende handelingen uit:
Sleep de I-balkcursor over een teken, woord of een volledig tekstblok om dit te selecteren.
Dubbelklik op een woord om dit te selecteren. De spaties bij het woord worden niet geselecteerd.
Klik drie keer op een regel om deze te selecteren. Als de voorkeurenoptie Drie keer klikken om een regel te selecteren is
uitgeschakeld, wordt met drie keer klikken de hele alinea geselecteerd.
Als de optie Drie keer klikken om een regel te selecteren is ingeschakeld, selecteert u de hele alinea door vier keer te klikken
in de alinea.
Klik vijf keer om het volledige artikel te selecteren of klik op een willekeurige positie in het artikel en kies Bewerken > Alles
selecteren.
Als u geen tekst in een kader kunt selecteren, bevindt het tekstkader zich wellicht op een vergrendelde laag of op een stramienpagina. Ontgrendel
de laag of ga naar de stramienpagina. Het tekstkader kan ook onder een ander tekstkader of een transparant object liggen. Zie Tekst in een
bedekt kader selecteren.
De werking van drie keer klikken wijzigen
1. Kies Bewerken > Voorkeuren > Tekst (Windows) of InDesign > Voorkeuren > Tekst (Mac OS).
2. Kies Drie keer klikken om een regel te selecteren om met drie keer klikken een regel te kunnen selecteren
(standaardinstelling). Selecteer deze optie niet als u met drie keer klikken een alinea wilt selecteren.
Tekst in een bedekt kader selecteren
1. Selecteer het tekstkader door Ctrl (Windows) of Command (Mac OS) in te drukken en met het gereedschap Selecteren te
klikken.
2. Klik met het gereedschap Tekst in het tekstkader of selecteer tekst.
Verborgen (niet-afdrukbare) tekens weergeven
1. Kies Tekst > Verborgen tekens tonen.
2. Als verborgen tekens nog steeds niet worden weergegeven, schakelt u de voorvertoningsmodus uit. Kies Weergave >
Schermmodus > Normaal en kies Weergave > Voorvertoning overdruk om deze optie uit te schakelen.
De niet-afdrukbare tekens zoals tekens voor spaties, tabs, alinea-einden, indexmarkeringen en artikeleinden, worden weergegeven. Deze speciale
tekens zijn alleen zichtbaar in een document- en artikeleditorvenster. Ze kunnen niet worden afgedrukt of uitgevoerd naar indelingen zoals PDF en
XML. De verborgen tekens worden in dezelfde kleur als in de laagkleur weergegeven.
Verborgen (boven) en zichtbare niet-afdrukbare tekens (onder)
In Free Guide to InDesign Special Characters geeft Anne Marie Concepcion een uitgebreide lijst met speciale tekens.
Lijst met verborgen tekens
Verborgen tekenBetekenis
Einde van alinea
Zachte return (regeleinde)
Spatie
Einde van artikel
Zacht afbreekstreepje
Vast afbreekstreepje
Tab
Rechts ingesprongen tab
Inspringen tot hier
Einde geneste stijl
Niet-verbindingselement
Em-spatie
En-spatie
Vaste spatie
Vaste spatie (vaste breedte)
Haarfijne spatie
Eén zesde spatie
Dunne spatie
Kwart spatie
Eén derde spatie
Interpunctiespatie
Cijferspatie
Naar boven
Uitlijnspatie
Kolomeinde
Kadereinde
Pagina-einde
Oneven-pagina-einde
Even-pagina-einde
Geforceerd regeleinde
InCopy-notitie
InCopy-notitie (in artikeleditor)
Positiemarkering (alleen InCopy)
Indexmarkering
Indexmarkering (in artikeleditor)
Verborgen voorwaardelijke tekst
Verborgen voorwaardelijke tekst (in artikeleditor)
Bladwijzer- of hyperlinkdoelmarkering (vaak een tekstanker)
Bladwijzer- of hyperlinkdoelmarkering (in artikeleditor)
Hyperlink doel (in artikeleditor)
Alinea waarnaar wordt verwezen
Hyperlink kruisverwijzing (in artikeleditor)
Verankerd object
Verankerd object (in artikeleditor)
XML-label
XML-label (in artikeleditor)
Voetnoot (in artikeleditor)
Tabel (in artikeleditor)
Variabele (in artikeleditor)
Indexmarkering (in artikeleditor)
Kolom-, kader- en pagina-einden toevoegen
U bepaalt de plaats van kolom-, kader- en pagina-einden door daarvoor bestemde speciale tekens in te voegen in de tekst.
1. Klik met het gereedschap Tekst op de plaats waar het einde moet komen.
2. Kies Tekst > Afbrekingsteken invoegen en kies een teken in het submenu.
U kunt ook einden maken met behulp van de toets Enter op het numerieke toetsenblok. Druk op Enter voor een kolomeinde, op Shift+Enter
voor een kadereinde en op Ctrl+Enter (Windows) of Command+Return (Mac OS) voor een pagina-einde.
Als u een afbrekingsteken wilt verwijderen, kiest u Tekst > Verborgen tekens tonen zodat de niet-afdrukbare tekens worden weergegeven en
Naar boven
selecteert en verwijdert u het afbrekingsteken.
Opmerking: Als u een einde maakt door de alinea-instellingen te wijzigen (zoals Opties bijeenhouden), wordt het einde ingevoegd vóór de alinea
die de instelling bevat. Voegt u een einde in met behulp van een speciaal teken, dan komt het einde direct na het speciale teken te staan.
Afbrekingsopties
De volgende opties worden in het menu Tekst > Afbrekingsteken invoegen weergegeven:
Kolomeinde Laat de tekst doorlopen in de volgende kolom binnen het huidige tekstkader. Bestaat het kader maar uit een kolom, dan gaat de
tekst naar het volgende verbonden kader.
Kadereinde Laat de tekst doorlopen in het volgende verbonden tekstkader ongeacht de kolominstelling van het huidige tekstkader.
Pagina-einde Laat de tekst doorlopen op de volgende pagina die een tekstkader bevat dat is verbonden met het huidige tekstkader.
Oneven-pagina-einde Laat de tekst doorlopen op de volgende oneven genummerde pagina die een tekstkader bevat dat is verbonden met het
huidige tekstkader.
Even-pagina-einde Laat de tekst doorlopen op de volgende even genummerde pagina die een tekstkader bevat dat is verbonden met het
huidige tekstkader.
Alineareturn Voegt een alineareturn in (u kunt ook op Enter of Return drukken).
Geforceerd regeleinde Hiermee wordt een regel geforceerd afgebroken op het punt waar het teken wordt ingevoegd en er wordt een nieuwe
regel gestart, maar geen nieuwe alinea. (U bereikt hetzelfde resultaat door te drukken op Shift+Enter of Shift+Return). Een geforceerd regeleinde
wordt ook wel een zachte return genoemd.
Handmatig regeleinde Geeft aan of een tekstregel moet worden afgebroken als de regel moet worden afgebroken. Een handmatig regeleinde
lijkt op een handmatig afbreekstreepje, alleen wordt er geen afbreekstreepje toegevoegd op de positie van het regeleinde.
Corresponderende afbrekingsopties zijn beschikbaar in de dialoogvensters Opties bijeenhouden en Opties alineastijl.
De artikeleditor gebruiken
U kunt tekst in InDesign op de layoutpagina of in de artikeleditor bewerken. Door tekst in een artikeleditorvenster in te voeren en te bewerken,
wordt het hele artikel weergegeven in het lettertype, de grootte en de tussenruimte die u bij Voorkeuren hebt opgegeven, zonder afleidende layout
of opmaak. In de artikeleditor kunt u ook bijgehouden wijzingen in tekst weergeven.
Elk artikel heeft een eigen artikeleditorvenster. Alle tekst van het artikel staat in de artikeleditor, ook de overlopende tekst. U kunt meerdere
artikeleditorvensters openen en dus meerdere instanties van hetzelfde artikel bekijken. Een verticale diepteliniaal geeft aan hoeveel tekst het kader
vult, en een lijn geeft aan waar de tekst overloopt.
Wanneer u een artikel bewerkt, worden de wijzigingen in het layoutvenster doorgevoerd. Open artikelen staan in het menu Venster. U kunt geen
nieuw artikel in een artikeleditorvenster maken.
Venster van de artikeleditor
A. AlineastijlenB.Sleep scheidingslijn om kolombreedte aan te passenC.Verticale diepteliniaalD.Indicator overlopen tekst
U kunt tabellen weergeven en bewerken in de artikeleditor; de tekst wordt in opeenvolgende kolommen en rijen weergegeven en kan zo
gemakkelijk worden bewerkt. U kunt tabellen snel uit- of samenvouwen en bepalen of u ze op rij of kolom wilt ordenen.
Als u Wijzigingen bijhouden inschakelt, wordt in de artikeleditor eveneens tekst weergegeven die is toegevoegd, verwijderd of bewerkt. Zie
Wijzigingen bijhouden en evalueren.
De artikeleditor openen
1. Selecteer het tekstkader, klik voor een invoegpunt in het tekstkader of selecteer meerdere kaders in meerdere artikelen.
2. Kies Bewerken > Bewerken in artikeleditor.
Om nog een instantie van hetzelfde artikeleditorvenster te openen, moet u de artikeleditor activeren en Venster > Schikken > Nieuw venster
kiezen.
Terugkeren naar het layoutvenster
Voer in de artikeleditor een van de volgende handelingen uit:
Kies Bewerken > Bewerken in layout. Bij deze methode wordt in de layoutweergave dezelfde tekstselectie of invoegpositie
weergegeven als voor het laatst werd weergegeven in de artikeleditor. Het artikelvenster blijft geopend maar valt achter het
layoutvenster.
Klik in het layoutvenster. Het artikelvenster blijft open maar wordt achter het layoutvenster geplaatst.
Sluit het venster van de artikeleditor.
Kies de naam van het document onder in het menu Venster.
Items van de artikeleditor tonen of verbergen
U kunt de stijlnaamkolom en de diepteliniaal tonen of verbergen, voetnoten uit- of samenvouwen en markeringen voor alinea-einden tonen of
verbergen om het begin van nieuwe alinea's weer te geven. Deze instellingen werken door in alle geopende artikeleditorvensters en in alle
artikeleditorvensters die vervolgens worden geopend.
Kies Weergave > Artikeleditor > Stijlnaamkolom tonen of Stijlnaamkolom verbergen als de artikeleditor actief is. U kunt de
breedte van de stijlnaamkolom aanpassen door de verticale balk te slepen. In de artikeleditorvensters die worden geopend,
heeft deze kolom dezelfde breedte.
Kies Weergave > Artikeleditor > Diepteliniaal tonen of Diepteliniaal verbergen als de artikeleditor actief is.
Kies Weergave > Artikeleditor > Alle voetnoten uitvouwen of Alle voetnoten samenvouwen als de artikeleditor actief is.
Kies Weergave > Artikeleditor > Markeringen alinea-einden tonen of Markeringen alinea-einden verbergen als de artikeleditor
actief is.
Voorkeuren van de artikeleditor
Gebruik de voorkeuren Weergave artikeleditor om de vormgeving van de artikeleditor te wijzigen. Alhoewel in de artikeleditor de meeste
tekststijlkenmerken worden verborgen, worden toch enkele objecten en kenmerken weergegeven, waaronder:
KenmerkPictogram
Tabel
Inline-objecten
XML-labels
Variabelen
Hyperlinkbronnen
Hyperlink-ankerpunten
Kruisverwijzing
Verborgen voorwaardelijke tekst
Notitie
Voetnoten
Indexmarkeringen
Verwijderde tekst
Toegevoegde tekst
Verplaatste tekst
Naar boven
Weergaveopties tekstKies een lettertype, grootte, regelafstand, tekstkleur en achtergrond voor de weergave. U kunt ook een ander thema
opgeven, zo kunt u bijvoorbeeld Klassiek systeem kiezen om gele tekst weer te geven op een zwarte achtergrond. Deze instellingen zijn van
invloed op de weergave van tekst in het artikeleditorvenster en niet in de layoutweergave.
Anti-aliasing inschakelenVerzacht de gekartelde randen van het lettertype. U kunt het type anti-aliasing kiezen: Geoptimaliseerd voor LCD,
Zacht of de standaardinstelling, waarbij grijstinten worden gebruikt voor het verzachten van tekst. Geoptimaliseerd voor LCD maakt gebruik van
kleuren in plaats van grijstinten om tekst vloeiend te maken en werkt het beste bij lichtgekleurde achtergronden met zwarte tekst. Bij Zacht wordt
gebruikgemaakt van grijstinten, maar is het resultaat een lichtere en vagere weergave dan Standaard.
CursoroptiesHiermee wijzigt u de vormgeving van de tekstcursor. Selecteer bijvoorbeeld Knipperen als u de cursor wilt laten knipperen.
Tekst in inline-kaders staat niet in het bovenliggende artikeleditorvenster, maar meestal in een eigen artikeleditorvenster.
Voorwaardelijke tekst gebruiken
Met voorwaardelijke tekst kunt u verschillende versies van een document maken. Nadat u de voorwaarden hebt ingesteld, kunt u deze toepassen
op tekstbereiken. Vervolgens kunt u verschillende versies van documenten maken door voorwaarden weer te geven of te verbergen. Als u een
computerhandleiding maakt, kunt u bijvoorbeeld aparte voorwaarden voor Mac OS en voor Windows maken. Voordat u de Mac OS-versie van de
handleiding afdrukt, geeft u alle tekst weer waarop de voorwaarde “Mac” is toegepast en verbergt u alle tekst waarvoor de voorwaarde “Windows”
geldt. Als u de handleiding voor Windows wilt afdrukken, verbergt u de “Mac”-tekst en geeft u de “Windows”-tekst weer.
Metatekens geven een teken of symbool in InDesign weer. Metatekens in het gedeelte Tekst van het dialoogvenster Zoeken/Wijzigen beginnen
met een caretteken (^) en metatekens in het GREP-gedeelte beginnen met een tilde (~) of een backslash (\). U kunt metatekens typen in het
tabblad Tekst of in het tabblad GREP van het dialoogvenster Zoeken/Wijzigen.
U kunt tijd besparen tijdens het corrigeren van leestekenfouten door zoekreeksen op te slaan als query's.
Teken:Metateken op het tabblad Tekst:Metateken op het tabblad GREP:
Tabteken^t\t
Einde van alinea^p\r
Geforceerd regeleinde^n\n
Elk paginanummer^#~#
Huidig paginanummer^N~N
Volgend paginanummer^X~X
Vorig paginanummer^V~V
* Elke variabele^v~v
Sectiemarkering^x~x
* Markering verankerd object^a~a
* Markering voetnootverwijzing^F~F
* Indexmarkering^I~I
Opsommingsteken^8~8
Caretteken^^\^
Backslash\\\
Copyright-symbool^2~2
Weglatingsteken^e~e
Tilde~\~
Alineasymbool^7~7
Symbool geregistreerd handelsmerk^r~r
Sectiesymbool^6~6
Symbool handelsmerk^d~d
Haakje openen(\(
Haakje sluiten)\)
Accolade openen{\{
Accolade sluiten}\}
Vierkant haakje openen[\[
Vierkant haakje sluiten]\]
Em-streepje^_~_
En-streepje^=~=
Zacht afbreekstreepje^-~-
Vast afbreekstreepje^~~~
Em-spatie^m~m
En-spatie^>~>
Eén derde spatie^3~3
Kwart spatie^4~4
Eén zesde spatie^%~%
Uitlijnspatie^f~f
Haarfijne spatie^|~|
Vaste spatie^s~s
Vaste spatie (vaste breedte)^S~S
Dunne spatie^<~<
Cijferspatie^/~/
Interpunctiespatie^.~.
^ Inhoud op het Klembord, opgemaakt^c~c
^ Inhoud op het Klembord, zonder opmaak^C~C
Alle dubbele aanhalingstekens""
Alle enkele aanhalingstekens''
Rechte dubbele aanhalingstekens^"~"
Dubbele aanhalingstekens openen^{~{
Dubbele aanhalingstekens sluiten^}~}
Recht enkel aanhalingsteken^'~'
Enkel aanhalingsteken openen^[~[
Enkel aanhalingsteken sluiten^]~]
Standaard harde return^b~b
Kolomeinde^M~M
Kadereinde^R~R
Pagina-einde^P~P
Oneven-pagina-einde^L~L
Even-pagina-einde^E~E
Handmatig regeleinde^k~k
Rechts ingesprongen tab^y~y
Inspringen tot hier^i~i
Einde geneste stijl^h~h
Non-joiner^j~j
* Variabele voor doorlopende koptekst^Y~Y
(alineastijl)
* Variabele voor doorlopende koptekst
(tekenstijl)^Z~Z
* Variabele voor aangepaste tekst^u~u
* Variabele voor laatste paginanummer^T~T
* Variabele voor hoofdstuknummer^H~H
* Variabele voor aanmaakdatum^S~S
* Variabele voor wijzigingsdatum^o~o
* Variabele voor uitvoerdatum^D~D
* Variabele voor bestandsnaam^l (kleine letter L)~l (kleine letter L)
* Willekeurig cijfer^9\d
* Willekeurig teken dat geen cijfer is\D
* Willekeurige letter^$[\l\u]
* Willekeurig teken^?. (voegt punt in in Wijzigen in)
* Spatie(s) (spatie of tab)^w\s (voegt spatie in in Wijzigen in)
* Willekeurig teken dat geen spatie is\S
* Elk woordteken\w
* Willekeurig teken dat geen woordteken
is
\W
* Elke hoofdletter\u
* Willekeurig teken dat geen hoofdletter is\U
* Elke kleine letter\l
* Willekeurig teken dat geen kleine letter
is
\L
^ Alle gevonden tekst$0
Gevonden tekst 1-9$1 (geeft het nummer van de gevonden
groep aan, zoals $3 voor de derde groep;
groepen staan tussen haakjes)
* Kanji^K~K
* Begin van woord\<
* Einde van woord\>
* Woordgrens\b
* Tegenovergestelde van woordgrens\B
* Begin van alinea^
* Einde van alinea [locatie]$
* Nul of één keer?
* Nul of meer keren*
* Eén of meer keren+
* Nul of één keer (kleinste overeenkomst)??
* Nul of meer keren (kleinste
overeenkomst)
*?
* Eén of meer keren (kleinste
overeenkomst)
+?
* Subexpressie markeren( )
* Subexpressie niet markeren(?: )
* Tekenset[ ]
* Of|
* Positieve Lookbehind(?<= )
* Negatieve Lookbehind(?<! )
* Positieve Lookahead(?= )
* Negatieve Lookahead(?! )
* Onderscheid hoofdletters/kleine letters
ingeschakeld
(?i)
* Onderscheid hoofdletters/kleine letters
uitgeschakeld
(?-i)
* Meerdere regels ingeschakeld(?m)
* Meerdere regels uitgeschakeld(?-m)
* Enkele regel ingeschakeld(?s)
* Enkele regel uitgeschakeld(?-s)
* Willekeurig alfanumeriek teken[[:alnum:]]
* Willekeurige letter[[:alpha:]]
* Willekeurig witruimteteken (spatie of tab)[[:blank:]]
* Willekeurig Control-teken[[:control:]]
* Willekeurig grafisch teken[[:grafiek:]]
* Willekeurig afdrukbaar teken[[:afdrukken:]]
* Willekeurige leestekens[[:punct:]]
* Willekeurig teken met een code die
hoger is dan 255 (geldt alleen voor
klassen voor brede tekens)
[[:unicode:]]
* Willekeurig hexadecimaal cijferteken 0-9,
a-f, en A-F
[[:xdigit:]]
* Willekeurig teken uit een bepaalde
glyph-set, zoals a, à, á, â, ã, ä, å, A, À, Á,
Â, Ã, Ä en Å
[[=a=]]
* Kan alleen worden ingevoerd in het vak Zoeken naar en niet in het vak Wijzigen in.
^ Kan worden ingevoerd in het vak Wijzigen in, maar niet in het vak Zoeken naar.
Naar boven
Naar boven
Naar boven
Objecten zoeken en wijzigen
Met de opdracht Zoeken/Wijzigen kunt u zoeken naar de kenmerken en effecten die zijn toegepast op objecten, afbeeldingskaders en tekstkaders
en kunt u deze vervangen. Stel bijvoorbeeld dat u voor alle slagschaduwen dezelfde kleur, transparantie en verschuivingsafstand wilt instellen. U
kunt dan met de opdracht Zoeken/Wijzigen in het hele document naar slagschaduwen zoeken en deze vervangen.
1. Kies Bewerken > Zoeken/Wijzigen.
2. Klik op het tabblad Object.
3. Klik in het vak Objectopmaak zoeken of klik op het pictogram Te zoeken kenmerken opgeven .
4. Selecteer links in het dialoogvenster Opties voor zoeken objectopmaak een bepaalde opmaak, geef de opmaakkenmerken op
en klik op OK.
Controleer of de juiste status is geactiveerd voor de categorieën die u wilt doorzoeken. U kunt drie statussen gebruiken voor
iedere effectencategorie: ingeschakeld, uitgeschakeld of genegeerd. Als u Slagschaduw bijvoorbeeld inschakelt, wordt
slagschaduwopmaak opgenomen in de zoekopdracht. Wanneer u Slagschaduw uitschakelt, wordt gezocht naar objecten
waarvoor slagschaduwopmaak uitgeschakeld is. Wanneer u slagschaduwen negeert, worden slagschaduwen helemaal niet
opgenomen in de zoekopdracht.
5. Als u opmaak wilt toepassen op het gevonden object, klikt u in het vak Objectopmaak wijzigen of klikt u op het pictogram Te
wijzigen kenmerken opgeven in het gedeelte Opmaakinstellingen wijzigen. Selecteer een opmaaktype, geef de
opmaakkenmerken op en klik op OK.
6. Klik op de knoppen Zoeken en Wijzigen om de objecten op te maken.
Glyphs zoeken en wijzigen
Het gedeelte Glyph van het dialoogvenster Zoeken/Wijzigen is vooral nuttig voor het vervangen van glyphs met dezelfde Unicode-waarde door
vergelijkbare glyphs, zoals alternatieve glyphs.
In Finding and Changing Glyphs van InDesign Secrets vindt u een duidelijk voorbeeld van het zoeken naar en het wijzigen van glyphs.
1. Kies Bewerken > Zoeken/Wijzigen.
2. Geef onder aan het dialoogvenster een bereik op in het menu Zoeken in en klik op pictogrammen om te bepalen of elementen
zoals bijvoorbeeld vergrendelde lagen, stramienpagina's en voetnoten in de zoekopdracht moeten worden opgenomen.
3. Selecteer bij Glyph zoeken de lettertypefamilie en de lettertypestijl waarin de glyph zich bevindt.
In het menu Lettertypefamilie worden alleen de lettertypen weergegeven die op tekst in het huidige document zijn toegepast.
Er worden geen lettertypen weergegeven in ongebruikte stijlen.
4. Voer de glyph die u wilt zoeken op een van de volgende manieren in het vak Glyph in:
Klik op de knop naast het vak Glyph en dubbelklik vervolgens op een glyph in het deelvenster. Dit deelvenster functioneert
net zo als het deelvenster Glyphs.
Kies Unicode of GID/CID en voer de code voor de glyph in.
U kunt de gewenste glyph ook op andere manieren invoeren in het vak Glyph. Selecteer een glyph in het documentvenster
en kies Geselecteerde glyph laden in Zoeken in het contextmenu of selecteer een glyph in het deelvenster Glyphs en kies
Glyph laden in Zoeken in het contextmenu.
5. Voer bij Glyph wijzigen de vervangende glyph in op dezelfde manier als de glyph waarnaar u zoekt.
6. Klik op Zoeken.
7. U hervat het zoeken door te klikken op Volgende zoeken, Wijzigen (om de laatst gevonden glyph te wijzigen), Alles wijzigen
(een bericht geeft het totale aantal wijzigingen aan) of Wijzigen/Zoeken (om de huidige instantie te wijzigen en de volgende
instantie te zoeken).
8. Klik op Sluiten.
Lettertypen zoeken en wijzigen
Gebruik de opdracht Lettertype zoeken om lettertypen te zoeken die in het document worden gebruikt en daar een overzicht van te geven. Met
uitzondering van de lettertypen in een geïmporteerde afbeelding kunt u alle lettertypen vervangen door elk ander lettertype dat op het systeem is
geïnstalleerd. U kunt zelfs een lettertype vervangen dat deel uitmaakt van een tekststijl. Belangrijk:
Een lettertypenaam wordt één keer weergegeven voor alle keren dat het lettertype in de opmaak voorkomt, en wordt nogmaals
weergegeven voor elke keer dat het wordt gebruikt in geïmporteerde afbeeldingen. Als een bepaald lettertype bijvoorbeeld drie
keer in de opmaak en drie keer in geïmporteerde afbeeldingen wordt gebruikt, wordt de naam van het lettertype vier keer
weergegeven in het dialoogvenster Lettertype zoeken: één keer voor alle keren dat het in de opmaak is gebruikt en drie keer
voor de geïmporteerde afbeeldingen. Als lettertypen niet volledig in afbeeldingen worden ingesloten, wordt de lettertypenaam
mogelijk niet vermeld in het dialoogvenster Lettertype zoeken.
Naar boven
Lettertype zoeken is niet beschikbaar in een artikeleditorvenster.
Pictogrammen geven het soort lettertype aan of de omstandigheden waarin het wordt gebruikt, zoals Type 1-lettertypen ,
geïmporteerde afbeeldingen , TrueType-lettertypen , OpenType-lettertypen en ontbrekende lettertypen .
Gebruik de opdracht Tekst > Lettertype zoeken om er zeker van te zijn dat de uitvoer consistent is door een analyse te maken
van het lettertypegebruik op pagina's en in geïmporteerde afbeeldingen. Gebruik de opdracht Bewerken > Zoeken/Wijzigen
voor het opzoeken en wijzigen van specifieke tekstkenmerken, tekens of stijlen.
1. Kies Tekst > Lettertype zoeken.
2. Selecteer een of meer lettertypenamen in de lijst Lettertypen in document.
3. Ga op een van de volgende manieren te werk:
Om naar de eerste instantie van het in de lijst geselecteerde lettertype te zoeken, klikt u op Eerste zoeken. De tekst die
gebruikmaakt van het lettertype wordt weergegeven. De knop Eerste zoeken is niet beschikbaar als het geselecteerde
lettertype wordt gebruikt in geïmporteerde afbeeldingen of als er meerdere lettertypen in de lijst zijn geselecteerd.
Klik op Afbeelding zoeken om een geïmporteerde afbeelding te selecteren waarin een lettertype voorkomt dat in de lijst
wordt aangegeven aan de hand van een pictogram voor geïmporteerde afbeeldingen . De afbeelding wordt ook
weergegeven. De knop Afbeelding zoeken is niet beschikbaar als het geselecteerde lettertype wordt gebruikt in de opmaak
of als er meerdere lettertypen in de lijst zijn geselecteerd.
4. Klik op Meer info om de details over een geselecteerd lettertype weer te geven. Klik op Minder info om de details te
verbergen. Het gebied Info is leeg als er meerdere lettertypen in de lijst zijn geselecteerd.
Een lettertype kan worden vermeld als onbekend als het bestand van de geselecteerde afbeelding er geen informatie over
geeft. Lettertypen in bitmapafbeeldingen (zoals TIFF-afbeeldingen) worden niet weergegeven in de lijst omdat dit bitmaps zijn
en geen tekens.
5. U vervangt het lettertype door in de lijst Vervangen door het gewenste lettertype te selecteren en een van onderstaande
handelingen uit te voeren:
Klik op Wijzigen om één instantie van het geselecteerde lettertype te vervangen. Deze optie is niet beschikbaar als u
meerdere lettertypen hebt geselecteerd.
Klik op Wijzigen/Zoeken om die instantie van het lettertype te wijzigen en de volgende instantie op te zoeken. Deze optie
is niet beschikbaar als u meerdere lettertypen hebt geselecteerd.
Klik op Alles wijzigen om alle instanties van het in de lijst geselecteerde lettertype te vervangen. Als u een alinea- of
tekenstijl die het gezochte lettertype bevat, opnieuw wilt definiëren, selecteert u Stijl opnieuw definiëren wanneer alles
wordt gewijzigd.
Als het desbetreffende lettertype niet meer in uw bestand voorkomt, wordt de lettertypenaam verwijderd uit de lijst Lettertypen
in document.
Opmerking: Als u lettertypen in geïmporteerde afbeeldingen wilt wijzigen, gebruikt u het programma waarmee de afbeelding
oorspronkelijk is geëxporteerd. Vervolgens vervangt u de afbeelding of werkt u de koppeling bij in het deelvenster
Koppelingen.
6. Nadat u op Wijzigen hebt geklikt, klikt u op Volgende zoeken om naar de volgende plaats in het document te zoeken waar het
lettertype voorkomt.
7. Klik op Sluiten.
U kunt het dialoogvenster Lettertype zoeken openen tijdens preflighting van een document. Ga in het dialoogvenster Preflight naar het tabblad
Lettertypen en klik op Lettertype zoeken.
Als u wilt zien in welke systeemmap een lettertype voorkomt, selecteert u het lettertype in het dialoogvenster Lettertype zoeken en kiest u
Tonen in Verkenner (Windows) of Tonen in Finder (Mac OS).
Items zoeken/wijzigen met gebruik van query's
U kunt tekst, objecten en glyphs zoeken en wijzigen met gebruik van of door het samenstellen van een query. Een query is een gedefinieerde
zoek- en wijzigingsbewerking. InDesign beschikt over meerdere vooraf ingestelde query's voor het wijzigen van de leestekenopmaak en voor
andere handige handelingen, zoals het wijzigen van de notatie van telefoonnummers. Als u een query hebt samengesteld en deze opslaat, kunt u
de query steeds weer opnieuw uitvoeren en doorgeven aan anderen.
Zoeken met gebruik van query's
1. Kies Bewerken > Zoeken/Wijzigen.
2. Kies een query in de lijst Query.
De query's worden gegroepeerd op type.
3. Geef een zoekbereik op in het menu Zoeken in.
Het zoekbereik wordt niet opgeslagen bij de query.
4. Klik op Zoeken.
5. Als u wilt blijven zoeken, klikt u op Volgende zoeken, Wijzigen (om de laatst gevonden tekst of het laatste leesteken te
wijzigen), Alles wijzigen (een bericht geeft het totale aantal wijzigingen aan) of Zoeken/Wijzigen (om tekst of leestekens te
wijzigen en uw zoekopdracht voort te zetten).
Nadat u een zoekquery hebt geselecteerd, kunt u de instellingen aanpassen om de zoekopdracht te verfijnen.
Query's opslaan
Sla een query op in het dialoogvenster Zoeken/Wijzigen als u de query opnieuw wilt uitvoeren of wilt delen met anderen. De namen van
opgeslagen query's worden weergegeven in de lijst Query in het dialoogvenster Zoeken/Wijzigen.
1. Kies Bewerken > Zoeken/Wijzigen.
2. Selecteer Tekst, GREP of een ander tabblad voor het gewenste type zoekopdracht.
3. Klik onder het menu Zoeken in op pictogrammen om te bepalen of elementen als verborgen lagen, stramienpagina's en
voetnoten in de zoekopdracht worden opgenomen.
Deze elementen worden opgenomen in de opgeslagen query. Het bereik van de zoekopdracht wordt echter niet opgeslagen in
de query.
4. Definieer de velden Zoeken naar en Wijzigen in. (Zie Metatekens voor zoeken en Zoeken met GREP-uitdrukkingen.)
5. Klik op de knop Zoekopdracht opslaan in het dialoogvenster Zoeken/Wijzigen en typ een naam voor de query.
Als u de naam van een bestaande query kiest, wordt u gevraagd of u deze wilt vervangen. Klik op Ja als u de bestaande query wilt bijwerken.
Query's verwijderen
Selecteer de query in de lijst Query en klik op de knop Query verwijderen.
Query's laden
Aangepaste query's worden opgeslagen als XML-bestanden. De namen van aangepaste query's worden weergegeven in de lijst Query in het
dialoogvenster Zoeken/Wijzigen.
Als u een query van iemand hebt gekregen en u wilt de query laden om deze in de lijst Query weer te geven, dient u het querybestand naar de
desbetreffende locatie te kopiëren:
Mac OSGebruikers\[gebruikersnaam]\Bibliotheek\Preferences\Adobe InDesign\[versie]\[taal]\Find-Change Queries\[type query]
Windows XPDocuments and Settings\[gebruikersnaam]\Application Data\Adobe\InDesign\[versie]\[taal]\Find-Change Queries\[type query]
Windows Vista en Windows 7Gebruikers\[gebruikersnaam]\AppData\Roaming\Adobe\InDesign\[versie]\[taal]\Find-Change Queries\[type query]
Meer Help-onderwerpen
Video over zoeken en wijzigen
Juridische kennisgevingen | Onlineprivacybeleid
Voetnoten
Naar boven
Naar boven
Voetnoten maken
Nummering en layout van voetnoot wijzigen
Voetnoten verwijderen
Tekst in voetnoten
Voetnoten maken
Een voetnoot bestaat uit twee gekoppelde delen: het verwijzingsnummer van de voetnoot dat in de tekst wordt weergegeven, en de voetnoottekst
die onder aan de kolom staat. U kunt voetnoten maken of importeren vanuit Word- of RTF-documenten. Voetnoten worden automatisch
genummerd als deze aan een document worden toegevoegd. In elk artikel wordt er opnieuw genummerd. U kunt de nummeringsstijl, vormgeving
en layout van voetnoten bepalen. U kunt geen voetnoten aan tabellen of aan voetnoottekst toevoegen.
De breedte van de voetnoottekst wordt gebaseerd op de breedte van de kolom die de verwijzingsmarkering van de voetnoot bevat. Voetnoten
kunnen niet worden gebruikt voor het bepalen van de ruimte tussen kolommen in een tekstkader.
U kunt in InDesign geen eindnoten maken. In Endnotes in InDesign CS4 geeft Bob Bringhurst echter een alternatief voor het maken van
eindnoten. Eindnoten in omgezette Microsoft Word-documenten worden opgemaakt als tekst, niet als voetnoten.
Op www.adobe.com/go/vid0218_nl vindt u een videodemo over het maken van voetnoten.
1. Plaats het invoegpunt op de plaats waar u het verwijzingsnummer van de voetnoot wilt weergeven.
2. Kies Tekst > Voetnoot invoegen.
3. Typ de voetnoottekst.
Voetnoot aan document toegevoegd
A. VerwijzingsnummerB. Voetnoottekst
Tijdens het typen wordt het voetnootgedeelte groter maar wordt het formaat van het tekstkader niet gewijzigd. Het voetnootgedeelte kan groter
worden tot aan de regel met de voetnootverwijzing. Als dit het geval is, wordt de voetnoot indien mogelijk gesplitst naar de volgende
tekstkaderkolom of het volgende verbonden kader. Kan de voetnoot niet worden gesplitst en wordt er meer tekst toegevoegd dan in het
voetnootgedeelte mogelijk is, dan wordt de regel met de voetnootverwijzing naar de volgende kolom verplaatst, of verschijnt er een
overlooppictogram. U moet dan het formaat van het kader of de tekstopmaak wijzigen.
Wanneer de invoegpositie in een voetnoot staat, kiest u Tekst > Naar voetnootverwijzing om terug te keren naar het punt waar u aan het typen
was. Als u deze optie regelmatig gebruikt, kunt u er eventueel een sneltoets voor maken.
Nummering en layout van voetnoot wijzigen
De wijzigingen in de nummering en layout van de voetnoot hebben effect op bestaande en nieuwe voetnoten.
1. Kies Tekst > Opties voetnoten document.
2. Selecteer op het tabblad Nummering en opmaak de opties die het nummeringsschema en de opmaakweergave van het
verwijzingsnummer en de voetnoottekst bepalen.
3. Klik op het tabblad Layout en selecteer de opties die de vormgeving van de voetnootsectie op de pagina bepalen.
4. Klik op OK.
Nummerings- en opmaakopties voor voetnoot
De volgende opties worden in het gedeelte Nummering en opmaak in het dialoogvenster Opties voetnoten weergegeven:
NummeringsstijlKies de nummeringsstijl voor nummers van voetnootverwijzing.
Beginnen bijGeef het nummer op dat wordt gebruikt voor de eerste voetnoot in het artikel. Elk artikel in een document begint met hetzelfde
Beginnen bij-nummer. Als u een boek hebt met opeenvolgende paginanummering en dat bestaat uit meerdere documenten, kunt u de
voetnootnummering in elk hoofdstuk laten beginnen met het nummer na het nummer waarmee het laatste hoofdstuk is geëindigd.
De optie Beginnen bij is vooral handig voor documenten in een boek. De voetnoten worden niet doorgenummerd in documenten in een boek.
Nummering opnieuw beginnen op elkeAls de nummering opnieuw moet beginnen in het document, selecteert u deze optie en kiest u Pagina,
Spread of Sectie om op te geven wanneer de voetnootnummering opnieuw moet worden gestart. Sommige nummeringsstijlen, zoals sterretjes (*),
werken het beste als elke pagina opnieuw wordt ingesteld.
Voorvoegsel/achtervoegsel tonen inSelecteer deze optie om voorvoegsels en achtervoegsels in de voetnootverwijzing, de voetnoottekst of
beide weer te geven. Voorvoegsels worden weergegeven vóór het nummer (bijvoorbeeld [1) en achtervoegsels worden weergegeven achter het
nummer (bijvoorbeeld 1]). Deze optie is met name handig voor het plaatsen van voetnoten binnen tekens, zoals [1]. Typ een teken of tekens of
selecteer een optie voor Voorvoegsel en/of Achtervoegsel. Als u speciale tekens wilt invoegen, klikt u op de pictogrammen naast Voorvoegsel en
Achtervoegsel om een menu weer te geven.
Als u vindt dat het verwijzingsnummer van de voetnoot te dicht bij de voorgaande tekst ligt, kunt u de vormgeving verbeteren door een
spatieteken ervoor toe te voegen. U kunt ook een tekenstijl aan het verwijzingsnummer toevoegen.
PositieMet deze optie bepaalt u de vormgeving van het verwijzingsnummer van de voetnoot. Standaard staat deze optie ingesteld op superscript.
Als u het nummer met een tekenstijl wilt opmaken (zoals een tekenstijl met OpenType-superscriptinstellingen), kiest u Normaal toepassen en geeft
u de tekenstijl op.
TekenstijlU kunt een tekenstijl kiezen om het verwijzingsnummer van de voetnoot op te maken. U kunt bijvoorbeeld in plaats van superscript een
tekenstijl gebruiken op een normale positie met een verhoogde basislijn. In het menu staan de beschikbare tekenstijlen uit het deelvenster
Tekenstijlen.
AlineastijlU wilt mogelijk een alineastijl kiezen die de voetnoottekst voor alle voetnoten in het document opmaakt. In het menu staan de
beschikbare alineastijlen uit het deelvenster Alineastijlen. Standaard wordt de stijl [Basisalinea] gebruikt. De stijl [Basisalinea] kan van vormgeving
verschillen met de standaard lettertype-instellingen voor het document.
ScheidingstekenHet scheidingsteken is de spatie die wordt ingevoegd tussen het voetnootnummer en het begin van de voetnoottekst. U wijzigt
het scheidingsteken door eerst het bestaande scheidingsteken te selecteren of te verwijderen en vervolgens een nieuw scheidingsteken te kiezen.
U kunt meerdere tekens opnemen. Gebruik het juiste metateken zoals een ^m voor een em-spatie om spatietekens in te voegen.
Layoutopties voor voetnoot
De volgende opties worden in het gedeelte Layout in het dialoogvenster Opties voetnoten weergegeven:
Minimumruimte vóór eerste voetnootMet deze optie stelt u de minimum hoeveelheid ruimte tussen de onderkant van de kolom en de eerste
voetnootregel in. Gebruik geen negatieve waarde. Een instelling van Ruimte voor wordt in de voetnootalinea genegeerd.
Ruimte tussen voetnotenMet deze optie stelt u de afstand tussen de laatste alinea van een voetnoot en de eerste alinea van de volgende
voetnoot in een kolom in. Gebruik geen negatieve waarde. De waarden voor Ruimte voor/Ruimte na in een voetnootalinea zijn alleen van
toepassing als de voetnoot meerdere alinea's bevat.
Eerste basislijn verschuivenMet deze optie stelt u de afstand in tussen het begin van het voetnootgedeelte (waar de scheidingslijn van de
voetnoot standaard verschijnt) en de eerste regel van de voetnoottekst.
Zie Eigenschappen van tekstkaders wijzigen voor informatie over de eerste-basislijnopties.
Voetnoten voor einde artikel onder aan tekst plaatsenSelecteer deze optie als de voetnoten van de laatste kolom net onder de tekst in het
laatste kader van het artikel moeten verschijnen. Als deze optie niet is geselecteerd, worden voetnoten in het laatste kader van het artikel onder
aan de kolom weergegeven.
Gesplitste voetnoten toestaanSelecteer deze optie als de voetnoten moeten worden verbroken in een kolom wanneer de voetnoot te groot is
voor de beschikbare voetnootruimte in die kolom. Als splitsen niet is toegestaan, wordt de lijn met het verwijzingsnummer van de voetnoot naar de
volgende kolom verplaatst, of wordt de tekst overgelopen.
Voetnoten worden in een kolom verbroken.
Als Gesplitste voetnoten toestaan is ingeschakeld, kunt u voorkomen dat één voetnoot wordt gesplitst door de invoegpositie in de voetnoottekst
te plaatsen, Opties bijeenhouden in het menu van het deelvenster Alinea te kiezen en vervolgens de opties Regels bij elkaar houden en Alle
regels in alinea te selecteren. Bevat de voetnoot meerdere alinea's, gebruik dan de optie Houden bij volgende _ regels in de eerste alinea van
de voetnoottekst. U kunt Tekst > Afbrekingsteken invoegen > Kolomeinde kiezen om te bepalen waar de voetnoot wordt gesplitst.
Lijn bovenBepaal de locatie en de vormgeving van de scheidingslijn die boven de tekst van de voetnoot wordt weergegeven. Ook boven alle
voetnoottekst die in een apart kader wordt vervolgd, wordt een scheidingslijn weergegeven. De geselecteerde opties zijn van toepassing op Eerste
Naar boven
Naar boven
voettekst in kolom of Vervolgvoetnoten, afhankelijk van welke optie in het menu is geselecteerd. Deze opties zijn gelijk aan de opties die u bij het
opgeven van een alinearegel kunt gebruiken. Schakel de optie voor de scheidingslijn uit als u geen scheidingslijn voor de voetnoot wilt gebruiken.
Voetnoten verwijderen
U verwijdert een voetnoot door het verwijzingsnummer van de voetnoot dat in de tekst wordt weergegeven, te deselecteren en vervolgens op
Backspace of Delete te drukken. Als u alleen de voetnoottekst verwijdert, blijven het verwijzingsnummer en de structuur van de voetnoot
behouden.
Tekst in voetnoten
Neem het volgende in acht wanneer u de tekst in voetnoten bewerkt:
Wanneer de invoegpositie in de voetnoottekst staat, wordt met Bewerken > Alles selecteren alle voetnoottekst voor die
voetnoot, maar geen andere voetnoot of tekst geselecteerd.
U kunt met de pijltoetsen door de voetnoten navigeren.
De voetnoten worden niet doorgenummerd in documenten in een boek. Als u niet wilt dat de nummering in elk document van
het boek opnieuw wordt gestart, moet u de waarde voor Beginnen bij in elk document handmatig wijzigen nadat u de
bewerkingen hebt voltooid.
In de artikeleditor kunt u voetnoten in- of uitvouwen door op het voetnootpictogram te klikken. Met Weergave > Artikeleditor >
Alle voetnoten uitvouwen of Alle voetnoten samenvouwen kunt u alle voetnoten uit- of samenvouwen.
U kunt teken- en alineaopmaak selecteren en toepassen op voetnoottekst. Daarnaast kunt u ook de vormgeving van het
verwijzingsnummer van de voetnoot selecteren en wijzigen. Het wordt echter aangeraden hiervoor het dialoogvenster Opties
voetnoten document te gebruiken.
Wanneer u tekst dat het verwijzingsnummer van de voetnoot bevat, knipt of plakt, wordt de voetnoottekst ook op het klembord
geplaatst. Als u de tekst naar een ander document kopieert, gebruiken de voetnoten in die tekst de kenmerken van de
nummering en layoutweergave van het nieuwe document.
Als u per ongeluk het voetnootnummer aan het begin van de voetnoottekst hebt verwijderd, kunt u dit nummer weer toevoegen
door de invoegpositie aan het begin van de voetnoottekst te plaatsen, met de rechtermuisknop te klikken (Windows) of Control
ingedrukt te houden en te klikken (Mac OS) en vervolgens Speciaal teken invoegen > Markeringen > Voetnootnummer te
kiezen.
Tekstomloop heeft geen effect op voetnoottekst.
Als u overschrijvingen en tekenstijlen van een alinea met een verwijzingsmarkering van een voetnoot verwijdert, gaan de
kenmerken verloren van de verwijzingsnummers van de voetnoot die u hebt toegepast in het dialoogvenster Opties voetnoten
document.
Meer Help-onderwerpen
Video over het maken van voetnoten
Juridische kennisgevingen | Onlineprivacybeleid
Glyphs en speciale tekens
Naar boven
Naar boven
Overzicht van het deelvenster Glyphs
Glyphs en speciale tekens invoegen
Aangepaste glyph-sets maken en bewerken
Aanhalingstekens gebruiken
Spatietekens invoegen
Overzicht van het deelvenster Glyphs
U voert glyphs in met gebruik van het deelvenster Glyphs. Aanvankelijk ziet u in dit deelvenster de glyphs in het lettertype waarin de cursor zich
bevindt, maar u kunt een ander lettertype weergeven, een tekststijl in het lettertype weergeven (bijvoorbeeld Light, Regular of Bold) en een subset
weergeven van de glyphs in het lettertype (bijvoorbeeld wiskundige symbolen, cijfers of leestekensymbolen).
Glyphs, deelvenster
A.Een subset van glyphs tonenB. GereedschapstipC. LettertypelijstD. Lettertypestijl
Wanneer u de aanwijzer boven een glyph plaatst, kunt u de CID/GID-waarde, de Unicode-waarde en de naam van de glyph aflezen in een
gereedschapstip.
Het deelvenster Glyphs openen
Kies Tekst > Glyphs of Venster > Tekst en tabellen > Glyphs.
De weergave van het deelvenster Glyphs wijzigen
Klik op de widget links van het woord "Glyphs" in het deelvenster Glyphs om de weergave van het deelvenster te wijzigen. Klik
op dit pictogram om achtereenvolgens de verschillende weergaven te zien: het samengevouwen deelvenster, het volledige
deelvenster en het deelvenster zonder de onlangs gebruikte glyphs.
Klik op de knoppen Inzoomen of Uitzoomen rechtsonder in het deelvenster Glyphs.
Sleep de rechteronderhoek van het deelvenster Glyphs om het formaat van het deelvenster te wijzigen.
De weergegeven glyphs filteren
Voer een van de volgende handelingen uit in de lijst Tonen om te bepalen welke glyphs worden weergegeven in het deelvenster Glyphs:
Kies Hele lettertype om alle glyphs te zien die beschikbaar zijn in het lettertype.
Kies een optie onder Hele lettertype om de lijst te beperken tot een subset van de glyphs. Kies bijvoorbeeld Leestekens om
alleen de leestekenglyphs weer te geven en Wiskundige symbolen om alleen de wiskundige symbolen te kunnen kiezen.
Glyphs sorteren in het deelvenster Glyphs
Kies Op CID / GID of Op Unicode om te bepalen hoe glyphs worden gesorteerd in het deelvenster Glyphs.
Glyphs en speciale tekens invoegen
Een glyph is een specifieke vorm van een teken. Zo is in bepaalde lettertypen de hoofdletter A beschikbaar in verschillende vormen, zoals een
sierletter of een kleinkapitaal. Met het deelvenster Glyphs kunt u glyphs in een lettertype opzoeken.
OpenType-lettertypen zoals, Adobe Caslon™ Pro, bevatten meerdere glyphs voor veel standaardtekens. Met het deelvenster Glyphs kunt u
alternatieve glyphs invoegen in uw document. U kunt het deelvenster Glyphs ook gebruiken om OpenType-kenmerken zoals sierletters, golven,
breuken en ligaturen weer te geven en in te voegen.
Speciale tekens invoegen
U kunt algemene tekens invoegen, zoals em- en en-streepjes, symbolen voor geregistreerde handelsmerken en weglatingstekens.
1. Voeg met het gereedschap Tekst een invoegpunt in op de gewenste plaats.
2. Kies Tekst > Speciaal teken invoegen en selecteer een optie in een van de categorieën in het menu.
Als speciale tekens die u vaak gebruikt, niet in de lijst met speciale tekens staan, kunt u die tekens aan een glyph-set toevoegen.
Een glyph uit een bepaald lettertype invoegen
1. Klik met het gereedschap Tekst om het invoegpunt te plaatsen.
2. Kies Tekst > Glyphs om het deelvenster Glyphs te openen.
3. Om een andere set tekens in het deelvenster Glyphs weer te geven, voert u een van de volgende handelingen uit:
Selecteer een ander lettertype en een andere tekststijl (indien beschikbaar). Kies Hele lettertype in het menu Tonen. Of
kies een van de OpenType-categorieën als u een OpenType-lettertype hebt geselecteerd.
Kies een aangepaste glyph-set in het menu Tonen. (Zie Aangepaste glyph-sets maken en bewerken.)
4. Schuif door de tekens totdat u de gewenste glyph hebt gevonden. Als u een OpenType-lettertype hebt geselecteerd, kunt u
een pop-upmenu met alternatieve glyphs weergeven door op het glyphvak te klikken en de muisknop ingedrukt te houden.
5. Dubbelklik op het teken dat u wilt invoegen. Het teken verschijnt nu op de tekstinvoegpositie.
Een onlangs gebruikte glyph invoegen
InDesign houdt de 35 laatste verschillende glyphs bij die u hebt ingevoegd en stelt deze beschikbaar bij Recent gebruikt in de eerste rij van het
deelvenster Glyphs (u moet het deelvenster uitbreiden om alle 35 glyphs in de eerste rij te zien).
Ga op een van de volgende manieren te werk:
Dubbelklik op een glyph bij Recent gebruikt.
Kies Recent gebruikte glyphs in de lijst Tonen om alle onlangs gebruikte glyphs weer te geven in het hoofdgedeelte van het
deelvenster Glyphs en dubbelklik op een glyph.
Onlangs gebruikte glyphs verwijderen
Klik met de rechtermuisknop (Windows®) of houd Control ingedrukt en klik (Mac OS) op een glyph in het gedeelte Recent
gebruikt en kies vervolgens Glyph verwijderen uit Recent gebruikt als u een onlangs gebruikte glyph wilt verwijderen.
Kies Alle recent gebruikte wissen om alle onlangs gebruikte glyphs te verwijderen.
Een teken vervangen door een alternatieve glyph
Wanneer een teken alternatieve glyphs bevat, wordt dit teken in het deelvenster Glyphs weergegeven met een driehoekje in de
rechterbenedenhoek. U kunt op het teken in het deelvenster Glyphs klikken en de muisknop ingedrukt houden om een pop-upmenu weer te geven
van de alternatieve glyphs, of u kunt alternatieve glyphs weergeven in het deelvenster Glyphs.
Alternatieve glyphs selecteren in een OpenType-lettertype
1. Kies Tekst > Glyphs om het deelvenster Glyphs te openen.
2. Selecteer Alternatieven voor selectie in de lijst Tonen.
3. Selecteer met het gereedschap Tekst een teken in het document.
4. Ga op een van de volgende manieren te werk om het geselecteerde teken in het document te vervangen:
Dubbelklik op een glyph in het deelvenster Glyphs.
Selecteer een glyph in het menu.
Naar boven
OpenType-glyphkenmerken weergeven in het deelvenster Glyphs
Het is mogelijk alleen de tekens voor de geselecteerde OpenType-kenmerken weer te geven in het deelvenster Glyphs. U kunt meerdere opties
kiezen in het menu Tonen in het deelvenster Glyphs.
Menuopties in het deelvenster Glyphs weergeven
1. Kies een OpenType-lettertype in de lettertypenlijst in het deelvenster Glyphs.
2. Kies een optie in het menu Tonen.
Het geselecteerde lettertype bepaalt welke opties worden weergegeven. Zie Kenmerken voor OpenType-lettertypen toepassen voor meer
informatie over het toepassen van kenmerken van OpenType-lettertypen. Voor meer informatie over OpenType-lettertypen gaat u naar
www.adobe.com/go/opentype_nl.
Alternatieve glyphs markeren in de tekst
1. Kies Bewerken > Voorkeuren > Compositie (Windows) of InDesign > Voorkeuren > Compositie (Mac OS).
2. Kies Vervangen glyphs en klik op OK. Vervangen glyphs in de tekst worden nu weergegeven in niet-afdrukbaar geel.
Aangepaste glyph-sets maken en bewerken
Een glyph-set is een benoemde verzameling van glyphs uit een of meerdere lettertypen. Als u vaak gebruikte glyphs opslaat in een glyph-set,
hoeft u niet elke keer naar een glyph te zoeken als u er een wilt gebruiken. Glyph-sets zijn niet aan specifieke documenten gekoppeld, maar
worden samen met andere voorkeuren van InDesign opgeslagen in een apart bestand dat gedeeld kan worden.
U kunt bepalen of de lettertypen van glyphs worden onthouden. Het onthouden van lettertypen is bijvoorbeeld nuttig wanneer u met Dingbat-
tekens werkt die niet in andere lettertypen voorkomen. Als het lettertype van een glyph wordt onthouden maar het lettertype ontbreekt, wordt het
vierkantje van de glyph roze weergegeven in het deelvenster Glyphs en het dialoogvenster Glyph-set bewerken. Als het lettertype van een
toegevoegde glyph niet wordt onthouden, verschijnt de letter “u” naast de glyph om aan te geven dat de vormgeving van de glyph wordt bepaald
door de Unicode-waarde van het lettertype.
Een aangepaste glyph-set maken
1. Kies Tekst > Glyphs.
2. Ga op een van de volgende manieren te werk:
Kies Nieuwe glyph-set in het menu van het deelvenster Glyphs.
Open het contextmenu in het deelvenster Glyphs en kies Nieuwe glyph-set.
3. Voer de naam van de glyph-set in.
4. Kies de volgorde waarin de glyphs aan de glyph-set worden toegevoegd en klik op OK:
Invoegen aan beginElke nieuwe glyph wordt als eerste in de set vermeld.
Toevoegen aan eindeElke nieuwe glyph wordt als laatste in de set vermeld.
Unicode-volgordeAlle glyphs worden vermeld in de volgorde van hun unicode-waarden.
5. Als u glyphs aan de aangepaste set wilt toevoegen, selecteert u onder in het deelvenster Glyphs het lettertype met de glyph,
klikt u op de glyph om deze te selecteren en kiest u de naam van de aangepaste glyph-set in het menu Toevoegen aan
glyph-set in het menu van het deelvenster Glyphs.
Naar boven
Een aangepaste glyph-set weergeven
Voer een van de volgende handelingen uit in het deelvenster Glyphs:
Kies de glyph-set in de lijst Tonen.
Kies Glyph-set weergeven in het menu van het deelvenster Glyphs en kies de naam van de glyph-set.
Aangepaste glyph-sets bewerken
1. Kies Glyph-set bewerken in het menu van het deelvenster Glyph en kies vervolgens de aangepaste glyph-set.
2. Selecteer de glyph die u wilt bewerken, voer een van de volgende handelingen uit en klik op OK:
Selecteer Lettertype bij glyph onthouden als u de glyph aan het lettertype wilt koppelen. Een glyph die het lettertype
onthoudt, negeert het lettertype dat op de geselecteerde tekst in het document is toegepast wanneer de glyph in die tekst
wordt ingevoegd. Ook het lettertype dat in het deelvenster Glyph zelf is opgegeven, wordt genegeerd. Als u deze optie
deselecteert, wordt de Unicode-waarde van het huidige lettertype gebruikt.
Om extra glyphs weer te geven, kiest u een ander lettertype of een andere stijl. Als de glyph niet bij het lettertype is
gedefinieerd, kunt u geen ander lettertype selecteren.
Om een glyph uit de aangepaste glyph-set te verwijderen, kiest u Verwijderen uit set.
Kies een optie bij Invoegvolgorde als u de volgorde wilt wijzigen waarin glyphs aan de set worden toegevoegd. Unicode-
volgorde is niet beschikbaar als Invoegen aan begin of Toevoegen aan einde was geselecteerd toen de glyph-set werd
gemaakt.
Glyphs verwijderen uit aangepaste glyph-sets
1. Kies in het deelvenster Glyphs de aangepaste glyph-set in het menu Tonen.
2. Klik met de rechtermuisknop (Windows) of houd Control ingedrukt en klik (Mac OS) op een glyph en kies Glyph uit set
verwijderen.
Aangepaste glyph-sets verwijderen
1. Ga op een van de volgende manieren te werk:
Kies Glyph-set verwijderen in het menu van het deelvenster Glyphs.
Kies Glyph-set verwijderen in het contextmenu.
2. Klik op de naam van de aangepaste glyph-set.
3. Klik ter bevestiging op Ja.
Glyph-sets opslaan en laden
Aangepaste glyph-sets worden opgeslagen in bestanden in de map Glyph Sets, een submap van de map Presets. U kunt glyph-setbestanden
kopiëren naar andere computers, zodat andere gebruikers aangepaste glyph-sets kunnen gebruiken. Kopieer glyph-setbestanden van en naar
deze mappen, zodat anderen ze kunnen gebruiken:
Mac OSGebruikers\[gebruikersnaam]\Bibliotheek\Preferences\Adobe InDesign\[versie]\[taal]\Glyph Sets
Windows XPDocuments and Settings\[gebruikersnaam]\Application Data\Adobe\InDesign\[versie]\[taal]\Glyph Sets
Windows Vista en Windows 7Gebruikers\[gebruikersnaam]\AppData\Roaming\Adobe\InDesign\[versie]\[taal]\Glyph Sets
Aanhalingstekens gebruiken
U kunt verschillende aanhalingstekens voor diverse talen opgeven. Deze aanhalingstekens worden alleen weergegeven als de optie Typografische
aanhalingstekens gebruiken is geselecteerd onder Tekst in het dialoogvenster Voorkeuren.
Opgeven welke aanhalingstekens moeten worden gebruikt
1. Kies Bewerken > Voorkeuren > Woordenboek (Windows) of InDesign > Voorkeuren > Woordenboek (Mac OS).
2. Kies een taal in het menu Taal.
3. Voer een van de volgende handelingen uit en klik op OK:
Voor dubbele aanhalingstekens kiest u een paar aanhalingstekens of typt u het paar tekens dat u wilt gebruiken, en klikt u
op OK.
Voor enkele aanhalingstekens selecteert u een paar aanhalingstekens of typt u het paar tekens dat u wilt gebruiken, en
klikt u op OK.
Naar boven
Rechte aanhalingstekens invoegen
Ga op een van de volgende manieren te werk:
Kies Tekst > Speciaal teken invoegen > Aanhalingstekens > Rechte dubbele aanhalingstekens of Recht enkel aanhalingsteken
(apostrof).
Deselecteer de optie Typografische aanhalingstekens gebruiken in het gedeelte Tekst van het dialoogvenster Voorkeuren en
typ het aanhalingsteken of de apostrof.
Druk op Shift+Ctrl+Alt+' (Windows) of Shift+Command+Option+' (Mac OS) om de voorkeurenoptie Typografische
aanhalingstekens gebruiken in of uit te schakelen.
Het teken dat vaak wordt gebruikt om Engelse voeten, boogminuten of minuten aan te geven is het prime-teken. Het lijkt op een schuine
apostrof. Het teken dat vaak wordt gebruikt om inches, boogseconden of seconden aan te geven is het dubbele prime-teken. Verwar deze
symbolen niet met apostroffen en aanhalingstekens. Sommige lettertypen bevatten de prime- en dubbele prime-tekens. U kunt deze tekens
invoeren met het deelvenster Glyphs. Als het lettertype geen prime- of dubbel prime-teken bevat, voegt u een recht aanhalingsteken in en
maakt u dit cursief.
Spatietekens invoegen
Een spatieteken is een lege spatie tussen tekens. U kunt spatietekens voor allerlei doeleinden gebruiken, bijvoorbeeld om twee woorden aan het
einde van een regel bij elkaar te houden.
1. Voeg met het gereedschap Tekst een invoegpositie in op de plaats waar u een bepaalde spatie wilt invoegen.
2. Kies Tekst > Spatie(s) invoegen en selecteer een van de opties voor spaties (zoals Em-spatie) in het contextmenu.
Er worden symbolen weergegeven voor de spatietekens wanneer u Tekst > Verborgen tekens tonen kiest.
Spatieopties
De volgende opties worden in het menu Tekst > Spatie(s) invoegen weergegeven:
Em-spatie Even breed als de tekst. In 12-punts tekst is de em-spatie dus 12 punten breed.
En-spatie Half zo breed als een em-spatie.
Vaste spatie Even flexibel en breed als de spatie die u invoegt met de spatiebalk, maar de regel wordt bij deze spatie niet afgebroken.
Vaste spatie (vaste breedte) Een spatie van vaste breedte voorkomt het afbreken van een regel bij de spatie, maar wordt niet versmald of
verbreed in uitgevulde tekst. Een spatie van vaste breedte is hetzelfde als het teken voor de vaste spatie dat in InDesign CS2 werd gebruikt.
Eén derde spatie Net zo breed als één derde van een em-spatie.
Kwart spatie Net zo breed als één vierde van een em-spatie.
Eén zesde spatie Net zo breed als één zesde van een em-spatie.
Uitlijnspatie Lijnt de laatste regel van een volledig uitgelijnde alinea helemaal uit door de regel met spaties op te vullen. (Zie Instellingen voor
uitvulling wijzigen.)
Haarfijne spatie Net zo breed als 1/24e van een em-spatie.
Dunne spatie Net zo breed als een achtste van een em-spatie. U kunt aan weerszijden van een em- of en-streepje een dunne spatie
invoegen.
Cijferspatie Even breed als een getal in het lettertype. Gebruik deze spatie om getallen in financiële tabellen uit te lijnen.
Interpunctiespatie Even breed als het uitroepteken, de punt of puntkomma van het lettertype.
Meer Help-onderwerpen
Juridische kennisgevingen | Onlineprivacybeleid
Gekoppelde artikelen | CS5.5
Naar boven
Naar boven
Een gekoppeld artikel maken
Opties voor een gekoppeld artikel opgeven
Een gekoppeld artikel bijwerken
Origineel artikel bewerken
Het is niet eenvoudig om inhoud van verschillende pagina's te dupliceren. Daarnaast leidt kopiëren en plakken vaak tot fouten en kost het veel tijd.
Door artikelen aan elkaar te koppelen, kunt u meerdere versies van een artikel of tekstinhoud in hetzelfde document beheren. Met gekoppelde
artikelen wordt het gemakkelijker om opkomende workflows te ondersteunen waarin u bijvoorbeeld voor verticale en horizontale layouts moet
ontwerpen. Gekoppelde artikelen zijn ook handig voor traditionele drukwerk- en publicatieworkflows waarin u bijvoorbeeld vaste gegevens op
verschillende pagina's moet synchroniseren.
Gekoppelde artikelen werken op dezelfde manier als gewone koppelingen. U kunt een artikel als bovenliggend element aanduiden en vervolgens
hetzelfde artikel op andere locaties in het document als onderliggende artikelen plaatsen. Wanneer u het bovenliggende artikel bijwerkt, worden de
onderliggende artikelen in het deelvenster Koppelingen gemarkeerd en kunt u ze bijwerken zodat ze gelijk zijn aan het bovenliggende artikel. U
kunt gekoppelde artikelen maken met behulp van normale artikelen of artikelen met padtekst. Verankerde artikelen binnen artikelen worden ook
ondersteund.
Gekoppelde artikelen blijven gesynchroniseerd wanneer u toegepaste InDesign-stijlen bijwerkt.
Gekoppelde artikelen worden gemarkeerd als niet meer gesynchroniseerd in het deelvenster Koppelingen, ook al zijn er geen zichtbare
wijzigingen. Globale documentwijzigingen die ertoe leiden dat de artikelen opnieuw worden samengesteld, zorgen ervoor dat de koppelingen
worden gemarkeerd. Deze globale wijzigingen kunnen te wijten zijn aan updates van opties of definities voor:
Voetnoten
Tekstvariabelen
Voorwaardelijke tekst
Stalen
XML-labels
Benoemde rasters
Als u alle lettertypen of alle instanties van een object vervangt, stelt InDesign alle artikelen opnieuw samen en worden de koppelingen
gemarkeerd.
Een gekoppeld artikel maken
1. Selecteer een artikel door het tekstkader te selecteren of de invoegcursor in de tekst te plaatsen. U kunt ook meerdere
artikelen selecteren door Shift ingedrukt te houden en te klikken als u tekstkaders selecteert.
2. Kies Bewerken > Artikel plaatsen en koppelen. De cursor wordt geladen met het artikel.
3. Klik in een bestaand leeg tekstkader of teken een kader waarin u het gekoppelde artikel plaatst.
Het pictogram wordt weergegeven in de linkerbovenhoek van het gekoppelde artikel. Het artikel wordt in het deelvenster Koppelingen als een
gekoppeld artikel weergegeven. Standaard wordt de naam van het artikel in het deelvenster Koppelingen gemaakt met behulp van de eerste paar
tekens van het originele artikel.
U kunt de standaardnaam van het gekoppelde artikel ook wijzigen via het deelvenster Lagen.
Opties voor het gekoppelde artikel opgeven
1. Selecteer het gekoppelde artikel in het deelvenster Koppelingen.
2. Ga in het deelvenster Koppelingen naar Opties voor gekoppeld artikel.
3. Selecteer de gewenste opties:
Koppeling bijwerken tijdens opslaan van document
Waarschuwen als bijwerken van koppeling lokale bewerkingen overschrijft
Geforceerde regeleinden verwijderen
De voorwaarden van Creative Commons zijn niet van toepassing op Twitter™- en Facebook-berichten.
Juridische kennisgevingen | Onlineprivacybeleid
Naar boven
Naar boven
Tip: Als u standaardartikelopties wilt opgeven met alle documenten gesloten, opent u het menu van het deelvenster Koppelingen en kiest u Opties
voor gekoppeld artikel.
Tip: Als u Opties voor gekoppeld artikel wilt opgeven terwijl u gekoppelde artikelen maakt, houdt u de Shift-toets ingedrukt en kiest u Bewerken >
Artikel plaatsen en koppelen.
Een gekoppeld artikel bijwerken
Als een origineel artikel wordt bewerkt, wordt het deelvenster Koppelingen weergegeven naast het gekoppelde artikel.
Dubbelklik in het deelvenster Koppelingen op om het gekoppelde artikel bij te werken.
Als u plaatselijk wijzigingen in een gekoppeld artikel hebt aangebracht, worden de wijzigingen overschreven met de inhoud van het originele
artikel. Als u de optie Waarschuwen als bijwerken van koppeling lokale bewerkingen overschrijft kiest, wordt er een waarschuwingsbericht
weergegeven.
Gebruik het deelvenster Koppelingsinfo om te controleren of u plaatselijk wijzigingen in het artikel hebt aangebracht; de Artikelstatus geeft
“Tekst gewijzigd” aan als u wijzigingen hebt aangebracht.
Het originele artikel bewerken
Als u aan een gekoppeld artikel werkt en u moet in het originele artikel zijn, gaat u als volgt te werk:
1. Selecteer het gekoppelde artikel in het deelvenster Koppelingen.
2. Klik op of kies Origineel bewerken in het menu van het deelvenster Koppelingen ().
De focus wordt verplaatst naar de pagina die het originele artikel bevat.
Spellingcontrole en taalwoordenboeken
Naar boven
Spellingcontrole
Afbrekings- en spellingwoordenboeken
Spellingcontrole
U kunt de spelling controleren in een geselecteerd tekstbereik, in alle tekst in een artikel, in alle artikelen in een document of in alle artikelen in alle
geopende documenten. Verkeerd gespelde of onbekende woorden, dubbele woorden (zoals "de de") en woorden met mogelijke fouten in het
gebruik van hoofdletters worden gemarkeerd. Naast het controleren van de spelling in een document kunt u ook de dynamische spelling
inschakelen zodat mogelijk verkeerd gespelde woorden tijdens het typen worden onderstreept.
Tijdens het uitvoeren van een spellingcontrole wordt gebruikgemaakt van het woordenboek voor de talen die u aan de tekst hebt toegewezen. U
kunt eenvoudig woorden aan het woordenboek toevoegen.
Spellingvoorkeuren instellen
1. Kies Bewerken > Voorkeuren > Spelling (Windows) of InDesign > Voorkeuren > Spelling (Mac OS).
2. Ga als volgt te werk:
Selecteer Verkeerd gespelde woorden om de woorden op te zoeken die niet in het woordenboek staan.
Selecteer Herhaalde woorden om dubbele woorden zoals "de de" op te zoeken.
Selecteer Woorden zonder hoofdletters om woorden zoals "nederland" op te zoeken die in het woordenboek als
"Nederland" (met een hoofdletter) staan.
Selecteer Zinnen zonder hoofdletters om woorden zonder hoofdletter na een punt, uitroepteken en vraagteken te zoeken.
3. Selecteer Dynamische spelling inschakelen om mogelijk verkeerd gespelde woorden tijdens het typen te onderstrepen.
4. Geef de kleur op voor het onderstrepen van verkeerd gespelde woorden (woorden die niet in de gebruikerswoordenboeken
voorkomen), herhaalde woorden (zoals "de de"), woorden zonder hoofdletters (zoals "nigeria" in plaats van "Nigeria") en
zinnen zonder hoofdletters (zinnen die niet met een hoofdletter beginnen).
Spellingcontrole
1. Als in uw document tekst in een andere taal voorkomt, selecteert u de tekst en geeft u met behulp van het menu Taal in het
deelvenster Teken de taal voor de tekst op.
2. Kies Bewerken > Spelling > Spellingcontrole.
De spellingcontrole wordt uitgevoerd.
3. Als u het bereik van de spellingcontrole wilt wijzigen, voert u een van de volgende handelingen uit en klikt u op Start om de
spelling te controleren:
Selecteer Document om het hele document te controleren.Selecteer Alle documenten om alle geopende documenten te
controleren.
Selecteer Artikel om alle tekst in het geselecteerde kader te controleren, inclusief tekst in andere verbonden tekstkaders
en overlopende tekst. Selecteer Artikelen om artikelen in alle geselecteerde kaders te controleren.
Selecteer Tot einde van artikel om tekst vanaf het invoegpunt te controleren.
Selecteer Selectie om alleen geselecteerde tekst te controleren. Deze optie is alleen beschikbaar als tekst is geselecteerd.
4. Wanneer onbekende of verkeerd gespelde woorden of andere mogelijke fouten worden weergegeven, kiest u een van de
volgende opties:
Klik op Overslaan om door te gaan met het controleren van de spelling zonder het gemarkeerde woord te wijzigen. Klik op
Alles negeren om alle instanties van het gemarkeerde woord te negeren. Dit blijft het geval totdat u InDesign opnieuw
start.
Selecteer een woord in de lijst Suggesties of typ de juiste spelling van de tekst in het vak Wijzigen in; klik dan op Wijzigen
om alleen die instantie van het verkeerd gespelde woord te corrigeren. Klik op Alles wijzigen om alle instanties van het
verkeerd gespelde woord in het document te corrigeren.
U voegt een woord aan een woordenboek toe door het woordenboek in het menu Toevoegen aan te selecteren en op
Toevoegen te klikken.
Naar boven
Klik op Woordenboek om het dialoogvenster Woordenboek te openen waarin u het doelwoordenboek en de taal kunt
opgeven en de afbreekstreepjes in het toegevoegde woord. Als u het woord wilt toevoegen aan alle talen, kiest u Alle
talen in het menu Taal. Klik op Toevoegen.
Typfouten tijdens het typen corrigeren
Door AutoCorrectie in te schakelen kunt u fouten in het gebruik van hoofdletters toestaan en algemene typfouten tijdens het typen vervangen. Om
AutoCorrectie te kunnen gebruiken, moet u een lijst met veel voorkomende woorden maken en deze woorden aan de juiste spelling koppelen.
1. Kies Bewerken > Voorkeuren > AutoCorrectie (Windows) of InDesign > Voorkeuren > AutoCorrectie (Mac OS).
2. Kies AutoCorrectie inschakelen. (U kunt ook Bewerken > Spelling > AutoCorrectie kiezen om deze functie snel in of uit te
schakelen.)
3. Kies in het menu Taal op welke taal de autocorrecties worden toegepast.
4. U kunt fouten in het gebruik van hoofdletters (zoals "duitsland" in plaats van "Duitsland") wijzigen door AutoCorrectie
hoofdletterfouten te selecteren. U hoeft de woorden in hoofdletters niet aan de lijst met autocorrecties toe te voegen.
5. Als u een woord wilt toevoegen dat u vaak verkeerd typt, klikt u op Toevoegen, typt u het onjuist gespelde woord (zoals
"avn"), typt u het juiste woord (dus "van") en klikt u op OK.
6. Voeg eventueel meer woorden toe die u regelmatig verkeerd typt en klik op OK.
Wanneer u een woord dat u aan de lijst hebt toegevoegd, verkeerd typt, wordt het woord automatisch vervangen door het woord dat u als
correctie hebt opgegeven.
Als u AutoCorrectie-woorden wilt verwijderen die u hebt toegevoegd, selecteert u het woord in de lijst en kiest u Verwijderen. Als u AutoCorrectie-
woorden wilt bewerken, selecteert u het woord, klikt u op Bewerken, past u de correctie aan en klikt u op OK.
Dynamische spelling gebruiken
Wanneer dynamische spelling is ingeschakeld, kunt u de spelfouten corrigeren met behulp van het contextmenu. Mogelijk verkeerd gespelde
woorden worden onderstreept (op basis van het woordenboek dat aan de taal van de tekst is gekoppeld). Als u tekst in verschillende talen typt,
selecteert u de tekst en wijst u de juiste taal toe.
1. U schakelt de dynamische spelling in door Bewerken > Spelling > Dynamische spelling te kiezen.
Mogelijk verkeerd gespelde woorden worden onderstreept in uw document.
2. Klik met de rechtermuisknop (Windows) of houd Control ingedrukt en klik (Mac OS) op het onderstreepte woord en voer een
van de volgende handelingen uit:
Selecteer een voorgestelde correctie. Als een woord wordt herhaald of in hoofdletters moet worden geschreven, kiest u
Dubbel woord verwijderen [woord] of In hoofdletters [woord].
Selecteer [Woord] aan gebruikerswoordenboek toevoegen. Hiermee wordt automatisch het woord aan het huidige
woordenboek toegevoegd zonder dat het dialoogvenster Woordenboek wordt geopend. Het woord wordt niet gewijzigd in
de tekst.
Selecteer Woordenboek. Het dialoogvenster Woordenboek wordt geopend waarin u het doelwoordenboek kunt opgeven,
afbreekstreepjes kunt wijzigen en een taal kunt opgeven. Als u het woord wilt toevoegen aan alle talen, kiest u Alle talen
in het menu Taal en klikt u vervolgens op Toevoegen. Het woord wordt aan het geselecteerde woordenboek toegevoegd
maar niet in de tekst gewijzigd.
Selecteer Alles negeren om de instanties van dit woord in alle documenten te negeren. Als InDesign weer wordt gestart,
wordt het woord opnieuw gemarkeerd als een spelfout.
Opmerking: Als u Alles negeren selecteert en vervolgens besluit dat u dat woord bij nader inzien helemaal niet wilt overslaan, kiest u
Genegeerde woorden in het menu Woordenlijst in het dialoogvenster Woordenboek en verwijdert u het desbetreffende woord uit de lijst.
Afbrekings- en spellingwoordenboeken
InDesign maakt voor de meeste talen gebruik van Proximity-woordenboeken voor het controleren van de spelling en het afbreken van woorden. U
kunt aan ieder woordenboek woorden toevoegen. U kunt verschillende talen aan tekst toewijzen en InDesign gebruikt het juiste woordenboek voor
spelling en woordafbreking. U kunt aanvullende gebruikerswoordenboeken maken en u kunt woordenlijsten die zijn opgeslagen in een
tekstbestand zonder opmaak importeren of exporteren.
Als u de woorden in een woordenboek aanpast, maakt u in feite lijsten van toegevoegde woorden (woorden die nog niet in het woordenboek
staan) en verwijderde woorden (woorden die in het woordenboek staan, maar die moeten worden gemarkeerd als mogelijk verkeerd gespeld). In
het dialoogvenster Woordenboek kunt u toegevoegde woorden, verwijderde woorden en genegeerde woorden (woorden die zijn genegeerd voor
de huidige sessie omdat u op Alles negeren hebt geklikt) weergeven en bewerken. U kunt woorden toevoegen die van toepassing zijn op alle
talen, wat vooral nuttig is voor achternamen, straatnamen en andere items die niet specifiek van toepassing zijn op een bepaalde taal.
Als u de taalwoordenboeken uit een vorige versie van InDesign of InCopy wilt gebruiken, zoekt u met de opdracht Zoeken van het systeem
naar de bestanden voor gebruikerswoordenboeken (.udc) en voegt u deze toe aan de lijst met woordenboeken in het venster met
woordenboekvoorkeuren.
Waar worden woordenboekwoorden opgeslagen?
Standaard staan uitzonderingen voor woordafbreking en spelling in bestanden voor gebruikerswoordenboeken die niet bij het document zijn
opgeslagen op de computer waarop InDesign is geïnstalleerd (woordenboekbestanden zijn bestanden met de extensie .clam of .not). U kunt
uitzonderingslijsten echter ook in een geopend InDesign-document opslaan. Daarnaast kunt u woordenlijsten in een extern gebruikerswoordenboek
en/of in het document opslaan. De locatie van bestaande woordenboeken wordt weergegeven bij de voorkeuren voor woordenboeken.
Als de uitzonderingen voor woordafbreking en spelling in het document zelf worden opgeslagen, is het makkelijker de samenstelling van de tekst
te behouden als u het document op andere computers gaat gebruiken. Om die reden kunt u het gebruikerswoordenboek in het document
samenvoegen in het venster met woordenboekvoorkeuren. U kunt ook de locatie van de uitzonderingen bepalen vanuit het dialoogvenster
Pakketmap maken (zie Pakketbestanden). Maar als u de lijst met uitzonderingen buiten het document opslaat, wordt het makkelijker bij meerdere
documenten dezelfde lijst met uitzonderingen te gebruiken.
Opmerking: Als het gebruikerswoordenboek wordt samengevoegd met de lijst met uitzonderingen, wordt het volledige gebruikerswoordenboek
toegevoegd aan het document, ook als de woorden niet worden gebruikt. De bestandsgrootte van het document neemt dan toe.
Talen toepassen op tekst
U kunt via het menu Taal in het regelpaneel of het deelvenster Teken een taal op geselecteerde tekst toepassen. Ook kunt u een standaardtaal
voor het gehele document of voor alle nieuwe documenten opgeven. (Zie Een taal aan tekst toewijzen.)
Lijsten met uitzonderingswoorden
U kunt woorden opgeven die niet moeten worden gecontroleerd. Als u bijvoorbeeld het woord "jaaromzet" voor uw bedrijf in een bepaald document
als "JaarOmzet" moet schrijven, kunt u "jaaromzet" aan de lijst met uitzonderingen toevoegen, zodat dit woord tijdens de spellingcontrole niet
wordt gemarkeerd. InDesign kan een afzonderlijke set toegevoegde en verwijderde woorden bijhouden voor iedere geïnstalleerde taal.
Gebruikerswoordenboeken maken of toevoegen
U kunt een gebruikerswoordenboek maken, of gebruikerswoordenboeken uit vorige InDesign- of InCopy-versies toevoegen, vanuit bestanden die u
hebt ontvangen van andere gebruikers of vanaf een server waar het gebruikerswoordenboek van de werkgroep is opgeslagen. Het woordenboek
dat u toevoegt, wordt voor alle InDesign-documenten gebruikt.
1. Kies Bewerken > Voorkeuren > Woordenboek (Windows) of InDesign > Voorkeuren > Woordenboek (Mac OS).
2. Kies in het menu Taal de taal van het woordenboek.
3. Ga op een van de volgende manieren te werk:
U maakt een nieuw woordenboek door op het pictogram Nieuw gebruikerswoordenboek onder het menu Taal te
klikken. Geef de naam en locatie van het gebruikerswoordenboek op (met de extensie .udc) en klik op Opslaan.
U voegt een bestaand woordenboek toe door op het pictogram Gebruikerswoordenboek toevoegen te klikken, het
gebruikerswoordenboekbestand te selecteren (met de extensie .udc of .not) en op Openen te klikken.
Opmerking: Als u het woordenboekbestand niet kunt vinden, kunt u met de systeemopdracht Zoeken de .udc-bestanden opzoeken (probeer
*.udc). Wordt het bestand gevonden, onthoud dan waar het bestand staat en probeer het opnieuw.
Het woordenboek wordt aan de lijst onder het menu Taal toegevoegd. U kunt woorden toevoegen aan het woordenboek als u de spelling
controleert of door gebruik te maken van het dialoogvenster Woordenboek.
Het standaardtaalwoordenboek instellen voor het huidige document
U kunt het standaardtaalwoordenboek wijzigen voor een document of voor alle nieuwe documenten die u maakt. Het wijzigen van het
standaardwoordenboek in een bestaand document heeft geen invloed op tekst die al is gemaakt of op tekst die u in een bestaand tekstkader typt.
Stel in het deelvenster Tekenstijl of Alineastijl een afzonderlijk woordenboek in voor een bepaalde stijl. Het menu Taal wordt weergegeven in
het gedeelte Geavanceerde tekenopmaak.
1. Open het document.
2. Selecteer het gereedschap Selecteren op de werkbalk en zorg ervoor dat er geen elementen zijn geselecteerd in het
document.
3. Kies Tekst > Teken.
4. Kies het gewenste woordenboek in het menu Taal in het deelvenster Teken. Als u de taaloptie niet kunt zien in het
deelvenster Teken, selecteert u Opties tonen en kiest u uw taal in de lijst.
Het standaardtaalwoordenboek instellen voor alle nieuwe documenten
1. Start InDesign, maar open nog geen document.
2. Kies Tekst > Teken.
3. Kies het gewenste woordenboek in het pop-upmenu Taal in het deelvenster Teken. Als u de taaloptie niet kunt zien in het
deelvenster Teken, selecteert u Opties tonen en kiest u uw taal in de lijst.
Gebruikerswoordenboeken verwijderen, opnieuw koppelen en opnieuw rangschikken
1. Kies Bewerken > Voorkeuren > Woordenboek (Windows) of InDesign > Voorkeuren > Woordenboek (Mac OS).
2. Kies in het menu Taal de taal van het woordenboek.
3. Ga als volgt te werk:
U verwijdert een woordenboek uit de lijst door het te selecteren en op het pictogram Gebruikerswoordenboek verwijderen
te klikken. Voor elke taal moet minstens één woordenboek aanwezig zijn.
Als naast het taalwoordenboek een vraagteken staat, selecteert u het woordenboek, klikt u op het pictogram
Gebruikerswoordenboek opnieuw koppelen en zoekt en opent u het gebruikerswoordenboek.
U wijzigt de volgorde van de gebruikerswoordenboeken door deze te slepen. De volgorde van de woordenboeken in de
lijst is de volgorde waarin de woordenboeken worden gecontroleerd.
Woorden aan woordenboeken toevoegen
Als tijdens de spellingcontrole een onbekend woord in het dialoogvenster Spellingcontrole van InDesign wordt weergegeven, selecteert u het
woordenboek in het menu Toevoegen aan en klikt u vervolgens op Toevoegen. U kunt ook gebruikmaken van het dialoogvenster Woordenboek
als u het doelwoordenboek en de taal wilt opgeven, en om op te geven hoe woorden worden toegevoegd aan een lijst met uitzonderingen.
1. Kies Bewerken > Spelling > Gebruikerswoordenboek.
2. Kies in het menu Taal een taal. Voor elke taal is minstens één woordenboek aanwezig. Als u wilt dat het woord wordt
toegevoegd aan alle talen, kiest u Alle talen.
3. Kies in het menu Doel het woordenboek waarin u het woord wilt opslaan. Met het menu Doel kunt u de wijzigingen in een
extern gebruikerswoordenboek of in een geopend document opslaan.
4. Kies in het menu Woordenlijst de optie Toegevoegde woorden.
5. Typ of bewerk in het vak Woord het woord dat aan de woordenlijst moet worden toegevoegd.
6. Klik op Woordafbreking om te zien hoe het woord standaard wordt afgebroken. Tildes (~) geven de plaats aan waar het woord
kan worden afgebroken.
7. Als de afbrekingen u niet bevallen, gebruikt u de volgende richtlijnen om aan te geven hoe u woorden wilt laten afbreken:
Typ één tilde (~) om de beste of enige plaats in het woord aan te geven waar dat woord kan worden afgebroken.
Typ twee tildes (~~) om de op een na beste plaats aan te geven.
Typ drie tildes (~~~) om een niet echt fraaie, maar aanvaardbare plaats voor het afbreken aan te geven.
Als u niet wilt dat het woord wordt afgebroken, typt u een tilde voor de eerste letter van het woord.
Als u de tilde zelf in een woord wilt opnemen, plaatst u een backslash voor de tilde (\~).
8. Klik op Toevoegen en vervolgens op Gereed. Het woord wordt aan de geselecteerde woordenlijst toegevoegd.
Opmerking: Houd er rekening mee dat afbrekingspunten de instellingen voor woordafbreking in documenten beïnvloeden. Dit heeft als gevolg
dat het woord mogelijk niet op de verwachte plaats wordt afgebroken. U controleert deze instellingen via Woordafbreking in het menu van het
deelvenster Alinea. (Zie Woordafbreking.)
Woorden in woordenboeken bewerken of eruit verwijderen
1. Kies Bewerken > Spelling > Gebruikerswoordenboek.
2. Kies in het menu Taal een taal.
3. Kies in het menu Doel het woordenboek waaruit u het woord wilt verwijderen. In het menu Doel kunt u een extern
gebruikerswoordenboek of een geopend document kiezen.
4. Voer vanuit het menu Woordenlijst een van de volgende handelingen uit:
Om de lijst met toevoegingen aan de geselecteerde doelwoordenlijst te wijzigen, kiest u Toegevoegde woorden.
U wijzigt de lijst met woorden die verkeerd zijn gespeld, door Verwijderde woorden te kiezen.
Om de lijst met woorden die worden genegeerd tijdens de huidige InDesign-sessie, te wijzigen kiest u Genegeerde
woorden. In deze lijst staan alle woorden waarvoor u Alles negeren hebt gekozen.
5. Bewerk in de woordenlijst het woord of selecteer het woord en klik op Verwijderen.
6. Klik op Sluiten.
Een woordenlijst exporteren
U kunt woordenlijsten exporteren naar een tekstbestand (.txt) en die lijst vervolgens importeren naar een gebruikerswoordenboek in InDesign. De
woorden in het tekstbestand moeten met een spatie, tab of alineareturn van elkaar worden gescheiden. U kunt toegevoegde en verwijderde
woorden exporteren, maar u kunt genegeerde woorden die alleen in de huidige sessie voorkomen niet exporteren.
1. Kies Bewerken > Spelling > Gebruikerswoordenboek.
2. Kies de taal in het menu Taal en in het menu Doel het woordenboek dat de woordenlijst bevat die u wilt exporteren.
3. Klik op Exporteren, geef de bestandsnaam en locatie op en klik op Opslaan.
De woordenlijst wordt in een tekstbestand opgeslagen. U kunt deze woordenlijst in een teksteditor bewerken en vervolgens de woordenlijst
importeren. U kunt de woordenlijst ook naar anderen verzenden die de woordenlijst vervolgens in hun eigen gebruikerswoordenboeken kunnen
importeren.
Een woordenlijst importeren
1. Kies Bewerken > Spelling > Gebruikerswoordenboek.
2. Kies de taal in het menu Taal en het woordenboek in het menu Doel.
3. Klik op Importeren, zoek het tekstbestand met de lijst met spellinguitzonderingen op en klik op Openen.
Woordenboekvoorkeuren wijzigen
U kunt bij de voorkeuren voor woordenboeken opgeven hoe InDesign moet omgaan met woordafbrekings- en spellingswoordenboeken. De
meeste talen in InDesign gebruiken Proximity-woordenboeken voor het controleren van de spelling en voor het afbreken van woorden. Als u
afbreekroutines of spellingcontroleprogramma’s van een andere fabrikant hebt geïnstalleerd, kunt u voor elke geïnstalleerde taal een andere
fabrikant kiezen.
Opmerking: U kunt in het dialoogvenster met woordenboekvoorkeuren niet kiezen welk taalwoordenboek wordt gebruikt voor de spellingcontrole
of woordafbreking. U gebruikt dit dialoogvenster om op te geven welke plug-ins door InDesign voor afbreekroutines en spelling worden gebruikt
voor de taal die is opgegeven in het veld Taal. Als u alleen de standaardplug-in voor afbreekroutines en spelling gebruikt, hoeft u geen instellingen
te wijzigen in het dialoogvenster met woordenboekvoorkeuren. Als u een plug-in voor spelling of woordafbreking van een andere fabrikant
installeert, wordt deze plug-in weergegeven als een optie in de menu's Hyphenation Vendor en Spelling Vendor in dit dialoogvenster. Zo kunt u
voor bepaalde talen de afbreekroutines of spellingcontrole van de ene fabrikant selecteren en een afbreekroutine en spellingcontrole van een
andere fabrikant voor andere talen.
1. Kies Bewerken > Voorkeuren > Woordenboek (Windows) of InDesign > Voorkeuren > Woordenboek (Mac OS).
2. Kies bij Taal de taal waarvoor u instellingen wilt bewerken of waarvoor u de fabrikant voor de afbreekroutines of de
spellingcontrole wilt wijzigen.
3. Maak gebruikerswoordenboeken, voeg ze toe of verwijder ze. (Zie Gebruikerswoordenboeken maken of toevoegen.)
4. Als u een afbreekroutine van een andere leverancier hebt geïnstalleerd, kunt u deze selecteren in het menu Woordafbreking.
5. Als u een woordenboekonderdeel van een andere leverancier hebt geïnstalleerd, kunt u dit selecteren in het menu Spelling.
6. Kies een van de volgende opties onder Samenstellen met in het menu Uitzonderingen woordafbreking:
Kies Gebruikerswoordenboek als u tekst wilt samenstellen met de lijst met uitzonderingen voor woordafbreking die is
opgeslagen in het externe gebruikerswoordenboek.
Kies Document als u tekst wilt samenstellen met de lijst met uitzonderingen voor woordafbreking die is opgeslagen in het
document.
Kies Gebruikerswoordenboek en document als u de tekst met beide lijsten wilt samenstellen. Dit is de standaardinstelling.
7. U voegt de lijst met uitzonderingen die is opgeslagen in het externe gebruikerswoordenboek toe aan de lijst met
uitzonderingen die is opgeslagen in het document zelf door Gebruikerswoordenboek samenvoegen met document te
selecteren.
Opmerking: Als u met verschillende partners of klanten samenwerkt, kunt u de optie Gebruikerswoordenboek samenvoegen
met document uitschakelen. Bent u bijvoorbeeld een servicebureau, dan wilt u waarschijnlijk niet dat uw
gebruikerswoordenboek wordt samengevoegd met de bestanden van uw klanten.
8. Selecteer Bij wijziging alle artikelen opnieuw samenstellen als u alle artikelen opnieuw wilt samenstellen wanneer bepaalde
instellingen zijn veranderd. Door deze optie te selecteren worden de artikelen opnieuw samengesteld als u de optie
Samenstellen met (zie stap 6) verandert of als u met de opdracht Woordenboek woorden toevoegt of verwijdert. Het opnieuw
samenstellen van alle artikelen kan afhankelijk van de hoeveelheid tekst in het document enige tijd duren.
9. Klik op OK.
Woordenboeken gebruiken in werkgroepen
Zorg ervoor dat op ieder station in de werkgroep dezelfde aangepaste gebruikerswoordenboeken zijn geïnstalleerd en toegevoegd, zodat in het
document dezelfde spellings- en afbrekingsregels worden gebruikt, ongeacht wie er aan werkt. U kunt ervoor zorgen dat iedereen dezelfde
woordenboeken op zijn of haar computer plaatst of een gebruikerswoordenboek via de netwerkserver deelt.
Een slotpictogram geeft aan dat een woordenboek is vergrendeld en wel kan worden gebruikt, maar niet kan worden bewerkt. Wanneer een
gebruikerswoordenboek op een server is opgeslagen, wordt het bestand vergrendeld door de eerste gebruiker die het woordenboek laadt. Alle
volgende gebruikers zien dan dat het woordenboek is vergrendeld. Bestanden kunnen ook via het besturingssysteem worden vergrendeld, als het
bestand alleen-lezen is gemaakt. Als u een gebruikerswoordenboek via de netwerkserver deelt, kunt u het bestand vergrendelen zodat gebruikers
het bestand alleen kunnen lezen en alleen de beheerder woorden kan toevoegen.
Iedereen in de werkgroep moet het aangepaste gebruikerswoordenboek gebruiken dat op het gezamenlijke werkstation op het netwerk is
geïnstalleerd en niet het woordenboek dat bij een document is opgeslagen. Voordat u het bestand naar een servicebureau stuurt, kunt u het
gebruikerswoordenboek in het document opnemen.
Als u een aangepast gebruikerswoordenboek niet deelt op een gezamenlijk werkstation op het netwerk, zoekt u naar de
gebruikerswoordenboekbestanden en kopieert u deze van het ene werkstation naar het andere. De locatie van woordenboeken wordt
weergegeven bij de voorkeuren voor woordenboeken.
Nadat u het gebruikerswoordenboek op een gedeeld netwerkstation hebt bijgewerkt, worden de wijzigingen pas weergegeven op de
afzonderlijke werkstations als een gebruiker InDesign opnieuw start of op Ctrl+Alt+/ (Windows) of Command+ Option+/ (Mac OS) drukt om alle
tekst opnieuw samen te stellen.
Meer Help-onderwerpen
Juridische kennisgevingen | Onlineprivacybeleid
Tekstvariabelen
Naar boven
Tekstvariabelen maken en bewerken
Tekstvariabelen invoegen
Tekstvariabelen verwijderen, omzetten en importeren
Tekstvariabelen maken en bewerken
Een tekstvariabele is een item dat u in een document invoegt en dat zich aan de context aanpast. De variabele Laatste paginanummer
bijvoorbeeld geeft het paginanummer van de laatste pagina van het document weer. Als u pagina's toevoegt of verwijdert, wordt deze variabele
overeenkomstig bijgewerkt.
InDesign bevat diverse kant-en-klare tekstvariabelen die u in documenten kunt gebruiken. U kunt de opmaak van deze variabelen wijzigen en u
kunt zelf variabelen maken. Sommige variabelen, zoals Doorlopende koptekst en Hoofdstuknummer, zijn speciaal bedoeld voor stramienpagina's.
Deze variabelen zorgen voor een consistente opmaak en nummering. Andere variabelen, zoals Aanmaakdatum en Bestandsnaam, kunnen worden
gebruikt in de witruimte bij het afdrukken.
Opmerking: Te veel tekst in een variabele kan leiden tot overlopende of gecomprimeerde tekst. Variabelen worden niet over regels verdeeld.
Tekstvariabelen maken of bewerken
Het hangt van het type variabele af dat u opgeeft, welke opties er beschikbaar zijn voor het maken van de variabele. Als u bijvoorbeeld het
variabeletype Hoofdstuknummer kiest, kunt u de tekst opgeven die voor en achter het hoofdstuknummer moet komen te staan, en een
nummeringsstijl opgeven. U kunt op basis van hetzelfde type variabele verschillende variabelen maken. U kunt bijvoorbeeld een variabele maken
die "Hoofdstuk 1" weergeeft, en een variabele die "Hfd. 1.”
Als u het type Doorlopende koptekst kiest, kunt u een stijl voor de basis van de koptekst opgeven en kunt u opties selecteren voor het verwijderen
van leestekens aan einde van woorden en voor het wijzigen van het lettergebruik (hoofdletters/kleine letters).
1. U moet alle documenten sluiten als u tekstvariabelen voor nieuwe documenten wilt maken. Sluit u de geopende documenten
niet, dan worden de tekstvariabelen alleen in het actieve document gebruikt.
2. Kies Tekst > Tekstvariabelen > Opgeven.
3. Klik op Nieuw of selecteer een bestaande variabele en klik op Bewerken.
4. Geef een naam voor de variabel op, bijvoorbeeld "Heel hoofdstuk" of 'Doorlopende titel".
5. Kies in het menu Tekst een variabeletype, geef de gewenste opties voor dat type op en klik op OK.
U kunt diverse opties kiezen, afhankelijk van het type dat u selecteert.
Tekst voor/Tekst naMet uitzondering van Aangepaste tekst kunt u voor alle typen variabelen tekst opgeven die voor of
achter de variabele kan worden geplaatst. U kunt bijvoorbeeld het woord "van" vóór de variabele Laatste paginanummer en de
woorden "pagina's in totaal" na de variabele plaatsen, waarmee u bijvoorbeeld het volgende resultaat krijgt: van 12 pagina's in
totaal. Ook kunt u tekst in de vakken plakken, maar speciale tekens zoals tabs en automatische paginanummers worden
gewist. Als u speciale tekens wilt invoegen, klikt u op het driehoekje rechts van het tekstvak.
StijlVoor variabelen voor nummering kunt u een nummeringsstijl opgeven. Als [Huidige nummeringsstijl] is geselecteerd,
wordt de nummeringsstijl gebruikt die in het dialoogvenster is geselecteerd.
Typen variabelen
Hoofdstuknummer
Een variabele die met het type Hoofdstuknummer is gemaakt, voegt het hoofdstuknummer in. U kunt vóór en na het hoofdstuknummer tekst
invoegen en een nummeringsstijl opgeven.
Als de hoofdstukken in een boek moeten worden doorgenummerd, moet u wellicht de nummering van het boek bijwerken om het juiste
hoofdstuknummer te laten weergeven.
Aanmaakdatum, Wijzigingsdatum en Uitvoerdatum
De variabele Aanmaakdatum voegt de datum of tijd in waarop een document voor de eerste keer is opgeslagen, de variabele Wijzigingsdatum
voegt de datum of tijd in waarop een document voor de laatste keer is opgeslagen, en de variabele Uitvoerdatum voegt de datum of tijd in waarop
een document naar een printer is verstuurd, naar PDF is geëxporteerd of is verpakt. U kunt vóór en na de datum tekst invoegen en u kunt de
datumnotatie voor alle datumvariabelen aanpassen.
DatumnotatieU kunt datumnotaties direct in het vak Datumopmaak typen of notatie-opties kiezen door te klikken op het driehoekje rechts van het
vak. De datumnotatie "dd-MM-jj"bijvoorbeeld wordt weergegeven als 22-12-07. Als u de notatie "d MMM. jjjj" kiest, wordt de datum weergegeven
als 22 dec. 2007.
De datumvariabelen worden weergegeven volgens de taal waarin de tekst is geschreven. De aanmaakdatum kan in het Spaans worden
weergegeven als "01 diciembre 2007" en in het Duits als "01.Dezember 2007".
AfkortingBeschrijvingVoorbeeld
MMaandnummer, zonder voorloopnul8
MMMaandnummer, met voorloopnul08
MMMAfkorting van maandnaamaug
MMMMVolledige maandnaamaugustus
dDagnummer, zonder voorloopnul5
ddDagnummer, met voorloopnul05
EAfkorting van dagnaamVr
EEEEVolledige dagnaamVrijdag
jj of JJJaar, laatste twee cijfers07
j (J) of jjjj (JJJJ)Volledige naam2007
G of GGGGTijdperk, afkorting of voluitAD of Anno Domini
hUur, zonder voorloopnul4
hhUur, met voorloopnul04
HUur, zonder voorloopnul, 24-uursnotatie16
HHUur, met voorloopnul, 24-uursnotatie16
mMinuut, zonder voorloopnul7
mmMinuut, met voorloopnul07
sSeconde, zonder voorloopnul7
ssSeconde, met voorloopnul07
aAM of PM, twee lettersPM
z of zzzzTijdzone, afkorting of voluitPST of Pacific Standard Time
Bestandsnaam
Deze variabele voegt de naam van het huidige bestand in het document in. Doorgaans wordt de naam toegevoegd aan de witruimte van het
document wanneer dit wordt afgedrukt, of aan de kop- en voettekst. Net zoals bij Tekst voor en Tekst na kunt u uit een aantal opties kiezen.
Inclusief volledig mappadHiermee wordt het volledige mappad aan de bestandsnaam toegevoegd. De standaardpadconventies voor Windows of
Mac OS worden gebruikt.
Inclusief bestandsextensieHiermee wordt de bestandsnaam plus de extensie weergegeven.
De variabele Bestandsnaam wordt bijgewerkt wanneer u het bestand onder een andere naam of op een andere plaats opslaat. Het pad of de
extensie wordt pas weergegeven als het document is opgeslagen.
Afbeeldingsnaam
De variabele Afbeeldingsnaam is handig voor het genereren van automatische metagegevensbijschriften. De variabele van de afbeeldingsnaam
bevat een type variabele van een metagegevensbijschrift. Als een tekstkader met dit type variabele grenst aan of is gegroepeerd met een
afbeelding, geeft de variabele de metagegevens van die afbeelding weer. U kunt de variabele Afbeeldingsnaam bewerken om te bepalen welk
metagegevensveld wordt gebruikt.
Zie Bijschriftvariabelen definiëren.
Naar boven
Naar boven
Laatste paginanummer
Het type Laatste paginanummer wordt gebruikt als in de kop- en voettekst de nummering met vermelding van het totale aantal pagina's moet
worden gebruikt, bijvoorbeeld "Pagina 3 van 12". In dit geval wordt het nummer 12 gegenereerd door de variabele Laatste paginanummer. Dit
nummer wordt bijgewerkt wanneer er pagina's worden toegevoegd of verwijderd. U kunt vóór en na het laatste paginanummer tekst invoegen en
een nummeringsstijl opgeven. Kies in het menu Bereik een optie om te bepalen of het laatste paginanummer in de sectie of in het document moet
worden gebruikt.
Houd er wel rekening mee dat bij de variabele Laatste paginanummer de pagina's in het document niet worden geteld.
Doorlopende koptekst (Alinea- of Tekenstijl)
Met de variabelen voor doorlopende kopteksten wordt op de pagina de eerste of laatste instantie van de tekst ingevoegd waarop de opgegeven
stijl is toegepast. Als er geen tekst op de pagina met een bepaalde stijl is opgemaakt, wordt de tekst van een vorige pagina gebruikt.
Zie Variabelen voor doorlopende kop- en voetteksten maken.
Aangepaste tekst
Deze variabele wordt doorgaans gebruikt voor het invoegen van plaatsvervangende tekst of voor tekst die snel moet kunnen worden gewijzigd. Als
u bijvoorbeeld aan een project werkt waarin voor een bedrijf een codenaam wordt gebruikt, kunt u een variabele Eigen tekst voor de codenaam
maken. Wanneer u de echte naam van het bedrijf mag gebruiken, hoeft u alleen maar de variabele te wijzigen om alle codenamen in de echte
naam van het bedrijf te veranderen.
Als u speciale tekens in een tekstvariabele wilt invoegen, klikt u op het driehoekje rechts van het tekstvak.
Tekstvariabelen invoegen
1. Plaats de invoegpositie waar u de variabele wilt invoegen.
2. Kies Tekst > Tekstvariabelen > Variabele invoegen en selecteer de variabele die u wilt invoegen.
De variabele wordt op de pagina weergegeven alsof u de tekst zelf in het document had getypt. Als u bijvoorbeeld de variabele Aanmaakdatum
invoegt, kan de datum 22 december 2007 worden weergegeven. Als u Tekst > Verborgen tekens tonen kiest, wordt de variabele in een vak
geplaatst dat de kleur van de huidige laag heeft.
Opmerking: Tekstvariabelen worden niet afgebroken.
Tekstvariabelen verwijderen, omzetten en importeren
Met het dialoogvenster Tekstvariabelen kunt u tekstvariabelen verwijderen, omzetten en importeren.
Tekstvariabelen verwijderen
Als u een instantie van een tekstvariabele uit een document wilt verwijderen, hoeft u alleen maar de variabele in kwestie te selecteren en op de
toets Backspace of Delete te drukken. U kunt ook de variabele zelf verwijderen. Daarbij kunt u bepalen hoe de variabelen die in het document zijn
geplaatst, moeten worden vervangen.
1. Kies Tekst > Tekstvariabelen > Opgeven.
2. Selecteer de variabele en klik op Verwijderen.
3. Geef op hoe de variabele moet worden vervangen door een andere variabele op te geven, waarbij u de instanties van de
variabele omzet in tekst of alle instanties van de variabele verwijdert.
Tekstvariabelen omzetten in tekst
U zet één instantie van een variabele om door de tekstvariabele in het documentvenster te selecteren en vervolgens Tekst >
Tekstvariabelen > Variabele naar tekst omzetten te kiezen.
U zet alle instanties van een tekstvariabele in het document om door Tekst > Tekstvariabelen > Opgeven te kiezen, de
variabele te selecteren en vervolgens op Omzetten in tekst te klikken.
Tekstvariabelen uit een ander document importeren
1. Kies Tekst > Tekstvariabelen > Opgeven.
2. Klik op Laden en dubbelklik vervolgens op het document waarin de variabelen staan die u wilt importeren.
3. In het dialoogvenster Tekstvariabelen laden moet er een vinkje staan naast de variabelen die u wilt importeren. Als een
bestaande variabele dezelfde naam heeft als een van de geïmporteerde variabelen, kiest u een van de volgende opties onder
Conflict met bestaande tekstvariabele en klikt u op OK:
Binnenkomende definitie gebruiken Hiermee vervangt u de bestaande variabele door de geladen variabele en past u de
nieuwe kenmerken van die variabele toe op alle tekst in het huidige document met de oude variabele. De definities van de
binnenkomende en bestaande variabelen worden onder in het dialoogvenster Tekstvariabelen laden weergegeven, zodat u de
variabelen met elkaar kunt vergelijken.
Naam automatisch wijzigenHiermee wijzigt u de naam van de geladen variabele.
4. Kies OK en klik op Gereed.
U kunt variabelen ook bij het synchroniseren van een boekbestand naar andere documenten kopiëren.
Meer Help-onderwerpen
Juridische kennisgevingen | Onlineprivacybeleid
Wijzigingen bijhouden en evalueren
Naar boven
Wijzigingen bijhouden
Wijzigingen accepteren en negeren
Voorkeuren instellen voor Wijzigingen bijhouden
De gebruikersnaam en kleur wijzigen
Wijzigingen bijhouden
Een waardevolle functie is de mogelijkheid om de wijzigingen die door elke contribuant in een artikel zijn aangebracht, bij te houden tijdens het
schrijf- en redactieproces. Wanneer iemand tekst toevoegt, verwijdert of verplaatst binnen een bestaand artikel, wordt deze wijziging gemarkeerd in
de artikeleditor in InDesign of in de drukproef- en artikelweergave in InCopy. U kunt deze wijzigingen accepteren of negeren.
Gebruik het deelvenster Wijzigingen bijhouden in InDesign of de werkbalk Wijzigingen bijhouden in InCopy om Wijzigingen bijhouden in of uit te
schakelen en om wijzigingen van contribuanten weer te geven, te verbergen, te accepteren of te negeren.
Wijzigingen bijhouden in de artikeleditor (InDesign)
A. WijzigingsbalkenB.Toegevoegde tekstC.Verwijderde tekstD.Verplaatste tekst (van)E.Verplaatste tekst (naar)
Wijzigingen bijhouden inschakelen
1. Kies Venster > Redactie > Wijzigingen bijhouden om het deelvenster Wijzigingen bijhouden te openen (InDesign) of kies
Venster > Wijzigingen bijhouden om de werkbalk Wijzigingen bijhouden te openen (InCopy).
2. Plaats het invoegpunt in tekst en voer een of meer van de volgende handelingen uit:
Klik op het pictogram Wijzigingen bijhouden in huidig artikel inschakelen als u alleen de wijzigingen in het huidige
artikel wilt bijhouden.
(InDesign) Kies Wijzigingen bijhouden in alle artikelen inschakelen in het menu van het deelvenster Wijzigingen bijhouden
als u alle wijzigingen in alle artikelen wilt bijhouden.
(InCopy) Als u het bijhouden van wijzigingen in alle geopende artikelen in een document met meerdere artikelen wilt
inschakelen, kiest u Wijzigingen > Bijhouden in alle artikelen inschakelen.
3. Voeg naar behoefte tekst toe aan het artikel of verwijder of verplaats tekst.
De weergave van Wijzigingen bijhouden
Als Wijzigingen bijhouden is ingeschakeld, wordt elke wijziging standaard als volgt gemarkeerd in de artikeleditor (InDesign) of in de drukproef- en
artikelweergave (InCopy):
In het gedeelte Wijzigingen bijhouden van het dialoogvenster Voorkeuren kunt u een kleur kiezen waarmee uw wijzigingen worden aangegeven.
U kunt hier ook selecteren welke wijzigingen (tekst toevoegen, verwijderen of verplaatsen) u wilt bijhouden en hoe de bijgehouden wijzigingen
worden weergegeven.
Toegevoegde tekst Gemarkeerd.
Naar boven
Verwijderde tekst Gemarkeerd en doorgehaald.
Verplaatste tekst (knippen-en-plakken)Gemarkeerd en doorgehaald op de oorspronkelijke positie gemarkeerd en omkaderd in de nieuwe
positie.
Opmerking: Als u tekst knipt in het ene document en deze in een ander document plakt, wordt deze tekst als verwijderde tekst weergegeven op
de oorspronkelijke positie en als toegevoegde tekst op de nieuwe positie.
Gekopieerde tekst Gemarkeerd op de nieuwe positie. De oorspronkelijke tekst is ongewijzigd.
WijzigingsbalkenEen wijzigingsbalk is een verticale streep die wordt weergegeven aan de linkerkant van een regel tekst die is gewijzigd. U kunt
kiezen of u wijzigingsbalken wilt tonen of verbergen terwijl u werkt. U kunt ook opgeven welke kleur u wilt gebruiken voor de wijzigingsbalken.
Wijzigingen tonen of verbergen
Als wijzigingen verborgen zijn, wordt de tekst net zo weergegeven als wanneer de functie voor het bijhouden van wijzigingen zou zijn
uitgeschakeld. Toegevoegde tekst is hierbij zichtbaar, verwijderde tekst is niet zichtbaar en verplaatste of geplakte tekst wordt weergegeven op de
plek waar deze is ingevoegd.
(InDesign) Wanneer Wijzigingen bijhouden is ingeschakeld, worden alle wijzigingen bijgehouden, ongeacht of u in de artikeleditor of in de
documentlayout werkt. U kunt wijzigingen alleen weergeven in de artikeleditor, niet in de layout.
(InCopy) Als het bijhouden van wijzigingen is ingeschakeld, worden wijzigingen bijgehouden ongeacht of u werkt in de drukproef-, artikel- of
layoutweergave. Wijzigingen kunt u alleen bekijken in de drukproef- en artikelweergave, niet in de layoutweergave.
Klik in het deelvenster Wijzigingen bijhouden (InDesign) of op de werkbalk Wijzigingen bijhouden (InCopy) op de knop Wijzigingen
tonen/verbergen .
Wijzigingen bijhouden uitschakelen
Plaats het invoegpunt in tekst en voer een of meer van de volgende handelingen uit:
Klik op het pictogram Wijzigingen bijhouden in huidig artikel uitschakelen om het alleen bijhouden van wijzigingen in het
huidige artikel uit te schakelen.
(InDesign) Kies Wijzigingen bijhouden in alle artikelen uitschakelen in het menu van het deelvenster Wijzigingen bijhouden om
het bijhouden van wijzigingen uit te schakelen voor alle artikelen.
(InCopy) Als u het bijhouden van wijzigingen in alle geopende artikelen in een document met meerdere artikelen wilt
uitschakelen, kiest u Wijzigingen > Bijhouden in alle artikelen uitschakelen.
Opmerking: Als u het bijhouden van wijzigingen uitschakelt, worden geen verdere wijzigingen bijgehouden. Dit heeft geen invloed op eerder
bijgehouden wijzigingen.
Wijzigingen accepteren en negeren
Als u of iemand anders wijzigingen heeft aangebracht in een artikel, kunt u met de functie voor het bijhouden van wijzigingen alle wijzigingen
evalueren en beslissen of u deze al dan niet wilt opnemen in het artikel. U kunt afzonderlijke wijzigingen, alleen delen van een bijgehouden
wijziging of alle wijzigingen tegelijk accepteren of negeren.
Als u een wijziging accepteert, wordt de wijziging een normaal onderdeel van de tekst en wordt de tekst niet langer gemarkeerd als een wijziging.
Als u een wijziging negeert, wordt de tekst van vóór de wijziging hersteld.
1. Plaats het invoegpunt aan het begin van het artikel in de artikeleditor (InDesign) of in de drukproef- of artikelweergave
(InCopy).
2. Klik op de knop Volgende wijziging in het deelvenster Wijzigingen bijhouden (InDesign) of op de werkbalk Wijzigingen
bijhouden (InCopy).
3. Ga als volgt te werk:
U kunt de gemarkeerde wijziging accepteren en deze opnemen in de tekststroom door op de knop Wijziging accepteren
te klikken.
U kunt de wijziging negeren en de oorspronkelijke tekst herstellen door op de knop Wijziging negeren te klikken.
Als u de gemarkeerde wijziging wilt accepteren of afwijzen en naar de volgende wijziging wilt gaan, houdt u Alt
(Windows) of Option (Mac OS) ingedrukt en klikt u op de knop Wijziging accepteren of Wijziging negeren.
Als u terug wilt gaan naar de vorige wijziging of een wijziging wilt overslaan en naar de volgende wijziging wilt gaan, klikt u
op de knop Vorige wijziging of Volgende wijziging .
Klik op de knop Alle wijzigingen in artikel accepteren of op de knop Alle wijzigingen in artikel negeren om alle
wijzigingen te accepteren of te negeren zonder ze te bekijken.
Als u alle wijzigingen in het artikel of in het document wilt accepteren of negeren of als u alle wijzigingen van een bepaalde
gebruiker wilt accepteren of negeren, kiest u de desbetreffende optie in het menu van het deelvenster Wijzigingen
bijhouden (InDesign) of in het menu Wijzigingen (InCopy).
Naar boven
Naar boven
Opmerking: Als u van mening verandert over het accepteren of negeren van een wijziging, kunt u de wijziging ongedaan maken door
Bewerken > Ongedaan maken te kiezen of op Ctrl+Z (Windows) of Command+Z (Mac OS) te drukken.
De optie Alle wijzigingen accepteren of Alle wijzigingen negeren is ook van toepassing op verborgen voorwaardelijke tekst.
Voorkeuren instellen voor Wijzigingen bijhouden
Via voorkeursinstellingen kunt u tal van opties voor het bijhouden van wijzigingen bepalen. U kunt een kleur kiezen waarmee u uw wijzigingen kunt
herkennen en u kunt instellen welke wijzigingen u wilt bijhouden: het toevoegen, verwijderen of verplaatsen van tekst. Daarnaast kunt u de
vormgeving instellen voor elk type bijgehouden wijziging en wijzigingen laten markeren door middel van gekleurde wijzigingsbalken in de marges.
1. Kies Bewerken > Voorkeuren > Wijzigingen bijhouden (Windows) of InDesign > Voorkeuren > Wijzigingen bijhouden
(Mac OS).
2. Selecteer elk type wijziging dat u wilt bijhouden.
3. Geef voor elk type wijziging de tekstkleur, achtergrondkleur en markeringswijze op.
4. Selecteer Duplicatie van door gebruiker ingestelde kleuren voorkomen om verschillende kleuren toe te wijzen aan alle
gebruikers.
5. Als u wijzigingsbalken wilt tonen, selecteert u de optie Wijzigingsbalken. Kies een kleur in het menu Kleur wijzigingsbalk en
geef op of u wijzigingsbalken wilt weergeven in de linker- of rechtermarge.
6. Selecteer Spellingcontrole inclusief verwijderde tekst als u een spellingcontrole wilt uitvoeren voor tekst die is gemarkeerd
voor verwijderen.
7. Klik op OK.
De gebruikersnaam en kleur wijzigen
1. Kies Bestand > Gebruiker.
2. Geef de gebruikersnaam en -kleur op voor wijzigingen bijhouden en notities en klik op OK.
Meer Help-onderwerpen
Juridische kennisgevingen | Onlineprivacybeleid
Werken met markeringen
Naar boven
Naar boven
Naar boven
Over markeringen
Markeringen weergeven
Markeringen selecteren
Over markeringen
In InDesign wordt voor items zoals indexitems, XML-codes en hyperlinktekst en -ankers een markering in de tekst ingevoegd. Deze markeringen
hebben geen breedte en beïnvloeden het tekstverloop niet. U kunt deze markeringen echter wel selecteren en knippen, kopiëren of verwijderen. In
InDesign wordt de locatie van de markering gebruikt om een juiste bladwijzer of paginaverwijzing in de inhoudsopgave, index en geëxporteerde
PDF-bestanden te maken.
U kunt alle markeringen tegelijk weergeven of alleen markeringen voor hyperlinks of gelabelde tekst weergeven. Markeringen kunt u ook in de
artikeleditor bekijken waarin ze groter worden weergegeven en dus makkelijker uit elkaar zijn te houden.
Opmerking: Wanneer u een woord selecteert, worden ook alle bijbehorende markeringen geselecteerd. Houd hier rekening mee wanneer u tekst
knipt, kopieert of verwijdert.
Typen markeringen
A.Gelabelde tekstB. IndexmarkeringC. Hyperlink
Markeringen weergeven
U geeft markeringen weer door Tekst > Verborgen tekens tonen te selecteren.
Als u alleen hyperlinkmarkeringen wilt weergeven, kiest u Weergave > Extra's > Hyperlinks tonen.
Als u alleen markeringen voor gelabelde tekst wilt weergeven, kiest u Weergave > Structuur > Labelmarkeringen tonen.
Markeringen selecteren
1. Kies Tekst > Verborgen tekens tonen.
2. Plaats de invoegpositie naast de markering.
3. Houd Shift ingedrukt en druk op Pijl-links of Pijl-rechts om een markering te selecteren.
U kunt markeringen ook op een andere manier opzoeken. Zo kunt u bijvoorbeeld de optie Naar geselecteerde markering in het menu van het
deelvenster Index gebruiken om naar indexmarkeringen te zoeken.
Juridische kennisgevingen | Onlineprivacybeleid
Stijlen
Bepaalde inhoud waarnaar op deze pagina wordt gelinkt, is mogelijk alleen in het Engels beschikbaar.
Alinea- en tekenstijlen
Naar boven
Naar boven
Teken- en alineastijlen
Overzicht van het deelvenster Stijlen
Alinea- en tekenstijlen toevoegen
Stijlen toewijzen aan exportlabels (CS5.5)
Stijlen van Word naar InDesign-stijlen omzetten
Stijlen toepassen
Teken- en alineastijlen bewerken
Teken- of alineastijlen verwijderen
Teken- en alineastijlen overschrijven
Opsommingstekens en nummering naar tekst omzetten
Teken- en alineastijlen zoeken en vervangen
Teken- en alineastijlen
Een tekenstijl is een verzameling opmaakkenmerken van tekens die u met een enkele opdracht op een geselecteerd stuk tekst kunt toepassen.
Een alineastijl omvat opmaakkenmerken voor zowel tekens als alinea's en kan worden toegepast op een of meer alinea's. De stijlen voor alinea's
en tekens staan in verschillende deelvensters. Alinea- en tekenstijlen worden soms tekststijlen genoemd.
Als u de opmaak van een stijl wijzigt, wordt alle tekst waarop de stijl is toegepast, met de nieuwe opmaak bijgewerkt.
Op www.adobe.com/go/lrvid4277_id_nl vindt u een videodemo over het maken van een alineastijl. Op www.adobe.com/go/vid0076_nl vindt u een
videodemo over het gebruik van tekststijlen.
In Free InDesign Style Template geeft Thomas Silkjaer voorbeelden van stijlen.
Stijlen [basisalinea]
Standaard bevat elk nieuw document de stijl [Basisalinea] die standaard wordt toegepast op de tekst die u invoert. U kunt deze stijl bewerken
maar niet verwijderen of de naam ervan wijzigen. De stijlen die u zelf maakt, kunt u wel hernoemen en verwijderen. U kunt ook een andere
standaardstijl selecteren en op tekst toepassen.
Tekenstijlkenmerken
Tekenstijlen bevatten in tegenstelling tot alineastijlen niet alle opmaakkenmerken van de geselecteerde tekst. Wanneer u een tekenstijl maakt,
worden in InDesign alleen die kenmerken gemaakt die verschillen van de opmaak van het geselecteerde tekstgedeelte van de stijl. Op die manier
kunt u een tekenstijl maken die bij toepassing op tekst alleen bepaalde kenmerken wijzigt, zoals de lettertypefamilie en tekengrootte, en alle
andere tekenkenmerken buiten beschouwing laat. Als u andere kenmerken in de stijl wilt opnemen, voegt u die kenmerken toe terwijl u de stijl
bewerkt.
Volgende stijl
Terwijl u tekst typt, kunt u automatisch stijlen toepassen. Als u in het ontwerp van uw document na bijvoorbeeld de stijl 'Kop 1' de stijl 'Platte tekst'
wilt gebruiken, stelt u voor de stijl 'Kop 1' de optie Volgende stijl in op de stijl 'Platte tekst'. Typt u vervolgens een alinea met de stijl 'Kop 1' en u
drukt op Enter of Return, dan wordt de stijl 'Platte tekst' automatisch toegepast op de tekst die u daarna typt.
Als u tijdens het toepassen van een stijl op twee of meer alinea's het contextmenu gebruikt, kunt u de bovenliggende stijl toepassen op de eerste
alinea en vervolgens de volgende stijl op de volgende alinea's laten toepassen. (Zie Stijlen toepassen.)
Om de functie Volgende stijl te gebruiken, kiest u een stijl in het menu Volgende stijl wanneer u een stijl maakt of bewerkt.
In Using the Next Style feature (Engelstalig) vindt u een videodemo van Jeff Witchel over het gebruik van de functie Volgende stijl.
Overzicht van het deelvenster Stijlen
Met het deelvenster Tekenstijlen kunt u tekenstijlen maken, benoemen en op tekst in een alinea toepassen en met het deelvenster Alineastijlen
kunt u alineastijlen maken, benoemen en op gehele alinea's toepassen. Stijlen worden opgeslagen bij het document en in het deelvenster
weergegeven wanneer u dat document opent.
Wanneer u tekst selecteert of met de invoegpositie in tekst klikt, wordt de stijl die op die tekst is toegepast, gemarkeerd in een deelvenster voor
stijlen, tenzij die stijl in een samengevouwen stijlgroep staat. Als u een stuk tekst met meerdere stijlen selecteert, wordt er geen stijl in het
deelvenster Stijlen gemarkeerd. Als u een stuk tekst selecteert waarop meerdere stijlen zijn toegepast, staat linksonder in het deelvenster Stijlen
het woord '(Gemengd)'.
Naar boven
Het deelvenster Alineastijlen openen
U opent het deelvenster Alineastijlen door Tekst > Alineastijlen te kiezen of door te klikken op de tab Alineastijlen die standaard rechts in het
toepassingsvenster wordt weergegeven.
Het deelvenster Tekenstijlen openen
Kies Tekst > Tekenstijlen of klik op de tab Tekenstijlen rechts in het toepassingsvenster.
Alinea- en tekenstijlen toevoegen
Alinea- of tekenstijlen definiëren
1. Als u voor een nieuwe stijl de opmaak van een andere tekst wilt gebruiken, selecteert u de tekst en plaatst u de invoegpositie
in de tekst.
Als er in het deelvenster Stijlen een groep is geselecteerd, wordt de nieuwe stijl toegevoegd aan die groep.
2. Kies Nieuwe alineastijl in het menu van het deelvenster Alineastijlen of kies Nieuwe tekenstijl in het menu van het deelvenster
Tekenstijlen.
3. Typ bij Naam stijl een naam voor de nieuwe stijl.
4. Selecteer voor Gebaseerd op op welke stijl de huidige stijl moet worden gebaseerd.
Opmerking: Met de optie Gebaseerd op kunt u stijlen aan elkaar koppelen, zodat de wijzigingen in een stijl worden
doorgevoerd in de stijlen die op die stijl zijn gebaseerd. Nieuwe stijlen worden standaard gebaseerd op de stijl [Geen
alineastijl] (als het gaat om alineastijlen) of [Geen] (als het gaat om tekenstijlen) of op de stijl van geselecteerde tekst.
5. Geef voor de optie Volgende stijl (alleen het deelvenster Alineastijlen) op welke stijl er na de huidige stijl wordt toegepast
wanneer u op Enter of Return drukt.
6. Om een sneltoets te kunnen toevoegen, plaatst u de invoegpositie in het vak Sneltoets (de toets Num-Lock moet zijn
ingeschakeld). Houd Shift, Alt en Ctrl (Windows) of Shift, Option en Command (Mac OS) ingedrukt en druk op een toets op
het numerieke toetsenblok. U kunt sneltoetsen voor stijlen alleen definiëren met de toetsen van het toetsenblok. Als uw
toetsenbord niet beschikt over een Num Lock-toets, kunt u geen sneltoetsen aan stijlen toevoegen.
7. Als u de nieuwe stijl op de geselecteerde tekst wilt toepassen, selecteert u de optie Stijl op selectie toepassen.
8. U geeft de opmaakkenmerken op door te klikken op een categorie (zoals Standaard tekenopmaak) links en door de
kenmerken op te geven die u aan de stijl wilt toevoegen.
Als u in het dialoogvenster Stijlopties een tekenkleur opgeeft, kunt u een nieuwe kleur maken door te dubbelklikken op het
vak voor lijn of vulling.
9. De kenmerken die u niet opgeeft voor tekenstijlen, worden genegeerd wanneer een tekenstijl wordt toegepast. De tekst
behoudt de opmaak van de alineastijl voor dat kenmerk. Een kenmerkinstelling uit een tekenstijl verwijderen:
Kies (Negeren) in het menu van een instelling.
Verwijder de optietekst in een tekstvak.
Klik op een selectievakje totdat u een klein vakje (Windows) of een koppelteken (-) (Mac OS) ziet.
Houd bij een tekenkleur Ctrl (Windows) of Command (Mac OS) ingedrukt en klik op het kleurenstaal.
10. Klik op OK als u de opmaakkenmerken hebt opgegeven.
Stijlen die u maakt, gelden alleen voor het huidige document. Als er geen document is geopend wanneer u stijlen maakt, gelden die stijlen voor
alle nieuwe documenten.
Een alinea- of tekenstijl op een andere alinea- of tekenstijl baseren
In veel documentontwerpen ziet u stijlhiërarchieën met gemeenschappelijke kenmerken. Vaak wordt bijvoorbeeld hetzelfde lettertype gebruikt voor
de koppen en subkoppen. U kunt koppelingen tussen vergelijkbare stijlen maken door een basisstijl (bovenliggende stijl) te maken. Wanneer u een
bovenliggende stijl wijzigt, veranderen de onderliggende stijlen ook. U kunt vervolgens de onderliggende stijlen bewerken, als deze niet gelijk
mogen zijn aan de bovenliggende stijl.
Met de opdracht Stijl dupliceren maakt u een stijl die vrijwel gelijk is aan een andere stijl maar die niet is gekoppeld aan een bovenliggende
stijl. Vervolgens kunt u de kopie van de stijl bewerken.
1. Maak een nieuwe stijl.
2. Selecteer in het venster Nieuwe alineastijl of Nieuwe tekenstijl de bovenliggende stijl in het menu Gebaseerd op. De nieuwe
stijl wordt de onderliggende stijl.
Nieuwe stijlen worden standaard gebaseerd op de stijl [Geen alineastijl] of [Geen] of op de stijl van geselecteerde tekst.
3. Wijzig de opmaak in de nieuwe stijl zodat deze verschilt van de stijl die u als basis voor de nieuwe stijl hebt gebruikt. U zou
bijvoorbeeld het lettertype in een subkop iets kleiner kunnen maken dan het lettertype van de (bovenliggende) kopstijl.
Als u de opmaak van een onderliggende stijl wijzigt en u de opnaak bij nader inzien opnieuw wilt veranderen, klikt u op Basis herstellen.
Hiermee wordt de opmaak van de onderliggende stijl gelijk gemaakt aan de stijl waarop de onderliggende stijl is gebaseerd. Vervolgens kunt u
Naar boven
Naar boven
een nieuwe opmaak opgeven. Wanneer u zo ook de stijl Gebaseerd op van de onderliggende stijl wijzigt, wordt de definitie van de
onderliggende stijl gelijk gemaakt aan de nieuwe bovenliggende stijl.
Stijlen vanuit andere documenten importeren
U kunt alineastijlen en tekenstijlen vanuit een document van InDesign (elke versie) in het actieve document importeren. Tijdens het importeren
kunt u bepalen welke stijlen worden geladen en wat er moet gebeuren als een geladen stijl dezelfde naam heeft als een stijl in het huidige
document. U kunt stijlen ook vanuit een InCopy-document importeren.
1. Voer een van de volgende handelingen uit in het deelvenster Tekenstijlen of Alineastijlen:
Kies Tekenstijlen laden of Alineastijlen laden in het menu van het deelvenster Stijlen.
Kies Alle tekststijlen laden in het menu van het deelvenster Stijlen om zowel teken- als alineastijlen te laden.
2. Dubbelklik op het InDesign-document met de stijlen die u wilt importeren.
3. In het dialoogvenster Stijlen laden moet er een vinkje staan naast de stijlen die u wilt importeren. Als een bestaande stijl
dezelfde naam heeft als een van de geïmporteerde stijlen, kiest u een van de volgende opties onder Conflict met bestaande
stijl en klikt u op OK:
Binnenkomende stijldefinitie gebruikenHiermee vervangt u de bestaande stijl door de geladen stijl en past u de nieuwe
kenmerken van die stijl toe op alle tekst in het huidige document met de oude stijl. De definities van de binnenkomende en
bestaande stijlen worden onder in het dialoogvenster Stijlen laden weergegeven, zodat u de stijlen met elkaar kunt
vergelijken.
Naam automatisch wijzigenWijzigt de naam van de geladen stijl. Als op beide documenten de stijl Subkop is toegepast,
wordt de naam van de geladen stijl in het huidige document gewijzigd in 'Kopie subkop'.
U kunt stijlen ook delen met de functie Boeken. (Zie Documenten in een boekbestand synchroniseren.)
Stijlen toewijzen aan exportlabels (CS5.5)
Gebruik exportlabels om te bepalen hoe tekst met InDesign-stijlen wordt gemarkeerd in HTML, EPUB of gelabelde PDF-uitvoer.
Daarnaast kunt u CSS-klassennamen opgeven die worden toegevoegd aan de geëxporteerde inhoud. CSS-klassen kunnen in EPUB/HTML-export
worden gebruikt om onderscheid te maken tussen kleine variaties in stijlen. Klassennamen zijn vereist als u de optie Inclusief stijldefinities gebruikt
en de labels zijn toegewezen aan de basisstijlen zoals p, h1 en h2; klassennamen worden in dat geval gebruikt om stijldefinities te genereren.
U kunt geen voorvertoning weergeven van exportlabels in de InDesign-layout, aangezien deze labels alleen van toepassing zijn op geëxporteerde
EPUB-, HTML- of PDF-bestanden.
Met Alle exportlabels bewerken kunt u de toewijzingen op gebruiksvriendelijke wijze weergeven en wijzigen in één dialoogvenster.
Stijllabeltoewijzingen definiëren
1. Open het dialoogvenster Stijlopties voor de alinea of het teken om de stijl toe te wijzen.
2. Klik op Exportlabels in het linkerdeelvenster en voer een van de volgende handelingen uit:
Kies een Label om toe te wijzen voor EPUB- en HTML-uitvoer.
Geef een Klasse op om toe te wijzen voor EPUB- en HTML-uitvoer. Klassennamen worden gebruikt om stijldefinities voor
standaardlabels te genereren.
Kies een Label om toe te wijzen voor PDF-uitvoer. Deze optie is alleen beschikbaar voor alineastijlen.
Alle exportlabels bewerken
U kunt alle exportlabels in één venster weergeven en wijzigen.
1. Selecteer Alle exportlabels bewerken in het menu van het deelvenster Alineastijl of Tekenstijl.
2. Klik op EPUB en HTML of op PDF.
3. Klik op het label voor de desbetreffende stijl. Deze wordt omgezet in een lijst; kies de nieuwe waarde.
Stijlen van Word naar InDesign-stijlen omzetten
Tijdens het importeren van een Microsoft Word-document in InDesign of InCopy kunt u elke stijl die in Word is gebruikt, toewijzen aan een
overeenkomende stijl in InDesign of InCopy. Zo geeft u op met welke stijlen de geïmporteerde tekst wordt opgemaakt. Naast elke geïmporteerde
Word-stijl staat een schijfpictogram . Dit pictogram verdwijnt wanneer u de Word-stijl in InDesign of InCopy gaat bewerken.
1. Ga op een van de volgende manieren te werk:
U voegt een Word-document aan tekst in InDesign of InCopy toe door Bestand > Plaatsen te kiezen. Selecteer
Importopties tonen en dubbelklik op het Word-document.
Naar boven
U opent het Word-document in een op zichzelf staand InCopy-document door in InCopy Bestand > Openen te kiezen en
vervolgens te dubbelklikken op het Word-bestand.
2. Selecteer de optie Stijlen en opmaak in tekst en tabellen behouden.
3. Selecteer Importeren van stijlen aanpassen en klik op Stijltoewijzing.
4. Selecteer in het dialoogvenster Stijltoewijzing de Word-stijl en kies vervolgens een optie in het menu onder InDesign-stijl. U
kunt uit de volgende opties kiezen:
Als er geen conflict is door een naam van een stijl, kiest u Nieuwe alineastijl, Nieuwe tekenstijl of een bestaande
InDesign-stijl.
Is er door een naam van een stijl wel een conflict, dan kiest u InDesign-stijl opnieuw definiëren om de tekst van de
geïmporteerde stijl op te maken met de Word-stijl. Kies een bestaande InDesign-stijl om de tekst van de geïmporteerde
stijl op te maken met de InDesign-stijl. Kies Naam automatisch wijzigen om de naam van de Word-stijl te wijzigen.
5. Klik op OK om het dialoogvenster Stijltoewijzing te sluiten en klik op OK om het document te importeren.
Stijlen toepassen
Bij het toepassen van een alineastijl wordt de bestaande tekenopmaak of tekenstijl die op een deel van de alinea is toegepast, niet verwijderd,
maar u kunt bij het toepassen van een stijl bestaande opmaak wel verwijderen. In het deelvenster Stijlen staat een plusteken (+) naast de huidige
alineastijl als in de geselecteerde tekst behalve een teken- of alineastijl ook opmaak wordt gebruikt die geen deel van de toegepaste stijl is.
Dergelijke extra opmaak wordt een overschrijving of lokale opmaak genoemd.
Tekenstijlen verwijderen de tekenkenmerken van bestaande tekst of stellen deze opnieuw in als die kenmerken door de stijl worden gedefinieerd.
Een tekenstijl toepassen
1. Selecteer de tekens waarop u de stijl wilt toepassen.
2. Ga op een van de volgende manieren te werk:
Klik op de naam van de tekenstijl in het deelvenster Tekenstijlen.
Selecteer de naam van de tekenstijl in de keuzelijst van het regelpaneel.
Druk op de sneltoets die aan de stijl is toegewezen. (Num-Lock moet zijn ingeschakeld.)
Een alineastijl toepassen
1. Klik in een alinea of selecteer de alinea of een deel van de alinea waarop u de stijl wilt toepassen.
2. Ga op een van de volgende manieren te werk:
Klik op de naam van de alineastijl in het deelvenster Alineastijlen.
Selecteer de naam van de alineastijl in het regelpaneel.
Druk op de sneltoets die aan de stijl is toegewezen. (Num-Lock moet zijn ingeschakeld.)
3. Als er nog ongewenste opmaak in de tekst staat, kiest u Overschrijvingen wissen in het deelvenster Alineastijlen.
Opeenvolgende stijlen op meerdere alinea's toepassen
De optie Volgende stijl bepaalt welke stijl er automatisch wordt toegepast wanneer u na het toepassen van een stijl op Enter of Return drukt. Met
deze optie kunt u bovendien met één bewerking verschillende stijlen op meerdere alinea's toepassen.
Stel dat u voor de opmaak van een krantenkolom drie stijlen gebruikt: Titel, Naamregel en Platte tekst. Titel gebruikt Naamregel als de volgende
stijl, Naamregel gebruikt Platte tekst als de volgende stijl en Platte tekst gebruikt [Zelfde stijl] als de volgende stijl. Als u een geheel artikel
selecteert, inclusief de titel, de naamregel van de auteur en de alinea's in het artikel, en vervolgens via de speciale opdracht “Volgende stijl” in het
contextmenu de stijl Titel toepast, wordt de eerste alinea van het artikel opgemaakt met de stijl Titel, de tweede alinea met de stijl Naamregel en
de overige alinea's met de stijl Platte tekst.
Naar boven
Naar boven
Voor en na het toepassen van een stijl met Volgende stijl.
1. Selecteer de alinea's waarop de stijlen moeten worden toegepast.
2. Klik met de rechtermuisknop (Windows) of houd Control ingedrukt en klik (Mac OS) in het deelvenster Alineastijlen op de
bovenliggende stijl, kies Toepassen [naam stijl] en Volgende stijl.
Als de tekst opmaakoverschrijvingen of tekenstijlen bevat, kunt u met het contextmenu ook overschrijvingen en/of tekenstijlen verwijderen.
Teken- en alineastijlen bewerken
Een van de voordelen van stijlen is dat wanneer u een stijldefinitie wijzigt, alle tekst die met die stijl is opgemaakt, automatisch wordt bijgewerkt
met de nieuwe stijldefinitie.
Opmerking: Als u stijlen bewerkt in InCopy-inhoud die aan een InDesign-document is gekoppeld, worden de wijzigingen overschreven wanneer
de gekoppelde inhoud wordt bijgewerkt.
Een stijl bewerken via het dialoogvenster
1. Ga op een van de volgende manieren te werk:
Als u de stijl niet op de geselecteerde tekst wilt toepassen, klikt u met de rechtermuisknop (Windows) of houdt u Control
ingedrukt en klikt u (Mac OS) op de stijlnaam in het deelvenster Stijlen en kiest u Bewerken [stijlnaam].
Dubbelklik in het deelvenster Stijlen op de naam van de stijl of selecteer de stijl en kies Stijlopties in het menu van het
deelvenster Stijlen. De stijl wordt hiermee toegepast op geselecteerde tekst of het geselecteerde tekstkader. Als er geen
tekst of tekstkader is geselecteerd, stelt u de stijl als de standaardstijl in voor de tekst die u in nieuwe kaders gaat typen.
2. Wijzig de instellingen in het dialoogvenster en klik op OK.
Een stijl aan geselecteerde tekst aanpassen
Nadat u een stijl hebt toegepast, kunt u de instellingen van die stijl overschrijven. Als u de wijzigingen wilt opslaan, kunt u de stijl opnieuw
definiëren zodat de stijl overeenkomt met de opmaak van de tekst die u hebt gewijzigd.
Opmerking: Als u stijlen opnieuw definieert in InCopy-inhoud die aan een InDesign-document is gekoppeld, worden de wijzigingen overschreven
wanneer de gekoppelde inhoud wordt bijgewerkt.
1. Selecteer met het gereedschap Tekst de tekst die is opgemaakt met de stijl die u opnieuw wilt definiëren.
2. Breng wijzigingen aan in de kenmerken van alinea's of tekens.
3. Kies Stijl opnieuw definiëren in het menu van het deelvenster Stijlen.
Teken- of alineastijlen verwijderen
Wanneer u een stijl verwijdert, kunt u die stijl door een andere stijl vervangen en kunt u instellen dat de opmaak behouden blijft. Wanneer u een
stijlgroep verwijdert, worden alle stijlen in die groep verwijderd. U wordt dan gevraagd elke stijl in de groep een voor een te vervangen.
1. Selecteer een of meer stijlnamen in het deelvenster Stijlen.
2. Ga op een van de volgende manieren te werk:
Kies Stijl verwijderen in het deelvenstermenu of klik op het pictogram Verwijderen onder in het deelvenster.
Klik met de rechtermuisknop (Windows) of houd Control ingedrukt en klik (Mac OS) op de stijl en kies Stijl verwijderen.
Gebruik deze methode als u een stijl verwijdert zonder die op tekst toe te passen.
3. Selecteer de stijl die u wilt vervangen in het dialoogvenster Alineastijl verwijderen.
Als u [Geen alineastijl] selecteert als vervanging van een alineastijl of [Geen] om een tekenstijl te vervangen, selecteert u
Naar boven
Naar boven
Opmaak behouden om de opmaak van de tekst te behouden waarop de stijl is toegepast. De tekst behoudt de opmaak, maar
is niet meer aan een stijl gekoppeld.
4. Klik op OK.
U verwijdert alle ongebruikte stijlen door Alle ongebruikte selecteren in het menu van het deelvenster Stijlen te kiezen en vervolgens op het
pictogram Verwijderen te klikken. Wanneer u een ongebruikte stijl verwijdert, wordt er niet gevraagd of u de stijl wilt vervangen.
Teken- en alineastijlen overschrijven
Wanneer u een alineastijl toepast, veranderen tekenstijlen en andere opmaakstijlen niet. Nadat u een stijl hebt toegepast, kunt u de instellingen
van die stijl overschrijven door een opmaak toe te passen die geen onderdeel van die stijl is. Wanneer op tekst opmaak wordt toegepast die geen
onderdeel is van de stijl die op die tekst is toegepast, wordt die opmaak een overschrijving of lokale opmaak genoemd. Wanneer u tekst met een
overschrijving selecteert, staat er een plusteken (+) naast de naam van de stijl. In tekenstijlen wordt een overschrijving alleen weergegeven als het
toegepaste kenmerk onderdeel van de stijl is. Als een tekenstijl bijvoorbeeld alleen de kleur van de tekst verandert, wordt het toepassen van een
andere tekengrootte op die tekst niet als een overschrijving weergegeven.
U kunt tekenstijlen en opmaakoverschrijvingen tijdens het toepassen van een stijl wissen. Ook kunt u overschrijvingen uit een alinea verwijderen
waarop een stijl is toegepast.
Als er naast een stijl een plusteken (+) staat, kunt u een beschrijving van de overschrijvingskenmerken bekijken door de muisaanwijzer op de
stijl te plaatsen.
Overschrijvingen tijdens het toepassen van alineastijlen behouden of verwijderen
U past een alineastijl toe en behoudt de tekenstijlen maar verwijdert overschrijvingen door Alt (Windows) of Option (Mac OS)
in te drukken en tegelijk te klikken op de naam van de stijl in het deelvenster Alineastijlen.
U past een alineastijl toe en verwijdert zowel de tekenstijlen als de overschrijvingen door Alt+Shift (Windows) of Option+Shift
(Mac OS) in te drukken en tegelijk te klikken op de naam van de stijl in het deelvenster Alineastijlen.
Klik met de rechtermuisknop (Windows) of houd Control ingedrukt en klik (Mac OS) op de stijl in het deelvenster Alineastijlen en kies een optie
in het contextmenu. Daar kunt u tijdens het toepassen van de stijl desgewenst overschrijvingen en/of tekenstijlen verwijderen.
Overschrijvingen van alineastijlen verwijderen
1. Selecteer de tekst waarin de overschrijvingen voorkomen. U kunt zelfs meerdere alinea's met verschillende stijlen selecteren.
2. Voer in het deelvenster Alineastijlen een van de volgende handelingen uit:
U verwijdert alinea- en tekenopmaak door te klikken op het pictogram Overschrijvingen wissen of door de optie
Overschrijvingen wissen in het deelvenster Alineastijlen te kiezen.
U verwijdert overschrijvingen van tekens, maar behoudt de overschrijvingen van de alineaopmaak door op Ctrl (Windows)
of Command (Mac OS) te drukken en tegelijk op het pictogram Overschrijvingen wissen te klikken.
U verwijdert overschrijvingen op alineaniveau ,maar behoudt overschrijvingen op tekenniveau door in het deelvenster
Alineastijlen op Shift+Ctrl (Windows) of Shift+Command (Mac OS) te drukken en tegelijk op het pictogram
Overschrijvingen wissen te klikken.
Opmerking: Wanneer u overschrijvingen verwijdert, worden overschrijvingen op alineaniveau uit de gehele alinea verwijderd,
zelfs als er maar een gedeelte van de alinea is geselecteerd. Overschrijvingen op tekenniveau worden alleen uit de
geselecteerde tekst verwijderd.
Als u overschrijvingen verwijdert, wordt de opmaak van de tekenstijl niet verwijderd. U verwijdert de opmaak van de tekenstijl
door de tekst te selecteren waarop die tekenstijl is toegepast, en vervolgens op [Geen] in het deelvenster Tekenstijlen te
klikken.
De koppeling verbreken tussen tekst en de bijbehorende stijl
Wanneer u de koppeling tussen de tekst en de stijl verbreekt, behoudt de tekst de opmaak van die stijl. Als u echter die stijl daarna wijzigt, worden
de wijzigingen niet meer doorgevoerd in de tekst.
1. Selecteer de tekst die is opgemaakt met de stijl waarmee u de koppeling wilt verbreken.
2. Kies Koppeling met stijl verbreken in het menu van het deelvenster Stijlen.
Als er geen tekst is geselecteerd wanneer u Koppeling met stijl verbreken kiest, wordt bij elke nieuwe tekst die u invoert, de opmaak van de
geselecteerde stijl gebruikt, maar wordt er op die nieuwe tekst geen stijl toegepast.
Opsommingstekens en nummering naar tekst omzetten
Wanneer u een stijl met opsommingstekens of een nummering op alinea's toepast, kunnen die opsommingstekens of nummers verloren gaan als
die tekst naar een ander programma wordt gekopieerd of geëxporteerd. U voorkomt dit door de opsommingstekens of nummering naar tekst om te
zetten.
Naar boven
Opmerking: Als u de stijl met opsommingstekens omzet in een InCopy-artikel dat is gekoppeld aan een InDesign-layout, kan de stijl worden
overschreven wanneer de inhoud in InDesign wordt bijgewerkt.
1. Selecteer in het deelvenster Alineastijlen de stijl voor de opsommingstekens en nummering.
2. Kies in het menu van het deelvenster Alineastijlen de optie '[stijl]'-opsommingstekens en -nummering naar tekst omzetten.
Als u opsommingstekens en nummering omzet naar tekst in een stijl waarop een andere stijl (een bovenliggende stijl) is gebaseerd, worden de
opsommingstekens en nummering in de onderliggende stijl ook naar tekst omgezet.
Nadat u de nummering naar tekst hebt omgezet, moet u waarschijnlijk de nummers zelf bijwerken als u de tekst gaat bewerken.
Teken- en alineastijlen zoeken en vervangen
Zoek via het dialoogvenster Zoeken/Wijzigen instanties van de desbetreffende stijl op en vervang die stijl door een andere stijl.
1. Kies Bewerken > Zoeken/Wijzigen.
2. Selecteer bij Zoeken in de optie Document als u de stijl in het hele document wilt vervangen.
3. Laat de opties Zoeken naar en Wijzigen in leeg. Klik op Meer opties als de vakken Opmaak zoeken en Opmaak wijzigen niet
onder aan het dialoogvenster worden weergegeven.
4. Klik in het vak Opmaak zoeken om het dialoogvenster Opmaakinstellingen zoeken te openen. Selecteer onder Stijlopties de
teken- of alineastijl die u wilt opzoeken en klik op OK.
5. Klik in het vak Opmaak wijzigen om het dialoogvenster Opmaakinstellingen wijzigen te openen. Selecteer onder Stijlopties de
teken- of alineastijl waarmee u de andere teken- of alineastijl wilt vervangen en klik op OK.
6. Klik op Zoeken en vervang de stijl door op de knop Zoeken/Wijzigen of Alles wijzigen te klikken.
Meer Help-onderwerpen
EPUB-exportopties - Inhoud
Juridische kennisgevingen | Onlineprivacybeleid
Initialen en geneste stijlen
Naar boven
Naar boven
Een tekenstijl op een initiaal toepassen
Geneste stijlen maken
GREP-stijlen maken
U kunt de functie Initialen en geneste stijlen op drie manieren gebruiken, namelijk door een tekenstijl op een initiaal toe te passen, door een
geneste stijl op tekst aan het begin van een alinea toe te passen en door een geneste regelstijl op een of meerdere regels in een alinea toe te
passen.
Een tekenstijl op een initiaal toepassen
U kunt een tekenstijl op een of meer initialen in een alinea toepassen. Als u een initiaal bijvoorbeeld een andere kleur en lettertype wilt geven dan
de rest van de alinea, kunt u een tekenstijl met deze kenmerken definiëren. U kunt de tekenstijl rechtstreeks toepassen op een alinea of u kunt die
tekenstijl in een alineastijl nesten.
Initiaal automatisch opgemaakt door geneste tekenstijl
1. Maak een tekenstijl met de gewenste opmaak voor de initiaal.
2. Ga op een van de volgende manieren te werk:
U past de initiaal op een enkele alinea toe door Initialen en geneste stijlen in het menu van het deelvenster Alinea te
kiezen.
U nest de tekenstijl in een alineastijl door te dubbelklikken op de alineastijl en vervolgens te klikken op Initialen en geneste
stijlen.
3. Geef het aantal regels en tekens voor de initiaal op en kies de tekenstijl.
4. Als de initiaal te ver vanuit de linkerkant is uitgelijnd, selecteert u Linkerrand uitlijnen.
Bij deze optie wordt de originele linkerzijrand van de initiaal en niet de grotere waarde gebruikt. Dit komt met name van pas bij
initialen die met een Sans Serif-lettertype zijn opgemaakt.
5. Als de initiaal de onderliggende tekst overlapt, selecteert u de optie Schalen voor staarten.
6. Klik op OK.
Als u een andere geneste stijl op de tekens na de initiaal wilt toepassen, kiest u de optie Nieuwe geneste stijl. (Zie Geneste stijlen maken.)
Geneste stijlen maken
U kunt opmaak op tekenniveau voor een of meer tekstblokken in een alinea of regel opgeven. U kunt instellen dat twee of meer geneste stijlen
samenwerken, zodat de ene stijl verdergaat waar de andere stijl eindigt. Voor alinea's met een herhaalde en voorspelbare opmaak kunt u zelfs
teruggaan naar de eerste stijl uit de reeks stijlen en die gebruiken.
Geneste stijlen zijn zeer geschikt voor run-in koppen. U kunt bijvoorbeeld een tekenstijl op de eerste letter in een alinea en een andere tekenstijl
tot en met de eerste dubbele punt (:) toepassen. Voor elke geneste stijl kunt u een teken opgeven dat het einde van de stijl aangeeft, zoals een
tabteken of het einde van een woord.
In dit voorbeeld maakt de tekenstijl Nummer het eerste woord op en maakt de tekenstijl Run-in tekst op tot en met de eerste dubbele punt.
Voor meer informatie over geneste stijlen leest u het artikel InDesign's Nested Styles Auto-Format Multiple Paragraphs van Michael Murphy. Hij
geeft eveneens een reeks videodemo's; de eerste hiervan is Nested Style Sheets.
Een of meer geneste stijlen maken
1. Maak een of meer tekenstijlen waarmee u de tekst wilt opmaken.
2. Ga op een van de volgende manieren te werk:
Om geneste stijlen aan een alineastijl toe te voegen, dubbelklikt u op de alineastijl en klikt u vervolgens op Initialen en
geneste stijlen.
Als u geneste stijlen aan één alinea wilt toevoegen, kiest u Initialen en geneste stijlen in het menu van het deelvenster
Alinea.
Opmerking: U krijgt het beste resultaat door geneste stijlen als onderdeel van alineastijlen toe te passen. Als u geneste
stijlen als lokale overschrijvingen op een alinea toepast, kunnen bewerkingen of wijzigingen in de opmaak tot een
onverwachte tekenopmaak in de opgemaakte tekst leiden.
3. Klik een of meer keren op Nieuwe geneste stijl.
4. Voer voor elke stijl een of meer handelingen uit en klik vervolgens op OK:
Klik op het gebied van de tekenstijl en selecteer de tekenstijl waarmee u dat gedeelte van de alinea wilt vormgeven. Als u
geen tekenstijl hebt gemaakt, kiest u Nieuwe tekenstijlen en geeft u de gewenste opmaak op.
Geef het item op dat het einde van de opmaak van de tekenstijl aangeeft. U kunt ook het teken typen, zoals een dubbele
punt (:) of een bepaalde letter of een bepaald getal. U kunt geen woord typen.
Geef op hoeveel instanties van het geselecteerde item (zoals tekens, woorden of zinnen) er nodig zijn.
Kies Tot en met of Maximaal. Als u Tot en met kiest, wordt ook het teken opgemaakt dat het einde van de geneste stijl
aangeeft. Bij Maximaal worden alleen de tekens vóór dit teken opgemaakt.
Selecteer een stijl en klik op de knop Omhoog of Omlaag om de volgorde van de stijlen in de lijst te wijzigen. De
volgorde van de stijlen bepaalt de volgorde waarin de opmaak wordt toegepast. De opmaak die wordt gedefinieerd door
de tweede stijl, begint waar de opmaak van de eerste stijl eindigt. Als u een tekenstijl op de initiaal toepast, fungeert de
tekenstijl voor de initiaal als de eerste geneste stijl.
Geneste regelstijlen maken
U kunt een tekenstijl op een opgegeven aantal regels in een alinea toepassen. Net als bij geneste stijlen kunt u twee of meer geneste regelstijlen
instellen die met elkaar samenwerken en u kunt een herhalingspatroon maken.
Kenmerken die worden toegepast op geneste regelstijlen kunnen worden gebruikt in combinatie met kenmerken die worden toegepast op geneste
stijlen. Met een geneste regelstijl kan bijvoorbeeld een kleur worden toegepast terwijl met een geneste stijl tekst cursief kan worden toegepast. Als
beide stijlen leiden tot conflicterende instellingen voor hetzelfde kenmerk, zoals rood en blauw, heeft de geneste stijl voorrang op de geneste
regelstijl.
1. Maak een of meer tekenstijlen waarmee u de tekst wilt opmaken.
2. Ga op een van de volgende manieren te werk:
U voegt geneste regelstijlen aan een alineastijl toe door te dubbelklikken op de alineastijl en vervolgens Initialen en
geneste stijlen te kiezen.
Als u geneste regelstijlen aan één alinea wilt toevoegen, kiest u Initialen en geneste stijlen in het menu van het
deelvenster Alinea.
3. Klik een of meer keren op Nieuwe geneste regelstijl.
4. Klik op het gebied van de tekenstijl en selecteer de tekenstijl waarmee u dat gedeelte wilt vormgeven. Als u geen tekenstijl
hebt gemaakt, kiest u Nieuwe tekenstijlen en geeft u de gewenste opmaak op.
5. Geef het aantal alinearegels op waarop u de tekenstijl wilt toepassen.
Selecteer een stijl en klik op de knop Omhoog of Omlaag om de volgorde van de stijlen in de lijst te wijzigen. De
volgorde bepaalt de volgorde waarin de opmaak wordt toegepast.
6. Klik op OK.
Geneste stijlen herhalen
U kunt een reeks van twee of meer geneste stijlen in een alinea herhalen. Een eenvoudig voorbeeld van een dergelijke toepassing is een patroon
van afwisselende rode en groene woorden in een alinea. In geneste regelstijlen kunt u bijvoorbeeld afwisselend rode en groene regels in een
alinea gebruiken. Het herhaalde patroon blijft intact, ook als u woorden aan de alinea toevoegt of eruit verwijdert.
1. Maak de tekenstijlen die u nodig hebt.
2. Bewerk of maak een alineastijl of plaats de invoegpositie in de alinea die u wilt opmaken.
3. Klik in het gedeelte of het dialoogvenster Initialen en geneste stijlen ten minste tweemaal op Nieuwe geneste stijl (of Nieuwe
geneste lijnstijl) en geef instellingen op voor elke stijl.
4. Voer een van de volgende handelingen uit:
Klik bij geneste stijlen nogmaals op Nieuwe geneste stijl, kies [Herhalen] in het gedeelte Tekenstijl en geef op hoeveel
geneste stijlen moeten worden herhaald.
Klik bij geneste regelstijlen nogmaals op Nieuwe geneste regelstijl, kies [Herhalen] in het gedeelte Tekenstijl en geef op
hoeveel regels moeten worden herhaald.
Soms zult u de eerste stijl of stijlen willen overslaan. Een alinea met gebeurtenissen kan bijvoorbeeld 'De gebeurtenissen van
deze week' gevolgd door de dagen van de week en de gebeurtenissen op die dagen bevatten. Hiervoor zou u vijf geneste
stijlen kunnen maken, één stijl voor 'De gebeurtenissen van deze week', vervolgens één stijl voor elke dag van de week, de
gebeurtenis en de tijd van de gebeurtenis en een laatste stijl met een [Herhalen]-waarde van 3, waarbij dus de eerste geneste
stijl uit de lus wordt genegeerd.
Het onderdeel [Herhalen] moet onder aan de lijst staan. Geneste stijlen die onder [Herhalen] staan, worden genegeerd.
Geneste stijlen herhalen
5. Klik op OK.
Tekenstijlopties voor de geneste stijl
Met de volgende opties kunt u opgeven hoe een geneste tekenstijl eindigt:
Als u het teken niet wilt opnemen in de opmaak van de geneste stijl, kiest u Maximaal in plaats van Tot en met wanneer u de geneste stijl
definieert.
ZinnenPunten, vraagtekens en uitroeptekens die het einde van een zin aangeven. Een aanhalingsteken achter een punt hoort bij de zin.
WoordenElke spatie die of elk teken dat het einde van een woord aangeeft.
TekensElk ander teken dan markeringen met een nulbreedte (voor bijvoorbeeld ankers, indexmarkeringen en XML-labels).
Opmerking: Als u Tekens selecteert, kunt u een geneste stijl ook beëindigen door een teken zoals een dubbele punt of een punt te typen. Als u
meerdere tekens typt, wordt een stijl door een van die tekens beëindigd. Als de run-in koppen bijvoorbeeld eindigen op een koppelteken, dubbele
punt of vraagteken, kunt u -:? typen. De geneste stijl stopt dan bij een van deze tekens.
LettersElk teken dat geen leesteken, spatie, cijfer en symbool bevat.
CijfersDe Arabische cijfers 0-9.
Teken voor einde geneste stijlBreidt de geneste stijl uit tot of t/m de vormgeving van het teken Einde geneste stijl dat u invoegt. U voegt dit
teken in door Tekst > Speciaal teken invoegen > Teken > Overige > Einde geneste stijl hier te kiezen.
TabtekensBreidt de geneste stijl tot of tot en met het tabteken uit (niet de tabinstelling).
Geforceerd regeleindeBreidt de geneste stijl tot of t/m het geforceerde regeleinde uit. (Kies Tekst > Afbrekingsteken invoegen > Geforceerd
regeleinde.)
Teken Inspringen tot hierBreidt de geneste stijl uit tot of tot en met het teken Inspringen tot hier. (Kies Tekst > Speciaal teken invoegen >
Overig > Inspringen tot hier.)
Em-spaties, En-spaties of Vaste spatiesBreidt de geneste stijl tot of tot en met het spatieteken uit. (Kies Tekst > Spatie(s)
invoegen > [spatieteken].)
Markering verankerd objectBreidt de geneste stijl tot of tot en met een inline-afbeeldingsmarkering uit. Deze markering verschijnt waar een
inline-afbeelding wordt ingevoegd.
Automatisch paginanummer/SectiemarkeringBreidt de geneste stijl tot of tot en met de paginanummermarkering of sectienaammarkering uit.
Een geneste stijl beëindigen
Doorgaans eindigt een geneste stijl op de plaats waar aan de voorwaarden van de gedefinieerde stijl wordt voldaan, bijvoorbeeld na drie woorden
of bij een punt. U kunt een geneste stijl echter ook met behulp van het teken Einde geneste stijl hier laten eindigen voordat aan de voorwaarde is
voldaan.
1. Plaats de invoegpositie daar waar u de geneste stijl wilt laten eindigen.
2. Kies Tekst > Speciaal teken invoegen > Overig > Einde geneste stijl hier.
Met dit teken wordt de geneste stijl op dat punt beëindigd, ongeacht de definitie van de geneste stijl.
De opmaak van een geneste stijl verwijderen
Selecteer de geneste stijl in het dialoogvenster Initialen en geneste stijlen of in het gedeelte Initialen en geneste stijlen van het
dialoogvenster Opties alineastijl en klik op Verwijderen.
Naar boven
Pas een andere alineastijl toe.
GREP-stijlen maken
GREP is een geavanceerde, op patronen gebaseerde zoektechniek. Met GREP-stijlen kunt u een tekenstijl toepassen op tekst die voldoet aan de
door u opgegeven GREP-uitdrukking. Stel dat u een tekenstijl wilt toepassen op alle telefoonnummers in tekst. Als u een GREP-stijl maakt,
selecteert u de tekenstijl en geeft u de GREP-uitdrukking op. Alle alineatekst die overeenkomt met de GREP-uitdrukking wordt nu opgemaakt op
basis van de tekenstijl.
GREP-stijl gebruiken om telefoonnummers op te maken met een tekenstijl
A. TekenstijlB. GREP-uitdrukking
Op www.adobe.com/go/lrvid4028_id_nl vindt u een videodemo over het maken van GREP-stijlen.
In 5 Cool Things You Can Do with GREP Styles geeft David Blatner praktijkvoorbeelden van GREP-stijlen. Cari Jansen presenteert een vierdelige
serie over GREP-stijlen die begint met Introducing GREP Styles.
1. Ga op een van de volgende manieren te werk:
Als u GREP-stijlen op afzonderlijke alinea's wilt toepassen, selecteert u de gewenste alinea's en kiest u GREP-stijlen in
het menu van het deelvenster Alinea of het regelpaneel.
Als u GREP-stijlen in een alineastijl wilt gebruiken, maakt of bewerkt u een alineastijl en klikt u op het tabblad GREP-
stijlen links van het dialoogvenster Opties alineastijl.
2. Klik op Nieuwe GREP-stijl.
3. Klik rechts van Stijl toepassen en geef een tekenstijl op. Als u geen tekenstijl hebt gemaakt die moet worden gebruikt, kiest u
Nieuwe tekenstijl en geeft u de gewenste opmaak op.
4. Klik rechts van Op tekst en ga op een van de volgende manieren te werk om een GREP-uitdrukking te maken:
Voer de zoekopdracht handmatig in. (Zie Metatekens voor zoeken.)
Klik op het pictogram Speciale tekens voor zoeken rechts van het veld Op tekst. Kies opties in de submenu's Locaties,
Herhalen, Overeenkomst, Toetsen en Posix om de GREP-uitdrukking samen te stellen.
5. Klik op OK.
Meer Help-onderwerpen
Video GREP-stijlen
Juridische kennisgevingen | Onlineprivacybeleid
Objectstijlen
Naar boven
Naar boven
Naar boven
Over objectstijlen
Overzicht van het deelvenster Objectstijlen
Objectstijlen definiëren
Objectstijlen toepassen
Standaardobjectstijlen gebruiken
Overschrijvingen objectstijl wissen
De koppeling met een objectstijl verbreken
De naam van een objectstijl wijzigen
Objectstijlen bewerken
Een objectstijl verwijderen
Een objectstijl opnieuw definiëren
Objectstijlen importeren
Over objectstijlen
Net zoals u met alinea- en tekenstijlen snel tekst kunt opmaken, kunt u met objectstijlen snel afbeeldingen en kaders opmaken. Objectstijlen
bevatten instellingen voor lijnen, kleur, transparantie, slagschaduwen, alineastijlen, tekstomloop, enzovoort. U kunt verschillende transparantie-
effecten toewijzen aan het object, de vulling, lijn en tekst.
U kunt objectstijlen toepassen op objecten, groepen en kaders (waaronder tekstkaders). Een stijl kan alle objectinstellingen wissen en vervangen
of alleen bepaalde instellingen vervangen en andere instellingen ongewijzigd laten. U kunt opgeven door welke instellingen de stijl wordt beïnvloed
of een categorie uitsluiten van de instellingen in de definitie.
Wanneer u stijlen wijzigt, kan het voorkomen dat diverse stijlen sommige kenmerken delen. In plaats van die kenmerken telkens weer in te stellen
wanneer u de volgende stijl definieert, kunt u de ene objectstijl op een andere objectstijl baseren. Wanneer u de basisstijl wijzigt, worden gedeelde
kenmerken uit de 'bovenliggende' stijl die ook in de 'onderliggende' stijl voorkomen, eveneens gewijzigd.
Op www.adobe.com/go/vid0072_nl vindt u een videodemo over het gebruik van objectstijlen.
Overzicht van het deelvenster Objectstijlen
Met het deelvenster Objectstijlen kunt u objectstijlen maken, benoemen en toepassen. Voor elk nieuw document wordt in het deelvenster in eerste
instantie een standaardset met objectstijlen weergegeven. Objectstijlen worden opgeslagen bij het document en in het deelvenster weergegeven
wanneer u dat document opent. Het pictogram Tekstkader markeert de standaardstijl voor tekstkaders en het pictogram Afbeeldingskader
markeert de standaardstijl voor afbeeldingskaders en getekende vormen.
Het deelvenster Objectstijl openen
Kies Venster > Stijlen > Objectstijlen.
De weergave van objectstijlen in het deelvenster wijzigen
Selecteer Kleine deelvensterrijen in het menu van het deelvenster om een versmalde versie van de objectstijlen weer te
geven.
Sleep de objectstijl naar een andere plaats. Wanneer er op de gewenste positie een zwarte lijn wordt weergegeven, laat u de
muisknop los.
Selecteer Sorteren op naam in het menu van het deelvenster om de objectstijlen op alfabetische volgorde weer te geven.
Objectstijlen definiëren
U kunt een stijl definiëren op basis van de instellingen die u op een object hebt toegepast, een nieuwe stijl maken of een bestaande stijl bewerken
en als een nieuwe stijl opslaan.
1. Selecteer het object of het tekstkader met de instellingen die in de objectstijl moeten worden opgenomen.
2. Kies Nieuwe objectstijl in het menu van het deelvenster Objectstijlen, of houd Alt (Windows) of Option (Mac OS) ingedrukt en
klik op de knop Nieuwe stijl maken.
3. Typ een naam voor de nieuwe stijl in het dialoogvenster Nieuwe objectstijl.
4. Kies een stijl voor Gebaseerd op als u de stijl op een andere stijl wilt baseren.
Naar boven
Naar boven
Opmerking: Met de optie Gebaseerd op kunt u stijlen aan elkaar koppelen, zodat de wijzigingen in een stijl worden
doorgevoerd in de stijlen die op die stijl zijn gebaseerd. Als u de opmaak van een onderliggende stijl wijzigt en u de opnaak bij
nader inzien opnieuw wilt veranderen, klikt u op Basis herstellen. Hiermee wordt de opmaak van de onderliggende stijl gelijk
gemaakt aan de stijl waarop de onderliggende stijl is gebaseerd.
5. Om een sneltoets te kunnen toevoegen, plaatst u de invoegpositie in het vak Sneltoets (de toets Num-Lock moet zijn
ingeschakeld). Houd Shift, Alt en Ctrl (Windows) of Shift, Option en Command (Mac OS) ingedrukt en druk op een toets op
het numerieke toetsenblok. U kunt sneltoetsen voor stijlen alleen definiëren met de toetsen van het toetsenblok.
6. Selecteer onder Standaardkenmerken de extra categorieën met de opties die u wilt definiëren, en stel de opties naar wens in.
Schakel het selectievakje links van elke categorie in om aan te geven of de categorie in de stijl moet worden opgenomen of
moet worden genegeerd.
7. U past effecten toe door een optie in Effecten voor (object, lijn, vulling of tekst) te kiezen en vervolgens categorieën effecten
te selecteren en instellingen voor die effecten op te geven. U kunt voor elke categorie andere effecten opgeven. Geef aan
welke effectcategorieën in de stijl moeten worden ingeschakeld, uitgeschakeld of genegeerd.
8. Klik op OK.
Categorieën objectstijl
Als u de stijl alleen op bepaalde kenmerken wilt toepassen en de overige instellingen niet wilt wijzigen, moeten alleen de categorieën waarop u de
stijl wilt toepassen, zich in de juiste status bevinden. U kunt elke categorie op een van de volgende statussen instellen: ingeschakeld,
uitgeschakeld of genegeerd. Als u bijvoorbeeld het selectievakje Slagschaduw inschakelt, wordt de opmaak voor een slagschaduw aan de
objectstijl toegevoegd. Is het selectievakje Slagschaduw uitgeschakeld, dan wordt in de stijl de opmaak voor slagschaduw genegeerd en wordt
elke slagschaduw die op een object is toegepast, als een overschrijving weergegeven. Als u het selectievakje Slagschaduw op 'negeren' (een klein
vakje in Windows of een koppelteken in Mac OS) instelt, wordt de opmaak voor slagschaduw uit de stijl verwijderd. Slagschaduwen die aan de stijl
waren toegevoegd, worden dan niet als een overschrijving weergegeven.
Categorieën objectstijl
A. IngeschakeldB. GenegeerdC. Uitgeschakeld
Opmerking: Categorieën waarin elke instelling afzonderlijk kan worden in- of uitgeschakeld, zoals vulling, lijn en transparantie, hebben twee
statussen. Deze statussen kunnen worden ingeschakeld of genegeerd.
De categorie Alineastijlen wordt standaard genegeerd, zelfs als u een tekstkader maakt. Deze categorie is alleen van toepassing als het object een
niet-verbonden tekstkader is.
Objectstijlen toepassen
Wanneer u een objectstijl op een groep objecten toepast, wordt de objectstijl op elk object in de groep toegepast. Als u een objectstijl op een groep
objecten wilt toepassen, dient u de objecten in een kader te nesten. (U kunt bijvoorbeeld met de opdracht Bewerken > Plakken een object in een
kader plakken.)
1. Selecteer een object, kader of groep.
2. Klik op een objectstijl in het regelpaneel of in het deelvenster Objectstijlen om een stijl toe te passen.
Als u de optie Overschrijvingen wissen bij toepassen van stijl in het deelvenster Objectstijlen kiest en u klikt op een objectstijl, worden
overschrijvingen standaard gewist. Als deze optie niet is ingeschakeld, kunt u Alt ingedrukt houden en klikken (Windows) of Option ingedrukt
houden en klikken (Mac OS) op de objectstijl om tijdens het toepassen van de stijl overschrijvingen te wissen.
U kunt een stijl ook toepassen zonder eerst het object te hoeven selecteren door de objectstijl naar het object te slepen.
Als er een groep is geselecteerd wanneer u een objectstijl toepast, wordt de stijl op elk object in de groep toegepast.
Nadat u een stijl hebt toegepast, kunt u desgewenst andere instellingen op het object toepassen. Hoewel u een instelling die in de stijl is
gedefinieerd, kunt overschrijven, wordt de verbinding met de stijl niet verbroken.
Standaardobjectstijlen gebruiken
Naar boven
Naar boven
Naar boven
Naar boven
Voor elk nieuw document wordt in het deelvenster Objectstijlen een standaardset met objectstijlen weergegeven. Wanneer u een object maakt,
wordt er een objectstijl op toegepast. Als u een tekstkader maakt, wordt standaard de objectstijl [Basistekstkader] toegepast. De objectstijl
[Basisafbeeldingskader] wordt toegepast wanneer u een pad of vorm tekent. Plaatst u een afbeelding of tekent u een vorm voor een
plaatsaanduiding met een X erin, dan wordt de objectstijl [Geen] toegepast. U kunt een andere objectstijl als de standaardobjectstijl voor tekst- en
afbeeldingskaders selecteren.
U wijzigt de standaardstijl voor een tekstkader door Standaardtekstkaderstijl in het menu van het deelvenster Objectstijlen te
kiezen en vervolgens de objectstijl te selecteren.
U wijzigt de standaardstijl voor een afbeeldingskader door Standaardafbeeldingskaderstijl in het menu van het deelvenster
Objectstijlen te kiezen en vervolgens de objectstijl te selecteren.
Om de standaardstijl voor een objecttype te wijzigen, sleept u het pictogram dat het standaardobjecttype aangeeft, van de ene
objectstijl naar een andere objectstijl.
Opmerking: Als u een objectstijl selecteert als er geen kader is geselecteerd, wordt die objectstijl de nieuwe standaardobjectstijl voor tekst of
afbeeldingen, afhankelijk van het gereedschap dat in de gereedschapsset is geselecteerd.
U kunt de basisstijlen veranderen maar niet verwijderen.
Overschrijvingen objectstijl wissen
Een overschrijving wil zeggen dat de opmaak die is toegepast op een object, verschilt van een deel van de stijldefinitie die is toegepast op dat
object. Wanneer u een object met een overschrijving selecteert, staat er een plusteken (+) naast de naam van de stijl.
Gebruik de opdracht Overschrijvingen wissen als u elke opmaak wilt overschrijven die in de objectstijl is in- of uitgeschakeld, en gebruik de
opdracht Kenmerken wissen die niet door stijl worden gedefinieerd als u genegeerde kenmerken wilt wissen.
Overschrijvingen objectstijl wissen
1. Selecteer een object dat of een groep die u wilt wijzigen.
2. Klik onder in het deelvenster Objectstijlen op de knop Overschrijvingen wissen .
Een overschrijving wordt alleen weergegeven als het toegepaste kenmerk onderdeel van de stijl is.
Kenmerken wissen die geen onderdeel van een objectstijl zijn
U kunt kenmerken uit een object verwijderen, zelfs als deze kenmerken in een stijl worden genegeerd. Als bijvoorbeeld de categorie Vulling wordt
genegeerd in een objectstijl en u past een rode vulling op een kader toe waarop de objectstijl is toegepast, wordt de rode vulling verwijderd als u
klikt op de knop Kenmerken wissen die niet door stijl worden gedefinieerd.
Opmerking: Als een categorie met objectstijlen is uitgeschakeld en niet wordt genegeerd, gebruikt u de opdracht Overschrijvingen wissen om de
stijl te overschrijven.
1. Selecteer een object dat of een groep die u wilt wijzigen.
2. Klik onder in het deelvenster Objectstijlen op de knop Kenmerken wissen die niet door stijl worden gedefinieerd .
De koppeling met een objectstijl verbreken
U kunt de koppeling verbreken tussen een object en de stijl die op dat object is toegepast. Het object behoudt dezelfde kenmerken, maar
verandert niet als de stijl wordt gewijzigd.
1. Selecteer het object waarop de objectstijl is toegepast.
2. Kies Koppeling met stijl verbreken in het menu van het deelvenster Objectstijlen.
Als u de opmaak van de objectstijl niet wilt behouden, kiest u [Geen] in het deelvenster Objectstijlen.
De naam van een objectstijl wijzigen
1. Zorg ervoor dat er geen objecten zijn geselecteerd zodat er geen stijl per ongeluk kan worden toegepast.
2. Dubbelklik in het deelvenster Objectstijlen op de objectstijl waarvan u de naam wilt wijzigen.
3. Typ in het dialoogvenster Opties objectstijl de gewenste naam voor de stijl en klik op OK.
U kunt een objectstijl ook in het deelvenster bewerken. Klik op de stijl, wacht even en klik nogmaals om de naam van de stijl te wijzigen.
Objectstijlen bewerken
1. Ga op een van de volgende manieren te werk:
Als u niet wilt dat de stijl wordt toegepast op het geselecteerde kader of wordt ingesteld als de standaardstijl, klikt u met
de rechtermuisknop (Windows) of houdt u Control ingedrukt en klikt u (Mac OS) op de stijlnaam in het deelvenster
Naar boven
Naar boven
Naar boven
Objectstijlen en kiest u Bewerken [stijlnaam].
Dubbelklik in het deelvenster Objectstijlen op de naam van de stijl of selecteer de stijl en kies Stijlopties in het menu van
het deelvenster Stijlen. Hiermee wordt de stijl op elk geselecteerd object toegepast of ingesteld als het
standaardobjecttype.
2. Selecteer in het dialoogvenster Opties objectstijl de categorie met de opties die u wilt wijzigen, en wijzig de gewenste
instellingen.
3. Bepaal welke categorieën met objectstijlen u wilt inschakelen, uitschakelen of negeren.
4. Klik op OK.
Een objectstijl verwijderen
1. Selecteer een objectstijl in het deelvenster Objectstijlen.
2. Kies Stijl verwijderen in het menu van het deelvenster of sleep de stijl naar het pictogram Verwijderen onder in het deelvenster
Objectstijlen.
3. Als u een stijl verwijdert die op objecten is toegepast of waarop andere stijlen zijn gebaseerd, moet u een vervangende stijl
opgeven in het deelvenster Objectstijl verwijderen. Ga op een van de volgende manieren te werk:
U past opnieuw stijlen toe op objecten waarbij de verwijderde stijl werd gebruikt door de stijl te kiezen die u op de objecten
wilt toepassen, en op OK te klikken.
Als u objecten ongewijzigd wilt laten, kiest u [Geen], laat u het selectievakje Opmaak behouden ingeschakeld staan en
klikt u op OK. Alle objecten waarop de verwijderde stijl was toegepast, behouden wel dezelfde kenmerken maar zijn niet
meer aan een stijl gekoppeld.
Om alle toegepaste kenmerkinstellingen te verwijderen, kiest u [Geen], schakelt u het selectievakje Opmaak behouden uit
en klikt u op OK.
Opmerking: Om alle stijlen te verwijderen die niet op objecten zijn toegepast, kiest u Alle ongebruikte selecteren in het menu van het deelvenster
Objectstijlen en klikt u op het pictogram Verwijderen.
Een objectstijl opnieuw definiëren
Nadat u een objectstijl hebt toegepast, kunt u de instellingen van de stijl wijzigen. Als u de wijzigingen die u aan een bepaald object hebt
aangebracht, wilt behouden, kunt u de stijl opnieuw definiëren, zodat deze overeenkomt met de opmaak van het gewijzigde object. Houd er
rekening mee dat met de opdracht Objectstijl opnieuw definiëren alleen die categorieën opnieuw worden gedefinieerd die zijn in- of uitgeschakeld,
en niet de categorieën die worden genegeerd. Als het object extra instellingen bevat, moet u deze instellingen afzonderlijk aan de stijl toevoegen
of gewoon een nieuwe objectstijl maken.
1. Selecteer een object waarop de stijl die u wilt wijzigen, is toegepast.
2. Pas de gewenste vormgevingskenmerken aan.
3. Kies de opdracht Stijl opnieuw definiëren in het menu van het deelvenster Objectstijlen.
De definitie van de objectstijl wordt gewijzigd conform de instellingen van de overschrijving die u hebt toegepast. Alle instanties van de objectstijl in
het document worden bijgewerkt met de nieuwe instellingen.
Opmerking: Als de opdracht Objectstijl opnieuw definiëren niet beschikbaar is, behoren de door u ingestelde kenmerken niet tot de definitie van
de objectstijl. U kunt de definitie van de stijl ook direct wijzigen door Opties objectstijl te kiezen of een nieuwe stijl van het object te maken.
Objectstijlen importeren
U kunt stijlen uit andere documenten importeren. Behalve objectstijlen importeert InDesign ook stalen, aangepaste lijnen, tekenstijlen of
alineastijlen die in de stijlen worden gebruikt. Als een staal, lijn of alineastijl die u importeert, dezelfde naam maar andere waarden heeft dan een
bestaand staal of een bestaande stijl, wijzigt InDesign de naam.
1. Selecteer Objectstijlen laden in het menu van het deelvenster Objectstijlen.
2. Selecteer het bestand waaruit u objectstijlen wilt importeren en klik op Openen.
3. In het dialoogvenster Stijlen laden moet er een vinkje staan naast de stijlen die u wilt importeren. Als een bestaande stijl
dezelfde naam heeft als een van de geïmporteerde stijlen, kiest u een van de volgende opties onder Conflict met bestaande
stijl en klikt u op OK:
Binnenkomende stijldefinitie gebruikenHiermee vervangt u de bestaande stijl door de geladen stijl en past u de nieuwe
kenmerken van die stijl toe op alle objecten in het huidige document met de oude stijl. De definities van de binnenkomende en
bestaande stijlen worden onder in het dialoogvenster Stijlen laden weergegeven, zodat u de stijlen met elkaar kunt
vergelijken.
Naam automatisch wijzigenHiermee wijzigt u de naam van de geladen stijl.
De objectstijlen staan in het deelvenster Objectstijlen.
Meer Help-onderwerpen
Video over objectstijlen
Juridische kennisgevingen | Onlineprivacybeleid
Werken met stijlen
Naar boven
Naar boven
Stijlen of stijlgroepen dupliceren
Stijlen groeperen
Stijlen verplaatsen en rangschikken
Stijlen of stijlgroepen dupliceren
Klik met de rechtermuisknop (Windows) of houd Control ingedrukt en klik (Mac OS) op de stijl of stijlgroep in het deelvenster Stijlen en kies Stijl
dupliceren.
In het deelvenster Stijlen wordt een nieuwe stijl of groep weergegeven met dezelfde naam gevolgd door het woord 'kopie'. Als u een groep stijlen
dupliceert, veranderen de namen van de stijlen in de nieuwe groep niet.
U kunt stijlen ook dupliceren door deze naar een andere groep te kopiëren.
Stijlen groeperen
U kunt stijlen indelen door ze in afzonderlijke mappen in de deelvensters Tekenstijlen, Alineastijlen, Objectstijlen, Tabelstijlen en Celstijlen te
groeperen. U kunt zelfs groepen binnen groepen nesten. Stijlen hoeven niet in een groep te staan. U kunt stijlen aan een groep toevoegen of op
het basisniveau van het deelvenster plaatsen.
Een stijlgroep maken
1. Doe het volgende in het deelvenster Stijlen:
Als u de groep op basisniveau wilt maken, deselecteert u alle stijlen.
Als u een groep in een groep wilt maken, selecteert en opent u een groep.
Als u bestaande stijlen in een groep wilt opnemen, selecteert u die stijlen.
2. Kies Nieuwe stijlgroep in het menu van het deelvenster Stijlen of kies Nieuwe groep van stijlen als u de geselecteerde stijlen
naar de nieuwe groep wilt verplaatsen.
3. Voer de naam van de groep in en klik op OK.
4. U verplaatst een stijl naar de groep door de stijl over de stijlgroep te slepen. Wanneer de stijlgroep is gemarkeerd, laat u de
muisknop los.
Stijlen naar een groep kopiëren
Wanneer u een stijl naar een andere groep kopieert, worden de stijlen niet aan elkaar gekoppeld. Als u een van beide stijlen bewerkt, veranderen
de kenmerken van de andere stijl niet, ondanks dat de twee stijlen dezelfde naam hebben.
1. Selecteer de stijl of groep die u wilt kopiëren.
2. Kies Kopiëren naar groep in het menu van het deelvenster Stijlen.
3. Selecteer de groep (of het [basis]niveau) waarnaar u de stijlen of groep wilt kopiëren, en klik op OK.
Als er in de groep al stijlen staan met dezelfde naam als de stijlen die worden gekopieerd, wordt de naam van binnenkomende
stijlen gewijzigd.
Stijlgroepen uitvouwen of samenvouwen
U vouwt één groep uit of samen door op het driehoekje naast de groep te klikken.
U vouwt de groep en alle subgroepen van die groep uit of samen door Ctrl (Windows) of Command (Mac OS) ingedrukt te
houden en op het driehoekje te klikken.
Stijlgroepen verwijderen
Als u een stijlgroep verwijdert, wordt de groep en alles in de groep verwijderd, ook de stijlen en andere groepen.
1. Selecteer de groep die u wilt verwijderen.
2. Kies Stijlgroep verwijderen in het menu van het deelvenster Stijlen en klik op Ja.
3. Geef voor elke stijl in de groep een vervangende stijl op of kies [Geen] en klik op OK.
Als u de vervangende stijl voor alle stijlen wilt gebruiken, selecteert u de optie Op alles toepassen.
Naar boven
Wanneer u de vervanging van een stijl annuleert, wordt de groep niet verwijderd. U kunt verwijderde stijlen terughalen door Bewerken >
Ongedaan maken Stijlen verwijderen te kiezen.
Stijlen verplaatsen en rangschikken
De stijlen die u maakt, komen onder in de stijlgroep of het deelvenster te staan.
U sorteert alle groepen en stijlen in groepen alfabetisch door Sorteren op naam in het menu van het deelvenster Stijlen te
kiezen.
Als u één stijl wilt verplaatsen, sleept u die stijl naar een andere locatie. Een zwarte lijn geeft aan waarnaar de stijl wordt
verplaatst en een gemarkeerde groepsmap geeft aan dat de stijl aan die groep wordt toegevoegd.
Juridische kennisgevingen | Onlineprivacybeleid
Typografie
Bepaalde inhoud waarnaar op deze pagina wordt gelinkt, is mogelijk alleen in het Engels beschikbaar.
Tekst opmaken
Naar boven
Naar boven
Tekst opmaken
Tekstkenmerken kopiëren (Pipet)
Snel toepassen gebruiken
Tekst opmaken
U gebruikt het regelpaneel om de vormgeving van tekst te wijzigen. Wanneer er tekst is geselecteerd of wanneer de invoegpositie in tekst is
geplaatst, staan in het regelpaneel de besturingselementen voor de tekenopmaak, de alineaopmaak of beide, afhankelijk van de resolutie van uw
beeldscherm. In de deelvensters Teken en Alinea worden dezelfde besturingselementen voor tekstopmaak weergegeven. U kunt ook de
deelvensters Teken en Alinea gebruiken om de vormgeving van tekst te wijzigen.
Op www.adobe.com/go/lrvid4275_id_nl vindt u een videodemo over het opmaken van tekens. Op www.adobe.com/go/lrvid4276_id_nl vindt u een
videodemo over het opmaken van alinea's.
U kunt tekst opmaken met de volgende methoden:
Als u tekens wilt opmaken, kunt u het gereedschap Tekst gebruiken om tekens te selecteren. U kunt ook klikken om de
invoegpositie te plaatsen, een opmaakoptie selecteren en beginnen met typen.
Als u alinea's wilt opmaken, hoeft u geen hele alinea te selecteren. U hoeft slechts een woord of teken te selecteren of de
invoegpositie in een alinea te plaatsen. U kunt ook tekst selecteren in meerdere alinea's.
Als u de opmaak wilt instellen voor alle tekstkaders die u in het huidige document maakt, zorgt u dat de invoegpositie niet
actief is en er niets is geselecteerd. Vervolgens geeft u opties voor tekstopmaak op. Als u standaardtekstopmaak voor alle
nieuwe documenten wilt instellen, sluit u alle documenten en geeft u de tekstinstellingen op. Zie Standaardinstellingen
opgeven.
Selecteer een kader om de opmaak op alle tekst in dat kader toe te passen. Het kader kan geen onderdeel van een
verbinding zijn.
Gebruik alineastijlen en tekenstijlen om tekst snel en consistent op te maken.
Op www.adobe.com/go/vid0075_nl vindt u een videodemo over het werken met tekst.
1. Selecteer het gereedschap Tekst .
2. Klik om een invoegpositie te plaatsen of selecteer de tekst die u wilt opmaken.
3. Klik in het regelpaneel op het pictogram Besturingselementen tekenopmaak of op het pictogram Besturingselementen
alineaopmaak .
Regelpaneel
A.Besturingselementen voor tekenopmaakB.Besturingselementen voor alineaopmaak
4. Geef opmaakopties op.
Tekstkenmerken kopiëren (Pipet)
Met het gereedschap Pipet kunt u tekstkenmerken, zoals instellingen voor het teken, de alinea, de vulling en de lijn, kopiëren en die kenmerken
toepassen op andere tekst. Standaard worden alle kenmerken van tekst gekopieerd met het gereedschap Pipet. In het dialoogvenster Opties pipet
kunt u instellen welke kenmerken u wel en welke u niet wilt kopiëren.
Tekstkenmerken naar niet-geselecteerde tekst kopiëren
1. Met het gereedschap Pipet klikt u op de tekst die is opgemaakt met de kenmerken die u wilt kopiëren. (De tekst kan in
een ander geopend document staan.) Het pipet verandert van richting en lijkt vol te zijn, ten teken dat het gereedschap is
geladen met de kenmerken die u hebt gekopieerd. Wanneer u het pipet op tekst plaatst, verschijnt een I-vormige aanwijzer
naast het geladen pipet .
2. Selecteer met het gereedschap Pipet de tekst die u wilt veranderen.
De geselecteerde tekst neemt de tekstkenmerken uit het pipet over. Zolang het gereedschap Pipet is geselecteerd, kunt u
Naar boven
doorgaan met het selecteren van tekst en het toepassen van de opmaak.
3. Klik op een ander gereedschap om het gereedschap Pipet te deselecteren.
Als u de opmaakkenmerken wilt wissen die zijn opgeslagen in het gereedschap Pipet, drukt u op Alt (Windows) of Option (Mac OS) terwijl het
gereedschap Pipet is geladen. Het gereedschap Pipet verandert van richting en lijkt leeg te zijn, ten teken dat u met het gereedschap nieuwe
kenmerken kunt selecteren. Klik op een object dat de kenmerken bevat die u wilt kopiëren, en zet vervolgens de nieuwe kenmerken op een
ander object neer.
Klik met het gereedschap Pipet op opgemaakte tekst (links) en sleep vervolgens naar niet-opgemaakte tekst (midden) om de opmaak toe te
passen (rechts).
Als u met het gereedschap Pipet een alineastijl van tekst uit een document kopieert naar tekst in een ander document terwijl de alineastijl dezelfde
naam maar een andere set kenmerken heeft, worden stijlverschillen als plaatselijke overschrijvingen van de doelstijl weergegeven.
Tekstkenmerken kopiëren naar geselecteerde tekst
1. Selecteer met het gereedschap Tekst of Padtekst de tekst waarnaar u kenmerken wilt kopiëren.
2. Klik met het gereedschap Pipet op de tekst waarvan u de kenmerken wilt kopiëren. (De tekst waarvan u de kenmerken wilt
kopiëren, moet in hetzelfde InDesign-document staan als de tekst die u wilt wijzigen.) Het gereedschap Pipet verandert van
richting en lijkt vol te zijn, ten teken dat het gereedschap is geladen met de kenmerken die u hebt gekopieerd. De
kenmerken worden toegepast op de tekst die u in stap 1 hebt geselecteerd.
Tekstkenmerken gekopieerd naar geselecteerde tekst
Instellen welke tekstkenmerken worden gekopieerd met het gereedschap Pipet
1. Dubbelklik op het gereedschap Pipet in de gereedschapsset.
2. Kies Tekeninstellingen of Alinea-instellingen in het dialoogvenster Opties pipet.
3. Selecteer de kenmerken die u wilt kopiëren met het gereedschap Pipet en klik op OK.
Als u alleen alineakenmerken wilt kopiëren of toepassen zonder daarbij de instellingen in het venster Opties pipet te veranderen, houdt u Shift
ingedrukt terwijl u met het gereedschap Pipet op tekst klikt.
Snel toepassen gebruiken
Met Snel toepassen kunt u stijlen, menuopdrachten, scripts, variabelen en de meeste andere opdrachten uit het dialoogvenster Sneltoetsen
opzoeken en toepassen.
1. Selecteer de tekst of het kader waarop u een stijl, menuopdracht, script of variabele wilt toepassen.
2. Kies Bewerken > Snel toepassen of druk op Ctrl+Enter (Windows) of Command+Return (Mac OS).
3. Typ de naam van het item dat u wilt toepassen.
U hoeft de naam niet exact in te voeren. Als u bijvoorbeeld ko typt, worden stijlen zoals Kop 1, Kop 2 en Subkop gevonden,
alsmede menu's en menuopdrachten waarin die twee letters voorkomen.
U kunt met Snel toepassen zoeken naar stijlen, menuopdrachten, scripts en variabelen.
U kunt de zoekopdracht beperken tot een enkele categorie door een voorvoegsel aan het begin van de zoekopdracht te
typen, zoals m: voor menu of a: voor alineastijlen. Klik voor een overzicht van alle voorvoegsels op de pijl-omlaag links
van het tekstvak Snel toepassen. De categorieën die u niet wilt laten weergeven, kunt u in deze lijst uitschakelen.
4. Selecteer het item dat u wilt toepassen, en doe vervolgens het volgende:
U past een stijl, menuopdracht of variabele toe door op Enter of Return te drukken.
U past een alineastijl toe en verwijdert overschrijvingen door op Alt+Enter (Windows) of Option+Return (Mac OS) te
drukken.
U past een alineastijl toe en verwijdert overschrijvingen en tekenstijlen door op Alt+Shift+Enter (Windows) of
Option+Shift+Return (Mac OS) te drukken.
U past een item toe zonder de lijst voor snel toepassen te sluiten door op Shift+Enter (Windows) of Shift+Return
(Mac OS) te drukken.
U sluit de lijst voor snel toepassen zonder een item toe te passen door op Esc te drukken of ergens anders in het
documentvenster te klikken.
U bewerkt een stijl door te drukken op Ctrl+Enter (Windows) of Command+Return ( Mac OS).
Wanneer de lijst voor snel toepassen wordt weergegeven, drukt u op Pijl-links of Pijl-rechts om door het bewerkveld te schuiven. Met Pijl-
omhoog en Pijl-omlaag kunt u door de lijst met items bladeren.
Meer Help-onderwerpen
Video over het werken met tekst
Juridische kennisgevingen | Onlineprivacybeleid
Tekens opmaken
Naar boven
Naar boven
Naar boven
Een verschuiving van de basislijn toepassen
Superscript of subscript toepassen in een niet-OpenType-lettertype
Een onderstreping of doorhaling toepassen
Ligaturen toepassen op letterparen
De kleur, het verloop of de lijn van tekst wijzigen
Transparantie-effecten toevoegen aan tekst
Een taal aan tekst toewijzen
Het hoofdlettergebruik van tekst wijzigen
Tekst schalen
Tekst schuintrekken
Op www.adobe.com/go/lrvid4275_id_nl vindt u een videodemo over het opmaken van tekens.
Een verschuiving van de basislijn toepassen
Met een verschuiving van de basislijn verplaatst u een geselecteerd teken omhoog of omlaag ten opzichte van de basislijn van omringende tekst.
Deze optie is vooral nuttig bij het handmatig instellen van breuken of het aanpassen van de positie van inline-afbeeldingen.
Waarden voor Verschuiving basislijn toegepast op tekst
1. Selecteer tekst.
2. Typ in het regelpaneel of het deelvenster Teken een numerieke waarde voor Verschuiving basislijn . Met een positieve
waarde wordt de basislijn van het teken verhoogd ten opzichte van de basislijn van de rest van de regel. Met een negatieve
waarde wordt de basislijn verlaagd.
Als u de waarde wilt verhogen of verlagen, klikt u in het vak Verschuiving basislijn en drukt u op Pijl-omhoog of Pijl-omlaag. Als u de waarde in
grotere stappen wilt wijzigen, houdt u Shift ingedrukt als u op een van de pijltoetsen drukt.
Als u de standaardtoename voor de verschuiving van de basislijn wilt wijzigen, geeft u een waarde op voor Verschuiving basislijn in het gedeelte
Eenheden en toenamen van het dialoogvenster Voorkeuren.
Superscript of subscript toepassen in een niet-OpenType-lettertype
1. Selecteer tekst.
2. Kies Superscript of Subscript in het menu van het deelvenster Teken of in het regelpaneel.
Als u Superscript of Subscript kiest, wordt een vooraf gedefinieerde waarde voor de basislijnverschuiving toegepast en wordt de geselecteerde
tekst voorzien van een vooraf gedefinieerde grootte.
De toegepaste waarden zijn percentages van de huidige waarden voor tekengrootte en regelafstand, gebaseerd op de instellingen in het venster
voor tekstvoorkeuren. Deze waarden staan bij de selectie van de tekst niet in de vakken Verschuiving basislijn of Tekengrootte van het
deelvenster Teken.
Opmerking: U kunt de standaardgrootte en -positie van tekens in superscript en subscript aanpassen met de voorkeursinstellingen voor
Geavanceerde tekst.
Een onderstreping of doorhaling toepassen
De standaarddikte van een onderstreping of doorhaling hangt af van de grootte van de tekst.
In Custom Underlines in InDesign vindt u een videodemo van Jeff Witchel over onderstreping.
Een onderstreping of doorhaling toepassen
1. Selecteer tekst.
2. Kies Onderstrepen of Doorhalen in het menu van het deelvenster Teken of in het regelpaneel.
Naar boven
Naar boven
Opties voor onderstrepen of doorhalen wijzigen
Het maken van een aangepaste onderstreping is vooral handig wanneer u een gelijkmatige onderstreping onder tekst van verschillende grootten of
speciale effecten, zoals achtergrondmarkering, wilt maken.
Voor en na het aanpassen van onderstrepen
1. Kies Opties voor onderstrepen of Opties voor doorhalen in het menu van het regelpaneel of van het deelvenster Teken.
2. Voer een van de volgende handelingen uit en klik op OK:
Selecteer Onderstrepen geactiveerd of Doorhalen geactiveerd om de actieve tekst te onderstrepen of door te halen.
Kies of typ bij Dikte een waarde om de dikte van de lijn voor onderstrepen of doorhalen te bepalen.
Selecteer het type onderstreping of doorhaling bij de optie Type.
Bepaal bij Verschuiving de verticale positie van de regel. De verschuiving wordt vanaf de basislijn gemeten. Bij een
negatieve waarde wordt de onderstreping boven de basislijn en de doorhaling onder de basislijn geplaatst.
Selecteer Lijn overdrukken als de lijn bij het afdrukken geen onderliggende inkten mag bedekken.
Kies een kleur en tint. Als u een andere lijn dan een ononderbroken lijn opgeeft, wijzigt u de ruimte tussen streepjes,
punten of lijnen door een kleur of tint voor de tussenruimte te kiezen.
Selecteer Lijn overdrukken of Tussenruimte overdrukken als de onderstreping of doorhaling over een andere kleur wordt
afgedrukt en u fouten door een verkeerde registratie van het afdrukken wilt voorkomen.
De opties voor onderstrepen of doorhalen in een alinea- of tekenstijl kunt u wijzigen in het gedeelte Opties voor onderstrepen of Opties voor
doorhalen van het dialoogvenster dat verschijnt wanneer u de stijl maakt of bewerkt.
Ligaturen toepassen op letterparen
Het is mogelijk automatisch ligaturen in te voegen. Dit zijn typografische vervangingen van bepaalde letterparen, zoals "fi" en "fl", mits beschikbaar
in het desbetreffende lettertype. De tekens die na selectie van de optie Ligaturen worden gebruikt, zien eruit als ligaturen en worden ook als
zodanig afgedrukt. U kunt ze echter gewoon bewerken en ze veroorzaken geen onterechte markering tijdens spellingcontroles.
Afzonderlijke tekens (boven) en ligaturen (onder)
Als u met OpenType-lettertypen werkt en Ligaturen in het menu van het deelvenster Teken of van het regelpaneel kiest, worden overeenkomstig
het ontwerp standaardligaturen gegenereerd die in het lettertype zijn gedefinieerd. Bepaalde lettertypen bevatten echter barokke, optionele
ligaturen, die u kunt genereren door de opdracht Handmatige ligaturen te kiezen.
1. Selecteer tekst.
2. Kies Ligaturen in het menu van het deelvenster Teken of in het menu van het regelpaneel.
De kleur, het verloop of de lijn van tekst wijzigen
U kunt kleuren, verlopen en lijnen toepassen op tekens en doorgaan met het bewerken van de tekst. Maak gebruik van het deelvenster Stalen en
het deelvenster Lijn om kleuren, verlopen en lijnen toe te passen op tekst, of wijzig de instellingen voor Tekenkleur als u een stijl maakt of
bewerkt.
Naar boven
Naar boven
Stalen
A.Staal heeft gevolgen voor lijn of vullingB.Staal heeft gevolgen voor container of tekstC.Tint (percentage)
1. Ga op een van de volgende manieren te werk:
Als u kleurwijzigingen wilt toepassen op tekst in een kader, gebruikt u het gereedschap Tekst om tekst te selecteren.
Als u kleurwijzigingen wilt toepassen op alle tekst in een kader, gebruikt u het gereedschap Selecteren om het kader te
selecteren. Als u kleur toepast op tekst in plaats van op de container, moet u het pictogram Opmaak heeft gevolgen voor
de tekst in de gereedschapsset of in het deelvenster Stalen selecteren.
2. Geef in de gereedschapsset of in het deelvenster Stalen aan of u de kleurwijziging wilt toepassen op de vulling of de lijn. Als u
Lijn selecteert, heeft de kleurwijziging alleen gevolgen voor de contouren van tekens.
3. Ga als volgt te werk:
Klik op een kleur of een verloopstaal in het deelvenster Stalen.
Geef een gewicht of andere lijnopties op in het deelvenster Lijn. (Zie Opties in het deelvenster Lijn.)
U kunt ook een verloop op tekst toepassen door het effect door de geselecteerde tekst te slepen met het gereedschap Verloopstaal of het
gereedschap Verloopdoezelaar .
Als u omgekeerde tekst wilt maken, kunt u de vulkleur van de tekst wijzigen in wit of [Papier] en de vulkleur van het kader in een donkere kleur.
U kunt ook omgekeerde tekst maken door een alinearegel achter de tekst te gebruiken. Als de alinea zwart is, moet u de tekst wit maken.
Transparantie-effecten toevoegen aan tekst
Gebruik het deelvenster Effecten om transparantie-effecten zoals slagschaduwen aan tekst toe te voegen.
In InDesign Eye Candy, Part I geeft Mike Rankin voorbeelden van transparantie-effecten.
1. Gebruik het gereedschap Selecteren om het tekstkader te selecteren.
2. Kies Object > Effecten > [effect].
3. Kies Tekst in het menu Instellingen voor.
Kies Object als u de effecten niet alleen wilt toepassen op de tekst in het kader, maar ook op de lijn en vulling van het
tekstkader.
4. Geef de opties op voor de effectkenmerken en klik op OK.
Als u de overvloeimodus of de instellingen voor dekking wilt aanpassen, gebruikt u het deelvenster Effecten.
Een taal aan tekst toewijzen
Wijs een taal toe aan tekst om te bepalen welk woordenboek voor spelling en woordafbreking wordt gebruikt. Bij het toewijzen van een taal blijft
de tekst in het document ongewijzigd.
1. Ga als volgt te werk:
Als u de taal alleen wilt toepassen op een tekstselectie, selecteert u de tekst.
Als u het standaardwoordenboek in InDesign wilt wijzigen, kiest u de taal zonder dat er een document is geopend.
Als u het standaardwoordenboek voor een bepaald document wilt wijzigen, opent u het document, kiest u Bewerken >
Alles deselecteren en kiest u de gewenste taal.
2. Kies het gewenste woordenboek in het menu Taal in het deelvenster Teken.
Naar boven
Zowel voor spelling als woordafbreking worden Proximity-woordenboeken (en voor sommige talen Winsoft-woordenboeken) gebruikt. Met deze
woordenboeken kunt u zelfs voor één tekstteken een andere taal opgeven. Elk woordenboek bevat honderdduizenden woorden met
standaardafbreking per lettergreep. Het wijzigen van de standaardtaal heeft geen gevolgen voor bestaande tekstkaders of documenten.
U kunt woordenboeken aanpassen om er zeker van te zijn dat alle woorden die u regelmatig gebruikt, worden herkend en correct worden verwerkt.
Invloed van woordenboeken op het afbreken van woorden
A.“Glockenspiel” in het EngelsB.“Glockenspiel” in het Duits (oude spelling)C.“Glockenspiel” in het Duits (nieuwe spelling)
Het hoofdlettergebruik van tekst wijzigen
Met de opdrachten Kapitalen of Kleinkapitalen verandert het uiterlijk van de tekst, maar niet de tekst zelf. Met de opdracht Hoofd-/kleine letter
wordt het hoofdlettergebruik van de geselecteerde tekst echter wel gewijzigd. Dit is een belangrijk onderscheid wanneer u tekst wilt zoeken of
wanneer u een spellingcontrole wilt uitvoeren. Stel bijvoorbeeld dat u “spinnen” typt in uw document en dat u Kapitalen toepast. Als u nu met
Zoeken/wijzigen zoekt naar “SPINNEN” (en onderscheid maakt tussen hoofd-/kleine letters), wordt het woord “spinnen” waarop u de optie
Kapitalen hebt toegepast, niet gevonden. Als u het resultaat van zoekacties en de spellingcontrole wilt verbeteren, kunt u beter de opdracht
Hoofdletter/kleine letter gebruiken in plaats van Kapitalen.
In Small Caps vs OpenType All Small Caps vindt u een artikel van Anne-Marie Concepcion over kleinkapitalen.
Tekst wijzigen naar Kapitalen of Kleinkapitalen
InDesign kan automatisch het hoofdlettergebruik in geselecteerde tekst wijzigen. Als u tekst opmaakt in kleinkapitalen, worden automatisch de
kleinkapitalen van het betrokken lettertype gebruikt, mits deze beschikbaar zijn. Is dat niet het geval, dan worden de kleinkapitalen nagemaakt met
kleinere versies van de gewone hoofdletters. U stelt de grootte van kleinkapitalen in het venster voor tekstvoorkeuren in.
Vóór (boven) en na (onder) het instellen van BC en AD in kleinkapitalen met het oog op klassieke getallen en omringende tekst
Als u Kapitalen of Kleinkapitalen met een OpenType-lettertype selecteert, oogt de tekst eleganter. Als u een OpenType-lettertype gebruikt, kunt u
ook Alles in kleinkapitaal selecteren in het regelpaneel of in het menu van het deelvenster Teken. (Zie Kenmerken voor OpenType-lettertypen
toepassen.)
1. Selecteer tekst.
2. Kies Kapitalen of Kleinkapitalen in het menu van het deelvenster Teken of in het regelpaneel. Als de tekst oorspronkelijk in
kapitalen is getypt, wordt door de selectie van Kleinkapitalen niets gewijzigd.
De grootte van kleinkapitalen opgeven
1. Kies Bewerken > Voorkeuren > Geavanceerde tekst (Windows) of InDesign > Voorkeuren > Geavanceerde tekst (Mac OS).
2. Typ voor de kleinkapitalen een percentage van de oorspronkelijke tekengrootte. Klik op OK.
Hoofdlettergebruik wijzigen
1. Selecteer tekst.
2. Kies een van de volgende opties in het submenu Tekst > Hoofd-/kleine letter:
Kies Kleine letters als u alle tekens als kleine letters wilt weergeven.
Kies Alles Beginhoofdletter als u de eerste letter van elk woord in hoofdletters wilt weergeven.
Kies Hoofdletters als u alle tekens als hoofdletters wilt weergeven.
Naar boven
Kies Als in een zin als u de eerste letter van elke zin met een hoofdletter wilt weergeven.
Opmerking: Bij de opdracht Als in een zin wordt ervan uitgegaan dat de punt (.), het uitroepteken (!) en het vraagteken (?) het einde van de zin
aangeven. Wanneer u de opdracht Als in een zin toepast, kunnen er onverwachte wijzigingen in het hoofdlettergebruik optreden als deze tekens
op een andere manier worden gebruikt, zoals in afkortingen, bestandsnamen of internet-URL's. Bovendien kunnen eigennamen in kleine letters in
plaats van in hoofdletters worden geschreven.
Tekst schalen
U kunt de proportie tussen de hoogte en breedte van tekst opgeven ten opzichte van de oorspronkelijke hoogte en breedte van de tekens. Niet-
geschaalde tekens hebben de waarde 100%. Sommige tekenfamilies beschikken over een zuiver verbreed lettertype, dat is ontworpen met een
grotere horizontale spreiding dan de onbewerkte lettertypestijl. Schalen leidt tot vervorming van tekst. Zo mogelijk kunt u beter een lettertype
gebruiken dat versmald of verbreed is ontworpen.
Lettertypen horizontaal schalen
A.Niet-geschaalde tekstB.Niet-geschaalde tekst in een versmald lettertypeC.Geschaalde tekst in een versmald lettertype
Verticale of horizontale schaling aanpassen
1. Selecteer de tekst die u wilt schalen.
2. Typ in het regelpaneel of het deelvenster Teken een numerieke waarde om het percentage te wijzigen voor Verticaal schalen
of Horizontaal schalen .
Tekst schalen door het formaat van het tekstkader te wijzigen in InDesign
Ga als volgt te werk:
Houd Ctrl (Windows) of Command (Mac OS) ingedrukt en sleep met het gereedschap Selecteren een hoek van het tekstkader
om het kader groter of kleiner te maken.
Wijzig het kader met behulp van het gereedschap Schalen .
(Zie Objecten schalen.)
De vormgeving van geschaalde tekstwaarden bepalen
Wanneer u de schaal van een kader wijzigt, wordt de tekst in het kader eveneens geschaald. Als u bijvoorbeeld het tekstkader twee keer zo groot
maakt, wordt de tekst ook twee keer zo groot: 20-punts tekst wordt dus 40-punts tekst.
In Making a Magnifying Glass Text Frame in InDesign vindt u een artikel van David Blatner over geschaalde tekstkaders.
Met de voorkeursinstellingen kunt u bepalen hoe de geschaalde tekst in de deelvensters moet worden weergegeven:
Als u de optie Toepassen op inhoud selecteert, wordt de nieuwe tekengrootte (bijvoorbeeld 40 pt) standaard weergegeven in
de desbetreffende vakken in het regelpaneel en in het deelvenster Teken. Als u de optie Schaalpercentage aanpassen
selecteert, wordt in de vakken Tekengrootte zowel de originele grootte als de geschaalde grootte weergegeven, bijvoorbeeld
“20 pt (40)”.
De schaalwaarden in het deelvenster Transformeren geven het horizontale en verticale schalingspercentage van het frame
aan. Als u de optie Toepassen op inhoud selecteert, worden schaalwaarden standaard weergegeven als 100% nadat een tekst
is geschaald. Als u de optie Schaalpercentage aanpassen selecteert, komen de schaalwaarden overeen met het geschaalde
Naar boven
kader. Als het tekstkader bijvoorbeeld twee keer zo groot is geworden, wordt 200% weergegeven.
Het bijhouden van schaalwijzigingen aan kaders is nuttig als u een tekstkader moet herstellen en de tekst in het kader de oorspronkelijke grootte
moet geven. Het is bovendien handig om na te kunnen gaan hoeveel groter of kleiner een tekstkader is geworden. Als u de schaalwijzigingen van
tekstkaders en van de tekst in deze kaders wilt bijhouden, gaat u als volgt te werk:
1. Kies Bewerken > Voorkeuren > Algemeen (Windows) of InDesign > Voorkeuren > Algemeen (Mac OS).
2. Selecteer Schaalpercentage aanpassen en klik op OK.
Belangrijk:
De voorkeursinstelling Schaalpercentage aanpassen is van toepassing op kaders die na activering van de instelling worden
geschaald, en niet op bestaande kaders.
De voorkeursinstelling Schaalpercentage aanpassen is gekoppeld aan de tekst. De geschaalde tekengrootte blijft tussen
haakjes staan, zelfs als u de voorkeursinstelling Schaalpercentage aanpassen uitschakelt en de schaal van het kader
nogmaals wijzigt.
Als u de geschaalde tekengrootte wilt verwijderen uit het deelvenster Transformeren, kiest u Schalen opnieuw instellen op
100% in het deelvenster Transformeren. Als u deze optie kiest, verandert de vormgeving van het geschaalde kader niet.
Als u de tekst bewerkt of een kader binnen een reeks verbonden tekstkaders schaalt wanneer de voorkeursinstelling
Schaalpercentage aanpassen is ingeschakeld, wordt de tekst geschaald, zelfs wanneer de tekst naar een ander kader wordt
verplaatst. Als Toepassen op inhoud echter is ingeschakeld, wordt alle tekst die in een ander kader doorloopt als gevolg van
een bewerking, niet meer geschaald.
Tekst schuintrekken
1. Selecteer tekst.
2. Typ een numerieke waarde voor Schuintrekken in het deelvenster Teken. Met een positieve waarde trekt u tekst schuin
naar rechts en met een negatieve waarde naar links.
Als u een hoek toepast op tekst, genereert u echter geen zuiver cursieve tekens.
Meer Help-onderwerpen
Juridische kennisgevingen | Onlineprivacybeleid
Alinea's opmaken
Naar boven
Naar boven
Alinea-afstand aanpassen
Initialen gebruiken
Lijnen voor of na alinea's toevoegen
Manieren om alinea-einden te bepalen
Alinea-einden bepalen met de functie Opties bijeenhouden
Hangende leestekens maken
Op www.adobe.com/go/lrvid4276_id_nl vindt u een videodemo over het opmaken van alinea's.
Alinea-afstand aanpassen
U kunt de hoeveelheid ruimte tussen alinea's zelf bepalen. Als een alinea boven aan een kolom of kader begint, wordt in InDesign de waarde bij
Ruimte voor niet gerespecteerd. U kunt dan de regelafstand van de eerste regel van de alinea of de bovenste inzet van het tekstkader in InDesign
vergroten.
1. Selecteer tekst.
2. Wijzig in het deelvenster Alinea of in het regelpaneel de waarden voor Ruimte voor en Ruimte na .
Zorg voor een consistente opmaak door de alinea-afstand te wijzigen in de alineastijlen die u definieert.
Initialen gebruiken
U kunt initialen aan een of meer alinea's tegelijk toevoegen. De basislijn van initialen bevindt zich een of meer regels onder de basislijn van de
eerste regel van een alinea.
U kunt ook een tekenstijl maken die op initialen kan worden toegepast. U kunt bijvoorbeeld een grote hoofdletter (ook een verhoogde hoofdletter
genoemd) maken door een initiaal ter hoogte van de regel te maken en een tekenstijl toe te passen waarmee de eerste letter groter wordt
gemaakt.
Initiaal van één teken over drie regels (links) en initiaal van vijf tekens over twee regels (rechts)
Een initiaal maken
1. Selecteer het gereedschap Tekst en klik in de alinea waar u de initiaal wilt plaatsen.
2. Geef in het deelvenster Alinea of het regelpaneel bij Initiaal over aantal regels het aantal regels op dat door de initiaal
moet worden ingenomen.
3. Typ bij Initiaal van één of meer tekens het gewenste aantal initialen.
4. Om een tekenstijl op de initiaal toe te passen, kiest u Initialen en geneste stijlen in het menu van het deelvenster Alinea en
kiest u de tekenstijl die u hebt gemaakt.
Met het dialoogvenster Initialen en geneste stijlen kunt u de initiaal ook uitlijnen met de tekstrand, de ruimte links van de
initiaal verkleinen en aanpassingen maken bij initialen met staarten, zoals de “g” en de “y”. Als u voor extra effect de
initiaal wilt schuintrekken of de grootte of het lettertype ervan wilt wijzigen, selecteert u de letter(s) en wijzigt u de opmaak.
Een initiaal verwijderen
1. Selecteer het gereedschap Tekst en klik in de alinea met de initiaal.
2. Typ in het deelvenster Alinea of het regelpaneel een 0 voor Initiaal aantal regels of Initiaal van één of meer tekens.
Naar boven
Lijnen voor of na alinea's toevoegen
Lijnen zijn alineakenmerken die samen met de alinea worden verplaatst en van grootte veranderen. Als u in uw document een lijn in combinatie
met koppen gebruikt, kunt u de lijn opnemen in de definitie van een alineastijl. De breedte van de lijn wordt bepaald door de breedte van de
kolom.
De verschuiving voor een lijn boven een alinea wordt gemeten vanaf de basislijn van de bovenste tekstregel tot de onderzijde van de lijn. De
verschuiving voor een lijn onder een alinea wordt gemeten vanaf de basislijn van de laatste tekstregel tot de bovenzijde van de lijn.
Plaatsing van lijnen
A.Lijn boven alineaB.Lijn onder alinea
In Paragraph Rules Rule vindt u een videodemo van Michael Murphy over het maken van speciale effecten met behulp van alinealijnen.
In Creative Uses for Paragraph Rules in InDesign, Pt 1 vindt u een artikel van Creative Curio over de creatieve gebruiksmogelijkheden van
alinealijnen.
Een lijn boven of onder een alinea toevoegen
1. Selecteer tekst.
2. Kies Alinealijnen in het menu van het deelvenster Alinea of van het regelpaneel.
3. Selecteer boven in het dialoogvenster Alinealijnen de optie Lijn boven of Lijn onder.
4. Selecteer Lijn aan.
Opmerking: Als u zowel een lijn boven als onder wilt plaatsen, moet Lijn aan voor beide opties zijn geselecteerd.
5. Selecteer Voorvertoning om de lijn te bekijken.
6. Kies of typ bij Dikte een waarde om de dikte van de lijn te bepalen. Bij Lijn boven wordt met een hogere waarde de lijn naar
boven uitgebreid. Bij Lijn onder wordt met een hogere waarde de lijn naar beneden uitgebreid.
7. Selecteer Lijn overdrukken als de lijn bij het afdrukken geen onderliggende inkten mag bedekken.
8. Voer een of beide volgende handelingen uit:
Kies een kleur. U vindt de beschikbare kleuren in het deelvenster Stalen. Selecteer de optie Tekstkleur om de lijn dezelfde
kleur te geven als het eerste teken in de alinea voor Lijn boven en het laatste teken voor Lijn onder.
Kies een tint of geef een waarde voor de tint op. De tint wordt gebaseerd op de opgegeven kleur. Houd er rekening mee
dat u geen tinten kunt maken van de ingebouwde kleuren Geen, Papier, Registratie of Tekstkleur.
Als u een andere lijn dan een ononderbroken lijn opgeeft, wijzigt u de ruimte tussen streepjes, punten of lijnen door een
kleur of tint voor de tussenruimte te kiezen.
9. Kies de breedte van de lijn. U kunt Tekst kiezen (van de linkerrand van de tekst tot het regeleinde) of Kolom (van de
linkerrand tot de rechterrand van de kolom). Als de linkerrand van het kader een kolominzet heeft, begint de regel bij de inzet.
10. Typ een waarde bij Verschuiving om de verticale positie van de lijn te bepalen.
11. Selecteer In kader houden om er zeker van te zijn dat de lijn boven de tekst binnen het tekstkader blijft. Als u deze optie niet
selecteert, kan de lijn buiten het tekstkader vallen.
Selecteer In kader houden als u de alinealijn boven aan een bepaalde kolom wilt uitlijnen met de tekst boven aan de
aangrenzende kolom.
12. Stel inspringingen links en rechts in voor de lijn (niet voor tekst) door waarden in te voeren bij Links inspringen en Rechts
inspringen.
13. Selecteer Lijn overdrukken als de alinealijn over een andere kleur wordt afgedrukt en u verkeerde registratie wilt voorkomen.
Klik op OK.
Een alinealijn verwijderen
Naar boven
Naar boven
Naar boven
1. Klik met het gereedschap Tekst in de alinea met de alinealijn.
2. Kies Alinealijnen in het menu van het deelvenster Alinea of van het regelpaneel.
3. Deselecteer Lijn aan en klik op OK.
Manieren om alinea-einden te bepalen
U kunt weduwen en wezen vermijden. Dit zijn woorden of tekstregels die los zijn komen te staan van de overige regels in een alinea. Wezen
staan onder aan en weduwen staan boven aan een kolom of pagina. Een ander typografisch probleem om te vermijden is een koptekst die alleen
op een pagina staat, terwijl de bijbehorende alinea pas op de volgende pagina begint. Er zijn meerdere opties voor het oplossen van weduwen en
wezen, korte slotregels en andere problemen met alinea-einden:
verschijnt alleen als een woord wordt afgebroken. Hiermee wordt het algemene typografische probleem voorkomen van afgebroken woorden,
zoals “regel-gever”, midden in een regel nadat de tekst is doorgelopen. Op dezelfde manier kunt u ook een handmatig regeleinde toevoegen.
Niet afbrekenKies Niet afbreken in het menu van het deelvenster Teken als u wilt voorkomen dat de geselecteerde tekst wordt opgebroken in
twee regels.
Vaste spatiesPlaats een vaste spatie (Tekst > Spatie(s) invoegen > [vaste spatie]) tussen woorden die u bij elkaar wilt houden.
Opties bijeenhoudenKies Opties bijeenhouden in het menu van het deelvenster Alinea om op te geven hoeveel regels in de volgende alinea bij
de huidige alinea blijven.
Begin alineaMet de optie Begin alinea in het dialoogvenster Opties bijeenhouden kunt u een alinea (gewoonlijk een titel of koptekst) forceren om
boven aan een pagina, kolom of sectie te staan. Deze optie werkt vooral goed als onderdeel van een alineastijl voor kopteksten.
Instellingen voor woordafbrekingKies Woordafbreking in het menu van het deelvenster Alinea, als u de instellingen voor woordafbreking wilt
wijzigen.
Tekst bewerkenHet bewerken van tekst is mogelijk geen optie, afhankelijk van het type document waarmee u werkt. Als u tekst mag
herschrijven, krijgt u vaak een beter regeleinde door de tekst subtiel aan te passen.
Een andere composer gebruikenOver het algemeen gebruikt u Adobe Composer alinea om InDesign automatisch alinea's te laten
samenstellen. Als een alinea niet is samengesteld zoals u wilt, kiest u Adobe Composer enkele regel in het menu van het deelvenster Alinea of in
het menu van het regelpaneel, waarna u de geselecteerde regels individueel kunt aanpassen. Zie Tekstcompositie uitvoeren.
Alinea-einden bepalen met de functie Opties bijeenhouden
U kunt het aantal regels van de volgende alinea opgeven dat bij de huidige alinea moet blijven wanneer de alinea doorloopt in een ander kader.
Zo voorkomt u dat koppen los komen te staan van de bijbehorende tekst. InDesign kan alinea's markeren die ondanks uw instellingen soms toch
worden afgebroken.
Misschien wilt u de functie Opties bijeenhouden niet gebruiken als de kolommen in uw document niet dezelfde laatste basislijn hoeven te delen.
Als u alinea's wilt markeren waarin de instellingen van Opties bijeenhouden worden overtreden, kiest u Bewerken > Voorkeuren > Compositie
(Windows) of InDesign > Voorkeuren > Compositie (Mac OS). Selecteer Overtredingen bijeenhouden en klik op OK.
1. Selecteer de alinea of alinea's die u wilt beïnvloeden.
2. Kies Opties bijeenhouden in het menu van het deelvenster Alinea of van het regelpaneel. (U kunt de opties ook wijzigen
wanneer u een alineastijl maakt of bewerkt.)
3. Selecteer de gewenste opties en klik op OK:
Selecteer Bij vorige houden om de eerste regel van de huidige alinea bij de laatste regel van de voorgaande alinea te
houden.
Bij Houden bij volgende _ regels geeft u het aantal regels (maximaal vijf) van de volgende alinea op die aan de laatste
regel van de huidige alinea worden gekoppeld. Deze optie wordt vooral gebruikt om koppen bij de volgende paar regels te
houden, zodat de kop niet geïsoleerd in een kader komt te staan.
Selecteer Regels bij elkaar houden en Alle regels in alinea om de regels van een alinea bijeen te houden.
Selecteer achtereenvolgens Regels bij elkaar houden en Bij begin/einde van alinea en geef het gewenste aantal regels
voor het begin of einde van de alinea op om weduwen en wezen te voorkomen.
Kies voor Begin van alinea de optie waarmee de alinea naar de volgende kolom, het volgende kader of de volgende
pagina wordt verplaatst. Als Op willekeurige plaats is geselecteerd, wordt de beginpositie bepaald door de optie
Instellingen regels bijeenhouden. Als een andere optie is geselecteerd, wordt begonnen vanaf de desbetreffende positie.
Wanneer u alineastijlen voor koppen maakt, stelt u in het deelvenster Opties bijeenhouden in dat de koppen aan de volgende alinea worden
gekoppeld.
Hangende leestekens maken
Door leestekens en letters zoals de letter “W” kan de linker- of rechterrand van een kolom schijnbaar verkeerd worden uitgelijnd. Met Optische
uitlijning van marge wordt bepaald of leestekens (zoals punten, komma's, aanhalingstekens en streepjes) en randen van letters zoals de W en
de A buiten tekstmarges worden geplaatst, zodat de tekst lijkt te zijn uitgelijnd.
Vóór (links) en na (rechts) toepassing van optische uitlijning van marge
1. Selecteer een tekstkader of klik in het artikel.
2. Kies Tekst > Artikel.
3. Selecteer Optische uitlijning van marge.
4. Selecteer een tekengrootte om voor de tekstgrootte in het artikel het gedeelte te definiëren dat buiten de marge wordt
geplaatst. Houd voor een optimaal resultaat de grootte van de tekst aan.
Als u Optische uitlijning van marge wilt uitschakelen voor een individuele alinea, kiest u Optische marge negeren in het menu van het
deelvenster Alinea of in het menu van het regelpaneel.
Meer Help-onderwerpen
Juridische kennisgevingen | Onlineprivacybeleid
Spatiëring en reeksspatiëring
Naar boven
Over spatiëring en reeksspatiëring
Spatiëring toepassen op tekst
Spatiëring tussen woorden aanpassen
Over spatiëring en reeksspatiëring
Spatiëring is het proces waarbij ruimte wordt toegevoegd aan bepaalde tekencombinaties of daaruit wordt verwijderd. Reeksspatiëring is het
proces waarbij een blok tekst losser of compacter wordt gemaakt.
Soorten spatiëring
U kunt tekst automatisch spatiëren met metrische of optische spatiëring. Metrische spatiëring maakt gebruik van spatiëringsparen, die in de
meeste lettertypen beschikbaar zijn. Deze spatiëringsparen bevatten gegevens over de ruimte tussen bepaalde letterparen. Enkele voorbeelden
zijn: LA, P., To, Tr, Ta, Tu, Te, Ty, Wa, WA, We, Wo, Ya en Yo.
InDesign maakt standaard gebruik van metrische tekenspatiëring, zodat bij het importeren of typen van tekst bepaalde paren automatisch van
spatiëring worden voorzien. Als u metrische spatiëring wilt uitschakelen, selecteert u "0".
Bij optische spatiëring wordt de ruimte tussen aangrenzende tekens op basis van hun vorm aangepast. Sommige lettertypen bevatten duidelijke
specificaties van spatiëringsparen. Als een lettertype echter vrijwel geen ingebouwde spatiëring kent of als u twee verschillende lettertypen of
tekengrootten gebruikt in een of meer woorden, kiest u waarschijnlijk de optie Optische spatiëring.
Vóór gebruik van optische spatiëring voor het paar "W" en "a" (boven) en erna (onder)
Ook kunt u handmatige spatiëring gebruiken. Dit is een ideale methode voor het aanpassen van de ruimte tussen twee tekens. Reeksspatiëring en
handmatige spatiëring zijn cumulatief, dus u kunt eerst enkele letterparen aanpassen en dan een blok tekst compacter of losser maken, zonder de
relatieve spatiëring van de paren te beïnvloeden.
Spatiëring tussen woorden is niet hetzelfde als de optie Woordspatiëring in het venster Uitvulling. Bij spatiëring tussen woorden wordt alleen de
spatiëringswaarde tussen het eerste teken van een woord en de ruimte vóór dat teken gewijzigd.
Spatiëring en reeksspatiëring
A. OrigineelB.Spatiëring toegepast tussen "W" en "a"C.Reeksspatiëring toegepast
De wijze waarop spatiëring en reeksspatiëring worden gemeten
U kunt geselecteerde tekst voorzien van spatiëring, reeksspatiëring of beide. Reeksspatiëring en spatiëring worden gemeten per 1/1000 em, een
maateenheid die door de actieve tekstgrootte wordt bepaald. In een 6-punts lettertype staat 1 em gelijk aan 6 punten en in een 10-punts lettertype
aan 10 punten. Spatiëring en reeksspatiëring zijn proportioneel ten opzichte van de huidige tekstgrootte.
Reeksspatiëring en handmatige spatiëring zijn cumulatief, dus u kunt eerst enkele letterparen aanpassen en dan een blok tekst compacter of
Naar boven
Naar boven
losser maken, zonder de relatieve spatiëring van de paren te beïnvloeden.
Als u klikt om de invoegpositie tussen twee letters te plaatsen, worden de waarden voor spatiëring in het regelpaneel of het deelvenster Teken van
InDesign weergegeven. De waarden voor metrische en optische spatiëring (of gedefinieerde spatiëringsparen) staan tussen haakjes. Als u een
woord of stuk tekst selecteert, worden de waarden voor reeksspatiëring in het deelvenster Teken en het regelpaneel van InDesign weergegeven.
Spatiëring toepassen op tekst
U kunt een van beide typen automatische spatiëring toepassen (metrische en optische spatiëring) of u kunt de spatiëring tussen tekens handmatig
instellen.
Metrische spatiëring gebruiken
1. Stel de invoegpositie in tussen de tekens die u paarsgewijs wilt spatiëren, of selecteer tekst.
2. Selecteer de optie Metrisch in het menu Spatiëring van het deelvenster Teken of het regelpaneel.
Als u de ingebouwde spatiëringsgegevens van een lettertype niet wilt gebruiken voor geselecteerde tekst, kiest u "0" in het menu Spatiëring .
Optische spatiëring gebruiken
1. Stel de invoegpositie in tussen de tekens die u paarsgewijs wilt spatiëren, of selecteer de tekst die u wilt spatiëren.
2. Selecteer de optie Optisch in het menu Spatiëring van het deelvenster Teken of het regelpaneel.
Spatiëring handmatig aanpassen
1. Klik met het gereedschap Tekst om de invoegpositie tussen twee tekens te plaatsen.
Opmerking: Als u een tekstbereik hebt geselecteerd, kunt u de spatiëring niet handmatig aanpassen (u kunt alleen Metrisch,
Optisch of 0 kiezen). Gebruik in dat geval reeksspatiëring.
2. Ga als volgt te werk:
Typ of selecteer een numerieke waarde in het menu Spatiëring in het deelvenster Teken of het regelpaneel.
Druk op Alt+Pijl-omhoog/Pijl-omlaag (Windows) of Option+Pijl-omhoog/Pijl-omlaag (Mac OS) om de spatiëring tussen
twee tekens te verkleinen of te vergroten.
De mate van de aanpassing van de woordspatiëring is hetzelfde als de waarde Spatiëring in het dialoogvenster Voorkeuren > Eenheden en
toenamen. Wanneer u op de sneltoets drukt terwijl u Ctrl of Command ingedrukt houdt, is de hoeveelheid spatiëring gelijk aan de waarde van de
spatiëringsvoorkeuren vermenigvuldigd met 5.
Standaardtoename voor spatiëring wijzigen
Typ een nieuwe waarde voor de optie Spatiëring in het gedeelte Eenheden en toenamen van het dialoogvenster Voorkeuren en klik op OK.
Spatiëring voor geselecteerde tekst uitschakelen
1. Selecteer tekst.
2. Typ of kies 0 in het menu Spatiëring van het deelvenster Teken of het regelpaneel.
U kunt ook op Alt+Ctrl+Q (Windows) of Option+Command+Q (Mac OS) drukken om de waarden voor spatiëring en reeksspatiëring opnieuw in te
stellen. Automatisch wordt dan de optie Metrisch geactiveerd, ongeacht de optie die u eerder hebt toegepast.
Reeksspatiëring aanpassen
1. Selecteer een tekenbereik.
2. Typ of selecteer in het deelvenster Teken of het regelpaneel een numerieke waarde voor Reeksspatiëring .
Tekst markeren die aangepaste spatiëring of reeksspatiëring bevat
In bepaalde gevallen is het wenselijk dat u weet wanneer aangepaste reeksspatiëring is toegepast op tekst. Als u de voorkeurenoptie Aangepaste
reeksspatiëring/spatiëring selecteert, wordt tekst met aangepaste reeksspatiëring of spatiëring groen gemarkeerd.
1. Kies Bewerken > Voorkeuren > Compositie (Windows) of InDesign > Voorkeuren > Compositie (Mac OS).
2. Selecteer Aangepaste reeksspatiëring/spatiëring en klik op OK.
Spatiëring tussen woorden aanpassen
Selecteer met Tekst een tekstbereik en voer een van de volgende handelingen uit:
Als u meer ruimte wilt invoegen tussen geselecteerde woorden, drukt u op Alt+Ctrl+\ (Windows) of Option+Command+\
(Mac OS).
Als u ruimte tussen geselecteerde woorden wilt verwijderen, drukt u op Alt+Ctrl+Backspace (Windows) of
Option+Command+Delete (Mac OS).
Als u de spatiëring in stappen van 5 aan wilt passen, houdt u Shift ingedrukt als u op de sneltoets drukt.
Meer Help-onderwerpen
Juridische kennisgevingen | Onlineprivacybeleid
Regelafstand
Naar boven
Naar boven
Over regelafstand
De regelafstand wijzigen
Over regelafstand
De verticale ruimte tussen regels tekst wordt de regelafstand genoemd. De regelafstand wordt gemeten vanaf de basislijn van een regel tekst tot
de basislijn van de regel erboven. De basislijn is de onzichtbare lijn waarop de meeste letters (de letters zonder staart) worden geplaatst.
Met de standaardoptie voor automatische regelafstand wordt de regelafstand ingesteld op 120% van de tekstgrootte (dus bijvoorbeeld 12-punts
regelafstand voor 10-punts tekst). Als de automatische regelafstand is geactiveerd, wordt de bijbehorende waarde in InDesign tussen haakjes
weergegeven in het menu Regelafstand van het deelvenster Teken.
Regelafstand
A. RegelafstandB. TeksthoogteC.Als één woord een grotere tekstgrootte heeft, wordt de regelafstand voor de desbetreffende regel
vergroot.
De regelafstand wijzigen
Standaard is regelafstand een tekenkenmerk, wat betekent dat u binnen dezelfde alinea meerdere waarden voor regelafstand kunt toepassen. De
grootste waarde voor regelafstand binnen een regel tekst bepaalt de regelafstand voor die regel. Via de voorkeurenopties kunt u echter een
regelafstand op een volledige alinea toepassen in plaats van op de bijbehorende tekst. Deze instelling heeft geen gevolgen voor de regelafstand in
bestaande kaders.
De regelafstand van geselecteerde tekst wijzigen
1. Selecteer de tekst die u wilt wijzigen.
2. Ga als volgt te werk:
Kies de gewenste regelafstand in het menu Regelafstand van het regelpaneel of het deelvenster Teken.
Selecteer de huidige regelafstand en typ een andere waarde.
Wijzig tijdens het maken van een alineastijl de regelafstand in het deelvenster Standaardtekenopmaak.
Als InDesign de gewijzigde regelafstand negeert, is Verticaal uitvullen of Uitlijnen op basislijnraster mogelijk geselecteerd. Kies Object > Opties
tekstkader, stel Verticaal uitvullen in op Boven en selecteer Niet uitlijnen op basislijnraster in het deelvenster Alinea, het regelpaneel of de
alineastijl.
Ook kunt u de verticale ruimte aanpassen door tekst op het basislijnraster uit te lijnen. Wanneer het basislijnraster is ingesteld, heeft de waarde
voor het basislijnraster voorrang op de waarde voor de regelafstand.
Het standaardpercentage voor de regelafstand wijzigen
1. Selecteer de alinea's die u wilt wijzigen.
2. Kies Uitvulling in het menu van het deelvenster Alinea of in het menu van het regelpaneel.
3. Geef een nieuw percentage op voor automatische regelafstand. De minimumwaarde is 0% en de maximumwaarde is 500%.
Regelafstanden toepassen op hele alinea's
1. Kies Bewerken > Voorkeuren > Tekst (Windows) of InDesign > Voorkeuren > Tekst (Mac OS).
2. Selecteer Regelafstand op gehele alinea's toepassen en klik op OK.
Opmerking: Als u een regelafstand via een tekenstijl toepast op tekst, geldt de regelafstand alleen voor de tekst waarop de stijl is toegepast en
niet voor de gehele alinea, ongeacht de vraag of u de optie Regelafstand op gehele alinea's toepassen hebt geselecteerd.
Juridische kennisgevingen | Onlineprivacybeleid
Lettertypen gebruiken
Naar boven
Naar boven
Lettertypen
Lettertypen installeren
Een lettertype toepassen op tekst
Een tekengrootte opgeven
Lettertype-voorvertoning
OpenType-lettertypen
OpenType-lettertypen installeren
Kenmerken voor OpenType-lettertypen toepassen
Werken met ontbrekende lettertypen
Met documenten geïnstalleerde lettertypen
Multiple Master-lettertypen
Lettertypen
Een lettertype is een volledige set tekens (letters, cijfers en symbolen) met een gemeenschappelijke dikte, breedte en stijl, zoals 10-punts Adobe
Garamond Bold.
Lettertypesoorten (ook letterfamilies of lettertypefamilies genaamd) zijn lettertypeverzamelingen met een vergelijkbare weergave die in combinatie
met elkaar worden gebruikt, zoals Adobe Garamond.
Een lettertypestijl is een variatie op een bepaald lettertype in een lettertypefamilie. Meestal is in een lettertypefamilie Roman of Onbewerkt (de
namen variëren per familie) het basislettertype, dat lettertypestijlen als standaard, vet, cursief en vetcursief kan omvatten.
Lettertypen installeren
Als u InDesign of Adobe Creative Suite installeert, worden lettertypen automatisch in de systeemmap voor lettertypen geïnstalleerd.
Windows: In Windows bevinden de lettertypen zich in de map “\Windows\Fonts”. Bijvoorbeeld: c:\Windows\Fonts\
Mac OS: In Mac bevinden de lettertypen zich in de map “/Library/Fonts”.
Zie de documentatie van het systeem of van het lettertypebeheer voor het installeren en activeren van lettertypen die in alle toepassingen kunnen
worden gebruikt.
U maakt lettertypen beschikbaar in InDesign door de lettertypebestanden te kopiëren naar de map Lettertypen in de toepassingsmap InDesign op
de vaste schijf. Lettertypen in deze map zijn echter uitsluitend beschikbaar voor InDesign.
Als twee of meer lettertypen actief zijn in InDesign en dezelfde familienaam gebruiken maar verschillende Adobe PostScript-namen hebben, zijn de
lettertypen in InDesign beschikbaar. Dubbele lettertypen staan in de menu's met tussen haakjes de afkorting van de lettertypetechnologie. Het
lettertype Helvetica TrueType bijvoorbeeld wordt vermeld als “Helvetica (TT)”, Helvetica PostScript Type 1 als “Helvetica (T1)” en Helvetica
OpenType als “Helvetica (OTF)”. Als twee lettertypen dezelfde PostScript-naam hebben en in de naam van een van deze lettertypen .dfont staat,
wordt het andere lettertype gebruikt.
Adobe raadt aanWilt u een zelfstudie met anderen
delen?
Installatie-
instructies
voor
lettertypen
(Engelstali
g)
Adobe-lettertypen
Leer hoe u lettertypen op uw
computer installeert. Voor de
meeste versies van Windows
en Mac OS zijn instructies
beschikbaar.
Naar boven
Naar boven
Naar boven
Naar boven
Een lettertype toepassen op tekst
Als u een lettertype opgeeft, kunt u de lettertypefamilie en de lettertypestijl onafhankelijk van elkaar selecteren. Als u naar een andere
lettertypefamilie overschakelt, probeert InDesign de huidige stijl te benaderen met een stijl uit de nieuwe lettertypefamilie. Als u van Arial naar
Times overstapt, wordt bijvoorbeeld Arial Bold gewijzigd in Times Bold.
Wanneer u tekst vet of cursief maakt, wordt de door het lettertype bepaalde lettertypestijl toegepast in InDesign. Meestal wordt de specifieke
versie van vet of cursief toegepast volgens de regels. Het is echter mogelijk dat door bepaalde lettertypen een variatie van vet of cursief wordt
toegepast die niet exact vet of cursief heet. In sommige lettertypeontwerpen is bijvoorbeeld vastgelegd dat, als u een lettertype vet maakt, de
halfvette variant wordt gebruikt.
1. Selecteer de tekst die u wilt wijzigen.
2. Ga als volgt te werk:
Selecteer in het regelpaneel of in het deelvenster Teken een lettertype in het menu Lettertypefamilie of een stijl in het
menu Lettertypestijl. (In Mac OS kunt u lettertypestijlen in de submenu's van Lettertypefamilie selecteren.)
Klik in het regelpaneel of in het deelvenster Teken vóór de naam van de lettertypefamilie of lettertypestijl (of dubbelklik op
het eerste woord ervan) en typ de eerste tekens van de gewenste naam. Terwijl u typt, worden in InDesign de namen van
lettertypefamilies of lettertypestijlen weergegeven die overeenkomen met wat u hebt getypt.
Kies het menu Tekst > Lettertype en selecteer een lettertype. Als u dit menu gebruikt, kiest u dus zowel een
lettertypefamilie als een tekenstijl.
Een tekengrootte opgeven
Standaard wordt de tekengrootte gemeten in punten (een punt is gelijk aan 0,35 cm). U kunt een tekengrootte tussen 0,1 en 1296 punten
opgeven, in stappen van 0,001 punt.
Opmerking: In Fireworks wordt de tekengrootte standaard gemeten in pixels.
1. Selecteer de tekens of tekstobjecten die u wilt wijzigen. Als u geen tekst selecteert, wordt de tekengrootte toegepast op
nieuwe tekst.
2. Voer een van de volgende handelingen uit:
Stel in het deelvenster Teken of de bedieningsbalk de optie Tekengrootte in.
Kies een grootte in het menu Tekst > Grootte. Als u Overige kiest, kunt u in het deelvenster Teken een nieuwe grootte
opgeven.
U kunt de maateenheid voor tekst wijzigen in het dialoogvenster Voorkeuren. Deze optie is niet beschikbaar in
Fireworks.
Lettertype-voorvertoning
U kunt voorbeelden van een lettertype weergeven in de lettertype- en letterstijlmenu's in het deelvenster Teken en in andere gebieden in het
programma waarin u lettertypen kunt kiezen. De volgende pictogrammen worden gebruikt om verschillende soorten lettertypen aan te geven:
OpenType
Type 1
TrueType
Multiple Master
Samengesteld
U kunt de voorvertoningsfunctie uitschakelen of de puntgrootte van de lettertypenamen of -voorbeelden wijzigen in de
tekstvoorkeuren.
OpenType-lettertypen
OpenType-lettertypen gebruiken één lettertypebestand voor zowel Windows®- als Macintosh®-computers, zodat u bestanden van het ene
platform naar het andere kunt verplaatsen zonder dat u zich zorgen hoeft te maken over lettertypesubstitutie en andere problemen die ervoor
zorgen dat tekst niet goed doorloopt. OpenType-lettertypen kunnen een aantal functies bevatten, zoals golven en handmatige ligaturen, die niet
beschikbaar zijn in de huidige PostScript- en TrueType-lettertypen.
Bij OpenType-lettertypen wordt het pictogram weergegeven.
Als u met een OpenType-lettertype werkt, kunt u alternatieve glyphs in uw tekst automatisch vervangen. Denk bijvoorbeeld aan ligaturen,
Naar boven
Naar boven
kleinkapitalen, breuken en ouderwetse proportionele cijfers.
Standaard- (links) en OpenType-lettertypen (rechts)
A. RangtelwoordenB.Handmatige ligaturenC. Golven
OpenType-lettertypen kunnen over een uitgebreide tekenset en lay-outfuncties beschikken om meer taalkundige ondersteuning en geavanceerde
typografische controle te kunnen bieden. OpenType-lettertypen van Adobe die met ondersteuning voor Centraal-Europese talen (CE) worden
geleverd, hebben het woord “Pro” als een deel van hun lettertypenaam in toepassingslettertypemenu's. OpenType-lettertypen die geen
ondersteuning voor Centraal-Europese talen bevatten, worden aangeduid met “Standaard”en hebben een “Std”-achtervoegsel. Alle OpenType-
lettertypen kunnen naast PostScript Type 1- en TrueType-lettertypen worden geïnstalleerd en gebruikt.
Als u meer informatie wilt hebben over OpenType-flettertypen, raadpleegt u www.adobe.com/go/opentype_nl.
OpenType-lettertypen installeren
InDesign bevat lettertypen uit diverse OpenType-families, waaronder Adobe Garamond Pro, Adobe Caslon Pro, Trajan Pro, Caflisch Script Pro,
Myriad Pro, Lithos en Adobe Jenson Pro.
OpenType-lettertypen worden automatisch geïnstalleerd wanneer u InDesign of Adobe Creative Suite 4 installeert. Er staan extra OpenType-
lettertypen in de map Adobe Fonts in de map Extra's op de dvd van de toepassing. Voor informatie over het installeren en gebruiken van
OpenType-lettertypen bladert u door de dvd van de toepassing of gaat u naar de Adobe-website.
Kenmerken voor OpenType-lettertypen toepassen
Met het deelvenster Teken of het regelpaneel kunt u kenmerken van OpenType-lettertypen (zoals breuken en sierletters) op tekst toepassen.
Voor meer informatie over OpenType-lettertypen gaat u naar www.adobe.com/go/opentype_nl.
Kenmerken voor OpenType-lettertypen toepassen
1. Selecteer tekst.
2. Zorg dat een OpenType-lettertype is geselecteerd in het regelpaneel of het deelvenster Teken.
3. Kies OpenType in het menu van het deelvenster Teken en selecteer een OpenType-kenmerk, zoals Handmatige ligaturen of
Breuken.
Functies die niet worden ondersteund in het huidige lettertype, worden weergegeven tussen vierkante haakjes, zoals [Sierletter].
Bij het definiëren van een alinea- of tekenstijl kunt u ook de kenmerken van een OpenType-lettertype selecteren. Gebruik hiervoor het gedeelte
OpenType-functies links in het dialoogvenster Stijlopties.
Kenmerken van OpenType-lettertypen
Wanneer u een OpenType-lettertype gebruikt, kunt u specifieke OpenType-kenmerken selecteren in het menu van het regelpaneel of in het
deelvenster Teken wanneer u tekst opmaakt of stijlen definieert.
Opmerking: In OpenType-lettertypen kunnen grote verschillen voorkomen in het aantal beschikbare tekststijlen en functies. Als een OpenType-
functie niet beschikbaar is, staat deze tussen vierkante haakjes (bijvoorbeeld [Sierletter]) in het menu van het regelpaneel.
Handmatige ligaturenEen lettertypeontwerp kan optionele ligaturen bevatten die u niet altijd moet inschakelen. Als u deze optie selecteert,
kunnen deze extra optionele ligaturen worden gebruikt, mits ze aanwezig zijn. Zie Ligaturen toepassen op letterparen voor meer informatie over
ligaturen.
BreukenGetallen die door een schuine streep van elkaar worden gescheiden (zoals 1/2), worden omgezet naar een breuk, op voorwaarde dat
breuken beschikbaar zijn.
RangtelwoordRangtelwoorden als 1e en 2e worden opgemaakt met de letters in superscript (1en 2), op voorwaarde dat rangtelwoorden
beschikbaar zijn. Letters zoals de a en o in de Spaanse woorden segunda (2) en segundo (2) worden eveneens correct opgemaakt.
SierletterIndien beschikbaar kunt u werken met standaardsierletters en contextafhankelijke sierletters, die alternatieve kapitalen en einde-woord-
alternatieven kunnen bevatten.
Alternatieven titelformaatIndien beschikbaar worden tekens geactiveerd die voor titels in hoofdletters worden gebruikt. Als u deze optie in
bepaalde lettertypen gebruikt voor tekst die zowel in hoofdletters als kleine letters is opgemaakt, kan dat tot ongewenste resultaten leiden.
Context-afhankelijke alternatievenIndien beschikbaar worden context-afhankelijke ligaturen en bijbehorende alternatieven geactiveerd. In
e e
ao
Naar boven
bepaalde scriptlettertypen worden alternatieve tekens opgenomen waarmee letters beter aan elkaar kunnen worden geschreven. Zo kan het
letterpaar “bl” in het woord “bloem” worden samengevoegd, zodat het woord handgeschreven lijkt. Deze optie is standaard geselecteerd.
Alles in kleinkapitaalAls u deze optie selecteert voor lettertypen met echte kleinkapitalen, worden alle tekens in kleinkapitalen omgezet. Zie Het
hoofdlettergebruik van tekst wijzigen voor meer informatie.
Nul met schuine streepAls u deze optie selecteert, wordt het cijfer 0 weergegeven met een schuine streep erdoor. In bepaalde lettertypen
(vooral versmalde lettertypen), kan het moeilijk zijn om het cijfer 0 te onderscheiden van de hoofdletter O.
Stilistische setsBepaalde OpenType-lettertypen bevatten alternatieve glyph-sets die zijn ontworpen voor het esthetische effect. Een stilistische
set is een groep met glyph-alternatieven die kan worden toegepast op afzonderlijke tekens of op een tekstbereik. Als u een andere stilistische set
selecteert, worden de glyphs gebruikt die in de set zijn gedefinieerd, in plaats van de standaard-glyphs. Als een glyph-teken in een stilistische set
wordt gebruikt in combinatie met een andere OpenType-instelling, wordt de glyph uit de set vervangen door de glyph met de afzonderlijke
instelling. U kunt de glyphs voor elke set zien in het deelvenster Glyphs.
Positionele vormenIn sommige cursieve scripts en in talen zoals het Arabisch, is de vorm van een teken soms afhankelijk van de positie in een
woord. Het teken is anders van vorm aan het begin van een woord (eerste positie), in het midden (middenpositie) of aan het einde van een woord
(laatste positie). Het teken kan bovendien een andere vorm krijgen als het alleen voorkomt (geïsoleerde positie). Selecteer een teken en kies een
optie voor Positionele vormen om het de juiste opmaak te geven. Met de optie Algemene vorm wordt het algemene teken ingevoegd. Met de optie
Automatische vorm wordt een tekenvorm ingevoegd die is gebaseerd op de positie van het teken binnen een woord en op het feit of het teken in
isolatie voorkomt.
Superscript/Superior en Subscript/InferiorSommige OpenType-lettertypen bevatten verhoogde of verlaagde glyphs waarvan het formaat op
basis van dat van omringende tekens wordt aangepast. Als een OpenType-lettertype deze glyphs voor niet-standaardbreuken niet bevat, kunt u
wellicht beter de kenmerken Teller en Noemer gebruiken.
Teller en noemerSommige OpenType-lettertypen zetten alleen basisbreuken (zoals 1/2 of 1/4) om en niet de niet-standaardbreuken (zoals 4/13
of 99/100) naar breukglyphs. Pas in dergelijke gevallen de kenmerken Teller en Noemer op deze niet-standaardbreuken toe.
Tabellarische uitlijningCijfers met volledige hoogte en identieke breedte zijn beschikbaar. Deze optie komt van pas als getallen op regels
moeten worden uitgelijnd, zoals in tabellen.
Proportioneel klassiekCijfers met variërende hoogte en variërende breedte zijn beschikbaar. Deze optie is bedoeld voor een klassiek, stijlvol
uiterlijk bij tekst waarin niet alleen kapitalen worden gebruikt.
Proportionele uitlijningCijfers met volledige hoogte en variërende breedte zijn beschikbaar. Deze optie is bedoeld voor tekst waarin alleen
kapitalen worden gebruikt.
Tabellarisch klassiekCijfers met variërende hoogte en vaste, identieke breedte zijn beschikbaar. Deze optie is geschikt wanneer u het
traditionele uiterlijk van klassieke cijfers wilt en u deze in kolommen moet uitlijnen voor bijvoorbeeld een jaarverslag.
StandaardcijferstijlVoor cijferglyphs wordt de standaardcijferstijl voor het huidige lettertype gebruikt.
Werken met ontbrekende lettertypen
Als u documenten opent of plaatst met lettertypen die niet op uw computer zijn geïnstalleerd, verschijnt er een waarschuwingsbericht over de
ontbrekende lettertypen. Wanneer u tekst met een ontbrekend lettertype selecteert, wordt in het regelpaneel of in het deelvenster Teken
aangegeven dat dit lettertype ontbreekt door het lettertype tussen haakjes in het pop-upmenu voor lettertypestijlen weer te geven.
InDesign vervangt ontbrekende lettertypen door een beschikbaar lettertype. U kunt dan de tekst selecteren en een ander beschikbaar lettertype
toepassen. Ontbrekende lettertypen die door andere lettertypen zijn vervangen, staan boven aan het menu Tekst > Lettertype in het gedeelte
"Ontbrekende lettertypen". Standaard wordt tekst die met ontbrekende lettertypen is opgemaakt, roze gemarkeerd.
Als u een TrueType-lettertype hebt geïnstalleerd en het document bevat een Type 1-versie (T1) van hetzelfde lettertype, wordt aangegeven dat
het lettertype ontbreekt.
Kies Tekst > Lettertype zoeken als u de ontbrekende lettertypen wilt zoeken en wijzigen. Als een ontbrekend lettertype onderdeel vormt van een
stijl, kunt u het lettertype in die stijl bijwerken door de stijldefinitie van het lettertype te wijzigen.
Ontbrekende lettertypen beschikbaar maken
Ga als volgt te werk:
Installeer de ontbrekende lettertypen op uw systeem.
Plaats de ontbrekende lettertypen in de map Lettertypen in de toepassingsmap van InDesign. Lettertypen in deze map zijn
uitsluitend voor InDesign beschikbaar. Zie Lettertypen installeren.
Activeer de ontbrekende lettertypen met een programma voor lettertypebeheer.
Als u geen toegang hebt tot ontbrekende lettertypen, gebruikt u de opdracht Lettertype zoeken voor het opzoeken en vervangen van
ontbrekende lettertypen.
Vervangen lettertypen in uw document markeren
Als de voorkeurenoptie Markeren > Vervangen lettertypen is geselecteerd, wordt de tekst die is opgemaakt met ontbrekende lettertypen,
weergegeven met een roze markering zodat u deze tekst eenvoudig kunt herkennen.
1. Kies Bewerken > Voorkeuren > Compositie (Windows®) of InDesign > Voorkeuren > Compositie (Mac OS®).
2. Selecteer Vervangen lettertypen en klik op OK.
Naar boven
Naar boven
Met documenten geïnstalleerde lettertypen
Lettertypen in een map Document Fonts op dezelfde locatie als een InDesign-document worden tijdelijk geïnstalleerd wanneer het document wordt
geopend. Kies de opdracht Pakket om een map Document Fonts te genereren als u uw document wilt delen of naar een andere computer wilt
verplaatsen.
De lettertypen in de map Document Fonts zijn niet hetzelfde als de lettertypen die beschikbaar zijn op de standaardlettertypelocaties van het
besturingssysteem. Met documenten geïnstalleerde lettertypen worden geïnstalleerd als het document wordt geopend en krijgen voorrang op
lettertypen met dezelfde PostScript-naam. Ze krijgen echter alleen voorrang op lettertypen in het document. Door een document geïnstalleerde
lettertypen zijn niet beschikbaar voor andere documenten. Wanneer u het document sluit, worden de voor dat document geïnstalleerde lettertypen
verwijderd. Met documenten geïnstalleerde lettertypen staan in een submenu van het menu Lettertype.
Somminge Type1-lettertypen zijn niet beschikbaar in het document. Bovendien zijn sommige Mac OS-lettertypen niet beschikbaar wanneer u
InDesign in Windows gebruikt.
Op http://tv.adobe.com/go/4955/nl vindt u een video over het gebruik van met documenten geïnstalleerde lettertypen.
Multiple Master-lettertypen
Multiple Master-lettertypen zijn aanpasbare Type 1-lettertypen waarvan de tekenkenmerken worden beschreven middels variabele
ontwerpkenmerken, zoals dikte, breedte, stijl en optisch formaat.
Sommige Multiple Master-lettertypen bevatten een optisch-formaatas, waarmee u lettertypen kunt gebruiken die zijn ontworpen voor optimale
leesbaarheid bij een bepaald formaat. Meestal omvat het ontwerp van een optisch formaat voor een kleiner lettertype (zoals 10-punts) zwaardere
schreven en stokken, bredere tekens, minder contrast tussen dikke en dunne lijnen, een grotere x-hoogte en lossere spatiëring dan voor een
lettertype van bijvoorbeeld 72 punten.
1. Kies Bewerken > Voorkeuren > Tekst (Windows) of InDesign > Voorkeuren > Tekst (Mac OS).
2. Selecteer de optie voor het automatisch gebruiken van het correcte optische formaat en klik op OK.
Meer Help-onderwerpen
Juridische kennisgevingen | Onlineprivacybeleid
Tekst uitlijnen
Naar boven
Naar boven
Tekst uitlijnen of uitvullen
Alinea's op een basislijnraster uitlijnen
Een uitgebalanceerde titeltekst maken
Alinea's maken die zich uitstrekken over meerdere kolommen of die kolommen splitsen
Tekst uitlijnen of verticaal in een tekstkader uitvullen
Tekst uitlijnen of uitvullen
Tekst kan aan één rand of aan beide randen (of inzetten) van een tekstkader worden uitgelijnd. Tekst is uitgevuld als de tekst aan beide randen is
uitgelijnd. U kunt alle tekst in een alinea uitvullen met uitzondering van de laatste regel (Links uitvullen of Rechts uitvullen) en met inbegrip van de
laatste regel (Alle regels uitvullen). Als de laatste regel slechts weinig tekens bevat, kunt u een speciaal teken voor het einde van het artikel
gebruiken en een uitlijnspatie maken.
Links uitvullen (links) en Alle regels uitvullen (rechts)
Opmerking: Als u alle tekstregels uitvult en u Adobe Composer alinea gebruikt, wordt tekst doorgeschoven, zodat de tekst overal in de alinea
even dicht op elkaar staat en een aantrekkelijke vormgeving krijgt. U kunt de spatiëring in uitgevulde tekst nauwkeurig instellen.
1. Selecteer tekst.
2. Klik op een van de knoppen voor Uitlijning (Links uitlijnen, Centreren, Rechts uitlijnen, Links uitvullen, In midden uitvullen,
Rechts uitvullen en Volledig uitvullen) in het deelvenster Alinea of het regelpaneel.
3. (Optioneel) Klik op Uitlijnen naar rug of Uitlijnen weg van rug.
Wanneer u de optie Uitlijnen naar rug toepast op een alinea, wordt de tekst op de linkerpagina rechts uitgelijnd, maar als
dezelfde tekst doorloopt (of als het kader wordt verplaatst) naar een rechterpagina, wordt de tekst links uitgelijnd. Wanneer u
op vergelijkbare wijze de optie Uitlijnen weg van rug toepast op een alinea, wordt de tekst op de linkerpagina links uitgelijnd,
terwijl de tekst op de rechterpagina rechts wordt uitgelijnd.
Als u de linkerzijde van een tekstregel links wilt uitlijnen en de rechterzijde rechts, plaatst u de invoegpositie op de plaats waar u de tekst
rechts wilt uitlijnen. Druk op Tab en lijn de rest van de regel rechts uit.
Alinea's op een basislijnraster uitlijnen
Het basislijnraster staat voor de regelafstand voor platte tekst in een document. U kunt voor alle elementen van de pagina veelvouden van deze
regelafstand gebruiken, zodat tekst altijd correct wordt uitgelijnd tussen kolommen en van pagina tot pagina. Als u voor de platte tekst in een
document bijvoorbeeld een 12-punts regelafstand gebruikt, kunt u voor de koptekst een 18-punts regelafstand instellen en 6 punten ruimte
toevoegen voor de alinea's die op de koppen volgen.
Met een basislijnraster krijgt u consistentie in de locaties van tekstelementen op een pagina. U kunt de regelafstand voor de alinea aanpassen,
zodat de basislijnen ervan worden uitgelijnd op het onderliggende raster van de pagina. Dit komt van pas als u de basislijnen van tekst in
meerdere kolommen of aangrenzende tekstkaders wilt uitlijnen. Wijzig instellingen voor het basislijnraster met het deelvenster Rasters van het
dialoogvenster Voorkeuren.
U kunt ook alleen de eerste regel van een alinea op het basislijnraster uitlijnen en de andere regels volgens de opgegeven waarde van de
regelafstand uitlijnen.
Als u het basislijnraster wilt weergeven, klikt u op Weergave > Rasters en hulplijnen > Basislijnraster tonen.
Opmerking: Het basislijnraster is alleen zichtbaar als het zoomniveau van het document groter is dan de ingestelde weergavedrempel in de
rastervoorkeuren. U moet misschien inzoomen om het basislijnraster te kunnen zien.
Naar boven
Naar boven
Alinea's uitlijnen op het basislijnraster
1. Selecteer tekst.
2. Klik in het deelvenster Alinea of het regelpaneel op Uitlijnen op basislijnraster .
Om te voorkomen dat de regelafstand van de tekst wordt gewijzigd, stelt u voor de regelafstand van het basislijnraster dezelfde waarde (of een
veelvoud ervan) in als voor de tekst.
De eerste regel op het basislijnraster uitlijnen
1. Selecteer de alinea's die u wilt uitlijnen.
2. Kies Alleen eerste regel op raster uitlijnen in het menu van het deelvenster Alinea of in het menu van het regelpaneel.
3. Klik in het deelvenster Alinea of het regelpaneel op Uitlijnen op basislijnraster .
Een uitgebalanceerde titeltekst maken
U kunt onregelmatig uitgelijnde tekst over meerdere regels op elkaar afstemmen. Deze functie is vooral bedoeld voor koppen die uit meerdere
regels bestaan, pull-quotes en gecentreerde alinea's.
Voor en na het op de titel toepassen van de optie Ongelijke regels met elkaar in evenwicht brengen
1. Klik in de alinea die u in evenwicht wilt brengen.
2. Kies Ongelijke regels met elkaar in evenwicht brengen in het menu van het deelvenster Alinea of van het regelpaneel.
Deze functie heeft alleen effect als Adobe Composer alinea is geselecteerd.
Alinea's maken die zich uitstrekken over meerdere kolommen of die kolommen splitsen
Een alinea kan zich uitstrekken over meerdere kolommen in een tekstkader, zodat een bredere kop ontstaat. U kunt kiezen of een alinea zich
uitstrekt over alle kolommen of over een bepaald aantal kolommen. Wanneer een alinea zich uitstrekt over meerdere kolommen in een tekstkader
met meerdere kolommen, wordt alle tekst voor de desbetreffende alinea uitgebalanceerd.
U kunt een alinea ook opsplitsen in meerdere kolommen in hetzelfde tekstkader.
Op www.adobe.com/go/lrvid5151_id_nl of http://tv.adobe.com/go/4952/nl vindt u een videodemo over het maken van alinea's die meerdere
kolommen omspannen of kolommen splitsen.
Alinea die zich uitstrekt over meerdere kolommen en die meerdere kolommen opsplitst
A.Koptekst die zich uitstrekt over kolommenB.Opgesplitste kolom
Een alinea uitstrekken over meerdere kolommen
1. Plaats het invoegpunt in de alinea.
Naar boven
U kunt deze functie ook deel laten uitmaken van een alineastijl, zoals een kopstijl.
2. Kies Meerdere kolommen in het regelpaneelmenu of in het menu van het deelvenster Alinea.
3. Kies Meerdere kolommen in het menu Alinealayout.
4. Kies het aantal kolommen waarover u de alinea wilt uitstrekken in het menu Uitstrekken over. Kies Alle als u de alinea over
alle kolommen wilt uitstrekken.
5. Als u extra ruimte voor of na de alinea wilt toevoegen, geeft u waarden op bij Ruimte voor uitstrekken en Ruimte na
uitstrekken en vervolgens klikt u op OK.
Een alinea die wordt opgesplitst in meerdere kolommen
1. Plaats het invoegpunt in de alinea.
U kunt deze functie ook deel laten uitmaken van een alineastijl, zoals een kopstijl.
2. Kies Meerdere kolommen in het regelpaneelmenu of in het menu van het deelvenster Alinea.
3. Kies Gesplitste kolommen in het menu Alinealayout.
4. Geef de volgende opties op en klik op OK:
SubkolommenKies het aantal kolommen waarin u de alinea wilt opsplitsen.
Ruimte voor splitsen/Ruimte na splitsenVoeg ruimte voor of na de opgesplitste alinea toe.
Binnenste tussenruimteStel de ruimte in tussen de opgesplitste alinea's.
Buitenste tussenruimteStel de ruimte in tussen de buitenzijde van de opgesplitste alinea's en de marges.
Tekst uitlijnen of verticaal in een tekstkader uitvullen
U kunt tekstregels in een kader langs de verticale as van het kader uitlijnen of verdelen. Op deze manier is tekst zo overal in kaders en kolommen
gelijk te houden.
U kunt tekst aan de bovenkant, in het midden of aan de onderkant van het kader uitlijnen met de waarden van de regelafstand van elke alinea en
de waarden van de alineaspatiëring. Ook kunt u tekst verticaal uitvullen, waarbij de afstand tussen de regels los van de waarden van de
regelafstand en de alineaspatiëring evenredig wordt verdeeld.
Verticaal uitvullen: onder (links) en uitvullen (rechts)
Het verticaal uitlijnen en uitvullen van tekst wordt berekend vanuit de basislijnpositie van elke tekstregel in het kader. Denk aan het volgende als u
de verticale uitlijning gaat aanpassen:
De bovenkant van het kader is gedefinieerd als de basislijn van de eerste regel van tekst die aan de bovenkant is uitgelijnd.
De optie voor de verschuiving van de eerste basislijn in het venster Opties tekstkader heeft invloed op deze waarde.
De onderkant van het kader is gedefinieerd als de basislijn van de laatste regel van tekst die aan de onderkant is uitgelijnd.
Voetnoottekst wordt niet uitgevuld.
Wanneer de optie Uitlijnen op basislijnraster wordt toegepast op alinea's die aan de bovenkant, in het midden of aan de
onderkant zijn uitgelijnd, worden alle regels op het basislijnraster uitgelijnd. Bij de optie Uitgevuld worden alleen de eerste en
laatste regels op de basislijn uitgelijnd.
Als u de inzetwaarden voor boven of onder in het venster Opties tekstkader aanpast, verandert u de locatie van respectievelijk
de eerste of laatste basislijn.
1. Ga op een van de volgende manieren te werk:
Selecteer een tekstkader met het gereedschap Selecteren.
Klik met het gereedschap Tekst in het tekstkader.
2. Kies Object > Opties tekstkader.
3. Kies in het deelvenster Verticaal uitvullen in het venster Opties tekstkader een van de volgende opties in het menu Uitlijnen:
Selecteer Boven om tekst vanaf de bovenkant van het kader verticaal uit te lijnen. (Dit is de standaardinstelling.)
Selecteer Gecentreerd om tekst in het kader te centreren.
Selecteer Onder om tekst vanaf de onderkant van het kader verticaal uit te lijnen.
Selecteer Uitvullen om tekst evenredig verticaal uit te lijnen tussen de boven- en onderkant van het kader.
4. Als u Uitvullen kiest en u wilt niet dat de regelafstand onevenredig groot wordt ten opzichte van de ruimte tussen de alinea's,
moet u een waarde voor Limiet alinea-afstand opgeven. De ruimte tussen alinea's wordt uitgerekt tot aan de waarde die u
hebt opgegeven. Als de tekst dan nog niet in het kader past, wordt de ruimte tussen de regels zo aangepast dat de tekst het
hele kader vult. De waarde voor de ruimte tussen alinea's wordt toegepast naast de waarden voor Afstand voor en Afstand na
die u hebt opgegeven in het deelvenster Alinea.
De maximale ruimte tussen alinea's ingesteld op nul (links) en 1 pica (rechts)
Opmerking: Ga voorzichtig te werk als u tekstkaders met meerdere kolommen verticaal wilt uitvullen. Als de laatste kolom
slechts een paar regels bevat, kunnen er te veel witregels tussen de regels komen te staan.
5. Klik op OK.
Een makkelijke manier om de maximale ruimte tussen alinea's aan te passen is door Voorvertoning te selecteren en te klikken op Pijl-omhoog
of Pijl-omlaag naast Maximale ruimte tussen alinea's totdat de ruimte tussen de alinea's in overeenstemming is met de regelafstand.
Meer Help-onderwerpen
Juridische kennisgevingen | Onlineprivacybeleid
Opsommingstekens en nummering
Naar boven
Een lijst met opsommingstekens of nummers maken
Een lijst met opsommingstekens of nummers opmaken
Opsommingstekens wijzigen
Opties voor een genummerde lijst wijzigen
Lijsten definiëren
Een alineastijl maken voor doorlopende lijsten
Lijsten met meerdere niveaus maken
Doorlopende bijschriften maken voor figuren en tabellen
De nummering van een lijst opnieuw instellen of vervolgen
Lijsten met opsommingstekens of nummers omzetten naar tekst
Een lijst met opsommingstekens of nummers maken
Elke alinea in een opsommingslijst begint met een opsommingsteken. In genummerde lijsten begint elke alinea met een uitdrukking waarin een
nummer of letter en een scheidingsteken, zoals een punt of haakjes, zijn opgenomen. De nummers in een lijst met nummering worden
automatisch bijgewerkt als u alinea's uit de lijst verwijdert of eraan toevoegt. U kunt de volgende kenmerken wijzigen: het type opsommingsteken
of de nummeringsstijl, het scheidingsteken, de lettertypekenmerken en tekenstijlen en het type en de mate van de inspringing.
U kunt het gereedschap Tekst niet gebruiken om de opsommingstekens of nummers in een lijst te selecteren. U bewerkt de opmaak en de
inspringing via het dialoogvenster Lijsttekens of het deelvenster Alinea. Als de lijsttekens deel uitmaken van een stijl, kunt u ook het gedeelte
Opsommingstekens en nummering van het dialoogvenster Alineastijlen gebruiken.
Lijsten met opsommingstekens en nummering
U kunt snel een lijst met opsommingstekens of een genummerde lijst maken door de lijst te typen, deze te selecteren en vervolgens op de knop
Lijst met opsommingstekens of Genummerde lijst te klikken in het regelpaneel. Met deze knoppen kunt u lijsten in- of uitschakelen en van
opsommingstekens overstappen op nummers en andersom. U kunt de opsommingstekens en de nummering ook deel laten uitmaken van een
alineastijl en lijsten samenstellen door stijlen toe te wijzen aan alinea's.
Opmerking: Automatisch gegenereerde opsommingstekens en nummertekens worden niet daadwerkelijk in de tekst geplaatst. Daarom kunt u
deze niet vinden met een tekstzoekopdracht of selecteren met het gereedschap Tekst, tenzij u de tekens omzet naar tekst. Bovendien zijn
opsommingstekens en nummering niet zichtbaar in het venster van de artikeleditor (behalve in de alineastijlkolom).
Op www.adobe.com/go/vid0077_nl vindt u een videodemo over het maken van lijsten met opsommingstekens en nummers.
Op de blog InDesign Docs vindt u een reeks artikelen over het gebruik van opsommingstekens en nummering voor het maken van contouren,
lijsten met meerdere niveaus, afbeeldingsbijschriften en genummerde stappen.
1. Selecteer de alinea's die deel uit moeten maken van de lijst, of klik om een invoegpositie te plaatsen op de plek waar de lijst
moet beginnen.
2. Ga als volgt te werk:
Klik op de knop Lijst met opsommingstekens of de knop Genummerde lijst in het regelpaneel (in de modus
Alinea). Houd Alt (Windows) of Option (Mac OS) ingedrukt en klik op een knop om het dialoogvenster Opsommingstekens
en nummering weer te geven.
Naar boven
Kies Opsommingstekens en nummering in het deelvenster Alinea of in het regelpaneel. Kies Opsommingstekens of
Nummers bij Lijsttype. Geef de gewenste instellingen op en klik op OK.
Pas een alineastijl toe die opsommingstekens of nummering bevat.
3. Als u de lijst wilt voortzetten in de volgende alinea, verplaatst u het invoegpunt naar het einde van de lijst en drukt u op Enter
of Return.
4. U beëindigt de lijst (of het segment van de lijst als u de lijst verderop in het artikel wilt vervolgen) door nogmaals op de knop
Lijst met opsommingstekens of de knop Genummerde lijst in het regelpaneel te klikken of Opsommingstekens en nummering
te kiezen in het menu van het deelvenster Alinea.
Een lijst met opsommingstekens of nummers opmaken
1. Selecteer de alinea's met opsommingstekens of de genummerde alinea's die u opnieuw wilt opmaken met het gereedschap
Tekst .
2. Open het dialoogvenster Opsommingstekens en nummering op een van de volgende manieren:
Kies Opsommingstekens en nummering in het menu van het regelpaneel (in de modus Alinea) of in het menu van het
deelvenster Alinea.
Houd Alt (Windows) of Option (Mac OS) ingedrukt en klik op de knop Lijst met opsommingstekens of de knop
Genummerde lijst .
3. Voer in het dialoogvenster Opsommingstekens en nummering een of meerdere van de volgende handelingen uit:
Wijzig het opsommingsteken.
Wijzig de opties voor de genummerde lijst.
Kies een stijl voor de nummers of opsommingstekens in de lijst Tekenstijl.
4. Wijzig de positie van het opsommingsteken of het nummer met de volgende opties:
UitlijningHiermee kunt u de opsommingstekens en de nummers links, rechts, of gecentreerd uitlijnen in de horizontale ruimte
die is toegewezen aan de nummers. (Bij weinig ruimte is het verschil tussen de drie opties te verwaarlozen.)
Links inspringenHiermee kunt u aangeven hoe ver de regels na de eerste regel zijn ingesprongen.
Inspringing eerste regelHiermee bepaalt u waar het opsommingsteken of het nummer wordt geplaatst.
Voer een hogere waarde in voor Eerste regel inspringen als u de interpunctie in lange lijsten wilt uitlijnen. Als u bijvoorbeeld
wilt dat “9.” en “10.” op de punt worden uitgelijnd, wijzigt u de instelling voor Rechts uitgelijnd en verhoogt u geleidelijk de
waarde voor Eerste regel inspringen tot de getallen naar wens zijn uitgelijnd (vergeet niet om Voorvertoning in te schakelen).
Als u een hangende inspringing wilt maken, geeft u een positieve waarde op voor Links inspringen (bijvoorbeeld 2p0) en de
overeenkomende negatieve waarde voor Inspringing eerste regel (bijvoorbeeld -2p0).
Instellingen voor Positie
A. InspringingB.Links uitgelijnde lijst
Opmerking: De instellingen voor Links inspringen, Inspringing eerste regel en Tabpositie in het dialoogvenster
Opsommingstekens en nummering zijn alineakenmerken. Als u deze instellingen wijzigt in het deelvenster Alinea, wordt de
opmaak van de opsommingstekens en genummerde lijsten ook aangepast.
TabpositieHiermee activeert u de tabpositie, zodat er ruimte ontstaat tussen het opsommingsteken en het nummer enerzijds
en de lijstonderdelen anderzijds.
Standaard nemen de opsommingstekens en nummers bepaalde elementen van de tekstopmaak over van het eerste teken in de alinea waaraan ze
zijn gekoppeld. Als het eerste teken in een alinea verschilt van de eerste tekens in andere alinea's, kan het voorkomen dat het nummer of het
opsommingsteken er anders uitziet dan de andere lijstonderdelen. Als u deze opmaak niet wilt toepassen, kunt u een aparte tekenstijl
samenstellen voor nummers en opsommingstekens en deze stijl op de lijst toepassen via het dialoogvenster Opsommingstekens en nummering.
Naar boven
Het cursieve eerste woord van stap 3 zorgt ervoor dat de nummering ook cursief wordt, tenzij u een tekenstijl instelt voor nummers en deze stijl
toepast op de lijst.
Opsommingstekens wijzigen
Als u de bestaande opsommingstekens niet wilt gebruiken, kunt u andere opsommingstekens toevoegen aan het raster Opsommingsteken. Een
opsommingsteken dat beschikbaar is voor een bepaald lettertype, is niet altijd beschikbaar voor andere lettertypen. U kunt kiezen of het lettertype
wordt onthouden voor elk opsommingsteken dat u toevoegt.
Als u een opsommingsteken wilt gebruiken dat voor een bepaald lettertype geldt (zoals het wijzende handje in Dingbats), moet u niet vergeten in
te stellen dat het opsommingsteken dat lettertype onthoudt. Als u een standaardopsommingsteken gebruikt, kunt u het lettertype beter niet
onthouden, omdat de meeste lettertypen over een eigen versie van het opsommingsteken beschikken. Afhankelijk van het feit of u de optie
Lettertype bij opsomming onthouden hebt geselecteerd, kan een opsommingsteken dat u toevoegt, verwijzen naar een Unicode-waarde en een
specifieke lettertypefamilie en -stijl of alleen naar een Unicode-waarde.
Opmerking: Opsommingstekens die alleen verwijzen naar de Unicode-waarde (zonder een onthouden lettertype), worden aangeduid met een
rode “u”-indicator.
Het dialoogvenster Opsommingstekens en nummering
A.Opsommingsteken zonder onthouden lettertypeB.Opsommingsteken met onthouden lettertype
Het opsommingsteken wijzigen
1. Selecteer Opsommingstekens en nummering in het menu van het regelpaneel of in het menu van het deelvenster Alinea.
2. In het dialoogvenster Opsommingstekens en nummering selecteert u Opsommingstekens in het menu Lijsttype.
3. Selecteer een ander opsommingsteken en klik op OK.
Een opsommingsteken toevoegen
1. Selecteer Opsommingstekens in het menu Lijsttype van het dialoogvenster Opsommingstekens en nummering en klik op
Toevoegen.
2. Selecteer de glyph die u als opsommingsteken wilt gebruiken. (De verschillende lettertypefamilies en -stijlen bevatten
verschillende glyphs.)
3. Selecteer Lettertype bij opsommingsteken onthouden als u wilt dat het nieuwe opsommingsteken het op dat moment gekozen
lettertype en de stijl onthoudt.
4. Klik op Toevoegen.
Opmerking: De lijst met opsommingstekens wordt opgeslagen in het document, net als alinea- en tekenstijlen. Als u alineastijlen uit een ander
document plakt of laadt, kunnen alle opsommingstekens die in die stijlen worden gebruikt, worden weergegeven in het dialoogvenster
Opsommingstekens en nummering, samen met de andere opsommingstekens die zijn gedefinieerd voor het huidige document.
Naar boven
Naar boven
Een opsommingsteken verwijderen
1. In het dialoogvenster Opsommingstekens en nummering selecteert u Opsommingstekens in het menu Lijsttype.
2. Selecteer het opsommingsteken dat u wilt verwijderen en klik op Verwijderen. (Het eerste vooraf ingestelde opsommingsteken
kan niet worden verwijderd.)
Opties voor een genummerde lijst wijzigen
De nummers in een genummerde lijst worden automatisch bijgewerkt als u alinea's uit de lijst verwijdert of eraan toevoegt. Alinea's die onderdeel
vormen van dezelfde lijst worden doorlopend genummerd. Deze alinea's hoeven niet opeenvolgend te zijn, zolang u maar een lijst hebt
gedefinieerd voor de alinea's.
U kunt ook een lijst met meerdere niveaus maken waarin de lijstonderdelen genummerd zijn in een overzichtsvorm en verschillende
inspringingsniveaus hebben.
1. Open het dialoogvenster Opsommingstekens en nummering.
2. Selecteer het type stijl dat u wilt gebruiken in het menu Opmaak onder Nummeringsstijl.
3. In het vak Nummer gebruikt u de standaardpunt (.) en -tab (^t), of u maakt een eigen numerieke uitdrukking. Als u een
numerieke uitdrukking wilt invoeren, verwijdert u de punt na het metateken voor nummers (^#) en voert u een van de volgende
handelingen uit:
Typ een teken (bijvoorbeeld een haakje sluiten) of meerdere tekens in plaats van de punt.
Kies een item (zoals een liggend streepje of het weglatingsteken) in het menu Speciaal teken invoegen.
Typ een woord of teken vóór het metateken voor nummers. Als u bijvoorbeeld vragen in een lijst wilt nummeren, kunt u
het woord Vraag invoeren.
4. Kies een tekenstijl voor de uitdrukking. (De stijl die u kiest, wordt toegepast op de gehele numerieke uitdrukking en niet alleen
op het nummer.)
5. Kies een van de volgende opties voor Modus:
Doornummeren vanaf vorig nummerDe items in een lijst worden doorlopend genummerd.
Beginnen bijHet eerste nummer in de lijst wordt bepaald door het nummer of de andere waarde die u hebt ingevoerd in het
tekstvak. Voer een nummer in, geen letter, ook als de lijst letters of Romeinse cijfers gebruikt.
6. Geef eventuele andere opties op en klik op OK.
Lijsten definiëren
Een gedefinieerde lijst kan worden onderbroken door andere alinea's en lijsten, en kan verschillende artikelen en meerdere documenten in een
boek omspannen. Met gedefinieerde lijsten kunt u bijvoorbeeld een overzicht met meerdere niveaus of een doorlopende lijst maken waarmee u in
het hele document de tabelnamen nummert. U kunt ook lijsten definiëren voor afzonderlijk genummerde items of afzonderlijke items met
opsommingstekens die door elkaar worden gebruikt. In een lijst met vragen en antwoorden kunt u bijvoorbeeld één lijst definiëren voor het
nummeren van de vragen en een andere lijst voor het nummeren van de antwoorden.
Gedefinieerde lijsten worden vaak gebruikt om alinea's bij te houden voor nummeringsdoeleinden. Wanneer u een alineastijl voor nummering
maakt, kunt u de stijl toewijzen aan een gedefinieerde lijst: de alinea's krijgen de desbetreffende stijl toegewezen en worden genummerd op basis
van hun positie in de gedefinieerde lijst. De eerste alinea die verschijnt, krijgt bijvoorbeeld nummer 1 (“Tabel 1”) en de tweede alinea krijgt nummer
2 (“Tabel 2”), ook al staat deze alinea een aantal pagina's verderop. Aangezien beide alinea's tot dezelfde gedefinieerde lijst behoren, kunt u ze
opeenvolgend nummeren, ongeacht hoe ver ze uit elkaar staan in het document of boek.
Definieer een nieuwe lijst voor elk type item dat u wilt nummeren, bijvoorbeeld stapsgewijze instructies, tabellen en figuren. Als u meerdere lijsten
maakt, kunt u een lijst onderbreken door een andere lijst, waarbij de nummering in beide lijsten behouden blijft.
Wanneer onderdelen in niet-verbonden kaders op dezelfde pagina worden weergegeven, zijn de onderdelen genummerd in de volgorde waarin
de tekstkaders aan de pagina zijn toegevoegd. Als u de volgorde van de onderdelen wilt aanpassen, knipt en plakt u de tekstkaders een voor
een in de volgorde waarin u ze wilt weergeven.
Naar boven
Met gedefinieerde lijsten kunt u een lijst onderbreken door een andere lijst.
Op www.adobe.com/go/vid0077_nl vindt u een videodemo over het maken van lijsten met opsommingstekens en nummers.
Een lijst definiëren
1. Kies Tekst > Lijst met opsommingstekens en nummers > Lijsten definiëren.
2. Klik op Nieuw in het dialoogvenster Lijsten definiëren.
3. Voer een naam in voor de lijst, geef aan of u wilt doornummeren in de artikelen en of u wilt doornummeren vanuit vorige
documenten in het boek.
4. Klik twee keer op OK.
Nadat u een lijst hebt gedefinieerd, kunt u de lijst gebruiken in een alineastijl, zoals een stijl voor tabellen, figuren of voor lijsten die op volgorde
zijn gesorteerd. U kunt de lijst toepassen via het regelpaneel of het deelvenster Alinea.
Opmerking: Sommige lijsten worden automatisch gedefinieerd. Als u bijvoorbeeld een genummerde lijst importeert vanuit een Microsoft Word-
document, wordt in InDesign automatisch een lijst gedefinieerd voor het document.
Een gedefinieerde lijst bewerken
1. Kies Tekst > Lijst met opsommingstekens en nummers > Lijsten definiëren.
2. Selecteer een lijst en klik op Bewerken.
3. Voer een nieuwe naam in voor de lijst of wijzig de opties voor het doornummeren die u hebt geselecteerd.
Alineastijlen die aan de lijst zijn toegewezen, worden opnieuw toegewezen aan de lijst onder de nieuwe naam.
Een gedefinieerde lijst verwijderen
1. Kies Tekst > Lijst met opsommingstekens en nummers > Lijsten definiëren.
2. Selecteer een lijst.
3. Klik op Verwijderen en selecteer een andere lijst of de lijst [Standaard] om de huidige lijst te vervangen.
Een alineastijl maken voor doorlopende lijsten
Naar boven
Als u een doorlopende lijst wilt maken (een lijst die wordt onderbroken door andere alinea's en die meerdere artikelen of documenten omspant),
moet u eerst een alineastijl maken en deze stijl toepassen op de alinea's die u wilt opnemen in de lijst. Als u bijvoorbeeld een doorlopende lijst wilt
maken van de tabellen in uw document, maakt u een alineastijl genaamd Tabellen. Daarna neemt u een gedefinieerde lijst op in de stijl en
vervolgens past u de alineastijl Tabellen toe op alle alinea's die u in uw lijst met tabellen wilt opnemen.
Op de blog InDesign Docs vindt u een reeks artikelen over het gebruik van opsommingstekens en nummering voor maken van
afbeeldingsbijschriften en genummerde stappen.
1. Kies Nieuwe alineastijl in het menu van het deelvenster Alineastijlen.
2. Voer een stijlnaam in.
3. Klik links in het dialoogvenster Nieuwe alineastijl op Opsommingstekens en nummering.
4. Kies Opsommingstekens of Nummering bij Lijsttype.
5. Als u een stijl wilt maken voor genummerde lijsten, kiest u een gedefinieerde lijst in het menu Lijst of u kiest Nieuwe lijst,
waarna u de lijst definieert.
6. Bepaal de kenmerken voor de opsommingstekens of de nummering.
7. In het gedeelte Positie opsommingsteken of nummer van het dialoogvenster Nieuwe alineastijl kunt u de instellingen voor de
inspringing wijzigen. Als u bijvoorbeeld een hangende inspringing wilt instellen, typt u 2p bij Links inspringen en -2p bij Eerste
regel inspringen.
8. Geef andere alineastijlkenmerken op voor de stijl en klik op OK.
Lijsten met meerdere niveaus maken
Een lijst met meerdere niveaus is een lijst die meerdere niveaus bevat waarin de hiërarchische relaties tussen de alinea's in de lijst worden
weergegeven. De lijsten worden ook wel overzichtslijsten genoemd omdat ze er uitzien als een overzicht. In het nummeringsschema van de lijst
(en de inspringingen) wordt de hiërarchische positie en de relatieve positie van de items aangegeven. Op deze manier kunt u zien waar elke alinea
in de lijst past met betrekking tot de voorafgaande alinea en de volgende alinea. U kunt tot negen niveaus opnemen in een lijst met meerdere
niveaus.
Lijst met meerdere niveaus met nummers en letters waarmee de hiërarchische niveaus worden aangeduid
Als u een lijst met meerdere niveaus wilt maken, moet u eerst de lijst definiëren. Vervolgens maakt u een alineastijl voor elk niveau dat u wilt
instellen. Voor een lijst met vier niveaus zijn bijvoorbeeld vier alineastijlen vereist (en aan elke stijl is dezelfde gedefinieerde lijst toegewezen).
Wanneer u een stijl maakt, bepaalt u ook de nummer- en alinea-opmaak hiervan.
Op Creating an automatic numbered list vindt u een videodemo van Gabriel Powell over het maken van contouren en lijsten met meerdere
niveaus.
Bob Bringhurst heeft een reeks artikelen geschreven over het gebruik van opsommingstekens en nummering voor het maken van contouren,
lijsten met meerdere niveaus, afbeeldingsbijschriften en genummerde stappen.
1. Kies Nieuwe alineastijl in het menu van het deelvenster Alineastijlen.
2. Voer een stijlnaam in.
3. Als u al een stijl hebt gemaakt voor de lijst met meerdere niveaus, kiest u de stijl die u wilt toewijzen aan de niveaus die
boven het huidige niveau liggen. U kunt de stijl kiezen in het menu Gebaseerd op, of u kunt Geen alineastijl of Basisalinea
kiezen.
4. Klik links in het dialoogvenster Nieuwe alineastijl op Opsommingstekens en nummering..
5. Kies Nummers in het menu Lijsttype.
Naar boven
Naar boven
6. Kies een lijst die u hebt gedefinieerd in het menu Lijst. Als u nog geen lijst hebt gedefinieerd, kunt u Nieuwe lijst kiezen in het
menu en de lijst alsnog definiëren..
7. Typ een getal in het vak Niveau. Hiermee geeft u aan voor welk niveau binnen de lijst met meerdere niveaus u de stijl wilt
instellen.
8. Kies het type nummering dat u wilt gebruiken in het menu Opmaak.
9. In het vak Nummer typt u de metatekens (of u selecteert de gewenste metatekens in de menu's) voor de nummeropmaak die
u wilt toepassen op de lijstonderdelen op dit niveau.
Als u nummeringsvoorvoegsels van hogere niveaus wilt opnemen, voert u de gewenste tekst in of klikt u vooraan in het
vak Nummer en kiest u Plaatsaanduiding voor getal invoegen. Vervolgens selecteert u een optie voor het niveau
(bijvoorbeeld Niveau 1), of typt u ^ gevolgd door het lijstniveau (bijvoorbeeld ^1). Stel dat u een lijst hebt waarin het eerste
niveau is genummerd met 1, 2, 3, enzovoort en het tweede niveau met a, b, c, enzovoort. Als u het voorvoegsel van het
eerste niveau opneemt in het tweede niveau, krijgt u de volgende nummering in het tweede niveau: 1a, 1b, 1c; 2a, 2b, 2c;
3a, 3b, 3c..
Voor een numerieke uitdrukking moet u de leestekens opgeven en metatekens invoeren, of u kunt kiezen uit de opties in
de lijst Speciaal teken invoegen.
10. Selecteer de optie Nummering op dit niveau opnieuw beginnen na als u opnieuw wilt nummeren vanaf 1 wanneer een alinea
van dit niveau voorkomt na een alinea van een hoger niveau. Als u deze optie uitschakelt, worden alinea's van dit niveau in
de hele lijst doorlopend genummerd, onafhankelijk van de hiërarchische positie van de alinea's in de lijst.
Als u de nummering opnieuw wilt laten beginnen na een bepaald niveau of niveaubereik, typt u het niveaunummer of -bereik
(zoals 2-4) in het veld Nummering op dit niveau opnieuw beginnen na.
11. Kies de opties Inspringing of Tabpositie in het gedeelte Positie opsommingsteken of nummer om de lijstonderdelen van dit
niveau verder te laten inspringen dan de lijstonderdelen van hogere niveaus. Door de inspringing worden de onderliggende
lijstonderdelen duidelijker weergegeven.
12. Klik op OK.
In bepaalde gevallen, bijvoorbeeld bij het gebruik van genummerde stappen, wilt u wellicht de nummering opnieuw laten starten binnen hetzelfde
artikel. Als u wilt voorkomen dat de genummerde lijst handmatig opnieuw wordt gestart, maakt u een aparte stijl die, op één uitzondering na,
identiek is aan de Niveau 1-stijl. Kies bij Modus de optie Beginnen bij en geef 1 op. Geef deze stijl een naam zoals “Niveau 1 opnieuw starten”.
Doorlopende bijschriften maken voor figuren en tabellen
Met doorlopende bijschriften kunt u figuren, tabellen en andere items in een document opeenvolgend nummeren. Het bijschrift voor het eerste
figuur wordt “Figuur 1”, het volgende bijschrift wordt “Figuur 2”, enzovoort. Als u wilt dat afbeeldingen, tabellen en dergelijke opeenvolgend worden
genummerd, definieert u een lijst voor het item en vervolgens maakt u een alineastijl waarin u de gedefinieerde lijst opneemt. Desgewenst kunt u
beschrijvingen zoals “Afbeelding” of “Tabel” toevoegen aan het nummeringsschema van de alineastijl.
Op de blog Numbered Lists Part III - Figure Captions vindt u een artikel van Bob Bringhurst over het maken van bijschriften voor afbeeldingen.
Lijstonderdelen worden genummerd in de volgorde waarin ze aan de pagina worden toegevoegd. Als u de volgorde van de onderdelen wilt
aanpassen, knipt en plakt u de onderdelen een voor een in de volgorde waarin u ze wilt weergeven.
1. Maak een nieuwe alineastijl en kies Nummers in het menu Lijsttype in het gedeelte Opsommingstekens en nummering van het
dialoogvenster Opties alineastijl.
2. Kies een gedefinieerde lijst in het menu Lijst (of kies Nieuwe lijst om een lijst te definiëren).
3. Selecteer het type stijl dat u wilt gebruiken in het menu Opmaak onder Nummeringsstijl.
Selecteer bijvoorbeeld de optie A, B, C, D... als u een lijst wilt maken voor “Afbeelding A,” “Afbeelding B”, enzovoort.
4. Voer in het vak Nummer een beschrijving in, samen met de benodigde spatiëring of leestekens en de metatekens voor de
nummering.
Als u bijvoorbeeld een “Afbeelding A”-effect wilt maken, voert u het woord “Afbeelding” en een spatie in vóór de metatekens
voor de nummering (zoals Afbeelding ^#.^t). Op deze manier wordt het woord “Afbeelding” opgenomen in het
nummeringsschema, gevolgd door een opeenvolgend nummer (^#), een punt en een tab (^t).
Opmerking: Als u hoofdstuknummers wilt opnemen in doorlopende bijschriften, kiest u Plaatsaanduiding voor getal invoegen
> Hoofdstuknummer uit de nummerlijst. U kunt ook ^H invoeren op de positie in het nummeringsschema waar u het
hoofdstuknummer wilt weergeven.
5. Voltooi de stijl en klik op OK.
Nadat u de stijl hebt gemaakt, past u deze toe op bijschriften van afbeeldingen of titels van tabellen.
Met de functie Inhoudsopgave kunt u lijsten met tabellen of figuren genereren.
De nummering van een lijst opnieuw instellen of vervolgen
Naar boven
InDesign bevat opdrachten waarmee u de nummering van een lijst opnieuw kunt instellen of vervolgen:
De nummering van een lijst opnieuw instellenPlaats de invoegpositie in de alinea en kies Opnieuw nummering beginnen in het contextmenu of
kies Tekst > Lijst met opsommingstekens en nummers > Opnieuw nummering. Bij normale lijsten wordt hiermee het nummer 1 (of de letter A)
toegewezen aan een alinea, waarna de alinea wordt ingesteld als de eerste alinea van de lijst. Bij lijsten met meerdere niveaus wordt hiermee het
eerste nummer op het lagere niveau toegewezen aan een geneste alinea.
De nummering van een lijst vervolgenKies Vervolgen nummering in het contextmenu of kies Tekst > Lijst met opsommingstekens en
nummers > Vervolgen nummering. Hierdoor wordt de nummering vervolgd van een lijst die is onderbroken door opmerkingen, afbeeldingen of
geneste lijstonderdelen. InDesign bevat ook opdrachten voor het nummeren van lijsten die in één artikel of boek beginnen en worden vervolgd in
het volgende artikel of boek.
Een lijst nummeren vanaf het vorige of huidige artikel
Het feit of de nummering van een lijst in het huidige artikel wordt vervolgd vanaf het vorige artikel of dat de nummering opnieuw begint, is
afhankelijk van de wijze waarop de lijst is gedefinieerd.
1. Kies Tekst > Lijst met opsommingstekens en nummers > Lijsten definiëren.
2. Selecteer een lijst en klik op de knop Bewerken.
Kies niet de standaardlijst. Bij deze lijst kan worden doorgenummerd in verschillende artikelen.
3. Selecteer Doornummeren in artikelen om de nummering van de lijst door te laten lopen vanaf het vorige artikel. Schakel deze
optie uit als u de lijst in het huidige artikel opnieuw wilt nummeren vanaf 1 (of A).
4. Klik twee keer op OK.
Een lijst nummeren vanaf het vorige of huidige document in een boek
Het feit of de nummering van een lijst in het huidige document wordt vervolgd vanaf het vorige document in een boek of dat de nummering
opnieuw begint, is afhankelijk van de wijze waarop de lijst is gedefinieerd.
1. Kies Tekst > Lijst met opsommingstekens en nummers > Lijsten definiëren.
2. Selecteer een lijst en klik op de knop Bewerken.
3. Selecteer Doornummeren vanuit vorig document in boek om de nummering van de lijst door te laten lopen vanaf het vorige
document (u moet eerst Doornummeren in artikelen selecteren om deze optie te activeren). Schakel deze optie uit als u de
lijst in het huidige document opnieuw wilt nummeren vanaf 1 (of A).
4. Klik twee keer op OK.
U zorgt ervoor dat de nummering in een boek juist wordt bijgewerkt door de documenten in het boek te synchroniseren en Nummering
bijwerken > Alle nummers bijwerken te selecteren in het menu van het deelvenster Boeken.
Lijsten met opsommingstekens of nummers omzetten naar tekst
1. Selecteer de alinea's die de lijst met opsommingstekens of nummers bevatten.
2. Ga op een van de volgende manieren te werk:
Kies Nummering naar tekst omzetten of Opsommingstekens naar tekst omzetten in het menu van het deelvenster Alinea.
Klik met de rechtermuisknop (Windows) of houd Control ingedrukt en klik (Mac OS) op de geselecteerde tekst en kies
Nummering naar tekst omzetten of Opsommingstekens naar tekst omzetten.
Opmerking: Als u de nummers of opsommingstekens in de lijst wilt verwijderen, klikt u op de knop Lijst met
opsommingstekens of op de knop Genummerde lijst om het toepassen van lijstopmaak op de geselecteerde tekst ongedaan
te maken.
Meer Help-onderwerpen
Video over lijsten met opsommingstekens en nummers
Juridische kennisgevingen | Onlineprivacybeleid
Tabs en inspringingen
Naar boven
Naar boven
Overzicht van het dialoogvenster Tabs
Tabs instellen
Herhaalde tabstops
Tabs verplaatsen en verwijderen en tabinstellingen bewerken
Tekens opgeven voor decimale tabs
Opvultekens toevoegen
Rechts ingesprongen tabs invoegen
Inspringingen instellen
Overzicht van het dialoogvenster Tabs
Met tabs plaatst u tekst op bepaalde horizontale locaties in een kader. De standaardtabinstellingen zijn afhankelijk van de maateenheid voor de
horizontale liniaal die u in het dialoogvenster Eenheden en toenamen hebt geselecteerd.
Tabs gelden voor de gehele alinea. De eerste tab die u instelt, verwijdert alle tabstops links daarvan. Met volgende tabs die u instelt, worden alle
tabs tussen de ingestelde tabs verwijderd. U kunt linkse, gecentreerde, rechtse en decimale tabs en tabs met een speciaal teken instellen.
Tabs stelt u in met het dialoogvenster Tabs.
Het dialoogvenster Tabs
A. TabuitlijningsknoppenB. TabpositieC.Vak OpvultekenD.Vak Uitlijnen opE. TabliniaalF.Boven kader plaatsen
Het dialoogvenster Tabs openen
1. Klik met het gereedschap Tekst in het tekstkader.
2. Kies Tekst > Tabs.
Als de bovenzijde van het kader zichtbaar is, wordt het dialoogvenster Tabs aan het huidige tekstkader gekoppeld en wordt de breedte ervan
afgestemd op dat van de huidige kolom.
De liniaal van het dialoogvenster Tabs uitlijnen op uw tekst
1. Blader door het document om de bovenzijde van het tekstkader weer te geven.
2. Klik op het magneetpictogram in het dialoogvenster Tabs. Het dialoogvenster Tabs wordt aan de bovenzijde van de kolom
met de geselecteerde tekst of de invoegpositie gekoppeld.
Tabs instellen
U kunt linkse, gecentreerde, rechtse en decimale tabs en tabs met een speciaal teken instellen. Als u een tab met een speciaal teken instelt, kunt
u de tab op elk gewenst teken uitlijnen, zoals een dubbele punt of een dollarteken.
In Tabs and Indents Gallery vindt u een artikel van Bob Bringhurst over verschillende tab- en inspringingseffecten.
1. Klik met het gereedschap Tekst op een invoegpositie in een alinea.
2. Druk op Tab. Voeg tabs toe aan alinea's waaraan u horizontale ruimte wilt toevoegen. (U kunt ook tabs toevoegen nadat u
tabinstellingen hebt gedefinieerd.)
Naar boven
Tekst uitlijnen met tabs
3. Kies Bestand > Tabs om het dialoogvenster Tabs te openen.
4. Selecteer de alinea of de groep alinea's waarop u de tabs wilt toepassen.
5. Klik voor de eerste tab op een tabuitlijningsknop (links, rechts, gecentreerd of decimaal) in het dialoogvenster Tabs om in te
stellen hoe de tekst moet worden uitgelijnd.
6. Ga op een van de volgende manieren te werk:
Klik op de tabliniaal om een nieuwe tab te plaatsen.
Een nieuwe tabinstelling toevoegen
Typ een positie in het vak X en druk op Enter of Return. Als de X-waarde is geselecteerd, drukt u op Pijl-omhoog of Pijl-
omlaag om de tabwaarde met telkens 1 punt te verhogen of te verlagen.
7. Herhaal de stappen 3 en 4 voor volgende tabs met een andere uitlijning.
De eerste tabinstelling is rechts uitgelijnd en de tweede is links uitgelijnd.
Als u een tabteken wilt invoegen in een tabel, kiest u Tekst > Speciaal teken invoegen > Overig > Tab.
Herhaalde tabstops
Met de opdracht Tab herhalen voegt u meerdere tabstops toe op basis van de afstand tussen de geselecteerde tabstop en de linkerinspringing of
vorige tabstop.
1. Klik om een invoegpositie in de alinea te plaatsen.
2. Selecteer een tabstop op de liniaal in het deelvenster Tabs.
3. Kies Tab herhalen in het menu van het deelvenster.
Herhaalde tabstops
A.Knoppen voor tabuitlijningB.Tabstop op de liniaalC. Deelvenstermenu
Naar boven
Naar boven
Naar boven
Naar boven
Tabs verplaatsen en verwijderen en tabinstellingen bewerken
In het dialoogvenster Tabs kunt u tabs verplaatsen, verwijderen en de tabinstellingen bewerken.
Een tab verplaatsen
1. Klik met het gereedschap Tekst op een invoegpositie in een alinea.
2. Selecteer in het dialoogvenster Tabs een tab op de tabliniaal.
3. Ga op een van de volgende manieren te werk:
Typ een nieuwe locatie bij X en druk op Enter of Return.
Sleep de tabstop naar een nieuwe positie.
Een tab verwijderen
1. Klik om een invoegpositie in de alinea te plaatsen.
2. Ga op een van de volgende manieren te werk:
Sleep de tabstop van de liniaal.
Selecteer de tabstop en kies Tab verwijderen in het menu van het deelvenster.
Kies Alles wissen in het menu van het deelvenster om de standaardtabstops te herstellen.
De uitlijning van een tab wijzigen
1. Selecteer in het dialoogvenster Tabs een tab op de tabliniaal.
2. Klik op een tabuitlijningsknop.
U kunt ook Alt (Windows) of Option (Mac OS) ingedrukt houden als u op de tabinstelling klikt. De vier uitlijningsopties
worden dan na elkaar weergegeven.
Tekens opgeven voor decimale tabs
U gebruikt decimale tabs als u tekst wilt uitlijnen met een door u opgegeven teken, zoals een punt of een euroteken.
1. Maak of selecteer een decimale tab op de tabliniaal in het deelvenster Tabs.
2. Typ in het vak Uitlijnen op het teken waarop u wilt uitlijnen. U kunt elk gewenst teken typen of plakken. Zorg ervoor dat de
alinea's die u uitlijnt, dit teken bevatten.
Tekst die met een decimale tab is uitgelijnd
Opvultekens toevoegen
Een opvulteken is een herhaald patroon van tekens, bijvoorbeeld een reeks punten of streepjes, tussen een tabstop en de de tekst die daarop
volgt.
1. Selecteer een tabstop op de liniaal in het deelvenster Tabs.
2. Typ een patroon van maximaal acht tekens in het vak Opvulteken en druk op Enter of Return. De opgegeven tekens worden
over de breedte van de tab ingevoegd.
3. Om het lettertype of andere opmaakkenmerken van het vulteken te wijzigen, selecteert u het tabteken in het tekstkader en
kiest u de gewenste opmaak in het deelvenster Teken of het menu Tekst.
Rechts ingesprongen tabs invoegen
U kunt in een enkele handeling een rechts uitgelijnde tab toevoegen aan de rechtse inspringing, waardoor het makkelijker wordt om tabeltekst
voor te bereiden die een gehele kolom omspant. Rechts ingesprongen tabs verschillen enigszins van standaardtabs. Een rechts ingesprongen tab:
Naar boven
Lijnt alle opeenvolgende tekst uit op de rechterkant van het tekstkader. Als er in dezelfde alinea na de rechts ingesprongen tab
nog andere tabs voorkomen, worden deze tabs en de bijbehorende tekst naar de volgende regel verplaatst.
Is een speciaal teken dat zich in de tekst bevindt en niet in het dialoogvenster Tabs. U voegt een rechts ingesprongen tab toe
met behulp van een contextmenu en niet met het dialoogvenster Tabs. Daardoor kan een rechts ingesprongen tab niet deel
uitmaken van een alineastijl.
Komt niet overeen met de waarde voor Rechts inspringen in het deelvenster Alinea. Met de waarde voor Rechts inspringen
houdt u een afstand tussen de volledige rechterkant van de alinea en de rechterkant van het tekstkader.
Kan samen met een opvulteken worden gebruikt. Rechts ingesprongen tabs gebruiken het vulteken van de eerste tabstop na
de rechtermarge of, als deze niet bestaat, de laatste tabstop voor de rechtermarge.
1. Klik met het gereedschap Tekst op de regel waar u de rechts ingesprongen tab wilt toevoegen.
2. Kies Tekst > Speciaal teken invoegen > Overig > Rechts ingesprongen tab.
Inspringingen instellen
Met een inspringing wordt tekst vanaf de rechter- en linkerrand van een kader naar binnen verplaatst. In het algemeen kunt u de eerste regel van
een alinea het beste laten inspringen met een inspringing voor eerste regels en niet met spaties of tabs.
Een inspringing voor eerste regels wordt ten opzichte van de inspringing voor de linkermarge bepaald. Als de linkerrand van een alinea
bijvoorbeeld één pica inspringt en u de inspringing voor de eerste regel op één pica instelt, springt de eerste regel van de alinea twee pica's in
vanaf de linkerrand van het kader of de inzet.
U kunt inspringingen instellen in het dialoogvenster Tabs, het deelvenster Alinea en in het regelpaneel. U kunt ook inspringingen instellen wanneer
u lijsten met opsommingstekens of genummerde lijsten maakt.
In Tabs and Indents Gallery vindt u een artikel van Bob Bringhurst over verschillende tab- en inspringingseffecten.
Een inspringing instellen in het dialoogvenster Tabs
1. Klik met het gereedschap Tekst in de alinea die u wilt laten inspringen.
2. Kies Bestand > Tabs om het dialoogvenster Tabs te openen.
3. Voer een van de volgende handelingen uit met de inspringingsmarkeringen in het dialoogvenster Tabs:
Sleep de bovenste markering om de eerste tekstregel te laten inspringen. Sleep de onderste markering om beide
markeringen te verplaatsen en de gehele alinea te laten inspringen.
Inspringen voor eerste regel (links) en zonder inspringen (rechts)
Selecteer de bovenste markering en typ een waarde voor X om de eerste tekstregel te laten inspringen. Selecteer de
onderste markering en typ een waarde voor X om beide markeringen te verplaatsen en de gehele alinea te laten
inspringen.
Zie Overzicht van het dialoogvenster Tabs voor meer informatie over het gebruik van het dialoogvenster Tabs.
Inspringingen instellen in het deelvenster Alinea of in het regelpaneel
1. Klik met het gereedschap Tekst in de alinea die u wilt laten inspringen.
2. Wijzig de desbetreffende inspringingswaarden in het deelvenster Alinea of het regelpaneel. Voer bijvoorbeeld een van de
volgende handelingen uit:
Als u de gehele alinea één pica wilt laten inspringen, typt u een waarde (bijvoorbeeld 1p) in het vak Links inspringen .
Als u alleen de eerste regel van een alinea één pica wilt laten inspringen typt u een waarde (bijvoorbeeld 1p) in het vak
Eerste regel links inspringen .
Als u een hangende inspringing van één pica wilt maken, typt u een positieve waarde (bijvoorbeeld 1p) in het vak Links
inspringen en een negatieve waarde (bijvoorbeeld -1p) in het vak Eerste regel links inspringen. Zie Inspringingen instellen.
Inspringingen opnieuw instellen
1. Klik in de alinea waarin u de inspringingen opnieuw wilt instellen op de nulmarkering.
2. Kies Inspringingen opnieuw instellen in het dialoogvenster Tabs.
Een hangende inspringing maken
Bij een hangende inspringing springen alle regels met uitzondering van de eerste regel in. Hangende inspringingen worden vooral gebruikt
wanneer er inline-afbeeldingen aan het begin van de alinea worden geplaatst.
Zonder inspringen (links) en hangende inspringen (rechts)
1. Klik met het gereedschap Tekst in de alinea die u wilt laten inspringen.
2. Geef een waarde op voor links inspringen die groter is dan nul in het dialoogvenster Tabs of in het regelpaneel.
3. Om een negatieve waarde voor het inspringen van de eerste regel op te geven, voert u een van de volgende handelingen uit:
Typ in het regelpaneel een negatieve waarde voor het links inspringen van de eerste regel .
Sleep in het dialoogvenster Tabs de bovenste markering naar links of selecteer de markering en typ een negatieve
waarde voor X.
Doorgaans wordt het negatieve equivalent van de waarde uit stap 2 opgegeven. Als u bijvoorbeeld 2 pica's hebt opgegeven voor links inspringen,
geeft u -2 pica's op voor links inspringen van de eerste regel.
De laatste regel van een alinea rechts laten inspringen
Met de optie Laatste regel rechts inspringen kunt u een hangende inspringing toevoegen aan de rechterkant van de laatste regel in een alinea.
Deze optie is vooral nuttig voor het uitlijnen van prijzen in een verkoopcatalogus.
Laatste regel rechts inspringen
1. Typ de alinea's. Plaats in de laatste regel van elke alinea de invoegpositie voor de tekst die u wilt laten inspringen en kies
3. Als u voor alinea's een inspringing aan de rechterkant wilt maken, geeft u een waarde (bijvoorbeeld 2p) op in het veld Rechts
inspringen van het deelvenster Alinea of het regelpaneel.
4. Als u de waarde voor rechts inspringen wilt aanpassen voor tekst na de tab, geeft u een negatieve waarde (bijvoorbeeld -2p)
op in het veld Laatste regel rechts inspringen van het deelvenster Alinea of het regelpaneel.
Inspringen tot hier gebruiken
Gebruik het speciale teken Inspringen tot hier om regels in een alinea onafhankelijk van de waarde voor het links inspringen van de alinea te laten
inspringen. Het speciale teken Inspringen tot hier verschilt op de volgende punten van de linkse inspringing in een alinea:
Het teken Inspringen tot hier maakt deel uit van de tekstdoorloop, zoals elk ander zichtbaar teken. Als de tekst doorloopt, wordt
de inspringing ook verplaatst.
Inspringen tot hier is van toepassing op alle regels na de regel waaraan u het speciale teken hebt toegevoegd. Op deze wijze
kunt u dus een aantal regels in een alinea laten inspringen.
Als u Tekst > Verborgen tekens tonen kiest, wordt het teken Inspringen tot hier weergegeven.
Inspringen tot hier, speciaal teken
1. Klik met het gereedschap Tekst om de invoegpositie op de positie te plaatsen waar u tekst wilt laten inspringen.
2. Kies Tekst > Speciaal teken invoegen > Overig > Inspringen tot hier.
Meer Help-onderwerpen
Juridische kennisgevingen | Onlineprivacybeleid
Tekstcompositie
Naar boven
Naar boven
Tekstcompositie uitvoeren
Woordafbreking
Ongewenste woordafbrekingen voorkomen
Instellingen voor uitvulling wijzigen
Tekstcompositie uitvoeren
De vormgeving van tekst op een pagina wordt bepaald door een ingewikkelde interactie van processen die compositie wordt genoemd. Nadat u
woordspatiëring, letterspatiëring, glyph-schaling en opties voor woordafbreking hebt geselecteerd, wordt de samenstelling van tekst in InDesign
optimaal op deze parameters afgestemd.
InDesign bevat twee compositiemethoden: Adobe Composer alinea (de standaardmethode) en Adobe Composer enkele regel. Beide methoden
zijn beschikbaar in het menu van het regelpaneel. In het menu van het deelvenster Alinea, in het dialoogvenster Uitvulling en in het menu van het
regelpaneel kunt u aangeven welke methode u wilt gebruiken.
Op www.adobe.com/go/vid0075_nl vindt u een videodemo over het werken met tekst.
In InDesign Magazine Mind the Gaps vindt u een artikel over het oplossen van compositieproblemen.
Compositiemethoden
InDesign biedt u twee compositiemethoden: Adobe Composer alinea (de standaard) en Adobe Composer enkele regel. Bij beide methoden
worden eventuele afbrekingen geëvalueerd en wordt de compositie gemaakt die het beste aansluit bij de opties voor woordafbreking en uitvulling
die u voor een bepaalde alinea hebt opgegeven.
Adobe Composer alinea
Voor een gehele alinea worden alle mogelijke afbrekingen overwogen, waarna eerdere regels in de alinea kunnen worden geoptimaliseerd en zo
onaantrekkelijke afbrekingen verderop worden voorkomen. Compositie op basis van alinea's resulteert in gelijkmatige spatiëring en minder
afbreekstreepjes.
Composer alinea voert de compositie uit door mogelijke afbrekingen te overwegen, te evalueren en te classificeren op basis van onder meer
gelijkmatige letterspatiëring, woordspatiëring en woordafbreking.
In het dialoogvenster Woordafbreking kunt u de relatie bepalen tussen een betere spatiëring en minder afbreekstreepjes. (Zie Woordafbreking.)
Adobe Composer enkele regel
Deze methode biedt een traditionele benadering door de tekst regel voor regel samen te stellen. Deze optie is nuttig als u compositiewijzigingen in
latere bewerkingsfasen wilt beperken.
Een compositiemethode voor een alinea kiezen
Ga als volgt te werk:
Kies Adobe Composer alinea (de standaardoptie) of Adobe Composer enkele regel in het menu van het deelvenster Alinea.
Kies Uitvulling in het menu van het deelvenster Alinea of van het regelpaneel en kies vervolgens een optie in het menu
Composer.
Opmerking: Er kunnen extra plug-ins voor de compositie-engine van derden beschikbaar zijn in combinatie met interfaces waarmee u de
parameters van de engine kunt aanpassen.
Compositievoorkeuren instellen
1. Kies Bewerken > Voorkeuren > Compositie (Windows) of InDesign > Voorkeuren > Compositie (Mac OS).
2. Als u compositieproblemen op het scherm wilt markeren, selecteert u Overtredingen bijeenhouden en Overtredingen van
afbreken en uitvullen.
3. Als u tekst wilt uitvullen die doorloopt rondom een object, selecteert u Tekst naast een object uitvullen.
4. Klik op OK.
Woordafbreking
Naar boven
De instellingen die u voor woordafbreking en uitvulling kiest, beïnvloeden de horizontale afstand van regels en het esthetische aspect van tekst op
de pagina's. De opties voor woordafbreking bepalen of woorden kunnen worden afgebroken en zo ja, op welk punt.
Uitvulling wordt bestuurd door de gekozen uitlijningsoptie, de opgegeven woord- en letterspatiëring en het al dan niet gebruiken van glyph-
schaling. U kunt ook losse woorden uitvullen in smalle kolommen met geheel uitgevulde tekst.
In Mind the Gaps vindt u een artikel van Eda Warren over het voorkomen van compositieproblemen.
Afbreking handmatig aanpassen
U kunt woorden handmatig of automatisch afbreken, maar ook een combinatie van beide methoden gebruiken. De veiligste werkwijze bij
handmatige woordafbreking is het invoegen van een zacht afbreekstreepje, dat pas zichtbaar is als het woord wordt afgebroken aan het einde van
een regel. Als u een zacht afbreekstreepje aan het begin van een woord plaatst, wordt dat woord niet afgebroken.
1. Klik met het gereedschap Tekst op de plaats waar u het afbreekstreepje wilt invoegen.
2. Ga op een van de volgende manieren te werk:
Kies Tekst > Speciaal teken invoegen > Afbreekstreepjes en streepjes > Zacht afbreekstreepje.
Druk op Ctrl+Shift+- (Windows) of Command+Shift+- (Mac OS) om een zacht afbreekstreepje in te voegen.
Opmerking: Als u een zacht afbreekstreepje invoert in een woord, is het niet zeker dat het woord wordt afgebroken. De uiteindelijke afbreking
hangt af van andere instellingen voor woordafbreking en compositie. Door een zacht afbreekstreepje in een woord in te voeren, wordt dat woord
echter altijd bij het zachte afbreekstreepje afgebroken.
Woordafbreking automatisch aanpassen
Woordafbreking is gebaseerd op woordenlijsten die in een afzonderlijk gebruikerswoordenboek of in het document zelf zijn opgeslagen. U krijgt
een consistente woordafbreking door een bepaalde woordenlijst op te geven, wat vooral van belang is als u het document laat verwerken door een
servicebureau of als u deel uitmaakt van een werkgroep.
Als u automatische woordafbreking voor een alinea wilt in- of uitschakelen, selecteert of deselecteert u de optie Woordafbreking in het
deelvenster Alinea of in het regelpaneel. (U kunt deze optie ook in een alineastijl opnemen.)
Als u de optie voor automatische woordafbreking gebruikt, kunt u de instellingen aanpassen om de tekst mooier uit te vullen of minder
afbreekstreepjes te gebruiken. U kunt ook voorkomen dat woorden met hoofdletters en het laatste woord in een alinea worden afgebroken.
Opties voor automatische woordafbreking voor een alinea instellen
1. Klik in de alinea of selecteer de alinea's waarvoor de opties moeten gelden.
2. Kies Woordafbreking in het menu van het deelvenster Alinea.
3. Selecteer de optie Woordafbreking.
4. Wijzig indien nodig de volgende instellingen en klik vervolgens op OK:
Woorden met ten minste _ lettersHiermee geeft u het minimumaantal tekens voor afgebroken woorden op.
Na eerste _ letters / Voor laatste _ lettersHiermee geeft u het minimumaantal tekens op dat aan het begin of eind van een
woord met een leesteken kan worden afgebroken. Als u bijvoorbeeld in beide gevallen 3 opgeeft, wordt arrestante afgebroken
als arres- tante en niet als ar- restante of arrestan- te.
Limiet afbreekstreepje _ AfbreekstreepjesHiermee geeft u het maximum aantal afbrekingen op die kunnen voorkomen op
achtereenvolgende regels. Als u nul opgeeft, geldt er geen beperking voor het aantal afbreekstreepjes.
Zone voor woordafbrekingGeef het aantal spaties op dat aan het einde van een regel met niet-uitgevulde tekst mag staan
voordat woorden worden afgebroken. Deze optie is alleen van kracht als u de Composer enkele regel voor niet-uitgevulde
tekst gebruikt.
Betere spatiëring/Minder afbreekstreepjesU kunt het evenwicht tussen deze twee instellingen aanpassen met de
schuifregelaar onder aan het venster.
Woorden met hoofdletters afbrekenAls u woorden met hoofdletters niet wilt afbreken, schakelt u deze optie uit.
Laatste woord afbrekenAls u het laatste woord in een alinea niet wilt afbreken, schakelt u deze optie uit.
Woorden afbreken in kolommenAls u woorden niet zo wilt afbreken, dat de woorden worden opgesplitst tussen twee
kolommen, kaders of pagina's, schakelt u deze optie uit.
Ongewenste woordafbrekingen voorkomen
Met vaste afbreekstreepjes voorkomt u dat woorden worden afgebroken. Dit is nuttig bij onder meer eigennamen en woorden waarvan de losse
lettergrepen de vormgeving niet ten goede komen. Met vaste afbreekstreepjes kunt u ook meerdere woorden bijeenhouden, zoals een reeks
initialen en een achternaam (P. T. Barnum).
Afbreking in tekst voorkomen
1. Selecteer de tekst die u op dezelfde regel wilt houden.
Naar boven
2. Kies Niet afbreken in het menu van het deelvenster Teken of in het menu van het regelpaneel.
U kunt woordafbreking ook voorkomen door een zacht afbreekstreepje aan het begin van het woord te plaatsen. Druk op Ctrl+Shift+-
(Windows) of Command+Shift+- (Mac OS) om een zacht afbreekstreepje in te voegen.
Een vast afbreekstreepje maken
1. Klik met het gereedschap Tekst op de plaats waar u het afbreekstreepje wilt invoegen.
2. Kies Tekst > Speciaal teken invoegen > Afbreekstreepjes en streepjes >Vast afbreekstreepje.
Een vaste spatie maken
1. Klik met het gereedschap Tekst op de plaats waar u de spatie wilt invoegen.
2. Kies Tekst > Spatie(s) invoegen > Vaste spatie (of een ander spatieteken).
De breedte van de vaste spatie is afhankelijk van de tekengrootte en van de instellingen voor uitvulling en spatiëring. De breedte van het teken
Niet-afbrekende spatie (vaste breedte) blijft gelijk, ongeacht de context.
Instellingen voor uitvulling wijzigen
Gebruik het deelvenster Uitvulling om woordspatiëring, letterspatiëring en glyph-schaling tot in detail in te stellen. Het aanpassen van de spatiëring
is vooral handig voor uitgevulde tekst, maar u kunt ook de spatiëring van niet-uitgevulde tekst aanpassen.
Woord- en letterspatiëring in uitgevulde tekst aanpassen
1. Plaats de cursor in de alinea die u wilt wijzigen, of selecteer een tekstobject of kader om alle alinea's te wijzigen.
2. Kies Uitvulling in het menu van het deelvenster Alinea.
3. Voer waarden in voor Woordspatiëring, Letterspatiëring en Ruimte tussen glyphs. Het bereik van aanvaardbare spatiëring dat
u met de waarden van Minimum en Maximum definieert, geldt alleen voor uitgevulde alinea's. Met Gewenst geeft u de
gewenste spatiëring voor uitgevulde en niet-uitgevulde alinea's op:
WoordspatiëringDe ruimte tussen woorden die het resultaat is van het indrukken van de spatiebalk. Voor Woordspatiëring
kunt u waarden opgeven van 0% tot 1000%. Bij 100% wordt er geen extra ruimte tussen woorden toegevoegd.
LetterspatiëringDe afstand tussen letters, met inbegrip van de tekstspatiëring of tekenspatiëring. Voor letterspatiëring kunt u
waarden opgeven van –100% tot 500%. Bij 0% wordt geen ruimte tussen letters toegevoegd. Bij 100% wordt een volledige
spatiebreedte tussen letters toegevoegd.
Glyph-schalingDe breedte van tekens (elk lettertypeteken is een glyph). De waarden voor glyph-schaling kunnen variëren
van 50% tot 200%.
Spatiëringsopties worden altijd toegepast op een hele alinea. Gebruik de optie Tekstspatiëring als u de spatiëring van
enkele tekens wilt aanpassen, maar niet de spatiëring van de hele alinea.
4. Stel de optie Uitvullen enkel woord in om op te geven hoe u alinea's met één woord wilt uitvullen.
In smalle kolommen kan het gebeuren dat er op één regel slechts één woord staat. Als de alinea volledig moet worden
uitgevuld, is het mogelijk dat dit ene woord teveel wordt uitgerekt. In plaats van volledige uitvulling voor dergelijke woorden te
handhaven, kunt u ze centreren of op de linker- of rechtermarge uitlijnen.
Glyph-schaling in uitgevulde tekst instellen
1. Klik om een invoegpositie in een alinea te plaatsen of selecteer de alinea's waarvoor de opties moeten gelden.
2. Kies Uitvulling in het menu van het deelvenster Alinea.
3. Typ waarden voor Glyph-schaling Minimaal, Optimaal en Maximaal. Klik op OK.
Vóór (boven) en na (onder) glyph-schaling in uitgevulde tekst
Met glyph-schaling kunt u een gelijkmatigere uitlijning realiseren. Bij afwijking van meer dan 3% van de standaardwaarde van 100% kan echter
vervorming van lettervormen optreden. Voor het schalen van glyphs kunt u het beste waarden zonder grote verschillen opgeven, bijvoorbeeld
97-100-103, tenzij u een speciaal effect beoogt.
Een uitlijnspatie in uitgevulde tekst gebruiken
Met een uitlijnspatie voegt u een variabele hoeveelheid ruimte toe aan de laatste regel van een volledig uitgevulde alinea (tussen het laatste
woord en een einde-artikel-teken in een decoratief lettertype). Binnen niet-uitgevulde tekst ziet een uitlijnspatie er als een gewone spatie uit. In
uitgevulde tekst wordt deze spatie zo breed gemaakt als alle beschikbare extra ruimte op de laatste regel. Een uitlijnspatie kan grote gevolgen
hebben voor de manier waarop een gehele alinea door Adobe Composer alinea wordt opgemaakt.
Vóór en na het toevoegen van een uitlijnspatie
1. Klik met het gereedschap Tekst pal voor het teken dat het einde van het artikel aangeeft.
2. Kies Tekst > Spatie(s) invoegen > Uitlijnspatie.
Opmerking: Het effect van een uitlijnspatie wordt pas zichtbaar nadat u de optie Alle regels uitvullen hebt toegepast op de alinea.
Te losse of te compacte regels markeren
Omdat de compositie van een tekstregel behalve woord- en letterspatiëring nog meer aspecten omvat, zoals voorkeuren voor woordafbreking,
kunnen uw instellingen voor woord- en letterspatiëring niet altijd worden toegepast. Compositieproblemen in tekstregels kunnen echter geel worden
gemarkeerd. De donkerste van de drie geeltinten wijst op de ernstigste problemen.
1. Kies Bewerken > Voorkeuren > Compositie (Windows) of InDesign > Voorkeuren > Compositie (Mac OS).
2. Selecteer Overtredingen van afbreken en uitvullen en klik op OK.
Meer Help-onderwerpen
Video over het werken met tekst
Juridische kennisgevingen | Onlineprivacybeleid
Tabellen
Bepaalde inhoud waarnaar op deze pagina wordt gelinkt, is mogelijk alleen in het Engels beschikbaar.
Tabellen maken
Naar boven
Tabellen maken
Tekst aan een tabel toevoegen
Afbeeldingen aan een tabel toevoegen
Kop- en voetteksten toevoegen aan tabellen
Een tabel bestaat uit rijen en kolommen cellen. In een cel kunt u, net als in een tekstkader, tekst, verankerde kaders of andere tabellen plaatsen.
U kunt tabellen maken in Adobe InDesign CS5 of deze uit andere toepassingen exporteren.
Tabellen maken
Een tabel bestaat uit rijen en kolommen cellen. In een cel kunt u net zoals in een tekstkader tekst, inline-afbeeldingen of andere tabellen plaatsen.
U kunt geheel nieuwe tabellen maken of u kunt bestaande tekst omzetten naar tabellen. Het is bovendien mogelijk een tabel in te sluiten in een
andere tabel.
Als u een nieuwe tabel maakt, vult de nieuwe tabel de breedte van het containertekstkader. Een tabel wordt op dezelfde regel ingevoegd als de
invoegpositie aan het begin van de regel staat, of op de volgende regel als de invoegpositie in het midden van de regel staat.
Tabellen met de omringende tekst net als inline-afbeeldingen schuiven. Zo loopt een tabel door gekoppelde kaders als de tekengrootte van de
tekst boven de tabel wordt gewijzigd of als er tekst wordt toegevoegd of verwijderd. Een tabel kan echter niet op een kader met padtekst
verschijnen.
Op www.adobe.com/go/vid0081_nl vindt u een videodemo over het maken en opmaken van tabellen.
Voor meer informatie over het maken en opmaken van tabellen leest u het artikel Mind Your Table Manners van Michael Murphy.
Een nieuwe tabel maken
De tabel die u maakt, vult de breedte van het tekstkader.
1. Plaats met het gereedschap Tekst de invoegpositie op de plaats waar u de tabel wilt invoegen.
2. Kies Tabel > Tabel invoegen.
3. Geef het aantal rijen en kolommen op.
4. Als de tabelinhoud meer dan één kolom of kader beslaat, geeft u het aantal rijen voor kop- of voetteksten op waarin u
bepaalde gegevens wilt herhalen.
5. (Optioneel) Geef een tabelstijl op.
6. Klik op OK.
De rijhoogte van een tabel wordt bepaald door de opgegeven tabelstijl. Zo kan een tabelstijl bijvoorbeeld celstijlen gebruiken voor de opmaak van
verschillende delen van de tabel. Als een van deze celstijlen alineastijlen bevat, bepaalt de regelafstandwaarde van de alineastijlen de rijhoogte
van dat gebied. Als er geen alineastijl wordt gebruikt, wordt de rijhoogte bepaald door de standaardwitruimte van het document. (De witruimte is
gebaseerd op de waarde voor de regelafstand. (Een witruimte rond de pagina is de geschatte hoogte van de markering in geselecteerde tekst.)
Van bestaande tekst een tabel maken
Voordat u tekst naar een tabel omzet, moet u controleren of de tekst juist is opgesteld.
1. U maakt tekst gereed voor de omzetting door tabs, komma's, alinea-einden of een ander teken voor het aangeven van
kolommen in te voeren. Voeg tabs, komma's, alinea-einden of een ander teken in om de rijen aan te geven. (In veel gevallen
kan tekst worden omgezet naar een tabel zonder dat de tekst hoeft te worden bewerkt.)
2. Selecteer met het gereedschap Tekst de tekst die u naar een tabel om wilt zetten.
3. Kies Tabel > Tekst omzetten in tabel.
4. Geef bij Scheidingsteken kolom en Scheidingsteken rij op waar de nieuwe kolommen en rijen moeten beginnen. Kies in het
veld Scheidingsteken kolom of Scheidingsteken rij de optie Tab, Komma of Alinea of typ een teken, bijvoorbeeld een
puntkomma (;). (Elk teken dat u hier invoert, staat in het menu wanneer u weer een tabel van tekst gaat maken.)
5. Als u hetzelfde scheidingsteken voor kolommen en rijen invoert, moet u het aantal kolommen voor de tabel invoeren.
6. (Optioneel) Geef een tabelstijl voor de opmaak van de tabel op.
7. Klik op OK.
Als er in een rij minder items staan dan het aantal kolommen in de tabel, zijn de overige cellen leeg.
Naar boven
Naar boven
Naar boven
Een tabel in een andere tabel insluiten
1. Ga op een van de volgende manieren te werk:
Selecteer de cellen of tabel die u wilt insluiten en kies Bewerken > Knippen of Kopiëren. Plaats de invoegpositie in de cel
waar u de tabel wilt invoegen en kies Bewerken > Plakken.
Klik in een cel, kies Tabel > Tabel invoegen, geef het aantal rijen en kolommen op en klik op OK.
2. Pas desgewenst de celinzet aan. (Zie Tekst in een tabel opmaken.)
Als u een tabel in een cel maakt, kunt u niet met de muis dat deel van de tabel selecteren dat buiten de cel valt. Maak in plaats daarvan de rij of
kolom groter of plaats de invoegpositie in het eerste deel van de tabel en verplaats met de sneltoetsen de invoegpositie en selecteer de tekst.
Tabellen uit andere programma's importeren
Wanneer u een Microsoft Word-document met tabellen of een Microsoft Excel-spreadsheet importeert met de opdracht Plaatsen, krijgen de
geïmporteerde gegevens de vorm van een bewerkbare tabel. U kunt de opmaak bepalen met gebruik van het dialoogvenster Importopties.
U kunt ook gegevens vanuit een Excel-spreadsheet of een Word-tabel in een InDesign- of InCopy-document plakken. De voorkeursinstellingen
voor Klembordafhandeling bepalen hoe tekst die uit een andere toepassing is geplakt wordt opgemaakt. Wanneer u Alleen tekst hebt
geselecteerd, worden de gegevens weergegeven als niet-opgemaakte tekst met tabs die u vervolgens kunt omzetten naar een tabel. Wanneer u
Alle informatie hebt geselecteerd, wordt de geplakte tekst in een opgemaakte tabel weergegeven.
Als u tekst uit een andere toepassing naar een bestaande tabel plakt, dient u voldoende rijen en kolommen voor de geplakte tekst in te voegen.
Selecteer de optie Alleen tekst bij de voorkeuren voor Klembordafhandeling en zorg ervoor dat er minstens één cel is geselecteerd (tenzij u de
geplakte tabel in een cel wilt insluiten).
Als u meer controle over de opmaak van de geïmporteerde tabel wilt hebben of de opmaak van de spreadsheet wilt behouden, gebruikt u de
opdracht Plaatsen om de tabel te importeren. Als u een koppeling naar de spreadsheet wilt behouden, selecteert u de optie Koppelingen maken
bij het plaatsen van tekst- en spreadsheetbestanden in de voorkeursinstellingen bij Bestandsafhandeling.
U kunt tekst met tabs ook kopiëren en plakken in geselecteerde tabelcellen. Dit is een goede manier om inhoud te vervangen met behoud van
de opmaak. Veronderstel bijvoorbeeld dat u de inhoud van een opmaaktabel in een maandblad wilt bijwerken. U zou de inhoud kunnen
koppelen aan een Excel-spreadsheet. Als de inhoud echter afkomstig is uit een andere bron, kunt u de tekst met tabs met de nieuwe inhoud
kopiëren, het celbereik in de opgemaakte InDesign-tabel selecteren en vervolgens de tekst plakken.
Tekst aan een tabel toevoegen
U kunt tekst, verankerde objecten, XML-labels en andere tabellen aan tabelcellen toevoegen. De hoogte van een tabelrij wordt aangepast als er
extra tekstregels worden toegevoegd, tenzij u een vaste rijhoogte hebt ingesteld. U kunt geen voetnoten toevoegen aan tabellen.
Voer een van de volgende handelingen uit met het gereedschap Tekst :
Plaats de invoegpositie in een cel en voer tekst in. Druk op Enter of Return om een nieuwe alinea in dezelfde cel te maken.
Druk op Tab om voorwaarts door cellen te gaan (als u in de laatste cel op Tab drukt, wordt een nieuwe rij ingevoegd). Druk op
Shift+Tab om achterwaarts door cellen te gaan.
Kopieer de tekst, plaats de invoegpositie in een cel en kies Bewerken > Plakken.
Plaats de invoegpositie op de plaats in een cel waar u tekst wilt toevoegen, kies Bestand > Plaatsen en dubbelklik op een
tekstbestand.
Afbeeldingen aan een tabel toevoegen
Op www.adobe.com/go/vid0083_nl vindt u een videodemo over het plaatsen van afbeeldingen in een tabel.
Ga als volgt te werk:
Plaats de invoegpositie op de plaats waar u de afbeelding wilt invoegen, kies Bestand > Plaatsen en dubbelklik op de
bestandsnaam van de afbeelding.
Plaats de invoegpositie op de plaats waar u de afbeelding wilt invoegen, kies Object > Verankerd object > Invoegen en geef
instellingen op. Naderhand kunt u een afbeelding aan het verankerde object toevoegen.
Kopieer een afbeelding of een kader, plaats de invoegpositie en kies Bewerken > Plakken.
Als u een afbeelding toevoegt die groter is dan de cel, wordt de celhoogte aan de afbeelding aangepast. De breedte wijzigt niet, waardoor de
afbeelding aan de rechterkant van de cel kan uitsteken. Als de rij waarin de afbeelding is geplaatst, een vaste hoogte heeft, loopt de cel over als
er een afbeelding wordt geplaatst die groter is dan de rijhoogte.
U kunt voorkomen dat een cel overloopt door de afbeelding buiten de tabel te plaatsen, de grootte van de afbeelding te wijzigen en deze
vervolgens weer in de tabelcel te plakken.
Kop- en voetteksten toevoegen aan tabellen
Wanneer u een lange tabel maakt, kan die groter zijn dan één kolom, kader of pagina. Met kop- of voetteksten kunt u bepaalde gegevens boven
of onder aan elk gedeelte van de tabel herhalen.
Tijdens het maken van de tabel kunt u een rij voor de kop- en voettekst toevoegen. Met het dialoogvenster Tabelopties voegt u kop- en
voettekstrijen toe en wijzigt u de vormgeving van deze rijen. U kunt bodyrijen omzetten naar kop- en voettekstrijen.
Koptekstrijen die in elk kader één keer voorkomen
Als u tabellen doorlopend wilt nummeren (Tabel 1A, Tabel 1B enzovoort), voegt u een variabele toe aan de kop- of voettekst van de tabel. (Zie
Doorlopende bijschriften maken voor figuren en tabellen.)
Op www.adobe.com/go/vid0082_nl vindt u een videodemo over het maken van kop- en voetteksten voor tabellen.
Bestaande rijen omzetten naar een kop- of voettekstrij
1. Selecteer boven aan de tabel de rij voor de koptekst of onder aan de tabel de rij voor de voettekst.
2. Kies Tabel > Rijen omzetten > Naar koptekst of Naar voettekst.
Opties voor kop- en voettekstrijen wijzigen
1. Plaats de invoegpositie in de tabel en kies Tabel > Tabelopties > Kopteksten en voetteksten.
2. Geef het aantal kop- of voettekstrijen op. Er worden lege rijen boven of onder aan de tabel toegevoegd.
3. Geef op hoe de gegevens in de kop- of voettekst moeten worden weergegeven: in elke tekstkolom (als de tekstkaders uit
meerdere kolommen bestaan), één keer per kader of één keer per pagina.
4. Selecteer Overslaan: eerste als u de koptekst niet in de eerste rij van de tabel wilt laten weergeven. Selecteer Overslaan:
laatste als u de voettekst niet in de laatste rij van de tabel wilt laten weergeven.
De optie Overslaan: eerste is vooral handig wanneer u wilt aangeven dat de kop- of voettekst wordt vervolgd. Zo wilt u bij een
tabel die meerdere pagina's beslaat, mogelijk de koptekst "Tabel 2 (vervolg)" gebruiken. In dat geval wilt u niet dat "(vervolg)"
aan het begin van de tabel wordt weergegeven, dus u selecteert Overslaan: eerste en u typt Tabel 2 in de eerste rij van de
tabel.
5. Klik op OK.
Kop- of voettekstrijen verwijderen
Ga als volgt te werk:
Plaats de invoegpositie in de kop- of voettekstrij en kies Tabel > Rijen omzetten > Naar body.
Kies Tabel > Tabelopties > Kopteksten en voetteksten en geef een verschillend aantal kop- of voettekstrijen op.
Meer Help-onderwerpen
Video over het maken en opmaken van tabellen
Juridische kennisgevingen | Onlineprivacybeleid
Tabellen selecteren en bewerken
Naar boven
Cellen, rijen en kolommen in een tabel selecteren
Rijen en kolommen invoegen
Rijen, kolommen of tabellen verwijderen
De uitlijning wijzigen van een tabel in een kader
Navigeren door een tabel
Inhoud van tabellen knippen, kopiëren en plakken
Een tabel verplaatsen of kopiëren
Tabellen naar tekst omzetten
Tabellen combineren
Werken met tabellen in de artikeleditor
Cellen, rijen en kolommen in een tabel selecteren
Wanneer u de tekst in een cel geheel of gedeeltelijk selecteert, heeft die selectie dezelfde vormgeving als van tekst die buiten de tabel is
geselecteerd. Omvat de selectie echter meerdere cellen, dan worden de cellen plus de inhoud geselecteerd.
Als een cel meerdere kaders omvat en u plaatst de muisaanwijzer op een rij voor een kop- of voettekst die niet de eerste kop- of voettekstrij is,
verschijnt er een slotpictogram. U kunt de tekst en cellen in die rij dan niet selecteren. Als u de cellen in een kop- of voettekstrij wilt selecteren,
gaat u naar het begin van de tabel.
Cellen selecteren
Voer een van de volgende handelingen uit met het gereedschap Tekst :
U selecteert één cel door in een cel te klikken of u selecteert tekst en kiest vervolgens Tabel > Selecteren > Cel.
U selecteert meerdere cellen door over een celrand te slepen. Let daarbij op dat u niet de kolom- of rijlijn sleept, omdat u
anders de grootte van de tabel wijzigt.
U schakelt tussen het selecteren van alle tekst in een cel en het selecteren van de cel door op Esc te drukken.
Hele kolommen of rijen selecteren
Voer een van de volgende handelingen uit met het gereedschap Tekst :
Klik in een cel of selecteer tekst en kies Tabel > Selecteren > Kolom of Rij.
Plaats de aanwijzer op de bovenrand van een kolom of de linkerrand van een rij waarna de aanwijzer in een pijl ( of )
verandert en klik om de hele kolom of rij te selecteren.
Vóór en na het selecteren van een rij
Alle rijen voor koptekst, voettekst en hoofdtekst selecteren
1. Klik in een tabel of selecteer tekst.
2. Kies Tabel > Selecteren > Koptekstrijen, Bodyrijen of Voettekstrijen.
Een hele tabel selecteren
Voer een van de volgende handelingen uit met het gereedschap Tekst :
Klik in een tabel of selecteer tekst en kies Tabel > Selecteren > Tabel.
Plaats de aanwijzer boven de linkerhoek van de tabel (de aanwijzer wordt een pijl ) en klik om de hele tabel te selecteren.
Naar boven
Naar boven
Vóór en na het selecteren van een tabel
Sleep het gereedschap Tekst over de gehele tabel.
Een tabel kunt u net zo selecteren als een verankerde afbeelding. Plaats de invoegpositie direct voor of achter de tabel, houd Shift ingedrukt en
druk respectievelijk op de rechter- of linkerpijltoets om de tabel te selecteren.
Rijen en kolommen invoegen
U kunt rijen en kolommen op een aantal verschillende manieren invoegen.
Een rij invoegen
1. Plaats de aanwijzer onder of boven de rij waar u de nieuwe rij wilt invoegen.
2. Kies Tabel > Invoegen > Rij.
3. Geef het aantal rijen op.
4. Geef op of de nieuwe rij of rijen voor of na de actieve rij moeten worden ingevoegd en klik op OK.
De nieuwe cellen hebben dezelfde opmaak als de tekst in de rij waarin de invoegpositie is geplaatst.
U kunt ook een nieuwe rij maken door op Tab te drukken. De invoegpositie moet dan wel in de laatste cel staan.
Een kolom invoegen
1. Plaats de aanwijzer in de kolom waarnaast u de nieuwe kolom wilt invoegen.
2. Kies Tabel > Invoegen > Kolom.
3. Geef het aantal kolommen op.
4. Geef op of de nieuwe kolom of kolommen voor of na de actieve kolom moeten worden ingevoegd en klik op OK.
De nieuwe cellen hebben dezelfde opmaak als de tekst in de kolom waarin de invoegpositie is geplaatst.
Meerdere rijen en kolommen invoegen
1. Kies Tabel > Tabelopties > Tabelinstelling als de invoegpositie in een cel staat.
2. Geef een verschillend aantal rijen en kolommen op en klik op OK.
Rijen worden aan het einde van de tabel en kolommen rechts van de tabel toegevoegd.
Met het deelvenster Tabel kunt u het aantal rijen en kolommen wijzigen. Kies Venster > Tekst en tabellen > Tabel.
Een kolom of rij door middel van slepen invoegen
Als u bij het toevoegen van kolommen meer dan 1,5 keer de breedte van de desbetreffende kolom sleept, worden nieuwe kolommen toegevoegd
met dezelfde breedte als de originele kolom. Als u met slepen slechts één kolom invoegt, kan de nieuwe kolom smaller of breder zijn dan de
kolom waar u begon met slepen. Dit geldt ook voor rijen, tenzij de rijhoogte voor de rij die wordt gesleept is ingesteld op Minstens. Als u met
slepen slechts één rij maakt, wordt de grootte van die rij indien nodig aangepast, zodat er tekst kan worden ingevoerd.
1. Plaats het gereedschap Tekst op de rand van een kolom of rij, totdat er een pictogram van een tweepuntige pijl ( of )
verschijnt.
2. Houd de muisknop en Alt (Windows) of Option (Mac OS) ingedrukt en sleep omlaag om een nieuwe rij te maken of sleep naar
rechts om een nieuwe kolom te maken. (Als u eerst op Alt of Option drukt en dan pas de muisknop indrukt, verschijnt het
handje. Sleep eerst en druk daarna pas op Alt of Option.)
Opmerking: Met slepen kunt u geen rijen boven een tabel of kolommen links van een tabel invoegen. Deze velden worden gebruikt voor het
selecteren van rijen en kolommen.
Rijen, kolommen of tabellen verwijderen
U verwijdert een rij, kolom of tabel door de invoegpositie in de tabel te plaatsen of door tekst in de tabel te selecteren en
vervolgens Tabel > Verwijderen > Rij, Kolom of Tabel te kiezen.
U verwijdert rijen en kolommen in het dialoogvenster Tabelopties door Tabel > Tabelopties > Tabelinstelling te kiezen. Geef
een verschillend aantal rijen en kolommen op en klik op OK. Rijen worden aan het einde van de tabel verwijderd, en
Naar boven
Naar boven
Naar boven
Naar boven
kolommen rechts van de tabel.
U verwijdert een rij of kolom met de muis door de muisaanwijzer op de onder- of rechterrand van de tabel te plaatsen en te
wachten totdat er een tweepuntige pijl ( of ) verschijnt. Houd de muisknop en Alt (Windows) of Option (Mac OS) ingedrukt
terwijl u omhoog sleept om rijen te verwijderen of terwijl u naar links sleept om kolommen te verwijderen.
Opmerking: Als u eerst op Alt of Option drukt en dan pas de muisknop indrukt, verschijnt het handje. Sleep eerst en druk
daarna pas op Alt of Option.
U verwijdert celinhoud zonder de cellen te verwijderen door de cellen te selecteren waaruit u de tekst wilt verwijderen of door
met het gereedschap Tekst de tekst in de cellen te selecteren. Druk op Backspace of Delete of kies Bewerken > Wissen.
De uitlijning wijzigen van een tabel in een kader
Een tabel neemt de breedte van het tekstkader of de tabelcel aan waarin de tabel wordt gemaakt. U kunt de grootte van het tekstkader of de tabel
aanpassen, zodat de tabel breder of smaller dan het kader wordt. Als u dat doet, kunt u ook instellen of de tabel in het kader moet worden
uitgelijnd.
1. Plaats de invoegpositie rechts of links van de tabel. Zorg ervoor dat de tekstinvoegpositie op de tabelalinea en niet in de tabel
is geplaatst. De invoegpositie wordt even groot als de tabel in het kader.
2. Klik op een uitlijningsknop (bijvoorbeeld Centreren) in het deelvenster Alinea of in het regelpaneel.
Navigeren door een tabel
U kunt de invoegpositie binnen een tabel verplaatsen met Tab of met de pijltoetsen. U kunt ook naar een bepaalde rij springen, hetgeen vooral
handig is in grote tabellen.
Binnen een tabel navigeren met Tab
Druk op Tab om naar de volgende cel te gaan. Als u in de laatste tabelcel op Tab drukt, wordt er een nieuwe rij gemaakt. Zie
Tekst in een tabel opmaken voor informatie over het invoegen van tabs en inspringingen in een tabel.
Druk op Shift+Tab om naar de vorige cel te gaan. Als u in de eerste tabelcel op Shift+Tab drukt, wordt de invoegpositie naar
de laatste tabelcel verplaatst.
Binnen een tabel navigeren met de pijltoetsen
Met de pijltoetsen kunt u in en tussen tabelcellen navigeren. Als u op Pijl-rechts drukt wanneer de invoegpositie aan het einde van de laatste cel
in een rij staat, gaat de invoegpositie naar het begin van de eerste cel in dezelfde rij. Als u op Pijl-omlaag drukt wanneer de invoegpositie aan het
einde van de laatste cel in een kolom staat, gaat de invoegpositie naar het begin van de eerste cel in dezelfde kolom.
Naar een bepaalde rij in een tabel gaan
1. Kies Tabel > Naar rij.
2. Ga als volgt te werk:
Geef het gewenste rijnummer op en klik op OK.
Kies Koptekst of Voettekst in het menu en klik op OK als er in de tabel een rij voor een kop- of voettekst is gedefinieerd.
Inhoud van tabellen knippen, kopiëren en plakken
Het effect van knippen, kopiëren en plakken is hetzelfde bij geselecteerde tekst in een cel als bij tekst die buiten een tabel is geselecteerd. U kunt
ook cellen en de inhoud ervan knippen, kopiëren en plakken. Als bij het plakken de invoegpositie in een tabel staat, worden meerdere cellen die
worden geplakt, als een tabel in de tabel geplaatst. U kunt ook de hele tabel verplaatsen of kopiëren.
1. Selecteer de cellen die u wilt knippen of kopiëren, en kies Bewerken > Knippen of Kopiëren.
2. Ga als volgt te werk:
U sluit een tabel in een andere tabel in door de invoegpositie in de cel te plaatsen op de positie waar u de tabel wilt
invoegen en Bewerken > Plakken te kiezen.
U vervangt bestaande cellen door een of meer cellen in de tabel te selecteren (zorg ervoor dat er voldoende cellen onder
en rechts van de geselecteerde cel staan) en Bewerken > Plakken te kiezen.
Een tabel verplaatsen of kopiëren
1. Selecteer de volledige tabel door de invoegpositie in de tabel te plaatsen en Tabel > Selecteren > Tabel te kiezen.
2. Kies Bewerken > Knippen of Kopiëren, verplaats de invoegpositie naar de locatie waar u de tabel wilt plakken en kies
Bewerken > Plakken.
Naar boven
Naar boven
Naar boven
Tabellen naar tekst omzetten
1. Plaats met het gereedschap Tekst de invoegpositie in de tabel of selecteer de tekst in de tabel.
2. Kies Tabel > Tabel omzetten in tekst.
3. Geef bij Scheidingsteken kolom en Scheidingsteken rij de gewenste scheidingstekens op.
U kunt het beste voor kolommen en rijen een ander scheidingsteken gebruiken, bijvoorbeeld een tab voor kolommen en een
alinea-einde voor rijen.
4. Klik op OK.
Wanneer u een tabel naar tekst omzet, worden de tabellijnen verwijderd en wordt aan het einde van elke rij en kolom een door u bepaald
scheidingsteken ingevoegd.
Tabellen combineren
Gebruik de opdracht Plakken om twee of meer tabellen samen te voegen tot één tabel.
1. Voeg minstens zoveel lege rijen in de doeltabel in als het aantal rijen dat u uit de andere tabellen plakt. (Als u een lager
aantal rijen invoegt dan u hebt gekopieerd, kunt u niet plakken.)
2. Selecteer de cellen die u wilt kopiëren in de brontabel. (Als u meer kolomcellen kopieert dan er beschikbaar zijn in de
doeltabel, kunt u niet plakken.)
3. Selecteer minstens één cel waarin u de binnenkomende rijen wilt invoegen en kies Bewerken > Plakken.
Als de geplakte rijen op een andere manier zijn opgemaakt dan de rest van de tabel, definieert u een of meerdere celstijlen en past u deze toe
op de geplakte cellen. Houd Alt (Windows) of Option (Mac OS) ingedrukt en klik op de celstijl om de bestaande opmaak te overschrijven.
Voor meer informatie over het combineren van tabellen leest u het artikel Joining Tables van Anne-Marie Concepcion.
Werken met tabellen in de artikeleditor
Als u Bewerken > Bewerken in de artikeleditor kiest, worden tabellen en de inhoud ervan weergegeven in de artikeleditor. U kunt tabellen
bewerken in de artikeleditor.
Tabellen bewerken in de artikeleditor
A.
Tabelpictogram
B.
Overlopende tekst
C.
Overlopende afbeelding
U kunt de tabel in de artikeleditor uit- of samenvouwen door te klikken op het driehoekje links van het tabelpictogram boven
aan de tabel.
U bepaalt of de tabel wordt geordend op basis van rijen of kolommen door met de rechtermuisknop te klikken (Windows) of
Ctrl ingedrukt te houden en te klikken (Mac OS) op het tabelpictogram en Rangschikken op rijen of Rangschikken op
kolommen te kiezen.
Gebruik de layoutweergave om de tabel te bewerken en op te maken. U kunt geen kolommen of rijen selecteren in de
artikeleditor.
Meer Help-onderwerpen
Juridische kennisgevingen | Onlineprivacybeleid
Tabellen opmaken
Naar boven
Naar boven
Tabellen opmaken
De grootte van kolommen, rijen en tabellen wijzigen
Afstand voor of na een tabel wijzigen
Tabellen verbreken in kaders
Tekst vóór een tabel toevoegen
Tekst in een tabel opmaken
Cellen samenvoegen en splitsen
Werken met overlopende cellen
Tabellen opmaken
Met het regelpaneel of het deelvenster Teken kunt u tekst in een tabel opmaken, net zoals u gewone tekst zou opmaken. Bovendien kunt u de
tabel zelf ook opmaken met de dialoogvensters Tabelopties en Celopties. Met deze vensters kunt u het aantal rijen en kolommen wijzigen, de
vormgeving van de rand en vulling van de tabel veranderen, de ruimte boven en onder de tabel instellen, kop- en voettekstrijen bewerken en
andere opmaak toevoegen.
Gebruik het deelvenster Tabel, het regelpaneel of het contextmenu om de tabel op te maken. Selecteer een of meer cellen en klik met de
rechtermuisknop (Windows) of houd Control ingedrukt en klik (Mac OS) om een contextmenu met opmaakopties voor tabellen te openen.
Op www.adobe.com/go/vid0081_nl vindt u een videodemo over het maken en opmaken van tabellen.
De grootte van kolommen, rijen en tabellen wijzigen
U kunt de grootte van kolommen, rijen en tabellen op een aantal verschillende manieren wijzigen.
De grootte van kolommen en rijen wijzigen
1. Selecteer cellen in de kolommen en rijen waarvan u de grootte wilt wijzigen.
2. Ga op een van de volgende manieren te werk:
Geef in het deelvenster Tabel de instellingen voor de kolombreedte en rijhoogte op.
Kies Tabel > Celopties > Rijen en kolommen, geef de opties voor Rijhoogte en Kolombreedte op en klik op OK.
Opmerking: Als u met Minstens een minimumhoogte voor de rij instelt, wordt de rij hoger als er tekst wordt ingevoerd of
als de tekengrootte wordt veranderd. Als u met Exact een vaste rijhoogte instelt, verandert de hoogte van de rij niet als u
tekst toevoegt of verwijdert. Een vaste rijhoogte leidt vaak tot een overlopende cel. (Zie met Werken met overlopende
cellen.)
Plaats de muisaanwijzer op de rand van een kolom of rij en wacht totdat er een tweepuntige pijl ( of ) verschijnt. Sleep
naar links of rechts om de kolom breder of smaller te maken of sleep of omhoog of omlaag om de rij hoger of lager te
maken.
Vóór en na het slepen voor het wijzigen van de grootte van rijen
Standaard wordt de rijhoogte bepaald door de slug-hoogte van het huidige lettertype. De rijhoogte verandert ook als u de tekengrootte van de
volledige tekst in rijen wijzigt of als u de hoogte van de rij zelf verandert. De maximale rijhoogte wordt bepaald door de instelling bij Maximaal in
het gedeelte Rijen en kolommen in het dialoogvenster Celopties.
De grootte van rijen of kolommen wijzigen zonder dat de tabel breder wordt
Houd Shift ingedrukt tijdens het slepen van de rand van een rij of kolom (niet de tabelrand). Als de ene rij of kolom groter
wordt, wordt de andere kleiner.
Als u het formaat van rijen of kolommen proportioneel wilt wijzigen, houdt u Shift ingedrukt tijdens het slepen van de
Naar boven
Naar boven
Naar boven
Naar boven
rechterrand of onderrand van de tabel.
Als u tijdens het slepen van de rechterrand van de tabel Shift ingedrukt houdt, wordt de grootte van alle kolommen proportioneel gewijzigd. Houdt
u Shift ingedrukt tijdens het slepen van de onderste rand van de tabel, dan wordt de grootte van alle rijen proportioneel gewijzigd.
Grootte van de hele tabel wijzigen
Plaats met het gereedschap Tekst de muisaanwijzer op de hoek rechtsonder in de tabel (de aanwijzer wordt een pijl ) en maak de tabel
groter of kleiner door te slepen. Houd Shift ingedrukt om de hoogte/breedte-verhoudingen van de tabel te behouden.
Opmerking: Als de tabel groter is dan één kader in een artikel, kunt u de grootte van de hele tabel niet met de muis wijzigen.
Kolom en rijen evenredig verdelen
1. Selecteer de cellen in de kolommen of rijen die u even breed of hoog wilt maken.
2. Kies Tabel > Rijen evenredig verdelen of Kolommen evenredig verdelen.
Afstand voor of na een tabel wijzigen
1. Kies Tabel > Tabelopties > Tabelinstelling als de invoegpositie in de tabel staat.
2. Geef bij Tabelspatiëring verschillende waarden op voor Ruimte voor en Ruimte na en klik op OK.
Het veranderen van de afstand vóór een tabel heeft geen effect op de afstand van een tabelrij boven in een kader.
Tabellen verbreken in kaders
Stel met Opties bijeenhouden in hoeveel rijen er bij elkaar moeten blijven of waar een rij moet worden afgebroken, bijvoorbeeld boven in een
kolom of kader.
Wanneer u een tabel maakt die groter is dan het kader, loopt het kader over. Als u het kader aan een ander kader koppelt, loopt de tabel in dat
kader verder. Rijen worden in gekoppelde kaders als volledige rij verplaatst. U kunt een rij niet gedeeltelijk in een ander kader laten doorlopen.
Geef kop- of voettekstrijen op om gegevens in het nieuwe kader te herhalen.
1. Plaats de invoegpositie in de gewenste rij of selecteer een cellenbereik in de rijen die u bijeen wilt houden.
2. Kies Tabel > Celopties > Rijen en kolommen.
3. Kies Bij volgende rij houden als u de geselecteerde rijen bijeen wilt houden.
4. Kies de gewenste optie (bijvoorbeeld In volgend kader) in het menu Begin rij en klik op OK als u de rij op een bepaalde plaats
wilt afbreken.
Als u één tabel maakt die beide pagina's van een spread omvat, is het verstandig een lege kolom in het midden van de tabel in te voegen voor
de inzetmarges.
Tekst vóór een tabel toevoegen
Een tabel is verankerd aan de alinea voor en na de tabel. Als u aan het begin van een tekstkader een tabel invoegt, kunt u niet meer boven de
tabel klikken (invoegpositie plaatsen). De invoegpositie kunt u nu alleen met de pijltoetsen voor de tabel plaatsen.
Plaats de invoegpositie aan het begin van de alinea in de eerste cel, druk op de toets Pijl-links en begin te typen.
Tekst in een tabel opmaken
U kunt in principe dezelfde methoden gebruiken voor het opmaken van tekst in een tabel als voor het opmaken van tekst die niet in een tabel
staat.
Tabs in een tabelcel invoegen
Als de invoegpositie in een tabel staat, kunt u met Tab de invoegpositie in de volgende cel plaatsen. Maar u kunt ook een tab in een tabelcel
invoegen. Met het deelvenster Tabs stelt u de tabinstellingen in de tabel in. De tabinstellingen gelden voor de alinea waarin u de invoegpositie
hebt geplaatst.
1. Plaats met het gereedschap Tekst de invoegpositie op de plaats waar u een tab wilt invoegen.
2. Kies Tekst > Speciaal teken invoegen > Overig > Tab.
U wijzigt de tabinstellingen door de kolommen of cellen te selecteren waarvoor u deze instellingen wilt wijzigen en vervolgens Tekst > Tabs te
kiezen om het deelvenster Tabs te openen waar u de tabinstellingen kunt wijzigen.
Opmerking: Wanneer u met de liniaal voor de tabs een decimale tab aan een cel of groep cellen toevoegt, hoeft u niet aan het begin van elke
alinea op de Tab-toets te drukken om de tekst in de cellen uit te lijnen. De alinea's worden automatisch uitgelijnd op het decimaalteken, tenzij de
alinea al is opgemaakt, bijvoorbeeld uitgelijnd in het midden, waardoor de decimale tab wordt overschreven.
Naar boven
Naar boven
De uitlijning van tekst in een tabelcel wijzigen
1. Selecteer met het gereedschap Tekst de cel of cellen waarvan u de uitlijning wilt wijzigen.
2. Kies Tabel > Celopties > Tekst.
3. Selecteer bij Verticaal uitvullen een uitlijningsinstelling: Boven uitlijnen, Centreren, Onder uitlijnen of Verticaal uitvullen.
Als u Uitvullen selecteert, geeft u de limiet voor de alinea-afstand op. Hiermee wordt de ruimte tussen alinea's maximaal
ingesteld. (Zie Tekst uitlijnen of verticaal in een tekstkader uitvullen.)
4. Selecteer voor Eerste basislijn de optie waarmee u de afstand tussen de tekst en de bovenkant van de cel instelt.
De instellingen zijn gelijk aan de corresponderende instellingen in het dialoogvenster Opties tekstkader. (Zie Eigenschappen
van tekstkaders wijzigen)
5. Klik op OK.
Opmerking: U wijzigt de horizontale uitlijning van tekst in een cel met de uitlijnoptie in het deelvenster Alinea. U lijnt tekst in een cel op een
decimale tab uit door met het deelvenster Tabs een decimale tab toe te voegen.
Tekst in een cel roteren
1. Plaats de invoegpositie in de cel die u wilt roteren of selecteer de cellen die u wilt roteren.
2. Kies Tabel > Celopties > Tekst of open het deelvenster Tabel.
3. Selecteer een waarde voor Rotatie en klik op OK.
De inzetafstand van een cel wijzigen
1. Plaats met het gereedschap Tekst de invoegpositie in een cel of selecteer de cel of cellen waarvan u de inzet wilt wijzigen.
2. Kies Tabel > Celopties > Tekst of open het deelvenster Tabel.
3. Geef bij Celinzet waarden op voor Boven, Onder, Links en Rechts en klik op OK.
In veel gevallen wordt bij een grotere inzetafstand van de cel de cel ook hoger. Als de rij een vaste hoogte heeft, moet u ervoor zorgen dat er
voldoende speling is voor de inzetwaarden om overlopen van tekst te voorkomen.
Cellen samenvoegen en splitsen
U kunt de cellen in een tabel samenvoegen (combineren) of splitsen (verdelen).
Cellen samenvoegen
U kunt twee of meer cellen in dezelfde rij of kolom samenvoegen tot een enkele cel. U zou bijvoorbeeld de cellen op de bovenste rij van een tabel
kunnen samenvoegen tot een enkele cel waarin u de titel van de tabel plaatst.
1. Selecteer met het gereedschap Tekst de cellen die u wilt samenvoegen.
2. Kies Tabel > Cellen samenvoegen.
Samenvoegen cellen ongedaan maken
Plaats de invoegpositie in de samengevoegde cel en kies Tabel > Samenvoegen cellen ongedaan maken.
Cellen splitsen
U kunt cellen ook horizontaal of verticaal splitsen, wat vooral bij het maken van formuliertabellen van pas komt. U kunt meerdere cellen selecteren
en die verticaal of horizontaal splitsen.
1. Plaats de invoegpositie in de cel die u wilt splitsen, of selecteer een rij, kolom of blok cellen.
2. Kies Tabel > Cel verticaal splitsen of Cel horizontaal splitsen.
Werken met overlopende cellen
Over het algemeen wordt een cel hoger als er tekst of afbeeldingen in worden geplaatst. Als u echter een vaste rijhoogte hebt ingesteld en u tekst
of afbeeldingen toevoegt die te groot voor de cel zijn, staat er een kleine rode punt rechtsonder in de cel ten teken dat de cel overloopt.
U kunt overlopende tekst niet in een andere cel laten doorlopen. Het enige wat u kunt doen is de inhoud aanpassen aan de grootte van de cel, of
de cel (of het tekstkader waarin de tabel staat) groter maken.
Bij inline-afbeeldingen of tekst met een vaste regelafstand kan de inhoud van de cel buiten de cel komen. Met de optie Inhoud naar cel knippen
kunt u tekst of inline-afbeeldingen die te groot zijn voor de cel, aanpassen aan de grootte van de cel. Dit geldt echter niet wanneer inline-
afbeeldingen aan de onderkant (horizontaal) buiten de cel komen.
Inhoud van een overlopende cel weergeven
Ga op een van de volgende manieren te werk:
Maak de cel groter.
Wijzig de tekstopmaak. U selecteert de inhoud van een cel door te klikken in de overlopende cel, op Esc te drukken en met
het regelpaneel de tekst op te maken.
Een afbeelding in een cel uitknippen
Als een afbeelding te groot voor een cel is, komt de afbeelding buiten de cel. U kunt de delen van de afbeelding die buiten de cel komen, eraf
knippen.
1. Plaats de invoegpositie in de cel die u wilt knippen, of selecteer de gewenste cel of cellen.
2. Kies Tabel > Celopties > Tekst.
3. Selecteer Inhoud naar cel knippen en klik op OK.
Meer Help-onderwerpen
Video over het maken en opmaken van tabellen
Juridische kennisgevingen | Onlineprivacybeleid
Lijnen en vullingen van tabellen
Naar boven
Naar boven
Naar boven
Over lijnen en vullingen van tabellen
De tabelrand wijzigen
Lijnen en vullingen aan een cel toevoegen
Diagonale lijnen aan een cel toevoegen
Lijn- en vulopties voor tabellen
Wisselende lijnen en vullingen in een tabel
Over lijnen en vullingen van tabellen
U kunt op een aantal manieren lijnen en vullingen aan tabellen toevoegen. Gebruik het dialoogvenster Tabelopties om de lijn van de tabelrand te
wijzigen en om wisselende lijnen en vullingen aan kolommen en rijen toe te voegen. U wijzigt de lijnen en vullingen van elke cel of kop- of
voettekstcel afzonderlijk met het dialoogvenster Celopties of met de deelvensters Stalen, Lijn of Kleur.
Standaard overschrijft de opmaak die u in het dialoogvenster Tabelopties hebt geselecteerd, de opmaak die eerder op tabelcellen is toegepast. Als
u echter de optie Lokale opmaak behouden in het dialoogvenster Tabelopties hebt geselecteerd, worden de lijnen en vullingen die u per cel hebt
toegepast, niet overschreven.
Als u vaak dezelfde opmaak toepast op tabellen of cellen, kunt u beter tabel- of celstijlen maken en toepassen.
De tabelrand wijzigen
U kunt de tabelrand aanpassen in het dialoogvenster Tabelinstelling of het deelvenster Lijn.
1. Kies Tabel > Tabelopties > Tabelinstelling als de invoegpositie in een cel staat.
2. Geef onder Tabelrand de gewenste dikte, type, kleur, tint en tussenruimte op. (Zie Lijn- en vulopties voor tabellen.)
3. Selecteer onder Tekenvolgorde lijn de tekenvolgorde uit de volgende opties:
Beste verbindingenAls deze optie is geselecteerd, liggen er rijlijnen vóór de punten waar diverse kleuren elkaar kruisen.
Wanneer daarbij lijnen zoals dubbele lijnen elkaar kruisen, worden de lijnen samengevoegd en de kruispunten met elkaar
verbonden.
Rijlijnen op voorgrondAls deze optie is geselecteerd, worden er rijlijnen op de voorgrond weergegeven.
Kolomlijnen op voorgrondAls deze optie is geselecteerd, worden er kolomlijnen op de voorgrond weergegeven.
InDesign 2.0-compatibiliteitAls deze optie is geselecteerd, worden er rijlijnen op de voorgrond weergegeven. Wanneer
daarbij lijnen zoals dubbele lijnen elkaar kruisen, worden de lijnen samengevoegd en worden de kruispunten alleen op die
punten met elkaar verbonden waar de lijnen elkaar in een T-vorm kruisen.
4. Als u niet wilt dat de lijnopmaak van afzonderlijke cellen wordt overschreven, selecteert u Lokale opmaak behouden.
5. Klik op OK.
Als u de lijnen en vullingen uit een tabel verwijdert, kiest u Weergave > Extra's > Kaderranden tonen om de celgrenzen van de tabel weer te
geven.
Lijnen en vullingen aan een cel toevoegen
U kunt vullingen en lijnen toevoegen aan cellen met gebruik van het dialoogvenster Celopties, het deelvenster Lijn of het deelvenster Stalen.
Lijnen en vullingen toevoegen met gebruik van Celopties
U kunt instellen welke cellijnen worden opgemaakt met een lijn of vulling door lijnen in de voorvertoningsproxy te selecteren of te deselecteren. Als
u de vormgeving van alle rijen of kolommen in de tabel wilt wijzigen, moet u een wisselend lijn- of vulpatroon gebruiken waarin het tweede patroon
is ingesteld op 0.
1. Plaats met het gereedschap Tekst de invoegpositie in een cel of selecteer de cel of cellen waaraan u een lijn of vulling wilt
toevoegen. Als u een lijn of vulling wilt toevoegen aan kop- of voettekstrijen, selecteert u de kop- of voettekstcellen aan het
begin van de tabel.
2. Kies Tabel > Celopties > Lijnen en vullingen.
3. Geef in de voorvertoningsproxy aan op welke lijnen de wijzigingen moeten worden toegepast. Als u bijvoorbeeld een zware lijn
wilt toepassen op de buitenlijnen maar niet op de binnenlijnen van de geselecteerde cellen, klikt u op een binnenlijn om deze
Naar boven
Naar boven
te deselecteren. (Geselecteerde lijnen zijn blauw en niet-geselecteerde lijnen zijn grijs.)
Selecteer in de voorvertoningsproxy de lijnen die u wilt aanpassen.
U selecteert de gehele buitenste selectierechthoek door in de voorvertoningsproxy te dubbelklikken op een buitenlijn.
Dubbelklik op een binnenlijn om de binnenlijnen te selecteren. U selecteert of deselecteert alle lijnen door drie keer ergens
in de proxy te klikken.
4. Geef voor Cellijn de gewenste dikte, type, kleur, tint en tussenruimte op. (Zie Lijn- en vulopties voor tabellen.)
5. Geef voor Celvulling de gewenste kleur- en tintinstellingen op.
6. Selecteer desgewenst Lijn overdrukken en Vulling overdrukken en klik op OK.
Een lijn aan cellen toevoegen met het deelvenster Lijn
1. Selecteer de cel of cellen waaraan u een lijn wilt toevoegen. Als u een lijn op kop- of voettekstcellen wilt toepassen, selecteert
u de kop- of voettekstrij.
2. Kies Venster > Lijn om het deelvenster Lijn weer te geven.
3. Geef in de voorvertoningsproxy aan op welke lijnen de wijzigingen moeten worden toegepast.
4. Selecteer indien nodig de knop Object in de gereedschapsset. (Als de knop Tekst is geselecteerd, worden de
lijnwijzigingen toegepast op de tekst en niet op de cellen.)
5. Geef een dikte en lijntype op.
Een vulling toevoegen aan cellen met het deelvenster Stalen
1. Selecteer de cel of cellen waaraan u een lijn wilt toevoegen. Als u een vulling op kop- of voettekstcellen wilt toepassen,
selecteert u de kop- of voettekstrij.
2. Kies Venster > Kleur > Stalen om het deelvenster Stalen weer te geven.
3. Zorg dat de knop Object is geselecteerd. (Als de knop Tekst is geselecteerd, worden de kleurwijzigingen alleen toegepast
op de tekst en niet op de cellen.)
4. Selecteer een staal.
Een verloop toevoegen aan cellen met het deelvenster Verloop
1. Selecteer de cellen die u wilt opmaken. Als u een verloop op kop- of voettekstcellen wilt toepassen, selecteert u de kop- of
voettekstrij.
2. Kies Venster > Kleur > Verloop om het deelvenster Verloop weer te geven.
3. Klik in de verloopbalk om een verloop toe te passen op de geselecteerde cellen. Pas de verloopinstellingen naar wens aan.
Diagonale lijnen aan een cel toevoegen
1. Plaats met het gereedschap Tekst de invoegpositie in een cel of selecteer de cel of cellen waaraan u diagonale lijnen wilt
toevoegen.
2. Kies Tabel > Celopties > Diagonale lijnen.
3. Klik op de knop voor het type diagonale lijn dat u wilt toevoegen.
4. Geef bij Lijn de dikte, het type, de kleur en de tussenruimte op. Stel een tintpercentage en overdrukopties in en klik op OK.
5. Kies Diagonaal op voorgrond in het menu Tekenen als u de diagonale lijn vóór de inhoud van de cel wilt plaatsen en Inhoud
op voorgrond als u de diagonale lijn achter de celinhoud wilt plaatsen. Klik vervolgens op OK.
Lijn- en vulopties voor tabellen
Gebruik de volgende opties als u lijnen en vullingen voor een tabel of cellen gaat selecteren:
DikteBepaalt de lijndikte van een tabel- of celrand.
TypeBepaalt de lijnstijl, zoals Dik-Dun.
KleurBepaalt de kleur van de tabel- of celrand. De weergegeven opties zijn beschikbaar in het deelvenster Stalen.
Naar boven
TintBepaalt het inktpercentage van de opgegeven kleur die op de lijn of vulling moet worden toegepast.
Kleur tussenruimtePast een kleur op de gebieden tussen de strepen, punten of lijnen toe. Deze optie is niet beschikbaar als Ononderbroken is
geselecteerd voor Type.
Tint tussenruimtePast een tint op de gebieden tussen de strepen, punten of lijnen toe. Deze optie is niet beschikbaar als Ononderbroken is
geselecteerd voor Type.
OverdrukkenWanneer deze optie is geselecteerd, wordt de inkt die in de keuzelijst Kleur is geselecteerd, over de andere kleuren 'gesmeerd' en
worden die inktkleuren niet verwijderd.
Wisselende lijnen en vullingen in een tabel
U kunt lijnen en vullingen afwisselen waardoor het geheel beter leesbaar wordt of waardoor de algehele vormgeving van de tabel verbetert. Het
afwisselen van lijnen en vullingen in tabelrijen heeft geen invloed op kop- en voettekstrijen. Maar het gebruik van wisselende lijnen en vullingen in
kolommen heeft wel invloed op kop- en voettekstrijen.
De instellingen van wisselende lijnen en vullingen overschrijven de opmaak van de cellijnen, tenzij u de optie Lokale opmaak behouden in het
dialoogvenster Tabelopties hebt geselecteerd.
Als u op elke bodycel in de tabel niet alleen wisselende patronen maar ook een vulling of lijn wilt toepassen, kunt u toch met de instellingen
van wisselende lijnen en vullingen dergelijke niet-wisselende patronen maken. Om een dergelijk effect te maken, geeft u 0 op voor Volgende in
het tweede patroon.
Vóór (links) en na (rechts) wisselende vullingen in een tabel
Wisselende lijnen aan een tabel toevoegen
1. Kies Tabel > Tabelopties > Wisselende rijlijnen of Wisselende kolomlijnen als de invoegpositie in een cel staat.
2. Selecteer het gewenste patroontype voor Wisselend patroon. Selecteer Aangepast als u een patroon wilt opgeven,
bijvoorbeeld één kolom met een dikke zwarte lijn gevolgd door drie kolommen met dunne gele lijnen.
3. Geef bij Wisselend de vulopties op voor zowel het eerste patroon als het volgende patroon. U zou bijvoorbeeld een effen lijn
kunnen toevoegen aan de eerste kolom en een Dik-Dun-lijn aan de volgende kolom, zodat er een wisselend lijnenpatroon
ontstaat. Geef 0 op voor Volgende als u de lijnen op elke rij of kolom wilt toepassen.
Opmerking: In tabellen die meerdere kaders groot zijn, stoppen de wisselende lijnen en vullingen voor rijen aan het einde
van het kader. Ze worden dus niet herhaald in de volgende kaders van het artikel. (Zie Tabellen verbreken in kaders.)
4. Selecteer Lokale opmaak behouden als u de opgemaakte lijnen die reeds op de tabel zijn toegepast, wilt behouden.
5. Geef bij Overslaan: eerste of Overslaan: laatste op in hoeveel rijen of kolommen aan het begin of einde van de tabel de
lijnkenmerken niet hoeven te worden toegepast en klik op OK.
Wisselende vullingen aan een tabel toevoegen
1. Kies Tabel > Tabelopties > Tabelinstelling als de invoegpositie in een cel staat.
2. Selecteer het gewenste patroontype voor Wisselend patroon. Selecteer Aangepast als u een patroon wilt opgeven, zoals één
grijs gearceerde rij gevolgd door drie geel gearceerde rijen.
3. Geef bij Wisselend de vulopties op voor zowel het eerste patroon als het daaropvolgende patroon. Als u bijvoorbeeld Na elke
twee kolommmen voor Wisselend patroon hebt geselecteerd, kunt u de eerste twee kolommen grijs arceren en de volgende
twee kolommen niet arceren. Geef 0 op voor Volgende als u de vulling op elke rij wilt toepassen.
4. Selecteer Lokale opmaak behouden als u de opgemaakte vullingen die reeds op de tabel zijn toegepast, wilt behouden.
5. Geef bij Overslaan: eerste of Overslaan: laatste op in hoeveel rijen of kolommen aan het begin of einde van de tabel de
vulkenmerken niet hoeven te worden toegepast en klik op OK.
Wisselende lijnen en vullingen in een tabel uitschakelen
1. Plaats de invoegpositie in de tabel.
2. Kies Tabel > Tabelopties > Wisselende rijlijnen, Wisselende kolomlijnen of Wisselende vullingen.
3. Kies Geen bij Wisselend patroon en klik op OK.
Meer Help-onderwerpen
Juridische kennisgevingen | Onlineprivacybeleid
Tabel- en celstijlen
Naar boven
Over tabel- en celstijlen
Overzicht van de deelvensters Tabelstijlen en Celstijlen
Tabel- en celstijlen definiëren
Tabelstijlen laden (importeren) uit andere documenten
Tabel- en celstijlen toepassen
Een tabel- of celstijl baseren op een andere tabel- of celstijl
Tabel- en celstijlen bewerken
Tabel- en celstijlen verwijderen
Tabel- of celstijlen die zijn gebaseerd op de huidige opmaak opnieuw definiëren
Tabel- en celstijlen overschrijven
De koppeling met tabel- of celstijlen verbreken
Over tabel- en celstijlen
Net zoals u tekststijlen kunt gebruiken om tekst op te maken, kunt u tabel- en celstijlen gebruiken om tabellen op te maken. Een tabelstijl is een
verzameling kenmerken voor tabelopmaak, zoals tabelranden en rij- en kolomlijnen, die u in één keer kunt toepassen. Een celstijl bevat
opmaakkenmerken als celinzetten, alineastijlen en lijnen en vullingen. Wanneer u een stijl bewerkt, worden alle tabellen of cellen waarop deze stijl
is toegepast automatisch bijgewerkt.
Opmerking: Er bestaat één belangrijk verschil tussen tekststijlen en tabelstijlen. Alle tekenstijlkenmerken kunnen namelijk deel uitmaken van een
alineastijl, maar celstijlkenmerken kunnen geen deel uitmaken van de tabelstijl. U kunt een tabelstijl bijvoorbeeld niet gebruiken om de randkleur
van interne cellen te wijzigen. In plaats daarvan moet u een celstijl maken en deze opnemen in de tabelstijl.
De stijlen [Basistabel] en [Geen]
Standaard beschikt elk nieuw document over een stijl [Basistabel] die u kunt toepassen op nieuwe tabellen en over een stijl [Geen] die u kunt
toepassen om op cellen toegepaste celstijlen te verwijderen. U kunt de stijl [Basistabel] bewerken, maar u kunt de stijl [Basistabel] of [Geen] niet
hernoemen of verwijderen.
Celstijlen gebruiken in tabelstijlen
Wanneer u een tabelstijl maakt, kunt u opgeven welke celstijlen worden toegepast in verschillende delen van de tabel: kop- en voettekstrijen,
linker- en rechterkolommen en bodyrijen. U kunt bijvoorbeeld aan de koptekstrij een celstijl toewijzen die een alineastijl toepast, en aan de linker-
en rechterkolom kunt u andere celstijlen toewijzen die gekleurde achtergronden toepassen.
Celstijlen die zijn toegepast op gebieden in een tabelstijl
A.Koptekstrij die is opgemaakt met een celstijl die een alineastijl bevatB. LinkerkolomC. BodycellenD. Rechterkolom
Celstijlkenmerken
Celstijlen beschikken niet altijd over alle opmaakkenmerken van een geselecteerde cel. Wanneer u een celstijl maakt, kunt u opgeven welke
kenmerken in de stijl worden opgenomen. Op die manier worden bij het toepassen van de celstijl alleen de gewenste kenmerken, zoals de kleur
van de celvulling, toegepast en worden alle andere celkenmerken buiten beschouwing gelaten.
Opmaakprioriteiten in cellen
Als er een conflict optreedt in de opmaak die wordt toegepast op een tabelcel, wordt de volgende volgorde van prioriteit gebruikt om te bepalen
welke opmaak wordt gebruikt:
Celstijlprioriteit1. 1. Koptekst/voettekst 2. Linkerkolom/rechterkolom 3. Bodyrijen. Als een cel bijvoorbeeld zowel in de koptekst als in de
linkerkolom staat, wordt de opmaak van de koptekstcelstijl gebruikt.
Tabelstijlprioriteit1. 1. Celoverschrijvingen 2. Celstijl 3. Celstijlen die zijn toegepast van een tabelstijl 4. Tabeloverschrijvingen 5. Tabelstijlen. Als
Naar boven
Naar boven
Naar boven
u bijvoorbeeld een vulling toepast met gebruik van het dialoogvenster Celopties en een andere vulling toepast met gebruik van de celstijl, wordt de
vulling uit het dialoogvenster Celopties gebruikt.
Op www.adobe.com/go/vid0084_nl vindt u een videodemo over het gebruik van tabelstijlen.
Overzicht van de deelvensters Tabelstijlen en Celstijlen
Gebruik het deelvenster Tabelstijlen (Venster > Stijlen > Tabelstijlen) om tabelstijlen te maken en deze een naam te geven en om de stijlen toe te
passen op bestaande tabellen of op tabellen die u maakt of importeert. Gebruik het deelvenster Celstijlen (Venster > Stijlen > Celstijlen) om
celstijlen te maken en een naam te geven en om de stijlen toe te passen op tabelcellen. Stijlen worden opgeslagen bij het document en in het
deelvenster weergegeven wanneer u dat document opent. U kunt de tabel- en celstijlen in groepen opslaan, zodat u ze eenvoudiger kunt beheren.
Wanneer u de invoegpositie in een cel of tabel plaatst, wordt elke toegepaste stijl gemarkeerd weergegeven in een van de deelvensters. De naam
van een celstijl die is toegepast aan de hand van een tabelstijl wordt linksonder in het gebied Celstijlen weergegeven. Als u een bereik cellen met
meerdere stijlen selecteert, wordt er geen stijl gemarkeerd en wordt de tekst (Gemengd) weergegeven in het deelvenster Celstijlen.
Het deelvenster Tabelstijlen of Celstijlen openen
Kies Venster > Stijlen en kies Tabelstijlen of Celstijlen.
De vermelding van stijlen in het deelvenster wijzigen
Selecteer Kleine deelvensterrijen om een versmalde versie van de stijlen weer te geven.
Sleep de stijl naar een andere plaats. Het is ook mogelijk stijlen te slepen naar groepen die u hebt gemaakt.
Kies Sorteren op naam in het deelvenstermenu om de stijlen in alfabetische volgorde weer te geven.
Tabel- en celstijlen definiëren
Op www.adobe.com/go/vid0084_nl vindt u een videodemo over het gebruik van tabelstijlen.
1. Als u een nieuwe stijl wilt baseren op de opmaak van een bestaande tabel of cel, plaatst u de invoegpositie in een cel.
2. Definieer desgewenst een alineastijl voor de celstijl.
3. Kies Venster > Stijlen > Tabelstijlen om het deelvenster Tabelstijlen te openen, of kies Venster > Stijlen > Celstijlen om het
deelvenster Celstijlen te openen.
4. Kies Nieuwe tabelstijl in het menu van het deelvenster Tabelstijlen of kies Nieuwe celstijl in het menu van het deelvenster
Celstijlen.
5. Typ een naam bij Naam stijl.
6. Selecteer voor Gebaseerd op op welke stijl de huidige stijl moet worden gebaseerd.
7. Als u een sneltoets voor een stijl wilt definiëren, plaatst u de invoegpositie in het tekstvak Sneltoets (de toets Num-Lock moet
zijn ingeschakeld). Houd vervolgens een willekeurige combinatie van Shift, Alt en Ctrl (Windows) of Shift, Option en Command
(Mac OS) ingedrukt en druk op een toets op het numerieke toetsenblok. U kunt sneltoetsen voor stijlen alleen definiëren met
de toetsen van het toetsenblok.
8. Als u de opmaakkenmerken wilt opgeven, klikt u op een categorie links en geeft u de gewenste kenmerken op. Klik
bijvoorbeeld op de categorie Algemeen als u een alineastijl aan een celstijl wilt toewijzen en kies vervolgens een alineastijl in
het menu Alineastijl.
Opties voor celstijlen waarvoor geen instelling is opgegeven, worden genegeerd in de stijl. Als de instelling geen deel moet
uitmaken van de stijl, kiest u Negeren in het instellingenmenu, verwijdert u de inhoud uit het veld of klikt u op een selectievakje
tot een klein vak wordt weergegeven in Windows of een koppelteken (-) in Mac OS.
9. Als de nieuwe stijl moet worden weergegeven in een stijlgroep die u hebt gemaakt, sleept u deze naar de stijlgroepmap.
Tabelstijlen laden (importeren) uit andere documenten
U kunt tabel- en celstijlen uit andere InDesign-documenten importeren naar het actieve document. Tijdens het importeren kunt u bepalen welke
stijlen worden geladen en wat er moet gebeuren als een geladen stijl dezelfde naam heeft als een stijl in het huidige document. U kunt stijlen ook
vanuit een InCopy-document importeren.
1. Kies Celstijlen laden, Tabelstijlen laden of Tabel- en celstijlen laden in het menu van het deelvenster Celstijlen of Tabelstijlen.
2. Dubbelklik op het InDesign-document met de stijlen die u wilt importeren.
3. In het dialoogvenster Stijlen laden moet er een vinkje staan naast de stijlen die u wilt importeren. Als een bestaande stijl
dezelfde naam heeft als een van de geïmporteerde stijlen, kiest u een van de volgende opties onder Conflict met bestaande
stijl en klikt u op OK:
Binnenkomende stijldefinitie gebruikenHiermee vervangt u de bestaande stijl door de geladen stijl en past u de nieuwe
kenmerken van die stijl toe op alle cellen in het huidige document met de oude stijl. De definities van de binnenkomende en
bestaande stijlen worden onder aan het dialoogvenster Stijlen laden weergegeven, zodat u ze kunt vergelijken.
Naar boven
Naar boven
Naar boven
Naar boven
Naam automatisch wijzigenWijzigt de naam van de geladen stijl. Als beide documenten bijvoorbeeld de stijl 'Tabelstijl 1'
hebben, wordt de naam van de geladen stijl gewijzigd in Tabelstijl 1 - kopie' in het huidige document.
Tabel- en celstijlen toepassen
In tegenstelling tot alinea- en tekenstijlen delen tabel- en celstijlen geen kenmerken. Het toepassen van een tabelstijl overschrijft dus niet de
celopmaak en het toepassen van een celstijl overschrijft niet de tabelopmaak. Wanneer u een celstijl toepast, wordt standaard de door een vorige
celstijl toegepaste opmaak verwijderd, maar de lokale celopmaak wordt niet verwijderd. Op vergelijkbare wijze wordt door het toepassen van een
tabelstijl de opmaak van vorige tabelstijlen verwijderd, maar de met het dialoogvenster Tabelopties aangebrachte overschrijvingen worden niet
verwijderd.
In het deelvenster Stijlen wordt een plusteken (+) weergegeven naast de huidige cel- of tabelstijl als op de geselecteerde cel of tabel aanvullende
opmaak is toegepast die geen deel uitmaakt van de toegepaste stijl. Een dergelijke extra opmaak wordt overschrijving genoemd.
1. Plaats de invoegpositie in een tabel of selecteer de cellen waarop u de stijl wilt toepassen.
2. Ga op een van de volgende manieren te werk:
Klik op de tabel- of celstijl in het deelvenster Tabelstijlen of Celstijlen (kies Venster > Stijlen > Tabelstijlen of Celstijlen).
Als de stijl deel uitmaakt van een stijlgroep, breidt u de stijlgroep uit om de stijl te zoeken.
Druk op de sneltoets die u hebt gedefinieerd voor de stijl. (Num-Lock moet zijn ingeschakeld.)
Een tabel- of celstijl baseren op een andere tabel- of celstijl
U kunt koppelingen tussen vergelijkbare tabel- of celstijlen maken door een basisstijl (bovenliggende stijl) te maken. Wanneer u de bovenliggende
stijl bewerkt, worden alle gewijzigde kenmerken in de onderliggende stijlen ook gewijzigd. Standaard zijn tabelstijlen gebaseerd op [Geen tabelstijl]
en zijn celstijlen gebaseerd op [Geen].
1. Maak een nieuwe stijl.
2. Selecteer in het dialoogvenster Nieuwe alineastijl of Nieuwe tekenstijl de bovenliggende stijl in het menu Gebaseerd op. De
nieuwe stijl wordt de onderliggende stijl.
3. Geef opmaak op voor de nieuwe stijl, zodat u deze kunt onderscheiden van de bovenliggende stijl.
Tabel- en celstijlen bewerken
Een van de voordelen van stijlen is dat wanneer u een stijldefinitie wijzigt, alle tabellen en cellen die met die stijl zijn opgemaakt, automatisch
worden bijgewerkt met de nieuwe stijldefinitie.
1. Ga op een van de volgende manieren te werk:
Als u de stijl niet op de geselecteerde tabel of cel wilt toepassen, klikt u met de rechtermuisknop (Windows) of houdt u
Control ingedrukt en klikt u (Mac OS) op de stijlnaam in het deelvenster Stijlen en kiest u Bewerken [stijlnaam].
Dubbelklik in het deelvenster Stijlen op de stijl of selecteer de stijl en kies Stijlopties in het menu van het deelvenster
Stijlen. Met deze methode wordt de celstijl toegepast op elke geselecteerde cel of wordt de tabelstijl toegepast op elke
geselecteerde tabel. Als er geen tabel is geselecteerd en u op een tabelstijl dubbelklikt, wordt deze stijl de standaardstijl
voor alle tabellen die u maakt.
2. Wijzig de instellingen in het dialoogvenster en klik op OK.
Tabel- en celstijlen verwijderen
Wanneer u een stijl verwijdert, kunt u die stijl door een andere stijl vervangen en kunt u instellen dat de opmaak behouden blijft.
1. Selecteer de stijl in het deelvenster Stijlen.
2. Ga op een van de volgende manieren te werk:
Kies Stijl verwijderen in het menu van het deelvenster.
Klik op het pictogram Verwijderen onder in het deelvenster of sleep de stijl naar het pictogram Verwijderen.
Klik met de rechtermuisknop (Windows) of houd Control ingedrukt en klik (Mac OS) op de stijl en kies Stijl verwijderen.
Deze methode is vooral handig als u een stijl verwijdert zonder deze toe te passen op de geselecteerde cel of tabel.
3. Selecteer de stijl die u wilt vervangen.
Als u [Geen tabelstijl] selecteert om een tabelstijl te vervangen of [Geen] om een celstijl te vervangen, selecteert u Opmaak
behouden om de opmaak van de tabel of cel waarop de stijl is toegepast te behouden. De tabel of cel behoudt de opmaak,
maar is niet langer aan een stijl gekoppeld.
Naar boven
Naar boven
Naar boven
4. Klik op OK.
Tabel- of celstijlen die zijn gebaseerd op de huidige opmaak opnieuw definiëren
Nadat u een stijl hebt toegepast, kunt u de instellingen van die stijl overschrijven. Als de wijzigingen u bevallen, kunt u de stijl opnieuw definiëren,
zodat de nieuwe opmaak behouden blijft.
1. Plaats de invoegpositie in de tabel of cel die is opgemaakt met de stijl die u opnieuw wilt definiëren.
2. Breng de gewenste wijzigingen aan in de tabel of de cel.
3. Kies Stijl opnieuw definiëren in het menu van het deelvenster Stijlen.
Opmerking: Als u alleen de kenmerken van celstijlen wijzigt die deel uitmaken van de celstijl, wordt de opdracht Stijl opnieuw definiëren
ingeschakeld. Als de celstijl bijvoorbeeld een rode vulling bevat en u een cel overschrijft zodat een blauwe vulling wordt gebruikt, kunt u de stijl op
basis van die cel opnieuw definiëren. Maar als u een kenmerk wijzigt dat wordt genegeerd in de celstijl, kunt u de stijl niet opnieuw definiëren met
dat kenmerk.
Tabel- en celstijlen overschrijven
Nadat u een tabel- of celstijl hebt toegepast, kunt u de instellingen van die stijl overschrijven. U kunt een tabelstijl overschrijven door opties te
wijzigen in het dialoogvenster Tabelopties. Als u een cel wilt overschrijven, kunt u opties wijzigen in het dialoogvenster Celopties of u kunt de
vulling of lijn wijzigen met andere deelvensters. Als u een tabel of cel met een overschrijving selecteert, wordt er een plusteken (+) weergegeven
naast de stijl in het deelvenster Stijlen.
U kunt tabel- en celoverschrijvingen wissen wanneer u een stijl toepast. U kunt ook overschrijvingen wissen uit een tabel of cel waarop al een stijl
is toegepast.
Als er naast een stijl een plusteken (+) staat, kunt u een beschrijving van de overschrijvingskenmerken bekijken door de muisaanwijzer op de
stijl te plaatsen.
Overschrijvingen behouden of verwijderen wanneer u een tabelstijl toepast
Als u een tabelstijl wilt toepassen en de celstijlen wilt behouden, maar overschrijvingen wilt verwijderen, houdt u Alt (Windows)
of Option (Mac OS) ingedrukt terwijl u op de stijl klikt in het deelvenster Tabelstijlen.
Als u een tabelstijl wilt toepassen en zowel celstijlen als overschrijvingen wilt verwijderen, houdt u Alt+Shift (Windows) of
Option+Shift (Mac OS) ingedrukt terwijl u op de stijl klikt in het deelvenster Tabelstijlen.
Klik met de rechtermuisknop (Windows) of houd Control ingedrukt en klik (Mac OS) op de stijl in het deelvenster Tabelstijlen. Kies vervolgens
Toepassen [tabelstijl], Celstijlen wissen om een stijl toe te passen en celstijlen te wissen.
Overschrijvingen verwijderen tijdens het toepassen van een celstijl
Als u een celstijl wilt toepassen en overschrijvingen wilt verwijderen, houdt u Alt (Windows) of Option (Mac OS) ingedrukt terwijl u op de naam
van de stijl in het deelvenster Celstijlen klikt.
Opmerking: Alleen de kenmerken die deel uitmaken van de celstijlen worden als overschrijvingen beschouwd. Als de celstijl bijvoorbeeld een
rode vulling bevat en alle andere kenmerken worden genegeerd, wordt het wijzigen van een andere celoptie niet als een overschrijving
beschouwd.
Kenmerken wissen die niet door een celstijl worden gedefinieerd
Kies Kenmerken wissen die niet door stijl worden gedefinieerd in het menu van het deelvenster Celstijlen.
Tabel- of celoverschrijvingen wissen
1. Selecteer de tabel of cellen met de overschrijvingen.
2. Klik op het pictogram Overschrijvingen in selectie wissen in het deelvenster Stijlen of kies Overschrijvingen wissen in het
menu van het deelvenster Stijlen.
De koppeling met tabel- of celstijlen verbreken
Wanneer u de koppeling tussen tabellen of cellen en de daarop toegepaste stijl verbreekt, behouden de tabellen of cellen hun huidige opmaak.
Toekomstige wijzigingen van die stijl hebben echter geen invloed op deze tabellen of cellen.
1. Selecteer de cellen waarop de stijl is toegepast.
2. Kies Koppeling met stijl verbreken in het menu van het deelvenster Stijlen.
Meer Help-onderwerpen
Video over tabelstijlen
Juridische kennisgevingen | Onlineprivacybeleid
Interactiviteit
Bepaalde inhoud waarnaar op deze pagina wordt gelinkt, is mogelijk alleen in het Engels beschikbaar.
Dynamische PDF-documenten
Naar boven
Interactieve documenten maken voor PDF
PDF-formulieren maken (CS5.5 en CS5)
Een voorvertoning weergeven van interactieve documenten
Presentatiemodus gebruiken
Als u een interactieve diapresentatie wilt maken, is het een goed idee om een dynamisch PDF-document te maken. U kunt interactieve
documenten maken met knoppen, films, geluidclips, hyperlinks, bladwijzers en paginaovergangen. U kunt in InDesign ook documenten ontwerpen
die u in Acrobat kunt omzetten in formulieren.
Interactieve documenten maken voor PDF
U kunt Adobe PDF-documenten exporteren die de volgende interactieve functies bevatten.
BladwijzersDe bladwijzers die u in het InDesign-document maakt, staan op het tabblad Bladwijzers links in het venster van Adobe Acrobat of
Adobe Reader. Elke bladwijzer springt naar een pagina, tekst of afbeelding in het geëxporteerde PDF-bestand. Zie Bladwijzers.
Films en geluidsclipsU kunt films en geluidclips aan een document toevoegen of koppelen aan streaming videobestanden op internet. Deze
films en geluidsclips kunnen worden afgespeeld in het geëxporteerde PDF-bestand. Zie Films en geluiden.
HyperlinksAls u in een geëxporteerd PDF-document op een hyperlink klikt, wordt naar een andere locatie in het document, naar een ander
document of naar een website gesprongen. Zie Hyperlinks.
KruisverwijzingenVia een kruisverwijzing worden lezers van het ene deel van uw document verwezen naar een ander deel van het
geëxporteerde PDF-bestand. Kruisverwijzingen zijn met name handig in gebruikers- en referentiehandleidingen. Als een document met
kruisverwijzingen wordt geëxporteerd naar PDF, fungeren de kruisverwijzingen als interactieve hyperlinks. Zie Kruisverwijzingen.
PaginaovergangenBij paginaovergangen wordt een decoratief effect toegepast, zoals een verspreiding of sluitereffect, als u pagina's omslaat in
de geëxporteerde PDF terwijl u zich in de modus voor volledig scherm bevindt. Zie Paginaovergangen.
1. Kies Bestand > Exporteren.
2. Geef een naam en locatie voor het bestand op.
3. Kies Adobe PDF (interactief) bij Opslaan als type (Windows) of opmaak (Mac OS) en klik op Opslaan.
4. Stel de opties in het dialoogvenster Exporteren als interactieve PDF in en klik op OK.
Exporteren naar interactieve PDF opties
Het dialoogvenster Exporteren als interactieve PDF bevat de volgende opties.
Pagina'sGeef aan of u de huidige selectie, alle pagina's in het document of een paginabereik wilt exporteren. Als u Bereik selecteert, geeft u het
gewenste paginabereik op, bijvoorbeeld 1-7, 9 om pagina 1 tot en met 7 en pagina 9 af te drukken. Zie Opgeven welke pagina's moeten worden
afgedrukt.
Na exporteren weergevenHiermee opent u het zojuist gemaakte PDF-bestand in de standaardtoepassing voor de weergave van PDF-
bestanden.
Miniaturen op pagina insluiten Hiermee wordt een miniatuur weergegeven voor elke pagina in de PDF, waardoor het bestand groter wordt.
Deselecteer deze instelling wanneer gebruikers van Acrobat 5.0 en later de PDF zullen weergeven en afdrukken; in deze versies worden
miniaturen steeds dynamisch gegenereerd wanneer u op het deelvenster Pagina's van een PDF klikt.
Acrobat-lagen makenHiermee wordt elke InDesign-laag als een Acrobat-laag in het PDF-bestand opgeslagen. U kunt volledig door die lagen
navigeren, waardoor gebruikers met Acrobat 6.0 en hoger meerdere versies van het document vanuit een enkel PDF-bestand kunnen bekijken.
Gelabelde PDF makenHiermee worden tijdens het exporteren elementen in het artikel automatisch van labels voorzien op basis van een subset
van de Acrobat-labels die door InDesign worden ondersteund. Dit omvat de herkenning van alinea's, standaard tekstopmaak, lijsten en tabellen. (U
kunt deze labels in het document invoegen en aanpassen, voordat u naar PDF exporteert. Zie Structuur aan PDF-bestanden toevoegen.)
Structuur gebruiken voor de tabvolgordeGebruik bij exporteren de tabvolgorde die is opgegeven met Objecten > Interactief > Tabvolgorde
instellen. Deze optie is alleen beschikbaar voor gelabelde PDF's.
WeergaveDe aanvankelijke weergave-instellingen van het PDF-bestand wanneer dit wordt geopend.
De aanpassing van de layoutDe aanvankelijke layout van het PDF-bestand wanneer dit wordt geopend.
PresentatieSelecteer Openen in modus Volledig scherm om het PDF-bestand zonder menu's of deelvensters weer te geven in Adobe Acrobat of
Adobe Reader. Als u de pagina's automatisch wilt laten doorlopen, selecteert u Pagina's spiegelen bij elke en geeft u het aantal seconden tussen
het omslaan van de pagina's op.
PaginaovergangenGeef één paginaovergang op die bij het exporteren op alle pagina's wordt toegepast. Als u overgangen opgeeft in het
deelvenster Paginaovergangen, kiest u de optie Op basis van document om de desbetreffende instellingen te gebruiken.
Knoppen en mediaSelecteer Alles opnemen als u interactieve films, geluiden en knoppen in het geëxporteerde PDF-bestand wilt opnemen.
Naar boven
Naar boven
Selecteer Alleen vormgeving als u de videoposters en de normale status van knoppen als statische elementen in het bestand wilt opnemen.
CompressieKies JPEG (met gegevensverlies) om afbeeldingsgegevens te verwijderen en de afbeeldingskwaliteit eventueel te verlagen. Het
bestand wordt dan kleiner en het gegevensverlies wordt tot het minimum beperkt. Kies JPEG 2000 (zonder gegevensverlies) om het bestand met
compressie zonder gegevensverlies te exporteren. Kies Automatisch om InDesign de beste kwaliteit voor afbeeldingen in kleur en grijswaarden te
laten bepalen.
JPEG-kwaliteitHiermee geeft u op hoe gedetailleerd de geëxporteerde afbeelding moet worden. Hoe hoger de kwaliteit, hoe groter het bestand.
Deze optie is grijs als u bij Compressie de optie JPEG 2000 (zonder gegevensverlies) selecteert.
ResolutieHiermee bepaalt u de resolutie van bitmapafbeeldingen in het geëxporteerde PDF-bestand. Een hoge resolutie is vooral belangrijk
wanneer u gebruikers wilt laten inzoomen op inhoud op basis van pixels in uw geëxporteerde PDF-bestand. Een hoge resolutie kan resulteren in
zeer grote bestanden.
PDF-formulieren maken (CS5.5 en CS5)
InDesign bevat geen functies voor het toevoegen van formuliervelden, maar Adobe Acrobat biedt deze functies wel. U kunt in InDesign een
formulier maken met plaatsaanduidingen voor velden zoals keuzerondjes, selectievakjes en tekstvelden. Daarna kunt u het bestand exporteren als
PDF-bestand en de plaatsaanduidingen omzetten in formuliervelden in Acrobat.
1. Maak in InDesign het document dat u voor het formulier wilt gebruiken. Gebruik tabellen en tekstvakken om de
plaatsaanduidingen voor de velden te maken.
Desgewenst kunt u in InDesign eveneens interactieve knoppen toevoegen.
2. Exporteer het document naar Adobe PDF.
3. Start de Formulierwizard om de plaatsaanduidingen om te zetten naar formuliervelden. Gebruik de formulierfuncties om het
formulier toe te voegen en te bewerken. Raadpleeg de documentatie van Adobe Acrobat voor meer informatie.
In Acrobat X kiest u Extra > Formulieren > Maken om de Formulierwizard te starten.
In Adobe Acrobat 9 kiest u Formulieren > Formulierwizard.
Aanvullende bronnen
Op InDesign and Acrobat Forms Workflow geeft Gabriel Powell een videodemo over het ontwerpen van een PDF-formulier in InDesign en het
voltooien van dit formulier in Adobe Acrobat.
Op Designing forms for auto field detection in Adobe Acrobat vindt u een artikel over het maken van formulieren voor automatische velddetectie in
Adobe Acrobat.
Op Acrobat Friendly Form Design geeft Michael Murphy een videodemo over het maken van formulieren.
Op Creating PDF Forms in InDesign vindt u een artikel van Bob Bringhurst over het ontwerpen van formulieren.
Een voorvertoning weergeven van interactieve documenten
In het deelvenster Voorvertoning kunt u een voorvertoning weergeven van de interactiviteit en animatie van de huidige selectie of spread of van
het hele document. U kunt het formaat van dit deelvenster wijzigen, u kunt het koppelen of laten zweven of zelfs naar een tweede beeldscherm
verplaatsen.
1. Kies Venster > Interactief > Voorvertoning.
2. Voer een of meer van de volgende handelingen uit om een voorvertoning van de interactiviteit en animatie weer te geven:
Klik op de knop Modus Voorvertoning selectie instellen om een voorvertoning van de huidige selectie weer te geven.
Klik op de knop Modus Voorvertoning spread instellen om een voorvertoning van de huidige spread weer te geven.
Klik op de knop Modus Voorvertoning document instellen om een voorvertoning van het huidige document weer te
geven.
3. Klik op Voorvertoning afspelen om een voorvertoning van de selectie, de spread of het document weer te geven. Klik
desgewenst op interactieve items, zoals knoppen in het deelvenster Voorvertoning, om deze te testen.
Klik tijdens het voorvertonen van een document op de pijlen Ga naar vorige pagina en Ga naar volgende pagina onder aan
het deelvenster om naar andere pagina's te navigeren.
Als u uw document bewerkt, kunt u de voorvertoning vernieuwen door op de knop Voorvertoning afspelen in het deelvenster Voorvertoning te
klikken.
Een voorvertoning van het document weergeven in een webbrowser
1. Kies Testen in browser in het menu van het deelvenster Voorvertoning.
2. Klik op de interactieve items in uw document om deze te testen.
Naar boven
Voorvertoningsinstellingen bewerken
1. Kies Voorvertoningsinstellingen bewerken in het menu van het deelvenster Voorvertoning.
In het dialoogvenster Voorvertoningsinstellingen ziet u de actieve instellingen van het dialoogvenster SWF exporteren.
2. Bewerk indien nodig de instellingen. Zie SWF-exportopties.
Presentatiemodus gebruiken
In de Presentatiemodus wordt het actieve InDesign-document weergegeven als een presentatie. In deze modus zijn het toepassingsmenu, de
deelvensters, hulplijnen en kaderranden verborgen. Het achtergrondgebied heeft standaard een donkere kleur voor het geval het formaat van uw
document afwijkt van de proporties van de monitor die u gebruikt.
De Presentatiemodus is bijzonder handig in combinatie met de functie Connect van Adobe. U kunt een webvergadering starten met de opdracht
Bestand > Mijn scherm delen. Als uw scherm eenmaal wordt gedeeld, kunt u het InDesign-document weergeven in de Presentatiemodus.
1. Kies Weergave > Schermmodus > Presentatie.
2. Druk op een van de volgende toetsen.
HandelingBeschrijving
Muisklik, pijl-rechts of PgDnVolgende spread
Shift ingedrukt houden en klikken, rechtermuisknop
ingedrukt houden en klikken, pijl-links of PgUpVorige spread
EscPresentatiemodus afsluiten
HomeEerste spread
EndLaatste spread
BAchtergrondkleur wijzigen in zwart
WAchtergrondkleur wijzigen in wit
GAchtergrondkleur wijzigen in grijs
U kunt documenten niet bewerken in de Presentatiemodus. Als u echter met twee beeldschermen werkt, kunt u twee vensters van hetzelfde
document openen en de Presentatiemodus in een van deze vensters weergeven. U kunt het document dan bewerken in de standaardmodus en
de resultaten meteen bekijken in het venster Presentatiemodus.
Meer Help-onderwerpen
Juridische kennisgevingen | Onlineprivacybeleid
Hyperlinks
Naar boven
Naar boven
Overzicht van deelvenster Hyperlinks
Hyperlinks maken
Hyperlinks beheren
Uit Word geïmporteerde hyperlinks bewerken
Overzicht van deelvenster Hyperlinks
U kunt hyperlinks maken, zodat een gebruiker, wanneer u vanuit InDesign exporteert naar Adobe PDF of SWF, kan klikken op een koppeling om
te springen naar andere locaties in hetzelfde document, naar andere documenten of naar websites. Hyperlinks die u exporteert naar PDF of SWF
in InCopy zijn niet actief.
Een bron is een stuk tekst, een tekstkader of afbeeldingskader dat als hyperlink functioneert. Een doel is de URL, het bestand, het e-mailadres, de
pagina, het tekstanker of het gedeelde doel waarnaar een hyperlink springt. Een bron kan naar slechts één doel springen, terwijl meerdere
bronnen naar hetzelfde doel kunnen springen.
Opmerking: Als u wilt dat de brontekst wordt gegenereerd aan de hand van de doeltekst, voegt u een kruisverwijzing toe in plaats van een
hyperlink. Zie Kruisverwijzingen.
Hyperlinks
A. HyperlinkbronB.Lijst met hyperlinks in het huidige documentC.Statuspictogrammen voor hyperlinks
Het deelvenster Hyperlinks openen
Kies Venster > Interactief > Hyperlinks.
Kies Venster > Tekst en tabellen > Kruisverwijzingen.
Hyperlinks sorteren in het deelvenster Hyperlinks
Kies Sorteren in het menu van het deelvenster Hyperlinks en kies daarna een van de volgende opties:
HandmatigHiermee worden de hyperlinks weergegeven in de volgorde waarin zij aan het document zijn toegevoegd.
Op naamHiermee worden de hyperlinks in alfabetische volgorde weergegeven.
Op typeHiermee worden de hyperlinks in groepen van vergelijkbaar type weergegeven.
Hyperlinks weergeven in kleinere rijen
Kies Kleine deelvensterrijen in het menu van het deelvenster Hyperlinks.
Hyperlinks maken
U kunt hyperlinks maken naar pagina's, URL's, tekstankerpunten, e-mailadressen en bestanden. Als u een hyperlink maakt naar een pagina of
tekstanker in een ander document, moet u ervoor zorgen dat de geëxporteerde bestanden worden weergegeven in dezelfde map.
Kies Weergave > Extra's > Hyperlinks tonen of Hyperlinks verbergen om hyperlinks weer te geven of te verbergen.
Opmerking: Als de optie Hyperlinks is geselecteerd in het dialoogvenster PDF exporteren in InDesign, worden hyperlinks in geëxporteerde
Adobe PDF-bestanden opgenomen. Als de optie Inclusief hyperlinks is geselecteerd in het dialoogvenster SWF exporteren, worden hyperlinks in
het geëxporteerde SWF-bestand opgenomen.
Een hyperlink naar een webpagina (URL) maken
U kunt verschillende methoden gebruiken om hyperlinks naar URL's te maken. Bij het opgeven van een URL kunt u elk geldig internetprotocol
gebruiken: http://, file://, ftp:// of mailto://.
U kunt ook koppelingen naar webpagina's maken met de functie Knoppen. (Zie Knoppen.)
Wellicht wilt u een tekenstijl voor hyperlinks maken. Hyperlinks worden vaak opgemaakt in onderstreepte, blauwe tekst.
1. Selecteer de tekst, het kader of de afbeelding die of dat de bron van de hyperlink moet worden. Zo kunt u bijvoorbeeld de
tekst “Zie de website van Adobe” selecteren.
2. Gebruik in het deelvenster Hyperlinks een van de volgende methoden om een hyperlink naar een URL te maken:
Typ of plak de URL-naam (bijvoorbeeld http://www.adobe.nl) in het URL-tekstvak en kies Nieuwe hyperlink in het
deelvenster Hyperlinks. Kies URL in het menu Koppelen naar, geef vormgevingsopties op en klik op OK.
Kies, terwijl u een URL hebt geselecteerd in uw document, de optie Nieuwe hyperlink van URL in het menu van het
deelvenster Hyperlinks. Dubbelklik op de hyperlink in het deelvenster Hyperlinks en kies URL in het menu Koppelen naar,
geef de vormgevingsopties op en klik op OK.
Selecteer een eerder toegevoegde URL vanuit het URL-menu. De vormgeving van de hyperlink is gelijk aan de
vormgeving die is gebruikt in de vorige URL.
Kies Nieuwe hyperlink in het menu van het deelvenster Hyperlinks. Kies URL in het menu Koppelen naar, geef
vormgevingsopties op en klik op OK.
Opmerking: Als een URL-hyperlink niet werkt in het geëxporteerde PDF-bestand, kan dit probleem worden veroorzaakt door de gedeelde
bestemming van de hyperlink. Dubbelklik op de hyperlink in het deelvenster Hyperlinks, kies URL in het menu Koppelen naar, schakel Gedeelde
hyperlinkbestemming uit en klik op OK.
Een hyperlink naar een bestand maken
Als u een hyperlink naar een bestand maakt en u klikt op de hyperlink in het geëxporteerde PDF- of SWF-bestand, wordt het bestand geopend in
de oorspronkelijke toepassing, zoals Microsoft Word voor DOC-bestanden.
Zorg ervoor dat het bestand dat u opgeeft, beschikbaar is voor iedereen die het PDF- of SWF-bestand opent dat u exporteert. Als u bijvoorbeeld
de geëxporteerde PDF naar een collega verzendt, geeft u een bestand op de gedeelde server op in plaats van een bestand op uw vaste schijf.
1. Selecteer de tekst, het kader of de afbeelding die of dat u als bron van de hyperlink wilt gebruiken.
2. Kies Nieuwe hyperlink in het menu van het deelvenster Hyperlinks of klik op de knop Nieuwe hyperlink maken onder in
het deelvenster Hyperlinks.
3. Kies in het dialoogvenster Nieuwe hyperlink de optie Bestand in het menu Koppelen naar.
4. Typ de padnaam bij Pad of klik op de mapknop om de bestandsnaam te zoeken en hierop te dubbelklikken.
5. Selecteer Gedeelde hyperlinkbestemming als u wilt dat het bestand wordt opgeslagen in het deelvenster Hyperlinks, zodat u
het later gemakkelijk opnieuw kunt gebruiken.
6. Geef de vormgeving van de hyperlinkbron op en klik vervolgens op OK.
Een hyperlink naar een e-mailbericht maken
1. Selecteer de tekst, het kader of de afbeelding die of dat u als bron van de hyperlink wilt gebruiken.
2. Kies Nieuwe hyperlink in het menu van het deelvenster Hyperlinks of klik op de knop Nieuwe hyperlink maken onder in
het deelvenster Hyperlinks.
3. Kies in het dialoogvenster Nieuwe hyperlink de optie E-mail in het menu Koppelen naar.
4. Typ bij Adres het e-mailadres, bijvoorbeeld gebruikersnaam@bedrijf.nl.
5. Typ bij Onderwerpregel de tekst die wordt weergegeven op de onderwerpregel van het e-mailbericht.
6. Selecteer Gedeelde hyperlinkbestemming als u wilt dat het e-mailbericht wordt opgeslagen in het deelvenster Hyperlinks,
zodat u het later gemakkelijk opnieuw kunt gebruiken.
7. Geef de vormgeving van de hyperlinkbron op en klik vervolgens op OK.
Een hyperlink naar een pagina maken
U kunt een hyperlink naar een pagina maken zonder eerst een doel in te stellen. Als u echter een paginadoel maakt, kunt u een paginanummer
en weergave-instelling opgeven.
1. Selecteer de tekst, het kader of de afbeelding die of dat u als bron van de hyperlink wilt gebruiken.
2. Kies Nieuwe hyperlink in het menu van het deelvenster Hyperlinks of klik op de knop Nieuwe hyperlink maken onder in
het deelvenster Hyperlinks.
3. Kies in het dialoogvenster Nieuwe hyperlink de optie Pagina in het menu Koppelen naar.
4. Selecteer bij Document het document met het doel waaraan de hyperlink moet worden gekoppeld. Alle geopende
documenten die zijn opgeslagen, staan in het pop-upmenu. Als het gewenste document niet is geopend, selecteert u
Bladeren in het pop-upmenu, zoekt u het bestand en klikt u op Openen.
5. Geef voor Pagina het paginanummer op waar u naartoe wilt springen.
6. Voer voor de zoominstelling een van de volgende acties uit om de weergavestatus te selecteren van de pagina waarnaar de
hyperlink springt:
Selecteer Vast om de vergrotingsfactor en de paginapositie weer te geven die tijdens het maken van de hyperlink van
kracht waren.
Selecteer Weergave passend om het zichtbare deel van de actieve pagina als het doel weer te geven.
Selecteer In venster passen om de actieve pagina in het doelvenster weer te geven.
Selecteer Aan breedte aanpassen of Aan hoogte aanpassen om de breedte of hoogte van de actieve pagina in het
doelvenster weer te geven.
Selecteer Aan zichtbaar gebied aanpassen om de pagina zo weer te geven, dat de tekst en afbeeldingen ervan binnen de
breedte van het venster passen. De marges worden meestal niet weergegeven.
Selecteer Vergroting overnemen om het doelvenster met de vergrotingsfactor weer te geven die de lezer na het klikken op
de hyperlink gebruikt.
7. Geef vormgevingsopties op en klik op OK.
Een hyperlinkdoel maken
Het is alleen nodig om een hyperlinkdoel te maken als u een hyperlink of kruisverwijzing naar een tekstankerpunt maakt. Een tekstankerpunt kan
wijzen naar een tekstselectie of naar de locatie van het invoegpunt. Vervolgens maakt u de hyperlink of de kruisverwijzing die naar het
hyperlinkdoel wijst. U kunt ook hyperlinkdoelen maken voor pagina's en URL's, maar een doel is niet nodig voor dergelijke koppelingen.
Hyperlinkdoelen die u maakt, worden mogelijk niet weergegeven in het deelvenster Hyperlinks, maar in het dialoogvenster dat wordt geopend
wanneer u hyperlinks maakt of bewerkt.
1. Plaats, als u een tekstanker aan het maken bent, met het gereedschap Tekst de invoegpositie of selecteer het tekstbereik dat
het anker moet worden.
U kunt geen ankerdoel instellen voor tekst op een stramienpagina.
2. Kies Nieuw hyperlinkdoel in het menu van het deelvenster Hyperlinks.
3. Voer een van de volgende handelingen uit en klik op OK:
Kies Tekstanker in het menu Type. Geef een naam op voor het tekstanker.
Kies Tekstanker in het menu Type. Geef het nummer op van de pagina waar u naartoe wilt springen en kies de
zoominstelling. Typ een naam voor de pagina of selecteer Naam met paginanummer om het doel automatisch een naam
te geven op basis van het paginanummer dat en de zoominstelling die u hebt opgegeven.
Kies URL in het menu Type. Typ of plak een URL, zoals http://www.adobe.nl. U kunt elk geldig internetprotocol gebruiken:
http://, file://, ftp:// of mailto://.
Een hyperlink naar een tekstanker maken
1. Selecteer de tekst, het kader of de afbeelding die of dat u als bron van de hyperlink wilt gebruiken.
2. Kies Nieuwe hyperlink in het menu van het deelvenster Hyperlinks of klik op de knop Nieuwe hyperlink maken onder in het
deelvenster Hyperlinks.
3. Kies Tekstanker in het menu Type.
4. Selecteer bij Document het document met het doel waaraan de hyperlink moet worden gekoppeld. Alle geopende
documenten die zijn opgeslagen, staan in het pop-upmenu. Als het gewenste document niet is geopend, selecteert u
Bladeren in het pop-upmenu, zoekt u het bestand en klikt u op Openen.
5. Kies vanuit het menu Tekstanker het doel voor het tekstanker dat u hebt gemaakt.
6. Geef vormgevingsopties voor de hyperlink op en klik op OK.
Een hyperlink naar een gedeeld doel maken
Als u tijdens het maken van een hyperlink de optie Gedeelde bestemming kiest in het menu Koppelen naar, kunt u elk benoemd doel opgeven.
Een doel is benoemd als u een URL toevoegt via het URL-tekstvak of als u Gedeelde hyperlinkbestemming selecteert tijdens het maken van een
hyperlink naar een URL, bestand of e-mailadres.
1. Selecteer de tekst, het kader of de afbeelding die of dat u als bron van de hyperlink wilt gebruiken.
2. Kies Nieuwe hyperlink in het menu van het deelvenster Hyperlinks of klik op de knop Nieuwe hyperlink maken onder in het
Naar boven
deelvenster Hyperlinks.
3. Kies in het dialoogvenster Nieuwe hyperlink de optie Gedeelde bestemming in het menu Koppelen naar.
4. Selecteer bij Document het document met het doel waaraan de hyperlink moet worden gekoppeld. Alle geopende
documenten die zijn opgeslagen, staan in het pop-upmenu. Als het gewenste document niet is geopend, selecteert u
Bladeren in het pop-upmenu, zoekt u het bestand en klikt u op Openen.
5. Kies een bestemming in het menu Naam.
6. Geef vormgevingsopties voor de hyperlink op en klik op OK.
Vormgevingsopties voor hyperlinks
De opties bepalen de vormgeving van de bron van de hyperlink of kruisverwijzing in het geëxporteerde PDF- of SWF-bestand. Deze
vormgevingsopties worden tevens weergegeven in het InDesign-document als u de opdracht Weergave > Extra's > Hyperlinks tonen selecteert.
TekenstijlKies een tekenstijl die u wilt toepassen op de bron van een hyperlink. De optie Tekenstijl is alleen beschikbaar als de bron van de
hyperlink geselecteerde tekst is, en geen geselecteerd kader of geselecteerde afbeelding.
Als u een kruisverwijzing invoegt, kunt u een tekenstijl toepassen tijdens het bewerken van de opmaak van een kruisverwijzing. U kunt ook
tekenstijlen toepassen op bouwstenen binnen een opmaak. Zie Opmaak voor kruisverwijzingen gebruiken.
TypeSelecteer Zichtbare rechthoek of Onzichtbare rechthoek.
MarkerenSelecteer Omkeren, Contour, Inzet of Geen. Deze opties bepalen de vormgeving van de hyperlink als hierop wordt geklikt in het PDF-
of SWF-bestand.
KleurSelecteer een kleur voor de zichtbare hyperlinkrechthoek.
BreedteBepaal de dikte van de hyperlinkrechthoek door Dun, Normaal of Dik te selecteren.
StijlSelecteer de optie Ononderbroken of Streepjes om de vormgeving van de hyperlinkrechthoek te bepalen.
URL's omzetten in hyperlinks
U kunt zoeken naar URL's (zoals “www.adobe.nl”) in uw document en deze omzetten in hyperlinks.
1. Kies URL's omzetten in hyperlinks in het menu van het deelvenster Hyperlinks.
2. Geef bij Bereik aan of u URL's in het hele document, het huidige artikel of de huidige selectie wilt omzetten.
3. Als u een tekenstijl op de hyperlink wilt toepassen, selecteert u de gewenste tekenstijl in het menu Tekenstijl.
4. Voer een van de volgende handelingen uit en klik op Gereed.
Klik op Zoeken om de volgende URL te zoeken.
Klik op Omzetten om de huidige URL om te zetten in een hyperlink.
Klik op Alles omzetten om alle URL's om te zetten in hyperlinks.
Hyperlinks beheren
Met het deelvenster Hyperlinks kunt u hyperlinks bewerken, verwijderen, opnieuw instellen en opzoeken. In InCopy kunt u alleen hyperlinks
beheren als het artikel is uitgecheckt voor bewerken.
Hyperlinks bewerken
1. Dubbelklik in het deelvenster Hyperlinks op het item dat u wilt bewerken.
2. Breng in het dialoogvenster Hyperlinks bewerken zo nodig wijzigingen in de hyperlinks aan en klik op OK.
Opmerking: U kunt een hyperlink naar een URL bewerken door de hyperlink te selecteren, de URL te bewerken in het URL-tekstvak en
vervolgens op Enter of Tab te drukken.
Hyperlinks verwijderen
Wanneer u een hyperlink verwijdert, blijft de brontekst of -afbeelding behouden.
Selecteer in het deelvenster Hyperlinks het item dat of de items die u wilt verwijderen, en klik op de knop Verwijderen onder in het deelvenster.
De naam van een hyperlinkbron wijzigen
Als u de naam van een hyperlinkbron wijzigt, verandert de wijze waarop de hyperlinkbron wordt weergegeven in het deelvenster Hyperlinks.
1. Selecteer de hyperlink in het deelvenster Hyperlinks.
2. Kies Naam hyperlink wijzigen in het menu van het deelvenster Hyperlinks en geef een nieuwe naam op.
Hyperlinkdoelen bewerken of verwijderen
1. Open het document waarin het doel staat.
2. Kies Opties hyperlinkdoel in het menu van het deelvenster Hyperlinks.
3. Selecteer voor Doel de naam van het te bewerken doel.
Naar boven
4. Ga op een van de volgende manieren te werk:
Klik op Bewerken en breng de noodzakelijke wijzigingen voor het doel aan.
Klik op Verwijderen om het doel te verwijderen.
5. Wanneer u klaar bent met het bewerken of verwijderen van doelen, klikt u op OK.
Hyperlinks opnieuw instellen of bijwerken
1. Selecteer het tekstbereik, het tekstkader of het afbeeldingskader dat de nieuwe hyperlinkbron wordt. Zo wilt u bijvoorbeeld
wellicht extra tekst selecteren om op te nemen in de bron.
2. Selecteer de hyperlink in het deelvenster Hyperlinks.
3. Voer een van de volgende handelingen uit:
Kies Hyperlink opnieuw instellen in het menu van het deelvenster Hyperlinks.
U kunt met de optie Hyperlink bijwerken in het deelvenster Hyperlinks hyperlinks naar externe documenten bijwerken.
Naar een hyperlinkbron of -anker gaan
Als u de bron van een hyperlink of kruisverwijzing wilt opzoeken, selecteert u het item dat u wilt zoeken in het deelvenster
Hyperlinks. Kies Naar bron in het menu van het deelvenster Hyperlinks. De tekst of het kader wordt geselecteerd.
Als u de bestemming van een hyperlink of kruisverwijzing wilt opzoeken, selecteert u het item dat u wilt zoeken in het
deelvenster Hyperlinks. Kies Naar doel in het menu van het deelvenster Hyperlinks.
Als het item een URL-doel is, wordt InDesign gestart of gaat u naar de webbrowser waarin het doel wordt geopend. Als het item een tekstanker of
paginadoel is, gaat InDesign naar die locatie.
Uit Word geïmporteerde hyperlinks bewerken
Wanneer een Microsoft Word-document met hyperlinks in een InDesign-document wordt geïmporteerd, wordt mogelijk een vak of rand rond de
URL's van de hyperlink (bijvoorbeeld www.adobe.nl) weergegeven. Het InDesign-document neemt een staal met de naam Word_R0_G0_B255
over. Het document neemt ook een tekenstijl genaamd 'Hyperlink' over, waarmee de tekst wordt onderstreept en een blauwe kleur krijgt.
U kunt het vak verwijderen door in het deelvenster Hyperlinks te dubbelklikken op de hyperlink. Kies onder Vormgeving de optie Onzichtbare
rechthoek in het menu Tekst en klik op OK.
Desgewenst kunt u ook het geïmporteerde staal verwijderen. U kunt dit staal dan vervangen door een ander staal. Zie Afzonderlijke stalen
verwijderen.
Voordat u het Word-document in InDesign plaatst, kunt u de hyperlinks uit de URL's in het Word-document verwijderen om te voorkomen dat
deze opmaak wordt overgenomen. Raadpleeg de documentatie bij Word voor nadere informatie hierover. U kunt ook een tekenstijl met de
naam "Hyperlink" in het InDesign-document maken voordat u het Word-bestand importeert. Als u het Word-document vervolgens importeert,
wordt de InDesign-stijl met dezelfde naam standaard gebruikt.
Meer Help-onderwerpen
Juridische kennisgevingen | Onlineprivacybeleid
Kruisverwijzingen
Naar boven
Kruisverwijzingen invoegen
Opmaak voor kruisverwijzingen gebruiken
Kruisverwijzingen beheren
Als u een handleiding of referentiedocument schrijft, wilt u mogelijk een kruisverwijzing opnemen waarmee de lezer van het ene deel van uw
document naar een ander kan gaan. Voorbeeld: Voor meer informatie, raadpleegt u “Veldmuizen” op pagina 249. U kunt opgeven of een
kruisverwijzing is afgeleid van een alineastijl, zoals een kop, of van een tekstanker dat u hebt gemaakt. U kunt ook de kruisverwijzingsindeling
bepalen, zoals alleen Paginanummer of Volledige alinea en paginanummer.
Kruisverwijzingen invoegen
Gebruik het deelvenster Hyperlinks om kruisverwijzingen in te voegen in uw document. De tekst waarnaar u verwijst, is de doeltekst. De tekst die
wordt gegenereerd op basis van de doeltekst is de bronkruisverwijzing.
Als u een kruisverwijzing invoegt in uw document, kunt u kiezen uit verschillende vooraf ontworpen opmaakvarianten. U kunt een tekenstijl
toepassen op de volledige kruisverwijzingsbron of op tekst binnen de kruisverwijzing. Opmaak voor kruisverwijzingen kan binnen een heel boek
worden gesynchroniseerd.
De brontekst van een kruisverwijzing kan worden bewerkt en worden afgebroken aan het einde van een regel.
Opmerking: Als de optie Hyperlinks is geselecteerd in het dialoogvenster Adobe PDF exporteren in InDesign, worden kruisverwijzingen in
geëxporteerde Adobe PDF-bestanden opgenomen. Als de optie Inclusief hyperlinks is geselecteerd in het dialoogvenster SWF exporteren, worden
kruisverwijzingen in het geëxporteerde SWF-bestand opgenomen.
Kruisverwijzingen invoegen
A.Kruisverwijzingsbron in documentB.Geselecteerde doelalineaC.Klik hier om opmaak voor kruisverwijzingen te maken of te bewerken.
Op www.adobe.com/go/lrvid4024_id_nl vindt u een videodemo over het invoegen van kruisverwijzingen.
1. Plaats de invoegpositie waar u de kruisverwijzing wilt invoegen.
2. Ga als volgt te werk:
Kies Tekst > Hyperlinks en kruisverwijzingen > Kruisverwijzing invoegen.
Kies Venster > Tekst en tabellen > Kruisverwijzingen en kies vervolgens Kruisverwijzing invoegen in het menu van het
deelvenster Hyperlinks.
Klik op de knop Nieuwe kruisverwijzing maken in het deelvenster Hyperlinks.
Naar boven
3. Kies in het dialoogvenster Nieuwe kruisverwijzing de optie Alinea of Tekstanker in het menu Koppelen naar.
Als u Alinea kiest, kunt u een kruisverwijzing maken naar elke willekeurige alinea in het document dat u opgeeft.
Als u Tekstanker kiest, kunt u een kruisverwijzing maken naar elke willekeurige tekst waarin u een hyperlinkdoel hebt
gemaakt. (Zie Een hyperlinkdoel maken.) Het maken van een tekstanker is met name handig als u andere tekst wilt gebruiken
dan de daadwerkelijke doelalinea.
4. Selecteer bij Document het document met het doel waarnaar u wilt verwijzen. Alle geopende documenten die zijn opgeslagen,
staan in het pop-upmenu. Als het gewenste document niet is geopend, kiest u Bladeren, zoekt u het bestand en klikt u
vervolgens op Openen.
5. Klik op een alineastijl (zoals Kop1) in het linkervak om de opties te beperken en selecteer vervolgens de alinea waarnaar u
wilt verwijzen. (Of kies het tekstanker als u Tekstanker hebt geselecteerd.)
6. Selecteer de opmaak voor kruisverwijzingen die u wilt gebruiken in het menu Opmaak.
U kunt deze opmaak voor kruisverwijzingen wijzigen en ook zelf opmaak maken. Zie Opmaak voor kruisverwijzingen
gebruiken.
7. Geef de vormgeving van de bronhyperlink op. Zie Vormgevingsopties voor hyperlinks.
8. Klik op OK.
Als u een kruisverwijzing invoegt, wordt een markering voor een tekstanker weergegeven aan het begin van de doelalinea. U kunt deze
markering bekijken door Tekst > Verborgen tekens tonen te kiezen. Als deze markering wordt verplaatst of verwijderd, werkt de kruisverwijzing
niet langer.
Opmaak voor kruisverwijzingen gebruiken
In het dialoogvenster Nieuwe kruisverwijzing worden standaard verschillende opmaakmogelijkheden voor kruisverwijzingen weergegeven. U kunt
deze opmaak voor kruisverwijzingen bewerken of verwijderen en ook zelf opmaak maken.
Opmerking: Als u opmaak voor kruisverwijzingen hebt verwijderd of bewerkt in uw document en de standaardopmaak wilt herstellen, kiest u
Opmaak voor kruisverwijzingen laden in het menu van het deelvenster en kiest u een document met ongewijzigde opmaak. U kunt ook opmaak
voor kruisverwijzingen synchroniseren binnen een boek.
Op www.adobe.com/go/lrvid4024_id_nl vindt u een videodemo over het bewerken van opmaak voor kruisverwijzingen.
Opmaak voor kruisverwijzingen maken of bewerken
In tegenstelling tot andere voorinstellingen, kan opmaak voor kruisverwijzingen worden bewerkt of verwijderd. Als u opmaak voor kruisverwijzingen
wijzigt, worden alle bronkruisverwijzingen waarin die opmaak wordt gebruikt automatisch bijgewerkt.
1. Ga als volgt te werk:
Kies Opmaak voor kruisverwijzingen definiëren in het menu van het deelvenster Hyperlinks.
Klik tijdens het maken of bewerken van een kruisverwijzing op de knop Opmaak voor kruisverwijzingen maken of
bewerken .
2. Voer een van de volgende handelingen uit in het dialoogvenster Opmaak voor kruisverwijzingen:
Bewerk opmaak door deze aan de linkerkant te selecteren.
Maak nieuwe opmaak door bestaande opmaak te selecteren die als basis voor de nieuwe opmaak moet dienen en
vervolgens op de knop Opmaak maken te klikken. Hiermee wordt een duplicaat van de geselecteerde opmaak
gemaakt.
3. Geef bij Naam de naam op van de opmaak.
4. Voeg in het tekstvak Definitie naar behoefte tekst toe of verwijder tekst. Klik op het bouwsteenpictogram om bouwstenen
in te voegen vanuit een menu. Klik op het pictogram voor speciale tekens om streepjes, spaties, aanhalingstekens en
andere speciale tekens te selecteren.
5. U kunt een tekenstijl toepassen op de volledige kruisverwijzing door Tekenstijl voor kruisverwijzing te selecteren en
vervolgens de tekenstijl te kiezen om te maken vanuit het menu.
U kunt ook gebruikmaken van de bouwsteen Tekenstijl om een tekenstijl toe te passen op tekst binnen de kruisverwijzing.
6. Klik op Opslaan om de wijzigingen op te slaan. Klik op OK wanneer u klaar bent.
Bouwstenen voor kruisverwijzingen
BouwsteenBeschrijvingVoorbeeld
PaginanummerHiermee wordt het paginanummerop pagina <pageNum/>
ingevoegd.op pagina 23
AlineanummerHiermee wordt het alineanummer in een
kruisverwijzing ingevoegd in een
genummerde lijst.
Zie <paraNum/>
Zie 1
In dit voorbeeld wordt alleen “1” gebruikt
van de alineatekst “1. Dieren".
AlineatekstHiermee wordt de alineatekst zonder het
alineanummer in een kruisverwijzing
ingevoegd in een genummerde lijst.
Zie "<paraText/>”
Zie "Dieren".
In dit voorbeeld wordt alleen “Dieren”
gebruikt van de alineatekst "1. Dieren".
Volledige alineaHiermee wordt de volledige alinea,
inclusief alineanummer en alineatekst,
ingevoegd.
Zie "<fullPara/>”
Zie ”1. Dieren"
Onvolledige alineaHiermee kunt u een kruisverwijzing naar
het eerste deel van een alinea maken, tot
aan het opgegeven scheidingsteken, zoals
een dubbele punt of em-streepje.
Zie <fullPara delim=”:”
includeDelim=”onwaar”/>
Zie Hoofdstuk 7
In dit voorbeeld wordt alleen “Hoofdstuk 7”
gebruikt van de titel "Hoofdstuk 7. Honden
en katten".
Geef het scheidingsteken op (in dit
voorbeeld is : gebruikt) en geef aan of het
scheidingsteken wel (“waar” ” of “1”) of
niet (“onwaar” of “0”) moet worden
opgenomen in de bronkruisverwijzing.
Zie Kruisverwijzingen naar onvolledige
alinea's maken.
Naam tekstankerHiermee wordt de naam van het
tekstanker ingevoegd. U kunt
tekstankerpunten maken door Nieuw
hyperlinkdoel te kiezen in het menu van
het deelvenster Hyperlinks.
Zie <txtAnchrName/>
Zie Figuur 1
HoofdstuknummerHiermee wordt het hoofdstuknummer
ingevoegd.in hoofdstuk <chapNum/>
in hoofdstuk 3
BestandsnaamHiermee wordt de bestandsnaam van het
doeldocument ingevoegd.in <fileName/>
in nieuwsbrief.indd
TekenstijlHiermee wordt een tekenstijl toegepast op
een kruisverwijzing.Zie <cs name=”bold”><fullPara/></cs> op
pagina <pageNum>
Zie Dieren op pagina 23.
Geef de naam van de tekenstijl op en
neem tekst die u wilt toepassen op de
tekenstijl op tussen de codes <cs
name=””> en </cs>.
Zie Tekenstijlen toepassen binnen een
kruisverwijzing.
Kruisverwijzingen naar onvolledige alinea's maken
U kunt opmaak van kruisverwijzingen maken die alleen het eerste deel van een alinea bevat. Als u bijvoorbeeld koppen in uw document hebt met
de opmaak “Hoofdstuk 7——Van Granada naar Barcelona”, kunt u een kruisverwijzing maken die alleen betrekking heeft op “Hoofdstuk 7”.
Kruisverwijzing naar onvolledige alinea
A.De kruisverwijzingsbron eindigt met een em-streepje (^_)B.Bij “onwaar” maakt het em-streepje geen deel uit van de bron
Als u de bouwsteen Onvolledige alinea invoegt, moet u twee dingen doen. Geef als eerste het scheidingsteken tussen de aanhalingstekens op.
Het scheidingsteken is het teken waarmee de alinea wordt afgesloten. Veelgebruikte scheidingstekens zijn een dubbele punt (Hoofdstuk 7:
Granada), punten (Hoofdstuk 7. Granada) en liggende streepjes (Hoofdstuk 7—Granada). Als u speciale tekens wilt invoegen, zoals em-streepjes
(^_), em-spaties (^m) en opsommingstekens (^8), kiest u een optie uit het menu dat wordt weergegeven als u op het pictogram Speciale tekens
klikt.
Geef als tweede aan of het scheidingsteken wel (Hoofdstuk 7——) of niet (Hoofdstuk 7) moet worden opgenomen. Gebruik includeDelim=”waar”
om het scheidingsteken wel op te nemen en includeDelim=”onwaar” om het scheidingsteken niet op te nemen. In plaats van “waar” of “onwaar”
kunt u ook respectievelijk “1” of “0” gebruiken.
Tekenstijlen toepassen binnen een kruisverwijzing
Als u een sectie of tekst wilt benadrukken binnen een kruisverwijzing, kunt u de bouwsteen Tekenstijl gebruiken. Deze bouwsteen bestaat uit twee
codes. De code <cs name=”stijlnaam”> geeft aan welke stijl wordt toegepast, en met de code </cs> wordt de tekenstijl afgesloten. Alle tekens of
bouwstenen tussen deze codes worden opgemaakt in de opgegeven stijl.
Een tekenstijl toepassen op een deel van de kruisverwijzing
A.Met deze code wordt een tekenstijl genaamd “Rood” toegepast. B.Deze code geeft het einde van de opmaak van de tekenstijl aan.C.
Een tekenstijl genaamd “Vet” wordt toegepast op de rest van de kruisverwijzingsbron.
1. Maak de tekenstijlen die u wilt gebruiken.
2. Maak of bewerk de opmaak die u wilt toepassen in het dialoogvenster Opmaak kruisverwijzing.
3. Selecteer onder Definitie de tekens en bouwstenen waarop u de tekenstijl wilt toepassen.
4. Kies Tekenstijl in het menu rechts van de lijst met definities.
5. Typ de naam van de tekenstijl tussen de aanhalingstekens exact zoals deze wordt weergegeven in het deelvenster
Naar boven
Tekenstijlen.
Bij stijlnamen wordt onderscheid gemaakt tussen hoofdletters en kleine letters. Als de tekenstijl deel uitmaakt van een groep,
typt u de naam van de groep gevolgd door een dubbele punt vóór de tekenstijl, bijvoorbeeld Stijlgroep 1: Rood.
6. Klik op Opslaan om de opmaak op te slaan en klik vervolgens op OK.
Opmaak van kruisverwijzingen laden (importeren)
Als u opmaak van kruisverwijzingen laadt vanuit een ander document, vervangt de binnenkomende opmaak eventuele bestaande opmaak met
dezelfde naam.
In InCopy kunt u alleen opmaak voor kruisverwijzingen importeren in op zichzelf staande documenten. U kunt geen opmaak importeren vanuit een
InCopy-document naar een InDesign-document. Als de nieuwe of gewijzigde opmaak in InCopy bij het inchecken van het artikel conflicteert met
opmaak in het InDesign-document, krijgt de InDesign-opmaak voorrang.
1. Kies Opmaak voor kruisverwijzingen laden in het menu van het deelvenster Hyperlinks.
2. Dubbelklik op het document met de opmaak voor kruisverwijzingen die u wilt importeren.
U kunt ook opmaak voor kruisverwijzingen over verschillende documenten heen gebruiken door een boek te synchroniseren.
Opmaak voor kruisverwijzingen verwijderen
Het is niet mogelijk opmaak voor kruisverwijzingen te verwijderen die is toegepast op kruisverwijzingen in het document.
1. Selecteer de opmaak die u wilt verwijderen in het dialoogvenster Opmaak kruisverwijzing.
2. Klik op de knop Opmaak verwijderen .
Kruisverwijzingen beheren
Als u een kruisverwijzing invoegt, wordt in het deelvenster Hyperlinks de status van de kruisverwijzing aangegeven. Zo wordt bijvoorbeeld met
behulp van pictogrammen aangegeven of de doeltekst wordt weergegeven op het plakbord , op een stramienpagina , in een verborgen laag ,
in overlopende tekst of in verborgen tekst . Kruisverwijzingen die een koppeling naar dergelijke doelgebieden bevatten zijn onjuist. In het
deelvenster wordt tevens aangegeven of de doelalinea is bewerkt (en dus verouderd is) of ontbreekt . Doeltekst ontbreekt als de doeltekst of
het bestand dat de doeltekst bevat niet kan worden gevonden. Plaats de muisaanwijzer op een willekeurig pictogram als u de knopinfo voor dit
pictogram wilt bekijken.
In InCopy kunt u alleen kruisverwijzingen beheren als het artikel is uitgecheckt voor bewerken.
Kruisverwijzingen bijwerken
Een bijwerkpictogram geeft aan dat de doeltekst van de kruisverwijzing is gewijzigd of dat de brontekst van de kruisverwijzing is bewerkt. U kunt
de kruisverwijzing op eenvoudige wijze bijwerken. Als het doel naar een andere pagina verschuift, wordt de kruisverwijzing automatisch bijgewerkt.
Als u een kruisverwijzing bijwerkt, worden eventuele opmaakwijzigingen die u hebt aangebracht in de brontekst verwijderd.
Bij het afdrukken of uitvoeren ontvangt u een melding als kruisverwijzingen verouderd of onjuist zijn.
U kunt ook het deelvenster Preflight gebruiken om een melding weer te geven als kruisverwijzingen verouderd of onjuist zijn. Selecteer, tijdens
het definiëren van een profiel, Kruisverwijzingen in de sectie Tekst. Zie Preflight-profielen definiëren.
1. Selecteer een of meer verouderde kruisverwijzingen. Als u alle kruisverwijzingen wilt bijwerken, moet u ervoor zorgen dat
geen ervan is geselecteerd.
2. Ga als volgt te werk:
Klik op de knop Kruisverwijzingen bijwerken in het deelvenster Hyperlinks.
Kies Kruisverwijzing bijwerken in het menu van het deelvenster Hyperlinks.
Kies Tekst > Hyperlinks en kruisverwijzingen > Kruisverwijzing bijwerken.
Kies Alle kruisverwijzingen bijwerken in het menu van het deelvenster Boek om alle kruisverwijzingen in een boek bij te werken. Er wordt een
melding weergegeven als er nog onjuiste kruisverwijzingen zijn.
Kruisverwijzingen opnieuw koppelen
Als de ontbrekende doeltekst naar een ander document is verplaatst of als de naam van het document met de doeltekst is gewijzigd, kunt u de
kruisverwijzing opnieuw koppelen. Als u een kruisverwijzing opnieuw koppelt, worden eventuele wijzigingen die u hebt aangebracht in de
bronkruisverwijzing verwijderd.
1. Dubbelklik in de sectie Kruisverwijzingen van het deelvenster Hyperlinks op de kruisverwijzing die u opnieuw wilt koppelen.
2. Kies Kruisverwijzing opnieuw koppelen in het menu van het deelvenster Hyperlinks.
3. Zoek het document waarin de doeltekst staat en klik vervolgens op Openen.
Als er nog andere doeltekst in dat document wordt weergegeven, kunt u nog meer kruisverwijzingen opnieuw koppelen.
Kruisverwijzingen bewerken
Als u de vormgeving van de bronkruisverwijzing wilt wijzigen of een andere opmaak wilt opgeven, kunt u de kruisverwijzing bewerken. Als u een
kruisverwijzing bewerkt die aan een ander document is gekoppeld, wordt het document automatisch geopend.
1. Ga als volgt te werk:
Kies Tekst > Hyperlinks en kruisverwijzingen > Opties kruisverwijzing.
Dubbelklik in de sectie Kruisverwijzingen van het deelvenster Hyperlinks op de kruisverwijzing die u wilt bewerken.
Selecteer de kruisverwijzing en kies Opties kruisverwijzing in het menu van het deelvenster Kruisverwijzingen.
2. Bewerk de kruisverwijzing en klik op OK.
Kruisverwijzingen verwijderen
Als u een kruisverwijzing verwijdert, wordt de bronkruisverwijzing omgezet naar tekst.
1. Selecteer in de sectie Kruisverwijzingen van het deelvenster Hyperlinks de kruisverwijzing(en) die u wilt verwijderen.
2. Klik op het pictogram Verwijderen of kies Hyperlink/kruisverwijzing verwijderen in het menu van het deelvenster.
3. Klik ter bevestiging op Ja.
Als u een kruisverwijzing volledig wilt verwijderen, kunt u tevens de bron van de kruisverwijzing selecteren en deze verwijderen.
Tekst van kruisverwijzingsbron bewerken
U kunt de tekst van een kruisverwijzingsbron bewerken. Het voordeel van het bewerken van kruisverwijzingstekst is dat u zo nodig de
reeksspatiëring of woordspatiëring kunt wijzigen om tekst passend te maken, of andere wijzigingen kunt aanbrengen. Het nadeel is dat als u de
kruisverwijzing bijwerkt of opnieuw koppelt, alle lokale opmaakwijzigingen worden verwijderd.
Juridische kennisgevingen | Onlineprivacybeleid
Bladwijzers
Naar boven
Naar boven
Bladwijzers maken voor PDF
Bladwijzers beheren
Bladwijzers maken voor PDF
Een bladwijzer is een soort koppeling met verklarende tekst waardoor u makkelijker naar documenten kunt navigeren die als Adobe PDF zijn
geëxporteerd. De bladwijzers die u in het InDesign-document maakt, staan op het tabblad Bladwijzers links in het venster van Acrobat of Adobe
Reader. Elke bladwijzer springt naar een tekstanker of een pagina.
Items in een gegenereerde inhoudsopgave worden automatisch aan het deelvenster Bladwijzers toegevoegd. Daarnaast kunt u het document
verder aanpassen met bladwijzers als extra informatie of verwijzing naar andere informatie. Bladwijzers kunnen onder andere bladwijzers worden
geplaatst.
In bepaalde gevallen wilt u misschien dat bladwijzers op het tabblad Bladwijzers van het PDF-document worden weergegeven, maar dat de
inhoudsopgave niet in het PDF-document wordt weergegeven. In dergelijke gevallen genereert u een inhoudsopgave op de laatste pagina van
het document. Als u het document vervolgens exporteert naar PDF, laat u de laatste pagina weg uit de exportbewerking. U kunt ook de laatste
pagina in het resulterende PDF-bestand opnemen en de pagina daarna in Acrobat verwijderen.
1. Kies Venster > Interactief > Bladwijzers om het deelvenster Bladwijzers weer te geven.
2. Klik op de bladwijzer waaronder u een nieuwe bladwijzer wilt maken. Als u geen bladwijzer selecteert, wordt de nieuwe
bladwijzer automatisch aan het einde van de lijst geplaatst.
3. Voer een van de volgende handelingen uit om te bepalen waaraan de bladwijzer moet worden gekoppeld:
Klik op een invoegpositie in de tekst.
Selecteer tekst. (De geselecteerde tekst wordt standaard het bladwijzerlabel.)
Dubbelklik op een pagina in het deelvenster Pagina's om de pagina in het documentvenster te openen.
4. Voer een van de volgende handelingen uit om de bladwijzer te maken:
Klik op het pictogram Nieuwe bladwijzer aanmaken in het deelvenster Bladwijzers.
Kies in het deelvenstermenu de optie Nieuwe bladwijzer.
De bladwijzers worden op het tabblad Bladwijzers weergegeven wanneer u het geëxporteerde PDF-bestand in Adobe Reader of Acrobat opent.
Opmerking: Wanneer u de inhoudsopgave bijwerkt, worden de bladwijzers opnieuw gerangschikt. De bladwijzers die op basis van een
inhoudsopgave worden gegenereerd, staan aan het einde van de lijst.
Bladwijzers beheren
In het deelvenster Bladwijzers kunt u bladwijzers verwijderen, rangschikken en de naam ervan wijzigen.
De naam van een bladwijzer wijzigen
Klik op de bladwijzer in het deelvenster Bladwijzers en kies Bladwijzer hernoemen in het deelvenstermenu.
Een bladwijzer verwijderen
Klik op de bladwijzer in het deelvenster Bladwijzers en kies Bladwijzer verwijderen in het deelvenstermenu.
Bladwijzers schikken, groeperen en sorteren
U kunt een lijst met bladwijzers nesten om de relatie tussen onderwerpen weer te geven. Bij het nesten wordt een relatie tussen
bovenliggende/onderliggende items gemaakt. U kunt deze hiërarchische lijst indien gewenst uit- en samenvouwen. Het wijzigen van de
nestvolgorde van bladwijzers heeft geen gevolgen voor de vormgeving van het eigenlijke document.
Ga op een van de volgende manieren te werk:
U kunt de bladwijzer hiërarchisch uit- en samenvouwen door te klikken op het driehoekje naast het bladwijzerpictogram en zo
de onderliggende items weergeven of verbergen.
Als u een bladwijzer onder een andere bladwijzer wilt nesten, selecteert u een of meerdere bladwijzers die u wilt nesten, en
sleept u het pictogram of de pictogrammen naar de bovenliggende bladwijzer. Laat de bladwijzer los.
De bladwijzer of bladwijzers die u hebt gesleept, worden onder de bovenliggende bladwijzer genest. De eigenlijke pagina blijft
op de oorspronkelijke locatie in het document staan.
Deelvenster Bladwijzers met bladwijzers die zijn genest onder een bovenliggende bladwijzer
Als u een bladwijzer uit een geneste positie wilt verwijderen, selecteert u een of meerdere bladwijzers die u wilt verplaatsen.
Sleep het pictogram of de pictogrammen onder en links van de bovenliggende bladwijzer. Een zwart balkje geeft aan waar de
bladwijzer naartoe wordt verplaatst. Laat de bladwijzer los.
Als u de volgorde van bladwijzers wilt wijzigen, selecteert u een bladwijzer en verplaatst u deze. Een zwart balkje geeft aan
waar de bladwijzer wordt geplaatst.
Als u bladwijzers wilt sorteren, kiest u Bladwijzers sorteren in het menu van het deelvenster Bladwijzers. Bladwijzers worden in
dezelfde volgorde gezet als de pagina's waarnaar ze verwijzen.
Meer Help-onderwerpen
Juridische kennisgevingen | Onlineprivacybeleid
Films en geluiden
Naar boven
Film- en geluidsbestanden toevoegen aan documenten
Formaat van filmobjecten, posters en kaders wijzigen
Oudere mediabestanden opnieuw koppelen
Film- en geluidsbestanden toevoegen aan documenten
U kunt de films en geluidclips die u aan een document toevoegt, afspelen nadat u het document als een Adobe PDF- of SWF-bestand hebt
geëxporteerd of als u het document in XML-indeling exporteert en de labels voor de XML-inhoud opnieuw gebruikt.
U kunt videobestanden importeren in de Flash Video-indeling (FLV en F4V), als bestanden met H.264-codering (zoals MP4) en als SWF-
bestanden. U kunt audiobestanden importeren in de MP3-indeling. Mediabestandstypen, zoals QuickTime (MOV), AVI en MPEG, worden
ondersteund in geëxporteerde interactieve PDF-bestanden, maar niet in geëxporteerde SWF- of FLA-bestanden. U wordt aangeraden
bestandsindelingen zoals FLV, F4V, SWF, MP4 en MP3 te gebruiken om optimaal te profiteren van de ondersteuning voor complexe media die
wordt geboden in Acrobat 9, Adobe Reader 9 en Adobe Flash Player 10 of hoger.
Houd tijdens de gehele productie bij welke mediabestanden u aan een InDesign-document toevoegt. Als u een mediaclip aan het document
toevoegt en vervolgens die clip verplaatst, moet u de clip opnieuw koppelen via het deelvenster Koppelingen. Als u het InDesign-document naar
iemand anders stuurt, moet u de mediabestanden in het document opnemen.
Een film- of geluidsbestand toevoegen
1. Kies Bestand > Plaatsen en dubbelklik op het film- of geluidsbestand. Klik op de plaats waar u de film wilt invoegen. (Als u het
mediakader maakt door te slepen, kan de rand van het kader afgesneden of schuingetrokken zijn.)
Als u een film- of geluidsbestand plaatst, verschijnt er een mediaobject in een kader. Dit mediaobject leidt naar het
mediabestand. U kunt het afspeelgebied bepalen door de grootte van het mediaobject aan te passen.
Als het middelpunt van de film buiten de pagina valt, wordt de film niet geëxporteerd.
2. Gebruik het deelvenster Media (kies Venster > Interactief > Media) om een voorvertoning van een mediabestand weer te
geven en instellingen te wijzigen.
3. Exporteer het bestand in de Adobe PDF- of SWF-indeling.
Als u het bestand wilt exporteren in de Adobe PDF-indeling, kiest u de optie Adobe PDF (interactief) en niet Adobe PDF
(afdrukken). Zie Interactieve documenten maken voor PDF.
Filminstellingen wijzigen
U kunt filminstellingen aanpassen in het deelvenster Media.
1. Selecteer het filmobject in het document.
2. Voer in het deelvenster Media een van de volgende handelingen uit:
Afspelen bij laden van paginaHiermee wordt de film afgespeeld wanneer iemand de pagina waarop de film staat, omslaat.
Wanneer voor andere pagina-items is ingesteld dat deze moeten worden afgespeeld bij het laden van de pagina, gebruikt u
het deelvenster Timing om de afspeelvolgorde te bepalen.
LusHiermee wordt de film continu afgespeeld. Als het bronbestand is opgeslagen in een Flash Video-indeling, wordt het in
een lus afspelen van de film alleen toegepast in geëxporteerde SWF-bestanden en niet in PDF-bestanden.
PosterGeef voor Poster het type afbeelding op dat in het afspeelgebied moet komen te staan. Zie Posteropties.
BedieningAls het filmbestand een Flash Video-bestand (FLV of F4V) of een bestand met H.264-codering is, kunt u vooraf
ingestelde controllerskins opgeven waarmee gebruikers de film op verschillende manieren kunnen pauzeren, starten en
stoppen. Als u Controller tonen bij rollover selecteert, worden de bedieningselementen weergegeven wanneer u de
muisaanwijzer op het mediaobject laat staan. Gebruik het deelvenster Voorvertoning om een voorvertoning van de
geselecteerde controllerskin weer te geven.
Als het filmbestand een oud bestand is (zoals een AVI- of MPEG-bestand), kunt u Geen of Controller tonen selecteren. In dat
geval wordt een standaardcontroller weergegeven waarmee gebruikers de film kunnen pauzeren, starten en stoppen.
SWF-bestanden die u plaatst, hebben mogelijk hun eigen controllerskins. U kunt de controlleropties testen in het deelvenster
Voorvertoning.
Naar boven
NavigatiepuntenU kunt een navigatiepunt maken door naar een specifiek frame in de video te gaan en op het pictogram
met het plusteken te klikken. Navigatiepunten zijn handig wanneer u een video vanaf een ander beginpunt wilt afspelen.
Wanneer u een knop maakt voor het afspelen van een video, kunt u de optie Afspelen vanaf navigatiepunt gebruiken om het
afspelen van de video te starten bij een door u toegevoegd navigatiepunt.
Geluidsinstellingen wijzigen
U kunt geluidsinstellingen aanpassen in het deelvenster Media.
1. Selecteer het geluidsobject in het document.
2. Voer in het deelvenster Media een van de volgende handelingen uit:
Afspelen bij laden van paginaHiermee wordt het geluid afgespeeld wanneer iemand de pagina waarop het geluidsobject
staat, omslaat. Wanneer voor andere pagina-items is ingesteld dat deze moeten worden afgespeeld bij het laden van de
pagina, gebruikt u het deelvenster Timing om de afspeelvolgorde te bepalen.
Stoppen bij omslaan paginaHiermee wordt het afspelen van het MP3-geluidsbestand gestopt wanneer de gebruiker naar
een andere pagina gaat. Als het audiobestand geen MP3-bestand is, is deze optie grijs.
LusHiermee wordt het MP3-geluidsbestand continu afgespeeld. Als het bronbestand geen MP3-bestand is, is deze optie
grijs.
PosterGeef voor Poster het type afbeelding op dat in het afspeelgebied moet komen te staan. Zie Posteropties.
Posteropties
Een poster is de afbeelding die een mediaclip voorstelt. Elke film of elk geluid kan met of zonder poster worden weergegeven. Als de poster in
InDesign groter is dan de film, wordt de poster bijgeknipt tot de grootte van de film in het geëxporteerde PDF- of SWF-bestand. Geef een van de
volgende typen posterafbeelding op in het deelvenster Media:
Geen Geeft geen poster voor de film- of geluidclip weer. Gebruik deze optie als u de film- of geluidclip niet op de pagina wilt weergeven. U wilt
dan bijvoorbeeld dat de media alleen worden afgespeeld wanneer de pagina wordt omgeslagen of u wilt in plaats van een poster een complex
ontwerp onder de film.
Standaard Geeft een algemene film- of geluidsposter weer die niet is gebaseerd op de inhoud van het bestand.
U gebruikt een andere standaardposter door een afbeelding als Standaardfilmposter.jpg of Standaardgeluidsposter.jpg op te slaan en het
bestaande bestand met dezelfde naam te vervangen. Dit bestand bevindt zich in de map Presets/Multimedia in de toepassingsmap.
Vanaf huidige frameSelecteer deze optie als u het frame wilt gebruiken dat op dat moment wordt weergegeven in het voorvertoningsgedeelte
van het deelvenster Media. Als u een ander frame wilt selecteren, gebruikt u de voorvertoningsschuifregelaar en klikt u op het pictogram rechts
van het menu Poster. Deze optie is niet beschikbaar bij oude indelingen voor filmbestanden, zoals AVI en MPEG.
Afbeelding kiezenHiermee selecteert u een afbeelding voor de poster. Dubbelklik op de afbeelding die u wilt gebruiken. U kunt voor posters
alleen bitmapafbeeldingen en geen vectorafbeeldingen selecteren.
[Uit video]Deze optie is ingeschakeld voor omgezette CS4- documenten met mediaclips die zijn ingesteld op een specifiek frame.
Media-instellingen voor interactieve PDF-bestanden wijzigen
1. Kies PDF-opties in het menu van het deelvenster Media.
2. Geef de volgende opties op en klik op OK.
BeschrijvingTyp een beschrijving die wordt weergegeven als het mediabestand niet kan worden afgespeeld in Acrobat.
Deze beschrijving kan ook dienen als alternatieve tekst voor slechtzienden.
Video afspelen in zwevend vensterHiermee wordt de film in een eigen venster afgespeeld. Als u deze optie selecteert,
geeft u de afmeting van en de positie voor het scherm op. Als u dit venster vergroot, kan de beeldkwaliteit slechter worden.
De grootte van het zwevende venster wordt bepaald door de grootte van de originele film en niet door de grootte van de
geschaalde film in de documentlayout. Deze optie is niet beschikbaar voor SWF-bestanden of audiobestanden.
Een video vanaf een URL plaatsen
Plaats een video vanaf een geldige URL om de streamingvideo in het geëxporteerde PDF- of SWF-bestand af te spelen. De video moet een
geldig Flash Video-bestand (FLV of F4V) of een bestand met H.264-codering (zoals MP4) zijn.
1. Selecteer een leeg frame of een video-object met een video die u wilt vervangen.
2. Kies Video vanaf URL in het menu van het deelvenster Media.
3. Geef de URL op en klik op OK.
Formaat van filmobjecten, posters en kaders wijzigen
Wanneer u een film aan het InDesign-document toevoegt, staan het filmobject en de poster in een kader. Wanneer u naar PDF exporteert, bepaalt
de omtrek van het filmobject de grootte van de film in het PDF-document en niet de grootte van het kader of de poster.
Naar boven
U krijgt het beste resultaat door de poster en de film even groot te houden. Als u een uitknippad toepast of het formaat van de afbeelding wijzigt,
worden deze wijzigingen waarschijnlijk niet doorgevoerd in het geëxporteerde PDF-document.
Films worden weergegeven in de bovenste laag van het PDF-document. Als u een film bedekt met een ander object in InDesign, wordt dat object
onder de film weergegeven in de geëxporteerde PDF.
Als u in het PDF-document een afspeelgebied met doezeleffect of andere effecten wilt plaatsen die niet goed worden geëxporteerd wanneer ze
worden toegepast op een poster, kunt u voor het afspeelgebied ook een geplaatste afbeelding gebruiken en vervolgens een film (zonder
poster) op de geplaatste afbeelding plaatsen.
Formaat van filmobject wijzigen
A. PosterB. FilmobjectC. Kader
Ga als volgt te werk:
Wijzig met het gereedschap Schalen het formaat van het filmobject, de poster en het kader, en sleep een van de
hoekhandgrepen (houd Shift ingedrukt om de verhoudingen te behouden).
U wijzigt alleen het formaat van het kader door met het gereedschap Selecteren een hoekhandgreep te slepen.
U wijzigt het formaat van een poster of mediaobject door de poster of het object te selecteren met het gereedschap Direct
selecteren . Klik vervolgens op het gereedschap Selecteren en sleep een hoekgreep.
Als u het formaat van een poster binnen een kader wilt wijzigen, kunt u ook de aanpassingsopdrachten (Object >
Aanpassen) gebruiken.
Oudere mediabestanden opnieuw koppelen
U kunt het beste de FLV- en F4V-video-indelingen en de MP3-audio-indeling gebruiken in InDesign als u interactieve documenten wilt exporteren.
De video-indelingen .mov, .avi en .mpg kunnen wel worden geëxporteerd naar .pdf, maar niet naar op Flash gebaseerde indelingen, zoals .swf.
Gebruik Adobe Media Encoder om videobestanden om te zetten in de FLV-, F4V- of MP4-indeling. Adobe Media Encoder zet
audiobestandsindelingen niet om in MP3, maar daar kunt u bijvoorbeeld Apple iTunes voor gebruiken.
1. Open Adobe Media Encoder, voeg de videobestanden toe die u wilt omzetten en zet deze om in de FLV- of F4V-indeling.
Raadpleeg de Help bij Adobe Media Encoder voor meer informatie.
2. Voer een of meer van de volgende handelingen uit:
Plaats het mediabestand in een InDesign-document. Zie Film- en geluidsbestanden toevoegen aan documenten.
Als de videobestanden al in een InDesign-document zijn geplaatst, kunt u de bestanden in het deelvenster Koppelingen
aan hun nieuwe versies koppelen. Zie Koppelingen bijwerken, herstellen en vervangen.
Meer Help-onderwerpen
Juridische kennisgevingen | Onlineprivacybeleid
Animatie
Naar boven
Een document aan de hand van bewegingsvoorinstellingen voorzien van animatie
Bewegingsvoorinstellingen beheren
Een bewegingspad maken
De animatievolgorde wijzigen in het deelvenster Timing
Met animatie-effecten kun u objecten in geëxporteerde SWF-bestanden laten bewegen. U kunt bijvoorbeeld een bewegingsvoorinstelling
toepassen op een afbeelding, zodat deze van links al draaiend en tollend het scherm in komt vliegen. Gebruik de volgende gereedschappen en
deelvensters om documenten van animatie te voorzien.
Het deelvenster AnimatiePas een bewegingsvoorinstelling toe en bewerk de instelling voor bijvoorbeeld duur en snelheid.
De gereedschappen Direct selecteren en PenBewerk het pad waarover het object met animatie zich verplaatst.
Het deelvenster TimingBepaal de volgorde waarin objecten op een pagina van animatie worden voorzien.
Het deelvenster VoorvertoningGeef de animatie weer in een InDesign-deelvenster.
Opmerking: Een verwant type animatie dat u in InDesign kunt invoegen, is een knop met een rollover-effect. Zie Knoppen maken voor meer
informatie.
Een document aan de hand van bewegingsvoorinstellingen voorzien van animatie
Bewegingsvoorinstellingen zijn kant-en-klare animaties die u snel op objecten kunt toepassen. Gebruik het deelvenster Animatie om
bewegingsvoorinstellingen toe te passen en animatie-instellingen, zoals duur en snelheid, te wijzigen. U kunt in dit deelvenster ook opgeven
wanneer een object met animatie wordt afgespeeld.
Dit zijn dezelfde bewegingsvoorinstellingen als in Adobe Flash CS5 Professional. U kunt elke aangepaste bewegingsvoorinstelling die in Flash
Professional is gemaakt, importeren. U kunt door u gemaakte bewegingsvoorinstellingen ook opslaan en gebruiken in InDesign of Flash
Professional.
Animatiefuncties worden alleen ondersteund wanneer u ze exporteert naar Adobe Flash Player (de indeling .swf). Deze functies worden niet
ondersteund wanneer u exporteert naar een interactief PDF-bestand. Als u animatie-effecten aan een PDF-bestand wilt toevoegen, exporteert
u een selectie als een SWF-bestand uit InDesign en plaatst u dat SWF-bestand in het InDesign-document.
Op www.adobe.com/go/lrvid5159_id_nl vindt u een videodemo over het maken van voorinstellingen voor beweging.
1. Plaats het object dat u wilt van een animatie wilt voorzien in uw document.
2. Kies een bewegingsvoorinstelling in het menu Voorinstelling in het deelvenster Animatie (Venster > Interactief > Animatie).
3. Geef de opties voor de bewegingsvoorinstelling op.
4. Gebruik de gereedschappen Pen en Direct selecteren als u het bewegingspad wilt bewerken.
5. Gebruik het deelvenster Timing om de volgorde van animatie-effecten te bepalen.
6. Geef een voorvertoning van de animatie weer in het deelvenster Voorvertoning van InDesign.
Selecteer het object en klik op het pictogram Verwijderen in het deelvenster Animatie om animatie uit een object te verwijderen.
Opmerking: Wanneer bepaalde animatie-effecten, zoals Infaden, worden gecombineerd met een paginaovergang of met Pagina omslaan en
krullen, zal de animatie mogelijk onverwacht gedrag vertonen in het deelvenster Voorvertoning of in het geëxporteerde SWF-bestand. Zo zijn
objecten die op Infaden zijn ingesteld meteen zichtbaar bij het omslaan van de pagina, terwijl ze eerst onzichtbaar zouden moeten zijn. Als u dit
conflict wilt voorkomen, moet u geen paginaovergangen gebruiken op pagina's met animatie, en moet u de optie Inclusief interactief pagina
omslaan en krullen in het dialoogvenster SWF exporteren uitschakelen. Voorinstellingen voor bewegen die mogelijk niet zoals verwacht werken
met paginaovergangen en Pagina krullen zijn onder andere: Verschijnen, Infaden, de verschillen voorinstellingen voor Invliegen, Inzoomen (2D) en
Zweven.
Geselecteerde objecten omzetten in een bewegingspad
U maakt animatie door een object en een pad te selecteren en deze om te zetten in een bewegingspad. Als u twee gesloten paden hebt
geselecteerd, zoals twee rechthoeken, wordt het bovenste pad het bewegingspad.
1. Selecteer het object dat u van animatie wilt voorzien en het pad dat u als bewegingspad wilt gebruiken.
U kunt niet meer dan twee geselecteerde objecten omzetten.
2. Klik in het deelvenster Animatie op de knop Omzetten in bewegingspad .
3. Wijzig de instellingen in het deelvenster Animatie.
Naar boven
Opties voor bewegingsvoorinstellingen
De opties voor bewegingsvoorinstellingen worden weergegeven in het deelvenster Animatie. Klik op de optie Eigenschappen om geavanceerde
instellingen weer te geven.
NaamGeef een naam op voor de animatie. Een beschrijvende naam is vooral handig als u een actie instelt waarmee de animatie wordt
geactiveerd.
VoorinstellingMaak een keuze in de lijst met vooraf ingestelde bewegingsinstellingen.
Gebeurtenis(sen) Standaard is Bij laden van pagina geselecteerd. Dat betekent dat het object met animatie wordt afgespeeld wanneer de
pagina in het SWF-bestand wordt geopend. Kies Bij klikken op pagina om de animatie te activeren wanneer er op de pagina wordt geklikt. Kies Bij
klikken (automatisch) of Bij rollover (automatisch) om de animatie respectievelijk te activeren wanneer iemand op het object zelf klikt of de muis
erboven houdt. Bij knopgebeurtenis wordt geselecteerd als u een knopactie instelt waarmee de animatie wordt geactiveerd. (Zie Acties toevoegen
aan knoppen.) U kunt meerdere gebeurtenissen opgeven om de animatie te starten.
Als u de gebeurtenis Bij rollover (automatisch) selecteert, kunt u ook Omkeren bij rolloff selecteren. Met deze optie draait u de actie van de
animatie om als u de muis van het object haalt.
Knopactivering makenKlik op deze knop om de animatie te activeren vanaf een bestaand object of een bestaande knop. Klik op de knop
Knopactivering maken en daarna op het object waarmee de animatie wordt geactiveerd. Het object wordt, indien nodig, omgezet in een knop
en het deelvenster Knoppen wordt geopend.
DuurGeef op hoe lang het duurt voordat de animatie wordt weergegeven.
AfspelenGeef op hoe vaak de animatie wordt afgespeeld of selecteer Continu om de animatie steeds opnieuw af te afspelen totdat deze wordt
gestopt.
SnelheidU kunt kiezen of de animatie bij een constante snelheid wordt afgespeeld (Geen), langzaam begint en dan steeds sneller wordt
afgespeeld (Versnellen) of tegen het einde wordt vertraagd (Vertragen).
Opmerking: De volgende opties zijn beschikbaar wanneer Eigenschappen wordt uitgevouwen.
AnimerenKies Op basis van huidige vormgeving om de huidige eigenschappen (schalingspercentage, rotatiehoek en positie) te gebruiken als het
beginpunt voor de animatie.
Kies Naar huidige vormgeving om de eigenschappen van het object te gebruiken als het eindpunt van de animatie. Het gebruik van deze optie is
vooral handig in presentaties. Objecten die het beeld in komen vliegen, kunnen bijvoorbeeld worden weergegeven op de pagina in plaats van op
het plakbord, zodat het afgedrukte document er veel beter uitziet.
Kies Naar huidige locatie om de huidige objecteigenschappen te gebruiken als het beginpunt van de animatie en de positie van het object als het
eindpunt. Deze optie lijkt op Naar huidige vormgeving, alleen eindigt het object op de huidige locatie en wordt het bewegingspad verschoven.
Deze optie is vooral handig in geval van bepaalde voorinstellingen, zoals vervagingen en fades, omdat zo wordt voorkomen dat het object er aan
het einde van de animatie niet goed uitziet.
Instellingen voor animeren
A.Object en pad voor animatieB.Van huidige vormgevingC.Naar huidige vormgevingD.Naar huidige locatie
Klik op Animatieproxy weergeven onder aan het deelvenster Animatie om de proxy aan het einde van het bewegingspad weer te geven.
RoterenGeef een rotatiehoek op die het object tijdens de animatie voltooit.
OorsprongGebruik de proxy om de oorsprong van het bewegingspad voor het geanimeerde object op te geven.
SchalenGeef een percentage op om te bepalen of het object tijdens het afspelen groter of kleiner wordt.
DekkingKies een optie om te bepalen of de animatie onveranderd blijft (Geen), langzaam maar zeker zichtbaar wordt (Infaden) of langzaam maar
zeker onzichtbaar wordt (Uitfaden).
ZichtbaarheidSelecteer Verbergen tot animatie wordt gestart of Verbergen na animeren om een object voor of na het afspelen onzichtbaar te
maken.
Bewegingsvoorinstellingen beheren
U kunt in InDesign animatie-instellingen opslaan als bewegingsvoorinstellingen die u gemakkelijk opnieuw kunt gebruiken. U kunt ook
voorinstellingen importeren uit XML-bestanden die kunnen worden geopend in Flash Professional of uitgewisseld met andere InDesign-gebruikers.
Bewegingsvoorinstellingen opslaan voor later gebruik
Aangepaste voorinstellingen staan boven aan het menu Voorinstellingen in het deelvenster Animatie.
1. Wijzig indien nodig de instellingen in het deelvenster Animatie.
2. Kies Opslaan in het menu van het deelvenster Animatie.
Naar boven
Naar boven
3. Voer een naam voor de voorinstelling in en klik op OK.
Aangepaste bewegingsvoorinstellingen verwijderen
In het dialoogvenster Voorinstellingen beheren kunt u opgeslagen, gedupliceerde of geïmporteerde bewegingsvoorinstellingen verwijderen. U kunt
de bewegingsvoorinstellingen die tussen haakjes staan en die samen met InDesign zijn geïnstalleerd niet verwijderen. Wanneer u een
bewegingsvoorinstelling verwijdert, wordt deze zowel uit het menu Voorinstellingen als van de computer verwijderd.
1. Kies Voorinstellingen beheren in het menu van het deelvenster Animatie.
2. Selecteer de voorinstelling die u wilt verwijderen en klik op Verwijderen.
Bewegingsvoorinstellingen dupliceren
1. Kies Voorinstellingen beheren in het menu van het deelvenster Animatie.
2. Selecteer de voorinstelling die u wilt dupliceren en klik op Dupliceren.
Bewegingsvoorinstellingen opslaan als XML-bestanden
Het is handig om bewegingsvoorinstellingen op te slaan als XML-bestanden, als u een voorinstelling wilt delen met andere InDesign-gebruikers of
deze wilt openen in Flash Professional.
Wanneer u een bewegingsvoorinstelling opslaat als een XML-bestand, wordt het bewegingspad tegelijk met de instellingen voor Duur, Snelheid,
Schalen, Roteren en Dekking opgeslagen.
1. Kies Voorinstellingen beheren in het menu van het deelvenster Animatie.
2. Selecteer een voorinstelling en klik op Opslaan als.
3. Geef een naam en locatie voor de bewegingsvoorinstelling op en klik op Opslaan.
Bewegingsvoorinstellingen importeren
U kunt bewegingsvoorinstellingen importeren die als XML-bestanden uit InDesign of Flash Professional zijn geëxporteerd.
1. Kies Voorinstellingen beheren in het menu van het deelvenster Animatie.
2. Klik op Laden.
3. Dubbelklik op het XML-bestand dat u wilt importeren.
Een bewegingspad maken
Wanneer u een object met animatie selecteert, wordt het bewegingspad naast het object weergegeven.
Bewegingspad
A. BeginpuntB. Eindpunt
Ga op een van de volgende manieren te werk om een bewegingspad te bewerken:
Gebruik de gereedschappen Direct selecteren en Pen om een bewegingspad op dezelfde manier te bewerken als een pad. Zie
Paden bewerken.
Als u een bewegingspad wilt maken van een bestaand pad, selecteert u een pad en een object en klikt u op de knop
Omzetten in bewegingspad in het deelvenster Animatie.
Als u de richting van het pad wilt wijzigen, klikt u in het deelvenster Animatie op Eigenschappen en kiest u een instelling in het
menu Animeren. (Zie Opties voor bewegingsvoorinstellingen.) U kunt ook het bewegingspad selecteren en Object > Paden >
Pad omkeren kiezen. Als u het pad wilt omkeren zonder het object te verplaatsen, verwijdert u de animatie, keert u het pad om
en herstelt u de animatie.
De animatievolgorde wijzigen in het deelvenster Timing
In het deelvenster Timing kunt u de volgorde wijzigen waarin geanimeerde objecten worden afgespeeld. In het deelvenster Timing staan de
animaties op de huidige spread op basis van de paginagebeurtenis die aan elke animatie is toegewezen. U kunt bijvoorbeeld een set animaties
wijzigen die optreedt wanneer de pagina wordt geladen en vervolgens een andere set animaties wijzigen die wordt afgespeeld wanneer een
gebruiker op de pagina klikt.
Geanimeerde objecten worden vermeld in de volgorde waarin ze zijn gemaakt. Animaties die voor de gebeurtenis Bij laden van pagina worden
vermeld, worden standaard in de juiste volgorde afgespeeld. Voor de gebeurtenis Bij klikken op pagina vermelde animaties worden in de juiste
volgorde afgespeeld wanneer iemand op de pagina klikt.
U kunt de volgorde van de animatie wijzigen, objecten tegelijkertijd afspelen of de animatie vertragen.
1. Kies Venster > Interactief > Timing om het deelvenster Timing te openen.
2. Kies een optie in het menu Gebeurtenis om te bepalen of u de timing van de gebeurtenissen Bij laden van pagina of Bij
klikken op pagina wilt bewerken.
Bij laden van pagina en Bij klikken op pagina worden alleen weergegeven wanneer een of meer items aan de gebeurtenis zijn
toegewezen.
3. Voer een of meerdere van de volgende handelingen uit om de timing te bewerken:
Sleep items omhoog en omlaag in de lijst om de animatievolgorde te wijzigen. De bovenste items worden eerst
geanimeerd.
Als u de animatie wilt vertragen, selecteert u het desbetreffende item en geeft u het aantal seconden vertraging op.
Als u meerdere objecten tegelijk wilt afspelen, selecteert u de items in de lijst en klikt u op de knop Samen afspelen om
de items te koppelen. Houd Shift ingedrukt en klik om een reeks aangrenzende items te selecteren en houd Ctrl
(Windows) of Command (Mac OS) ingedrukt om niet-aangrenzende items te selecteren.
Als u besluit dat u een of meer gekoppelde items niet tegelijk wilt afspelen, selecteert u de items en klikt u op de knop
Gescheiden afspelen .
Als u gekoppelde items een bepaald aantal malen of continu wilt afspelen, selecteert u alle aan elkaar gekoppelde items
en geeft u het aantal malen op dat de animaties moeten worden afgespeeld of kiest u Continu.
Als u wilt dat de animatie door een andere gebeurtenis wordt geactiveerd, selecteert u het desbetreffende item en kiest u
Opnieuw toewijzen aan Bij laden van pagina of Opnieuw toewijzen aan Bij klikken op pagina.
Kies Item verwijderen als u een item voor de momenteel geselecteerde gebeurtenis (zoals Bij laden van pagina of Bij
klikken op pagina) wilt verwijderen. Als een item niet aan een gebeurtenis is toegewezen, staat het in de categorie Niet
toegewezen. U kunt deze categorie kiezen in het menu Gebeurtenis.
Juridische kennisgevingen | Onlineprivacybeleid
Formulieren | CS6
Naar boven
Workflow voor formulieren
U kunt formulieren ontwerpen in InDesign en deze rechtstreeks exporteren naar PDF. InDesign ondersteunt nu formuliervelden en extra
formulieracties. De bibliotheek Knoppen en formulieren (Venster > Interactief > Knoppen en formulieren) bevat formulier-items die u kunt
gebruiken om interactieve formulieren te ontwerpen.
U kunt eenvoudige formulieren maken in InDesign zonder dat u het PDF-document na publicatie hoeft te bewerken in Acrobat. U kunt eenvoudige
formulierelementen aan de documentpagina's toevoegen. Algemene veldtypen zoals tekstvelden, keuzerondjes, selectievakjes of handtekeningen
worden ondersteund. U kunt ook handelingen toevoegen om het formulier te verzenden via e-mail of het af te drukken.
Naast de basisontwerpfuncties kunt u ook de creatieve mogelijkheden van InDesign gebruiken om uw formulier meer flair te geven.
Voeg ononderbroken lijnen en vullingen toe op de velden van het PDF-formulier.
Voeg een aangepaste aan- of uitstatus of een zwevende status toe aan knoppen, selectievakjes en keuzerondjes.
Geef de gewenste tekengrootte voor tekstinvoervelden op.
Voor het verzamelen van creditcardgegevens kunt u bijvoorbeeld de traditionele creditcardpictogrammen gebruiken als keuzerondjes, met een
andere afbeelding voor de geselecteerde status.
Voor geavanceerde formulierworkflows kunt u het basisformulier exporteren en dit vervolgens bewerken in Adobe Acrobat.
Een formulierveld toevoegen
Gebruik het deelvenster Knoppen en formulieren om formuliervelden aan de layout toe te voegen. De werkwijzen voor het toevoegen van
interactieve formuliervelden zijn hetzelfde als die voor het toevoegen van knoppen, zodat u geen nieuwe werkwijzen hoeft te leren. U kunt een
formulier maken dat in Adobe Reader of Adobe Acrobat kan worden ingevuld. In InDesign kunt u een aantal fantastische formulieren samenstellen
die u doorgaans niet met Acrobat kunt maken.
Deelvenster Knoppen en formulieren
1. Plaats een kader op de plek waar u het formulierveld wilt instellen.
2. Open het deelvenster Knoppen en formulieren (Vensters > Interactief > Knoppen en formulieren).
3. Selecteer het kader en kies het gewenste type formulierelement in de lijst Type. U kunt ook met de rechtermuisknop op een
kader klikken en Interactief > Omzetten in [...] kiezen.
4. Geef een naam voor het formulierveld op. Als u een groep keuzerondjes wilt maken, moeten alle afzonderlijke knoppen
dezelfde naam hebben.
5. Kies een gebeurtenis en voeg acties toe om deze hieraan te koppelen. Acties zoals Formulier wissen, Formulier afdrukken en
Formulier versturen zijn toegevoegd. Geef in de actie Formulier versturen de URL op als "mailto:xyz@example.com.
6. Keuzerondje, selectievakje of knoppen: stel de weergavekenmerken voor de verschillende statussen in. InDesign voegt
standaardafbeeldingen voor de verschillende statussen toe, maar u kunt ook uw eigen afbeeldingen toevoegen.
7. Stel de PDF-opties in:
Beschrijving - de ingevoerde waarde wordt weergegeven als knopinfo en gebruikt voor het maken van toegankelijke
formulieren
Knopwaarde - deze waarde komt overeen met de exportwaarde in Acrobat en kan ook worden gebruikt om een
De voorwaarden van Creative Commons zijn niet van toepassing op Twitter™- en Facebook-berichten.
Juridische kennisgevingen | Onlineprivacybeleid
Naar boven
keuzerondje in een groep in een toegankelijke vorm te identificeren.
Tabvolgorde opgeven
Als u gebruikersvriendelijke en toegankelijke formulieren wilt maken, moet u een bruikbare tabvolgorde toewijzen. Gebruikers kunnen dan door de
formuliervelden navigeren zonder een aanwijsapparaat te gebruiken. Wanneer ze drukken op de tabtoets wordt de focus naar het volgende
logische gebied verplaatst.
Er zijn twee methoden om een tabvolgorde in een gelabelde PDF op te geven:
Gebruik het deelvenster Artikelen (Vensters > Artikel) om een aangepaste tabvolgorde op te geven
Kies Object > Interactief > Tabvolgorde instellen.
Gebruik Artikelen om de tabvolgorde op te geven
Het deelvenster Artikelen gebruiken om de tabvolgorde op te geven
1. Open het deelvenster Artikelen (Venster > Artikelen).
2. Sleep de formuliervelden naar het deelvenster Artikelen.
3. Sleep de velden in het deelvenster Artikelen om deze in de gewenste volgorde te plaatsen.
Als u wilt dat schermlezers de opgegeven volgorde gebruiken, schakelt u in het menu van het deelvenster Artikelen de optie Gebruiken voor de
leesvolgorde van gelabelde PDF's in. Vergeet niet de optie Gelabelde PDF maken in te schakelen bij het exporteren van het PDF-bestand.
Gebruik Structuur om de tabvolgorde op te geven
1. Kies Objecten > Interactief > Tabvolgorde instellen.
2. Klik op Omhoog verplaatsen of Omlaag verplaatsen om items in de gewenste tabvolgorde te rangschikken.
Tijdens het exporteren naar interactieve PDF, schakelt u Structuur gebruiken voor tabvolgorde in het dialoogvenster PDF-export in.
Zie ook
Werken met artikelen
Exporteren naar interactieve PDF-opties
Knoppen
Naar boven
Knoppen maken
Knoppen interactief maken
Knopvormgeving wijzigen voor rollover en klikken
Objecten met meerdere statussen maken
Hotspots voor knoppen maken
De tabvolgorde van knoppen instellen
Knoppen maken
U kunt knoppen maken die een actie uitvoeren als het document wordt geëxporteerd naar SWF- of PDF-indeling. U kunt bijvoorbeeld een knop
maken die naar een andere pagina springt of een website opent.
Knop die is ingesteld voor het afspelen van een film in een geëxporteerde PDF
Nadat u een knop hebt gemaakt, kunt u het volgende doen:
Het deelvenster Knoppen gebruiken om de knoppen interactief te maken. Als een gebruiker op een knop klikt in het
geëxporteerde SWF- of PDF-bestand, wordt een actie uitgevoerd. Zie Knoppen interactief maken.
Het gedeelte Vormgeving van het deelvenster Knoppen gebruiken om de vormgeving van de knop als reactie op bepaalde
muishandelingen te in te stellen. Zie Knopvormgeving wijzigen voor rollover en klikken.
Het deelvenster Objectstatussen gebruiken om objecten met meerdere statussen te maken. Zie Objecten met meerdere
statussen maken.
Een “hotspot”- of “hotlink”-effect maken waarmee een afbeelding wordt weergegeven wanneer de muisaanwijzer over de knop
wordt bewogen of wanneer op de knop wordt geklikt. Zie Hotspots voor knoppen maken.
Tijdens het werken aan knoppen en het ontwerpen van dynamische documenten, selecteert u de werkruimte Interactiviteit.
Een knop maken
1. Gebruik het gereedschap Pen of een tekengereedschap, zoals het gereedschap Rechthoek of het gereedschap Ovaal, om de
knopvorm te tekenen. Gebruik zo nodig het gereedschap Tekst om tekst toe te voegen aan de knop, bijvoorbeeld "Volgende"
of "Kopen”.
Als u navigatieknoppen maakt (zoals Volgende pagina of Vorige pagina) die op meerdere pagina's worden weergegeven,
voegt u deze toe aan een stramienpagina. U hoeft de knoppen dan niet op elke pagina in het document opnieuw te
maken. Deze knoppen worden weergegeven op alle documentpagina's waarop de stramienpagina is toegepast.
2. Selecteer met het gereedschap Selecteren de afbeelding of vorm die of het tekstkader dat u wilt omzetten.
Van een film, geluid of poster kunt u geen knop maken.
3. Klik op het pictogram Object omzetten in een knop in het deelvenster Knoppen (kies Venster > Interactief > Knoppen). U
kunt ook Object > Interactief > Omzetten in knop kiezen.
4. Voer in het deelvenster Knoppen een van de volgende handelingen uit:
Geef in het tekstvak Naam een naam op voor de knop om deze te onderscheiden van andere knoppen die u maakt.
Geef een of meer acties op voor de knop om te bepalen wat er gebeurt als op de knop wordt geklikt in het geëxporteerde
PDF- of SWF-bestand. Zie Knoppen interactief maken.
Activeer extra knopstatussen en wijzig de vormgeving hiervan om bijvoorbeeld te bepalen hoe de knop eruitziet als u de
muis gebruikt om de aanwijzer over de knop te bewegen of op de knop te klikken in het geëxporteerde PDF- of SWF-
bestand. Zie Knopvormgeving wijzigen voor rollover en klikken.
Naar boven
5. Test de knop in het deelvenster Voorvertoning (Venster > Interactief > Voorvertoning) om de knop te testen voordat u het
document als een interactief PDF- of SWF-bestand exporteert.
Een knop toevoegen vanuit het deelvenster Voorbeeldknoppen
Het deelvenster Voorbeeldknoppen bevat een aantal vooraf gemaakte knoppen die u in uw document kunt slepen. Deze voorbeeldknoppen
omvatten effecten zoals Verloopdoezelaar en Slagschaduw, met een iets afwijkende vormgeving voor de rollover-vormgeving. Aan de
voorbeeldknoppen zijn tevens acties toegewezen. Zo zijn bijvoorbeeld de voorbeeldpijlknoppen vooraf uitgerust met de acties Ga naar volgende
pagina of Ga naar vorige pagina. Indien nodig kunt u deze knoppen bewerken zodat zij beter aan uw behoeften voldoen.
Het deelvenster Voorbeeldknoppen is een objectbibliotheek. Zoals bij elke objectbibliotheek kunt u nieuwe knoppen toevoegen aan het
deelvenster en knoppen die u niet nodig hebt verwijderen. (Zie Objectbibliotheken gebruiken.) De voorbeeldknoppen zijn opgeslagen in het
bestand ButtonLibrary.indl, dat zich in de map Presets/Button Library van de toepassingsmap van InDesign bevindt.
1. Kies Voorbeeldknoppen in het menu van het deelvenster Knoppen om het deelvenster Voorbeeldknoppen te openen.
2. Sleep een knop vanuit het deelvenster Voorbeeldknoppen naar het document. Als u navigatieknoppen op elke pagina wilt
weergeven, voegt u de knoppen toe aan een stramienpagina.
3. Selecteer de knop met behulp van het gereedschap Selecteren en bewerk vervolgens zo nodig de knop via het deelvenster
Knoppen.
Houd rekening met het volgende tijdens het bewerken van de voorbeeldknoppen:
Als u tekst toevoegt aan een knop, moet u niet vergeten de tekst te kopiëren en te plakken vanuit de knopstatus Normaal naar
de knopstatus Rollover. Anders wordt de tekst die u toevoegt niet weergegeven als u de muisaanwijzer over de knop in het
PDF- of SWF-bestand beweegt.
U kunt knoppen vergroten of verkleinen. Als u de pijlknoppen Volgende pagina/Vorige pagina sleept, kunt u de eerste knop
vergroten of verkleinen en vervolgens de tweede knop selecteren en Object > Opnieuw transformeren > Opnieuw
transformeren kiezen.
U kunt de knop testen in het deelvenster Voorvertoning.
Een knop naar een object omzetten
Als u een knop omzet naar een object, blijft de inhoud van de knop op de pagina staan zonder de knopeigenschappen. Eventuele inhoud die aan
de andere knopstatussen is gekoppeld, wordt eveneens verwijderd.
1. Selecteer de knop met het gereedschap Selecteren .
2. Kies Object > Interactief > Omzetten in object.
Knoppen interactief maken
U kunt interactieve effecten in InDesign maken, bewerken en beheren. Nadat het document is geëxporteerd als een Adobe PDF- of SWF-bestand,
zijn deze interactieve acties mogelijk actief.
Stel dat u een knop voor het afspelen van geluid in een PDF-document wilt maken. U plaatst het geluidsbestand in een InDesign-document en
maakt in dat document een knop waarmee het geluid wordt afgespeeld wanneer u op de knop klikt.
In dit voorbeeld is het klikken met de muisknop de gebeurtenis en het afspelen van het geluid de actie.
Deze knop is ingesteld om een geluid af te spelen wanneer de muisknop wordt losgelaten.
Opmerking:
Bij loslaten
Bij klikken
Bij rollover
Bij rolloff
Veld activeren
Veld deactiveren
Ga naar doel
Go To First/Last/Next/Previous Page
Ga naar URL
Knoppen tonen/verbergen
Video
Geluid
Animatie (SWF)
Ga naar pagina (SWF)
Sommige acties worden in zowel PDF- als SWF-bestanden ondersteund, en sommige acties alleen in PDF- of SWF-bestanden. Als
u een actie kiest, kunt u beter geen actie kiezen die alleen in PDF-bestanden wordt ondersteund als u een document als SWF-bestand exporteert
en vice versa.
Acties toevoegen aan knoppen
U kunt acties aan verschillende gebeurtenissen toewijzen. U kunt bijvoorbeeld in een geëxporteerd PDF-bestand instellen dat een geluid wordt
afgespeeld wanneer de muisaanwijzer in het knopgebied komt en een film wordt afgespeeld wanneer met de muisknop wordt geklikt. Aan dezelfde
gebeurtenis kunnen ook meerdere acties worden toegewezen. U zou bijvoorbeeld een actie kunnen maken die een film afspeelt en de
weergavezoom op Ware grootte instelt.
1. Selecteer de knop die u hebt gemaakt met het gereedschap Selecteren .
2. Kies in het deelvenster Knoppen een gebeurtenis, bijvoorbeeld Bij loslaten, waarmee wordt bepaald hoe actie worden
geactiveerd.
3. Klik op de knop met het plusteken naast Acties en kies vervolgens de actie die u wilt toewijzen aan de gebeurtenis.
4. Geef de instellingen van de actie op.
Als u bijvoorbeeld Ga naar eerste pagina kiest, geeft u de zoomfactor op. Als u Ga naar URL kiest, geeft u het adres van de
webpagina op. Sommige acties, zoals Ga naar volgende weergave, hebben geen extra instellingen.
5. Ga, indien nodig, door met het toevoegen van zoveel acties als nodig zijn voor elke gebeurtenis.
U kunt de knop testen door het document in PDF- of SWF-indeling te exporteren en het geëxporteerde bestand te bekijken. Als u naar PDF
exporteert, moet u ervoor zorgen dat de optie Interactieve elementen is geselecteerd. Als u naar SWF exporteert, moet u ervoor zorgen dat de
optie Inclusief knoppen is geselecteerd.
Typen gebeurtenis
Gebeurtenissen bepalen hoe acties worden geactiveerd met knoppen wanneer het document wordt geëxporteerd als een Adobe PDF- of SWF-
bestand. (In Acrobat worden gebeurtenissen triggers genoemd.)
Wanneer na het klikken de muisknop wordt losgelaten. Dit is de meest gebruikte gebeurtenis, omdat de gebruiker de cursor nog van
de knop kan wegslepen als hij of zij de actie niet wil uitvoeren.
Wanneer er met de muisknop wordt geklikt en de muisknop ingedrukt blijft. Tenzij u een specifieke reden hebt om Bij klikken te
gebruiken, kunt u het beste Bij loslaten kiezen, zodat gebruikers de actie altijd nog kunnen annuleren.
Wanneer de muisaanwijzer het knopgebied binnengaat dat wordt bepaald door het selectiekader van de knop.
Wanneer de muisaanwijzer het knopgebied verlaat.
Wanneer de knop in een PDF-bestand de focus krijgt door klikken met de muis of drukken op de Tab-toets.
Wanneer een andere knop of een ander formulierveld in het PDF-bestand de focus krijgt.
Typen handelingen
Als u een actie maakt, geeft u aan wat er gebeurt als de opgegeven gebeurtenis plaatsvindt. Dit is gewoonlijk wanneer iemand op de knop klikt. U
kunt de volgende acties opgeven die moeten worden uitgevoerd wanneer het gebeurtenistype wordt geactiveerd:
Hiermee wordt naar het opgegeven tekstankerpunt gesprongen dat is gemaakt in het deelvenster Bladwijzers of Hyperlinks. Zie
Sprongen naar tekstankers maken.
Hiermee wordt naar de eerste, laatste, vorige of volgende pagina in het PDF- of SWF-document
gesprongen. Selecteer een optie in het menu Zoomen voor de weergave van de pagina.
Opent de webpagina van de opgegeven URL.
Hiermee wordt overgeschakeld tussen het weergeven en verbergen van opgegeven knoppen in het geëxporteerde
PDF- of SWF-bestand. Als u bijvoorbeeld een bepaalde knop wilt weergeven wanneer de muisaanwijzer over een andere knop wordt bewogen,
kunt u de doelknop verbergen totdat deze geactiveerd wordt en een actie maken waarmee de verborgen knop bij rollover wordt weergegeven. Zie
Een andere knop weergeven bij rollover.
Speelt de geselecteerde film af, of pauzeert, stopt of hervat de geselecteerde film. Alleen de films die aan het document zijn toegevoegd,
staan in het menu Video.
Speelt de geselecteerde geluidclip af, en pauzeert, stopt of hervat de geluidclip. Alleen geluidclips die aan het document zijn toegevoegd,
staan in het menu Geluid.
Speelt de geselecteerde animatie af, of pauzeert, stopt of hervat de geselecteerde animatie. Alleen de films die aan het
document zijn toegevoegd, staan in het menu Animatie.
Hiermee wordt naar de opgegeven pagina in het SWF-bestand gesprongen.
Ga naar status (SWF)
Ga naar volgende/vorige status (SWF)
Ga naar volgende weergave (PDF)
Ga naar vorige weergave (PDF)
Bestand openen (PDF)
Weergavezoom (PDF)
Opmerking:
Opmerking:
Naar boven
Hiermee wordt gesprongen naar een specifieke status in een object met meerdere statussen. Als een object met
meerdere statussen bijvoorbeeld verschillende afbeeldingen als statussen bevat, kunt u met deze actie een bepaalde afbeelding weergeven.
Hiermee wordt gesprongen naar de volgende of vorige status in een object met meerdere statussen.
Deze opties zijn vooral handig wanneer u door een diapresentatie wilt klikken. Zie Objecten met meerdere statussen maken.
Springt naar een pagina nadat er naar de vorige weergave is gegaan. Zoals in een webbrowser de knop
Vooruit alleen beschikbaar is na klikken op de knop Terug, is deze optie alleen beschikbaar wanneer een gebruiker naar een vorige weergave is
gegaan.
Springt naar de laatst weergegeven pagina in het PDF-document of gaat terug naar het laatst gebruikte
zoomniveau.
Opent het opgegeven bestand. Als u een niet-PDF-bestand opgeeft, kan de lezer het bestand alleen openen in de
toepassing waarmee het bestand is gemaakt. Geef een absolute padnaam op (bijv. C:\docs\sample.pdf).
Geeft de pagina met de opgegeven zoomoptie weer. U kunt het zoomniveau van de pagina (zoals Ware grootte), de
paginalayout (zoals Doorlopend - Pagina's naast elkaar) of rotatiestand wijzigen.
Knopacties bewerken of verwijderen
1. Selecteer de knop met het gereedschap Selecteren .
2. Voer in het deelvenster Knoppen een van de volgende handelingen uit:
Deactiveer acties door het selectievakje bij het item uit te schakelen. Vooral bij testen kan het deactiveren van
gebeurtenissen en acties van pas komen.
U wijzigt de volgorde door acties te slepen en neer te zetten.
U verwijdert een actie door deze te selecteren in de keuzelijst en vervolgens op de knop Geselecteerde actie verwijderen
te klikken.
U kunt een actie bewerken door de gebeurtenis te kiezen waaraan de actie is toegewezen, de actie te selecteren in de
keuzelijst en de instellingen te wijzigen. Als u een actie voor een bestaande gebeurtenis moet vervangen, verwijdert u de
actie en voegt u de nieuwe actie toe aan de gebeurtenis.
Sprongen naar tekstankerpunten maken
Als u een tekstankerpunt in een InDesign-document maakt, kunt u met een knop naar dat ankerpunt springen, zelfs als dat een ankerpunt in een
ander InDesign-document is. U kunt tekstankerpunten toevoegen met de deelvensters Bladwijzers en Hyperlinks. U kunt geen sprongen van
knoppen naar bladwijzers maken die geen tekstankers zijn.
Als u een hyperlink als doel voor een knop instelt, heeft de hyperlink geen effect in het geëxporteerde PDF- of SWF-document.
1. Selecteer de knop met het gereedschap Selecteren .
2. Kies in het deelvenster Knoppen de gebeurtenis, bijvoorbeeld Bij loslaten, waarmee de sprong wordt geactiveerd.
3. Klik op de knop met het plusteken naast Acties en kies Naar doel.
4. Selecteer een van de geopende InDesign-documenten in het menu Documenten of klik op het mappictogram rechts van het
menu en geef het bestand op.
5. Geef een anker op dat is gemaakt met het deelvenster Bladwijzers of het deelvenster Hyperlinks.
6. Selecteer een optie in het menu Zoomen voor de weergave van de pagina.
Als u een anker in een ander document opgeeft, moet u dat document onder dezelfde naam als het InDesign-document naar PDF
exporteren en de extensie .indd door .pdf. vervangen. Ook moet u de PDF-documenten in dezelfde map opslaan, anders werken de koppelingen
niet in Acrobat en Reader.
Knopvormgeving wijzigen voor rollover en klikken
Een knop bestaat uit een groep afzonderlijke objecten die elk een knopvormgeving vertegenwoordigen (soms ook wel een “status” genoemd). Voor
elke knop zijn er drie soorten vormgeving mogelijk: Normaal, Rollover en Klikken. In het geëxporteerde bestand wordt de vormgeving Normaal
gebruikt, tenzij de muisaanwijzer op het gebied wordt geplaatst (Rollover) of met de muis op het knopgebied (Klikken) wordt geklikt. U kunt elke
vormgeving aanpassen ten behoeve van visuele feedback.
Standaard krijgt elke gemaakte knop de vormgeving Normaal met de tekst of afbeelding van de knop. Als u een nieuwe vormgeving activeert,
wordt de vormgeving Normaal gekopieerd. U kunt de ene vormgeving onderscheiden van de andere door de kleur te wijzigen of door tekst of een
afbeelding toe te voegen.
Opmerking:
Opmerking:
Naar boven
Knopstatussen
A. Aanwijzer niet boven knopgebied (Normaal) B. Aanwijzer in knopgebied (Rollover) C. Aanwijzer klikt (Klikken)
Het gebied van de knop waarin kan worden geklikt, oftewel de hotspot, is de vierkante bounding box van de grootste status van de
knop. Zo heeft een ronde knop bijvoorbeeld een vierkante hotspot.
Het soort vormgeving van knoppen wijzigen
Als u een knop met meer dan één vormgeving maakt (Normaal, Rollover en Klikken), is het verstandig het ontwerpen van de knop af te ronden
voordat u een andere vormgeving activeert. Als u de vormgeving Rollover of Klikken activeert, wordt de vormgeving Normaal gekopieerd.
Sommige wijzigingen zijn alleen van invloed op de geselecteerde vormgeving, terwijl andere wijzigingen van invloed zijn op elke actieve
vormgeving. Als u een vormgeving selecteert en een andere achtergrondkleur toepast of de tekst bewerkt, is de wijziging alleen van invloed op de
geselecteerde vormgeving. Als u het gereedschap Selecteren gebruikt om de knop te verplaatsen of om deze te vergroten of te verkleinen, is de
wijziging van invloed op elke vormgeving.
1. Kies Venster > Interactief > Knoppen om het deelvenster Knoppen te openen.
2. Selecteer met het gereedschap Selecteren de knop in de layout die u wilt bewerken.
3. Klik op [Rollover] om de vormgeving Rollover te activeren.
De vormgeving Normaal wordt gekopieerd naar Rollover.
4. Wijzig, terwijl Rollover nog steeds is geselecteerd, de vormgeving van de knop.
Als u de kleur wilt wijzigen, kiest u een staal in het menu Lijn of Vulling van het regelpaneel.
Als u een afbeelding in de weergave wilt plaatsen, selecteert u de bestaande afbeelding met Direct selecteren of
dubbelklikt u op de bestaande knopafbeelding en kiest u Bestand > Plaatsen. Dubbelklik vervolgens op een bestand.
U kunt een afbeelding in een tekstkader plakken door het kader naar het Klembord te kopiëren, de vormgeving te
selecteren in het deelvenster Knoppen en vervolgens Bewerken > Plakken in te kiezen.
Typ tekst door het gereedschap Tekst te selecteren, op de knop te klikken en vervolgens de tekst te typen. U kunt ook
Bewerken > Plakken in kiezen om een geplakt tekstkader te kopiëren.
5. U kunt de vormgeving Klikken toevoegen door op [Klikken] te klikken om deze te activeren en vervolgens dezelfde procedure
te volgen om de vormgeving te wijzigen.
6. U kunt elke verschillende knopvormgeving testen in het deelvenster Voorvertoning.
U kunt de grootte van de miniaturen voor de vormgeving van de status wijzigen in het deelvenster Knoppen door Deelvensteropties te kiezen,
een optie te selecteren en vervolgens op OK te klikken.
Een vormgeving verwijderen en uitschakelen
1. Selecteer de vormgeving in het deelvenster Knoppen.
2. Ga als volgt te werk:
Kies het pictogram Verwijderen onder in het deelvenster om de vormgeving Rollover of Klikken te verwijderen. Het
verwijderen van een vormgeving is vooral handig als u de vormgeving Normaal uitgebreid bewerkt en besluit om Rollover
of Klikken te baseren op de nieuwe vormgeving van Normaal.
Als u een vormgeving wilt uitschakelen zonder deze te verwijderen, klikt u op het oogpictogram naast de vormgeving om
de selectie ervan op te heffen. Uitgeschakelde statussen worden niet naar het PDF- of SWF-bestand geëxporteerd.
De status Normaal kan niet worden verwijderd of uitgeschakeld.
Objecten met meerdere statussen maken
In het deelvenster Objectstatussen kunt u meerdere versies van een object maken. Een status is een versie van een pagina-item. Een object dat
meerdere statussen bevat, wordt een object met meerdere statussen genoemd.
In het deelvenster Objectstatussen kunt u een onbeperkt aantal statussen maken voor een object. Steeds wanneer u een status maakt, genereert
u een andere versie van uw pagina-item. Er is slechts één status tegelijk zichtbaar op een pagina. En alleen de actieve status wordt weergegeven
in de uiteindelijke afdruk en PDF-uitvoer.
Een presentatie van objecten met meerdere statussen maken
Objecten met meerdere statussen worden vooral gebruikt in presentaties, zodat gebruikers kunnen klikken om een aantal afbeeldingen in een
SWF-bestand te bekijken. U kunt bijvoorbeeld een presentatie van 20 afbeeldingen maken zonder dat u de afbeeldingen op 20 verschillende
pagina's hoeft te plaatsen.
1. Plaats de afbeeldingen die u in de presentatie wilt opnemen.
Naar boven
U bereikt de beste resultaten wanneer de afbeeldingskaders even groot zijn.
Een status hoeft niet per sé één item te zijn, het kan ook een verzameling items zijn.
2. Als u afbeeldingen wilt stapelen, selecteert u de gewenste afbeeldingen en klikt u op Horizontaal midden uitlijnen en
Verticaal midden uitlijnen in het regelpaneel.
3. Zorg dat de afbeeldingen geselecteerd blijven, open het deelvenster Statussen (Venster > Interactief > Objectstatussen) en
klik op de knop Selectie omzetten in object met meerdere statussen .
De afbeeldingen worden als statussen weergegeven in het deelvenster Objectstatussen en geselecteerde afbeeldingen
worden omringd door een onderbroken kader.
4. Maak navigatieknoppen die de acties Naar volgende status en Naar vorige status activeren wanneer een gebruiker de
muisknop loslaat. Zie Knoppen maken.
5. Test de navigatieknoppen in het deelvenster Voorvertoning (Venster > Interactief > Voorvertoning).
6. Exporteer het document naar de SWF-indeling. Zie Interactieve documenten.
Een object met meerdere statussen bewerken
1. Selecteer een object met meerdere statussen.
2. Voer in het deelvenster Objectstatussen een of meer van de volgende handelingen uit:
Als u een status wilt bewerken, selecteert u de desbetreffende status in het deelvenster Objectstatussen en bewerkt u het
object. U kunt bijvoorbeeld een lijn of vulling toevoegen of het formaat van het object wijzigen.
Als u een object aan een bestaande status wilt toevoegen, selecteert u zowel het object als het object met meerdere
statussen en klikt u op de knop Objecten aan zichtbare status toevoegen .
Als u een object aan een bestaand object met meerdere statussen wilt toevoegen, selecteert u zowel het object als het
object met meerdere statussen en klikt u op de knop Selectie omzetten in object met meerdere statussen .
U dupliceert een status door een status te selecteren waarop u de nieuwe status wilt baseren en Nieuwe status te kiezen
in het deelvenstermenu. Voeg de inhoud van die status toe of verwijder of bewerk deze.
Als u objecten in een bestaande status wilt plakken, knipt of kopieert u een of meerdere objecten, selecteert u eerst het
object met meerdere statussen en daarna de status in het deelvenster Objectstatussen. Kies vervolgens Plakken in status
in het menu van het deelvenster Objectstatussen.
Als u een object met meerdere statussen wilt omzetten in een aantal onafhankelijke objecten, selecteert u de status in het
deelvenster Objectstatussen en kiest u Status vrijgeven voor objecten in het deelvenstermenu. Selecteer Alle statussen
vrijgeven voor objecten als u alle statussen in het object met meerdere statussen wilt omzetten in objecten.
Als u een status en de bijbehorende inhoud wilt verwijderen, selecteert u de desbetreffende status en kiest u Status
verwijderen in het deelvenstermenu.
Kies Verborgen totdat activering plaatsvindt in het deelvenstermenu als u het object met meerdere statussen in het
geëxporteerde bestand wilt verbergen tot het door een knop wordt geactiveerd.
Kies Alle objecten met meerdere statussen opnieuw instellen in het deelvenstermenu als u de oorspronkelijke status van
alle objecten met meerdere statussen in het document wilt herstellen. Wanneer u een status selecteert, blijft die status
actief, ook als u het document opent en weer sluit. Zo kunt u alle objecten met meerdere statussen snel opnieuw instellen.
Hotspots voor knoppen maken
In bepaalde gevallen zal het knopgebied (de zogenaamde “hotspot” of “hotlink”) alleen zichtbaar moeten zijn als de muisaanwijzer op het gebied
komt te staan. Wanneer u bijvoorbeeld met de aanwijzer over een knop op een kaart gaat, kan er een afbeelding van die plaats worden geopend.
Die afbeelding verdwijnt weer wanneer u de aanwijzer van de plaats afhaalt.
Wanneer u in het geëxporteerde PDF-bestand de muisaanwijzer op een hotspot houdt, wordt een afbeelding weergegeven.
Een verborgen afbeelding weergeven bij rollover
De voorwaarden van Creative Commons zijn niet van toepassing op Twitter™- en Facebook-berichten.
Juridische kennisgevingen | Onlineprivacybeleid
Naar boven
Eén manier waarop u een “hotspot”-effect kunt maken, is een afbeelding toepassen op de status Rollover in het deelvenster Knoppen. Hiertoe
maakt u een knop waarin de status [Rollover] een afbeelding weergeeft en die de status [Normaal] niet weergeeft.
1. Selecteer de afbeelding die u als hotspot wilt gebruiken. Het frame van de afbeelding mag geen kader of achtergrond hebben.
2. Klik in het deelvenster Knoppen (kies Venster > Interactief > Knoppen) op de vormgeving [Normaal] om de geselecteerde
afbeelding om te zetten in een knop.
3. Klik op de vormgeving [Rollover] in het deelvenster Knoppen om deze te activeren.
4. Klik nogmaals op de weergave [Normaal]. Selecteer daarna de afbeelding met het gereedschap Direct selecteren en
verwijder de afbeelding.
Let erop dat u de afbeelding (de inhoud van het kader) verwijdert, en niet het kader en de inhoud. Als u het kader verwijdert,
verwijdert u de volledige knop.
5. U kunt een voorvertoning van het hotspoteffect weergeven in het deelvenster Voorvertoning.
Een andere knop weergeven bij rollover
U kunt een hotspot maken waarin, wanneer op een object wordt geklikt of de muisaanwijzer op een object wordt geplaatst, een ander object wordt
weergegeven. Hiertoe maakt u twee knoppen; vervolgens verbergt u een van de knoppen en gebruikt u de actie Knop tonen/verbergen om de
doelknop weer te geven en te verbergen.
1. Maak een object dat u als bronknop wilt gebruiken. Klik in het deelvenster Knoppen op het pictogram Object omzetten in een
knop.
2. Plaats de afbeelding die u als doelknop wilt gebruiken en zet deze om in een knop.
3. Selecteer de doelafbeelding en selecteer Verborgen totdat activering plaatsvindt onder aan het deelvenster Knoppen.
De afbeelding moet in het geëxporteerde document worden verborgen, zodat deze kan worden weergegeven wanneer de
muisaanwijzer op de doelknop wordt geplaatst of wanneer op de doelknop wordt geklikt.
4. Selecteer de doelknop en maak twee verschillende acties: een actie voor het weergeven van de doelafbeelding en een actie
voor het verbergen van de doelafbeelding.
Als u de afbeelding wilt weergeven als u de muisaanwijzer op de bronknop plaatst, gebruikt u de gebeurtenissen Bij rollover
en Bij rolloff. Als u de afbeelding wilt weergeven als u op de bronknop klikt en de afbeelding wilt laten verdwijnen als u de
muisknop loslaat, gebruikt u de gebeurtenissen Bij klikken en Bij loslaten. In beide gevallen kunt u de actie Knoppen
tonen/verbergen gebruiken om de doelknop weer te geven en te verbergen. Zie Knoppen interactief maken.
5. U kunt de knoppen testen in het deelvenster Voorvertoning.
PDF-opties voor knoppen wijzigen
1. Selecteer de knop met het gereedschap Selecteren .
2. Kies PDF-opties in het menu van het deelvenster Knoppen.
3. Typ een beschrijving die dient als alternatieve tekst voor slechtzienden.
4. Bepaal of de knop moet worden afgedrukt in het PDF-bestand en klik op OK.
De tabvolgorde van knoppen instellen
De tabvolgorde bepaalt welk veld (volgende of vorige) de focus krijgt wanneer een gebruiker op de toets Tab (volgende) of Shift+Tab (vorige) in
het PDF- of SWF-document drukt. De tabvolgorde geldt ook voor knoppen op verborgen lagen maar niet voor knoppen op stramienpagina's.
1. Ga naar de pagina met de knoppen.
2. Kies Object > Interactief > Tabvolgorde instellen.
3. Selecteer de knoppen die u wilt verplaatsen en sleep deze naar de nieuwe locatie, of klik op de knoppen Omhoog verplaatsen
of Omlaag verplaatsen. Klik vervolgens op OK.
Als u met Acrobat de PDF bewerkt en meer knoppen of formuliervelden aan de pagina toevoegt, moet u waarschijnlijk een nieuwe tabvolgorde in
Acrobat instellen.
Overzicht van deelvenster hyperlinks
Interactieve webdocumenten voor Flash
Naar boven
Interactieve SWF-bestanden (Flash) maken voor het web
FLA-bestanden maken voor het web
Problemen met exporteren naar Flash
Als u inhoud wilt maken die vergelijkbaar is met een diapresentatie en die in Flash Player kan worden afgespeeld, kunt u de inhoud exporteren als
SWF- of FLA-bestand. Het belangrijkste verschil tussen de indelingen is dat SWF-bestanden direct kunnen worden weergegeven en niet kunnen
worden bewerkt, terwijl FLA-bestanden moeten worden bewerkt in Adobe Flash Professional voordat ze in Adobe Flash Player kunnen worden
weergegeven.
SWFEen geëxporteerd SWF-bestand kan direct worden weergegeven in Adobe Flash Player en kan interactieve elementen bevatten, zoals
paginaovergangen, hyperlinks, films, geluidclips, animatie en navigatieknoppen.
FLAEen geëxporteerd FLA-bestand kan slecht bepaalde interactieve elementen bevatten. Het FLA-bestand kan worden geopend in Flash Pro,
waarin u of een Flash-ontwikkelaar geavanceerde effecten aan het bestand kunnen toevoegen alvorens het als een SWF-bestand te exporteren.
Exporteren als Flash-bestand
A.Direct exporteren als SWF-bestandB.Exporteren als FLA-bestand om te bewerken in Flash Professional
Op www.adobe.com/go/lrvid5152_id_nl vindt u een videodemo over het maken van interactieve documenten.
Interactieve SWF-bestanden (Flash) maken voor het web
Bij het exporteren van een SWF-bestand maakt u een interactief bestand dat direct in Adobe Flash Player of in een webbrowser kan worden
weergegeven. Het SWF-bestand kan knoppen, paginaovergangen, films, audiobestanden, animatie en hyperlinks bevatten die in InDesign zijn
toegevoegd. Exporteren als een SWF-bestand is een goede manier om een interactieve diapresentatie of een flipboek te maken op basis van een
InDesign-document.
Als u het document in Flash Pro wilt bewerken voordat u het SWF-bestand maakt, exporteert u het document niet als een SWF-bestand maar als
een FLA-bestand. Zie FLA-bestanden maken voor het web.
SWF exporteren
A.Document in InDesign vóór het exporteren naar SWFB.Interactief SWF-bestand in webbrowser
Op www.adobe.com/go/lrvid5152_id_nl vindt u een videodemo over het maken van interactieve documenten voor uitvoer als een SWF-bestand.
1. Maak of bewerk het InDesign-document zodat dit kan worden geëxporteerd als een Flash-bestand. Zie Problemen met
exporteren naar Flash voor uitgebreide informatie over het voorbereiden van het document voor export.
Voeg navigatieknoppen toe waarmee gebruikers door de pagina's van het geëxporteerde SWF-bestand kunnen bladeren.
U maakt knoppen door een object te tekenen en dit om te zetten in een knop in het deelvenster Knoppen (kies Venster >
Interactief > Knoppen). U kunt ook het deelvenster Voorbeeldknoppen gebruiken om voorgedefinieerde navigatieknoppen
naar uw document te slepen. Zie Knoppen maken.
Gebruik het deelvenster Paginaovergangen (kies Venster > Interactief > Paginaovergangen) om paginaovergangen zoals
sluitereffecten of verspreiden toe te voegen. Als u uw document als een SWF-bestand exporteert, kunt u ook de optie
Inclusief interactief Pagina omslaan en krullen selecteren. Met deze optie kunnen lezers een paginahoek slepen om de
pagina om te slaan.
Gebruik het deelvenster Animatie (kies Venster > Interactief > Animatie) om bewegingsvoorinstellingen toe te voegen. Zie
Animatie.
2. Kies Bestand > Exporteren om het document als een SWF-bestand te exporteren. Kies Flash Player (SWF) in het menu
Opslaan als type (Windows) of opmaak (Mac OS) en klik op Opslaan.
3. Geef in het dialoogvenster SWF exporteren de gewenste opties op en klik op OK. Zie SWF-exportopties.
Bij het exporteren van een SWF-bestand worden aparte HTML- en SWF-bestanden gemaakt. Wanneer het SWF-bestand films of
geluidsfragmenten bevat, wordt eveneens een map met bronnen gemaakt. Zorg ervoor dat u alle elementen verzendt bij het versturen of uploaden
van de bestanden naar het web.
Naar boven
SWF-exportopties
De volgende opties worden weergegeven op de tabbladen Algemeen en Geavanceerd van het dialoogvenster SWF exporteren.
ExporterenGeef aan of u de huidige selectie, alle pagina's in het document of een paginabereik wilt exporteren. De optie Selectie is vooral
handig als u het geëxporteerde SWF-bestand wilt opslaan en gebruiken in een geëxporteerd PDF-bestand. Als u Bereik selecteert, geeft u het
gewenste paginabereik op, bijvoorbeeld 1-7, 9 om pagina 1 tot en met 7 en pagina 9 af te drukken. Zie Opgeven welke pagina's moeten worden
afgedrukt.
HTML-bestanden genererenSelecteer deze optie om een HTML-pagina te genereren die het SWF-bestand afspeelt. Deze optie is vooral handig
om snel een voorvertoning van het SWF-bestand in uw webbrowser weer te geven.
SWF na exporteren weergevenSelecteer deze optie om het SWF-bestand in uw standaardwebbrowser af te spelen. Deze optie is alleen
beschikbaar als u een HTML-bestand genereert.
Grootte (pixels)Geef een percentage op als het SWF-bestand wordt geschaald, geef een optie op bij Aanpassen aan of geef de grootte op door
een breedte en hoogte in te voeren.
AchtergrondBepaal of de achtergrond van uw SWF-bestand transparant is of de huidige papierkleur uit het deelvenster Stalen heeft. Als
Transparant is geselecteerd, zijn de opties Paginaovergangen en interactief Pagina omslaan en krullen niet beschikbaar.
Interactiviteit en mediaSelecteer Alles opnemen als u interactieve films, geluiden, knoppen en animatie in het geëxporteerde SWF-bestand wilt
opnemen. Selecteer Alleen vormgeving als u de videoposters en de normale status van knoppen als statische elementen in het bestand wilt
opnemen. Als Alleen vormgeving is geselecteerd, worden animaties geëxporteerd zoals ze op het moment van het exporteren in de layout worden
weergegeven. Alleen vormgeving wordt geselecteerd als u in het deelvenster Geavanceerd de optie Transparantie afvlakken inschakelt.
PaginaovergangenGeef één paginaovergang op die bij het exporteren op alle pagina's wordt toegepast. Als u overgangen opgeeft in het
deelvenster Paginaovergangen, kiest u de optie Op basis van document om de desbetreffende instellingen te gebruiken.
Inclusief interactief Pagina omslaan en krullenAls deze optie is geselecteerd, kunnen gebruikers tijdens het afspelen van het SWF-bestand
een hoek van de pagina slepen om de pagina om te slaan, net zoals ze een pagina in een echt boek kunnen omslaan.
FramesnelheidBij een hogere framesnelheid zijn animaties vloeiender, maar is het bestand wellicht groter. Het wijzigen van de framesnelheid
heeft geen invloed op de afspeelduur.
TekstGeef aan hoe InDesign-tekst wordt uitgevoerd. Kies Klassieke Flash-tekst om doorzoekbare tekst uit te voeren die het kleinste
bestandsformaat oplevert. Kies Omzetten in contouren om de tekst uit te voeren als een serie vloeiende rechte lijnen, zoals tekst omzetten in
contouren. Kies Omzetten in pixels om de tekst uit te voeren als een bitmapafbeelding. Tekst die is omgezet in pixels kan er gekarteld uitzien
wanneer hierop wordt ingezoomd.
Pagina's rasterenMet deze optie worden alle InDesign-pagina-items naar bitmap omgezet. Als u deze optie selecteert, wordt het SWF-bestand
groter en kunnen de pagina-items gekarteld verschijnen wanneer hierop wordt ingezoomd.
Transparantie afvlakkenMet deze optie wordt actieve transparantie uit het SWF-bestand verwijderd, maar blijft het transparantieaanzien
behouden. Alle interactiviteit wordt echter uit het geëxporteerde SWF-bestand verwijderd.
CompressieKies Automatisch om InDesign de beste kwaliteit voor afbeeldingen in kleur en grijswaarden te laten bepalen. Bij de meeste
bestanden geeft deze optie optimale resultaten. De optie JPEG (met gegevensverlies) is geschikt voor afbeeldingen in grijswaarden of in kleur.
JPEG-compressie is een techniek met verlies. Dit betekent dat er afbeeldingsgegevens worden verwijderd en dat de kwaliteit van de afbeelding
kan afnemen. Er wordt echter geprobeerd zo weinig mogelijk gegevens verloren te laten gaan bij het verkleinen van het bestand. Omdat bij JPEG-
compressie gegevens worden verwijderd, ontstaan hierdoor veel kleinere bestanden. Met de optie PNG (zonder gegevensverlies) wordt het
bestand zonder gegevensverlies gecomprimeerd en geëxporteerd.
Wanneer bij het exporteren van een SWF-bestand blijkt dat de kwaliteit van transparante afbeeldingen afneemt, kiest u PNG (zonder
gegevensverlies) om de kwaliteit te verhogen.
JPEG-kwaliteitHiermee geeft u op hoe gedetailleerd de geëxporteerde afbeelding moet worden. Hoe hoger de kwaliteit, hoe groter het bestand.
Deze optie is grijs als u bij Compressie de optie PNG (zonder gegevensverlies) selecteert.
ResolutieHiermee bepaalt u de resolutie van bitmapafbeeldingen in het geëxporteerde SWF-bestand. Een hoge resolutie is vooral belangrijk
wanneer u gebruikers wilt laten inzoomen op inhoud op basis van pixels in uw geëxporteerde SWF-bestand. Een hoge resolutie kan resulteren in
zeer grote bestanden.
FLA-bestanden maken voor het web
Wanneer u het InDesign-document exporteert naar de FLA-indeling, kunt u het bestand openen in Adobe Flash® CS5 Professional om de inhoud
te bewerken. De exportindeling FLA in InDesign CS5 vervangt de exportindeling XFL uit InDesign CS4. Maak gebruik van de Flash-
authoringomgeving om video, audio, animatie en complexe interactiviteit te bewerken of toe te voegen.
Als u het InDesign-document wilt exporteren in een indeling die direct in een webbrowser kan worden geopend, gebruikt u de indeling SWF in
plaats van FLA. Zie Interactieve SWF-bestanden (Flash) maken voor het web.
Exporteren als FLA-bestand
A.Document in InDesign vóór het exporteren als FLA-bestandB.FLA-bestand geopend in Flash Pro
1. Maak of bewerk het InDesign-document zodat dit kan worden geëxporteerd als een Flash-bestand. Zie Problemen met
exporteren naar Flash voor uitgebreide informatie over het voorbereiden van het document voor export.
2. Kies Bestand > Exporteren om het document als een FLA-bestand te exporteren. Kies Flash CS5 Professional (FLA) in het
menu Opslaan als type (Windows) of opmaak (Mac OS) en klik op Opslaan.
3. Geef in het dialoogvenster Flash CS5 Professional (FLA) exporteren de volgende opties op en klik vervolgens op OK. Zie
FLA-exportopties voor informatie over exportopties.
4. Open het geëxporteerde FLA-bestand in Flash Professional.
Op www.adobe.com/go/lrvid5154_id_nl vindt u een videodemo over FLA-exportopties.
FLA-exportopties
Het dialoogvenster Flash CS5 Professional (FLA) exporteren bevat de volgende opties.
ExporterenGeef aan of u de huidige selectie, alle pagina's in het document of een paginabereik wilt exporteren. Als u Bereik selecteert, geeft u
het gewenste paginabereik op, bijvoorbeeld 1-7, 9 om pagina 1 tot en met 7 en pagina 9 af te drukken. Zie Opgeven welke pagina's moeten
worden afgedrukt.
Pagina's rasterenMet deze optie worden alle InDesign-pagina-items naar bitmap omgezet. Als u deze optie selecteert, wordt het FLA-bestand
groter en kunnen pagina-items gekarteld worden weergegeven wanneer hierop wordt ingezoomd.
Transparantie afvlakkenAls u deze optie selecteert, worden alle objecten met transparantie afgevlakt. In Adobe Flash Pro is het misschien
lastiger om van afgevlakte objecten animaties te maken.
Grootte (pixels)Geef een percentage op als het FLA-bestand wordt geschaald, geef een optie op bij Aanpassen aan of geef de grootte op door
een breedte en hoogte in te voeren.
Naar boven
Interactiviteit en mediaSelecteer Alles opnemen als u films, geluiden, knoppen en animatie in het geëxporteerde FLA-bestand wilt opnemen. Als
het document een object met meerdere statussen bevat, wordt dit omgezet in een filmclipsymbool waarin elke status in een eigen frame op de
tijdbalk wordt weergegeven.
Selecteer Alleen vormgeving als u de videoposters en de normale status van knoppen als statische elementen in het bestand wilt opnemen. Als
Alleen vormgeving is geselecteerd, worden animaties geëxporteerd zoals ze op het moment van het exporteren in de layout worden weergegeven.
Alleen vormgeving wordt geselecteerd wanneer u Transparantie afvlakken kiest.
TekstGeef aan hoe InDesign-tekst wordt uitgevoerd. Kies Flash TLF-tekst als u gebruik wilt maken van de uitgebreide reeks Text Layout
Framework-kenmerken van Flash Professional. Als deze optie is geselecteerd, kiest u Punten voor zachte afbreekstreepjes invoegen als u
woordafbreking wilt gebruiken. Kies Klassieke Flash-tekst om doorzoekbare tekst uit te voeren in een klein bestand. Kies Omzetten in contouren
om de tekst uit te voeren als een serie vloeiende rechte lijnen, zoals tekst omzetten in contouren. Kies Omzetten in pixels om de tekst uit te voeren
als een bitmapafbeelding. Tekst die is omgezet in pixels kan er gekarteld uitzien wanneer hierop wordt ingezoomd.
CompressieKies Automatisch om InDesign de beste kwaliteit voor afbeeldingen in kleur en grijswaarden te laten bepalen. Bij de meeste
bestanden geeft deze optie optimale resultaten. De optie JPEG (met gegevensverlies) is geschikt voor afbeeldingen in grijswaarden of in kleur.
JPEG-compressie is een techniek met verlies. Dit betekent dat er afbeeldingsgegevens worden verwijderd en dat de kwaliteit van de afbeelding
kan afnemen. Er wordt echter geprobeerd zo weinig mogelijk gegevens verloren te laten gaan bij het verkleinen van het bestand. Omdat bij JPEG-
compressie gegevens worden verwijderd, ontstaan hierdoor veel kleinere bestanden. Met de optie PNG (zonder gegevensverlies) wordt het
bestand zonder gegevensverlies gecomprimeerd en geëxporteerd.
JPEG-kwaliteitHiermee geeft u op hoe gedetailleerd de geëxporteerde afbeelding moet worden. Hoe hoger de kwaliteit, hoe groter het bestand.
Deze optie is grijs als u bij Compressie de optie PNG (zonder gegevensverlies) selecteert.
ResolutieHiermee bepaalt u de resolutie van bitmapafbeeldingen in het geëxporteerde FLA-bestand. Een hoge resolutie is vooral belangrijk
wanneer u gebruikers wilt laten inzoomen op inhoud op basis van pixels. Een hoge resolutie kan resulteren in zeer grote bestanden.
Problemen met exporteren naar Flash
Houd rekening met de volgende factoren als u een InDesign-document ontwerpt dat u als SWF- of FLA-bestand wilt exporteren.
Documentinstellingen
Het omzetten van InDesign-pagina'sAls u naar SWF of FLA exporteert, worden InDesign-spreads afzonderlijke clips in een tijdbalk, zoals dia's
in een presentatie. Elke spread wordt toegewezen aan een nieuw hoofdframe. In Flash Player kunt u door de spreads van het geëxporteerde
document bladeren door op de pijltoetsen te drukken of door op de interactieve knoppen te klikken.
Als u een document voor het web maakt, kiest u Web in het menu Intentie van het dialoogvenster Nieuw document.
PaginaformaatAls u een document maakt, kunt u een specifieke resolutie, zoals 800 x 600, selecteren in het menu Paginaformaat in het
dialoogvenster Nieuw document. Tijdens het exporteren kunt u ook de schaal of resolutie van het te exporteren SWF- of FLA-bestand wijzigen.
Interactiviteitsfuncties
U kunt knoppen, paginaovergangen, hyperlinks, animatie en mediabestanden in geëxporteerde SWF- en FLA-bestanden opnemen.
KnoppenDe acties Volgende pagina en Vorige pagina zijn erg handig voor gebruik als knoppen in een geëxporteerd SWF- of FLA-bestand.
Hiermee kan het bestand in Flash Player worden afgespeeld. Sommige acties die wel in interactieve PDF-bestanden werken, zijn echter
onbruikbaar in Flash Player. Als u een actie in het deelvenster Knoppen kiest, selecteer dan geen opties in het gedeelte Alleen PDF.
U kunt navigatieknoppen toevoegen die vooraf zijn voorzien van de acties Ga naar volgende pagina en Ga naar vorige pagina. Kies
Voorbeeldknoppen in het menu van het deelvenster Knoppen. Zie Een knop toevoegen vanuit het deelvenster Voorbeeldknoppen.
PaginaovergangenAlle paginaovergangen werken goed in Flash Player. Naast paginaovergangen die verschijnen wanneer u de pagina omslaat,
kunt u ook een interactieve paginaomkrulling toevoegen tijdens het exporteren. Hiermee kunt u de hoeken van de pagina's omslaan door ze te
slepen.
HyperlinksMaak koppelingen naar websites of naar andere pagina's in het document. Hyperlinks worden verbroken in FLA-bestanden.
Films en geluidsclipsFilms en geluidclips worden in een geëxporteerd SWF-bestand opgenomen als ze zijn opgeslagen in een ondersteunde
indeling, zoals SWF, FLV, F4V en MP4 voor films en MP3 voor geluidclips.
Bij het exporteren naar FLA wordt alleen de posterafbeelding in het FLA-bestand opgenomen. De ondersteunde mediabestanden worden
weergegeven in een map met bronnen die op dezelfde locatie wordt opgeslagen als het geëxporteerde FLA-bestand.
Omzetten
KleurSWF- en FLA-bestanden maken gebruik van RGB-kleur. Als een document wordt geëxporteerd naar SWF of FLA, zet InDesign alle
kleurruimten (zoals CMYK en Lab) om naar sRGB. InDesign zet steunkleuren om naar overeenkomstige RGB-proceskleuren.
Teneinde ongewenste kleurwijzigingen te voorkomen in illustraties met tekst met transparantie, kiest u Bewerken > Transparantie-overvloeiruimte
> Document RGB. Als u ongewenste kleurwijzigingen in afbeeldingen met transparantie wilt voorkomen, kunt u beter geen compressie met
gegevensverlies gebruiken bij het exporteren.
TekstBij het exporteren in de SWF- of FLA-indeling kunt u bepalen of tekst wordt uitgevoerd als Flash-tekst of wordt omgezet in contouren of
pixels. Tekst die wordt geëxporteerd als klassieke Flash-tekst, blijft volledig bewerkbaar wanneer het FLA-bestand wordt geopend in Adobe Flash
CS5 Professional en kan worden doorzocht in webbrowsers wanneer de tekst wordt opgeslagen als een SWF-bestand.
AfbeeldingenWanneer u afbeeldingen exporteert in SWF- of FLA-indeling, kunt u de instellingen voor de afbeeldingscompressie, JPEG-kwaliteit
en resolutie tijdens het exporteren wijzigen.
Wanneer u afbeeldingen exporteert als FLA-bestanden, wordt een afbeelding die meerdere malen in uw InDesign-document is geplaatst,
opgeslagen als één afbeeldingselement met een gedeelde locatie. Houd er rekening mee dat een groot aantal vectorafbeeldingen in het InDesign-
document kan leiden tot problemen met prestaties in het geëxporteerde bestand.
Om de bestandsgrootte te verkleinen, kunt u terugkerende afbeeldingen op stramienpagina's plaatsen en het kopiëren en plakken van
afbeeldingen vermijden. Als dezelfde afbeelding meerdere keren in het document is geplaatst en niet is getransformeerd of bijgesneden, wordt
slechts één kopie van het bestand in het FLA-bestand geëxporteerd. Afbeeldingen die zijn gekopieerd en geplakt, worden behandeld als
afzonderlijke objecten.
Standaard wordt een geplaatst Illustrator-bestand in het FLA-bestand als een enkele afbeelding behandeld terwijl bij een Illustrator-bestand dat is
gekopieerd en geplakt een groot aantal afzonderlijke objecten wordt gegenereerd. De beste resultaten krijgt u als u de Illustrator-afbeelding als
PDF-bestand opneemt in plaats van de afbeelding te kopiëren en plakken vanuit Illustrator. Als u kopieert en plakt, ontstaan er meerdere
bewerkbare paden.
U kunt voorkeursopties zodanig wijzigen dat Illustrator-objecten als één object worden geplakt in plaats van als een verzameling van kleine
vectoren. Selecteer PDF in de voorkeursinstellingen voor Bestandsafhandeling en Klembordafhandeling van Illustrator en hef de selectie van
AICB (geen ondersteuning van transparantie) op. Selecteer zowel PDF bij plakken als PDF naar Klembord kopiëren in de voorkeursinstellingen
voor Klembordafhandeling van InDesign.
TransparantieControleer, voordat u naar SWF exporteert, of de transparante objecten geen interactief element zoals een knop of hyperlink
overlappen. Als een object met transparantie een interactief element overlapt, gaat de interactiviteit mogelijk verloren tijdens de export. Mogelijk
wilt u transparantie afvlakken voordat u gaat exporteren naar FLA.
In sommige gevallen leidt het gebruik van compressie met gegevensverlies ertoe dat de kwaliteit van afbeeldingen met transparantie afneemt. Kies
in dergelijke gevallen bij het exporteren PNG (zonder gegevensverlies) voor een hogere kwaliteit.
3D-kenmerken3D-kenmerken worden niet ondersteund in de geëxporteerde SWF- en FLA-bestanden.
Meer Help-onderwerpen
Video over exporteren naar Flash
Juridische kennisgevingen | Onlineprivacybeleid
Paginaovergangen
Naar boven
Naar boven
Naar boven
Paginaovergangen toepassen
Paginaovergangen wissen
Paginaovergangen in een PDF bekijken
Paginaovergangen geven een decoratief effect weer, zoals een verspreiding of sluitereffect, als u pagina's omslaat in een document dat wordt
geëxporteerd naar de SWF- of PDF-indeling. U kunt verschillende overgangen toepassen op verschillende pagina's, of u kunt een enkele
overgang toepassen op alle pagina's. Paginaovergangen zijn vooral handig wanneer u een diapresentatie maakt in PDF- of SWF-indeling.
Paginaovergangen toepassen
U kunt paginaovergangen toepassen op afzonderlijke spreads of op alle spreads in het document. Paginaovergangen worden weergegeven
wanneer u een InDesign-document exporteert als een PDF- of SWF-bestand. U kunt geen overgangen toepassen op verschillende pagina's
binnen dezelfde spread of op stramienpagina's.
1. Selecteer in het deelvenster Pagina's de spreads waarop u de paginaovergang wilt toepassen.
Zorg ervoor dat de spread is geselecteerd, niet alleen geactiveerd. De nummers onder de pagina's in het deelvenster Pagina's
moeten zijn gemarkeerd.
2. Kies Venster > Interactief > Paginaovergangen om het deelvenster Paginaovergangen weer te geven.
3. Kies een overgang in het menu Overgang.
Plaats de muisaanwijzer op de miniatuur om een bewegend voorbeeld van de geselecteerde overgang te bekijken.
Misschien vraagt u zich af of de overgang Pagina omslaan (alleen .swf) moet worden geselecteerd om een paginakruleffect in
een SWF-bestand te maken. Deze overgang hoeft niet geselecteerd te worden om pagina's in het SWF-bestand handmatig te
kunnen omslaan. Als u de optie Inclusief interactief Pagina omslaan en krullen selecteert in het dialoogvenster SWF
exporteren, kunt u de pagina's handmatig omslaan door een hoek in het geëxporteerde SWF-bestand te slepen. U kunt ook
de pijltoetsen of navigatieknoppen gebruiken om de paginaovergang te activeren die voor die pagina is geselecteerd.
4. Pas de overgang naar wens aan door opties te kiezen in de menu's Richting en Snelheid.
5. (Optioneel) Als u de geselecteerde overgang wilt toepassen op alle spreads die zich momenteel in het document bevinden,
klikt u op het pictogram Toepassen op alle spreads of kiest u Toepassen op alle spreads in het menu van het deelvenster
Paginaovergangen.
6. (Optioneel) Selecteer een andere spread in het deelvenster Pagina's en pas een andere paginaovergang toe.
Als u een paginaovergang toepast op een spread, wordt een pictogram van de paginaovergang weergegeven naast de spread in het
deelvenster Pagina's. U kunt deze pictogrammen verbergen in het deelvenster Pagina's door de selectie van de optie Paginaovergangen in het
deelvenster Opties op te heffen.
Als u een voorvertoning van de paginaovergangen wilt weergeven, exporteert u het document als een PDF- of SWF-bestand.
Paginaovergangen wissen
Selecteer in het deelvenster Pagina's de spread waaruit u de overgang wilt wissen en kies vervolgens Geen in het menu
Overgang in het deelvenster Paginaovergang.
Kies Alles wissen in het menu van het deelvenster Paginaovergangen om overgangen uit alle spreads te verwijderen.
Paginaovergangen in een PDF bekijken
Selecteer een paginaovergang in het menu Paginaovergangen in het dialoogvenster Exporteren naar interactieve PDF om paginaovergangen toe
te voegen wanneer u het PDF-document exporteert.
Als u paginaovergangen wilt bekijken in de geëxporteerde PDF, geeft u de PDF weer op het volledige scherm door op Ctrl+L (Windows) of
Command+L (Mac OS) te drukken in Adobe Acrobat of Adobe Reader. Druk op Esc om de volledige schermweergave te beëindigen.
Meer Help-onderwerpen
Juridische kennisgevingen | Onlineprivacybeleid
PDF-bestanden structureren
Naar boven
Naar boven
Structuur aan PDF-bestanden toevoegen
De invloed van labels op hergebruik en toegankelijkheid
Opnieuw plaatsen optimaliseren
Pagina-items labelen
Afbeeldingen labelen voor gebruik bij schermlezers
Pagina-items in een artikelelement groeperen
Structuur aan PDF-bestanden toevoegen
Wanneer u naar Adobe PDF exporteert en de optie Gelabelde PDF maken is geselecteerd in het gedeelte Algemeen van het dialoogvenster
Adobe PDF exporteren, worden de geëxporteerde pagina's automatisch gelabeld met structuurlabels, die de inhoud beschrijven en pagina-items
zoals koppen, artikelen en illustraties aangeven. Voordat u gaat exporteren, kunt u via het deelvenster Labels in InDesign extra labels toevoegen
en reeds geplaatste labels verder instellen. De wijzigingen worden weergegeven in het deelvenster Structuur, dat u opent via Weergave >
Structuur > Structuur tonen.
U kunt de toegankelijkheid en het hergebruik van Adobe PDF-documenten verbeteren door labels aan het InDesign-document toe te voegen
voordat u het document gaat exporteren. Als er geen labels in uw PDF-documenten staan, probeert Adobe Reader of Acrobat automatisch het
document te labelen wanneer het wordt gelezen of opnieuw wordt geplaatst. Het resultaat kan echter teleurstellend zijn. Als het geëxporteerde
PDF-bestand niet de gewenste resultaten oplevert, kunt u met de gereedschappen in Acrobat 6.0 Professional en hoger de structuur van
gelabelde PDF-documenten bewerken. De meest geavanceerde gereedschappen vindt u in Acrobat 9 Professional.
Wanneer u labels toepast op een document voor PDF-export, controleren de labels niet welke inhoud er wordt geëxporteerd naar PDF, zoals bij
de XML-export. In plaats daarvan geven de labels Acrobat meer informatie over de structurele inhoud van het document.
Voordelen van het gebruik van labels
Door vóór het exporteren labels op een document toe te passen kunt u een van de volgende handelingen uitvoeren:
InDesign-alineastijlnamen aan gelabelde Adobe PDF-alineastijlen van Acrobat toewijzen om herplaatsbare PDF-bestanden te
maken voor weergave op handheldapparaten en andere media.
Afdrukartefacten, tekst en afbeeldingen markeren en verbergen, zodat deze niet worden weergegeven wanneer ze opnieuw in
Acrobat worden geplaatst. Als u een pagina-item bijvoorbeeld als Artefact labelt, wordt dit pagina-item niet weergegeven
wanneer u de inhoud van een gelabeld Adobe PDF-document opnieuw plaatst op een handheldapparaat, een klein scherm of
sterk vergroot op een computerbeeldscherm.
Alternatieve tekst toevoegen aan figuren, zodat de tekst voor slechtzienden door een schermleesprogramma kan worden
voorgelezen.
Grafische letters, zoals sierinitialen, vervangen door leesbare letters.
Een titel opgeven voor een set artikelen of voor een groep artikelen en figuren in artikelen.
Artikelen en figuren rangschikken in de gewenste leesvolgorde.
Tabellen, opgemaakte lijsten en inhoudsopgaven herkennen. Herkennen welke inhoudsblokken bij de diverse artikelen horen.
Gegevens over tekstopmaak opnemen, zoals Unicode-waarden van tekens, spatiëring tussen woorden en de herkenning van
zachte of vaste afbreekstreepjes.
De invloed van labels op hergebruik en toegankelijkheid
De inhoud van een Adobe PDF-document kan voor andere doeleinden worden gebruikt. U kunt bijvoorbeeld een Adobe PDF-bestand maken van
een rapport met tekst, tabellen en afbeeldingen en dat bestand in diverse indelingen verdelen: voor afdrukken of weergave op een grote monitor,
voor weergave op een handheldapparaat, voor laten voorlezen door een schermlezer of voor weergave als HTML-pagina in een webbrowser. Het
hangt van de onderliggende logische structuur van het document af of de inhoud van het document op gemakkelijke en betrouwbaare wijze
opnieuw kan worden gebruikt.
Om ervoor te zorgen dat uw Adobe PDF-documenten opnieuw kunnen worden gebruikt en zonder probleem kunnen worden geopend, moet u er
labels aan toevoegen. Door documenten te labelen wordt er een onderliggende organisatiestructuur, of logische structuur, aan toegevoegd. De
logische structuur verwijst naar de organisatie van de inhoud van het document, zoals titelpagina, hoofdstukken, secties en subsecties. De
structuur kan de exacte leesvolgorde aangeven en de navigatie verbeteren, vooral bij lange, complexe documenten, zonder dat de weergave van
het PDF-document daardoor verandert.
Naar boven
Gebruikers die de zichtbare vorm van documenten niet kunnen zien of decoderen, kunnen met behulp van de logische structuur en
ondersteunende hulpmiddelen de inhoud van het document op de juiste manier openen. De meeste ondersteunende hulpmiddelen gebruiken deze
structuur om de inhoud en afbeeldingen naar een ander formaat om te zetten, bijvoorbeeld naar geluid. Een niet-gelabeld document heeft een
dergelijke structuur niet. Acrobat moet in dat geval een structuur afleiden op basis van de ingestelde leesvolgordeopties in de voorkeuren. Deze
methode is onbetrouwbaar en vaak staan de pagina-items dan in de verkeerde volgorde of kunnen helemaal niet worden gelezen.
De labels staan op het tabblad Code in Acrobat 6.0 en hoger, waar ze zijn genest volgens de relatiedefinities voor de gelabelde elementen. In
Acrobat Standard kunnen geen labels worden bewerkt. Als u met labels moet werken, kunt u het beste upgraden naar Adobe Acrobat 9
Professional. Raadpleeg de Help bij Acrobat voor meer informatie.
Logische structuur op het tabblad Labels in Acrobat 9.
Opmerking: Labels in Adobe PDF-bestanden kunnen worden vergeleken met labels in HTML- en XML-bestanden. Meer informatie over de
basisconcepten van labels kunt u in veel naslagwerken in boekwinkels, bibliotheken en op internet vinden.
Opnieuw plaatsen optimaliseren
U kunt een PDF-document opnieuw plaatsen zodat het kan worden gelezen op handheldapparaten, kleinere schermen of sterk vergroot op
standaardmonitoren, zonder dat het document horizontaal hoeft te worden opgeschoven om elke regel te kunnen lezen.
Wanneer u een Adobe PDF-document opnieuw plaatst, wordt niet altijd de volledige inhoud geplaatst. Doorgaans wordt alleen leesbare tekst
opnieuw in het opnieuw te plaatsen document geplaatst. Artikelen, alinea's, tabellen, afbeeldingen en opgemaakte lijsten zijn leesbare tekst.
Tekstelementen die niet opnieuw kunnen worden geplaatst, zijn formulieren, opmerkingen, velden voor digitale handtekeningen en pagina-
artefacten, zoals paginanummers en kop- en voetteksten. Pagina's die zowel leesbare tekst als formuliervelden en velden voor digitale
handtekeningen bevatten, worden niet opnieuw geplaatst. Verticale tekst wordt bij het opnieuw plaatsen horizontaal geplaatst.
Als auteur kunt u uw PDF-documenten beter voorbereiden op opnieuw plaatsen door ze te labelen. Met labelen zorgt u ervoor dat tekstblokken
correct opnieuw worden geplaatst en dat de inhoud in de juiste volgorde blijft staan, zodat een artikel van verscheidene pagina's en kolommen
groot kan worden gelezen zonder dat andere artikelen erdoor heen lopen. De leesvolgorde wordt bepaald door de structuur die kan worden
gewijzigd in het deelvenster Structuur.
Naar boven
Koppen en kolommen (boven) worden in een logische leesvolgorde (onder) geplaatst.
Pagina-items labelen
U kunt tekstkaders automatisch of handmatig labelen. Nadat u pagina-items hebt gelabeld, kunt u met het deelvenster Structuur de volgorde van
de pagina wijzigen door elementen naar een andere locatie in de hiërarchie te slepen. Als u in het deelvenster Structuur de volgorde van de
elementen wijzigt, worden deze wijzigingen ook doorgevoerd in het Adobe PDF-bestand. De volgorde van de elementen wordt belangrijk wanneer
het PDF-bestand in Acrobat als een HTML- of XML-bestand wordt opgeslagen. De volgorde is ook nuttig bij het exporteren van een InDesign-
document in de indeling voor Dreamweaver (XHTML) of Digital Editions (EPUB).
Pagina-items automatisch labelen
Wanneer u de opdracht Niet-gelabelde items toevoegen kiest, worden er door InDesign labels aan het deelvenster Labels toegevoegd en worden
de labels Artikel en Figuur op bepaalde ongelabelde pagina-items toegepast. Het label Artikel wordt toegepast op elk ongelabeld tekstkader en het
label Figuur wordt toegepast op elke ongelabelde afbeelding. Vervolgens kunt u zelf andere labels aan tekstgedeelten toewijzen. Het automatisch
labelen van pagina-items wilt echter niet zeggen, dat de items op de juiste manier in het geëxporteerde PDF-bestand worden gestructureerd.
1. Kies Venster > Hulpmiddelen > Labels om het deelvenster Labels te openen.
2. Kies Weergave > Structuur > Structuur tonen om het deelvenster Structuur links van het venster Document weer te geven.
3. Kies Niet-gelabelde items toevoegen in het menu van het deelvenster Structuur.
Naar boven
Labels in het deelvenster Structuur en het deelvenster Labels
Pagina-items handmatig labelen
1. Kies Venster > Hulpmiddelen > Labels om het deelvenster Labels te openen.
2. Kies Weergave > Structuur > Structuur tonen om het deelvenster Structuur links van het venster Document weer te geven.
3. Kies Niet-gelabelde items toevoegen in het menu van het deelvenster Structuur.
4. Selecteer een pagina-item in het document.
5. Selecteer een label in het deelvenster Labels. Let bij bepaalde geïmporteerde labels op het volgende:
ArtefactMet het label Artefact kunt u pagina-items verbergen, zoals paginanummers of onbelangrijke objecten, als het PDF-
bestand in de weergave Opnieuw plaatsen is geopend waarin alleen de gelabelde items zijn te zien (zie de documentatie van
Adobe Acrobat). Dit is vooral bedoeld voor het weergeven van PDF-bestanden op een handheldapparaat of in andere PDF-
leesprogramma's.
CelGebruik dit label voor tabelcellen.
FiguurGebruik dit label voor geplaatste afbeeldingen. Het label Figuur wordt toegepast op alle ongelabelde afbeeldingen die
in het document zijn geplaatst wanneer u Niet-gelabelde items toevoegen kiest.
Alinealabels (P, H, H1-H6)Deze labels hebben geen effect op de geëxporteerde PDF-tekst wanneer deze wordt
weergegeven in de weergave Opnieuw plaatsen. In bepaalde situaties kunnen die labels echter wel nut hebben wanneer een
PDF-bestand naar de HTML-indeling wordt geëxporteerd.
ArtikelGebruik dit label voor artikelen. Het label Artikel wordt toegepast op alle ongelabelde tekstkaders wanneer u Niet-
gelabelde items toevoegen kiest. Stel dat u een InDesign-document hebt dat is opgemaakt met drie alineastijlen: Kop1, Kop2
en Tekst. Wijs deze alineastijlen eerst toe aan respectievelijk H1-, H2- en P-labels. Exporteer vervolgens naar PDF. Wanneer
u het PDF-document naar HTML of XML in Acrobat exporteert, worden de alinea's die zijn gelabeld als H1, H2, en P
overeenkomstig weergegeven in een webbrowser (zoals grote, vette letters in H1). Zie de documentatie van Adobe Acrobat
voor informatie over het exporteren van het PDF-document naar HTML of XML.
Afbeeldingen labelen voor gebruik bij schermlezers
Als u schermlezers de grafische elementen wilt laten beschrijven die belangrijke concepten in het document illustreren, moet u de gewenste
beschrijving opgeven. Figuren en multimedia worden niet herkend en niet gelezen door een schermlezer, tenzij u alternatieve tekst aan de
labeleigenschappen toevoegt.
Met het kenmerk Alt-tekst kunt u alternatieve tekst maken die kan worden gelezen in plaats van een afbeelding die kan worden bekeken.
ActualText is vergelijkbaar met Alt-tekst omdat deze een afbeelding vervangt. Met het kenmerk ActualText kunt u een afbeelding vervangen dat
deel is van een woord, zoals een mooie afbeelding die als initiaal wordt gebruikt. In dit voorbeeld kunt u met het kenmerk ActualText de initiaal als
deel van het woord lezen.
Wanneer u naar Adobe PDF exporteert, worden de kenmerken Alt-tekst en ActualText in het PDF-bestand opgeslagen. Deze kenmerken kunnen
worden weergegeven in Acrobat 6.0 en hoger. De gegevens van deze alternatieve tekst kunnen worden gebruikt wanneer het PDF-bestand vanuit
Acrobat als HTML- of XML-bestand wordt opgeslagen. Zie de documentatie van Adobe Acrobat voor meer informatie.
Naar boven
1. Kies indien nodig Weergave > Structuur > Structuur tonen om het deelvenster Structuur te openen en kies Venster >
Hulpmiddelen > Labels om het deelvenster Labels te openen.
2. Kies Niet-gelabelde items toevoegen in het menu van het deelvenster Structuur.
3. Om ervoor te zorgen dat de afbeelding als Figuur wordt gelabeld, selecteert u de afbeelding en vervolgens het label Figuur in
het deelvenster Labels.
4. Selecteer het element Figuur in het deelvenster Structuur en kies Nieuw kenmerk in het menu van het deelvenster Structuur.
5. Typ voor Naam Alt of ActualText (hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen hoofdletters en kleine letters).
6. Typ voor Waarde de tekst die de afbeelding vervangt.
Pagina-items in een artikelelement groeperen
Gebruik het deelvenster Structuur om pagina-items logisch in een artikelelement te groeperen. Als bijvoorbeeld een aantal artikelen meerdere
pagina's lang is, kunt u een overkoepelend element maken waarin deze artikelen als één groep staan. Deze elementen worden structuurelementen
genoemd. U kunt de gegroepeerde artikelen ook benoemen.
Opmerking: Gegroepeerde pagina-items kunnen niet worden gelabeld.
U groepeert pagina-items door Nieuw element in het menu van het deelvenster Structuur en het element Artikel in het
deelvenster Labels te selecteren en vervolgens de paginaelementen onder het artikelelement in het deelvenster Structuur te
slepen.
U benoemt gegroepeerde items door met de rechtermuisknop op het element Artikel in het deelvenster Structuur te klikken en
Nieuw kenmerk te kiezen. Voer Titel in bij Naam. Typ bij Waarde de naam van het artikel dat u wilt gebruiken.
Meer Help-onderwerpen
Juridische kennisgevingen | Onlineprivacybeleid
Tekenen
Bepaalde inhoud waarnaar op deze pagina wordt gelinkt, is mogelijk alleen in het Engels beschikbaar.
Paden en vormen
Naar boven
Naar boven
Soorten paden en vormen
Paden
Richtingslijnen en richtingspunten
Soorten paden en vormen
U kunt paden maken en deze op diverse manieren in InDesign combineren. In InDesign kunt u de volgende typen paden en vormen maken:
Eenvoudige padenEenvoudige paden zijn de bouwstenen van samengestelde paden en vormen. Zij bestaan uit één open of gesloten pad, dat
zichzelf kan kruisen.
Samengestelde padenSamengestelde paden bestaan uit twee of meer eenvoudige paden die op elkaar van invloed zijn of elkaar kruisen.
Dergelijke paden zijn eenvoudiger dan samengestelde vormen en kunnen in alle PostScript-compatibele programma's worden gebruikt. Paden die
zijn samengevoegd tot een samengesteld pad, fungeren als één object en delen kenmerken, zoals kleuren en lijnstijlen.
Samengestelde vormenSamengestelde vormen bestaan uit twee of meer paden, samengestelde paden, groepen, overvloeiingen,
tekstcontouren, tekstkaders of andere vormen die op elkaar van invloed zijn en elkaar kruisen waardoor nieuwe, bewerkbare vormen ontstaan.
Sommige samengestelde vormen worden weergegeven als samengestelde paden. De onderdelen daarvan kunnen per pad worden bewerkt en
hoeven geen kenmerken te delen.
Soorten paden en vormen
A.Drie eenvoudige padenB.Samengesteld padC.Samengestelde vorm
Op www.adobe.com/go/vid0071_nl vindt u een videodemo over het werken met objecten.
Paden
Terwijl u tekent, maakt u een lijn die een pad wordt genoemd. Een pad bestaat uit een of meer rechte of gekromde segmenten. Het begin en het
einde van elk segment worden gemarkeerd door ankerpunten, die werken als spelden die een draad op zijn plaats houden. Een pad kan gesloten
(bijvoorbeeld een cirkel) zijn of open, met duidelijke eindpunten (bijvoorbeeld een golvende lijn).
U kunt de vorm van een pad wijzigen door de ankerpunten, de richtingspunten aan het eind van richtingslijnen die op de ankerpunten worden
u op basis van de huidige CMYK-werkruimte een elektronische proefdruk van bepaalde CMYK-inktkleuren.
Verouderd Macintosh-RGB (Photoshop en Illustrator)Hiermee maakt u een elektronische proefdruk van de kleuren door Mac OS 10.5 en
eerder te simuleren.
Internet-standaard RGB (Photoshop en Illustrator)Hiermee maakt u een elektronische proefdruk van de kleuren door Windows en Mac OS
10.6 en later te simuleren.
Monitor-RGB (Photoshop en Illustrator)Hiermee maakt u een elektronische proefdruk van de RGB-kleuren door het huidige monitorprofiel te
gebruiken als profiel voor de proefdruk.
Bij de opties Verouderd Macintosh-RGB, Internet-standaard RGB en Monitor-RGB wordt ervan uitgegaan dat het gesimuleerde apparaat uw
document weergeeft zonder kleurbeheer. Deze opties zijn niet beschikbaar voor LAB- of CMYK-documenten.
Kleurenblindheid (Photoshop en Illustrator) Hiermee maakt u een elektronische proefdruk waarin de kleuren zichtbaar zijn voor mensen die
kleurenblind zijn. Protanopia en Deuteranopia, de twee opties voor elektronische proefdrukken, simuleren de kleurperceptie van de meest
gebruikelijke vorm van kleurenblindheid. Zie Elektronische proefdrukken voor kleurenblindheid (Photoshop en Illustrator) voor nadere informatie.
Aangepaste opties voor een elektronische proefdruk
Te simuleren apparaatHiermee wordt het kleurprofiel opgegeven van het apparaat waarvoor u een proefdruk wilt maken. De betrouwbaarheid
van het gekozen profiel hangt af van de mate van nauwkeurigheid waarin het gedrag van het apparaat is beschreven. Vaak geven aangepaste
profielen voor specifieke papier- en printercombinaties de meest nauwkeurige elektronische proefdrukken.
CMYK-nummers behouden of RGB-nummers behoudenHiermee wordt gesimuleerd hoe de kleuren worden weergegeven zonder dat deze
worden omgezet in de kleurruimte van het uitvoerapparaat. Gebruik deze optie wanneer u een veilige CMYK-workflow volgt.
Rendering intent (Photoshop en Illustrator)Als de optie Nummers behouden is uitgeschakeld, wordt een rendering intent opgegeven voor het
omzetten van kleuren in het apparaat dat u wilt simuleren.
Compensatie zwartpunt gebruiken (Photoshop)Hiermee zorgt u ervoor dat de schaduwdetails in de afbeelding behouden blijven door het
volledige dynamische bereik van het uitvoerapparaat te simuleren. Selecteer deze optie als u zwartpuntcompensatie wilt gebruiken bij het
afdrukken (aanbevolen voor de meeste situaties).
Gekleurd papier simulerenHiermee wordt het wit van echt papier gesimuleerd volgens het proefdrukprofiel. Deze optie kan niet bij alle profielen
worden gebruikt.
Zwarte inkt simulerenHiermee wordt het donkere grijs gesimuleerd dat door veel printers wordt weergegeven in plaats van effen zwart, volgens
het proefdrukprofiel. Deze optie kan niet bij alle profielen worden gebruikt.
Als u in Photoshop de aangepaste proefinstellingen wilt instellen als standaardproefinstellingen voor documenten, sluit u alle documentvensters
en kiest u daarna Weergave > Instellen proef > Aangepast.
Elektronische proefdrukken voor kleurenblindheid (Photoshop en Illustrator)
CUD (Color Universal Design) zorgt ervoor dat grafische informatie op de juiste wijze wordt weergegeven voor personen met verschillende typen
kleurperceptie, zoals personen die kleurenblind zijn. In verschillende landen gelden richtlijnen die met CUD compatibele afbeeldingen vereisen in
openbare ruimten.
De meest voorkomende typen kleurenblindheid zijn protanopia (beperkte gevoeligheid voor rode kleuren) en deuteranopia (beperkte gevoeligheid
voor groene kleuren). Ongeveer een derde van alle kleurenblinde personen is sterk kleurenblind, de meeste andere kleurenblinde personen
hebben een minder agressieve vorm van kleurenblindheid.
Ontwerpen aanpassen voor kleurenblindheid
A.Oorspronkelijke afbeeldingB.Proefdruk voor kleurenblindheidC.Geoptimaliseerd ontwerp
Ga als volgt te werk om te bepalen of een document CUD-compatibel is:
1. Zet het document om in de RGB-kleurmodus, dan verkrijgt u namelijk de meest nauwkeurige elektronische proefdrukken voor
kleurenblindheid.
2. (Optioneel) Als u het originele document en een elektronische proefdruk gelijktijdig wilt bekijken, gaat u naar Venster > Nieuw
venster (Illustrator) of Venster > Ordenen > Nieuw venster (Photoshop).
3. Kies Weergave > Instellen proef > Kleurenblindheid en kies het type Protanopia of Deuteranopia. (Controleer het document in
beide weergaven om na te gaan of het voldoet aan CUD.)
U kunt de proefdruk afdrukken in Photoshop. Zoek naar “Een proefdruk maken op papier'' in de Help van Photoshop voor meer informatie.
Als objecten moeilijk van elkaar te onderscheiden zijn in proefdrukken voor kleurenblindheid, kunt u het ontwerp als volgt aanpassen:
Wijzig de helderheid of de kleurtoon van de kleur:
Zuiver rood ziet er soms donker en troebel uit, oranjerood is vaak beter te herkennen.
Blauwgroen is duidelijker dan geelgroen.
Grijs wordt soms verward met magenta, lichtroze, lichtgroen of smaragdgroen.
Vermijd de volgende combinaties: rood en groen, geel en felgroen, lichtblauw en roze, en donkerblauw en paars.
Vermijd rode items op donkere achtergronden of witte items op een gele of oranje achtergrond.
Naar boven
Naar boven
Pas verschillende vormen of patronen toe.
Voeg witte, zwarte of donkere randen toe aan kleurgrenzen.
Gebruik verschillende lettertypefamilies of -stijlen.
Een aangepaste proefdrukinstelling opslaan of laden (Photoshop, InDesign)
1. Kies Weergave > Instellen proef > Aangepast.
2. Voer een van de volgende handelingen uit:
Klik op Opslaan om een aangepaste proefdrukinstelling op te slaan. Als u de nieuwe voorinstelling wilt weergeven in het
menu Weergave > Instellen proef, slaat u de voorinstelling op de standaardlocatie op.
Klik op Laden om een aangepaste proefdrukinstelling te laden.
Kleuren controleren met een elektronische proefdruk (Acrobat)
1. Voer een van de volgende handelingen uit, afhankelijk van uw versie van Acrobat:
(Acrobat 9) Kies Geavanceerd > Afdrukproductie > Uitvoervoorbeeld.
(Acrobat X) Kies Gereedschappen > Afdrukproductie > Uitvoervoorbeeld.
2. Kies in het menu Simulatieprofiel een kleurprofiel van een specifiek uitvoerapparaat.
3. Kies een optie voor een elektronische proefdruk:
Zwarte inkt simulerenHiermee wordt het donkere grijs gesimuleerd dat door veel printers wordt weergegeven in plaats van
effen zwart, volgens het proefdrukprofiel. Deze optie kan niet bij alle profielen worden gebruikt.
Gekleurd papier simulerenHiermee wordt het wit van echt papier gesimuleerd volgens het proefdrukprofiel. Deze optie kan
niet bij alle profielen worden gebruikt.
|
Werken met kleurbeheer
Naar boven
Naar boven
Waarom kleuren soms niet overeenkomen
Wat is een kleurbeheersysteem?
Hebt u kleurbeheer nodig?
Een weergaveomgeving instellen voor kleurbeheer
Met een kleurbeheersysteem worden kleurverschillen tussen apparaten afgestemd, zodat u vrij zeker weet welke kleuren uiteindelijk door het
systeem worden geproduceerd. Als kleuren nauwkeurig worden weergegeven, bent u in staat om in elk stadium van de workflow (van de digitale
vastlegging tot en met de uiteindelijke uitvoer) gefundeerde beslissingen over kleur te nemen. Met kleurbeheer kunt u ook uitvoer produceren op
basis van ISO-, SWOP- en Japan Color-standaarden voor afdrukproductie.
Waarom kleuren soms niet overeenkomen
Geen enkel apparaat in een publicatiesysteem kan het volledige kleurbereik reproduceren dat het menselijk oog kan waarnemen. Elk apparaat
werkt binnen een bepaalde kleurruimte, die een bepaald kleurbereik ofwel kleuromvang kan produceren.
Een kleurmodel bepaalt de relatie tussen de waarden en de kleurruimte definieert de absolute betekenis van deze waarden als kleuren. Sommige
kleurmodellen (zoals CIE L*a*b) hebben een vaste kleurruimte, omdat deze direct gerelateerd zijn aan de manier waarop kleur door het menselijk
oog wordt waargenomen. Deze modellen worden ook aangeduid als apparaatonafhankelijk. Andere kleurmodellen (RGB, HSL, HSB, CMYK
enzovoort) kunnen een groot aantal verschillende kleurruimten hebben. Aangezien deze modellen variëren per kleurruimte en per apparaat,
worden de modellen ook wel aangeduid als apparaatafhankelijk.
Als gevolg van deze diverse kleurruimten kan de weergave van kleuren veranderen als u documenten in combinatie met andere apparaten
gebruikt. Kleurverschillen kunnen ontstaan door uiteenlopende oorzaken, zoals verschillen in afbeeldingsbronnen, de manier waarop kleur in
softwaretoepassingen wordt gedefinieerd, afdrukmedia (krantenpapier biedt een kleinere kleuromvang dan tijdschriftenpapier) en andere
natuurlijke verschillen, zoals fabricageverschillen van monitoren of de leeftijd van de monitor.
De kleuromvang van verschillende apparaten en documenten
A. LAB-kleurruimteB.Documenten (werkruimte)C. Apparaten
Wat is een kleurbeheersysteem?
Problemen met kleurovereenkomsten zijn het gevolg van apparaten en toepassingen die verschillende kleurruimten gebruiken. Dit probleem is te
verhelpen met een systeem dat kleur voor andere apparaten nauwkeurig interpreteert en omzet. Een kleurbeheersysteem (CMS) vergelijkt de
kleurruimte waarin een kleur is gemaakt met de kleurruimte waarin de kleur wordt uitgevoerd en brengt eventuele benodigde wijzigingen aan,
waardoor de kleur op verschillende apparaten zo consistent mogelijk wordt gegenereerd.
Een kleurbeheersysteem zet kleuren om met kleurprofielen. Een profiel is een wiskundige beschrijving van de kleurruimte van een apparaat. Een
profiel van een scanner 'vertelt' een kleurbeheersysteem bijvoorbeeld hoe de scanner kleuren 'ziet'. In het kleurbeheersysteem van Adobe wordt
gebruikgemaakt van ICC-profielen, een indeling die door het ICC (International Color Consortium) als standaard voor alle platforms is
gedefinieerd.
Omdat geen enkele methode voor het omzetten van kleuren geschikt is voor alle typen afbeeldingen, biedt een kleurbeheersysteem rendering
intents of omzettingsmethoden, zodat u de juiste methode op een bepaald grafisch element kunt toepassen. Een kleuromzettingsmethode
Naar boven
Naar boven
waarmee correcte verhoudingen tussen de kleuren in een foto van dieren in het wild behouden blijven, leidt bijvoorbeeld wellicht tot wijzigingen in
de kleuren van een logo met effen kleuren.
Opmerking: Verwar kleurbeheer niet met kleurcorrectie. Een kleurbeheersysteem corrigeert geen afbeeldingen die zijn opgeslagen met toon- of
kleurbalansproblemen. Het verschaft slechts een omgeving waarin u afbeeldingen op betrouwbare wijze in de context van de uiteindelijke uitvoer
kunt beoordelen.
Hebt u kleurbeheer nodig?
Zonder een kleurbeheersysteem zijn de kleurspecificaties apparaatafhankelijk. U hebt kleurbeheer niet nodig als het productieproces nauwgezet
voor één medium in de gaten wordt gehouden. Zo kunt u of uw afdrukservicebureau bijvoorbeeld CMYK-afbeeldingen op maat snijden en
kleurwaarden opgeven voor een bekende, specifieke set drukvoorwaarden.
Het belang van kleurbeheer neemt toe als het productieproces meerdere variabelen bevat. Kleurbeheer wordt aanbevolen als u
kleurenafbeeldingen opnieuw wilt gebruiken voor afdrukken en onlinemedia, met gebruik van verschillende apparaten in één medium (zoals
verschillende drukpersen), of als u meerdere werkstations beheert.
Een kleurbeheersysteem is nuttig als u het volgende wilt bereiken:
Voorspelbare en consistente kleuruitvoer op meerdere uitvoerapparaten, waaronder kleurscheidingen, desktopprinter en
monitor. Kleurbeheer is met name handig voor het aanpassen van kleur voor apparaten met een relatief beperkte
kleuromvang, zoals een drukpers met vier kleuren.
Nauwkeurige elektronische proefdruk van een kleurendocument op het beeldscherm door een specifiek uitvoerapparaat te
simuleren. (Controle van elektronische proefdrukken is afhankelijk van de beperkingen van de monitorweergave en van andere
factoren, zoals de verlichting in de werkruimte.)
Nauwkeurige evaluatie en consistente samenvoeging van kleurenafbeeldingen van vele verschillende bronnen als deze ook
kleurbeheer gebruiken, en soms zelfs ook wanneer dat niet zo is.
Verzenden van kleurendocumenten naar verschillende uitvoerapparaten en media zonder dat u de kleuren in documenten of
originele afbeeldingen handmatig moet aanpassen. Dit is handig als u afbeeldingen maakt die uiteindelijk worden afgedrukt of
op het web worden gebruikt.
Correcte kleurenafdrukken op een onbekend kleurenuitvoerapparaat. U kunt bijvoorbeeld een document online opslaan, zodat
u het overal en altijd op consistente en reproduceerbare wijze kunt afdrukken.
Een weergaveomgeving instellen voor kleurbeheer
Uw werkomgeving heeft invloed op de manier waarop kleur wordt weergegeven op uw monitor en in de gedrukte uitvoer. De beste resultaten krijgt
u door de kleuren en verlichting in de werkomgeving als volgt te regelen:
Bekijk documenten in een omgeving met een uniform verlichtingsniveau en een gelijke kleurtemperatuur. De kleurkenmerken
van zonlicht veranderen bijvoorbeeld in de loop van de dag en wijzigen de manier waarop kleuren worden weergegeven op het
scherm. Het is dus belangrijk dat u de zonwering omlaag houdt of in een ruimte zonder ramen werkt. Om de blauwgroene
schijn in tl-verlichting te voorkomen, kunt u D50-lichten (5000° Kelvin) plaatsen. U kunt de afgedrukte documenten ook met
een D50-lichtbox bekijken.
Bekijk het document in een ruimte waarvan het plafond en de muren een neutrale kleur hebben. De kleur van een ruimte kan
van invloed zijn op de perceptie van zowel de monitorkleur als de gedrukte kleur. De beste kleur voor een weergaveruimte is
neutraal grijs. Verder kan het glas van de monitor de kleur van uw kleding weerkaatsen, hetgeen de kleuren op het scherm kan
beïnvloeden.
Verwijder kleurrijke achtergrondpatronen van het bureaublad van de monitor. Drukke of heldere patronen rond een document
dragen niet bij aan een nauwkeurige kleurperceptie. Stel het bureaublad in op uitsluitend neutrale grijstinten.
Bekijk proefdrukken van documenten in de omstandigheden waarin de doelgroep het uiteindelijke product onder ogen zal
krijgen. De proefdruk van een catalogus met huishoudelijke artikelen kunt u bijvoorbeeld bekijken onder het licht van de
gloeilampen die vaak in woningen worden gebruikt, terwijl u een catalogus voor kantoormeubilair bekijkt onder de tl-verlichting
die vaak in kantoren wordt gebruikt. De definitieve beoordeling van de kleuren moet u echter altijd uitvoeren onder de
verlichtingsomstandigheden die zijn vastgelegd in de wettelijke vereisten voor proefdrukken op contractbasis.
Meer Help-onderwerpen
|
Kleuren uit geïmporteerde afbeeldingen gebruiken
Naar boven
Naar boven
Naar boven
Naar boven
Naar boven
Kleuren uit geïmporteerde afbeeldingen gebruiken
Het pipet gebruiken om kleuren te kopiëren
Werken met steunkleurkanalen in een Adobe Photoshop-bestand (.PSD)
Werken met kleuren uit EPS- of PDF-bestanden
Een geïmporteerde steunkleur omzetten naar een proceskleur
Kleuren uit geïmporteerde afbeeldingen gebruiken
In InDesign kunt u op verschillende manieren kleuren uit afbeeldingen die u in uw document hebt geïmporteerd, kopiëren en opnieuw definiëren.
Steunkleuren uit geplaatste PDF- of EPS-bestanden en steunkleurkanalen uit Adobe Photoshop (PSD)- en TIFF-bestanden worden als
steunkleuren in het deelvenster Stalen weergegeven. U kunt deze kleuren op objecten in het document toepassen of omzetten naar proceskleuren,
maar u kunt de kleurwaarden niet opnieuw definiëren of de geïmporteerde stalen verwijderen. Als u de geplaatste afbeelding verwijdert, blijven de
kleuren behouden en worden deze naar kleuren van InDesign omgezet, die u vervolgens wel kunt bewerken of verwijderen.
Het pipet gebruiken om kleuren te kopiëren
U kunt met het gereedschap Pipet kleuren uit geïmporteerde afbeeldingen aan het document toevoegen of toepassen op objecten in het
document. Dit kan handig zijn wanneer u de layoutkleuren op de kleuren van de afbeeldingen moet afstemmen.
Voor het beste resultaat met kleurscheidingen moet u ervoor zorgen dat de namen, typen (zoals steun- en proceskleuren) en modellen (zoals
RGB en CMYK) van de kleuren in InDesign consistent zijn met de kleurdefinities in de geïmporteerde afbeeldingen. Neem contact op met het
prepress-bureau als u niet precies weet welke instelling u moet gebruiken.
Werken met steunkleurkanalen in een Adobe Photoshop-bestand (.PSD)
Wanneer u een bestand van Photoshop (.PSD) of een TIFF-bestand in InDesign plaatst, worden de steunkleurkanalen uit dat bestand als
steunkleurinkten in het deelvenster Stalen weergegeven. U kunt deze stalen selecteren en op andere objecten in het document toepassen. Als u
deze stalen wilt verwijderen, moet u echter eerst de geplaatste afbeelding verwijderen.
Als de te importeren afbeelding een steunkleurkanaal bevat met dezelfde naam als een steunkleur in het document maar met andere
kleurwaarden, wordt u gevraagd of u de kleurwaarden uit het geplaatste bestand of uit het document wilt gebruiken.
Werken met kleuren uit EPS- of PDF-bestanden
Wanneer u een PDF-bestand, een EPS-afbeelding of een bestand van Adobe Illustrator (.AI) plaatst, worden de namen van steunkleuren die in de
afbeelding worden gebruikt, toegevoegd aan het deelvenster Stalen in het document. Zo weet u dat deze kleuren extra kosten bij het afdrukken
met zich mee kunnen brengen en dat u de steunkleuren in het document kunt gebruiken.
Als de afbeelding die u importeert een steunkleur bevat die dezelfde naam heeft als een steunkleur in uw document maar andere kleurwaarden
heeft, worden de kleurwaarden uit het document gebruikt.
Een geïmporteerde steunkleur omzetten naar een proceskleur
Wanneer u een EPS-, PSD-, TIFF- of PDF-afbeelding met een steunkleur (of een steunkleurkanaal) importeert, worden de naam en de definitie
van de steunkleur aan het deelvenster Stalen toegevoegd. Een geïmporteerde steunkleurstaal kan worden gewijzigd in een proceskleurstaal.
Hierdoor beschikt u over heel veel mogelijkheden om de kleuren - zelfs de kleuren van geïmporteerde afbeeldingen - aan te passen aan de
vereisten voor de afdruk.
1. Dubbelklik in het deelvenster Stalen op het staal dat u wilt bewerken.
2. Kies in het venster Staalopties de optie Proces in het menu Kleurtype.
Opmerking: Hierdoor wordt alleen het kleurtype in het InDesign-document gewijzigd. Als u het kleurtype van kleuren in een afbeelding permanent
wilt wijzigen, moet u de afbeelding openen in het programma waarin de afbeelding is gemaakt en moet u de kleur in dat programma bewerken.
Meer Help-onderwerpen
Juridische kennisgevingen | Onlineprivacybeleid
Transparantie
Bepaalde inhoud waarnaar op deze pagina wordt gelinkt, is mogelijk alleen in het Engels beschikbaar.
Transparantie-effecten toevoegen
Naar boven
Naar boven
Transparantie
Overzicht van het deelvenster Effecten
Transparantie-effecten toepassen
Transparantie-effecten
Globaal licht gebruiken
De dekking van een object instellen
Transparantie op groepen toepassen
De vormgeving van transparante illustraties op het scherm wijzigen
De weergave van transparantie uitschakelen
Witte randen verwijderen in documenten met transparantie
Een object dat u in Adobe InDesign maakt, is standaard een effen object en heeft dus een dekking van 100%. U kunt effecten toepassen op
objecten met de opties voor dekking en overvloeien. U kunt objecten laten overlappen, transparantie aan objecten toevoegen of vormen achter
objecten uitnemen.
Transparantie
Wanneer u een object of lijn maakt, wanneer u een vulling toepast of tekst invoert, worden deze items standaard ondoorzichtig (dat wil zeggen met
een dekking van 100%) weergegeven. U kunt dergelijke items op verschillende manieren transparant maken. U kunt de dekking bijvoorbeeld
variëren van 100% (volledig dekkend) tot 0% (volledig transparant). Wanneer u een object minder dekkend maakt, worden de illustraties onder het
object, de lijn, de vulling of de tekst zichtbaar.
U kunt de dekking van een object of van de vulling, lijn of tekst van een object opgeven in het deelvenster Effecten. U kunt ook bepalen hoe het
object zelf of de lijn, vulling of tekst van het object overvloeit in de onderliggende objecten. U kunt het overvloeien beperken tot bepaalde objecten,
zodat niet alle objecten in een groep overvloeien in de onderliggende objecten. U kunt objecten ook uitnemen in plaats van ze te laten overvloeien
in objecten in een groep.
Voor een introductie over het gebruik van transparantie (PDF-bestand), gaat u naar www.adobe.com/go/learn_id_transparency_bp_nl.
Gebieden van onderliggende objecten zijn zichtbaar door transparante objecten.
Overzicht van het deelvenster Effecten
In het deelvenster Effecten (Venster > Effecten) kunt u de dekking en overvloeimodus van objecten en groepen opgeven, het overvloeien
beperken tot een bepaalde groep, objecten in een groep uitnemen of een transparantie-effect toepassen.
Naar boven
Transparantie-effecten toevoegen en bewerken in het deelvenster Effecten
A. OvervloeimodusB. NiveausC. FX-pictogramD.Effecten wissenE. FX-knop
OvervloeimodusHiermee bepaalt u hoe de kleuren in transparante objecten en de achterliggende objecten op elkaar reageren. (Zie Instellen hoe
kleuren overvloeien.)
DekkingHiermee bepaalt u de dekking van een object, lijn, vulling of tekst. (Zie De dekking van een object instellen.)
NiveauHier ziet u de dekkingsinstellingen voor Object, Lijn, Vulling en Tekst van het object. Ook kunt u hier aflezen of transparantie-effecten zijn
toegepast. Klik op het driehoekje links van het woord Object (of Groep of Afbeelding) om de niveau-instellingen weer te geven of te verbergen.
Het FX-pictogram wordt in een niveau weergegeven nadat u er transparantie-instellingen op hebt toegepast. Dubbelklik op dit pictogram als u de
instellingen wilt bewerken.
Overvloeien isolerenHiermee past u een overvloeimodus toe op een geselecteerde groep objecten. (Zie Overvloeimodi isoleren.)
Groep uitnemenHiermee kunt u de dekkings- en overvloeikenmerken van ieder object in een groep laten uitnemen ten opzichte van de
onderliggende objecten in de groep, ofwel zichtbaar uitnemen. (Zie Objecten in een groep uitnemen.)
De knop Alles wissenHiermee wist u effecten (lijn, vulling of tekst) uit een object, stelt u de overvloeimodus in op Normaal en wijzigt u de
instelling Dekking voor het volledige object in 100%.
FX-knopHiermee geeft u een lijst met transparantie-effecten weer. (Zie Transparantie-effecten toepassen.)
De opties in het deelvenster Effecten weergeven
Kies Venster > Effecten en open, indien noodzakelijk, het menu van het deelvenster Effecten. Kies vervolgens Opties tonen.
De opties van het deelvenster Effecten zijn ook beschikbaar in het dialoogvenster Effecten (selecteer een object en kies Object > Effecten >
Transparantie) en, in vereenvoudigde vorm, in het regelpaneel.
Transparantie-effecten toepassen
1. Selecteer een object. Als u transparantie-effecten wilt toepassen op een afbeelding, selecteert u de afbeelding met het
gereedschap Direct selecteren.
2. Kies Venster > Effecten om het deelvenster Effecten weer te geven.
3. Selecteer een niveau om aan te geven welke delen of welk deel van het object u wilt wijzigen:
ObjectHet effect beïnvloedt het volledige object, ook de vulling, lijn en tekst van het object.
AfbeeldingHet effect beïnvloedt alleen de afbeelding die is geselecteerd met het gereedschap Direct selecteren. Effecten die
u op de afbeelding toepast, blijven gehandhaafd wanneer u de afbeelding in een ander kader plakt.
GroepHet effect beïnvloedt alle objecten en tekst in de groep. (Gebruik het gereedschap Direct selecteren als u effecten op
objecten in een groep wilt toepassen.))
LijnHet effect beïnvloedt alleen de lijn van een object (ook de kleur van de tussenruimte).
VullenHet effect beïnvloedt alleen de vulling van het object.
TekstHet effect beïnvloedt alleen de tekst binnen het object, niet het tekstkader. Effecten die u toepast op tekst, gelden voor
alle tekst in het object. Het is niet mogelijk een effect toe te passen op afzonderlijke woorden of letters.
U kunt ook een niveau-instelling kiezen in het regelpaneel: klik op de knop Effect toepassen op object en selecteer Object,
Lijn, Vulling of Tekst.
4. Open het dialoogvenster Effecten op een van de volgende manieren:
Klik in het deelvenster Effecten of in het regelpaneel op de FX-knop en kies een effect in het menu.
Kies in het menu van het deelvenster Effecten eerst de optie Effecten en vervolgens een naam van een effect.
Naar boven
Kies in het contextmenu eerst Effecten en vervolgens een naam van een effect.
Kies Object > Effecten en kies een naam van een effect.
Klik, indien nodig, in het deelvenster Effecten op het driehoekje om de niveau-instellingen weer te geven en dubbelklik op
een niveau-instelling: Object, Lijn, Vulling of Tekst. Wanneer u dubbelklikt, opent u het dialoogvenster Effecten en kunt u
een niveau-instelling kiezen.
5. Kies opties en instellingen voor het effect. (Zie Gebruikelijke instellingen en opties voor transparantie.)
6. Klik op OK.
Een transparantie-effect bewerken
1. Selecteer de objecten of het object waarop het effect is toegepast.
2. Open het dialoogvenster Effecten op een van de volgende manieren:
Dubbelklik in het deelvenster Effecten op het FX-pictogram rechts van Object (dus niet onder aan het deelvenster).
Wellicht moet u op het driehoekje naast het woord Object klikken om het FX-pictogram weer te geven.
Selecteer het niveau met het effect dat u wilt bewerken, klik op de FX-knop in het deelvenster Effecten en kies de
naam van een effect.
3. Bewerk het effect.
Transparantie-effecten kopiëren
Voer een van de volgende handelingen uit om transparantie-effecten te kopiëren:
Als u effecten wilt kopiëren tussen verschillende objecten, selecteert u het object met het effect dat u wilt kopiëren en
vervolgens selecteert u het FX-pictogram van het object in het deelvenster Effecten en sleept u het FX-pictogram naar het
andere object. U kunt effecten alleen slepen en neerzetten tussen verschillende objecten op hetzelfde niveau.
Gebruik het gereedschap Pipet als u alleen bepaalde effecten wilt kopiëren tussen objecten. Als u wilt opgeven welke
transparantie-instellingen voor vullingen, lijnen en objecten worden gekopieerd met het gereedschap Pipet, dubbelklikt u op het
gereedschap Pipet om het dialoogvenster Opties pipet te openen. Schakel vervolgens opties in of uit in de gebieden
Lijninstellingen, Vulling-instellingen en Objectinstellingen.
Als u effecten van het ene niveau naar het andere in hetzelfde object wilt kopiëren, houdt u Alt (Windows) of Option (Mac OS)
ingedrukt en sleept u het FX-pictogram naar een ander niveau (Lijn, Vulling of Tekst) in het deelvenster Effecten.
U kunt effecten naar een ander niveau in hetzelfde object verplaatsen door het FX-pictogram te slepen.
Transparantie-effecten wissen uit een object
Ga als volgt te werk:
Als u alle effecten uit een object wilt verwijderen, de overvloeimodus wilt veranderen in Normaal en de waarde voor Dekking
wilt instellen op 100%, klikt u op de knop Alle effecten wissen in het deelvenster Effecten of kiest u Alle transparantie wissen
in het menu van het deelvenster Effecten.
Als u alle effecten wilt wissen, maar de instellingen voor dekking en overvloeien wilt behouden, selecteert u een niveau en
kiest u Effecten wissen in het menu van het deelvenster Effecten of sleept u het FX-pictogram van het niveau Lijn, Vulling
of Tekst in het deelvenster Effecten naar de prullenmand.
Als u meerdere niveaus (lijn, vulling of tekst) van een effect wilt wissen, selecteert u de niveaus en klikt u op de prullenmand.
Als u een afzonderlijk effect uit een object wilt verwijderen, opent u het dialoogvenster Effecten en schakelt u het
desbetreffende transparantie-effect uit.
Transparantie-effecten
InDesign bevat negen transparantie-effecten. De instellingen en opties voor het tot stand brengen van deze effecten lijken veel op elkaar.
Effecten
A. SlagschaduwB.Schaduw binnenC.Gloed buitenD.Gloed binnenE.Schuine kant en reliëfF. SatijnG. BasisdoezelaarH.
RichtingsdoezelaarI. Verloopdoezelaar
SlagschaduwHiermee voegt u een schaduw toe achter het object, de lijn, vulling of tekst.
Schaduw binnenHiermee voegt u vlak binnen de randen van het object, de lijn, vulling of tekst een schaduw toe, zodat het item lijkt in te
springen.
Gloed buiten en Gloed binnenHiermee lijkt er van binnen of buiten de randen van het object, de lijn, vulling of tekst een gloed te stralen.
Schuine kant en reliëfHiermee voegt u verschillende combinaties van hooglichten en schaduwen toe om tekst en afbeeldingen een
driedimensionaal aanzien te geven.
SatijnHiermee voegt u een inwendige schaduw toe die een satijnachtige afwerking geeft.
Basisdoezelaar, Richtingsdoezelaar en VerloopdoezelaarU verzacht de randen van een object door ze te laten vervagen tot transparantie.
Opmerking: Raadpleeg na het lezen van de volgende beschrijvingen het gedeelte Gebruikelijke instellingen en opties voor transparantie voor
meer informatie.
Gebruikelijke instellingen en opties voor transparantie
Veel instellingen en opties voor transparantie-effecten zijn hetzelfde voor verschillende effecten. Hier volgt een overzicht van gebruikelijke
instellingen en opties voor transparantie:
Hoek en HoogteHiermee bepaalt u de belichtingshoek waarbij een belichtingseffect wordt toegepast. Een instelling van 0 komt overeen met het
grondniveau, de instelling 90 bevindt zich recht boven het object. Klik op de hoekstraal of geef een waarde in graden op. Selecteer Globaal licht
gebruiken als u dezelfde belichtingshoek wilt gebruiken voor alle objecten. Deze optie wordt gebruikt door de effecten Slagschaduw, Schaduw
binnen, Schuine kant en reliëf, Satijn en Doezelaar.
OvervloeimodusHiermee bepaalt u hoe de kleuren in transparante objecten en de achterliggende objecten op elkaar reageren. Deze optie wordt
gebruikt door de effecten Slagschaduw, Schaduw binnen, Gloed buiten, Gloed binnen en Satijn. (Zie Instellen hoe kleuren overvloeien.)
OnderdrukkenDeze optie bepaalt in combinatie met de grootte-instellingen in hoeverre de schaduw of gloed dekkend en in hoeverre deze
transparant is. Een hogere instelling verhoogt de dekking en een lagere instelling verhoogt de transparantie. Deze optie wordt gebruikt door de
effecten Schaduw binnen, Gloed binnen en Doezelaar.
AfstandHiermee geeft u de verschuivingsafstand op voor de effecten Slagschaduw, Schaduw binnen of Satijn.
RuisMet deze optie stelt u de hoeveelheid willekeurige elementen in de dekking van een gloed of schaduw in door een waarde op te geven of de
schuifregelaar te slepen. Deze optie wordt gebruikt door de effecten Slagschaduw, Schaduw binnen, Gloed buiten, Gloed binnen en Doezelaar.
DekkingHiermee bepaalt u de dekking van een effect door de schuifregelaar te slepen of een percentage op te geven. (Zie De dekking van een
object instellen.) Gebruikt door de effecten Slagschaduw, Schaduw binnen, Gloed buiten, Gloed binnen, Verloopdoezelaar, Schuine kant en reliëf
en Satijn.
GrootteHiermee bepaalt u de omvang van de schaduw of de gloed. Deze optie wordt gebruikt door de effecten Slagschaduw, Schaduw binnen,
Gloed buiten, Gloed binnen en Satijn.
SpreidingMet deze optie bepaalt u de transparantie van de vervaging binnen het schaduw- of gloedeffect die is opgegeven door de instelling bij
Grootte. De vervaging wordt dekkender naarmate het percentage hoger is. Deze optie wordt gebruikt door de effecten Slagschaduw en Gloed
buiten.
TechniekDeze instellingen bepalen hoe de rand van een transparantie-effect reageert op achtergrondkleuren. De opties Zachter en Precies zijn
beschikbaar voor de effecten Gloed buiten en Gloed binnen.
ZachterHiermee past u een vervaging toe op de rand van het effect. De details blijven niet behouden bij grotere formaten.
PreciesHiermee blijft de rand van het effect behouden, inclusief de hoeken en andere scherpe details. Bij deze techniek blijven meer
kenmerken behouden dan bij de techniek Zachter.
Globaal licht gebruikenHiermee past u de globale lichtinstelling toe op de schaduw. Deze optie wordt gebruikt door de effecten Slagschaduw,
Schuine kant en reliëf en Gloed binnen.
X-verschuiving en Y-verschuivingKies deze optie om de schaduw op de x- of y-as te verschuiven in de door u opgegeven mate. Deze optie
wordt gebruikt door de effecten Slagschaduw en Schaduw binnen.
Slagschaduw
Met het effect Slagschaduw creëert u een driedimensionale schaduw. U kunt de slagschaduw langs de x- of de y-as plaatsen en u kunt de
overvloeimodus, kleur, dekking, afstand, hoek en grootte van de slagschaduw instellen. Gebruik de volgende optie om te bepalen hoe de
slagschaduw en de objecten en transparantie-effecten elkaar beïnvloeden:
Schaduw wordt door object uitgenomenHet object wordt voor de slagschaduw weergegeven.
Bij schaduw worden andere effecten gebruiktIn de slagschaduw zijn andere transparantie-effecten opgenomen. Als een object bijvoorbeeld
aan een zijde is gedoezeld, kunt u de slagschaduw zodanig instellen dat de doezelaar wordt genegeerd, zodat de schaduw niet vervaagt, of u kunt
de schaduw net zo doezelen als het object.
Klik op de knop Slagschaduw in het regelpaneel om snel een slagschaduw toe te passen op of te verwijderen uit een object, lijn, vulling of
tekst.
Als u een kleur wilt selecteren voor een slagschaduw, klikt u op de knop Schaduwkleur instellen (naast het menu Overvloeimodus) en kiest u
een kleur.
Op www.adobe.com/go/vid0085_nl vindt u een videodemo over het maken van slagschaduwen.
Schaduw binnen
Kies het effect Schaduw binnen om de schaduw binnen het object te plaatsen, zodat het object lijkt in te springen. U kunt de schaduw binnen
langs verschillende assen verschuiven en de overvloeimodus, dekking, afstand, hoek, grootte, ruis en onderdrukking van de schaduw wijzigen.
Gloed buiten
Kies het effect Gloed buiten om van onder het object een gloed te laten schijnen. U kunt de overvloeimodus, dekking, techniek, ruis, grootte en
spreiding instellen.
Gloed binnen
Kies dit effect om van binnen het object een gloed te laten schijnen. Kies de instellingen voor de overvloeimodus, dekking, techniek, grootte, ruis
en onderdrukking en ook de instelling voor Bron.
BronHiermee bepaalt u de bron van de gloed. Kies Centreren om een gloed toe te passen die vanuit het midden straalt en kies Rand om een
gloed toe te passen die vanuit de objectgrenzen straalt.
Schuine kant en reliëf
Met het object Schuine kant en reliëf geeft u objecten een realistisch, driedimensionaal aanzien. De instellingen bij Structuur bepalen de grootte en
de vorm van het object:
StijlHiermee bepaalt u de stijl van de schuine kant: met Schuine kant buiten maakt u een schuine kant aan de buitenranden van het object en
met Schuine kant binnen maakt u een schuine rand aan de binnenranden. Kies Reliëf om te simuleren dat het object in reliëf tegen onderliggende
objecten is geplaatst en kies Kussenreliëf om te simuleren dat de randen van het object in de onderliggende objecten zijn gestempeld.
GrootteHiermee bepaalt u de grootte van het effect Schuine kant of reliëf.
TechniekHiermee bepaalt u hoe de rand van het effect Schuine kant of reliëf reageert op de achtergrondkleuren. Kies Vloeiend om de randen
enigszins te vervagen (bij grotere formaten blijven de details dan niet behouden), kies Beitel zacht om de randen minder dan bij de techniek
Vloeiend te vervagen (de details blijven beter behouden dan bij de techniek Vloeiend, maar niet zo goed als bij de techniek Beitel hard) en kies
Beitel hard om een hardere, opvallendere rand te creëren (waarbij de details beter behouden blijven dan bij de technieken Vloeiend of Beitel
zacht).
Zachter makenKies deze optie in aanvulling op de instelling Techniek om het effect te vervagen, zodat ongewenste artefacten en ruwe randen
worden verwijderd.
RichtingKies Omhoog of Omlaag zodat een omhoog of omlaag geduwd effect ontstaat.
DiepteHiermee bepaalt u de diepte van het effect Schuine kant of reliëf.
De instellingen bij Arcering bepalen hoe licht reageert op het object:
Hoek en HoogteHiermee stelt u de hoogte van de lichtbron in. Een instelling van 0 komt overeen met het grondniveau, de instelling 90 bevindt
zich recht boven het object.
Globaal licht gebruikenHiermee past u de globale lichtbron die u hebt opgegeven toe op alle transparantie-effecten. De instelling bij deze optie
overschrijft alle instellingen bij Hoek en Hoogte.
Hooglicht en schaduwMet deze optie geeft u de overvloeimodus voor de hooglichten of schaduwen van een schuine kant of reliëf op.
Naar boven
Satijn
Gebruik het effect Satijn om objecten een vloeiende, satijnachtige afwerking te geven. Kies de instellingen voor de overvloeimodus, dekking, hoek,
afstand en grootte en bepaal of kleuren en transparanties moeten worden omgekeerd.
OmkerenSelecteer deze optie om de gekleurde en transparante gebieden van het object om te keren.
Basisdoezelaar
Het effect Doezelaar verzacht (vervaagt) de randen van een object gedurende een door u opgegeven afstand.
DoezelbreedteHier stelt u de afstand in voor de vervaging van het object van dekkend naar transparant.
OnderdrukkenDeze instelling bepaalt samen met de instelling bij Doezelbreedte in hoeverre de verzachtende gloed dekkend en in hoeverre deze
transparant is. Een hoge instelling verhoogt de dekking en een lagere instelling verhoogt de transparantie.
HoekenKies Scherp, Rond of Verstrooid:
ScherpDeze optie volgt de buitenrand van de vorm, inclusief de scherpe hoeken. Deze optie is vooral bedoeld voor stervormige objecten
en voor speciale effecten op een rechthoekige vorm.
RondDe hoek wordt afgerond door de doezelstraal. In feite loopt de vorm eerst naar binnen en dan naar buiten om de twee contouren
te maken. Deze optie is bijzonder geschikt voor rechthoeken.
VerstrooidBij deze optie wordt de Adobe Illustrator-methode gebruikt waarmee de randen van het object vervagen van dekkend naar
transparant.
Op www.adobe.com/go/vid0086_nl vindt u een videodemo over doezelen.
RuisHiermee bepaalt u de hoeveelheid willekeurige elementen in de verzachtende gloed. Gebruik deze optie om de gloed te verzachten.
Richtingsdoezelaar
Het effect Richtingsdoezelaar verzacht de randen van een object naar transparantie vanuit de richtingen die u opgeeft. U kunt bijvoorbeeld
doezelen toepassen op de boven- en onderzijde van een object, maar niet op de linker- of rechterzijde.
Breedten van doezelaarHiermee stelt u de afstand in waarmee de onder-, boven-, linker- en rechterzijde van het object vervagen tot
transparantie. Selecteer de optie Vergrendelen om beide zijden van het object via dezelfde afstand te laten vervagen.
RuisHiermee bepaalt u de hoeveelheid willekeurige elementen in de verzachtende gloed. Gebruik deze optie om een zachtere gloed te maken.
OnderdrukkenDeze optie bepaalt in combinatie met de breedte-instellingen in hoeverre de gloed dekkend en in hoeverre deze transparant is.
Een hoge instelling verhoogt de dekking en een lagere instelling verhoogt de transparantie.
VormKies een van de opties Alleen eerste rand, Voorloopranden of Alle randen om de oorspronkelijke vorm van het object aan te geven.
HoekHiermee roteert u het verwijzingspunt voor het doezeleffect, zodat de doezelranden schuin ten opzichte van het object lopen in plaats van
parallel aan het object (als u tenminste geen meervoud van 90° opgeeft).
Verloopdoezelaar
Gebruik het effect Verloopdoezelaar om de gebieden van een object te verzachten door ze te laten vervagen tot transparantie.
VerloopstopsMaak één verloopstop voor iedere gewenste transparantiegradatie in uw object.
U maakt een verloopstop door onder de verloopregelaar te klikken (sleep een verloopstop van de regelaar om een stop te
verwijderen).
Als u de positie van een stop wilt aanpassen, sleept u deze naar links of rechts of selecteert u de stop en sleept u de regelaar
Locatie.
Sleep een ruitje boven de verloopregelaar om het middelpunt tussen twee dekkingstops aan te passen. De positie van het
ruitje bepaalt hoe abrupt of geleidelijk de overgang tussen stops is.
Verloop omkerenKlik om de richting van de gradaties om te keren. U vindt deze optie rechts van de verloopregelaar.
DekkingHiermee geeft u de transparantie tussen verloopstoppen op. Selecteer een punt en sleep de regelaar Dekking.
LocatieHiermee past u de positie van een verloopstop aan. Selecteer een verloopstop voordat u de schuifregelaar sleept of voordat u een meting
opgeeft.
TypeLineaire schaduwen lopen in een rechte lijn van het beginpunt naar het eindpunt van het verloop en radiale schaduwen volgen een
cirkelvormig patroon van het beginpunt naar het eindpunt.
HoekMet deze optie stelt u de hoek van de gradatielijnen in voor lineaire verlopen. Bij een hoek van 90° is er sprake van horizontale lijnen en bij
een hoek van 180° is er sprake van verticale lijnen.
Globaal licht gebruiken
U kunt een uniforme belichtingshoek toepassen op transparantie-effecten waarin arcering een factor is: Slagschaduw, Schaduw binnen en
Schuine rand en reliëf. Wanneer u Globaal licht gebruiken kiest voor deze effecten, wordt de belichting bepaald door de globale instelling in het
dialoogvenster Globaal licht.
1. Open het dialoogvenster Globaal licht op een van de volgende manieren:
Kies Globaal licht in het menu van het deelvenster Effecten.
Kies Object > Effecten > Globaal licht.
Naar boven
Naar boven
Naar boven
2. Geef een waarde op of sleep de hoekstraal om de hoek en hoogte in te stellen en klik op OK.
De dekking van een object instellen
U kunt transparantie toepassen op enkele objecten of op geselecteerde objecten (inclusief afbeeldingen en tekstkaders), maar niet op afzonderlijke
teksttekens of lagen. Geïmporteerde afbeeldingen met dergelijke transparantie-effecten worden echter wel goed weergegeven en afgedrukt.
Op www.adobe.com/go/vid0087_nl en www.adobe.com/go/vid0088_nl vindt u video's over het toevoegen van dekking.
1. Selecteer een of meer objecten.
Het woord gemengd verschijnt in het deelvenster Effecten als u meerdere objecten selecteert en de dekkingsinstellingen van
deze objecten een conflict veroorzaken. Als de geselecteerde objecten bijvoorbeeld verschillende dekkingsinstellingen voor
Vulling hebben, wordt in het deelvenster Transparantie de tekst 'Vulling: Dekking (gemengd)' weergegeven.
2. Kies Object, Lijn, Vulling of Tekst met een van de volgende technieken:
Klik op de knop Effecten toepassen in het regelpaneel en kies een optie.
Klik op een optie in het deelvenster Effecten (klik, indien nodig, op het driehoekje naast het woord Object, om de optie
weer te geven).
3. Typ in het regelpaneel of in het deelvenster Effecten een waarde voor Dekking of klik op de pijl bij Dekking en stel een
waarde in met de schuifregelaar. Hoe lager de dekkingswaarde, hoe transparanter het object wordt.
Opmerking: Als u een object in een transparante groep selecteert met het gereedschap Direct selecteren en u dit object vervolgens knipt of
kopieert en het ergens anders in het document plaatst, is dit object alleen transparant als u het eerder afzonderlijk hebt geselecteerd en er
transparantie op hebt toegepast.
Transparantie op groepen toepassen
U kunt transparantie-effecten niet alleen toepassen op enkele objecten, maar ook op groepen.
Als u objecten gewoon selecteert en de dekkingsinstellingen van afzonderlijke objecten wijzigt, wordt de dekking van de andere geselecteerde
objecten ook aangepast. Bij elk overlappend gebied is de dekking hoger.
Als u daarentegen met het deelvenster Effecten de dekking wilt wijzigen van een groep objecten die met de opdracht Groeperen is gemaakt, wordt
de groep beschouwd als één enkel object (het deelvenster Effecten bevat alleen de niveauoptie Groep) en verandert de dekking binnen de groep
niet. Met andere woorden, de objecten in de groep hebben geen invloed op elkaar.
Geselecteerde objecten met een dekking van 50% (links) en een geselecteerde groep met een dekking van 50% (rechts)
De vormgeving van transparante illustraties op het scherm wijzigen
In het dialoogvenster Weergaveprestaties stelt u de transparantievoorkeuren in. Deze voorkeuren bepalen de beeldkwaliteit van transparante
objecten in nieuwe documenten en in documenten die zijn opgeslagen met gewijzigde voorkeuren. U kunt met de voorkeuren ook de weergave
van of transparantie in documenten in- en uitschakelen. Als u de weergave van transparantie uitschakelt, wordt de transparantie echter niet
uitgeschakeld bij het afdrukken of exporteren van het bestand.
Opmerking: Voordat u een bestand afdrukt dat transparantie-effecten bevat, moet u de transparantievoorkeuren controleren. Bij het afdrukken
worden de illustraties automatisch afgevlakt, wat gevolgen heeft voor de vormgeving van de transparantie-effecten.
1. Kies Bewerken > Voorkeuren > Weergaveprestaties (Windows) of Adobe InDesign > Voorkeuren > Weergaveprestaties
(Mac OS).
2. Selecteer in het gedeelte Weergave-instellingen aanpassen een optie (Snel, Normaal, Hoge kwaliteit) om de resolutie op het
scherm van effecten in het document te bepalen. De instellingen die u wijzigt, worden toegepast op de optie die u hier
selecteert:
Met de optie Snel schakelt u de transparantie uit en stelt u de resolutie in op 24 dpi.
Met de optie Normaal geeft u effecten met een lage resolutie weer en stelt u de resolutie in op 72 dpi.
De optie Hoge kwaliteit verbetert de weergave van effecten, vooral in PDF- en EPS-bestanden, en stelt de resolutie in op
Naar boven
Naar boven
144 dpi.
3. Stel de schuifregelaar Transparantie in. De standaardinstelling is Normale kwaliteit waarmee slagschaduwen en doezelaar
worden weergegeven.
4. Klik op OK.
5. Wanneer inkten overlappen met overvloeimodi, kiest u Weergave > Voorvertoning overdruk. Bij deze optie kunt u op het
scherm bekijken hoe inkten en transparantie op elkaar inwerken.
Met de opties in het menu Weergave kunt u de transparantieweergave instellen op Snelle weergave, Normale weergave en Weergave van
hoge kwaliteit.
De weergave van transparantie uitschakelen
Als u de weergaveprestaties wilt verbeteren, kunt u de weergave van transparantie tijdelijk uitschakelen. Als u de weergave van transparantie op
het scherm uitschakelt, wordt de transparantie echter niet uitgeschakeld bij het afdrukken of exporteren van het bestand.
Kies Weergave > Weergaveprestaties > Snelle weergave.
Witte randen verwijderen in documenten met transparantie
In sommige gevallen is een witte rand of schim zichtbaar wanneer een transparantie-effect wordt toegepast, meestal in documenten die
slagschaduwen of -verlopen bevatten. Dit probleem kan zich voordoen als het transparantie-effect reageert op een steunkleur.
U kunt het probleem verhelpen door geen steunkleuren te gebruiken als u transparantie toepast of door overdrukken in te schakelen.
Als u een PDF-document zonder het wittevakeffect wilt tonen en afdrukken, moet u in Acrobat Overdrukken simuleren inschakelen. In Acrobat 9
kiest u Geavanceerd > Afdrukproductie > Uitvoervoorbeeld.. In Acrobat X kiest u Extra > Afdrukproductie > Uitvoervoorbeeld.
Als u het document naar een drukker stuurt die problemen ondervindt met deze witte rand, vraagt u de serviceprovider om PostScript-overdrukken
op de RIP in te schakelen. Als het probleem hiermee niet wordt opgelost, kunt u de transparantie afvlakken en de optie Overdrukken simuleren
inschakelen voordat u het bestand verstuurt. U vindt deze optie in InDesign in het deelvenster Uitvoer van het dialoogvenster Afdrukken als u de
optie Samengesteld CMYK selecteert.
Meer Help-onderwerpen
Video over doezelen
Video over slagschaduwen
Kleurinstellingen in Adobe-toepassingen synchroniseren
Video over het toepassen van effecten waarbij dekking wordt gebruikt
Video over het instellen van dekking
Juridische kennisgevingen | Onlineprivacybeleid
Kleuren laten overvloeien
Naar boven
Instellen hoe kleuren overvloeien
Overvloeimodi isoleren
Objecten in een groep uitnemen
Een kleurenruimte voor het overvloeien van transparante objecten opgeven
Instellen hoe kleuren overvloeien
U kunt de kleuren tussen twee overlappende objecten in elkaar laten overvloeien aan de hand van overvloeimodi. U kunt overvloeimodi gebruiken
om de manier te wijzigen waarop de kleuren van gestapelde objecten in elkaar overvloeien.
1. Selecteer een of meer objecten of een groep.
2. Ga op een van de volgende manieren te werk:
Kies een overvloeimodus in het menu van het deelvenster Effecten, bijvoorbeeld Normaal of Bedekken.
Kies een overvloeimodus in het menu in het gebied Transparantie van het dialoogvenster Effecten.
Opties voor overvloeimodi
De overvloeimodi bepalen welke invloed de basiskleur, de onderliggende kleur in de illustratie, heeft op de overvloeikleur, de kleur van het
geselecteerde object of de groep met objecten. De resulterende kleur is de kleur die ontstaat na het overvloeien.
NormaalKleurt de selectie met de overvloeikleur zonder interactie met de basiskleur. Dit is de standaardmodus.
VermenigvuldigenVermenigvuldigt de basiskleur met de overvloeikleur. De resulterende kleur is altijd donkerder. Elke willekeurige kleur die met
zwart wordt vermenigvuldigd, wordt ook zwart. Elke willekeurige kleur die met wit wordt vermenigvuldigd, blijft ongewijzigd. U krijgt een
vergelijkbaar effect wanneer u met meerdere magische markeringen op de afbeelding tekent.
RasterVermenigvuldigt de omkering van de overvloei- en basiskleuren. De resulterende kleur is altijd lichter. Wanneer u met zwart rastert, blijft de
kleur ongewijzigd. Wanneer u met wit rastert, wordt de kleur wit. U krijgt een vergelijkbaar effect wanneer u meerdere dia's bovenop elkaar
projecteert.
BedekkenIn deze modus worden de kleuren vermenigvuldigd of gerasterd, afhankelijk van de basiskleur. Patronen of kleuren bedekken de
bestaande illustraties. Hierbij blijven de accentueringen en schaduwen van de basiskleur behouden, terwijl de overvloeikleur wordt gemengd om
de lichtheid en donkerte van de oorspronkelijke kleur weer te geven.
Zwak lichtIn deze modus worden de kleuren donkerder of lichter gemaakt, afhankelijk van de werkkleur. Dit geeft ongeveer hetzelfde effect als
diffuus licht op een schilderij.
Als de overvloeikleur (lichtbron) lichter is dan 50% grijs, wordt de illustratie lichter, alsof deze is tegengehouden. Als de overvloeikleur donkerder
is dan 50% grijs, wordt de illustratie donkerder, alsof deze is doorgedrukt. Wanneer u met zuiver zwart of wit kleurt, wordt het gebied donkerder of
lichter, maar niet echt zuiver zwart of wit.
Fel lichtIn deze modus worden de kleuren vermenigvuldigd of gerasterd, afhankelijk van de overvloeikleur. Dit geeft ongeveer hetzelfde effect als
een felle lamp op een schilderij.
Als de overvloeikleur (lichtbron) lichter is dan 50% grijs, wordt de illustratie lichter, alsof deze is gerasterd. Hiermee kunt u illustraties meer
hooglichten meegeven. Als de overvloeikleur donkerder is dan 50% grijs, wordt de illustratie donkerder, alsof deze is vermenigvuldigd. Hiermee
kunt u een schaduweffect aan illustraties meegeven. Schilderen met zuiver zwart of zuiver wit resulteert in zuiver zwart of wit.
Kleur tegenhoudenMaakt de basiskleur helderder waardoor de overvloeikleur zichtbaar wordt. Overvloeien met zwart heeft geen enkel effect.
Kleur inbrandenMaakt de basiskleur donkerder waardoor de overvloeikleur zichtbaar wordt. Overvloeien met wit heeft geen enkel effect.
Donkerder makenSelecteert de basis- of overvloeikleur als resulterende kleur (de donkerste kleur wordt geselecteerd). Gebieden die lichter zijn
dan de overvloeikleur worden vervangen. Gebieden die donkerder zijn, veranderen niet.
Lichter makenSelecteert de basis- of overvloeikleur als resulterende kleur (de lichtste kleur wordt geselecteerd). Gebieden die donkerder zijn
dan de overvloeikleur, worden vervangen. Gebieden die lichter zijn, veranderen niet.
VerschilTrekt de overvloeikleur van de basiskleur of de basiskleur van de overvloeikleur af, afhankelijk van welke kleur de grootste
helderheidswaarde heeft. Bij overvloeien met wit worden de waarden van de basiskleur omgekeerd. Bij overvloeien met zwart verandert er niets.
UitsluitingMaakt een effect dat gelijk is aan de Verschil-modus, alleen het contrast is lager. Overvloeien met wit keert de basiskleurcomponenten
om. Overvloeien met zwart heeft geen enkel effect.
KleurtoonMaakt een resulterende kleur met de luminantie en verzadiging van de basiskleur en de kleurtoon van de overvloeikleur.
VerzadigingMaakt een kleur met de luminantie en verzadiging van de basiskleur en de kleurtoon van de overvloeikleur. Als u met deze modus in
een gebied zonder verzadiging (grijs) schildert, gebeurt er niets.
KleurMaakt een resulterende kleur met de luminantie van de basiskleur en de kleurtoon en verzadiging van de overvloeikleur. Op deze manier
blijven de grijsniveaus in de illustraties behouden en kunt u heel makkelijk monochrome illustraties kleuren en gekleurde illustraties een tint
Naar boven
Naar boven
geven.
HelderheidMaakt een resulterende kleur met de kleurtoon en verzadiging van de basiskleur en de luminantie van de overvloeikleur. Het effect
van deze modus is het tegenovergestelde van het effect van de modus Kleur.
Opmerking: Pas de overvloeimodi Verschil, Uitsluiting, Kleurtoon, Verzadiging, Kleur en Helderheid niet toe op objecten met steunkleuren. Zo
voorkomt u dat er ongewenste kleuren aan het document worden toegevoegd. Zie Aanbevolen methoden bij het maken van transparantie voor
meer informatie.
Overvloeimodi isoleren
Wanneer u een overvloeimodus toepast op een object, vloeien alle kleuren over in de onderliggende objecten. Als u het overvloeien wilt beperken
tot specifieke objecten, kunt u deze objecten groeperen en vervolgens de optie Isoleer overvloei toepassen op de groep. Met de optie Isoleer
overvloei zorgt u dat de kleuren alleen overvloeien in de groep, zodat objecten buiten de groep niet worden gewijzigd. (Deze optie is nuttig bij
groepen objecten waarop een andere overvloeimodus dan Normaal is toegepast.)
Groep (ster en cirkel) zonder de optie Isoleer overvloei (links) in vergelijking met de optie wel ingeschakeld.
Het is belangrijk te begrijpen dat u overvloeimodi toepast op afzonderlijke objecten, maar dat u de optie Isoleer overvloei toepast op de groep. Met
deze optie wordt het overvloeien beperkt tot de groep. De optie heeft geen invloed op overvloeimodi die rechtstreeks op de groep worden
toegepast.
1. Pas de overvloeimodi en de instellingen voor dekking toe op afzonderlijke objecten waarvoor u het overvloeien wilt isoleren.
2. Selecteer de objecten die u wilt isoleren met het gereedschap Selecteren.
3. Kies Object > Groeperen.
4. Selecteer Isoleer overvloei in het deelvenster Effecten. (Als deze optie niet zichtbaar is, kiest u Opties tonen in het menu van
het deelvenster Effecten.)
U kunt het overvloeien isoleren voor objecten in een PDF-bestand dat overvloeimodi bevat. Plaats eerst het PDF-bestand
in het dialoogvenster PDF plaatsen terwijl de optie Transparante achtergrond is geselecteerd. Pas vervolgens de optie
Isoleer overvloei toe.
Objecten in een groep uitnemen
Met de optie Groep uitnemen in het deelvenster Effecten kunt u de dekkings- en overvloeikenmerken van elk object in de geselecteerde groep
laten uitnemen ten opzichte van de onderliggende objecten in de groep, dat wil zeggen zichtbaar uitnemen. Alleen objecten binnen de
geselecteerde groep worden uitgenomen. Objecten onder de geselecteerde groep worden beïnvloed door de overvloeiing of dekking die u hebt
toegepast op objecten in de groep.
Het is belangrijk te begrijpen dat u de overvloeimodi en de dekking toepast op afzonderlijke objecten, maar dat u de optie Groep uitnemen toepast
op de groep.
Groep waarvoor de optie Groep uitnemen is uitgeschakeld (links) en ingeschakeld (rechts).
1. Pas de overvloeimodi en de instellingen voor dekking toe op afzonderlijke objecten die u wilt uitnemen.
2. Selecteer de objecten die u wilt uitnemen met het gereedschap Selecteren.
3. Kies Object > Groeperen.
4. Selecteer Groep uitnemen in het deelvenster Effecten. (Als deze optie niet zichtbaar is, kiest u Opties tonen in het menu van
het deelvenster Effecten.)
Naar boven
Een kleurenruimte voor het overvloeien van transparante objecten opgeven
Om de kleuren van transparante objecten op een spread over te laten vloeien, worden de kleuren van alle objecten met behulp van het CMYK- of
RGB-profiel voor het document omgezet naar een algemene kleurenruimte. Door deze overvloeiruimte kunnen objecten van meerdere
kleurenruimten overvloeien wanneer ze elkaar transparant beïnvloeden. U voorkomt kleurverschillen tussen de diverse gebieden van de objecten
op het scherm of de afdruk door de overvloeiruimte toe te passen voor het rasteren en in de afvlakker.
De overvloeiruimte wordt alleen toegepast op spreads met transparantie.
Kies Bewerken > Transparantie-overvloeiruimte en kies een van de kleurenruimten van het document.
Opmerking: Kies de kleurenruimte Document CMYK voor een standaardafdrukworkflow.
Meer Help-onderwerpen
Juridische kennisgevingen | Onlineprivacybeleid
Transparante illustraties afvlakken
Naar boven
Naar boven
Over afvlakken
Voorinstellingen van transparantie-afvlakker
Een afvlakvoorinstelling voor uitvoer toepassen
Voorinstellingen van transparantie-afvlakker maken of bewerken
Een aangepaste voorinstelling van transparantie-afvlakker exporteren en importeren
De naam van een aangepaste voorinstelling van transparantie-afvlakker wijzigen of een instelling verwijderen
Een afzonderlijke spread afvlakken
De afvlakvoorinstelling op een enkele spread negeren
Opties voor transparantie-afvlakker
Een voorvertoning bekijken van de gebieden van de illustratie die worden afgevlakt
De voorvertoning vernieuwen in het deelvenster Voorvertoning afvlakker
Aanbevolen methoden bij het maken van transparantie
Over afvlakken
Als uw document of illustratie transparantie bevat en u deze wilt uitvoeren, moet u meestal een bewerking uitvoeren die afvlakking wordt
genoemd. Bij afvlakking worden transparante illustraties opgedeeld in vectorgebieden en gerasterde gebieden. Bij complexere illustraties
(combinaties van afbeeldingen, vectoren, tekst, steunkleuren, overdrukken, enzovoort) worden ook het afvlakken en de bijbehorende resultaten
complexer.
Afvlakking kan nodig zijn wanneer u een document afdrukt of opslaat in of exporteert naar andere indelingen die geen transparantie ondersteunen.
Wanneer u PDF-bestanden maakt en transparantie wilt behouden zonder afvlakking, slaat u het bestand op als Adobe PDF 1.4 (Acrobat 5.0) of
hoger.
U kunt instellingen voor afvlakking opgeven en deze vervolgens opslaan en toepassen als voorinstellingen van transparantie-afvlakker.
Transparante objecten worden afgevlakt volgens de instellingen van de geselecteerde voorinstelling.
Opmerking: transparantieafvlakking kan niet ongedaan worden gemaakt nadat het bestand is opgeslagen.
Overlappende illustraties worden opgesplitst wanneer u ze afvlakt.
Raadpleeg voor meer informatie over transparantie-uitvoer de pagina Print Service Provider Resources van het Adobe Solutions Network
(ASN) (alleen Engelstalig), die beschikbaar is op de Adobe-website.
Voorinstellingen van transparantie-afvlakker
Als u regelmatig documenten met transparantie afdrukt of exporteert, kunt u de afvlakking automatiseren door afvlakkingsinstellingen op te slaan in
een voorinstelling van transparantie-afvlakker. U kunt deze instellingen vervolgens toepassen voor uitvoer in drukvorm, evenals voor het opslaan
en exporteren van bestanden naar PDF 1.3 (Acrobat 4.0) en EPS- en PostScript-indelingen. Bovendien is het in Illustrator mogelijk om de
instellingen toe te passen wanneer u bestanden opslaat naar eerdere versies van Illustrator of wanneer u deze kopieert naar het klembord; in
Acrobat kunt u ze ook toepassen bij het optimaliseren van PDF's.
Met deze instellingen definieert u bovendien hoe afvlakking wordt afgehandeld wanneer u exporteert naar indelingen die geen transparantie
ondersteunen.
Een voorinstelling voor afvlakking kunt u kiezen in het deelvenster Geavanceerd van het dialoogvenster Afdrukken of in het indelingsspecifieke
dialoogvenster dat wordt weergegeven na het eerste dialoogvenster Exporteren of Opslaan als. U kunt uw eigen voorinstellingen voor afvlakking
maken of een van de standaardinstellingen kiezen die bij de software worden geleverd. De standaardinstellingen zijn bedoeld voor een juiste
afstemming tussen de kwaliteit en snelheid van de afvlakking en een juiste resolutie voor gerasterde transparante gebieden, afhankelijk van het
bedoelde gebruik van het document:
Naar boven
Naar boven
Naar boven
Naar boven
[Hoge resolutie]wordt gebruikt voor de uiteindelijke afdruk en voor proefdrukken van hoge kwaliteit, zoals proefdrukken in kleur met scheidingen.
[Gemiddelde resolutie]wordt gebruikt voor proefdrukken op het scherm en voor documenten die op verzoek worden afgedrukt op PostScript-
kleurenprinters.
[Lage resolutie]wordt gebruikt voor proefdrukken op zwart-witprinters en voor documenten die worden gepubliceerd op het web of worden
geëxporteerd naar SVG.
Een afvlakvoorinstelling voor uitvoer toepassen
U kunt een voorinstelling voor afvlakking kiezen in het dialoogvenster Afdrukken of in het indelingsafhankelijke dialoogvenster dat verschijnt na het
eerste dialoogvenster Exporteren.
Als u vaak documenten met transparantie afdrukt of exporteert, kunt u het afvlakken automatiseren door de afvlakinstellingen in een voorinstelling
voor het afvlakken van transparantie op te slaan. U kunt deze instellingen vervolgens toepassen tijdens het afdrukken of het exporteren naar
PDF 1.3- (Acrobat 4.0), - of EPS-bestanden.
Kies een aangepaste voorinstelling of een van de volgende standaardvoorinstellingen in het deelvenster Geavanceerd van het dialoogvenster
Afdrukken, EPS exporteren of Adobe PDF exporteren:
[Lage resolutie]Wordt gebruikt voor proefafdrukken op zwart-witprinters en voor documenten die worden gepubliceerd op het web.
[Normale resolutie]Wordt gebruikt voor proeven op het scherm en voor documenten die op verzoek worden afgedrukt op Adobe PostScript-
kleurenprinters.
[Hoge resolutie]Wordt gebruikt voor de uiteindelijke afdruk en voor proefafdrukken van hoge kwaliteit, zoals proefafdrukken in kleur met
scheidingen.
Opmerking: De afvlakinstellingen worden alleen gebruikt als de illustratie transparantie bevat of als Overdruk simuleren is geselecteerd in het
gedeelte Uitvoer van het dialoogvenster Adobe PDF exporteren.
Voorinstellingen van transparantie-afvlakker maken of bewerken
Voorinstellingen van transparantie-afvlakker kunt u opslaan in een afzonderlijk bestand. Zo kunt u er makkelijker back-ups van maken of ze ter
beschikking stellen van prepressbureaus, klanten of andere personen in uw werkgroep. In InDesign hebben bestanden met voorinstellingen van
transparantie-afvlakker de extensie .flst.
1. Kies Bewerken > Voorinstellingen transparantie-afvlakker.
2. Voer een van de volgende handelingen uit:
Als u een nieuwe voorinstelling wilt maken, klikt u op Nieuw.
Als u een voorinstelling wilt baseren op een bestaande voorinstelling, selecteert u de gewenste voorinstelling in de lijst en
klikt u op Nieuw.
Als u een bestaande voorinstelling wilt bewerken, selecteert u de voorinstelling en klikt u op Bewerken.
Opmerking: het is niet mogelijk om standaardvoorinstellingen voor afvlakking te bewerken.
3. Stel de opties voor afvlakking in.
4. Klik op OK om terug te gaan naar het dialoogvenster Voorinstellingen transparantie-afvlakker en klik nogmaals op OK.
Een aangepaste voorinstelling van transparantie-afvlakker exporteren en importeren
U kunt voorinstellingen van transparantie-afvlakker exporteren en importeren, zodat u deze kunt delen met prepressbureaus, klanten of anderen in
uw werkgroep.
1. Kies Bewerken > Voorinstellingen transparantie-afvlakker.
2. Selecteer een voorinstelling in de lijst.
3. Voer een van de volgende handelingen uit:
Als u een voorinstelling wilt exporteren naar een afzonderlijk bestand, klikt u op Opslaan (InDesign) of Exporteren
(Illustrator), geeft u een naam en locatie op en klikt u op Opslaan.
U kunt overwegen de voorinstelling op te slaan buiten de map met voorkeuren van de toepassing. Dan gaan de
instellingen niet verloren wanneer u uw voorkeuren verwijdert.
Als u voorinstellingen wilt importeren uit een bestand, klikt u op Laden (InDesign) of Importeren (Illustrator). Zoek en
selecteer het bestand met de voorinstellingen die u wilt importeren en klik op Openen.
De naam van een aangepaste voorinstelling van transparantie-afvlakker wijzigen of een
instelling verwijderen
1. Kies Bewerken > Voorinstellingen transparantie-afvlakker.
Naar boven
Naar boven
Naar boven
2. Selecteer een voorinstelling in de lijst.
3. Voer een van de volgende handelingen uit:
Als u de naam van een bestaande voorinstelling wilt wijzigen, klikt u op Bewerken, typt u een andere naam en klikt u
op OK.
Als u een voorinstelling wilt verwijderen, klikt u op Verwijderen en klikt u op OK om de verwijdering te bevestigen.
Opmerking: de standaardvoorinstellingen kunnen niet worden verwijderd.
Een afzonderlijke spread afvlakken
U kunt afvlakinstellingen toepassen op spreads in een document, waarbij de afvlakvoorinstelling wordt overschreven die u hebt ingesteld voor het
hele document of het hele boek. Dit kan handig zijn als u de afvlakkwaliteit wilt bepalen in documenten met afbeeldingen met een hoge resolutie
en afbeeldingen met veel transparanties in een lage resolutie. In dit geval kunt u de complexe spread op hoge kwaliteit afvlakken en de snellere
afvlakvoorinstelling met een lagere kwaliteit bij de andere spreads gebruiken.
Bij het afdrukken of exporteren kunt u de afvlakstijlen voor het document of boek weer terughalen.
1. Open de spread in het documentvenster.
2. Kies Afvlakking spread in het menu van het deelvenster Pagina's.
3. Kies een van de volgende opties en klik op OK:
StandaardHiermee wordt de afvlakvoorinstelling van het document gebruikt voor de spread.
Geen (transparantie negeren)Hiermee wordt de transparantie genegeerd voor de spread. Met deze optie kan het prepress-
bureau problemen oplossen.
AangepastHiermee opent u het dialoogvenster Aangepaste instellingen spreadafvlakker waarin u instellingen kunt
opgeven.
De afvlakvoorinstelling op een enkele spread negeren
Selecteer Overschrijvingen van spreads negeren op een van de volgende plaatsen in InDesign:
Het deelvenster Voorvertoning afvlakker (Venster > Uitvoer > Voorvertoning afvlakker).
Het gedeelte Geavanceerd van het dialoogvenster Afdrukken of Adobe PDF exporteren.
Opties voor transparantie-afvlakker
Opties voor transparantie-afvlakker kunt u instellen wanneer u voorinstellingen voor afvlakking maakt, bewerkt of er een voorvertoning van
weergeeft in llustrator, InDesign of Acrobat.
Opties voor markering (in voorvertoningen)
Geen (voorbeeld in kleur)Hiermee schakelt u de voorvertoning uit.
Gerasterde complexe gebiedenHiermee worden de gebieden gemarkeerd die ten behoeve van de prestaties worden gerasterd (zoals wordt
bepaald met de schuifregelaar bij Rasters/Vectoren). Houd er rekening dat er bij de grens van het gemarkeerde gebied meer problemen met
stitching kunnen optreden, afhankelijk van de instellingen van het printerstuurprogramma en de rasterresolutie. Om problemen met stitching tot
een minimum te beperken selecteert u Complexe objecten knippen (Acrobat) of Complexe regio's bijknippen (InDesign).
Transparante objectenHiermee worden de objecten gemarkeerd die bronnen van transparantie vormen, zoals objecten met een gedeeltelijke
dekking (waaronder afbeeldingen met alfakanalen), objecten met overvloeimodi en objecten met dekkingsmaskers. Houd er rekening mee dat ook
stijlen en effecten transparantie kunnen bevatten en dat overgedrukte objecten kunnen worden behandeld als bronnen van transparantie als deze
transparantie bevatten of als de overdruk moet worden afgevlakt.
Alle betrokken objectenHiermee worden alle objecten gemarkeerd waarop transparantie van toepassing is, zoals transparante objecten en
objecten die worden overlapt door transparante objecten. Het afvlakkingsproces is van invloed op de gemarkeerde objecten; de penseelstreken of
patronen van deze objecten worden uitgebreid, de objecten worden wellicht gedeeltelijk gerasterd, enzovoort.
Betrokken gekoppelde EPS-bestanden (alleen Illustrator)Hiermee worden alle gekoppelde EPS-bestanden gemarkeerd die worden beïnvloed
door transparantie.
Betrokken afbeeldingen (alleen InDesign)Hiermee wordt alle geplaatste inhoud gemarkeerd die wordt beïnvloed door transparantie of
transparantie-effecten. Dit is een handige optie voor prepressbureaus die willen controleren of afbeeldingen goed worden afgedrukt.
Uitgebreide patronen (Illustrator en Acrobat)Hiermee worden alle patronen gemarkeerd die worden uitgebreid als er sprake is van
transparantie.
Omlijnde lijnen (InDesign), Lijnen met contouren (Acrobat) en Omtreklijnen (Illustrator)Hiermee worden alle lijnen gemarkeerd die worden
voorzien van een contour als er transparantie op van toepassing is of wanneer de optie Alle penseelstreken converteren naar contouren is
geselecteerd.
Omlijnde tekst (InDesign en Illustrator)Hiermee wordt alle tekst gemarkeerd die wordt voorzien van een contour als er transparantie op van
toepassing is of wanneer de optie voor het omzetten van alle tekst in contouren is geselecteerd.
Opmerking: in de uiteindelijke uitvoer zien tekst en lijnen met contouren er enigszins anders uit dan de oorspronkelijke lijnen en tekst, vooral bij
erg dunne lijnen en erg kleine tekst. In het dialoogvenster Voorvertoning afvlakker wordt deze veranderde weergave echter niet gemarkeerd.
Tekst en lijnen met rastervulling (alleen InDesign)Hiermee worden tekst en lijnen gemarkeerd die als gevolg van afvlakking worden voorzien
van rastervulling.
Alle gerasterde gebieden (Illustrator en InDesign)Hiermee worden objecten en snijpunten van objecten gemarkeerd die worden gerasterd,
omdat er geen andere manier is om ze in PostScript weer te geven of omdat ze complexer zijn dan de drempel die is ingesteld met de
schuifregelaar Rasters/Vectoren. Het snijpunt van bijvoorbeeld twee transparante verlopen wordt altijd gerasterd, zelfs als de waarde voor
Rasters/Vectoren 100 is. De optie Alle gerasterde gebieden/Alle gebieden die naar pixels zijn omgezet laat rasterafbeeldingen (zoals Photoshop-
bestanden) zien die worden beïnvloed door transparantie, en rastereffecten zoals slagschaduwen en doezelen. Het verwerken van deze optie
neemt meer tijd in beslag.
Opties voor voorinstelling van transparantie-afvlakker
Naam/VoorinstellingHier geeft u de naam van de voorinstelling op. Afhankelijk van het dialoogvenster kunt u in het tekstvak een naam typen of
de standaardnaam accepteren. Als u een bestaande voorinstelling wilt bewerken, voert u de naam van de voorinstelling in. De
standaardvoorinstellingen kunt u echter niet bewerken.
Raster/vector-balansHiermee geeft u op hoeveel vectorinformatie behouden blijft. Bij een hogere instelling worden meer vectorobjecten
bewaard, terwijl bij een lagere instelling meer vectorobjecten worden gerasterd. Bij een tussenliggende instelling worden eenvoudige gebieden in
vectorvorm bewaard en worden complexere gebieden gerasterd. Selecteer de laagste instelling als u alle illustraties wilt rasteren.
Opmerking: de mate van rasteren hangt af van de complexiteit van de pagina en van de typen overlappende objecten.
Resolutie lijnwerk en tekstHiermee rastert u alle objecten, zoals afbeeldingen, vectorillustraties, tekst en verlopen, naar de opgegeven resolutie.
In Acrobat en InDesign is maximaal 9600 pixels per inch (ppi) toegestaan voor lijnen en 1200 ppi voor verloopnet. In Illustrator is maximaal 9600
ppi toegestaan voor zowel lijnen als verloopnetten. De resolutie beïnvloedt de precisie van snijpunten wanneer deze worden afgevlakt. De resolutie
voor lijntekeningen en tekst moet doorgaans worden ingesteld op een waarde tussen 600 en 1200 voor rastering van hoge kwaliteit, vooral bij
lettertypen met schreef of kleine lettertypen.
Resolutie verloop en netten (InDesign)/Resolutie van verloop en net (Illustrator)Hiermee wordt de resolutie opgegeven voor verlopen en
Illustrator-netobjecten die als gevolg van afvlakken worden gerasterd, van 72 tot 2400 ppi. De resolutie beïnvloedt de precisie van snijpunten
wanneer deze worden afgevlakt. De resolutie voor verlopen en netten moet doorgaans worden ingesteld op een waarde tussen 150 en 300 ppi,
omdat de kwaliteit van de verlopen, slagschaduwen en doezelaars niet beter wordt bij een hogere resolutie, terwijl het afdrukken wel langer duurt
en de bestanden groter worden.
Alle tekst omzetten naar contourenHiermee worden alle tekstobjecten (punttekst, gebiedstekst en padtekst) omgezet in contouren en wordt alle
informatie over tekstglyphs op pagina's met transparantie genegeerd. Als deze optie is ingeschakeld, blijft tekst tijdens de afvlakking even breed.
Houd er wel rekening mee dat kleine lettertypen hierbij iets dikker worden weergegeven in Acrobat of iets dikker worden afgedrukt op printers met
lage resolutie. De tekstkwaliteit verandert niet als de tekst wordt afgedrukt op printers met hoge resolutie of imagesetters.
Alle lijnen omzetten in contouren (InDesign) / Alle penseelstreken converteren naar omtrekken (Illustrator)Hiermee worden alle lijnen op
pagina's met transparantie omgezet in eenvoudige, gevulde paden. Als deze optie is ingeschakeld, blijven de lijnen tijdens de afvlakking even
breed. Houd er wel rekening mee dat dunne lijnen hierbij iets dikker worden weergegeven en dat de prestaties van de afvlakking kunnen
afnemen.
Complexe objecten knippen (Acrobat) of Complexe regio's bijknippen (InDesign)Deze optie zorgt ervoor dat de grenzen tussen
vectorillustraties en gerasterde illustraties objectpaden volgen. Met deze optie wordt het aantal stitchartefacten verminderd dat ontstaat wanneer
een deel van een object wordt gerasterd terwijl een ander deel van het object de vectorindeling behoudt. Dit kan echter paden opleveren die te
complex zijn voor de printer.
Stitching, op het snijpunt van rasters en vectoren.
Opmerking: Sommige printerstuurprogramma's verwerken raster- en vectorillustraties op een andere manier, wat soms leidt tot kleurstitching. U
kunt deze problemen grotendeels voorkomen door de instellingen voor kleurbeheer van bepaalde printerstuurprogramma's uit te schakelen. Zie de
documentatie van de printer voor meer informatie, omdat deze instellingen per printer verschillen.
(Alleen Illustrator) Selecteer Alfatransparantie behouden (alleen in het dialoogvenster Afvlakken transparantie)Hiermee blijft de algehele
dekking van afgevlakte objecten behouden. Als u deze optie selecteert, gaan overvloeimodi en overdrukken verloren, maar blijft de weergave
hiervan wel behouden binnen de verwerkte illustratie, samen met het niveau van de alfatransparantie (zoals wanneer u illustraties rastert met een
transparante achtergrond). Deze optie kan handig zijn wanneer u exporteert naar SWF of SVG, omdat deze indelingen beide alfatransparantie
ondersteunen.
(Alleen Illustrator) Selecteer Steunkleuren en overdrukken behouden (alleen in het dialoogvenster Afvlakken transparantie)Hierbij blijven
steunkleuren doorgaans behouden. Bovendien blijven hierbij overdrukinstellingen behouden voor objecten waarop geen transparantie van
toepassing is. Selecteer deze optie wanneer u scheidingen afdrukt als het document steunkleuren en overgedrukte objecten bevat. Schakel deze
optie uit wanneer u bestanden opslaat voor gebruik in paginaopmaaktoepassingen. Als deze optie is geselecteerd, worden overgedrukte gebieden
Naar boven
Naar boven
Naar boven
die invloed hebben op transparantie afgevlakt, terwijl de overdrukinstellingen in andere gebieden behouden blijven. De resultaten zijn
onvoorspelbaar wanneer het bestand wordt uitgevoerd vanuit een paginaopmaaktoepassing.
Overdruk behouden (alleen Acrobat)Hierbij vloeit de kleur van transparante illustraties samen met de achtergrondkleur om een overdrukeffect
te creëren.
Een voorvertoning bekijken van de gebieden van de illustratie die worden afgevlakt
Met de voorvertoningopties in het deelvenster Voorbeeld van afvlakking (Acrobat) / Voorvertoning afvlakker (InDesign) / Voorvertoning van
afvlakker (Illustrator) kunt u de gebieden markeren die worden afgevlakt. Op basis van deze informatie met kleurencodes kunt u de opties voor
afvlakking aanpassen.
Opmerking: dit dialoogvenster is niet speciaal bedoeld voor het nauwkeurig voorvertonen van steunkleuren, overdrukken en overvloeimodi.
Gebruik hiervoor de modus Overdrukvoorbeeld.
1. Voer een van de volgende handelingen uit om het deelvenster (of dialoogvenster) Voorbeeld van afvlakking weer te geven:
In Illustrator kiest u Venster > Voorvertoning van afvlakker.
Kies in Acrobat Gereedschappen > Afdrukproductie > Voorbeeld van afvlakking.
In InDesign kiest u Venster > Uitvoer > Voorvertoning afvlakker.
2. Selecteer in het menu Markering de gebieden die u wilt markeren. Welke opties beschikbaar zijn, is afhankelijk van de inhoud
van de illustratie.
3. Selecteer de afvlakkingsinstellingen die u wilt gebruiken: kies een voorinstelling of stel, indien beschikbaar, specifieke opties
in.
Opmerking: (Illustrator) Als de afvlakkingsinstellingen niet zichtbaar zijn, selecteert u Opties tonen in het deelvenstermenu
om ze weer te geven.
4. Als de illustratie overgedrukte objecten bevat die invloed hebben op transparante objecten, selecteert u in Illustrator een optie
in het menu Overdrukken. U kunt overdrukken behouden, simuleren of verwijderen. Kies in Acrobat Overdruk behouden als u
de kleur van de transparante illustratie wilt laten samenvloeien met de achtergrondkleur om een overdrukeffect te creëren.
5. Klik op Vernieuwen wanneer u een nieuwe voorvertoning wilt weergeven op basis van uw instellingen. Afhankelijk van de
complexiteit van de illustratie kan het enkele seconden duren voordat de voorvertoning wordt weergegeven. In InDesign kunt u
ook Automatisch vernieuwen kiezen.
Als u in Illustrator of Acrobat de voorvertoning wilt vergroten, klikt u in het voorvertoningsgebied. Als u wilt uitzoomen, klikt
u in het voorvertoningsgebied terwijl u Alt of Option ingedrukt houdt. Als u de voorvertoning wilt pannen, houdt u de
spatiebalk ingedrukt en sleept u in het voorvertoningsgebied.
De voorvertoning vernieuwen in het deelvenster Voorvertoning afvlakker
Als u de weergave automatisch wilt bijwerken wanneer deze verouderd en inactief is, selecteert u de optie voor automatisch
vernieuwen.
Klik op Vernieuwen als u de weergave handmatig wilt vernieuwen.
In beide gevallen wordt de weergave volgens de door u gekozen instellingen voor transparantieafvlakking in het
documentvenster bijgewerkt.
Aanbevolen methoden bij het maken van transparantie
Doorgaans geeft afvlakken uitstekende resultaten als u de juiste, voorgedefinieerde afvlakvoorinstelling gebruikt of een voorinstelling met de juiste
instellingen voor de uiteindelijke uitvoer maakt. Raadpleeg het document 'Achieving Reliable Print Output with Transparency' (Engelstalig) op de
website van Adobe voor volledige naslaginformatie over de wijze waarop de uitvoer wordt beïnvloed door transparantie en informatie voor het
oplossen van problemen.
Als het document echter complexe, overlappende gebieden bevat en u uitvoer van zeer hoge kwaliteit wilt, krijgt u betere afdrukken als u zich aan
enkele eenvoudige regels houdt:
Belangrijk: Neem eerst contact op met het prepress-bureau als u transparanties wilt toepassen op documenten die zijn bedoeld voor uitvoer met
een hoge resolutie. Alleen zo krijgt u het beste resultaat.
Objecten overdrukken
Afgevlakte objecten zien er transparant uit, maar zijn in feite dekkend en onttrekken de onderliggende objecten aan het oog. Als u echter geen
simulatie van overdruk toepast, kan de transparantieafvlakker bij het exporteren naar PDF of afdrukken waarschijnlijk de basisoverdruk van
objecten behouden. In dat geval moeten de ontvangers van het PDF-bestand de optie Voorvertoning overdruk in Acrobat 5.0 of hoger kiezen als
zij de resultaten van het overdrukken nauwkeurig willen bekijken.
Als u daarentegen overdruksimulatie toepast, maakt de transparantieafvlakker een simulatie van hoe de overdrukken eruit komen te zien. Deze
simulatie betreft alle dekkende objecten. In de PDF-uitvoer worden bij deze simulatie de steunkleuren naar de equivalente proceskleuren omgezet.
Daarom moet Overdruk simuleren niet worden geselecteerd voor uitvoer waarin de kleur later wordt gescheiden.
Steunkleuren en overvloeimodi
Het gebruik van steunkleuren met bepaalde overvloeimodi geeft soms onverwachte resultaten. Dit komt doordat InDesign op het scherm
equivalente proceskleuren gebruikt, maar bij het afdrukken steunkleuren gebruikt. Bovendien kan een geïsoleerde overvloeiing in een
geïmporteerde afbeelding voor uitnamen in het actieve document zorgen.
Als u overvloeien gebruikt, moet u regelmatig uw ontwerpen controleren met Voorvertoning overdruk in het menu Weergave. Voorvertoning
overdruk biedt een globaal beeld van de wijze waarop steunkleurinkten worden weergegeven die worden overgedrukt of worden beïnvloed door
transparante objecten. Als het resultaat niet naar wens is, voert u een van de volgende handelingen uit:
Gebruik een andere of geen overvloeimodus. Gebruik bij steunkleuren niet de volgende overvloeimodi: Verschil, Uitsluiting,
Kleurtoon, Verzadiging, Kleur en Helderheid.
Gebruik waar mogelijk een proceskleur.
Overvloeiruimte
Als u transparantie toepast op objecten op een spread, worden alle kleuren op die spread omgezet naar de gekozen transparantie-overvloeiruimte
(Bewerken > Transparantie-overvloeiruimte). Dat kan Document RGB of Document CMYK zijn. Het omzetten van alle kleuren geeft consistentie in
elke twee objecten met dezelfde kleur in een spread en voorkomt afwijkend kleurgedrag aan de randen van de transparantie. Kleuren worden
tijdens het tekenen van objecten omgezet. De kleuren in geplaatste afbeeldingen die reageren op transparantie, worden ook omgezet naar de
overvloeiruimte. Dit heeft invloed op de weergave van de kleuren op het scherm en in afdrukken, maar niet op de wijze waarop de kleuren in het
document worden gedefinieerd.
Voer afhankelijk van uw workflow een van de volgende handelingen uit:
Als u alleen documenten maakt om af te drukken, kiest u Document CMYK voor de overvloeiruimte.
Als u alleen documenten voor het web maakt, kiest u Document RGB.
Als u documenten maakt die u wilt publiceren op het web en wilt afdrukken, moet u bepalen welk uitvoertype belangrijker is.
Vervolgens kiest u de overvloeiruimte die overeenkomt met de definitieve uitvoer.
Als u een document met hoge resolutie wilt maken en afdrukken maar u het document ook als een hoogwaardig PDF-
document wilt publiceren op het web, moet u mogelijk verschillende overvloeimodi proberen voor de definitieve uitvoer. In dat
geval moet u de kleur op elke spread met transparantie controleren en niet de overvloeimodi Verschil en Uitsluiting gebruiken.
In deze modi kan de vormgeving namelijk aanzienlijk veranderen.
Type
Wanneer er tekst dicht bij transparante objecten staat, kan dat onverwachte resultaten opleveren. Tekst die bijvoorbeeld rond een transparant
object loopt, overlapt het object in feite niet, maar de glyphs kunnen zo dicht bij het object staan, dat deze reageren op de transparantie. In dit
geval kan de afvlakker de glyphs naar contouren omzetten, wat resulteert in dikkere lijnen op de glyphs.
Als dit gebeurt, voert u een van de volgende handelingen uit:
Verplaats de tekst naar de bovenkant van de stapelvolgorde. Selecteer het tekstkader met het gereedschap Selecteren en kies
Object > Schikken > Naar voorgrond.
Breid alle tekst naar contouren uit voor een consistent effect in het hele document. U breidt alle tekst naar contouren uit door
Alle tekst in contouren omzetten in het dialoogvenster Opties voorinstellingen transparantieafvlakker te kiezen. Deze optie kan
van invloed zijn op de verwerkingssnelheid.
Vervanging afbeelding
De afvlakker kan alleen met gegevens in een hoge resolutie een document met transparantie nauwkeurig verwerken. Maar in een OPI-
proxyworkflow worden echter plaatsaanduidingen of voorbeeldafbeeldingen gebruikt die naderhand door de OPI-server worden vervangen door
afbeeldingen met een hoge resolutie. Als de afvlakker geen toegang tot gegevens met een hoge resolutie heeft, worden er geen OPI-opmerkingen
geproduceerd en worden alleen proxy-afbeeldingen met een lage resolutie uitgevoerd, waardoor de afbeeldingen in de definitieve uitvoer een lage
resolutie hebben.
Als u in een OPI-workflow werkt, zou u met InDesign afbeeldingen kunnen vervangen voordat u het document als PostScript gaat opslaan.
Hiervoor moet u instellingen opgeven wanneer u de EPS-afbeelding plaatst en wanneer u die uitvoert. Wanneer u de EPS-afbeelding plaatst,
selecteert u Koppelingen ingesloten OPI-afbeelding lezen in het dialoogvenster Importopties EPS. Dit doet u door Vervanging OPI-afbeelding in
het gedeelte Geavanceerd van het dialoogvenster Afdrukken of EPS exporteren te kiezen.
Kleuromzettingen
Als een transparant object overlapt met een steunkleurobject, kan dit onverwachte resultaten opleveren wanneer u het naar EPS exporteert en de
steunkleuren vervolgens naar proceskleuren omzet bij het afdrukken of het maken van kleurscheidingen in een ander programma dan InDesign.
Om in dergelijke gevallen problemen te voorkomen, zet u indien nodig met Inktbeheer steunkleuren om naar de equivalente proceskleuren voordat
u vanuit InDesign exporteert. Een andere manier om problemen te voorkomen is ervoor te zorgen, dat de steunkleuren in de brontoepassing
(bijvoorbeeld Adobe Illustrator) en InDesign consistent zijn. U moet dan wellicht een Illustrator-document openen, een steunkleur omzetten naar
een proceskleur, het document naar EPS exporteren en vervolgens het EPS-bestand in de InDesign-layout plaatsen.
Adobe PDF-bestanden
Bij het exporteren naar Acrobat 4.0 (Adobe PDF 1.3) wordt een document met transparantie altijd afgevlakt, wat van invloed kan zijn op de
vormgeving van de transparante objecten in het document. Niet-transparante inhoud wordt alleen afgevlakt als Overdruk simuleren is geselecteerd
in het gedeelte Uitvoer van het dialoogvenster Adobe PDF exporteren. Wanneer u een InDesign-document met transparantie naar Adobe PDF
exporteert, moet u een van de volgende handelingen uitvoeren:
Kies zo mogelijk compatibiliteit met Acrobat 5.0 (Adobe PDF 1.4), Acrobat 6.0 (Adobe PDF 1.5) of Acrobat 7.0
(Adobe PDF 1.6) in het dialoogvenster Adobe PDF exporteren om transparantie in een dynamische en volledig bewerkbare
vorm te behouden. Vraag na of de serviceprovider bestanden van Acrobat 5.0, Acrobat 6.0 of Acrobat 7.0 kan verwerken.
Als uw werk compatibel met Acrobat 4.0 moet zijn terwijl het document steunkleuren bevat en u een PDF-bestand wilt maken
voor weergave op het scherm (zoals voor revisie door een klant), selecteert u de optie Overdruk simuleren in het gedeelte
Uitvoer van het dialoogvenster Adobe PDF exporteren. Met deze optie worden de gebieden met steunkleuren en
transparanties goed gesimuleerd. Ontvangers van het PDF-bestand hoeven de optie Voorvertoning overdruk in Acrobat niet te
selecteren om te zien hoe het document wordt afgedrukt. De optie Overdruk simuleren zet echter wel alle steunkleuren om
naar de equivalente proceskleuren in het PDF-bestand. U moet deze optie dus deselecteren wanneer u het definitieve PDF-
bestand gaat maken.
Gebruik de voorgedefinieerde voorinstelling [Drukperskwaliteit] voor Adobe PDF. Deze stijl bevat afvlakinstellingen die geschikt
zijn voor complexe documenten voor een uitvoer met hoge resolutie.
Overvullen
Bij afvlakken kunnen vectoren naar gerasterde gebieden worden omgezet. Overvullingen die met behulp van lijnen op illustraties in Adobe
Illustrator zijn toegepast en geplaatst in InDesign, worden behouden. Overvullingen die zijn toegepast op vectorillustraties die zijn getekend in
InDesign en worden gerasterd, blijven mogelijk niet behouden.
Als u zoveel mogelijk objecten wilt behouden als vectorobjecten, selecteert u de voorinstelling voor de transparantieafvlakker [Hoge resolutie] in het
gedeelte Geavanceerd van het dialoogvenster Afdrukken of Adobe PDF exporteren.
Meer Help-onderwerpen
Juridische kennisgevingen | Onlineprivacybeleid
Exporteren en publiceren
Bepaalde inhoud waarnaar op deze pagina wordt gelinkt, is mogelijk alleen in het Engels beschikbaar.
Bezig met exporteren
Naar boven
Naar boven
Naar boven
Tekst exporteren
Inhoud exporteren voor het web
Inhoud exporteren naar Dreamweaver (CS5)
Inhoud exporteren voor EPUB (CS5)
Inhoud exporteren naar Buzzword
Kleuren uit de bibliotheek met kleurenstalen voor het web gebruiken
Tekst exporteren
U kunt een InDesign-artikel in zijn geheel of gedeeltelijk opslaan in een bestandsindeling die later in andere toepassingen kan worden gelezen.
Elk artikel in een document wordt als een apart document geëxporteerd.
InDesign kan tekst naar diverse bestandsindelingen exporteren. Een lijst met deze indelingen vindt u in het dialoogvenster Exporteren. De
beschikbare bestandsindelingen worden door andere toepassingen gebruikt en nemen een groot gedeelte van de tekstkenmerken, inspringingen
en tabs in het document over.
U kunt secties met vaak gebruikte tekst en paginalayoutitems als fragmenten opslaan.
1. Klik met het gereedschap Tekst in het artikel dat u wilt exporteren.
2. Kies Bestand > Exporteren.
3. Geef een naam en locatie voor het geëxporteerde artikel op en selecteer een bestandsindeling bij Opslaan als type
(Windows) of Structuur (Mac OS).
Als er in de lijst geen bestandsindelingen voor de gewenste tekstverwerker staan, kunt u het document in een
bestandsindeling opslaan die door de toepassing kan worden geïmporteerd, zoals RTF. Ondersteunt de tekstverwerker geen
andere exportformaten van InDesign, dan moet u het bestand als een alleen-tekstbestand exporteren. Houd er dan wel
rekening mee dat alle tekenkenmerken uit de tekst worden verwijderd.
4. Klik op Opslaan om het artikel in de geselecteerde bestandsindeling te exporteren.
U behoudt de volledige opmaak door het exportfilter Tagged Text van Adobe InDesign te gebruiken. Bekijk voor meer informatie het bestand
Tagged Text op www.adobe.com/go/learn_id_taggedtext_cs5_nl (dit is een PDF-bestand).
Inhoud exporteren voor het web
Er zijn diverse opties voor het opnieuw gebruiken van InDesign-inhoud:
Dreamweaver (XHTML)Hiermee exporteert u een selectie of het gehele document naar een eenvoudig HTML-document zonder opmaak. U kunt
een koppeling maken naar afbeeldingen op een server of een aparte map voor afbeeldingen maken. U kunt vervolgens met een HTML-editor,
zoals Adobe Dreamweaver®, de inhoud voor het web opmaken. Zie Inhoud exporteren naar Dreamweaver (CS5).
Kopiëren en plakkenHiermee kopieert u tekst of afbeeldingen vanuit het InDesign-document en plakt u die in de HTML-editor.
Adobe PDFExporteer een document naar Adobe PDF en plaats de PDF op het web. De PDF kan interactieve elementen bevatten zoals films,
audioclips, knoppen en paginaovergangen. Zie Dynamische PDF-documenten.
Flash (SWF)Hiermee exporteert u naar een SWF-bestand dat direct in Flash Player of op het web kan worden weergegeven. Een SWF-bestand
kan knoppen, hyperlinks en paginaovergangen zoals Sluitereffect, Verspreiden en Pagina omslaan en krullen bevatten. Zie Interactieve SWF-
bestanden (Flash) maken voor het web.
Flash (FLA)Hiermee exporteert u naar een FLA-bestand dat kan worden bewerkt in Flash Professional. Zie FLA-bestanden maken voor het
web.
Digital Editions (EPUB)Exporteer een document of boek exporteren als een herplaatsbaar, op XHTML gebaseerd eBook dat compatibel is met
het leesprogramma Adobe Digital Editions. ZieInhoud exporteren voor EPUB (CS5).
XMLVoor een geavanceerd werkschema exporteert u de inhoud vanuit InDesign als een XML-bestand dat u daarna kunt importeren in een
HTML-editor zoals Dreamweaver. Zie Werken met XML.
Inhoud exporteren naar Dreamweaver (CS5)
Exporteren naar XHTML is een gemakkelijke manier om InDesign-inhoud geschikt voor het web te maken. Bij het exporteren van inhoud naar
XHTML, kunt u bepalen hoe de tekst en afbeeldingen worden geëxporteerd. InDesign behoudt de namen van de alinea-, teken-, object-, tabel- en
celopmaak die op de geëxporteerde tekst is toegepast door de XHTML-inhoud te markeren met CSS-stijlklassen met dezelfde naam. Met Adobe
Dreamweaver of elke andere CSS-geschikte HTML-editor kunt u snel opmaak en layoutbewerkingen in de inhoud aanbrengen.
Wat wordt geëxporteerd?InDesign exporteert alle artikelen, gekoppelde en ingesloten afbeeldingen, SWF-filmbestanden, voetnoten,
tekstvariabelen (als tekst), lijsten met opsommingstekens en genummerde lijsten en hyperlinks naar tekst of webpagina's. Tabellen wordt ook
geëxporteerd, maar bepaalde opmaak (zoals tabel- en cellijnen) wordt niet geëxporteerd. Aan tabellen worden unieke id's toegewezen, zodat
hiernaar kan worden verwezen als Spry-gegevenssets in Dreamweaver.
Wat wordt niet geëxporteerd?InDesign exporteert geen getekende objecten (zoals rechthoeken, ovalen en veelhoeken), filmbestanden (behalve
SWF-films), hyperlinks (behalve koppelingen naar webpagina's en hyperlinks die op tekst zijn toegepast en naar tekstankerpunten in hetzelfde
document gaan), geplakte objecten (waaronder geplakte Illustrator-afbeeldingen), tekst die is omgezet naar contouren, XML-labels, boeken,
bladwijzers, SING-glyphlets, paginaovergangen, indexmarkeringen, objecten op het plakbord die niet zijn geselecteerd en die de pagina niet raken,
of stramienpagina-items (tenzij deze vóór het exporteren worden overschreven of geselecteerd).
1. Als u niet het gehele document exporteert, selecteert u de tekstkaders, stukken tekst, tabelcellen of de afbeeldingen die u wilt
exporteren.
2. Kies Bestand > Exporteren voor > Dreamweaver.
3. Geef een naam en locatie voor het HTML-bestand op en klik op Opslaan.
4. Geef in het dialoogvenster XHTML-exportopties in de gebieden Algemeen, Afbeeldingen en Geavanceerd de gewenste opties
op en klik vervolgens op Exporteren.
Er wordt een document met de opgegeven naam en de extensie .html gemaakt (bijvoorbeeld "nieuwsbrief.html") en een submap met
webafbeeldingen (bijvoorbeeld "webafbeeldingen nieuwsbrief") wordt eventueel op dezelfde locatie opgeslagen.
XHTML-exportopties
Geef in het dialoogvenster XHTML (Bestand > Exporteren voor > Dreamweaver) de volgende opties op.
Algemene opties
In het gebied Algemeen staan de volgende opties.
ExporterenHiermee bepaalt u of alleen de geselecteerde items of het hele document wordt geëxporteerd. Als een tekstkader is geselecteerd,
wordt het volledige artikel, inclusief overlopende tekst, geëxporteerd.
Als Document is geselecteerd, worden alle pagina-items van alle spreads geëxporteerd, uitgezonderd de stramienpagina-items die niet zijn
overschreven en de pagina-items op onzichtbare lagen. XML-labels en gegenereerde indexen en inhoudsopgaven worden ook genegeerd.
OpsommingstekensSelecteer Toewijzen aan ongeordende lijsten als u een alinea met opsommingstekens wilt omzetten in lijstonderdelen die in
HTML zijn opgemaakt met het label <ul>. Selecteer Omzetten in tekst om opsommingstekens op te maken als tekst met behulp van het label <p>.
VolgordeGebruik de paginavolgorde of de XML-structuur om de leesvolgorde van de paginaobjecten te bepalen.
Wanneer u Baseren op paginalayout selecteert, bepaalt InDesign de leesvolgorde van de paginaobjecten door van links naar rechts en van boven
naar beneden te zoeken. Soms, en dan vooral bij complexe documenten met meerdere kolommen, staan de ontwerpelementen niet in de
gewenste leesvolgorde. Gebruik Dreamweaver om de inhoud anders te organiseren en op te maken.
Wanneer u Gelijk aan XML-structuur selecteert, bepaalt de XML-structuur de volgorde van de geëxporteerde inhoud en welke inhoud wordt
geëxporteerd. Als de inhoud al gelabeld is, kunt u de labels in het deelvenster XML-structuur slepen en op die manier de XHTML-
exporteervolgorde instellen. Als de inhoud niet gelabeld is, kunt u Niet-gelabelde items toevoegen kiezen in het menu van het deelvenster
Structuur om labels te genereren waarvan u de volgorde kunt aanpassen. Als u een bepaald item niet wilt exporteren, verwijdert u het
desbetreffende label in het deelvenster XML-structuur. (Als een label wordt verwijderd, wordt de inhoud van het INDD-bestand niet verwijderd.) Zie
Pagina-items labelen.
GetallenHiermee bepaalt u hoe getallen in het HTML-bestand worden omgezet.
Toewijzen aan geordende lijstenHiermee zet u genummerde lijsten om in lijstonderdelen die in HTML worden opgemaakt met het label
<ol>.
Toewijzen aan statische geordende lijstenHiermee zet u genummerde lijsten om in lijstonderdelen, maar wordt een kenmerk <value>
op basis van het huidige nummer van de alinea in InDesign toegewezen.
Omzetten in tekstHiermee zet u genummerde lijsten om in alinea's. De alinea's beginnen met het huidige nummer van de alinea dat als
tekst wordt weergegeven.
Afbeeldingsopties
Hiermee kunt u vanuit het menu Afbeeldingen kopiëren bepalen hoe afbeeldingen naar HTML worden geëxporteerd.
OrigineelHiermee exporteert u de originele afbeelding naar de submap met webafbeeldingen. Als deze optie is geselecteerd, worden alle andere
opties grijs weergegeven.
GeoptimaliseerdHiermee kunt u instellen hoe de afbeelding wordt geëxporteerd.
OpgemaaktHiermee wordt de opmaak van InDesign, zoals rotatie of schaal, zoveel mogelijk voor de webafbeeldingen behouden.
AfbeeldingsomzettingHiermee kunt u kiezen of de geoptimaliseerde afbeeldingen in het document worden omgezet in GIF of JPEG. Als
u Automatisch kiest, bepaalt InDesign per geval welke bestandsindeling moet worden gebruikt.
GIF-opties (Palet)Hiermee kunt u bepalen hoe de kleuren worden verwerkt bij het optimaliseren van GIF-bestanden. Bij de GIF-indeling
wordt een beperkt kleurenpalet met maximaal 256 kleuren gebruikt.
Kies Aangepast (geen dither) om een palet te maken met behulp van een representatief voorbeeld van kleuren in de afbeelding zonder
enige vorm van dithering (extra kleuren simuleren door kleine puntjes kleuren te mengen). Kies Web om een palet van webveilige kleuren
Naar boven
te maken. Deze kleuren zijn een subset van de systeemkleuren van Windows en Mac OS. Kies Systeem (Win) of Systeem (MacOS) om
met behulp van het ingebouwde kleurenpalet een palet te maken. Dit kan tot onverwachte resultaten leiden.
JPEG-opties (Kwaliteit afbeelding)Hiermee kunt u voor elke gemaakte JPEG-afbeelding een afweging maken tussen compressie (voor
kleinere bestanden) en kwaliteit van de afbeelding. Een lage resolutie levert het kleinste bestand op, maar resulteert ook in de slechtste
kwaliteit.
JPEG-opties (Indelingmethode)Hiermee kunt u bepalen hoe snel JPEG-afbeeldingen worden weergegeven wanneer het bestand met
de afbeelding op het web wordt geopend. Kies Progressief om de JPEG-afbeeldingen geleidelijk en steeds gedetailleerder te laten
weergeven als ze naar een webbrowser worden gedownload. (De bestanden die met deze optie worden gemaakt, zijn iets groter en
hebben meer RAM-geheugen nodig om te kunnen worden weergegeven.) Kies Basislijn als u de JPEG-afbeeldingen pas wilt laten
weergegeven wanneer ze helemaal zijn gedownload. Zolang het bestand niet is gedownload, wordt er een leeg vak weergegeven.
Koppeling naar serverpadMet deze optie kunt u een lokale URL (zoals "afbeeldingen/") vóór het afbeeldingsbestand invoeren en worden er
geen afbeeldingen naar een submap geëxporteerd. In de HTML-code geeft het koppelingskenmerk het pad en de extensie weer die u hebt
opgegeven. Deze optie is vooral effectief wanneer u zelf afbeeldingen in webcompatibele afbeeldingen omzet.
Opmerking: InDesign controleert niet het pad dat u opgeeft voor Java™-scripts, externe CSS-stijlen of afbeeldingsmappen. U kunt de paden
controleren met de HTML-editor.
Geavanceerde opties
Stel in het gebied Geavanceerd de CSS- en JavaScript-opties in.
CSS-optiesCascading Style Sheets (CSS) zijn een verzameling opmaakregels die de weergave van inhoud op een webpagina bepalen. Wanneer
u met CSS een pagina opmaakt, scheidt u de inhoud van de presentatie. De inhoud van de pagina, de HTML-code, staat in het HTML-bestand,
terwijl de CSS-regels die bepalen hoe de code wordt weergegeven, in een ander bestand (een extern stijlblad) of in het HTML-document
(doorgaans in de kopsectie) staan. U kunt voor geselecteerde tekst bijvoorbeeld verschillende tekengrootten opgeven en met CSS de opmaak en
plaatsing van blokelementen op een webpagina bepalen.
Ingesloten CSSBij het exporteren naar XHTML kunt u een lijst met CSS-stijlen maken die in de kopsectie van het HTML-bestand met
declaraties (kenmerken) wordt weergegeven.
Als u Inclusief stijldefinities selecteert, probeert InDesign de kenmerken van de InDesign-tekstopmaak te laten overeenkomen met CSS-
equivalenten. Als u deze optie niet selecteert, bevat het HTML-bestand lege declaraties. U kunt deze declaraties naderhand in bewerken
in Dreamweaver.
Als u Lokale overschrijvingen behouden selecteert, wordt lokale opmaak zoals cursief of vet in het bestand opgenomen.
Geen CSSSelecteer deze optie als u het CSS-gedeelte uit het HTML-bestand wilt weglaten.
Externe CSSHiermee kunt u de URL van het externe CSS-stijlblad opgeven. Deze URL is doorgaans een relatieve URL, zoals
“/styles/style.css”. Er wordt in InDesign niet gecontroleerd of de CSS bestaat of geldig is. Met Dreamweaver moet u dus de externe CSS-
instelling bevestigen.
JavaScript-optiesSelecteer Koppelen met extern JavaScript om een JavaScript uit te voeren wanneer de HTML-pagina wordt geopend. Geef de
URL van het JavaScript op. Deze URL is doorgaans een relatieve URL. Er wordt niet door InDesign gecontroleerd of het JavaScript bestaat of
geldig is.
Inhoud exporteren voor EPUB (CS5)
U kunt een document of boek exporteren als een herplaatsbaar eBook in EPUB-indeling dat compatibel is met het leesprogramma Adobe Digital
Editions.
1. Als u een document wilt exporteren, opent u het gewenste document en kiest u Bestand > Exporteren voor > EPUB.
2. Geef een bestandsnaam en -locatie op en klik op Opslaan.
3. Geef in het dialoogvenster Exportopties voor Digital Editions de gewenste opties op in de gebieden Algemeen, Afbeeldingen
en Inhoud en klik vervolgens op Exporteren.
InDesign maakt één EPUB-bestand dat de op XHTML gebaseerde inhoud bevat. Het geëxporteerde bestand bevat een miniatuur in JPEG-
indeling van de eerste pagina in het opgegeven document (of het stijlbrondocument wanneer een boek is geselecteerd). Deze miniatuur geeft het
boek aan in de bibliotheekweergave van Digital Editions Reader. U hebt de Digital Editions-software nodig om het bestand te kunnen weergeven.
Deze software kunt u gratis downloaden vanaf de website van Adobe.
Het EPUB-bestand is in feite een ZIP-bestand. Als u de inhoud van het EPUB-bestand wilt weergeven en bewerken, wijzigt u de extensie van
.epub in .zip en pakt u het ZIP-bestand uit. Dit is vooral handig als u het CSS-bestand wilt bewerken.
Bronnen voor EPUB
Voor een lijst van EPUB-artikelen en -bronnen gaat u naar www.adobe.com/go/learn_id_epub_nl.
Op www.idpf.org vindt u meer informatie over de EPUB-indeling.
Via www.adobe.com/nl/products/digitaleditions kunt u een gratis exemplaar van het Digital Editions-leesprogramma downloaden.
Het blog Digital Editions bevat informatie over Digital Editions.
Voor informatie over het exporteren naar Kindle raadpleegt u de whitepaper over InDesign en Kindle.
Exportopties voor Digital Editions - Algemeen
Het gedeelte Algemeen van het dialoogvenster Exportopties voor Digital Editions bevat de volgende opties.
Inclusief metagegevens van documentDe metagegevens van het document (of het stijlbrondocument wanneer een boek is geselecteerd)
worden opgenomen in het geëxporteerde bestand.
Invoer van uitgever toevoegenGeef de informatie over de uitgever op die u in de metagegevens van het eBook wilt opnemen. U kunt
desgewenst een URL voor de uitgever opgeven waarmee de ontvanger van het eBook de website kan bezoeken en het eBook kan kopen.
Unieke idVoor elk EPUB-document is een unieke id vereist. U kunt het unieke id-kenmerk zelf opgeven. Als u dit veld leeg laat, wordt
automatisch een unieke id gegenereerd.
LeesvolgordeAls u Baseren op paginalayout selecteert, wordt de leesvolgorde van de pagina-items in het EPUB-bestand bepaald door de
locatie van de items op de pagina. InDesign leest van links naar rechts en van boven naar beneden. Als u meer controle over de leesvolgorde wilt
hebben, gebruikt u het deelvenster XML-labels om de pagina-items te labelen. Als u Gelijk aan XML-structuur selecteert, wordt de leesvolgorde
bepaald door de volgorde van de labels in de structuurweergave. Zie Pagina-items labelen.
OpsommingstekensSelecteer Toewijzen aan ongeordende lijsten als u een alinea met opsommingstekens wilt omzetten in lijstonderdelen die in
HTML zijn opgemaakt met het label <ul>. Selecteer Omzetten in tekst om opsommingstekens op te maken als tekst met behulp van het label <p>.
GetallenHiermee bepaalt u hoe getallen in het HTML-bestand worden omgezet.
Toewijzen aan geordende lijstenHiermee zet u genummerde lijsten om in lijstonderdelen die in HTML worden opgemaakt met het label
<ol>.
Toewijzen aan statische geordende lijstenHiermee zet u genummerde lijsten om in lijstonderdelen, maar wordt een kenmerk <value>
op basis van het huidige nummer van de alinea in InDesign toegewezen.
Omzetten in tekstHiermee zet u genummerde lijsten om in alinea's. De alinea's beginnen met het huidige nummer van de alinea dat als
tekst wordt weergegeven.
EPUB tonen na exportHiermee start u het leesprogramma Adobe Digital Editions, indien geïnstalleerd. Als op uw systeem geen leesprogramma
is geconfigureerd voor het weergeven van EPUB-documenten, wordt er een waarschuwingsbericht weergegeven.
Exportopties voor Digital Editions -Afbeeldingen
Het gedeelte Afbeelding van het dialoogvenster EPUB-exportopties bevat de volgende opties. Vanuit het menu Afbeeldingsomzetting bepaalt u
hoe afbeeldingen naar HTML worden geëxporteerd.
OpgemaaktHiermee wordt de opmaak van InDesign, zoals rotatie of schaal, zoveel mogelijk voor de webafbeeldingen behouden.
AfbeeldingsomzettingHiermee kunt u kiezen of de geoptimaliseerde afbeeldingen in het document worden omgezet in GIF of JPEG. Als u
Automatisch kiest, bepaalt InDesign per geval welke bestandsindeling moet worden gebruikt.
GIF-opties (Palet)Hiermee kunt u bepalen hoe de kleuren worden verwerkt bij het optimaliseren van GIF-bestanden. Bij de GIF-indeling wordt
een beperkt kleurenpalet met maximaal 256 kleuren gebruikt.
Kies Aangepast (geen dither) om een palet te maken met behulp van een representatief voorbeeld van kleuren in de afbeelding zonder enige vorm
van dithering (extra kleuren simuleren door kleine puntjes kleuren te mengen). Kies Web om een palet van webveilige kleuren te maken. Deze
kleuren zijn een subset van de systeemkleuren van Windows en Mac OS. Kies Systeem (Win) of Systeem (Mac) om met behulp van het
ingebouwde kleurenpalet een palet te maken. Dit kan tot onverwachte resultaten leiden.
Selecteer Interliniëren om een langzaam geladen afbeelding weer te geven, waarbij ontbrekende lijnen geleidelijk worden ingevuld. Als u deze
optie niet selecteert, ziet een afbeelding er wazig uit en wordt deze geleidelijk aan gedetailleerder weergegeven naarmate de volledige resolutie
wordt bereikt.
JPEG-opties (Kwaliteit afbeelding)Hiermee kunt u voor elke gemaakte JPEG-afbeelding een afweging maken tussen compressie (voor kleinere
bestanden) en kwaliteit van de afbeelding. Een lage resolutie levert het kleinste bestand op, maar resulteert ook in de slechtste kwaliteit.
JPEG-opties (Indelingmethode)Hiermee kunt u bepalen hoe snel JPEG-afbeeldingen worden weergegeven wanneer het bestand met de
afbeelding op het web wordt geopend. Kies Progressief om de JPEG-afbeeldingen geleidelijk en steeds gedetailleerder te laten weergeven als ze
naar een webbrowser worden gedownload. (De bestanden die met deze optie worden gemaakt, zijn iets groter en hebben meer RAM-geheugen
nodig om te kunnen worden weergegeven.) Kies Basislijn als u de JPEG-afbeeldingen pas wilt laten weergegeven wanneer ze helemaal zijn
gedownload. Zolang het bestand niet is gedownload, wordt er een leeg vak weergegeven.
Exportopties voor Digital Editions - Inhoud
Het gedeelte Inhoud van het dialoogvenster Exportopties voor Digital Editions bevat de volgende opties.
Indeling voor EPUB-inhoudHiermee kunt u aangeven of u de XHTML- of DTBook-indeling wilt gebruiken.
Inhoudsopgave-items uit InDesign opnemenSelecteer deze optie als u links van het eBook een inhoudsopgave wilt genereren. Geef in het
menu Stijl van inhoudsopgave de stijl op die u voor de inhoudsopgave voor het eBook wilt gebruiken. Kies Layout > Stijlen van inhoudsopgave als
u een speciale stijl voor de inhoudsopgave van uw eBook wilt maken.
Automatische items voor documenten onderdrukkenSelecteer deze optie als u geen documentnamen in de inhoudsopgave van het eBook
wilt weergeven. Deze optie is vooral handig als u een boek omzet in een eBook.
Items op eerste niveau gebruiken als hoofdstukeindenSelecteer deze optie als u het eBook in meerdere bestanden wilt splitsen, waarbij elk
bestand begint met het inhoudsopgave-item op het eerste niveau. Als een inhoudsbestand groter is dan 260 kB, wordt een nieuw hoofdstuk
gestart aan het begin van een alinea tussen items op het eerste niveau om te voorkomen dat de limiet van 300 kB wordt bereikt.
CSS genererenCascading Style Sheets (CSS) zijn een verzameling opmaakregels die de weergave van inhoud op een webpagina bepalen.
Wanneer u met CSS een pagina opmaakt, scheidt u de inhoud van de presentatie.
Naar boven
Naar boven
Inclusief stijldefinitiesBij het exporteren naar EPUB kunt u een lijst met CSS-stijlen maken die u kunt bewerken.
Lokale overschrijvingen behoudenAls u deze optie selecteert, wordt lokale opmaak zoals cursief of vet in het bestand opgenomen.
Inclusief lettertypen die kunnen worden ingeslotenMet deze optie worden alle toegestane lettertypen in het eBook ingesloten.
Lettertypen bevatten insluitingsbits die bepalen of het lettertype insluitbaar is.
Alleen stijlnamenSelecteer deze optie als u uitsluitend niet-gedefinieerde stijlnamen in het EPUB-opmaakmodel wilt opnemen.
Bestaand CSS-bestand gebruikenHiermee kunt u de URL van het externe CSS-stijlblad opgeven. Deze URL is doorgaans een relatieve URL,
zoals “/styles/style.css”. Er wordt in InDesign niet gecontroleerd of de CSS bestaat of geldig is; u moet dus de externe CSS-instelling bevestigen.
Inhoud exporteren naar Buzzword
Buzzword is een op het web gebaseerde teksteditor waarin gebruikers tekstbestanden op een webserver kunnen maken en opslaan. Wanneer u
een artikel exporteert naar Buzzword, maakt u een tekstbestand op de Buzzword-server.
1. Selecteer tekst of plaats het invoegpunt in een tekstkader dat deel uitmaakt van het artikel dat u wilt exporteren.
2. Ga op een van de volgende manieren te werk:
Kies in InDesign Bestand > Exporteren voor Buzzword.
Kies in InCopy Bestand > Exporteren naar Buzzword.
3. Als u zich nog niet hebt aangemeld bij CS Live, klikt u op Sign In (Aanmelden), geeft u uw e-mailadres en wachtwoord op en
klikt u nogmaals op Sign In.
4. Geef in het dialoogvenster Artikel exporteren voor Buzzword de naam op van het Buzzword-document dat moet worden
gemaakt en klik vervolgens op OK.
Het Buzzword-document wordt geopend op Acrobat.com. Vervolgens kunt u het document verplaatsen naar een andere werkruimte en met
anderen delen.
Kleuren uit de bibliotheek met kleurenstalen voor het web gebruiken
InDesign beschikt over een bibliotheek met kleurenstalen. In deze bibliotheek, Web genaamd, staan de kleuren waarmee tekst en afbeeldingen in
webpagina's worden weergegeven in de meeste webbrowsers. De 216 kleuren in deze bibliotheek worden vaak webveilige kleuren genoemd en
worden op alle platforms consistent weergegeven, omdat deze kleuren een subset zijn van de kleuren die zowel in Windows als in Mac OS worden
gebruikt door browsers. De webveilige kleuren in InDesign zijn dezelfde kleuren als de kleuren in het webveilige kleurenpalet van Adobe
Photoshop en het browserveilige kleurenpalet van Adobe Illustrator.
Elke kleur in de bibliotheek wordt aangeduid met de RGB-waarden. De hexadecimale code van elke kleur, waarmee HTML de kleur definieert, ligt
opgeslagen in het kleurenstaal.
1. Kies Nieuw kleurenstaal in het menu van het deelvenster Stalen.
2. Kies Web bij Kleurmodus.
3. Selecteer de webveilige kleur en klik op OK.
Meer Help-onderwerpen
Inhoud toevoegen aan pagina's
Pagina's maken met CSS
Juridische kennisgevingen | Onlineprivacybeleid
Inhoud exporteren voor EPUB | CS6
Naar boven
Naar boven
Opmerking:
Naar boven
Versie
EPUB 2.0.1
Overzicht
Exporteren naar EPUB
EPUB-exportopties
EPUB-opties - Algemeen
EPUB-opties - Afbeelding
EPUB-opties - Geavanceerd
Bronnen voor EPUB
Overzicht
Voordat u uw layout naar EPUB exporteert, kunt u een aantal fijne kneepjes aanbrengen om ervoor te zorgen dat deze goed wordt uitgevoerd.
Verankerde afbeeldingen toevoegen - Veranker afbeeldingen in tekstflows zodat u de positie ten opzichte van de
geëxporteerde tekst kunt bepalen. Zie Verankerde objecten.
Exportopties voor objecten - Geef exportopties voor geplaatste objecten op. Zie Exportopties voor objecten.
Stijlen toewijzen om labels te exporteren - Wijs stijlen voor tekens en alinea's toe aan HTML-labels en -klassen. Zie Stijlen
toewijzen om labels te exporteren.
Inhoud en volgorde kiezen - Gebruik het deelvenster Artikelen om de inhoud en volgorde te kiezen waarin het moet worden
weergegeven. Zie Artikelen. U kunt inhoud ook ordenen op basis van paginaopmaak of op basis van de XML-structuur.
Exporteren naar EPUB
U kunt een document of boek exporteren als een herplaatsbaar eBook in de EPUB-indeling, die compatibel is met software voor e-readers.
1. Ga op een van de volgende manieren te werk:
Open het document en kies Bestand > Exporteren.
Open een boek en kies de optie Boek exporteren naar EPUB in het deelvenstermenu Boek.
2. Geef een bestandsnaam en locatie op.
3. Kies EPUB in de lijst Opslaan als en klik vervolgens op Opslaan.
4. Geef in het dialoogvenster EPUB-exportopties de gewenste opties op in de gebieden Algemeen, Afbeelding en Geavanceerd.
InDesign maakt één EPUB-bestand dat de op XHTML gebaseerde inhoud bevat. Indien gespecificeerd kan het geëxporteerde bestand voorzien
zijn van een omslagafbeelding. De omslagafbeelding wordt gemaakt van een bestaande afbeelding of van een JPEG-miniatuurafbeelding op de
eerste pagina van het gespecificeerde document (of het stijlbrondocument als u een boek hebt geselecteerd). De miniatuurweergave wordt
gebruikt om het boek aan te geven in de EPUB-lezers of de bibliotheekweergave van Digital Editions Reader. U hebt een EPUB-lezer nodig om
het bestand weer te geven. U kunt ook de Adobe Digital Editions-software gebruiken die u gratis kunt downloaden van de Adobe-website.
Het EPUB-bestand is in feite een ZIP-bestand. Om de inhoud van een EPUB-bestand weer te geven en te bewerken, dient u de extensie
.epub te wijzigen in .zip en het bestand vervolgens uit te pakken. Dit is vooral handig als u het CSS-bestand wilt bewerken.
InDesign-objecten zoals vormen, lijnen, tekstkaders en objecten die geplaatste afbeeldingen bevatten, worden altijd geëxporteerd
wanneer u de optie Gebaseerd op pagina-layout onder Volgorde selecteert. Lege objecten worden niet geëxporteerd tenzij u een instelling op het
InDesign-object via de Exportopties voor object hebt toegepast om het object te exporteren als JPEG, GIF of PNG.
EPUB-exportopties
EPUB-opties - Algemeen
Het gedeelte Algemeen van het dialoogvenster EPUB-exportopties bevat de volgende opties.
Geef een versie op voor EPUB.
EPUB 2.0.1 is een standaard die is goedgekeurd door IDPF in 2007. Deze indeling wordt ondersteund op allerlei apparaten.
EPUB 3.0
EPUB 3.0 met layout
Omslag
Geen
Eerste pagina rasteren
Afbeelding kiezen
Stijl van inhoudsopgave
Marges
Inhoudsvolgorde
Gebaseerd op paginalayout
Hetzelfde als XML-structuur
Hetzelfde als het deelvenster Artikelen
Voetnoot plaatsen na alinea
Geforceerde regeleinden verwijderen
Opsommingstekens
Getallen
Toewijzen aan geordende lijsten
Toewijzen aan statische geordende lijsten
Omzetten in tekst
EPUB tonen na export
Weergave van layout behouden
Resolutie (ppi)
EPUB 3.0 is een standaard die is goedgekeurd door IDPF in 2011. Deze indeling ondersteunt ook audio, video, javascript en
verticale Japanse tekst. De nieuwe functies werken echter niet op readers en en apparaten die de EPUB 3.0-standaard niet ondersteunen.
Dit is een experimentele indeling die door Adobe Systems wordt gemaakt. De indeling ondersteunt meerdere
kolommen, tekstomloop en andere besturingselementen, zodat uw layouts er op alle layouts goed uitzien. Deze functie werkt alleen met
specifieke viewertechnologieën.
Hiermee geeft u de afbeelding voor het voorblad van het eBook op. Kies een van de volgende mogelijkheden:
Als u deze optie selecteert, wordt er geen afbeelding als voorblad aan het eBook toegevoegd.
Als u deze optie selecteert, wordt er van de eerste pagina van het eBook een afbeeldingsbestand gemaakt dat
als voorblad wordt gebruikt.
Als u deze optie selecteert, kunt u een afbeelding op uw computer opgeven om als voorblad te gebruiken.
Selecteer deze optie als u een inhoudsopgave wilt genereren op basis van de geselecteerde inhoudsopgavestijl. Kies in
het menu voor inhoudsopgavestijl de stijl die u wilt gebruiken om de inhoudsopgave van het eBook te maken. Kies Layout > Stijlen van
inhoudsopgave als u een speciale stijl voor de inhoudsopgave van uw eBook wilt maken.
Hiermee geeft u een eenvoudige marge in Ems of pixels op. Voor de compatibiliteit tussen meerdere schermen is het beter om marges in
Ems op te geven. Dezelfde waarde wordt op alle marges toegepast: boven, onder, links en rechts.
De volgorde opgeven waarin pagina-elementen worden geëxporteerd
De leesvolgorde wordt bepaald door de locatie van de items op de pagina.
Wanneer u Baseren op paginalayout selecteert, bepaalt InDesign de leesvolgorde van de paginaobjecten door van links naar rechts en
van boven naar beneden te zoeken. In sommige gevallen, met name bij complexe documenten met meerdere kolommen, worden de
ontwerpelementen mogelijk niet in de gewenste leesvolgorde weergegeven. Gebruik Dreamweaver om de inhoud anders te organiseren en
op te maken.
Als Gebaseerd op pagina-layout is geselecteerd, bepaalt InDesign de leesvolgorde van de paginaobjecten volgens de binding van het
document (van links naar rechts of van rechts naar links). In sommige gevallen, vooral bij complexe documenten met meerdere
kolommen, worden de geëxporteerde ontwerpelementen mogelijk niet in de gewenste leesvolgorde weergegeven. Gebruik Dreamweaver
om de inhoud anders te organiseren en op te maken.
De leesvolgorde wordt bepaald door de volgorde van de labels in de structuurweergave. Zie Pagina-items
labelen.
De leesvolgorde wordt bepaald door de volgorde van elementen in het deelvenster Artikelen.
Alleen de geselecteerde artikelen worden geëxporteerd. Zie Artikelen opnemen voor export.
Schakel dit selectievakje in als u voetnoten na de alinea wilt plaatsen. Indien deze optie is uitgeschakeld, worden
voetnoten omgezet in eindnoten.
Schakel dit selectievakje in als u alle geforceerde regeleinden in het geëxporteerde eBook wilt
verwijderen.
Selecteer Toewijzen aan ongeordende lijsten als u een alinea met opsommingstekens wilt omzetten in lijstonderdelen die in
HTML zijn opgemaakt met het label <ul>. Selecteer Omzetten in tekst om opsommingstekens op te maken als tekst met behulp van het label <p>.
Als u de automatische opsommingstekens van InDesign hebt gebruikt, worden de onderliggende opsommingstekens ook ingevoegd.
Hiermee bepaalt u hoe getallen in het HTML-bestand worden omgezet. Als u de automatische nummering van InDesign hebt gebruikt,
worden de onderliggende nummeropsommingstekens ook ingevoegd.
Hiermee zet u genummerde lijsten om in lijstonderdelen die in HTML worden opgemaakt met het label
<ol>.
Hiermee zet u genummerde lijsten om in lijstonderdelen, maar wordt een kenmerk <value>
op basis van het huidige nummer van de alinea in InDesign toegewezen.
Hiermee zet u genummerde lijsten om in alinea's. De alinea's beginnen met het huidige nummer van de alinea dat als
tekst wordt weergegeven.
Hiermee start u het leesprogramma Adobe Digital Editions, indien geïnstalleerd.
EPUB-exportopties - Afbeelding
Het gedeelte Afbeelding van het dialoogvenster EPUB-exportopties bevat de volgende opties. Vanuit het menu Afbeeldingsomzetting bepaalt u
hoe afbeeldingen naar HTML worden geëxporteerd.
Schakel dit selectievakje in als u de afbeeldingsobjectkenmerken van de layout wilt behouden.
Geef hier de resolutie van de afbeeldingen in pixels per inch (ppi) op. Besturingssystemen hebben standaard een resolutie van
Afbeeldingsgrootte
Afbeeldingen - uitlijning en tussenruimten
Pagina-einde invoegen
Instellingen toepassen op verankerde objecten
Afbeeldingsomzetting
GIF-opties (Palet)
JPEG-opties (Kwaliteit afbeelding)
JPEG-opties (Indelingmethode)
Exportinstellingen van object negeren
Gesplitst document
Inclusief metagegevens van document
Uitgever
Unieke id
CSS-opties
Inclusief stijldefinities
Lokale overschrijvingen behouden
Inclusief lettertypen die kunnen worden ingesloten
Stijlpagina toevoegen
Script toevoegen
72 ppi of 96 ppi, terwijl de resolutie van mobiele apparatuur varieert van 132 ppi (iPad) en 172 ppi (Sony Reader) tot zelfs meer dan 300 ppi
(iPhone 4). U kunt voor elk geselecteerd object een ppi-waarde opgeven. De waarden zijn 72, 96, 150 (gemiddelde voor alle huidige eBook-
apparaten) en 300.
Hiermee kunt u aangeven of de afbeeldingsgrootte vast blijft staan of moet worden aangepast ten opzichte van de pagina.
Met Ten opzichte van pagina stelt u een relatief percentage in op basis van de grootte van de afbeelding ten opzichte van de breedte van de
InDesign-pagina. Door deze optie worden de afbeeldingen proportioneel geschaald ten opzichte van de breedte van het leesgebied.
Hiermee kunt u de uitlijning van de afbeelding instellen op links, midden en rechts en de
tussenruimte vóór en na instellen.
Schakel dit selectievakje in als u pagina-einden samen met afbeeldingen wilt invoegen. U kunt pagina-einden vóór, na,
of vóór en na de afbeelding invoegen.
Schakel dit selectievakje in als u deze instellingen op alle verankerde objecten wilt toepassen.
Hiermee kunt u kiezen of de geoptimaliseerde afbeeldingen in het document worden omgezet in GIF, JPEG of PNG. Als u
Automatisch kiest, bepaalt InDesign per geval welke bestandsindeling moet worden gebruikt. Als u PNG kiest, worden de compressie-instellingen
van de afbeelding uitgeschakeld;gebruik PNG voor afbeeldingen zonder gegevensverlies of voor afbeeldingen die transparantie bevatten.
Hiermee kunt u bepalen hoe de kleuren worden verwerkt bij het optimaliseren van GIF-bestanden. Bij de GIF-indeling wordt
een beperkt kleurenpalet met maximaal 256 kleuren gebruikt.
Kies Aangepast (geen dither) om een palet te maken met behulp van een representatief voorbeeld van kleuren in de afbeelding zonder enige vorm
van dithering (extra kleuren simuleren door kleine puntjes kleuren te mengen). Kies Web om een palet van webveilige kleuren te maken. Deze
kleuren zijn een subset van de systeemkleuren van Windows en Mac OS. Kies Systeem (Win) of Systeem (Mac) om met behulp van het
ingebouwde kleurenpalet een palet te maken. Dit kan tot onverwachte resultaten leiden.
Selecteer Interliniëren om de afbeeldingen te laden door ontbrekende lijnen geleidelijk in te vullen. Als u deze optie niet selecteert, ziet een
afbeelding er wazig uit en wordt deze geleidelijk aan gedetailleerder weergegeven naarmate de volledige resolutie wordt bereikt.
Hiermee kunt u voor elke gemaakte JPEG-afbeelding een afweging maken tussen compressie (voor kleinere
bestanden) en kwaliteit van de afbeelding. Een lage resolutie levert het kleinste bestand op, maar resulteert ook in de slechtste kwaliteit.
Hiermee kunt u bepalen hoe snel JPEG-afbeeldingen worden weergegeven wanneer het bestand met de
afbeelding op het web wordt geopend. Kies Progressief om de JPEG-afbeeldingen geleidelijk en steeds gedetailleerder te laten weergeven als ze
naar een webbrowser worden gedownload. (De bestanden die met deze optie worden gemaakt, zijn iets groter en hebben meer RAM-geheugen
nodig om te kunnen worden weergegeven.) Selecteer Basislijn om elk JPEG-bestand pas weer te geven nadat het is gedownload; er verschijnt
een plaatsaanduiding totdat het uiteindelijke bestand wordt weergegeven.
Hiermee worden de Exportopties voor object die op afzonderlijke afbeeldingen zijn toegepast,
genegeerd. Zie Exportopties voor object toepassen.
Geavanceerde EPUB-opties
Het gedeelte Inhoud van het dialoogvenster EPUB-exportopties bevat de volgende opties.
U kunt het eBook splitsen bij de opgegeven alineastijl. Door het eBook te splitsen, zal het EPUB-pakket een groter aantal
HTML-bestanden bevatten. Deze optie kan echter handig zijn voor het opsplitsen van grote bestanden en u verbetert hiermee de prestaties van
de EPUB-leesprogramma's.
De metagegevens van het document (of het stijlbrondocument wanneer een boek is geselecteerd)
worden opgenomen in het geëxporteerde bestand.
Geef de informatie over de uitgever op die u in de metagegevens van het eBook wilt opnemen. U kunt desgewenst een URL
voor de uitgever opgeven waarmee de ontvanger van het eBook de website kan bezoeken.
Voor elk EPUB-document is een unieke id vereist. Er wordt automatisch een unieke id gemaakt en weergegeven.U kunt deze
verwijderen en een unieke id opgeven.
Cascading Style Sheets (CSS) zijn een verzameling opmaakregels die de weergave van inhoud op een webpagina bepalen.
Wanneer u met CSS een pagina opmaakt, scheidt u de inhoud van de presentatie.
Bij het exporteren naar EPUB kunt u een lijst met CSS-stijlen maken die u kunt bewerken.
Als u deze optie selecteert, wordt lokale opmaak zoals cursief of vet in het bestand opgenomen.
Hiermee worden alle lettertypen die kunnen worden ingesloten, opgenomen in het
eBook. De lettertypen bevatten insluitgegevens die bepalen of het lettertype kan worden ingesloten.
Hiermee kunt u de URL van het externe CSS-stijlblad opgeven. Deze URL is doorgaans een relatieve URL, zoals
“/styles/style.css”. Er wordt in InDesign niet gecontroleerd of de CSS bestaat of geldig is; u moet dus de externe CSS-instelling bevestigen.
Geef de URL op van een bestaand JavaScript. InDesign controleert niet of het JavaScript bestaat of geldig is, dus wilt u uw
JavaScript-instelling bevestigen.
De voorwaarden van Creative Commons zijn niet van toepassing op Twitter™- en Facebook-berichten.
Juridische kennisgevingen | Onlineprivacybeleid
Naar boven
Bronnen voor EPUB
Gebruik de volgende koppelingen om meer te weten te komen over de EPUB-indeling.
Voor een lijst met epub-artikelen en -bronnen gaat u naar www.adobe.com/go/learn_id_epub_nl.
Op www.idpf.org vindt u meer informatie over de EPUB-indeling.
Via www.adobe.com/nl/products/digitaleditions kunt u een gratis exemplaar van het Digital Editions-leesprogramma
downloaden.
Het blog Digital Editions bevat informatie over Digital Editions.
Voor informatie over het exporteren naar Kindle raadpleegt u de whitepaper over InDesign en Kindle.
Leer hoe u uw InDesign-bestanden omzet in de EPUB-indeling en verkoop uw eBooks voor weergave op de Apple iPad. Zie
de whitepaper over InDesign en iPad.
Inhoud exporteren voor EPUB | CS5.5
Opmerking:
Naar boven
Naar boven
Inclusief metagegevens van document
Invoer van uitgever toevoegen
Unieke id
Bronnen voor EPUB
EPUB-exportopties - Algemeen
EPUB-exportopties - Afbeelding
EPUB-exportopties - Inhoud
U kunt een document of boek exporteren als een herplaatsbaar eBook in EPUB-indeling die compatibel is met het leesprogramma Adobe Digital
Editions en met andere eBook-leesprogramma's.
1. Ga op een van de volgende manieren te werk:
Open het document en kies Bestand > Exporteren.
Open een boek en kies de optie Boek exporteren naar EPUB in het deelvenstermenu Boek.
2. Geef een bestandsnaam en locatie op.
3. Kies EPUB in de lijst Opslaan als en klik vervolgens op Opslaan.
4. Geef in het dialoogvenster EPUB-exportopties de gewenste opties op in de gebieden Algemeen, Afbeelding en Inhoud.
InDesign maakt één EPUB-bestand dat de op XHTML gebaseerde inhoud bevat. Indien gespecificeerd kan het geëxporteerde bestand voorzien
zijn van een omslagafbeelding. De omslagafbeelding wordt gemaakt van een bestaande afbeelding of van een JPEG-miniatuurafbeelding op de
eerste pagina van het gespecificeerde document (of het stijlbrondocument als u een boek hebt geselecteerd). De miniatuurweergave wordt
gebruikt om het boek aan te geven in de EPUB-lezers of de bibliotheekweergave van Digital Editions Reader. U hebt een EPUB-lezer nodig om
het bestand weer te geven. U kunt ook de Adobe Digital Editions-software gebruiken die u gratis kunt downloaden van de Adobe-website.
Het EPUB-bestand is in feite een ZIP-bestand. Om de inhoud van een EPUB-bestand weer te geven en te bewerken, dient u de extensie
.epub te wijzigen in .zip en het bestand vervolgens uit te pakken. Dit is vooral handig als u het CSS-bestand wilt bewerken.
InDesign-objecten zoals vormen, lijnen, tekstkaders en objecten die geplaatste afbeeldingen bevatten, worden altijd geëxporteerd
wanneer u de optie Gebaseerd op pagina-layout onder Volgorde selecteert. Lege objecten worden niet geëxporteerd tenzij u een instelling op het
InDesign-object via de Exportopties voor object hebt toegepast om het object te exporteren als JPEG, GIF of PNG.
Bronnen voor EPUB
Gebruik de volgende koppelingen om meer te weten te komen over de EPUB-indeling.
Voor een lijst met epub-artikelen en -bronnen gaat u naar www.adobe.com/go/learn_id_epub_nl.
Op www.idpf.org vindt u meer informatie over de EPUB-indeling.
Via www.adobe.com/nl/products/digitaleditions kunt u een gratis exemplaar van het Digital Editions-leesprogramma
downloaden.
Het blog Digital Editions bevat informatie over Digital Editions.
Voor informatie over het exporteren naar Kindle raadpleegt u de whitepaper over InDesign en Kindle.
Leer hoe u uw InDesign-bestanden omzet in de EPUB-indeling en verkoop uw eBooks voor weergave op de Apple iPad. Zie
de whitepaper over InDesign en iPad.
EPUB-exportopties - Algemeen
Het gedeelte Algemeen van het dialoogvenster EPUB-exportopties bevat de volgende opties.
De metagegevens van het document (of het stijlbrondocument wanneer een boek is geselecteerd)
worden opgenomen in het geëxporteerde bestand.
Geef de informatie over de uitgever op die u in de metagegevens van het eBook wilt opnemen. U kunt
desgewenst een URL voor de uitgever opgeven waarmee de ontvanger van het eBook de website kan bezoeken.
Voor elk EPUB-document is een unieke id vereist. U kunt het unieke id-kenmerk zelf opgeven. Als u dit veld leeg laat, wordt
Voorblad van EPUB
Geen afbeelding op voorblad
Eerste pagina rasteren
Bestaand afbeeldingsbestand gebruiken
Volgorde
Boekmarge
Opsommingstekens
Getallen
Toewijzen aan geordende lijsten
Toewijzen aan statische geordende lijsten
Omzetten in tekst
EPUB tonen na export
Naar boven
Weergave van layout behouden
Resolutie (ppi)
Afbeeldingsgrootte
Afbeeldingen - uitlijning en tussenruimten
Pagina-einde invoegen
automatisch een unieke id gegenereerd.
Hiermee geeft u de afbeelding voor het voorblad van het eBook op. Kies een van de volgende mogelijkheden:
Als u deze optie selecteert, wordt er geen afbeelding als voorblad aan het eBook toegevoegd.
Als u deze optie selecteert, wordt er van de eerste pagina van het eBook een afbeeldingsbestand gemaakt dat
als voorblad wordt gebruikt.
Als u deze optie selecteert, kunt u een afbeelding op uw computer opgeven om als voorblad
te gebruiken.
Hiermee geeft u de volgorde op waarin de pagina-elementen worden geëxporteerd.
Gebaseerd op pagina-layout
De leesvolgorde wordt bepaald door de locatie van de items op de pagina.
Wanneer u Baseren op paginalayout selecteert, bepaalt InDesign de leesvolgorde van de paginaobjecten door van links naar rechts en van boven
naar beneden te zoeken. In sommige gevallen, met name bij complexe documenten met meerdere kolommen, worden de ontwerpelementen
mogelijk niet in de gewenste leesvolgorde weergegeven. Gebruik Dreamweaver om de inhoud anders te organiseren en op te maken.
Als Gebaseerd op pagina-layout is geselecteerd, bepaalt InDesign de leesvolgorde van de paginaobjecten volgens de binding van het document
(van links naar rechts of van rechts naar links). In sommige gevallen, vooral bij complexe documenten met meerdere kolommen, worden de
geëxporteerde ontwerpelementen mogelijk niet in de gewenste leesvolgorde weergegeven. Gebruik Dreamweaver om de inhoud anders te
organiseren en op te maken.
Hetzelfde als XML-structuur
De leesvolgorde wordt bepaald door de volgorde van de labels in de structuurweergave. Zie Pagina-items labelen.
Hetzelfde als deelvenster Artikelen
De leesvolgorde wordt bepaald door de volgorde van elementen in het deelvenster Artikelen. Alleen de geselecteerde artikelen worden
geëxporteerd. Zie Artikelen opnemen voor export.
Hiermee geeft u een eenvoudige marge in Ems of pixels op. Voor de compatibiliteit tussen meerdere schermen is het beter om
marges in Ems op te geven. Dezelfde waarde wordt op alle marges toegepast: boven, onder, links en rechts.
Selecteer Toewijzen aan ongeordende lijsten als u een alinea met opsommingstekens wilt omzetten in lijstonderdelen die in
HTML zijn opgemaakt met het label <ul>. Selecteer Omzetten in tekst om opsommingstekens op te maken als tekst met behulp van het label <p>.
Als u de automatische opsommingstekens van InDesign hebt gebruikt, worden de onderliggende opsommingstekens ook ingevoegd.
Hiermee bepaalt u hoe getallen in het HTML-bestand worden omgezet. Als u de automatische nummering van InDesign hebt gebruikt,
worden de onderliggende nummeropsommingstekens ook ingevoegd.
Hiermee zet u genummerde lijsten om in lijstonderdelen die in HTML worden opgemaakt met het label
<ol>.
Hiermee zet u genummerde lijsten om in lijstonderdelen, maar wordt een kenmerk <value>
op basis van het huidige nummer van de alinea in InDesign toegewezen.
Hiermee zet u genummerde lijsten om in alinea's. De alinea's beginnen met het huidige nummer van de alinea dat als
tekst wordt weergegeven.
Hiermee start u het leesprogramma Adobe Digital Editions, indien geïnstalleerd.
EPUB-exportopties - Afbeelding
Het gedeelte Afbeelding van het dialoogvenster EPUB-exportopties bevat de volgende opties. Vanuit het menu Afbeeldingsomzetting bepaalt u
hoe afbeeldingen naar HTML worden geëxporteerd.
Schakel dit selectievakje in als u de afbeeldingsobjectkenmerken van de layout wilt behouden.
Geef hier de resolutie van de afbeeldingen in pixels per inch (ppi) op. Besturingssystemen hebben standaard een resolutie van
72 ppi of 96 ppi, terwijl de resolutie van mobiele apparatuur varieert van 132 ppi (iPad) en 172 ppi (Sony Reader) tot zelfs meer dan 300 ppi
(iPhone 4). U kunt voor elk geselecteerd object een ppi-waarde opgeven. De waarden zijn 72, 96, 150 (gemiddelde voor alle huidige eBook-
apparaten) en 300.
Hiermee kunt u aangeven of de afbeeldingsgrootte vast blijft staan of moet worden aangepast ten opzichte van de pagina.
Met Ten opzichte van pagina stelt u een relatief percentage in op basis van de grootte van de afbeelding ten opzichte van de breedte van de
InDesign-pagina. Door deze optie worden de afbeeldingen proportioneel geschaald ten opzichte van de breedte van het leesgebied.
Hiermee kunt u de uitlijning van de afbeelding instellen op links, midden en rechts en de
tussenruimte vóór en na instellen.
Schakel dit selectievakje in als u pagina-einden samen met afbeeldingen wilt invoegen. U kunt pagina-einden vóór, na,
De voorwaarden van Creative Commons zijn niet van toepassing op Twitter™- en Facebook-berichten.
Juridische kennisgevingen | Onlineprivacybeleid
Instellingen toepassen op verankerde objecten
Afbeeldingsomzetting
GIF-opties (Palet)
JPEG-opties (Kwaliteit afbeelding)
JPEG-opties (Indelingmethode)
Exportinstellingen van object negeren
Naar boven
Indeling voor EPUB-inhoud
Inhoudsopgave van stijl gebruiken
Document onderbreken bij alineastijl
Voetnoot plaatsen na alinea
Geforceerde regeleinden verwijderen
CSS genereren
Inclusief stijldefinities
Lokale overschrijvingen behouden
Inclusief lettertypen die kunnen worden ingesloten
Alleen stijlnamen
Bestaand CSS-bestand gebruiken
of vóór en na de afbeelding invoegen.
Schakel dit selectievakje in als u deze instellingen op alle verankerde objecten wilt toepassen.
Hiermee kunt u kiezen of de geoptimaliseerde afbeeldingen in het document worden omgezet in GIF, JPEG of PNG. Als u
Automatisch kiest, bepaalt InDesign per geval welke bestandsindeling moet worden gebruikt. Als u PNG kiest, worden de compressie-instellingen
van de afbeelding uitgeschakeld;gebruik PNG voor afbeeldingen zonder gegevensverlies of voor afbeeldingen die transparantie bevatten.
Hiermee kunt u bepalen hoe de kleuren worden verwerkt bij het optimaliseren van GIF-bestanden. Bij de GIF-indeling wordt
een beperkt kleurenpalet met maximaal 256 kleuren gebruikt.
Kies Aangepast (geen dither) om een palet te maken met behulp van een representatief voorbeeld van kleuren in de afbeelding zonder enige vorm
van dithering (extra kleuren simuleren door kleine puntjes kleuren te mengen). Kies Web om een palet van webveilige kleuren te maken. Deze
kleuren zijn een subset van de systeemkleuren van Windows en Mac OS. Kies Systeem (Win) of Systeem (Mac) om met behulp van het
ingebouwde kleurenpalet een palet te maken. Dit kan tot onverwachte resultaten leiden.
Selecteer Interliniëren om de afbeeldingen te laden door ontbrekende lijnen geleidelijk in te vullen. Als u deze optie niet selecteert, ziet een
afbeelding er wazig uit en wordt deze geleidelijk aan gedetailleerder weergegeven naarmate de volledige resolutie wordt bereikt.
Hiermee kunt u voor elke gemaakte JPEG-afbeelding een afweging maken tussen compressie (voor kleinere
bestanden) en kwaliteit van de afbeelding. Een lage resolutie levert het kleinste bestand op, maar resulteert ook in de slechtste kwaliteit.
Hiermee kunt u bepalen hoe snel JPEG-afbeeldingen worden weergegeven wanneer het bestand met de
afbeelding op het web wordt geopend. Kies Progressief om de JPEG-afbeeldingen geleidelijk en steeds gedetailleerder te laten weergeven als ze
naar een webbrowser worden gedownload. (De bestanden die met deze optie worden gemaakt, zijn iets groter en hebben meer RAM-geheugen
nodig om te kunnen worden weergegeven.) Selecteer Basislijn om elk JPEG-bestand pas weer te geven nadat het is gedownload; er verschijnt
een plaatsaanduiding totdat het uiteindelijke bestand wordt weergegeven.
Hiermee worden de Exportopties voor object die op afzonderlijke afbeeldingen zijn toegepast,
genegeerd. Zie Exportopties voor object toepassen.
EPUB-exportopties - Inhoud
Het gedeelte Inhoud van het dialoogvenster EPUB-exportopties bevat de volgende opties.
Hiermee kunt u aangeven of u de XHTML- of DTBook-indeling wilt gebruiken. DTBook is een speciale indeling die
bedoeld is voor slechtziende eindgebruikers.
Selecteer deze optie als u een inhoudsopgave wilt genereren op basis van de geselecteerde
inhoudsopgavestijl. Kies in het menu voor inhoudsopgavestijl de stijl die u wilt gebruiken om de inhoudsopgave van het eBook te maken. Kies
Layout > Stijlen van inhoudsopgave als u een speciale stijl voor de inhoudsopgave van uw eBook wilt maken.
U kunt het eBook splitsen bij de opgegeven alineastijl. Door het eBook te splitsen, zal het EPUB-pakket
een groter aantal HTML-bestanden bevatten. Deze optie kan echter handig zijn voor het opsplitsen van grote bestanden en u verbetert hiermee
de prestaties van de EPUB-leesprogramma's.
Schakel dit selectievakje in als u voetnoten na de alinea wilt plaatsen. Indien deze optie is uitgeschakeld, worden
voetnoten omgezet in eindnoten.
Schakel dit selectievakje in als u alle geforceerde regeleinden in het geëxporteerde eBook wilt
verwijderen.
Cascading Style Sheets (CSS) zijn een verzameling opmaakregels die de weergave van inhoud op een webpagina bepalen.
Wanneer u met CSS een pagina opmaakt, scheidt u de inhoud van de presentatie.
Bij het exporteren naar EPUB kunt u een lijst met CSS-stijlen maken die u kunt bewerken.
Als u deze optie selecteert, wordt lokale opmaak zoals cursief of vet in het bestand opgenomen.
Hiermee worden alle lettertypen die kunnen worden ingesloten, opgenomen in het
eBook. Lettertypen hebben insluitgegevens die bepalen of een lettertype al dan niet kan worden ingesloten.
Hiermee worden alleen ongedefinieerde stijlnamen opgenomen in de EPUB-stijlpagina.
Hiermee kunt u de URL van het externe CSS-stijlblad opgeven. Deze URL is doorgaans een relatieve URL,
zoals “/styles/style.css”. Er wordt in InDesign niet gecontroleerd of de CSS bestaat of geldig is; u moet dus de externe CSS-instelling bevestigen.
Inhoud exporteren naar HTML | CS6 & CS5.5
Wat wordt geëxporteerd?
Wat wordt niet geëxporteerd?
Exporteren
Inhoudsvolgorde/Ordenen
Exporteren naar HTML is een gemakkelijke manier om InDesign-inhoud geschikt voor het web te maken. Bij het exporteren van inhoud naar
HTML, kunt u bepalen hoe de tekst en afbeeldingen worden geëxporteerd. InDesign behoudt de namen van de alinea-, teken-, object-, tabel- en
celopmaak die op de geëxporteerde inhoud is toegepast door de HTML-inhoud te markeren met CSS-stijlklassen met dezelfde naam. Met Adobe
Dreamweaver of elke andere CSS-geschikte HTML-editor kunt u snel opmaak en layoutbewerkingen in de inhoud aanbrengen.
InDesign exporteert alle artikelen, gekoppelde en ingesloten afbeeldingen, SWF-filmbestanden, voetnoten,
tekstvariabelen (als tekst), lijsten met opsommingstekens en genummerde lijsten en hyperlinks naar tekst of webpagina's. Tabellen wordt ook
geëxporteerd, maar bepaalde opmaak (zoals tabel- en cellijnen) wordt niet geëxporteerd. Aan tabellen worden unieke id's toegewezen, zodat
hiernaar kan worden verwezen als Spry-gegevenssets in Dreamweaver. Geplaatste audio- en h.264-videobestanden worden in de HTML5-labels
<audio> en <video> ingesloten.
InDesign exporteert geen getekende objecten (zoals rechthoeken, ovalen en veelhoeken), hyperlinks (behalve
koppelingen naar webpagina's en hyperlinks die op tekst zijn toegepast en naar tekstankerpunten in hetzelfde document gaan), geplakte objecten
(waaronder geplakte Illustrator-afbeeldingen), tekst die is omgezet naar contouren, XML-labels, boeken, bladwijzers, SING-glyphlets,
paginaovergangen, indexmarkeringen, objecten op het plakbord die niet zijn geselecteerd en die de pagina niet raken, of stramienpagina-items
(tenzij deze vóór het exporteren worden overschreven of geselecteerd).
1. Als u niet het gehele document exporteert, selecteert u de tekstkaders, stukken tekst, tabelcellen of de afbeeldingen die u wilt
exporteren.
2. Kies Bestand > Exporteren en selecteer HTML in de lijst Opslaan als type (Windows) of opmaak (Mac).
3. Geef een naam en locatie voor het HTML-bestand op en klik op Opslaan.
4. Geef in het dialoogvenster HTML-exportopties in de gebieden Algemeen, Afbeelding en Geavanceerd de gewenste opties op
en klik vervolgens op OK.
Er wordt een document met de opgegeven naam en de extensie .html gemaakt (bijvoorbeeld "nieuwsbrief.html") en een submap met
webafbeeldingen (bijvoorbeeld "webafbeeldingen nieuwsbrief") wordt eventueel op dezelfde locatie opgeslagen.
HTML-exportopties
Geef in het dialoogvenster HTML de volgende opties op.
Algemene opties
In het gebied Algemeen staan de volgende opties.
Hiermee bepaalt u of alleen de geselecteerde items of het hele document wordt geëxporteerd. Als een tekstkader is geselecteerd,
wordt het volledige artikel, inclusief overlopende tekst, geëxporteerd.
Als Document is geselecteerd, worden alle pagina-items van alle spreads geëxporteerd, uitgezonderd de stramienpagina-items die niet zijn
overschreven en de pagina-items op onzichtbare lagen. XML-labels en gegenereerde indexen en inhoudsopgaven worden ook genegeerd.
Hiermee kunt u de leesvolgorde van paginaobjecten opgeven.
Gebaseerd op paginalayout
De leesvolgorde wordt bepaald door de locatie van de items op de pagina.
Wanneer u Gebaseerd op paginalayout selecteert, bepaalt InDesign de leesvolgorde van de paginaobjecten door van links naar rechts en
van boven naar beneden te zoeken. Soms, en dan vooral bij complexe documenten met meerdere kolommen, staan de ontwerpelementen
niet in de gewenste leesvolgorde. Gebruik Dreamweaver om de inhoud anders te organiseren en op te maken.
(Alleen Aziatische versies) Wanneer u Gebaseerd op paginalayout selecteert, bepaalt InDesign de leesvolgorde van de paginaobjecten
volgens de richting van het document (van links naar rechts of van rechts naar links). In sommige gevallen, vooral bij complexe
documenten met meerdere kolommen, worden de geëxporteerde ontwerpelementen mogelijk niet in de gewenste leesvolgorde
weergegeven. Gebruik Dreamweaver om de inhoud anders te organiseren en op te maken.
Hetzelfde als XML-structuur
Wanneer u Gelijk aan XML-structuur selecteert, bepaalt de XML-structuur de volgorde van de geëxporteerde inhoud en welke inhoud wordt
geëxporteerd. Als de inhoud al gelabeld is, kunt u de labels in het deelvenster XML-structuur slepen en op die manier de XHTML-
exporteervolgorde instellen. Als de inhoud niet gelabeld is, kunt u Niet-gelabelde items toevoegen kiezen in het menu van het deelvenster
Structuur om labels te genereren waarvan u de volgorde kunt aanpassen. Als u een bepaald item niet wilt exporteren, verwijdert u het
desbetreffende label in het deelvenster XML-structuur. (Als een label wordt verwijderd, wordt de inhoud van het INDD-bestand niet
verwijderd.) Zie Pagina-items labelen.
Hetzelfde als deelvenster Artikelen
De leesvolgorde wordt bepaald door de volgorde van elementen in het deelvenster Artikelen. Alleen de geselecteerde artikelen worden
geëxporteerd. Zie Artikelen opnemen voor export.
Marge
Opsommingstekens
Getallen
Toewijzen aan geordende lijsten
Toewijzen aan statische geordende lijsten
Omzetten in tekst
HTML tonen na export
Afbeeldingen kopiëren
Origineel
Geoptimaliseerd
Koppeling naar serverpad
Weergave van layout behouden
Resolutie (ppi)
Afbeeldingsgrootte
Afbeeldingen - uitlijning en tussenruimten
Instellingen toepassen op verankerde objecten
Afbeeldingsomzetting
GIF-opties (Palet)
JPEG-opties (Kwaliteit afbeelding)
JPEG-opties (Indelingmethode)
Exportinstellingen van object negeren
Hiermee geeft u een eenvoudige marge in Ems of pixels op. Voor de compatibiliteit tussen meerdere schermen is het beter om marges in
Ems op te geven. Dezelfde waarde wordt op alle marges toegepast: boven, onder, links en rechts.
Selecteer Toewijzen aan ongeordende lijsten als u een alinea met opsommingstekens wilt omzetten in lijstonderdelen die in
HTML zijn opgemaakt met het label <ul>. Selecteer Omzetten in tekst om opsommingstekens op te maken als tekst met behulp van het label <p>.
Als u automatische opsommingstekens van InDesign hebt gebruikt, worden onderliggende opsommingstekens ook opgenomen.
Hiermee bepaalt u hoe getallen in het HTML-bestand worden omgezet. Als u autonummering van InDesign hebt gebruikt, worden
onderliggende opsommingstekens ook opgenomen.
Hiermee zet u genummerde lijsten om in lijstonderdelen die in HTML worden opgemaakt met het label
<ol>.
Hiermee zet u genummerde lijsten om in lijstonderdelen, maar wordt een kenmerk <value>
op basis van het huidige nummer van de alinea in InDesign toegewezen.
Hiermee zet u genummerde lijsten om in alinea's. De alinea's beginnen met het huidige nummer van de alinea dat als
tekst wordt weergegeven.
Hiermee wordt, indien aanwezig, de browser gestart.
Afbeeldingsopties
Geef op hoe afbeeldingen worden geëxporteerd naar HTML.
Hiermee wordt de oorspronkelijke afbeelding naar de submap <document_name>-web-images geëxporteerd. Als deze optie is
geselecteerd, worden alle andere opties grijs weergegeven.
Hiermee kunt u instellen hoe de afbeelding wordt geëxporteerd.
Met deze optie kunt u een lokale URL (zoals "afbeeldingen/") vóór het afbeeldingsbestand invoeren en
worden er geen afbeeldingen naar een submap geëxporteerd. In de HTML-code geeft het koppelingskenmerk het pad en de extensie
weer die u hebt opgegeven. Deze optie is vooral effectief wanneer u zelf afbeeldingen in webcompatibele afbeeldingen omzet.
Schakel dit selectievakje in als u de afbeeldingsobjectkenmerken van de layout wilt behouden.
Geef hier de resolutie van de afbeeldingen in pixels per inch (ppi) op. Besturingssystemen hebben standaard een resolutie van
72 ppi of 96 ppi, terwijl de resolutie van mobiele apparatuur varieert van 132 ppi (iPad) en 172 ppi (Sony Reader) tot zelfs meer dan 300 ppi
(iPhone 4). U kunt voor elk geselecteerd object een ppi-waarde opgeven. De beschikbare waarden zijn 72, 96, 150 (gemiddelde waarde voor alle
huidige eBook-apparaten) en 300.
Hiermee kunt u aangeven of de afbeeldingsgrootte vast blijft staan of moet worden aangepast ten opzichte van de pagina.
Met Ten opzichte van pagina stelt u een relatief percentage in op basis van de grootte van de afbeelding ten opzichte van de breedte van de
InDesign-pagina. Door deze optie worden de afbeeldingen proportioneel geschaald ten opzichte van de breedte van het leesgebied.
Hiermee kunt u de uitlijning van de afbeelding instellen op links, midden en rechts en de
tussenruimte vóór en na instellen.
Schakel dit selectievakje in als u deze instellingen op alle verankerde objecten wilt toepassen.
Hiermee kunt u kiezen of de geoptimaliseerde afbeeldingen in het document worden omgezet in GIF, JPEG of PNG. Als u
Automatisch kiest, bepaalt InDesign per geval welke bestandsindeling moet worden gebruikt. Als u PNG kiest, worden de compressie-instellingen
van de afbeelding uitgeschakeld;gebruik PNG voor afbeeldingen zonder gegevensverlies of voor afbeeldingen die transparantie bevatten.
Hiermee kunt u bepalen hoe de kleuren worden verwerkt bij het optimaliseren van GIF-bestanden. Bij de GIF-indeling wordt
een beperkt kleurenpalet met maximaal 256 kleuren gebruikt.
Kies Aangepast (geen dither) om een palet te maken met behulp van een representatief voorbeeld van kleuren in de afbeelding zonder enige vorm
van dithering (extra kleuren simuleren door kleine puntjes kleuren te mengen). Kies Web om een palet van webveilige kleuren te maken. Deze
kleuren zijn een subset van de systeemkleuren van Windows en Mac OS. Kies Systeem (Win) of Systeem (Mac) om met behulp van het
ingebouwde kleurenpalet een palet te maken. Dit kan tot onverwachte resultaten leiden.
Selecteer Interliniëren om de afbeeldingen te laden door ontbrekende lijnen geleidelijk in te vullen. Als u deze optie niet selecteert, ziet een
afbeelding er wazig uit en wordt deze geleidelijk aan gedetailleerder weergegeven naarmate de volledige resolutie wordt bereikt.
Hiermee kunt u voor elke gemaakte JPEG-afbeelding een afweging maken tussen compressie (voor kleinere
bestanden) en kwaliteit van de afbeelding. Een lage resolutie levert het kleinste bestand op, maar resulteert ook in de slechtste kwaliteit.
Hiermee kunt u bepalen hoe snel JPEG-afbeeldingen worden weergegeven wanneer het bestand met de
afbeelding op het web wordt geopend. Kies Progressief om de JPEG-afbeeldingen geleidelijk en steeds gedetailleerder te laten weergeven als ze
naar een webbrowser worden gedownload. (De bestanden die met deze optie worden gemaakt, zijn iets groter en hebben meer RAM-geheugen
nodig om te kunnen worden weergegeven.) Kies Basislijn als u de JPEG-afbeeldingen pas wilt laten weergegeven wanneer ze helemaal zijn
gedownload. Zolang het bestand niet is gedownload, wordt er een leeg vak weergegeven.
Hiermee worden de Exportopties voor object die op afzonderlijke afbeeldingen zijn toegepast,
De voorwaarden van Creative Commons zijn niet van toepassing op Twitter™- en Facebook-berichten.
Juridische kennisgevingen | Onlineprivacybeleid
CSS-opties
Ingesloten CSS
Geen CSS
Externe CSS
JavaScript-opties
genegeerd. Zie Exportopties voor object toepassen.
Geavanceerde opties
Stel in het gebied Geavanceerd de CSS- en JavaScript-opties in.
Cascading Style Sheets (CSS) zijn een verzameling opmaakregels die de weergave van inhoud op een webpagina bepalen.
Wanneer u met CSS een pagina opmaakt, scheidt u de inhoud van de presentatie. De inhoud van de pagina, de HTML-code, staat in het HTML-
bestand, terwijl de CSS-regels die bepalen hoe de code wordt weergegeven, in een ander bestand (een extern stijlblad) of in het HTML-document
(doorgaans in de kopsectie) staan. U kunt voor geselecteerde tekst bijvoorbeeld verschillende tekengrootten opgeven en met CSS de opmaak en
plaatsing van blokelementen op een webpagina bepalen.
Bij het exporteren naar XHTML kunt u een lijst met CSS-stijlen maken die in de kopsectie van het HTML-bestand met
declaraties (kenmerken) wordt weergegeven.
Als u Inclusief stijldefinities selecteert, probeert InDesign de kenmerken van de InDesign-tekstopmaak te laten overeenkomen met CSS-
equivalenten. Als u deze optie niet selecteert, bevat het HTML-bestand lege declaraties. U kunt deze declaraties naderhand in bewerken
in Dreamweaver.
Als u Lokale overschrijvingen behouden selecteert, wordt lokale opmaak zoals cursief of vet in het bestand opgenomen.
Selecteer deze optie als u het CSS-gedeelte uit het HTML-bestand wilt weglaten.
Hiermee kunt u de URL van het externe CSS-stijlblad opgeven. Deze URL is doorgaans een relatieve URL, zoals
“/styles/style.css”. Er wordt in InDesign niet gecontroleerd of de CSS bestaat of geldig is. Met Dreamweaver moet u dus de externe CSS-
instelling bevestigen.
Selecteer Koppelen met extern JavaScript om een JavaScript uit te voeren wanneer de HTML-pagina wordt geopend. Geef de
URL van het JavaScript op. Deze URL is doorgaans een relatieve URL. Er wordt niet door InDesign gecontroleerd of het JavaScript bestaat of
geldig is.
Inhoud exporteren naar HTML | CS6 & CS5.5
Wat wordt geëxporteerd?
Wat wordt niet geëxporteerd?
Exporteren
Inhoudsvolgorde/Ordenen
Exporteren naar HTML is een gemakkelijke manier om InDesign-inhoud geschikt voor het web te maken. Bij het exporteren van inhoud naar
HTML, kunt u bepalen hoe de tekst en afbeeldingen worden geëxporteerd. InDesign behoudt de namen van de alinea-, teken-, object-, tabel- en
celopmaak die op de geëxporteerde inhoud is toegepast door de HTML-inhoud te markeren met CSS-stijlklassen met dezelfde naam. Met Adobe
Dreamweaver of elke andere CSS-geschikte HTML-editor kunt u snel opmaak en layoutbewerkingen in de inhoud aanbrengen.
InDesign exporteert alle artikelen, gekoppelde en ingesloten afbeeldingen, SWF-filmbestanden, voetnoten,
tekstvariabelen (als tekst), lijsten met opsommingstekens en genummerde lijsten en hyperlinks naar tekst of webpagina's. Tabellen wordt ook
geëxporteerd, maar bepaalde opmaak (zoals tabel- en cellijnen) wordt niet geëxporteerd. Aan tabellen worden unieke id's toegewezen, zodat
hiernaar kan worden verwezen als Spry-gegevenssets in Dreamweaver. Geplaatste audio- en h.264-videobestanden worden in de HTML5-labels
<audio> en <video> ingesloten.
InDesign exporteert geen getekende objecten (zoals rechthoeken, ovalen en veelhoeken), hyperlinks (behalve
koppelingen naar webpagina's en hyperlinks die op tekst zijn toegepast en naar tekstankerpunten in hetzelfde document gaan), geplakte objecten
(waaronder geplakte Illustrator-afbeeldingen), tekst die is omgezet naar contouren, XML-labels, boeken, bladwijzers, SING-glyphlets,
paginaovergangen, indexmarkeringen, objecten op het plakbord die niet zijn geselecteerd en die de pagina niet raken, of stramienpagina-items
(tenzij deze vóór het exporteren worden overschreven of geselecteerd).
1. Als u niet het gehele document exporteert, selecteert u de tekstkaders, stukken tekst, tabelcellen of de afbeeldingen die u wilt
exporteren.
2. Kies Bestand > Exporteren en selecteer HTML in de lijst Opslaan als type (Windows) of opmaak (Mac).
3. Geef een naam en locatie voor het HTML-bestand op en klik op Opslaan.
4. Geef in het dialoogvenster HTML-exportopties in de gebieden Algemeen, Afbeelding en Geavanceerd de gewenste opties op
en klik vervolgens op OK.
Er wordt een document met de opgegeven naam en de extensie .html gemaakt (bijvoorbeeld "nieuwsbrief.html") en een submap met
webafbeeldingen (bijvoorbeeld "webafbeeldingen nieuwsbrief") wordt eventueel op dezelfde locatie opgeslagen.
HTML-exportopties
Geef in het dialoogvenster HTML de volgende opties op.
Algemene opties
In het gebied Algemeen staan de volgende opties.
Hiermee bepaalt u of alleen de geselecteerde items of het hele document wordt geëxporteerd. Als een tekstkader is geselecteerd,
wordt het volledige artikel, inclusief overlopende tekst, geëxporteerd.
Als Document is geselecteerd, worden alle pagina-items van alle spreads geëxporteerd, uitgezonderd de stramienpagina-items die niet zijn
overschreven en de pagina-items op onzichtbare lagen. XML-labels en gegenereerde indexen en inhoudsopgaven worden ook genegeerd.
Hiermee kunt u de leesvolgorde van paginaobjecten opgeven.
Gebaseerd op paginalayout
De leesvolgorde wordt bepaald door de locatie van de items op de pagina.
Wanneer u Gebaseerd op paginalayout selecteert, bepaalt InDesign de leesvolgorde van de paginaobjecten door van links naar rechts en
van boven naar beneden te zoeken. Soms, en dan vooral bij complexe documenten met meerdere kolommen, staan de ontwerpelementen
niet in de gewenste leesvolgorde. Gebruik Dreamweaver om de inhoud anders te organiseren en op te maken.
(Alleen Aziatische versies) Wanneer u Gebaseerd op paginalayout selecteert, bepaalt InDesign de leesvolgorde van de paginaobjecten
volgens de richting van het document (van links naar rechts of van rechts naar links). In sommige gevallen, vooral bij complexe
documenten met meerdere kolommen, worden de geëxporteerde ontwerpelementen mogelijk niet in de gewenste leesvolgorde
weergegeven. Gebruik Dreamweaver om de inhoud anders te organiseren en op te maken.
Hetzelfde als XML-structuur
Wanneer u Gelijk aan XML-structuur selecteert, bepaalt de XML-structuur de volgorde van de geëxporteerde inhoud en welke inhoud wordt
geëxporteerd. Als de inhoud al gelabeld is, kunt u de labels in het deelvenster XML-structuur slepen en op die manier de XHTML-
exporteervolgorde instellen. Als de inhoud niet gelabeld is, kunt u Niet-gelabelde items toevoegen kiezen in het menu van het deelvenster
Structuur om labels te genereren waarvan u de volgorde kunt aanpassen. Als u een bepaald item niet wilt exporteren, verwijdert u het
desbetreffende label in het deelvenster XML-structuur. (Als een label wordt verwijderd, wordt de inhoud van het INDD-bestand niet
verwijderd.) Zie Pagina-items labelen.
Hetzelfde als deelvenster Artikelen
De leesvolgorde wordt bepaald door de volgorde van elementen in het deelvenster Artikelen. Alleen de geselecteerde artikelen worden
geëxporteerd. Zie Artikelen opnemen voor export.
Marge
Opsommingstekens
Getallen
Toewijzen aan geordende lijsten
Toewijzen aan statische geordende lijsten
Omzetten in tekst
HTML tonen na export
Afbeeldingen kopiëren
Origineel
Geoptimaliseerd
Koppeling naar serverpad
Weergave van layout behouden
Resolutie (ppi)
Afbeeldingsgrootte
Afbeeldingen - uitlijning en tussenruimten
Instellingen toepassen op verankerde objecten
Afbeeldingsomzetting
GIF-opties (Palet)
JPEG-opties (Kwaliteit afbeelding)
JPEG-opties (Indelingmethode)
Exportinstellingen van object negeren
Hiermee geeft u een eenvoudige marge in Ems of pixels op. Voor de compatibiliteit tussen meerdere schermen is het beter om marges in
Ems op te geven. Dezelfde waarde wordt op alle marges toegepast: boven, onder, links en rechts.
Selecteer Toewijzen aan ongeordende lijsten als u een alinea met opsommingstekens wilt omzetten in lijstonderdelen die in
HTML zijn opgemaakt met het label <ul>. Selecteer Omzetten in tekst om opsommingstekens op te maken als tekst met behulp van het label <p>.
Als u automatische opsommingstekens van InDesign hebt gebruikt, worden onderliggende opsommingstekens ook opgenomen.
Hiermee bepaalt u hoe getallen in het HTML-bestand worden omgezet. Als u autonummering van InDesign hebt gebruikt, worden
onderliggende opsommingstekens ook opgenomen.
Hiermee zet u genummerde lijsten om in lijstonderdelen die in HTML worden opgemaakt met het label
<ol>.
Hiermee zet u genummerde lijsten om in lijstonderdelen, maar wordt een kenmerk <value>
op basis van het huidige nummer van de alinea in InDesign toegewezen.
Hiermee zet u genummerde lijsten om in alinea's. De alinea's beginnen met het huidige nummer van de alinea dat als
tekst wordt weergegeven.
Hiermee wordt, indien aanwezig, de browser gestart.
Afbeeldingsopties
Geef op hoe afbeeldingen worden geëxporteerd naar HTML.
Hiermee wordt de oorspronkelijke afbeelding naar de submap <document_name>-web-images geëxporteerd. Als deze optie is
geselecteerd, worden alle andere opties grijs weergegeven.
Hiermee kunt u instellen hoe de afbeelding wordt geëxporteerd.
Met deze optie kunt u een lokale URL (zoals "afbeeldingen/") vóór het afbeeldingsbestand invoeren en
worden er geen afbeeldingen naar een submap geëxporteerd. In de HTML-code geeft het koppelingskenmerk het pad en de extensie
weer die u hebt opgegeven. Deze optie is vooral effectief wanneer u zelf afbeeldingen in webcompatibele afbeeldingen omzet.
Schakel dit selectievakje in als u de afbeeldingsobjectkenmerken van de layout wilt behouden.
Geef hier de resolutie van de afbeeldingen in pixels per inch (ppi) op. Besturingssystemen hebben standaard een resolutie van
72 ppi of 96 ppi, terwijl de resolutie van mobiele apparatuur varieert van 132 ppi (iPad) en 172 ppi (Sony Reader) tot zelfs meer dan 300 ppi
(iPhone 4). U kunt voor elk geselecteerd object een ppi-waarde opgeven. De beschikbare waarden zijn 72, 96, 150 (gemiddelde waarde voor alle
huidige eBook-apparaten) en 300.
Hiermee kunt u aangeven of de afbeeldingsgrootte vast blijft staan of moet worden aangepast ten opzichte van de pagina.
Met Ten opzichte van pagina stelt u een relatief percentage in op basis van de grootte van de afbeelding ten opzichte van de breedte van de
InDesign-pagina. Door deze optie worden de afbeeldingen proportioneel geschaald ten opzichte van de breedte van het leesgebied.
Hiermee kunt u de uitlijning van de afbeelding instellen op links, midden en rechts en de
tussenruimte vóór en na instellen.
Schakel dit selectievakje in als u deze instellingen op alle verankerde objecten wilt toepassen.
Hiermee kunt u kiezen of de geoptimaliseerde afbeeldingen in het document worden omgezet in GIF, JPEG of PNG. Als u
Automatisch kiest, bepaalt InDesign per geval welke bestandsindeling moet worden gebruikt. Als u PNG kiest, worden de compressie-instellingen
van de afbeelding uitgeschakeld;gebruik PNG voor afbeeldingen zonder gegevensverlies of voor afbeeldingen die transparantie bevatten.
Hiermee kunt u bepalen hoe de kleuren worden verwerkt bij het optimaliseren van GIF-bestanden. Bij de GIF-indeling wordt
een beperkt kleurenpalet met maximaal 256 kleuren gebruikt.
Kies Aangepast (geen dither) om een palet te maken met behulp van een representatief voorbeeld van kleuren in de afbeelding zonder enige vorm
van dithering (extra kleuren simuleren door kleine puntjes kleuren te mengen). Kies Web om een palet van webveilige kleuren te maken. Deze
kleuren zijn een subset van de systeemkleuren van Windows en Mac OS. Kies Systeem (Win) of Systeem (Mac) om met behulp van het
ingebouwde kleurenpalet een palet te maken. Dit kan tot onverwachte resultaten leiden.
Selecteer Interliniëren om de afbeeldingen te laden door ontbrekende lijnen geleidelijk in te vullen. Als u deze optie niet selecteert, ziet een
afbeelding er wazig uit en wordt deze geleidelijk aan gedetailleerder weergegeven naarmate de volledige resolutie wordt bereikt.
Hiermee kunt u voor elke gemaakte JPEG-afbeelding een afweging maken tussen compressie (voor kleinere
bestanden) en kwaliteit van de afbeelding. Een lage resolutie levert het kleinste bestand op, maar resulteert ook in de slechtste kwaliteit.
Hiermee kunt u bepalen hoe snel JPEG-afbeeldingen worden weergegeven wanneer het bestand met de
afbeelding op het web wordt geopend. Kies Progressief om de JPEG-afbeeldingen geleidelijk en steeds gedetailleerder te laten weergeven als ze
naar een webbrowser worden gedownload. (De bestanden die met deze optie worden gemaakt, zijn iets groter en hebben meer RAM-geheugen
nodig om te kunnen worden weergegeven.) Kies Basislijn als u de JPEG-afbeeldingen pas wilt laten weergegeven wanneer ze helemaal zijn
gedownload. Zolang het bestand niet is gedownload, wordt er een leeg vak weergegeven.
Hiermee worden de Exportopties voor object die op afzonderlijke afbeeldingen zijn toegepast,
De voorwaarden van Creative Commons zijn niet van toepassing op Twitter™- en Facebook-berichten.
Juridische kennisgevingen | Onlineprivacybeleid
CSS-opties
Ingesloten CSS
Geen CSS
Externe CSS
JavaScript-opties
genegeerd. Zie Exportopties voor object toepassen.
Geavanceerde opties
Stel in het gebied Geavanceerd de CSS- en JavaScript-opties in.
Cascading Style Sheets (CSS) zijn een verzameling opmaakregels die de weergave van inhoud op een webpagina bepalen.
Wanneer u met CSS een pagina opmaakt, scheidt u de inhoud van de presentatie. De inhoud van de pagina, de HTML-code, staat in het HTML-
bestand, terwijl de CSS-regels die bepalen hoe de code wordt weergegeven, in een ander bestand (een extern stijlblad) of in het HTML-document
(doorgaans in de kopsectie) staan. U kunt voor geselecteerde tekst bijvoorbeeld verschillende tekengrootten opgeven en met CSS de opmaak en
plaatsing van blokelementen op een webpagina bepalen.
Bij het exporteren naar XHTML kunt u een lijst met CSS-stijlen maken die in de kopsectie van het HTML-bestand met
declaraties (kenmerken) wordt weergegeven.
Als u Inclusief stijldefinities selecteert, probeert InDesign de kenmerken van de InDesign-tekstopmaak te laten overeenkomen met CSS-
equivalenten. Als u deze optie niet selecteert, bevat het HTML-bestand lege declaraties. U kunt deze declaraties naderhand in bewerken
in Dreamweaver.
Als u Lokale overschrijvingen behouden selecteert, wordt lokale opmaak zoals cursief of vet in het bestand opgenomen.
Selecteer deze optie als u het CSS-gedeelte uit het HTML-bestand wilt weglaten.
Hiermee kunt u de URL van het externe CSS-stijlblad opgeven. Deze URL is doorgaans een relatieve URL, zoals
“/styles/style.css”. Er wordt in InDesign niet gecontroleerd of de CSS bestaat of geldig is. Met Dreamweaver moet u dus de externe CSS-
instelling bevestigen.
Selecteer Koppelen met extern JavaScript om een JavaScript uit te voeren wanneer de HTML-pagina wordt geopend. Geef de
URL van het JavaScript op. Deze URL is doorgaans een relatieve URL. Er wordt niet door InDesign gecontroleerd of het JavaScript bestaat of
geldig is.
Exporteren naar Adobe PDF
Naar boven
Naar boven
Adobe PDF
Exporteren naar PDF om af te drukken
Adobe PDF-voorinstellingen
Adobe PDF-voorinstellingen aanpassen
Adobe PDF-voorinstellingen laden
Het deelvenster Achtergrondtaken
Adobe PDF
PDF (Portable Document Format) is een universele bestandsindeling waarin de lettertypen, afbeeldingen en opmaak van brondocumenten die in
een groot aantal toepassingen en op uiteenlopende platforms zijn gemaakt, behouden blijven. Adobe PDF is de wereldwijde standaard voor
veilige, betrouwbare verspreiding en uitwisseling van elektronische documenten en formulieren. Adobe PDF-bestanden zijn compact en compleet
en kunnen worden gedeeld, weergegeven en afgedrukt door iedereen die beschikt over de gratis software Adobe Reader®.
Adobe PDF is uiterst effectief in workflows voor publicatie van drukwerk. Door een samenstelling van uw illustraties op te slaan in Adobe PDF
ontstaat een compact, betrouwbaar bestand dat eenvoudig kan worden weergegeven, bewerkt, geordend en gecontroleerd door uzelf of uw
prepressbureau. Het prepressbureau kan het Adobe PDF-bestand vervolgens op een geschikt moment in de workflow direct uitvoeren of
verwerken met gereedschappen uit diverse programma's voor naverwerkingstaken, zoals preflightcontroles, overvulling, impositie en
kleurscheidingen.
Wanneer u gegevens in Adobe PDF opslaat, kunt u desgewenst een bestand maken dat compatibel is met PDF/X. PDF/X (Portable Document
Format Exchange) is een subset van Adobe PDF voor het voorkomen van vele kleur-, lettertype- en overvulvariabelen die tot afdrukproblemen
leiden. PDF/X kan worden gebruikt wanneer PDF's worden uitgewisseld als digitale masters voor afdrukproductie. Dit is zowel mogelijk tijdens de
productiefase als de uitvoerfase van de workflow, mits alle toepassingen en uitvoerapparaten PDF/X ondersteunen.
Adobe PDF's biedt oplossingen voor de volgende aan elektronische documenten verwante problemen:
Exporteren naar PDF om af te drukken
Het exporteren van een bestand of boek naar PDF kan net zo eenvoudig zijn als het gebruiken van de standaardinstellingen voor een hoge
afdrukkwaliteit of aangepaste instellingen voor een taak. De door u opgegeven exportinstellingen voor PDF worden bij de toepassing opgeslagen
en op elk nieuw InDesign-document of -boek toegepast dat u naar PDF exporteert. Met voorinstellingen kunt u snel aangepaste instellingen op
PDF-bestanden toepassen.
U kunt een document, een boek of geselecteerde documenten in een boek als een enkel PDF-bestand exporteren. Verder is het mogelijk om de
inhoud van de InDesign-layout naar het Klembord te kopiëren en hiervan automatisch een Adobe PDF-bestand te maken. (Dit komt van pas
wanneer u een PDF-bestand in een andere toepassing wilt plakken, zoals Adobe Illustrator.)
Wanneer u een InDesign-bestand naar PDF exporteert, kunt u de navigatie-elementen zoals inhoudsopgaven en indexvermeldingen, en
Algemeen probleemVoordelen van Adobe PDF
Ontvangers kunnen de bestanden niet openen omdat zij niet
beschikken over het programma waarmee de bestanden zijn
gemaakt.
Iedereen kan overal een PDF-bestand openen. Hiervoor is alleen
de gratis Adobe Reader-software nodig.
Archieven die bestaan uit papieren en elektronische documenten
zijn moeilijk te doorzoeken en nemen veel ruimte in beslag.
Bovendien moet u beschikken over de programma's waarmee de
documenten zijn gemaakt.
PDF's zijn compact, gemakkelijk te doorzoeken en kunnen op elk
gewenst moment met Reader worden geopend. Dankzij
koppelingen is navigatie in PDF's eenvoudig.
Documenten worden verkeerd op handheldapparaten
weergegeven.Met gelabelde PDF's kan tekst opnieuw worden geplaatst voor
weergave op mobiele platforms, zoals Palm OS®-, Symbian™-
en Pocket PC®-apparaten.
Documenten met een ingewikkelde opmaak zijn niet toegankelijk
voor slechtzienden.Gelabelde PDF-bestanden bevatten informatie over de inhoud en
structuur, waardoor deze bestanden door schermlezers kunnen
worden gelezen.
Opmerking:
interactiviteitsfuncties zoals hyperlinks, bladwijzers, mediaclips en knoppen behouden. Ook kunt u verborgen lagen, niet-afdrukbare lagen en niet-
afdrukbare objecten naar PDF exporteren. Wanneer u een boek exporteert, kunt u lagen met dezelfde naam via het deelvenster Boek
samenvoegen.
Voor informatie over het maken van toegankelijke PDF-documenten gaat u naar Toegankelijkheid van Adobe InDesign.
Een geopend document naar PDF exporteren om af te drukken
1. Kies Bestand > Exporteren.
2. Geef een naam en locatie voor het bestand op.
3. Kies Adobe PDF (afdrukken) bij Opslaan als Type (Windows) of opmaak (Mac OS) en klik op Opslaan.
Als u de optie Adobe PDF (afdrukken) kiest, kunt u geen interactieve elementen in het PDF-bestand opnemen. Voor het
exporteren van een interactief document naar PDF, zie Interactieve documenten maken voor PDF.
4. Ga op een van de volgende manieren te werk:
Als u een voorgedefinieerde set met taakopties wilt gebruiken, kiest u een voorinstelling in het menu Voorinstelling Adobe
PDF.
Als u een PDF/X-bestand wilt maken, kiest u een PDF/X-voorinstelling in het menu Voorinstelling Adobe PDF of een
voorgedefinieerd PDF/X-formaat in het menu Standaard.
Als u opties wilt aanpassen, selecteert u een categorie in de lijst links en stelt u de opties in.
5. Kies uit het oogpunt van compatibiliteit de laagste PDF-versie waarmee u uw bestanden nog kunt openen.
6. Klik op Exporteren (Windows) of op Bewaar (Mac OS).
U kunt de opties in het dialoogvenster Adobe PDF exporteren instellen op de standaardwaarden door Alt (Windows) of Option (Mac OS)
ingedrukt te houden en op Opnieuw instellen te klikken. (De knop Annuleren verandert in Opnieuw instellen.)
Lagen voorbereiden voordat u een boek naar PDF gaat exporteren
Wanneer u een boek naar PDF exporteert, kunt u InDesign-lagen in het PDF-document tonen en verbergen. Als u dubbele laagnamen in het PDF-
bestand wilt voorkomen, moet u tijdens het exporteren de lagen samenvoegen.
Als de optie Lagen met dezelfde naam bij exporteren samenvoegen is ingeschakeld, staan de laagnamen onder dezelfde boeknaam in Acrobat of
Reader. Is deze optie niet ingeschakeld, dan staan de laagnamen onder elke documentnaam.
1. Als u bepaalde lagen niet wilt samenvoegen, moet u die lagen in elk boekdocument een unieke naam geven.
Bij namen van lagen wordt onderscheid gemaakt tussen hoofdletters en kleine letters, dus de lagen met de naam "Kunst" en
"kunst" worden niet samengevoegd.
2. Selecteer de optie Lagen met dezelfde naam bij exporteren samenvoegen in het menu van het deelvenster Boek.
Wanneer u het boek naar PDF exporteert, moet de optie Acrobat-lagen maken zijn ingeschakeld. Voor deze
optie moet u Acrobat 6 (PDF 1.5) of hoger gebruiken.
Een boek naar PDF exporteren
1. Ga op een van de volgende manieren te werk:
Als u van het hele boek een PDF-bestand wilt maken, klikt u in een leeg gedeelte van het deelvenster Boek om de
eventueel geselecteerde documenten te deselecteren en kiest u Boek exporteren naar PDF in het menu van het
deelvenster Boek.
Als u van documenten in een boek een PDF-bestand wilt maken, selecteert u het gewenste document of de gewenste
documenten in het deelvenster Boek en kiest u Geselecteerde documenten naar PDF exporteren in het menu van het
deelvenster Boek.
2. Geef een naam en locatie voor het PDF-bestand op en klik op Opslaan.
3. Kies een voorinstelling in het menu Voorinstelling Adobe PDF of selecteer een categorie in de lijst links in het dialoogvenster
Adobe PDF exporteren en stel de opties in.
4. Klik op Exporteren (Windows) of op Bewaar (Mac OS).
De grootte van PDF-bestanden beperken
Als de PDF-bestanden die u wilt delen alleen bestemd zijn voor weergave, kunt u de PDF-bestanden bij het exporteren uit InDesign verkleinen.
Hier volgen enkele voorbeelden van manieren waarop u bestandsgrootte kunt beperken in het dialoogvenster Adobe PDF exporteren:
Kies [Kleinste bestandsgrootte] in het menu Voorinstelling Adobe PDF.
Downsample in het gedeelte Compressie afbeeldingen tot 72 pixels per inch, selecteer de automatische compressie en
selecteer vervolgens een lage of middelmatige kwaliteit voor kleuren- of grijswaardenafbeeldingen. Wanneer u met foto's werkt,
gebruikt u de compressie Automatisch (JPEG 2000). Bij afbeeldingen met overwegend effen kleuren, zoals grafieken en
Naar boven
Afdrukken met hoge kwaliteit
Standaardwaarden Illustrator (alleen Illustrator)
Grote pagina's (alleen Acrobat)
PDF/A-1b: 2005 (CMYK en RGB) (alleen Acrobat)
PDF/X-1a (2001 en 2003)
PDF/X-3
PDF/X-4 (2008)
Drukperskwaliteit
diagrammen, kiest u ZIP-compressie.
Gebruik in het uitvoergebied het inktbeheer om steunkleuren naar proceskleuren om te zetten.
Als u PDF-bestanden wilt verkleinen, opent u het gewenste PDF-bestand in Acrobat 8.0 of hoger en kiest u Document > Bestand verkleinen en
geeft u het compatibiliteitsniveau op. Voor meer controle kiest u Geavanceerd > PDF optimaliseren.
Raadpleeg de Help van Acrobat en de website van Adobe voor meer informatie over het verkleinen van PDF-bestanden.
Adobe PDF-voorinstellingen
Een PDF-voorinstelling is een groep instellingen die het maken van een PDF beïnvloeden. Deze instellingen zorgen ervoor dat de bestandsgrootte
in verhouding is met de kwaliteit, afhankelijk van de manier waarop de PDF wordt gebruikt. De meeste vooraf gedefinieerde voorinstellingen
gelden voor verschillende Adobe Creative Suite-componenten, zoals InDesign, Illustrator, Photoshop en Acrobat. U kunt ook aangepaste
voorinstellingen maken en delen die zijn afgestemd op uw unieke uitvoervereisten.
Voorinstellingen worden standaard geïnstalleerd in de map Extras. Sommige van de hieronder vermelde voorinstellingen zijn pas beschikbaar
wanneer u deze hebt verplaatst naar de map Settings. De mappen Extras en Settings bevinden zich gewoonlijk in (Windows Vista en Windows 7)
ProgramData\Adobe\AdobePDF, (Windows XP) Documents and Settings\All Users\Application Data\Adobe\Adobe PDF of (Mac OS)
Bibliotheek\Application Support\Adobe PDF. Sommige voorinstellingen zijn in bepaalde Creative Suite-componenten niet beschikbaar.
De aangepaste instellingen bevinden zich in (Windows XP) Documents and Settings/[gebruikersnaam]/Application Data/Adobe/Adobe
PDF/Settings, (Windows Vista en Windows 7) Users/[gebruikersnaam]/AppData/Roaming/Adobe/Adobe PDF/Settings of (Mac OS)
kleuren wordt ondersteund.DeviceN-kleurruimte met 8
kleuren wordt ondersteund.DeviceN-kleurruimte met
maximaal 31 kleuren wordt
ondersteund.
DeviceN-kleurruimte met
maximaal 31 kleuren wordt
ondersteund.
Multibyte-lettertypen kunnen
worden ingesloten. Distiller zet
de lettertypen tijdens het
insluiten om.
Multibyte-lettertypen kunnen
worden ingesloten.Multibyte-lettertypen kunnen
worden ingesloten.Multibyte-lettertypen kunnen
worden ingesloten.
40-bits RC4-beveiliging wordt
ondersteund.128-bits RC4-beveiliging wordt
ondersteund.128-bits RC4-beveiliging wordt
ondersteund.128-bits RC4- en 128-bits
AES-beveiliging (Advanced
Encryption Standard) worden
ondersteund.
Algemene opties voor PDF-bestanden
Klik op de categorie Algemeen in het dialoogvenster Adobe PDF exporteren om de volgende opties in te stellen:
BeschrijvingHiermee geeft u de beschrijving weer van de geselecteerde voorinstelling en kunt u de beschrijving bewerken. U kunt een
beschrijving plakken vanaf het Klembord.
AllesExporteert alle pagina's van het huidige document of boek.
BereikBepaalt het paginabereik dat in het huidige document moet worden geëxporteerd. Een bereik typt u met een koppelteken. Pagina's of
bereiken scheidt u met een komma. Deze optie is niet beschikbaar tijdens het exporteren van boeken of het maken van voorinstellingen.
SpreadsHiermee exporteert u de pagina's alsof ze zijn gebonden of zoals ze worden afgedrukt op hetzelfde vel.
Belangrijk: Selecteer Spreads niet voor commercieel afdrukken. Als u deze optie wel selecteert, kan het servicebureau de pagina's niet
opmaken.
Miniaturen op pagina insluiten Hiermee wordt een miniatuur weergegeven voor elke pagina in de PDF, waardoor het bestand groter wordt.
Deselecteer deze instelling wanneer gebruikers van Acrobat 5.0 en later de PDF zullen weergeven en afdrukken; in deze versies worden
miniaturen steeds dynamisch gegenereerd wanneer u op het deelvenster Pagina's van een PDF klikt.
Optimaliseren voor snelle weergave op het webHiermee verkleint u de PDF-bestandsgrootte en optimaliseert u het PDF-bestand zodat het
Naar boven
sneller wordt weergegeven in een webbrowser door het bestand zo in te stellen dat er per keer één pagina wordt gedownload (byte-serving). Bij
deze optie worden tekst en tekeningen gecomprimeerd, ongeacht de instellingen die u in de categorie Compressie van het dialoogvenster Adobe
PDF exporteren hebt geselecteerd.
Gelabelde PDF makenHiermee worden tijdens het exporteren elementen in het artikel automatisch van labels voorzien op basis van een subset
van de Acrobat-labels die door InDesign worden ondersteund. Dit omvat de herkenning van alinea's, standaard tekstopmaak, lijsten en tabellen. (U
kunt deze labels in het document invoegen en aanpassen, voordat u naar PDF exporteert. Zie Structuur aan PDF-bestanden toevoegen.)
Opmerking: Als Compatibiliteit is ingesteld op Acrobat 6 (PDF 1.5) of hoger, worden de labels gecomprimeerd zodat het bestand kleiner wordt.
Wanneer het PDF-bestand vervolgens in Acrobat 4.0 of Acrobat 5.0 wordt geopend, zijn de labels niet zichtbaar omdat deze versies van Acrobat
geen labels kunnen decomprimeren.
PDF na exporteren weergeven Hiermee opent u het zojuist gemaakte PDF-bestand in de standaardtoepassing voor de weergave van PDF-
bestanden.
Acrobat-lagen makenHiermee wordt elke InDesign-laag als een Acrobat-laag in het PDF-bestand opgeslagen. Ook worden de
drukkersmarkeringen die u hebt toegevoegd naar een afzonderlijke teken- en aflooplaag geëxporteerd. U kunt volledig door die lagen navigeren,
waardoor gebruikers met Acrobat 6.0 en hoger meerdere versies van het document vanuit een enkel PDF-bestand kunnen bekijken. Als een
document bijvoorbeeld in meerdere talen wordt gepubliceerd, kunt u voor elke taal de tekst op een aparte laag plaatsen. Uw prepress-bureau kan
die lagen tonen en verbergen en zo verschillende versies van het document genereren.
Als u de optie Adobe-lagen maken selecteert wanneer u een boek naar PDF exporteert, worden lagen met dezelfde naam standaard
samengevoegd.
Opmerking: De optie Acrobat-lagen maken is alleen beschikbaar wanneer de optie Compatibiliteit is ingesteld op Acrobat 6 (PDF 1.5) of hoger.
Lagen exporterenHiermee bepaalt u of zichtbare lagen en niet-afdrukbare lagen wel of niet in het PDF-bestand worden opgenomen. U kunt met
de optie Laagopties bepalen of elke laag wordt verborgen of als niet-afdrukbaar wordt ingesteld. Bij het exporteren naar PDF kunt u kiezen of alle
lagen (inclusief verborgen en niet-afdrukbare lagen), de zichtbare lagen (inclusief de niet-afdrukbare lagen) of de zichtbare en afdrukbare lagen
worden geëxporteerd.
BladwijzersMaakt bladwijzers voor de items in een inhoudsopgave met behoud van de niveaus in de inhoudsopgave. Bladwijzers worden
gemaakt van de gegevens die in het deelvenster Bladwijzers zijn opgegeven.
HyperlinksMaakt PDF-hyperlinkaantekeningen voor InDesign-hyperlinks en voor items in inhoudsopgaven en indexen.
Zichtbare hulplijnen en rastersExporteert marge-, liniaal- en kolomhulplijnen en basislijnrasters die in het document zichtbaar zijn. Rasters en
hulplijnen worden in dezelfde kleur geëxporteerd als de kleur die in het document wordt gebruikt.
Niet-afdrukbare objectenExporteert objecten waarop u de optie Niet-afdrukbaar in het deelvenster Kenmerken hebt toegepast.
Interactieve elementenKies Inclusief vormgeving als u elementen zoals knoppen en filmposters in het PDF-bestand wilt opnemen. Als u een
PDF-bestand met interactieve elementen wilt maken, kiest u de optie Adobe PDF (interactief) in plaats van de optie Adobe PDF (afdrukken). Zie
Exporteren naar interactieve PDF opties.
Compressie- en downsampling-opties voor Adobe PDF-bestanden
Tijdens het exporteren van documenten naar Adobe PDF kunt u tekst en lijnwerk comprimeren en bitmapafbeeldingen comprimeren en
downsamplen. Afhankelijk van de instellingen die u kiest, kunnen compressie en resampling een Adobe PDF-bestand aanzienlijk verkleinen,
zonder dat er details verloren gaan of het bestand minder nauwkeurig is.
Het gedeelte Compressie van het dialoogvenster Adobe PDF exporteren bestaat uit drie gedeelten. Elk gedeelte bevat de volgende opties voor het
comprimeren en resamplen van kleuren-, grijswaarden- of monochrome afbeeldingen in uw artwork.
DownsamplingGebruik downsampling als u het PDF-bestand op het web wilt gebruiken. Hierdoor is een hogere compressie mogelijk. Als u het
PDF-bestand op een hoge resolutie wilt afdrukken, overlegt u eerst met uw prepress-servicebureau voordat u de opties voor compressie en
downsampling gaat instellen.
U moet ook in overweging nemen of de pagina door gebruikers zal worden vergroot. Wanneer u bijvoorbeeld een PDF-document van een kaart
maakt, is het raadzaam een hogere afbeeldingsresolutie te gebruiken, zodat er kan worden ingezoomd op de kaart zonder dat dit ten koste van de
weergavekwaliteit gaat.
Downsampling is het verminderen van het aantal pixels in een afbeelding. Voor het downsamplen van afbeeldingen met kleuren of grijstinten of
monochrome afbeeldingen, kiest u een interpolatiemethode (gemiddelde downsampling, bicubische downsampling of subsampling) en voert u de
gewenste resolutie in (in pixels per inch). Geef vervolgens een resolutie op in het tekstvak Voor afbeeldingen boven. Alle afbeeldingen met een
resolutie die hoger is dan deze drempelwaarde worden gedownsampled.
De interpolatiemethode die u kiest, bepaalt de manier waarop pixels worden gewist:
Gemiddelde downsampling naarHierbij wordt het gemiddelde genomen van de pixels in een samplegebied en wordt het gehele gebied
vervangen door de gemiddelde pixelkleur bij de opgegeven resolutie.
Subsampling naarHierbij wordt een pixel in het midden van het samplegebied gekozen en wordt het gehele gebied door die pixelkleur
vervangen. Vergeleken met downsampling is de verwerkingstijd bij subsampling aanzienlijk korter, maar zijn de afbeeldingen ook minder
vloeiend.
Bicubische downsampling naarHierbij wordt een gewogen gemiddelde gebruikt om de pixelkleur te bepalen en is het resultaat
gewoonlijk beter dan bij de eenvoudige methode van downsamplen. Bicubisch is de langzaamste maar meest nauwkeurige methode en
geeft de meest vloeiende halftoongradaties.
CompressieBepaalt het type te gebruiken compressie:
Automatisch (JPEG)Deze optie bepaalt automatisch de beste kwaliteit voor afbeeldingen in grijswaarden of in kleur. Bij de meeste
Naar boven
Naar boven
bestanden geeft deze optie optimale resultaten.
JPEGDeze optie is geschikt voor afbeeldingen in grijswaarden of in kleur. Bij JPEG-compressie gaan er gegevens verloren. Dit betekent
dat er afbeeldingsgegevens worden verwijderd en dat de kwaliteit afneemt. Er wordt echter geprobeerd zo weinig mogelijk gegevens
verloren te laten gaan bij het verkleinen van het bestand. Omdat JPEG gegevens verwijdert, ontstaan hierdoor veel kleinere bestanden
dan bij ZIP-compressie.
ZIPDit werkt goed bij afbeeldingen met grote gebieden in een enkele kleur of bij herhalende patronen en voor zwart-witafbeeldingen met
herhalende patronen. Bij ZIP-compressie kunnen er afhankelijk van de instelling Kwaliteit afbeelding wel of geen gegevens verloren
gaan.
JPEG 2000Dit is de internationale standaard voor het comprimeren en inpakken van afbeeldingsgegevens. Net zoals JPEG-compressie
is JPEG 2000-compressie geschikt voor grijswaarden- of kleurenafbeeldingen. JPEG 2000-compressie heeft enkele voordelen, zoals
progressieve weergave. De optie JPEG 2000 is alleen beschikbaar als Compatibiliteit is ingesteld op Acrobat 6 (PDF 1.5) en hoger.
Automatisch (JPEG 2000)Deze optie bepaalt automatisch de beste kwaliteit voor afbeeldingen in grijswaarden of in kleur. De optie
Automatisch (JPEG 2000) is alleen beschikbaar als Compatibiliteit is ingesteld op Acrobat 6 (PDF 1.5) en hoger.
CCITT en Run LengthDeze zijn alleen beschikbaar voor monochrome bitmapafbeeldingen. CCITT (Consultative Committee on
International Telegraphy and Telephony) is geschikt voor zwart-witafbeeldingen en voor ingescande afbeeldingen met een diepte van 1
bit. Group 4 is een algemene compressiemethode die vooral geschikt is voor de meeste soorten monochrome afbeeldingen. Bij Group 3,
de compressiemethode van veel faxapparaten, worden monochrome bitmaps per rij gecomprimeerd. Run Length is een
compressiemethode die het beste resultaat geeft bij afbeeldingen met grote delen effen zwart of wit.
Opmerking: Voor grijswaardenafbeeldingen die zijn ingekleurd in InDesign gelden de compressie-instellingen voor kleurenafbeeldingen.
Voor grijswaardenafbeeldingen die zijn ingekleurd met een steunkleur (en [Geen] toegepast op de kaders) worden echter de compressie-
instellingen voor grijswaarden gebruikt.
Kwaliteit afbeeldingBepaalt de hoeveelheid compressie die wordt toegepast. Voor JPEG- of JPEG 2000-compressie kunt u kiezen uit de
kwaliteit Minimaal, Laag, Normaal, Hoog of Maximaal. Voor ZIP-compressie is alleen 8-bits beschikbaar. Omdat InDesign de ZIP-methode zonder
gegevensverlies gebruikt, worden geen gegevens verwijderd om bestanden kleiner te maken, dus blijft de kwaliteit van de afbeeldingen gelijk.
GrootteBepaalt de grootte van de tegels voor progressieve weergave. Deze optie is alleen beschikbaar als Compatibiliteit is ingesteld op
Acrobat 6 (PDF 1.5) en hoger en Compressie is ingesteld op JPEG 2000.
Tekst en lijnwerk comprimeren Hiermee past u Flate-compressie toe (deze compressie is te vergelijken met ZIP-compressie voor afbeeldingen)
op alle tekst en lijnwerk in het document, zonder verlies van gegevens of kwaliteit.
Afbeeldingsgegevens uitsnijden naar kadersHierbij kan het bestand kleiner worden doordat alleen de afbeeldingsgegevens worden
geëxporteerd die in het zichtbare gedeelte van het kader staan. Selecteer deze optie niet als voor de naverwerking extra gegevens nodig zijn,
bijvoorbeeld voor het herplaatsen of laten aflopen van een afbeelding.
Opties voor Tekens en afloopgebied voor PDF-bestanden
Het afloopgebied is het gedeelte van de illustratie dat buiten de snijtekens en interne snijtekens en dus buiten het afdrukgebied valt. U kunt in een
illustratie een afloopgebied als foutmarge opnemen om er zeker van te zijn dat na het afsnijden van de pagina de pagina overal is bedrukt of om
ervoor te zorgen dat een afbeelding in een sleutellijn in een document kan worden gestript.
U kunt de mate van het afloopgebied opgeven en een heel scala aan drukkersmarkeringen in het bestand gebruiken.
Kleurbeheer en PDF/X-opties voor PDF-bestanden
U kunt de volgende opties instellen in het gedeelte Uitvoer van het dialoogvenster Adobe PDF exporteren. De interacties tussen de uitvoeropties
bepalen, afhankelijk van het feit of kleurbeheer is in- of uitgeschakeld, of het document wordt gelabeld met kleurenprofielen en of de optie PDF-
standaard is geselecteerd.
Opmerking: Voor een definitie van de opties in het gedeelte Uitvoer plaatst u de muisaanwijzer op een optie, waarna de beschrijving van deze
optie onder in het dialoogvenster verschijnt.
KleuromzettingHiermee bepaalt u hoe kleur in het PDF-bestand wordt weergegeven. Alle steunkleurgegevens blijven behouden tijdens de
kleuromzetting. Alleen de equivalente proceskleuren worden omgezet naar het opgegeven kleursysteem.
Geen kleuromzetting Hiermee behoudt u de kleurgegevens zoals ze zijn. Dit is de standaardinstelling wanneer PDF/X-3 is
geselecteerd.
Omzetten naar doel Hiermee zet u alle kleuren om naar het profiel dat bij Doel is geselecteerd. Het profielopnamebeleid bepaalt of het
profiel wel of niet wordt opgenomen.
Omzetten in doel (nummers behouden)Hiermee zet u kleuren alleen om naar de doelprofielruimte als ze ingesloten profielen hebben
die afwijken van het doelprofiel (of als het RGB-kleuren zijn en het doelprofiel CMYK is, of vice versa). Niet-gelabelde kleurobjecten zonder
ingesloten profielen en eigen objecten (zoals lijnwerk of tekst) worden niet omgezet. Deze optie is niet beschikbaar als kleurbeheer is
uitgeschakeld. Het profielopnamebeleid bepaalt of het profiel wel of niet wordt opgenomen.
DoelBeschrijft de kleuromvang van het uiteindelijke RGB- of CMYK-uitvoerapparaat, zoals de monitor of een SWOP-standaard. Met dit profiel
wordt de kleurinformatie van het document (dat is gedefinieerd door het bronprofiel in de sectie Werkruimten van het dialoogvenster
Kleurinstellingen) omgezet in de kleurruimte van het doeluitvoerapparaat.
ProfielopnamebeleidHiermee bepaalt u of een kleurenprofiel in het bestand wordt opgenomen. De opties kunnen verschillen, afhankelijk van de
instelling in het menu Kleuromzetting, of een van de PDF/X-standaarden is geselecteerd en of kleurbeheer is in- of uitgeschakeld.
Naar boven
Exclusief profielenMet deze optie wordt er geen document met kleurbeheer en ingesloten kleurenprofielen gemaakt.
Inclusief alle profielenMaakt een document met beheerde kleuren. Als de toepassing of het uitvoerapparaat dat het Adobe PDF-
bestand gebruikt, kleuren moet omzetten naar een andere kleurenruimte, wordt de ingesloten kleurenruimte uit het profiel gebruikt. Voordat
u deze optie selecteert, schakelt u kleurbeheer in en stelt u profielgegevens in.
Inclusief gelabelde bronprofielenBij deze optie worden apparaatafhankelijke kleuren niet gewijzigd en worden apparaatonafhankelijke
kleuren als de best mogelijke equivalente kleuren in PDF behouden. Deze optie wordt vooral door drukkers gebruikt die al hun apparaten
hebben gekalibreerd, die met deze informatie de kleuren in het bestand hebben opgegeven en alleen op die apparaten afdrukken.
Inclusief alle RGB-profielen en alle gelabelde CMYK-bronprofielenHiermee neemt u alle profielen voor gelabelde RGB-objecten en
gelabelde CMYK-objecten op, zoals geplaatste objecten met ingesloten profielen. Deze optie neemt ook het profiel Document RGB voor
niet-gelabelde RGB-objecten op.
Doelprofiel opnemenHiermee wordt het doelprofiel aan alle objecten toegewezen. Als de optie Omzetten naar doel (Kleurnummers
behouden) wordt geselecteerd, worden niet-gelabelde objecten in dezelfde kleurenruimte toegewezen aan het doelprofiel, zodat de
kleurnummers niet veranderen.
Overdruk simulerenHiermee simuleert u het afdrukken van scheidingen door de weergave van overdrukken in samengestelde uitvoer te
handhaven. Wanneer Overdruk simuleren niet is geselecteerd, moet Voorvertoning overdruk worden geselecteerd om het effect van de
overlappende kleuren te kunnen zien. Wanneer Overdruk simuleren is geselecteerd, worden steunkleuren gewijzigd in hun equivalente
proceskleuren en worden overlappende kleuren goed weergegeven en uitgevoerd, zonder dat Voorvertoning overdruk in Acrobat is geselecteerd.
Als Overdruk simuleren is ingeschakeld en Compatibiliteit (in het gedeelte Algemeen van het dialoogvenster) is ingesteld op Acrobat 4 (PDF 1.3),
kunt u een soft proof van de kleuren in het document op de monitor uitvoeren voordat deze op een bepaald uitvoerapparaat worden geproduceerd.
InktbeheerHiermee controleert u of steunkleuren worden omgezet naar equivalente proceskleuren en geeft u andere inktinstellingen op. Als u het
document wijzigt met Inktbeheer (bijvoorbeeld als u alle steunkleuren door hun equivalente proceskleuren vervangt), worden de wijzigingen wel in
het geëxporteerde bestand en het opgeslagen document weergegeven, maar worden de instellingen niet bij de Adobe PDF-voorinstelling
opgeslagen.
Naam uitvoerintentieprofielSpecificeert de gekarakteriseerde afdrukvoorwaarde voor het document. Een uitvoerintentieprofiel is nodig voor het
maken van PDF/X-compatibele bestanden. Dit menu is alleen beschikbaar als een PDF/X-standaard (of voorinstelling) is geselecteerd in het
gedeelte Algemeen van het dialoogvenster Adobe PDF exporteren. De beschikbaarheid van de opties hangt af van het feit of kleurbeheer is in- of
uitgeschakeld. Als kleurbeheer is uitgeschakeld, staan in het menu alleen de uitvoerprofielen die overeenkomen met de kleurenruimte van het
doelprofiel. Als kleurbeheer is ingeschakeld, is het uitvoerintentieprofiel hetzelfde profiel als het profiel dat voor Doel is geselecteerd
(vooropgesteld dat het een CMYK-uitvoerapparaat is).
Naam uitvoervoorwaardeHiermee beschrijft u de verwachte afdrukvoorwaarde. Deze vermelding kan van pas komen voor de verwachte
ontvanger van het PDF-document.
Id uitvoervoorwaardeDeze optie geeft een verwijzing aan naar meer informatie over de verwachte afdrukvoorwaarde. De id wordt automatisch
ingevoerd voor de afdrukvoorwaarden die in het ICC-register staan. Deze optie is niet beschikbaar wanneer een van de PDF/X-3-voorinstellingen
of -standaarden wordt gebruikt, omdat het bestand niet compatibel zal blijken te zijn wanneer het wordt gecontroleerd door de Preflight-functie van
Acrobat 7.0 Professional en hoger of de toepassing Enfocus PitStop (een plug-in voor Acrobat 6.0).
RegisternaamDeze optie geeft het webadres aan voor meer informatie over het register. De URL wordt automatisch ingevoerd voor ICC-
registernamen. Deze optie is niet beschikbaar wanneer een van de PDF/X-3-voorinstellingen of -standaarden wordt gebruikt, omdat het bestand
niet compatibel zal blijken te zijn wanneer het wordt gecontroleerd door de Preflight-functie van Acrobat 7.0 Professional en hoger of de
toepassing Enfocus PitStop (een plug-in voor Acrobat 6.0).
Lettertype-, OPI- en afvlakkingsopties voor PDF-bestanden
U kunt de volgende opties instellen in het gedeelte Geavanceerd van het dialoogvenster Adobe PDF exporteren.
Subset maken van lettertypen als het percentage gebruikte tekens minder is danStelt de drempel voor het insluiten van complete lettertypen
in op basis van het aantal keren dat de tekens van de lettertypen in het document is gebruikt. Als het percentage wordt overschreden van tekens
die van een bepaald lettertype in een document zijn gebruikt, wordt het desbetreffende lettertype volledig ingesloten. In het andere geval wordt er
een subset van het lettertype gebruikt. Het bestand wordt groter als lettertypen volledig worden ingesloten, maar als u altijd alle lettertypen volledig
wilt insluiten, moet u 0 (nul) invoeren. U kunt een drempel ook instellen in het dialoogvenster voor algemene voorkeuren, en het maken van
subsets voor lettertypen activeren op basis van het aantal glyphs in een lettertype.
OPIHiermee kunt u specifieke typen geïmporteerde afbeeldingen weglaten wanneer u afbeeldingsgegevens naar een printer of een bestand
verzendt, waarbij alleen de OPI-koppelingen (opmerkingen) voor latere verwerking door een OPI-server overblijven.
VoorinstellingAls Compatibiliteit (in het gedeelte Algemeen van het dialoogvenster) is ingesteld op Acrobat 4 (PDF 1.3), kunt u een voorinstelling
(of set opties) voor het afvlakken van transparantie instellen. Deze opties worden alleen gebruikt bij het exporteren van spreads met transparantie
in illustraties.
Opmerking: Acrobat 5 (PDF 1.4) en hoger behoudt automatisch de transparantie in illustraties. Het gevolg daarvan is, dat de opties
Voorinstelling en Aangepast niet beschikbaar zijn voor deze compatibiliteitsniveaus.
Overschrijvingen van spreads negerenHiermee past u de afvlakinstellingen op alle spreads in een document of boek toe en overschrijft u de
afvlakvoorinstelling van een afzonderlijke spread.
Een JDF-bestand maken met AcrobatHiermee maakt u een JDF-bestand (Job Definition Format) en wordt Acrobat Professional gestart voor het
verwerken van het JDF-bestand. Een taakdefinitie in Acrobat bevat verwijzingen naar de bestanden die moeten worden afgedrukt, alsmede
instructies en informatie voor prepress-servicebureaus die de bestanden in productie nemen. Deze optie is alleen beschikbaar als Acrobat 7.0
Professional of hoger op de computer is geïnstalleerd. Raadpleeg de Help bij Acrobat voor meer informatie.
Naar boven
Naar boven
Beveiliging toevoegen aan PDF-bestanden
Wanneer u een bestand opslaat als PDF kunt u wachtwoordbeveiliging en beveiligingsbeperkingen toevoegen. Hiermee bepaalt u niet alleen wie
het bestand mag openen, maar ook wie inhoud uit het document mag kopiëren of overnemen, het document mag afdrukken enzovoort.
Soms is een wachtwoord vereist om een PDF-bestand te openen (wachtwoord voor document openen) en om de beveiligingsinstellingen te
wijzigen (wachtwoord voor machtigingen). Als u beveiligingsbeperkingen in het bestand opneemt, moet u beide wachtwoorden definiëren. Anders
kan iedereen die het bestand opent, deze instellingen verwijderen. AIs een bestand met een wachtwoord voor machtigingen wordt geopend, dan
zijn de beveiligingsinstellingen tijdelijk uitgeschakeld.
De RC4-beveiligingsmethode van RSA Corporation wordt gebruikt om PDF-bestanden met een wachtwoord te beveiligen. De codering is hoog of
laag, afhankelijk van de instelling Compatibiliteit (in de categorie Algemeen).
Opmerking: Adobe PDF-voorinstellingen ondersteunen geen wachtwoorden en beveiligingsinstellingen. Als u wachtwoorden en
beveiligingsinstellingen selecteert in het dialoogvenster Adobe PDF exporteren en daarna op Voorinstelling opslaan klikt, worden deze
wachtwoorden en instellingen niet bewaard.
Beveiligingsopties voor PDF-bestanden
Bij het maken van een PDF of het toepassen van wachtwoordbeveiliging op een PDF kunt u de volgende opties instellen. De opties zijn afhankelijk
van de instelling van de optie Compatibiliteit. Voor PDF/X-standaarden of -voorinstellingen zijn er geen beveiligingsopties beschikbaar.
CompatibiliteitHiermee stelt u het type codering in voor het openen van documenten die met een wachtwoord worden beveiligd. Bij de optie
Acrobat 4 (PDF 1.3) wordt een laag coderingsniveau (40-bits RC4) gebruikt, terwijl bij de andere opties een hoog coderingsniveau wordt gebruikt
(128-bits RC4 of AES).
Houd er rekening mee dat gebruikers met een oudere versie van Acrobat geen PDF-documenten met een hogere compatibiliteitsinstelling kunnen
openen. Als u bijvoorbeeld de optie Acrobat 7 (PDF 1.6) selecteert, kan het document niet worden geopend in Acrobat 6.0 of eerder.
Wachtwoord vereist om document te openenSelecteer deze optie als gebruikers het wachtwoord dat u opgeeft, moeten invoeren om het
document te openen.
Wachtwoord voor document openenGeef het wachtwoord op dat gebruikers moeten invoeren om het PDF-bestand te openen.
Opmerking: Als u een wachtwoord bent vergeten, kunt u het op geen enkele manier uit het document ophalen. Daarom is het verstandig
wachtwoorden te noteren en op een veilige plaats te bewaren.
Een wachtwoord gebruiken om afdrukken, bewerken en overige taken te beperkenBeperkt de toegang tot de beveiligingsinstellingen van het
PDF-bestand. Als het bestand wordt geopend in Adobe Acrobat, kan de gebruiker het bestand bekijken, maar moet hij of zij wel het opgegeven
wachtwoord voor machtigingen invoeren om de instellingen voor beveiliging en machtigingen te kunnen wijzigen. Als het bestand wordt geopend in
Illustrator, Adobe Photoshop of Adobe InDesign, moet de gebruiker het wachtwoord voor machtigingen invoeren, omdat het bestand niet in de
alleen-weergavemodus kan worden geopend.
Wachtwoord voor machtigingenGeef een wachtwoord op dat nodig is om de machtigingsinstellingen te wijzigen. Deze optie is alleen
beschikbaar als de vorige optie is geselecteerd.
Afdrukken toegestaanHiermee geeft u het niveau op waarmee gebruikers het PDF-bestand mogen afdrukken.
GeenHiermee voorkomt u dat gebruikers het bestand afdrukken.
Lage resolutie (150 dpi)Gebruikers kunnen niet afdrukken met een resolutie hoger dan 150-dpi. Dit kan het afdrukken vertragen omdat
elke pagina wordt afgedrukt als een bitmapafbeelding. Deze optie is alleen beschikbaar als de optie Compatibiliteit is ingesteld op Adobe 5
(PDF 1.4) of hoger.
Hoge resolutieGebruikers kunnen met een willekeurige resolutie afdrukken, waarbij vectoruitvoer van hoge kwaliteit wordt afgedrukt op
Adobe PostScript-printers en andere printers die geavanceerde functies voor hoge afdrukkwaliteit ondersteunen.
Wijzigingen toegestaanHiermee definieert u welke bewerkingen kunnen worden uitgevoerd in het PDF-document.
GeenMet deze instelling kan de gebruiker geen van de wijzigingen aanbrengen die worden weergegeven in het menu Wijzigingen
toegestaan, zoals het invullen van formuliervelden en het toevoegen van opmerkingen.
Pagina's invoegen, verwijderen en roterenHiermee kunnen gebruikers pagina's invoegen, verwijderen en roteren en bladwijzers en
miniaturen maken. Deze optie is alleen beschikbaar bij hoge (128-bits RC4 of AES) versleuteling.
Formuliervelden invullen en ondertekenenGebruikers kunnen formulieren invullen en formulieren digitaal ondertekenen. Bij deze optie
kunnen geen opmerkingen of formuliervelden worden toegevoegd. Deze optie is alleen beschikbaar bij hoge (128-bits RC4 of AES)
versleuteling.
Opmerkingen plaatsen, formuliervelden invullen en ondertekenenGebruikers kunnen opmerkingen toevoegen, formulieren invullen
en formulieren digitaal ondertekenen. Met deze optie kunnen geen paginaobjecten worden verplaatst of formuliervelden worden gemaakt.
Pagina-indeling, formuliervelden invullen en ondertekenenHiermee kunnen gebruikers pagina's invoegen, roteren en verwijderen,
bladwijzers en miniaturen maken, en formulieren invullen en digitaal ondertekenen. Bij deze optie kunnen geen formuliervelden worden
gemaakt. Deze optie is alleen beschikbaar bij een laag coderingsniveau (40-bits RC4).
Alles, behalve pagina's extraherenGebruikers kunnen het document bewerken, formuliervelden maken en invullen, opmerkingen
toevoegen en formulieren digitaal ondertekenen.
Kopiëren van tekst, afbeeldingen en andere inhoud toestaan Gebruikers kunnen de inhoud van een PDF selecteren en kopiëren.
Kopiëren van inhoud en toegang voor slechtzienden toestaanMensen met een visuele handicap kunnen het document lezen met een
schermlezer en kopiëren. Deze optie is alleen beschikbaar bij een laag coderingsniveau (40-bits RC4).
Naar boven
Naar boven
Tekstweergave voor slechtzienden op schermlezers inschakelenMensen met een visuele handicap kunnen het document lezen met een
schermlezer, maar het is niet mogelijk om de documentinhoud te kopiëren of uit te nemen. Deze optie is alleen beschikbaar bij hoge (128-bits
RC4 of AES) versleuteling.
Onbewerkte metagegevens toestaanHiermee kunnen gebruikers inhoud vanuit het PDF-bestand kopiëren en ophalen. Deze is alleen
beschikbaar als Compatibiliteit is ingesteld op Acrobat 6 (PDF 1.5) of hoger. Als u deze optie selecteert, hebben opslag-/zoeksystemen en
zoekfuncties toegang tot de metagegevens in het document.
Lettertypen insluiten en vervangen
Een lettertype kan alleen worden ingesloten als het een instelling van de leverancier van het lettertype bevat die insluiten van lettertypen toestaat.
Insluiten voorkomt dat lettertypen worden vervangen wanneer lezers het bestand weergeven of afdrukken en zorgt ervoor dat de tekst in het
oorspronkelijke lettertype wordt weergegeven. Houd er echter rekening mee dat het bestand door insluiten iets groter wordt, tenzij het document
CID-lettertypen gebruikt, een lettertype-indeling die veel wordt gebruikt voor Aziatische talen. U kunt lettertypen insluiten of vervangen in Acrobat
of wanneer u een InDesign-document exporteert naar PDF.
U kunt het volledige lettertype insluiten of alleen een subset ervan met de tekens die in het bestand worden gebruikt.
Wanneer een lettertype niet kan worden ingesloten in verband met de instellingen van de leverancier van het lettertype, en de persoon die een
PDF-bestand opent of afdrukt geen toegang heeft tot het oorspronkelijke lettertype, wordt een ander lettertype tijdelijk vervangen. U voorkomt
problemen door alleen PDF-bestanden af te drukken waarin lettertypen kunnen worden ingesloten.
Het Multiple Master-lettertype kan door uitrekken of versmallen passend worden gemaakt. Op deze manier blijven de regel- en pagina-einden in
het oorspronkelijke document gehandhaafd. De vervanging komt echter niet altijd met de vorm van de oorspronkelijke tekens overeen, vooral niet
als er sprake is van onconventionele tekens, zoals scriptlettertypen.
Als tekens onconventioneel zijn (links), komt het vervangende lettertype niet overeen (rechts).
Een document voor schermweergave voorbereiden
Vanwege de kleine bestanden, onafhankelijke platforms en online navigatie is Adobe PDF uitermate geschikt om documenten elektronisch te
distribueren en op het scherm weer te geven. U kunt Adobe PDF-documenten naar andere gebruikers als e-mailbijlagen versturen of de
documenten via internet of een intranet verdelen.
Zie Adobe InDesign CS4 accessibility voor informatie over het maken van toegankelijke PDF-documenten.
De volgende richtlijnen gelden voor elektronisch verdeelde Adobe PDF-bestanden:
Voordat u Adobe PDF-documenten op een website plaatst, moet u controleren of de tekst, illustraties en de layout in de
documenten compleet en correct zijn.
Controleer of de items van de inhoudsopgave, hyperlinks en bladwijzers goed zijn gegenereerd. Items van de inhoudsopgave
worden automatisch op basis van de gegevens in het deelvenster Bladwijzers gegenereerd.
Stel wachtwoorden en overige beveiligingsopties in.
Gebruik een bestandsnaam van maximaal acht tekens, gevolgd door een extensie van maximaal drie tekens. Veel netwerken
en e-mailprogramma's korten lange bestandsnamen in.
De bestandsextensie moet .pdf zijn als gebruikers het bestand op een Windows-computer of op internet willen bekijken.
Kies Kleinste bestandsgrootte als u voorgedefinieerde Adobe PDF-exportinstellingen voor weergave op het scherm wilt
toepassen.
Opmerking: Adobe PDF-bestanden die zijn geëxporteerd vanuit InDesign-documenten die overdrukken of transparantie-
effecten bevatten, worden het beste weergegeven in Acrobat 5.0 en hoger of Adobe Reader 7.0 en hoger met de optie
Voorvertoning overdruk geselecteerd.
Meer Help-onderwerpen
Juridische kennisgevingen | Onlineprivacybeleid
Exporteren naar JPEG-indeling
Selectie
Bereik
Alles selecteren
Spreads
Kleurenprofiel insluiten
Afloopinstellingen van document gebruiken
Anti-aliasing
JPEG gebruikt een standaard compressiemechanisme voor afbeeldingen om kleuren- of grijswaardenafbeeldingen voor schermweergave te
comprimeren. Gebruik de opdracht Exporteren om een pagina, spread of geselecteerd object in de JPEG-indeling te exporteren.
1. Selecteer indien nodig het object dat u wilt exporteren. (Als u een pagina of spread gaat exporteren, hoeft u niets te
selecteren.)
2. Kies Bestand > Exporteren.
3. Geef een locatie en bestandsnaam op.
4. Kies JPEG bij Opslaan als type (Windows) of opmaak (Mac OS) en klik op Opslaan.
Het dialoogvenster JPEG exporteren verschijnt.
5. Voer onder Exporteren een van de volgende handelingen uit:
Het geselecteerde object exporteren.
Voer het nummer van de pagina of pagina's in die u wilt exporteren. Plaats een koppelteken tussen de
paginanummers in een bereik en gebruik een komma als scheidingsteken wanneer u meerdere pagina's of bereiken opgeeft.
Exporteer alle pagina's in de documenten.
Exporteer aangrenzende pagina's in een spread naar één JPEG-bestand. Deselecteer deze optie als u elke pagina
in een spread als een apart JPEG-bestand wilt exporteren.
6. Kies bij Kwaliteit de opties waarmee u een optimale verhouding bereikt tussen compressie (voor kleinere bestanden) en
kwaliteit van de afbeelding:
Maximaal neemt alle beschikbare hoge-resolutie afbeeldingsgegevens in het geëxporteerde bestand op. Dit neemt meer
schijfruimte in beslag. Kies deze optie als het bestand wordt afgedrukt op een uitvoerapparaat met hoge resolutie.
Laag neemt alleen schermresolutieversies (72 dpi) van geplaatste bitmapafbeeldingen in het geëxporteerde bestand op.
Kies deze optie als het bestand alleen op het scherm wordt weergegeven.
Bij Normaal en Hoog bevat de afbeelding meer gegevens dan bij Laag. Probeer de diverse opties uit.
7. Kies bij Indelingmethode een van de volgende opties:
Met de instelling Progressief wordt een JPEG-afbeelding steeds gedetailleerder weergegeven terwijl deze wordt
gedownload door een webbrowser.
Basislijn geeft een JPEG-afbeelding pas weer nadat deze volledig is gedownload.
8. Selecteer of typ de resolutie voor de geëxporteerde JPEG-afbeelding.
9. Bepaal de kleurruimte van het geëxporteerde bestand. De beschikbare opties zijn RGB, CMYK en Grijs.
10. Stel de volgende gewenste optie(s) in en klik op Exporteren.
Selecteer deze optie als u het kleurenprofiel van het document wilt insluiten in het geëxporteerde
JPEG-bestand. De naam van het kleurenprofiel wordt klein, rechts van de optie weergegeven. U kunt het gewenste profiel
voor het document selecteren door Bewerken > Profielen toewijzen te kiezen voordat u het bestand exporteert als een JPEG-
bestand.
De optie Kleurenprofiel insluiten wordt uitgeschakeld wanneer u in het menu Kleurruimte de optie Grijs kiest.
Selecteer deze optie als u het afloopgebied dat is opgegeven in
Documentinstelling, wilt weergeven in het resulterende JPEG-bestand. De optie Afloopinstellingen van document gebruiken
wordt uitgeschakeld wanneer u de optie Selectie kiest.
Met de optie Anti-aliasing worden de gekartelde randen van tekst en bitmapafbeeldingen vloeiend gemaakt.
De voorwaarden van Creative Commons zijn niet van toepassing op Twitter™- en Facebook-berichten.
Juridische kennisgevingen | Onlineprivacybeleid
Overdruk simulerenDeze optie lijkt op de functie Voorvertoning overdruk, maar kan worden gebruikt voor alle geselecteerde
kleurruimten. Selecteer de optie als u wilt dat het door InDesign geëxporteerde JPEG-bestand de effecten van het
overdrukken van steuninkten met verschillende neutrale densiteitswaarden simuleert door bij het afdrukken steunkleuren om
te zetten in proceskleuren.
JPEG-bestanden (.jpg)
XML exporteren
Naar boven
Documentinhoud exporteren naar XML
Exportopties voor geoptimaliseerde afbeeldingen
Alleen labels opslaan als XML
Een geëxporteerd XML-bestand bewerken
Documentinhoud exporteren naar XML
Voordat u inhoud uit een InDesign-document kunt exporteren naar XML, moet u het volgende hebben gedaan:
Elementlabels hebben gemaakt of geladen.
Labels hebben toegepast op items op de pagina's van uw document.
De hiërarchie van gelabelde elementen hebben aangepast in het deelvenster Structuur (indien nodig).
U kunt de volledige XML-inhoud in uw document of een deel daarvan exporteren. Alleen gelabelde inhoud kan worden geëxporteerd.
Belangrijk: Als u een document exporteert dat tabellen bevat, moet u de tabellen labelen, anders worden deze niet door InDesign geëxporteerd
als onderdeel van de XML.
1. Als u alleen een deel van het document wilt exporteren, selecteert u in het deelvenster Structuur het element waar u met het
exporteren wilt beginnen.
2. Kies Bestand > Exporteren.
3. Kies XML onder Opslaan als type (Windows) of opmaak (Mac OS).
4. Geef een naam en locatie voor het XML-bestand op en klik op Opslaan.
5. Voer een of meer van de volgende handelingen uit op het tabblad Algemeen van het dialoogvenster XML exporteren:
DTD-declaratie opnemenDe verwijzing naar het DTD-bestand wordt samen met het XML-bestand geëxporteerd. Deze optie
is alleen beschikbaar als in het deelvenster Structuur een DOCTYPE-element staat.
XML weergeven metMet deze optie wordt het geëxporteerde bestand geopend in een browser, een toepassing voor het
bewerken van XML of een teksteditor. Kies de browser of toepassing in de lijst.
Exporteren vanuit geselecteerde elementHet exporteren wordt gestart vanaf het element dat in het deelvenster Structuur is
geselecteerd. Deze optie is alleen beschikbaar als u een element selecteert voordat u Bestand > Exporteren kiest.
Niet-gelabelde tabellen exporteren als CALS XMLNiet-gelabelde tabellen wordt geëxporteerd in CALS XML-indeling. De
tabel kan alleen worden geëxporteerd als deze niet gelabeld is en zich in een gelabeld kader bevindt.
Einden, spaties en speciale tekens opnieuw toewijzenDiverse einden (bijv. regeleinden), spaties en speciale tekens
worden geëxporteerd als eenheden met een decimaalteken en niet als gewone tekens.
XSLT toepassenHiermee wordt een opmaakmodel toegepast voor het definiëren van de transformatie van de geëxporteerde
XML in, bijvoorbeeld, een aangepaste XML-structuur of HTML. Selecteer Bladeren (Windows) of Kiezen (Mac OS) om een
XSLT te selecteren in het bestandssysteem. Met de standaardinstelling Stijlpagina uit XML gebruiken, wordt een XSLT-
transformatie-instructie gebruikt indien hiernaar wordt verwezen in het XML-bestand dat wordt gebruikt bij het exporteren.
6. Kies een type codering in het menu Codering.
7. Als u exportopties voor afbeeldingen wilt opgeven, klikt u op het tabblad Afbeeldingen en selecteert u een of meer van de
volgende opties:
Originele afbeeldingenHiermee plaatst u kopieën van de originele afbeeldingsbestanden in de submap Afbeeldingen.
Geoptimaliseerde originele afbeeldingenHiermee optimaliseert en comprimeert u de originele afbeeldingsbestanden en
plaatst u kopieën van deze bestanden in de submap Afbeeldingen.
Geoptimaliseerde opgemaakte afbeeldingenHiermee optimaliseert u originele afbeeldingsbestanden die zijn
getransformeerd (bijvoorbeeld zijn geroteerd of geschaald) en plaatst u deze bestanden in de submap Afbeeldingen. Als het
document bijvoorbeeld twee afbeeldingen bevat, waarvan er een is bijgesneden maar de andere niet, wordt alleen de
bijgesneden afbeelding geoptimaliseerd en gekopieerd naar deze map.
8. Als u in de vorige stap Geoptimaliseerde originele afbeeldingen of Geoptimaliseerde opgemaakte afbeeldingen hebt
geselecteerd, kiest u opties voor de geoptimaliseerde afbeelding.
9. Klik op Exporteren.
Opmerking: Niet alle tekens worden ondersteund in XML (bijvoorbeeld het teken voor automatische paginanummers). Er verschijnt een
waarschuwing als u een teken niet kunt opnemen in het geëxporteerde XML-bestand. Deze waarschuwing verschijnt ook als u een tabel niet hebt
Naar boven
Naar boven
Naar boven
gelabeld.
Exportopties voor geoptimaliseerde afbeeldingen
De volgende opties zijn beschikbaar als u de optie Geoptimaliseerde originele afbeeldingen of Geoptimaliseerde opgemaakte afbeeldingen kiest op
het tabblad Afbeeldingen van het dialoogvenster XML exporteren:
AfbeeldingsomzettingHiermee geeft u aan welke bestandsindeling u wilt gebruiken voor de omgezette afbeelding. Als u Automatisch kiest,
selecteert InDesign het beste bestandstype op basis van de afbeelding. In dat geval kan het nuttig zijn om zowel GIF-opties als JPEG-opties in te
stellen.
GIF-optiesHiermee geeft u de opmaak op voor afbeeldingen die naar de GIF-indeling worden omgezet wanneer deze worden geëxporteerd naar
XML. U kunt uit de volgende opties instellen:
PaletHiermee geeft u het kleurenpalet op waaraan de afbeelding moet voldoen wanneer deze wordt omgezet. Kies het palet voor de
uiteindelijke weergave-indeling van de XML-inhoud. Aangepast (geen dithering) werkt goed bij afbeeldingen met voornamelijk effen
kleuren en kan worden gebruikt wanneer de uiteindelijke uitvoer in meerdere indelingen is.
InterliniërenHiermee wordt elke volgende lijn van een afbeelding gedownload in een volgende stap, in plaats van de gehele afbeelding
in een keer te downloaden. Met interliniëring kunt u snel een voorvertoning van de afbeelding downloaden. Bij elke volgende stap wordt de
resolutie verbeterd, totdat de afbeelding de uiteindelijke kwaliteit heeft.
JPEG-optiesHiermee geeft u de opmaak op voor afbeeldingen die naar de JPEG-indeling worden omgezet wanneer deze worden geëxporteerd
naar XML. U kunt uit de volgende opties instellen:
Kwaliteit afbeeldingHiermee geeft u de kwaliteit van de omgezette afbeelding op. Hoe hoger de instelling voor de kwaliteit, hoe groter
het bestand en hoe langer het downloaden duurt.
IndelingmethodeHiermee geeft u aan hoe de JPEG-afbeelding wordt opgemaakt om te downloaden. Met de instelling Basislijn wordt de
afbeelding in één keer in de uiteindelijke kwaliteit gedownload, zodat het bestand in de uiteindelijke kwaliteit wordt weergegeven wanneer
het wordt geopend. Een afbeelding in deze indeling wordt mogelijk langzamer gedownload dan een afbeelding met de instelling
Progressief. Met de instelling Progressief wordt de afbeelding gedownload in een reeks stappen. Na de eerste stap is de resolutie laag en
bij elke volgende stap wordt de resolutie verbeterd, totdat de afbeelding de uiteindelijke kwaliteit heeft.
Alleen labels opslaan als XML
Als u alleen de labels opslaat, kunt u de labels in een InDesign-document laden en ze daar gebruiken.
1. Kies Labels opslaan in het menu van het deelvenster Labels.
2. Typ een naam, geef een locatie op en klik op Opslaan.
De labels in het document worden met de bijbehorende toegewezen kleuren opgeslagen in een XML-bestand.
Een geëxporteerd XML-bestand bewerken
Nadat u InDesign hebt gebruikt om een XML-bestand te maken en exporteren, kunt u de XML als volgt wijzigen:
Als u het XML-bestand rechtstreeks wilt bewerken, opent u het bestand in een tekst- of XML-editor.
Als u wijzigingen wilt maken en behouden in het brondocument, opent u het InDesign-bestand waaruit de XML is
geëxporteerd. Nadat u de inhoud hebt gewijzigd in InDesign, kunt u het bestand weer exporteren naar XML. Als u het bestand
wilt vervangen, gebruikt u de originele XML-bestandsnaam.
Meer Help-onderwerpen
Juridische kennisgevingen | Onlineprivacybeleid
Afdrukken
Bepaalde inhoud waarnaar op deze pagina wordt gelinkt, is mogelijk alleen in het Engels beschikbaar.
Documenten afdrukken
Naar boven
Naar boven
Afdrukken
Een document of boek afdrukken
Documenten met verschillende paginaformaten afdrukken
Opgeven welke pagina's moeten worden afgedrukt
Het papierformaat en de afdrukstand opgeven
Kiezen welke lagen worden afgedrukt of naar PDF worden geëxporteerd
Afdrukken op niet-PostScript-printers
Afdrukken als bitmap
Voorvertoning van documenten bekijken
Een printer instellen
Afdrukvoorinstellingen gebruiken
Klik op onderstaande koppelingen voor gedetailleerde informatie en instructies.
Afdrukken
Of u nu een meerkleurendocument door een extern prepress-bureau laat afdrukken of gewoon een conceptversie van een document op een
inkjet- of laserprinter afdrukt, als u de basis van het (af)drukken kent, drukt u makkelijker af en wordt de kans groter dat de uiteindelijke afdruk
naar wens is.
Afdruktypen
Wanneer u in Adobe InDesign een bestand afdrukt, wordt dit direct afgedrukt op papier of naar een digitale drukpers verzonden, of het bestand
wordt omgezet naar een positief of negatief beeld op film. In het laatste geval kunt u op basis van de film een drukplaat voor afdrukken op een
drukpers maken.
Afbeeldingstypen
De eenvoudigste soorten afbeeldingen, zoals tekst, gebruiken slechts één kleur in één grijstintniveau. Bij complexere afbeeldingen worden
kleurtonen gebruikt die binnen de afbeelding variëren. Dit type afbeelding wordt een afbeelding met ongerasterde halftonen genoemd. Een foto is
een voorbeeld van zo'n afbeelding.
Rasteren
Afbeeldingen worden in een reeks puntjes opgedeeld om de illusie van ongerasterde halftonen te creëren. Dit wordt rastering genoemd. Door de
grootte en densiteit van de puntjes in een halftoonraster te variëren wordt in de afgedrukte afbeelding de optische illusie gewekt van grijsvariaties
of doorlopende kleur.
Kleurscheiding
Bij illustraties met meerdere kleuren die op professionele wijze worden gereproduceerd, moet elke kleur op een verschillende masterplaat worden
afgedrukt. Dit wordt kleurscheiding genoemd.
Detail
Het detailniveau in een afgedrukte afbeelding wordt bepaald door een combinatie van de resolutie en de schermfrequentie. Hoe hoger de resolutie
van het uitvoerapparaat, hoe fijner (hoger) de rasterfrequentie die u kunt gebruiken.
Duplexafdrukken
Specifieke afdrukfuncties, zoals duplexafdrukken, zijn beschikbaar wanneer u op de knop Printer in het dialoogvenster Afdrukken klikt.
Duplexafdrukken kan alleen op printers die deze functie ondersteunen. Zie de handleiding van uw printer voor informatie over duplexafdrukken.
Transparante objecten
Als een illustratie objecten bevat met transparantiekenmerken die u hebt toegevoegd met het deelvenster Effecten of de opdracht Slagschaduw of
Doezelaar, wordt de transparante illustratie afgevlakt volgens de instellingen in de geselecteerde afvlakvoorinstelling. U kunt de verhouding van
gerasterde afbeeldingen ten opzichte van vectorafbeeldingen in de afgedrukte illustratie wijzigen.
Voor meer informatie over afdrukken gaat u naar het Adobe Print Resource Center op www.adobe.com/go/print_resource_nl. Op
www.adobe.com/go/learn_id_printtrouble_nl vindt u informatie over het oplossen van problemen bij het afdrukken.
Een document of boek afdrukken
1. Controleer of het juiste stuurprogramma en PPD-bestand voor uw printer zijn geïnstalleerd.
2. Open het dialoogvenster Afdrukken:
Als er afzonderlijke documenten zijn geopend, kiest u Bestand > Afdrukken. Hiermee opent u het dialoogvenster
Afdrukken voor het actieve document.
Als u geen of alle documenten in het deelvenster Boek hebt geselecteerd, kiest u Boek afdrukken in het menu van het
deelvenster Boek. Hiermee drukt u alle documenten in een boek af.
Als u bepaalde documenten in het deelvenster Boek hebt geselecteerd, kiest u Geselecteerde documenten afdrukken in
het menu van het deelvenster Boek.
3. Geef in het menu Printer de printer op waarop u wilt afdrukken. Als een voorinstelling van de printer de gewenste instellingen
heeft, kiest u deze voorinstelling in het menu Afdrukvoorinstelling.
4. In het gedeelte Algemeen voert u het aantal exemplaren in dat u wilt afdrukken, kiest u of de pagina's moeten worden
gesorteerd of in omgekeerde volgorde moeten worden afgedrukt en geeft u op welke pagina's u wilt afdrukken.
Als u een boek afdrukt, is de optie Paginabereik niet beschikbaar.
Als u een document met meerdere paginaformaten afdrukt, kunt u met de besturingselementen boven Bereik een bereik
instellen van alle pagina's met hetzelfde formaat. Zie Documenten met verschillende paginaformaten afdrukken.
5. Geef op of de niet-afdrukbare objecten, blanco pagina's of zichtbare hulplijnen en basislijnrasters moeten worden afgedrukt.
6. Stel de instellingen voor elk gedeelte van het dialoogvenster Afdrukken naar eigen voorkeur in.
7. Klik op Afdrukken.
Instellingen die u in het dialoogvenster Afdrukken opgeeft, worden bij het document opgeslagen.
Afdrukopties voor pagina's
U kunt alle pagina's, alleen even of oneven pagina's, een reeks afzonderlijke pagina's of een bereik van opeenvolgende pagina's afdrukken.
BereikBepaalt het bereik van pagina's in het huidige document die moeten worden afgedrukt. Plaats een koppelteken tussen de paginanummers
in een bereik en gebruik een komma of spatie als scheidingsteken wanneer u meerdere pagina's of bereiken opgeeft. (Zie Opgeven welke pagina's
moeten worden afgedrukt.)
Als het document pagina's met verschillende paginaformaten bevat, kunt u de opties boven het veld Bereik gebruiken om alle pagina's van
hetzelfde formaat te selecteren. (Zie Documenten met verschillende paginaformaten afdrukken.)
VolgordeKies Alle pagina's om alle pagina's van een document af te drukken. Kies Alleen even pagina's of Alleen oneven pagina's om alleen die
pagina's van het opgegeven bereik af te drukken. Deze opties zijn niet beschikbaar bij de optie Spreads of Stramienpagina's afdrukken.
SpreadsDrukt de pagina's af alsof ze zijn gebonden of alsof ze worden afgedrukt op hetzelfde vel. U kunt slechts één spread per vel afdrukken.
Als de nieuwe pagina groter is dan het geselecteerde papierformaat, wordt zoveel mogelijk afgedrukt. Het paginaformaat wordt echter niet
automatisch aangepast aan het afbeeldingsgebied, tenzij u Aanpassen aan pagina in het deelvenster Instellen van het dialoogvenster Afdrukken
selecteert. U kunt ook de afdrukstand wijzigen.
Opmerking: Als verschillende overvulstijlen op pagina's in de spread worden toegepast, werkt InDesign de verschillen weg.
Stramienpagina's afdrukkenDrukt alle stramienpagina's (geen documentpagina's) af. Als u deze optie selecteert, is de optie Bereiken niet
beschikbaar.
Voorbeelden van paginabereiken
PaginabereikAfgedrukte pagina's
11-Pagina 11 tot de laatste pagina van het document.
-11Alle pagina's tot en met pagina 11.
+11Alleen pagina 11.
-+11Alle pagina's tot en met pagina 11.
+11-Alle pagina's vanaf de elfde pagina tot het einde van het
document.
1, 3-8,Pagina 1 plus pagina 3 tot en met 8.
+1, +3-+8,Pagina 1 plus pagina 3 tot en met 8.
Sec1Alle pagina's in de sectie met het label “Sec1”.
Sec2:7Pagina met nummer 7 (niet noodzakelijkerwijs de zevende pagina
van die sectie) in de sectie met het label “Sec2”.
Naar boven
Naar boven
Naar boven
PartB:7-Pagina met nummer 7 in de sectie met het label “PartB” tot aan
de laatste pagina van de sectie.
Chap2:7-Chap3Pagina 7 in de sectie met het label “Chap2” tot het einde van de
sectie met het label “Chap3”.
Sec4:3-Sec4:6, Sec3:7Pagina 3-6 in “Sec4” en pagina 7 in “Sec3”.
Opties voor het afdrukken van objecten
In het gebied Algemeen van het dialoogvenster Afdrukken staan opties voor het afdrukken van elementen die normaliter alleen zichtbaar zijn op
het scherm, zoals rasters en hulplijnen. Kies een van de volgende opties:
Lagen afdrukkenGeef op welke lagen er moeten worden afgedrukt. (Zie Kiezen welke lagen worden afgedrukt of naar PDF worden
geëxporteerd.)
Niet-afdrukbare objecten afdrukkenDrukt alle objecten af, ook als deze als niet-afdrukbaar zijn ingesteld.
Blanco pagina's afdrukkenDrukt alle pagina's in het opgegeven paginabereik af, zelfs als er geen tekst of objecten op de pagina staan. Deze
optie is niet beschikbaar als u scheidingen afdrukt. Als u de optie Boekje afdrukken gebruikt voor samengesteld afdrukken, kiest u de optie Blanco
printerspreads afdrukken als u blanco spreads als aanvulling op samengestelde inslagschema's wilt afdrukken.
Zichtbare hulplijnen en basislijnrasters afdrukkenDrukt zichtbare hulplijnen en rasters in dezelfde kleur af als in het document wordt
weergegeven. In het menu Weergave kunt u bepalen welke hulplijnen en rasters zichtbaar zijn. Deze optie is niet beschikbaar als u scheidingen
afdrukt.
Documenten met verschillende paginaformaten afdrukken
Het is mogelijk dat u pagina's van verschillende formaten afzonderlijk wilt afdrukken. Met een optie in het dialoogvenster Afdrukken kunt u
gemakkelijk een bereik opgeven waarmee alle pagina's van hetzelfde formaat in het document worden geselecteerd.
Voordat u een document met verschillende paginaformaten laat afdrukken, dient u de drukker te vragen of er speciale vereisten zijn. Als er
problemen optreden als u een document met verschillende paginaformaten probeert af te drukken, kunt u het opsplitsen in verschillende
documenten.
1. Kies Bestand > Afdrukken.
2. Schakel in het deelvenster Algemeen de optie Spreads in of uit om te bepalen of u pagina's of spreads wilt afdrukken.
Als een spread pagina's van verschillend formaat bevat, wordt het spreadformaat bepaald door de grootste breedte en hoogte
op de spread.
3. Als u alleen pagina's van dezelfde grootte wilt afdrukken, selecteert u een van de pagina's of spreads met de opties boven het
veld Bereik en klikt u op het paginapictogram .
In het veld Bereik worden alle pagina's of spreads van dat formaat weergegeven.
4. Herhaal deze procedure om pagina's van andere formaten af te drukken.
Opgeven welke pagina's moeten worden afgedrukt
U kunt een paginabereik opgeven aan de hand van absolute nummering (de positie van de pagina in het huidige document) of aan de hand van
sectie-/paginanummering (de sectie- en paginanummers die aan de pagina's zijn toegekend). Standaard gaan de dialoogvensters in InDesign uit
van de paginanummeringsindeling die in het dialoogvenster Voorkeuren is opgegeven.
Als Absolute nummering wordt geselecteerd, komen de nummers die u voor pagina's of paginabereiken opgeeft, overeen met
de absolute positie van pagina's in uw document. Een voorbeeld: als u de derde pagina van het document wilt afdrukken, moet
u “3” opgeven bij Bereik in het dialoogvenster Afdrukken.
Als Sectienummering in het dialoogvenster Voorkeuren wordt geselecteerd, kunt u pagina's en paginabereiken precies zo
opgeven zoals deze in de layout worden weergegeven, of u kunt voor absolute nummering kiezen. Een voorbeeld: als de
pagina met de aanduiding SecA:5 de vijftiende pagina in uw document is, kunt u deze afdrukken door in het dialoogvenster
Afdrukken “SecA:5” op te geven of door “+15” op te geven. Het “+”-teken geeft aan dat u de normale sectie- en
paginanummering wilt negeren en absolute paginanummering wilt gebruiken.
Als u niet zeker weet welke indeling u wilt als u paginanummers in het dialoogvenster Afdrukken opgeeft, kunt u de indeling overnemen die
onder in het documentvenster wordt weergegeven.
Het papierformaat en de afdrukstand opgeven
Er is een verschil tussen paginaformaat (zoals gedefinieerd in het dialoogvenster Documentinstelling voor uw document) en papierformaat (het vel
papier, het stuk film of het gebied van de drukplaat waarop u afdrukt). U kunt bijvoorbeeld het paginaformaat A4 (210 bij 297 mm) instellen, maar
afdrukken op een groter stuk papier of film omdat ruimte nodig is voor drukkersmarkeringen of het afloopgebied en de witruimte rond de pagina.
De papierformaten in InDesign komen uit het PPD-bestand (PostScript-printers) of het printerstuurprogramma (niet-PostScript-printers). Als de
printer en PPD die u voor PostScript-afdrukken hebt geselecteerd, aangepaste papierformaten ondersteunen, staat de optie Aangepast in het
menu Papierformaat.
De meeste imagesetters zijn geschikt voor de standaardpapierformaten, zoals Letter en Tabloid, en kunnen dwars (gekanteld) afdrukken (waarbij
de standaardpagina bij het afdrukken 90° wordt gedraaid). Bij deze stand worden de imagesettermedia doorgaans effectiever gebruikt.
Paginaformaat en stand voor imagesetters
A.US Letter (staand)B.Aangepast paginaformaat (staand)C.Letter (gekanteld)
De papierformaten zijn op 'normale' naam (bijvoorbeeld Letter) gesorteerd. De afmetingen geven de grenzen van het afbeeldingsgebied aan: het
totale papierformaat min een eventuele niet-afdrukbare rand die door de printer of imagesetter wordt gebruikt. De meeste laserprinters kunnen niet
tot aan de rand van een pagina afdrukken.
Als u een ander papierformaat selecteert (bijvoorbeeld, als u van Letter overstapt op Legal), worden de documenten opnieuw in het
voorvertoningsvenster geschaald. Het voorvertoningsvenster geeft het volledige afbeeldingsgebied van de geselecteerde pagina weer. Wanneer de
grootte van de voorvertoning wordt gewijzigd, wordt het venster automatisch aangepast aan het afbeeldingsgebied.
Opmerking: Het afbeeldingsgebied is afhankelijk van het PPD-bestand (zelfs voor standaardpapierformaten zoals Letter), omdat dit gebied door
de printer of imagesetter wordt gedefinieerd.
Vergelijking van een afgedrukte pagina in letter-formaat op een vel Letter, Letter.extra of Tabloid
Opmerking: De voorvertoning linksonder in het dialoogvenster Afdrukken geeft aan of er voldoende plaats is voor alle drukkersmarkeringen,
afloopgebieden en witruimte rond pagina's.
Het papierformaat en de afdrukstand opgeven
1. Kies Bestand > Afdrukken.
2. Kies een optie in het menu Papierformaat in het gedeelte Instellen van het dialoogvenster Afdrukken.
Zorg er echter wel voor dat het papierformaat groot genoeg is voor het document, de afloopgebieden en witruimte rond de
pagina's (indien van toepassing), en eventuele drukkersmarkeringen. Om imagesetterfilm of papier te besparen, kunt u het
beste het kleinste paginaformaat selecteren dat groot genoeg is voor de illustraties en de vereiste afdrukgegevens.
3. Klik op de knop Stand om het document op het medium te draaien.
Doorgaans zijn de afdrukstand die is ingesteld in Documentinstelling (Bestand > Documentinstelling) en de paginastand die is
ingesteld in het gedeelte Instellen van het dialoogvenster Afdrukken (beide Staand of beide Liggend), gelijk aan elkaar,
ongeacht of u op de normale manier of gekanteld afdrukt. Als u echter spreads afdrukt, kunt u een ander papierformaat en een
andere afdrukstand (bijvoorbeeld Liggend) kiezen zodat alle pagina's van een spread op één blad passen. Als u de
spreadweergave hebt geroteerd, wilt u wellicht de afdrukstand wijzigen om de spread correct af te drukken.
Afdrukstandknoppen
A. StaandB. LiggendC.Staand omkerenD.Liggend omkeren
Een aangepast papierformaat opgeven
Als u een printer hebt waarop meerdere papierformaten kunnen worden gebruikt, bijvoorbeeld een imagesetter met hoge resolutie, kunt u
aangepast papierformaat opgeven wanneer u gaat afdrukken. Deze optie is alleen in InDesign beschikbaar als de geselecteerde PPD aangepaste
papierformaten ondersteunt.
Het maximale aangepaste papierformaat dat u kunt opgeven, is afhankelijk van het maximale afbeeldingsgebied van de imagesetter. Raadpleeg
de documentatie bij de printer voor meer informatie.
Opmerking: De opties voor een aangepast papierformaat voor niet-PostScript-printers kunnen niet vanuit het dialoogvenster Afdrukken van
InDesign worden ingesteld. Als u deze printerspecifieke functies wilt instellen, klikt u op Instellen (Windows), Printer (Mac OS) of Pagina-instelling
(Mac OS) in het dialoogvenster Afdrukken van InDesign. Raadpleeg de documentatie van uw niet-PostScript-printer voor verdere informatie.
1. Kies Bestand > Afdrukken.
2. Als u een PostScript-bestand afdrukt, kiest u PostScript voor Printer in het gedeelte Algemeen van het dialoogvenster
Afdrukken. Vervolgens selecteert u het PPD-bestand dat aangepaste papierformaten ondersteunt.
3. Kies in het gedeelte Instellen van het dialoogvenster Afdrukken de optie Aangepast in het menu Papierformaat.
Opmerking: Als de optie Aangepast niet beschikbaar is, worden aangepaste papierformaten niet ondersteund door het PPD-
bestand dat u tijdens het instellen van de printer hebt geïnstalleerd.
4. Voer een van de volgende handelingen uit om de hoogte en breedte op te geven:
Als u InDesign het kleinste papierformaat wilt laten bepalen dat nodig is voor de inhoud van het document, de
drukkersmarkeringen, en het afloopgebied en de witruimte rond pagina, selecteert u Automatisch bij Breedte en Hoogte.
De standaardoptie Automatisch is eveneens de beste optie als u verschillende paginaformaten in een boek gebruikt en u
afdrukt op doorlopende media, zoals een filmrol of fotogevoelig papier.
Als u een groter formaat dan het standaardformaat op wilt geven, voert u de gewenste afmetingen in de tekstvakken
Breedte en Hoogte in. Voer een hogere waarde in. Bij een lagere waarde dan de standaardwaarden kan het document
worden bijgeknipt.
5. Als u de positie van de pagina op de film wilt wijzigen, voert u een waarde in bij Verschuiving.
Deze waarde bepaalt de lege ruimte links van het afbeeldingsgebied. Als u bijvoorbeeld een waarde van 30 punten bij de
optie Verschuiving invoert, wordt de pagina 30 punten naar rechts verschoven.
6. Om zowel het medium als de pagina-inhoud te roteren, selecteert u Gekanteld en klikt u op OK.
U kunt aanzienlijk besparen op film of papier als u Gekanteld in combinatie met Verschuiving gebruikt. Vergelijk de volgende
voorbeelden van een afbeelding die is afgedrukt met en zonder de optie Gekanteld.
Naar boven
Naar boven
Naar boven
Gekanteld niet geselecteerd (links) en Gekanteld geselecteerd (rechts)
A. VerschuivingswaardeB. TussenruimteC.Bespaarde film
7. Als u de afstand tussen afzonderlijke pagina's op wilt geven voor het afdrukken op doorlopende media, voert u een waarde in
bij Tussenruimte.
Kiezen welke lagen worden afgedrukt of naar PDF worden geëxporteerd
1. Als u de instellingen van Laag tonen of Laag afdrukken voor het document wilt bekijken of wijzigen, selecteert u een laag in
het deelvenster Lagen en kiest u Laagopties in het deelvenstermenu. Geef laagopties op en klik op OK.
2. Ga op een van de volgende manieren te werk:
Kies Bestand > Afdrukken en klik op Algemeen links in het dialoogvenster Afdrukken.
Kies Bestand > Exporteren, geef Adobe PDF op en klik op Opslaan. Klik op Algemeen links in het dialoogvenster Adobe
PDF exporteren.
3. Kies in het menu Lagen afdrukken of Lagen exporteren welke lagen u wilt afdrukken of in het PDF-bestand wilt opnemen:
Alle lagenHiermee worden alle lagen in het document afgedrukt of uitgevoerd, ook de verborgen en niet-afdrukbare lagen.
Zichtbare lagenHiermee worden alle zichtbare lagen afgedrukt, ook de lagen die in Laagopties als niet-afdrukbaar zijn
ingesteld.
Zichtbare & afdrukbare lagenHiermee worden alleen de lagen afgedrukt of uitgevoerd die zijn ingesteld om zowel te
worden weergegeven als te worden afgedrukt.
Afdrukken op niet-PostScript-printers
Het is mogelijk documenten op een niet-PostScript-printer af te drukken. Aangezien PostScript de standaardpaginabeschrijvingstaal voor
professioneel publiceren is, kunnen veel geavanceerde functies voor kleuren en afbeeldingen, zoals rasterfrequenties en kleurscheidingen, alleen
op PostScript-printers worden gereproduceerd. De meeste geïmporteerde grafische bestandsindelingen worden in een acceptabele kwaliteit
afgedrukt. Een document dat op een niet-PostScript-printer wordt afgedrukt, hoort eruit te zien zoals het op het scherm wordt weergegeven
wanneer u de voorvertoningsmodus hebt gekozen.
Er is software van andere leveranciers beschikbaar waarmee u PostScript-functies kunt toevoegen aan een niet-PostScript-printer. Neem
contact op met uw softwareleverancier voor informatie over beschikbaarheid en compatibiliteit.
Afdrukken als bitmap
Wanneer u op een niet-PostScript-printer afdrukt, kunt u tijdens het afdrukken alle illustraties rasteren. Gebruik deze optie wanneer u documenten
wilt afdrukken die complexe objecten bevatten, zoals objecten met vloeiende schaduwen en verlopen, omdat de kans op fouten dan kleiner is.
1. Kies Bestand > Afdrukken.
2. Selecteer Geavanceerd aan de linkerkant van het dialoogvenster Afdrukken.
3. Selecteer Afdrukken als bitmap.
Deze optie is alleen beschikbaar wanneer de printer door het printerstuurprogramma als een niet-PostScript-printer wordt
aangegeven. Als deze optie in Mac OS 10.3 of hoger wordt geselecteerd voor niet-PostScript-printers, wordt er in InDesign in
PostScript afgedrukt, waarmee vervolgens de afbeeldingen op de pagina's door Mac OS en het stuurprogramma worden
weergegeven. In Windows worden de geavanceerde kleur- en afbeeldingsfuncties waarschijnlijk niet goed omgezet als deze
optie niet is geselecteerd.
4. Geef een resolutie voor het afdrukken van bitmaps op.
Naar boven
De uitvoerresolutie kan worden beperkt door de resolutie van het printerstuurprogramma. De kwaliteit van de uitvoer is het
beste als u de resolutie van het niet-PostScript-printerstuurprogramma gelijk of hoger instelt dan de uitvoerresolutie die in het
dialoogvenster Afdrukken van InDesign is ingesteld.
Voorvertoning van documenten bekijken
Controleer voordat u op een PostScript-printer afdrukt of de documentpagina's op het gekozen papierformaat passen. Een voorvertoning
linksonder in het dialoogvenster Afdrukken geeft aan of de instellingen voor papier en de afdrukstand geschikt zijn voor het paginaformaat.
Wanneer u verschillende opties in het dialoogvenster Afdrukken selecteert, wordt de voorvertoning dynamisch bijgewerkt met nieuwe
afdrukinstellingen.
1. Kies Bestand > Afdrukken.
2. Klik linksonder in het dialoogvenster Afdrukken op de voorvertoningsafbeelding.
De voorvertoning kent drie weergaven:
StandaardweergaveGeeft de relatie van een documentpagina ten opzichte van het medium aan. In deze weergave ziet u de effecten van diverse
opties (zoals papierformaat) op het afbeeldingsgebied, het afloopgebied en de witruimte rondom de pagina, paginamarkeringen, enzovoort,
evenals de effecten van de optie Naast elkaar en de miniatuurweergave.
Vier verschillende instellingen, in de standaardweergave, om pagina's passend te maken.
A. StandaardB. SpreadsC. AfdrukstandD.2x2 miniaturen
TekstweergaveGeeft een overzicht van de numerieke waarden voor bepaalde afdrukinstellingen.
Weergave van aangepaste pagina's of losse vellenGeeft de effecten van diverse afdrukinstellingen weer, afhankelijk van het paginaformaat.
Bij aangepaste paginaformaten ziet u hoe de media op het aangepaste uitvoerapparaat passen, wat de maximale ondersteunde media-afmetingen
van het uitvoerapparaat zijn en welke instellingen voor Verschuiving, Tussenruimte en Gekanteld zijn geselecteerd. Bij losse vellen zoals Letter en
Tabloid geeft de voorvertoning de relatie tussen afbeeldingsgebied en mediagrootte aan.
In beide weergaven wordt in de voorvertoning de uitvoermodus ook aangeduid met een pictogram: Scheidingen , Samengesteld grijs ,
Samengesteld CMYK of Samengesteld RGB .
Weergave voor aangepaste pagina's (links) en weergave voor losse vellen (rechts)
A.Richting van mediadoorvoerB.Gekanteld niet geselecteerdC. PapierformaatD. MediaE.Afdrukbaar gebiedF. Media
Naar boven
Naar boven
Een printer instellen
Met InDesign kunt u zowel op PostScript® (Level 2 en 3)- als op niet-PostScript-printers afdrukken met behulp van de nieuwste
printerstuurprogramma's. Als u op een PostScript-printer afdrukt, gebruikt InDesign informatie van een PPD-bestand (PostScript Printer
Description) om te bepalen welke instellingen in het dialoogvenster Afdrukken moeten worden weergegeven.
Volg deze basisstappen als u een printer wilt instellen:
Installeer het nieuwste printerstuurprogramma voor uw uitvoerapparaat. Raadpleeg de documentatie van het
besturingssysteem voor nadere instructies.
Selecteer voor PostScript-afdrukken een PPD-bestand wanneer u uw printer instelt.
Over printerstuurprogramma's
Met behulp van een printerstuurprogramma hebt u rechtstreeks via de toepassingen op uw computer toegang tot de functies van uw printer. Alleen
als u over het juiste stuurprogramma beschikt, hebt u toegang tot alle functies die een bepaalde printer ondersteunt.
Adobe raadt aan het nieuwste stuurprogramma dat voor uw besturingssysteem beschikbaar is, te installeren.
Functies van printerstuurprogramma openen
Printerstuurprogramma's bieden mogelijk ondersteuning voor functies die niet in InDesign zijn opgenomen, zoals duplexafdrukken. Ondersteuning
voor deze functies is afhankelijk van het stuurprogramma dat u hebt. Raadpleeg de leverancier van de printer voor meer informatie.
Als u instellingen voor een bepaalde printer wilt opgeven, is het goed te weten dat InDesign via de volgende knoppen in het dialoogvenster
Afdrukken van InDesign toegang tot het printerstuurprogramma biedt. (Deze opties zijn niet beschikbaar wanneer u een PostScript-bestand
afdrukt.)
InstellenIn Windows opent deze knop het dialoogvenster Afdrukken.
Pagina-instellingIn Mac OS opent deze knop het standaard Mac OS-dialoogvenster Pagina-instelling.
PrinterIn Mac OS opent deze knop het standaard Mac OS-dialoogvenster Afdrukken.
Opmerking: Sommige afdrukfuncties van InDesign staan zowel in de dialoogvensters van het printerstuurprogramma als in het dialoogvenster
Afdrukken van InDesign. U krijgt het beste resultaat als u deze instellingen alleen in het dialoogvenster Afdrukken van InDesign opgeeft. In dat
geval probeert InDesign de instellingen te synchroniseren. Als dat niet lukt, worden de instellingen van het stuurprogramma genegeerd. Sommige
functies van het printerstuurprogramma (bijvoorbeeld N-up afdrukken waarmee u dezelfde illustratie meerdere keren op dezelfde pagina afdrukt)
kunnen niet worden gecombineerd met InDesign-functies zoals scheidingen en leiden tot minder goede afdrukken.
Een PPD-bestand selecteren
Een PPD-bestand (PostScript Printer Description) heeft invloed op het gedrag van het stuurprogramma van uw specifieke PostScript-printer. Het
bevat informatie over het uitvoerapparaat, zoals de lettertypen in de printer, de beschikbare mediumformaten en de afdrukstand, geoptimaliseerde
rasterfrequenties, rasterhoeken, resolutie en functies voor kleurendruk. Het is belangrijk het juiste PPD-bestand te gebruiken wanneer u gaat
afdrukken. Wanneer u de PPD voor uw PostScript-printer of imagesetter selecteert, staan de beschikbare instellingen voor uw uitvoerapparaat in
het dialoogvenster Afdrukken. Indien nodig kunt u een andere PPD gebruiken die beter aan uw behoeften voldoet. Op basis van de informatie in
het PPD-bestand wordt bepaald welke PostScript-informatie bij het afdrukken naar de printer wordt verzonden.
Voor kwalitatief goede afdrukken raadt Adobe aan contact op te nemen met de leverancier van het uitvoerapparaat voor het meest recente PPD-
bestand. Veel afdrukservicebureaus en drukkers beschikken over een PPD voor de imagesetters waarmee zij werken. Sla de PPD's op de locatie
op die door het besturingssysteem is opgegeven. Raadpleeg de documentatie bij het besturingssysteem voor meer informatie.
In Windows en in Mac OS selecteert u een PPD-bestand zoals u een printer toevoegt. De procedure waarmee u een PPD-bestand selecteert,
verschilt per platform. Raadpleeg de documentatie van het besturingssysteem voor nadere instructies.
Afdrukvoorinstellingen gebruiken
Als u regelmatig op verschillende printers afdrukt of verschillende soorten afdruktaken gebruikt, kunt u de afdruktaken automatiseren door alle
uitvoerinstellingen als voorinstellingen voor het afdrukken op te slaan. Met behulp van voorinstellingen voor afdrukken kunt u afdruktaken waarvoor
u veel opties in het dialoogvenster Afdrukken nauwkeurig moet instellen, snel en accuraat uitvoeren.
U kunt voorinstellingen voor het afdrukken opslaan en laden. Zo kunt u er makkelijker reservekopieën van maken of de voorinstellingen doorsturen
naar uw servicebureaus, klanten of collega's in uw werkgroep.
U kunt voorinstellingen voor afdrukken maken en bekijken in het dialoogvenster Voorinstellingen afdrukken.
Afdrukvoorinstellingen maken
Ga op een van de volgende manieren te werk:
Kies Bestand > Afdrukken, pas de afdrukinstellingen aan en klik op Voorinstelling opslaan. Typ een naam of gebruik de
standaardnaam en klik op OK. Met deze methode wordt de voorinstelling opgeslagen in het voorkeurenbestand.
Kies Bestand > Voorinstellingen afdrukken > Definiëren en klik op Nieuw. Typ in het dialoogvenster dat wordt geopend, een
nieuwe naam of gebruik de standaardnaam, pas de afdrukinstellingen aan en klik op OK. U gaat terug naar het dialoogvenster
Voorinstellingen afdrukken. Klik nogmaals op OK.
Afdrukvoorinstellingen toepassen
1. Kies Bestand > Afdrukken.
2. Kies een afdrukvoorinstelling in het menu Voorinstellingen afdrukken. Bevestig desgewenst de printerinstellingen in het
dialoogvenster Afdrukken.
3. Klik op Afdrukken.
Opmerking: In InDesign kunt u ook afdrukken met een afdrukvoorinstelling als u een voorinstelling kiest via Bestand > Voorinstellingen
afdrukken.
Afdrukvoorinstellingen bewerken
Ga op een van de volgende manieren te werk:
Kies Bestand > Afdrukken, pas de afdrukinstellingen aan en klik op Voorinstelling opslaan. Typ in het dialoogvenster
Voorinstelling opslaan een naam of gebruik de huidige naam. (Als de huidige naam de naam is van een bestaande
voorinstelling, worden de instellingen hiervan overschreven.) Klik op OK.
Kies Bestand > Voorinstellingen afdrukken > Definiëren, selecteer een voorinstelling in de lijst en klik op Bewerken. Pas de
afdrukinstellingen aan en klik op OK om terug te gaan naar het dialoogvenster Voorinstellingen afdrukken. Klik nogmaals op
OK.
U kunt de standaardvoorinstelling bewerken op de hierboven beschreven manier.
Afdrukvoorinstellingen verwijderen
1. Kies Bestand > Voorinstellingen afdrukken > Definiëren.
2. Selecteer een of meer voorinstellingen in de lijst en klik op Verwijderen. Houd Shift ingedrukt terwijl u klikt als u aangrenzende
voorinstellingen wilt selecteren. Houd Ctrl (Windows) of Command (Mac OS) ingedrukt en klik om niet-aangrenzende
voorinstellingen te selecteren.
Meer Help-onderwerpen
Adobe Print Resource Center
Juridische kennisgevingen | Onlineprivacybeleid
Afbeeldingen en lettertypen afdrukken
Naar boven
Naar boven
Naar boven
Opties voor het afdrukken van afbeeldingen
Opties voor het downloaden van lettertypen naar een printer
De afdrukopties van PostScript
Opties voor het weglaten van afbeeldingen
Opties voor het afdrukken van afbeeldingen
Kies in het gedeelte Grafisch van het dialoogvenster Afdrukken een van de volgende opties voor de verwerking van afbeeldingen tijdens de
uitvoer.
Gegevens verzendenBepaalt hoeveel afbeeldingsgegevens in geplaatste bitmapafbeeldingen worden verzonden naar de printer of het bestand.
AllesVerzendt gegevens met maximale resolutie, geschikt voor afdrukken met hoge resolutie of voor het afdrukken van grijstinten of
kleurenafbeeldingen met een hoog contrast, zoals bij zwart-wittekst met één steunkleur. Voor deze optie is de meeste schijfruimte nodig.
Geoptimaliseerde subsampling Verzendt precies voldoende afbeeldingsgegevens om de afbeelding af te drukken met de optimale resolutie
voor het uitvoerapparaat. (Een printer met hoge resolutie heeft meer gegevens nodig dan een desktopmodel met lage resolutie.) Selecteer deze
optie wanneer u met afbeeldingen met hoge resolutie werkt, maar drukproeven maakt met een desktopprinter.
Opmerking: InDesign voert geen subsample uit op EPS- of PDF-afbeeldingen, zelfs niet als de optie Geoptimaliseerde subsampling is
ingeschakeld.
ProxyVerzendt schermresolutieversies (72 dpi) van geplaatste bitmapafbeeldingen, waardoor er sneller wordt afgedrukt.
Geen Verwijdert tijdelijk alle afbeeldingen bij het afdrukken en vervangt deze door afbeeldingskaders met een kruis erin, waardoor het afdrukken
sneller verloopt. Afbeeldingskaders hebben dezelfde afmetingen als de geïmporteerde afbeeldingen en de knippaden worden behouden zodat u
nog steeds de grootte en positie kunt controleren. Geïmporteerde afbeeldingen drukt u niet af wanneer u bijvoorbeeld tekstproefafdrukken wilt
maken voor editors of proeflezers. Afdrukken zonder afbeeldingen is ook nuttig wanneer u de oorzaak van een afdrukprobleem probeert vast te
stellen.
Opties voor het downloaden van lettertypen naar een printer
Printerlettertypen zijn lettertypen die zijn opgeslagen in het geheugen van de printer of op een vaste schijf die op de printer is aangesloten. Type
1- en TrueType-lettertypen kunnen op de printer of op de computer worden opgeslagen. Bitmaplettertypen worden alleen op de computer
opgeslagen. InDesign downloadt lettertypen wanneer dat nodig is, mits deze op de vaste schijf van de computer zijn geïnstalleerd.
Kies in het gedeelte Grafisch van het dialoogvenster Afdrukken uit de volgende opties om te bepalen hoe lettertypen naar de printer worden
gedownload.
GeenNeemt in het PostScript-bestand een verwijzing naar het lettertype op, waardoor de RIP of een postprocessor weet waar het lettertype moet
worden opgenomen. Selecteer deze optie als de lettertypen zich in de printer bevinden. Gebruik een van de andere opties voor het downloaden
van lettertypen, zoals Subset of PPD-lettertypen downloaden om ervoor te zorgen dat lettertypen correct worden geïnterpreteerd.
VolledigDownloadt aan het begin van de afdruktaak alle lettertypen die nodig zijn voor het document. Alle glyphs en tekens in het lettertype
worden opgenomen, ook als zij niet in het document worden gebruikt. InDesign vervangt automatisch lettertypen waarin meer dan het
maximumaantal glyphs (tekens) is opgenomen dan in het dialoogvenster Voorkeuren is opgegeven.
SubsetDownloadt alleen de in het document gebruikte tekens (glyphs). Glyphs worden één keer per pagina gedownload. Met deze optie wordt
doorgaans sneller afgedrukt en zijn PostScript-bestanden kleiner bij documenten van één pagina of bij korte documenten met weinig tekst.
PPD-lettertypen downloadenDownloadt alle lettertypen die in het document worden gebruikt, ook als deze in de printer zijn geïnstalleerd.
Gebruik deze optie om te zorgen dat InDesign de lettertypecontouren op de computer gebruikt voor het afdrukken van veelgebruikte lettertypen,
zoals Helvetica en Times. Met deze optie kunt u versieproblemen met lettertypen oplossen, zoals niet-overeenkomende tekensets op de computer
en de printer, of contourvariaties bij overvulling. U hoeft deze optie echter niet te gebruiken voor het afdrukken van concepten, tenzij u regelmatig
uitgebreide tekensets gebruikt.
De afdrukopties van PostScript
Kies in het deelvenster Grafisch van het dialoogvenster Afdrukken uit de volgende opties om te bepalen hoe PostScript-informatie naar de printer
moet worden verzonden.
PostScript Definieert het niveau van compatibiliteit met de interpreters in PostScript-uitvoerapparatuur.
GegevensindelingGeeft aan hoe InDesign de afbeeldingsgegevens van de computer naar een printer verzendt. ASCII wordt als ASCII-tekst
verzonden, die compatibel is met oudere netwerken en parallelle printers, en doorgaans de beste keuze is voor afbeeldingen die op meerdere
platforms worden gebruikt. Met Binair exporteert u als binaire code, die compacter is dan ASCII maar niet met alle systemen compatibel is.
Opmerking: InDesign kan de gegevensindeling die door grafische EPS- of DCS-bestanden wordt gebruikt, niet altijd veranderen. Als u
Naar boven
problemen hebt met het binair verzenden van gegevens, kunt u in de brontoepassing een andere gegevensindeling voor de grafische EPS- of
DCS-bestanden proberen.
Opties voor het weglaten van afbeeldingen
Met de OPI-opties in het gedeelte Geavanceerd kunt u specifieke soorten geïmporteerde afbeeldingen weglaten wanneer u afbeeldingsgegevens
naar een printer of een bestand verzendt, waarbij alleen de OPI-koppelingen (opmerkingen) voor latere verwerking door een OPI-server
overblijven.
Vervanging OPI-afbeelding InDesign kan EPS-proxy's met lage resolutie bij het uitvoeren vervangen door afbeeldingen met hoge resolutie. Het
vervangen van OPI-afbeeldingen werkt alleen als het EPS-bestand OPI-opmerkingen bevat die de proxy-afbeelding met lage resolutie koppelen
aan de afbeelding met hoge resolutie. InDesign moet toegang hebben tot de afbeeldingen waaraan de OPI-opmerkingen zijn gekoppeld. Als de
versies met hoge resolutie niet beschikbaar zijn, worden de OPI-koppelingen behouden en de proxy's met lage resolutie opgenomen in het
exportbestand. Schakel deze optie uit als u de OPI-gekoppelde afbeeldingen later in de workflow wilt laten vervangen door een OPI-server.
Weglaten voor OPIHiermee kunt u specifieke typen geïmporteerde afbeeldingen (EPS, PDF en bitmapafbeeldingen) weglaten wanneer u
afbeeldingsgegevens naar een printer of een bestand verzendt, waarbij alleen de OPI-koppelingen (opmerkingen) voor latere verwerking door een
OPI-server overblijven. De opmerkingen bevatten de informatie die nodig is om een afbeelding met een hoge resolutie op een OPI-server te
vinden. InDesign neemt alleen de opmerkingen op. Het prepress-bureau moet bij het vervangen toegang hebben tot de oorspronkelijke afbeelding
met hoge resolutie op een server. De optie Weglaten voor OPI geldt niet voor ingesloten afbeeldingen.
Meer Help-onderwerpen
Juridische kennisgevingen | Onlineprivacybeleid
Boekjes afdrukken
Naar boven
Impositie op een document toepassen voor het afdrukken van een boekje
Knepen
Een overzicht van boekje afdrukken bekijken
Problemen bij het afdrukken van boekjes oplossen
Impositie op een document toepassen voor het afdrukken van een boekje
Met de functie Boekje afdrukken kunt u printerspreads voor professioneel drukwerk maken. Als u bijvoorbeeld een brochure van 8 pagina's
bewerkt, worden de pagina's in de juiste volgorde weergegeven in het layoutvenster. In printerspreads kan het echter zijn dat pagina 2 naast
pagina 7 wordt geplaatst, zodat de pagina's in de juiste volgorde komen te staan als ze worden afgedrukt op hetzelfde vel papier en daarna
worden gevouwen en gesorteerd.
De pagina's staan in dezelfde volgorde als in het layoutvenster, maar worden zo afgedrukt dat ze bij het vouwen en inbinden de juiste volgorde
hebben.
Het omzetten van layoutspreads in printerspreads wordt impositie genoemd. Tijdens het toepassen van impositie op pagina's kunt u de afstand
tussen pagina's, marges, afloopgebied en kneep wijzigen. De layout van uw InDesign-document wordt hier niet door gewijzigd, omdat de impositie
volledig verwerkt wordt door de afdrukworkflow. Er worden geen pagina's in het document verplaatst of geroteerd.
Opmerking: U kunt niet een nieuw document maken op basis van de opgemaakte pagina's. Als uw document meerdere paginaformaten bevat,
kunt u bovendien de optie Boekje afdrukken niet gebruiken om een document op te maken.
1. Kies Bestand > Boekje afdrukken.
2. Als een voorinstelling van de printer de gewenste instellingen heeft, kiest u deze voorinstelling in het menu
Afdrukvoorinstelling.
Als u de afdrukinstellingen (de afdrukinstellingen in het dialoogvenster Afdrukken) van het huidige document wilt gebruiken,
kiest u Huidige documentinstellingen in het menu Afdrukvoorinstelling.
3. Selecteer Bereik in het gedeelte Instelling als u impositie niet wilt toepassen op het hele document. Bepaal vervolgens welke
pagina's u in de impositie wilt opnemen.
Gebruik afbreekstreepjes als scheidingstekens tussen paginanummers en komma's als scheidingstekens voor niet-
opeenvolgende paginanummers. Als u bijvoorbeeld 3-7, 16 typt, wordt de impositie op de pagina's 3 t/m 7 en 16 toegepast
Opmerking: Als u het document hebt onderverdeeld in secties met paginanummers, moet u de paginanummers voor de
sectie (bijvoorbeeld Sec2:11) opgeven in het veld Bereik.
4. U wijzigt de instellingen, zoals de drukkersmarkeringen en de kleuruitvoer, door te klikken op Afdrukinstellingen. Wijzig met de
opties links waar nodig instellingen en klik vervolgens op OK.
5. Geef in het dialoogvenster Boekje afdrukken de overige instellingen voor het boekje op en klik op Afdrukken.
Opmerking: Het aantal pagina's in een boekje is altijd een veelvoud van vier. Als u naar een PDF-printer afdrukt, worden lege pagina's in de
PDF ingevoegd om het boekje te maken.
Typen boekjes
U kunt uit drie typen impositie kiezen: 2-up geniet, 2-up garenloos gebonden en Opeenvolgend.
2-up genietMet deze optie maakt u uit twee pagina's bestaande, naast elkaar geplaatste printerspreads. Deze printerspreads zijn geschikt om
aan beide zijden afgedrukt en gesorteerd, gevouwen en geniet te worden. Zonodig worden aan het einde van het voltooide document blanco
pagina's toegevoegd. De opties Ruimte tussen pagina's, Afloopgebied tussen pagina's en Grootte handtekening (inslagschema) zijn niet
beschikbaar (worden grijs weergegeven) wanneer de optie 2-up geniet is ingeschakeld.
Het maken van printerspreads voor een uit 24 pagina's bestaande nieuwsbrief in zwart-wit met gebruik van de stijl 2-up geniet resulteert in twaalf
spreads.
2-up garenloos bindenGebruik deze optie voor uit twee pagina's bestaande, naast elkaar geplaatste printerspreads die binnen de opgegeven
inslagschemagrootte passen. Deze printerspreads zijn geschikt om aan beide zijden afgedrukt en op formaat gesneden te worden en om
gebonden te worden aan een omslag met behulp van lijm. Als het aantal pagina's waar impositie op toegepast moet worden, niet evenredig
verdeeld kan worden door de inslagschemagrootte, voegt InDesign het vereiste aantal lege pagina's toe aan het eind van het voltooide document.
2-up garenloos binden verdeeld in vier inslagschema's
Als u een zwart-witbrochure met een kleurenomslag wilt maken, kunt u twee afzonderlijke imposities creëren op basis van hetzelfde document:
één voor de voorzijde van de omslag, de binnenzijde van de voorzijde van de omslag, de binnenzijde van de achterzijde van de omslag en de
achterzijde van de omslag zelf en één voor de 24 pagina's in de brochure. Klik om het kleureninslagschema te produceren, op Bereik in het gebied
Pagina's van het deelvenster Layout en typ 1-2, 27-28 (of andere nummers die naar de sectie verwijzen). Typ 3-26 in het tekstvak Bereik om de
zwart-witte binnenkant te produceren.
Boekje van 28 pagina's met een omslag in kleur
A.Kleureninslagschema voor omslagB.Zwart-witte binnenpagina
OpeenvolgendMaakt een uit twee, drie of vier pagina's bestaand paneel dat geschikt is voor een uitvouwbare folder of brochure. De opties
Afloopgebied tussen pagina's, Kneep en Grootte handtekening (inslagschema) zijn niet beschikbaar (worden grijs weergegeven) wanneer de optie
Opeenvolgend is ingeschakeld.
Als u bijvoorbeeld printerspreads wilt maken voor een traditionele, driedubbelgevouwen brochure met zes panelen, kiest u 3-up opeenvolgend.
Waarschijnlijk bent u er aan gewend in drieën gevouwen brochures in te stellen als één pagina met drie verschillende kolommen. Met InBooklet-
impositie kunt u gewoon pagina's creëren in het formaat van elk deelvenster.
3-up opeenvolgend
Opties voor afstand, afloopgebied en marges voor het afdrukken van boekjes
U kunt de volgende opties in het gedeelte Instelling van het dialoogvenster Boekje afdrukken instellen.
Ruimte tussen pagina'sGeeft de ruimte op tussen de pagina's (de rechterzijde van de linkerpagina en de linkerzijde van de rechterpagina). U
kunt met uitzondering van het type Geniet voor alle andere typen boekjes een waarde voor Ruimte tussen pagina's opgeven.
Als u voor garenloos gebonden documenten een kneep met een negatieve waarde kiest, is de minimale waarde voor de ruimte tussen pagina's
gelijk aan de breedte van de kneepwaarde. Als u handmatig inslagschema's maakt (bijvoorbeeld wanneer er verschillende stocks voorkomen in
hetzelfde document), kunt u een waarde voor de ruimte tussen de pagina's opgeven om een kneepbeginwaarde in te stellen voor spreads die bij
verschillende inslagschema's horen.
Afloopgebied tussen pagina'sBepaalt de hoeveelheid ruimte die u nodig hebt om de pagina-elementen beslag te laten leggen op de
tussenruimte in Garenloos binden-printerspreadstijlen. Deze optie wordt soms crossover genoemd. In dit veld kan een waarde tussen 0 en de helft
van de ruimte tussen de pagina's worden ingevoerd. U kunt deze optie alleen opgeven als de optie 2-up garenloos binden is ingeschakeld.
KneepHiermee geeft u de hoeveelheid ruimte op die nodig is voor de dikte van het papier en om het inslagschema te kunnen vouwen.
Doorgaans zult u een negatieve waarde opgeven om een ingeduwd effect te creëren. U kunt een kneep opgeven voor de typen boekjes 2-up
geniet en 2-up garenloos gebonden. (Zie Knepen.)
Grootte handtekening (inslagschema)Geeft het aantal pagina's in elk inslagschema aan voor 2-up garenloos gebonden-documenten. Als het
aantal pagina's waar impositie op moet worden toegepast, niet evenredig kan worden verdeeld door de waarde bij grootte inslagschema, voegt
Naar boven
Naar boven
Naar boven
InDesign het vereiste aantal blanco pagina's toe aan het eind van het document.
Automatisch aanpassen aan tekens en afloopgebiedHiermee worden de marges berekend voor het opgeven van het afloopgebied en de
andere ingestelde drukkersmarkeringen. De velden onder Marges zijn grijs (niet beschikbaar) wanneer deze optie is ingeschakeld. In deze velden
staan de werkelijke waarden waarmee de tekens en de afloopgebieden worden aangepast. Als u deze optie uitschakelt, kunt u de margewaarden
handmatig aanpassen.
MargesBepaalt de hoeveelheid ruimte die de printerspread na het uitsnijden omgeeft. Als u de opties Boven, Onder, Links en Rechts afzonderlijk
wilt instellen, schakelt u de optie Automatisch aanpassen aan tekens en afloopgebied uit en verhoogt u de waarden voor meer ruimte tussen de
standaardtekens en -afloopgebieden. (Bij lagere waarden bestaat de kans dat de tekens en het afloopgebied worden uitgeknipt.) U kunt voor alle
typen boekjes margewaarden opgeven.
Blanco printerspreads afdrukkenAls het aantal pagina's waar impositie op moet worden toegepast, niet evenredig kan worden verdeeld door de
waarde bij grootte inslagschema, voegt InDesign het vereiste aantal blanco pagina's toe aan het eind van het document. Gebruik deze optie als u
wilt bepalen of die blanco spreads aan het einde document wel of niet moeten worden afgedrukt. Het afdrukken van de overige blanco pagina's in
het document wordt geregeld door de optie Blanco pagina's afdrukken in het dialoogvenster Afdrukken.
Knepen
Kneep verwijst naar de afstand die pagina's bij de rug vandaan geplaatst worden, waarbij rekening gehouden moet worden met de dikte en het
vouwen van het papier voor geniete en garenloos gebonden documenten. InDesign beschouwt de “omslag” van het uiteindelijke werk als de
buitenste printerspread, terwijl de “centerfold” beschouwd wordt als de binnenste printerspread. De term blad verwijst naar twee printerspreads: de
voorzijde van het blad en de achterzijde van het blad. De kneepverhoging wordt berekend door de opgegeven kneepwaarde te delen door het
aantal bladen min één.
Als u een positieve kneepwaarde opgeeft, wordt de centerfold niet aangepast, maar worden de pagina's verder van de rug vandaan verplaatst. Als
u een negatieve kneepwaarde opgeeft, wordt de centerfold niet aangepast, maar worden de pagina's dichter naar de rug toe verplaatst.
Een uit zestien pagina's bestaand InDesign-document zou dus bijvoorbeeld acht printerspreads of vier bladen opleveren. De voorzijde van het
eerste blad bevat de eerste printerspread (pagina's 16 en 1), terwijl de achterzijde van het eerste blad de tweede printerspread bevat (pagina's 2
en 15).
Als de kneepwaarde in dit voorbeeld 24 punten is (extra groot ter verduidelijking), wordt de kneep in stappen van 8 punten per blad verhoogd (24
gedeeld door 3). De hoeveelheid kneep die op het binnenste blad toegepast wordt, bedraagt 24 punten; de hoeveelheid kneep die op het derde
blad toegepast wordt, bedraagt 16 punten en de hoeveelheid kneep die op het tweede blad toegepast wordt, bedraagt 8 punten. Er wordt geen
kneep toegepast op het eerste buitenste blad.
De hoeveelheid kneep voor elk opeenvolgend blad wordt verlaagd met de kneepverhoging. Met andere woorden: elke pagina in het binnenste blad
wordt met 12 punten (de helft van de kneepwaarde van 24 punten voor dit blad) verplaatst (bij de rug vandaan), elke pagina van het derde blad
wordt met 8 punten (de helft van de kneepwaarde van 16 punten voor dit blad) verplaatst en elke pagina op het tweede blad wordt met 4 punten
(de helft van de kneepwaarde van 8 punten voor dit blad) bij de rug vandaan verplaatst.
Een overzicht van boekje afdrukken bekijken
U kunt het gedeelte Voorvertoning van het dialoogvenster InBooklet gebruiken voor het evalueren van kleurenminiaturen van de printerspreads die
zijn gemaakt door de impositiestijl die u hebt geselecteerd. U ziet ook de drukkersmarkeringen die u hebt geselecteerd in het dialoogvenster
Afdrukken.
1. Kies Bestand > Boekje afdrukken.
2. Ga als volgt te werk:
Klik op Voorvertoning links in het dialoogvenster Afdrukken. U kunt door de printerspreads bladeren door op de
schuifpijltjes te klikken. Klik op de naar links wijzende schuifpijl om in omgekeerde volgorde door de spreads te bladeren.
U kunt ook het schuifvakje slepen om printerspreads te wijzigen.
Klik op Overzicht links in het dialoogvenster Afdrukken voor een overzicht van de huidige instellingen van het boekje. Klik
onder in het gedeelte Overzicht om te controleren of er conflicterende instellingen zijn.
Als u op Afdrukinstellingen klikt en de instellingen in het dialoogvenster Afdrukken wijzigt, kunt u in het gedeelte Voorvertoning het effect van
uw wijzigingen bekijken.
Problemen bij het afdrukken van boekjes oplossen
Houd bij het afdrukken van boekjes rekening met de onderstaande punten.
Kan geen nieuw document makenU kunt geen nieuw InDesign-document maken met de opgemaakte pagina's. U kunt het opgemaakte
document afdrukken of een PDF-bestand maken.
Lege pagina's worden niet opgenomenU kunt lege pagina's in het midden van een document toevoegen om ervoor te zorgen dat er voldoende
pagina's voor elke printerspread zijn. Als deze pagina's echter geen tekst of objecten bevatten, worden ze mogelijk niet herkend en worden er
extra lege pagina's aan het einde van het document toegevoegd. Als u er zeker van wilt zijn dat de door u toegevoegde pagina's in het
opgemaakte document worden opgenomen, klikt u in het dialoogvenster Boekje afdrukken op Afdrukinstellingen, selecteert u Blanco pagina's
afdrukken en klikt u op OK.
Dubbelzijdige pagina's afdrukken zonder duplexprinterGebruik de opties Alleen oneven pagina's of Alleen even pagina's in Adobe Acrobat of
InDesign. Nadat één set is afgedrukt, draait u de bedrukte vellen papier om, plaatst u het papier weer in de printer en drukt u de resterende
pagina's af. U bereikt de beste resultaten door een proefafdruk van het document te maken om te bepalen in welke richting en volgorde de
pagina's in de printer moeten worden geplaatst.
Juridische kennisgevingen | Onlineprivacybeleid
Drukkersmarkeringen en afloopgebieden
Naar boven
Naar boven
Drukkersmarkeringen opgeven
Afloopgebied of witruimte afdrukken
De paginapositie op het medium wijzigen
Drukkersmarkeringen opgeven
Wanneer u een document gereedmaakt om af te drukken, heeft de drukker een aantal markeringen nodig om te bepalen waar het papier dient te
worden gesneden, de scheidingsfilms dienen te worden uitgelijnd voor het maken van proefafdrukken, de film dient te worden gemeten voor een
juiste kalibratie en puntdensiteit, enzovoort. Bij elke optie voor paginamarkering die wordt geselecteerd, worden de paginagrenzen aangepast aan
de drukkersmarkeringen, het afloopgebied (het gedeelte van de tekst of objecten dat buiten de pagina valt en dat het resultaat is van een kleine
onnauwkeurigheid tijdens het afsnijden), of witruimte rond pagina (een gebied buiten de pagina en het afloopgebied met afdrukinstructies of
informatie over taakoverdracht).
Als u snijtekens instelt en wilt dat in de illustratie een afloopgebied of witruimte wordt opgenomen, dient u ervoor te zorgen dat de illustratie de
snijtekens overschrijdt. Ook moet het medium groot genoeg zijn om de pagina en alle drukkersmarkeringen, het afloopgebied en de witruimte rond
pagina's te kunnen bevatten. Als een document te groot is voor het medium, kunt u met de optie Paginapositie in het gedeelte Instellen van het
dialoogvenster Afdrukken bepalen waar de items moeten worden afgesneden.
Als u de optie Snijtekens selecteert, worden vouwtekens als ononderbroken lijnen afgedrukt wanneer u spreads afdrukt.
Drukkersmarkeringen
A. SnijtekensB. RegistratietekenC. Pagina-informatieD. KleurenbalkenE. AfloopmarkeringenF.Witruimte rond pagina
1. Kies Bestand > Afdrukken.
2. Klik op Tekens en afloopgebied links in het dialoogvenster Afdrukken.
3. Selecteer Alle drukkersmarkeringen of de afzonderlijke markeringen.
Afloopgebied of witruimte afdrukken
Het afloopgebied en de witruimte moeten worden opgegeven in het dialoogvenster Documentinstelling. Het afloopgebied en de witruimte worden
verwijderd als het document wordt verkleind tot het uiteindelijke paginaformaat. Objecten buiten het afloopgebied of de witruimte (al naar gelang
welke het verst doorloopt) worden niet afgedrukt.
Bij het afdrukken kunt u de standaardlocatie voor aflooptekens overschrijven in het gedeelte Afloopgebied en witruimte rond pagina van het
gedeelte Tekens en afloopgebied.
Bij bestanden die in de PostScript-bestandsindeling worden opgeslagen, kan met een nabewerkingsprogramma een variabel afloopgebied worden
ingevoegd.
1. Kies Bestand > Afdrukken.
2. Klik op Tekens en afloopgebied links in het dialoogvenster Afdrukken.
3. Selecteer Alle drukkersmarkeringen of de afzonderlijke markeringen.
4. Als u de afloopinstellingen in het dialoogvenster Documentinstelling wilt overschrijven, moet u het selectievakje
Afloopinstellingen van document gebruiken uitschakelen en waarden invoeren (0 t/m 15 cm) voor Boven, Onder, Links en
Naar boven
Rechts (voor niet-dubbelzijdige documenten) of voor Boven, Onder, Binnen en Buiten (voor dubbelzijdige documenten met
pagina's naast elkaar). Klik op het pictogram Maak alle instellingen gelijk als u de verschuiving evenredig over alle zijden
van de pagina wilt uitbreiden
5. Klik op Witruimte rond pagina opnemen als u objecten wilt afdrukken op basis van de witruimte die in het dialoogvenster
Documentinstelling is ingesteld.
Voordat u gaat afdrukken, kunt u een voorvertoning van het afloopgebied en de witruimte weergeven door onder aan de gereedschapsset op
het pictogram voor de modus Afloopgebied of op het pictogram voor de modus Witruimte rond pagina te klikken. (Deze kunnen worden
verborgen door het pictogram Voorvertoningsmodus .)
Opties voor tekens en afloopgebied
In het gedeelte Tekens en afloopgebied staan de volgende opties:
Alle drukkersmarkeringenSelecteert alle drukkersmarkeringen, zoals snijtekens, aflooptekens, registratietekens, kleurenbalken en pagina-
informatie.
SnijtekensVoegt zeer dunne (haarlijn) horizontale en verticale lijnen toe die aangeven waar de pagina moet worden afgesneden. Met snijtekens
kan ook worden aangegeven waar een kleurscheiding met een andere kleurscheiding moet worden geregistreerd (uitgelijnd). Door deze samen
met aflooptekens te gebruiken kunt u overlappende tekens selecteren.
AflooptekensVoegt zeer dunne lijnen (haarlijn) toe die de extra ruimte buiten het gedefinieerde paginaformaat aangeven.
RegistratiemarkeringenHiermee worden buiten het paginagebied kleine 'doelen' toegevoegd voor het uitlijnen van de verschillende scheidingen
in een kleurendocument.
KleurenbalkenVoegt kleine gekleurde vierkantjes toe die de CMYK-inkten en tinten van grijs (in stappen van 10%) aangeven. Het prepress-
bureau gebruikt deze markeringen om de inktdensiteit op de drukpers aan te passen.
Pagina-informatieDrukt linksonder op elk vel papier of elke film in 6-punts Helvetica de bestandsnaam, het paginanummer, de juiste datum en tijd
en de naam van de kleurscheiding af. Hiervoor is een ruimte van 1,3 cm nodig.
TypeHiermee kunt u de standaarddrukkersmarkeringen of aangepaste tekens selecteren (bijvoorbeeld voor Japanse pagina's). U kunt
aangepaste drukkersmarkeringen maken of aangepaste tekens gebruiken die door een ander bedrijf zijn gemaakt.
DikteGeeft de mogelijke dikten voor de lijnen van snijtekens en aflooptekens weer.
VerschuivenBepaalt op welke afstand van de rand van de pagina (niet van het afloopgebied) de drukkersmarkeringen worden geplaatst.
Standaard worden door InDesign de drukkersmarkeringen op 6 punten van de rand van de pagina geplaatst. Als u wilt voorkomen dat de
drukkersmarkeringen in een afloopgebied worden geplaatst, moet u voor Verschuiving een grotere waarde opgeven dan voor Afloopgebied.
De paginapositie op het medium wijzigen
Wanneer u een document afdrukt op een los vel dat groter is dan het documentformaat, kunt u bepalen waar de afloopgebieden, de
drukkersmarkeringen en de pagina op het medium worden geplaatst. Gebruik hiervoor de opties bij Paginapositie in het gedeelte Instellen van het
dialoogvenster Afdrukken. Als een document niet op het medium past en moet worden bijgesneden, kunt u aangeven welk deel van het document
moet worden bijgesneden. De voorvertoning in het dialoogvenster Afdrukken laat het effect daarvan zien.
Opmerking: Als u het afloopgebied, de witruimte en drukkersmarkeringen wilt weergeven, gebruikt u de optie Aanpassen aan pagina in plaats
van Paginapositie, omdat geschaalde pagina's altijd worden gecentreerd. De opties voor Paginapositie zijn niet beschikbaar wanneer Aanpassen
aan pagina, Miniaturen of Naast elkaar is geselecteerd.
Kies in het gedeelte Instellen van het dialoogvenster Afdrukken een positie in het menu Paginapositie.
Meer Help-onderwerpen
Juridische kennisgevingen | Onlineprivacybeleid
Afdrukken van scheidingen voorbereiden
Naar boven
Naar boven
Scheidingen maken
Een document gereedmaken voor kleurscheidingen
Steunkleuren uitvoeren
De equivalente proceskleur van een steunkleur weergeven
Een object op alle kleurplaten afdrukken
Verlopen als kleurscheidingen afdrukken
Een samengesteld document afdrukken
Kleurscheidingen vooraf bekijken
Klik op onderstaande koppelingen voor gedetailleerde informatie en instructies.
Scheidingen maken
Om kleurenafbeeldingen en beelden met ongerasterde halftonen te kunnen maken, scheidt de drukker illustraties gewoonlijk in vier platen, één
plaat voor elk cyaan (C), geel (Y), magenta (M) en zwart (B) gedeelte van de afbeelding. Wanneer de platen met de juiste inkt worden bedekt en
met elkaar in het register worden gedrukt, wordt de oorspronkelijke illustratie in kleur gedrukt. Het proces waarbij de afbeelding wordt gescheiden
in twee of meer kleuren, heet kleuren scheiden. De films op basis waarvan de platen worden gemaakt, worden scheidingen genoemd.
Samengesteld (links) en scheidingen (rechts)
Workflows scheiden
Adobe InDesign CS4 ondersteunt twee algemene PostScript-workflows. Het verschil tussen beide is de plaats waar de scheidingen worden
gemaakt: op de hostcomputer (het systeem met InDesign en het printerstuurprogramma) of op de RIP (raster image processor) van het
uitvoerapparaat. Een ander alternatief is de PDF-workflow.
Scheidingen op een hostIn de traditionele, voorgescheiden workflow op een host maakt InDesign PostScript-informatie voor elk van de
benodigde scheidingen voor het document en stuurt deze gegevens naar het uitvoerapparaat.
In-RIP-scheidingenIn de nieuwere, op RIP gebaseerde workflow voert een nieuwe generatie PostScript RIP's kleurscheidingen, overvullingen en
zelfs kleurbeheer op de RIP uit. De hostcomputer blijft zo beschikbaar voor andere taken. Bij deze methode kan InDesign het bestand sneller
genereren en wordt de hoeveelheid over te brengen gegevens voor een afdruktaak tot een minimum beperkt. In plaats van bijvoorbeeld
PostScript-gegevens voor vier of meer pagina's te verzenden om op de host gebaseerde kleurscheidingen af te drukken, worden nu de PostScript-
gegevens voor een enkel samengesteld PostScript-bestand voor verwerking op de RIP verstuurd.
Op www.adobe.com/go/vid0089_nl vindt u een videodemo over het gereedmaken van bestanden voor uitvoer. Een afdrukhandleiding voor
prepress-servicebureaus (PDF-bestand) vindt u op www.adobe.com/go/learn_id_prepress_wp_nl.
Een document gereedmaken voor kleurscheidingen
1. Corrigeer eventuele kleurproblemen in de illustratie.
2. Stel overdrukopties in.
3. Maak overvulinstructies voor het compenseren van verkeerde registraties op de drukpers.
4. Kleurscheidingen op het scherm weergeven.
Opmerking: Het is raadzaam stap 1-4 uit te voeren, maar voor het maken van kleurscheidingen zijn deze stappen niet
noodzakelijk.
5. Kies Bestand > Afdrukken om het dialoogvenster Afdrukken te openen.
Naar boven
Naar boven
Naar boven
Naar boven
Naar boven
6. Als u een voorinstelling met de juiste scheidingsinstellingen hebt gemaakt, selecteert u deze voorinstelling in het menu
Voorinstellingen afdrukken boven in het dialoogvenster Afdrukken.
7. Kies een printer of PostScript-bestand in het menu Printer.
8. Als u afdrukt naar een PostScript-bestand, kiest u PPD voor het apparaat dat de scheidingen gaat uitvoeren.
9. Om de bestaande afdrukopties te bekijken of te wijzigen klikt u op een sectienaam links in het dialoogvenster Afdrukken.
10. Voordat u het document bij een prepress-bureau aflevert, moet u een proefafdruk van de scheidingen maken.
11. Druk de scheidingen af of sla ze op.
Steunkleuren uitvoeren
U kunt behalve proceskleuren ook aangepaste inkten, de zogenaamde steunkleuren, gebruiken. Als u met de vier proceskleuren bijvoorbeeld een
illustratie met zwarte tekst en een blauwgroene tekening maakt, zou u nu ook twee steunkleuren kunnen gebruiken, namelijk zwart en zuiver
groen. Bovendien kunt u met steunkleuren kleuren produceren die niet met CMYK-inkten zijn te maken, zoals vernissen, fluorescerende kleuren of
metallic kleuren. Bovendien kunt u twee of meer steunkleuren mengen of steunkleuren mengen met proceskleuren om zo gemengde inkten te
maken.
U kunt illustraties kleuren met proceskleuren, steunkleuren of met beide typen kleuren. Bij het drukken van scheidingen kunt u steunkleuren
omzetten naar hun equivalente proceskleur, zodat ze ook op de CMYK-platen worden gedrukt.
De equivalente proceskleur van een steunkleur weergeven
1. Selecteer de steunkleur in het deelvenster Stalen.
2. Kies CMYK in het menu van het deelvenster Kleur.
De waarden van de CMYK-equivalenten van de steunkleur staan in het deelvenster Kleur.
Ook kunt u in het deelvenster Stalen de aanwijzer op de steunkleur plaatsen. De formule voor de kleur wordt vervolgens als gereedschapstip
weergegeven.
Een object op alle kleurplaten afdrukken
Als u in het drukproces een object op alle platen, waaronder ook de steunkleurplaten, wilt afdrukken, voegt u registratiekleuren aan het object toe.
Registratiekleuren worden gebruikt voor snijtekens en interne snijtekens. Voor een samengestelde uitvoer worden objecten waarop registratiekleur
is toegepast, afgedrukt als C 100, M 100, Y 100 en K 100. Voor scheidingen worden deze objecten als 100% op elke plaat afgedrukt.
1. Selecteer de objecten waarop u de registratiekleur wilt toepassen.
2. Kies Venster > Stalen.
3. Klik in het deelvenster Stalen op de staal van de registratiekleur .
Verlopen als kleurscheidingen afdrukken
Houd het volgende in gedachten als u scheidingen voor documenten met verlopen gaat maken:
Een verloop dat in InDesign is gemaakt en een combinatie van steun- en proceskleuren bevat, wordt verdeeld op de proces-
en de steunplaten.
Een verloop dat proceskleuren bevat, wordt gescheiden op de procesplaten.
Een verloop dat twee tinten van dezelfde steunkleur bevat, wordt op een enkele steunkleurplaat gescheiden.
Wanneer u een verloop wilt maken dat op een enkele film wordt gescheiden in een steunkleur en wit, maakt u een
verloopvulling tussen de steunkleur en het staal Papier in het deelvenster Stalen.
Als u een verloop tussen twee steunkleuren maakt, moet u deze steunkleuren verschillende rasterhoeken geven. De reden
hiervoor is, dat wanneer twee steunkleuren dezelfde rasterhoek hebben, zij elkaar zullen overdrukken. Neem contact op met
een prepress-bureau als u niet precies weet welke hoeken u het beste kunt gebruiken.
Een samengesteld document afdrukken
U kunt een samengestelde-kleurafdruk of een proefdruk met samengesteld grijs maken om de kleuren van het document te controleren. Voordat u
de (dure) definitieve scheidingen gaat afdrukken, kunt u met een samengestelde afbeelding de layout ontwerpen en controleren.
Wanneer InDesign een samengestelde afbeelding afdrukt, worden alle kleuren in het bestand op één plaat afgedrukt, ongeacht of er aparte kleuren
zijn geselecteerd.
Houd bij het afdrukken van samengestelde afbeeldingen rekening met het volgende:
Naar boven
Geen enkele proefafdruk is de exacte weergave van het uiteindelijke resultaat, maar u kunt de nauwkeurigheid aanzienlijk
verbeteren door alle apparaten waarmee u een document maakt, zoals scanners, monitoren en printers, te kalibreren. Als de
apparaten zijn gekalibreerd, kunt u met het kleurbeheersysteem voorspelbare en consistente kleuren produceren.
Als u overdrukopties in het document hebt geselecteerd, worden deze correct afgedrukt op een printer die overdrukken
ondersteunt. Aangezien de meeste desktopprinters overdrukken niet ondersteunen, kunt u de effecten van overdrukken
simuleren door Overdruk simuleren in het gedeelte Uitvoer van het dialoogvenster Afdrukken te selecteren.
Belangrijk: Met Overdruk simuleren worden steunkleuren voor het afdrukken omgezet naar proceskleuren. Selecteer deze
optie niet als u een bestand voor scheidingen op een RIP of voor de uiteindelijke afdruk wilt gebruiken.
Wanneer u op een zwart-witprinter afdrukt, genereert InDesign van de pagina's een samengestelde versie met grijstinten. Als
het document kleuren bevat, worden visueel correcte grijstinten afgedrukt om die kleuren te simuleren. De grijstint die
bijvoorbeeld een 20%-geeltint simuleert, is lichter dan die voor een 20%-zwarttint, omdat geel lichter is dan zwart.
Als u een boek afdrukt met hoofdstukken die conflicterende steuninkten of overvulstijlen bevatten, kunt u deze instellingen in
het hoofddocument door InDesign laten synchroniseren.
Gebruikt u kleurbeheer bij de functie Boek, dan moet u voor elk document in het boek dezelfde instellingen voor kleurbeheer
opgeven in het dialoogvenster Kleurinstellingen.
Opmerking: Net als bij monitoren varieert de kwaliteit van kleurenreproductie aanzienlijk bij kleurenprinters. Daarom zijn drukproeven van het
servicebureau de beste manier om te controleren hoe het eindproduct eruit komt te zien.
Kleurscheidingen vooraf bekijken
U kunt een voorvertoning van kleurscheidingen, dekkingslimieten en overdrukken weergeven door gebruik te maken van het deelvenster
Voorvertoning scheidingen. Door scheidingen op het beeldscherm weer te geven, kunt u de volgende zaken controleren:
Vernissen en andere coatingsAangezien vernissen transparant zijn, zijn deze moeilijk op het scherm te zien. Als u een vernisscheiding op
zichzelf als voorvertoning weergeeft, worden de gebieden met vernis zwart weergegeven.
Verzadigd zwartDoor voorbeelden van scheidingen weer te geven, kunt u gebieden herkennen die in verzadigd zwart, of in de proceskleur zwart
(K) gemengd met kleurinkten worden weergegeven om zo een betere dekking en rijkere kleur te realiseren.
InktdekkingTe veel inkt op papier kan tot droogproblemen lijden. Vraag de drukker naar de maximale inktdekking van de drukpers waarop wordt
afgedrukt. Vervolgens kunt u het document als voorbeeld weergeven en bepalen bij welke gebieden de inktdekking de limieten van de pers
overschrijdt.
OverdrukkenU kunt een voorvertoning weergeven van hoe overvloeiing, transparantie en overdrukken in kleurgescheiden uitvoer wordt
weergegeven.
Opmerking: Ook kunt u de effecten van overdrukken zien als u het document op een samengesteld afdrukapparaat uitvoert. Dit is nuttig als u
kleurscheidingen wilt controleren.
Alhoewel u met het weergeven van een voorvertoning problemen in een vroeg stadium aan het licht kunt brengen zonder dat u kosten hoeft te
maken voor het afdrukken van scheidingen, kunt u geen voorvertoning weergeven van overvullingen, emulsieopties, drukkersmarkeringen, en
halftoonrasters en resolutie. Raadpleeg de drukker en vraag hem deze instellingen te controleren aan de hand van integrale proefdrukken of
overlay-proefdrukken.
Opmerking: Objecten op verborgen lagen worden niet in een voorvertoning op het scherm weergegeven.
Voorvertoning van scheidingsplaten bekijken
1. Kies Venster > Uitvoer > Voorvertoning scheidingen.
2. Bij Weergave kiest u Scheidingen.
3. Ga als volgt te werk:
Klik op de naam van de gewenste scheiding als u slechts één scheiding wilt weergeven en alle andere scheidingen wilt
verbergen. Standaard worden dekkingsgebieden zwart weergegeven. Als u dit wilt wijzigen, dient u in het deelvenstermenu
de optie Individuele platen in zwart tonen uit te schakelen.
Klik als u een of meerdere scheidingen wilt weergeven op het lege vakje links naast elke scheidingsnaam. Elke scheiding
wordt in de toegewezen kleur weergegeven.
Als u een of meerdere scheidingen wilt verbergen, klikt u op de desbetreffende oogpictogrammen links van de
scheidingsnamen.
Klik op het CMYK-pictogram als u alle procesplaten tegelijk wilt weergeven.
Als u alle scheidingen tegelijk wilt weergeven, klikt u op de aanwijzer en sleept u deze over alle oogpictogrammen (of lege
vakjes) naast de scheidingsnamen.
Het deelvenster Voorvertoning scheidingen kan ook met sneltoetsen worden gebruikt.
Voorbeeld van een enkele scheiding (links) en meerdere scheidingen (rechts)
Een voorvertoning van inktdekking weergeven
1. Kies Venster > Uitvoer > Voorvertoning scheidingen.
2. Bij Weergave kiest u Inktlimiet. Geef een waarde op voor de maximale inktdekking in het vak naast het menu Weergave.
(Vraag de drukker naar de juiste waarde.)
3. Controleer de inktdekking in de voorvertoning van het document. Gebieden die de limiet voor inktdekking overschrijden,
worden in roodtinten weergegeven (donkerrode gebieden overschrijden de limiet voor inktdekking meer dan lichtrode
gebieden). Alle andere gebieden worden in grijstinten weergegeven.
Gebieden die de aangegeven maximale inktdekking overschrijden worden in rood weergegeven.
4. Als u de dekking in een bepaald gebied wilt controleren, laat u de aanwijzer op het desbetreffende gebied in het document
zweven. De percentages van de inktdekking worden in het deelvenster naast de inktnaam weergegeven.
U kunt de inktdekking aanpassen door bepaalde steunkleuren om te zetten naar proceskleuren. Bewerk de grafische bestanden in hun
brontoepassing als u de inktdekking van geplaatste grafische bestanden wilt aanpassen.
Terugkeren naar de normale weergave
1. Kies Venster > Uitvoer > Voorvertoning scheidingen.
2. Bij Weergave kiest u Uit.
Meer Help-onderwerpen
Video over het gereedmaken van bestanden voor uitvoer
Juridische kennisgevingen | Onlineprivacybeleid
Inktopties voor overvulling aanpassen
Naar boven
Naar boven
Neutrale densiteit van inktkleuren aanpassen
Overvullen voor speciale inkten aanpassen
De volgorde van overvulling aanpassen
Neutrale densiteit van inktkleuren aanpassen
U kunt de ND-waarden van inkt (neutrale densiteit) die door de geselecteerde overvulengine worden gebruikt, aanpassen en zo de exacte
plaatsing van overvullingen bepalen. De standaard ND-waarden voor procesinkten zijn gebaseerd op de neutrale-densiteitwaarden van
procesinktstalen volgens de verschillende nationale industriestandaarden. De taalversie bepaalt welke standaard wordt toegepast. Zo komen de
ND-waarden voor de Amerikaanse en Canadese versie overeen met de densiteitswaarden voor effen inktkleuren volgens de SWOP
(Specifications for Web Offset Publications) van de Graphic Arts Technical Foundation of North America. U kunt de neutrale densiteit van
procesinkten aanpassen zodat deze overeenstemmen met de standaarden van de offsetindustrie die in andere landen gelden.
De overvulengine ontleent de ND-waarden voor een steunkleur aan het CMYK-equivalent van die kleur. Voor de meeste steunkleuren zijn de ND-
waarden van hun CMYK-equivalenten nauwkeurig genoeg voor een correcte overvulling. Voor steunkleuren die niet gemakkelijk kunnen worden
gesimuleerd met behulp van proceskleuren, zoals metallic inkten en vernissen, moeten de ND-waarden worden aangepast zodat de overvulengine
deze kleuren op de juiste manier kan overvullen. Door nieuwe waarden in te voeren, zorgt u ervoor dat een inkt die waarneembaar donkerder of
lichter is ook op die manier door de overvulengine wordt weergegeven. De juiste overvulling wordt dan automatisch toegepast.
Neem contact op met een drukker voor de correcte ND-waarde voor een bepaalde inktkleur. De meest nauwkeurige methode voor het bepalen
van de ND-waarde van een inkt is het meten van een staal van de inkt met een professionele densitometer. Meet de 'V-waarde' (visuele densiteit)
van de inktkleur (gebruik geen procesfilters). Als de waarde verschilt van de standaardinstelling, typt u de nieuwe waarde in het tekstvak ND.
Opmerking: Als u de neutrale densiteit van een steunkleur wijzigt, heeft dit alleen effect op de manier waarop de overvulling van de kleur wordt
toegepast. Het heeft geen enkel effect op de weergave van deze kleur in het document.
Houd u aan de volgende richtlijnen als u ND-waarden gaat aanpassen:
Metallic en dekkende inktenMetallic inkten zijn doorgaans donkerder dan hun CMYK-equivalenten, terwijl dekkende inktkleuren ervoor zorgen
dat de onderliggende inkten donkerder worden gemaakt. U moet de ND-waarden voor beide steunkleuren veel hoger dan hun standaardwaarden
instellen om te voorkomen dat deze steunkleuren worden uitgestreken.
Opmerking: Als u in het menu Type van Inktbeheer een inktkleur instelt op Dekking of Dekking negeren (Dekkend negeren in InDesign), loopt
een dekkende inktkleur niet door in de andere kleuren, tenzij een andere dekkende inktkleur een hogere ND-waarde heeft.
PastelinktenDeze inkten zijn gewoonlijk lichter dan hun equivalente proceskleuren. Voor deze inkten kunt u het beste de ND-waarde lager
instellen dan hun standaardwaarden om ervoor te zorgen dat deze overlopen in de aangrenzende donkerdere kleuren.
Andere steunkleurinktenBepaalde steunkleurinkten, zoals turquoise of lichtgevend oranje, zijn beduidend donkerder of lichter dan hun CMYK-
equivalenten. U kunt nagaan of dit werkelijk zo is door de afgedrukte stalen van de corresponderende steuninkten te vergelijken met de afgedrukte
stalen van hun CMYK-equivalenten. U kunt de ND-waarde van de steunkleurinkt zo hoog of zo laag als nodig instellen.
Overvullen voor speciale inkten aanpassen
Bij bepaalde inkten moet u er rekening mee houden dat er op een andere manier moet worden overgevuld. Als u bijvoorbeeld een vernis gebruikt,
wilt u niet dat deze invloed heeft op de overvullingsberekeningen. Gaat u echter bepaalde zones overdrukken met een volledig dekkende inkt, dan
hoeft u geen overvulling voor de onderliggende items te maken. In dergelijke gevallen kunt u de inktopties gebruiken. Wijzig de
standaardinstellingen alleen na overleg met uw prepress-bureau.
Opmerking: De speciale inkten en vernissen die in het document worden gebruikt, kunnen zijn gemaakt door twee steunkleurinkten te mengen of
door een steunkleurinkt met een of meer procesinkten te mengen.
1. Open Inktbeheer en selecteer de inkt waarvoor een speciale behandeling nodig is.
2. Kies onder Type een van de volgende opties en klik op OK:
NormaalGebruik deze optie voor traditionele proceskleurinkten en de meeste steunkleurinkten.
TransparantGebruik deze optie voor heldere inkten om overvulling van onderliggende items toe te passen. Gebruik deze
optie voor vernissen en verfinkten.
DekkingGebruik deze optie voor zware, niet-transparante inkten zodat er voor onderliggende kleuren geen overvulling wordt
toegepast, maar langs de randen van de inkt wel. Gebruik deze optie voor metallic inkten.
Dekking negerenGebruik deze optie voor zware niet-transparante inkten om ervoor te zorgen dat er geen overvulling wordt
toegepast op onderliggende kleuren en langs de randen van de inkt. Gebruik deze optie voor de metaalkleurige inkten en
vernissen die een ongewenste reactie met andere inkten geven.
Naar boven
De volgorde van overvulling aanpassen
De overvulvolgorde komt overeen met de volgorde waarin inkten op de drukpers worden afgedrukt, maar niet met de volgorde waarin scheidingen
worden geproduceerd op het uitvoerapparaat.
De overvulvolgorde is vooral van belang wanneer u met meerdere dekkende kleuren gaat afdrukken, zoals metallic inkten. Dekkende inkten met
een lager volgordenummer worden uitgestreken onder dekkende inkten met een hoger volgordenummer. Zo voorkomt u dat de inkt die het laatst is
aangebracht, wordt uitgestreken en behoudt u toch een naadloze overvulling.
Opmerking: Wijzig de standaardinktvolgorde niet zonder eerst contact te hebben opgenomen met uw prepress-bureau.
1. Open Inktbeheer. De huidige overvulvolgorde staat in de kolom Volgorde van de inktlijst.
2. Selecteer een inkt, typ een waarde voor Volgorde overvulling en druk op Tab. Het volgordenummer van de geselecteerde inkt
wordt gewijzigd, waarna de volgordenummers van de andere inkten overeenkomstig worden gewijzigd.
3. Herhaal de vorige stap voor alle inkten waarvan u de volgorde wilt aanpassen en klik op OK.
Meer Help-onderwerpen
Juridische kennisgevingen | Onlineprivacybeleid
PostScript- en EPS-bestanden maken
Naar boven
Naar boven
PostScript- of EPS-bestanden maken
De juiste methode kiezen voor het maken van een PostScript-bestand
Over apparaat- en stuurprogramma-afhankelijke PostScript-bestanden
Een apparaatonafhankelijk PostScript-bestand maken
Een apparaatafhankelijk PostScript-bestand met InDesign maken
Een document maken met behulp van een PostScript-printerstuurprogramma (Windows)
Een PostScript-bestand maken met behulp van een PostScript-printerstuurprogramma (Mac OS)
Pagina's naar de EPS-indeling exporteren
Klik op onderstaande koppelingen voor gedetailleerde informatie en instructies.
PostScript- of EPS-bestanden maken
U kunt een document op een printer afdrukken maar u kunt ook een PostScript-beschrijving van het document opslaan als een .PS-bestand, dat
kan worden afgedrukt op printers op afstand, bijvoorbeeld bij een prepress-servicebureau. Een servicebureau kan een .PS-bestand rechtstreeks
naar de imagesetter sturen. PostScript-bestanden zijn doorgaans groter dan de oorspronkelijke InDesign-documenten omdat de afbeeldingen en
lettertypen zijn ingesloten.
Ook kunt u een documentpagina of spread naar een EPS-bestand (Encapsulated PostScript) exporteren en deze in andere toepassingen plaatsen.
De juiste methode kiezen voor het maken van een PostScript-bestand
U kunt uw InDesign-document of -boek als drie typen PostScript-bestanden opslaan: apparaatonafhankelijk, apparaatafhankelijk of apparaat- en
stuurprogramma-afhankelijk.
In de volgende tabellen staan aanbevolen printerstuurprogramma's en uitvoermethoden voor optimale resultaten met naverwerkingsprogramma's
en InDesign. Als uw document moet worden verwerkt door een OPI-server of een prepress-toepassing voor impositie, overvulling of andere
toepassingen voordat het op een RIP wordt afgedrukt, kiest u PostScript®-bestand in het menu Printer van het dialoogvenster Afdrukken van
InDesign. Op die manier heeft InDesign volledige controle over de DSC-uitvoer. Voor afdrukken op desktopprinters gebruikt u een ondersteund
PostScript-printerstuurprogramma.
In de tabellen is gebruikgemaakt van asterisks om aan de relatieve geschiktheid van elke methode voor prepress-bestanden aan te geven:
***Het PostScript-bestand is volledig DSC-compatibel en zeer geschikt voor een breed scala aan naverwerkingstoepassingen, RIP's en
workflows. Deze methode is de beste algemene keuze voor toepassingen die van DSC afhankelijk zijn.
**Het PostScript-bestand is grotendeels DSC-compatibel en over het algemeen geschikt voor een breed scala aan naverwerkingstoepassingen,
RIP's en workflows. Voor bepaalde toepassingen die sterk van DSC afhankelijk zijn, zijn compatibiliteitsproblemen mogelijk.
Printerselectie: PostScript®-bestand
BesturingssysteemPPDPrepress-geschiktheid
Alle platformsApparaatonafhankelijk***
Apparaatafhankelijk***
Er wordt geen printerstuurprogramma gebruikt als de printerselectie “PostScript®-bestand” is.
Het PPD-bestand dat door de geselecteerde printer wordt gebruikt, wordt weergegeven in het PPD-tekstvak boven in het dialoogvenster
Naar boven
Naar boven
Naar boven
Afdrukken.
Over apparaat- en stuurprogramma-afhankelijke PostScript-bestanden
Selecteer een printer en een ondersteund stuurprogramma in het menu Printer. Een apparaat- en stuurprogramma-afhankelijk PostScript-bestand
heeft de volgende kenmerken:
Het is stuurprogramma-afhankelijk. Het PostScript-bestand bevat code die door InDesign en het stuurprogramma wordt
gegenereerd. De InDesign-code wordt vooral gebruikt voor de pagina-inhoud, zoals het downloaden van lettertypen, en voor
het instellen van basisinformatie over het apparaat, zoals mediaformaat, resolutie en rastering. Het stuurprogramma stelt
speciale stuurprogrammafuncties in, zoals watermerken, en activeert of bestuurt de speciale apparaatfuncties. Aangezien
InDesign geen volledige controle heeft over het maken van het PostScript-bestand, is het niveau van DSC-geschiktheid niet zo
hoog als bij stuurprogramma-onafhankelijke PostScript-bestanden. Het niveau van DSC-geschiktheid en dus de geschiktheid
van het PostScript-bestand voor prepress-taken is afhankelijk van het printerstuurprogramma dat u gebruikt.
Het is apparaatafhankelijk. Dit betekent dat het code bevat voor het inschakelen en besturen van specifieke apparaatfuncties,
waardoor het minder compatibel is met andere apparaten dan het doelapparaat.
Het bestand kan zijn samengesteld of zijn gescheiden (alle methoden voor kleurenuitvoer die door InDesign worden
ondersteund, zijn beschikbaar).
Overvulling kan door InDesign (met het ingebouwde overvulprogramma of Adobe In-RIP overvulling) worden uitgevoerd.
Het bestand kan rechtstreeks op het apparaat of naar een bestand worden afgedrukt.
Een apparaat- en stuurprogramma-afhankelijk PostScript-bestand is ideaal voor ontwerpers die er drukproeven mee kunnen maken op PostScript-
printers. Het kan ook worden gebruikt door prepress-bureaus die buiten InDesign of het RIP-systeem geen prepress-taken op het document willen
uitvoeren. Met andere woorden, als er overvulling wordt uitgevoerd, gebeurt dit in InDesign of op de RIP.
Een apparaatonafhankelijk PostScript-bestand maken
Selecteer PostScript-bestand in het menu Bestand en klik op Apparaatonafhankelijk in het menu PPD. Een apparaatonafhankelijk PostScript-
bestand heeft de volgende kenmerken:
Het is 100% DSC-compatibel, waardoor het ideaal is voor naverwerkingstaken zoals opmaak en overvullen.
Alle apparaat- en stuurprogramma-afhankelijke gegevens worden verwijderd zodat het bestand op bijna alle uitvoerapparaten
kan worden afgedrukt. Speciale printerfuncties uit PPD-bestanden, zoals beeldbelichting, beschikbare mediaformaten en
geoptimaliseerde rasterfrequenties, zijn echter niet beschikbaar bij apparaatonafhankelijke uitvoer.
De kleurenuitvoer is altijd Samengesteld CMYK maar bevat ook steunkleuren. Daarom moet de kleurenuitvoer worden
gescheiden in een naverwerkingsprogramma of de RIP met in-RIP-scheidingen).
In InDesign kan er geen overvulling op worden toegepast. Dit moet plaatsvinden op de RIP of met een
naverwerkingsprogramma.
Het bestand kan vanuit InDesign alleen naar een bestand worden afgedrukt en niet direct naar een apparaat of toepassing.
Een apparaatonafhankelijk PostScript-bestand is ideaal voor samengestelde prepress-workflows waarbij later in het
productieproces (bijvoorbeeld bij de impositie, tijdens het overvullen of op de RIP als het uitvoerapparaat in-RIP-scheidingen
ondersteunt) overvulling en scheiding worden toegepast op het bestand.
1. Kies Bestand > Afdrukken.
2. Kies PostScript-bestand bij Printer in het dialoogvenster Afdrukken.
3. Kies Apparaatonafhankelijk bij PPD.
4. Bekijk of wijzig de bestaande afdrukinstellingen. Aan de hand van het huidige paginabereik wordt het PostScript-bestand
gemaakt.
5. Klik op Opslaan.
6. Geef een naam en locatie op en klik op Opslaan.
Een apparaatafhankelijk PostScript-bestand met InDesign maken
Selecteer PostScript-bestand in het menu Printer en selecteer een PPD-bestand. Een apparaatafhankelijk PostScript-bestand heeft de volgende
kenmerken:
Het is 100% DSC-compatibel, waardoor het ideaal is voor naverwerkingstaken zoals opmaak en overvullen.
Het bevat een beschrijving van alle gegevens in het document, zoals informatie over gekoppelde bestanden, geoptimaliseerde
rasterfrequenties, resolutie en beschikbare mediaformaten die zijn aangepast aan het geselecteerde uitvoerapparaat.
Alle stuurprogramma-afhankelijkheden worden verwijderd.
Naar boven
Naar boven
Naar boven
Het bestand kan zijn samengesteld of zijn gescheiden. Alle methoden voor kleurenuitvoer die door InDesign worden
ondersteund, zijn beschikbaar. (In-RIP-scheidingen zijn beschikbaar als de PPD en het uitvoerapparaat deze ondersteunen.)
Overvulling kan door InDesign (met het ingebouwde overvulprogramma of Adobe In-RIP overvulling) worden uitgevoerd.
Het bestand kan vanuit InDesign alleen naar een bestand worden afgedrukt en niet direct naar een apparaat of toepassing.
Een apparaatafhankelijk PostScript-bestand is ideaal bij workflows vóór scheiding of overvulling, waarbij overvulling in InDesign wordt toegepast
met behulp van automatische of Adobe In-RIP overvulfuncties.
1. Kies Bestand > Afdrukken.
2. Kies PostScript-bestand bij Printer in het dialoogvenster Afdrukken.
3. Kies de PPD voor het uiteindelijke uitvoerapparaat.
4. Bekijk of wijzig de bestaande afdrukinstellingen. Aan de hand van het huidige paginabereik wordt het PostScript-bestand
gemaakt.
5. Klik op Opslaan.
6. Geef een naam en locatie op en klik op Opslaan.
Een document maken met behulp van een PostScript-printerstuurprogramma (Windows)
1. Kies Bestand > Afdrukken.
2. Klik op de knop Instellingen onderin het dialoogvenster Afdrukken van InDesign.
3. Selecteer Afdrukken naar bestand in het dialoogvenster van het printerstuurprogramma.
4. Klik eerst op het tabblad Layout en vervolgens op de knop Geavanceerd.
5. Klik op Opties voor document, daarna op PostScript-opties en kies Optimaliseren voor overdraagbaarheid in het menu
PostScript-opties. Klik op OK.
6. Klik op OK of Afdrukken om terug te keren naar het dialoogvenster Afdrukken van InDesign.
7. Klik op Afdrukken in het dialoogvenster Afdrukken van InDesign.
8. Geef een naam en locatie op en klik op Opslaan.
Een PostScript-bestand maken met behulp van een PostScript-printerstuurprogramma
(Mac OS)
1. Kies Bestand > Afdrukken.
2. Kies in het dialoogvenster Afdrukken de optie PostScript-bestand in het menu Printer en klik op Opslaan.
3. Geef in het dialoogvenster PostScript-bestand opslaan een naam en locatie voor het PostScript-bestand (.ps) op en klik op
Opslaan.
Pagina's naar de EPS-indeling exporteren
Gebruik de opdracht Exporteren om InDesign-pagina's naar de indeling EPS te exporteren, die u in een ander programma kunt importeren. Als u
meerdere pagina's exporteert, wordt elke pagina geëxporteerd als een apart bestand met een nummer aan het einde van de bestandsnaam. Als u
bijvoorbeeld pagina 3, 6 en 12 exporteert en de bestandsnaam Nieuws.eps opgeeft, maakt InDesign drie bestanden: Nieuws_3.eps, Nieuws_6.eps
en Nieuws_12.eps.
Als u InDesign-pagina's in Illustrator of Adobe Photoshop wilt openen, exporteert u de pagina's als PDF- of EPS-bestanden.
1. Kies Bestand > Exporteren.
2. Geef een locatie en bestandsnaam op. Zorg dat u de extensie EPS invoert.
3. Kies EPS bij Opslaan als type (Windows) of opmaak (Mac OS) en klik op Opslaan.
4. Voer onder Pagina's in het dialoogvenster EPS exporteren een van de volgende handelingen uit:
Selecteer Alle pagina's om alle pagina's in het document te exporteren.
Selecteer Bereiken en typ een paginabereik. U kunt een bereik typen met een koppelteken en pagina's of bereiken
scheiden met een komma.
Selecteer Spreads om naast elkaar liggende pagina's als één EPS-bestand te exporteren (één spread per EPS).
5. Aanvullende opties instellen.
6. Typ onder Afloopgebied een waarde tussen 0p0 en 36p0 om extra ruimte op te geven voor afbeeldingen buiten de
paginarand of het snijgebied.
7. Klik op Exporteren.
EPS-exportopties
Als u naar EPS exporteert, kunt u de volgende opties opgeven:
PostScript®Definieert het niveau van compatibiliteit met de interpreters in PostScript-uitvoerapparatuur. Level 2 verhoogt vaak de afdruksnelheid
en uitvoerkwaliteit van afbeeldingen die alleen op uitvoerapparatuur met PostScript Level 2 of hoger worden afgedrukt. Level 3 biedt de hoogste
snelheid en uitvoerkwaliteit maar hiervoor is een PostScript 3-apparaat nodig.
KleurGeeft aan hoe kleuren worden weergegeven in het geëxporteerde bestand. De onderstaande opties zijn vrijwel gelijk aan die voor de
kleurinstellingen in het dialoogvenster Afdrukken.
Ongewijzigd latenOngewijzigd laten gebruikt voor elke afbeelding de oorspronkelijke kleurenruimte. Als het document bijvoorbeeld drie
RGB-afbeeldingen en vier CMYK-afbeeldingen bevat, bevat het resulterende EPS-bestand dezelfde RGB- en CMYK-afbeeldingen.
CMYK Maakt een scheidbaar bestand waarbij alle kleurwaarden worden gedefinieerd binnen de kleuromvang van cyaan, magenta, gele
en zwarte proceskleurinkten.
Grijs Zet alle kleurwaarden om naar zwart-witafbeeldingen van hoge kwaliteit. De grijswaarden (tinten) van de omgezette objecten
vertegenwoordigen de helderheid van de oorspronkelijke objecten.
RGBGeeft alle kleurwaarden weer volgens de kleurenruimte rood, groen en blauw. Een EPS-bestand met RGB-kleurdefinities is
geschikter voor schermweergave.
PostScript®-kleurbeheerHiermee gebruikt u de kleurgegevens van een document in een gekalibreerde versie van de originele
kleurruimte.
VoorvertoningBepaalt de eigenschappen van de voorvertoning die in het bestand is opgeslagen. De voorvertoning wordt weergegeven in
toepassingen die EPS-illustraties niet direct kunnen weergeven. Als u geen voorvertoning wilt maken, kiest u Geen in het menu Opmaak.
Ingesloten lettertypenGeeft aan hoe lettertypen worden opgenomen die worden gebruikt op de te exporteren pagina's.
GeenNeemt in het PostScript-bestand een verwijzing naar het lettertype op, waardoor de RIP of een postprocessor weet waar het
lettertype moet worden opgenomen.
VolledigDownloadt aan het begin van de afdruktaak alle lettertypen die nodig zijn voor het document. Alle glyphs en tekens in het
lettertype worden gedownload, ook als zij niet in het document voorkomen. InDesign vervangt automatisch lettertypen waarin meer dan het
maximumaantal glyphs (tekens) is opgenomen dan in het dialoogvenster Voorkeuren is opgegeven.
Subset Downloadt alleen de in het document gebruikte tekens (glyphs).
GegevensindelingGeeft aan hoe InDesign de afbeeldingsgegevens van uw computer naar een printer verzendt: als ASCII-gegevens of als
binaire gegevens.
AfbeeldingenGeeft aan hoeveel afbeeldingsgegevens in geplaatste bitmapafbeeldingen worden opgenomen in het geëxporteerde bestand.
AllesNeemt alle beschikbare hoge-resolutie afbeeldingsgegevens op in het geëxporteerde bestand. Dit kost meer schijfruimte. Kies deze
optie als het bestand wordt afgedrukt op een uitvoerapparaat met hoge resolutie.
ProxyNeemt alleen schermresolutieversies (72 dpi) van geplaatste bitmapafbeeldingen op in het geëxporteerde bestand. Kies deze optie
in combinatie met de optie Vervanging OPI-afbeelding of als het resulterende PDF-bestand op het scherm wordt weergegeven.
Vervanging OPI-afbeelding InDesign kan EPS-proxy's met lage resolutie bij het uitvoeren vervangen door afbeeldingen met hoge resolutie.
Weglaten voor OPIHiermee kunt u specifieke soorten geïmporteerde afbeeldingen weglaten wanneer u afbeeldingsgegevens naar een printer of
een bestand verzendt, waarbij alleen de OPI-koppelingen (opmerkingen) voor latere verwerking door een OPI-server overblijven.
Transparantie-afvlakker Selecteer een voorinstelling voor de transparantie-afvlakker om aan te geven hoe transparante objecten in het
geëxporteerde bestand moeten worden weergegeven. Deze optie is gelijk aan de optie Transparantie-afvlakker in het gebied Geavanceerd van
het dialoogvenster Afdrukken.
Inktbeheer Corrigeert inktopties zonder het ontwerp van het document te wijzigen.
Meer Help-onderwerpen
Juridische kennisgevingen | Onlineprivacybeleid
Inkten, scheidingen en rasterfrequentie
Naar boven
Overzicht Inktbeheer
Opgeven welke kleuren moeten worden gescheiden
Steunkleuren scheiden als proceskleuren
Een alias voor een steunkleur maken
Uitvoersteunkleuren met behulp van Lab-waarden weergeven
Over de halftoonrasterfrequentie
Een halftoonrasterfrequentie en resolutie opgeven
Informatie over emulsie en beeldbelichting
Emulsie opgeven
De beeldbelichting instellen
Scheiding en documentinstellingen controleren
Kleurscheidingen controleren
in-RIP-scheidingen maken
Scheidingen afdrukken of opslaan
Klik op onderstaande koppelingen voor gedetailleerde informatie en instructies.
Overzicht Inktbeheer
Inktbeheer geeft u tijdens het uitvoeren controle over inkten. Wijzigingen die u doorvoert met Inktbeheer zijn van invloed op de uitvoer, maar niet
op de manier waarop de kleuren worden gedefinieerd in het document.
De opties van Inktbeheer zijn vooral nuttig voor afdrukservicebureaus. Als een procestaak bijvoorbeeld een steunkleur bevat, kan een
servicebureau het document openen en de steunkleur wijzigen in de equivalente CMYK-proceskleur. Als een document twee vergelijkbare
steunkleuren bevat terwijl er slechts een vereist is, of als dezelfde steunkleur twee verschillende namen heeft, kan het servicebureau de twee
kleuren toewijzen aan één alias.
In een overvullingsworkflow kunt u met Inktbeheer de inktdichtheid instellen om te bepalen wanneer overvulling plaatsvindt. Verder kunt u het juiste
aantal inkten en de inktvolgorde instellen.
Opmerking: InDesign en Acrobat maken gebruik van dezelfde technologie voor Inktbeheer. U hebt echter alleen in InDesign de beschikking over
de optie Standaard LAB-waarden gebruiken voor steunkleuren.
Inktbeheer
A. ProcesinktB.Aliased steuninktC. Steuninkt
Inktbeheer openen
Ga op een van de volgende manieren te werk:
Kies Inktbeheer in het menu van het deelvenster Voorvertoning scheidingen (Venster > Uitvoer > Voorvertoning scheidingen).
Kies Bestand > Afdrukken en klik op Uitvoer. Klik in het gedeelte Uitvoer op Inktbeheer.
Naar boven
Naar boven
Naar boven
Naar boven
Naar boven
Opgeven welke kleuren moeten worden gescheiden
Elke scheiding wordt aangegeven met de kleurnaam die er door InDesign aan is toegewezen. Als er naast de kleurnaam een printerpictogram
staat, wordt er een scheiding voor die kleur gemaakt. In de inktlijst staan alle steunkleuren, waaronder de steunkleuren die zijn gedefinieerd en
gebruikt in geïmporteerde PDF-bestanden of EPS-afbeeldingen.
1. Selecteer in-RIP-scheidingen in het gedeelte Uitvoer van het dialoogvenster Afdrukken of In-RIP-scheidingen als u een PPD-
bestand gebruikt dat in-RIP-scheidingen ondersteunt.
2. Ga op een van de volgende manieren te werk:
Om een scheiding te kunnen maken, moet het printerpictogram naast de naam van de kleur in de lijst met inkten staan.
Als u geen scheiding wilt maken, klikt u op dit pictogram. Het printerpictogram verdwijnt.
Steunkleuren scheiden als proceskleuren
Met Inktbeheer kunt u steunkleuren omzetten in proceskleuren. Als steunkleuren worden omgezet in proceskleurequivalenten, worden ze afgedrukt
als scheidingen, en niet op een afzonderlijke plaat. Het omzetten van een steunkleur is nuttig als u per ongeluk een steunkleur hebt toegevoegd
aan een document dat uit proceskleuren bestaat of als het document meer steunkleuren bevat dan praktisch is om af te drukken.
1. Ga in Inktbeheer op een van de volgende manieren te werk:
Als u afzonderlijke steunkleuren wilt scheiden, klikt u op het pictogram voor het inkttype links van de steunkleur of aliased
steunkleur. Er wordt een pictogram voor proceskleuren weergegeven. Als u de kleur wilt terugzetten naar een steunkleur,
klikt u opnieuw op het pictogram.
Als u alle steunkleuren wilt scheiden, klikt u op Alle steunkleuren naar proceskleuren. De pictogrammen links van de
steunkleuren veranderen in pictogrammen voor proceskleuren. Als u alle steunkleuren wilt herstellen, schakelt u Alle
steunkleuren naar proceskleuren uit.
Opmerking: Als u Alle steunkleuren naar proceskleuren selecteert, worden alle inktaliassen verwijderd die u hebt ingesteld in
Inktbeheer. Verder kan dit invloed hebben op instellingen voor overdrukken en overvullen in het document.
2. (Alleen InDesign) Als u de LAB-waarden van een steunkleur wilt gebruiken in plaats van de CMYK-definities, kiest u
Standaard LAB-waarden gebruiken voor steunkleuren.
Een alias voor een steunkleur maken
U kunt een steunkleur toewijzen aan een andere steun- of proceskleur door een alias te maken. Een alias is nuttig als een document twee
vergelijkbare steunkleuren bevat terwijl er slechts één vereist is of als het document te veel steunkleuren bevat. U kunt de effecten van inktaliasing
zien in de afgedrukte uitvoer en u kunt de effecten op het scherm zien als de modus Voorvertoning overdruk is ingeschakeld.
1. Selecteer in Inktbeheer de steunkleurinkt waarvoor u een alias wilt maken.
2. Kies een optie in het menu Inktalias. Het pictogram voor het inkttype en de inktbeschrijving worden aan uw keuze aangepast.
Uitvoersteunkleuren met behulp van Lab-waarden weergeven
Sommige vooraf gedefinieerde steunkleuren, zoals kleuren uit de TOYO-, PANTONE-, DIC- en HKS-bibliotheken, zijn gedefinieerd met behulp van
Lab-waarden. De kleuren uit deze bibliotheken bevatten CMYK-definities om achterwaarts compatibel te zijn met vorige versies van InDesign.
Wanneer Lab-waarden samen met de juiste apparaatprofielen worden gebruikt, krijgt u de nauwkeurigste uitvoer op alle apparaten. Als
kleurbeheer van cruciaal belang is voor uw project, kunt u steunkleuren ook met behulp van hun Lab-waarden weergeven, exporteren en
afdrukken. Met de optie Standaard Lab-waarden gebruiken voor steunkleuren van Inktbeheer kunt u bepalen welke kleurmodus door InDesign
voor deze vooraf gedefinieerde steunkleuren wordt gebruikt: Lab of CMYK. Als de uitvoer moet overeenkomen met eerdere versies van InDesign,
dient u de CMYK-equivalenten te gebruiken.
Opmerking: Als de optie Voorvertoning overdruk is ingeschakeld, gebruikt InDesign automatisch de Lab-waarden waardoor de weergave op het
scherm verbetert. Ook worden bij het afdrukken of exporteren Lab-waarden gebruikt als u de optie Overdruk simuleren in het gedeelte Uitvoer van
het dialoogvenster Afdrukken of van het dialoogvenster Adobe PDF exporteren hebt geselecteerd.
1. Kies Inktbeheer in het deelvenstermenu Voorvertoning scheidingen.
2. Ga op een van de volgende manieren te werk:
Selecteer voor Lab-waarden de optie Standaard Lab-waarden gebruiken voor steunkleuren.
Deselecteer voor CMYK-waarden de optie Standaard Lab-waarden gebruiken voor steunkleuren.
Over de halftoonrasterfrequentie
In commercieel drukwerk wordt een continutoon gesimuleerd met stippen (ook wel halftoonstippen genoemd) die worden afgedrukt in rijen (ook
Naar boven
Naar boven
wel lijnen of lijnrasters genoemd). Lijnen worden afgedrukt bij verschillende hoeken, zodat de rijen minder opvallen. In het menu Rasteren in het
gedeelte Uitvoer van het dialoogvenster Afdrukken worden de aanbevolen sets voor lijnrasters in lijnen per inch (lpi) en voor resolutie in stippen
per inch (dpi) weergegeven. Deze waarden zijn gebaseerd op het momenteel geselecteerde PPD-bestand. Als u inkten selecteert in de inktenlijst,
worden de waarden in de vakken Frequentie en Hoek gewijzigd. Op deze manier worden de rasterfrequentie en -hoek voor een type inkt getoond.
Bij een hoge rasterliniëring (bijvoorbeeld 150 lpi) staan de puntjes op de afdruk dicht bij elkaar waardoor de afbeelding scherper wordt afgedrukt.
Bij een lage rasterliniëring (60 lpi tot 85 lpi) staan de puntjes verder van elkaar af en wordt de afbeelding grover. De grootte van de puntjes wordt
mede bepaald door het lijnraster. Bij een dichte rasterliniëring worden kleine punten gebruikt en bij een lage rasterinstelling worden grote punten
gebruikt. De belangrijkste factor bij het kiezen van een rasterliniëring is het type drukpers waarop uw document wordt afgedrukt. Vraag aan de
drukkerij welk lijnraster er maximaal mogelijk is bij hun drukpers en stel aan de hand van dat gegeven uw opties in.
Lijnrasters
A.65 lpi: Grof raster voor het afdrukken van nieuwsbrieven en kortingsbonnenB.85 lpi: Gemiddeld raster voor het afdrukken van
dagbladenC.133 lpi: Raster van hoge kwaliteit voor het afdrukken van tijdschriften in vier kleurenD.177 lpi: Uiterst fijn raster voor het
afdrukken van jaarrapporten en afbeeldingen in kunstboeken
De PPD-bestanden voor imagesetters met een hoge resolutie bieden een groot aantal mogelijke rasterfrequenties die zijn gekoppeld aan allerlei
resoluties voor imagesetters. De PPD-bestanden voor printers met een lage resolutie bevatten over het algemeen maar enkele opties voor
lijnrasters. Doorgaans gaat het om vrij grove rasters tussen 53 lpi en 85 lpi. De grove rasters leveren op printers met een lage resolutie echter een
optimaal resultaat op. Als u bijvoorbeeld een fijner raster van 100 lpi bij een printer met een lage resolutie gebruikt, neemt de kwaliteit van de
afdruk af.
Een halftoonrasterfrequentie en resolutie opgeven
Kies in het gedeelte Uitvoer van het dialoogvenster Afdrukken een van de volgende opties:
Om een van de vooraf ingestelde combinaties van rasterfrequenties en resolutie te selecteren, kiest u een optie in het menu
Rasteren.
Als u een aangepaste halftoonrasterfrequentie wilt instellen, selecteert u de plaat die moet worden aangepast en voert u
vervolgens de lpi-waarde in het tekstvak Frequentie en een rasterhoek in het tekstvak Hoek in.
Opmerking: Voordat u uw eigen halftoonrasters gaat maken, kunt u het beste eerst contact opnemen met het servicebureau voor de gewenste
frequenties en hoeken. Houd er ook rekening mee dat bepaalde uitvoerapparaten de standaardfrequenties en -hoeken negeren.
Informatie over emulsie en beeldbelichting
Afhankelijk van het type drukpers en de manier waarop informatie wordt overgedragen van de film naar de afdrukplaten, kan het nodig zijn uw
afdrukservicebureau te voorzien van filmnegatieven of -positieven, met de emulsiezijde omhoog of omlaag. Emulsie heeft betrekking op de
fotogevoelige laag op film of papier. Normaal gesproken verwerken afdrukservicebureaus in de Verenigde Staten negatieve films en in Europa en
Japan positieve films. Controleer bij het afdrukservicebureau aan welke emulsierichting zij de voorkeur geven.
U kunt zien wat de emulsiezijde of de niet-emulsiezijde (ook wel de basis genoemd) is door de film onder een heldere lamp te houden. De ene
kant is glanzender dan de andere. De doffe kant is de emulsiezijde en de glanzende kant is de basis.
Naar boven
Naar boven
Naar boven
Naar boven
Naar boven
Emulsieopties
A. PositiefbeeldB. NegatiefC.Negatief met emulsiezijde omlaag
Belangrijk: De instellingen voor emulsie en afbeeldingsbelichting in het dialoogvenster Afdrukken overschrijven eventuele conflicterende
instellingen in het printerstuurprogramma. Geef de afdrukinstellingen altijd op via het dialoogvenster Afdrukken.
Emulsie opgeven
1. Kies voor Kleur in het gedeelte Uitvoer van het dialoogvenster Afdrukken de optie Samengesteld grijs of een scheidingsoptie.
2. Selecteer een van de volgende opties voor Spiegelen:
Geen (standaardinstelling) Hiermee worden geen wijzigingen aangebracht in de afdrukstand van het afbeeldingsgebied. De
tekst in de afbeelding is leesbaar (van links naar rechts lezen) wanneer de fotogevoelige laag naar u toe is gericht.
Horizontaal Hiermee wordt het afbeeldingsgebied gespiegeld om een verticale as, zodat de tekst niet op de normale manier
leesbaar is.
Verticaal Hiermee wordt het afbeeldingsgebied gespiegeld om een horizontale as, zodat de tekst ondersteboven staat.
Horizontaal & verticaalHiermee wordt het afbeeldingsgebied langs de horizontale en verticale as gespiegeld, zodat de tekst
niet op de normale manier leesbaar is. De tekst is leesbaar wanneer de fotogevoelige laag niet naar u toe is gericht.
Afbeeldingen die worden afgedrukt op film, worden vaak horizontaal en verticaal afgedrukt.
De beeldbelichting instellen
1. Kies voor Kleur in het gedeelte Uitvoer van het dialoogvenster Afdrukken de optie Samengesteld grijs of een scheidingsoptie.
2. Selecteer of deselecteer de optie Negatief.
Scheiding en documentinstellingen controleren
In het gedeelte Overzicht van het dialoogvenster Afdrukken staat een overzicht met de gegevens van kleurbeheer, de afmetingen van de
drukkersmarkeringen en het afloopgebied voor het document. Hier wordt ook aangegeven of overvullen is ingeschakeld.
Zo kunt u, voordat u het document afdrukt of naar het prepress-bureau verstuurt, nog controleren of de kwaliteit van het document aan uw eisen
voldoet.
Kleurscheidingen controleren
Maak op papier een proefafdruk en controleer daarmee of de kleuren op de juiste scheidingen worden afgedrukt, of maak een proefafdruk op het
scherm en bekijk hoe de kleuren in het document eruit komen te zien als het document op een bepaald uitvoerapparaat wordt gereproduceerd.
Opmerking: Geen enkele proefafdruk is de exacte weergave van het uiteindelijke resultaat, maar u kunt de nauwkeurigheid aanzienlijk
verbeteren door alle apparaten waarmee u een document maakt, zoals scanners, monitoren en printers, te kalibreren. Als de apparaten zijn
gekalibreerd, kunt u met het kleurbeheersysteem voorspelbare en consistente kleuren produceren.
Aan de hand van de proefafdruk op papier kunt u bekijken hoe de uiteindelijke scheidingen eruit komen te zien en kan het prepress-bureau
controleren of de uitvoer correct is. U moet de proefafdruk op een PostScript-printer afdrukken omdat u met een niet-PostScript-printer de
kleurscheidingen niet goed kunt controleren.
Om er zeker van te zijn dat het bestand goed wordt afgedrukt moet u de scheidingen als een PostScript-bestand opslaan, het PostScript-
bestand via Acrobat Distiller in Acrobat 8 PDF omzetten en het PDF-document in Acrobat bekijken. In Acrobat kunt u met het PDF-document
de PostScript-uitvoer veel beter op kwaliteit en op detail controleren.
in-RIP-scheidingen maken
Voor het maken van in-RIP-scheidingen hebt u de volgende software en hardware nodig:
Een PPD-bestand dat in-RIP-scheidingen ondersteunt.
Naar boven
Een PostScript 3-uitvoerapparaat of een PostScript Level 2-apparaat waarvan de RIP in-RIP-scheidingen ondersteunt. Als het
document duotonen uit Photoshop 5.0 of hoger bevat, hebt u een PostScript 3-apparaat nodig om in-RIP-scheidingen te
kunnen genereren.
Opmerking: Het servicebureau kan prepress-activiteiten zoals overvullen, impositie, scheiden en OPI-vervanging op de RIP van het
uitvoerapparaat alleen uitvoeren als hun software dat mogelijk maakt. Daarom kan het prepress-bureau vragen om een samengesteld PostScript-
bestand van het document dat is geoptimaliseerd voor in-RIP-scheidingen, en geen voorgescheiden PostScript-bestand te sturen.
Scheidingen afdrukken of opslaan
1. Kies een voorinstelling in het menu Voorinstellingen afdrukken boven in het dialoogvenster Afdrukken als er een voorinstelling
met de desbetreffende scheidingsinstellingen bestaat.
2. Ga op een van de volgende manieren te werk:
Als u op een uitvoerapparaat wilt afdrukken, kiest u het desbetreffende apparaat in het menu Printer.
Als u naar een bestand wilt afdrukken, kiest u PostScript®-bestand in het menu Printer. Kies vervolgens een PPD die het
uitvoerapparaat ondersteunt.
3. Klik op Algemeen en geef op welke pagina's moeten worden gescheiden.
4. Klik op Uitvoer en voer een van de volgende handelingen uit:
Om af te drukken op een uitvoerapparaat kiest u Scheidingen om de scheidingen in InDesign te maken.
Als u naar een bestand wilt afdrukken, kiest u Scheidingen of In-RIP-scheidingen om de scheidingsinstellingen op te slaan
in een samengesteld PostScript-bestand voor verwerking in de RIP.
Opmerking: Om Adobe In-RIP-overvulling te kunnen gebruiken moet u werken met in-RIP-scheidingen en niet met
scheidingen op een host. Anders heeft de overvulfunctie geen toegang tot alle kleuren en wordt er niet overgevuld.
5. Klik op Grafisch en doe het volgende:
Kies Alles voor Gegevens verzenden.
Kies voor Downloaden de optie Volledig of Subset, tenzij de lettertypen naderhand pas worden ingevoegd (bijvoorbeeld op
de RIP of door een programma voor nabewerking).
Selecteer voor PostScript® het PostScript-niveau van het uitvoerapparaat: Level 2 of Level 3.
6. Klik op Geavanceerd en voer een van de volgende handelingen uit:
Om ingesloten afbeeldingen met een lage resolutie in geplaatste EPS-bestanden te kunnen vervangen door dezelfde
afbeeldingen met een hoge resolutie moet Koppelingen ingesloten OPI-afbeeldingen lezen zijn geselecteerd als het EPS-
bestand wordt geplaatst in het InDesign-document en moet vervolgens Vervanging OPI-afbeelding in het gedeelte
Geavanceerd van het dialoogvenster Afdrukken worden geselecteerd.
Om diverse geïmporteerde afbeeldingstypen voor latere vervanging door een OPI-server weg te laten, selecteert u de
gewenste opties onder Weglaten voor OPI.
Kies bij Voorinstelling transparantie-afvlakker de optie [Hoge resolutie] of een beschikbare, aangepaste stijl met
instellingen voor een hoge resolutie.
7. Selecteer andere afdrukopties.
8. Ga op een van de volgende manieren te werk:
Klik op Afdrukken om op een uitvoerapparaat af te drukken.
Klik op Opslaan om naar een bestand af te drukken. U kunt het bestand onder dezelfde naam opslaan of een andere
naam voor het bestand opgeven. Ten slotte klikt u nogmaals op Opslaan.
Opmerking: Nadat u de scheidingen van het InDesign-document hebt gemaakt, worden de instellingen die u in het dialoogvenster Afdrukken
hebt gekozen, opgeslagen bij het gescheiden bestand. In het bestand worden de scheidingsinstellingen, de PPD-informatie en de opgegeven
kleuromzettingen uit het dialoogvenster Afdrukken opgeslagen.
Meer Help-onderwerpen
Kleuren controleren
Juridische kennisgevingen | Onlineprivacybeleid
Kleur beheren
Naar boven
Naar boven
Kleurbeheer bij afdrukken gebruiken
Kleuruitvoeropties voor samenstellingen
Een proefdruk maken op papier
Afdrukken van verlopen en kleurovervloeiingen verbeteren
Over halftoon- en printerpunten
Klik op onderstaande koppelingen voor gedetailleerde informatie en instructies.
Kleurbeheer bij afdrukken gebruiken
Als u een document met kleurbeheer afdrukt, kunt u aanvullende opties voor het kleurbeheer opgeven om de kleur op de afdruk consistent te
houden. Stel dat het document een profiel bevat dat specifiek is ingesteld voor prepress-uitvoer, maar u wilt het document op een desktopprinter
afdrukken om de kleuren te controleren. In het dialoogvenster Afdrukken kunt u de kleuren van het document omzetten naar de kleurenruimte van
de desktopprinter; het printerprofiel wordt gebruikt in plaats van het huidige documentprofiel. Als u de kleurenruimte Proef en een RGB-printer
selecteert, worden in InDesign kleurgegevens omgezet naar RGB-waarden op basis van de geselecteerde kleurenprofielen.
Drukt u op een PostScript-printer af, dan kunt u ook PostScript-kleurbeheer gebruiken. In deze instantie worden de kleurgegevens van het
document in een gekalibreerde versie van de oorspronkelijke kleurenruimte samen met het documentprofiel direct naar de PostScript-printer
verzonden en zet de printer het document om naar de kleurenruimte van de printer. De kleurenruimte van de printer is op het apparaat opgeslagen
in de vorm van een CRD (Color Rendering Dictionary), waardoor apparaatonafhankelijke uitvoer mogelijk is. (CRD's zijn de PostScript-
equivalenten van kleurenprofielen.) Het exacte resultaat van de kleuromzetting kan per printer verschillen. Om PostScript-kleurbeheer te kunnen
gebruiken, dient u over een printer te beschikken die gebruik maakt van PostScript Level 2 of hoger; het is niet nodig om een ICC-profiel voor de
printer op uw systeem te installeren.
Opmerking: Terwijl u werkt aan een document met kleurbeheer, kunt u gebruik maken van het deelvenster Preflight om ervoor te zorgen dat uw
kleuren voldoen aan de richtlijnen die opgeeft.
1. Controleer of het juiste stuurprogramma en PPD-bestand voor uw printer zijn geïnstalleerd.
2. Kies Bestand > Afdrukken.
3. Als een printervoorinstelling de gewenste instellingen bevat, kiest u deze in het menu Voorinstellingen afdrukken bovenin het
dialoogvenster Afdrukken.
4. Pas de instellingen voor dit document aan.
5. Klik op Kleurbeheer in het dialoogvenster Afdrukken.
6. Selecteer Document onder Afdrukken.
7. Kies voor Kleurafhandeling de optie Kleuren door InDesign laten bepalen.
8. Selecteer voor Printerprofiel het profiel voor uw uitvoerapparaat.
Hoe nauwkeuriger het profiel de werking van een uitvoerapparaat en de afdrukvoorwaarden (zoals papiertype) beschrijft, des
te nauwkeuriger kan het kleurbeheersysteem de numerieke waarden van de eigenlijke kleuren in een document omzetten.
9. Selecteer RGB-nummers behouden of CMYK-nummers behouden.
Deze optie bepaalt hoe InDesign kleuren verwerkt waaraan geen kleurenprofiel is gekoppeld (bijvoorbeeld geïmporteerde
afbeeldingen zonder ingesloten profielen). Wanneer deze optie is geselecteerd, stuurt InDesign de kleurnummers rechtstreeks
naar het uitvoerapparaat. Wanneer deze optie niet is geselecteerd, worden in InDesign de kleurnummers eerst omgezet naar
de kleurenruimte van het uitvoerapparaat.
Het behouden van nummers wordt aangeraden wanneer u met een veilige CMYK-workflow werkt. Het behouden van
nummers wordt afgeraden als u RGB-documenten gaat afdrukken.
10. Klik op Instellen (Windows) of Printer (Mac OS) om het dialoogvenster Printerstuurprogramma te openen.
11. Schakel het kleurbeheer voor de printer uit en klik op Afdrukken om terug te keren naar het dialoogvenster Afdrukken van
InDesign.
Elk printerstuurprogramma heeft andere opties voor kleurbeheer. In de documentatie van uw printer kunt u lezen hoe u
kleurbeheer uitschakelt.
12. Klik op Afdrukken.
Kleuruitvoeropties voor samenstellingen
Naar boven
In het gedeelte Uitvoer van het dialoogvenster Afdrukken kunt u bepalen hoe samengestelde kleuren in het document naar de printer worden
gestuurd. Als kleurbeheer is ingeschakeld (de standaardinstelling), resulteren de standaardwaarden van de kleurinstellingen in gekalibreerde
kleuruitvoer. Steunkleurgegevens blijven behouden tijdens de kleuromzetting. Alleen de equivalente proceskleuren worden omgezet naar de
opgegeven kleurenruimte. Als u niet zeker weet welk systeem u moet gebruiken, neemt u contact op met het prepress-bureau.
Samengestelde modi worden alleen toegepast op gerasterde afbeeldingen en objecten die met InDesign zijn gemaakt. Geplaatste afbeeldingen
zoals EPS- en Adobe PDF-bestanden worden alleen gewijzigd als ze transparante objecten overlappen.
Voor meer informatie over samengestelde afdrukken gaat u naar het Adobe Print Resource Center op www.adobe.com/go/print_resource_nl.
Opmerking: Het hangt van het door de printer gebruikte kleurmodel (doorgaans RGB) af welke opties er beschikbaar zijn voor niet-PostScript-
afdrukken.
Wanneer u samengesteld afdrukt, is automatisch overvullen uitgeschakeld. U kunt de optie Overdrukken simuleren echter inschakelen om
overdrukken voor tekst, lijnen of vullingen te controleren.
In het gedeelte Uitvoer van het dialoogvenster Afdrukken staan de volgende kleuropties: Afhankelijk van de printer die u gebruikt, zijn wellicht
andere opties beschikbaar in het dialoogvenster.
Samengesteld ongewijzigd latenStuurt een kleurenversie van de geselecteerde pagina's naar de printer, waarbij alle kleurwaarden in het
originele document bewaard blijven. Als deze optie is geselecteerd, is Overdrukken simuleren uitgeschakeld.
Samengesteld grijsStuurt grijstintenversies van de geselecteerde pagina's naar de printer wanneer u bijvoorbeeld op een monochrome printer
afdrukt zonder scheidingen te maken.
Samengesteld RGBStuurt een kleurenversie van de geselecteerde pagina's naar de printer wanneer u bijvoorbeeld op een RGB-kleurenprinter
afdrukt zonder scheidingen te maken.
Samengesteld CMYKStuurt een kleurenversie van de geselecteerde pagina's naar de printer wanneer u bijvoorbeeld op een CMYK-
kleurenprinter afdrukt zonder scheidingen te maken. (Deze optie is alleen beschikbaar voor PostScript-printers.)
ScheidingenMaakt PostScript-gegevens voor elk van de benodigde scheidingen voor het document en stuurt deze gegevens naar het
uitvoerapparaat. (Deze optie is alleen beschikbaar voor PostScript-printers.)
In-RIP-scheidingenStuurt gegevens over scheidingen naar de RIP van het uitvoerapparaat. (Deze optie is alleen beschikbaar voor PostScript-
printers.)
Tekst zwart weergevenHiermee drukt u alle tekst die in InDesign is gemaakt, zwart af tenzij de tekst de kleur Geen of Papier heeft of een
kleurwaarde die overeenkomt met wit. Selecteer deze optie als u inhoud gaat maken die wordt afgedrukt en als PDF-bestand wordt gedistribueerd.
Als de hyperlinks bijvoorbeeld blauw zijn in de PDF-versie, worden ze op een zwart-witprinter zwart afgedrukt en niet met halftoonpatronen omdat
die de tekst moeilijker te lezen maken.
Een proefdruk maken op papier
Een proefdruk op papier (soms een proefafdruk of overeenkomstafdruk genoemd) is een afgedrukte simulatie van hoe de uiteindelijke uitvoer op
de drukpers eruit zal zien. Een proefdruk op papier wordt geproduceerd op een uitvoerapparaat dat minder kostbaar is dan een drukpers. De
laatste jaren zijn er inkjetprinters op de markt verschenen die beschikken over de resolutie die nodig is voor het produceren van minder kostbare
afdrukken die als proefdrukken kunnen worden gebruikt.
1. Kies Weergave > Instellen proef > Aangepast.
2. Selecteer in het dialoogvenster Proefdrukvoorwaarde aanpassen het apparaat dat u wilt simuleren, en klik op OK.
3. Selecteer RGB-nummers behouden of CMYK-nummers behouden en klik op OK.
Deze optie bepaalt hoe InDesign kleuren verwerkt waaraan geen kleurenprofiel is gekoppeld (bijvoorbeeld geïmporteerde
afbeeldingen zonder ingesloten profielen). Wanneer deze optie is geselecteerd, stuurt InDesign de kleurnummers rechtstreeks
naar het uitvoerapparaat. Wanneer deze optie niet is geselecteerd, worden in InDesign de kleurnummers eerst omgezet naar
de kleurenruimte van het uitvoerapparaat.
Het behouden van nummers wordt aangeraden wanneer u met een veilige CMYK-workflow werkt. Het behouden van
nummers wordt afgeraden als u RGB-documenten gaat afdrukken.
4. Kies Bestand > Afdrukken.
5. Als een printervoorinstelling de gewenste instellingen bevat, kiest u deze in het menu Voorinstellingen afdrukken bovenin het
dialoogvenster Afdrukken.
6. Pas de instellingen voor dit document aan.
7. Klik op Kleurbeheer in het dialoogvenster Afdrukken.
8. Selecteer Proef onder Afdrukken. Het profiel moet overeenkomen met de proefinstelling die u hebt opgegeven.
9. Kies voor Kleurafhandeling de optie Kleuren door InDesign laten bepalen.
10. Selecteer Papierkleur simuleren om de specifieke wittint van het afdrukmateriaal te simuleren zoals dat wordt gedefinieerd
door het profiel van het document (absoluut colorimetrische render-intentie). Deze optie is niet bij alle profielen beschikbaar.
11. Klik op Instellen (Windows) of Printer (Mac OS) om het dialoogvenster Printerstuurprogramma te openen.
12. Schakel het kleurbeheer voor de printer uit en klik op Afdrukken om terug te keren naar het dialoogvenster Afdrukken van
InDesign.
Elk printerstuurprogramma heeft andere opties voor kleurbeheer. In de documentatie van uw printer kunt u lezen hoe u
Naar boven
Naar boven
kleurbeheer uitschakelt.
13. Klik op Afdrukken.
Afdrukken van verlopen en kleurovervloeiingen verbeteren
PostScript Level 2- en PostScript 3-uitvoerapparaten kunnen maximaal 256 grijstinten afdrukken. De meeste PostScript-desktoplaserprinters
kunnen ongeveer 32 tot 64 tinten afdrukken, afhankelijk van de resolutie van het apparaat, de opgegeven rasterfrequentie en de halftoonmethode.
Er verschijnen stroken als elke beschikbare grijstint een gebied dekt dat zo groot is dat u de afzonderlijke tinten ziet. Ook als u een verloop opgeeft
met twee percentagewaarden die minder dan 50% van elkaar verschillen, geeft u een smal waardenbereik op dat wellicht met stroken wordt
weergegeven. Als u verlopen niet zonder stroken kunt afdrukken, probeert u het volgende:
Gebruik een verloop met een verschil van minimaal 50% tussen twee of meer proceskleurcomponenten.
Gebruik lichtere kleuren of maak donkere verlopen korter. Stroken komen meestal tussen heel donkere kleuren en wit voor.
Geef een hoger wijzigingspercentage voor het verloop op.
Verlaag de rasterfrequentie voor het document (alleen voor PostScript-uitvoerapparaten).
Als er stroken verschijnen in een geïmporteerde afbeelding, bijvoorbeeld een Adobe Illustrator®-bestand, moet u waarschijnlijk
de oorspronkelijke afbeelding aanpassen.
Druk af op een PostScript® 3-uitvoerapparaat, dat mooiere verlopen kan produceren.
Gebruik kortere verlopen. De optimale lengte is afhankelijk van de kleuren in het verloop, maar maak verlopen waar mogelijk
niet langer dan 19 cm.
Over halftoon- en printerpunten
De meeste printers simuleren grijs met halftoonpunten die op een raster worden afgedrukt. De rastercellen worden halftooncellen genoemd en de
rasterlijnen lijnen of lijnrasters. Halftoonpunten bestaan uit printerpunten. Hoe meer printerpunten in een halftoonpunt, hoe groter de halftoonpunten
en hoe donkerder de grijstint.
De printerresolutie bepaalt het maximum aantal punten in een halftoonpunt. Een printer met kleinere punten kan een groter bereik van
halftoonpuntgrootten produceren, waardoor meer grijstinten mogelijk zijn. Ook de rasterfrequentie is belangrijk: bij een hoge rasterfrequentie wordt
de halftooncel kleiner, waardoor deze minder printerpunten kan bevatten en er minder grijstinten mogelijk zijn. U moet dus een afweging maken
tussen het aantal grijstinten en de kwaliteit van de afbeelding.
Ongerasterde halftonen simuleren met printerpunten
A.Ongerasterde halftonen gesimuleerd door lijnrasterB.Lijnraster dat bestaat uit halftoonpunten in rijenC.Halftoonpunten die bestaan uit
printerpunten
Meer Help-onderwerpen
Kleurbeheer
Werken met kleurenprofielen
Adobe Print Resource Center
Kleurbeheer toepassen op geïmporteerde afbeeldingen
Juridische kennisgevingen | Onlineprivacybeleid
Overdrukken
Naar boven
Naar boven
Over overdrukken
Bepalen wanneer er handmatig moet worden overgedrukt
Onderdelen van pagina's overdrukken
De instelling voor zwart overdrukken wijzigen
Klik op onderstaande koppelingen voor gedetailleerde informatie en instructies.
Over overdrukken
Als u de transparantie van de illustratie niet hebt gewijzigd met het deelvenster Transparantie, worden vullingen en lijnen als dekkende kleuren
weergegeven omdat de bovenste kleur het onderliggende gebied uitschakelt of uitneemt. Dit uitnemen voorkomt u met de overdrukopties in het
deelvenster Kenmerken. Nadat u de overdrukopties hebt ingesteld, kunt u het effect ervan op het scherm bekijken.
Drie overlappende cirkels zonder overdrukken (links) vergeleken met drie overlappende cirkels met overdrukken (rechts)
InDesign beschikt ook over een functie voor het simuleren van overdruk, waarmee u de effecten van overdrukkende steun- en procesinkten op
een samengesteld afdrukapparaat kunt simuleren.
Zwarte inkt die op tekst of op InDesign-objecten wordt toegepast, wordt standaard overgedrukt om verkeerde registratie te voorkomen van kleine,
zwarte teksttekens op gekleurde gebieden of van gekleurde gebieden met een zwarte contour. U kunt met de voorkeuren voor Vormgeving van
zwart de instellingen voor zwarte inkt wijzigen.
Voor het ontwerp van uw workflow kan het nodig zijn een bepaalde kleur voor overdrukken in te stellen, omdat u bijvoorbeeld alle tekst in een
publicatie in een specifieke kleur wilt afdrukken. Houd rekening met de volgende opties:
Maak een objectstijl waarbij de steuninkt als de vulling of lijn met een overeenkomende overdrukvulling of -lijn wordt gebruikt.
Maak een afzonderlijke laag voor objecten met steunkleuren en wijs die toe aan zwart.
Maak een samengesteld PDF-bestand en wijzig de overdrukinstellingen in het PDF-bestand.
Wijs de overdrukinstellingen in uw RIP toe.
Pas overdrukinstellingen toe op een afbeelding of object en voeg die afbeelding of dat object toe aan de bibliotheek, of bewerk
een geplaatst bestand in de toepassing waarmee dat bestand is gemaakt.
Bepalen wanneer er handmatig moet worden overgedrukt
Bij automatisch overvullen in InDesign, als ingebouwde overvulling of als Adobe RIP overvulling, is handmatig overvullen vrijwel niet meer nodig.
Maar het handmatig overvullen kan een doeltreffende oplossing zijn in die zeldzame gevallen waarin u automatisch overvullen niet kunt gebruiken.
Met de volgende richtlijnen kunt u bepalen of overdrukken wel of niet nodig is:
Vraag aan het prepress-bureau of hun uitvoerapparaten handmatig overvullen ondersteunen.
Overdruk wanneer in de illustratie geen algemene inktkleuren worden gebruikt en wanneer u een overvulling wilt maken of
inkteffecten op elkaar wilt plaatsen. Bij het overdrukken van gemengde proceskleuren of aangepaste kleuren die niet de
algemene inktkleuren gebruiken, wordt de overdrukkleur aan de achtergrondkleur toegevoegd. Als u bijvoorbeeld een vulling
van 100% magenta op een vulling van 100% cyaan afdrukt, wordt de overlappende vulling violet en niet magenta van kleur.
Overdruk niet als u een lijn gebruikt om twee proceskleuren te overvullen. Geef in plaats daarvan een CMYK-lijnkleur op die de
hogere waarde van de overeenkomende inkten in elke oorspronkelijke kleur gebruikt.
Kom met het prepress-bureau overeen wanneer en hoe er handmatig wordt overgedrukt, omdat dit van invloed is op de
ingestelde overvulopties in het dialoogvenster Afdrukken. Overdrukken wordt door de meeste PostScript Level 2- en PostScript
Naar boven
3-apparaten ondersteund.
Onderdelen van pagina's overdrukken
U kunt vullingen of lijnen, alinealijnen en lijnen boven voetnoten overdrukken. Ook kunt u het overdrukken van steunkleuren simuleren.
Een lijn of vulling overdrukken
U kunt met het deelvenster Kenmerken de lijnen of vullingen van elk geselecteerd pad overdrukken. Een overgedrukte lijn of vulling hoeft niet te
worden overgevuld, omdat door overdrukken de eventuele ruimte tussen aangrenzende kleuren wordt bedekt. U kunt een lijn ook overdrukken
door een overvulling te simuleren (door een kleur te overdrukken die u handmatig hebt berekend als de juiste combinatie van twee aangrenzende
kleuren).
Houd u aan de volgende richtlijnen wanneer u handmatig overdrukken gaat toepassen:
Als u de optie Vulling overdrukken gebruikt bij een 100% zwarte lijn of vulling, is de zwarte inkt waarschijnlijk niet dekkend
genoeg, waardoor de onderliggende inktkleuren zijn te zien. Dit doorschijnen voorkomt u door vierkleuren zwart (verzadigd) in
plaats van 100% zwart te gebruiken. Neem contact op met het prepress-bureau voor de exacte percentages kleur die u aan
het zwart moet toevoegen.
Als u een lijn gebruikt om objecten te overvullen (maar geen teksttekens), dient u de lijnuitlijning aan te passen zodat de lijn
buiten het pad of object valt, in plaats van binnen in of gecentreerd op het pad.
Wanneer u met een lijn twee steunkleuren of een steunkleur en een proceskleur gaat overdrukken, past u doorgaans de
lichtere kleur op de lijn toe en overdrukt u vervolgens de lijn.
Met het deelvenster Voorvertoning scheidingen kunt u zien hoe kleuren worden overgedrukt.
1. Selecteer een of meer paden met het gereedschap Selecteren of het gereedschap Direct selecteren of selecteer
teksttekens met het gereedschap Tekst. Om de lijn te overdrukken van een pad dat in een kader is geplakt, moet u eerst met
het gereedschap Direct selecteren het ingesloten (binnenste) pad selecteren.
Gebruikershandleiding.com neemt misbruik van zijn services uitermate serieus. U kunt hieronder aangeven waarom deze vraag ongepast is. Wij controleren de vraag en zonodig wordt deze verwijderd.
Product:
Spelregels forum
Om tot zinvolle vragen te komen hanteren wij de volgende spelregels:
lees eerst de handleiding door;
controleer of uw vraag al eerder door iemand anders is gesteld;
probeer uw vraag zo duidelijk mogelijk te stellen;
heeft u een probleem en al geprobeerd om dit op te lossen, vermeld dit erbij aub;
heeft u een oplossing gekregen van een bezoeker dan horen wij dat graag in dit forum;
wilt u een reactie geven op een vraag of antwoord, gebruik dan niet dit formulier maar klik op de knop 'reageer op deze vraag';
uw vraag wordt direct op de website gezet; vermijd daarom persoonlijke gegevens in te vullen;
Belangrijk! Als er een antwoord wordt gegeven op uw vraag, dan is het voor de gever van het antwoord nuttig om te weten als u er wel (of niet) mee geholpen bent! Wij vragen u dus ook te reageren op een antwoord.
Belangrijk! Antwoorden worden ook per e-mail naar abonnees gestuurd. Laat uw emailadres achter op deze site, zodat u op de hoogte blijft. U krijgt dan ook andere vragen en antwoorden te zien.
Abonneren
Abonneer u voor het ontvangen van emails voor uw Adobe InDesign CS6 bij:
nieuwe vragen en antwoorden
nieuwe handleidingen
U ontvangt een email met instructies om u voor één of beide opties in te schrijven.
Ontvang uw handleiding per email
Vul uw emailadres in en ontvang de handleiding van Adobe InDesign CS6 in de taal/talen: Nederlands als bijlage per email.
De handleiding is 12,05 mb groot.
U ontvangt de handleiding per email binnen enkele minuten. Als u geen email heeft ontvangen, dan heeft u waarschijnlijk een verkeerd emailadres ingevuld of is uw mailbox te vol. Daarnaast kan het zijn dat uw internetprovider een maximum heeft aan de grootte per email. Omdat hier een handleiding wordt meegestuurd, kan het voorkomen dat de email groter is dan toegestaan bij uw provider.
Stel vragen via chat aan uw handleiding
Stel uw vraag over deze PDF
Uw handleiding is per email verstuurd. Controleer uw email
Als u niet binnen een kwartier uw email met handleiding ontvangen heeft, kan het zijn dat u een verkeerd emailadres heeft ingevuld of dat uw emailprovider een maximum grootte per email heeft ingesteld die kleiner is dan de grootte van de handleiding.
Er is een email naar u verstuurd om uw inschrijving definitief te maken.
Controleer uw email en volg de aanwijzingen op om uw inschrijving definitief te maken
U heeft geen emailadres opgegeven
Als u de handleiding per email wilt ontvangen, vul dan een geldig emailadres in.
Uw vraag is op deze pagina toegevoegd
Wilt u een email ontvangen bij een antwoord en/of nieuwe vragen? Vul dan hier uw emailadres in.